VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3850

Malabar · 734 pages · 118 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3850_0313 view scan ↗

English

444 In 1 case No. 1: Hides 6. According to Invoice | According to Reports | More | Less | Per Cent 6. —. —: — pump leather weighing 126 lb Anchors, of which 1 weighs 3225 lb 1 ditto 1045 751 —. —. —. Grapnels, namely 1 weighs 200 lb 1 ditto 111 Cochin, the 17th of December 1788. /was signed/ R. van Harn And with respect to the 20 drum lines, 2 bundles of drum strings, and 29 drum skins that were sent with other goods in four cases marked No. 200, 201, 203, and 204 by the ship De Drie Gebroeders from Amsterdam to Colombo and from there sent hither with the Batavier, and according to findings were found to be rotten, missing, and unfit, it has been resolved and understood, since the cases were in good condition, that these rotten goods, pursuant to Article 8 of the regulations on the receipt and delivery of cargoes dated the 15th of August 1764, ought to be charged to the senders and packers for compensation, to be debited to Batavia so that they may be dealt with further at the discretion of Their High Excellencies the High Indian Government. Regarding the shortage of one eye-iron shown upon inspection, it has been resolved and understood to write off the same, as it appears from a ship's declaration that the said eye-iron fell out of the sling and overboard in the Bay of Galle during the transfer of six of them. Regarding the three bottles of white Siranson wine delivered short beyond the validated percentage, it has been resolved and understood to have the same compensated by the ships' officers, to validate the further permitted percentages, and 445 and to write off the six books of small-format paper found torn, 64 glass window panes found broken to pieces, and the spoiled 3 casks of cauliflower, 1 cask of sauerkraut, 1 cask of red cabbage, 1 cask of white cabbage, 99 lb of pears, and 42 lb of peaches. Agreed Arnold Lunel Examined J. J. Schuurman Secretary No. 15 446 To the Right Honorable Johan Gerard van Angelbeek, Ordinary Councilor of the Dutch Indies, as well as Governor and Director of the Malabar Coast with its dependencies. Right Honorable High-Commanding Sir! In compliance with Your Right Honorable's highly esteemed order, we, the undersigned, as ordinary commissioners in the Company's trade warehouse, have, through the warehouse master Johan Adam Cellarius and in the presence of the officers of the ship the Batavier, seen received the following goods brought from Colombo by the said vessel, to wit: According to project | Here received | More | Less | Per Cent In 1 case No. 1: weighs gross 704 lb: in good condition. 608. 607 1/8. — 7/8. 1/16. Sheet copper; whereof: 200 5/8 lb red in 6 sheets. 303 5/16 lb yellow in 8 ditto. 102 5/16 lb brass in 2 plates. —. — large blacking in 4 cases No. 2 to 5: weighing gross 437, 435, 422, and 441 lb: 25 barrels ditto making 500 barrels of a lesser sort. In 1 small cask No. 6: weighs gross 129 lb: in good condition. 70. 70. —. —. —. lb nutgalls. 25. 25. —. —. —. lb gum. 12. 12. —. —. —. lb copperas. In 1 small case No. 8: weighs gross 11 lb: in good condition. 8. 8. —. —. —. lb fine sealing thread in 50 skeins. In 1 small case No. 9: weighs gross 13 lb: in good condition. 1. 1. —. —. —. lb cut pencil. 1. 1. —. —. —. lb red earth. 3. 3. —. —. —. pieces whetstones. 2. 2. —. —. —. pieces slate boards. 2. 2. —. —. —. bundles slate pencils. 16296. 16214 1/2. —. 81 1/2. 1/2. lb nails of various sorts in 27 casks, namely: 5926 1/4 lb 6-inch, in 8 casks. 4954 1/4 lb 5-inch, in 7 ditto. 1393 lb thick double, in 3 ditto. 1990 lb thin single, in 5 ditto. 1452 5/8 lb splice irons, in 3 ditto. 498 1/2 lb scrapers, in 1 ditto. 575. 570 11/16. —. 4 5/16. 3/4. lb steel in one bundle. 7350. 7294 1/8. —. 55 7/8. 3/4. lb iron of various sorts, namely: 3970 lb carriage iron in 72 bars. 1950 1/4 lb square 1-inch in 37 bars. 1374 5/8 lb ditto 3/4-inch in 39 ditto. In 1 small case No. 10: weighs gross 11 lb: in good condition; containing: 60. 60. —. —. —. bundles quill shafts, namely: 30 bundles double blue tape. 30 ditto ditto red tape. In 1 case No. 48: weighs gross 443 lb: in good condition; containing: 12. 12. —. —. —. reams small-format paper, whereof 6 books torn. In 1 case No. 68: weighs gross 420 lb: in good condition. 500. 500. —. —. —. pieces glass panes of 11 by 9 inches, whereof 64 pieces found broken. 8. 8. —. —. —. reams large median paper. 20. 20. —. —. —. bundles quill shafts. 1. 1. —. —. —. piece whetstone. In 1 case No. 7: weighs gross 70 lb: in good condition: 25 3/4. 25 3/4. —. —. —. lb whole verdigris. 25. 24 15/16. —. 1/16. 1/4. lb minium. Herewith

Dutch transcription

444 In 1: kas N=o 1: Huijden 6. volgens volgens Meerder Minde PerCto. Faktuur Rapporten 6. —. —: — pompleer weegen 126 lb Ankers, daar van 1:weegd 3225:— lb 1 do 1045: — 751: –„ —. —. —. Dreggen als 1: weegd 200 lb 1 d=o 111 „ Cochim den 17 December 1788. /was geteekend/ R: van Harn En werd met opzicht tot de 20 trom¬ lijnen 2 bossen tromsnaaren en 29 trom„ „vellen die met andere goederen in vier kassen gemerkt N=o 200. 201: 203 en 204: met het schip De Drie Gebroeders van Amsterdam naar Kolombo en van daar met de Batavier herwaards gezonden en volgens de bevinding verrot vermist en on„ „bequaam bevonden zijn goedge„ „vonden en verstaan wijl de Kassen urven den 3. 3. —. — 0 2 2 van1: eeden l huijs : „ kassen welgekondietsioneerd ge„ „weest zijnen dus die verrotten goe„ „deren volgens het 8sten artikel van het reglement op den ontvangst en uitlee„ „vering van laadingen gedateerd 15: Aug=s 1764: den afzenderen en af„ pakkeren ter vergoeding dienen opgelegd te worden naar Batavia te laaten aanreekenen om daarmeede na het believen van Hunne Hoogedee„ „heeden de Hooge Indiasche Regee„ „ring verder te worden gehandeld Nopens de bij de bevinding aange „toonde minderheid van een oogijzer is goedgevonden en verstaan hetzelve te laaten afschrijven- alzoo bij een scheeps verklaring blijkt, dat het gemelde oogijzer bij het overneemen van ses¬ „ derzelven in de Gaalsche baaij uit den strop en over boord gevallen is Nopens de boven de gevalideerde per„ „centen te min uitgeleeverde drie bottels witte Siranson wijn is goed¬ „gevonden en verstaan dezelven door de overheeden te laaten vergoeden de verdere gepermitteerden percenten te valideeren en 445 en de ses gescheurd bevondene boeken kleen formaat papier 64: aanstukken bevondene glase ruiten en de bedorvene 3: vaten blomkool 1: vat zuurkool 1: vat roode kool, 1: vat kopkool 99: lb peeren en 42. lb persiken te laaten afschrijven. —. Akkordeerd Arnold Lunel Nagezien J J Schuurman Sekret:s N„ 15: — 446 Aan den wel Edele groot Achtb: Heer Johan Gerard van Angelbeek Tonnen Raad ordinair van Neederlands Jndia, mitsgaders gouverneur en direkteur der kuste mallabaar met den resorte van dien. Wel Edele Groot Achtbaare Hoog Gebiedende Heer! In Naarkoming van Uw wel Edele Groot Achtb: hoog g'Eerde ordre hebben wij ondergeteekende als ordi„ „naire gekommitteerdens in 's Comp:s Negotie pakhuis, door den pakhuismeester Johan Adam Cellarius ten bijweesen van de overheeden van't schip de Batavier, zien ontvangen de ondervolgende goederen die per gemel„ „de Kiel van Kolombo aangebragt; teweeten volg. s projekt. alhier ontf: meerd. r mind:r p:r C=to In 1: kas N:o 1: weegd bouto 704:- lb: wel gekondifioneerd. 608: —. 607: 1/8: —: —: — /8: — 1/16: Plaat Koper; hiervan: 200: 5/8: lb: rood aan 6:- bladen. 303: 5/16: „. geel „. 8: — d=o 102: 5/16: „1. Latoen „. 2:- kloven. —. – groote swartsel in 4: kassen N„o 2: tot 5: weeg: b=to 437: 435: 422: en 441: lb: 25: Jonnen id=s uijtmaakende 500: tonnen van een mind r soort. In 1: vaatje N:o 6: weegd b=t 129:- lb: welgekonditioneerd. -. -. Galnooten. . - —. -. Gom. —. — —. —. Koperrood. „ 70:–. 70: — 25: – - - 25: 12: — 12:—. — 100: — 100: — —. – — lb: - „ 60:—. 60: — — 8:— volg:s peroj ekb: alhiepentf: meerd: mind:s pr C=to 25:8:— Jn 1: Kasje N:o 8: weegd b=t 11: —. lb: wel gekonditioneerd. —. – fijn Zegelgaaren aan 50: strengen. Jn 1: Kasje N:o 9: weegd b=to 13:- lb: welgekonditioneerd. 1: —. —:– gesneede potlood. 1: — —. —. rood aarde. —. — - —–. slijpsteentjes. -„ .-. —. – Ceijffer Lijen. —. — —. —. d=o griften. 12:—. - - 12: —. —. —. - - lb: 16296:—. 16214:½: —:—: 81:½: —: ½: Spijkers insoorten in 27: vaaten; als: 5926:¼: lb: 6: d=ms. , in 8: vaten. 4954:/¼: 11. 5: d=o - „. 7: d=o 1393:—. „. dikke dubb: „ 3:- - „. 1990:—: „. dunne Enk: „ 5: -. „. 1452: 5/8: „. Lasijsers. „. 3: „. 498:½: 11. wissers. - „. 1: - „ 4: 5/16: —¼: Staal in Een bos. 3970:—.: lb: affuits aan 72: staven. 1950:¼: 1. vierkant 1: d=ms aan 37: staven. 1374: 5/8: „. _=o _4: d=o „. 39: d=o. Jn 1: Kasje N„o 10: weegd b=t 11: lb: wel gekonditioneerd; daarin —. - penne schagten; als 30: – bossen dubb: blaauw bands. 30: - d=o d=o roodbands. 2: - - - 2:—.— 3: – – - 3: —. 7350:— 7294: 1/8: —. —. 55: 1/8: —. ¾. ijser insoorten; als: 575: -. - 570:16:—. –– 12:— 500: — —. - —. Jn 1: Kas N„o 48: w:t b:t 443: - lb: wel gekonditioneerd; daarin: 12:— —: — —. — —: — klee form:t papier, waervan 6: boeken gescheurt: Jn 1: kas N„o 68: weegd b=t 420: lb: wel gekonditioneerd. glaase ruijten van 11: bij 9: d=m, waervan 64: p:s aanstukkend bevonden. 8: — —: — —. — —. — groot mediaan papier 20:— 20: — —. — — — — - penne schagten. 1: — —. — — - — - - slijpsteentje Jn 1: kas N:o 7: weegd b=to 70: lb: welge„ „konditioneerd 1:½½: heel spaens groen. 25: — - 24: 1/16: —. —: — 1/16: —:¼: Menij. 25:¾: Hiermeede 500:— lb: „. 6: — 6. —. —. —. —. — — —. — 1:— 1:— „. „. p:s „. „. „. bossen riemen. do bossen. p.s p:s 1:— s —. ƒ/8:— 3 —. —— 6

NL-HaNA_1.04.02_3850_0319 view scan ↗

English

447 the 16th December As commissioners We hereby hope to have duly fulfilled our commission, and in that confidence we assume the honor to be, with all high esteem, Koetsiem Anno 1788 for the receipt. / for the delivery. Cellarius Jan Janse Lewuidtz J: W L: Holsenberg Appeared before the following to be named commissioned honorable members from the Honorable Court of Justice of this city, the reporters mentioned in this report, which having been read to them in the presence of the merchant and fiscal of this Government, the Honorable Mr. Jan Willem Hendrik van Rossum, and explained by me, sworn clerk, they fully persisted therein, without desiring the least alteration; further confirming with an oath their statement made therein regarding the sixty-four glass panes of 11 by 9 inches found broken, by raising the two front fingers of their right hand, and the speaking of these words in substance by each one individually: so help me God Almighty. Thus reviewed and persisted in, as well as solemnly confirmed with an oath, within the city of Koetsiem in the ordinary council chamber of justice on Tuesday the 15th December 1789, in the presence of Daniel van der Sloot and Johannes Wolff, both members from the council aforesaid. To my knowledge F Hardeger J: W L Stolsenberg Johann Wolff Dan v: D: Sloot S Hardegen Your Right Honorable's humble and very obedient servants. Right Honorable High-Commanding Lord: J V d Poel sworn clerk of the imported merchandises and more per the ship the Batavier from Kolombo. Report according to No 16: A 448 Extract Resolution taken in the Council of Malabar in the city of Koetsiem according to bill of lading according to reports more less Monday the 14th December 1789 Was received the Finding of the delivered cargo of the ship Trinkonomale arriving from Kolombo, reading as follows: Finding on the delivered cargo per the ship Trinkonomale brought here from Kolombo, namely: In the Company's Dispensary: 186 — 186 — — — Apples in 5 small boxes, of which 1 spoiled weighs 33 lb. 141 — 141 — — — Whole quinces in 3 small boxes, of which 1 spoiled weighs 46 lb. 75 — 75 — — — Quince pears in 2 small boxes 73 — 73 — — — Peaches in 2 ditto 75 — 75 — — — Apricots in 2 ditto 640 — 624 — — 16 Frisian butter in 2 barrels, being the permitted write-off of 2½ percent 4 bottles according to bill of lading according to report more less bottles 100 — lb 525 — 519¾ — 5¼ Gray peas in 3 grain sacks, being the permitted write-off of 1 percent In the Company's Trade Warehouse: lb 500 — — — 500 Ceylonese coffee beans in 5 bales, not received here and, according to the statement of the officers, remained in the warehouse at Gale For Souratta: barrels 7 — 7 — — — Red lead In the Armory: In a box No 3 in good condition: pieces 250 — 250 — — — Chamois-leather sword frogs, of which 45 pieces rotten, thus unserviceable 50 — 50 — — — Drum skins, of which 28 pieces rotten, thus unserviceable 25 — 25 — — — Single bundles of drum cords, of which 3 bundles unserviceable 29 — — — Spontoons 100 — 100 — — — drum hoops received instead of hoops 1 sequin in 1 box No 1, found unopened and in good condition, being the permitted write-off of 1 percent 449 according to bill of lading according to report more less Koetsiem the 14th December 1789. was signed: I: L: van Spall. And regarding the 95 pieces rotten chamois-leather sword frogs indicated therein, and 28 drum skins, as well as 3 single bundles of drum cords found unserviceable in a box No 3, and 8 rotten chamois skins in three boxes from No 4 to 6, brought with the aforesaid ship Trinkonomale from Amsterdam to Kolombo and from there hither, it was resolved, since the boxes were in good condition, to have the said goods written off at the charged prices and on the first opportunity to give notice thereof to the Lords Masters. On the further goods in the said finding: In 3 boxes No 4 to 6 in good condition: pieces 50 — 50 — — — Chamois skins weighing 746 lb, of which 8 pieces rotten, thus unserviceable hoeds 20 — 19 — — 1 Smithing coals, being the permitted write-off of 5 percent The above unserviceable goods should be written off to profit and loss. Checked: Fran Martensz it was understood to validate the permitted write-offs and to note hereby that the 500 lb of coffee beans in 5 bales shown in that finding, according to the statement of the officers of that ship, remained in the warehouse at Gale. Agreed. Arnold Lunel Secretary No 17: 450 Register of the secret papers which are now sent to the Right Honorable Lords Directors at the presiding Chamber of Amsterdam, as: No 1. Original letter of today by the Lord Governor to the address mentioned in the heading. 2. Translated letter from Tipu Sultan to the Lord Governor, received the 31st October 1789. 3. Draft reply to that letter, dated 10th November 1789. 4. Translated letter from Tipu Sultan aforesaid to the Lord Governor, received the 24th November 1789. 5. Notes of the held conference with Tipu's envoy Abdul Kader Khan of that date. 6. Draft reply to the second letter of Tipu Sultan, dated 13th December 1789. No 7. English letter from the Government of Madras to that of Kolombo, dated 1789. A translation thereof into Dutch. 8. Letter of reply from the Lord Governor and Council here to the Government of Madras, dated 9th of this month. Koetsiem the 14th January 1790. Arnold Lunel Secretary A letter from the said Lords to His Serene Highness the Lord Hereditary Prince. Also accompanies herewith under No 9 and 10. two letters from the Lords Commissioners of their High Mightinesses, for the strongholds in the Indies, addressed to His Serene Highness the Lord Prince Hereditary Stadtholder, delivered annex

Dutch transcription

447 den 16: December Als gekommitt=s Hiermeede verhoopen onse Commissie na behooren te hebben volbragt in die vertrouwen matige ons d' Eere aan met alle hoog agting te zijn Koetsiem A„o 1788: voor den ontvangst. / voor d'uytleevering. Cellarius Jan Janse Lewuidtz : J: W L: Holsenberg Compareerden voor de na tenoemene gecommitteerde E=o leden uit den Achtbaren Raad van justitie dezer steede, de rapportores vermeld in dese rapport, dewelke aan hen; ten Overstaan van den koopman en fiskaal dezes Goevernements DE: M=r Jan Willem Hendrik van Rossum, door mij geswoorene klerk voorgeleesen en te verstaan gegeeven zynde, bleven zij daar bij ten vollen persisteren, zonder de minste verande „ring te begeeren; bevestigende voorts hunne daar bij gedaane opgaave nopens de aan stukken bevonden vier en sestig glase ruiten van 11. â 9. duim, met eede, door het opsteeken der twee voorste ringeren hunner regterhands, en 't uitspreeken dezer woorden in substantie door een ider apart: zoo waarlijk helpe mij God Almachtig. Aldus gerecolleerd en gepersisteerd, mitsgaders met eede solem= neel bevestigd, binnen de stad Koetsiem ter ordinaire raadkamer der justitie op dingsdag den 15 December 1789. in presentie van De Daniel van der Sloot en Johannes Wolff, beide leden uit den raad voormeld. In myn kennis F Hardeger J: W L Stolsenberg JohannWwolff Dan vV: D: Sloot S„ Wardegen Uw wel Edele Groot Achtb:s onderdaanige en seer gehoorsaame dienaaren. Wel Edele Groot Achtbaare Hoog Gebiedende Heer: JVd Poel gklerk van de aangebragte Koopmanschappen en wesmeer per 't schip d' Batavier van Kolombo. Rapport volgens „ N„o 16: A 448 Extrakt Resoluut„ volgens Cog„ „nossiment Rapporten Maandag den 14:' December 1709 Is ingekoomen de Bevinding van de uitgelee„ „verde laading van het schip Trinkonomale komende van Kolombo luidende als volgd Bevinding op de uitgeleeverde Lading per het schip Prinkonomalen van Kolombo alhier aange„ „brachte Namelijk In 'S komp=s Dispens. 186 — 186 — —: — —. Appelen in 5. kasjes waar van 1: bedur„ ven weegd 33 lb: 141 - 141 — — — —. Heele Leepen in 3: kasjes waar „ 1 bedurven weegd 46. lb. 75 — 75 - — — Quepeeren in 2 kasjes 73- 73 — —. — —. Persiken „ 2 d_o 75 – 75 - —. - Aprikoosen „ 2: d=o 640 – 624- —. - 16. Booter vriese in 2: vaaten zynde de Gepermitteerde afschrijving van 2½. p„r C=to 4: volgens Meerder minder „sie Genoomen in Raade van Mallabaar ter steede Koetsiem bott ƒ op volgens log„ volgens „nossement Rapport bott:s 100 — lb 525 — 519¾ „ 500 – —. – —. – vaaten 7 — p=s 250 — 250 - — — Meeder Minder 29 — —. — 574. Graauw Erwten in 3: koornzakken Zijnde de Gepermitteerde afschrij„ „ving van 1: Percento In 'S komp=s Negootie Pakhuis 500 Ceilouse koffij boonen in 5 baalen alhier met ontvangen en, volgens het zegge van de overheeden op Tale in 't Pakhuis Gebleeven Voor Souratta Roode Menie Inde Wapenkamer In een kas No 3 wel gekonstiessioneer —. Heemleere Portepees daar van 45: p=s verot dus onbequaam 50 — 50 — —. — —. Tromvellen daar van 28: p=s verrot dus onbequaam 25 — 25 — —. — —. Enkelde bossen trom Lynen daarvan 3: bossen onbequaam Espontons 100 — 100. —. — —. trom hoepels ontvangen in steede van ree 1: Sekwijn in 1: kas N=o 1: ongeopend en wel Gekonditioneerd bevonden zijnde de Gepermitteerde afschrijving van 1: p„r C=to ens In -. 7. — —. — — „ no 449 volgens Cog„ nossement Rapport volgens Meerder Mender Koetsiem den 14:' December 1789. /was Geteekend:/ I: L: van Spall. En werd nopens de daar bij aangeweezene 95 p=s verrotte zeemleere portepees en 28: trom„ „vellen mitsgaders onbequaam bevonden 3: en„ „kelde bossen tromlijnen, in een kas N=o 3: en 8. verrotte zeemleere huiden in drie kassen van N=o 4: tot 6: met het voormelden schip Trinkonomale van Amsterdam op kolom„ „boen van daar herwaards aangebragt beslooten wijl de kassen wel Gekondietsioneerd geweest zyn, Gemelde Goederen met de aan„ „gereekende prijzen te laaten afschrijven en bij de eerste Geleegenheid daar van aan de Heeren Meesters kennis te geeven. Op de verdere Goederen bij gemelde bevinding In 3 kassen N=o 4: tot 6: wiel Gekon„ „ditioneerd —. p=s 50 - 50 — — — —. Zeemleere huijden weegende 746 lb: daar van 8 p=s verrot dus onbequaam hoeden 20 — 19 — —. — — 1: Smeekoolen zijnde de Gepermitteerd afschrijving van 5: p=r C=to De boovenstaande Onbequaam Goederen diend op winst en verlies. afgeschreeven te werden is n NNagezien Fran„ Martensz is verstaan de Gepermitteerde afschrijvingen te valideeren en hier bij te noteeren dat de bij die bevinding aangetoonde 500: lb: hoffijboonen in 5 balen, volgens opgave der overheeden van dat Schip op Pale in het Dakhuis Gebleeven zijn Akkordeerd. Arnold Lunel Sekrit:s N„o 17: 450 Register der sekreete papie„ „ren dewelken thans gezonden worden, aan de weledele Hoog achtbaare Heeren, Bewindhebbe„ „ren, ter presidiaale kamer Amsterdam als N„o. 1. Origineele brief van heeden door den Heer Goeverneur aan als in den hoofde gemeld „ 2. Translaat brief van Tipoe sultan aan den Heer Goeverneur den 31:e Oktober 1789. ontvangen. „ 3. koncept antwoord op dien brief gedateerd 10=de November 1789. „ 4. Translaat brief van Tipoe sultan voormeld aan den Heer Goeverneur, den 24. ' November 1789: ontvangen. „ 5. Aanteekening van de gehoudene konfe- „rentsie met Tipoes gezant Abdul Kader Chan van dien datum „ 6. koncept antwoord op den tweeden brief van Pipoe sultan gedateerd. 13=de December 1789. po N„o„ 7. - N„o 7. Engelsche brief van de Regeering van Madras aan die van Kolombo gedateerd 1789. Een vertaaling daar van in het Nederduitsch. 8. Antwoord brief van den Heer Goeverneur en Raad alhier aan de Regiering van Madras gedateerd 9:e deezer Koetsiem den 14:' Januari 1790. Arnold Lunel sekrb„: Een brief van gem: Heeren aan zijn Doorluchtige Hoogheid den Heer Erfprins. 8 Htr :r 1: ook gaat hiernevens onder N„o 9. en 10. twee brieven van Heeren kommissarissen van hunne Hoogmogenden, tot de vestingen in Indiën, gericht aan zijne Doorluchtige Hoogheid den Heere Prince Erfstadhouder, bezorg annex —

