Inventory 3876
Coromandel · 984 pages · 135 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
9 November 1740. the ship Horssen, and what is more, the minutes signed in the meeting since the day that I had the honour of attending it; all these documents bear witness to this, not to speak of the assumption of authority on 25 October, and the care for the entire administration, which then fell upon me. I do not mention this in order, as it were, to boast about what I have already accomplished in that time, but to bring back to Your Honours' memory what I declared on 30 September concerning the time that would be required, I now add not for a single person, but even if it had been with the help of the entire assembly, to examine attentively and consider carefully the multitude of papers that constitute the case of the merchant van Bijland, and furthermore to which documents I had actually confined myself in declaring that the arrest granted by a political Council resolution on the person 84 9 November 1790. on the person of the aforementioned van Byland had to be held as informal, invalid, of no value, and which path one ought to have taken if one considered oneself justified in granting bodily apprehension of a fellow member of the assembly; that for this purpose the legal course should have been taken, and the proceedings conducted quite differently than appeared to me to have occurred through the Fiscal office by virtue of the action demanded of it against van Bijland and his servant. Since then, or after the first of this month when van Bijland arrived here in the evening, and after the aforementioned request was presented to me on his behalf on the morning of the 3rd following, I have, amidst a multitude of other business, especially the replies to the factories on letters since the month of June, examined the matters in question somewhat more closely, and considered them with deep 9 November 1790. with deep attention; in particular the contents of the separate resolutions of this assembly from 10 December 1789 to 14 April 1790, along with all such papers as are related thereto and were handed to me, as containing everything that occurred and was transacted in that time, or before my arrival, with relation to this vexing affair. In general, without however yet justifying or condemning anyone's conduct, for the time for that is not yet ripe, I must confess that van Bijland has not been treated as one ought to treat someone to whom one assigns and entrusts so distinguished a post as the chief leadership of Jaggernaijkpoeram, he being at the same time a member of the assembly, as can clearly be proven from the resolutions themselves. I will now take that which the resolution of 10 December 1789 contains in no other sense here 85 9 November 1790. here than to point out that what occurred and was recorded in that meeting, as well as what happened beforehand concerning the disputed objections to the general resolutions of September, had already caused bad blood and consequently resulted in van Bijland's opinions, good or bad, never being viewed except from the most unfavourable side. One need therefore now only consider what the resolutions of 17 February and 12 March of this year contain in his regard. In that of 17 February one finds inserted several documents, just as they were received from the parties on both sides in Jaggernaijkpoeram, in which the one accuses the other of very notable and no less weighty matters. The then acting chiefs, van Halm and Van Someren, maintained in 9 November 1790. in their representation that through the proposals of van Bijland, the whole of Jaggernaikpoeram will be ruined; and van Bijland, on the contrary, demonstrates that the most irresponsible conduct is taking place on the part of van Halm and van Someren; that these men, notwithstanding the order given from here to that effect, not only refuse to make the transfer to him, but withhold the authority that he believes belongs to him, and that he ought to exercise, in order to get the transfer carried out in such manner as he desired; namely after a preceding union of the group of Mazulipatnam merchants with those of Jaggernaijkpoeram, in order thereby to obtain greater security for collecting the outstanding arrears already existing, and to make the new contract for the year 1790 with greater security in that regard; the aforementioned 86 9 November 1740. the aforementioned van Halm and van Someren accusing him, van Bijland, of being the cause, because of this desire of his, that the accounts could not be closed, as there arose from this a division even among the aforementioned merchants, of whom the Mazulipatnam ones took the side of the aforementioned two chiefs, and the Jaggernaykpoeram ones that of van Bijland as the new chief. The chief of Sadras, Mr Simons, consulted hereupon, see resolution of 17 February, considers in his advisory opinion, inserted into the resolution of the 27th of the same month, "the accusations of the outgoing and incoming chiefs to be equally strong against one another, and to be of such a nature that one cannot pass a proper judgment thereon, calling the conduct of van Bijland despotic." Upon His Honour's advice the commission to
Dutch transcription
Den 9. November 1740. het schip Horssen, wat nog meer is de in vergadering geteekende Notulen zedert den dag, dat ik de eere gehad heb die bij te woonen; alle deeze stukken dragen hier van getuigenis, om niet te spreeken van het overneemen van het gezach op den 25. october, en de zorg voor de gansche Huishouding, welke toen op mij gekomen is. Ik hael dit niet aan„ om, als het ware te pogchen op het geen ik reets in die tijd hebbe verricht, maar om uw„ Edelens weder in geheugen te brengen het geen ik den 30. September declareerde aangaande den tijd, die er nodig zoude zijn, ik voege er nu bij niet voor een enkel perzoon maar al ware het geweest met behulp van de gansche ver„ gadering, om de menigte papieren, die het geval met den koopman van Bijland uijtmaaken, aandachtig na te gaan, en nau„ keurig te overweegen, voorts aan welke stukken ik mij eigenlijk bepaeld had om te verklaeren, dat het arrest door een politek Raads besluijt, op. 84 Den 9'. November 1790. op de persoon van gemelde van Byland ver„ leend, moest worden gehouden als informeel, Krachteloos, van Onwaarde en welke weg men had behooren in te slaan, in dien vn har be in te Alan indien men zich gefun„ deert reekende van Corporeele apprehensie, op een meede Lid van de vergadering te verleenen; dat daar toe den weg van Rechten had moeten ingeslagen, en gansch anders geageert zijn ge„ worden, als mij toen is gebleeken, door het officie Fiscael, uit krachte van de hem gedeman„ deerde actie tegen van Bijland, en zijn dienaar, geschiet te zijn. — Zeedert dan, ofte na primo deezer dat van Bijland 's avonds hier is gearriveert, en na dat den 3„e daar aan 's morgens zijnent weegen aan mij gepresenteerd is, het voorzeide Request, hebbe ik onder de meenigte van andere beezigheeden, in zonderheijd de Rescriptien naar de factorijen op brieven zeedert de maand Iunij, de zaaken in questi wat nader ingezien; en met diepe. Den 9. November 1790. — diepe aandacht overwogen; inzonderheit den inhoud der aparte Resolutien deezer vergadering Zeedert 10. Xber: 1789. tot 14. april 1790. met alle zodanige papieren als daar toe betrekkelijk en mij ter hand gesteld zijn, als te behelzen al het geen in die tijd, ofte voor mijn aankomst met relatie tot deeze facheuse affaire gebeurt, en daar bij verhandelt is Over het algemeen, zonder echter iemands gedrag voor als noch te Iustificeeren, of te Condemneeren, want daar toe is de tijd noch niet gebooren, moet ik bekennen, dat van Bijland niet behandelt is, zoo als men had behooren te doen met iemand, eene zoo aanzienelijke post als de opperhoofdij van Iaggernaijkpoeram hem opdragende, en aan betrouwende, tevens Lid zijnde van de vergadering, gelijk dat door de Resolutien zelve klaarlijk is te bewijzen. — Ik zal het geen de Resolutie van 10. december 1789. Vervat nu in geen andere zin hier 85 Den 9' November 1790. hier neemen dan om te doen opmerken, dat het gepasseerde en genoteerde in die vergadering, item het geen over de bewuste bedenkingen bij de gemeene Resolutien van September, voor af, is voorgevallen, bereets quaat bloet gezet, en gevol„ gelijk te weege gebracht heeft dat van Bij„ lands gevoelens, goed of quaad, nimmen van de nadeeligste zijde zijn beschouwd geworden. Men hebbe daarom nu maar eens te overwegen wat de resolutien van 17. febru¬ arij en 12. Maart deezes Iaars ten zijnen op zichte behelsen. - Bij die van 17. februarij vind men ge„ insereert verscheijde stukken, zoo als ze van partijen over en weder van Jagger„ naijkpoeram zijn ontvangen, waar bij de eene den anderen beschuldigt van zeer aanmerkelijke en niet min gewichtige zaa„ ken De toen fungeerende opperhoofden van Halm, en Van Someren beweerden bij Den 9'. November 1790. bij Haer vertoog, dat door de Concepten van Van Bijland, gansch Jaggernaik poe„ ram zal te gronde gaen; en van Bijland, daar en teegen, vertoond dat 'er een aller on„ verantwoordelijkst gedrag door van Halm en van Someren plaats heeft; dat deeze, onaangezien de daar toe, van hier gegeevene or„ dre, hem niet alleen weigeren Transport te doen, maar onthouden het gezach dat hij vermeent hem toetekomen, en te moeten oeffenen, ten einde het Transport gedaan te krijgen indier voege, als hij het begeerde; te weeten na eene voor afgaande vereeniging van de ploeg Mazulipatnamsche koop„ lieden met die van Jaggernaijkpoe„ ram, om daar door meerder zeeker„ heijd te erlangen ter inpalming van de reets Exteerende Agterstallen, en met meerder Securiteit daar omtrent, voor het toekomende, de nieuwe aanbesteeding te doen voor het Iaar 1790. ; beschuldigende voorm: 86 Den 9 ' November 1740. Voorm: van Halm en van Someren, hem van Bijland, om deeze zijne be„ geerte, oorzaak te zijn dat de afreekenin„ gen niet hadden kunnen worden gesloo„ ten als zijnde daar uijt ontstaan eene ver„ deeltheijd zelf tusschen de gemelde kooplie„ den, waar van de Mazulipatnamsche de zijde der gemelde beide opperhoofden, en de Jaggernaykpoeramsche die van van Bijland als het nieuwe opperhoofd hielden Het opperhoofd van Sadras de heer Simons hier op, vide Resolutie van 17. februarij geraad pleegt, beschout bij zijn advies, geinsereert ter Resolutie van 27. e Gusdem, " De beschuldigingen van de af„ „gaande en aankomende opperhoofden even „ sterk tegen elkanderen, en van dien aart „ te zijn dat men geen Iuist oordeel daar „ over vellen kan, noemende het gedrag „ van van Bijland dispotiek. — Op zijn E=s Advies word de Commissie naar
English
The 9th of November 1790. decided and determined regarding Jaggernaikpoeram, in such manner as is found described in detail in the aforementioned Resolution of 27 February, and an Instruction Memorandum inserted therein. In the letters from van Byland, reference is made to several annexes that have not been inserted, which ought to have been done nonetheless, the more so because all documents serving for their defense from the other party have been incorporated therein, which will always appear suspicious. On the 12th of March, the meeting deliberates upon a letter from the repeatedly mentioned van Bijland dated primo March, and two from Van Halm and van Someren under 27 February and primo March, without the same having been inserted in the resolution or verbalized in substance. In the Resolution of 12 March, mention is also made of two other letters from van Bijland dated 17 and 6 February. According to 87 The 9th of November 1790. According to what is recorded in the Resolution, containing the vilest and most slanderous accusations against the former Commander Tadama and the entire assembly concerning the Resolution of 17 February, with a Protest against it. All these letters, as well as other writings, ought to have been inserted verbatim into the Resolution; for, since only copies of all letters are sent to Batavia, as it is to be hoped has been properly done with these, or shall yet happen, how shall the Lords and Masters, receiving only the Resolutions with what is principally treated therein, judge concerning that which is found described briefly and abstractly in all of them. Furthermore, the repeatedly mentioned van Bijland is said to have withdrawn, from that moment on, all obedience and respect that he owes to a Governor; declaring, according to his letter of the 2nd of March, no longer to feel any respect The 9th of November 1790. for Mr. Tadama. Added to this are several other insulting expressions by the repeatedly mentioned Honorable van Byland against the Commander Tadama and the entire assembly, such as: That Mr. Tadama was alleged to have been bribed for 10000 Rupees, which were offered if van Bijland could be removed from his post. That he considers the entire assembly to be corrupt, absurd, and not worthy to manage the Company's interests. Furthermore: That, according to communication from the Chiefs, van Bijland, through his servant at Daetcherom, had taken into service some armed Moorish Peons, of whom 15 had already arrived, and who were yet to be followed by 10 to 14, so that he had 25 armed men in service, which roughly agreed with 88 The 9th of November 1790. his own report, as according to his writing he limited the number to 10 men. That, as the Chiefs van Halm and van Someren further stated, through this impermissible conduct, a great fear had arisen there among the inhabitants, because the expedition is kept very secret. That van Bijland had forced the Masulipatnam merchants by violence to sign a contract of union with the Jaggernaijkpoeram merchants, whereby the first-mentioned had left the place and retreated to Sapparom, while he was neither qualified to execute that affair, nor had lawfully obtained the authority. Finally: That he sought to maintain this punishable conduct with The 9th of November 1790. violence of armed men, as it seemed. Whereupon follows this most emphatic and no less serious remark of the assembly: "How, through the concurrence of all these unheard-of, impermissible, and rebellious acts, the affairs at Jaggernaijkpoeram had been brought to a dangerous extreme by van Bijland, so that it required the highest necessity that, for the preservation of the factory and the true interest of the Honorable Company, this be promptly and efficaciously provided for. That, since van Bijland had not hesitated to disregard the order contained in the letter of this Council dated 17 February, and had continued in a disobedient manner to meddle with affairs concerning the native merchants, and to protest against the lawfully taken decision of this Council, as well as, setting aside 89 The 9th of November 1790. all divine and worldly laws, had released himself from the Oath of Loyalty and obedience owed to his lawful ruler, whereby he had made himself guilty of rebellion and thus had to be considered a disturber of the public peace, the more so because he had sought to support this damnable conduct of his by hiring foreign armed men." And why on the aforementioned day, or the 12th of March 1790, it was approved and resolved: To write to the commissioners at Jaggernaykpoeram to proceed thither directly, and upon the arrival of either of them, according to the previous decision of 17 February, to demand the authority from the present Chiefs van Halm and van Someren, as well as, after obtaining the same, to arrest the merchant van Byland directly, item the access of
Dutch transcription
Den 9' November 1790. naar Jaggernaikpoeram beslooten, en vast gestelt, in diervoege, als ze bij voor zeide Resolutie van 27. februarij, en een daar bij geinsereerde Memorie Instructif omstandig word beschreeven gevonden. — Bij de brieven van van Byland word gerefereert tot verscheijde Bylagen, die niet geinsereert zijn geworden, het geen echter had behooren te geschieden, te meer om dat, van de andere partij, alle stukken ter harer verdee„ diging dienende, daar bij ingelijft zijn, dat al„ thoos speculatief zal voor komen. — Op den 12. Maart delibereert de vergadering over Een brief van Meermelde van Bijland de dato prima Maart, en twee van Van Halm en van Someren sub 27. februarij, en primo Maart zonder dat dezelve bij resolutie gein„ sereert of in substantie geverbaliseert zijn Bij de Resolutie van 12. Maart word ook noch gesprooken van twee andere brieven van van Bijland de dato 17. en 6. februarij Volgens. 87 Den 9. November 1790. Volgens het ter neder gestelde bij Resolutie, Continee„ rende de Vuilaardigste en Lasterlijkste accusatien tegen den Heer geweezen gezachhebber Tadama en de gansche vergadering over de Resolutie van 17. e februarij met een Protest daar tegen. — Alle deeze brieven hadden zoo wel als ande¬ re geschriften, bij Resolutie, woordelijk geinse„ reert dienen te zijn, want, daar naar Batavia enkel Copij van alle Brieven worden verzonden, gelijk het te hoopen is, dat met deeze richtig ge„ schied mag zijn, of noch zal geschieden, hoe zullen de Heeren en Meester, de Resolutien maar alleen ontvangende, met het geen hoofd zaakelijk daar uit verhandelt word oordeelen over het geen in alle dezelve, kort en afgetrok„ ken, beschreeven word gevonden. Voorts zou meermelde van Bijland zich van dat oogenblik af, hebben ontrokken alle gehoorzaamheijd, en respect, die hij een Goe„ verneur schuldig is; declareerende volgens zijn brief van den 2„e Maart geen achting Meer. Den 9' November 1790. meer voor den Heer Tadama te gevoelen. Hier bij komen noch verscheide andere ledeerende uijtdrukkingen van meerm: E: van Byland tegen de heer gezachhebber Tadama„ en de geheele vergadering, als daar zijn Dat de Heer Sadama voor 10000. Ro„ „ pias zou omgekogt zijn, en die aangeboden „waren, indien van Bijland uijt zijn „ post kan geligt worden. — Dat hij de geheele vergadering houd voor „ gecorrumpeert, absurt, niet waardig „ sComp:s belangens te beheeren Voorts Dat, volgens Communicatie der opper„ „ hoofden, van Bijland, door zijn dienaar „ te daetcherom, eenige gewapende Moor„ „ sche Pions in dienst had genomen, waar „ van er bereets 15. gearriveert waaren; en „ welke noch door 10. â: 14. stonden te vol„ „gen, zoo dat Hij 25. gewapende koppen „ in dienst had, gelijk ten naasten bij met zijn 88 Den 9' November 1790. „zijn eige bericht over een stemde, als volgens „ zijn schrijven, het getal tot 10. koppen be „paalende „ Dat, gelijk de opperhoofden van Halm, „ en van Someren verder zeiden; door „ deeze ongepermitteerde Handelwijze, en een „ groote vrees aldaar onstaan was onder de „ ingezeetenen, wijl de Expeditie zeer Secreet „ word gehouden. „ Dat van Bijland de Mazulipatnam„ „sche kooplieden door geweld had gedwon„ „gen tot de onderteekening van een Con„ „tract van verEeniging met de Iagger„ „ naijkpoeramsche kooplieden, waar „ door de Eerstgemelde de plaats verlaaten „ hadden, en naar Sapparom geweeken „waaren, terwijl hij, tot het verrigten van „ die affaire nog gequalificeert was, noch „ wettig het gezach verkreegen had Eindelijk „ Dat hij dit strafwaardig gedoente met Den 9'. November 1790. met geweld van gewapend volk (:zoo het „ scheen. / zocht te Maintineeren Waar op dan volgt deeze alzints nadrukke„ lyke niet min bedenkelijke aanmerking van de vergadering: " Hoe door den Samenloop van alle „ deeze ongehoorde, ongepermitteerde en opvoerige „ daeden, de zaeken op Iaggernaijk poeram „ tot een gevaarlijk uijtterste, door van Bij„ „land gebracht waaren, dat het de hoogste „ noodzaakelykheit verEeischte om, tot behoud „ der factorij, en het waar belang der E: Maet„ „schappij, hier in spoedig, en officarieus „ werde voor zien Dat, nadien van Bijland zich niet „ had ontzien de ordre vervat bij brief dee„ „zes Raads de dato 17. februarij te verachten „ en op eene dis obediente wijze zich had „ blyven bemoeijen met zaaken de Inland „sche kooplieden betreffende, en te pro„ „ testeeren teegen het wettig genomen be„ „sluit deezes Raeds, mitsgaders met post„ positie 89 Den 9' November 1790. „ positie van alle goddelijke en wereldlijke „ wetten, zich zelve heeft ontslagen van „den Eed van Trouwe en gehoorzaam„ „ heijd zijnen wettigen gebieder schuldig, „ waar door hij zich had Culpabel gemaakt „ aan opvoer en dus als een verstoor der der „ gemeene Rust moest worden geconsidereert, „ te meer hij deeze zyne doemwaardige han„ „delwijze door het in huuren van vreemd „gewapend volk had zoeken te souteneeren. En waar om ten dage voorsz: ofte den 12.' Maart 1790. is goedgevonden, en beslooten. — „ De gecommitteerden te Jaggernaykpoeram „ aanteschrijven, om zich direct derwaarts „ te begeeven, en bij aankomst van een van „ hun beiden, volgens voorig besluijt van 17.' „ februarij, het gezach van de presente opper„ „ hoofden van Halm, en van Someren „ op te eisschen, mitsgaders na verkrijging „ van het zelve den koopman van Byland „direct te arresteeren, Ilem den toegang van
English
9 November 1790. to prevent all kinds of people from seeing him, except for one or two slaves to attend him, and also to take care that he does not conceal any of his goods or papers, yet granting him all proper assistance to obtain all the evidence that he might need to substantiate his accusations, and to hear the persons whom he might require for that purpose in the presence of their commissioners; furthermore, also to send his servant Wengadassalam Poele, as the recruiter of the aforementioned armed peons, hither under arrest, under escort of three or four trusted peons. And this notwithstanding that the council on the same day disapproves of the conduct of the harsh proceedings of the chiefs Van Halm and Van Someren against the Jaggernaykpoeram merchants by forcing them, under arrest, to sign their accounts 90 9 November 1790. to sign, etc., about which those people bitterly complain in their petition dated 28 February of this year, although I find it nowhere inserted as evidence thereof, which ought nevertheless to have been done, notwithstanding the authority to release them immediately from their arrest, to set them at liberty, and to hear what they had to present regarding their interests; but as for Van Bijland, according to the resolution of 3 April, the commissioners at Jaggernaijkpoeram were further ordered to adhere strictly to the order of this Council given on 12 March, namely, "to place him, Van Bijland, under arrest, to prevent all access by people, except for one or two slaves for his attendance"; and this because the commissioners had permitted Van Bijland to take a short walk in the village now and then, which was taken extremely amiss of the commissioners. May 9 November 1790. May I now ask: does this agree with that attentiveness and calm with which the council says it considered the matters in dispute on 12 March? Can sound reason approve releasing from arrest persons whom one declares to be substantial debtors to the Company and unwilling not only to pay, but even to settle or sign accounts, if nothing else lies behind this, and placing the frequently mentioned Van Bijland, who as chosen chief was required if necessary to act against them, and certainly to care for the Company's interest, into such close, in fact criminal, arrest? That release is excused by their bitter complaints, but apart from what Van Bijland cites of it, I have found no mention of it in the entire resolution book. I admit it is contrary to propriety, and above all to oath and duty, to dishonor and insult the authorities. But 91 9 November 1790. if the authorities injure a member of their own body, do they not violate their own honor and dignity? Van Bijland was not only a member of the council, but was chosen and appointed provisionally by the same as chief of Jaggernaijkpoeram. He was therefore chosen and sent by it to act in its name and on its behalf, and what is more, for the Company and for its interests; thus to help liquidate the office through his advice and counsel, and then to take it over from the dismissed chief. Now this directly caused his difficulties. Van Byland desires novelties; Van Bijland, in a word, is viewed only from the worst side. It is true that the previous chiefs are suspended from their duties, but the truth of the various accusations by Van Bijland is nevertheless doubted. None of his statements are considered in his favor in the resolution of 12 March; everything amounts to this: that he is a disturber of the public peace, a rioter, a breaker of law and oath, and for this reason he is placed under arrest. It is therefore nothing other than grievances against Van Bijland that the repeatedly mentioned resolution of 12 March presents. But if one goes back a little, namely to 17 February, about the resolution of which date he complains and against which he protested, and if one carefully examines the substance of the letters written by him to Mr. Tadama separately and to His Honour and the Council under 3 and 6 February, and inserted in the resolution, then one finds the key to the insults that led the council to a disposition that does not belong to the political sphere. Thus he begins with the introduction to his letter 92 9 November 1790 letter of the first-mentioned date, namely that written separately to Mr. Tadama: "It is now more than five weeks since I arrived here at Jaggernaijkpoeram, and that still without the slightest prospect of a transfer, caused by the disorderly and unheard-of conduct of Mr. Van Halm, who even while the papers are being prepared will not hand over authority. Thus I see no end to this labyrinth, the more so because the most tyrannical rule is exercised over the Company's merchants, both regarding the payments of the so-called costumados for him and others who have drawn from it, and with which they now seek to burden the merchants' account to the prejudice of the Honourable Company; and when I had the Jaggernaykpoeram merchants come to me to ask them whether that account which Mr. Van Halm had handed over to me was consistent with the
Dutch transcription
Den 9'. November 1790. „ van allerleij soort van menschen te beletten, „ uijtgenomen een â: twee slaeven tot zijne „ oppassing mitsgaders zorge te dragen, dat hij „ geene van zijne goederen of Papieren komt „ te verduisteren, echter hem, tot inwinning „ van alle de bewijzen, die hij mocht nodig hebben tot goedmaking zijner beschuldigin„ „ gen alle gepaste assistencie te bewijzen, en de „geeve, die Hij daar toe mocht requireeren, ten „ bij zijn van Hun gecommitteerden te hooren „ voorts, om ook zijn dienaar wengadassalam „Poele als de werver van voorsz: gewapen„ „ de Pions, onder Escorte van drie â „ vier vertroude pions, in arrest, her„ „waarts te zenden. — Ende dit niet tegenstaande de vergadering ten zelven dage afkeurt het gedrag der strenge procedures der opperhoofden van Halm, en van Someren tegen de Iaggernayk„ poeramsche kooplieden door hen, bij ar„ rest, te dwingen hunne afreekeningen te teekenen 90 Den 9'. November 1790. teekenen ensz:, waar over die lieden bij haar Adres de dato 28. e februarij deezes Jaars zig bitterlijk beklaagen, schoon ik het nergens als een bewijs van dien, geinsereert vinde, dat echter behoorde, ongeacht de qualificatie om ze direct uyt hun arrest te ontslaan, op vrije voeten te stellen en hun te hooren, wat zij nopens hunne be„ langen hadden intebrengen; daan wat van Bij„ land betreft, volgens besluijt van den 3. April, den gecommitteerden te Iaggernaijk poeram na„ der zijn gelast zich stipt te houden aan het gegeeven bevel dezes Raeds van den 12. Maart namelijk, "Hlem van Bijland in arrest te „ neemen, allen toegang van menschen te „ beletten, uijtgezondert Een â twee slaven „ ter zijner oppassing: Ende zulx om dat den gecommitteerden van Bijland hadden toegelaten om nu en dan een kleene wan„ deling in het dorp te doen dat den gecom„ mitteerden, als ten uitersten qualijk gedaan is afgenomen. Mag. Den 9. November 1790. Mag ik nu wel vraagen komt dit over een met die aandacht en bedaartheijd, waar meede de vergadering, zegt, op den 12. Maart de zaaken in verschil te hebben overwogen. kan de gezonde reeden wel goed keuren dat luiden die men op geeft aanzienelijke debiteuren van de Compagnie en onwillig te zijn niet alleen om te betaalen, maar afreekening te doen of te tekenen, zoo hier niet iets anders agter schuilt, uijt ar„ rest te doen ontslaan, en veelm: van Bijland, die als geeligeert opperhoofd des noods tegen hen ageeren, immers voor 's Comp:s belang zorgen moest, in een zoo nau, in der daed Crimineel arrest te stellen. Men pallieert dat ontslag met hunne bittere klachten, maar buijten het geen van Bijland daar van aanhaalt, hebbe ik er in het geheele Resolutie boek geen munitie van gevonden. — Ik beken het strijd met de betamelijkheijt en voor al met Eed en plicht, de overig heit te onteeren, en te insulteeren: Maar Zoo 91 Den 9' November 1790. zoo de overigheit een lid van Haer eige Lichaam ledeert, schend ze dan niet Haer eijge Eer en Achtbaarheit van Bijland was niet alleen lid van de vergadering, maar door dezelve g'eëligeert en aange„ stelt p:l tot opperhoofd van Jagger„ naijkpoeram: Hij was dus door haar verkooren, en afgezonden, om in Haere naame, en Haerentweegen, wat meer is voor de Comp: voor haare belangen te ageeren, dus het kantoor door zijn advies en Raed te helpen Liquideeren, en dan het zelve van het ontslagene opperhoofd over teneemen. — Dit nu had directelijk zijn zwaarig„ heeden van Byland begeert nieuwig„ heeden van Bijland, in een woord, word van de ergste zijde alleen beschout. Men stelt, het is waar, de voorige opperhoofden buiten functie maar men twijffelt niet te min aan de waarheijd der onderscheidene beschul - Den 9'. November 1790 beschuldigingen door van Bijland. Geene van zijne opgaven worden bij de Resolutie van 12 Maart in zijn faveur overwogen; alles loopt daar op uit dat hij is een verstoorder der gemeene Rust, een oproermaeker, een wet en Eed schen„ der, en hier om zet men hem in arrest. — Het zijn dus niet anders, dan bezwaaren te„ gen van Bijland, die de meerm: Resolutie van 12. Maert opleeveren. Maar gaat men eens wat te rug ofte tot 17. februarij over het besluit van welken datum hij zich beklaegt, waar teegen hij heeft geprotesteert, en men ziet eens met aandacht in, het zaekelijke der brieven welke door hem aan den Heer Tadama afzonderlijk en aan zijn Edele en den Raad onder den 3. en 6. februarij geschreeven, mitsgaders bij de Resolutie geinsereert zijn, dan vind men de Sleutel der beleedigingen, welke de vergadering gebracht hebben tot een dispositie niet behooren„ de tot het politieke. — Aldus begind hij met de inleiding zijner brief 92 Den 9' November 1790 brief van Eerstgemelde datum, ofte die aan den Heer Tadama apart geschreeven: „ Het is nu ruijm vijf weeken dat ik hier op „ Jaggernaijkpoeram gearriveerd ben, en dat „ nog met geene de minste vooruit zigt van „ Een Transport, veroorsaakt door het slorsige „ en ongehoorde gedrag van den Heer van Halm „ die selfs intusschen dat de papieren klaar ge„ „maakt worden het gezag niet wil overgeeven. zoo zien ik geen eijnde aan deezen dwaalhoff „ „ te meer dat de tiranicqste Regeering over „ sComp:s Cooplieden geexcerceerd word, soo tot „ de afbetalingen der soo genaamde Costu„ „ mados voor hem en andere die daar van „ getrokken hebben, en met welke men „ thans soekt de Cooplieden 's Reekening „ te beswaaren ten prejudicie van D' E: Comp:e „ en wanneer ik de Iagger naykpoeram„ „sche Cooplieden bij mij liet komen om „ hun afte vraagen of die Reekening, die de „ heer Van Halm my overgegeeven had met de.
