Inventory 3876
Coromandel · 984 pages · 135 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
The 6th of December 1790. — no later than the 15th or at the latest the 20th of the forthcoming month of January via Ceylon, will be able to be offered to Their High Mightinesses so that it can be in Batavia at the customary time of the business or not later than April. With respect to the three questionable samples of Sadraspatnam linens, which were rejected for delivery by this Ministry in the year 1785 on account of the former head of that office, the merchant Willem Hendrik van Bijland, and, alongside those of the present head Joan Daniel Simons, were offered in 3 packages alongside the letter of the 10th of February past to the said Noble High Indian Government for examination, and having been seen received in Batavia; as Their High Mightinesses had judged it best not to declare themselves on the matter for the time being, but to await the report of the present Lord Governor concerning the findings thereof, after these samples, alongside His Honourable Worship, shall have undergone a further examination by knowledgeable people: it was resolved to note the declaration of His Honourable Worship that he shall present his findings, along with those of the experts, to the meeting within the next few days, in order that they may next be communicated to Their High Mightinesses. Their High Mightinesses stating in section 3 of the aforementioned letter that they will await the outcome of the negotiation with the Nabob regarding the detention of Company goods by the Duan here, and the plan to be improved upon that matter in order to avoid the continual discrepancies between the Duan and the Governor, all this having been raised in the aforementioned letter of the 10th of February, sections 12 and 13; 159 The 6th of December 1790. — it is, after deliberation, approved and agreed to reply that until now nothing of that nature has occurred, but that it would nevertheless be desirable, if the matter regarding the return of Nagapatnam is not soon decided, that Their High Mightinesses be pleased to take a resolution to have this inconvenient place exchanged for Sadraspatnam, which is much more suitable for a main office than Palliacatta, because one holds that place in perpetual lease from the Nabob of Carnatica and is therefore complete master there, thus also probably possessing the freedom of minting, in addition to it being infinitely better situated for trade than this wretched Palliacatta, the inconvenience of which, merely with the unloading of ships, still appears in great detail The 6th of December 1790. in what was noted and transacted in the collective Resolutions of the 15th of October past. Their High Mightinesses furthermore testifying in section 4 of the aforementioned letter that they cannot pronounce upon the justification of this Ministry regarding the dubious accusations and allegations of the merchant van Bijland mentioned in section 19 of the letter of the 10th of February of this year, as well as regarding the complaints of the aforementioned van Bijland and his further accusations, appearing in the later letter of the 26th of March, both because Their High Mightinesses had already taken some provisional decisions upon the papers of Van Bijland received previously, without anything having then been remarked upon them, much less brought forward as an excuse or defense, 160 The 6th of December 1790. — and in view of the further required justification of diverse matters, of which no mention is found in the said justification, as well as because Their High Mightinesses had since left the investigation into all the different complaints and accusations to the present Lord Governor Eilbracht, the outcome of which they would first await, as well as of the proceedings commenced against the aforementioned van Bijland: thus, after deliberation on all of this, it has been approved and agreed to respectfully inform Their High Mightinesses in reply that all the points on which the merchant van Bijland must justify himself pursuant to the order of the Noble High Indian Government The 6th of December 1790. — were handed over to him after his arrival from Jaggernaikpoeram on primo November on the 9th thereof, and that he, on that day, on the basis of his request made to that end and in accordance with what was noted in the separate Resolution of that date, having been released from his arrest by the Lord Governor under a formal pledge, the said His Honourable Worship made known to the assembly that he would communicate the further progress of that affair in His Honour's separate letters to the Noble High Indian Government. Yet that in the meantime the fiscal office was ordered on the 29th of October past, on behalf of this assembly, to provide a report on the inquiry demanded of him at the session of the 12th of March 1790 and the state of the dispute as it appears to him, in order to judge why the aforementioned resolution has not been complied with until now, and why the case has not been initiated at law or, as it is called, formally brought before the Court of Justice, although preliminary objections enough already present themselves against it, in particular the embarrassment of how one will conduct the case through an officer and before a court of justice who are both suspected by the accused and could therefore easily be recused, not to say that, instead of adhering to the point in question, one has by anticipation brought more trouble into the house than was necessary for the fulfillment of the aforementioned resolution, and
Dutch transcription
Den 6. December 1798. — later als den 15. of uitterlijk 20: van de aenstaende maand Januarij over Cei zal lon Hun Hoog Edelheeden „ kunnen aen„ geboden worden om ter gewoonen tijd van de besoigne ofte niet laeten als in April te Batavia te kunnen zijn. Met opzigt tot de drie questieuse mon„ sters van Sadraspatnamsche Lijwaeten, die voor de leverantie door het geweesen opperhoofd van dat kantoor den koopman willem Hendrik van Bijland, door dit Ministerium in den Jaare 1785. afgekeurt en nevens die van het presente opperhooft Joan Daniel Simons in 3. pakjes nevens de brief van den 10. ' februarij pas„ Sato welmelde Edele Hooge Indische Regee„ ring ter examinatie aengebooden, en te Batavia ontvangen gezien zijnde, hoe Hun Hoog Edelheeden best hadden geoon deelt, zig daar over voor eerst niet te ver 159 Den 6. December 1790. — verklaeren, maer aftewachten het bericht van den presentien Heer Gezachhebber wegens de bevinding derzelve, na dat deeze mon„ sters door kundige lieden, nevens zijn E. E. Agtb: een nadere examinatie zullen zijn ondergaen: is verstaen te noteeren, de verklaering van zijn E: E: Agtb: dat zijne bevinding met des kundigen, ten vergade„ ring eerst daegs zal opgeeven, om ten naesten aen Hun Hoog Edelheeden bedeelt te worden. Hun Hoog Edelheeden bij § 3. van voorsz: missive meldende, dat den uitslag zullen afwagten van de onderhandeling met den Nabab in opsichte van het aenhouden van sComp:s goederen door den Duan alhier, en het daar op te verbeterene plan, ter eviteering van de geduurige discrepantien tusschen den Duan, en den Gesaghebber, invoegen dat een en ander voorgekomen zijnde bij voorm: missive van 10: febr: §. 12. en 13„ Den 6. December 1790. 13. , is na overweeging goedgevonden en verstaen te rescribeeren dat tot nu toe en niets van dien aert voorgevallen is, dat het nogthans te wenschen wae„ re dat, indien het zich aengaende de te rug gave van Nagapatnam niet spoe„ dig decideert, dat Hun Hoog Edelheeden een besluit geliefde te neemen om deeze on„ geleege plaets te laeten verwisselen tegen Sadraspatnam, dat vrij geschikter voor een hoofd kantoor is als Palli„ akatta, want men die plaets in een eeuwige pacht heeft van den Nabab. van Carnatika, en er dus volkomen meester is, dus ook waerschijnlyk van de vrijheit tot vermunting, be„ halven dat ze tot den vertier onein„ dig beeter geleegen is, als dit elendig Palliacatta waer van de ongelegen„ heit enkel bij het ontlossen den scheepen noch zeer omstandig voor 160 Den 6. December 1790:— voorkomt bij het aengeteekende en verhandelde ter gemeene Resolutien van den 15. 8ber: J:o leeden Hun Hoog Edelheeden voorts bij pan: 4. van voorsz: missive be„ tuigende zich niet te kunnen ver„ klaaren over de verantwoording van dit Ministerium op de bedenkelyke accusatien en betigtingen van den koopman van Bijland vermeld by § 19 des briefs van 10. februarij deezes Jaars, als meede omtrend de klachten overgemelde van Bijland en deszelfs nadere accusatien, voor„ komende bij laetere missive van den 26. Maart, zoo om dat Hoog Dezelve reets eenige provisioneele dispositien ^hadden genoomen ^op de bevoorens ontvangene papieren van Van Bijland, zonder dat men als toen daar op iets had aangemerkt, veel min tot verschooning of defensie in Den 6. December 1790. — ingebragt, als uit hoofde der nadere afgevorderde verantwoording van di„ verse zaeken, waar van bij gemelde verantwoording geen melding word gevonden, mitsgaders om dat Hoog De zelve sedert het onderzoek na alle differente klachten en accusatien aen den presenten Heer Gezaghebber Eilbracht gelaaten hadden, waar van alvoorens den uitslag zouden afwachten, zoomeede van de begon„ nen proceduures tegen voorm: van Bijland: Zoo is na overweeging van dit een en ander goed ge„ vonden en verstaen Hun Hoog Edelheeden bij rescriptie eerbiedig te melden, dat alle de pointen, waar op de koopman van Bij¬ land zig ingevolge de ordre van de Edele Hooge Indische Regeering moet 16. 1 Den 6. ' December 1790. — moet verantwoorden, hem na zijn arrivement van Jaggernaik poeram of primo November den 9. daer aen zijn overhandigt, en dat hij ten dien dage op fundament van zijn daarom gedaan verzoek, en in„ gevolge het aangeteekende ter aparte Resolutie van dien datum door den Heer Gezaghebber onder handtasting uit zijn arrest ont„ slagen zinde, welmelde zijn E: E: Agtb: de vergadering te kennen ge„ geeven heeft het verder gevolg van die affaire bij Hoog Deszelfs aparte brieven aan de Edele Hooge In„ dische Regeering te zullen bedeelen Dan dat onderwijlen het officu fiscael op den 29. October J:o leeden, van wegen deeze vergadering gelast is, om van de hem ter sessie van den 12. Maart 1790. gedemandeerde en Den 6: December 1790. en queste, en de staet des geschild, zoo als die zich aen hem opdoet, te dienen van bericht, ten einde te oordeelen waerom tot hier toe aen het voormeld besluit niet voldoen, en waarom de zaek niet in Rechten geentameert of, gelijk men het noemt, bij de Raed van Justitie bank vast is gemaakt, schoon daer tegen zich reets prealabele bedenkingen ge„ noeg opdoen, inzonderheit de verle„ genheit hoe men de zaek zal aanleg„ gen door een offecier en bij een regt bank welke door den geaccuseerden beiden ge„ suspecteert, en dus lichtelijk gerecuseert kun nen worden, om niet te zeggen, dat men, in steede van bij het point in questi te blijven, bij anticipatie, meer omslag over de vloer heeft gehaelt, als aen de voldoe„ ning van het voormeld besluit nodig ware en
English
162 The 6th of December 1790. and thereby apparently did not know how to handle the matter. With regard to the trust expressed by the aforementioned Their High Nobilities in paragraph 5, that notwithstanding the merchant van Bijland did not succeed in the commission assigned to him concerning the disputes with the English in the year 1789 on account of our properties on the Jaggernaickpoeram River, one nevertheless should seize the most suitable occasions to obtain redress insofar as an actual infraction upon our privileges has occurred and the Company has been unfairly treated; it is understood to keep that recommendation dutifully in mind and to note the declaration of the members that since then no disputes over this matter have arisen The 6th of December 1790. arisen, as well as, should it occur in the future, to let serve as a guideline the exposition drafted by the late Governor Blaaukamer regarding the right due to the Company concerning that river, which is found inserted in a separate resolution of this meeting dated 5 January 1788. Awaiting from Their High Nobilities the outcome of the negotiations of the former Governor Tadama to prevent disputes with the Havildar in the shipment of goods, of which the original stands noted in a separate dispatch of 10 February last, and the outcome of affairs, or the result of a commission and deputation on this subject as well as concerning the Company's privileges in general, assigned to the interpreter Mandalam Wengadassalam Naiker 163 The 6th of December 1790. Naiker, to His Excellency the Nawab Machomet Ali, appears from a written report of inquiries made by him, inserted in the separate resolution of 24 June of this year, containing mainly, though not without ambiguity, the Parwanah or mandate obtained from the aforementioned Lord Nawab directed to the Havildar to the end of not hindering the progress of the Company's affairs, but on the contrary letting us proceed according to our The 6th of December 1790. our prerogatives and privileges, as appears from the following translation of the letter written by the said Nawab to the former Governor Mr. Tadama on the date of 2 February of this year, reading as follows: Translation of a Persian letter written by His Highness the Subah Machomet Alichan to the Right Honorable Mr. Nicolaas Tadama, Senior Merchant and Governor of the Coromandel Government, etc., etc., dated 2 February 1789. After preceding compliments, I have duly received Your Right Honorable's letter of the 164 The 6th of December 1790. 22nd of January, and perceived from it both the indolence of the Havildar of Palleacatta and his request to order him for the second time to pay the toll money that is due to the Dutch Company. In accordance with Your Right Honorable's desire, I have ordered Mahomet Abdoela not only to pay out the toll money according to custom, after deduction of what is due to the Sarkar for the parcels that were fetched by Your Right Honorable's servants, but also to act according to the old usage in the future. May Your Right Honorable also please to order his people to The 6th of December 1790. do likewise regarding the money of the Sarkar. What more shall I write than to assure Your Right Honorable that I hold great affection for the English and the Dutch. (Below stood:) for the translation according to the interpretation of the interpreter Coepaijen, Palliacatta, the 10th of February 1789. (Was signed) A: Dormieux, G: Transl.mr. Under further presentation to Their High Nobilities that, notwithstanding this, the main matter, or the payment of the Company's share in the Pulicat tolls, comes to no result, whether it be that special orders and 165 The 6th of December 1740. and qualification are required for this, or that something else lies behind it; but that in the meantime, or since the troubles that arose between Tipu Sultan and the English, the latter have again taken possession of the Nawab's lands as a security for his overdue payment and compensation for the war expenses, which, if one may credit the reports, amount to 4 lakh pagodas per month. It having further been remarked by Their High Nobilities in paragraph 7 that, because great consequences can often result from minor disputes, such as the incident at Ariaelcherij over a watercourse with the people of Kowetoer, cited in the letter of 26 March of last year, paragraph 32, and the sending The 6th of December 1790. sending of commandos to decide the matter by force is always objectionable and ill-suited to the present constitution, especially since one is indeed obliged to address oneself subsequently to the English, Their High Nobilities would therefore rather have seen that upon the dispute arising, instead of intending to use force, one had applied directly to the English to seek justice, with a recommendation to this assembly to keep this remark in mind in such cases henceforth: it is understood to assure Their High Nobilities that this shall serve in the future for guidance and dutiful observance, and that, to this end, this remark has also been communicated in extract to 166 The 6th of December 1790. the Chief of Sadras, the merchant Joan Daniel Simons, with orders to take compliance therewith as a guideline in the future. Lastly, it is understood to thank the aforementioned Their High Nobilities for the favorable approval of the precautions taken by this Council against the unhoped-for invasions of Tipu Sultan, and with regard to Their High Nobilities' wish that the threatened invasion by the English into his country from all sides will make him desist from the invasion into the Carnatic, to communicate
Dutch transcription