NL-HaNA_1.04.02_3850_0328 view scan ↗

English

451 secret To the Right Honorable, Highly Esteemed Gentlemen Directors in the Assembly of the Seventeen, representing the General Dutch Chartered East India Company in the Presidial Chamber Amsterdam Right Honorable, Highly Esteemed Gentlemen: § 1. From the copy of my secret letters to the Supreme Government in Batavia of the year 1789, and especially from that of the 30th of August last and its enclosures, which I had the honor to submit to your Right Honorable High Esteems in duplicate along with my respectful covering letters of the 10th of October, your Right Honorable High Esteems will have seen that the Nawab Tipu Sultan had forged the plan to conquer Southern Malabar, and first to capture our fortress Cranganore and the field post Ayacotta, and from there, along the island of Vypin, to advance directly before the city of Cochin, which he could do without treading upon the territory of the King of Travancore, and thus without breaking the treaty with the English, in which the aforementioned King is also included; and that we, in order to foil this plan of his, sold the aforementioned fortress and field post to the King of Travancore for the round sum of three hundred thousand rupees. § 2. The Supreme Government in Batavia, to whom this sale had already been proposed in my secret letters of the 29th of April of last year and in the plan of defense sent alongside it, as a means to become free from the first and direct attacks of Tipu Sultan, and at the same time to relieve the Company of two heavily burdened posts, granted authorization for it by secret dispatch of the 10th of September following; and it is now clearly apparent that our motives for it were very well founded, and that the aforesaid 452 aforesaid plan of Tipu has been entirely deranged thereby. § 3. For in the month of October he wrote me a very courteous letter to persuade me to take back the fort of Cranganore, which I declined in polite terms, as the accompanying copy letters further show. § 4. Following this was a solemn embassy with a very impertinent letter to the Company, in which he demanded the annulment of the aforesaid sale, under all kinds of frivolous pretexts, which were properly refuted in the conference with his envoy and in my reply to him, of which copies accompany this, and to which I request permission to refer here, as time and turbulent circumstances make it impossible for me to detail everything. § 5. At the same time he also complained to the Government at Madras that the King of Travancore had bought the fort of Cranganore from us, which stood on his territory, for which we annually paid tribute or recognizance recognizance to him and which could not be sold without his consent; and it appears that the English have given credit to this, in that they demanded from the King of Travancore that he should return the aforementioned places to us, under the threat that they would not concern themselves with any war that might arise over it. § 6. And although the King of Travancore demonstrated the untruth of those pretenses with the arguments that I supplied to him for that purpose in a personal meeting at Aluva, the English Ministry nevertheless did not seem to be convinced thereby, for recently the Ceylon Government sent us a letter from the Governor and Council of Madras, in which they requested elucidation as to in what manner we had obtained the above-mentioned places from the Portuguese, on what footing the Portuguese had possessed the same, and whether we had paid any rent or tribute for them to the Amildars of Calicut or elsewhere; besides which they demanded authentic copies of all deeds and documents that we held thereof. 453 thereof. § 7. We immediately answered that strange letter, which is speculative in more than one respect, by demonstrating: § 8. That we had won the fort of Cranganore from the Portuguese with the sword in a lawful war in the year 1662. § 9. That Ayacotta being an open piece of land, had probably fallen into our hands at the same time as the aforesaid fort or else with the main fortress of Cochin, and thus no military exploit had taken place for its occupation, and therefore the manner of acquisition could not be stated more specifically; yet it was all the more certain that the Company had possessed the same peacefully and in sovereign ownership since time immemorial. § 10. That the question on what footing the Portuguese had formerly possessed those places could not be answered by us, yet was also superfluous, but that history showed that the Portuguese had possessed Cranganore before us for more than a century. § 11. That from the nature of the acquisition by the sword of war it was easily deduced

Dutch transcription

oshor 451 sekreet Aan de Weledele Hoog achtbaare Heeren Bewindhebberen ter vergadering van zeeventienen, representeerende de Generaale Nederlandsche Geoktroieerde oostindische kompanie ter Presidiaale kamer Amsterdam Weledele Hoog achtbaare Heeren: 51. uit de kopij sekreete brieven van mij aan de Hooge Regeering te Batavia van het Jaar 1789. en inzonderheid uit dien van den 30=ste Augustus Jongstleeden en deszelfs bijlagen, die ik de eer gehad hebbe uw weledele Hoog„ „ achtbaare neevens mijne eerbiedige geleide letteren van den 10:e Oktober dubbeld toe te dienen, zullen uw weledele Hoog achtbaare gezien hebben, dat de Nabab Sipoe sultan het ontwerp gesmeedt had, zuider malabaar te konquestreeren, en eerst onze vesting Nederland kranganoor kranganoor en de veldpost Aikotte te ver„ „meesteren, mitsgaders van daar, langs het Eiland Baipien, direkt voor de stad Koetsiem te rukken, het geen hij doen kost, zonder het grondgebiet van den koning van Trevankoor te betreeden, en dus zonder het traktaat met de Engelschen te verbreeken, waar bij eeven „genoemde Koning mede is ingeslooten; en dat wij, om dit zijn ontwerp te veriedelen, de voormelde fortresse en veldpost aan den koning van Trevankoor verkocht hebben, voor de ronde som van driemaalhonderd duizend ropijen. § 2. De Hooge Regeering te Batavia, aan wien deeze verkoop reets bij mijne sekreete lette= „ren van den 29=ste April voorleeden Jaar en bij het daarneevens overgezondene plan van defensie geproponeerd was, als een middel om van de eerste en direkte aanvallen van Tipoe sultan bevrijdt te raaken, en om de komp:s tevens van twee zwaare last posten te ontheffen, heeft daartoe, bij sekreete missive van den 10:e september daaraan vol: „gende, qualifikaatsie verleend, en het blijkt thans klaar, dat onze beweegreedenen daar toe zeer gefundeerd geweest zijn, en dat het voorschr: „ 452 voorschr: plan van Tipoe daar door geheel gederangeerd is. §3. want in de maand oktober schreef hij aan mij een zeer hoflijken brief, om mij tot het weder overneemen van het fort van kran= „ganoor te persuadeeren, het geen ik in be„ „leefde termen deklineerde, zoo als de ne= „vens gaande kopij=brieven nader aanwij= „zen § 4. Hierop volgde eene plechtige Ambassade met een zeer impertinenten brief aan de komp:, waarbij hij de vernietiging van voorschreeve koop eischte, onder allerlij frivoole pretexten, die in de konferentsie met zijnen Afgezant en in mijn ant= „woord aan hem behoorlijk wederlegd zijn, waar van de kopijen deezen verzellen, en waaraan ik verlof verzoeke, mij hier te mogen refereeren, wijl de tijd en onrusti= „ge omstandigheeden mij onmogelijk toe„ „laaten, alles te detailleeren. § 5. Ter zelver tijd doleerde hij ook bij de Regee„ „ring te Madras, dat de koning van Tre„ „vankoor het fort kranganoor van ons ge„ „kocht had, hetwelk op zijn territoir stond, waar voor wij Jaarlijx aan hem tribut of rekognietsie rekognietsie betaalden en 't welk zonder zijn konsent niet mogt verkocht worden; en het schijnt, dat de Engelschen daar aan ge„ „loof geslaagen hebben, door dien zij van den koning van Trevankoor begeerden, dat hij meermelde plaatsen aan ons terug geeven zoude, onder bedrijging, dat zij zich den oorlog, die daar over ontstaan mogt, niet zou= „den aantrekken. § 6. En of schoon de koning van Trevankoor de ouwaarheid van die voorwendzels betoogde met de argumenten, die ik hem daartoe, in eene persoonlijke bij eenkomst te Laroe, suppediteerde: zoo scheen het Engelsche Ministerium daar door echter niet overtuigd te zijn, want deezer dagen zond de Ceilonsche Regeering ons eenen brief van den Goever= „neur en Raad van Madras toe, waarbij zij elucidaatsie verzochten, op wat wijze wij bovengemelde plaatsen van de Portugee„ „zen verkreegen hadden, op wat voet de Por= „tugeezen dezelven bezeeten hadden, en of wij daarvan eenige rente of tribut aan de Amel„ „daars van kalikut of elders betaald hadden„ waar en boven zij authentique kopijen begeer„ „den van alle Akten en dokumenten, die wij daar 453 daarvan in handen hadden. § 7. wij hebben dien zonderlingen brief, die in meer dan een opzicht spekulatief is, ten eersten beantwoordt, niet te betoogen: § 8. Dat wij het fort kranganoor in 't Jaar 1662. in een wettigen oorlog van de Portugee„ „zen met het zwaard gewonnen hadden. § 9. Dat Aikotte een open plek lands zijnde, denk„ „lijk tegelijk met het voorschreeven fort of anders met de hoofd-vesting koetsiem in onze handen gevallen, was, en dus geen mi„ „litair exploit tot dies okkupaatsie plaats gehad had, en de modus acquirendi derhal„ „ven ook niet nader kost aangegeeven wor„ „den. doch dat het des te zeekerder was, dat de Komp: hetzelve zeder onheuchlijke tijden vreedig en in souverainen eigendom bezee„ „ten had. § 10. Dat de vraage: op wat voet de Portugeezen die plaatsen voorheen bezeeten hadden, door ons niet kost beantwoordt worden, doch ook overtollig was, doch dat de Historie aan„ „wees, dat de Portugeesen kranganoor voor ons langer dan eene eeuw bezeeten hadden. § 11: Dat uit de natuur van de acquisietsie door het zwaard des oorlogs ligt op temaaken was

NL-HaNA_1.04.02_3850_0334 view scan ↗

English

was, that no acts or documents were available concerning this, but that the modus acquirendi and the subsequent possession of more than three times the period of time which was stipulated by law for the acquisition of a valid right of possession, also made them unnecessary. Section 12. That we had never paid any tribute or recognition for Kranganoor to the Samorijn or anyone else, but that Tipoe had fabricated this pretext and brought it forward in order to give some semblance of legitimacy to his hostile designs. Section 13. And we concluded this explanation by declaring that we only supplied this elucidation to comply with their friendly request, and without thereby giving any ground for any examination or appraisal of the Company's rights, in this or any other cases: Section 14. All of which Your Right Honourable Noble Lordships may be pleased to inspect in more detail in the copies of the English letter and its translation, and of our reply to the same, which are enclosed among the annexes to this letter. Section 15. Before the aforementioned English letter had even been delivered to us, it already became evident that Tipoe had framed his demand regarding Kranganoor and the pretexts invented and brought forward for it with the intention of amusing the Government of Madras; for while it was engaged in the manner aforesaid in tracing and examining the right of our Company after a peaceful possession of over a hundred years, and the right of the Portuguese for a good one and a half centuries earlier, Tipoe with his army launched a hostile attack upon the King of Trevankoor, though not at Kranganoor, as had been presumed, but at the old Trevankoor lines, at a place where it was least expected, and he also succeeded in taking them by surprise and making himself master of three bastions; yet he was subsequently repulsed by the Trevankoor troops with great loss and compelled, leaving behind a large number of dead and wounded, to retreat to his army, about two hours from the aforementioned lines. Section 16. Since then, he is not only busy drawing more troops to himself in order to resume the failed enterprise with redoubled forces, but he is also forming an army near Kranganoor to attack Trevankoor from that side as well; and owing to his great superiority in numbers, it is likely that he will succeed therein if the English delay any longer in coming to the aid of the King of Trevankoor. Section 17. As in these critical circumstances we could imagine nothing else than that Tipoe, if he gained the victory over Trevankoor, would also attack us with hostility and would in particular endeavour to seize the fortress of Koetsiem, not only because this would in itself be an important acquisition for him, but also because the possession of such a fortress could significantly facilitate the conquest of all of Southern Malabaar for him: so we have not only requested the Ministers of Ceilon for a reinforcement of military personnel and for a quantity of gunpowder, but have also put into operation the means to defend ourselves against it that are within our reach, not only to supply the fortress with everything necessary for a siege, but also to increase the garrison by recruiting native artillerymen and sepoy soldiers who served with us in the English war, and to strengthen the fortress itself according to our ability. Section 18. Under these circumstances, the Gentlemen Commissioners for Military Affairs and Fortresses, Vaillant, Verheull, and Graevestein, arrived here with the State frigates Zephir and Havik; they have not only approved the measures already put into operation, but also continue to suggest to us daily further means for a proper defence, whereby we hope, with God's help, happily to avert the danger which now again threatens this establishment, and to defend and preserve the same as men of honour for the Company. Section 19. I commend Your Right Honourable Noble Lordships and the important interests of the Company to God's holy protection, and remain with all respect and fidelity, Koetsiem, the 14th of January 1790. Right Honourable Noble Sirs, Your Right Honourable Noble Lordships' obedient servant, JG van Angelbeek Written by the Padshah Tipoe Sultan to the Right Honourable, Rigorous, Most Respected Lord Governor Johan Gerard van Angelbeek, received the 31st of October 1789: Translation of a Tamil letter. To the fortunate possessor of many prosperities, equal to Mount Mahameroe, protector of many peoples, enjoyer of a widely extended fortune, the Dutch Lord Governor, Greetings. I have long not had the pleasure of receiving your Honour's letter and of being able to know of your continued well-being, wherefore I request that I be honoured therewith in the future. I have understood that, since your Honour had garrisoned the fort of Kranganoor with the people of Rama Rasia, many Nairs and other thieves from the Samorijn's lands are protected by the same, and many hostilities are committed in the Samorijn's lands by those fugitives; this causes me great wonder, in view of the friendship that subsists between the Dutch and the Samorijn, and since the fort of Kranganoor lies in the midst of the Samorijn's realm, the friendship could be more vigorously maintained

Dutch transcription

was, dat daarvan geene Akten of dokumen= „ten voorhanden waaren, doch dat de modus acquirendi en de daarop gevolgde possessie van ruim driemaal het tijd bestek, hetwelk bij de wetten tot het verwerven van een deugd= „zaam bezitrecht bepaald was, dezelven ook onnoodig maakten. - § 12. Dat wij van kranganoor noit eenige tribut of rekognietsie aan den samorijn of iemand anders betaald hadden, maar dat Tipoe dit voorwend zel verzonnen en ter baan gebragt had, om aan zijne vijandige oogmerken eenigen glimp te geeven. § 13. En wij beslooten deeze opheldering met te verklaaren, dat wij deeze elucidaatsie alleen suppediteerden, om aan hun vriende„ „lijk verzoek te voldoen, en zonder daardoor tot eenige examinaatsie of Aaxaatsie van 's komp:s rechten, in dit of eenige andere ge. „vallen, voet te geeven: § 14. Al hetwelke uwe Weledele Hoogachtbaare „nader „gelieven te beschouwen bij de kopijen van den Engelschen brief en dies overzetting en van ons antwoord op den zelven, die onder de bijlagen deezes overgaan. § 15. Eer de voormelde Engelsche brief noch aan ons 454 ons besteld werd, openbaarde het zich reets, dat Tipoe zijnen Eisch nopens kranganoor en de pretexten daar toe gefingeerd en ter baan gebragt had met het oogmerk om het Goevernement van Madras te annuseeren, want terwijl hetzelve zich in voogen voorsz: beezig hield, met het naspooren en examinee„ „ren van het recht van onze komp: na eene vreedige possessie van over de honderd Jaaren en van het recht der Portugeezen noch wel anderhalf eeuwen vroeger; viel Tipoe met zijn leger den koning van Trevankoor vij= „andig aan, doch niet in kranganoor, zoo als men vermoedt hadde, maar in de oude Trevankoorsche linie, op eene plaats, daar men dit het minst verwachtede, en het ge„ „lukte hem ook, dezelve te overrompelen, en zich van drie Bastions Meester te maa„ „ken, doch hij werd vervolgens door de Tre„ „ vankoorsche troepen met groot verlies terug geslaagen, en genoodzaakt, met achterlaa= „ting van een groot getal Dooden en geques„ „ten; naar zijn leger, omtrend twee uuren van de voormelde Linie, te retireeren. § 16. zeder is hij niet alleen beezig meer troepen aan zich te trekken, om de mislukte onder„ „neeming „neeming met verdubbelde krachten te her„ „vatten, maar hij formeerd ook een leger bij kranganoor, om Trevankoor ook aan dien kant aan te tasten en het is wegens zijne groote overmacht, waarschijnlijk, dat hij daarin zal reusseeren, bij aldien de Engel„ „schen langer talmen, den koning van Tre„ „vankoor te hulp te koomen. §17 wijl wij in deeze hachlijke omstandigheid ons niets anders konden voorstellen, dan dat Tipoe, wanneer hij op Trevankoor de overwinning behaalde, ons mede vijandig aantosten, en inzonderheid trachten zoude, de vesting koetsiem te vermeesteren, niet alleen, om dat dit op zich zelve eene impor= „tante acquisietsie voor hem zijn zoude, maar ook om dat de bezitting van zulk eene ves= „ting hem de verovering van heel zuider Malabaar merklijk konde faciliteeren: zoo hebben wij niet alleen de Ministers van Ceilon om eene versterking van Mili= „tairen en om een partij buskruit verzocht, maar ook de middelen, om ons daar tegen te verdeedigen, die onder ons bereik zijn, in 't werk gericht, om niet alleen de ves= „ting, van al wat tot eene beleegering noodig is 3 455 is, te verzorgen, maar ook de bezetting door 't aanwerven van inlandsche Artille„ „risten en sipahis, die in den Engelschen oorlog bij ons gediend hebben, te vermeer„ „deren en de vesting zelve naar vermo: gen te versterken. § 18. Jn deeze omstandigheeden verscheenen Heeren kommissarissen tot de Militaire zaaken en vestingen, Vaillant, verheull en Graevestein, met s Lands fregatten de Zephir en Havik alhier, die niet alleen de reets in 't werk gestelde maatregelen goedgekeurd heb„ „ben, maar ons ook noch dagelijx de verdere middelen tot een behoorlijke defensie aan de hand geeven, waardoor wij hoopen met Godes hulpe, het gevaar het welk dit Etablissement thans wede„ „rom dreigd, gelukkig af te wenden, en hetzelve als Mannen van eere voor de komp: te verdeedigen en te bewaaren. § 19: Jk beveele uw weledele Hoog achtbaare en de wigtige belangen der Maatschappij in Koetsiem den 14=e Januari 1790: Weledele Hoog achtbaare Heeren! in Gods heilige bescherming, en blijve met alle eerbied en trouwe. oe uwer Weled: Hoog achtb=re gehoorzaame Dienaar JG van Angelbeek 1oxt 456 door den Patscha Tipoe Sultan geschreeven aan den weledelen Gestr: Groot achtbaaren Heer goeverneur Johan Gerard van Angelbeek, ontvangen den 31: Oktober 1789: Translaat Aamoelsche brief Aan den gelukkigen bezitter van veele voorspoeden, Gelijkstandigen met den berg Mahameroe, beschermer van veele volken„ gemeter van een mijd uitgestrekt Geluk, den Heer Hollandsch Goeverneur Salut. Jk heb lange het genoegen niet gehad uw Edele brief te ontvangen, en deszelfs aanhoudenden welstand te kunnen weeten, dus verzoek ik in t vervolg mij daarmede te vereeren. Jk heb verstaan, dat wijl uw Edele het fort kranganoor mit het volk van Rama Rasia bezet had, door hetzelve veele Nairos en meer andere dieven van de Armoneesche landen geprotegeerd, en door die vluchtlingen veele hosteliteiten in Sarmoneesch Landen gepleegd worden:) dit doet mij zeer verwonderen uit hoofde van de vriendschap die tusschen de Hollanders en de Armone Subsisteerd, en wijl het fort kranganoor in het midden van 't armonee„ sche Rijk ligt, koste de vriendschap krachtiger onderhouden

NL-HaNA_1.04.02_3850_0342 view scan ↗

English

keep assured. May your Honour therefore grant no shelter in that fort to the fugitives, so that through their bad conduct the ancient friendship of so many years may not be hindered. Since the king of koetsiem has from ancient times placed his trust in the protection of the Armone and still persists therein, may your Honour therefore also favourably assist in his Highness's affairs. Written in the Year Sawoemia the 14th of the month Asoewisoe; at the head of the letter was the Name of the Patscha signed in Mogolseh. Underneath stood: for the Translation: Koetsiem date as above. Was signed: JM Gruijens, sworn translator. Agreed Arnold Lunel secretary be maintained, whereof I also No 2 457 Draft letter written by the Right Honourable, Valiant, Highly Esteemed Lord Governor Johan Gerard van Angelbeek to the Padshah Tipoo Sultan on 10 December 1789: To the Fortunate possessor of Many prosperities, equal to Mount Mahameroe, Possessor of a widespread fortune, Protector of those who suffer oppressions, Lover of Merciful deeds, Rewarder and prince of princes, the Most Serene Lord Tipoe sultan Patscha, from the Lord Governor Johan Gerard van Angelbeek, greetings. Until the 10th of this month I find myself in a good state of health, and I request to be informed of the state of your Most Serene Highness and all pleasant tidings. I have found myself honoured with a letter from your Most Serene Highness: to which serves in reply, that the Highly Esteemed Dutch Company has always sought to maintain friendship with your Most Serene Highness, and that I am thus very glad to perceive from your Highness's letter Your affection towards the same, and I assure your Highness that I shall always seek to cultivate the same. Regarding Regarding the fort of kranganoor, it serves in reply that the same has been sold to the king of Trevankoor, who grants no shelter there to any evil people, and still less will permit anyone to commit hostilities in the Armanese land; Nonetheless, in order to give your Highness as much satisfaction in this matter as depends on me, I have informed the highly mentioned king of your Highness's desire. The king of koetsiem continuously enjoys all protection and friendship from the Honourable Company, and I do not doubt that he will give full testimony thereof in his letters to your Highness, and the Favourable recommendation of your Highness will encourage me to show help and friendship on every occasion to that king, who is an old Ally of the Company. If there might be anything here for the service of your Most Serene Highness, please write to me. Greetings. Underneath stood: thus translated by me into Tamil, Koetsiem date as above. Was signed: J: W: Cruijens, sworn translator. Agreed Arnold Lunel 1st secretary No 3. 458 The Ruler of all four parts of the world, Highly esteemed among all peoples, Protector of many subjects, possessor of a widespread fortune, the Patscha Tipoe sultan notifies his subject, the Dutch Merchant residing in the city of Moetsiem. Your Honour has for many years occupied with your people the fort of kranganoor, which stands in the kingdom of koetsiem, in friendship with the Armane, and behaved as one of the Armanese subjects at kalikut, but since your Honour has now had that fort occupied by the troops of Rama Naier and protects the Thieves of the Armanese lands, and through them has many hostilities committed in the Armanese lands, your loyalty and friendship have hereby been hindered. Since you live in the Kingdom of the King of Koetsiem, and the same has from ancient times been protected by the Armane, you are also a subject of the Armane; you must therefore Translation of a Marathi letter from the Patscha Tipoe sultan, received the 24th of November 1789. seek seek through your good services to give satisfaction to the Armane, which will also serve your own interest. I am now sending Abdul kader thither, he will inform you of everything; therefore you must make the troops of Rama Raja depart from the fort of kranganoor, and occupy the same with your people as before, and further grant no shelter to the fugitives from the Armanese lands, and when you do this, you shall enjoy my favour. Written in the Year of Muhammad's flight 1217, the 15th of the month Kinsi by Srimiwasa Rajer Moensi; at the head of the letter stood the signature of the Patscha in Persian. Lower down stood: for the Translation according to reading and explanation in Tamil by the Maratha Srimiwasa Rajer, Koetsiem date as above. Was signed: J: M: Truijens, Sworn Translator. Agreed Arnold Lunel secretary No 4.

Dutch transcription

verzeekerd houde. Uw Edele gelieve dus in dat fort aan de Vlucht „lingen geen schuilplaats te verleenen, op dat door hun slegt gedoente de oude Vriendschap van zoo lange Jaaren met verhinderd worde. Wijl de koning van koetsiem van ouds Zijn vertrouwen op de protextie van den Armone gevestigd heeft en noch daarin volhard, zoo ge„ „lieve uw Edele in zijn Hoogheids zaaken ook gunstiglijk te assisteeren. Gesz: in 't Jaar Sawoemia den 14: van de maand Asoewisoe, aan het hoofd van den brief stond den Naam van den Patscha in het Mogolseh geteekend /:onderstond:/ voor de Translaatsie:/ Koetsiem dato als vooren /:was geteekend:/ JM Gruijens. ge Zwaare transl: Akkardeerd Arnold Lunel sekrets onderhouden worden, Waar van ik mij ook N„o 2 457 Koncept brief door den wel„ „edelen Gestrengen Grooot achtbaaren Heer Goeverneur Johan Gerard van Angelbeek geschreeven aan den Latscha Tipol den 10e Xbr 1789: Sultan Aan den Gelikkigen bezitter van Veele voorspoeden, gelijkstandigen met den Berg Mahameroe, Gemeter van een mijd uitgestrekt geluk, Beschermer van de geenen die onderdrukkingen lijden, Beminnaar van Barmhartige daaden, Belooner en vorst der vorsten den Doorluchtigsten Heer Tipoe sultan Patscha, door den Heer Goeverneur Johan Gerard van Angelbeek solut. Tot den 10:e dezer bevind ik mij in een goeden staat van gezondheid, en verzoeke den staat uwer Doorluchtigste Hoogheid en alle aangenaa= „me tijdingen te bedeelen. Jk heb mij vereerd gevonden met een brief van uwe Doorluchtigste Hoogheid: waar op in ant„ woord diend, dat de Hoog aanzienlijke Hollandsche / kompanie steets getracht heeft de vriendschap met Mr Doorluchtigste Hoogheid te onderhou „den, en dat ik dus zeer verblijdt ben uit uw Hoogheids brief Deszelfs geneegenheid tot dezelve te ontwaaren, en ik verzeekere uwe Hoogheid, dat ik steets tragten zal de„ zelve aante quaeken Aangaande Aangaande het fort, kranganoor diend in antwoord dat het zelve aan den koning van Tre„ vankoor verkocht is, die daar aan geen quaad volk eenige Sluilplaats verleend, en noch minder aan iemand permitteeren zal, hostelite „ten in het Armineesche land te pleegen; Niet te min heb ik; om uw Hoogheid in dit stuk zoo veel genoegen toe te brengen als van mij afhangd aan Hoog gemelde koning van uw Hoogheids begeerte kennis gegeeven. E De koning van koetsiem geniet bij aan. houdendheid alle protextie en vriendschap van D'E komp: en ik twijfele niet, of hij zal daar van, in zijne brieven aan uwe Hoogheid volkomen getuigenis geeven, en de Gunstige rekommandaatsie van uwe Hoogheid zal mij aanspooren om dien koning die een oude Bondgenooten van de kompanie is, hij alle geleegenheid, hulpe en vriendschap te bewijzen Hier iets van Mr Doorluchtigste Hoogheits dienst mogte zijn gelieve mij te schrijven. salut. /onderstond:/ zoodanig door mij in 't Samoelsche overgezet, Koetsum dato als vooren /was geteekend/ J: W: Cruijens, gezwoore franslatin Akkordeerd Arizold Lunil 1. sekrit„s N„o 3. 458 De Heerscher van alle vier deelen des warelds, Hoog geacht onder alle volkeren, Bescher= „mer van veele onderdaanen, genieter van een wijd uitgestrekte geluk, den Patscha Tipoe sultan adverteerd aan deszelfs on„ „derdaan, den zich in de stad Moetsiem bevindenden Hollandschen Koopman. uwE: heeft zeder lange Jaaren in vriendschap met de Armane het fort kranganoor hetwelk in het koetsiemsche rijk staat, door uw volk bezet, en als een der Armaneesche onderdaan op kalikut, zich gedraagen, maar wijl uw E: thans dat fort door de troepen van Rama Naier heeft laaten bezetten en de Dieven van de Armaneesche landen protegeerd, en door dezelven veele hostiliteiten in de Armaneesche landen laat pleegen, zoo is uw getrouwigheid en vriendschap hierdoor verhinderd. wijl uw in het Rijk van den Koning van Koetsiem woond, en dezelve van ouds door de Armane beschermd word, zoo is uw ook een onderdaan van de Armane, uw moet dus Translaat Maratsch brief van den Patscha Tipoe sultan, ontvangen den 24:e Novemb:r 1789. trachten trachten door uwe goede diensten aan de Ar= „mane genoegen te geeven, die mede tot uw eigen belang strekken zal. Thans zend ik Abdul kader naar derwaards, hij zal uw alles informeeren, derhalven moet uw de troepen van Rama Rasia van het fort kranganoor laaten vertrekken, en het zelve door uw volk gelijk voor heen bezetten, en voorts aan de vluchtlingen van de Armaneesche lan= „den geen schuilplaats verleenen, en wanneer uw dit doed, zoo zal uw mijn gunst genieten. geschreeven in 't Jaar Mahmed vlucht 1217. den 15:e van de maand Kinsi door Srimiwasa Rajer Moensi, aan het hoofd van de brief stond de handteekening van den Patscha in het Mo= „goesch /:lager stond:/ voor de Translaatsie volgens leezing en verstaangeeving in 't Tamoels door den Maratter Srimiwasa Rajer, Koetsiem dato als vooren /:was geteekend:/ J: M: Truijens Gezwoore Translateur Akkordeerd Arnold, Lund sekret: N„o 4.