English
The 9th of November 1790 was conformable to theirs, namely for 3122. 3. /8. Whereupon they answered that the gentlemen had paid themselves out of that, but actually were only indebted between 7 to 800 pagodas, which they were prepared to count out in cash. Having found all this to be so, and having found the guarantors and merchants all to be men of means more in appearance than in reality, I was at my wit's end. What else was there to do in this matter than to consult wiser, experienced judges regarding Jaggernaijkpoeram, where I found by a letter from the late Mr. Blaaukamer that the objective of the chiefs must always tend toward bringing about, at fitting times and opportunities, the union of these two teams of merchants into one, in order to be able to compensate the damages and losses on the coarse linens with the profits that the Mazulipatnam merchants of the fine goods achieve. 93 The 9th of November 1790 Therefore, I proposed to those merchants to count out their debts in cash, or else to bring the two teams into one, to carry out the contracting for the whole entirely, and likewise the provisioning; this I brought so fortunately and desirably to a proper conclusion, but alas! The jealousy of Mr. van Halm stirred up those Mazulipatnam merchants again, these being the favorites and the faction of Triwengalam, and who on that account have been so favored that they have three times more debts than the Jaggernaijkpoeram merchants, who have been oppressed to such an extent, as can be seen in the provisioning, and where the partiality shines through so clearly as the sun, what will those poor people say. They dread coming to me, seeing that I am not placed in authority, and have also finally declared that I want nothing to do with that brewing and mess, but that I will take over everything according to the conclusion of August 1789, on the condition that those two teams are brought into one, and that in case there were one, two, or three who did not seem inclined to that, they can then pay their share in cash and obtain their discharge. But that personality, setting it aside, I will deal with on the Company's behalf, while currently my request is solely to be maintained in my authority here, and that Your Right Honorable Sir may be pleased to order that I am de facto placed in my post, without being obligated to enter into any contracts against the Company's interests, contrary to all rights, and tending to the ruin of the Jaggernaijkpoeram merchants, and to the oppression of the inhabitants. After which the postscript continues: At the closing of this, I am informed that Mr. van Halm summoned the Mazulipatnam merchants to him, and had them pass a paper in Gentoo that they had indeed spoken with me, but had not concluded to bring the two teams into one, and that when they, the merchants, had come away from me, they had betaken themselves to Mr. van Halm to ask for advice, who reportedly gave them as an answer, I do not meddle in that affair; this was read with witnesses, although at his own house, but those witnesses did not want to sign; subsequently Mr. van Halm declared that as long as he should be in this place, he would never permit that union, whereas three days previously it was a very good and advisable matter, indeed even a great security. After this was already concluded, the Jaggernaijkpoeram merchants came to me, complaining and seeking justice that Mr. van Halm and van Someren together had sought to compel them to sign the Company's account, to which they objected, saying they were quite willing to sign if first the private debt was deducted from the Company's debt. Meanwhile, while this occurred, I sent to request the Mazulipatnam merchants to come to me, according to promise today, to sign whether they would unite the two teams, yes or no, as appears from this accompanying Gentoo contract. These and more reasons for complaints are found, as stated, in the letter of Mr. Tadama. In the letter to the Council, the appointed chief van Byland expresses himself thus: Regarding the detailed account of all that occurred during my stay here, I refer briefly to that private letter of the 3rd of this month written to the Right Honorable Mr. Tadama, requesting that it may serve in the assembly with the correspondence between van Halm and me, and the Gentoo translation. Thus I continue the last part per postscript, when the Mazulipatnam merchants were guarded by Tirwengalam with armed men, to withdraw them from their lawful authority; that foreign, alien-dwelling scoundrel did not leave it at that, but declared that the new chief must spring from Jaggernaikpoeram, or else he from Kakinada, subsequently stirring up those Mazulipatnam merchants, and transported their people yesterday evening at 5 o'clock to Kakinada, and from there with his palanquin and doolies transported to Sappara, after first having submitted a most unfounded complaint in Gentoo to Messrs. van Halm and van Someren. This departure is a sham fight, since the Company's interests are not served thereby.
Dutch transcription
Den 9e. November 1790 „ de hunne Conform was, namentlijk per„ 3122. 3. /8. „ waar op sij antwoorden dat de heeren hun „selfs daar uijt betaald hadden, maar eij„ „gentlijk maar schuldig waaren tusschen „de 7. â 800. pagoden, die sij bereid waaren „ in Cas te tellen. — Dit alles soo bevonden hebbende, en de „ borgen en Cooplieden allen meer in schein, „ dan in der daad vermogende lieden gevon„ „den hebbe, zoo was ik radeloos. — Wat dan in deezen als alleen om wijzere, „ervaarene regter omtrend Jaggernaijkpoe„ ram te Consulteeren, daar vonde ik bij „ brieve van den /: Z:n / Heer Blaaukamer „ dat het doelwit der opperhoofden altijd moest „ strekken om te bewerken bij bequaame tijden „ en gelegendheeden deeze twee ploegen Coop„ „lieden tot een te brengen om de Schaadens „ en verliesen op de groffe Lijwaaten te kun„ „nen Compenseeren met de winsten, die de „ Mazulipatnamse Cooplieden der fijne goederen. 93 Den 9' November 1790 „ goederen behaalen Derhalven proponeerde ik aan die „ Cooplieden van haare Schulden in Cas te tel„ „len, dan wel de twee ploegen tot een te bren„ gen de aanbesteeding te doen over het geheel en „ al, zoo ook de verstrekking; dit bragte ik zoo „ geluckig en gewenscht tot een behoorlijke beslag, „ maar Helaas. ! de Jalvusie van de Heer „ van Halm rottende die Mazulipatnam„ „sche wederom op, dit zijnde lievelingen, „ en den aanhang van Triwengalam, en „ dewelke daar om soo gefavoriseerd sijn ge„ „ worden dat dezelve drie maal meer der schul„ „den hebben als de Jaggernaijkpoeramsche, „ die sodanig verdrukt sijn geworden, als te „zien is bij de verstrekking, en daar de partia„ „liteid zoo sonne klaar en door straald, wat „zullen die arme lieden seggen. zij schrikken „ om bij mij te komen, ziende dat ik niet in het „gebied gesteld en word, en ook finaal gedecla„ „reerd heb van met dat gebrouw en gemors niet Den 9e. November 1790 niet te doen te willen hebben, maar dat ik al„ „ „ les over zal neemen volgens 't slot van Augus„ „ tus 1789, onder die mits dat die twee ploegen „ tot een gebragt worden, en dat in val 'er Een, „ twee â drie waaren, die daar toe niet genee„ „gen scheenen, zij dan hun tantuin in Cas „ kunnen betaalen, en haare demissie bekomen Maar die personaliteit (:voor af te zien:/ „ zal ik Comp:s weegen verhandelen, terwijl tans „ mijn versoek alleen is van gemaintineerd te worden in mijn gezag hier, en dat uwel Edele „ „ gestr: geliefd te ordonneeren dat ik deffacto in „ mijn dienst gesteld word, sonder verpligt te „ zijn van in eenige Contracten te treeden tegens „ Comp:s belangens, strijdende met alle regten, e „ en strekkende tot ruine van de Jaggernayk p:le „ Cooplieden, en tot verdrukking der Ingeseetenen Waar na bij het P: S: vervolgt Bij het sluiten deezes word ik geinfor„ „meerd dat de Heer van Halm de Mazulip=le „ Cooplieden bij zig heeft laaten komen, en liet hun 94 Den 9' November 1790. „ hun in Ientiefse Een papier passeeren, dat „ sij mij wel gesprooken, maar niet geconcludeerd „ hadden om de twee ploegen tot een te brengen, „ en dat toen sij Cooplieden van mij afgekomen „waaren, zij zig vervoegd hadden bij de Heer „ van Halm om raad te vraagen, die hun tot antwoord zoude gegeeven hebben, Ik „ bemoeije mij met die zaak niet, dit wierd „ met getuijgen geleesen hoe wel aan zijne eij„ „ge huijs, maar die getuijgens wilden „ niet teekenen, vervolgens declareerde de heer „ van Halm, dat soolange hij op de plaats „ zoude zijn hij nimmer permitteeren „ souw die ver Eeniging, terwijl hij drie „ dagen bevoorens het een seer goede er raad„ „ saame zaak, Ia zelfs een groote securiteid waat Na dat deeze reets geslooten was zijn „ de Jaggernaijk p=le Cooplieden bij mij gekomen, klaagende en regt soekende dat de Heer „ van Halm, en van Someren gesa„ „mentlijk hun hadden soeken te dwingen tot. „ Den 9' November 1740. „ tot teekenen van 'sComp:s reekening, waar op sij difficulteerde zeggende wel te willen tee„ „kenen als eerst de particuliere Schuld van „ 'sComp:s schuld afgetrokken wierd. Intusschen dat dit voorviel liet ik de „ Mazulipatnamsche kooplieden verzoeken „ om bij mij te komen om volgens belofte heeden „ te tekenen of zij de twee ploegen ver Eenigen „ zoude Ia of neen blijkens dit nevens gaan„ „ de Ientiefs Contract Dit en meerder reedenen van klachten vind men als gezegt bij de brief van den Heer Tadama. Bij de brief aan den Raed drukt het geeli„ geert opperhoofd van Byland zich dus uijt Het omstandig Relaas van al het voor„ „ „gevallene geduurende mijn verblijt alhier, „refereere ik mij kortelijks aan die partiku„ „lieve brief van den 3. deezer aan den Wel„ „ Edelen Achtbaren Heer Tadama geschree„ „ven, verzoeke dat dezelve mag in vergadering „dienen met de Correspondentie tusschen van Halm. 95 Den 9. ' November. 1740. — „ Ham, en mij, en het Ientiefs Translaat. Dus vervolge ik het laatste bedeelde per post „ scribtum, wanneer de Mazulipatnam„ „sche Cooplieden door Tirwengalam met „gewapend volk bewaakt wierde, om hun „te ontrekken van hunne wettige overheid, „daar heeft het die vreemde uijtlands wooni„ „ge Fraiter niet bij gelaaten maar heeft „ gedeclareerd dat het nieuwe opperhoofd „ Springen moest van Jaggernaikpoeram, „ dan wel hij van Kakinada vervolgens „ die Mazulipatnamsche Cooplieden op„ „gerot, en hun lieden op gisteren avond om „ 5. uuren overgevoerd na Kakinara, en „ van daar met zijn palenquin en doelijs „ vervoerd na Sappara, na alvoorens een „ aller ongefundeerde klagtschrift in het „ Ientiefs aan de Heeren van Halm en „ van Someren laaten aan dienen. — Deeze uijtwijking is een Spiegel gevegt „ vermits Comp:s belangens daar bij niet betragt. „
English
The 9th of November 1740. is considered, the guarantor Triwengalam, the second mainspring of that entire machine, was still at six o'clock with the gentleman van Halm, and subsequently with the gentleman Ravallet, without the same being arrested. Also, those merchants only went to take some fresh air and took nothing with them, but quietly and peacefully left behind their wives and children and all that they have, without those houses being either sealed or secured. The merchants request of Your Honourable worships that the gentleman van Halm may continue in the post, and indeed why! Because the books are not ready, much less the transfer drawn up, and that the same can also never be finished, since the Jaggernaijkpoeram merchants have not wanted to sign, except solely for that which they alone owed to the Honourable Company, 96 The 9th of November 1790 Company, all ready and clearly to be seen in this accompanying Gentoo paper under No. 3. Those people, the signers of the aforementioned paper No. 3, have come to me and complain bitterly that they are being forced to sign. Those people rather had reason for evasion because of that harsh way of acting, but no, they undertake to pay their debt illico in cash; indeed, they even offer, with even more security than they have already given, to take care of the entire collection for the Honourable Company in due time in proportion to the cash and merchandise that would be furnished to them, so that from all of this clearly appears a frivolous evasion, without those people having been to me simply to answer whether they wanted to unite the two teams, yes or no, or rather to settle the arrears with the old chiefs, so The 9th of November 1790. as best they could. This was even found very acceptable by the gentlemen chiefs, as long as Triwengalam did not play a part in it. In order also to give Your Honourable worships convincing proofs of my calmness and compliance in this, without losing sight of the Company's interests, the personal welfare of the gentlemen chiefs, the common weal, right and justice, as well as the harmony among all, my proposal consisted of this, saying, Gentlemen chiefs, now five weeks without yet being in the administration, well then, let me be placed in authority according to the order of your Honourable, take over all the goods by inventory, and leave the messy concoction for investigation by two impartial persons, then the books can be transferred, the trade not remain obstructed, and the new contract be put into execution. I proposed for this Schliephaken 97 The 9th of November 1740. Schliephaken and Obdam, but no, no hearing; they wish to cast their foul conduct upon me, and think themselves clean. I requested further, to deal with their negligence, that I desired the taking of the cash, that I desired the balances which are not even given to me, neither of September, much less those of ultimo January. Having arrived up to here, I go back to the letter No. 1 of the 5th of February, wherein I am so inhumanly condemned by the severe chiefs without a hearing, and where they respected the orders of the Mazulipatnam merchants more than those of Your Honourable worships, by not wanting to hand over the authority to me. I replied to that under No. 5 and told the scribe to call a gathering or meeting immediately in order thus to deliberate The 9th of November 1790. upon what ought to be done to look after the interests of the Honourable Company. But once again no hearing, for the truth does not want to be told, and the gentleman van Halm pretexts illness, while he deliberated with his two advisers in the absence of Triwengelam, namely the gentlemen Ravallet and van Someren. I shall add here for further clarification No. 7, which is a summary as the debts of the merchants have been stated to me by the chiefs, namely pagodas 11732. 19 3/4, but for their excuse they did not mention that the account of the merchants has undergone this decrease by engaging me to accept on the new demand rags and rubbish with which they have filled up the warehouse, not even Company assortments, and that indeed for a sum of prp 4539. 21. 7/8, as: 1527 pieces 98 The 9th of November 1790. 1527 pieces sewn goods to an amount of Rr 3330. 8 7/8 360 pieces fine bleached Guinees ditto ditto 1209. 13 1/2 And above all this 23 bhaars of Japanese copper, which then would amount plus minus to a capital sum of pr. 18337. 22 3/8, and under incorrect denominations there still run at the risk of the chiefs, Triwengalam and his followers, 80 bhaars of Japanese copper, all touched upon in the letter to the Right Honourable Worshipful gentleman Tadama, and thus, so that this chiefdom is not handed over sullied, mired, and besmirched; this then is the plot, all of which can be investigated and checked, with sun-clear proofs, witnesses, indeed even in writings; must it then not be my aim in such a precarious time to step forward for the Company's interests
Dutch transcription
Den 9. November 1740. „ betragt word, den borg Triwengalam „ den tweeden beweeg veer van die geheele „ Maxhine was om ses uuren nog bij de „ heer van Halm, en vervolgens bij de heer „ Ravallet, sonder dat den zelven gearres„ „teerd wierd, Ook zijn die Cooplieden alleen „ maar gegaan om een lugt te scheppen, „ en niets meede genoomen, maar rustig „ en vreedig hunne Vrouwen, en kinderen, „ enal wat sij hebben agter gelaaten, sonder „ dat die huijsen nog verzegeld nog gese„ „cureerd worden. — De Kooplieden verzoeken aan uwelEdele „ „ Achtb: dat de heer van Halm Continuee„ „ ren mag in de post, en wel waarom! om „ dat de boeken niet klaar zijn, veel min„ „der het transport opgemaakt is, en dat „ het zelve ook nimmer klaar kan koomen, „ aangezien de Jaggernaijkpoeramse „kooplieden niet hebben willen teekenen, „ dan alleen voor het geene zij alleen aan dE: Compagnie 96 Den 9' November 1790 „ Compagnie schuldig waaren, alles klaar „ en duijdelijk te zien bij dit nevens gaande „ Ientiefs papier Onder N:o 3. Die lieden /: de tekenaaren van het voor„ „zeide papier N:o 3: / zijn bij mij gekomen, „ en klaagen bitter, dat zij gedwongen wor„ „den tot teekenen, die lieden hadden eerder ree„ „den van uijtwijking over die harde handelwijse, „ maar neen zij neemen aan hunne Schuld „ illico in Cas te betaalen, Ia selfs presentee„ „ren zij met nog meerder Securiteit als zij „ reets gegeeven hebben den geheelen Inzaam „ voor D E: Compagnie op zijn te besorgen na „ rato van de Contanten en handel whaaren„ „ die aan hun verstrekt soude worden, zoo „ dat uijt dit alles klaarlijk blijkt Eene fri„ „ voole uijtwijking, sonder dat die lieden „ bij mij sijn geweest om simpel te antwoor„ „den, of zij de twee ploegen vereenigen wilde, „ Ia, of neen, dan wel de agterstallige „ met de oude opperhoofden te reguleeren, Soo Den 9. ' November 1790. „ soo als sij het best konden. dit was zelfs zeer „ aanneemelijk bevonden bij de heeren opperhoof„ „den, soo lang als Triwengalam daar niet „ onder gespeelt en heeft Om uwel Edele Achtb: almeede overtui¬ „gende blijken te geeven van mijne bedaardheijd „ en toegeevendheijd in deezen, sonder uijt het „ dog te verliesen 's Comp:s belangens het eijge „ wel zijn der Heeren Opperhoofden het gemeene „ best, regt en geregtigheijd, als ook de harmonie Onder al, was mijne propositie hier in „ „ bestaande, zeggende Heeren opperhoofden nu „ vijf weeken, sonder nog in 't bestier te zijn, „ wel aan laat ik in het gezag gesteld worden „volgens ordre van uwel Edele Gestr: alle de „ goederen bij Inventaris overneemen, en het „ gemors gebrouw ter onderzoek laaten van „ twee onpartijdige, dan kunnen de boeken „ overgaan, de negotie niet gestremd blijven „ en het nieuwe Contract ter uijtvoer gebracht „ worden; Ik proponeerde daar toe Schliephaken 97 Den 9' November 1740. „ schliephaken en Obdam maar neen „ geen gehoor; zij wenschen hun vuijl gedrag „ op mij te werpen, en meenen den schoon „ te zijn. Ik versogt alverder met hun„ „ne slorsigheijd aante loonen, dat ik den „ opneem der Cas begeerde, dat ik de restanten „ begeerde die mij niet eens gegeeven worden „ nog van September veel min die van Ult:o „ Ianuarij. Tot hier toe gekomen zijnde, „gaan ik weeder tot de brief N:o 1. van den „ 5. februarij, alwaar ik soo onmenschelijk „ door de Strenge opperhoofden, sonder ge„ „hoor gecondemneerd word, en waar zy „ de ordres van de Mazulipatnamse „ Cooplieden meerder in respecteerden, „dan die van uwelEdele Achtb: met „ mij het gezag niet te willen overgeeven. „ Ik heb daar op geantwoord onder „ N o 5. en aan den Scriba gezegd van een „saamenkomst of vergadering op het „oogenblik te beleggen om soo te deliberee„ ren. Den 9. November 1790. „ren wat er te doen souw staan om de belan„ „gens van dE: Comp:e te behartigen. — Maar alwederom geen gehoor, want de „waarheijd wil niet gezegd zijn, en de heer „ van Halm pretexteerd ziekte, terwijl hij „delibereerde met sijne twee raad geevers bij „ absentie van Triwengelam, namentlijk „ de heeren Ravallet en van Someren. - Ik sal hier nog tot meerder ophelde„ „ring bijvoegen N:o 7. dat is Een 't samentrek„ „king soo als mij de Schulden der Cooplieden door „ de opperhoofden zijn opgegeeven, namentlijk „ pag: 11732. 19¾. , maar tot hunne verschoo„ „ning bragten zij niet op, dat de reekening „ der Kooplieden deeze daaling ondergaan houd „ met mij te engageeren om op den nieuwen „ Eijsch te accepteeren vodden en klungels „ daar zij 't pakhuijs meede opgevuld heb„ „ben zelfs geen Comp:s Sortementen, en dat wel „ voor eene Somma van prp 4539. 21. 7/8. als: 1527. p 98 Den 9. ' November 1790. — 1527. p. s Gezaaijde goederen tot een bedraa„ gen van - - - - Rr/ 3330. 8 7/8. 360. „ Guinees fijn gebl: d:o d:o -. . „ 1209. 13. ½. 2 En boven dit alles 23. bhaaren Japans „koper, het welk dan plus minus Eene „. Capitaale Som souw uijtmaaken van pr. 18337. 22. 3/8. en Onder verkeerde be„ „naamingen loopen nog voor resico van de „ opperhoofden Triwengalam en zijnen „ aanhangers 80. bhaaren Iapans ko„ „per, alles aangeroerd bij de brief aan „ den wel Edelen Achtbaren Heer Ta„ „dama, en dus om deeze opperhoofdij „ bemorst, beslikt en besoedelt niet „ overtegeeven is; dit dan het Complot, „ welke alles ondersogt en nagegaan „kan worden, met sonne klaare bewij„ „sen, getuijgen, Ia selfs bij schriften, „ moest het dan mijn soeken niet zijn „ in zoo een haggelijke tijd step voor 'sComp:s belangens
English
The 9th of November 1740. regarding uniting these two groups, and that while the Jaggernaijkpoeram group, who as I have said owe only between 7 to 800 pagodas, which extracted from 18337 pagodas 22 3/8, it is a great grievance to help bear that debt, yet they are and remain eager for that settlement. From this must be inferred, and it must be obvious, the significant profits that the Mazulipatnam merchants make on the cultivated goods, which will also be my first investigation, for no one should assume that those people are less favored because they have more debts; the contrary is true, from this significant sum the chief Triwengalam and the merchants have the greatest enjoyment and advantage; that money circulates, while the Company, I may say, is merely left whistling for it, all directly contrary to the Instructions for the Chiefs, and against the intention of the Right Honorable Mr. Haksteen, but what is to be done now, it has come to this, no excuse can have any further place, only the wise, calm, and impartial judgment of Your Right Honorable will certainly shine through in this, and render justice to each and every one. Now, following a description of the conduct of a certain Triwengalam, and how it really stands with the other merchants in reality or in name, the letter to the Council continues further: What a mess, and what a danger, for truly I find it of such a nature that if I had held the authority in hand and the goods of Mr. van Halm were not lying in the Coringa roadstead, to arrest him and all of the same, without losing sight of Messrs. Ravallet and van Someren, and to place the seal upon the Company's warehouses, for The 9th of November 1790 for God knows how things stand, being kept in the dark about everything, even the goods that should have been supplied last year with the ship Horsen were sorted and packed only three days ago, without anything being said to me about it or my being requested to assist thereat, but I had the samples fetched, and asked why the delivery of the guinees was so bad both in quality and length and breadth, and that it appeared to me to be the refuse of another nation, but soon the real reason for this was discovered, namely the merchants are forced to accept goods from Mr. van Halm in payment, such as coral and other things, which he must receive in payment several times, since his speculative trade may then turn out well, and to take the cash from the Company's treasury for his use as if it had been supplied to the merchants. However obscure and disordered all these matters may appear, I see a chance to regulate the same once the instigator, Mr. van Halm, is first removed from this place, for of those six Mazulipatnam merchants there are already two The 9th of November 1790. who repent of their conduct, and even admit to sighing under the slavish rule of Triwengalam. I also had inquiries made to the second in command, Van Someren, concerning the papers and the account of the merchants, who gave me this impertinent answer to be seen at No. 9. However much all these are facts to the charge of the said chiefs van Halm and associates, and therewith, as the Resolution itself dictates, are matters of the utmost consequence, the aforementioned delegated chief van Bijland, although he was in the first place the one who had to care for the Company's welfare and interest, was nevertheless prohibited from interfering directly or indirectly with the affairs concerning that office, until such time as one should have disposed over the one thing and the other. This order certainly must have struck van Bijland, and surely a calmer disposition than his was necessary to remain cool-headed about it. The consequence thereof also shows that this The 9th of November 1790. this order was precisely oil on the fire that had ignited at Jaggernaijkpoeram. It now bursts out into full flame. Before that time, and even in these letters from van Bijland, one finds nothing insulting, though offensive, and more than is fitting or becoming for an inferior toward a superior in the Company's service, but striking satisfaction would have followed upon it, had one only left that to Their High Honors and in the meantime not affronted an incoming chief by seeing himself prohibited from watching over the Company's interest, or, what amounts to the same, from being silent about such irresponsible actions as were made known by him to the charge of the former chiefs. I have several times made known how heavily the commission for an accurate investigation of matters presses upon my heart, and that concern does not diminish, for in what misfortune do the accused not stand.