162 Den 6: December 1790. en daer door het Schijnt niet geweeten heeft hoe men er mouwen aanstellen zoude. Ten aansien van het betuigd vertrou„ wen door welmelde Hun Hoog Edel„ heeden bij pan: 5. t, dat ongeacht de koopman van Bijland niet is geslagd in de hem opgedragene Commissie omtrent de ver= schillen met de Engelschen in Jaare 1789. wegens onze eigendommen op de Jagger„ naikpoeramsche Revier, men echter des niet te min voor zoo ver 'er wezentlijk infractie op onze voorrechten is geschiet, en de Comp: onbillijk behandelt is de bekwaemste occagien dient te Capteeren om daar in re„ dresse te verkrijgen is verstaen die recom„ mandatie Schuldplichtig in het oog te hou„ den en te noteeren de verklaering der Leeden dat er zedert geene verschil„ len over deeze zaek zich hebben opgedaen Den 6. December 1790. — opgedaen, item om, indien het in den aenstaande gebeuren mochte ten richt„ snoer te laeten dienen de door wijlen de Heer Gesaghebber Blaaukamer inge„ stelde vertooning van het recht de Comp:e nopens die Revier toekomende, welke bij aparte Resolutie deezer vergadering de dato 5. Januarij 1788. geinse„ reert word gevonden. — Hun Hoog Edelheeden te gemoet ziende, den uitslag der onderhande„ ling van der Heere geweezen gezag„ hebber Tadama tot voorkoming van disputen met den Haweldaer in den afscheep der goederen, waer van de originali genoteert staat bij aparte missive van 10. febr: laestlee„ den, en de uitkomst van zaeken, ofte het gevolg van eene den Tholk Mandalam wengadassalam Naiker 163 Den 6:' December 1790. — Naiker ten deezen Sujette zo wel, als nopens 's Comp:s Privilegien in het generaal, opgedragen Commis„ sie en deputatie aen zijn Excel len„ cie den Nawab Machomet Ali, zich op doet bij een door hem schriftelijk gedaen verslag van zoeken, geinsereert ter aparte Re„ solutie van den 24. Junij deezes Jaars hoofdzaekelijk, nochtans niet zonder dubbelzinnigheit, ver„ vattende de van gem: Heer Na¬ wab verkreegene Parwanah of or„ donnancie op den Haweldaer ten einde den voortgang van 'sComp:s zaeken niet te verhinderen, maar daer en tegen ons te laeten begaen na onze E Den 6.:' December 1790:— onze voorrechten en privilegien, gelijk zulks Consteert uit de ondervolgende ver„ taeling des briefs door gem: Nababaer den geweesen Gezaghebber de Heer Padama in dato 2. febr: deezes Jaers geschreeven; luidende aldus. Translaet eener persi„ aansche brief geschreeven door zijn Hoogheid den Souba Machomet Alichan, aan den wel Edelen Agtba„ ren Heer Nicolaas Ta„ dama Opperkoopman en Gezaghebber van het Con„ mandels Gouvernement Etc: Etc: gedateerd den 2. februarij 1789. — Naer voor afgaande Complimenten uwelEdele Agtb: brief van den 164 Den 6.:' December 1790. — Den 22. Januarij heb ik wel ontfangen, en daar uit ontwaerd zoo wel de traagheid van den Ha„ weldhaer van Palleacatta, als wel deszelfs verzoek om hem voor de tweedemael te ordonneeren, om het tolgeld, welke de Hol„ landsche Comp: Competeerd, te betaelen.— Ik heb volgens uwel Ed: Agtb: begeerte Mahomet Abdoela gelast niet alleen om volgens gewoonte afteleggen het tot geld, na aftrek van 't geen den Perkar toekomt voor de pakken die door uwelEd: Agtb: bediendens afgehaald zijn, maar ook in den volgtijd zig na de oude uzantie te gedragen. — uwelEdele Agtb: gelieft ook desselfs volk te ordonneeren om des Den 6. December 1790. — desgelijks te doen, omtrent het geld van den serkar. wat zal ik meer schrijven, dan dat ik uwel Edele Agtb: verzeekere, dat ik de Engelschen, en de Hol„ landers groote genegentheid toe„ draege /:onderstond:/ voor de overzetting volgens vertaling van den tolk Coepaijen, Pal„ liacatta den 10. ' februarij 1789. /:was geteekend/ A: Dormieur G: Transl=mr.— Onder verdere vertooning aen Hun Hoog Edelheeden dat, des on„ aengezien de hoofd zaak ofte de uitkeering van 'sComp. s aende in de Palliakatsche tollen geen gevolg komt te neemen, het zij dan dat hier toe specialiter last en 165 Den 6. December 1740. — en qualificatie word vereischt, of dat er iets anders agter Schult, maer dat ondertusschen ofte zedert de ontstaene on„ lusten tusschen Tiepoe Sultan en de Engelschen, deeze laeste de landen van den Nabab weder in bezit hebben genomen tot een Secuuriteit voor zijne agterstallige betaaling en goed„ making van de oorlogs kosten, die zoo men aen de rapporten mag geloof defereeren S maands 4. lak pagooden te staen komen. — Door Hun Hoog Edelheeden wijders bij par: 7. geremarqueert zijnde, dat wijl uit geringe verschillen, als het geval te Ariaelcherij over een water leiding met die van kowetoer, aen„ gehaeld bij brief van 26. Maart J=o leeden § 32. dikwils groote ge„ volgen kunnen resulteeren, en het Zenden Den 6. December 1790. — zenden van Commandos om de zaek met geweld te beslissen, steeds bedenkelijk, is, en in de presenti Constitutie weijnig te pas komt, voor al daer men wel verplicht is, zich vervolgens bij de Engelschen te addresseeren, dat Hoog Dezelve dus lie„ ver gesien hadden, dat men bij het ontstaen geschil, in steede van gewelt te willen gebruiken, zich direct aen de Engelschen hadden vervoegd om recht te vraegen, met recomman„ datie aen deeze vergadering om dee¬ ze remarque in zulke gevallen voor„ taen in het oog te houden: is ver„ staen Hoog de zelve te verzeeke„ ren dat zulks in den aenstaen„ de zal strekken tot naricht en pligtschuldige Observantie en dat, ten dien fine deeze remarque ook in Extract is ge 166 Den 6. December 1790. — gecommuniceert aen het opper¬ hoofd van Sadras den Koop„ man Ioan Daniel Simons met last om zich de naerko„ ming daer van in het ver„ volg ten richt snoer te laeten strekken. — Laestelijk is verstaen welmel„ de Hun Hoog Edelheeden te be„ danken voor de gunstige approbatie der door deezen Raade genomene pre„ cautien tegens de onverhoopte in„ vasien van Tipoe Sultan, en met op sicht tot Hoog Der Zelver wensch dat de gedreigde inval der Engelschen van alle kanten in zijn land hem van de invasie in Carnatica zal doen afsien, te bedee„ len
English
The 6th December 1790. and the successively received varying reports of the movements of both armies and the continuous appearance of the horsemen of Tipu Sultan, especially along the southern part of the coast, to plunder the land and strike terror and fear into everyone, so that Nagapatnam has been virtually depopulated by the flight of the community, and there is still anxiety and grief as to what will ultimately be the outcome of this deplorable, land-oppressing, and destructive war. Thus done and resolved in Fort Geldria at Paliacatta on the date aforesaid. Signed: As before. Friday 167 Friday, the 10th December 1790. In the morning, all present. Received and read, pursuant to the resolution of the 19th ultimo, the required defense of the former Governor, Mr. Nicolaas Tadama, against the protest of the merchant Willem Hendrik van Bijland inserted in that resolution, regarding the unauthorized opening of two packets of papers, more fully mentioned in that document, and reading as follows: To the Honorable, the Worshipful Mr. Jacob Eilbracht, Senior Merchant and Governor of this Coast of Coromandel, with the dependencies thereof, together with the Council. Honorable, Worshipful Sir and Gentlemen. To comply with Your Honor, Worships, and The 10th December 1790. and Honors' resolution of the 19th of this month, of which an extract was delivered to the undersigned by Secretary Hasz, he has the honor to submit: That, with regard to the two packets of papers belonging to the merchant Van Bijland sent hither by the commissioners at Jaggernaikpoeram, he acted in good faith, without ever having the intention to examine or pry into them, but was so imprudent as to open them without suspicion, as they were brought in together with several Company packets. After this imprudence had been committed by him merely by breaking the seals that were upon them, he was startled 168 The 10th December 1790. by what he had done. By chance, the aforementioned Secretary Hasz came to him at that moment to present some resolutions for resumption, to whom the undersigned made the matter known, and ordered him immediately, if no inventory of those papers had been made by the aforementioned commissioners at Jaggernaikpoeram and was in their possession, to make the same in the presence or attendance of the two sworn clerks Abraham Dormieux and Hendrik Richard, and further to seal those papers and keep them in the secret cabinet until such time as the Fiscal, Mr. Brouwer (to whom the investigation of the affairs of the said Van Bijland The 10th December 1790. and his servant Wengadasselam Pole had been entrusted by a separate resolution of the 12th of March of this year) should request them, since His Honor had demanded them in the meeting, and for which purpose they were also sent here. Behold, Honorable, Worshipful Sir and Gentlemen, the matter concerning the papers of the said Mr. Van Bijland occurred in this manner, to the regret of the undersigned, and he assures Your Honor, Worships, and Honors on his word of honor that although the aforementioned packets were opened before his eyes, none of the papers were surrendered to his curiosity, as it is not his aim to spy on the actions of others; this, and that he has made away with none of the papers, as Mr. Van Bijland alleges, he can repeatedly assure on his word of honor. It is true, Honorable, Worshipful Sir and Gentlemen! Prudence ought to have commanded him to leave the aforesaid bundles intact 169 The 10th December 1740. or to have them brought into the meeting, but alas! Who is always prepared for everything, and who does not stumble? It can happen to the best of men, and especially in a time in which one was troubled by continuous unrest. With regard to the statement made by the frequently mentioned Mr. Van Bijland of several missing papers, the undersigned cannot refrain from informing Your Honor, Worships, and Honors that he recalls that a sealed packet belonging to Mr. Van Bijland, addressed in French to His High Honor the Governor-General Alting and sent hither by the commissioners, was dispatched under a cover letter from the Government to the Ceylon Ministry, with the request to forward it to Batavia when opportunity arose. The said commissioners, in one of their letters, made mention of two packets addressed to the Honorable, the Highly Worshipful The 10th December 1740. Director-General, which they promised they would also send over, but the undersigned does not believe that this took place. Regarding Mr. Van Bijland's further statements concerning all the missing extracts, papers, and letters from Cochin relating to the affairs of the ship Geldria and the protested bill of exchange against the Honorable, the Highly Worshipful Mr. Van Angelbeek, it seems to the undersigned that (as he also recalls) these papers were submitted by His Honor in the meeting, and, after copies were taken, were sent to Cochin, which will best appear from an investigation to be made by Your Honor, Worships, and Honors as required. It will possibly be the same with the remaining papers that he claims are missing, for the undersigned can by no means think that anyone has made themselves guilty of withholding them, etc. Herewith, he hopes to have complied with Your Honor, Worships, and Honors' aforesaid resolution, and has the honor to call himself with all respect, (at the bottom stood
Dutch transcription
Den 6: December 1790. len, de Successive ingekomene Va„ riable berichten der beweegingen van de beide Arméën en het aen„ houdent vertoonen van de Rui„ ters van Tiepoe Sultan voor al langs het zuidelijke ge„ deelte van de kust om het land te stroopen, en een ieder schrik en vrees aen te Jaegen, zodanig dat Nagapatnam door de vlugt der gemeente ge„ noegzaem ontvolkt, en men zelfs noch inangst en kommer is wat eindelijk het gevolg zal zijn van deeze beklagelijke het landdruk„ kende en vernielende Oorlog.— Aldus Gedaen en Gearres¬ teerd in 't fort Geldria te Palliacatta dato voorsz: /:was geteekend:/ Als vooren. Vrijdag 167 Vrijdag Den 10. ' December 1790. Smorgens alle Present Ingekoomen en geleesen een ingevolge Arrest van den 19. passato gerequireerde verantwoording van den geweesen Ge„ saghebber de Heer Nicolaas Tadama, tegen het bij dat besluit geinsereert protest van den koopman Willem Hendrik van Bijland, nopens de ongequalifi„ ceerde opening van twee pakketten met papieren, breeder bij die Acte vermeld en lui„ dende die verantwoording aldus. — Aan Den WelEd: Agtbaaren Heer Jacob. Eilbracht Opperkoopman en Gezaghebber deezer Custe Cor„ mandel, met den Resorte van dien Nevens Den Raed. WelEdele Agtbaare Heer en Heeren. Om te voldoen aan uwel Edele Agtb: en Den 10. December 1790. — en Edelens besluit van den 19. ' deezer waar van aan den ondergeteekende Ex„ tract door den Secretaris Hasz: is be„ sorgt heeft hij de eere te dienen. — Dat hij met de door de gecommit„ teerdens te Jaggernaiksweram her„ waerts gezondene twee paketten met papieren van den Koopman van Bijland, ter goede trouwe heeft gehan„ delt, zonder dat hij ooit ingedagten heeft gehad dezelve nate gaen, ofte door Snuffelen, maer zoo onvoorsigtig is geweest, zonder agterdogt dezelve, die te gelijk met Eenige Comp:s paketten wier„ den aangebracht, meede te openen. Na dat deeze onvoorzigtigheid, door hem was begaen, door enkeld de Zeguls die daar op geweest waeren te breeken, verschrok hij 168 Den 10: December 1790. — hij over het geen hij gedaen had gevalleg kwam voormelde Secretaris Hast= op dat ogen blik bij hem om eenige Resoluties ter resumptie te presenteeren, aen wiende ondergeteekende het geval bekent maekte, en gelaste om ten eersten in dien geen Register van die papie„ ren door voornoemde Gecommitteer¬ dens te Jaggernaik poeram gemaekt, en onder mogt wee„ zen, het Zelve in presentie, of ten bijweesen van de twee ge„ swoore klerken Abraham Dormieux en Hendrik Ri¬ chard te maeken, en voorts die papieren te verzegulen en in de secreete kaste bewaeren tot tijd en wijle den fiscael de Heer Brouwer /:aan wien, het onderzoek der zaeken van gemelde van Bijland en. Den 10. ' December 1790. en deszelfs dienaar Wengadasselam Pole, bij aparte Resolutie van den 12. Maert deezes Jaars gedemandeert is /: dezelve quam te requereeren, vermits zijn Ed: ze in vergadering gevordert heeft, en ten welken einde die ook dit heen gezonden zijn zie daar wel Edele Agtb: Heer en Heeren het geval met de papieren van gemelde E: van Bij land is tot des ondergeteekendens leed weezen dusdanig g'exteerd, en hij verzeekert uwel Edele Agtb: en Edelens op zijn woord van Eer dat meergeripte pakketten wel onder zyne oogen zijn geopend, dog gene de papieren aen zijne nieuwsgierigheid overgegeeven, alzoo het zijn but niet is, om een anders doen en laeten te be„ spioneeren; dit, en dat hij geene der papieren weg gemaakt heeft, zoo als de Heer van Bijland voorgeeft, kan hij bij her haa„ ling op zijn woord van Een verzeekeren, Het is waar uwelEdele Agtb: Heer en Heeren! de voorzigtigheid hadt hem moeten gebieden om de voorsz: bondels in weezen te. 169 Den 10. December 1740. — te laeten, of dezelve in vergadering te doen brengen, maer Helaas.! wie is altoos op alles gevat, en wie struijkelt niet, het kan de beste gebeuren, en wel voornamentlijk in Een tijd, waer inne men, door gedulrige ontrusting gemolesteerd wierd. Ten aansien van de door meerm: E: van Bijland gedaane opgave van verscheijde ver¬ miste papieren, kan den ondergeteekende niet voor bij uwelEd: Agtb: en Edelens te be„ deelen, dat het hem voorstaat, dat een geslooten er het opschrift in het fransch aan zijn Hoog„ Edelheid den heer Gouverneur Generaal Al„ ting geschreeven Pakket van de heer van Bijland door de gecommitteerdens herwaerts gezonden, onder geleide brief der Regeering aan het Ceilons Ministerium afgegaan is met versoek om bij geleegendheid adresse na Batavia te verleenen Gemelde gecommitteerdens hebben bij een van haare brieven mentie gemaekt van twee pakketten aan den wel Edele Groot Agtbaeren Heer Den 10. ' December 1740.— Heer Derecteur Generaal geschreeven, welke zij beloofden meede te zullen overzenden dog off dit van gevolg is geweest gelooft den ondergeteekende niet Betreffende des heer van Bijlands verdere ge¬ poseerde ten belange van alle de vermiste Extracten papie„ ren en brieven van Couchim raakende de zaaken va het schip Geldria, ende geprotesteerde wissel teegen der Edelen groot agtb: heer van Angelbeek, dunkt den on„ dergeteekende, dat /:zo hem meede voorstaat:/ deeze pa„ pieren door zijn Ed: in vergadering zijn overgelegd, en die nagenomene Copij zodanig na Cochim zijn gezonden het geen best blijken zal bij eene door uwel Edele Agtb: en Edelens des behoegende te doene onderzoek. — Even zodanig zal het mogelijk ook gelee„ gen weezen, met de overige, zoo hij zegt ver¬ miste papieren, want den onder geteeken de geenzints denken kan, dat zig ieman daar aan zal hebben schuldig gemaekt, door het agterhouden Etc:a van dezelve. Hier meede verhoopt „ aan uwel Ed: Agtb: en Edelens voorsz: besluit te hebben voldaen, desde Eere heeft van zig met alle agting te noemen (onderstond
English
170 The 10th of December 1790. — was subscribed: Right Honorable Sir and Sirs, your Right Honorable and Honors' obedient and humble servant / signed: N: Tadama / in the margin / Palliacatta, the 30th of November 1790. Whereupon having deliberated and considered that the point in dispute, or the claimed indemnification by the aforesaid van Bijland, does not belong to the decision of this meeting, but must be determined by the Honorable High Indian Government itself or by whomever Their High Honors might please to refer the matter to, seeing that in the case of compensation for damages it must first appear that such items as are reported missing or absent were truly in existence at the time of the seizure, and that the claim for damages does not surpass the value of the loss, which also serves to be estimated, over which no disposition can be made other than in law: it is, therefore, in order to. A The 10th of December 1740. — In order that Their High Honors may also be pleased to consider it as such, after deliberation understood to accept the aforesaid defense merely to serve as it shall be found to belong in principal at the decision of matters by Their High Honors; and therefore, for information, an extract hereof shall be delivered to the interested parties. — Furthermore, in compliance with what was required by separate resolution of the 29th of October last, having been received and read a report from the Fiscal Officer Broerius Brouwer, regarding the state of the case with the aforementioned merchant van Bijland, and why, pursuant to the separate resolution of the 12th of March of this year, no action has been instituted against him and his servant Wengadas Salam Poele before the Council of Justice, reading as follows: To E 171 The 10th of December 1790. To The Right Honorable Commanding Sir Jacob Eilbracht, Senior Merchant and Governor of the Coromandel Government and its dependencies, together with The Council. Right Honorable Commanding Sir, and Sirs! Having been ordered by Your Right Honorable by minute resolution dated the 29th of October to provide a report as to how matters stand with the case of the merchant Willem Hendrik Van Bijland, and how the same truly present themselves to the humble subscriber, The 10th of December 1790. subscriber, as well as to exhibit the documents that have been collected regarding the aforesaid matter, or are related to it, since it had not yet appeared to Your Right Honorable that the respectful petitioner had as yet complied with what was demanded of him by the resolution of the 12th of March of this year, containing an order to proceed ex officio against the merchant Willem Hendrik van Byjland and his servant Wengades Selam Poele according to the laws and the articles of war, as no action against either of the two has yet been entered in court. The reasons why that honored mandate could not be fulfilled by the subscriber are, particularly, the absence of the said merchant van Bijland, who has been left at Jaggernaijkpoeram, in order to collect evidence to verify the accusations brought against the then 172 The 10th of December 1790. — Resident Paul Engebert van Halm, and the Second Heronimus Jacobus van Someren, as well as the retiring Second De Lavallet. The servant Wengadasselam Poele having arrived on the 9th of April, the subscriber did not fail to examine him on the points appearing in that resolution, as well as others in his statement under Letter A, which contents I shall have the honor briefly to relate: the servant then declares that, by order of his master, the merchant Willem Hendrik van Bijland, he had delivered to the Havildar here, by name Abdulla Saib, a gift to the value of 40 pagodas, with the request to allow the forthcoming provisions of his master to pass without detention, promising to pay the lease The 10th of December 1790. — duties accordingly. — The truth of the sending of this present is not only confirmed by the weighers in the warehouse, the natives Soepermanie Chittij, Anda Chittij, and Patjia Poele, but they also specifically stated that the same had consisted of 4 ells of red cloth, 15 pounds of pepper, 10 pounds of cloves, 6 pounds of nutmegs, 2 pounds of mace, and 2 bottles of rosewater, this gift having been delivered in person by the two deponents, together with another weigher named Waytinada Poele, as appears from the statement executed by them before the then elected Secretary Johan Joachim Hasz and certain witnesses, as can be seen under Letter L and Letter M. With this also agrees the answer of the burgher Christiaan Bernardus Dirkse to the interrogatories put to him 173 The 14th of December 1740. under Letter K, article 16: that the dispatch of Mr. van Bijland to the Havildar had been related to him by the servant Wengadessalam Poele, and that he, the servant, had received a turban and shawl as a counter-present from the Havildar; that Mr. van Bijland had himself related to the interrogated person that the Havildar, by means of Doctor Roge, had sent word to His Honor that he, the Havildar, was very well pleased with the servant Wengadesselam. Although the servant Wengadesselam now sets the time in the month of September, which certainly makes a difference of nearly two months, while the statement of the burgher Christiaan Bernardus Dirksz makes no mention of any time whatsoever, yet since a principal point of an attestation is the determination of the time