NL-HaNA_1.04.02_3850_0353 view scan ↗

English

Record of the proceedings with the Ambassador of Tipu Sultan named Abdul Kader Khan on the 24th of November 1789, in the presence of the entire Council of Policy. After the initial courtesies, the Ambassador stated that at the Court of Padshah Tipu Sultan, shortly before his departure, a rumor had circulated that the Governor had departed from here and his replacement had not yet arrived, on which account the letter from his Master, which he at the same time delivered, was addressed not to his Honour but to the Servants of the Company, and was therefore not accompanied by any gifts. However, the Padshah, hearing that his Honour was still here, would send a further letter with gifts, for the Padshah held his Honour in high esteem, etc. The Governor replied to this that he accepted the letter as if it had been written to him, and that the assurance given of the Padshah's goodwill was pleasing to him above all gifts. Now the Ambassador began a long speech, which in substance contained the following: The Padshah had great goodwill toward the Dutch Company, because it was known throughout all the Indies as a just and faithful Nation, which treated all Indian princes with sincerity and faithfully fulfilled its treaties with them, and oppressed no one, which could not be said of the other European nations in the Indies; this was particularly evident in the case of the King of Cochin, who had hitherto been protected by the Company, and praised its good treatment and assistance on all occasions and was also very satisfied with the goodwill with which the Governor handled his affairs. Since the Dutch Company was now so renowned everywhere for its justice and fairness, the Padshah had conceived a great affection for it, to such an extent that he had decided to tolerate no other Nation than the Dutch alone in his country, and his Highness could therefore also not understand why the Company had surrendered the fort of Cranganore to Rama Raja (thus he named the King of Travancore throughout the entire conference) and therefore had the reasons for this inquired into. This was answered first with a suitable compliment concerning the good affection of the Padshah, and further with the declaration that the King of Travancore was a close Ally of the Company, and had requested that the fort of Cranganore and the outpost of Ayicotta be ceded to him; the Company had consented to this, and thereupon the said fort and the outpost of Ayicotta had together been sold to his Highness and transferred in full ownership. Upon this, the Ambassador presented the request of his Master, that the Company might take back the fort and garrison it with its troops, whereupon they could live there in peace and tranquility, and received as an answer that the fort had been lawfully sold, and could therefore not be demanded back. Upon this followed the question: whether the Company would take back the fort if Rama Raja wished to return it, and the answer of the Governor, that even in such a case he would not take the fort back, because it had been lawfully sold. The Ambassador continued that the Padshah had sent him expressly to Rama Raja to demand the fort from him, and would then present it as a gift to the Company, and upon the assurance of the Governor that the King of Travancore would not surrender it, his answer was that the Padshah would compel him to do so by force and conquer the fort by force of arms, and had it proposed to me, in such a case, to take the fort back again for the Company and garrison it with its troops. To this the following was applied to him: The Padshah had just now through his mouth praised the Dutch Nation for its justice and good faith; but what would he think of us henceforth, if we were capable of betraying the King of Travancore, who was our old faithful Friend and Ally, behind his back or in secret, in so faithless a manner. Now a different tack was taken; the Padshah knew that the Governor was an old and wise Man, who was in high esteem among the princes of Malabar, and therefore had these matters presented to him, in order to persuade Travancore to the amicable return of the Fort, to prevent great calamities; but the Governor avoided this delicate proposition with the answer that he was very grateful for the good confidence of the Padshah, but had always made it a rule never to meddle with the affairs of the Company's high Allies further than the interest of the Company required, and that moreover he, the Ambassador, was now himself going to the King of Travancore and thus had the best opportunity to confer with his Highness about everything that had been entrusted to him. After some pause, in which the Ambassador appeared to deliberate further, he took the floor again and declared that the Padshah would not tolerate anyone having fortresses in his country except the Dutch, because they were the only ones who acted sincerely, and that his Highness would therefore take the fort of Cranganore by force

Dutch transcription

459 Aanteekeninge van het verhandelde met den Ambassadeur van Tipoe Sultan¬ gent. Abdul kader chan op den 24.e November 1789. in de tegenwoordig= „heid van den heelen Raad van Polietsie, Na de eerste plechtpleegingen zeide de Ambassadeur, dat aan het Hof van Patscha Tipoe Sultan, kort voor zijn vertrek, het gerucht geloopen had, dat de Heer Goeverneur van hier vertrokken en zijn vervanger noch niet aangekomen was, weshalven de brief van zijnen Meester, dien hij tevens overgaf, niet aan zijn Edele maar aan de Bedienden van de kompanie gericht was, en daarom van geene geschenken verzeld ging. doch dat de Patscha hoorende dat zijn Edele noch hier was, een naderen brief met geschenken zenden zoude, want dat de Patscha veel achting voor zijn Edele had, enz: De Heer Goeverneur antwoorde hierop, dat hij den brief aannam als of dezelve aan hem geschreeven waare, en dat de gegeevene verzeekering van des Pat„ „schas geneegenheid hem boven alle geschenken aange¬ „naam was. Nu begon de Ambassadeur een lange reedenvoe¬ „ring, die het volgende in substantsie behelsde: De Patscha had groote geneegenheid voor de Hollandsche kompanie, wijl ze door heel Jndien bekend was voor eene eene rechtvaardige en getrouwe Naatsie, die alle In¬ „dische vorsten met oprechtheid behandelde en aan haare verbonden met dezelven getrouwlijk voldeed, en nie¬ „mant onderdukte, hetgeen men van d' ovrige Europee„ „sche naatsien in Jndiën niet kost zeggen; inzonderleid bleek dit ook aan den koning van koessiem, die tot dus ver van de kompanie geprotegeerd werd, en bij alle geleegenheeden haare goede behandelingen en bijstand ^ ook zier voldaan was over de geneegenheid prees en inzonderheid ^ waarmede de Heer Goeverneur zyne zaaken behandelde. Wijl nu de Hollandsche komp: alom zoo beroemd was, wegen haare rechtvaardigheid en billijkheid: zoo had de Patscha voor dezelve groo= te geneegenheid opgevat, in zoo verre dat hij beslooten had, geen andere Taatsie, als alleen de Hollanders in zijn land te dulden, en zijne Hoogheid kost derhalven ook niet begrijpen, waarom de komparie het fort kranganoor aan Rama Rasia /:zoo noemde hij den koning van Trevankoor de heele konferentsie door:/ had overgegeeven en liet dus de reeden daarvan vraagen. Dit werd beantwoord eerst met een gepast kompli= ment, wegens de goede geneegenheid van den Patscha en voorts met de verklaaringe dat de koning van Trevankoor een nauwe Bondgenoot van de komp:e was, en verzocht had, het fort kranganoor en de veldpost Aikotte aan hem over te laaten, dit had de komp:e toegestaan, en daarop waaren het gem fort en de veldpost Aikotte te zaamen aan zijne Hoogheid 460 Hoogheid verkocht en in vollen eigendom overgegeeven. Hierop stelde de Ambassadeur het verzoek van zijnen Meester voor, dat de kompanie het fort weder mogt overneemen en met haare troepen bezetten, wanneer zij daar in rust en vreede kost woonen. en kreeg daarop tot antwoord, dat het fort wettig ver„ „kocht was, en dus niet kost te rug gevraagd worden. Hierop volgde de vraage: of de kompanie het fort zoude overneemen, als Rama Rasia hetzelve te rug wilde gee¬ ren, en het antwoord van den Heer Goeverneur, dat hij ook in zulk een val het fort niet te rug neemen zoude, wijl het wettig verkocht was. De Ambassadeur vervolgde, dat de Patscha hem ex= „pres aan Rama Rasia gezonden had, om het fort van hem op te eischen, en wilde hetzelve als dan aan de kompanie present doen. en op de verzeekering ^ van Trevankoon van den Heer Goeverneur, dat de koning „ hetzelve niet zoude overgeeven, was zijn antwoord, dat de Patscla hem daartoe met geweld dwingen en het fort gewaa- „penderhand veroveren, en liet mij voorstellen, om, in zulk een val, het fort voor de kompanie weder over te neemen en met haare troepen te bezetten. Hierop werd hem hetvolgende toegepast. De Patscha had zoo aanstonds de Hollandsche Naassie over haare rechtvaardigheid en goede trouwe door zijnen mond gepreezen; doch wat zoude hy voortaan van ons dinken, indien wij bequaam waaren, den koning van van Trevankoor, die onze oude getrouwe Vriend en Bond= genoot was, achter zijn rugge of in 't heinlijk, zoo trouw „loos te verraaden. Nu werd het over een anderen boeg gewendt; De Pat= „scha wist, dat de Heer Goeverneur een oud en verstan¬ „dig Man was, die bij de vorsten van Malabaar in groote rolting stond, en liet hem daarom deeze zaaken voorhouden, om Trevankoor tot de minzaame te ruggave van het Fort te persuadeeren, tot voorkoo¬ „ming van groote onheilen; doch de Heer Goeverneur ontweek deeze neetelige voorstelling door het antwoord, Dat hij voor het goede vertrouwe van den Patscha zeer dankbaar was, doch het zich steets tot eene wet gemaakt had, zich met de zaaken van 'skomp:s hooge Bondgenooten niet verder te bemoeren, dan het belang van de kompanie vereischte, en dat daar en boven hij Ambassedeur thans zelve naar den koning van Trevankoor ging en dus de beste geleegenheid had, zijne Hoogheid over al wat hem op= gedraagen was, te onderhouden. Na eenige tusschen poozing, waarin de Ambassadeur zich nader scheen te beraaden, nam hij weder het woord op en verklaarde, dat de Patscha noet gedoogen zoude, dat in zijn land iemand vestingen hadde, buiten de Hollanders, wijl dezelven de eenigste waaren, die oprechtlijk handelden, en dat zijne Hoogheid derhalven het fort kranganoor met geweld

NL-HaNA_1.04.02_3850_0357 view scan ↗

English

461 take by force, and if the Dutch Company did not wish to have it, retain it for himself. The answer of the Lord Governor contained: That this was a matter that had to be settled between the Patscha and the King of Trevankoor, but that he could not comprehend on what grounds the Lord Ambassador claimed that the fort Kranganoor lay in the land of the Patscha, and this gave occasion to the following questions. Ambassador: On whose land is the fort Kranganoor situated? Governor: The land on which the fort stands, along with the further foreground where the village was formerly built and the so-called Company’s garden, has belonged from ancient times to the Dutch Company in sovereign ownership, and presently belongs as such to the King of Trevankoor. A: The fort lay in the Kingdom of Kranganoor, and since the Patscha had conquered that Kingdom, it therefore lay in the land of the Armané. G: The Patscha was ill-informed. The fort, along with the village, had belonged to the Company for more than one hundred years and was entirely separated from the Kingdom of Kranganoor. The deposed King of the same was still alive, and he with his courtiers would have to acknowledge this. The King of Koetsiem would also have to bear witness to this, and all inhabitants of that little Kingdom and in its neighborhood 2 neighborhood would have to confirm it, and all could point out the ancient boundary line. A: In what manner had the Company acquired that fort? G: It had conquered the same in a lawful war against the Portuguese. A: In what manner had the Portuguese acquired it? G: This question went too far and somewhat resembled an examination. It ought to be enough for the Patscha that the Company had already possessed it lawfully for over a hundred years, and had now lawfully sold it to the King of Trevankoor. A: The fort stood on the territory of the Armané; this was evident from the fact that the Company had paid an annual recognition fee for it. G: Never had a single doit been paid for it. A: From the accounts of the Armané revenues of the Land of Kranganoor, it appeared that the Company had paid 12 pagodas annually. G: The Patscha was very wrongly informed regarding this, and could freely inquire of the King of Kranganoor and his servants who were still alive whether the Company had ever paid a single doit in recognition for the fort. With respect to the 12 pagodas, which it was now claimed had been given as a recognition fee, the matter stood quite differently: namely, several Chettis and other inhabitants of the Company, who lived in houses outside 462 outside the fort but on the Company's land, had some years ago rented small gardens or plots of land annually from the revenue farmer of the Patscha in the territory of the King of Kranganoor, and because these rent monies were not paid on time, the farmer addressed himself to the Chief, Mr. Cellarius, who, in order to prevent difficulties, had that money collected by the interpreter and paid to the farmer. This has occurred annually ever since to avoid difficulties, and it is therefore very wrong and without any foundation that one wishes to make of this a recognition fee for the fort. This matter is notorious and known to all natives, high and low, among whom the Ambassador can make inquiries. The Ambassador began anew to speak at great length of the esteem and affection of the Patscha for the Dutch Company and for the Lord Governor, and subsequently proposed that in the treaty between the Patscha and the English it was expressly stipulated that the English and the King of Trevankoor should not interfere with the lands and inhabitants of Koetsiem, nor with the lands and inhabitants of the Armané. To which the Governor served as an answer that His Honour knew nothing of this, and had not read the treaty. The Ambassador then continued that the King of Kalikut was a vassal of the Patscha, but had made himself a fugitive and was protected by Rama Rasia, and that this King had also granted shelter and protection in his land to a multitude of Princes and nobles from the Kingdoms of the Samorin and Kolastri, as well as to many wealthy merchants and opulent subjects of the Patscha, who thereby suffered great damage, and he asked the Lord Governor what His Honour thought of such conduct? The Lord Governor answered thereto that he confined himself solely to the administration of the interests of the Company entrusted to him, and never meddled in the affairs of the neighboring Princes which did not concern the Company, and that the King of Trevankoor was a sovereign Prince whose deeds he did not desire to judge. And to the reply of the Ambassador that the Patscha had expressly commanded him to confer with Rama Rasia about this, and to reclaim the persons and goods of his fled subjects who were hiding in his country, and had beforehand given notice thereof to the Lord Governor as a proof that the Patscha desired nothing unjust and would undertake nothing against Rama Rasia 463 Rasia without having conclusive reasons for it, the Lord Governor replied to him that this was a matter that did not concern the Company and had to be decided between the Patscha and the King. Now, according to custom, betel and rosewater were offered, and the Ambassador departed with the promise that upon his return from the King of Trevankoor, he would collect the Lord Governor's answer to the letter of the Patscha. In the city of Koetsiem, the day, month, and year aforesaid. Was signed: Arnoldus Lunel, Secretary. Agreed: Arnold Lunel, Secretary. No: 8

Dutch transcription

461 geweld inneemen, en als de Hollandsche kompanie het niet hebben wilde, voor zich zelven behouden zoude Het antwoord van den Heer Goeverneur behels de: Dat dit eene zaak was die tusschen den Patscha en den koning van Trevankoor moest afgedaan worden, doch dat hij niet begrijpen kost, op wat fundament de Heer Ambassadeur voorgaf, dat het fort kranganoor in het land van Patscha lag, en dit gaf geleegenheid tot de volgende vraagen. Amb:r op wiens grond ligt het fort kranganoor. Goev:n De grond, daar het fort opstaat met de verdere voorgrond daar voor deezen de Negorij opgebouwd was en de zoogenaamde kompanies tuin heeft van al oude tijden aan de Hollandsche kompanie in Souverainen eigendom toebehoord, en behoord thans als zoodanig toe aan den koning van Trevankoor. A: Het fort lag in het Ryk van kranganoor, en wijl de Patscha dat Ryk veroverd had: zoo lag het in het land van den Armane G. De Patscha was qualijk onderricht, Het fort met de Negorij had zeder meer dan honderd Jaar de komp: toebehoord en was ten eenemaal afgezonderd van het Ryk van kranganoot. De verdreevene koning met van hetzelve leefde noch en zoude dit zijne Hofs= De koning van koet= „grooten moeten bekennen. siem zoude hiervan mede getuigenis moeten geeven, en alle Inwooners van dat Rijkje en in deszelfs nabuurschap 2 nabuurschap zouden had moeten bevestigen, en alle konden de oude grensscheiding aanwijzen. A: Op wat wijze was de kompanie aan dat fort gekomen 9: zij had hetzelve in een wettigen Oorlog tegen de Portugee„ „zen veroverd. A. op wat wijze waaren de Portugeezen daaraan gekomen Deeze vraag ging te ver en geleek wel wat naar een examinaatsie het behoorde voor den Patscha genoeg te weezen, dat de kompanie het reets over honderd Jaaren wettig bezieten en nu wettig aan den koning van Trevankoor verkocht had. A: Het fort stond op het grondgebied van den Armané, dit blick daaruit, dat de kompanie daarvoor een Jaarlijxe rekognietsie betaald had. I. Noit was daarvoor een duit betaald. A: Bij de Reekeningen van de Armaneesche inkomsten van het Land van kranganoor bleek, dat de kompt Jaarlijx 12. pagooden betaald had. Gr De Patscha was hieromtrend zeer verkeerd onder= „richt, en kost bij de koning van kranganoor en zijne Bedienden die noch leefden, vrij laaten na„ „vraagen, of de kompanie oit een duit aan re„ „kogmetsie voor het fort betaald had; met de 12. pagooden, die thans voorgaf dat tot eene rekoge mitsie gegeeven waaren, was het heel anders geleegen. teweeten, verscheidene sjigos en andere Jnwooners van de kompanie, die in huizen buiten G. 462 buiten het fort doch op 'skompanies grond woonden, hadden voor eenige Jaaren van de Landpachter van den Patsela in 't gebied van den koning van kran= ganoor tuintjes of stukjes land Jaarlijx in huur genoomen, en wijl die huurpenningen op zijn tijd niet betaald wierden, zoo addresseerde de pachter zich aan het Opperhoofd den Heer Cellarius, die, tot voorkoming van moeilijkheeden, dat geld door den Tolk liet invorderen en aan den Pachter betaalen. Dit is zeder Jaarlijx geschied, tot voorkoming van moeilijkheeden, en het is dus zeer verkeerd, en zonder eenig fundament, dat men hieruit eene rekogniessie voor het fort wil maaken. Deeze zaak is notoir en bij alle Inlanders groot en kleen bekend, waarby de Ambassadeur navraagen kan. De Ambassadeur begon op t nieuw breed op te geeven, van de achting en geneegenheid van den Patscha voor de Hollandsche kompanie en voor den Heer Goever¬ neur, en stelde vervolgens voor, dat bij het trak¬ „taat tusschen den Patscha en de Engelschen expres bedongen was, dat de Engelschen en de koning van Trevankoor zich niet zouden bemoeien met de Landen en ingezeetenen van koessiem en ook niet met de Landen en Jngezeetenen van den Armané. Waarop de Goeverneur tot antwoord diende, dat zijn Edele daar niets van wist, en het traktaat niet geleezen geleezen had. De Ambassadeur vervolgde toen, dat de koning van kalikut een vasal van den Patscha was, doch zich fugatief gesteld was, en van Rama Rasia geprote= „geerd werd, en dat deeze koning ook schuilplaats en protexie in zijn land verleend had, aan een mee¬ „nigte Prinsen en grooten uit de Rijken van Samorijn en kolastri, alsmede aan veele rijke kooplieden en vermogende onderdaanen van den Patscha, die daar door groot nadeel leed, en hij vroeg den Heer Goe„ verneur, wat zijn Edele van zulk een gedoente dacht ? De Heer Goeverneur antwoorde daarop, dat hij zich aan alleen tot het bestier van de hem toevertrouwde belangen van de kompanie bepaalde, en zich noit bemoeide met de zaaken der naburige Vorsten die de kompanie niet aangingen en dat de koning van Trevankoor een souveraine vorst was, over wiens daaden hij niet begeerde te oordeelen. en op het antwoord van den Ambassadeur, dat de Patscha hem expres gelast had, Rama Rasia hierover te onderhouden, en de perzoonen en goederen van zijne ontvluchte onderdaanen, die zich in zijn land schuil hielden, te rekla¬ „meeren, en hiervan vooraf aan den Heer Goever neur kennis liet geeven tot een blijk dat de Patscha niets onbillijks begierde, en tegen Rama Rasia 463 Rasia niets beginnen zoude zonder daartoe bondige reedenen te hebben, voegde de Heer Goeverneur hem te gemoet; dat dit eene zaak was, die de kompanie niet raakte en tusschen den Patscha en den ko„ „ning moest beslist worden. Nu werd, volgens gebruik betel en Roozewater aangebooden en de Ambassadeur vertrok met belofte, dat hij bij zijne te rug komst van den koning van Trevankoor, het antwoord van den Heer Goeverneur op den brief van den Patscha afhaalen zoude. In de stad koetsiem dage maand en Jaare voormeld, /:was geteekend:/ Arnold=s Lunel Sekretaris. Akkerdeerd Arnold Lunel sekret:s No: 8

NL-HaNA_1.04.02_3850_0365 view scan ↗

English

Draft letter written by the honorable, highly esteemed Lord Governor Iohan Gerard van Angelbeek to Tipoe sultan, Patscha of Maisoer, on the 13th of December 1789. To His Serene Highness, the fortunate possessor of many prosperities, equal to Mount Mahameroe, measure of widespread fortune, Protector of many peoples, Rewarder and prince of princes, the Lord Patscha Tipoe sultan, from the Lord Governor Iohan Gerard van Angelbeek, greetings; to this date I find myself in a good state of health, and I request to be informed of the state of Your Highness and all pleasant tidings. Some days ago the King of Koetsiem let me know that Your Highness had dispatched an Ambassador with letters to me, and subsequently Abdul Kader arrived at the Court of Koetsiem, who was thus received by me as an envoy of Your Highness with all the honors that the Company is accustomed to show to the Ambassadors of the Kings and princes, its Allies or friends. Because the letter which he was to deliver on behalf of Your Highness was not enclosed in a bag, as was customary and proper, he excused this by pretending that shortly before his departure at the Court of Your Highness, the rumor had spread that I had departed from Koetsiem and the new Governor had not yet arrived, and that for that reason the letter was only written to the Servants of Koetsiem, but that Your Highness, learning that I was still here, would at once write another letter and send it to me with gifts. On this excuse I accepted the letter and furthermore spoke with Abdul Kader about what he had to propose on behalf of Your Highness, but when the letter was translated the following day, I found that it was not framed in such a manner as the dignity of the Company required, nor in such a manner as Your Highness himself has observed hitherto in his letters to me, which is evident from the letter that Your Highness wrote to me only shortly before and sent with Kamal Mammadoe. I am therefore obliged by this to point out to Your Highness that the Illustrious Dutch Company has been established for almost two hundred years as a sovereign Power in India, and as such is respected and treated by the greatest kings and princes in Asia, who are at the same time its friends and Allies; and furthermore, that the highly mentioned Company waged a heavy war with the kings of Spain and Portugal for more than a hundred years, and in it conquered the fortresses of Kranganoor and Koetsiem, and since that time has possessed them in full ownership as a sovereign Power and independently of the kings and princes of the Malabar, and especially of the kings of Koetsiem and Kranganoor; and that Your Highness therefore has not the least right to arrogate to yourself any authority or command over the highly mentioned Company or its Governor; and finally that the highly mentioned Company, as independent Sovereign of its possessions on the Malabar coast, has an indisputable right to dispose of its forts and places at its pleasure, and to transfer and cede the same to whomever it wishes, without giving account of this to anyone in the world, whoever he may be. While I further remark, regarding the oral claim of Abdul Kader in the conference that the Company had paid an annual recognition to the Armane for the fort of Kranganoor, that the same is a purely frivolous fiction, and that the Illustrious Dutch Company has never paid any recognition for that fort, neither to Your Highness nor to the previous princes of Kranganoor, nor to anyone whoever it may be; this fiction is probably based solely on the fact that some Chegos and Mocquas have rented small pieces of gardens and sow-fields from Your Highness's land renter outside our limits, and that the rent money for them has been paid annually. Nor can I understand how Your Highness can write that the city of Koetsiem is under the Armane, since it is known to the world that for more than a hundred years the Company has not only been the independent sovereign of that city, but has also during that time had the princes of Koetsiem and Kranganoor under its protection and defended them, which those princes themselves cannot deny; so that there is not the least pretext at hand to diminish the dignity of the Illustrious Company through such futile pretenses. If there is anything here for the service of Your Highness, please write to me. Greetings. It was subscribed: thus translated into Tamil by me, Koetsiem, date as above. It was signed: I: M: Truijens, sworn translator. Agreed, Arnold Lunel, Secretary