Dutch transcription
Den 9' November 1740. „ belangens om deeze twee ploegen te veree„ „ nigen, en dat wel terwijl de Iaggernaijk„ „ poeramsche die soo als ik gezegd heb tusschen „ de 7. â: 800. pag:s Maar schuldig zijn, die „ geextraheerd van p„o 18337. 22 3/8. , is het „ een groote beswaarnisse om die schuld te „ helpen draagen, egter zijn en blijven „ zij greetig tot die vereevening — Hier uijt moet opgemaakte worden „ en in het oogloopen de importante wins„ „ten, die de Mazulipatnamsche Cooplie„ „ den behaalen op de gezaaijde goederen het „ welk ook mijn eerste ondersoek zal zyn, „ want niemand moet veronderstellen dat „ die lieden om dat sij meerder schulden „ hebben minder gefavoriseerd zyn, het „ tegendeel is waar, deeze importante „ som heeft het opperhoofd Triwen„ „ galam en de Cooplieden het grootste „ genot en voordeel van, dat geld roulleerd, „ terwijl men de Compagnie mag ik zeggen, maar 99 Den 9'. November 1790 maar op den duijm doet fluijten, alles direkt strijdig met de Instructie der Opperhoofden, en tegens de intentie van den /: Z:r /Edelen Heer Hak„ steen, maar wat nu gedaan, het legt er toe, geene verschooning kan meerder plaats vinden, alleen het wijze en bedaarde onpartijdige oordeel van uwel Ed: Achtb: sal daar voor wisselijk in door„ „straalen, en elk en een iegelijk regt doen gewor„ „den.— „ Nu vervolgens eene beschrijving te hebben gedaan van het gedrag van eenen Triwengalam, en hoe het eijgentlijk met de andere kooplieden in weezenlijkheijt of in naem gestelt is, vervolgt de brief aan de Raad al verder. — „ Wat een gemons, en wat een gevaar, za waarlijk ik vind het van een natuur dat als ik het gezag in handen gehad had en de goederen van de heer van „ Halm niet op Coringase rheede lagen, hem en „ al dezelve te arresteeren, sonder de heeren Ra„ „ vallet en van Someren uijt het oog te verlie„ „sen, en het sjap op 'sComp:s pakhuysen te setten, want. „ „ Den 9e. November 1790 want God weet hoe het gesteld is, wordende blind „gehouden van alles, selfs de goederen die voorleede „ Iaar hadden moeten verstrekken met het schip Hor„ „sen, zijn nog drie dagen geleeden gesorteerd en geem„ balleerd, sonder dat mijn daar iets van gezegd word of versogt daar bij te assisteeren, maar ik liet de mon„ „ „sters haalen, en vroeg waarom dat de leverantie der „ guineesen soo slegt waaren soo in deugd als lengte en „ breete, en dat het mij scheen uijt schot van andere na„ „tie, maar wel haast ontdekte sig de reëele reeden van dien, namentlijk de Coplieden worden gedwongen 1 „ om goederen aante neemen van de heer van Halm „ in betaaling, als Coraal en andere dingen, die hij memi „ maal ontfangen moet in betaaling, vermits sijne „ wind Negotie dan wel uit vallen kan, en de Contanten „ uijt 'sComp:s Cas als of dezelve aan de Cooplieden verstrekt waaren tot sijn gebruijk te nemen. Hloe duijster en ongered „ alle deeze zaaken ook voorkomen, zoo zien ik kans om „ dezelve te reguleeren, als eerst den opstooker de heer „ van Halm van deeze plaats is want van die ses „ Mazulipatnamsche Cooplieden zijn er reets twee „ die. 101 Den 9'. November 1790. „ die berouw hebben van hunne gedrag, en beken„ „nen zelfs te sugten onder de Slaafse regeering „ van Triwengalam. — „ Ook heb ik laaten vraagen aan de secunde Van „someren Omtrend de papieren en de Reekening der „ Cooplieden, die mij dit im pertinente antwoord gaf te „zien bij N:o 9. — Hoe zeer nu dit alles feiten tot lasten der gem: opperhoofden „gelijk van Halin C: S:, en daar bij ^ de Resolutie zelf dicteert zaaken zijn van de uitterste Consequentie is echter het voorm: geelegeert opperhoof van Bijland, Schoon hij in de eerste plaats de geene was, die voor sComp:s wel zijn en belang moest zorgen„ geinterdiceert om zich direct of indirect met de zaaken dat Comptoir betreffende te moeijen, tot tijd en wijle men over het een, en ander zou hebben gedisponeert. — Deeze ordre moest van Bijland gewis tref„ fen, en zeeker daar was een bedaerder gemoet als het zijne nodig om daar bij koelainnig te blij„ ven. Het gevolg van dien toont ook aan, dat dit 00 Den 9' November 1790.— dit bevel Juist olij in het vuur was dat te Jaggernaijkpoeram aan brand was geraakt Het berst nu uit in volle vlam. voor die tijd, en zelf in deeze brieven van van Bijland vind men niets beleedigent, wel aanstoote„ lijk, en meer als in sComp:s dienst, den minderen past of betaamt omtrent den meerderen, maer daer zou eclattante satisfuctie op zijn vervolgt, had men dat maar aan Hun Hoog Edelheeden overgelaaten en intusschen een aankomende opperhoofd niet voor het hoofd geslooten, met zich geinterdiceert te zien voor 'sComp:s intrest te waeken, of dat op een uijt komt te zwij„ gen van dergelijke onverantwoordelijke be„ drijven als tot laste van de voorige opperhoof„ den, door hem bekent gemaakt wierden— Ik heb meermaals te kennen gegeeven hoe zwaar mij op het hart drukt de Commissie tot een naukeu„ rig onderzoek van zaeken, en die zorg vermindert niet. want in welk ongeluk staan de beschuldigden niet.
English
101 9 November 1790. not to be submerged, if van Bijland proves it, if not entirely, then well more than half. It would have been more prudent, before appointing the Commission, to order the outgoing and incoming chief and the second in command, the three of them, to hold a meeting directly, assisted by the scribe, and during the same, whether in one or more sessions, to record and negotiate what is maintained on each side for and against the differences; to have the suppliers also appear in that meeting, likewise to hear them, and to note what was standing in the way regarding the failure to settle and close the accounts; keeping distinct notes of everything in a Resolution or minutes of the appearance and the proceedings, with orders that after it had been brought into order and signed to everyone's satisfaction, it should be sent hither for final disposition, instead of a detailed account of far-reaching estrangements and oral messages, serving no purpose in the matter and causing only confusion. 9 November 1790. causing. For if it was understood that the Company's interest required that van Bijland should not concern himself with the affairs of Jaggernaijkpoeram until such time as the upcoming disputes should have been decided upon, then it would have been better to recall him and appoint another in his place, to leave the delay and the resulting confusion of affairs to his account and responsibility, and, after finding and reporting the state of affairs to the Honourable High Indian Government, to await what it would please the same to dispose in this regard. The contrary, or the disposition of 17 February, is then the true and principal reason that the matter with Chief van Bijland has come to the aforementioned extremities, and that he, believing that he was mistrusted, has gone to the utmost extreme, which the assembly judged to be well-founded enough to place him under the aforementioned arrest. His complaint about the decision of 102 9 November 1740. of 17 February aforementioned also serves to be recorded here, because in the Resolution of 12 March it was done only in the abstract. First, in the letter to the Council under date of 26 February, he makes known how on 25 February he had been informed of a certain Council resolution of the 17th prior, namely: that he would no longer be allowed to concern himself, either directly or indirectly, with the affairs of Jaggernaijkpoeram until further disposition had been made in the matter, and he follows this with the reasons that he thinks are the cause of it, viewing them as contrary to right and equity, and thus he declares his protest against that decision, as he indeed protests in that letter, and principally on the grounds that the assembly itself declares that it has found the affairs of the chiefdom to be of the greatest weight, continuing as follows after an explanation of that weight according to his opinion: "Pursuant 9 November 1790. "Pursuant to this fine verdict, I have the honour to inform your Right Honourable Worships that the Messrs. Chiefs kept your Right Honourable Worships' letter secret from the evening of the 24th until 12 o'clock the following day, spreading a rumour that I had been summoned, and that Mr. van Halm remained in command, immediately engaged 10 more peons into service, had the Jaggernaijkpoeram merchants summoned at 8 o'clock in the morning, treated them with the greatest brutalities, and wanted to force them either to sign or to take back the goods that the Messrs. Chiefs had already accepted on the new requisition and chopped; this being rightfully refused, they were de facto all placed under arrest." Adding thereto his opinion that, by the aforementioned declaration, he had the freedom to be able to write as he thinks consistent with the aforementioned dispensation, he concludes the letter under date of 26 February 103 9 November 1790. aforementioned as follows: "I therefore repeat my protest which I sent here to the chiefs for perusal and have had inserted into the protocol, that I protest, as I do hereby protest in the strongest possible terms, against all that is further done and decided herein by your Right Honourable Worships to my detriment. I leave to your Right Honourable Worships the consequences that have already arisen herein to the detriment of the Honourable Company and my particular interest, and that shall yet arise; and I demand very specifically of your Right Honourable Worships that Mr. van Halm shall be apprehended as an accused person, his case investigated in the closest detail, and the means for his accusation, which are my defence, not be withheld from me, above all that with your Right Honourable Worships' 9 November 1790. "authority he shall no longer be granted any power to cover his filth any longer to my detriment, for this and further indulgences of time shall also be and remain for your Right Honourable Worships' accountability, just as if the evil had been done by your Right Honourable Worships yourselves through allowance." And to this declaration in the Company's letter, he further adds in a separate letter to Mr. Sadama of 2 March of this year: "It goes too far, the most tyrannical practices in this Government are increasing by leaps and bounds, caused by your Right Honourable Worships' incautious letter of 17 February; also from this moment on I can withdraw from all obedience and respect that I otherwise owe to a governor." The
Dutch transcription
101 Den 9. ' November 1790. — niet gedompelt te worden, indien van Bijland, is het niet geheel, maar ruim ten halven bewijst.. Men had voorzichtiger gehandelt om voor het benoe„ men van de Commissie het afgaande en aankomende op„ perhoofd en secunde te gelasten om met hun driën, direct vergadering te beleggen, geassisteert van den scriba, en staande dezelve het zij in een ofte meer bij eenkomsten op te teekenen, en te verhandelen, het geen voor en tegen de verschillen van ieders kant of zijde word gesustineerd; de leveranciers in die vergadering meede te laaten Compareeren, hen insgelijks te hooren, en aan te teekenen wat er in de weg was over het niet afdoen, en slui„ ten der Reekeningen; houdende van alles distinotee annotatie bij een Resolutie ofte verbaal van de Comperi„ tie, en het voorgevallene, met last om na dat het ten genoegen van een ieder, in order gebracht en onder„ teekend zoude zijn, ter finale dispositie herwaards te worden gezonden, in steede van een detail van ver„ regaande verwijderingen en mondelinge bodschap¬ pen, niets ter zake doende, en enkel verwarring ver„ oorzaakende. Den 9. November 1790. — oorzaakende. Want verstond men dat 's Comp:s Intrest vorderde, dat van Bijland zich met de zaeken van Jaggernaijk poeram niet zou hebben te bemoeijen, tot tijd en wijle men over de voor„ komende defferenten zou hebben gedisponeert, dan ware het beter geweest hem te rug te roepen, en een ander in zijn plaats aante stellen, het delaij en de ontstane Confusie van zaaken voor zijn reekening en verantwoording te laaten, en na bevinding en verslag van zaaken aan de Edele Hooge Indische Regeering, agtewach„ ten, wat Hoog dezelve behagen zoude hier omtrent te disponeeren. Het tegendeel, ofte de dispositie van 17. februarij, is dan de waere en principaale reeden, dat de zaek met het opperhoofd van Bijland gekomen is tot de voorsz: Extremiteiten, en dat hij vermeenende dat men Hem mistrouwde, tot het interste is overge„ slagen het welk de vergadering geoordeelt heeft gefundeert genoeg te zijn om hem te stellen en het voorsz: arrest. zijn beklag over het besluijt van 102 Den 9'. November 1740. van 17. februarij voor meld, diend ook hier ter neder gesteld te worden, om dat het bij de Resolutie van 12. Maart maer in het afge„ trokkene geschiet is. — Voor af geeft hij bij de brief aan de Raed sub 26. februarij te kennen, hoe hem den 25. februarij was bekent gemaakt het geen raads„ besluijt van den 17. bevoorens; namelijk: dat hij, zich direct noch indirect met de zaa„ ken van Jaggernaijkpoeram meer zoude mo„ gen bemoeijen tot tijd en wijle daar over nader wierd gedisponeert, en laat daar op volgen de reeden, die hij denkt de oorzaak daar van te zijn, die aanmerkende als strijdig met recht en bellijkheijd, zoo verklaart Hij tegen dat besluijt te protesteeren, zoo als hij ook werkelijk bij die brief protesteert, en wel principaal op fun„ dament dat de vergadering zelve verklaert de zaa„ ken der opperhoofdij te hebben bevonden van het grootste gewicht, na eene uijtlegging van dat gewicht volgens zijne meening aldus vervolgende „ Jn Den 9. ' November 1790. — Ingevolge deeze fraaije uijtspraak, heb ik de „ eere uwel Edele Achtbare te bedeelen dat de Heeren „ opperhoofden uwel Edele Achtbare brief van „ 's avonds den 24. tot des anderen daags om 12. uuren „sekreteerde, met een gerugt te verspreijen dat ik „ opgeroepen was, en dat de heer van Halm in 't „ gebied bleef, Immediaat 10. Pions meerder in „dienst genomen, Smorgens om 8. uuren de Iag„ „gernaijkpoeramsche Cooplieden laaten roepen „ dezelve met de grootste brutaliteiten bejee„ „gend, en willen dwingen of tot teekenen, of „van de goederen weerom te neemen, die „ de Heeren opperhoofden reeds op den „ nieuwen Eijsch geaccepteerd, en gesjapt „ hadden dit met regt geweijgerd sijnde „ zijn defacto alle in arrest gezet. — Daar bij dan voegende zijne meening van, door voorsz: verklaaring, vrij„ heijd te hebben van te kunnen schrijven, zoo als hy denkt overeenkomstig te zijn met de voorsz: dispensatie, besluit bij de brief sub 26: februarij 103 Den 9' November 1790. februarij voormeld aldus. — „ Herhaale dus mijn protest dat ik hier „ ter lectuure aan de opperhoofden geson„ „den heb en in 't prothocol te hebben laaten „ insereeren, dat ik protesteere, soo als ik „ protesteere bij deezen op het allerkragtigste „ tegens al wat in mijn nadeel hier in „ verder bij uwelEdele Achtbare gedaan „ en beslooten werd. Ik laate aan uwel„ „ Edele Achtbare de gevolgen die hier „ in tot nadeel van de Edele Maat„ „schappij, en mijn besonder belang „ bereeds ontstaan zijn, en nog sullen „ ontstaan; en Eyssche wel speciaal „ van uwel Edele Achtbare dat de „heer van Halm als beschuldigde „sal aangetast, zijn zaak op het „ allernaauwst onderzogt, en mij de „middelen tot sijn beschuldiging „ die mijn Defens zijn niet onthou„ „den werden, voor al dat hem met uwelEd: Den 9'. November 1790. „ UwelEd: Agtb: authoriteit geen „ magt meer gegund sal werden „ zijn vuijl langer tot mijn nadeel „ te bedekken, want deeze en verdere „ tijd gunningen zullen ook zijn en „blijven voor uwel Edele Agtb: ver„ „ antwoording, eeven of het quaad bij „ uwelEdele Achtbare zelve door toe„ „laating gedaan was„ En op deeze verklaaring bij 'sComp:s brief, laat hij bij een aparte aan den heer Sadama van den 2. Maart deezes Iaars nog volgen. — „ Het gaat te ver, de tivanicqste han„ „delwijse in deeze Regeering neemen „hand over hand toe, veroorzaakt „ door uwel Edele Achtb:e onvoorsigtige „ brief van den 17. februarij ook van dit „ oogenblik kan ik mij ontrekken alle ge„ „hoorsaamheijd en respect, die ik anders „ een gouverneur Schuldig ben. De
English
104 The 9th of November 1790. The reasons thereof being further explained in the letter, one finds therein once again the complaint concerning the resolution of the 17th of February, which thus, as I have stated before, is the reason and cause that everything has come to this extreme. This is also repeated by van Bijland himself in a further letter to the assembly dated the 24th of March, without my finding any mention made thereof in any resolutions, in this manner: "send me then the latest resolutions and complaints against me in the Jaggernaijkpoeram disputes, among others that remarkable business of the 17th of February wherein Your Right Worships consider the affairs of the chiefs of the utmost importance, but have not yet been able to make any disposition, other than solely to order the chief van Bijland not to meddle directly or indirectly with the Jaggernaikpoeram affairs, as a convincing proof that The 9th of November 1790. that Your Right Worships approve that the chiefs here, whom I accuse of misconduct, were able to dismiss me from the service." I shall not express myself further on that now. I shall provide van Bijland with an extract or copy of everything that he must prove and account for, and announce to him that it shall be his duty to prove all the aforementioned as clear as day, as he has professed to be able to do; in the meantime leaving the arrest itself, with its appurtenances, as it is, since I am not authorized to annul it, I could repeatedly adhere to what was declared in that regard on the 30th of September, and regarding all maintained actions upon and against van Byland, that they had 105 The 9th of November 1790. ought to have been instituted, brought, and prosecuted as I described at that time. However, since the state of affairs has taken on an entirely different form, and instead of judicial proceedings, the investigation of affairs has continued politically, for which the Noble High Indian Government further charges me with the task, thus also seeming to wish first to judge and decide politically on what has occurred, I therefore declare, on the request of the merchant van Bijland addressed to me, to consent to the first request, and consequently to release him provisionally from arrest, provided however that under solemn pledge he accepts and promises to submit himself thereto again, should that be ordered by the High Indian Government; furthermore at all The 9th of November 1740. times, whenever it is required, to appear and answer for the accusations brought and lodged by him, both against the former Commander Tadama and Council and against the former Jaggernaijkpoeram chiefs van Halm and van Someren, under penalty of confession and conviction. As regards the second part, I am of the opinion that all the goods, papers, etcetera, seized by virtue of the aforementioned resolution of the 12th of March last, insofar as they are here, shall be brought into the government house, and there returned to the petitioner by the secretary of this assembly, and he should be allowed the liberty, assisted by an official scribe and witnesses, to take over and receive them, to have an official record drawn up of his findings and the condition thereof, in order to make use of it as 106 The 9th of November 1740. he shall find proper; furthermore to enjoin the petitioner, if he deems it advisable, to appoint proxies with regard to his goods at Jaggernaikpoeram, in order to have them acted upon on his behalf in like manner, it being well understood after disposition has been made regarding the chiefship, and thus the same orders shall have been dispatched and established there as have been described above regarding the release and the restitution of what is here. However, with regard to the first clerk Obdam, the petitioner relying on him as a witness, to deny his request for assistance, with liberty to choose and employ another person if necessary to help with the writing, and without prejudice to Obdam's obligation to execute all notarial acts that the petitioner might require and desire at his own expense. Finally to note that the petitioner's request has already been granted to allow the two Jaggernaijkpoeram peons mentioned in the request to remain here until he shall have obtained from them the evidence that The 9th of November 1790. he deems necessary for his case, provided he defrays their expenses during their stay here since the day that the four other peons were sent back. All of which shall be inserted in a separate resolution of today, to serve in due time both as my findings and opinion of the matters up to now, and as the reason why I judge that the aforementioned merchant van Bijland, until further pleasure, can and ought to be thus provisionally released from arrest under solemn pledge; the desire of the Noble High Indian Government conveyed by me in a separate dispatch of the 17th of August of this year shall be made known to van Bijland, and as soon as his defense and evidence shall be ready, according to the findings thereof, attention shall also be paid to what Their High Nobles are pleased to prescribe regarding the Chief Administrator van Halm. Palleakatta, in the Council of Policy, the 9th of November 1790. Signed: Jacob Eilbracht. The
Dutch transcription
104 Den 9' November 1790. De reeden van dien bij de brief verder expliceerende vind men daar bij andermaal het beklag over het be„ sluijt van 17. ' februarij dat dus, gelijk ik voorwaards gezegt heb, de reeden en oorzoek is, dat alles tot dit uijtterste is gekomen. — Ook word dit door van Bijland zelfs herhaalt by een nadere brief aan de vergadering de dato 24. ' Maart, zonder dat ik daar van mentie gemaakt vin„ de bij eenige Resolutien, in deezer voege. — „zend mij dan de laatste Resolutien, en „ klagten tegens mij in de Jaggernaijkpoe„ „ ramsche onEenigheeden, onder anderen „ die Remarquable besoigne van den 17. „ februarij daar uwelEdele Achtbare de „saaken der opperhoofden van 't uijterste „ gewigt Considereeren, maar nog geen „dispositie hebben kunnen neemen, als al„ „leen om 't opperhoofd van Bijland te or„ „donneeren van sig direct nog indirect „ met de Iaggernaykpoeramsche zaaken „ te bemoeijen, als een overtuijgend bewijs dat. Den 9' November 1790. dat uwel Edele Achtbare approbeeren „ „ dat de opperhoofden hier, die ik van „ wangedrag beschuldig mij uijt den „ dienst hebben kunnen zetten. — Ik zal mij daar over nu niet verder uijtlaaten. Ik zal van Bijland van alles, dat Hij bywijzen en verantwoorden moet, Extract of kopij ter hand stellen, en hem aankundigen dat het zijn plicht zal zijn, al het geen voorsz: staat zoo zonne klaar te bewijzen, als hij betuijgt heeft te konnen doen; onder tusschen het Arrest zelve, met den aanklee„ ve van dien laatende zoo als het is, wijl ik niet bevoegd ben dat te ver nietigen, konde ik mij bij herhaa„ ling aan het gedeclareerde der„ wegen op den 30. September, en nopens alle gesustineerde actien op en tegen van Byland, dat die hadden. 105 Den 9'. November 1790. hadden behooren aangelegt, geinsti„ tueert en geprosequeert te zyn zoo als ik dat toen hebbe beschreeven— Dan nademaal den toedracht van zaaken een gansch andere gedaante ge„ kreegen, en min in steede van Iustutieel, gecontinueert heeft, met politeek de zaaken te laaten onderzoeken, waar van de Edele Hooge Indische Regeering mij verder den last op„ draagt, schijnende dus meede, over het gepas„ seerde, eerst politiek te willen oordeelen en beslissen, zoo verklaare ik op het Request van den koopman van Bijland aan mij gede„ diceert te bewilligen, in het Eerste verzoek, en hem mits dien provisioneel uijt het ar„ rest te ontslaan, zoo nogtans dat onder hand tasting aanneemt en belooft zich weder daar in te zullen begeeren, indien dat door de Hooge Indische Regeering geor„ donneert mocht worden; voorts van ten allen. Den 9'. November 1740 allen tijden wanneer het word begeerd te zullen verschijnen, en te verant„ woorden de accusatien door hem uit ge„ bracht en aangegeeven zoo teegen den heer geweezen Gezaghebber Tadama en Raad als de geweeze Jaggernaijkpoeram„ sche Opperhoofden van Halm en van someren, sub pame Confessi et Convicti e Water aangaat het tweede lid, ik ben van begrip dat alle de uijt kracht van het voorsz: besluijt van 12. Maart Jongs leeden gearresteerde goederen, papieren Enst in zoo verre die hier zijn, zullen worden gebrac binnen het gouvernement, en aldaar door den se„ Cretaris deezer vergadering, aan den Suppliant te rug moeten gegeven, en aan hem de vrijheijd dient gelaaten te worden, om geassisteerd met een beampt schrijven en getuijgen die overte„ neemen, en te ontvangen, van zijne bevinding en gesteldheijd der zelve Acte te doen maa„ ken, om zich, daar van te bedienen zoo als 106 Den 9' November 1740. als verneemen zal te behooren; voorts den suppliaant te injungeeren om ten aan zien van zijne goederen te Iaggernaikpoeram, des geraaden oordeelende, gemach„ tigden aantestellen, ten einde daar meede zijnent weegen in gelijker voege te doen handelen, wel verstaande na dat over de opperhoofdij gedisponeert, en dus daar op even dezel„ ve ordrigs afgevaardigt en gestelt zullen zijn, als wegens het ontslag, en de te rug gave van het geen alhier is, boven beschreeven staat. — Edoch ten aanzien van den Eersten klerk Obdam, den Suppliant zich daar op beroepende als getuijge, zyn verzoek om assistencie te ontzeggen, met vrijheijd om een ander persoon des noodig te verkiesen en te Emploijeeren tot hulp in het schrijven en onvermindert de verplichting van Obdam tot het passeeren van alle Acten Notarieel, die de Suppliant mochte benodigen, en ten zynen koste begeeren — Eindelijk te noteeren dat aan den supp:t reets is geaccordeert zijn verzoek om de twee bij het Request vermelde Jaggernaijk poeramsche pions alhier te laaten verblijven, tot dat van dezelve zal ingewonnen hebben de bewijzen, die Den 9' November 1790. „tie tot zijn zaak vermeend te benodigen, mits dezelve geduu„ rende hun verblijff alhier zedert den dag dat de vier andere pions te rug gezonden zijn, de froijeerende Al het welke bij aparte Resolutie van heeden zal worden geinsereert, om in de tijd te dienen zoo van mijne bevinding en openie van de zaaken tot hier toe, als de reeden, waarom ik oordeele dat voorm: koopman van Bijland tot nader goedvinden, dus provisioneel, onder handtasting, uijt het arrest kan en behoort te worden ontslagen; zullende van Bij„ land de begeerte van de Edele Hooge In„ dische Regeering bij aparte missive van 17. Aug:s deezes Iaars door mij bekend gemaakt, en zoo dra zijne verantwoording en bewijzen ge„ reed zullen zijn, na bevinding van dien, ^ Hun„ ook gelet worden op het geen Hoog Edelheeden aangaande de Hoofd-Administra„ teur van Halm gelieven voor te schrijven Palleakatta Jn Raade van Politie Den 9. ' November 1790. — /:Was getekend:/ Jacob Eilbracht. Het