Dutch transcription
170 Den 10. December 1790. — /:onderstond:/ wel Edele Agtb: Heer en Heeren uwelEd: Agtb: en Edelens Ge„ hoorzaeme en ootmoedige dienaar / getee„ kend :/ N: Tadama /in margine/ Palliacatta Den 30. November 1790. Waer op gedelibereert en geconsidereert zijnde dat het point in verschil, ofte de gesustineer„ de Schaede vergoeding door voorsz: van Bij¬ land niet behoord tot de decisie van deeze ver„ gadering, maer gedetermineert moet worden door de Edele Hooge Indisch Regeering Zelve of te door den geen waer aen Hoog dezelve de zoek mochten gelieven over te wijzen, immers dat in Cas van vergoeding van schaede eerst moet blijken, dat er zodanige stukken, welke als vermits of absent wor„ den opgegeeven, bij het in beslag neemen waer„ lijk in weezen geweest zijn, en dat den Eisch van Schaede, de waerde van het verlies, dat ook dient te worden begroot, niet surpasseert, waer over niet dan in Regten kan werden gedisponeert: zoo is, om. A Den 10. December 1740.— Om of Hun Hoog Edelheeden meede het dusdanig gelieven aan te mer„ ken, na overweeging verstaen de voorsz verantwoording en kel over te neemen om te dienen zoo als ten principae„ len bij decisie van zaeken, door Hoog de zelve zal bevonden worden te behooren; en over zulx ter narigt hier van Extract aan de geinteresseerde partijen te laeten afgeeven. — Noch in voldoening aan het gerequireerde bij Aparte besluit van den 29. 8ber: J:o leeden ingeko„ men en geleezen zijnde een bericht van het Officie fiscael Broerius Brou„ wer, weegens den staat der zaeke met voorm koopman van Bijland, en waar om ingevolge apart besluit van den 12. Maart deezes Jaars, tegen den zelven en zyn dienaar wengadas„ Salam poele bij Raad van Iustitie geen actie is geinstitueert, luijdende als volgt Aan E 171 Den 10 December 1790. Aan Den Wel Edelen Agtbare Gebiedende Heer Jacob Eilbracht Opperkoopman en Gezaghebber van het Cormandelse Gouverne„ ment den Resorte van dien neevens Den Raad. WelEdele Agtbare Gebie„ dende Heer, en Heeren! Door UWelEdele Agtbaare bij notulair besluijt de dato 29. 8ber: gelast zynde om te dienen van berigt hoedanig het met den staat der zaaken van den koopman Willem Hendrik Van Bijland, geleegenis, en hoedanig de„ zelve zig werkelijk aan den nedriegen teekenaer Den 10. December 1790. teekenaar op doen mitsgaders te Extribee„ ren de stukken die ter zaake voorsz: zijn ingewonnen, off te dezelve betreckelijk zijn alsoo uwelEdele Agtbaare nog niet gebleeken was, dat den Eerbiedigen verthooner als nog voldaan had aan het hem gedemandeerde bij Resolutie van den 12. ' Maart h: a: behelsende omtee„ gen den koopman Willem Hendrik van Byjland en zijn dienaar Wengades„ Selam Poele Ex officio te ageeren volgens de wetten, en den articul brief, als zijnde nog geene actie teegen een van beijden bank„ vast gemaakt. De reedenen waarom aan dat g'eerd mandaat door den teekenaar niet heeft kunnen werden voldaan, zijn, voor naament lijk de absentie van gem: Koopman van Bijland, die op Jaggernaijkpoeram ge„ laaten is, ten Eijnde beweijsen inte winnen om de uijtgebragte accusatien teegen het dis 172 Den 10. December 1790. — des tijds opperhoofd Paul Engebert van Halm, en den Secunde Hero„ nimus Jacobus van Someren, mits„ gaders den afgaane Secunde De Raval„ let te vereficeren- Den dienaar Wengadasselam Poele den 9. ' April g'arriveerd zijnde, is den Teekenaar niet in gebreeke gebleeven hem te Examineeren op de poincten bij die Re„ solutie voorkoomende mitsgaders nog andere bij zijne verklaaring sub L: A: Welke inhoud de Eer zal hebben kortelijk te verbaliceeren; den Dienaar verklaard dan dat hij uijt last van zijn heer den Koopman Willem Hendrik van Bijland aan den Hauweldhaar alhier innaame Abdulla Saib had overgebragt een ge„ schenk ter waarde van p/o 40. –, met versoek, om de aan te koomene provisien van zijn heer, zonder aante houden, te laaten passeeren, beloovende de pagt onso Den 10. December 1790. — ouso te sullen betaalen. — De waarheijd van de zending van dit present word door de Weegers in het pak„ huijs de Inlanders Soepermanie Chittij Anda Chittij, en patjia Poele niet alleen bevestigd, maar ook Specificq opgegeven dat het zelve bestaan had in 4. E: rood Laaken, 15. lb: peeper, 10. lb: gariof„ fel nagulen 6. lb: nooten Musschaten, 2. lb: foelij, en 2. flessen Roosewaater, zijn„ de dit geschenk door de twee attestan„ ten, nevens een ander weeger waytinada Poele Genoemt, in persoon overgebragt, blijkens het door hun voor den des tijds GEligeerden Secretaris Johan Joachim Hasz: en zeeker getuijgen gepasseerde verklaaring gelijk te zien is sub: L„ra L: en L„r M: Hier meede stemd over een het aand„ woord van den burger Christiaan Ber„ nardus Dirkse op de hem voorgestel„ „de 173 Den 14. December 1740. de interrogatien sub L=ra K: articul 16. dat hem de bezending van de Heer van Bij„ land aan den Haweldaar door den dienaar wengadessalam Poele verhaald was, mitsgaders hij dienaar een Tul„ band, en Sjaal tot een Contra present van den Haweldhaar ontfangen had dat den heer van Bijland hem geen„ terrogeerde zelv verhaald had dat Hawel„ d'haar door weegen van Doeter Roge aan zijn Ed: had laaten zeggen dat hij Haweldhaar zeer voldaan was over den Dienaar Wengadesselam. Schoon nu de dienaar wengadesse„ lam de tijd bepaald in de maand Soptem„ ber dat zeekerlijk een different van bij na twee maanden uijtmaakt, terwijl het gesegde van den burger Christiaan Bernardus Dirksz: in het geheel van geen tijd, wanneer, gewaagt, daar Egter een voornaam poinct van een attestatie, de teijds
English
The 10th of December 1790. determination of time is concerned, it must be remarked here that these people, having no suspicion at all that any inquiry would ever be made regarding this affair, consequently kept no record of the exact day; there is also a difference between the reckoning of time of the Europeans and the natives of 10 days, so that their month begins 10 days later than ours. Notwithstanding this dispute of time, it is, subject to favorable correction, not only very probable, but even in his opinion a proven truth, that Merchant van Bijland made this consignment to the Havildar. Furthermore, the servant declares that he was sent by his master to inquire with the Havildar how much the duty for a bahar of pepper of 174 The 10th of December 1790. of 480 lb amounted to; that the Havildar had said 4 pagodas and some fanams; that his master, or Merchant van Bijland, had thereupon said to him why he had not said that the pepper had been purchased from private individuals, ordering him to do so as yet, giving as the reason that he would then pay less toll. Regarding this erroneous statement, that the pepper was supposedly bought not from the Honorable Company, but from private individuals, it should be noted that when the Honorable Company sells pepper, out of that toll amounting to 4 pagodas 19 fanams 16 cashes, there is due to it, on account of its edle entitled share in the tolls of Palliacatta, 1 pagoda 25 fanams; against this, the Company receives from pepper, if it is bought here from private individuals, no more than 29 fanams 6 cashes per each bahar of 480 lb, while the toll on privately purchased pepper amounts to The 10th of December 1790. amounts to 4 pagodas 24 fanams 5 cashes, thus his statement resulted in a disadvantage to himself of 4 fanams and 13 cashes, or on 29 ¾ bahar 3 pagodas. Whether Merchant van Bijland was genuinely of the opinion that this erroneous declaration was more advantageous to him than stating truthfully that the same had been purchased from the Honorable Company, as Wengadesselam Poele states under Letter A; or whether his intention was to benefit the Dewan thereby, in order to show a favor to the Havildar, the humble presenter will not decide. However, the Honorable Company would have lost 27 pagodas on this pepper trade if this false declaration had gone through. Dirk says he understood from a distance that Mr. van Bijland was unusually angry when he entered the room, when 175 The 10th of December 1790. when Mr. Bijland recounted to him that the servant Wengadesselam had done very poorly by inquiring about the toll for the pepper, that because of this conduct he had to pay twice as much; that the servant of the Honorable Mr. Tadama was plotting underhand and was the instigator, and that Mr. van Bijland would therefore make him pay for this. Now, by the sending of the above-cited present to the Havildar, and the illicit correspondence with the Havildar and the Dewan that arose from it, it was caused that the Company's bales were seized on the beach during shipment, and the trunks of Captain Gas were detained and inspected by the people of the Havildar, contrary to the privileges of the Honorable Company The 10th of December 1790. Company and the prerogatives granted to private individuals. That Merchant van Bijland is the cause of this is testified by the natives Soepermania Chittij, Anda Chittij, and Patjea Poele in their attestation Letter L, wherein they declare that Mr. van Bijland, on the occasion when a bale belonging to the Moor Bhadoer Soib was carried to the beach to be shipped on recognizance, ordered Waijtenada Poele to call the people of the Dewan; that this was carried out by the said Waytinada on the order of Mr. van Byland, the same says in his attestation Letter M. That shortly thereafter the chief peon of the Havildar named Samie Naijker, the kanakapulles Landen and Soerien, as well as a jamadar or non-commissioned officer of the sepoys, came to the house of Mr. van Bijland; that having spoken with the said Mr. van Bijland in the presence of Christiaan Bernardus Dirkse and Waijtenada Poele, he let them go, is testified in Letter L. Yet Waijtinada says in Letter M that he had not been with Mr. van Bijland when he spoke separately with the people of the Dewan, but rather the clerk Dirkze had; yet that he, Waijtinada, when the sepoy corporal came outside, had asked what had happened, and the same had recounted to him that Mr. van Bijland had allegedly told them to seize the bales lying on the beach The 10th of December 1740. lying, and not to tolerate that the same were sent on board; also the two other people of the Dewan had forbidden him, Waijtinada, to tell this to anyone. However, the clerk of Mr. van Bijland, Dirkze, in his 26th deposition under Letter K, gives a completely different account having no relation at all to this affair, indicating that the sepoy with whom his master had spoken in his presence and that of Waijtinada was not properly understood by them, as he spoke half Moorish and half Malabar. However that may be, the circumstances make that which was declared by Waijtinada very probable; perhaps Waijtinada was able to understand the speech of the sepoy better than Dirkze, and although Waijtinada denies having been present
Dutch transcription
Den 10. December 1790. — teijds bepaaling is, dan hier valt tereman queeren dat deese minschen in het ge„ heel geen argwaan hebbende dat omtrend deese affaire ooijt of ovijt eenige navraag zoude geschieden, zij dus daar van geene aanteekening van de Juiste dag hebben gehou„ den, ook is er een different tusschen de tijd reekening van de Europeesen en de Inlanders van 10. ' daagen, zoo dat hunne maand. 10. dagen Laaten dan de onze begind ongeagt, Evenwel dit geschil des tijds, is het /:ondergunstige Correctie:) niet alleen zeer waarscheijn lijk maar zelf /:zijns bedunkens:/ een beweese waarheijd, dat den Koop„ man van Bijland deese bezending aan de Haweldaar gedaan heeft. - Verders verklaard den Dienaar dat hij door zijn Heer Gesonden was om zig bij den Haweldhaar te jnformeeren hoe veel de pagt voor Een bhaar peper van 174 Den 10. December 1790. — van 480: Hb: bedroeg dat den Haweldhaar gezegt had pag: 4. -. en Eenige fanums, dat zijn heer of de koopman van Bijland hem daar op toegevoegd had waarom hij niet ge„ segd had dat de peper van Particulieren ingekogt was, met last zulx als nog te doen; voor reeden geevende dat hij dan minder thol zoude betaalen. — Omtrend deese verkeerde opgaaf, dat de peper niet van de E: Comp:e, maar van Par„ ticulieren zoude gekogt zijn, valt aante„ merken, dat de E: Maatschappije als haar E: peper verkoopt van die thol be„ draagende p/o 4. 19. 16. weegens haar Ed: Competeerde gedeelte in de Thollen van Palliacatta toekomt p/o 1. 25. -, daar en teegen heeft de Comp:e van de peeper, als ze van particulieren alhier gekogt word niet meer als pp —. 29. 6. van Ider bhaar van 480. lb:, terwijl den Thol van Particuliere ingekogte peeper bedraagt Den 10 December 1790. — bedraagt p/ 4. 24. 5. dus zijne opgaaf voor hem zelv een nadeel heeft gegeeven van 4. fanums en 13. Casjes of op 29. ¾. bhaar pag: 3. r=m Off nu de koopman van Bijland weezendlijk inde mening is geweest dat die abusive opgaaff hem voordeeliger was dan dat hij na waarheijd te kennen gaf dat de zelve van de E: Comp: ingekogt was, gelijk wengadesselam Poele bij L=ra A: opgeeft; dan of zijne intentie is geweest Den Duan hier door te bevoor„ „deelen, om daar door een gunste Aan den Haweldaar te beweijsen, zal den nedri„ gen verthooner niet beslissen, Egter zoude de E: Comp: by deese peeper negotie verloo„ ren hebben pag: 27. -. –. Zoo deese verkeerde aangeeving was doorgegaan, Dirk ze zegt in het verschiet verstaan te hebben dat de heer van Bijland gemeenlijk duftig was, toe hij in de kamertrad, wanneer 175 Den 10. December 1790. — Wanneer de Heer Bijland hem verhaalde, dat den dienaar wengadesselam zeer slegt gedaan had, door zig tejnfor„ meeren op de thol voor de peeper, dat hij door dit gedrag tweemaal meerder moeste betaalen; dat de Dienaar van den Agtbaaren Heer Tadama hier onder konkelde, ende opstooker was, dat de heer van Bijland hem daar om dit betaald zoude zetten Door het zonden nu van het bovengeciteerde present aan den Hawel„ daar, en daar door ontstaane onge„ permitteerde Correspondentie met den haweldaar, en den Duan, is ver„ oorzaakt dat 's Comp:s pakken aan het strand bij afscheep zijn G'arres„ teerd en den Capitain Gas zijne kof„ fers aangehouden, en gevisiteerd zijn door het volk van den Haweldaar, strijdig teegende prewelegien van d' E: Comp: Den 10. December 1790. Comp:e en de prevogatie ven aan parti„ culieren toegestaan. — Dat den Koopman van Bij„ land hier van oorzaak is, geluygen„ de Jnlanders Soepermania, Chittij, Anda Chittij, en Patjea Poele bij hunne attestatie L=ra L: alwaar zij verklaaren dat de heer van Bij„ land, bij geleegendheijd dat er een pak van den Mhoor Bhadoer Soib na het strand gedraagen wierd, om op recognitie versonden teworden aan Waijtenada Poele geordonneerd had om het volk van den Duan te roepen, dat dit, door gem: Waytinada op ordre van de Heer van Byland g'Effecteerd is, zegt den zelve bij zijne attestatie L=ra M: Dat kort daar op de hoofdpion van den Haweldhaar in naame Sa„ mie Naijker, de Cannecappels landen 176 Den 10. December 1790 landen, en Soerien, mitsgaders een Sjammedaar of onder officien van de Sepaijs aan het huijs van den Heer Van Hijland zijn gekoomen, dat dezelve met gem: Heer van Bijland in presentie van Christiaan Bernardus Dirkse en Waijtenada Poele gesprooken hebbende, hun heeft Laaten gaan word getuijgt L:ra L: Dog Waijtinada zegt L=ra M: dat hij niet bij de Heer van Bij„ land was geweist, thoen hij apart met het volk van den Duan hadde ge„ sprooken; maar wel den schrijver Dirkze, dog dat hij Waijtinada, den Sipaijs Corporaal buijten Koo„ mende, gevraagt hadt, wat er ge„ beurt was den zelven hem ver„ haald had, dat de Heer van Bij„ land, aan haar zoude gezegt heb„ ben, om de pakken die op strand Laagen Den 10. December 1740. — Laagen, te arresteeren, en niet te tolle„ reeren, dat dezelve na boord gesonden werden, ook hadden de twee andere Lieden van den Duan hem Waijtinada verbooden, dit aan iemand te zeggen Naar den Schrijver van de Heer van Bijland Dirkze geeft bij zijn 26. ressions sub L=ra K: een gantsch an„ der discours op geheel geen relatie heb„ bende tot deese affaire, onder te kenne gaven, dat den Sipaij Waar meede zijn heer in zijne presentie; en van Waij tinada gesprooken had, door hun niet regt was verstaan, alzoo half moorsch en half malabaars sprak: hoe het ook zij de gevoegen maaken het verklaarde door waijtinada Zeer„ waarschijnlijk, misschien dat waijti„ nada de Spraak van de Sipaij beeter heeft kunnen verstaan dan Dirkze en schoon Waijtinada negeerd present te