Dutch transcription

464 Koncept brief door den weledelen Grootachtbaaren Heer Goeverneur Iohan Gerard van Angelbeek geschreeven aan Tipoe sultan Patscha van Maisoer den 13: de December 1789. Aan zijne Doorluchtige Hoogheid den Gelukkigen bezitter van veele voorspoeden, gelijkstandigen met den Berg Mahameroe, gemeter van een wijd„ „uitgestrekt geluk, Beschermer van veele volkeren Belooner en vorst der vorsten den Heer Patscha Tipoe sultan, door den Heer Goeverneur Iohan„ Gerard van Angelbeek salut; Tot dato deezer bevind ik mij in een goeden staat van gezond- „heid, en verzoeke den staat van uw Hoogheid en alle aangenaame tijdingen te bedeelen. Eenige dagen geleeden liet de Koning van Koetsiem mij weeten, dat uw Hoogheid eenen Ambassadeur met brieven aan mij afgezonden had, en vervol„ „gens quam Abdul Kader aan het Hof van Koet= „siem, die dus als een afgezant van uwe Hoog- „heid door mij ontvangen is met alle de eerbe„ „wijzingen die de kompanie gewoon is, aan de Ambassadeurs van de Koningen en vorsten haare Bondgenooten of vrienden te bewijzen wijl wijl de brief, dien hij uit naam van uwe Hoog„ heid overgeeven moest, niet zoo als het gebruik „lijk en betaamlijk was, in een sakje beslooten. was, zoo verontschuldigde hij dit met het voor= geeven, dat kort voor zijn vertrek aan het Hof van uw Hoogheid het gerucht verspreidt was, dat ik van Koetsiem vertrokken en de nieuwe Goe= „verneur noch niet aangekomen was, en dat daarom de brief eenlijk aan de Bedienden van koetsiem geschreeven was, doch dat uwe Hoogheid verneemende dat ik mij noch hier bevond, ten eersten een ander brief schrijven en met geschenken aan mij zenden zoude. Op deeze verontschuldiging heb ik den brief aangenoomen en voorts met Abdul Kader gesprooken over het geen hij van wegen uw Hoogheid voor te stellen had, doch toen de brief 's daags daaraan vertaald werd, bevond ik, dat dezelve niet zoodanig ingesteld was als de waar„ „digheid van de Kompanie vereischte en ook niet zoodanig als uwe Hoogheid zelve tot nu toe in zijne brieven aan mij geobserveerd heeft, het geen blijkt bij den brief dien uwe Hoogheid noch eerst kort bevoorens aan mij geschreeven en met kamal Mammadoe gezonden heeft Jk ben dus verplicht uw Hoogheid bij deezen voor 465 voor te houden, dat de Doorluchtige Hollandsche Kompanie eerst bij na tweehonderd Jaaren als eene souveraine Mogendheid in Jndien gevestigd is, en als zoodanig van de grootste koningen en vorsten in Asia die teffens haare vrienden en Bondgenooten zijn, gerespekteerd en behan„ „deld word, en voorts, dat hoog ged:t kompanie voor meer dan honderd Jaar met de koningen van spanien en Portugal een zwaaren oorlog gevoerd, en in dezelven, de vestingen kranga- „noor en koetsiem veroverd, en zeeder dien tijd „ als een souveraine Mogendheid en onafhanka „lijk van de koningen en vorsten van de Ma„ labaar en vooral van de koningen van koet= „siem en kranganoor in vollen eigendom bezee„ „ten heeft, en dat uwe Hoogheid derhalven geen het allerminste recht heeft, zich eenige authori= „teit of gezag: over hoog gedachte kompanie of haaren Goeverneur aan te matigen, en eindelijk dat hoog gedachte Kompanie als onafhanklijk Opperheer van haare bezittingen op de Mala„ „baarsche kust een onbetwistbaar recht heeft, over haare forten en plaatsen naar welgevallen te disponeeren; en dezelven te transporteeren en af testaan aan wie ze wil, zonder daarvan aan niemand ter wereld wie hij ook zijn moge, „ Reekenschap Reekenschap te geeven. Terwijl ik noch op het mondelinge voorgeeven van Abdul Kader in de konferentsie, dat de kompa„ „nie aan den Armane voor het fort kranganoor een Jaarlijxe rekognietsie betaald had, aanmer„ „ke, dat hetzelve een louter frivool verdichtzel is, en dat de Doorluchtige Hollandsche kompa= „nie noit eenige rekogniessie voor dat fort noch aan uwe Hoogheid noch aan de voorige vorsten van kranganoor noch aan niemand wie het ook zijn moge betaald heeft, dit verdichtzel steund waarschijnlijk alleen daarop, dat eenige sjegos en Mocquas kleene stukjes tunnen en zai= „velden van uw Hoogheids landpachter buiten onze limiet gehuurd hebben, en dat de huurpen„ „ningen daarvan Jaarlijx betaald zijn. ook kan ik niet begrijpen hoe uwe Hoogheid schrijven kan, dat de stad koetsiem onder den Armane staat, daar het wereldkundig is, dat de kompanie zeder meer dan honderd Jaar niet alleen de onafhanklijke opperheer van die stad is, maar ook zeder dien tijd de vor= „sten van Koetsiem en kranganoor onder haare protextie gehad en beschermd heeft, hetgeen die vorsten zelve niet kunnen ontkennen, zoo dat 466 dat er geen de minste schijn voor handen is, om door zulke nietige voorgeevens, de waardigheid van de Doorluchtige kompanie te deklineeren. Hier iets van uw Hoogheids dienst zijnde ge„ „lieve mij te schrijven. salut /onderstond/ zooda„ „nig door mij in 't Tamoelsch overgezet koet: siem dato als vooren /was geteekend:/ I: M: Truijens gezwoore translateur Akkordeerd Arnold Lunel sekrit:s

NL-HaNA_1.04.02_3850_0373 view scan ↗

English

A true copy 467 Military Department President and Governor & Council Colombo Gentlemen In consequence of the late purchases of Cranganore and Jacottah, made by the Rajah of Travancore from your Nation, some discussions have taken place with the Nabob Tipoo Sultaun, who has disputed the right which the Dutch had to sell the abovementioned places, without his consent. That we may be fully acquainted with this subject, we shall esteem it a favor if you will give us the most particular information in your power upon the following points: We wish to know whether the Dutch obtained possession of the abovementioned places from the Portuguese & upon what terms the Portuguese held them; upon what terms they were transferred, and whether from the time your Nation possessed them until the late period, when they were purchased by the Rajah of Travancore, any rent or tribute has been paid to the Amildars of Calicut or others, or any sovereignty acknowledged; To The Honorable W: J: van de Graaff Esqr. 468 It is asserted by the Nabob Tipoo Sultaun that a rent was yearly paid by the Dutch to the Amildars of Calicut, which is a tributary to Mysore; on the other hand, it is maintained by the Rajah of Travancore that Cranganore and Jacottah belonged solely to the Dutch, that the Rajah of Cochin had no claim whatever upon them; that the Dutch have had possession to the present period, during one hundred and thirty-five years, and that they never paid a single cash to the Rajah of Cochin as a yearly tribute for the above places. In order to ascertain what is the fact, amidst such contradictory assertions, we request you will furnish us with authentic copies of all deeds and documents respecting Cranganore & Jacottah, and communicate to us such particulars as may enable us to adopt a line of conduct upon the principles of strict justice towards all parties. We have the honor to be, Gentlemen, Your most obedient humble servants, Fort St. George, 7th December 1789. signed: John Hollond Jas. Hy. Casamajor George Moubray Esqr. Edwd. Jno. Hollond 468 Copy Translation English Letter Military Department To the Honorable, the Right Worshipful Mr. W: J: van de Graaf, President and Governor, along with the Council at Colombo. Honorable, Right Worshipful Sir and Gentlemen. The recent purchase of Cranganore and Aikotta by the Rajah of Travancore from Your Honors' nation has given rise to some inquiries with the Nabob Tipoo Sultan, who has disputed the right that the Dutch had to sell the aforementioned places without his consent. In order that we might be fully instructed regarding this subject, we shall consider it a favor if Your Honors would provide us with the most complete information possible regarding the following points: We wish to know whether the Dutch obtained the possession of the said places from the Portuguese; on what footing the Portuguese possessed the same; under what conditions the Portuguese surrendered them; and whether, since the time that your nation held the aforementioned places in possession until the latest period when they were purchased by the Rajah of Travancore, any rents or tribute have been paid to the Amildars of Calicut or others, or whether any sovereignty has been acknowledged. Tipoo Sultan maintains that the Dutch paid a yearly rent to the Amildars of Calicut, which country pays tribute to Mysore; on the other side, the Rajah of Travancore asserts that Cranganore 469 and Aikotta belonged solely to the Dutch; that the Rajah of Cochin has no pretension whatsoever to the said places; that the Dutch have been in possession thereof up to the present moment for the duration of one hundred and thirty-five years; and that they never paid a single duit to the Rajah of Cochin by way of yearly tribute for the said places. In order to be able to judge this matter in the midst of such contradictory affirmations, we request Your Honors to be pleased to provide us with such authentic copies of all acts and documents concerning Cranganore and Aikotta as may be sufficient to guide our conduct in this respect according to the rules of strict justice towards both parties. We have the honor to be, beneath: Honorable, Right Worshipful Sir and Gentlemen, Your very obedient humble servants, was signed: John Hollond, Jas. Hy. Casamaijor, and Edwd. Jno. Hollond, in margin: In Fort Saint George, the 7th of December 1789. Agreed. Arnold Lunel, Secretary. 470 To the Honorable, the Right Worshipful Mr. John Hollond, President and Governor, along with the Council at Madras. Honorable, Right Worshipful Sir and Gentlemen! The Ceylon Government has forwarded to us Your Honors' letter to them concerning the fort of Cranganore and the field post Aikotte, with the request to answer the same. Although the pretenses of the Nabob Tipoo Sultan regarding the aforementioned two places deserve neither your attention nor our refutation, we shall nevertheless, merely to comply with your friendly request, note the following in response: It is known to the world that the Dutch Company its forts and establishments on

Dutch transcription

A trie Cosy 467 Military Department ¶ Heer olombo ement in heeft Iresident and Governor & H. Council Ectumbo Gentlemen J In consequence of thi late purchases of Cranganore and Sacottate, made by the Rajate of Travancore from y Your Nation, some discussions have taken Plaw with the Ma¬ bob Tipoo Sultaun, who has disputed the right which the Dutch had to sell the above mentioned Places, without his Consent off That He may be fully Acquainted with this subject, We shall esteem it afaver if Jourwill give us the eid most particular informetion in Your Power upon the follow ] Sultan ge¬ points; welk We wrish to Know whether the Dutch plaat Obtaind possission of the abovementioned Plaues from the Portu, verkoo„ queze & upon what terms the Portuguize held them- upon what terms they were transferred, and whether from the dit time four Nation possessed them untill the late period, when they were purchased by the Rajah of Travancore, any rent or Tribute has been paid to the Amildars of Calicut or others or any Dovereignty Acknowledged; To The Honorable W: J: Vande Graaff Esgr C Gt E ur rief 468 re zijn achten „leet„ Iis asserted by the Nabob Sipoo Sultaun that a Rent was yearly paid by the Dutch to the Amul dars of Calieut which is astributary to Mysore on the other hand, it is maintained by the Rajah of Travancon that Cranganord and Jawttah, belonged solely to the Dutch, that the Rajah of Cochin had no Claim what ever upon them; that the Dutch have had possission to the present period, during one hundred and thirty five years and that they never paid asingle Cash to the Rajah of Cochin as a yearly tribute for the above Plaus, In order to ascertain what is the fact, amidst such Contradictory Assertions, We requi st you will furnich us with authentick Copies of all Deeds and Documents, respecting Cranganore ƒ & Jacottati, and Communicate to us such particular as may enable us to adopt aline of Conduct upon the Principles of Street Justice towards all Parties, We have the honor to be Gentlemen Fort St. George Jour Most Obidte. Humr. Sts. ƒ 7e December 1789 /signed/ John Hollond Ja„ H Masamayor Geosul Moarten Esgra Edwd. Mc. Hollond 6 468 Brief ement olombo Sultan verkoo„ achten ¶Heer bedw ux ƒ v dit zijn welk plaat an ook Jre heeft eid ge¬ 0 eenly dekw 468 Kopij Translaat Engelsche Brief Militair Departement Aan den Weledelen Gestrengen Heer W: J: van de Graaf President en Goeverneur nevens den Raad te kolombo Weledele Gestr: Heer en Heeren. De laatste koop van kranganoor en Aikotta door den Rajah van Gre„ „vankoor van Uwweled: naatsie heeft tot eenige Onderzoekingen geleegenheid ge„ „geeven met den Nabab Sipoe Sultan die het Recht betwist heeft, 't welk de Hollanders hadden, voormelde plaat „zen buiten zijn toestemming te verkoo„ „pen. Op dat wij ten vollen nopens dit onderwerp mogten geinstrueerd zijn, zullen wij het voor een Gunst achten indien vwweledg: ons de kompleet„ „ste „ste Jnformaatsie, die mogelijk is, willen be„ „zorgen nopens de volgende Pointen: wij wenschen te weeten, of de Hollan„ „ders de bezitting der Gemelde plaatzen van de Portugeezen geobtineerd hebben, op welken voet de Portugeezen dezel„ „ve bezeeten hebben; op welke kon „dietsies de Portugeezen hen overgegee„ ven hebben en of zedert de tijd, dat uwe naatsie voorschreeven plaatzen in bezit gehad heeft, tot de laatste tijdstip, wanneer ze door den Rajah van Trevankoor gekocht wierden, eenige Renten of Tribuut betaald zijn aan de Amildars van kolikut of anderen, dan wel of er eenige soeve„ „reniteit erkend is. Tipoe Sultan houdt staande, dat de Hollanders Jaarlijks aan de Amildars van Kalikut eene Ren¬ „te betaald hebben, welk land aan Maisoer Tribuut betaald; aan de andere zijde verzeekerd de Rajah van Srevinkoor, dat kranganoor 469 en Aikotta alleen aan de Hollanders behoord hebben; dat de Rajah van koetsiem geen pretensie heeft, hoe genaamd op gemelde plaatzen; dat de Hollanders tot den prezenten tijd„ „stix in 't bezit daar van geweest zijn, geduurende een honderd en vijf en dertig Jaaren; en dat zij nimmer een enkelde duit aan den Rajah van koetsiem bij wijze van Jaar lijks Tribuut voor Gemelde plaat „zen betaald hebben. Om in staat te zijn, deeze zaak in het midden van zodanige teegenspreekende affirmaatsies te kunnen beoordeelen, verzoeken wij Vwweledg: ons zodanige authentieke kopijen van alle Acten en Do„ „kumenten aangaande kranga. „noor en Aikotta tewillen bezor„ „gen, als er voldoende mogten zijn, ons gedrag ten dien op zigte naar de regelen van het strikte Recht Recht teegens beide partijen te kunnen dirigeeren. wij hebben de eer te zijn /:onderstond:/ Weledele Gestre: Heer en Heeren Vwe zeer Gehoorzaame nedrige Die„ naren /was geteekend:/ John Holland, Ja„ Js„ Casamaijor en Edw:d Jn:s Hol„ „tond /in margine:/ In 't Fort Samt George den 7: December 1784: Akkondeerd. Arnold Lunel sekrit:s 2 N 470 Aan den Weledelen Gestrengen Heer John Hollond, President en Goeverneur nevens den Raad te Madras. Weledele Gestrenge Heer, en Heeren! De Ceilonsche Regeering heeft den brief van uw weledelen aan haar over het fort kranganoor en de veldpost Aikotte ons toegezonden, met ver„ „zoek denzelven te beantwoorden. Hoewel de voorgeevens van den Nabab Tipoe sultan nopens voormelde twee plaatsen noch uwen aandacht noch onze wederlegging verdienen: zoo, zullen wij eenlijk om aan uw vriendelijk verzoek te voldoen, daarop het volgende aanmerken Het is wereldkundig, dat de Hollandsche kompanie haare forten en etablissementen op

NL-HaNA_1.04.02_3850_0382 view scan ↗

English

on the Malabar coast, which already in the previous century was won by the sword in a lawful war against the Portuguese. The fort of Kranganoor was conquered on 15 January 1662 and has thus been lawfully possessed by us for over a hundred years; Aikotte is an open piece of land which undoubtedly fell into our hands at that time, or through the conquest of Koetsiem, but since there was not the least fortification there and consequently no military exploit was required for its occupation, the modus acquirendi cannot be specified more closely. Yet it is all the more certain that the Company has possessed the same peacefully and in sovereign ownership since time immemorial. Your question, on what footing the Portuguese possessed those places, we cannot answer, but in our view it is also superfluous. If, after having conquered a place from the enemy in an open war and possessed it for 127 years, one were still obliged to demonstrate that the enemy had possessed the same lawfully, where then would the security of your and our possessions remain? That, however, the Portuguese possessed Kranganoor before us for longer than a century is more than well known to Your Honours and to all India. The assertion that we had paid recognition money, rent, or tribute for Kranganoor or Aikotte is a pure fabrication and a frivolous untruth. The Company, through the conquest in an open war, became the lawful and sole sovereign lord thereof, has never recognized any other sovereignty, and in particular has never paid a duit or penny for that fort or for Aikotte to the Samorijn, or to the Amuldars of Kalikut, or to the King of Koetsiem, or to anyone else; all of this is notorious, of which all inhabitants of the Malabar coast have full knowledge, and the King of Trevankoor spoke the pure truth when he gave Your Honours such an assurance thereof as your letter contains, except that he was mistaken in the number of years of our possession, since the same is no more than 127. The frivolous pretext of Tipoe that we had paid rent or recognition money for Kranganoor was fabricated by him and derived from the following circumstance. In the last five years, some Tjegos and Mocquas belonging under the Company at Kranganoor had rented some small pieces of land outside the Company's limit from Serabab's land-renter, but fell behind with the payment; Serabab's land-renter complained about this to our Chief at Kranganoor, and the latter had the rent money collected by the interpreter and delivered to the renter, which was continued for three or four years in order to prevent difficulties; such a sinister interpretation carries its own refutation. Your Honours request that we communicate to them authentic copies of all acts and documents concerning these places, but from the nature of our acquisition by the sword of war, Your Honours can easily deduce that no acts or documents thereof are extant; yet this modus acquirendi and the possession that followed thereupon for more than three times the period of time prescribed by the laws for acquiring a valid right of possession also render the same unnecessary. Allow us, Honorable Sirs, to add a remark here. The nullity and frivolity of the aforementioned pretenses of Tipoe Sultan, in order to give some semblance of justification to his hostile designs against the King of Trevankoor, is, apart from what was first demonstrated here, now also clearly evident from the other extravagant demands that he has brought forward against the King of Trevankoor; for example, that he should deliver up the princes and grandees who had fled to him; that he should demolish his lines; that he should return Paroe and the further lands to the King of Koetsiem, etc. For all those demands, which are of considerably more importance than the demand for the annulment of the contract of sale concerning Kranganoor, relate to facts that had already long existed when the latest treaty between the English Company and him, the Nabob, was concluded, in which the King of Trevankoor is explicitly and by name included, and must therefore be considered as settled by that treaty with the English Company, which he has since openly violated and broken by a hostile incursion upon the Trevankoor lines. Lastly, we add, as a superfluous precaution, that we supply this elucidation to Your Honours solely to satisfy your friendly request, and without thereby giving ground for any examination or appraisal of the Company's rights in this or any other future cases. We have the honour to be, (was signed below) Honorable, Right Honorable Sir and Sirs, Your Honours' obedient and humble servants, (was signed) J: G: van Angelbeek, J: L: van Spall, G: g: Geblardt, J: W: H: van Rossum, J: A: Cellarius, J: A: Scheijds, A:s Luviel, and J: A: Eversdijck. In the margin: Koetsiem, 9 January 1790. Agrees. Arnold Lunel, Secretary. Netherlands Secret Separate To the Honorable, Highly Esteemed Gentlemen Directors at the Assembly of Seventeen, representing the General Chartered Dutch East India Company at the Presidial Chamber, Amsterdam. Honorable, Highly Esteemed Gentlemen. I have the honour to let this serve as an accompaniment to the copy secret letter from me to the High Government at Batavia, which departs today, with the annexes belonging thereto, and hope that the same will find an opportunity at Ceilon on one of the packet boats from there; while I commend Your Honorable, Highly Esteemed Honours and the important interests of the Company to God's holy protection, and remain with all respect and loyalty, Honorable, Highly Esteemed Gentlemen, Koetsiem, 30 April 1790. Your Honorable, Highly Esteemed Honours' humble and faithful servant, J G van Angelbeek

Dutch transcription

1 op de Malabaarsche kust, reets in de voorige eeuw in een wettigen Oorlog tegen de Portu= geezen met het zwaard gewonnen heeft. tlet fort kranganoor is den 15e. Januari 1662. veroverd en dus over de honderd Jaar door ons wettig bezeiten; Aikotte is een open stuk land, hetwelk buiten twijfel te dier tijd, of mits de verovering van koetsiem, mede in onze handen gevallen is, doch wijl daar geen de minste vastigheid en dus tot dies okkupaatsie ook geen militair exploit noodig geweest is: zoo kan de modus acquirendi niet nader opgegeeven worden. Doch te zeeker is het, dat de kompanie hetzelve zeder onheuchlijke tijden, vreedig en in souverainen eigendom bezit. uwe vraage: op wat voet de Portugeezen die plaatzen bezatten, kunnen wij niet beant= woorden, doch is, naar ons inzien, ook over¬ tollig. — Jndien men, na eene plaats voor 127. Jaaren in een openbaaren Oorlog op den Vijand veroverd, en bezeeten te hebben, ook noch zoude moeten aantoonen, dat de vijand dezelve wettig bezeeten had, waar zoude dan de zeekerheid van uwe en onze bezittingen blijven. Dat echter 471 echter de Portugeezen kranganoor voor ons lan= ger, dan eene eeuw bezeetin hebben, is aan uw weledelen en aan heel Jndien te over bekend. Het voorgeeven, dat wij van kranganoor of Aikotte rekogniessie, Rente of tribut betaald hadden, is een loutere verdichtzel en eene fri= voole onwaarheid. De kompanie is door de verovering in een openbaaren Oorlog de wettige eenige Souveraine Opperheer van dezelven ge¬ worden, heeft noit eenige andere souverainiteit erkend, en inzonderheid ook van dat fort of van Aikotte noit een duit of penning aan den Samorijn, of aan de Amuldaars van kalikut, of aan den koning van koetsiem, of aan iemand anders betaald, dit alles is notoir, waarvan alle Jnwooners van de Malabaarsche kust volkome kennis draagen, en de koning van Trevankoor heeft de zuivere waarheid gesprooken, toen hij uw weledelen daarvan zoodanige verzeekering gaf, als uwe brief be= helst, eenlijk heeft hij zich in het getal der Jaaren onzer bezittinge vergist; wijl hetzelve niet meer als 127. is. Het frivole pretext van Tipoe, dat wij van kranganoor pacht of rekognietsie betaald hadden, is is door hem gefingeerd en gederriveerd van de volgende omstandigheid. Jn de laaste vijf Jaaren hadden eenige Tjegos en Mocquas onder de komp„s te kranganoor sorteerende eenige stukjes land bui„ ten 'skomp. s limiet van serababs Landpachter in huur genoomen, doch bleeven met de betaaling achterlijk, srababs Landpachter klaagde hierover bij ons Opperhoofd te kranganoor en deeze liet de huurpenningen door den Tolk inzamelen, en aan den Pachter bezorgen, waarbij men drie of vier Jaar gekontinueerd heeft, om moeilijkheeden voor te koomen, zulk eene sinistere interpretaatsie brengt haare eigene wederlegging mede. uw weledelen verzoeken, dat wij hun authen= „tique kopijen van alle Akten en Dokumentin noopens deeze plaatsen willen mede deelen doch uit de natuur van onze acquisietsie, door het zwaard des Oorlogs, kunnen uwEd. ligt opmaa¬ „ken, dat daarvan geene akten of dokumenten voorhanden zijn, doch deeze modus acquirendi en de daarop gevolgde possessie van ruim driemaal de tijds-periode, die bij de wetten tot het verwerven van een deugdzaam bezit= recht bepaald is, maaken dezelven ook onnoodig- Vergunt 472 Vergunt ons, weledele Heeren, hier eene aanmer= king bij te voegen. De nietigheid en frivoliteit van de voorschreevene voorwendzels van Tipoe sultan, om aan zijne vijandige oogmerken tegen den koning van Trevan„ koor eenigen glimp te geeven, ligt buiten het geen hier voor eerst betoogd is, thans ook noch klaar aan den dag, door de ovrige buitenspoorige Eischen, die hij tegen den koning van Trerankoor ter baan gebragt heeft, bij voorbeeld, dat hij de bij hem ge¬ „vluchte Prinsen en grooten uitleeveren; dat hij zijne linie afbreeken; dat hij Paroe en de verdere landen aan den koning van koetsiem te rug geeven zoude enz:, Want alle die eischen, die van vrij wat meer aanbelang zijn, als de Eisch tot ver- „nietiging van het koop kontrakt over kranga= „noor, zien op feithen, die reets lange essteerden; toen het Jongste Traktaat tusschen de Engelsche kompanie en hem Nabab geslooten werd, waar onder de koning van Trevankoor uitdruklijk en met naame begreepen is, en moeten dus voor afgedaan gehouden worden door dat traktaat met de Engelsche kompanie hetwelk hij zeeder opentlijk geschonden en verbrooken heeft, door een vijandigen inval op de Trevankoorsche Linie¬ Laastlijk Laastlijk voegen wij als een overtollige prekaut¬ sie noch bij, dat wij deeze elucidaatsie aan uwEds. suppediteeren alleen om aan uw vrien delijk verzoek te voldoen, en zonder daardoor tot eenige examinaatsie of tavaatsie van 'skom¬ „panies rechten in dit of eenige andere toeko„ „mende gevallen voet te geeven Wij hebben de eere te zijn /:onderstond:/ Weledele Gestrenge Heer en Heeren, uwer Edelen gehoor¬ zaame en needrige dienaaren /:was geteekend:/ J: G: van Angelbeek, J: L: van Spall, G: g: Geblardt, J: W: H: van Rossum, J: A: Cellarius, J: A: Scheijds, A:s Luviel, en J: A: Eversdijck /:in margine/ koetsiem den 9:' Januari 1790. Akkordeert. Arnold Lunel Sekrrt; doch 473 Nederland Sekreet Apart Aan de Wel edele Hoog achtbaare Heeren Bewindhebberen ter vergadering van Zeeventienen representeerende de Generaale Nederlandsche Geoktrorierde Oost„ „indische kompenie ter Presidiale kamer Amsterdam Weledele Hoog achtbaare Heeren. Ik hebbe de eer deezen te laaten dienen ten geleide van de kopij Schreete brief van mij aan de Hooge Regeering te Batavia, die heeden afgaat, met de daarbij gehoorende bijlagen en hoope, dat dezelve te Ceilon geleegenheid zal vinden met een der paketbooten van daar; terwijl ik vw weledele Hoog achtbaare en de wigtige belangen der Maat„ „schappij in Gods h: bescherming aanbeveele aanbeveele en met alle eerbied en trouwe blijve Weledele Hoog achtbaare Heeren. Koetsiem Uwer Weledele Hoog achtbaare den 30: April Onderdanige en Getrouwe 1790: Dienaar J G van Angelbeek