English
The 9th of November 1790. Which having been listened to with attention, the members present in the meeting, Brouwer, Bloeme, and Hasz, having also voted on the aforementioned arrest on the 12th of March of this year, made it known that no goods or effects whatsoever had been seized here by virtue of that resolution, but rather by virtue of a request made and granted to that end before the Court of Justice here on behalf of Miss the widow Cantervisscher, regarding a certain claim against van Bijland; however, that by order of the meeting at Jaggernaikpoeram the goods of the said van Bijland had been taken into custody and his papers had been sent hither, The 9th of November 1790. which, after receipt thereof, in two packets opened by the former Administrator Mr. Tadama, had been handed over to the secretary Hasz, with orders that, if no register had been made of them, to do so in the presence of the sworn clerks Abraham Dormieux and Hendrik Richard, as had also been carried out, and following the completion of which the packets marked A and B were sealed with the Company's seal and that of both the aforementioned sworn clerks and delivered to him, the secretary, for safekeeping: thus it is resolved to make a record of this, likewise to have copies prepared for Europe, with all the documents previously dealt with and which, according to the remarks of the Administrator in the aforementioned writing, were described in the resolutions only in the abstract and were not inserted, of such papers as relate to the Jaggernaikpoeram Commission, after receipt of the report requested on the 30th of September last and further required on the 27th of October, as soon as the continuous clerical work permits, in order to also offer them to the Most Noble and Honorable Lords and Masters as soon as the Noble and High Indian Government shall be pleased to order such. The 9th of November 1790. Hereupon, following the proposal of the Administrator, the aforementioned arrested merchant van Bijland was summoned into the meeting; and after having been shown a separate seat, his Honor having presented to him the terms and conditions under which, according to the wording of the aforementioned writing, his request was granted, the aforementioned van Bijland expressed his objection against the promise to submit himself into arrest again at the desire of the Noble and High Indian Government, as if he were convicted and guilty of a crime hitherto unknown to him, and consequently, after the release, would again have to stand ready to undergo an arrest from which he thought he could be discharged, promising to appear whenever required and to answer for whatever might be laid to his charge and specified, concerning which he declared once again to be entirely ignorant, against which the Administrator pointed out to him that the fact or facts charged against him would appear from the resolution of this table dated the 12th of March 1790, of which and other documents pertaining to his defense the registered extracts or copies would be delivered to him today or at the latest tomorrow, in order to serve thereon and to submit the proofs of the various accusations brought against diverse persons, and especially the former administration, and when he could make such representation regarding his objection over the decreed arrest as would be appropriate; for it was not in the power of him, the Administrator, to judge or determine regarding the nature or merits of the arrest, since that, after presentation of matters, would be left with all reverence to the judgment of the Noble and High Indian Government; and that, therefore, his request for provisional release could not be granted on any other terms than the said and described manner, to which the repeatedly mentioned van Bijland The 9th of November 1790. having finally submitted, it was resolved to record that the said Administrator, upon a handshake and the aforementioned promises, released him from the arrest, and ordered the Commander of the Garrison to have the sentry relieved immediately and, if van Bijland desired to go outside the fort, not to prevent him: furthermore, pursuant to the second clause, to have the aforementioned packets of papers delivered to the aforementioned van Bijland in the hall of the Government by the secretary of this meeting with the aforementioned witnesses, if desired with an official clerk and witnesses on his part, in order to have an official deed drawn up of the opening and findings of the documents; which the petitioner is also permitted to do and to have done with his goods seized at Jaggernaikpoeram, it being understood after the residency has been provisionally provided for and order has been established by the assumption of office by new chiefs, namely that the taking over of the goods shall occur through representatives to be chosen on his behalf, and in the presence of an official clerk and witnesses to make a deed of the findings and handover thereof, in the presence and attendance of the chiefs on the other side, to whom for shipment hither as well as to the petitioner's representatives
Dutch transcription
107 Den 9 November 1790. Het welk met aandacht aangehoord zijnde, gaven de in vergadering aanwee„ sige Leeden Brouwer, Bloeme en Hasz; over het voorsz: arrest op den 12 Maart deezes Jaars meede hebbende gevoteert, te kennen dat 'er, alhier, geene goederen of effecten hoe genaamt, uit krachte van dat besluit, gearresteerd waren geworden, maar wel uit krachte van een daar toe, voor Mejuffrouw de wede Cantervisscher, bij de Raad van Jus„ titie alhier, ter zaake van zeekere pretentie op van Bijland, daar toe, ge„ daan en geaccordeert verzoek; edoch dat daar op ordre van de vergadering te Jaggernaikpoeram de goederen van gemelde van Bijland in verzeekering genomen en van dezelve, zijn papieren herwaarts Den 9 November 1790. herwaarts gezonden waren, welke, na der„ zelver ontvangst, in twee door den Heer gewerse Gesachhebber Tadama, geopende paketten, den secretaris Hasz: in han„ digt waren geworden; met bevel om zoo er geen Register van gemaakt mochte zijn, zulks te doen in presentie van de Geswooren Clerken Abraham Dor„ mieux en Hendrik Richard, gelijk ook gevolg hadt genomen en na ver„ rigting van het welke de Pakketten gemerkt A: en B: met 's Comp:s zegel, en dat van beiden gem: Lesvoren Clerken versegelt en aan Hem secre„ taris te bewaeren, geintrageerd zijn ge„ worden: zoo is verstaan hier van aantee„ kening te houden, item om van zoo„ daanige papieren als tot de Jagger„ naik 108 Den 9 November 1790. naikpoeramse Commissie velatie heb„ ben na het inkomen van het op den 30. September J=o leeden en den 27. oo„ tober nader gerequireert Rapport, met het zelve, zoo dra het volhardige schrijfwerk dat toelaat, in Copia te laaten in gereedheit brengen voor Euro„ pa, met alle de stukken welke be„ voorens verhandelt en nade aanmer„ kingen van de Heer Gesachhebber bij voorsz: g. geschrift, bij de Resolutien maar in het afgetrokkene beschreeven en niet geinsereert zijn geworden om, zoo dra de Edele Hooge, Indische Regeering beha„ gen zal zulks te ordonneeren, de wel Edele Hoog Agtbaare Heeren in Meesters ook aangeboden te kennen wor„ den. Hier Den 9 November 1790. Hier op na den voorstel van den Heere Gesachhebber voorm: gearresteerde koop„ man van Bijland in vergadering ont„ boden; en na aangeweese separaete zitplaats„ door zijn E: E: Agtbaare zijnde voorgehou„ den de termin en voorwaarden waar op, na luid van het voorsz: geschrift in zijn verzoek bewilligde, gaf voorsz: van Bijland tegen de belofte van op begeerte van de Edele Hooge Indische Regeering zich weeder in arrest te zullen moeten begeeven, te kennen zijn beswaer, als of hij namelijk over„ tuigt en schuldig was van een tot nu toe hem onbekend Crimen, en mits dien na het ontslag weverom schrap moest staan tot het ondergaan van een arrest van het welke hij dachl 109 Den 9 November 1790. dacht te konnen worden ontslagen, be„ loften doende van wanneer ook mocht worden gerequireert te zullen ver„ schijnen en verantwoorden het geen men hem als schuld mochten lasten leggen en opgeeven, waaromtrend hij andermaal verklaart ten eenemaal ignorant te zijn, waar teegens de heer Gesachhebber hem vertoonde dat het feit ofte de feiten ter zijnen laste zoude blijken bij de Resolutie deezer tafel de dato 12 Maart 1790. van de„ welke en andere ter zijner verant„ woording zijnde stukken, hem heeden of uitterlijk morgen de geregistreerde Extracten of kopijen zouden worden ter hand gesteld, om daar op te dienen en inte lreveren de bewijsen van de onder Den 9 November 1790. onderscheidene beschuldigingen teegen di„ =verse persoonen, en inzonderheid het voormalig ministerium uitgebracht, en wanneer nopens zijne beswaarmis over het gedecerneerde arrest zoodanige representacie konde doen als te gaade zoude worden; want dat het in de wagt van Hem Heere Gesachhebber niet stond om nopens den aert of merites van het arrest te Jugeeren ofte te determinee„ ven, wijl dat, na voordracht van zae„ ken met alle reverantie aan de beoor„ deeling van de Edele Horge Indische Regeering zoude gelaaten worden; en dat, over zulks in zijn verzoek tot pro„ visioneel ontslag niet anders daar op den gesegden en beschreeven voet konde bevilligen, waar aan meerm: van Bij„ land. 110 Den 9 November 1790. land, zich dan eindelijk hebbende onder„ worpen, zoo is verstaan aan te teekenen dat gem: Heer Gesach hebber, onder handtas„ ting en voorsz: beloften hem uit het arrest gelargeert, en den Commandant van het Garnisoen gelast heeft, den schildwagt, direct te laaten aflossen en van Bijland begeerende zich buiten het fort te begeeven, niet teegen te houden: wijders om, na volgens het tweede lid, de voorsz: paketten met papieren door den secretaris deezer ver„ gadering met de voorsz: getuigen op de zaele van het Gouvernement, aen voorm: van Bijland ter hand te doen stellen, des begeerende met een beamptschrijver en getuigen van zijne kant om van de opening en be„ vinding der stukken te laaten maak Den 9 November 1790. de Suppliant maaken Acte; hoedanig ook word gepermitteerd te doen en te laaten handelen met zijne te Jag„ gernaik poeram gearresteerde goederen, wel verstaande na dat over de opper„ hoofdij provisioneel gedisponeert en bij bekleeding door nieuwe opperhoofden dezelve ordre gesteld zal zijn, te weeten dat het overneemen van de goederen geschiede door gemachtigden te verkiesen zijnentweegen, en ten bij zijn van een beampt schrijver en getuigen om Acte te maaken van de bevinding en overgave van dien, ten overstaan en bij zijn van de opperhoofden ter andere zijde, aan dewelke ter verzending herwaarts zoo wel als aan des suppliants gemag„ tigen
English
111 The 9 November 1790. authorized shall be granted and delivered an engrossed copy of the aforementioned Deed in order to serve wherever it is required; Item that the request regarding Jan Obdam was denied to him, Van Bijland, in the meeting, but he was permitted to employ another person for his assistance, with liberty to Jan Obdam for the execution of all notarial deeds which he, Van Bijland, might require; and finally that the two Jaggernaikpoeram peons, under the condition of bearing the expense to retain them, have been granted to him, and he himself, after the settlement of these matters, has been dismissed. Furthermore, it has been resolved to record here The 9 November 1790. the communication made to the foreign nations established here concerning the change in the supreme leadership of this Government by missive dated the 25th of the past month, reading as follows: To the Governments of the foreign Nations. Madraspatnam Pondicherry, and Tranquebar. Whereas it has pleased the High Indian Government to discharge Nicolaas Tadama, upon his request made to that effect, from the chief leadership of this Government, and in his stead to elect 112 The 9 November 1790. and appoint Mr. Jacob Eilbracht, who has today assumed the authority and presidency in our meeting, we therefore take the liberty to give Your Honors notice of this occurred change. We request at the same time that the good understanding between the two nations, being more and more cultivated, may be brought to that perfection which the will and desire of our mutual superiors, and the true and essential interest of the same in general and our colonies in particular, come to demand and require, since we desire nothing more ardently than to show, by all possible proofs of readiness and serviceableness, how much we have the honor to be with the highest esteem, In the margin: Palliacatta, In Castle Geldria, the 25th October 1790. Whereupon yesterday morning was received from the Honorable Governor and Council at Madras Their Honors' reply, dated the 6th instant, which in the original with the translation follows below: Jacob Eilbracht Esq:r Superintendant of the Possessions of their High Mightinesses the States General on the Coast of Coromandel and to the Gentlemen of Council Gentlemen We have had the honor to receive your letter Pulicat The 9 November 1790. at 113 The 9 November 1790. of the 28th ulto and beg leave to congratulate Mr. Eilbracht on his succession to the Government of Pulicat. You may be assured it will be our most earnest desire to continue the good understanding that has hitherto subsisted between our Governments in India and which we have the pleasure to observe is so consonant to the wishes of our respective nations in Europe. We have the honor to be, below stood: Gentlemen, your most obedient servants, was signed: Chas. Oakeley and J: Hudleston. In the margin: Fort St. George, 6 November 1790. Examined, signed: S: S: Jackson. Below stood: Translation The 9 November 1790. Translation To Jacob Eilbracht, Esquire, Superintendent of the Possessions of Their High Mightinesses the States General on the Coast of Coromandel, The Gentlemen of the Council at Palliacatta. Honorable Sirs, We have had the honor to receive your letter of the 28th of the past month and request permission to congratulate Mr. Eilbracht on his succession to the Government of Palliacatta. Your Honors may rest assured 114 The 9 November 1790. of our earnest desires for the continuation of the good understanding which, until now, has existed between our Governments in India, and concerning which we have the pleasure to remark that the wishes of our mutual Nations in Europe are so consonant. We have the honor to be, below stood: Honorable Sirs, Your very obedient servants, signed: Chas. Oakeley and J: Hudleston. In the margin: Fort St. George, 6 November 1790. It has been resolved to keep this record of the same, as well as of the dispatched and received letters dated the 4th, 5th, and 8th of this current month, regarding The 9 November 1790. deserters delivered up to the English Government in fulfillment of the subsisting Cartel and further reasons as shall more fully appear from the correspondence itself: To the Right Honorable Charles Oakeley, Esquire, Governor on behalf of the Honorable English East India Company, Madras. Right Honorable Sir, I take the liberty to let this 115 The 9 November 1790. serve to accompany a deserter who arrived here yesterday by the name of Jan Freijse of Hulmson, according to his own confession departed with the Hanoverian Regiment and landed at Madras in 1781, pretending to have served his time and to be free; but since he cannot show his discharge, I have deemed it my duty, upon the terms of the Cartel, to send him back under a detachment of a corporal and four sepoys up to the limits of Madras, in order to be handed over there to the order of Your Honor. I have the honor to be with all high esteem, below stood: Right Honorable Sir, Your Honor's very The 9 November 1790. humble and obedient servant, was signed: Jacob Eilbracht. In the margin: Palliacatta, the 4th November 1790. To the Honorable Jacob Eilbracht, Superintendent of the Possessions of Their High Mightinesses the States General, on the Coast of Choromandell at Pulicat. Honorable Sir, I have been honored with the receipt of your Letter of the 27th ultimo, and beg leave to make my acknowledgments Military Department
Dutch transcription
111 Den 9 November 1790. tigden verleent en afgegeeven zal worden grosse der geo: Acte om te kunnen die„ nen daar het behoord; Jtem dat het verzoek nopens Jan obdam, hem van Bijland in vergadering ontzegd, doch gepermitteerd is geworden een ander te konnen emploijeeren tot zijne assis„ tencie, met vrijheid aan Jan ob„ dam tot het passeeren van alle No„ tarieele Acten, welke hij van Bijland mochte benodigen en eindelijk dat de twee Jaggernaikpoeramsche pions „ on„ der de mits van defroijeering hem aan te houden, zijn toegestaan, en hij zelve, na afhandeling van dit een en ander, is gedemitteert ge„ worden. Voorts is verstaan alhier aante terke„ nen Den 9 November 1790. „nen de aan de alhier g'etablisseerde vreemde Natien gedaane Communicatie van de verandering in het opperbestier deezes Gouvernements bij missive gedagte„ kend den 25. der gepasseerde maend; luidende aldus Aan de Gouvernementen der vreemde Natien. Madraspatnam Pondicherij, en Tranquebaar. Badien het de Hooge Indische Re„ geering behaagt heeft Nicolaas Tadama, op zijn daarom gedaan verzoek te ontslaan van het Hoofd bestier deezes Gouvernaments, en in zijn steeds weeder te verkie sen 112 Den 9 November 1790. sen en aan te stellen den Heer Jacob Eilbracht, die heeden het gesag 1 en presidie in onse vergadering aen„ vaert heeft, zoo bevrijmoedigen wijns uwel Edelens van deeze voorgeval„ lene verandering kennisse te geeven wij versoeken tevens dat de goede verstandhouding tusschen de beide Natien, meer en meer aangequeekt, tot die volmaakheid mag gebragt worden als de wil en begeerte on„ zer weder zijdsche superieuren en het waa„ ven wezenlijk belang van Dezelve in het al gemeen en onze Colonien in het bij„ zonder dat komen te vorderen en te ver„ eisschen, dewijl wij niets vieriger wer„ schen dan, door alle mogelijke preuves van bereidwaerdigheid en gedienstigheid te toonen hoe zeer wij met de uitterste horg hoog achting de eere hebben te zijn /: in margine. / Palliacatta In't Casteel Geldria den 25. October 1790. Waar op gisteren morgen van den Edelen Heer Gouverneur en Raad te Madras is ontvangen Haar Edelens antwoord, gedateerd den 6. dee„ zer, dat in het oorsprangkelijke met de vertaaling hier onder volgt Jacob Eilbracht Esq:r So Superintendant of the Possessions of their High Maghtinesses the States Ge„ neral in the Coast of Coromandel and to the Gentleman of Council Jen tlemen We have had the honer to receivs yjour letter= Pulicat Den 9 November 1790. at 113 Den 9 November 1790. of the 28th ulto and beg leave to Con„ gratulate, M. r Eilbracht en his suces„ sion to the Governmant of Pulicat you maij be assured it will be our most earnist desive Continue the good understan„ dig that has het herto subsisted be„ tween over Governments in India and which we have the pleasure to observe is so consenant to the wishes of our respec„ tive nations in Europé Wes have the hoor to be /:nderstond./ Gentlemen, vour most oedient sor„ vants /:was geteekend:/ Cha„s oakeleij en J: Huoleston /. In margine:/ fort St George 6 November 1790. Examined /: getd / S: S: /:lager stond:/ ijacksen Translart Den 9 November 1790. Translaat Aan Jacob Eilbracht schilde Superen ten dant van de Bezittingen van Hun Hoog mogende de Staaten Generaal op de kust Cormandel De Heeren van de Raad te Palliacatta Wel Edele Heeren. Zij hebben de eere gehad te ontvangen uwe brief van den 28 der gepasseerde maand en verzoeken verlof den Heer Eilbracht te Congratuleeren met zijne opvolging in het Gouvernement van Palliacatta uw Edelens mogen zich verzeekert zou„ en ƒ en 114 Den 9 November 1790. den van onze ernstige begeerten ter Continu„ eering van de goede verstandhouding welke, tot nu toe, plaats heeft tus„ schen onze Gouvernementen in India en waaromtrent ave het genoegen heb„ ben van aantemerken, dat zo gelijk„ luidend de wenschen zijn onzer wederzijd„ sche Natien in Europa wa hebben de eere te zijn /:onderstond:/ Wel Edele Heeren. Uwe zeer gehoor„ zame dienaaren /:geteekend:/ Cha„s oa„ Kelij en J: Hudlesten /: in mar„ gine:/ fort S=t George 6 Novem„ ber 1790. verstaan is deeze annotacie Van het wedke te houden, als meede van de versondene brieven in datis 4, 5, en 8. en ontvangens deezer loopende maand, met betrekking tot Den 9 November 1790. tot uitgeleverde overloopers aan het Engelsch Gouvernement ter nakoming van het subsisteerende Cartel en verdere motiven als bij de Corespen don„ ter zelve nader komt te blijken: Aan den wel Ed: Gestrengen Heer Charles Oakelij, Schildk: Gouverneur van weegens de Ede¬ le Engelsche Oost Indische Comp: Madras Wel Edelen Gestrengen Heer Ik neem de vrijheid deeze te laa„ Te ten 115 Den 9 November 1790. ten dienen ten geleide van een gisteren al„ hier aengekomen overloper in naame Ian Freijse van Hulmson, volgens eige beken„ tenis uitgevaeren met het Hanoversch Regiment en te Madras aangeland in 1781. , voorgeevende zijn tijd uitge„ dient te hebben en vrij te zijn: Dan nadien hij zijn demissie niet toonen kan, hebbe ik het van mijn plicht geoordeelt, hem op de termen van het Cartel, te rug te moeten zenden, met een Commando van een korporaal en vier Sipais tot aan de limiten van Madras om aldaar aan de ordre van uwel Ed: Gestr: te wor„ den overgeleevert Ik heb de eere met alle hoog achting te zijn /:onderstond:/ Wel Edelen Gestr: Heer, uwel Edele Gestr: Deer nedren Den 9 November 1790: nedrigen en Gchoorsaeme Dienaar /:was geteekend:/ Jacob Eilbracht J. J margine:/ Palliacatta den 4. November 1790. 46 Jacob Eilbracht b To the Honm superintendant of the Possessions of thier High mightenesses the states General, on the Coast of Choromandell at Pulical Souble Sir. I have been honered with the reriept of your Letter of the 27. ultimo, and begleave to make mij aiknour„ Militarij Department led
English
116 9 November 1790. ledgments for the very polite manner in which you have expressed your intention of conforming strictly to the articles of the cartel for the mutual restitution of deserters. The bearer of this letter has orders to examine the two deserters whom you have mentioned as having come to Pulicat on the 26 ultimo, and should any other of our men have since escaped to your settlement, he will be able to ascertain them. I have the honor to be, underneath, Honorable Sir, your most obedient humble servant, signed, Charles Oakeley, in the margin, Fort St. George, 5 November 1790. Translation 9 November 1790. Translation To the Honorable Jacob Eilbracht, Superintendent over the possessions of Their High Mightinesses the States-General on the Coast of Coromandel at Pulicat. Honorable Sir, I have been honored with the receipt of your letter of the 27th past, and request permission to express my acknowledgments for the very polite manner in which your Honor has been pleased to express yourself regarding your intention toward the strict compliance 117 9 November 1790. with the articles of the cartel for the mutual rendition of deserters. The bearer of this letter has orders for the examination of the two deserters whom your Honor mentions to have arrived at Pulicat on the 26th past, and in case any other of our people should have since fled to your place, he finds himself in a position to recognize and point them out. I have the honor to be, underneath, Honorable Sir, your most obedient and humble servant, signed, Charles Oakeley, in the margin, Fort St. George, 5 November 1790. To 9 November 1790. To the Right Honorable Charles Oakeley, Governor on behalf of the Honorable English East India Company at Madras. Right Honorable Sir, At the request of your Honor, I have caused to be shown to the bearer of your respected letter under date 5th of this current month, the two men who came over to us on the 26th past, pretending that they were Danes, as well as all others who are present with us in 118 9 November 1790. the fort. And whereas, upon investigation and their own confession, it has appeared that the said two soldiers and another four mentioned on the enclosed list of names really belong to the Hanoverian Regiment at Madras, and according to their testimony went away because they had served out their time and due to lack of payment were often in want, the same to the number of 6 persons are delivered to the Sergeant-Major who was sent, and at his request an escort of a Corporal and 12 native Sepoys has been added for assistance, for whom I request the payment of the usual batta. 9 November 1790. I also take the liberty to request your Honor, as well by virtue of the cartel as on behalf of the aforementioned deserters, that they may remain free from the usual military punishment or other correction; having already been accepted since the 4th of this month to serve our Company, and, if they are free or past their time, were exposed to a hard fate. I have the honor to remain with the highest perfection, underneath, Right Honorable Sir, your Honor's most obedient and very humble servant, signed, Jacob Eilbracht, in the margin, In Fort Geldria at Pulicat, 119 9 November 1790. Pulicat, 8 November 1790. The men mentioned in the last-named letter having been granted deed as soldiers on the 4th of this month, upon testimony that they were all from the Danes, and not from the English Hanoverian Regiment, which they, upon examination by the Sergeant-Major sent by the English Governor, were unable to maintain, and for which reason they, as having been forewarned thereof, were handed over and sent to Madras, the subsistence money of five of whom has been refunded back into the treasury: Thus done and 9 November 1790. decreed in Fort Geldria at Pulicat, date as aforesaid; was signed, as before. Friday, 19 November 1790. Morning. All present. The matters for the general resolution of today having been concluded, the Commander made known to the assembly the receipt, on the 17th of this month and today, of two letters here following 120 19 November 1790. from the Resident at Nagapatnam, the Bookkeeper Philippus Jacobus Dormieux, dated the 13th and 15th preceding, and reading as follows: Right Honorable Sir, I have been honored with your Honor's letter of the 8th of this month, and shall not fail to comply with your Honor's esteemed wishes contained therein. For the present, no other reports have been received here than that the brigade under Colonel Trent, having arrived in the southern army with ammunition and provisions from Karur, 19 November 1790. the same marched from Erode on the 8th of this month; but whether it has moved westward across the Bhavani River to the Pass of Sathyamangalam, or northward across the Cauvery River to join the western army under Colonel Maxwell, which has already penetrated into Tipu's country, for its support through the Pass of Moer or Ambur, is still uncertain. According to a previous report, the southern army was to execute the latter. But it is reported that a great dissatisfaction reigns between the last-mentioned army and its commander, who, although a stranger in this country and thus ignorant of the same, its customs, and native warfare, is nevertheless too haughty to [illegible] experienced officers to 46