English
10 December 1740. to have been present at the separate conversation, however, Soepermania Chittij, Anda Chittij, and Patjea Poele testify under Letter L, and Dirkze under Letter K, article 26, that Waijtinada was present. Also, the separate conversation of which Dirkze speaks may well have occurred at another time, since the servants of the Duan were several times at the house of Mr. Van Bijland, as appears from a further order given by Van Bijland to Waijtinada to call the people of the Duan when he saw that the goods of Captain Gas were being put outside on the stoop to be sent on board, with whom, having been called inside, a separate conversation was held, with this result that the Captain's chests were seized and not released until after the inspection, as appears 10 December 1790. from the frequently cited Letters L and M, while Dirkze testifies to knowing nothing of this, see Letter K, Article 30. What further the intention of Mr. Van Bijland may have been with the sending of an ola to the Haweldhaar, containing the communication that no more than 10 Company packs were weighed in the warehouse and all others were private bundles, as is testified in Letters L and M, may well be guessed, though not proven, apparently in order to claim toll on the private packs that were sent to Batavia on recognizance, so as thus, although absent (being commissioned on the Company's behalf to go to Madras), to plunge the government here into unpleasantries with the Duan by pressing for the toll on private packs, to bring advantage to them and thereby do them 178 10 December 1790. a favor to oblige them to do him a service in return, or else to delay the departure of the ship Horssen, in order thereby to bring the Honorable Commander and the Council into great discredit and accountability. That now two of the Company's packs and 4 chests, as well as two chests of sick persons who were brought ashore, were seized, further appears from the letter sent by the Honorable Mr. Tadama to the Nabab dated 30 September 1789, an extract of which I have the honor to attach hereto, under Primo J. The Honorable Mr. Tadama wrote at the same time on 29 September 1789 to the Armenian merchant Chamier Sulthan that the Haweldaar here, having been incited by someone or other, had seized not only the captain's chest of clothes, etc., but even the Company's packs 10 December 1740. packs and chests, with a request to confer with the Nabab or his son about this, as otherwise the ship Horssen could not be dispatched on time, see extract minute letter under Letter Q. The Armenian merchant Samier Sulthan replied to this by letter of 2 October that according to desire he had informed the Nabab of the unprecedented conduct of the Haweldhaar, having frequently complained because the Nabab had stated that the privilege of Palliacatta was presently obstructed because disputes had arisen between the Honorable Commander and the Haweldhaar, as appears from the translated copy of the letter accompanying this under Letter R. On 3 October another letter from the said Chamier followed, in which he gave to understand 179 10 December 1790. that he was sending herewith a letter to the Hauweldaar to facilitate the shipping and unloading of the goods, that upon further writing he had met the Nabab again, who had also received a letter from the Haweldaar with various arguments. That after a long conversation the Nabab had sent a strict order to the Haweldaar to release the chests of Captain Gas which had been detained, and also to let pass without impediment, on word of honor, the packs, etc., of the Honorable Company. That the Nabab at the same time had ordered that two capable Conicopolies, one on the part of the Honorable Company and one on the part of the Haweldaar, should be sent to Madras; and that after the departure 10 December 1790. of the ship Horssen, the said Shamier Sulthan promised to have that matter decided favorably, see translated copy of the letter of 3 October 1789, Letter S. The humble memorialist flatters himself with having sufficiently demonstrated that the disputes between the Haweldaar and the Honorable Commander are primarily to be attributed to the correspondence maintained by Mr. Van Bijland; that this caused the seizure of the goods of Captain Gas and the Company's two packs and 4 chests; that by this act, the Company's privileges having been violated by the Haweldaar in the writing of the Haweldaar to the Nabab, they ran the risk of being entirely nullified, to the great prejudice of the Honorable Company, as well as the anciently granted prerogatives of the Company's 180 10 December 1790. Company's servants and merchants, if the Armenian merchant Samier Sulthan had not, through his good offices, brought about that the privileges were examined through the sending of the interpreter Mandalam Wengadesselam Naijker, and restored nearly to their force—I say nearly, since the authentic paper approved and, as I believe, signed by the Nabab has not yet been received, whatever effort has been made for it. As regards the remaining obtained documents, which came into the hands of the memorialist as if by chance, they owe their origin to the following circumstance: on 18 September of the past year the merchant Van Byland presented to the government a petition dated 17 September, containing that the copper brought by the ship Horssen
Dutch transcription
177 Den 10. December 1740. — te zijn geweest bij het appart gehouden dis„ evers, getuijgen Egter Soepermania Chittij, Anda Chittij en Patjea Poele sub L:m L:t, en Dirkze Sub L=ra K: articul 26. dat Waijtinada is present geweest, ook kan het apart discoers waar van Dirkze gewaagd wel op een ander tijd voorgevallen zijn alzoo de be„ diendens van den Duan diversemaalen aan het huijs van den Heer Van Bij„ land zijn geweest gelijk blijkt uijt een nadere ordre door van Bijland aan Waijtinada gegeven, om het volk van den Duan te roepen, wanneer hij zag dat de goederen van Capitain Gas buijten op de Stoep gezet wierden om na boord gesonden te worden, met welke, binnen geroepen zijnde, apart gesprooken is met dit gevolg dat 's Capitains koffers gearresteerd, en niet dan na de visitatie gelargeerd zijn blijkens Den 10. December 1790. — Pra blijkens de dikwils geciteerde L=ra L: en M, terwijl dirkze betuijgd hier van niets te weeten vide L=ra K. Art, 30. Wat nu verder de Intentie zij geweest van de Heer Van Bijland met het zenden van Een Ola aan den Haweldhaar, behelsende Communicatie dat er niet meer als 10. 'sComp:s pakken in het pakhuys gewoogen, en alle andere particuliere Fardeelen waaren gelijk bij Ln. L: en M: getuijgd word, is wel te gissen, dog niet te bewijsen aparent om van de Particuliere pakken, die op recog„ nitie na Batavia versonden wierden, Tholl te pretendeeren om dus, Schoon absend /:als zijnde gecommitteerd om 'sComp:s weegen na Madraste gaan:/ de regeering alhier in onaangenaam hee„ den met den Duan door het dringen op de Thol voor Particuliere packen voordeel toebrengen, en hen daar door een. 178 Den 10. December 1790. een gunst te bewijsen om ze te verpligten hem weder dienst te doen, dan wel het ver„ trek van het schip Horssen te doen tar„ deeren, om hier door de heer Gezaghebber en den raad in een groote decadentie en ver„ andwoording te brengen. Dat nu twee van sComp:s packen, en 4. kisten als ook twee kisten van zieken die aan de wal gebragt zijn, zijn g'arres„ teerd blijkt nog uijt den door den Agt„ baaren heer Tadama gezonden brief aan den Nabab in dato 30. September 1789 welker Extract de eer hebbe hierne„ vens te voegen, sub P=mo J:o Den wel Edelen Agtbaaren Heer Tadama Schreef teffens den 29.:' 7ber: 1789. aan den Armenischen koopman Chamier Sulthan dat den Hawel„ daar alhier door den een of ander op gestookt zynde niet alleen des kapitainse plunje kist &: Maar zelf 's Comp:s packen Den 10. December 1740. — packen en kisten had g'arresteerd, met versoek om den Nabab of zijn zoon hier over te onderhouden, alsoo ander„ zinds het schip Horssen op zijn tijd niet zoude kunnen werden gedepecheerd vide Extract minut brief sub. L:ra Q: — Den Armenischen Koopman Samier Sulthan antwoorde hier op bij brief van den 2. October dat hij vol„ gens begeerte kennis had gegeven aan den Nabab van de ongehoorde handelwijse van de Haweldhaar dikwils geklaagd had om dat de nabab zig had uijtge„ laaten dat de privelegie van Pallia„ catta thans belet was om dat er dus„ puten tusschen den Agtbaaren heer Gezaghebber en den Haweldhaar ontstaan waaren blykens translaat Copia brief deezen versellende sub L„a R: den 3. October volgde een ander brief van gem: Phamier Waar in te kennen 179 Den 10. December 1790. — kennen gaf dat hij hier neevens liet af„ gaan een brief aan den Hauwel„ daar, ter faciliteering van den afscheep en ontlossing der goederen, dat hij op na„ der aanschrijvens den nabab andermaal had ontmoet, die ook schrijvens van den Haweldaar gekreegenhad met verscheijden reedenen. — Dat na Een lang discoers de nabab een Ernstig bevel aan den Haweldaar had gezonden, om de koffers van Cap=n Gas, die aangehouden waaren te lar„ geeren, mitsgaders zonder Impidi ment op het woord van Eer te laaten passeeren de packen & van d' E Comp: Dat de Nabab teffens order had gesteld om twee bequaame Canne„ Cappels, als een van de zijde der E: Comp:e en een van de kant van den Hawel„ daar na Madras te zenden; en dat diende tegenscheeden na het ver„ trek Den 10. December 1790. — trek van het schip Horssen loopen de gem: Shamier Sutthan die affaire gunstig te doen beslissen vide translaat Copia brief van den 3. october 1789. L=ra S: De nedriegen verthoonen vleijt zig genoeg doende te hebben betoogt dat de ge„ schillen tusschen de Haweldaar, en den Agtbaaren heer gezaghebber voor namelijk te attribueeren zijn aan de gehouden Correspondentie door de heer van Bij„ land, dat Hier door veroorzaakt is het - arresteeren der goederen van Capi„ tuin Gas en 'sComp:s twee packen en 4. kisten, dat door deese daad, in het schrijven van den Haweldaar aan den Nabab 's Comp:s privelien door den Haweldaar geschouden zijnde gevaar hebben, geloopen van geheel ver„ nietigd te worden tot groote presudi„ cie van D' E: Maatschappij gelijk ook de van ouds toegestaane prerogativen van sComp:s 180 Den 10. December 1790:— 'sComp:s dienaaren en kooplieden, zoo den Armenischen Koopman Samier sulthan door zijne goede diensten niet bewerkt had, dat de privelegien nagesien, door het zenden van den Tholk Mandalam wengadesselam Naijker, en ten naasten bij in hun vigeur gesteld zijn, ik zegten naamsten bij alzoo het agte papier door den Nabab goedge„ keurd, en zoo ik meen geteekend tot nog toe niet ontfangen is, wat moeijte er ook om gedaan is. — Wat aangaat de overige in gewonnen stukken, die als bij geval in handen van den verthooner gekoomen zijn, de zelve zijn hun oorsprong verschuldigt aan het volgende geval, op den 18. 7ber: des gepas„ seerden Iaars presenteerde den koopman van Byland aan de regeering een re„ quest gedatteerd 17. 7ber: behelsende, dat het per het Schip Horssen aangebragte Kooper
English
10 December 1740. — Copper to the amount of 400,000 in 3200 small chests, of which fully 2/3 were decayed and rotten, was unacceptable, being soaked through by rust and verdigris; requesting therefore that it might please the Honorable Lord Commander and Council to judge through ocular inspection whether he would be able to receive this copper in the balance-house, as Captain Gas most strongly urged, strictly submitting to the resolution to be taken in this regard, especially if it were approved that this copper should be taken over by a judicial committee, as can be seen in the copy of the petition under Letter. Hereupon it was resolved on the aforementioned day, after taking ocular inspection, to have this copper weighed by two members of the Court of Justice in the presence of the Fiscal, and in the presence of the ship's officers according to order and good conscience, 181 10 December 1740. — and thereafter to submit a report in writing, see Letter W. Extract resolution The members of the Court of Justice, Jacobus Simon Cantervisscher and Simon Duynevelt, charged with this commission in the presence of the undersigned, have, on account of the short time that remained, not been able to weigh more than 100 chests in 4 days, which have given a deficit of 44 17/16 lb, thus calculating a loss of 700 1/2 lb on the entire lot of 2400 small chests or 300,000 lb, according to the copy of the report under Letter V. Regarding the difference in the number of small chests and pounds stated by the Merchant van Bijland in his petition and by the appointed judicial members in their report, it should be noted that 100,000 lb and 800 small chests of this copper had already been shipped to the northern offices. 10 December 1740. — had been shipped. — This report was submitted on 13 October, whereupon it was resolved to charge the ship's officers on their pay accounts for the deficit of 700 1/2 lb, see Letter W. However, the Merchant van Bijland, having been elected Chief of Jaggernaijkpoeram, was disinclined to take over this copper, for which reason the Honorable Lord Commander took it upon himself to account for this copper to the incoming Warehouse Master De Raeff, as he would receive the transfer of the Company's warehouses shortly after the departure of the ship Horssen, as indeed occurred. After the transfer had taken place, the Honorable Lord Commander ordered the Warehouse Master De Raeff to weigh and take over the copper taken over by His Honor, which was done, and it was discovered that there were 1600 lb 182 10 December 1790. — 1600 lb less than there should have been. Some time after this, the undersigned was ordered by the Honorable Lord Commander to conduct an investigation into the reason why so much copper was found short. — The humble petitioner, on 29 April of this year, had the warehouse servants, namely Soepermania Chittij, Anda Chittij, weighers, and Patjea Poele, cannecappel, examined in his presence, see Letter D, wherein they state that when the Merchant van Bijland took over the warehouse from the Chief Administrator Stoffenberg, there was a deficit of 960 lb, but the other weigher, named Waiytinada Poele, says he does not know the exact number of pounds, but that he had heard that Mr. Stoffenberg had afterwards said that this deficit would amount to plus 10 December 1790. — minus about 100, as can be seen under Letter E, Article 3; under Letter K it is stated by Dirkze in Article 4 that it was estimated to have fallen short by over 500 lb; it is therefore certain that there was a shortage of copper at the receipt of the warehouses by the Merchant van Byland. Through the sale it is impossible that the copper that was short could have been made up by offsetting, as no more than 2 bhaar of copper was weighed out during the administration of the Merchant van Byland, although a warrant for 15 bhaars was shown to him, of which, as stated, no more than 2 bhaar were weighed out on account of the dispute that arose between the Warehouse Master and the merchants concerning the weighing of the copper; the merchants insisted 183 10 December 1790. — insisted that the copper should be weighed out to them 120 lb at a time, as was customary; the Merchant van Bijland had given orders to weigh out by half bhaars, that is 240 lb at a time, as appears from Letter D, where the weigher Waiytinada answered the merchants who complained about this that he would weigh according to his own pleasure, this answer being certainly founded on the order that he says he received from Mr. van Bijland according to Letter E, Article 6. — No copper having been sold because of this dispute, and only two bhaars having been delivered on the warrant of 15 bhaars, this cannot be the reason that the Warehouse Master van Bijland, upon transfer to his successor De Raef, not only accounted for the old remaining copper that he had received from the Chief Administrator Stoffenberg, 10 December 1790. — accounted for, but that there were even 10 lb remaining; the cause of this will be revealed when one inspects Letter D, where it is testified that Waiytinada added from the copper brought by the ship Horssen, weighed by a judicial committee, and taken over by the Honorable Lord Commander, to the old remainder that lay separate, in order to make up for the copper previously received short; this was seen by the three deponents under Letter D, who state that three more sack-carriers, named Moeto Paijen, Sjina Bomen, and Wieramoetoe, who worked in the warehouse, were also present; that this is the truth appears from the certificate provided by the three of them, see Letter F. Waiytinada says, on the 8th article under Letter E, that Mr. van Bijland had ordered him, July
Dutch transcription