NL-HaNA_1.04.02_3850_0393 view scan ↗

English

Copy of secret letter to Their High Excellencies of 30 April 1790. Secret 474 Batavia Introduction. To His High Excellency, the High Noble, Right Honourable, Far-ruling Lord, Mr. Willem Arnold Altingh, Governor General on behalf of the state of the free United Netherlands and its General Chartered East India Company, and the Right Noble, Severe Lords Councillors of the Netherlands Indies. High Noble, Right Honourable, Far-ruling Lord! and Right Noble, Severe Lords, Section 75. In respectful reply to Your High Excellencies' most respected secret letters of 9 December 1788 and 10 September 1789, I have the honour to report the following. About the sale of the Moetoekoenis and of the Island Grootmalinkarre. Section 76. It is true that the sale of the Moetoekoenis cannot be said to have taken place at three per cent, and this expression certainly escaped me out of haste during the drawing up of the conferences, from which I subsequently adopted it in my respectful report to Your High Excellencies, for which mistake I hereby humbly beg pardon. Since, however, those small islands had been mortgaged to the Company for 16000 rupees, and Your High Excellencies previously granted authorization to surrender them for that sum of 16000 rupees, I hope that this sale for 35000 rupees will nevertheless be regarded as very advantageous to the Company. Section 77. Regarding the price for which the Island Grootmalinkarre was sold to the King of Travancore, a clerical error must have been committed by the copyists here in my secret dispatch of 9 September 1788, section 14, the possibility of which I understand all the less because I always collate the secret letters to Your High Excellencies myself, which error I cannot trace in the minute at the secretariat either, because the number of 4166 2/3 rupees does not appear there at all, for which that island, according to the passage cited by Your High Excellencies in section 12, was supposedly sold to Travancore, instead of 13333 1/3 rupees, for which it should have been sold according to the calculation of three per hundred. The earlier sales, continued. Elucidation regarding the continued. Section 78. Yet the requested elucidation concerning the sale of that small island and the further clarification of the accounts of all lands sold up to now, I can provide all the more easily, since clear and detailed records have been kept of them each time in the ordinary resolutions, and in the letters to Your High Excellencies no less clear and detailed an account was given. Section 79. The first sale was made in the year 1785 to the Paliath Achan, of the Paulist Island, according to the resolution of 18 November of that year, and of another piece of land named Gajani according to the resolution of 2 December following; the former yielded 231 rupees in rent and was sold for six thousand rupees, calculating 3 4/5 per cent; the second was leased for 55 rupees and was sold for 1500 rupees, which likewise amounts to 3 1/5 per cent. Section 80. This sale was communicated to Your High Excellencies in our ordinary dispatch of 28 April 1786, folios 106 and 107, and approved by the same in the reply of 26 November 1786, section 29. Continued. Section 81. The second sale took place in the year 1786 to the King of Travancore, according to the resolution of 25 September, of seven plots of land, which together yielded three thousand four hundred rupees in rent, and were surrendered for a single sum of one hundred and three thousand three hundred and thirty-three rupees and twenty stuivers, calculating 3 1/3 per hundred. Continued. Section 82. This sale was judged by Your High Excellencies in the reply of 30 August 1787, section 30, to be quite advantageous and, with the remark that we should first have requested authorization for it, was approved. Continued. Section 83. On that occasion I also sold a piece of waste inundated land called Hoettiatodde, which was enclosed on all sides by the lands of His Highness, and of which only a few small pieces lying above water could be leased out by the Company, which yielded no more than twenty-four rupees a year, but which, falling into the hands of the King, could be brought under cultivation by draining and diking, and could then yield great benefits. Section 84. Here, therefore, the rent could not be taken as a basis for calculating the value, for then, according to the highest calculation of three for a hundred, the purchase price would have amounted to only eight hundred rupees. Instead, I appealed to the advantages the King could derive from it, and I finally stipulated five thousand rupees for it, so that for every rupee of rent, more than two hundred rupees of purchase price was paid, calculating thus not even half a per cent. Continued. Section 85. Which sale was also communicated to Your High Excellencies in the aforesaid dispatch, but was passed over in silence by the same in the reply. Continued. Section 86. According to our resolution of 29 November 1786, a garden on the Vreedeneiland at Alepaar yielding sixty rupees in rent was sold to the King of Travancore for two thousand rupees, calculating three per cent, of which dutiful report was given to Your High Excellencies in our annual dispatch of 20 March 1787, section 89. Continued. Section 87. According to the resolution of 29 July 1788, the land Katharina Kordoza on

Dutch transcription

Kopij sekreete brief aan Hunne Hoog edelheeden van den 30: April 1790: Sekreet 474 Batavia Jnleiding. Aan zijn Hoogedelheid Den Hoogedelen Grootachtbaaren Wijd gebieden den Heer Mr. Willem Arnold Altingh Wegens den staat der vrije vereenigde Nederlanden en haar algemeene Geoktroieerde Oostindische Companie Gouverneur Generaal. in de De Weledele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlandsch Indien Hoog edele Grootachtbaare Wij d' gebiedende Heer! en. Weledele Gestrenge Heeren, § 75. Jn eerbiedig antwoord op Uwer Hoogedelheeden zeer gerespekteerde sekreete brieven van den 9=e Dbr: 1788. en 10e September 1789 heb ik de eere het volgende te berichten. 5 Heb over den verkoop der Noetoekoenis malinkarre. §76. Het is waar, dat de verkoop van de Moetoekoenis niet gezegt kan worden te zijn geschied tot drie ten honderd, en deeze uitdrukking is mij bij het op maaken van de konferentsien, zeeker door overhaasting ontglipt, waar uit ik dezelve Ieder in mijn eerbiedig bericht aan Uwe Hoogedel„ heeden hebbe overgenoomen, over welken mislag ik bij deezen nedrig om verschoo¬ „ning verzoeke. Wijl echter die Eilandjes aan de kompanie voor 16000: ropijen verpandt geweest zijn, en Uwe Hoog edelhee„ „den voor heen qualifikaatsie verleend hebben, om dezelven voor die som van 16000. ropijen aftestaan, zoo hoop ik, dat deeze verkoop voor 35000. rop=s doch als zeer voordeelig voor de Kompanie beschoúwd zal worden. en van t. Eiland Groot. 8. 77. Nopens den prijs, waar voor het Eiland Groosmalinkarre aan den koning van Trevankoor verkocht is, moet bij mijne sekreete missive van den 9e Septbr: 1788. 8. 14. door de afschrijvers alhier eene schrijf-faute begaan zijn, waarvan ik de mogelijkheid te minder begrijpe, wijl ik de sekreete brieven aan Uwe Hoog„ „edelheed en altijd zelve koll aatsioneere, welke faute ik bij de minute ter sekretarije ook niet kan opspeuren, door dien daar bij het getal van 4166. 2/3 ropijen in 't geheel niet voorkomt, waarvoor dat eiland, volgens de door Uw Hoog edelheeden in §. 12. geallegeerde plaats 475 de vroegere verkoopingen vervolg vervolg. plaats, aan Trevankoor zoude verkocht zijn, in steede van 13333 1/3 ropijen, waar„ voor hetzelve, naar de reekening van drie voor honderd, had moeten verkocht worden. elucidaatsie nopens 578. Doch de gevorderde elucidaalsie omtrend den verkoop van dat Eilandje en de verdere opheldering van de reekening van alle tot nu toe verkochte landen kan ik zoo veel te maklijker suppedi„ teeren, wijl daar van telkens bij de gemeene resoluutsien dúidelijke en omstandige aanteekening gehouden en bij de brieven aan Uw Hoog edelhee„ den geen minder duidelijk en omstandig verslag gedaan is. §79. De eerste verkoop is in 't Jaar 1785: gedaan aan den Paljetter, van het Paulisten Eiland, volgens resoluctsie van den 18e Noobl: van dat jaar en van een ander stuk land Gajani gen=d volgens resoluut. sie van den 2e decembr: daaraan volgende, het eerste deed 231. ropijen huur, en is verkocht, voor ses duizend ropijen, berei„ „kenende 3 4/5 ten honderd, het tweede was verhuurd voor 55: ropijen en is. verkocht voor 1500: ropijen, het geen mede op 3 1/5 perC=to uitkoms. §50: Deeze verkoop is aan Uw Hoog edelheeden. bij onze gemeene beschrijving van den 28e April 1786 F. 106. en 107. bedeeld en door Hoogst dezelven goedgekeurd, bij de beart vervolg. vervolg. vervolg. § 81. De tweede verkooping is in 't jaar 1786. geschied aan den Koning van Trevankoor, volgens resoluietsie van den 25en September van zeeven grond stukken, die te zaamen drie duizend vier honderd ropijen aan huur opbragten, en voor een maal honderd en drie Duizend drie honderd en drie en dertig ropijen en twintig Stuivers afgestaan wierden bereekenende 3 1/3 voor honderd. §. 82. Deeze verkoop werd van Uwe Hoog „edelheeden bij beantwoording van den 30. Aug=s 1787. §. 30. als vrij voordee„ „lig beoordeeld en onder aanmerking, dat wij daar toe eerst qualifikaatsie hadden moeten verzoeken, gepasseerd. §83. Ook verkocht ik, bij die geleegenheid, een stuk woest verdronken land, hoetti„ „atodde genaamd, het welk van alle kanten door de landen van zijne Hoogheid ingeslooten was, en waar van maar eenige boven water liggende stúkjes van de Kompanie kosten verpagt worden, die niet meer als vier en twintig ropijen 'sjaars op„ „wierpen, doch het welk in handen van den koning vallende, door aftapping en indijking oorbaar gemaakt en als dan groote beantwoording van den 26e Novbr. 1786. voordeelen 9. 29. 2 2. 476 vervolg. vervolg. voordeelen geeven kost §84. Hier kost derhalven de huur niet tot een grondslag van de bereekening. der waarde gelegd worden, want dan zoude, naar de hoogste bereekening van honderd voor drie, de koopschat maar agt honderd ropijen bedraagen hebben, Jnsteede van dien beriep ik mij op de voordeelen, die de koning daarvan trekken kost, en ik bedong eindelijk daar voor, vijf duizend ropijen, zoo dat voor ieder ropij huur meer dan twee honderd ropijen koopschat betaald wierden, bereekenende dus noch geen half percent. vervolg §. 85. Welke verkoop aan Uwe Hoogedelheeden meede bij voorsz: missive bedeeld, doch door Hoogst dezelven bij de beantwoording met stilzwijgen gepasseerd is. §86. Volgens onze resoluutsie van den 29=e November 1786 is een tuin op het vreeden eiland te Alepaar sestig ropijen huur doende, voor twee duir end ropijen aan den Koning van Trevankoor verkocht, bereekenende drie ten honderd waar van bij onze Jaarlijkse beschrijving van den 20e Maart 1787: §. 89. aan Uwe Hoogedelheeden plichtschuldig bericht gegeeven is. vervolg. 187. Blijkens resoluutsie van den 29. Juli 1788: is het land katharina kordoza op

NL-HaNA_1.04.02_3850_0402 view scan ↗

English

continued. continued. on Jeraveni, pursuant to the qualification obtained for that purpose, sold to the repeatedly mentioned king for three hundred sixty-six ropijen and twenty stuivers, calculated against the annual rent of eleven ropijen at 3 per cent. §. 88. This sale was approved by Your Right Noblenesses by separate dispatch of 9 December 1788, and at that time Your Right Noblenesses gave me to consider whether the price of three per cent could not be somewhat increased, since the same appeared rather low, especially when one compares it against the price for which other lands were ceded to the king in the past year. §. 89. To this last remark of Your Right Noblenesses, I answered last year in my secret dispatch of 29 April that I would do my best towards a further increase, but had no prospect thereof, because the price of 3 per cent in a country where the lowest interest amounted to 6 per cent was already very high, and I did not wish to expand further on this, because Your Right Noblenesses yourselves, by general letter of 30 August 1787, §. 30, had declared that the just-mentioned sale of the gardens to 477 conclusion elucidation concerning the sale of Malenkare. continued. to Travancore at 3¼ per cent must already be regarded as very advantageous. §. 90. I trust that Your Right Noblenesses will be fully convinced by this clarification that here, previously, in the sale of lands, the calculation was made in no other way, and that one hundred ropijen purchase price for three ropijen rent was the highest price that could be bargained for up to that time, except only the waste land, Koettiattod aforesaid, for which the king paid more than two hundred and eight times as much as the rent amounted to the Company, but to which Your Right Noblenesses cannot have referred with this remark, because in its calculation no regard was paid to what it then yielded, but rather to what it could yield if it were diked and cultivated. §. 91. The required elucidation concerning the price of the Island of Groot-Malenkare is no more difficult to supply, because the sale of the same has also been treated in detail in the resolutions and letters, to wit: §. 92. When I, in my secret dispatch of 10 August 1788, requested qualification for continued. continued. conclusion for the sale of that small island, I made the calculation of the purchase price on the rent that the Company drew for it, and because the same amounted to four hundred ropijen, I set the value at 13333 1/3 ropij. §. 93. But because I afterwards accidentally discovered that the Farmer had leased that island again to others in parcels for five hundred twenty-five ropijen, I laid this last sum as a basis for the calculation, and I succeeded in making the Divan acquiesce therein; accordingly, the same was sold for seventeen thousand five hundred ropijen, and thus the purchase price of all the small islands, apart from the Moetoekoenis, amounted to twenty-six thousand ropijen, instead of twenty-one thousand eight hundred and thirty-three ropijen, at which the value was previously calculated and the qualification of Your Right Noblenesses was granted by separate dispatch of 9 December 1788. §. 94. All of which was presented in this manner to Your Right Noblenesses in my respectful secret dispatch of 9 September 1788, §. 15. §. 95. That for the rest the cession of the Moetoekoenis was no means to avert the unpleasant consequences of 3. 478 The War has broken out. of the cruising before Alepe, and to make the King desist from reprisals, appears most clearly from the course and the handling of the entire case; it also seems to me that it cannot be considered any complaisance towards the king that I made him pay well twice as much for it as the qualification of Your Right Noblenesses dictated, while the incontrovertible proof that the king desisted from reprisals, not on account of any complaisance, but because he was convinced by me of the validity of the Company's right to inspect the passing native merchants and to collect the tolls from the same, is contained in the fact that we have continued to exercise this right undisturbed from that time and still today, and our Farmer has for that purpose stationed his servants at Alepe itself, who collect the farm monies from the native vessels there unhindered. §. 96. All our conjectures concerning Tippu Sultan's hostile designs and the lesser or greater probability whether he will attack Southern Malabar and in particular the king of Travancore, who in the treaty concluded between him and the English

Dutch transcription

vervolg. vervolg. op Jeraveni ingevolge de daar toe erlangde qualifikaatsie aan meermel„ „den koning verkocht voor driehonderd- ses en Sestig ropijen en twintig stuivs bereekenende tegens de Jaarlyxe huur van elf ropijen 3 pr Ct. §. 88. Deeze verkoop is door Uw Hoog edelheeden geapprobeerd bij aparte Missive van den 9. Deebr: 1788 en toen gaven Hooght¬ dezelven mij in bedenking, of de prijs van drie ten honderd niet eenigzints vermeerdert zoude kunnen worden, aangezien dezelve vrij gering voorkwam inzonderheid, als men die kompareerd tegen den prijs waar voor in het gepas¬ „seerde jaar andere landerijen aan den koning waaren afgestaan. §. 89. Op deeze laaste aanmerking van Uw. Hoogedelheeden hebbe ik voorlee„ den Jaar bij mijn sekreete van den 29en April geantwoordt, dat ik, tot verdere verhooging mijn best, zoude doen, doch daartoe geen vooruitzicht had, wijl de prijs van 3 ten honderd in een land, waar de minste rente 6 p:r C:t bedroeg reets heel hoog was, en ik hebbe mij daar„ „voor niet verder willen uit breiden, wijl Uwe Hoogedelheeden zelve, bij gemeenen brief van den 30=e Aug: 1787: §. 30: verklaard hadden, dat de zoo eevengemelde verkoop van de tuinen aan 477 besluit elucidaatsie nopens de verkooping van Malenkare. vervolg. aan Trevankoor tegen 3¼ ten honderd, reets als heel voordeelig beschouwt moesten worden. §. 90. 71. vertrouwe, dat Uw Hoogedelheeden door deeze opheldering volkoomen overtuigd zullen zijn, dat men hier bevoorens, bij verkoop van landen, de reekening noet ander gemaakt heeft, en dat honderd ropijen koopschat voor drie ropijen huur de hoogste prijs ge„ weest is, die tot dien tijd toe heeft kunnen bedongen worden, uitgezondert alleen het woeste land, koettia tod de voormeldt, waarvoor de koning ruim tweehonderd en agtmaal zoo veel betaald heeft, als de huur aan de kompanie bedrog, doch waar op Uw Hoog edelheeden met deeze aanmerking niet kunnen gedoeld hebben, wijl bij dies bereekening niet gelet is op het geen het zelve toen opgebragt, maar wel op het geen het zoude opbrengen kunnen, als het bedijkt en oorbaar gemaakt wierd. §91. De gevorderde eluci daarsie nopens den prijs van het Eiland Groot=Malenkare valt niet moeilijker te suppediteeren; wijl de verkoop van het zelve almeede bij de resoluutsien en brieven omstandig is verhandeld, te weeten. §92. Toen ik bij mijne sekreete Missive van den 10=e Aug. s 1788, qualifikaatsie verzocht; tot vervolg: vervolg. besluit tot den verkoop van dat Eilandje, maakte ik de bereekening van den koopschat op de huur, die de kompanie daar voor trok, en wijl dezelve vierhonderd ropijen bedroeg, zoo stelde ik de waarde op 13333 1/3 ropij. §93. Doch wijl ik zeder toevallig ontdekte, dat de Pachter dat Eijland bij parceelen weder aan anderen verpacht had. voor vijf honderd- vijf- en twintig ropijen zoo legde ik deeze laaste som tot een grondslag van de bereekening, en het gelukte mij den Divan daar in te doen berusten; dienvolgende is hetzelve voor Zeeventien duizend vijf honderd ropijen verkocht, en dus heeft de koopschat van alle de Eilandjes, buiten de Moetoekoenis ses- en twintig duizend ropijen bedraagen, in steede van een- en- twintig duizend agt honderd- en drie - en dertig ropijen, waarop de waarde voorheen bereekend. en de qualifikaatsie van Uw. Hoog„ „edelheeden bij aparte missive van den 9=e december 1788. verleend was. 1. 94. Al het welk zoodanig aan Uw Hoogedel„ heeden voorgesteld is bij mijne eerbiedige Sekreete van den 9e Septbr 1788. 8: 15. §. 95. Dat voor het ovrige de afstand van de Moetoekoenis geen middel geweest zij om de onaangenaame gevolgen van vlnelan 3. 478 De Oorlog is uitge borsten. van de bekruissing voor Alepe af te keeren, en den Koning van repressailles te doen afzien, blijkt ten klaarsten uit het beloop en de behandeling van het heele geval; ook dunkt mij, dat het voor geene complaisance voor den koning gehouden kan worden, dat ik hem daarvoor ruim eens zoo veel hebbe laaten betaalen, als de qualifikaatsie van Ued. Hoogedelheeden dikteerde, terwijl het onwederspreeklijke bewijs, dat de koning van repressailles afgezien heeft, niet wegens eenige complaisance, maar wijl hij door mij van de gegrondheid van I. Kompanies recht tot het visiteeren der voorbij gaande inlandsche Han„ „delaaren, en tot het invorderen van de thollen van de zelven, overtuigd geworden is, daar in opgeslooten ligt, dat wij dit recht zeder dien tijd en noch heeden ongestoord blijven oefenen, en onze Pachter daartoe zijne Bedienden te Alepe zelve ge„ „plaatst heeft, die de pacht penningen van de inlandsche vaartuigen aldaar onverhonderd in vorderen. § 96. Alle onze gissingen ontrend Tipoer sultans bijandige desseinen ende mindere of meerdere waarschijnlijkheid; of hy Zuider malabaar en in zonderheid den koning van Trevankoor, die bij het traktaal tusschen hem en d' Engelschen geslooten

NL-HaNA_1.04.02_3850_0406 view scan ↗

English

on the closer alliance with Trevankoor. Reply to the resolutions on the defence plan of 899. had been concluded, would dare to attack, have suddenly turned into certainty through the open war which he commenced in late December against the aforementioned king and still continues, as will be pointed out in detail in its proper place hereafter. § 97. Your High Mightinesses' repeated recommendation to seek a closer alliance with the king of Trevankoor under English guarantee, I will be able to answer with greater clarity in the report of what was negotiated with the said prince since my respectful communication of 30 August last. For which reason I request permission to postpone this for so long. Bad pepper delivery. § 98. That all my efforts toward a more plentiful collection of pepper have been fruitlessly wasted will appear in detail to Your High Mightinesses from the report made thereon in the general description, page 123; and I must regretfully add thereto that I consider it hopeless to persuade the king to a better compliance with the contract in this matter by mere representations of our right and his duty. The esteemed dispatches of Your High Mightinesses having also been answered herewith, I proceed to the resolutions received alongside them regarding the projected plan of defence by me. 479 Is further determined. Regarding the number of European militia in peacetime. Continued. § 100. But since, in the meantime, Gentlemen Commissioners of Their High Mightinesses have arrived here from Europe to examine the fortifications and military affairs, and have framed further arrangements regarding the establishment of our garrison proposed in this plan and evaluated by Your High Mightinesses, of which I will render a detailed account hereafter: I will therefore, with Your High Mightinesses' permission, pass over such points here and restrict this my answer only to those concerning which Your High Mightinesses desire a specific solution, or which are not included under the said commission. § 101. In the resolution on folio 35, Your High Mightinesses ask the reason why in peacetime one could not suffice with twenty or twenty-five Europeans and Malays per 80 Westerners; and hereupon serves the following answer. § 102. Since in an arising war with a European nation, against which this plan is primarily arranged, one would have no opportunity Continued. Vypeen. to increase the European militia—a proposition that I need not demonstrate now, as this has already been done in § 35 and 36 of the said plan—one must therefore have enough Europeans and Malays in the garrison in peacetime to be able to increase it in such proportion to 3120 heads upon an arising war. § 103. If one wished, therefore, to arrange the number according to the opinion of Your High Mightinesses, the entire garrison in peacetime, at the highest, calculating 25 to 100, would consist of two hundred Europeans and Easterners together and of six hundred Malabars. Upon the arising of a European war, one would have to bring this number to 3120 heads by recruitment, and then the garrison would consist of: 200 Europeans and Malays, and 2920 Malabars, calculating not even seven to every hundred: and now I leave it to Your High Mightinesses yourselves to judge whether one could defend a fortress with such a garrison against a European enemy! On the line of Vypeen. § 104. In reply to Your High Mightinesses' remarks on page 58 regarding the defencelessness of the Trevancore line on Vypeen, it serves in all respect that, as long as we possessed Aycotta, the Company's interest could not tolerate the reinforcement of the same, because Aycotta could thereby be cut off from Cochin; for which reason in the year 1782, when the king of Trevankoor wished to improve it and construct it of stone, I earnestly opposed it and prevented such, as was communicated to Your High Mightinesses by secret dispatch of 31 March 1783. 480 Continued. The sale of Cranganore. § 105. But now that the king of Trevankoor is in possession of Aycotta, this line will without doubt be improved, or perhaps moved further forward and up to the Cranganore river, on which work would probably have already begun if the arisen war with Tippoo Sultan had not provided the king with other occupations. Remarks on the cession of Cranganore. § 106. In the resolution on folio 71 regarding the cession of Cranganore, Your High Mightinesses express the apprehension that one might thereby lose the supply of provisions, and on § 92, that in case of a rupture with Trevankoor, one would be surrounded on all sides without being able to take refuge anywhere. Both objections are of the same nature and can therefore conveniently be answered together as follows. Reply thereto. Continued. Conclusion. § 107. If we had become involved in war with the king of Trevankoor when we still possessed Aycotta and Cranganore, he could have prevented the supply of provisions to us from that side just as easily as now, and at the same time he could just as easily have cut off all refuge to those places for us (if the case could exist that one wished to flee thither from Cochin), because he possesses the entire right bank of the river and has occupied it with forts. § 108. Even then, those two posts would have been detrimental and dangerous to us, since he would have captured Cranganore by starvation and Aycotta with few troops. § 109. For the rest, I hope against the inconveniences that might have arisen from the lack and the cession of these two places, through the contract.