Dutch transcription
116 Den 9 November 1790. ledgments for the verij polite manner in which you have expressed ijour in¬ tention of Conforming strictlij to the Articles of the Cartel for the mistu¬ al restitution of Desertert. The Bearer of this Letter has orders toe two Deserters whom ijou have mer„ tioned as having Come to Pulicaton the 26 ultimo and should anij of her of our men have, since escaped to ijour settlement, he will beable to ascertain them. Ihave the Amnor to be /:onderstond/ Honble sir, ijour most obedient humble servant /:geteekend:/ Cha„ oakelij /:in margine:/ fort S=t George 5. November 1790. Translaat Den 9 November 1790. Translaat Aan den Wel Ed: Heer Jacob Eilbracht, Super in tendefent over de Bezittin„ gen van Haar Hoogmogende de Heeren Staaten Geraal op de kust Cormandel te Paliakatta, Wel Edele Heer. Ik ben virierd geworden met de ontvangst van uwe brief van den 27. laestlee„ den en versoeken verlof mijne erken„ tenis te betuigen voor de zeer poli„ te wijse op welke uw Edele zich heeft gelieve uitte drukken omtrend uwe meening ter naaukeurige opvol„ ging 117 Den 9 November 1790. ging van de Artikelen van het Cartel tot de wederzijdsche overgave van de„ serteurs. Brenger van deeze brief heeft ordr tot de examinatie der twee overlopers welke uw Edele melt te Pal„ liacatta aangekomen te zijn op den 26 passato, en bij aldien ter eenig andere van ons volk severt tot uwe plaets mocht gevlucht zijn be„ vind hij zich in staat die te onder„ kennen en aan tewijsen. Ik heb de eere te zijn /:onderstond/ Wel Edele Heer, uwe zeer Ge„ hoorzaeme en nedrigen Dienaar /:geteekend:/ Cha„ Oakelijp Jr margine:/ fort S=t George 5 November 1790. Aan Den 9 November 1790 Aan den Wel Edelen Gestrengen Heer Charles Sakelij, Gouverneur van weegen de Edele Engel¬ sche oost Indische Comp. Te Madras Wel Edele Gestrenge Heer. Ik heb op versoek van uweEEd: Gestr: aen den brenger van deszelfs gerespekteer„ de brieff sub 5. deezer loopende maand, vertoonen laeten de twee man die den 26 passals tot ons zijn overgekomen, voorgeevende dat zij Deenen waren, als meede alle anderen die zich bij ons in het 118 Den 9 November 1790. het fort bevinden. En nademael, bij onderzoek, en eige Confis„ sie is gebleeken dat de gem: twee sol„ daeten en noch vier anderen op het ingeslooten Naam lijstje vermeld, werke„ lijk van het Hanoversche Regi„ ment te Madras en volgens haers betuiging weg gegaan zijn om dat ze haere tijd uitgedient en mits mancquement betaeling veel tijds gebrek hadden, zoo worden dezelve ten getalle van 2e 1 stux aen den gesonden sergiant Majoor overgeleevert en op zijn ver„ zoek een Escorte van een Corporaal en 12. gemeene Sipaaijs tot assis„ tendie daar bij gevoegt, van dewelke ik de voldoening der gewoone Battam ver Den 9 November 1790. verzoeken. Ook bewijmoedige ik mij uwel Edele Gestr: zoo uit krachte van het Cor„ tel, als de beideder voorm. Drossers te verzoeken, dat zij van de ge„ woone militaire staf of andere Correctie mogen bevrijd blijven; zijnde reets seedert den 4 deezer aange„ nomen geweest, om onze Comp: te die„ nen, en ons, zoo zij vrij, of over Haer tijd zijn, aen een hart lot g'expineert. Ik heb de Eere zeer volmaektelijk te verblijven /:onderstond:/ wel Edele Gestr. Heer, uwel Edele Gestr: zeer gehoersaame en zeer ne„ drigen Dienaar /: geteekend:/ Ja„ cob Eilbracht /:in margine/ Int fort Geldria te Pal„ liacatta 119 Den 9 November 1790. liacatta den 8: November 1790. Sijnde de bij laastgemelde brief ver„ melde manschap den 4. deezer Acte verleent als soldaat, op betuiging, dat zij alle van de Dienen, en niet van het Engelsche Hanoversche Regiment waren, het welk zij bij examinatie van de door den Heer En„ gels Gouverneur gezondene sergeant Majoor niet hadden kunnen ge„ stand doen en waarom zij ook, als voor af derweegen gewaarschouwt, uit„ geleevert en naar Madras ver„ zonden zijn, het kostgeld van vijf van dewelke weder in Cassa geresti„ tueerd is geworden: Aldus Gedaan en Gear Den 9 November 1790. Gearresteerd in 't fort Geldria Palliacatta dato te voorsz: /:was geteekend:/ Als vooren Vrijdag den 19 November 1790. Smagens Alle Present. se zaeken ter gemeene Resolu„ tie van heeden verhandelt afge„ loopen zijnde, gaf de Hei Gezag„ hebber de vergadering te kennen van de ontvangst op den 17. deezer en heeden, van twee hier onder vol„ gende 120 Den 19 November 1790. gende brieven van den Resident te Nagapatnam den Boekhouder Phi„ lippus Jacobus Dormieur gedag„ teekend den 13. en 15. bevoorens en luidende aldus. Wel Edele Gestrenge Heer. Ik ben vereerd geworden met twel„ Edele Gestr: missive van den 8. dee„ zer; en zal niet in gebreeke blijven, om aan Hoogst Deszelfs geëerde begeerte bij dezelve vervat te vol„ doen. Voor het tegenwoordig heeft men hier geen andere berigten ontfangen, dan dat de brigade onder Colonel Trent met ammunitie en provisie van kavoer in het Zuider leger aangekomen zijnde Den 19 November 1790 zijnde, het zelve den 8 deezer van Crode gemarcheerd is; doch of het wistwaards over het rivier Bavani naar den pas van Satimangalam getrokken is, van wel noodwaards over het rivier Caveri, om door den Sas van Moer of Amboer bij het westersche leger onder Colonel Marwell, dat reeds in Tiepos land door gedrongen is, tot deszelven te voegen ondersteuning is nog onzeker. volgens een voorig bericht stond het zuijder leger het laeste te werkstellingen. Maar men meld dat eene groote mis„ noegdheid tusschen het laestge„ meld Leger en dues Bevelhebber re„ geerd, die schoon een wveendeling in dit land, en dus enkundig van het zelve, dies gewoonte Etiie van den inlandschen oorlog, nochtans te hoogmoedig is om ervaerene officieren te 46
English
The 19 November 1790 to consult; and, in order to gain the glory alone, executes everything stubbornly and thus wrongly, which is the cause that so considerable an army has made so little progress in these six months that it has taken the field. Meanwhile it consumes all the provisions it can get and costs the Company at least four lakhs of Pagodas a month. He must be a strange gentleman. Little or not at all does he speak with his officers, always serious, impatient, a hothead, also at variance with his principal officers; he will not even employ spies to know the movements of the enemy, which he cares little about. This is truly vexatious, considering the English have The 19 November 1790. never found themselves in more advantageous circumstances to dictate terms to the common enemy. His officers are also not backward in giving him fitting underhanded thrusts on suitable occasions; for a certain Captain Sibbald, who in the previous war against Haidar had served under General Coote, being asked by him in a sneering manner what he thought of this war, said publicly that if General Coote were alive and commanded such a considerable army, he would have already sought out, found, and beaten Tipu, which unexpected answer did not please him at all. He is even envious of the heroic deeds of another, and treats the terrible battle of the 14 September between the small detachment of Colonel Floyd and Tipu's The 19 November 1790. entire army, upon which the preservation of Coromandel for all European Nations depended, as a trifle. Even the nation is discontented with him, and it is said confidentially that Lord Cornwallis will come over next month to command the army. The English prisoners from Dharapuram have arrived at Trichinopoly; a letter from Captain Macnicol at Cochin to Mr Michiel here, received yesterday, reports that they are so alarmed there, since the English troops have marched from there, that five thousand of Tipu's people, who would be assisted by the discontented there, would come to surprise the entire Travancore country; The 19 November 1790 that the Nairs, who had declared for the English, first want to wait and see who gets the upper hand, and that the King of Cannanore, who had agreed to enter into an alliance with the English, now begins to play the rogue. It is feared that they are supported by Tipu, which is the cause of the alarm. There is also no confidence, not even in the army, in the ability of General M. One fears for bad consequences if Heaven does not notably provide therein, and wishes that there were already peace. I have the honour to be /:was signed:/ Right Honourable Sir, Your Right Honourable's very humble and obedient servant P. J. Dormieux /in the margin:/ Nagapatnam The 19 November 1790. Nagapatnam the 13 November 1790. /:below was written:/ Letters from Karikal report of troubles at Pondicherry among themselves. Right Honourable Sir, Today the English gentlemen here have received letters dated yesterday from Trichinopoly by tapals, reporting that a great number of enemy horsemen arrived there yesterday with orders to disperse themselves over the entire The 19 November 1790. entire Tanjore country; thus they are expected here, and everything is in great commotion. All the troops march tomorrow to Nagore, so that Nagapatnam will be left exposed. Poor inhabitants! The wealthy strive to save themselves by sea. Said letters also report that since the 9th of this month, when the grand army crossed the Cauvery, they have no news of it. Verbal reports The 19. November 1790. reports confirm that a whole troop of horsemen was seen the day before yesterday at Tjali, who had crossed the Coleroon. We have no rain here yet. In Bengal there is great dearth, and in Surat a measure of rice is sold for One rupee. I fear for dreary consequences. Indescribable is the consternation here. The letter from the government of the 1st of this month reached me today in duplicate. I remain in haste /:was signed:/ Your Right Honourable's humble and obedient Servant /:signed:/ P. J. Dormieux /:in the margin:/ Nagapatnam The 15 November 1790. The 19 November 1790. Whereby then appearing that, by reason of the steadily increasing military operations of Tipu Sultan with the English, the state of affairs here on the coast seems more and more to come into that aspect, that one cannot be enough on one's guard against unexpected attacks, not only of irregular, murder- and fire-raising troops roaming everywhere, but that the designs of the prince himself with respect to us are constantly to be distrusted and of alarming consideration The 19 November 1790. are in a situation such as ours, established in a place belonging more to his enemies than to the Company, whose fort Geldria, if one should even have to retire into it, is fit for no defence and is moreover destitute of all necessities, such as room for shelter of a numerous community and for the storing of a supply of provisions, especially drinking water, of which in time of need one would, the very first, possibly in two days, have a lack; that, on top of that, this miserable place miserable place itself is destitute of all necessary requirements, which being obtainable only in very small quantities for daily use, not to satisfaction, must be fetched from elsewhere and brought hither in an expensive manner; besides also that the ready money, being likewise not so plentifully at hand and not to be obtained except with the utmost unpleasantnesses and vexatious inconveniences, likewise forms an obstacle whereby the best attempts at measures to be undertaken are frustrated, and that misfortune there the 19 November 1790.
Dutch transcription
121 Den 19 November 1790 te raedpleegen: en om de Eere alleen te behaalen alles eigenzinnig en dus verkeer uitvoerd, het welk wil oorzaak is, dat zoo een aenzien„ lijk leger zoo weinig voortgang in deeze ses maenden dat het zelve ten velde getrokken is, gemaakt heeft. Jntusschen verteerd het al den voor„ raed die 't krijgen kan en kost de Comp. ten minsten vier lakken Pa„ gooden 'smaands- Hij moet een worderlijk Heer weezen. wijnig of niet spreekt hij met zijne officieren, altoos ernstig, ongedul„ dig een Choquart, ook oneenig met zijne hoofd officieren — zilfs wil hij geene spiens gebruijken im de beweegingen van den vijand te weeten, daar hij zich weing aan kreund, Dit is waarlyk tergende & gemerkt de Engelschen Lig 46 Den 19 November 1790. zig nooit in voordeeliger enstandighee„ den bevonden hebben om den gemeenen vijand witten voor te schrijven. -. zijne officieren zijn ook niet agterlijk gepaste„ om hem bij geerehede geleegendheschorten onder water te geeven: want eenen Capt, Sibel, die in den voorigen oorlog tegen Haider onder Gene„ raal Coote gedient had, door hem op eene Schimpagtige wijze gevraagt zijnde, wat hij van deezen oorlog dagt, zeide publiek dat als Generaal Coote leefde en zoo een aenzienlijk leger beval, hij Pie poe reeds had opgesogt, gevorden en geslagen, welk onverwacht ant„ woord hem gantsch niet behaegdig Hij is zelfs nijdig over eens an„ deren helden daeden, en verslijt ven izelijken slag van den 14. september tusschen het kleen de„ tarhamt 122 Den 19 November 1790. tachement van Coll: floijd en Tiepos gantsch leger, waar van het behoud van Cormandel voor alle Europee„ sche Natien afhing als een kleenigheid. zelfs de Natie is overhem te on„ weeden, en 't word vertrouwelijk ge„ segt dat Lord Cornwallis aenstaan„ de maand zal overkomen in het legen te gebieven — De Engelsehe gevangen van Darampoeran zijn te Trisenapalie aangekomen; Een brief van Capt: Macknicol te Cochiem aan M=r Michiel alhier, gisteren ontvangen meld, dat men daar zoo gealarmeerd is, se„ dert dat de Engelsche troopen van daer gemarcheerd zijn, dat vijf duij„ Lend van Siepoes volk, die door te misnoegden aldaar zouden geassis„ teerd worden, het gansche Briven„ koersche land zouen komen over voopde Den 19 November 1790 rompelen; dat de nairs, die zich voorde Eng: verklaard hadden eerst willen toezien wie de ver¬ hand krijgt, en dat de Koning in van Kanaroer, die bewilligd had eene alliantie met de Engelsche aan te gan, tans de schen begint te speelen. Men weest, dat zij door Tipoe onderschraagd werd, het welk de oorzaek van het alarm is: Daar is ook geen ver„ trouwen, zelfs niet in het leger op de bekwaemheid van generaal M„ Men weest voor slegte gevolgen zoo den Hemel er niet merkelijk in voorziest en wenscht dat 'er al vreede was zeer Jk heb „ de Eer te zyn /:onderstond:/ wel Edele Gestr: Heer, uwelEd: Ge str: Zeer ootmoedige en Gehoorzaeme dienaar PJ Pn I: Dirmiewij /in margine:/ / get Nagasr 123 Den 19 November 1790. Nagapatnam den 13. No„ vember 1790. /: lager stond./ brie„ ver van Karikal melden van troubles op Pondicherij onder zich zelven. —. Wel Edele Gestr: Heer Heeden hebbende Engelsche Hes„ ven alhier brieven van gisterige dag„ tekening van Trintjenapalie per tapals ontfangen, meldende dat een groot getal vijandelijke mij ters daar gisteren aangekomen waren met ordres om zich over het gantsche Den 19 November 1790. gansche Tantjoursche land te versprijden dus verwacht men ze hier, en alles is in repen voer. —. Alle de troupen marcheeren morgen naer Nagoer, zoo dat Naga bloot zal gelas„ ten worden. arme ingezete„ nen de vermogende tragten zig over zee te verder. —. ge„ melde brieven melden ook dat zij sedert den 9. ' deezer, dat het groot leeger over de Caveri ge„ trokken is, geene tijding daar van hebben. Madelinge be„ rechten 124 Den 19. November 1790. richten bevestigen dat een heel boel Ruiters eergisteren te Tja„ li gezien zijn, die over de Co„ lerom gekomen waren. —. Wij hebben hier nog geen vegen. -. In Bengaalen is groote duurte en in Souratta word een maet rijst tegens Een ropij verkogt. Ik vrees voor naere gevolgen. en beschrijvelijk is de ontsteltenis alhier, de brieef van de regeering van den 1 dezer is mij heden in duplij geworden; Ik verblijve in haest /:onderstnd. UwelEd: Gestr: ootmoedige en Ge„ hoozame Dienaar /:geteekend/ P. J: Dormieur /:in margine:/ Na„ Den 15 Novem„ gapitnam ber 1790. waar den 19 November 1790. waar bij dan blijkende, dat mits de gaende weg toeneemende krijgsope„ ratien van Tiepoe Sultan met de Engelschen, den staat van Zae„ ken hier ter kuste meer en meer schijnen te komen in dat aspect, dat men niet genoeg op hoede kan zijn tegen werwachte aen„ vallen van over al swervende irre„ gulaire, moord en brand stichtende troepen niet alleen, maar dat de desseinen van den vorst zelfs ten nzen opsichte, steeds te mis„ trouwen en van zorgelijke bedenking zijn 125 Den 19 November 1790. zijn in een situatie als de onze ge„ vestigt in een plaats, meer behoo„ vende aen zijn vijanden als de Comp. wiersfort Geldria indien man daar al in zou moeten retireeren, tot geen difensie geschikt en daar bij ontbloot is van alle noodwendig„ „heeden gelijk plaets tot lyfberging W. van een nam breuse Gemeente en tot oplegging van voorraed van pro„ visien in zonderheit drinkwater waer aen men in tijd van nood het aller„ eerst, mogelijk in twee dagen gebrek zou hebben; dat daar en boven deeze elen dije elendige plaets zelve is ontbloot van alle nodige behoeften die maar in zeer geringe quantiteit tot dage„ lijksch gebruijk, niet na genoegen te bekemen zijnde, van elders gehaelt en op een kostbaere wijse herwaards „moeten gebracht worden; behalven 2 noch dat het gereedgelt, ook zoo ruim niet aan handen en niet dan met de uitterste enaangenaam heeden en verdrietige in Convenienten te beko„ men, almeede een obstacul uit„ maekt, waar door de beste pooging van ter hand te neemene metu„ ves word verijdell, en dat daer on„ den 19 November 1790. geluk
English
126 the 19th of November 1790 fortunately, if the rain contrary to custom fails to appear, one could fall into the utmost difficulty and misery, both through high prices as well as scarcity and lack of Rice and Paddy, from which, besides a dreadful famine, other lamentable consequences could also flow, in which therefore, according to the opinion of the Lord Administrator, insofar as necessary, provision should be made first of all. Thus the one and the other was agreed upon, and being understood with His Honorable Respectable in like manner, it was approved and resolved, in conformity with His proposal, to demand of the Storekeeper to make a calculation of the stock of Rice, Paddy, and oil, what he must provide thereof monthly, and how far that can still reach, in order to dispose according to the findings of affairs and to do that which can possibly take place. Concerning the return, made in the Government according to the separate resolution of the 9th of this month, of two sealed packets of papers belonging to the merchant van Bijland, before and in the presence of the secretary of this assembly and in the presence of the First Sworn Clerk and witnesses, there was drawn up and submitted today to the assembly the following Act the 19th of November 1790. The 19th of November 1790 for the Honorable Company Today, the 15th of November 1790, I, Jan Adam, Bookkeeper and First Sworn Clerk at the Secretariat of the Coromandel Government, together with the witnesses to be named hereafter, following prior summons, proceeded to the Government here at the Castle, where before me and witnesses appeared in their own persons the Honorable Willem Hendrik van Bijland, Merchant and out-of-function Chief of Jaggernaikpoeram, of the one part, and Johan Joachim Hasz, Junior Merchant and Secretary of Policy here, of the other part, the latter assisted or reinforced by the Sworn Clerks Abraham Dormieux and Hendrik Richard; the Lord second appearer presenting No. 46. The 19th of November 1790. before the said Sworn Clerks, for restitution to the Lord First Appearer, by order of the Honorable Respectable Lord Administrator, two closed packets sealed with four seals, namely two of the small seal of the Honorable Company, and one of each of the named Sworn Clerks, together with a register of the papers contained in the same packets, these packets being lettered A and B. Whereupon the Lord First Appearer reviewed the register and thereupon declared: That his papers at Jaggernaikpoeram had been sealed by Mr. Schliephaaken, the Sworn Scribe van Holt, assistant Da Silva, and his personal writer Dirksz, in two different parcels and those bound together in one dungaree. That 128 The 19th of November 1790. That he now saw with great astonishment that they had presumed, against all good faith and rights, to open the same parcels and draw up a register, and to take out for the most part the most important documents and proofs. That he therefore considered that the Lord Secretary, the second appearer, ought to declare how he had received the same papers, and on whose order, namely: upon a resolution of the Council, or rather by order of Mr. Tadama alone. The Lord second appearer declaring hereto that around the 28th of May of this year, upon the occasion that he was with the Respectable Lord Former Administrator Tadama that morning, His Respectable had handed him two packets that were opened, and that he therefore could not declare which seals had been upon them; that His Respectable had ordered him to draw up a register of those packets immediately in the presence of two Sworn Clerks, as the Lord Fiscal Brouwer demanded the same. That His Honor, having thereupon proceeded directly home with those parcels, had also immediately summoned the two above-named Sworn Clerks and had them draw up, before him, the currently produced register of the papers found in the same packets. That he, having offered this register to the Respectable Lord Tadama for review, His Respectable had ordered him to deliver the same to Mr. Brouwer if His Honor required it. After which declaration made on both 129 The 19th of November 1790. sides, the Lord First Appearer showing himself ready, under protestation and reservation as hereafter, to receive the papers according to the aforesaid register from the Lord Second Appearer, the aforementioned four signets thereon were examined by me, First Sworn Clerk, and witnesses, at the request of the Lord Second Appearer, and the same were found intact and uncancelled. Whereupon the said packets being opened, the papers contained therein were handed over by the second to the Lord First Appearer according to the register, and accepted by His Honor the First Appearer, this register reading as follows: Register of such letters and papers belonging to the Merchant and former Chief of Jaggernaikpoeram, Mr. Willem Hendrik The 19th of November 1790. Hendrik van Byland, which were sent over hither by the commissioners there, the Junior Merchant and Chief of Bimilipatnam, the Honorable Philippus Hendricus Heshusius, and the Bookkeeper and Second of Palicol, Sebastiaan Matthias Schliephaken, in two parcels sewn in wax cloth and sealed with the Company's signet, marked P, and also opened, by the most honored order of the Honorable Respectable Lord Nicolaas Tadama, Senior Merchant and Administrator of this Coast of Coromandel with the resort thereof, etc. etc., by me, the undersigned Provisional Secretary, in the presence of the Sworn Clerks signed in the margin, and
Dutch transcription
126 den 19. November 1790 gelukkig de peegen tegen gewoonte ak agterblijft men zou kunnen vervallen in de uitterste ingelegenheit en elende; zoo door duurte als schaarsheit en ge„ boek aen Rijst en Nelij, waar uit behalven eene gedugte horgersnood ook andere beklaegelijke gevolgen zoude kunnen voortvloeijen, waer in der halve na de Openie van de heer Gesachheb„ ber in zoo verre noodzaakelijk, het eerst van allen dient te worden voorzien: zoo is het een en ander toe„ gestemt een met zijn E. E: Agtb: in zilvervoege zijnde begreepen, Conform Deszelfs propositie goedgevonden en ver verstaen den Dispencier te demandee„ ven om een bereekening te maeken van den vooraad van Rijst, Nelij en olij„ wat hij 'smaands daar van moet ver„ strekken en hoe verre dat nog kan toereiken, om na bevinding van zaeken te disponeeren en te doen het geen met mogelijkheit kan geschieden. van de volgens apart besluit van den 9. deezer in het Gouvernement ge„ daene te rug gave van twee verze„ gelde Paketten met papieren, toe„ behoorende den koopman van Bijland, ten overstaen en in presentie van den ser=t deezer vergadering en in bij zijn van den Eersten Gesw: Klerk en getuigen, zijnde ingericht en heeden ter vergadering overgelegd de volgende Acte den 19 November 1790. op Den 19 November 1790 voor DE: Comp: O Huijden Den 15. November 1790 Heb ik Jan Adam Boekhouder en Eerste Geswooren Clercq ter Secretarije van het Cormandels gouvernement wij ne„ vens de na te noemene getuijgens na voor gaand ontbod, vervoegd in 't Gouvernement alhier ten Casteele alwaar voor mij en ge„ tuijgens in eijgenen persoonen Compareer„ de de wel Edele Heeren Willem Hen„ drik van Bijland Coopman, en buij¬ ten funetie zijnde Opperhoofd van Jagger„ naik poerain, ter Eenne en Iohan Io„ achim Hasz: Onderkoopman en Se„ retaris van Politie alhier ter andere zeijde, den laasten bij gestaan ofte gesterkt van de Geswooren Clercquen Abraham Dormieux en Hendrik Richard presenteerende de Heer tweede Comporant No. 46. ten Den 19. November 1790. — ten overstaan van gemelde Geswooren Clercquen ter restitutie aan den Heer Eerste Comparant, ter Ordre van den E: E: Agtbaaren Heer Gesaghebber, Twee Geslooten pakketten met vier Zegul verzegeld, te weeten twee het kleijn Zegul van D' E: Compagnie, en van ieder der genoemde Geswooren Clercquen Een nevens Register vande in dezelve pak„ ketten zijnde papieren, zijnde die pakket„ ten geletterde A: en B. — Waar op den Heer Eerste Comparant, het Register resumeerde, en vervolgens declareerde. Dat zijne papieren op Jaggernaik„ poeram waaren verzeguld geworden door de Heer Schliephaaken, den Ge„ ^ van Holt, adsistent Da silva swooren Scriba ^ en sijn Edele particu„ lieve Schrijven Dirksz: in twee deffe„ rente pakken en die te samen gebonden in Een dongrijs. — Dat 128 Den 19. November 1790. Dat thans met groote verwon„ dering zag dat men sig onderstaan had; van teegen alle goede trouw en regten dezelve pakken te openen en een Register op te maaken, en voor het grootste gedeelte de Jm„ portantste documenten en bewijsen er uijt te neemen. — Dat derhalven vermeende dat den Heer Secretaris tweede Com„ parant zig diende te declareeren hoedanig dezelve papieren ont„ fangen had, en op wiens order; te weeten: op een besluijt van den Raad dan wel op last van de Heer Pada„ ma alleen. Diclareerende de Heer tweede ste Comparant hier op dat onder 28. ste Meij deses Jaars, bij geleegendheid dat dien morgen bij den Agtbaaren Heer Geweezen Gesaghebber Sadama was zijn agtb: hem Den 19. November 1790. — hem hadde ter hand gesteld twee pakket„ ten die geopend waaren en dat dus niet declareeren konde welke seguls daar hadden opgestaan dat zijn agtbaare hem had gelast om ten eersten van die pakketterten bij„ weesen van twee Geswooren Clercquen Een Register te formeeren vermits de Heer Fis„ caal Brouwer dezelve Requireerde.— Dat zijn Edele zig hier op met die pakken direct na huijs begeven hebbende, ook aanstonds de twee boven genaemde geswooren Clercquen had ontbooden en door die, ten zijnen overstaan doen formeeren het thans geprodu„ ceerde Register van de papieren in de selve pakketten gevonden. — Dat, hij dit Register aen Agtbaaren Heer Tadama ter Resumptie aan ge„ booden hebbende, zyn Agtbare hem gelast had het zelve aan de Heer Brouwer in„ dien zijn Ed: het voorderde, af te geven. — Na welke gedaane declaratie ter weeder 129 Den 19. November 1790. — weeder zeijden de Heer Eerste Comparant zig bereid toonende onder protestatie en re„ serve als hier na zijnde papieren volgens het voorsz: Register van den Heer Tweede Comparant te ontfangen, zoo wierd door mij Eerste geswooren Clercq en getuijgens ten versoeke van den Heer Tweede Compa„ rant de daar op staande voorengenoemde vier Cachetten gevisenteerd, en de zelve be„ vonden gaaf en ongecanceleerd. — Waar op gemelde pakketten Geopend weesende wierden de daar in sijnde papie„ ren den Heer Eerste Comparant door den tweeden volgens het te gister overgegeven en bij zijn Edele Eerste Comparant aan„ genoomen, luijdende dit Reguster als volgt Register van soodanige brie„ ven en papieren, toebehoorende den P„l Koopman en G'eligeerde opperhoofde van Jaggernaiko„ poeram den Heer Willem Hendrik Den 19. November 1790. Hendrik van Byland, de welke door de Gecommitteerdens aldaar den onder koopman en opperhoofd van Bimilipatnam D: E: Philippus Hendricus Heshusius, en den Boekhouder en Secunde van pa„ licol Sebastiaan Matthias Schliephaken in twee in wax„ doek benaaijde en met 'sCompag„ nies Cachet versegulde pakjes Gemerkt P: dit heen overge sonden, mitsgaders ter zeer g' Eerde ordre van den wel Edelen Agtbaaren Heer Nicolaas Ta„ dama, opperkoopman en Ge„ Zaghebber deeser Custe Cormandel met den Resorte van dien Et:e Etc:a, door mij ondergeteekende provisio„ neel Secretaris, ten presentie van de Jnmargine geteekende Ge„ Swoore Clercquen geopend en