Den 10. December 1740. — Kooper tot s.:o 400'000 in 3200. kistjes /:waar van er wel 2/3. vermult en verrot waaren :/ in acceptabel was zijnde doorweeten door de roest en Spaans groen;, versoekende derhalven dat het den Agtb: Heer Gezaghebber en raad mogte behaagen om door oculaire ins„ pectie te oordeelen of hij dit kooper in het huijsje van den balans zoude kun„ nen ontfangen, Gelijk de Capitain Gas tensterksten dreeff, net onder wer„ ping aan het teneemene besluijt dier„ weegens voor al zoo er Goed gevonden wierd, dat dit kooper door een Justicele Commissie zoude overgenomen worden, ge„ lijk te zien is bij het Copia request sub Lijs. Hier op wierd ten voorsz: daage na het neemen van Oculaire inspectie beslooten dit kooper door twee Leeden van Iustitie ten overstaan van den fiscaal, en bij zijn der scheepsoverheeden na de ordre, en gemoede 181 Den 10. December 1740. — gemoede te laaten weegen en daar na te dienen van berigt inscriptis vide Lra W. Extract resolutie De Leeden van Justitie Iacobus Simon Cantervisscher, en Simon Duijnevelt ten overstaan van den nedriegen teekenaar met deese Commissie gechargeerd, heb„ ben weegens de korte tijd, die er nog overig was in 4. dagen niet meer dan 100. kisten kunnen weegen, die Eene min„ derheijd van 44. 17/16. lb: hebben gegeven, dus„ op de gantsche parthij van 2400. kisjes of 300'000. lb: een verlies van 700. ½½. lb. bereekend, volgens Copia Rapport sub L=ra V: Om„ trend het differend in 't getal der kistjes en ponden door den koopman van Bijland bij zijn request en de Gecommit„ teerde Iustitieele leeden bij hun Rap„ port opgegeven valt te remarqueeren dat er bereeds van dit kooper 100'000. lb: en 800 kisjes na de noorder Comptoiren waaren. Den 10 December 1740.— waaren af gescheept. — Dit Rapport diende den 13 October waar op beslooten wierd de scheeps over„ heeden op Zoldij reekening te belasten voor de minderheijd van 700½. lb: vide L:t w: Dan de koopman van Bijland g'Eligeerd zijnde tot Jaggernaijk pveram opperhoofd was ongeneegen dit kooper overteneemen, waarom den Agtb: Heer Gezaghebber op zig nam, dit kooper aan den Aankoomenden Pakhuijs meester De Raeff te verandwoorden, alsoo toog na het vertrek van het Schip Horssen transport van 'sComp s pakhuijsen zou„ de ontfangen gelijk dan ook geschiede. na het neemen van het Transport ge„ laste den Agtbaaren Heer Gezaghebber aan den pakhuijsmeester De Raeff, om het door zijn Agtb: overgenoomene koper te weegen en over teneemen, gelijk geschiede, en men ontwaarde dat er 1600. lb 182 Den 10. December 1790. — 1600. lb: minder was dan er moeste zijn. Eenige tijd hier na wierd den teeke„ naar door den Agtb: Heer Gezaghebber geordonneerd onderzoek te doen na de ree„ den waarom er zoo veel kooper te kort bevonden was. — Den Nedriegen verthooner liet ten zijnen overstaan op den 29. ' april deeses Jaars de pakhuijs bediendens in naame Soepermania Chittij, Anda Chittij wee„ gens, en patjea poele Cannecappel on„ derzoeken, vide L=ra D: waar bij zeggen dat wanneer den koopman van Bij„ land het pakhuijs overnam van den hoofd administrateur Stoffenberg, er eene minderheijd van 960. lb: was, dan den anderen weeger in naame waijti„ nada poele zegt het juijst getal den ponden niet teweeten maar dat hij gehoord, had, dat den heer Stoffenberg nader„ hand gezegd had, dat deeze minderheijd plus. Den 10. December 1790. — plus minus Op 100. zoude bedraagen gelijk te zien is sub L=ra E: Art: 3. bij L=r K: word door Dirkze bij artic: 4. gezegt dat er na gissing over de 500. H: te kort gekoomen wae, dit is dan zee„ ker dat er kooper te kort is geweest bij den ontfang der pakhuijsen door den koopman van Byland Door den Verthier is het onmooge„ lijk dat het te kort gekoomene kooper door de validtatie zoude zijn gesuppleerd alzoo er niet meer als 2. bhaar kooper is afgewoogen, geduurende de Adminis„ tratie van den Koopman van Byland Schoon hem een ordonnantie van 15. bhaa„ ren verthoond was waar van zoo als gezegd, niet meer als 2. bhaar zijn af„ gewoogen, uijt hoofde van het disput, dat tusschen den pakhuijsmeester en de kooplieden gereesen was, over het weegen van het kooper; de kooplieden drongen. 183 Den 10. December 1790. — drongen dat hun het kooper bij 120. lb: te„ gelijk zoude toegewoogen worden, gelijk ge„ bruijkelijk was, de koopman van Bijland had order gegeven om bij halve bhaaren dat is 240. lb: te gelijk afteweegen gelijk bij L:ma D: blijkt, daar de weeger waijtinada de Koop„ lieden die hier overdoleeren andwoorde dat na zijn genoegen weegen zoude zijnde dit andwoord zeekerlijk gefundeert op de ordre, die hij zegt van de Heer van Bijland gekreegen te hebben vol„ gens L:ra E: Art: 6. — Door dit dispout geen koper verthierd zijnde en op de ordonnantie van 15. bhaaren, Maar twee bhaaren voldaan zijnde, kan dit de reeden niet zijn dat de pakhuijsmeester van Bijland bij transport aan zijn ver„ vanger De Raef niet alleen het oude rettant kooper dat hij van den Hoofd„ administrateur Stoffenberg ontfangen had, Den 10. December 1790. — had, verandwoord heeft, maar dat er nog 10. lb: overig zijn geweest, de oorzaak hier van zal zig ontdekken als men in ziet L=ra D. alwaar getuijd word, dat waijtinada van het door het schip Horssen aangebragte door een Justitieele Commissie gewoogen en door den Agtbaaren heer Gesaghebber overgenoomen kooper bij het oude Restant dat apart lag, gedaan heeft, tot supplee„ ring van het voorwaards te min ont„ fangen koopen dit is gezien door de drie attestanten onder L=ra D: Waar zij op geeven, dat nog drie Zakke draagers in naame Moeto Paijen, Sjina bomen, en Wieramoetoe, die in het pakhuijs werkten hiermeede hebben present ge¬ weest, dat de waarheijd is blijkt uijt het getuijgschrift door hun drien ver„ leend ful L=ra F: Waijtinada segt, op het 81. articul bij L=ra E: dat de heer van Bijland hem geordonneerd had, July
English
184 The 10th of December 1740. — to have that done, and that the copper was thrown over by him and the two Malay slaves of Mr. Van Bijland from the new supply to the old remainder, being according to his estimate 120. lb: thrown over by him, but how much by the 2. slaves he could not determine, as they had already begun before him; of two Malay slaves nothing at all is mentioned either by the warehouse attendants or by the warehouse coolies, but upon confronting the weighers Soepermania Chittij and Anda Chittij, as well as the cannecappel with Waijtinada, it appears that he had already performed this work with the Malay slaves the day before, but that when he had done it alone, these aforementioned six people had seen it. Under letter K: article 114 is answered by Dirkze The 10th of December 1790. — answered that Mr. Van Bijland once said in the warehouse that if his Honor should come short a few pounds at the handover, to then add a few pounds from the new lot to the old lot, but whether such was actually carried out by any of the weighers he testifies not to know. However, it appears from this that Mr. Van Bijland was intending to mix some of the newly brought copper with the remainder lying under his responsibility, in case he came short; he was not unaware that a deficit existed, so it is very probable that this throwing over was ordered by him, and a proven truth, which is strongly confirmed by six witnesses and the perpetrator, that such was actually effected. — That, however, through this mixing of 185 December 1790. The 10th. of the newly brought copper with the old remainder, it was not probable that it could impossibly amount to an enormous sum of 1600. lb:, as there should then have been more pounds left over; nor was it conceivable that there would be such a large quantity of pounds deficient on the supply of 2400. small chests or 300000. lb, whereas the 800. small chests sent to the northern offices turned out very well, and the 100. small chests that were weighed by the judicial commission showed a deficit of only 44. 3/16. lb; thus other means must absolutely have been employed that could have caused this large deficit. The second deponent under letter D., named Anda Chittij, says that by order The 10th of December 1790. — order of Mr. Van Bijland, 24. small chests of copper had been transferred into 24. bags, of which 12. were good and 12. were tainted with verdigris, in order to display them to the government during the visual inspection; these 24. small chests were taken from the unaccepted and thus still unweighed copper, and after the inspection brought into the spice warehouse, where they remained until 5. days before making the transfer, when by order of Dirkze 12. bags of copper were transferred into the copper warehouse by the first deponent, or Soepermania Chittij; the 2nd deponent, or Anda Chittij, asked the first during the transfer of those 12. bags where those other 12. bags were, who replied not to know that. Dirkze says that Mr. Van Bijland 186 The 10th of December 1790. — Bijland had ordered him to instruct the weighers to transfer the 24. bags of copper from the large warehouse into the small one; that having fulfilled this order, he had gone to the mint, where his writing desk was, in order to prepare the transfer; that he could give no further elucidation, as is evident from letter K., article 99. — Under letter E., article 85, it is answered by Waijtinada that all 24. bags were transferred into the copper warehouse and stored with the new supply, but under letter G. he declares that of the 24. bags of copper that had stood in the spice warehouse, 12. bags were packed into two trunks by him and two slaves in the presence of Mr. Van Bijland, and subsequently taken to the house of Mr. Van Bijland; at the re-examination, however, The 10th of December 1790. — he says that the copper had been transferred by the slaves of Mr. Van Bijland in small lots in the sailcloth weighing bags. — The cannecappel Patjia Poele testifies under the aforementioned letter C. that having had orders to keep watch on the beach during the shipping of the goods of Mr. Van Bijland, on that occasion two trunks, which were exceptionally heavy, well lashed, and sealed, had been brought to the beach by the pariah coolies, and that the coolies of the 2. trunks murmured very loudly about the heaviness of the trunks and therefore claimed higher coolie wages. The pariah coolies, being 10. in number, declare under letter I. that during the carrying away of the goods of Mr. Van Bijland to 187 The 10th of December 1790. — to the beach they had transferred two trunks of an exceptional heaviness, well lashed with rope and sealed, one of the trunks being black and the other uncolored, that they had carried each of these trunks with eight men on two bamboos, that they had claimed higher coolie wages for these two trunks, which was also given, namely 6. silver Madras fanams for each trunk, or 12. fanams for both. The attestation of the quartermaster Ian Fredrik Meijer and Hendrik Sinkelaar under letter H. sheds so little light on this affair that it would be superfluous to record the same here. — That there were two extra heavy trunks, well lashed and sealed, is certain from the testimony of the cannecappel and the 10. coolies; but whether copper was inside them
Dutch transcription
184 Den 10. December 1740. — zulx te laaten doen, en dat het kooper door hem en de twee Maleijse Slaa„ ven van de Heer Van Bijland was overgeworpen van den nieuwen aanbreng bij het oude Restant, zijnde door hem naar gissing 120. lb: overge„ gooid maar hoe veel door de 2. slaaven kon hij niet bepaalen, alzoo die reeds voor hem begonnen waaren; van twee Maleijdse slaven word nog van de pak„ huijs bediendens, nog van de pakhuijs Koelijs in 't geheel niets gewaagd, dan bij het Confronteeren der weegers Soe per„ mania Chittij en Anda Chittij, mits„ gaders den Cannecappel met waijtina„ da, blijkt, dat hij met de Maleydse slaa„ ven des daags bevoorens, bereeds dit werk verrigt had, dog dat thoen hij het alleen gedaan had, deese vooren gewaagde Ses menschen zulx gesien hadden bij Dra L=ra K: het 114. e Art: word door Dirkze geandwoord Den 10. December 1790. — geandwoord, dat D' Heer Van Bijland wel Eens in het pakhuijs gezegt heeft dat wan„ neer zijn Ed: bij de overgaaf eenige pon„ den te kort mogte koomen, om dan ee„ nige ponden van de nieuwe, bij de oude parthij te doen dan off zulx weesendlijk door iemand der weegens is bewerkstel„ ligt, betuijgd hij niet teweeten, Egterblijkt hier uijt dat de heer van Bijland voor„ neemens is geweest, om van het nieuw aangebragte koper, bij het onder zijne ver„ andwoording leggende restant temen„ gen, ingeval hij tekort kwam, hem was niet onbewust, dat er eene minder„ heijd plaats had, dus is zeer waar„ schijnlijk dat dit overwerpen door hem g'ordonneerd is, en Een beweesen waar„ heijd die door ses getuijgen, en den daa„ der zeer bevestigd word, dat zulx wee„ sendlijk g'Effectueerd is. — Dat Egter door dit vermengen van 185 December 1790. Den 10. van het nieuw aangebragte koper, met het oude restant onmoogelijk eene Enorme Somma van 1600. lb: konde bedraagen, was niet waar„ scheijnlijk, alsoo er dan meer pon„ den overig hadden moeten zijn, ook was het niet te denken dat er zulk een groote quantiteijd ponden op den aan„ breng van 2400. kisjes off l: 300000. temin zouden zijn, daar de gezondene 800. kisjes na de noorder Comptoiren zeer wel zijn uijtgekoomen, en de 100. kisjes die door de Iustitieeele Commissie zijn gewoogen, maar eene minderheijd van 44. 3/16. lb: hebben gegeeven, dus moeten en absolut andere middelen in het werk zijn gesteld, die deese groote minderheijd hebben kunnen ver„ oorzaaken. Den tweeden Attestant bij L=n D. genaamd Anda Chittij zegt, dat op ordre. Den 10. December 1790. — ordre van de Heer Van Bijland 24. kisjes koper in 24. Zakken overgestort waaren, waar van 12. goed, en 12. met ko„ per groen bes met waaren, ten Eijnde dezelve bij de oculaire inspectie aan de Reegering, te verthoonen deese 24. kisjes waaren uijt het niet g'accepteerde en dut nog ongewoogen kooper genoomen, en na het bezigtigen in het specerije pakhuijs gebragt, alwaar zij zijn blijven staan tot 5. daagen voor het doen van het Transport wanneer op ordre van Dirkze door den Eersten attestant of soe„ permania Chittij 12. zakken met kooper in het koper pakhuijs zijn overgebragt, den 2. attestant of Anda„ Chittij vroeg bij de overbreng van die 12. Zakken aan den Eersten; waar die andere 12. zakken waaren welke repli„ ceerde zulx niet teweeten: Dirkze zegt dat de heer Van Bijland 186 Den 10. December 1790. — Bijland hem g'ordonneerd had, om de weegers te gelasten de 24. zakken met kooper uijt het Groote pakhuijs in het kleene over te brengen dat hij, deese ordre volbragt hebbende, na de munt was gegaan, alwaar zijn schrijf Comptoir was om het transport klaar temaaken, dat hij verder geen Elu¬ cidatie kond geeven gelijk Consteerd uijt L=ra K. art: 99. — Bij L=ra E: Art: 85. word door Waij„ tinada geandwoord dat alle 24. Zakken in het koper pakhuijs zijn overgebragt, en bij den nieuwen aanbreng geborgen maar onder L=ra G: verklaard hij dat er van de 24. Zakken koper, die in het specerie pakhuijs gestaan hadden, 12. zakken door hem, en twee slaaven in presentie van de heer van Bijland in twee koffers zijn afgepakt en vervolgens na het huijs van de Heer van Bijland zijn gebragt, bij het recollement egter Ligt Den 10. December 1790. — zegt hij dat het koper door de Slaa„ ven van de heer van Bijland bij kleene parthijen in de Zeijldoekse weegzakken, waaren overgebragt. — De Cannecappel Patjia Poele getuijgd bij gem: L=r C: dat hij order gehad hebbende om aan strand bij den afscheep der goederen van de Heer Van Bijland op te passen bij die geleegentheijd twee koffers, die bijzon„ der swaar waaren wel gesjord, en verzeegeld, door de pariasse koelijs aan het Strant gebragt waar en dat de Coelijs van de 2. koffers zeer sterk murmureerden over de Swaarte van de koffers en daarom meerder Coelij¬ loon pretendeerden De parease Coelijs zijnde 10. in getal verklaaren onder L=ra I: dat zij bij het afdraagen der goede„ ren van de Heer van Bijland Na 187 Den 10. December 1790. — na het Strand hadden over gebragt twee Koffers van een besondere swaarte, wel met touw omsjord en verzeegeld, zijn„ de de Eene eene koffers. Swart en de andere ongekleurd, dat zij ieder van deese koffer met agt man op twee bamboesen gedraagen hadden dat zij voor deese twee koffers meerder Coelij„ loon hadden gepretendeert, dat ook gegeven was, namentlijk 6. Zilvere Ma„ drasse fanuims voor Jder Koffer of 12. fanums voor Beijde de attestatie van den Quartiermeester Ian Fredrik Meijer, en Hendrik Sinkelaar sub L=ra H:, geeven zoo wijnig ligt aan deese affaire dat het overboodig zoude zijn dezelve hier teverbaliceeren. — Dat Er twee Extra Swaare koffers wel omstord en verzeegeld zijn geweest, is zeeker uijt het getuijgenis van den Canne„ cappel, en de 10. Coelijs dan of daar in Koper
English