Dutch transcription

over de nadere alliance met Trevankoor. antwoord op de dispo. Lietsien op 't plan van 899. defensie. geslooten was, zoude durven aantasten, zijn eensloefs in zeekerheid veranderd, door den openbaaren Oorlog, dien hij in 't laast van December tegen even gemelden koning begonnen heeft en noch voortzet, zoo als hier na op zijne plaats omstandig staat aangeweezen te worden. § 97. Uwer Hoog edelheeden herhaalde rekom„ „mendaatsie, om naar eene nadere alliance met den koning van Trevankoor onder Engelsche garantie te trachten, zal ik met meerdere klaarheid kunnen beant„ „woorden, bij het verslag van het geen Ieder mijnen eerbiedigen van den 30en Aueg:s Jongstleeden met gemelden Vorst verhandeld is. weshalven ik verlof verzoeke zulx zoo lange uit te stellen. slegte peper liverantie §9s. Dat alle mijne betrachtingen tot een ruimeren inzaam van peper vrucht¬ „loos gespild zijn, zal Uw Hoogedelheeden uit het daar van gedaan verslag bij de gemeene beschrijving 1: 123 omstandig blijken, en ik moet tot mijn leedweezen daarbij voegen, dat ik het hooploos stelle, den koning tot eene betere naar„ „kooming van het kontrakt in deezen, door enkelde vertoogen van ons recht en zijnen plicht te persuadeeren. De g'eerde Missiven van Uw Hoogedel„ „heeden hier meede beantwoordt zijnde, gae ik over tot de daar nevens ontvangene disposiessien op het door mij geprojek¬ teerde 479 word nader bepaald. Over 't getal Europee„ sche milietsie in tijd van vreede. vervolg. teerde plan van defensie §100. Dan dewijl middelerwijle Heeren kommissarissen van Hunne Hoogmo„ „gende, uit Europa tot het examineeren der vestingen en militaire zaaken hier aangekoomen zijn, en nopens de bij dit plan voorgeslaagene en door Uwe Hoogedelheeden beoordeelde inrichting van onze bezetting nadere schikkingen be„ =raamd hebben, waarvan ik hier na omstandig verslag doen zal: zoo zal ik met believen van Uwe Hoogedelheeden zulke poinkten hier over slaan, en alleen dit mijn antwoord bepaalen op de geenen, waar omtrend Uwe Hoogedelheeden speciaale oplossing begeeren, of die onder gemelde kommissie niet begreepen zijn. f101. Bij de disposietsie op D. 35. vraagen Uw. Hoogedelheeden reeden, waarom men in tijd van vreede niet zoude kunnen volstaan met twintig of vijf- en twintig Europeeschen en Malaiers bij 80. westerlingen; en hier op diend het volgende antwoord. §102. Wijl men bij een op koomenden Oorlog met een Europeesche Naatsie, waar„ „tegen dit plaan voornaamlijk inge„ „recht is, geene geleegenheid zoude hebben vervolg. Baepien hebben de Europeesche Milietsie te augmenteeren/ eene stelling die ik thans niet behoeve te demonstreeren, wijl dit reets geschied is §35 en 36. van het gemelde plan ( zoo diend men in tijd van vreede zoo veel Europee„ schen en Malaiers in Garnisoen te hebben, om het zelve bij een opkomen den Oorlog in zulke eevenreedigheid, tot 3120. koppen te kunnen augmen„ teeren. § 103. Wilde men derhalven het getal naar de sustenue van Uwe Hoogedelheeden inrichten, zoo zoúde het heele Garnisoen in tijd van vreede op zijn hoogst als men 25. bij r0o reekend, uit twee hondert Europeeschen en Oosterlingen te zaamen en uit seshondert Malabaaren bestaan„ bij't opkoomen van een Europeeschen Oorlog zoude men dit getal bij aanwer„ „ving op 3120: koppen moeten brengen en dan zoude het Guarnisoen bestaan uit 200: Europeeschen en Malaiersen 2920 Malabaaren reekenende op ieder honderd noch geene zeeven: en nu laat ik Uw: Hoogedelheeden zelve oordeelen, of men met zulk een garnisoen een vesting tegen een Euro„ „peeschen Vijand zoude kunnen verdeedigen! over de lienie van § 104. Op Uder Hoogedelheeden aanmerkinger op. 4 480 vervolg. den Verkoop van Kranganoor. op 1: 58. over de weerloosheid der Tre„ „van koorsche linie op Baipin, diend in eerbied, dat zoo lange wij Aikotte bezaaten 's komp.:s intrest de verster„ „king van dezelve niet kost gedogen wijl Ackotte daar door van Koetsiem kost afgesneeden worden, weshalven ik in 't jaar 1782:, toen de koning van Trevankoor dezelve verbeeteren en van steen ophaalen wilde, mij daar„ tegen ernstig verzet en zulx belet heb, zoo als aan Uw Hoogedelheeden bij sekreete Missive van den 31en Maart. 1783: bedeeld is. V10s. Doch nu de Koning van Trevankoor in 't bezit van Hikotte is, zal deeze linie buiten twijfel verbeeterd, of mogelijk wel verder voor uit en tot aan de kranganoorsche rivier verlegt worden, waar aan waarschijnlijk reets zoude begonnen geweest zijn, indien de opgekoomene oorlog met Tipoe sullan den koning niet aan andere bezigheeden geholpen had. aanmerkingen over §: 106. Uw Hoog edelheeden geeven, bij de disposiessie op V:71: nopens den Af„ „stand van kranganoor de beduchting te kennen, dat men daardoor den toevoer van levensmiddelen zoude kunnen verliesen, en op §92:, dat men antwoord daarop. vervolg. besluit. men, bij eene rupture met Trevankoor„ rondom zoude ingeslooten zijn, zonder ergens toevlucht te kunnen neemen. Beide bedenkingen zijn van eene natuur en kunnen dus gevoeglijk te zaamen beantwoord worden, als. volgt. §. 107. Indien wij met den koning van Trevan. koor in oorlog geraakt waaren, toen wij Hikotte en Kranganoor noch in bezit hadden, zoude dezelve ons van dien kant de toevoer van levensmidde „len eeven zoo maklijk hebben kunnen beletten, als thans, en terzelver tijd zoude hij ons alle toevlucht naar die plaatsen (indien dit het geval kost existeeren, dat men van koetsiem— daarna toe wilde vluchten) eeven zoo ligt hebben kunnen afsneiden, door dien hij den heelen rechten Oever van de rivier bezit, en met forten bezet heeft. §: 108: zelfs zouden die twee posten als dan voor ons schadelijk en gevaarlijk ge¬ weest zijn, wijl hij kranganoor door uithongering, Aikotte met weinig volk zoude vermeesterd hebben. §: 109: Voor het oorige hoop ik tegen de in„ „konvenienten, die uit het gemis en den afstand deezer twee plaatsen zouden hebben kunnen ontstaan, bij het kontrakt door.

NL-HaNA_1.04.02_3850_0411 view scan ↗

English

481 The sale of Koilang remains postponed. Secret letter. having provided clear conditions. The answer regarding the authorization granted for the sale of Koilang, I shall be able to declare with greater certainty once the Lord Commissioners for fortifications and military affairs will have sent me, from Ceilon, according to their promise, their observations on that fort, which was surveyed by their Honors on the return journey to Kolombo. Continuation of the previous section. The secret letters of Your High Nobilities being herewith answered, I proceed to the report of state and war affairs that have occurred on this coast since my last of 30 August, of which the original was sent via Ceilon and the duplicate accompanies this; yet their multitude and weight make me not a little embarrassed, for on the one hand I run the risk of abusing the precious moments and patience of Your High Nobilities by a detailed narrative, and on the other I am fearful, by referring to resolutions, reports, and other annexes, of giving an imperfect account in matters of weight, and of tiring Your High Nobilities by looking up and reading through them. Payment of the first installment for Kranganoor and Aikotte. Reports of the Nawab's fleet. It will therefore be exceptionally pleasing to me if I can succeed in my intention to strike a happy middle course between these two extremes. Section 112. The fifty thousand ropijen which the King of Trevankoor had promised to pay immediately on account of the purchase money for Kranganoor and Aikotte arrived properly on the appointed day, and what the King owed for the Moetoekoenis and other lands, for the Batavian merchandise, and for cannons and firearms which we had to leave to His Highness, amounting together to 105202:-: ropijen, was settled in the month of November last with a receipt from Kaliga Mallen on the current pepper delivery, as is more circumstantially shown in the General Description now being transmitted, section 279, to which I refer here. Section 113. Already in the month of August, shibars arriving here from Mahe, Tellitseeri, and other neighboring northern sea places reported that the Nawab, Tipoe Sultan, was having his warships equipped, and on the last day of that month 482 a letter came to my view from Major Dowle, commanding at Tellisseeri, to a friend here, in which his countrymen were warned to be on their guard against Tipoe's fleet, which, as soon as the monsoon turned, would put out from Mangaloor. Precaution against it. Section 114. As in such a case it seemed not at all strange that the Nawab, who without doubt was embittered against us over the sale of Kranganoor—whereby his entire plan was disrupted—would attempt out of revenge to disturb our roadstead, and even to attack our ships hostily, which were not armed for it; we thus sent early on a military detachment to Koilang, consisting of 25 infantrymen and 25 artillerymen under the command of two officers, to be placed on the ship that was expected from Batavia, whose commanders were warned via Ansjenge, Walliatowe, and Koilang to take the detachment on board and sail with it ready for battle to our roadstead, which then also took place with respect to the ship De Schelde, which subsequently remained armed at all times. Continuation. in order to keep our roadstead clear against the hostile rabble that roamed about as far as Settua. Section 115. The Government of Ceilon was also informed of this, and sent the ship Trinkonemale, which was to fetch pepper, well-armed, with a military detachment under Captain von Strieve, hither, so that we had nothing to fear from the fleet of Tipoe Sultan. Flattering prospect. Section 116. And as he, after the surrender of Kranganoor and Aikotte, could not reach us from the land side either without first attacking the King of Trevankoor, and we at that time considered it entirely certain that, if this happened, the English would immediately take up arms for their ally, who was explicitly included in the latest treaty between them and Tipoe, we now began to flatter ourselves with the hope of a peaceful residence here, without taking any other part in the daily rumors and reports of the great military preparations in the land of the Nawab than merely to assist the Company's allies, whom we constantly informed thereof by way of messengers, letters, 483 Regarding the summoning of the King of Koetsiem by Tipoe Sultan. Opinion of the King of Trevankoor. letters and embassies, with good counsel according to the circumstances. Section 117. In my respectful letter of 30 August, section 59, I informed Your High Nobilities that the King of Koetsiem had again been summoned to the Nawab, but had taken the firm resolution not to go, and also not to send any princes, and that through his ministers he had caused it to be proposed to me and to the King of Trevankoor that we should forbid him to leave his kingdom, but that I had flatly refused this, and the First Minister of Trevankoor had alleged lack of instructions, and had thus taken that proposal ad referendum. Section 118. Now I report in continuation that the said Trevancorean Minister was sent by his master to me on 14 September to inform me that he was also of the opinion that the King of Koetsiem should by no means go to the Sultan, and also send none of his brothers or first

Dutch transcription

481 koilangs verkoop blijft uitgesteld. Sekreete missive. door duidelijke kond iessien te hebben gezorgd. het antwoord nopens §:110: Over de verleende qualifikaatsie tot den verkoop van koilang, zal ik mij met meerdere zeekerheid kunnen ver„ „klaaren, als Heeren Kommissarissen tot de fortifikaatsien en militaire zaaken, mij hunne aanmerkingen op dat fort, het welk door hunne Edelen, bij de terug reise naar kolombo opge„ „noomen is, volgens gedaane belofte, van Ceilon zullen toegezonden hebben. Vervolg van de voorige V: 111: De Lekreete missives van Uwe Hoogedelheeden hier meede beant„ „woordt zijnde, gae ik over tot het Ver= slag van de staats en Oorlogs-zaaken, die zeder mij nen Jongsten van den 30=e Aueg s, waarvan het origineel over„ Ceilon verzonden is en het duplikaat deezen verzeld, op deeze kuste zijn voorgevallen, doch derzelver meenigte en gewigt maakt mij niet weinig verleegen want aan d' eene zijde loop ik gevaar de kostbaare oogenblikken en het geduld van Uwe Hoogedelheeden door een omsstandig verhaal te mis bruiven, en aan d' andere ben ik beducht, door het beroep op reso¬ „luutsien relaasen en andere bijlagen, in zaaken van gewigt een gebrekkig bericht te geeven, en Hoogst dezelven door opslaan en naleezen te vermoei betaaling van het eerste termijn voor kranganoor en Nikotte berichten van S. Nababs Vloot. vermoeilijken; Het zal mij dus ongemeen lief zijn, als ik in mijn toeleg kan slaagen, om tusschen deeze twee uitersten een gelukkigen middelweg te treffen. §. 112. De vijftig duizend ropijen, die de koning van Trevankoor beloofd had, in minde„ „ring van de kooppenningen voor Kranga „noor en Aikotte ten eersten te betaalen, zijn op den bestemden dag richtig ingekoomen, en het geen de koning schuldig was, wegens de Moetoekoenis en andere landen, voor de Bataviasche Koopmanschappen en voor kanons en geweeren, die wij aan zijn Hoogheid hebben moeten overlaaten, bedraagen¬ de te zaamen 105202:-: ropijen, is in de maand Novbr: Jongstleeden vereffend met eene quitantie van kaliga Mallen op de loopende peper leverantie, zoo als dit omstandiger aangeweezen word bij de thans overgaande Generaale beschrijving §:o 279. waar aan ik mij hier gedraage. §. 113. Reets in de maand Augustus werd door de van Mahe Pellitseeri en andere nabij leggende noordlijke zee„ „plaatsen, hier aankomende sibaars bericht gegeeven, dat de Nabab, Tipoe sultan, zijne oorlogs vaartuigen liet toerusten, en den laasten van die Maard. 5. 482 maand quam mij een brief te gezicht, van den te Sellisseeri kommandeeren„ „den Majoor Dowle aan eenen vriend alhier, waar in zijne landslieden gewaarschuwd wierden, tegen sipoes vloot op hoede te zijn, die, zoodra de Mousson gekenterd was, van Mangaloor uit loopen zoude. prekaussie daartegen. §: 111: wijl het in zulk een val gansch niet vreemd scheen, dat den Nabas die over den verkoop van kranganoor, waardoor zijn heele plan gederangeerd werd, buit en twijfel op ons verbitterd was, uit weerwraak bestaan zoude onze rheede te ontrusten, en zelfs wel onze schepen, die daar niet op ge wapend waaren, vijandig aante= tasten: zoo zonden wij al vroeg een militair kommando naar Koilang, bestaande uit 25. Jnfanteristen en 25. Artilleresten, onder bevel van twee Officiers, om op het Schip geplaatst te worden, het geen van Batavia verwacht werd, wiens Overheeden, over Ansjenge, Walliatowe en Koi¬ „lang gewaarschouwd wierden, het detachement aan boord te neemen en daar meede slagvaardig naar onze rheede te zeilen, het geen dan ook omtrend het schip de schelde heeft plaats gehad, het welk vervolgens altijd gearmeerd gebleeven is. vervolg. is, om onze rheede tegen het vijandig gespuis, het welk tot settua toe rond Zworf, schoon te houden. V: 115: De Regeering van Ceilon werd hier van ook verwittigd, en zond het schip Trinkonemale, het welk peper haalen moest wel gewapend, met een militair kommando onder den kapitain von strieve, naar herwaards, zoo dat wij van de vloot van Tipoe sultan niets te vreezen hadden. vlijende uitzicht V116. En wijl hij ons, na de overgave van kranganoor en Aikotte, van de land zijde ook niet kost bijkoomen, zonder eerst den koning van Toevankoor aan te tasten, en wij dier tijds als volkoo men zeeker stelder, dat, als dit gebeurde, de Engelschen voor hunnen Bondgenoot, die in het jongste trak„ „taat tusschen henlieden en Tipoe uitdruklijk begreepen was, de wapens ten eersten opvatten zouden, zoo begonnen wij ons nu met de koop eener geruste inwooning alhier te vlijen, zonder aan de dagelijkze geruchten en berichten van de groote krijgs toerustingen in het land van den Nabab eenig ander deel te neemen, dan alleen S. Komp. s Bond genooten, die wij daarvan by wege van boodschappen brieven, 483 over het opontbod van den Koning van Koetsiem bij Tipoe Sullan. gevoelen van den Koning van Trevan koor: Brieven en bezendingen gedúúrig kennis gaven, naar de omstandig¬ „heeden met goeden raad aan de hand te gaan. §: 117. Bij mijnen eerbiedigen van den 30=e Aug=t gaf ik Uw Hoog edelheeden §: 59: bericht, dat de koning van koetsiem weder bij den Nabab ont„ „boden was, doch het vaste besluit genoomen had, van niet te gaan, en ook geene Prinsen te Zenden, en dat hij door zijne Ministers aan mij en aan den kooning van Trevankoor had laaten voorstellen, dat wij hem verbieden zouden uit zijn Rijk te gaan, doch dat ik dit glad afgeslaagen, en de eerste Minister van Trevankoor gebrek van instruksie geallegeerd, en dien Voorstel dus ad referendum overge„ „noomen had. §: 118: Thans melde ik tot vervolg, dat gemeldet Trevankoorsche Minister den 14en septbr: van zijnen Meester aan mij gezonden wierd, om mij te bedeelen, dat hij ook van begrip was, dat de koning van koetsiem volstrekt niet bij den sulkan gaan, en ook geenen van zijne Broeders of eerste

NL-HaNA_1.04.02_3850_0416 view scan ↗

English

should send first Ministers, because it likewise appeared probable to him that the said Sultan only intended by this to extort from the king a letter of complaint against Trevankoor and us, on such pretexts as Tipoe had already proposed to the oft-mentioned king last year, in order thereby to obtain some pretext for War; but that the further proposal of the Koetsiemsche Ministers, that we should forbid their Prince to leave his country, had been rejected by me with good reasons, and was disapproved of in the same manner by His Trevankoorsche Highness, in place of which one ought to feign indisposition or other excuses, which was subsequently also agreed upon with the Koetsiemsche Ministers; and pursuant to this agreement, the king remained firmly by his resolution not to go to the Nabab, excusing himself to the envoy mentioned in my previous dispatch of 30 Augs 1: 52: and 63: with all kinds of evasions, on which account the same finally 484 concerning Kranganoor. his letter about it §: 120: finally had to depart with matters unaccomplished. S. Nabab's bitterness §: 119: Meanwhile, the events that closely followed upon the surrender of Kranganoor and Hikotte clearly indicate that the oft-mentioned Nabab was very bitter about it, who, if we had remained longer in possession of those places, would without doubt have overwhelmed them, and thereby would have paved his way to before our gates, and into the heart of the Empire of Koetsiem, without the English having been willing, and without Trevankoor having been able to prevent it. For already in the month of October last, the said Nabab sent to me by an envoy, named Kamul Chan, a very courteous letter, in which he claimed to have learned that I had garrisoned the Fort Kranganoor with Trevankoorsche troops, who protected the rebellious Nairos and other base people from his country, and allowed many hostilities to be committed in his country by those refugees, which greatly surprised him the reply thereto. surprised him on account of the old friendship that subsisted between him and us, and which ought to be better maintained, because the Fort Kranganoor lay in the middle of his Empire: wherefore I ought not to grant any shelter to the said refugees in that Fort, so that by their bad conduct the old friendship of so many years might not be hindered; and he concluded with a recommendation of the king of Koetsiem. I repaid his assurances of friendship in like coin, but declared without disguise regarding the Fort Kranganoor, that the same had been sold to the King of Trevankoor, who granted no shelter to any evil people, and would much less permit anyone to commit hostilities in the Armaneesche country; but that I would nevertheless inform the said king of his Nabab's desire; and finally, that the king of Koetsiem continually enjoyed all protection and friendship, and that the recommendation from him, the Nabab, 485 Appearance of §: 122. Tipoe's Envoy. the ceremonial of §: 123: the audience. Nabab, would encourage me to show help and friendship on all occasions to that Prince, who was an old Ally of the Company. On 18 November, Abdul Kader Chan, mentioned in my humble dispatch of 30 Augs 1789 §: 59, arrived again at the court of the King of Koetsiem, who the following morning sent two silver mace-bearers to me to make known to me his arrival as Envoy of the Patscha with letters to the Company, whereupon he was welcomed by the Interpreter in the name of the Company, as can be seen more broadly from the report of this servant. Because this Person now announced himself as a solemn Ambassador, and was distinguished by his Master in the letter to the king of Koetsiem inserted in my previous dispatch of 30 Augs §: 64 with the title of honour of an eminent Grandee of the Court, we resolved at the session of the 20th of that month to receive him, when he came to audience, with the honours that had shortly before, by resolution the Audience. continuation. of 16 October, been accorded to the Divan or Regent of the king of Trevankoor, which took place on the 24th, as is recorded in detail in the daily register. §: 124: He was received in the full assembly, and delivered a letter which was not, as custom requires, enclosed in a bag, which he excused by alleging that, shortly before his departure from the Court, news had been received that I had departed and my replacement had not yet arrived, and therefore the letter was directed not to the Governor but to the Servants (this was the expression), but that his Master, learning the contrary, would immediately send another letter with presents. and conference §: 125. The letter was therefore accepted, but could not be read in Council, being written in the Maratha language, for which no translator was at hand. But the Envoy, fully instructed of its contents, began a long speech, which came down to this, that we should take back the fort Kranganoor from the King of Trevankoor, and garrison it with our troops. §: 126. This demand was by him on all kinds of

Dutch transcription

eerste Ministers zenden moest, wijl het hem mede waarschijnlijk voor¬ „quam, dat gemelde Sultan hierbij alleen bedoelde, den koning een klagtschrift tegen Trevankoor en ons af te divingen, op zoodanige Schijn gronden als Tipoe reets voor „leeden faar aan meermelden koning had voorgesteld, ten einde daar door eenig voorwendzel tot den Oorlog te verkrggen, doch dat de verdere voorstel van de koetsiem„ „sche Ministers, dat wij hunnen Vorst verbieden zouden, uit zijn land te gaan, door mij met goede reeden van de hand geweezen was, en door Zijne Trevankoorsche Hoog¬ „heid in zelver voegen afgekeurd werd, in wiens plaats men onpas„ „selijkheid of andere verontschuldi¬ „gingen diende voor te wenden, het geen vervolgens met de koet„ „siemsche Ministers ook vast gesteld werd en ingevolge van deeze af„ „spraak bleef de koning volstrekt. bij zyn besluit, om niet bij den Nabab te gaan, verschoonende zich tegen den zendeling bij mijn voorigen van den 30e. Augs 1: 52: en 63: vermeld, met allerlij uitvluchten, wes halven dezelve eindelijk 484 over Kranganoor. zijn brief daar over 5: 120: eindelijk onverrichter zaake vertrek „ken moest. S. Nababs verbittering §: 119: Immiddels wijzen de gebeurtenissen, die kort op de overgave van kranga„ „noor en Hikotte volgden, klaar aan, dat de meerm: Nabab daar oover zeer verbitterd was, die, indien wij langer in het bezit van die plaatsen gebleeven waaren, dezelven zonder twijfel overweldigd, en zich daardoor den weg tot voor onze poorten, en tot in het hart van het Rijk van koelsiem zoude gebaand hebben, zonder dat de Engelschen het zouder hebben willen, en zonder dat Trevan¬ „koor het zoude hebben kunnen beletten. Want reets in de maand Oktober. jongstleeden zond gemelde Nabab met eenen zendeling, kamul chan genaamd, eenen heel haflijken, brief aan mij, waarbij hij voorgaf vernoomen te hebben, dat ik het Fort kranganoor met Trevankoorsche— troepen had laaten bezetten, die de oproerige Nairos en meer ander slegt volk uit zijn land protegeerden, en door die vluchtelingen veele hostiliteiten in zijn land lieten pleegen, het geen hem zeer ver„ wonderde het antwoord daarop. wonderde uit hoofde van de oude vriendschap, die tusschen hem en ons subsisteerde, en beter diende onderhouden te worden, wijl het Fort Kranganoor in het midden van zijn Rijk lag: weshalven ik aan ge„ „melde vluchtelingen, in dat Fort geene schuilplaats mogt verleenen, op dat door hun slegt gedoente de oude vriendschap van zoo lange jaaren niet verhin¬ „derd wierd, en hij besloot met eene aanbeveeling van den koning van Koetsiem. Ik. betaalde zijne vriendschaps ver„ SS: 121. „zeekeringen met gelijke munte, doch verklaarde nopens het Fort kranganoor onbewimpeld, dat hetzelve aan den Koning van Trevankoor verkocht was, die aan geen quaad volk Schuilplaats verleende, en noch veel minder aan iemand permitteeren zoude, in het Arma neesche land hostiliteiten te pleegen, doch dat ik niet te min van zijne Nababs begeerte aan gemelden koning zoúde kennis geeven en eijndelijk, dat de koning van Koetsiem bij aanhoudendheid alle protexie en vriendschap genoot, en dat de rekommand aatsie van hem Nabab 485 Verschijning van 5: 122. Tipoes Afgezant. het oeremoniel van 5: 123: de audientsie. Nabab mij aanspooren zoude, dien Vorst, die een oude Bondgenoot van de komp=s was, bij alle gelee= genheid hulpe en vriendschap te bewijzen. Den 18e. November quam de bij mijnen eerbiedigen van den 30=en Aug=s 1789: §: 59 vermelden Abdul Kader Chan wederom aan het staf van den Koning van koetsiem, die den volgenden morgen twee zilvere stokke dragers bij mij zond, om mij zijne aankomst, als Afgezant van den Patscha met brieven aan de kompanie, bekend te maaken, waarop hij door den Tolk verwelkomt werd; uit naame van de kompanie, zoo als dit bij het relaas van deezen bediende breeder gezien kan worden. Wijl deeze Perzoon zich thans als een plegtige Ambassadeur aan kon= =digde, en door zijnen Meester in den brief aan den koning van koetsiem bij mijn voorige van den 30e Aug=s §: 64. geinsereerd, met den eernaam van een aanzienlijken Hofsgroote, gedistingueerd was, zoo beslooten wij ter sessie van den 20=e dier maand, hem, als hij ter audientsie quam, met de eerbewijzingen te recipieeren, die kort te vooren bij resoluutsie van de Audientsie. vervolg. van den 16e Oktober, aan den Divan of Rijxbestierder van den koning van Trevankoor toegelegt waaren, het geen den 24e gevolg nam, zoo als bij het dag register omstandig is aangeteekend. S: 124: Hij werd in de volle vergadering ontvangen, en over leeverde eenen brief, die niet, zoo als het gebruik meede brengt, in een sakje beslooten was, het geen hij verschoonde, met het voorgeeven, dat, kort voor zijn vertrek van het Hof, tijding ontvangen was, dat ik vertrokken, en mijn vervanger noch niet aangekomen, en dus de brief niet aan den Gouverneur maar aan de Bedienden, dit was de uitdruk= =king (gericht was, doch dat zijn Meester het tegendeel verneemende, ten eersten een andern brief met geschenken zenden zoude. en konferentsie §: 125. De brief werd dus aangenoomen, doch kost in Raade niet geleezen worden, als in de Marattische taal geschreeven zijnde, waar voor geen vertaaler bij de hand was. Doch de Afgezant, van dies inhoud ten vollen onderricht, begost een lange reeden voering, die daarop uit quam, dat wij het fort kranganoor van den Koning van Trevankoor weder over neemen, en met onze troepen bezetten zouden. §: 126. Deeze eisch werd door hem op allerlij