English
130 The 19th of November 1790. — and were found as follows; Namely: In A Bundle Letter A: No. 1. A Memorandum Showing a General statement of the Customs of the Merchants as well as the leases and the Condition of the merchants, Etc. at Jaggernaikpoeram. " 2. A Draft protest concerning the receipt of the transfer of the chief direction of that Office. — " 3. Four Letters written by the aforementioned Honorable Schielhaken to Mr. van Bijland, dated the 20th of November 1789; as well as the 9th, 10th, and 15th of March 1790. " 4. A Copy of an Instrument of protest of a bill of exchange in the amount of star Pagodas 143 5/8. debited to Mr. van Halm. No. 5. The 19th of November 1790. — No. 5. Seven letters written by the Honorable Ian obdam to Mr. van Bijland, dated the 5th and 6th of January, the 21st of September, the 9th and 11th of October 1789; as well as one of the 8th of March 1740. — 6. Three letters and A receipt from the Right Honorable Mr. Nicolaas Tadama to the same as just written, dated the 24th of December 1788, the 17th of January, and the 14th of May 1789. — 7. Two Letters from Miss the widow Cantervisscher to the same as above, dated the 13th of January and the 8th of August 1789. " 8. Eight letters from Thomas De Lange to the same as above, dated the 29th and 30th of November, the 16th and 20th of October, and the 14th of November 1789; as well as the 17th of February 1790. — 9. Three Letters from Jan van Haeften to " 131 The 19th of November 1790. — to the same as above, dated the 13th of February, the 9th and 10th of March 1799. — No. 10. A letter from Captain Kingsmill to the same as above, Dated the 15th of April 1789. " 11. A letter from Messrs. Wieman and Dolle to the same as said, dated the 28th of May 1789. — " 12. A letter from Mr. Simons to the same as above, dated the 26th of September 1789. — " 13. Three letters from the Honorable van Someren to the same as above, dated the 15th of September, the 1st of October, and the 12th of November 1789. — " 14. Two letters from the Honorable Charles Jmbert to the same as above, dated the 21st and 25th of September 1789. — " 15. Two letters from Mr. Basil Cochrane to the same as above, dated the 12th and 28th of September 1789. — " 16. A letter from S: J: De Bruijn to the same as before, dated the 15th of March 1740. — No. 17. The 19th of November 1790. No. 17. A Letter from Mr. Corbeth to the same as above, dated the 13th of September 1789. — " 18. A Letter from Mr. Popham to the same as said, dated the 15th of May " 19. Two Letters from Captain Gmomar to the same as above, dated the 3rd and 6th of March 1790. " 20. A Funeral announcement from Miss Hooijman in Batavia to the same as before " 21. Two letters and An Extract letter from Mr. Hangwitsz to the same as above, Dated the 14th of July 1788: — " 22. A Letter from the Honorable Director- General Moens to the same as before, dated the 25th of April 1789: — " 23. A Letter from the Honorable Mr. Smith to the same as above, dated the 26th of April 1789. " 24. A Letter from the Honorable Mr. Wiegerman to the same as just mentioned, dated the 9th of December 1788. — No. 25 132 The 19th of November 1790. — No. 25. Three Letters from Mr. Crab to the same as above, one dated the 19th of October 1789 and the others undated. — " 26. A Letter from the Honorable Frans Roussaus to the same as said, dated the 13th of November 1789. — " 27. Eight various English and French Letters " 28. A small Invoice from Mr. Schliephaken, in the amount of Op 176. — " 29. Various authenticated French receipts " 30. Extract of the Resolution taken in the Council of Malabar in Cochin annexed A report from Captain Kingsmill - " 31. Two small Notes from the Secretary of the Orphan Chamber S: Duijnevelt Three " 32. Various Notes, written by Dirksz to the Servant to Mr. van Bijland " 33. Two treaties; being 1. between England and Holland, and 1. ditto France ditto No. 34. The 19th of November 1790. No. 34. A printed booklet, being the resolution that was taken regarding James Anderson. " 35. A Deed of transfer of a house for the benefit of Mr. Van Bijland " 36. Some Copies of Authenticated English vouchers. — " 37. Various Draft notes of Mr. van Bijland " 38. A Copy written by Mr. van Bijland to Their High Excellencies Annexed various appendices. — " 39. Three Draft Petitions; being: 1. To Their High Excellencies in Batavia and 2. to the Coromandel Government " 40. Eight copied Concurrent Letters to the High Indian Government " 41. A copied letter to the Honorable Mr. Sieberg No. 42 133 The 19th of November 1790: — No. 42. Three various powers of attorney " 43. An Account Current between Mr. van Bijland and Monsieur De Coulan annexed 1. Copy of a Bond, and 1. original French receipt " 44. An Extract from the Resolution taken in Council in Colombo, annexed A Copy of a Certificate granted to Mr. van Bijland by the former Nagapatnam Government. — " 45. Various Draft letters and other papers " 46. Six Madras printed Newspapers " 47. A bundle of incoming Letters from Bengal concerning the matter of Mr. van Hangwitsz " 48. Eight pieces of various small Notes " 49. Fifteen pieces of various Accounts, receipts, Etc. No. 50. The 19th of November 1790. — No. 50. Epitaph for the Honorable Mr. Martinus Stoffenberg In A second Bundle Letter B: No. 1. An autograph note kept by Mr. van Bijland upon his arrival at Jaggernaikpoeram 2. Some Copy letters written by Mr. Van Bijland to the Right Honorable Mr. Nicolaas Tadama. — 3. Several draft letters written by the same as before, both to the Right Honorable Mr. Commander and to the Coromandel Council Annexed various appendices " 4. A draft letter written by the same as just 134 The 19th of November 1790. — mentioned to Their High Excellencies, dated Jaggernaikpoeram the 3rd of January 1790. annexed various appendices. — No. 5. A Copy report from the same as just mentioned, presented to the Council here Annexed Some appendices " 6. Various mutual Notes exchanged by the same as just mentioned, and the Chiefs of Jaggernaikpoeram " 7. A draft letter written by the same as just mentioned to Their High Excellencies, undated " 8. A Bundle of outgoing letters to various places. — " 9. A Copy of the Instruction for the said Mr. van
Dutch transcription
130 Den 19. November 1790. — en bevonden zijn als volgd; Nament„ lijk: In Een Bondel L=r A: No 1. Een Memorie Aanthoonende een Generaale opgave der Costumados van de Cooplieden zoo wel als de ver„ pagtingen en de Gesteldheid der kooplieden Etc:a te Jaggernaik„ poeram. „ 2. Een Concept protest nopens den ontfangt van het transport der opperhoof„ dije van dat Comptoir. — „ 3. Vier Brieven door voorm: E: Schiel„ haken aan de Heer van Bij„ land geschreeven gedateerd 20:te 9ber: 1789: mitsg:s 9. 10. en 15„de Maart 1790. „ 4. Een Copia Acte van protest eener wissel groot sterve Pagooden 143 5/8. ten laste van de Heer van Halm. No 5. Den 19. November 1790. — N:o 5. Seven briven door D E: Ian obdam aan de Heer van Bijland geschroeven gedateerd 5. en 6. Janu 21. September, 9. en 11 octo„ ber 1789. mitsgaders een van den 8:e Maart 1740. — 6. Drie brieven en Een quitantie van den wel Edelen Agtb: Heer Nicolaas Tadama aan als even geschree„ ven ged:t 24. December 1788. 17. Januarij en 14. de Meij 1789. — 7. Twee Brieven van Mejuffrouw de weduwe Cantervisscher aan als boven ged:t 13. Janu: en 8. Aug:s 1789. „ 8. Agtbrieven van Thomas De Lange aan als boven ged:t 29. en 30„ste Jber: 16. en 20. 8ber: en 14. november 1789. mits„ gaders 17. febr: 1790. — 9: drie Brieven van Jan van Haeften aan „ 131 Den 19. November 1790. — aan als boven ged:t 13. februarij 9. en 10. Maart 1799. — N:o 10. Een brief van Capitain Kingsmill aan als boven Ged:t 15. April 1789. „ 11. Een brief van de Heeren Wieman en Dolle aan als gesegd ged: 28. Meij 1789. — „ 12. Een brief van de Heer Simons aan als boven ged:t 26. September 1789. — „ 13. Drie brieven van D E: van Someren aan als boven ged:t 15. Septem¬ den 1„e 8ber: en 12. e November 1789. — „ 14. Twee brieven van DE: Charles Jmbert aan als boven ged:t 21. en 25. September 1789.— „ 15. Twee brieven van de Heer Basil Cochrane aan als boven gedt: 12. en 28. September 1789. — „ 16. Een brief van S: J: De Bruijn aan als vooren ged:t 15. e Maart 1740. — N:o 17. Den 19. November 1790. N:o 17. Een Brief van de Heer Corbeth aan als boven ged:t 13. September 1789. — „ 18. Een Brief van de Heer Popham aan als gesegd ged:t 15e Meij „ 19. Twee Brieven van Capitain Gmomar aan als boven ged:t den 3:e en 6. Maart 1790. „ 20. Een Rouw brief van Mejuffw. Hooij man te Batavia aan als vooren „ 21. Twee brieven en Een Extract brief van de Heer Hangwitsz aan als boven Ged:t 14. Julij 1788:— „ 22. Een Brief van de Edele Heer Directeur Generaal Moens aan als vooren ged:t 25:te april 1789:— „ 23. Een Brief van den Edelen Heer Smith aan als boven ged:t 26. april 1789. „ 24. Een Brief van den Edelen Heer Wie„ german aan als even ged:t 9' Dec: 1788. — No. 25 132 Den 19. November 1790. — N:o 25. Drie Brieven van de Heer Crab aan als boven de eene gev:t 19:' 8ber: 1789 en de andere ongedateerd.— „ 26. Een Brief van DE: Frans Roussaus aan als gezegd, ged:t 13. Nov:r 1789. — „ 27: Agt diverse Engelse en Fransche Brieven „ 28. Een Factuurtje van de Heer Schliephaken, ten bedragen van Op 176. — „ 29. Diverse geauthentiseerde fransche quitantien „ 30. Extract Resolutie genomen in Raade van Mallabaar te Couchim annex Een berigt van Capitain Kingsmill - „ 31. Twee Cartabelletje van den Secretaris van de Weeskamer S: Duijnevelt Drie „ 32. Dierse Briefjes, door Dirksz aan de Dienaar aan de Heer van Bijland gesz: „ 33. Twee tractaaten; als 1. tusschen Engeland en Holland, en _ 1: _:o vrankrijk „ _:o N:o 34. Den 19. November 1790. N:o 34. Een gedrukt boekje, zijnde het beesluijt dat genoomen is omtrend James Anderson. „ 35. Een Huijstransport ten behoeve van de Heer Van Bijland „ 36. Eenige Copias G'authentiseerde Engelse bewysen. — „ 37. Divers Concept aanteekeningen van de Heer van Bijland „ 38. Een Copia door de Heer van Bijland aan Haar Hoog Edelheeden gesz: Annex diverse bylaagen. — „ 39. Drie Concept Requesten; als: 1. Aan H: H: Edelheeden te Batavia en 2: „ de Cormandelsche Regeering „ 40. Agt gecopieerde Eensluijdende Brieven aan de Hooge Indiasche Rege„ „ 41: Een gecoficeerde brief aan de Edele Heer Sieberg ring No: 42 e 133 Den 19. November 1790:— N: 42. Drie diverse procuratie „ 43. Een Reekening Courant tusschen de Heer van Bijland en Monseur De Coulan annex 1: Copia Obligatie, en 1. orgineele france quitantie „ 44. Een Extract uijt de Resolutie genomen in Raade te Colombo, annex Een Copia Certificaat door het voorig nagapatnams Gouver„ nement aan de Heer van Bij¬ land verleend. — „ 45. Diverse Concept brieven en ander papieren „ 46. ses Madrase gedrukte Couranten „ 47. Een bondel aankomende Brieven van Bengalen raakende de affaire van de Heer van Hangwitsz „ 48. agt stux diverse Cartebelletjes „49: Vijftien stux diverse Reekeningen, quitantien Etc:a No. 5. Den 19. November 1790. — N:o 50. Graffschift voor den welEdelen Heer Martinus Stoffenberg In Een tweede Bondel L=a B: N:o 1: Een eygenhandig gehoudene aanteke„ ning door de Heer van Bij„ land bij zijn arrivement te Jaggernaik poeram Copia brieven geschreeven door de Heer Van Bijland aan den WelEdelen Agtb: Heer Nicolaas Tadama. — 3. Verscheijdene minit brieven geschree„ ven door als vooren, zoo wel aan den wel Edelen Agtb: Heer Gezaghebber als den Cormandelschen Raad Annex diverse bylaagen „ 4. Een minut brief geschreeven door als „ 2. Eenige even 134 Den 19. November 1790. — even aan Haar Hoog Edelheedens ged:t Jaggernaikpoeram den 3. Januarij 1790. annex diverse bylaagen.— N:o 5. Een Copia bericht van als even aan den Raad alhier ge„ presenteerd Annex Eenige bylaagen „ 6. Diverse over en weeder gewisselde Cartebelletjes door als even, en de Opperhoofden van Iaggernaik poeram „ 7. Een minut brief door als even aan H: H: Edelheeden ge„ schreeven ongedateerd „ 8. Een Bondel afgaande brieven na diversplaatsen. — „ 9. Een Copia Instructie voor gemelde Heer van
English
The 19th of November 1740. — van Bijland, on His Honour's journey to Madras. No. 10. Diverse draft and minute letters, as well as other papers. No. 11. A minute letter just written to the Right Honourable and Valiant Mr. Hartsing. No. 12. A short account of what transpired between the aforementioned Mr. van Bijland and the Messrs. van Hangwitsz and de Culon. No. 13. Three current accounts, namely: 1. between the said Mr. van Bijland and the Honorable Company, 1. between His Honour and the Messrs. van Hangwitsz and De Culon, and 1. between His Honour and the Mr. Van Hangwitsz. No. 14. 135 The 19th of November 1790. — No. 14. A receipt from Mr. Gass. No. 15. A letter from Mr. Thomas De Lange dated 23 December 1789. Annex: 3 documents. No. 16. A short note from the Right Honourable Worshipful Mr. Commander Nicolaas Padamae, undated. NB. No. 16. A short note from the Reverend J. S. Cantervisscher dated 16 November 1789. Thus registered at Palliacatta the 28th of May 1740, in the presence of Abraham Dormieux and Hendrik Richard, sworn clerks here. Underneath stood: Signed by me, J. J. Hasz, Secretary pro Deo. In the margin: Present before us, signed: A. Dormieur, Sworn Clerk; H. Richard, Sworn Clerk. With. The 19th of November 1790. — With which restitution of papers the appearance today adjourned, the Mr. First Appearer reserving to himself the right, after an exact perusal of the register whereof an authentic copy was simultaneously delivered to His Honour, to recollect and call to mind as far as possible which papers he did indeed have in his possession at the time of the seizure made in his absence and which were now missing, and at the same time to make his protest against this manner of proceeding, promising to summon me, the First Sworn Clerk, and witnesses for that purpose when the work was done. On this day, the 17th of November 1792, I, the First Sworn Clerk, 136 The 19th of November 1790. — Clerk, betook myself, together with witnesses, upon further summons from the Mr. First Appearer, to the house of His Honour. His Honour appeared there further before me and the witnesses, declaring that, having examined the register of his papers mentioned in the appearance of the day before yesterday and the returned papers themselves, he had found to be missing, as far as he could recall, the following papers, to wit: his entrusted letter packets, namely: one to His High Honour, the Right Honourable and Most Worshipful Lord Governor General, and two to the Right Honourable and Most Worshipful Lord Director General. All the papers in the legal proceedings of the former interpreter Mandalam Wengadassalam Naijker, which the same had entrusted sealed to him, the Mr. Appearer, in order to give his advice thereon when opportunity arose. All papers, documents, and contracts mentioned in the protest of 16 July 1750 to and against the Council here, which protest the Mr. Appearer declares to renew hereby, and that the same should thus be considered as 137 The 19th of November 1790. — inserted in this document word for word. Copies of bills of sale of the ship Geldria. Several loose sealed acknowledgments of debt, among others three amounting to 400 pagodas, to be paid in the event of death by the Mr. Appearer's heirs, as also missing: an acknowledgment of debt from the aforementioned interpreter, executed before a notary, for 300 pagodas. All the extracts, papers, and letters from Cochin concerning the matters regarding the Mr. Appearer's ship Geldria, and the protested bill of exchange against the Honourable Mr. van Angelbeek. Four deeds of transfer of slaves. Private contracts entered into, both at Madras and Pondicherry, for Northern assortments. Stating The 19th of November 1790. — The Mr. Appearer stating that he misses all these papers to his great and insurmountable losses and damages. His Honour therefore protests furthermore and repeatedly, in the most formal manner, on account of all the unlawful and liberty-violating proceedings committed against him, against any and all who in time shall be found to be guilty thereof, and most especially against the former Worshipful Mr. Commander Nicolaas Tadama, under whose administration and by whose order all this was done; and above all against His Worship on account of the breaking off and opening on his own authority of the trusted seals of the papers sent over from Jaggernaikpoeram by the Mr. Appearer, and the rummaging through them at will, the Mr. Appearer considering this an act entirely unlawful for His Worship, and for which even His Worship would not be authorized as 138 The 19th of November 1790. — president or commander thus on his own authority, even if the Mr. Appearer or anyone else were convicted of high treason; all the more so, and what was worst of all, the embezzlement of most of the papers, and further that His Worship had made himself guilty of setting himself up as his own judge in a matter such as this, incompetent both for His Worship and for the Council itself, which had already proved to be his adversary; desiring and requesting therefore that this matter, as affecting general trust in society and being violated in the highest degree, be turned over to the Mr. Advocate Fiscal of the Dutch Indies, in order to be judged and punished according to law and justice, he, the Mr. Appearer, reserving for himself and his heirs all that in particular pertains to him in
Dutch transcription
Den 19. November 1740. — van Bijland, op zijn Ed: Reise na Madras. N:o 10. Diverse Concept en minut brieven, mitsgaders andere papieren „ 11. Een minut Brief door als even aan den wel Edelen Gestr: Heer Hartsing geschreeven. — „ 12. Een kort verhaal van het door gevallene tusschen voorm: Heer van Bijland, en de Heeren van Hang„ witsz: en de Culon „ 13. Drie Reekeningen Courant, als: 1. tusschen gemelde Heer van Bijland en AE: Compagnie 1: tusschen zijn Ed: en de Heeren van Hangwitsz en De Culon, en 1. tusschen zijn Ed: en de Heer Van Hangwitsz. N:o 14. 135 Den 19. November 1790. — N:o 14. Een quitantie van de Heer Gass „ 15. Een Brief van de Heer Thomas De Lange gedateerd 23. dec: 1789. Annex 3. Documenten „ 16. Een Cartabelletje van den welEde„ len Agtb: Heer Gezaghebber Nicolaas Padamae ongedateerd N73. „ 16. Een Cartabelletje van D E: J: S: Canter„ visscher ged:t 16. Nov: 1789. — Aldus Geregisteerd te Palliacatta Den 28. e Meij 1740. ter presentie van Abraham Dormieux en Hendrik Richard, Geswooren Clercquen alhier /:onderstond:/ /door mij geteekend:/ I:n I:n Hasz. Sec: p:d /:in margine:/ ons„ present /:geteekend:/ A=m Dormieur G: Clercq, H: Richard g: Clercq. Met. Den 19. November 1790. — Met welke Restitutie van papieren de Comparitie heeden afbrak, houdende De Heer Eerste Comparant aan hem gereserveerd na Exacte overlee¬ sing van 't rigister waar van zijn Edele tevens Copij authentieq wierd ter hand gesteld sig te recolleeren en zoo veel mo„ gelijk te binnen te brengen welke papieren hij bij de in zijn absentie gedane Ar„ resteering wel onder zig had, en welke thans vermiste en te gelijk zijne protestatie tee„ gen deese handelwijse; belovende daar toe mij Eerste geswooren Clercq en getuijgens bij gedaan werk, nader te ontbieden. — Op Huijden Den 17e. November 1792 Heb ik Eerste Geswooren Clerq G 136 Den 19. November 1790. — Clercq mij nevens getuijgens op nader ontbod van den Heer Eerste Comparant vervoegd ten huijze van zijn welEdelen Compareerende zijn Edele aldaar nader voor mij en Getuijgens, declareerende Dat het bij Compara„ tie van Eergister vermelde Register zijnen papieren, en de Gerestitueerde papie„ ren zelver, nagesien heb„ bende voor zoo verre zig konde te binnen brengen bevonden had te manquee„ ren de volgende papieren; te weeten: zijne toevertrouwde Brief Pakketten; als: Een aan zijn Hoog Edelheid den Hoog Edelen Groot agtb: Den 19 November 1740. — Agtb: Heer Gouverneur Generaal, en Twee aan den Wel Edelen Groot Agtb: Heer Di„ recteur Generaal Alle de Papieren in proce„ dures van den ge„ weesen Tolk man„ dalam Wengadassalam naijker die den Selven hem Heer Comparant verzeguld toe vertroud had om bij geleegendheid daar op desselfs advis te geven Alle papieren, documenten en Con„ tracten vermeld in 't protest van 16. Julij 1750. aan en teegen den Raad alhier "welke protest den Heer „Comparant zijnde, bij deesen te „renoveeren, en dat dus het „zelve moest werden gehouden als in 137 Den 19. November 1790. — „ in deesen van woorde tot woorde „geinsereerd Copia verkoop brieven van het schip geldria Verscheijde Losse seguld be kentenissen onder anderen drie een sluijdende van 400. pagooden, om bij sterf geval door zijn Heer Comparants Erfgenaamen betaald te werden als ook weg Een Schuld bekentenis van den bovengemelde tolk Notarieel gepasseerd van 300. pagooden Alle de Extracten papieren en Brieven van Couchim raakende de zaaken omtrend des Heer Comparants schip Geldria, en de geprotesteerde wissel teegen den Edelen Heer van Angelbeek vier Slaave Transporten Particuliere Contracten, zoo op Madras als pondicherij voor Noordse zorteerings aangegaan. Zeggende Den 19. November 1790. — Leggende den Heer Comparant alle deeze papieren te vermissen tot zijne groote en on overkomelijke verliesen en schaadens Protesteerende zijn Edele over zulx als nog en bij herhaaling op de berugtigste wijze weegens alle omvestige en vrijheid schendende handel„ wijze hem aangedaan teegen alle ende een iegelijk die in der tijd bevonden zal worden daar aan Schuldig te weezen, en wel speciaal teegen den geweesene Agtbaaren Heer Gezaghebber Nico„ laas Tadama, onder wiens regeering en op wiens order dit alles geschied was en voor al nog teegen zijn agtb: ter zaake van het op eijgen authoriteid af- en open-bree„ ken der vertrouwde Zegul van des Heer Comparants van Jaggernaikpoeram over gesondene papieren, en door Snuffelen door selve na wel gevallen, Considereerende den ^dit Heer Comparant ^ een daad, zijn agtb: ten eene„ maal ongeoorloofd, en waar toe zelfs zijn agtbare niet gewittigd zoude zyn als president 138 Den 19. November 1790. — president of gebieder sodanig op eijgen authoriteid, al waar den Heer Comparant ofte iemand over„ tuijgd van Hoogverraad, te meer nog en dat het slimste was, het verduijs„ teren van de meeste papieren en voorts dat zijn agtbare zig hier in hadde schuldig gemaakt van sig te stellen tot zijn eijgen regter in een zaak als deese incompetent zoo voor zijn agtb: als den Raad zelve, die bereeds zijn parthij gevonden was, begeerende en verzoekende dus dat deeze zaak als het algemeen ver„ trouwen der zamen leving raakende en geschouden in de hoogste Graad Den Heer Advoccat fiscaal van Neder„ lands India werde overgegeven, om na wetten en regten geoordeeld en gestraft te werden, reserveerende hij Heer Comparant voor hem en zijn Erve in een op alles wat hem in 't bij zonder Aan
English