The 10. December 1790. — copper has been, has not been proven, because the testimony of Waijtinada in this matter is so variable that one cannot rely upon it, yet it may be that the copper was brought by the slaves in small quantities and in bags from the warehouse to the house of the Heer van Bijland and packed there into the 2. trunks by him with the assistance of the boys, since Waijtinada, being a close confidant of the Heer van Bijland, has been employed in many similar kinds of affairs as will become more fully apparent hereafter. — Now, because the vessel in which the goods of the merchant van Byland were laden could not complete the voyage due to adverse winds, but remained over winter at Cottapatnam pandertie, and only later were brought to Jaggernaijkpoeram, 188 The 10. December 1790. — one has not been able to ascertain precisely where the trunks have ended up, and to what extent that conforms with the truth. And although Dirkze answers under Littera K: article 113. that the merchant van Bijland would have accounted for his remaining copper by applying the validation to the old and new remaining copper amounting to 475. lb: the petitioner will not declare to what extent the merchant van Bijland was entitled to the validation on the new parcel of copper, but solely observes that, while this could certainly cause some decrease in the quantity of the old remainder, it could by no means cause such a large shortage in the new remainder of copper, nor is this a reason for the The 10. December 1790. — the deficiency, since deducting the validation indeed reduced the remainder of the old parcel, but can in no way be the cause of the great shortage in the new parcel. Through the investigation into the cause of this great shortage in the remainder of copper that was delivered by Horssen and was not accepted by the merchant van Bijland, there has likewise come to light the conduct of the said van Bijland with the spices; how he caused the dust and white flakes of mace, which were still lying in the warehouse from the departed warehouse master Stoffenberg to be sent to Batavia according to orders, to be mixed in the consumption chest with the good mace, and supplied to the buyers for good mace 189 The 10. December 1790. — supplied according to Littera E: article 25. 26. 27., likewise under Littera K: article 30. it is stated by Dirkze that Waijtinada did this in the presence of the other servants, and thereafter had informed the Heer van Byland thereof, saying that it was customary, and that subsequently good mace was taken out of the consumption chest in place of the dust, as appears from the just-cited Littera D: E: K: though the quantity of pounds differs, since under Littera D: the same is claimed to be 9. lb: Littera E: article 19. at 1½. lb:, and Littera K: article 41: at 1: to: 1¼ lb: but the deponents under Littera D: state this positively, and we add thereto, that that mace together with 105. lb: of good nutmegs and 400. lb: of cloves were packed in four trunks, and sent to Madras in two shipments with ox carts, and that the first time no toll was paid for those spices to The 10. December 1790. — to the Duan, that subsequently the second consignment, for which toll was paid to the Duan, addressed to the Heer Beggle, was detained at the entrance of the gate at Madras, but was released immediately upon the promise that lease-duty would be paid. — These 105¾. lb: of nutmegs, the deponents say, were taken from the unopened chests /:certainly delivered per Horsen and in their place the same number of pounds of mite-eaten nutmegs were put into the unopened chests. Under Littera E: this matter is stated somewhat differently, namely that 80. to 90. lb: of good nutmegs were supposedly taken from the chests and that space supposedly refilled with 30. to: 35. lb: of mite-eaten nutmegs, see article 31. and that subsequently 9. lb: of mace, 80. lb: of nutmegs and 316. 190 The 10. December 1790. — 316. lb: of cloves were supposedly sent to Madras with an ox cart. Dirkze says under Littera K: article 43. that he knows nothing of what occurred with the nutmegs, although he was present when the Heer van Bijland had some spices packed into 2. trunks and a paper chest, and had the same brought from the warehouse to his house. Yet he says under Article 49. that he could not now state the number of pounds of each sort, but by estimate over 200: - lb: of the three sorts, so he is nevertheless aware that there were nutmegs in those trunks. — Under Littera D: it is further testified that such a shipment took place twice, and that for the first no toll was paid, but that for the second toll was paid to the Duan here. Under Littera E: Article 40. it is stated that no lease-duty was paid to the Duan; in Littera K: Article 53. that The 10. December 1790. - that lease-duty was indeed paid, and that some hindrance occurred during that dispatch at the Madras gate. From this one would have to conclude that two dispatches were made, the first of which passed through without paying toll either here to the Duan or at the Madras gate, but that for the second dispatch toll was paid to the Duan, and it was detained at the Madras gate. The best elucidation hereof one could have obtained from the Heeren Beggle and De Lange, had they been inclined to give testimony concerning this. The deponents under Littera E: subsequently state how the nutmegs taken from the unopened chests and replaced with the mite-eaten ones were accounted for by increasing the dust and sweepings of the spices with crushed cloves up to 25. lb: with
Dutch transcription
Den 10. December 1790. — koper is geweest, is niet beweesen want het getuijgenis van Waijtinada is in deezen zoo variabel dat men er geen staat op„ maken kan, egter kan het zijn dat het kooper door de slaaven in kleene parthij en met zakken uijt het pakhuijs na het Huijs van de Heer van Bijland is gebragt en aldaar door hem met behulp der Jongens in de 2. koffers is in„ gepakt, alzoo waijtinada een groot ver„ trouweling van de Heer van Bijland zijnde, in veele durgelijk zoort van affai„ res gebruijkt is gelijk in het vervolg nader zal blijken. — Dewijl nu het vaarthuijg waaren de goederen van den koopman van Byland waaren gelaaden, de reijs door teegenwinden niet heeft kunnen kreijgen, maar op Cottapatnam pan dertie zijn blijven overwinteren, en nader„ „hand eerst na Jaggernaijkpoeram zijn aan 188 Den 10. December 1790. — aangebragt is men niet in staat geweest naaukeurig te kennen nagaan, waar off de koffers belend zijn, en in hoe verre dat met de waarheijd is over een koomende. En Schoon Dirkze bij L=a K: art: 113. andwoord dat de koopman van Bijland zijn restant kooper door den aanbreng van de validatie op het oude, en nieuwe restant kooper zoude hebben verandwoord beloopen„ de dezelve 475. lb: zoo zal den verthoo„ nen zig niet declareeren, in hoe verre de vallidatie op de nieuwe parthij koo„ per aan den koopman van Bijland Competeerde, maar merkt eeniglijk aan, dat dit zeekerlijk wel Eenige ver„ mindering in de hoeveelheijd van het oude restant konde te weeg brengen, maar geen sinds zulk een groot minder„ heijd aan het nieuwe Restant Kooper ver¬ oorzaaken, ook is dit geen reeden van de. Den 10. December 1790. — de te kort koming alsoo het aftrecken der validatie het restant wel heeft doen verminderen van de oude parthij, maar geensinds oorzaak kan zijn aan de Groote minderheijd der nieuwe parthij Door het onderzoek na de oorzaak van deese groote minderheijd op het restant koper dat door Horssen aangebragebragt, en door den Koopman van Bijland niet is overgenoomen, is teffens koomen te blijken de handelwijse van Gem: van Bijland met de Specerijen hoe hij het heeft stoff en witte blaad„ jes van de foelij welke in het pak„ huijs nog van den afgegaane pak„ huijsmeester Stoffenberg laagen om volgens ordre na Batavia verson„ den teworden in de Consumtie kist met de goede foelij het doen mengen, en aan de Koopers voor goede foelij ver 189 Den 10. December 1790. — Verstrekt volgens L=ra E: art: 25. 26. 27. , Jtem bij L=m K: art: 30. word door Dirkze gezegd dat Waijtinada dit gedaan heeft inpresentie van de andere bediendens, en daar na aan de Heer Van Byland kennis gegeven had, onder het zeggen dat het Jngebruijk was, dat er vervolgens goede foelij uijt de Consumtie kist en plaats van het stoff is uijtge„ noomen, blijkt bij de zoo even geciteerde L=a D: E: K: dan de hoeveelheijd van ponden differeerd alzoo bij L=ma D: dezelve worden begeerd tot 9. lb: L=ra E: art: 19. op 1½. lb:, en L=ra k: art: 41: op 1: a: 1¼ lb: dan de attestanten bij L=ra D: zeggen dit posetiev, en wij zijn daar na aan, dat die foelij neevens 105. lb: goede nooten misschaaten en 400. lb: nagulen in vier koffers zijn gepakt, en in twee keeren met ossen kar„ ren na Madras zijn gezonden, dat er de Eerste maal geen tholl voor die specorijen Aan Den 10. December 1790. — aan den Duan is betaald, dat ver„ volgens de twee de bezending waar van tholl aan den Duan is betaald, geaddres„ seerd aan de Heer Beggle, bij het inkoo„ men van de poort te Madras is aangehou„ den, dog door belofte van pagt te zullen. betaalen direct is gelargeerd. — Deese 105¾. lb: Nooten Musschaaten zeggende Attestanten zijn genoomen uijt de ongeropende kisten /:zeekerlijk per Horsen aangebragt en in dies plaats het zelfde getal ponden vermijterde noten in de ongeopende kisten gedaan Bij L=ra E: werd dit geval eenigsinds verschillend opgegeven, namelijk dat 80. â 90. lb: Goede nooten uit de kisten zouden genoomen zijn en die plaats weeder zoude aangevuld zijn met 30. â: 35. lb: vermij„ terde Nooten vide art: 31. dat vervolgens na Madras met een osse kar zoude ver„ sonden zijn 9. lb: foelij, 80. lb: nooten en 316. 190 Den 10. December 1790. — 316. lb: Nagulen Dirkze Zegt bij Lra K: art: 43. dat hij van het voorgevallene met de nooten musschaaten niets weet, Schoon hij present is geweest toen de Heer van Bijland eenige specerijen heeft laaten afpacken in 2. koffers, en Een papier kist, en dezelve uijt het pakhuijs na zijn huijs heeft laaten brengen Egter zegt hij bij Art: 49. dat hy het getal der ponden van ieder zoort nu niet konde opgeeven, maar na Gissing over de 200: - lb: van de drie zoorten dus is hem Egter bewust dat er nooten in die koffers zijn geweest. — Pub Lra. D: word nog getuijgd dat er tweemaal zulk een bezending is ge„ schied, en dat er van de Eerste geen tol is betaald, maar dat van de twee„ de tot aan den Duan alhier betaald is L=ra E: Art: 40. word gezegd dat ergeen pagt aan den Duan voldaan, in L=ra K: Art: 53. dat Den 10. December 1790. - dat er alpagt voldaan is, en dat er Eenige verhindering bij die versending in de Madrasse poort is voorgevallen, hier uijt zoudemen moeten besluijten dat er twee versending zijn gedaan welker Eerste zonder tol nog hier aan den Duan nog in de Madrasse poort te betaalen gepasseerd is, maar dat voor de tweede Depeche toll aan den duan is betaald, en in de Madrasse poort is aangehouden, de beste Elicidatie hier van zoude men hebben kunnen hebben bekoomen van de Heeren Beggle, en De Lange zoo zij geneegen waaren geweest hier van getuijgenis te geeven. De attestanten bij L=n E: gegeven vervol„ gens op hoedanig de uijt de ongeopende kisten genoemene en door de vermijterde gesup„ pleerde nooten zijn verandwoord door het stoff en gruis der specerijen te ver„ meerderen met gestampte nagulen tot 25. lb: met
English
191 The 10th of December 1790. — By estimate 60. lb: gallnuts; as well as 14. winnowing baskets of sifted sand, of which 10. winnowing baskets were mixed under the dust of the cloves, and the remaining 4. were stored in the warehouse until the 25. lb: cloves and 60. lb: gallnuts were crushed, and were brought from the house of Mr. van Bijland into the warehouse, at which time this mixture was placed on the one scale and against it on the other 105¾. lb: weight, which was subsequently filled up with the remainder being 4. winnowing baskets of fine sand until it obtained the weight of 105¾. lb:, constituting the exact number of good nuts that had been taken from the unopened chests, in place of which mite-eaten nuts were put back again; with this Dirkze Lub fully agrees under Letter K. from Article 55. to 80. inclusive, in which under Article 58. it is further to be noted that the warehouses were never opened to The 10th of December 1790. — to weigh spices or to work therein unless Mr. van Bijland was always present. — The entire course of this affair is confirmed by Waijtinada under Letter E: Article 42. to Article 65., in which, however, some variations appear, which are mainly removed by Letter G: Further declaring, the deponents under Letter C and Letter D: that with the vessel of the citizen Abraham Leonard De Veer, there were dispatched two paper chests in which, according to the statement of Mr. van Bijland to the diwan, were packed 240. lb: nuts, and 120: lb: cloves; by Waijtinada it is answered under Letter E: from Article 71. to 76. that pepper, sugar, cloves and nuts were dispatched with the vessel of De Veer in two paper chests, that the quantity was said to have consisted 192 The 10th of December 1790. — consisted of 500. lb: cloves and 100 lb: nuts and that he had weighed out in all to Mr. van Bijland 1300. lb: cloves, 300. lb: nuts and 9. lb: mace, that the nuts were taken from the new supply per the ship Horssen, but that the cloves were profited from the chests taken over unweighed at the transfer of the former warehouse master; Dirkze testifies under Letter K: from Article 89. to 93. that all sorts of spices, namely nuts, mace and cloves were dispatched with the vessel of De Veer to Madras to a quantity of 400. lb:, yet how much of each sort he could not state, and that the spices were taken from the Company's warehouses from the percentages of Mr. van Bijland, which had been collected there; as also some nuts from the consumption chest, that The 10th of December 1790. — that the weighers and the cannecappel had advised Mr. van Bijland first to let the diwan know and to ask permission, and likewise to declare fewer cloves and more nuts, for the reason that more duty had to be paid for the cloves than for the nuts. — The servant Wenga Desselam Poele says in his attestation Letter A: that he had no account of the goods sent by the vessel of De Veer, yet estimated the same at upwards of 2000 R/, the more so as his master had pawned the same with an Armenian merchant named Ioseph Maroet for 2000 px –. — Further, it appeared noteworthy to the respectful reporter what was stated by Waijtinad concerning the deficit which the warehouse master De Raeff suffered to his loss upon the delivery of the Company's sugar, 193 The 10th of December 1790. namely that Mr. van Bijland had ordered him to weigh the sugar with as great a deficit as possible under threat that, since he knew Mr. van Bijland, he would have him, Waijtinada, chastised unto death, and with the promise that if he complied with this order, he would then be rewarded to his satisfaction; in order now to comply with this, there were now and then given up by Waijtinada (certainly when the commissioners were not paying attention) 10 fifty-pound weights when there were only eight on the scale; he also used a trick during the weighing whereby he could make each draft pull 8 to 10 lb: more than it actually contained. For this honest deed he was rewarded by Mr. van Bijland with The 10th of December 1790. — with 6 p. –, two pieces of Guinees and some cloves, by estimate 3. lb:, as appears under Letter G: Dirkze says under Letter K: Article 84. that 40 canassers of sugar were sent to Madras and that the same were taken from the warehouse, and also that Mr. van Bijland was said to have stated that he would easily find that quantity again in the captain's allowance, His Honour's percentages, and from the overweights which His Honour thought there ought to be; and also that Mr. van Bijland had taken over from Captain Gas some bahars of sugar which the captain had left over above his allowance; the aforesaid Dirkze also confesses under Article 87: that the weigher was threatened by Mr. van Bijland that if there was a shortage of sugar, the weigher would pay for that deficit, and when there was an overweight 194 The 10th of December 1790: — the weigher would have a good present, and that he therefore, pursuant to promise, was said to have given to both weighers and the cannecappel each one or two pieces of dungaree Guinees, some cloves, and some pepper, item a couple of pagodas, according to Article 88., which agrees with what Waijtinada said if one considers that Waijtinada kept this for himself alone, and gave nothing thereof to the other two weighers. — From this advanced matter, and the manifold proofs cited therewith, it can then be deduced as clear as noonday that the merchant van Bijland acted in an illicit and unaccountable manner with the goods entrusted to him in the Company's warehouses, and since the humble petitioner is only charged to
Dutch transcription
191 Den 10. December 1790. — Met nagissing 60. lb: galnooten; mits„ gaders 14. wannen gezift zand waar van er 10. wannen onder het Stoff der nagulen gemengt is, ende overige 4. in het pak„ huijs zijn geborgen tot de 25. lb: nagulen en 60. lb: galnooten zijn gestamt, en uijt het huijs van den Heer van Bijland in het pakhuijs zijn aangebragt, wanneer Dit mengzel op de Eene Schaal gezet en daar teegen op de andere 105¾. lb: gewigt, dat het zelve vervolgens is aangevult met de per resto zijnde 4. wannen fijn zant tot dat het de swar„ te van 105¾. lb: heeft gekreegen, uijtmaa„ kende het Juiste getal van goede nooten die uijt de ongeopende kisten genoomen waaren, in welker plaats weeder vermij terde Nooten zyn ingelegt, hier meede stemd volkoomen over Een Dirkze Lub L=ra K. van Art: 55. tot 80. inslooten, waar bij onder Art: 58. nog te remarqueeren is, dat de pakhuijsen nimmer waaren g'opend om. Den 10. December 1790. — om specerijen te weegen of daar in te werken of de Heer van Bijland in althoos present geweest. — De Gantsche toedragt van deese af„ faire word bevestigd door waijtinada sub L„r E: Art: 42. tot Art: 65. waar bij Egter eenige variatien voorkoomen, die hij voornamentlijk worden weggenoomen door Lra. G: Wijders verklaarende attestanten bij fra C L=ra D: dat met het vaarthuijg van den burger Abraham Leonard De Veer, zijn- versonden twee papier kisten waarin volgens opgave van den Heer van Bij„ land aan den duan afgepakt waaren 240. lb: Nooten, en 120: lb: Nagulen, door waijtinada word sub L=ra E: van Art: 71. tot 76. g'andwoord dat er peeper, zuijker, Nagulen en Nooten met het vaarthuijg van de veer versonden zijn in twee papier kisten, dat de quantitijd zoude hebben be„ staan 192 Den 10. ' December 1790. — staan in 500. lb: nagulen en 100 lb: noo„ ten en dat hij in alles aan de Heer van Bijland afgewoogen had 1300. lb: nagulen 300. lb: nooten en 9. lb: foelij, dat de noo„ ten uijt den nieuwen aanbreng per het schip Horssen Genoomen zijn, maar dat de Nagulen bij des voorigen pak„ huijsmeesters Transport ongewoogen overgenoomene kisten geprofiteerd zijn Dirkze getuijgd bij L„r K: van Art: 89. tot 93. dat er van alle zoorten van specerijen, namelijk Nooten, foelij en Nagulen met het varthuijg van Deveer na Madras versonden zijn geworden tot een quantiteijd van 400. lb: dog hoe veel van ieder zoort kondij hij niet opgeeven, en dat de specerijen uijt sComp:s pakhuijsen zijn genoomen van de percentos van de Heer van Bijland, die erversaameld zijn geworden; als ook eenige Nooten uijt de Consumtie kist, dat n Den 10. December 1790. — dat de weegers, en Cannecappel de heer van Bijland zoude aangeraaden hebben om bij den Duan Eerst te laaten weeten, en permissie te vraagen en desgelijks min„ der Nagulen, en Meerder nooten te laa„ ten opgeeven omreeden er meerder tol voor de Nagulen betaald moeste worden, dan voor de nooten. — Den dienaar Wenga desselam poele zegt bij zijn Attestatie L=ra A: dat hij geen reekening had van de per het vaarthuijg van De veer gesondene goederen, Egter dezelve Schatte de op ruijm R/ 2000. , te meer zijn Heer dezelve bij Een Armenisch koopman genaamt Ioseph Maroet voor px 2000. –. hadde verpand. — Nog is den Eerbiedigen berigt geever aanmerkelijk voorgekoomen het gezegde van Waijtinad omtrend de minderheijd, welke den pakhuijsmeester De Raeff bij de uijtleevering van 's Comp:s zuijker tot zijn Schaade 193 Den 10' December 1790 schaade heeft ondervonden, namelijk dat de Heer van Bijland hem g'ordon„ neerd had om de zuijker met zeer veel minderheijd te weegen als moogelijk was onder bedrijging dat, dewijl hij den Heer van Bijland kende hij hem waijtinada tot er dood toe zoude laaten kastijden, en belofte zoo hij aan deeze ordre voldeed, dat hij dan tot zijn genoegen zoude beschon„ ken worden, om nu hier aan te voldoen zijn er door Waijtinada nu en dan /:zee„ kerlijk als de gecommitteerdens er niet oplette den :/ 10. vijftig ponders opgege„ ven als er maar agt op de Schaal ston„ den, ook heeft hij onder het weegen een slag gebruijkt waar door hij ider weegzel 8. â 10. lb: meerder konde doen haalen, dan het zelve weesendlijk inhield. Voor deese Eerlijke daad is hij door de Heer van Bijland beschonken met Den 10. December 1790. — met p. 6. –. twee stukken guinees en eenige nagulen na gissing 3. lb: als Consteerd sub L=ra G: Dirkze bij L=ra K: art: 84. Zigt dat er 40: Cannassers Zuiker na Madras zijn gezonden en dat dezelve uijt het pakhuijs zijn genoomen mitsgaders dat de Heer van Bijland gezegt zoude hebben, dat hij die quantitijd wel weeder vinden zoude in de validatie van den Kapitain, zijn Ed: percentos, en van de overwigten, die zijn Ed: dagte dat er weesen moeste, mitsga„ ders dat de Heer Van Bijland nog van den Capitain Gas eenig bhaaren Zuiker had overgenoomen die de Capitain booven zijn validatie had overgehouden; ook bekend gem: Dirkze bij Art: 87: dat den weeger door de Heer van Bij„ land gedrijgd is, dat zoo er zuijker te kort kwam, der weeger die minderheijd zoude betaalen, en wanneer en overwigt was 194 Den 10. December 1790: — was de weeger een goed prezent hebben, en dat hij dus ingevolge belofte aan de beijde weegers en Cannecappel ieder een, of twee stukken dongres Guinees wat nagulen, en wat peper, Item een paar pagooden zoude afgeeven hebben, volgens art: 88. het geen met het gezegde van waijtinada over Een steind als men Considereerd dat waijtinada dit voorzig alleen behouden heeft, en daar van aan de andere twee weegers niets heeft afgegeven. — Uijt dit g'avanceerde, en daar bij aangehaalde menigvuldige bewijsen is dan middag klaar op te maaken dat den koopman van Bijland op Een ongepermitteerde en onverandwoor„ delijke wijze heeft gehandelt met de hem aanvertroude goederen in 'sComp:s pakhuijsen, en dewijl den nedriegen verthooner alleenlijk maar gelast is om