NL-HaNA_1.04.02_3850_0421 view scan ↗

English

Continuation. Continuation. proposed in all manner of ways, and each time flatly refused, as is recorded in detail in our secret resolution of the 14th of December, to which I refer in order to avoid verbosity, and here only mention the two proposals. 1st. That the Patscha wished to retake that fort from Trevankoor by force and make a present of it to the Company, and thus had it proposed to me to take it over then and occupy it with our troops. 2nd. That I should use my influence with the King of Trevankoor and persuade him to the amicable surrender of the fort, in order to prevent greater calamities. § 127. The first was rejected with the remark that, by consenting to this, I would commit a betrayal against the Company's faithful Ally, the King of Trevankoor, and thus would poorly earn the reputation for justice and good faith that his Master gave to our Nation. § 128. And the second was dismissed with the answer that I was very grateful to the Patscha for his confidence in me, but Continuation. Continuation. Continuation. that I had made it a rule for myself not to interfere in the affairs of our Allies any further than the interest of the Company required, and that since he, the Ambassador himself, was going to the Court of Trevankoor, he would have the best opportunity to converse in person with the King about everything that had been entrusted to him. § 129. After this followed serious debates about the Fort of Kranganoor, concerning which the Envoy claimed, first, that it lay in the land of his Master, and thereafter, that it stood on his ground, and that the Company had paid an annual tribute of twelve pagodas for it. § 130. The first was refuted by pointing out that the Company had conquered that fort in a lawful war and had possessed it for more than a hundred years, and that it was separated from the so-called Little Kingdom of Kranganoor by known boundary demarcations. § 131. But for the necessary clarification of the pretense that the Company had paid recognition money for the fort, I should report beforehand: that some years ago, our Chegos, fishermen, 487 Continuation. fishermen, and other subjects of the Company living outside the fort on our territory, having rented some pieces of garden- and arable land outside the same from the Nabab's tax-farmers, and falling behind with the payment, were complained of by the tax-farmer to the Chief Cellarius, who, to prevent difficulties, had the rent collected by the Company's interpreter and handed over to the tax-farmer, which practice has since been continued; and the Ambassador now sought to pass this off as an annual tribute or recognition money for the fort itself. § 132. But the groundlessness thereof was placed in such a clear light by our answer that the Envoy departed from it and turned to a new chapter, namely, that the King of Trevankoor had greatly insulted his Master by granting shelter in his land to the Princes of Kalikut and Kalastri and to a multitude of wealthy persons, all of whom had been vassals and subjects of the Patscha and had fled from his land; that the Patscha had sent him to demand the return of the said refugees with their goods from the King of Trevankoor and was notifying me thereof beforehand as a proof that he desired nothing unjust from Trevankoor, and would undertake nothing against him without having valid reasons for it. To this I merely replied that this was a matter that did not concern the Company and had to be decided between the Patscha and the King of Trevankoor. § 133. Herewith this conference ended, of which a detailed record is inserted in our secret Resolution of the 14th of December last, and the Ambassador departed with the promise that upon his return from the Court of Trevankoor, he would collect the reply to the letter from his Master. Conclusion. § 134. Contents of the letter. The letter from the Patscha being translated the following day, formed a wondrous contrast with the Envoy's protestations of esteem and affection, as it was drafted with an insulting pride and improper expressions. § 135. For 488 Remarks about the same. § 135. For besides qualifying himself in the heading of the letter as the Ruler of all four parts of the World, and me as his Subject, the merchant residing in the city of Koetsiem, whom he notifies, which must be brought home to the Company itself, the entire letter is written in the tone of a master to his subject, and contains: That the Company had garrisoned the fort of Kranganoor with its people for many years and had behaved as a subject of the Armané at Kalikut, but that the fidelity and friendship were now disrupted, because we had allowed the fort to be garrisoned by the troops of Rama Naijer (with this scornful title he addresses the King of Trevankoor, whose name is Rama, and whose ancestors, it is said, were mere Nayars), and that we protected the rogues from his country and allowed many hostilities to be committed therein by the same; that the Governor, living in the Kingdom of the King of Koetsiem, who of old was protected by the Armané, was consequently a subject of the

Dutch transcription

486. vervolg. vervolg. allerlij wijze voorgesteld, en telkens on bewimpeld van de hand geweezen, zoo als dat bij onze sekreete resoluutsie van den 14e December omstandig is aangeteekend, waaraan ik mij tot vermijding van wijd boopigheid, gedraage, en hier alleen noch gewag maake van de twee proposielsien. pe 1=o Dat de Palscha dat fort met geweld van Trevankoor te rug neemen, en aan de kompanie present doen wilde, en mij dus liet voorstellen, hetzelve als dan over te neemen en met onze troepen te bezetten. 2=e Dat ik mijn vermogen op den koning van Trevankoor aan wenden, en hem tot de minzaame overgave. van het fort persuadeeren wilde, tot voorkoming van grootere onheilen. §: 127. D' eerste werd gerejekteerd onder aanmerking. dat ik hierin bewilligende aan skomp=s getroúwen Bondgenoot, den Koning van Trevankoor, een verraad pleegen, en dus den roem van rechtvaardig¬ „heid en goede trouwe, die zijn Meester onze Naatsie gaf, slegt verdienen zoúde. §: 128: en de tweede werd afgevaardigd met het antwoord. dat ik den Patscha voor zijn vertrou„ „wen in mij zeer dankbaar was, doch vervolg. vervolg. vervolg. doch dat ik het mij tot een wet gemaakt had, mij met de zaaken van onze Bondgenooten niet verder te bemoeien, dan het belang der kompanie vereischte, en dat hij Ambassadeur zelve naar 't Htof van Toevankoor gieng, en dus de beste geleegenheid hebben zoude, over al, wat hem opgedraagen was, den kooning in persoon te onderhouden, §:129. Hierna volgden ernstige de batten over het Fort kranganoor, waarom „trend de Afgezant beweerde, eerst dat het in het land van zijnen Meester lag, en daar naa, dat het op zijnen grond stond, en de kompanie daar voor jaarlijx een tribut van twalf pagood en betaald had. §: 130: Het eerste werd gerecuteerd door de aanwijzing dat de komp=e dat fort in een wettigen oorlog veroverd' en meer dan honderd Jaar bezeeten had en dat hetzelve door bekende goens= scheidingen van het zoo genaamde Rijkje van krangaroor afgezonderd §: 131. Doch tot noodige Opheldering van het voorgeeven, dat de kompanie voor het fort rekognietsie betaald had, diene ik vooraf te berichten: dat voor eenige jaaren onse sje gos, Vischers was. 487 vervolg. Vischers en andere komp=s onderdaanen buiten het fort op ons teritoir woonende eenige stukjes tuin - en Zaai-land buiten hetzelve van 's Nababs Pachters in huur genoomen hebbende, en met de betaaling ten achteren blijvende, door den Pachter verklaagd wierden bij het Opperhoofd Cellarius, die tot voorkooming van moeilijk heeden de huur penningen door S. Komp=s Tolk liet in vorderen, en aan der Pachter overgeeven, waarbij men zeder gekon„ =tinueerd heeft, en dit zogt de Ambassadeur thans te doen door¬ „gaan voor een jaarlijx tribut, of rekog nietsie voor het fort zelve §: 132: Doch de ongefundeerdheid daar van werd bij ons antwoord in zulk een klaar daglicht gesteld, dat de Afgezant daar van afstapte, en tot een nieuw hoofdstuk overgierg, te weeten, dat de koning van Prevan„ „koor zijnen Meester grootelijk belee„ „digt had, door dien hij in zijn land Schuilplaats verleende aan de Prinsen van Kalikut en Kalastri en aan eene meenigte vermoogende Perzoonen, die alle Vazallen en Onderdaanen van den Patscker geweest, en uit deszelfs land gevlucht waaren besluit. 5: 134: inhoud van den brief. waaren, dat de Patscha hem had gezonden om gemelde Vluchtelin„ gen met hunne goederen van den Koning van Trevankoor op te eischen en mij daar van vooraf liet kennis geeven, tot een blijk, dat hij niets onbillijks van Tredankoor begeerde, en tegen den zelven niets beginnen zoude, zonder daartoe bordige reedenen te hebben, waarop ik alleen tot andwoord gaf, dat dit eene zaak was, die de Kompanie niet raakte, en tusschen den Patscha en den koning van Trevankoor beslist moeste worden. §: 133: Hier meede eindigde deeze konferentsie waarvan eene omstandige aan teeke„ „ning bij onze sekreete Resoluutsie van den 14e December Jongstleeden geinsereerd is, en de Ambassadeur vertrok met de belofte, dat hij bij zijne terugkomst van 't Hof van Trevankoor, het antwoord op den brief van zijnen Meester afhaalen zoude. De brief van den Patscha sdaags daar aan vertaald zijnde, maakte, met der Afgezants betuigingen van achting en geneegenheid een wonderbaar kontrast, als zijnde met eene beleedigende trotschheid en in hoorende uitdrukkingen opgesteld. § 135 want 8 488 den zelven aanmerking over § 135. Want behalven dat hij zich in het hoofd van den brief den Heerscher van alle vier deelen der Wereld, en mij zijnen Onderdaan, den zich in de stad koetsiem op houdenden koopman qualificeerd, wien hy adverteerd, het welk op de kompanie zelve moet te hais gebragt worden, zoo is de heele brief in den toon van een Gebieder aan zijnen Onderdaan geschreeven, en behelst. Dat de kompanie het fort krangaroor lange jaaren met haar volk bezet, en zich als een Onderdaan van den Armané te kalikut gedraa =gen had, doch dat de getrouwig= heid en vriendschap thans verhin= =derd was, door dien wij het fort hadden laaten bezetten door de troepen van Rama Naijer ( met deeren hoonenden titel apostro= „pheerd hij den koning van Trevan koor, wiers naam Rama is, en wiens Voorzaaten, men zegt, dat bloote Nagers geweest zijn/ en dat wij de schelmen uit zijn land pro te geerden, en daar in door dezelven veele hostiliteiten lieten pleegen; Dat de Goeverneur in het Rijk woonende van den Koning van Koetsiem die van ouds door den Armané beschermd wierd, over zulx een Onder daan van den

NL-HaNA_1.04.02_3850_0426 view scan ↗

English

Head to Travancore Section 136. Section 137. Conference with the King of Travancore at Parur. the Aramana was, and ought to strive to give him satisfaction through good services, and that he especially had to let the troops of Rama Nayar depart from Cranganore, as well as grant no refuge to the fugitives from his country, if he wished to enjoy his favor. In accordance with mutual agreement, I sent a copy of this letter to the King of Travancore, who was on his way from Trivandrum to this quarter, and was subsequently invited with so much urgency to Parur (three miles north of Cochin) for an interview, that although unwell, I could not decently excuse myself from it. In the first conference on the 9th of December, this King made known to me that Tipu Sultan had also complained to the English Government at Madras about the sale of the fort of Cranganore, and under the pretense that the same stood in his country and paid tribute to him, as well as that it could not change masters without his permission, had demanded that the said Government should prevail upon him, the King, to nullify the purchase and return the fort to the Dutch; that the said Government had thereupon written a letter to him (the King of Travancore), and in it had censured the deed of purchase as an imprudent act undertaken out of ill-timed ambition, as well as demanded of him to abandon the same and give the fort back to us, under the threat that they would not concern themselves with the troubles that might thereby arise between him and the Nawab. Section 138. Hereupon the King requested to know my opinion, and particularly whether I, in order to preserve him from the displeasure of the English, was willing to abandon the contract and take over again the forts of Cranganore and Ayacotta, whereupon I roundly declared that I was not authorized to cancel the contract, and could not take over the said places, for whatever reason and under whatever condition it might be. And I subsequently demonstrated to His Highness, on the one hand, that the restitution of the fort would by no means appease the Nawab, but on the contrary encourage him, and at the same time enable him to carry out his hostile designs against Southern Malabar with greater ease and certainty, since he could intend nothing else by it than, as soon as those places were given back to us, to overpower the same, and subsequently make himself master of Vypeen and the country of the King of Cochin, and in so doing secure an establishment for himself in the midst of the lands of Travancore, from where he could daily harass and vex the King in time of peace, and upon the outbreak of war between France and England could conquer his entire Kingdom, without the English then having it in their power to prevent such a thing. Section 139. I demonstrated on the other hand that Tipu had not the least right to meddle with the purchase and sale of the aforementioned places; that the pretexts which he made use of for that purpose were fabricated in the most frivolous manner and devoid of all semblance of truth; that the English themselves were better informed of the political constitution of this coast, and knew very well that we had lawfully conquered the fort of Cranganore more than a hundred years ago and possessed it ever since; that the pretense of an annual tribute for that fort was a complete falsehood, which His Travancore Highness himself, along with all other Malabar rulers, knew very well, and the Raja of the Kingdom of Cranganore, who was driven out by the Nawab and was still alive, would have to acknowledge himself together with the grandees of his Court. Section 140. On these grounds, I subsequently advised His Highness that he should extensively demonstrate to the English the untruth of all this, as well as the dangerous designs of the Nawab that lay concealed beneath it, and in particular had to point out that the restitution of Cranganore and Ayacotta, which moreover was not possible owing to the absolute refusal of the Dutch Company, would by no means serve to avert the war with Tipu Sultan, but on the contrary to hasten the same and pave the way for him to execute his hostile designs, of which the downfall of the Travancore Kingdom might sooner or later be the consequence. Section 141. The King was fully convinced of all this and fully agreed to the lawfulness of the contract as well as the falsity of Tipu's pretenses concerning the dependence and tributariness of the fort of Cranganore, but complained that he had already in vain tried to convince the English Governor of Madras thereof, wherefore he proposed to me to admit the English Resident, George Powney (who has now already been staying at his Court for a year), to the next conference, and to demonstrate extensively to him the untruth of Tipu's pretenses. Section 142. This I rejected, because it would not be fitting to subject the rights or the actions of the Company to the examination and judgment of a foreign nation, or to engage in debates of that nature with a servant of the same. Thereupon the King made the further proposition that I might write a letter to him (the King) and mention in it that no tribute had ever been paid for the fort of Cranganore, with which he hoped to convince the aforementioned Governor, and when I consented to this, he further proposed that he might draw up that letter himself, exactly as he preferred to have it, which I likewise permitted. Section 143. The Dutch translation of the same is likewise inserted in the frequently cited secret Resolution, and

Dutch transcription

Kopg aan Trevankoor §: 136. §: 137. konferentsie met den koning van Trevankoor te Paroe den Armané was en trachten moest, hem door goede diensten genoegen te geeven, en dat hij in zonderheid de troepen van Rama Naijer uit Prangaroos moest laaten vertrekken, mitsg. s aan de Vluchte= =lingen uit zijn land geene schuil= „plaats verleenen, wanneer hij zijne gunst genieten zoude. Jk. zond volgens onderlinge Afspraak. van deezen brief een afschrift aan den Koning van Trevankoor, die van Piroc =wanderam naar deezen kant op weg was, en werd vervolgens met zoo veel empressement naar Paroe (drie Mijlen benoorden koetsiem / tot een mondgesprek uitgenoodigd, dat ik, of schoon on„ „passelijk, mij daarvan niet voeglijk kost excuseeren. Deeze koning gaf mij in de eerste konferentsie op den 9e. December te kennen, dat Tipoe Sultan over den verkoop van het fort kranga roor ook bij de Engelsche Regeering te Madras gedoleerd, en onder het voorgeeven dat hetzelve in zijn land stond, en aan hem rekognietsie betaalde, mitsgaaders zonder zijne toestemming niet van Meester ver anderen kost, be„ geerd had, dat gemelde Regeering hem koning mogt disponeeren, om den koop te vernietigen en het fort aan de Hollanders te rug te geeven 489 Vervolg. geeven; Dat gemelde Regeering daar op eenen brief aan hem /koning van Trevankoor / geschreeven, en daarbij het koop kontrakt als eene onvoorzichtige en uit ontijdige— ambietsie ondernoomene daad ge„ „laakt, mitsgaders van hem begeerd had, van hetzelve aftezien, en het fort aan ons terug te geeven, onder bedreiging dat zij zich de Onlusten die daardoor tusschen hem en den Nabab ontstaan mogten, niet zoude aantrekken. §. 138: De Koning verzocht hier op mijn gevoelen te weeten, en inzonderheid, of ik, om hem voor het misnoegen der Engelschen te bewaaren, van het kontrakt afzien, en het fort Kranganoor en Hikotte weeder over neemen wilde, waar op ik rond uit verklaarde, tot het vernietigen van het kontrakt niet bevoegd te zijn, en gem: plaatsen niet te kunnen overneemen, om wat reeden, en op wat voorwaarde het ook weezen mogt, en ik vertoonde vervolgens aan zijne Hoogheid, aan d'eene zijde, dat de terug gave van het fort den Nabab geensints zoude bevreedigen, maar in tegendeel aanmoedigen, en tevens in staat stellen, om zijne vijandige desseinen tegen Zuider malabaar vervolg. malabaar met meerder gemak en zeekerheid uit te voeren, door dien hy daarbij niet anders kost bedoelen, dan, om zoodra die plaatsen aan ons terug gegeeven waaren, de zelven te overweldigen, en zich vervolgens van Baopin en het land van der koning van koetsiem Meester te maaken, en zich zoo doende midden in de landen van Trevan koor een etablissement te ver„ schapsen, van waar hij in tijd van vreede den koning dagelyx chicaneeren en verdries aandoen, en bij het ontstaan van oorlog tusschen Frankrijk en Ergland zijn heele Rijk overweldigen kost, zonder dat de Engelschen het als dan in hune macht zouden hebben, zulx te beletten. §: 139. Jk vertoonde aan d' andere zijde, dat Tipoe geen het minste rechs had, zich met den koop en verkoop van meermelde plaatsen te bemoeien, dat de voor„ „werdzels, waar van hy zich daartoe bediende, op de frivoolste wijze ver „dicht en van alle schijn ontbloot waaren, dat d' Engelschen zelve beeter van de staat kundige konstituutsie deezer kuste onderricht waaren, en zeer wel wisten, dat wij het fort kranganoor voor meer dan honderd jaaren wettig veroverd, en zeder bereiten hadden, dat het voorgeeven van een jaar lijx tribus voor dat fort een volslaagene onwaarheid was, het geen zijne Drevankoorsche Hoogheid zelve, met 490 vervolg. §: 141. vervolg. met alle andere Malabaarsche Vorsten zeer wel wist, en de Rasia van het Rijk kranganoor, die door den Nabab verdreeven, en noch in weezen was, met zijne Hofs grooten zelve zoude moeten bekennen. §: 140: Op deeze gronden gaf ik zijn Hoogheid vervolgens den raad, dat hij de onwaarheid van dit alles en tevens de gevaarlijke oogmerken van den Nabab, die daar onder verborgen lagen, aan d' Engel„ „schen omstandig betoogen, en in zonder. heid aanwijzen moest, dat de terug gave van krangaroor en Hikotte, die buiten des, wegens de volstrekten weigering van de Hollandsche komp=e, niet mogelijk was, geenzints zoude strekken. om den Oorlog met Tipoe sullan te ontgaan, maar in tegen„ „deel om denzelven te verhaasten, en hem tot het uitvoeren van zijne vijandige derseinen der weg te baanen, waar van de ondergang van het Trevankoorsche Rijk vroeg of laat het gevolg zoude kunnen worden. De koning was van dit alles volkoomen overtuigd en stemde de wettigheid van het kortrakt zoo wel als de valschheid van Tipoes voorgeeven, noopens de afharglijkheid en Eijnsbaarheid van het fort kranganoor volmondig toe, doch beklaagde zich, dat hij reets vergeefs vervolg. vervolg. vergeefs getracht had, den Engelschen Gouverneur van Madras daar van te overtuigen, weshalven hij mij proponeerd den Engelscher Resident, George Powneij (die zich nu reets een jaar lang aan zijn Hof ophoud / in de volgende konferentsie te admitteeren, en aan den„ zelven de onwaarheid van Tipoes voorgee¬ „vens omstandig te betoogen. §: 142: Dit wees ik van de hand, om dat het niet gevooglijk zijn zoude, het recht of de gedoentens van de komp=s aan het Onder„ „zoek en voordeel van een vreemde Naass te onderwerpen, of mij met eenen Bediende van dezelve in de batten van die natuur in te laaten, en daar op deed de koning de nadere proposiessie, dat ik aan hem (koning / eenen brief. schrijven, en daar in aanhaalen mogte, dat voor het Fort kranganoor noit eenige rekogmessie betaald was, waar meede hij den voormelden Gouverneur hoopte te overtuigen, en toen ik hier in bewilligde, propo¬ neerde hij verder, dat hij dien brief, zoodanig als hij hem liefst wilde hebben zelve mogt opstellen, het geen ik al mede toestond. §: 143: De Nederduitsche overzetting van denzelven is bij de dikwerf geciteerde sekreete Resoluutsie almede geinsereerd, en

NL-HaNA_1.04.02_3850_0431 view scan ↗

English

491 Continuation. and only contained "That I had obtained qualification from your Right Excellencies for the sale of Kranganoor and Aikotte, and thus confirmed the already made cession of the same, and also testified that the said fort and lands were subject to no pretensions whatsoever of anyone in the world, and the Company had never rendered the least recognition thereof to anyone, nor to Tipoe Sultan." Section 144. That this letter did not have the hoped-for effect will be shown hereafter in its proper place, while for now, in order not to break the thread of the negotiations, I proceed to report that the King now gave a detailed account of the military movements and great preparations in the country of Tipoe, which no longer left room for the slightest doubt concerning his hostile designs, and subsequently observed that, now that the English refused him their assistance, no other Continuation. refuge remained for him but the assistance of our Company, which he therefore most emphatically reclaimed and to that end proposed that I should without loss of time summon ships, men and munitions of war from Ceylon, and in the meantime assist him with one hundred European artillerymen and several thousand pounds of gunpowder. Section 145. This request placed me in great embarrassment; it was on his part so reasonable and at the same time so moderate, and the circumstances were furthermore so urgent, that with decency no refusal could take place, yet on our part I was unable to fulfill it, for our entire artillery corps consisted of only 47 Europeans and 66 natives, and of those, 26 heads were placed on the ship De Schelde, and our stock of gunpowder amounted, after deduction of that consumed for live cartridges and charges, to approximately 125,000 lb. Section 146. I therefore excused myself as best I could with the explanation that the Company here had no more men than were required for the garrisoning of the fortress, and that for this purpose, in particular, 10 492 Continuation. the artillerymen and the gunpowder were highly necessary, and furthermore, that if the enemy should break through, Cochin was the only place that could offer him resistance, and that consequently His Highness himself had the greatest interest therein, that the said fortress should not be stripped of men and munitions. Section 147. Now followed on the King's part the proposal that, according to indubitable reports and rumors, the fleet of Tipoe Sultan was at sea, and would perhaps attempt to make itself master of Aikotte, or land somewhere on the Island of Baipien, and that consequently the Company ought to cruise the mouth of the Kranganoor river and the shores of the said island. Section 148. Since I could satisfy the King in this matter, and since the fear of a landing on Baipien was not unfounded, which if it succeeded, would tend to the total ruin not only of the Jewish town, Mattanseeri and surrounding region, but also of the Company's commerce, as has been demonstrated more fully by me in the secret Resolution of The ship De Schelde cruises off Aikotte. Continuation of the first Section 149. conference. Continuation. the 29th of July and in my recent preceding Section 19, to which I here refer myself. Thus I promised His Highness that this should be done immediately, and accordingly the ship De Schelde, which, as I have had the honor to report, already lay armed in our roads, was stationed, together with the small vessel De Verwachting, the day after my return, at the northwest corner of the aforementioned island, with such instructions as are inserted in the aforementioned secret Resolution, to which I here refer myself. Now the conversation turned to the embassy from Tipoe Sultan, concerning which the King indicated that he had postponed the audience until now in order first to consult with me thereon, to which end he requested to be allowed to know the contents of my reply to the aforementioned Nabob. Section 150. I then related to His Highness that the envoy, since the first audience, had repeatedly pressed me for the same, but had each time been put off by me with the reply that he had promised first to discharge his commission with the King of Travancore, and then communicate his 493 Continuation. Report of the second conference. answer to me, for which reason my letter had not yet been delivered, though I had brought along a copy thereof, which I offered to His Highness for perusal. Section 151. This was particularly agreeable, and the King requested to be permitted to retain the same and to communicate his remarks thereon to me, which I readily granted, in return for which His Highness promised to send also to me the copies of the Nabob's letter to him and of his reply thereto, as has since occurred. Section 152. In the following conference, some alterations were made in the said letter, which did not affect the substance of the contents, and hereupon it was agreed that it should be sent with two lascars to the Dewan and delivered in his presence to the ambassador, which has since been carried out, as appears from the letter of the said envoy of the 16th of December 1789, transmitted among the annexes, while the Dutch draft of my reply