The 19 November 1790. concerns his recovery of damages on account of all losses, insult, and defamation suffered and still to be suffered in this matter, in order to have all the same lawfully compensated and redressed where and in such manner as shall be advised; two identical engrossed copies having been delivered hereof, or one to each of the gentlemen appearers. Thus done, declared, and protested in Castle Geldria at Palliacatta on the date aforesaid in the presence of Ian Roussauw and Daniel Hendrik Canter visscher, clerks of the aforementioned Secretariat, as witnesses. The original minutes of this are duly signed. Below stood: which is witnessed. Signed: Ian Obdam, First Sworn Clerk. So 139 The 19 November 1790 so it is, after resumption, agreed to record this, to deliver a copy of the said Act to the Honorable former Governor Nicolaas Sadama, with a request to account for himself thereon, and for the same purpose to send a copy thereof to the Commissioners at Jaggernaikpoeram with orders to report whether, before all that was placed under seizure, thus also the papers mentioned in that Act, an inventory was made, and distinctly noted therein how one and the other was found. Done at Palliacatta in Fort Geldria, date as aforesaid. Signed as before. Tuesday morning, all present Tuesday the 23 November 1790 According to the statement of the Purveyor pursuant to the resolution of the 19th of this month, there still being in stock 2387 parras of rice and 800 measures of oil, and that for a year's supply there would be needed 4696 7/8 parra of the first-mentioned and 1950 measures of the other article, which first-mentioned moreover, according to reports from Sadras under date of the 19th of this month, is becoming so scarce that rice can hardly be obtained at the bazaar, the paddy, which otherwise is abundant enough, due to the lack of rain, being withheld in order to sell it dearly and moreover being heavily transported to the 140 The 23 November 1790. the English army; so it is, although the stock is still sufficient until next February or March, when the best time for purchasing presents itself and the scarcity upon the least fall of rain will soon cease, nevertheless decided to direct matters so that, in proportion to the possibility of furnishing money and what is needed for 2500 parras of rice and 1225 measures of oil, in the absence of ready money, an amount of 5 to 600 pagodas provisionally be laid out for the purchase thereof. Lastly, it was agreed, in proof of the unfavorable circumstances of the times, to insert here two extracts received from Sadras of reports from Tranquebar dated the 16th and 19th of this month, reading as follows: Translation from a letter from Tranquebar dated 16 Nov: 1790. Received today via Madras: News has been received here that on the 10th of this month 1000 horsemen had arrived at Alagatorve, a village near Trichenepaly, and that since having encamped on the 13th thereafter at Letjuur topoe, near Tanjore, all the people had fled to 141 The 23 November 1790 Tanjore and the gates have been closed. It is said that those horsemen would descend toward Tranquebar, whereby everything here is in turmoil. If this happens, they will probably advance further northward; therefore be on your guard. Sadras, 19 November 1790. Signed: C. van Mispelaar, Sworn Scribe. Translation from a letter from Tranquebar dated 19 Nov: 1790. Referring to my previous letter, I must The 23 November 1790. I must now inform you that the horsemen are marching further upward: they are now encamped between Letjuur topoe and Trivaloor; 300 of them have arrived at the last-mentioned place, and have occupied the pagoda or heathen temple; but they do no harm. At Nagapatnam there is at present practically nobody; a large part of the gentlemen, ladies, and prominent merchants have departed for Jafnapatnam; the others have retreated to Karikal and Tranquebar. Having written this far, news was received that via Kumbakonam and Tiruvidaimarudur 30 horsemen have arrived at 142 The 23 November 1790. at Tirumalairayanpattinam; they say that they are not horsemen of Tippu but of the Marathas, and that they would do nothing, which however is not to be trusted. Be on your guard. From Nagapatnam there have arrived here Messrs. Scheuneman and Dormieux and Miss Pietersz; on the south side a large number of horsemen is descending. At Muthupet and Adirampattinam on the seaside no armies have appeared. According to a letter from Nagapatnam of the 17th of this month, everything there is also in turmoil and in flight. Translation from a letter from Madras of of yesterday. The 23 November 1790 Tippu Sultan having come down with a formidable force to overpower the English western army, which lies encamped at Caveripattinam, west of Krishnagiri; General Medows has marched from Coimbatore to come to the aid of Col. Maxwell. Behind this army, Tippu has sent off a number of horsemen to ravage the lands of Trichenepaly and Tanjore. In front of the army of Col. Maxwell, a band of 400 horsemen has appeared, behind which Captain Thonij having marched out with his cavalry and field pieces, 143 The 23 November 1790 that troop retired backward, and Thonij pursuing the same, he with all his men was surrounded by 3000 horsemen of Tippu. It is not yet known what the outcome of it has been. According to a report received from Ambur Pettah, they had heard heavy firing there for two days. According to the account of the travelers, it is rumored at Pondicherry that 6000 horsemen had come down through the Salem Kanavai pass. Sadras, 20 November 1790. Signed: J: E: Betger. Both the same being, alongside Sadras
Dutch transcription
Den 19. November 1790. — aangaat zijn verhaal van schaade weegens alle in deesen geleedene en nog te leydene verliesen, Hoor en Smaad, om alle de selve geregtiglijk vergaed en gebeterd te krijgen daar en zoodanig als te raade werden zal zijnde hier van afgeleeverd twee Eensluijdende Grossen of aan ider der Heeren Com„ paranten Een. Aldus Gedaan Gedecla¬ reerd en geprotesteerd in 't Cas„ teel Geldria te Palliacatta op dat 's voorschreeven ter pre„ zentie van Ian Roussauw en Daniel Hendrik Canter vis„ scher, Clercquen ter Secretarije voormeld als getuijgens De minute deezes is behoorlijk geteekend. /:on„ der stond :/ het welk getuijgd /: was„ geteekend:/ Ian Obdam, E: G: Clrcq Zoo 139 Den 19 November 1790 zoo is, na resumptie verstaen dit aan te teekenen, Copia van gemelde Acte, den Agtb: Heer geweesen Gezaghebber Ni„ colaas Iadama te doen ter hand stellen, met verzoek zich daer op te willen verantwoorden en ten zel„ ven fine een afschrift daer van te zenden aen de Gecommitteerdens te Jag„ gernaikpoeram met last om te die„ nen van bericht, of van alles dat in arrest genomen is, dus ook van de in die Acte gementioneerde papieren, voor af geen Inventaris gemaekt, en daar bij distinctelijk aangeteekend is, hoedanig men het een en ander heeft bevonden. Actum Palliacatta Intfort Geldria dato voorsz: /:getd Als vooren. Dingsdag morgens alle present Dingsdag den 23:' November 1790 Na de opgave des Dispendiers inge„ volge arrest van 19 deezer, noch in voorraed zijnde 2387. parras rijst en 800. maeten olij, en dat er tot de voorraed van een Jaar zouden nodig zijn 4696. 77/8. parra van het eerst, gem: en 1950. maaten van het andere articul, welke eerste daar en boven uitwijzers bericht van Sadras sub 19 deezer zoo schaars word dat er nauwelijks Rijst ter Bazaar is te bekomen, wordende de Nelij, wil„ ke anders abondant genoeg is, mits het niet vallen van reegen, opge„ houden om ze duur te verkoopen en daar en boven sterk vervoert naer de 140 Den 23. November 1790. de Engelsche arme zoo is, of schoon ven voorraed noch strekzaem is tot februarij of Maart aenstaende, wan„ neer de beste tyd ter inkoop zich op doet en de schaersheid bij het minste vallen van veegen wel spoedig zal ophouden, echter het daar heen te dirigeeren om, na maete der mogelijkheit tot het fourneeren van gelt en het geen voor 2500. parras Rijst en 1225 maeten oly nodig is, bij ontzet van ge„ reet gelt, tot den inkoop van dien uitlegge een bedragen van 5 â 600. pagoren bij provisie. Laestelijk is verstaen ten bewijse van de ongunstige omstanden des tijds, alhier te insereeren twee van Sa„ dras Den 23. November 1790. dras ontvangene Extracten uit be„ richten van Frankebaer de datis 16 en 19. deezer luidende aldus Translaet uut een brief van Tranquebaer gedateerd den 16 Nov: 1790. Heden over Ma„ dras. ontvangen: Men heeft hier tijding erlangt dat den 10. dezer te Alegetorve / een dorp bij Trichenepalij ƒ 1000 muijters waren aangekomen, en dat sedert 13: daar aan te Letjuur topoe /:bij Iansjour: /zich neergeslagen hebbende, al het volk naar Jan bjon 141 Den 23. November 1740 Tans jour gevlugt was en de poorten gesloten zijn geworden. Men zegt dat die ruiters naar Tranquebar zouden afzakken, waer door hier alles in rep en voer is Als dit geschiet, zullen zij waarschijn„ lijk verder noortwaarts optrek„ ken: weest derhalven op uwe hoede. Sadras den 19. November 1790. /:geteekend:/ C. van Mispe„ laar G: Scriba. Translaet dit een brief van Tranquebar geda„ teerd den 19 Nov: 1790. Mij onfereerende aan mijn verige, moet ik 6 Den 23. November 1790. ik u: tans beveelen, dat de ruiters verder opmarcheren: zij leggen nu ge„ campeert tusschen Letjuntopoe en Triwaloer; 300. er van zijn ter laestgenoemde plaats aangekomen, en hebben de pagood of hij den sche tempel bezet; maar zij doen geen quaat. te Nagapatnam is thans genoegzaem geen mensch; een groot geveelte der Heeren, Juffrouwen en voorname kooplieden zijn na Jafnapatnam vertrok„ ken; de andere zijn na Karekal en Tranquebar geweken. - . Dus verre geschreeven hebbende, ont„ fing men tijding, dat over kom„ bogonam en Terrowedemar door te Trimenajapatnam 30. ruiters aan 142 Den 23 November 1790. aengekomen zijn, zij zeggen dat ze geen ruiters van Tipoe maar van de Maratters zijn, en dat ze niets zouden doen, 't geen echter niet te vertrouwen is. Weest op uwe hoede van Nagapatnam zijn alhier aen„ gekomen de heeren Scheuneman en Dor„ mieux en Juffrouw Pietersz: aan de zuijd kant komt een groot aental rui„ ters afzakken. te Moetoepette en Adranpatnam aan de zeekant zijn er niets le„ gers verschenen. volgens een brief van Nagapat„ nam van den 17. dezser, is door ook alles in rep en voor en aen het vlugten. Translaet uit een brief van Madras van ƒ van gisteren. Den 23 November 1790 Tippoe sultan met een farmidable Magt afgekomen weezende, om de Engelsche westersche Armer te over„ meesteren, welke te kanerie pat„ nam, bewesten kistnagerij gecam„ peert legt; is generaal Medows van koimbetoer gemarcheerd in kol„ May wel te hulp te komen. agter dit lige heeft Tipoe een aen„ tal ruiters afgezonden om in de landen van Trichenepalij en Pans„ Jour te voren. voor het leger van Kol: Maxwel heeft zich een bende van 400: vui„ ters vertoont, agter dewelke kapt, Thonij met zijn ructerij en velt stuk„ ken 143 Den 23 November 1790 ten uitgetrokken zijnde retireerde die troep agterwaerds, en thanij dezelve vervolgende, wierd hij met alle zijne manschap moingelt door 3000 vui„ ters van Sippoe Men weet nog niet wat de uitslag ter van geweest is volgens bericht van Amoer per„ tapal ontvangen, had men daer twee dagen sterk horen schieten. Na het verhaal der passagiers wordt te Pendicherij gedivulgeert, dat 6000. ruijters door selan Kanne„ waij zoude afgekomen weezen. Sadras den 20: November 1790. /:get:d/ J: E: Betger. Sijnde beiden dezelve nevens Sa„ dras
English
The 23 November 1790. Madraspatnam writings of the 19th sent hither and received the 21st of this month, and confirmed by other private reports. Done at Palliacatta in Fort Geldria, date as above. Signed: As before. Saturday. 144 Saturday The 27th November 1740. In the morning, Absent the Junior Merchant Fredrik Willem Bloeme, and in this matter the Honorable Head Administrator Van Halm. After what was transacted and recorded in the general Resolution of today, the Right Honorable Lord Governor informs the assembly of the receipt the day before yesterday of an unsigned Gentoo letter addressed to His Right Honorable in English, and according to the translation written by the inhabitants of Jaggernaikpoeram, reading as follows. Translation of a Gentoo Letter written to the Right Honorable Lord Jacob Eilbracht, Governor of the Coromandel Government with its dependencies, by the Collective Inhabitants 19 The 27 November 1790. Inhabitants of Jaggernaikpoeram, dated the 17 November 1790, received the 25th thereafter. Where preceded by compliments: The servant of Mr. Van Halm, by name Batjoe Tieroewengalam, who is settled in the land of the Regent Rauw and has received a village from him, has allied with the same and directed all matters without paying regard to the honor due to the Honorable Company. When the storm struck here, Messrs. Van Halm and Van Someren, who were associated with the said servant, wrote to the Government that the remaining linens and other sorts of goods were lost on that occasion. 145 The 27 November 1790. were lost. Meanwhile they sent the same to Pondicherij to sell them there, but those linens being brought back unsold, they removed the seals that were upon the bales and replaced them with those of the Honorable Company, and accepted them just as if they had been delivered upon the new demand, and enjoyed the value thereof from the Company. Since the arrival of Mr. Van Halm, the dabboes in the mint here were struck in such a manner that each of them yielded 4 Sjenaes less, the profit of which the gentlemen took for themselves. Mr. Van Bijland, after His Honor's arrival at this place, has done injustice to no one, but on the contrary sought, for the benefit of the Honorable Company, The 27 November 1790. sought not only to unite the merchants of the white linens with those of the red, and to furnish them with merchandise in order to prevent the same from remaining unsold, but also to abolish the price increase on the white linens. Tirwengalam, having learned of His Honor's intention, consulted with Messrs. Van Halm and Van Someren, and caused the Mazulipatnam merchants to go to the land of Rauw. After this, they placed under arrest the Jaggernaikpoeram merchants who had accepted the proposal of Mr. Van Bijland, and took for themselves the money that they owed. 146 The 27th November 1790. took for themselves. The aforementioned Tierwengalam, as well as Batjoe Camelna bodoe, are men who have many debts. Upon the advice of the first-mentioned, Mr. Van Halm, without any of the principal persons learning anything of it, had a paper to his own praise signed by various servants, poor Brahmins, villagers, and weavers, and moreover had a letter of recommendation dispatched by the Regent Magapatie Rauw, in order that His Honor might still continue here as Chief. After the arrival of the gentlemen Commissioners Heshusius and Schliephaken, a paper was found in the Kotwal's choultry, containing The 27 November 1790. containing the ill-treatment by Mr. Van Halm and Triwengalam. This paper having been shown by Their Honors to the Chiefs, as well as to Triwengalam, it was agreed to sacrifice the same to the fire, as was indeed done. Mr. Van Someren arranged with the Commissioners that he obtained the lease of the salt pans for 250 pagodas, without holding a public auction for it. Had the same been offered to the highest bidder, one might well have obtained 500 pagodas for it. You, being a Right Honorable and humane gentleman who has arrived there from Bengal and investigates all matters, we therefore very respectfully make known the foregoing. Tierwengalam 147 The 27th November 1790. Tierwengalam assigned the delivery of the white linens to his son-in-law and brother-in-law, and took custody of the amount of 4500 pagodas, and caused them to depart for Visianagaram because they were in arrears with the Honorable Company, whereas he himself is indebted 3000 Pagodas for red linens. Mr. Van Bijland, since his arrival here, has put no one to death, nor punished, nor done any injustice. The Honorable Mr. Tadama, as well as the gentleman here, have, without the slightest reason, done His Honor much injury, and had him placed under arrest. On the occasion that Magapati Rauw arrived here to load into the sea, The 27 November 1790. Tierwengalam brought him into his house, and arranged, under the pretense that no regard was paid to his letter of recommendation but that Mr. Van Halm had to cede the command, that this regent gave orders to his peons to prevent the import of goods. Triwengalam also intends to attack his debtors and those of his son-in-law and brother-in-law. All these dealings are not unknown to the gentlemen Commissioners. Bolla Tregada Sjalmaya previously had charge of the salt pans, and also demonstrated that collecting the salt from the sea side costs 7/8 pagoda per garce, but from the West side 1 pagoda. According to
Dutch transcription
Den 23 November 1790. draspatnams schrijvens van den 19. hirwaerts gezonden en ontvangen den 21. deezer, en geconfirmeert door andere particuliere na„ richten Actum Palliacatta in het fort Geldria dato voors 2: /:geteekend:/ Als voo„ ren Saturdag 144 Saturdag Den 27.:' November 1740. Smorgene, Absent den onderkoop„ man Fredrik Willem Bloe¬ me, en in deeze de E: Hoof Adminis„ trateur van Halm. — Na het verhandelde en aangetee„ kende ter gemeene Resolutie van heeden, maekt de E: E: Agtbare Heer Gesaghebber de vergadering bekent de ontvangst op eergis„ teren van een ongeteekende Jentiefsche brief gesupperscribeert met het adres aan zijn E: E: Agtb: in het Engelsch en na de overzetting ge„ schreeven door de Inwoonders van Jaggernaik¬ poeram luijdende aldus. Translaat eener Jentif„ sche Brief geschreeven aan den WelEdelen Agtbaren Heer Jacob Eilbracht, Gesaghebber van het Cormandelsch Gou„ vernement met den resorte van dien, door de Gesamentlijke Inwoonders 19 Den 27. November 1790. — Inwoonders van Iaggernaik„ poeram, gedateerd den 17. Novem„ ber 1790. ontvangen den 25. daar aan. Waar voor afgaande Complimenten De dienaar van den Heer Van Halm in naeme Batjoe Tieroewengalam, die in het land van den Regent Rauw is gehuijsvest, en een dorp van hem gekregen heeft, heeft met den zelven ver Eenigd, en alle de zaaken gederi„ geert, zonder agt te slaen op de eer, die d'E: Maetschappije toekomt Toen men hier de Storm kreeg, schreeven de heeren van Halm, en van Someren, die met gemelde dienaar geassocieerd waeren aan de Regeering, dat de per restant gebleevene lijwaeten, en andere zoorten van goede¬ ren, bij die geleegendheid verlooren Geraakt. 145 Den 27. November 1790. — geraakt waeren, Intusschen zouden zij de zelve na Pondicherij om aldaar te verkoopen, dog die lijwaeten on„ verkocht weder te rug gebragt zijnde, heeft men de Zegels die op de packen stonden weg genomen, en die van dE: Comp:e in dies plaats gesteld mitsgaders even of de zelve op den nieuwen Eijsch geleeverd waeren, aangenoomen, en dies waerde van de Compagnie genooten. — 't zeedert de komst van den Heer van Halm wierden de dabboesen in de munt alhier zodanig geslagen, dat ider der zelve 4. Sjenaes minder rendeerde, waar van het voordeel de heeren na zig genomen hebben. De heer van Bijland heeft na zijn Ed:s arrivement te deeser plaatse aan niemand onregt gedaan, dog daar en teegen tot voor deel van d' E: Comp:e getragt Den 27. November 1790. getragt, niet alleen om de kooplieden van de witte, met die der Roode lijwaeten te vereenigen en koopmanschap„ pen aan haar te verstrekken, om voor te komen, dat dezelve niet onverkocht zouden blijven leggen, maar ook de verhooging der prijs op de witte lijwaeten afte schaffen Tirwengalam het voornee„ men van zijn Edele te weeten gekreegen hebbende, raedpleegde hij met de heeren van Halm en van Someren, en maekte dat de Mazulipatnamsche koop„ lieden na het land van Rauw „gingen: Hier na heeft men de Jag„ gernaikpoeramsche Marchian„ deurs, die de propositie van den heer van Bijland geamplicteerd hebben, in arrest gezet, en het geld, dat zij schuldig waeren, na Zig genoomen 146 Den 27. ' November 1790. — genoomen. — Voormelde Tierwengalam zo wel, als Batjoe Camelna bodoe zijn men„ schen, die veel schulden hebben Op de aanraeding van den Eerst„ gemelde heeft de heer van Halm, zonder dat iemand der voornaemste perzoonen, iets 'er van te weeten kreeg, Een papier tot zijn E: eijgen lof, door verscheide bedien„ dens, arme bramineese, dorpelingen en weevers laeten teekenen, en boven dien door den Regent Ma„ gapatie Rauw een brief van recom„ mandatie laeten afgaen, ten einde zijn Ed: hier nog als opperhoofd kan blijven Continueeren Men heeft na de komst van de heer en Gecommitteerdens Heshusius en Schliephaken Een papier in kottoals Sjauderij gevenden, behel„ „sende : Den 27. November 1790. — sende de quaade behandeling van den heer van Halm en Triwenga„ lam. Dit papier door haar Ed:s aan de Opperhoofden, zoomeede aan Triwengalam vertoond zijnde, quam men over een om het zelve aan het zelve aan het vuur op te offeren, gelijk zulx ook gedaan is. — De heer van Someren heeft bij de gecommitteerdens bewerkt dat hij de pacht van de zout pannen kreeg voor pag: 250. , zonder daar van publicque vendutie te houden— zoo men dezelve aan de meest bie„ dende aangebooden had, zoude, men er wel 500. pagoden voor gekreegen hebben. — UWelEdele Agtbare en menschlie„ vend heer zijnde, dit uit Bengale al„ daar aangekomen is, en alle Zaaken onderzoekt, zoo geeven wij het hier voorwaards aangehaalde Zeer eerbiedig te kennen Tin wengaland 147 Den 27:' November 1790. — Tierwengalam heeft de leverantie der witte lijwaeten aan zijn schoon„ zoon en Swager opgedraagen, en het bedragen van 4500. pagoden onder zijn bewaaring genomen, mitsga„ ders haer na Visianagaram doen vertrekken, door dien zij bij d' E: Comp: ten agteren stonden, daar hij zelfs wegens roode lijwaeten 3000. Pagoden debet is — De heer van Bijland 't sedert desselfs komt alhier, heeft Nie„ mand ter dood gebragt nog gestraft of eenige onrecht gedaen. — De Agtb: Heer Tadama zoo wel als de heer alhier, hebben zijn Ed:, zonder geen de minste reeden, veel torten aangedaen, en in arrest laeten zetten ter gelee„ gendheid dat Magapati Rauw hier aanquam om in de zee te laeden bragt. Den 27. November 1790. — bragt Tierwengalam hem in zijn huijs, en bewerkte /onder vertooning dat men op zijn recommandatie brief geen agt geslaegen heeft, maar den heer van Halm het gebied moeste Cedeeren:/ dat dien regent ordre aan zijn pions gaf, om den invoer der goe„ deren te beletten Ook is Triwengalam van voor„ nemen om de debiteurs van hem, en zijn schoon zoon en swager te at„ tacqueeren. Alle deeze gedoentens zijn de heeren gecommitteerdens niet onbekend.- Bolla Tregada Sjalmaya heeft bevoorens de zout pannen onder zig gehad, en ook aange„ toond dat het zout van de Zee kant afhaalende idergardt v. /8. pag: kost, dog van de West Zijde pag: 1. Volgens
English
148 The 27th of November According to this price, he delivered the same, and the money was paid to him by the gentlemen here. Besides this, whenever the supply of blankets was assigned to the painters of Gollapalium and here, he bound himself to deliver half thereof on their behalf. Presently, Tirwengalam living in enmity with Sjalmaija, he has that work performed by one of his own people. We humbly petition Your Honorable Right Reverence henceforth to assign the delivery of the blankets half to Nagojie, painter of Golopalum, and the other half to Sjalmaija. Whereas Sjalmaija has for a long time been the lessee of the salt pans. The 27th of November 1790. been, and in the past year that lease was taken from him and given to Tierwengalam and the servant of the Secunde, we urge Your Honorable Right Reverence graciously to reappoint Sjalmaija, who does charitable work and gives many people food to eat, as lessee of the salt pans. Through the intermediary of the Master Secunde, they presently pay 250 pagodas, but if this favor is granted to Sjalmaija, he will give 500 pagodas. In case the salt is not leased out, he will pay for the same, which lies on the east side, 1 7/9 pagodas per each garce, and for that of the west side 1 pagoda, as happened last year with 900 garces. Regarding 149 The 27th of November 1790. Regarding the blankets and the salt, we request that Sjalmaija be favored with those as well. Whereas the affairs of the Lord of Bijland are presently being investigated there, and Triwengalam divulges here that the Lord of Halm will come hither again as Chief, we have therefore not made our names known in this letter. If Your Honorable Right Reverence investigates everything according to justice, many more matters will come to light. We request that this be translated by Mr. Obdam, so that Your Honorable Right Reverence may understand the contents thereof. Below stood: For the translation according to the interpretation of the interpreter Koepaijen, Palliacatta the 25th of November 1790. Signed: A. Dormieux, Sworn Translator. Concerning. The 27th of November 1790. Concerning which, in these newly appearing accusations against the most recent and former Chiefs of Jaggernaikpoeram, and how they ought to be considered and investigated thereafter, the Lord Authority read the following writing to the assembly. Gentlemen! Although I had thought that the fâcheuse occurrence at Jaggernaikpoeram would finally be confined to summoning hither both the Lord Van Bijland and the Lord Van Halm, the first mentioned to prove his accusations submitted in the past year, and the other, serving provisionally as Chief Administrator, to be heard thereon if required; item, to have that which concerns the Commission there 150 The 27th of November 1790. concerns investigated by the principal new Chiefs, which one without doubt has to expect from Bengal; yet, on the contrary, it appears as if that affair will have ever more complications, since things are now being revealed and stated, the inquiry into which allows no delay, but requires that they be immediately taken in hand and thoroughly investigated, partly for the upholding of justice and the interests of the Company, and partly to ascertain what must be done with the one in case of conviction of being guilty of those bad deeds which, to our astonishment, are stated and found described in the translation of the letter received from Jaggernaikpoeram the morning of the day before yesterday and just now read. The The 27th of November 1740. The facts contained therein are of such a nature that I could directly write the burden of the investigation off my shoulders by placing the same, or a copy of the letter, into the hands of the Fiscal, in order to take up the matters ex officio, to interrogate thereafter, and to execute his office and duty against anyone found guilty; but, besides that it may be said to be uncertain whether that letter is indeed authentic and which persons are the writers thereof owing to the lack of signatures, one sees moreover clearly enough from which side these accusations arise, and that they are thus related to the aforementioned affair with the Lord of Bijland, concerning which the Honorable High Indian Government until now has not seen fit to allow judicial action, but, under declaration 151 The 27th of November 1740. ration of awaiting the started procedures against the more mentioned Van Bijland, has repeatedly made known in the secret and separate and general letters that the investigation which Their High Honors requested of me in separate letters dated 11 May, 2 July, and 17 August past, had first to be completed before being able to dispose of any representations. Since in one and the same case judicial and political action cannot well be taken together, and moreover, to this date, no action has been instituted by the Fiscal, but the same was already requested on the 29th past to provide the assembly with a report of his proceedings and how the matter presented itself to him, which has not yet arrived, besides also the consideration that occurred to me long ago.