English
The 10th of December 1790. to serve as a report on the state of affairs as situated, and which evidence has been gathered, he will not elaborate any further on this, but proceed to what occurred at Jaggernaikpoeram, citing the evidence that has come into his hands; it only remains to be remarked here that, since the merchant Van Bijland seems so averse to all oppressions and illicit extortions from merchants, it appears particularly strange to the Undersigned how he could have proceeded to extort from the supplier of the caliatour wood purchased here, named Medda Wardarasoe Chittij, on account of (as the natives say) an oppressive costumado of 10 pagodas for every 100 bhaars, without which he absolutely prohibited the weighing of that dyewood 195 The 10th of December 1790. prohibited during the period of 3 to 4 days, in which interim the merchant or supplier was forced to pay 20 pagodas instead of the requested costumado, as can be seen under Letter E, Articles 91, 101, 103, and 104; likewise Letter G and Letter K, 118, 119, and 120, as well as under Articles 127, 130 to 135. The merchant Van Bijland and his servant, Wengadesselam Poele, being entirely unknown at Jaggernaikpoeram, he gave his servant, who was sent ahead, an unaddressed letter thither, with orders first to inform himself who were men of credit, and to address the letter to them. Pursuant to this order, the servant wrote on the letter the address of Baasoe Triwengalam and delivered the same. This servant, having been sent primarily to negotiate money, did The 10th of December 1790. did, after delivering the letter, pay a visit to Baatjoe Triwengelam, in order, if possible, to fulfill the order of his master, in which he succeeded so far that two bills of exchange were handed to him by the brother of Baatjoe Triwengalom, named Baatjoe Ballarama Aija, namely one drawn on Mr. Thomas De Lange for the amount of 800 pagodas, and one on Messrs. Beggle and Heefke for the amount of 700 rupees at Madras, which he had sent to his master, according to the attested statement at Letter A. This letter primarily contained a request to assist Mr. Van Bijland with 2000 pagodas by a bill of exchange on Madras, which had to be accepted directly, but the payment of which could take place in 3 to 4 months, and if Mr. Van Bijland should meanwhile be in a position to satisfy the same, 196 The 10th of December 1790. to satisfy, he would effect such, as appears from that passage of the aforementioned letter: for this bill of exchange it is not necessary to give money here, for it is only to preserve my credit, Letter A. This bill of exchange having arrived and been accepted, and Mr. Van Bijland being on the point of his departure for Jaggernaikpoeram, he was short of money to pay for the pepper purchased from the Honorable Company by a Raasjappa Chittij, for which he had stood surety, amounting to 1725 pagodas; he therefore offered these two bills of exchange as security for that debt, in order to endorse the same to the Right Honorable Mr. Tadama, which was granted by resolution of the 3rd of December 1789, he being to settle the remaining 225 pagodas at Jaggernaikpoeram by the end of February of this year, for which reason a memorandum was made thereof and charged to Jaggernaikpoeram, see Letter IJ. Some The 10th of December 1790. Some time after the arrival of Mr. Van Bijland, or on the 4th of February, when the merchants had already departed and were at Sarwawaram, he was addressed by letter by the Company's merchant Baatjoe Ballarama Aija for the payment of the 1500 pagodas, the aforementioned merchant sending the bond to the chiefs Van Halm and Van Someren, with the request to collect that sum in reduction of his debit to the Company, as appears from the postscript of that letter under Letter Z; however, he delayed, indicating that it had not yet appeared to him that those bills of exchange had been paid, see letter of the 6th of February; this was the reason that the merchant wrote to Madras not to pay those bills of exchange. The authorized agents of the merchant, Messrs. Beggle and Heefke, communicated this to the Right Honorable Mr. Tadama, who 197 The 10th of December 1790. who answered them that he adhered to the law of exchange, and would thus hold the acceptor liable for the non-payment. This had the effect that the payment of the bills of exchange followed, but the merchant has until now not been so fortunate, whatever efforts he has made, as to be able to collect this sum of 1500 pagodas. The humble Undersigned will not elaborate, nor investigate what reasons persuaded Mr. Van Bijland to write a letter of such content; it only appears remarkable to him that he left this bill of exchange as security for the debt of the pepper with the Honorable Company, while he writes to the merchant Baatjoe Ballarama Aija that he wished the same to be considered solely as a letter of credit, that it was not necessary The 10th of December 1790. necessary that these monies be paid, see extract of letter of the 2nd of April of this year by Baatjoe Bala Ramaija to the Right Honorable Mr. Governor Tadama, under Letter AA. Concerning the disputes between the chiefs, the merchant Paul Engelbert van Halm, the junior merchant Hironimus Jacobus van Someren, and Mr. Van Bijland, it should be noted that with the arrival of Mr. Van Bijland at Jaggernaikpoeram, and subsequently until the 27th of January, a reasonable harmony still prevailed, but since that day that the chiefs were to close the settlements of accounts of the merchants of white piece-goods, and the merchants opposed settling their accounts on the footing that the chiefs had framed them, the aforementioned traders maintaining
Dutch transcription
Den 10 December 1790. — om te dienen van berigt de staat der zaaken gesitueerd, en welke bewijsen ingewonnen zijn zal hij hier over niet verder Clargeeren maar overgaan tot het voorgevallen te Jaggernuijk p=rn met aanhaaling van de bewijsen die hem in handen zijn gekoomen, alleenlijk staat hier nog teremarqueeren, dat daar de koopman van Bijland zoo avers scheijnd van alle verdruckingen en ongepermitteerde apperzingen der koop„ lieden, het den Teekenaar bijzonder vreemd voorkomt, hoe hij heeft kun„ nen overgaan om den Leverancier van het alhier ingekogte Calliatour„ houd in naame Medda wardara„ soe Chittij weegens /: gelijk de Jnlan„ ders zeggen:/ eene drukkende Cos„ tumado van pa/o 10. –. voor Jder 100. bhaar aftepersen, zonder welke hij absolut het weegen van dat verfhout g'Jnterde„ Ceerd. 195 Den 10. December 1790. — ceerd heeft geduurende de tijd van 3. â 4. daagen, in welke tusschen tijd den koop„ man of Leverancier tot het betaalen van p/o 20. –. in plaats van der gevraagde Costumado is gedrongen, gelijk dit te zien is sub L=ra E: Art: 91: 101. 103. en 104. Jtem L:n G: en L:r K: 118. 119. en 120. alsmeede bij art: 127. 130. tot 135. — Den Koopman van Bijland, en zijnen dienaar, wengadesselam poele gantsch onbekend op Jaggernaijk p=m, gaff zijn dienaar die vooruijtgezon„ den wierd, een ongeaddresseerde brief na derwaards meede, met last om zig Eerst te Jnformeeren wie men„ schen van Credit waaren, en aan die den brief te addresseeren inge„ volge deese ordre schreef den die„ naar op de brief het addres van Baasoe Triwengalam, en bestelde dezelve, deeze dienaar voor naamelijk gesonden zijnde om geld te negotieeren, deed Den 10 December 1790. deed na het bestellen van den brief een visite aan Baatjoe Triwengelam om was het moogelijk aan de ordre van zijn Heer te voldoen, waar in hij zoo verre slaagde dat hem twee wissels door den broeder van Baatjoe Triwengalom in naame Baatjoe Ballarama Aija ter hand gesteld wierden, als Een op de heer Thomas De Lange Groot p. 800. - en Een op de Heeren Beggle en Heefke„ groot R7700. -. -. te Madras welke hij zijn Heer had toegesonden volgens het geattes„ teerde bij Lna A: Deeze brief behelsde voornaamelijk een verzoek om de heer van Bijland met pro 2000. –. –. te adsesteeren door een wissel op Madras welke direct moeste g'ac„ =cepteerd worden, dog welker betaaling over 3. â: 4. maanden konde geschie„ den en zoo den Heer van Bijland intusschen en Staat mogte zijn dezelve te voldoen. 196 Den 10 December 1790 te voldoen hij zulx zoude Effectueeren, blij¬ kens die perioode uit gem: brief voor dee„ se wissel is niet noodig hier geld te gee„ ven, want het is maar om mijn Cre„ diet te behouden L=ra A. — Deese Wissel overgekoomen en g'accep¬ teerd zijnde, en de Heer van Bijland op zijn vertrek na Iaggernaijk p=r staan„ de, had gebrek aan geld, om de, van d' E: Comp: gekogte peeper door een Raasjappa Chittij, waar voor hij borg gebleeven was, te betaalen, bedraagende P/o 1725. -. -. hij bied derhalven deeze twee wissels tot securiteijd van die Schuld aan, om dezelve te endos„ seeren op den wel Edelen Agtb: heer Ta„ dama, het welke bij besluijt van den 3. ' de„ cember 1789. toegestaan wierd, zullende het resteerende pp: 225. –. - op Jaggernaijk p=m onder ult:o febr: deeses Jaars voldoen, waar„ om daar van Een Memorie gemaakt en Jaggernayk p=m aangereekend is vide L=ma ij. Eenige. Den 10. December 1740. Eenige tijd na de Arrive van de Heer Van Bijland, off op den 4. februarij wanneer de kooplieden reeds uijtgewee„ ken, en te Sarwawaram waaren, word hij door 'sComp.:s koopman Baatjoe Ballarama aija per brief om de voldoe„ ning van de p„r 1500. –. –. aangesprooken, zendende gem: koopman de Obligatie aan de opperhoofden van Halm en van So„ meren, met versoek die somma in te vor„ deren inmindering van zijn debet aan de Comp: blijkens het post scriptum dier brief onder L=ra Z: dog hij dilaijeerde onder„ te kennen gaven dat hem nog niet geblee„ ken was, dat die wissels betaald waaren, vide brief van den 6. febr:, dit was oor„ zaak dat den koopman na Madras schreef, om die wissels niet te betaalen, de Gemagtigdens van den koopman de Hee„ ren Beggle en Heefke Communiceerden dit aan den wel Edelen Agtb: Heer Tadama„ welke 197 Den 10. December 1790. — welke hun andwoorde, dat hij zig aan het wisselregt hield, en dat dus den acceptant aanspreekelijk zoude houden voor de nonbetaling dit was van deese uitwerking, dat de betaaling der wissels volgde, dan den Koopman is tot nog toe zoo geluckig niet geweest, wat moeijte hij ook gedaan heeft deese Somma van pp 1500. te kunnen Inccesseeren. — Den Submissen Teekenaar zal niet clargeeren, nog onderzoeken wat reeden de Heer van Bijland gepermoveerd hebben om Een brief van diergelijke een Inhoud te schrijven alleenlijk komt hem remarcabel voor, dat hij deese wissel tot securiteijd voor de schuld der pee„ per bij DE: Comp: heeft agtergelaaten terwijl hij aan den koopman Baatjoe Ballarama Aija schrijft dat hij de„ zelve Eeniglijk als Een brief van Credit geconsidereerd wilde hebben dat het niet noodig Den 10. December 1790. noodig was die pennigen voldaan wierd en vide Extract brief van den 2. april deezes Jaars door Baatjoe Bala Ramaija aan den welEdelen Agtb: Heer Gezaghebber Tadama sub L=ra A: A: Omtrend de disputen tusschen de op„ per hoofden den koopman Paul Engel„ bert van Halm, den onderkoopman Hironimus Jacobus van Someren, en de Heer van Bijland staat te noteeren dat met de Arrive van de Heer van Bijland op Jaggernaijk poeram, en vervolgens tot den 27. Januarij nog eene reedelijke harmonie heeft plaats gehad, dog zeedert diendag dat de opperhoof„ den de afreekeningen van den Kooplieden der witte Lijwaaten wieden sluijten, ende kooplieden zig opposseerden om hunne Reekeningen aftemaaken, op die voet, als de opperhoofden dezelve geschoeijd hadden beweerende gem: Hande„ laars
English
198 December 1790. The 10th. not to owe more than 7. to: 800. –., while the chiefs declared them to be indebted by well over p/o 3000: -. –., the estrangement seems first to have begun when the merchants refused to draw up and sign their settlement with the Company and that of the private individuals, and the chiefs wished to compel them to settle this by means of arrest. Against this, Mr. van Bijland took the side of the merchants and wrote a very unfriendly short note, annexed hereto under Letter B: B:, together with the answer by the chief van Halm, and the reply by Mr. van Bijland under Letter C: C: and D: D:. The respectful presenter is, under correction, of the opinion that Mr. van Bijland should not have meddled in this affair, since he had not yet been chosen as an arbitrator to settle this dispute, and The 10th December 1790. and if he was of the opinion that the merchants were being mistreated, he ought to have made this known in friendly terms without displaying a right or authority thereto that he did not yet possess; from this dispute, and the attempt to unite the two companies of merchants, the Mazulipatnam and Iaggernaijkpoeram ones, to which he sought to force the former, the second cause of their dispute is to be sought, as can be seen from the excerpt of a letter of the 3rd February addressed by Mr. van Bijland to the Right Honourable Lord Governor alone, vide Letter E: E:, item from the excerpt of a letter from the Chiefs of the same day under Letter E: E:; had Mr. van Bijland exercised patience until he was placed in authority, and then attempted to bring about this union, the honour thereof would have accrued to him alone; however, not having foreseen that pressing for the 199 The 10th December 1790. the union would have the departure of the Mazulipatnam merchants as a consequence, he proceeded to a multitude of accusations against the chiefs, as is evident from his letters dated the 6th, 10th, 13th February, and subsequently, these complaints of his having obtained neither a prompt answer nor one satisfactory to his intention, he proceeded to accusations against the Lord Governor and the Council, as can be seen from his letter of the 26th February Letter G: G:, containing many contemptuous, indecent, and slanderous terms, on the grounds that by resolution of the 17th of the same month he had been prohibited from meddling with the merchants or Company affairs until further orders. The reasons that motivated the Lord Governor and Council to this are easy to surmise, when one considers that both the chiefs complained about the merchant van The 10th December 1790. van Bijland, as he did about them; previously there had never been any suspicion of any of those misdeeds of which the chiefs were accused; Mr. van Bijland had been at Iaggernaijkpoeram for nearly 1½ months and in that intervening time had written nothing to the charge of the chiefs; yet no sooner has he fallen out with them than he comes forward with many accusations, while the chiefs likewise brought in various complaints against van Bijland, and particularly attributing the departure of the merchants to his improper conduct, vide letter of the 6th February under Letter I: I: annex the protest of the chiefs dated 5th February, Letter K: K:, which was confirmed by the departed merchants, as is evident from their letter to this government of 200 The 10th December 1790. of 4th February under Letter H: H:; pursuant to the resolution of the 17th February, this affair was found to be of so much weight that it was deemed proper to write to the merchant and chief of Sadras, Ioan Daniel Simons, enclosing the reciprocal complaints, to provide his considerations; in the meantime, order had to be established so that the merchants would return and trade there would not be halted; thus nothing was more natural and impartial than to have the acting chiefs continue, and to prohibit Mr. van Bijland from interfering with the merchants etc. until further orders; for if the chiefs had been removed from authority and van Bijland placed in it, they would have been condemned before they had been heard, The 10th December 1740: while by this prohibition not the slightest injury was done to van Bijland. Whether this order could now give Mr. van Byland right and reason to bring forward his letter to the government here dated 26th February and to protest against that resolution, as well as whether the right to protest belongs to him, the undersigned will leave deferred to the more obligated judgement of Your Right Honourable; that he did this nonetheless, and indeed in an illegal, indecent, and insulting manner, is attested by all his letters from the 26th February to the 14th March inclusive. That the departure of the Mazulipatnam merchants must be attributed to the conduct held by Mr. van Bijland towards them 201 The 10th December 1790. is as clear as day, to be gathered both from the letters of Mr. van Bijland himself and those of the chiefs, and those of the merchants whose excerpts are cited above under Letters E: E:, F: F:, and H: H:; this is also evident from the statement made by his servant Wengedassalam Poele at Letter A:. What the true reasons were that prompted Mr. van Byland to unite the two companies of the Mazulipatnam and Iaggernaijkpoeram merchants, the respectful informant will leave to Your Right Honourable's decision; he begs leave, however, to be permitted to produce such remarks in this regard as have occurred to him upon reviewing the documents. Mr. van Bijland asserts in all his letters that a fervent desire