Dutch transcription

491 vervolg. en behelste eenlijk „ Dat ik van uwe Hoogedelheeden qualifikaatsie bekoomen had tot den verkoop van kranganoor en „ Hikotte, en dus den reets gedaanen „ afstand van dezelven bekrachtigde „ en tevens betuigde, dat gemelde fort en landen onder geene „ „ pretentsien van iemand ter „ wereld onderworpen waaren, en de komp=e daar van aan niemand, en ook niet aan Tipoe sullan, „ de minste rekogniessie opgebragt. had. §: 144. Dat deeze brief de gehoopte uitwer„ „ving niet gehad hebbe, zal hier na op zijne plaats aangeweezen worden, terwijl ik thans, om den draad der onderhandelingen niet afte breeken, voortgaa met te berichten, dat de koning als nu een omstandig ver„ „haal deed van de oorlogs bewee„ gingen en groote toerustingen in het land van Tipoe, die voor de minste twijvelingen aan zijne vijandige oogmerken geene plaats meer overlieten, en vervolgens aan„ merkte, dat hem nu de Engelschen hunne hulpe weigerden, geen andere „ „ „ vervolg. vervolg. andere toevlucht overig bleef, als de bijstand van onze Comp=e die hij derhalven op het nadruklijkste reklameerde en daartoe proponeerde dat ik zonder tijd verlies van Ceilon schepen, Volk en oorlogs ammunietsie ontbieden, en hem middelerwijle met honderd Europeesche Artilleristen, en eenige duizend ponden buskruis assisteeren wilde. §. 145. Dit verzoek bragt mg in groote verlee„ genheid, het was van zijne zijde zoo billijk en teevens zoo maatig en de omstandigheeden waaren daarbij zoo dringend, dat met schik geene weigering plaats kols hebben, doch van onze zijde was ik onvermogens, daar aan te voldoen, want ons heele Artillerg=korps bestond maar in 47. Europ eeschen en 66. Inlanders, en daar van waaren 26. koppen op het schip de schelde geplaatst, en onze Voorraad van buskruit bedroeg, na aftrek van het verbruikte tot scherpe patroonen en kardoezen, circa 125000: lb. §. 146. Jk. verschoonde mij derhalven, zoo goed ik kost met de aanwijzing, dat de kompanie hier geen meer volk had, als tot de bezetting der vesting vereischt werd, en dat daartoe inzonderheid 10 492 vervolg. vervolg. inzonderheid de Artilleris ten en het buskruit hoog benoodigd waaren, en voorts, dat, als de Vijand mogt doorbreeken, koetsiem de eenigste plaats was, die hem tegenstand bieden kost, en dat derhalven zijne Hoogheid zelve het grootste belang daar bij had, dat gemelde Vesting niet van volk en ammoniessie ont„ bloot werd. §: 147: Nu volgde van 's konings zijde de voorstel, dat volgens ontwijfelbaare berichten en geruchten de vloot van Tipoe Sultan in Zee was, en veel= „ligt trachten zoude, zich van Aikotte Meester te maaken, of ergens op het Eiland Baipien te landen, en dat derhalven de kompanie den mond van de kranganoorse rivier en de stranden van het gemelde Eilard diende te bekruissen. §. 148. Wijl ik in dit stuk den koning kost genoegen geeven, en wijl de vrees voor eene landing op Baipien niet ongegrondt was, die zoo ze reusseerde, tot totaale ruine niet alleen van de Jooden stad, Matten¬ seeri en omliggende landstreek maar ook van 's kompanies koop¬ „handel strekken zoude, zoo als dit door mij omstandiger betoogd is, bij sekreete Resoluutsie van den Het Schip de Schelde kraiss voor de kotte. Vervolg naar de eerste 5: 149. konferentsie vervolg. den 29=e Juli en bij mijnen jongste voor gaanden 3. 19, waaraan ik mij hier gedraage. zoo beloofde ik zijne Hoogheid, dat dit ten eersten geschieden zoude en dienvolgende werd het schip De schelde, het welk, zoo als ik de eere gehad hebbe te melden, reets gearmeerd op onse rheede lag, met het smalschip de verwachting, 's daags na mijne terug„ komst, op den noordwesthoek van het meerm: Eiland gestaatsioneerd, met zoodaanige Jnstruksie, als bij de meermelde sekreete Resoluutsie is ingelijfs, waar aan ik mij hier gedraage Nie viel het gesprek op de Ambassade van Tipoe Sullan waar omtrend de koning te kennen gaf, dat hij de audientsie tot nu toe had uitgesteld om eerst. daar over met mij te raade te gaan, waartoe hij verzocht den inhoud van mijn antwoord aan meermelden Nabab te mogen weeten. §. 150. Ik verhaalde toen aan zijne Hoogheid, dat de Afgezant zeder de eerste auedientsie te meermaalen bij mij om hetzelve had aangehouden, doch telkens door mij uitgesteld was met het antwoord, dat hij beloofd had, eerst bij den koning van Trevankoor zijne kommissie te zullen afleggen, en mij dan deszelfs 493 vervolg. verslag van de tweede konferentsie des zelfs antwoord bedeelen, weshalven mijn brief noch niet was afgegeeven, terwijl ik daarvan eene kopij had meede gebragt, die ik zijne Hoogheid ter letture aan„ bood. §: 151. Dit was bezonder aangenaam en de koning verzocht, dezelve aan= =houden en mij zijne aanmerkingen daar op bedeelen te mogen, het geen ik gereedlijk inwilligde, waar tegen zijne Hoogheid beloofde de kopijen van S. Nababs brief aan hem en van zijn antwoord daarop ook aan mij te zullen zenden, gelijk zeder geschied is. 5: 152: In de volgende konferentsie werden eenige veranderingen in gemelden brief gemaakt, die het weezentlijke van den inhoud niet betroffen, en hier op werd afgesprooken dat dezelve met twee laskorijns aan den Divan gezonden en in deszelfs teegenwoordigheid aan den Am¬ „bassadeur overgegeeven worden zoude, het geen zeder gevolge genoomen heeft, zoo als blijkt bij den brief van gemelden Afgezant van den 16e December 1789. onder de bijlagen overgaande, terwijl het nederduitsch ontwerp van mijn antwoord

NL-HaNA_1.04.02_3850_0436 view scan ↗

English

contents of the Governor's reply to Tippoo reply to Tippoo Sultan, inserted in the secret resolution of the 24th of De- cember last, which is also forwarded separately among the enclosures, containing in substance: 1st. That the letter from His Highness to me had not been enclosed in a bag as was proper, but was accepted upon the excuse presented by the Envoy, though after translation it was found not to be drawn up in such a manner as the dignity of the Company requires, and as had hitherto been observed by His Highness himself in his letters to me. 2nd. That the Company had been established in India as a sovereign Power for nearly two hundred years, and as such was respected and treated by the greatest kings and Princes, its Friends and Allies. 3rd. That the Company had conquered the fortresses of Cochin and Cranganore more than a hundred years ago in a lawful war, and since that time had possessed them in full ownership as a sovereign Power, independent of the kings of Malabar, and especially of Cochin and Cranganore, and that the Nabob therefore had not the slightest right to assume any authority or jurisdiction over it or over its Governor. 4th. That the Company had the indisputable right to dispose of its forts and places, and to sell them to whomever it wished, without having to give an account thereof to anyone, whosoever he might be. 5th. That the oral assertion of the Ambassador that the Company had paid an annual acknowledgment for the fort of Cranganore was a purely frivolous fabrication; and finally, 6th. That it appeared incomprehensible how the Nabob could write that the city of Cochin was subject to the Aramana, since it was universally known that for more than a hundred years the Company had not only been the independent Sovereign of that city, but had also had the Princes of Cochin and Cranganore under its protection during all that time, and that there was consequently not the slightest ground to diminish the dignity of the Illustrious Company by such futile assertions. No. 153. Tippoo Sultan and Travancore. Copies of letters between § 153. The King had promised me that he would reply to the Nabob's letter to him in the same tone with firmness, but the copies received since clearly show that the good Prince has poorly fulfilled those promises, whether he has been intimidated by his own faintheartedness or by foreign influence, which Your High Excellencies may, if you please, examine at length in the accompanying translations. Remark hereon. § 154. On which I shall not expatiate further here, save only that I permit myself this single remark: that the Nabob, who in his letters to us and to the English had made such an issue of the sale of Cranganore, as if the principal object of his complaint were contained therein, in the aforementioned letter to the King of Travancore comes forward with entirely different demands, and with offensive arrogance insists that he shall restore the lands torn away from the Kingdom of Cochin in earlier years, and demolish the lines constructed therein, Letter from the English Government about Cranganore. while the fort of Cranganore is mentioned only in passing; which is clear proof that the Nabob had already intended to make war on Travancore long before the sale of Cranganore, and that the complaints regarding the aforementioned sale were merely invented since then to serve as a pretext with the English Government at Madras, which had the incomprehensible weakness to allow itself to be misled by this artifice for months, meanwhile entirely neglecting the necessary preparations to repel his hostile designs, as I shall now have the honor to demonstrate further. § 155. In the beginning of January, there was forwarded to us by the Ceylon Government a letter addressed to it by the Governor and Council at Madras in the English language, concerning the sale of Cranganore and Ayacotta, containing a brief report of the Nabob's assertions regarding the dependency Answer to the same. and tributary status of the fort of Cranganore, and of Travancore's refutations, and furthermore the request for accurate information as to how the Company had obtained that fort from the Portuguese, on what footing the latter had possessed it and transferred it to us, whether we had paid any tribute for it, and finally for authentic copies of the papers and documents relating to Cranganore and Ayacotta, in order that they might be enabled to govern their conduct toward the interested parties in this case according to the strictest justice. § 156. And as the aforementioned Ceylon Government had replied thereto that their letter had been sent to us and that we had been requested to give the necessary answer to it, this was done by letter of the 9th of that month, containing: That the Nabob's assertions regarding the two aforementioned places deserved neither attention nor our refutation, since it was universally known that we held our establishments on the Malabar

Dutch transcription

inhoud van S. Gouverneurs antwoord aan Tipoe antwoord aan Tipoe sultan bij de sekreete resoluutsie van den 24e. De. cember jongstleeden geinsereerd is en onder de bijlagen ook afzonderlijk overgaat, in substantsie behelzende. 1=o Dat de brief van zijne Hoogheid aan mij niet, zoo als het betaamde, in een sakje beslooten geweest, doch op de bijgebragte verschooning van den Afgezant, aangenoomen, maar na de vertaaling bevonden was, niet zoodaanig ingesteld te zijn, als de waardigheid van de komparie vereischt en tot nu toe door zyne Hoogheid zelve in zijne brieven aan mij geobserveerd was. 2=e Dat de kompanie by na twee hon„ „derd jaaren als eene souveraine Mogendheid in Indien gevestigd was, en als zoodanig door de grootste koningen en Vorsten, haare Vrienden en Bondgenooten, gere„ „spekteerd en behandeld werd. 3=e Dat de kompanie de Vertingen Koetsiem en krangaroor, voor meer dan honderd jaar, in een wettigen oorlog veroverd, en zeder den tijd als een souveraine Mogendheid en onafhanklijk van de koningen van Malabaar en vooral van koes siem en kranganoor in vollen eigendom 11 494 eigendom bezeeten had, en hij Nabab derhalven geen het allerminste recht had, zich eenige authoriteis of gezag over haar of haaren Gouverneur aan te maatigen. 4=e Dat de kompanie het onbetwist„ „baar recht had, over haare forten en plaatsen te disponeeren, en dezelven te verkoopen aan wien ze wilde, zonder daar van aan iemand, wie hij ook zijn mogte reekenschap te geeven. 5=e, Dat het mondelinge voorgeeven van den Ambassadeur als of de kompanie voor het fort krangaroos eene jaarlijxe rekognietsie betaald had, een louter frivool verdichtzel was en eindelijk 6; Dat het onbegrijplijk voorquam, hoe hij Nabab Kost Schryven dat de Stad. Koetsiem onder den Armane stond daar het wereld kundig was, dat zij niet alleen zeder meer dan honderd jaar onafhanklijk Opper heer van die stad was, maar ook Ieder dien tijd de Vorsten van Koetsiem en kranganoor onder haare protestie gehad had, en dat derhalven geen de minste schijn voor handen was, de waardigheid van de Door¬ „luchtige kompanie door zulke nietige voorgeevens te deklineeren. No. 153De Tipoe sullan en Trevankoor. Kopij brieven tusschen S: 153. De koning had mij beloofd, dat hij des Nababs brief aan hem in denzelven toon met kordaatheid beantwoorden zoude, doch de zeder ontvangene kopijen wijzen klaar aan, dat de goede Vorst aan die beloften slegt voldaan heeft het zij dat hij door eige kleinmoodigheid of door vreem„ den in vloed geintimideerd geworden zij, het geen Uw: Hoogedelheeden des gelievende uit de nevensgaande vertaalingen in 't breede kunnen beschouwen. aanmerking hier over d: 154: Waarover ik hier niet verder uitwijden zal, dan alleen, dat ik mij deeze eene aanmerking veroorlove, dat de Nabab, die in zijne brieven aan ons en aan d' Engelschen zulk een Ophef van den verkoop van kranga¬ „noor gemaakt had, als of daar in het voornaamste opjekt van zijne klagte lag opgeslooten, in eeven gemelden brief aan den koning van Trevankoor met geheel andere eischen ter baan komt, en met aanstootlijke trotschheid begeerd, dat hij de van het Koelsiemsche Rijk in vroegere jaaren afgescheurde land en terug geeven, en de daarin aangelegde linie afbreeken 495 brief van de Engelsche Regeering doer kranganoor. afbreeken zal, terwijl van het fort kranganoor slegts ter loops gewag gemaakt word, tot een klaar bewijs, dat de Nabab reets lange voor den verkoop van kranganoor voornee= =mens geweest zi, Trevankoor te beoorlogen, en de klagten over meer melden verkoop zeder alleen ver„ =zonnen hebbe, om zich daar van tot een pretext te bedienen bij de Engelsche Regeering te Madras, die de onbegrijplijke Zwakheid ge= =had heeft zich door deeze konste= =narije maanden lang te laaten mislijden, en middelerwijle de noodige aanstallen tot afweering van zijne vijandige desseinen geheel te ver„ „zuimen, zoo als ik thans de eere zal hebben, nader aan te wijzen. §: 155: Jn het begin van Januari werd ons door de beilonsche Regeering toegezonden een brief van den Goeverneur en Raad te Madras in d' Engelsche taale, over den verkoop van kranganoor en Hikotta aan haar gericht, behelzende een kort verslag van 'S. Nababs voorgee¬ „vens nopens de afhanklijkheide en n hen het 12 antwoord op derzelven en cijns baarheid van het fort kranga„ noor, en van Trevankoors wederleggingen, en voorts het verzoek, om nauwkeurige in formaatsie, hoe de kompanie dat fort van de Portugeeren verkreegen had, en op wat voet deezen het zelve bezeeten, en op ons getransporteerd hadden. of wij daar van dit eenige tribut betaald hadden. en eindelijk om autentike kopijen van de stukken en Dokumenten tot kranganoor en Hikotte betreklijk, op dat zij in staat gesteld wierden, in dit geval hun gedrag tegen de belanghebbende partijen naar de strengste recht= =vaardigheid te regelen. §: 156. En wijl welmelde Ceilonsche Regeering daar op geantwoord hadde, dat hun brief aan ons gezonden was, en wij verzocht waaren, het noodige antwoord daarop te geeven; zoo is dit geschied bij brief van den 9=e dier maand behelzende Dat I. Nababs voorgeevens noopers gem: twee plaatsen noch kunnen aandacht, noch onze wederleg¬ „gieng verdienden, wijl het wereld kundig was, dat wij onze Et ablissementen op de Malabaar sche

NL-HaNA_1.04.02_3850_0441 view scan ↗

English

coast already in the previous century in an open war by the sword; that Kranganoor was conquered on 15 January 1662, and thus had been lawfully possessed by us for over a hundred years. That Aikotte, as an open piece of land, had without doubt fallen to us along with it, or with the conquered fortress of Koetsiem, and that no fortress had ever been there, and thus no military exploit for its occupation had taken place, on which account the modus acquirendi could not be further demonstrated, but that it was all the more certain that we had likewise possessed the same since time immemorial peacefully in sovereign ownership. That the question on what footing the Portuguese had possessed these places was, in our view, superfluous, and that it would look ill for the English and Dutch possessions in this part of the world if, after a lawful conquest and subsequent possession of one hundred and twenty-seven years, one should also still have to demonstrate that the enemy had lawfully possessed the same before our time; that it was nevertheless known to all India that the Portuguese had possessed this coast for more than a century before us; that the pretense as if any recognition money was paid for Kranganoor or Aikotte was fabricated by Tipoe and derived in the most frivolous manner from some rent monies for gardens and lands lying outside the fort and within its limits, and that such sinister interpretation carried its own refutation with it. That from the nature of our acquisition by the sword of war it followed of itself that no contracts or documents regarding it could be extant, but that the modus acquirendi and the subsequent possession of well over three times the period of time determined by the laws for acquiring a valid right of possession rendered the same unnecessary. That the frivolity of these pretexts was also still clearly evident from the other demands against Trevankoor, which were considerably weightier and at the same time looked to facts that existed long before the latest treaty between the English Company and Tipoe was concluded, and thus were also finally settled by the same, in which Trevankoor was included by name, and protestation § 157. To which we furthermore added the protestation that we communicated this elucidation purely out of courtesy, without thereby giving cause for the examination or assessment of our rights in this or any other future case. All of which Your Right Excellencies, if you please, may further examine in the copies of these letters, likewise transmitted among the enclosures. § 158: From what has been advanced up to now it thus clearly appears that the King of Trevankoor, if Kranganoor were attacked by the Nabab, was to expect no help from the English, and this was further confirmed by the aforesaid Resident Powney, and by the commander of the two battalions of English Sepoys stationed at Paroe, named Knox, who, being sounded out on this by me, candidly declared to have received explicit orders from their government not to interfere at all with Aikotte and Kranganoor, and not to come to the aid of the King of Trevankoor so long as he was not attacked in his own country. In this manner we—who, after the surrender of Kranganoor and Aikotte, had flattered ourselves with the hope of a peaceful residence according to § 116—saw ourselves, through the incomprehensible conduct of the English, who wished entirely to abandon their ally, the King of Trevankoor, suddenly exposed anew to the imminent danger which we had hoped to have averted by the just-mentioned cession. § 160: For, although since the acquisition of Kranganoor the King had caused a strong entrenchment to be thrown up in front of the fort, on which some thousand men had worked for months under the direction and supervision of our engineer Van Krause, whom I had lent for that purpose at the King's request, which entrenchment was provided with a ditch sixty feet wide and ten feet deep, and with spacious places of arms and a strong palisade, and was much praised by the English officers; yet one could not expect from his troops, who were unpracticed in war, that they alone, and without the assistance of the English, would withstand the great superior force of the Nabab; and therefore not only we, but also the most experienced English officers at Paroe, determined that Kranganoor and Aikotte would be overwhelmed by him within a short time and with little effort, and that he would thus penetrate by an easy road into the heart of the Koetsiemsche Kingdom without setting foot upon the ancient territory of Trevankoor, of which the consequences, as inevitable as they are ruinous, are so clearly and circumstantially demonstrated in my previous letter of 30 August, paragraph 19, that, in order not to fall into repetition, I respectfully refer to it. § 161. And since it clearly appeared from the aforesaid letters of Tipoe Sultan and from his great preparations that he intended

Dutch transcription

12. 496 sche kuste reets in de voorige eeuwe„ in een openbaaren oorlog met het zwaard, gewonnen hadden; Dat Kranganoor den 15e Januari 1662: veroverd, en dus over de honderd jaar van ons wettig bezeeten was. Dat Hikotte, als een open stuk land, buiten twijfel daar meede, of met de veroverde Vesting koetsiem, aan ons vervallen was, en dat daar geene Vesting geweest was, en dus ook geen militair exploit tot dies okku= =paassie had plaats gehad, weshal= ren, de modus acquirendi niet nader aangetoond kost worden, doch dat het te zeekerder was, dat wij hetzelve mede zeder onheuchlijke tijden vreedig in souverainen eigendom bezeeten hadden. Dat de vraage, op wat voet de Portu„ „geezen deeze plaatsen bezeeten hadden. naar ons inzien overtollig was, en dat het er slegt uitzien zoude, met de Engelsche en Hollandsche bezittingen in dit wereld deel indien men na eene wettige ver= „overing en daarop gevolgde pos„ sessie van honderd zeeven en twintig jaar, ook noch zoude moeten aantoonen, dat de vijand dezelven voor. voor onzen tijd wettig bezeeten hadde, dat het echter aan heel Indien bekend was, dat de Portugeezen deeze kuste langer dan eene euw voor ons bezeeten hadden; Dat het voorgeeven, als of van kranganoor of Aikotte eenige rekognie„ tsie betaald waare, van Tipoe verdicht en op de frivoolste wijze ontleend was, van eenige huurpenningen voor tuinen en landerijen buiten het fort, en binnen zijne limiet liggende en dat zulke sinis toe inter pretaat„ „sie haar eigene wederlegging mede bragte. Dat uit de natuur van onze acqui„ „ sietsie door het zwaard des oorlogs van zelfs volgde, dat daar van geene kontrakten of dakumenten voorhanden kosten zijn, doch dat de modus acquitendi, en de daarop gevolgde possessie van ruim driemaal de tijdsperiode die bij de wetten tas het verwerven van een deugdzaam bezitrecht. bepaald was, dezelve onnoodig maakten. Dat de frivoliteit van deeze voor„ „wendzels ook noch klaar bleek aan de ovrige eischen teegen Lrevan koor, die vrij wigtiger waaren 497 D Engelschen willen zich met den oorlog over kranganoor niet bemoeier waaren en tevens op feiten zagen, die lange exsteerden, voor dat het jongste traktaat tusschen de Engelsche Kompanie en Tipoe geslooten werd en dus ook door hetzelve, waarin Trevankoor met naame begreepen was, finaal waaren afgedaan en protestatsie §: 157. Waarbij wij ten overvloede noch de protestatsie voegden. Dat wij deeze elucidaatsie alleen uit beleefdheid mede deelden, zonder daardoor tot examinaatsie of taxaatsie van onze rechten in dit of eenig ander toekomend geval voet te geeven. Al het welk Uwe Hoogedelheeden des gelievende nader beschouwen kunnen bij de afschriften van deeze brieven, onder de bijlagen al mede overgaande. §. 158: Uit het tot nu toe geavanceerde blijkt dus klaar, dat de koning van Trevankoor, indien Kranganoor van den Nabab aangetast werd, van de Engelschen geene hulpe te wachten had, en dit werd nader bevestigd door den Resident Pow neij voornt., en door den kom¬ =mandant van de twee Battaljons Engelsche Sipahis te Paroe liggende, knox gen:t, die hier over door mij gepolst zijnde rondborstig verklaar den en de a„ 13 de gevolgen daar van 5 159 ten onzen opzichte worden nader betoogd den, van hunne Regeering uit¬ druklijke order bekoomen te hebben, zich met Aikotte en kranganoor in 't geheel niet te bemoeien, en den koning van Trevankoor niet te hulpe te koomen, zoo lange higj niet in zijn eigen land aangetast werd. Op deeze wijze zagen wij, die, na de overgave van kranganoor en Hikotte, ons met de hoop van eene geruste inwooning volgens S: 116. gevlijd hadden, door het onbegrijplyk gedrag der Engelschen, die hunnen Bord„ „genoat, den koning van Trevankoor, in 't geheel abandonneeren wilden, ons eensloefs op het nieuw aan het eminente gevaar bloot gesteld, het„ geen wij door even gemelden af= stand gehoopt hadden afgewendt te hebben. 5: 160: Want, of schoon de koning zeder de Acquisietsie van Kranganoor, voor het fort een sterk retranchement had laaten opwerpen, waaraan eenige duizend menschen maanden lang gearbeidt hadden, onder de directsie en het opzicht van onzen Ingeni= eur van Krause, dien ik daartoe op s. konings verzoek geleend had, welk ret renchement van eene gragt van sestig voet breed en tien voet diep, en 13; 498 verdeediging. en met ruime wapen plaatsen en eene sterke pallissadeering verzien was, en van de Engelsche Officiers zeer gepreezen werd: zoo kost men doch van zijne troepen, die in den oorlog onbedreeven waaren, niet ver„ „wachten, dat zij alleen, en zonder den bijstand van de Engelschen, aan de groote overmacht van den Ntabab het hoofd zouden bieden, en daar om stelden niet alleen wij, maar ook de kundigste Engelsche Officiers te Paroe vast, dat kranganoor en Aikotte door denzelven, binnen korten tijd, en met weinig moeite zouden overweldigd worden. en hij dus, langs eenen maklijken weg, tot in het hart van het KoelSiemsche Rijk zoude indringen, zonder het oude grond gebiedt van Trevankoor te betreeden, waarvan de zoo onvermijdelijke als ver„ „dertlijke gevolgen bij mijnen voorigen van den 30e. Augs. P. 19: zoo duidelijk en omstandig zijn aangetoond, dat ik mij om in geene herhaaling te vervallen, daaraan in eerbied gedraage. besluiten tot §: 161. En vermits uit de voormelde brieven van Tipoe Siellan en uit zijne groote toerussingen klaar bleek, dat hij voor neemens

← previousnext →