Dutch transcription
148 Den 27. November Volgens deeze prijs, leverde hij het zelve, en het geld wierd hem door de heeren alhier betaald. - Buiten dien heeft hij, wanneer de leeverantie der deekens aan de schil„ ders van Gollapalium en hier opge„ dragen word, zig verbonden om voor haar de helfte daar van te leveren. Thans Tirwengalam met hem Sjalmaija in on vriendschap leevende, laet hij dat werk door een van zijn volk verrichten. Wij verzoeken uwelEdele Agtbare ootmoedig voortaen de leverantie van de deekens op te dragen de helfte aan Nagojie Schilder van Go„ lopalum, en de andere helfte aan sjal„ maija. Dewijl Sjalmaija 't Seedert lange tijd pagter van de Zoutpan„ nen. Den 27. November 1790. — nen geweest, en in A=o p=o die pagt hem ontnomen, en aan Tierwen„ galam, en de dienaar van de Secunde gegeeven is, Insteeren wij uwelEd: Agtb: hem Sjalmaija, die Caridaat werk doet, en veele menschen te eeten geeft, gratieuslijk weder als pagter van de zout pannen te benoemen. door wegen van den heer secunde betaald men thans 250. pagooden, dog wanneer dee„ ze gunst aan Sjalmaija bewee„ zen word, zal hij 500. pagoden geeven. — Bij aldien het zout niet ver„ pagt word, zal hij voor het zelve, welke aan de oost zijde legd 1. /9. pagoden V=n ider garst, en voor dat van de West zijde. 1. pagood betaelen, gelijk voorleeden Jaar geschiet is met 900. garsten. — Omtrend 149 Den 27. November 1790. — Omtrent de deekens, en het zout„ verzoeken wij Sjalmaija daar meede te willen begunstigen De wijl de zaaken van de heer van Bijland thans aldaar on„ der zogt worden, en Triwengalam alhier divul geerd dat den hier van Halm weder dit heen als opperhoofd zal koomen, zoo hebben wij onse nae„ men bij deeze brief niet bekent ge„ steld. Indien uwelEd: Agtb: alles vol„ gens regt nagaat, zoo zullen nog veele zaeken te voorschijn komen. Wij verzoeken deeze door den Heer Obdam te laeten overzetten, op dat uwel Edele Agtb: den inhoud derselve verstaen kan /:onderstond:/ voor de overzetting volgens verta„ ling van den tolk koepaijen, Pallia„ catta den 25. November 1790. /:getd:/ A=mn Dormieux Gesr: Transl:— Over. Den 27. ' November 1790. — Over welke, in deeze op nieuw voorkomen de accusatien tegen de Jongste en voor„ gaende Opperhoofden van Jaggernaik„ poeram, en hoedanig die behooren te worden geconsidereert en daar na 'te geinformeert, de heer Gesaghebber de ver„ gadering voorlas het volgende geschrift. - Mijne Heeren! Schoon ik gedacht had, dat de fauheu„ se gebeurtenis te Jaggernaik poeram zich eindelijk zoude bepaelen aan het herwaerds ontbod zoo van den Heer Van Bijland, als den Heer Van Halm, de eerst gem: om zijne in A:o passato opgegevene accusatien te bewijsen en de andere om bij provisie fungeerende als Hoofd Administrateur, des ver„ eischt, daar op gehoord te worden, item om het geen de Commissie aldaar Eertreft 150 Den 27. November 1790. — betreft te laaten onderzoeken door de p:l nieuwe opperhoofden welke man, zonder twijffel, uit Bengale heeft te verwachten, zoo schijnd het daar en teegen, als of die zaak van hoe langer hoe meer na sleep zal worden, wijl er nu din„ gen aen den dag worden belegt en aen„ gegeeven, welkers naversching geen uitstel toelaeten, maer vereisschen dat ze daedelijk ter hand genomen en nauwkeurig onderzocht worden eensdeels ter hand haeving van het regt en de belangen van de Comp: en ten an„ deren om te ontwaeren wat met den geen gedaen moet worden, in geval„ van overtuiging aan die slegte stukken schuldig te zijn, welke, tot verbaezing worden opgegeeven en beschreeven be¬ vonden bij het Translaet van de Eergis„ tere morgen van Jaggernaikpoeram ontvangen en zoo even geleesen brief. — De Den 27. November 1740. — De feiten daar bij vervat, zijn van die natuur, dat ik den last van het onder„ zoek direct van mijn hals zou kunnen schrijven met dezelve, of Copia van de brief te stellen in handen van den fiscaal om zich ex officio de zaeken aan te trekken, daer na en questi te doen en tegen den schuldig bevonden wordende zijn ampt en plicht te betrach„ ten: maer, behalven dat het, mits manc„ quement aen onderteekening gezegt kan worden onzeeker te zijn of die Brief wel echt is en welke persoonen daar van de Schrij vens zijn, zoo ziet men daer en boven klaer genoeg van wat zijde deze accusa„ tien opkomen en dat ze dus betrek„ kelijk zijn tot de voorsz: affaire met den Heer van Bijland, waer omtrend de Edele Hooge Indische Regeering, tot nu toe niet heeft goedgevonden, Iustici„ cel te laeten ageeren maar, onder verkla„ „ring 151 D Den 27. November 1740. — ring van de begonnen procedures tegen meer„ melde van Bijland te zullen afwagten bij de Secreete en aparte en gemeene Brie„ ven herhaald te kennen te geeven, dat het onderzoek, dat Hoog dezelve bij aparte letteren sub datis 11. Mei, 2. Juli en 17. Aug:s J:o leeden aen mij heb„ ben gedemandeert eerst diende te wor„ den volbragt, alvoorens op eenige Re„ presentacien te kunnen disponeeren Daar er nu in een en het zelve geval niet wel Justitieel en Politiek kan worden geageert en daar en boven er ook tot dato deezes geene actie door den fiscaal is geinstitueert, maar de zelve op den 29: passato reets is gedemandeert om van zijn verrichting en zoo als de zaak zich aen hem op deed de vergadering te dienen van bericht, het welk noch niet is in gekomen, behalve noch de bedenking die bij mij al voor lang.
English
The 27th November 1790. has arisen, that the Fiscal Brouwer can hardly act in this matter, as in this his office he runs the risk of being recused, which would also be the case for the entire Court of Justice; at least in so far as its members belong to the Council of Policy, while the others fall under those against whom van Bijland has likewise raised objections, thus for these and other reasons I am indeed obliged for the present to leave everything in the state as it now is and with your Honors' orders to provide for the summoning hither of those who shall present and declare themselves to be the writers of the said letter, and further to devise such measures as may appear necessary for the uncovering of the truth. Firstly, I think that the drafted advertisement in the Dutch and Gentoo 152 The 27th November 1790. languages should be sent to Jaggernaikpoeram, and the commissioners ought to be instructed directly to publish the same, preceded by beat of drum, in both languages, to have the original posted at the gate of the factory, and the copies to be made by them posted in all public places, likewise after being read aloud. Secondly, that the former Chief Servants of Mr. van Halm, not being subordinates of the Company, and therefore for this and other political reasons not being arrestable there, shall, upon receipt of the letter, be notified that they must repair hither in order to answer specifically to the accusations that are brought against him. Thirdly, if the Secundes The 27th November 1790. De Ravallet and van Someren residing there are suspected, and the latter himself is personally accused of having colluded with the former Chief van Halm in matters which, if proven, are punishable in the highest degree, that the commissioners shall demand from both of them a solemn and formal promise neither to make away with their persons, nor to alienate, conceal, or hide their goods, but whenever they might be required by this Ministry to repair hither at all times to give an account; pledging their goods generally as security for the Company, and upon refusal thereof to announce to their persons, in the name and on behalf of the High Authority, 153 The 27th November 1790. house arrest, and in such case to place the same under the supervision of two or more Company peons or other reliable guards, who shall accompany them wherever they might wish to go and not permit them to go outside the Company's jurisdiction. Fourthly, to act here in the same manner with the Chief Administrator van Halm, namely as regards the bond, but in case of refusal, then to undergo house arrest and to be placed under the supervision of a military non-commissioned officer. Furthermore, to present to the commissioners themselves the confidence which the council has that they will be able to answer to that which is charged against them, either, after preliminary investigation, upon the requisition of this council by itself, or that such, by order of this council, be demanded of them by the chiefs already chosen and expected. And finally, whatever the effect of the aforesaid advertisement may be, without any delay or awaiting the outcome of the ways, to send hither the interpreter Ramaijen, the head peon, the kotwal, and a certain Brahmin who belongs to the choultry, and above all to beware of troubling or mistreating anyone in any way in this regard; on the contrary, if they are known indigent people who must travel, to have them issued from the treasury the customary batta or daily allowance on behalf of the Company if they request it, giving notice thereof and of the names of such, as well as of the whole 154 The 27th November 1790. outcome of this advertisement, to this council by separate letters, without adding anything concerning other Company affairs. Palliacatta the 27th November 1790. signed: Jacob Eilbracht. After the reading of which, his Honor furthermore produced the draft prepared at the same time, also following hereafter. Advertisement Whereas today in the Council of Policy of this Government has been made known the translation of an unsigned letter written on the 25th of this month, with an English address to the Honble. Jacob Eilbracht Esqr. Governer at Pullicatt on the outside, and on the inside in the The 27th November 1790. Gentoo language, according to the translation from the collective inhabitants of Jaggernaikpoeram dated 17th November 1700, and according to the tenor of the said translation containing very significant accusations against the former Chiefs van Halm and van Someren, and insofar as they are applicable to events in the year 1787, also against the former Secunde De Ravallet; which, being proven, are of such a nature that they must be brought to account for them, the more so because after the enumeration of several punishable acts, the letter itself concludes with these words: if your Honor investigates everything according to Justice, many more matters will come to light, whereas just before, the writers had indicated that they had not signed the letter because the former Chief
Dutch transcription
Den 27.' November 1790. lang, is ontstaen, dat de fiscael Brou„ wer in deezen, qualijk ageeren kan, als in dit zijn officie gevaer loopende van te zullen worden gerecuseert, dat ook het geval zoude zijn van de gansche Raad van Justitie; altans voor zoo het verre zijn leeden van Politie, terwijl de overige sor„ teeren onder die geene, waar tegen van Bijland meede bedenkingen heeft geappert zoo ben ik om deeze en andere reedenen wel verpligt om alles voor eerst te laeten in de termen als het thans is en met uE:delens ordres te stellen, tot het doen herwaards komen van de geen die zich zullen aan en op geeven schrij„ vers van gem: brief te zijn en ver„ der zoodaanige mesures te beraemen, als ter uitversching van de waer„ heid nog voorkomen noodig te zijn Voor eerst denk ik dat het ontworpen advertissement in het Nederduijtsche in Jentiefse. E 152 Den 27.:' November 1790.— Jentiefse naer Jaggernaikpoeram moet gesonden en de gecommitteer„ den dient aangeschreeven te wor„ den om het zelve, na voorgaende Tromslag, directelijk afte kondigen in beide de taelen, het origineel aan de poort van de factorij en de daar van door hun te formeerene kopij op alle publicke plaetsen /:meede na voorleesing:/ te affigeeren laeten. — Ten 2„e om de geweeze Hoofd diena„ ren van den Heer van Halm geen onderhoorige van de Comp:, dus daar om en om andere politieke reede„ nen, aldaar niet arrestabel zijnde, op ontvangst van de Brief, aen te zeggen, van zig herwaarts te moe„ ten begeeven, ten einde zich, op de beschul„ digingen welke tegen Hem zijn, in het bij zonder te verantwoorden Ten 3. indien de aldaar aenweesige Le„ Cundes Den 27. November 1790. — Cundes De Ravallet en van Someren verdacht zijn en de laeste zelf perso„ neel beschuldigt word met het ge„ weese Opperhoofd van Halm te hebben getrampeert in zaeken die beweesen wordende, ten hoogsten strafbaer zijn, dat zij gecommit„ teerden hen beiden zullen afvorde„ ven een plechtige en Solemneele belofte van noch hunne persoonen noch hunne goederen te zullen zoek maeken, veralieneeren, versteeken of verbergen, maer wanneer zij van wegen dit Ministerium mochten worden gerequireert zich ten allen tijden ter verantwoording herwaarts te zullen begeeven; stellende haere goederen generalijk tot zeekerheid van de Comp:e, en bij weijgering van dien hunne persoonen, uit naem en van weegen de Hooge overigheit, aan te kun„ digen. 153 Den 27. November 1790. digen Huis arrest en, in zoo een geval de zelve te stellen onder toezicht van twee of meer Comps. Pions of andere goede wachters, die Hen, waar zij moch„ ten willen gaen, zullen moeten ver„ zellen en niet permitteeren mogen om, buijten 'sComp:s Jurisdictie zich te begeeven. — Ten 4. , om alhier, in zelver voege te handelen met den Hoofd Admi„ nistrateur van Halm te weeten wat aengaet de verbintenis, doch bij weige„ ring, om als dan Huis arrest te on„ dergaen en onder op zicht van een militaire onder offecier gesteld te worden Voorts de Gecommitteerden zelve voor„ te houden, het vertrouwen daer de verga„ dering in is, dat zij zich zullen kun„ nen verantwoorden op het geen hen word ten lasten gelegt, het zij, na voor gaan„ de informatie, op requisit van deeze ver¬ gadering Den 27. November 1790. gadering, door Haer zelve, het zij dat zulks, op ordre van deeze vergadering hen worde afgevordert door de bereets ver koorene en te verwachtene opperhoofden En eindelijk om van welke uitwerking het voorsz: Advertissement ook mag zijn zonder eenig delaij of het wachten na den uitslag der wegen, herwaerds te zenden de Tolk Ramaijen, de Hoofd pion, Kootwael en zeekere Braminees die tot de Sjanderi behoort, en zich voor al te wachten van iemand dezen aangaande, eenigzints te vermoeije lijken of qualijk te behandelen. in teegendeel, zoo het bekende onver„ mogende Lieden zijn welke op Reis moeten, hen Comp: wege het gewoone Battam of dag geld, uit Cassa te laa„ ten afgeven in dien zij daarom ver„ zoeken, geevende daer van en van de naemen der zoodaenige item van den Gan 154 Den 27. ' November 1790.— ganschen uitslag dezer advertensie, ken„ nis aen deese vergadering bij aparte brie„ ven, zonder van overige Comp:s zaeken iets daer bij te voegen. — Palliacatta den 27. November 1790. /:geteekend:/ Iacob Eilbracht. Na lectuure van het welke zijn E: E: Agtb: alverder produceerde het levens in voorraed ontworpen, meede hier volgende. Advertissement Nademaal op heeden in Raade van Policie dezes Gouvernement is bekend gemaekt de overzetting van een op den 25. deezer, met een Engelsch addres the Honble. Jacob Eil„ bracht Esqr. Governer at Pullicatt, van buiten en van binnen in het sen Den 27. ' November 1790. — Jentiefsch Geschreeven ongeteekende Brief, na het Translaet van de gezamentlijke in„ woonders van Jaggernaikpoeram de dato 17. November 1700. , en na luid van gem: vertaeling, in houdende zeer aenmer„ kelyke accusatien tegen de geweese opper„ hoofden van Halm en van Someren en voor zoo verre die applicabel zijn op gebeurtenissen in A:o 1787. ook tegen den gewesen Secunden De Ravallet; welke beweesen wordende van dien aert zijn, dat zij daar over ter verantwoording moeten gesteld worden, te meer, na de op„ telling van verscheide Strafbaere bedrij¬ ven, de brief zelve word beslooten met deze woorden in dien UE: Agtb: alles, volgens Recht nagaet, zoo zullen noch veele zaeken te voorschijn komen, terwijl even te vooren de schrijvers hadden te kennen gegeeven, dat zij de brief niet hadden geteekend, om dat de geweese Hoofd.
English
155 The 27th of November 1790. Head servant of the aforementioned van Halm, named Batjoe Tiroewengalam, who has played a very bad role in the matters themselves, came to divulge at Jaggernaikpoeram that the aforementioned van Halm is again to come there as chief, besides also the suspicion regarding the commissioners present at Jaggernaikpoeram, Heshusius and Schliephaken, namely of having lent a hand in covering up the evil dealings of the aforementioned van Halm and Batjoe Tiroewengalam, with more other points too detailed and unnecessary to detail here. And whereas the reported matters are of particular concern, in which the Company is highly interested, both to cause the one who might be guilty to be punished, and on the other hand to preserve the innocent The 27th of November 1790 innocent in their good name and not make them suffer with the guilty, thus distinguishing the truth from the untruth, which cannot take place except after a careful examination and proof of the allegations made: so it is hereby, on behalf of this meeting, for the reassurance of everyone who has a part in the writing of the aforementioned letter, and for the discovery of the pure upright truth, advertised and made known, that far from what Batjoe Tiroewengalam asserts on the 9th of this month, it has already been approved and understood to fill the directorship, until further orders from the Honorable High Indian Government at Batavia, with two junior merchants who have been requested and, as soon as the monsoon permits, are expected from Bengale, and that we have furthermore already given orders to the aforementioned commissioners Heshusius and Schliephaken 156 The 27th of November 1790. haken, for the further reassurance of the community against all possible wicked ruses and practices of the aforementioned Batjoe Tiroewengalam, and for that reason hereby warn and command those who are the writers of the aforementioned letter, as we warn and command them hereby, to come hither together, or if their number should be too great, in convenient groups, at once to substantiate the contents of the aforementioned letter, and further to give testimony to the truth of what will be asked of them when they are here, in such a manner that it can be confirmed by oath, and that after submitting their names, titles, or profession to the commissioners who are yonder, or, should they also be apprehensive of them, with The 27th of November 1790. with a prior sending over of a list of names, both of the writers of the aforementioned letter and of those who, in accordance with our requisition, are to come hither, as we judge that necessary for the service of the Company, and for that reason have also had this our advertisement translated into the Gentoo languages to be read out and posted in all public places at Jaggernaikpoeram, so that no one might claim any ignorance of this after date. Done at Palliacatta in Fort Geldria the twenty-seventh day of the month of November 1790. Underneath stood: By order of the Right Honorable Gentleman Jacob Eilbracht, Senior Merchant and Governor, alongside the Council. Upon all of which, the matters appearing therein being considered as disturbing fabrications, nevertheless simultaneously deliberated upon, and the course of caution being judged highly necessary, it was after consideration 157 The 27th of November 1790. sideration approved and understood to let the first and second article of the aforementioned proposition with the rest take effect, but to let the third and fourth of the proposals be suspended until after the effect of the advertisement, given that the non-signing of the letter is considered as leaving it uncertain who will report themselves and come forward as the writer and further sustainer thereof. Done at Palliacatta in Castle Geldria, date as above. Was signed: as before. Except F. W. Bloeme. Monday the 6th of December 1790. In the morning. All present. After concluding the matters recorded by common resolution of today, upon The 6th of December 1790. upon the proposal of the Lord Governor, having further entered into discussion concerning the contents of the revered secret dispatch of the Honorable High Indian Government dated the 17th of August of this year, containing the displeasure of Their High Excellencies over the slackness and indifference of this Council, by not having ensured in time that the necessary papers from Northern Coromandel were delivered, or attempting to force those sluggish and unzealous servants by suitable corrections to their duty and required promptness, it was after consideration thereof approved and understood to respectfully reply in writing how it is hoped that the orders now mentioned in the common resolution of the 25th of October of the past year and since established 158 The 6th of December 1790. ders for the redress of various abuses may be sufficient to provide for this in the future, under the respectful assurance at the same time that in default thereof the negligent will be corrected, and de facto condemned to the established fines, and if those should not be sufficient, one will proceed to other corrections in order to keep everyone to their duty, with a request to Their High Excellencies to take into favorable consideration that this time several extraordinary cases concur, which make it doubtful whether it will be possible to get a general report of affairs as of the end of this month ready so early that it, according to wish and endeavor, no later
Dutch transcription
155 Den 27:' November 1790. — Hoofd dienaer van gem: van Halm, in naeme Batjoe Piroewengalam, welke in de zaeken zelve een zeer slegte Rol gespeelt heeft, te Jaggernaikpoeram quam te divulgeeren, dat gem: van Halm weder aldaar als opperhoofd staat te komen, behalven nog de ver„ denking omtrent de te Jaggernaik„ poeram aenweezige gecommitteerden Heshusius en Schliephaken, van namelijk de hand geleend te hebben tot het bedekken der quade behande„ lingen van voorm: van Halm en Batje Tiroewengalam, met meer andere pointen te omstandig en on„ nodig alhier te detailleeren. — En nademaal de aengegevene bij zonder reeden zaeken zijn, waar aan de Comp: ten hoogsten gelegen legt, zoo om den geen die schuldig mogt zijn te doen straffen, als om daer en tegen den on„ Schuldigen Den 27. November 1740 schuldigen bij haer goede naem te behouden en niet te doen lijden met den schuldigen dus de waerheid te onderscheiden van de onwaerheid, het welk niet geschieden kan„ dan na een naukeurig onderzoek en bewijs der voorkomende beschuldigingen: zoo word mits deeze, van weegen deze vergadering, tot geruststelling van een ieder die deel heeft aan het schrijven van voorsz: brief, en tot ontdekking van de zuivere oprechte waerheid, g'adverteert en bekend gemaakt, dat wel verre van het geen Batjoe Tiroe wengalam voor geeft op den 9. deezer, bereets is goedgevonden en verstaen om de opperhoofdij tot nadere ordre van de Edele Hoog Indische Regeering te Batavia, te vervullen door twee onderkooplieden welke verzocht zijn en zoo dra de mousson het toelaat, ver„ wagt worden uit Bengale, en dat wij daar en boven reeden aan de voorm: Ge„ committeerden Heshusius en Schliep„ haken 156 Den 27. November 1790. — haken ordres hebben laeten afgaan, ter verdere gerust stelling van de gemeenten tegen alle mogelyke snoo„ de listen en practijken van voorm: Batjoe Tiroewengalam, en over zulks mits deze den geenen die schrijvers van voorsz: Brief zijn, waerschouwen ^ gelijk wij hun waarschouwen en beveelen en bevelen ^ mits deezen om te saemen, of zoo hun getal te groot mocht zijn, bij gevoegelijke gedeelten, zich ten eersten, herwaerts te begeeven den in houd van voorm: brieff ge„ stand te doen, en verder der waar„ heijd getuijgenis te geeven van het geen hen als zij hier zijn, zal wor„ den gevraegd, zodanig dat het met Eede kan worden bekragtigd, ende dat na op gaave van hunne naa„ men, qualiteijten, off beroep aan de gecomm:s die ginter zijn, dan wel zo zij ook dien voor mogten schroomen, met Den 27. ' November 1790. — met voor afgaande oversending van een lijst der naamen zoo van de schrijvers van voorm: brieff als van den geen die ingevolge onse requisit zig herwaards staan te begeeven dewijl wij dat, ten dienste van de Comp: noodzaekelijk oordeelen, en om die reeden deeze onse Advertentie ook in de Ientiefsche Taelen hebben laeten overzetten om te Jaggernaik„ poeram op alle publicque plaetsen afgeleezen en aengeplakt te worden, op dat niemand hier van, na dato eenige ignorantie zou„ mogen pretendeeren. — Actum te Palliacatta in het Fort Geldria den Zeven en twintigsten dag van de Maend November 1790 /:onderstond:/ Ter ordon„ nantie van den E: E: Agtb: Heer Iacob Eilbracht opperkoopman en Gezachhebber nieven den Raad. — Op alle het welke, de zaeken daar in voor komende als ontrustende uit vindingen aangemerkt niet te min tevens gedelibereert, en de weg van voorzigtig„ heid ten hoogsten nodig geoordeelt zijnde, is na over„ weeging 157 Den 27. November 1790. — weeging goedgevonden en verstaen om het eerste en tweede lid der voorsz: propositie met het overige te laeten gevolg neemen, doch het derde en vierde der voorstellen, tot na de uitwer„ king van het advertissement gesurcheert te laeten, aengezien het niet teekenen van de brief word geconsidereert als onzeeker wie zich, als de schrijver en verder gestand doener van dien, zal aenmelden en ko„ „op men „ te doen. Actum Palliacatta Jn 't Casteel Geldria dato voorsz: /was geteekend:/ als vooren/ Excepti F: W: Bloeme. — Maendag Den 6. December 1798. Smorgens Alle present. Na het afhandelen van de bij gemeene Resolutie van heeden te boek geslagen zaeken op Den 6. December 1790. op des Heere Gesaghebbers propositie, noch zijnde getreeden in besoigne over den inhoud van de gevenereerde secrete missive van de Edele Hooge Indische Regeering de dato 17 . Augustus deezes Jaers vervat¬ tende het misnoegen van Hun Hoog Edelheeden over de Slapheit en onver„ schilligheit deezes Raads, door niet in tijds te hebben gezorgt dat de nodige papieren van Voorder Cormandel zijn bezorgd geworden, dan wel te tragten die traege en ieverloose be„ dienden door gepaste Correctien tot hun plicht en vereischte voortvaerent„ heid te noodzaeken, is na overweeging van dien goedgevonden en verstaen in eerbied te rescribeeren, hoe men hooft, dat de nu of ter gemeene Resolutie van den 25. October J:o leeden vermelde en zedert vastgestelde or„ dres 158 Den 6:' December: 1790. dres tot redres van verscheide mis„ bruiken, toereijkende mogen zijn, om in den aenstaende hier in te voorzien, onder eerbiedige verzeekering tevens dat bij mancquement van dien de nalatige gecorrigeert, en in de gestelde boetens de facto gecondemneert zul„ len worden, en zoo die niet toereiken„ de mochten zijn, men tot andere Correctien zal overgaen om een ieder in zijn plicht te houden, met ver„ zoek aen Hun Hoog Edelheeden om in gunstige aenmerking te neemen dat 'er dit mael verscheide extra ordinaire gevallen Concureeren, die het twijffel„ achtig maeken, of het wel mogelijk zal zijn een generaal verslag van zaeken onder ultimo deezer maend, zo vroegtijdig in gereedheit te brengen, dat het zelve na wensch en betrachting niet later