Dutch transcription
198 December 1790. Den 10. laars niet meer dan 7. â: 800. –. schuldig te zijn, terwijl de opperhoofden Hun ruim p/o 3000: -. –. debel te zijn declareerden, scheijnd de verweijdering het Eerst begonnen te zijn, wanneer de kooplieden weijgerden hun af„ reekening met de Comp en die der parti„ culieren opte maaken en te teekenen en de opperhoofden hun door arrest tot dies afdoening wil den necessiteeren— Hier teegen Stelde de Heer van Bij„ land zig parthij voor de Marchiandeurs, en schreeff een gantsch onvriendelijk Carta„ belletje, deesen geannexeerd onder Lra B: B: nevens het andwoord door het opperhoofd van Halm, en het replicq door de Heer van Bijland sub L=ma C: C: en D: D:— Den Eerbiedigen verthooner is /:onder Correctie van gevoelen dat de Heer van Bijland zig en deeze affaire niet hadde moe„ ten mesleeren alzoo hij nog niet tot arbeter gekoosen was om dit geschil te discedeeren, En Den 10: December 1790. — En zoo hij van gevoelen was dat de kooplieden mishandelt wierden, had hij dit in vriende„ lijke termen moeten te kennen geeven zonder daar toe een regt of authoriteijd te verthoo„ nen dat hij nog niet besat uit dit disput, en de pooging om de twee geselschappen der„ kooplieden de Mazulipatnamse en Iaggernaijk poeramse te vereenigen waartoe hij de Eerste heeft zoeken te dwingen is de tweede oorzaak van hun disput, te zoeken gelijk tezien is bij Extract brief van den 3. ' febr: door de Heer van Bijland aan de wel Edele Agtb: heer gezaghebber alleen gerigt vide L=ra E: E:, Item uijt Extract brief der Opperhoofden van den zelven dag sub L=ra E: E: had de heer van Bijland gedult geoeffend tot hij in 't gezag gesteld was, en dan getragt deese vereeniging te bewerken was de Eer daar van hem alleen toegekoomen dog niet voorzien hebbende dat dringen op de. 199 Den 10. December 1790. — de ver Eeniging de uijtweijking der Mazulipatnamse Kooplieden tot een gevolg zoude hebben gehad, is hij overge„ gaan tot een menigte van accussatien teegende opperhoofden, gelijk Consteerd uijt zijne brieven de dat is 6; 10. , 13. febr: en vervolgens deese zijne aanklagte geenspoedig„ nog aan zijne intentie voldoende andwoord Erlangt hebbende, gaat hij over tot be„ schuldigingen teegen de heer Gezaghebber, en den Raad gelijk te zien is bij zijne brief van den 26. febr: L=ra G: G: —. Inhoudende veele veragtelijke indecente, en lasterlijke ter„ men, uit hoofde hem bij besluijt van den 17. d:o geenterdiceert was zig met der koop lieden, of Comp:s zaaken, tot nader on„ dre te mesleeren. — De reeden die den Heer Gezaghebber en raad hier toe hebben gemoveert, zijn ligtelijk te bevroeden, als men nagaat dat Zoo wel de opperhoofden over den koopman van Den 10. December 1790. — Van Bijland klaagden, als hij over„ deese, men had bevoorens nooyt eenig vermoeden van eenige dier ondaaden waarmeede de opperhoofden beschuldigt wierden de Heer van Bijland was bij na 1½. maanden op Iagger naijk poeram geweest en had in die tusschen tijd niets ten laste der opperhoofden geschreeven dan zoo draa is hij niet gebroulleerd met hun of hij komt met veele beschuldi¬ gingen te voorscheijn, terwijl de op„ perhoofden almeede diverse klagten teegen van Bijland inbragten en wel„ voornaamelijk het uit wijken der Koop„ lieden aan zijn verkeerd gedrag toe„ schrijvende vide brief van den 6: februarij sub L=ra I: I: annex het protest der op„ perhoofden gedatteerd 5. februarij, L=ra k: k: het geen door de uijt geweekene koop„ lieden bevestigt wierd gelijk Consteerd uit hunnen brief aan deese regeering van 200 Den 10. December 1790. van 4. ' febr: sub L=ra H: H: deeze affai„ re wierd volgens besluit van den 17. ' februarij van zoo veel gewigt bevon„ den, dat men goedvond den Koopman en opperhoofd van Sadras Ioan Daniel Simons, onder toezending der weeder Zydse klagten aan te schrijven om te dienen van zijne Consideratien„ intusschen diende en ordre gesteld te„ worden dat de kooplieden terug kwaa„ men en den handel aldaar niet gestuit wierd dus was er niets na„ tuurlijker en onpartijdiger dan de fungeerende opperhoofden te doen Continueeren, en den Heer van Bij„ land te Jnterdiceeren zig tot nader ordre met de kooplieden &:a te bemoeij en, want zoo men de opperhoofden in 't gezag, en van Bijland er ingesteld had, zouden zij veroordeelt zijn geweest Een men hun gehoord had Den 10. December 1740:— had, terwijl door dit Interdiet aan van Bijland geen de minste leesie word aan„ gedaan.— Off nu deese ordre aan de Heer van Byland regt en rieden konde geeven zij„ nen brief aan de regeering alhier in dato 26. februarij te voorschijn te doen koomen, en teegen dat besluijt te protes„ teeren, mitsgaders off hem het regt van Protesteeren Competeerd, zal den teekenaar aan het verpligter oor„ deel van uwel Edele Agtb: gedefereerd laaten dat hij dit Egter heeft gedaan, en wel op een Ellegaale in decente en hoo„ nende wijse getuijgen alle zijne brieven van den 26. ' februarij tot den 14. ' maart inclusive. — Dat de uijtweijking der mazulipat„ namse kooplieden aan het gedrag van den Heer van Bijland met hun gehouden moet worden toege„ schreeven 201 Den 10. December 1790. — schreeven is middag klaar zoo uit des 's Heeren van Bijland Eijgen als der opperhoofden brieven, en die der kooplie„ den welker Extracten hier booven sub Cra L=r E: E: F: F: en H: H: geciteert zijn, op„ te maaken ook blijkt dit uit het ver„ klaarde door zijnen Dienaar Wen„ gedassalam Poele bij L=ra A:— Wat nu de waare reedenen zijn geweest welke de Heer van Byland hebben genoopt, om de twee geselschap„ pen der Mazulipatnamse en Iag„ gernaijk poeramse Kooplieden tever„ Eenigen, zal den Eerbiedige berigtgeever aan uwel Edele Agtbaare decisie over„ laaten, hij bid Egter verlof hier om„ trend zodanige remarques te meu„ gen produceeren als hem bij 't nagaan der stukken zijn voorgekoomen. — De Heer Van Bijland beweerd in alle zijne brieven dat Een vuurige begeerte
English
The 10th of December 1790. desire for the well-being of the Honorable Company is his only aim, even to the ruin of my fortune, he says in his letter of the 6th of February, Letter L: L:, since I accept the same as laurel branches to boast with. In his letter to the Government of the 26th of February, he declares that if he should find himself in a position to support the Company's precious interests in an essential manner, it will not slip away from him, even if he had to dispatch a vessel directly to Batavia for it. However, such protestations, if they are to merit belief, must be confirmed by deeds, which will nonetheless be somewhat difficult to produce, for if one examines the conduct maintained by Mr. van Bijland on this Coast, having arrived in the year 1788 from Surat via Ceylon, 202 The 10th of December 1790. more evidence presents itself that self-interest has inspired him rather than a genuine desire for the welfare of the society, for if someone in the period of 5 to 6 months of his service can make a profit of up to 16000, as Mr. van Bijland declared at the French Factory of Yanam to the French Gentlemen Sonnerat and De Mars in the presence of Mr. De Ravallet, it is impossible to believe that he had the well-being of the society as his goal. The post he held prior to the surrender of Nagapatnam was overseer of the works, being an office of Bookkeeper. If such an office yielded such an enormous sum to someone who seeks to serve the interests of the society even to the ruin of his fortune, what profits must it not have given to others who have served the Honorable Company with less zeal and affection. That Mr. van Bijland made such a confession is stated by Mr. van Halm in his reply to the 10th Article of the interrogatories put to him by the Commissioners at Jaggernaikpoeram, Messrs. Heshusius and Schliephaken, dated the 10th of April of this year, to be found among the appendices of the said commissioners under No. 5, and an extract of which is annexed hereto under Letter M: M:. To what extent this accords with the truth the humble presenter cannot decide, yet it is not unknown to him that Mr. van Bijland claimed a considerable sum to the amount of ƒ 64332. 11. from the Honorable Company, which he, upon the capture of the city of Nagapatnam, held in warrants upon the petty treasury, 203 The 10th of December 1790. and which were converted into a bond at the expense of the Honorable Company under the date of the 24th of November 1781, of which 2/3 or 40,000 guilders were paid out to him on Ceylon according to the Ceylon Resolution of the 14th of April 1785, and a further ditto of the 7th of May of the same year, under promise of restitution. Subsequently, in the year 1787, a sum of 2000 Rixdollars or ƒ 9000 was by his own authority placed from the Company's Treasury at Sadras, which was nonetheless approved by letter of this government of the 18th of February 1788. And the remainder in the liquidation of the Company's Treasury at Sadras in the year 1789 was settled with a sum of 4390 pagodas or ƒ 19755, which is ƒ 422. 9 or 982 pagodas 17 more than the contents of the bond dictate, originating from the 6 percent interest per annum granted to him on his urgent request, subject to the approval of Their Right Reverences, under security of restitution. It is superfluous to demonstrate to Your Right Honorable with how much zeal Mr. van Bijland watched over the Company's interests during his stay at Sadras, as there is striking evidence thereof. The undersigned will not at present show Your Right Honorable his conduct maintained as warehouse master here, since he has already demonstrated this at length herein. There must then be other reasons that prompted Mr. van Bijland to urge so strongly the union of the two companies of merchants at Jaggernaikpoeram, for from what has been cited concerning his zeal for the interests of the Honorable Society, 204 The 10th of December 1790. the contrary is to be concluded. Perhaps self-interest is indeed the true motive here, if indeed one may give credence to the declaration by the regent of Kakinada in the name of Batjoe Triwengalam, this union was an affair of 7000 Rupees for Mr. Van Bijland, the translation of which is annexed hereto under Letter N: N:. Yet the servant of Mr. Van Bijland denies this, although he admits to the entire conversation Triwengalam held with him concerning this union, as appears from articles 15 to 28 under Letter B. And since one witness is no witness, not much reliance can be placed on this deposition. All the more so as Dirkze, in his responses to the interrogatories, knows nothing of it, as appears under Letter K from Articles 136 to 147. This is also denied by the renter of the Company's village The 10th of December 1790. addressed, sent this original lampoon directly by the sloop De Zeerob to the Resident van Halm in order to make the strictest investigation after the writer thereof, keeping a copy of this writing here, but all investigations were fruitless until the servant of Mr. van Bijland was sent over here and was examined on various points, when on the 10th of June he declared that in the beginning of February, note: according to their reckoning it was the 2nd of February, being a day after Pinto Poele Rama Aijen had told Mr. van Bijland that he had heard that 10,000 Rupees had been presented by Triwengalam to the Honorable Commander to remove Mr. van Bijland from his post, Mr. van Bijland had ordered him to do the following below
Dutch transcription
Den 10. December 1790. — begeerte voor het wel zijn der E: Comp: zijn Eenigste bud is, Ia zelv tot ruine van mijn fortuijn zegt hij bij zijn brief van den 6. ' febr: biede Lra L: L: aangesien ik dezelve als Lauriertacken aanneem omme„ de te pronken. — Bij zijnen brief aan de Regeering van den 26. februarij, betuijgt hij wanneer hij zig instaat mogte vinden van sComp:s dierbaare belangens op Een assentieele wijse te kunnen bijstaan, dat het hem dan niet ontslippen zal al zoude hij er direct een vaarthuijg voor afvaardigen na Batavia. — Maar zulke betuijgingen /:zullen„ ze geloof meriteeren:/ moeten met daaden bevestigt worden, welke Eg„ ter wat swaarte produceeren zullen zijn, want zoo men nagaat het gehouden gedrag van de Heer van Bijland ter deezer Custe zijnde in den Jaare 1788. — over 202 Den 10. December 1790. — over Ceijlon van Souratte aangekoomen, doen er zig meer bewijsen op dat eijgen „baat hem bezield heeft, dan een weesend„ lijke lust tot welzijn der maatschappij want indien iemand in de tijd van 5. â 6. maanden van zyn dienst Op 16000. kan overwinnen, gelijk de Heer van Bijland gedeclareerd heeft op het france Comptoir ijanon aan de france Heeren Sonnevat, en De Mars in prezentie van de Heer De Ravallet is het onmoogelijk te gelooven dat hij het welweesen der matschappije tot zijn doel heeft gehad, der dienst die hij voor den overgang van Nagapatnam bekleed heeft, was opziender der werken zijnde een bediening van Boekhouder zoo nu zulk een Charge aan Imand die de belangens der maatschappij zelv tot ruine van zijn fortuijn zoekt te behartigen zulk een Enorme Somma opbrengd wat winschten moet dezelve Aan Den 10. December 1790. — dan niet geeven hebben aan anderen, die met minder iever en geneegendheijd de E: Comp: hebben gediend. — Dat de Heer van Bijland een dier„ gelijke bekentenis zoude gedaan hebben, zegt de Heer van Halm bij zijn response op het 10' Art: der hem voorgehoudene Interro„ gatorien door de Gecommitteerdens te Jaggernaijkpoeram de Heeren Heshu„ Suis, en Schliephaken in dato 10. ' April deezes Jaars tevinden onder de bylaagen van gem: gecommitteerdens onder N:o 5. , en dies Extract deezen g'annexeerd sub Lra„ M: M: in hoeverre dit met de waar„ heijd over ben komt kan den submissen verthooner niet beslissen, egter is hem niet onbekend dat de Heer van Bijland een aansienlijke somma ten Emporte van ƒ 64332. 11. van de E: Comp:e heeft gepretendeert, welke hij, bij de veroovering der stad Nagapatnam aan ordonnan„ tien. 203 Den 10. December 1790. — tien bij de kleene Cas te vooren stond, en welke in een obligatie ten laste van de E: Comp. s geconventeerd zijn onder dato den 24. November 1781. waar van hem op Ceij„ lon - 2/3. of 40'000. guldens zijn uijtgekeert volgens Ceijlonse Resolutie van den 14. April 1785. en een naader d:o- van den 7. meij desselven Iaars, onder belofte van restutitie, zijnde vervolgens door hem preva autoritate uit sComps Cassa op Sadras in den Jaare 1787. gelegt een somma van Rl 2000. of ƒ 9000. –– het geen Egter bij brief deezer regeering van den 18. ' februarij 1788. gepasseerd, is en is het restand ter Liquidatie van sComp:s Cas op Sadras in den Iaare 1789. verreekend met een Som„ ma van pr/o 4390. -. - of ƒ19755. -. — ƒ422. 9-. of p„r 982. 17. -. meerder dan de Inhoud der Obligatie dicteerd, oorspron„ kelijk uit de hem op approbatie Hunner Hoog Den 10'. December 1790. Hoog Edelheedens in zijn Instantig ver„ zoek sul Cautie de restituendo toegestaane 6. percento Jntrest per anum Het is overboodig uwel Edele Agt„ baare te betoogen met hoe veel ieder de Heer van Bijland gewaakt heeft voor sComp s belangen geduu„ rende zijn verblijf op Sadras alzoo daar van spreekende bewijsen zijn Den teekenaar zal uwel Edele Agt„ baare thans niet verthoonen het ge„ houden gedrag van hem als pakhuijs¬ meester alhier, alzoo hij dit in deesen reeds breedvoerig betoogt heeft. — En moeten dan andere reedenen zijn die de Heer van Bijland hebben g'Jnstigeerd om de vereeniging der twee geselschappen kooplieden te Jaggernaijk„ poeram zoo sterk door te dringen, want uijt het geciteerde, omtrend zijn iever tot de belangens der E: Maatschappij, is het 204 Den 10' December 1790. het teegendeel te besluijten misschien dat Eijgen belang hier van wel de waare drijf„ veer is, indien men immers de verklaa„ ring door den regent van Kakinara in naame Baatjoe Triwengalam mag geloof geeven zoude deese ver„ Eeniging een affaire van Ro/o 7000. –. – voor de Heer Van Bijland zijn geweest, dies Translaat is deesen geannexeerd Sub L=ma N: N:, Dan de Dienaar van de Heer Van Bijland ontkend dit schoon hij het gant„ sche gesprek van Triwengalam met hem over deese verEeniging gehouden, toestemd blijkens art: 15. tot 28. sub L=ra B. en dewijl een Getuijge geen getuijge is, zoo is op deese attestatie Juist niet veel staat temaaken. Te meer Dirkze bij zijn responsen op de Interrogatorien daar niets van weet gelijkt blijkt bij L=ra K: van Art: 136. tot 147. ook ontkend dit den pagter van 's Comp. s Dorp Den 10. December 1790: — g'addresseerd was, Londdirect dit origeneel Cartabelletje met de Chialoup de Zeerob aan het opperhoofd van Halm om ten scherps„ ten onderzoek na den Schrijver derzelver te doen houdende alhier een copia van dit geschrift, dan alle navorsingen waaren vrugteloos, tot dat den Dienaar van de Heer van Bijland herwaards overgezon„ den, en op diverse poincten g'Examineerd wierd, wanneer hij op den 10. ' Junij declareerde dat in het begin van februarij /:NB: volgens hunne tijd reekening is het den 2. febr: geweest:/ zijnde een dag na dat Pinto Poele Rama Aijen aan de Heer van Bijland verteld had, gehoord te hebben dat door Triwengelam aan den Agtbaaren Heer Gezaghebber 10'000 Rop:s gepresenteerd waa„ ren, om de Heer van Bijland uijt zijn post te ligten, dat den Heer van Bijland hem g'ordonneerd had, het volgende onder
English
206 The 10th of December 1790. — to write under dictation. — Willem Hendrik Count van Bijland, incoming chief, serves to know That by Triwengalam and the Mazulipatnam Merchants 10,000 ropijen have been presented to the Right Honorable and Respected Lord Governor in order to recall his Honor. — [illegible] Then the cited servant Wengadasselam poele gave to understand, regarding the writing of this, that if he wrote this, he would have to sign it beneath, and that the truth or falsehood of this statement was unknown to him — Yet the Lord van Bijland, having become angry over this refusal, ordered him to seek out one of his acquaintances to have it written, wherefore he, pursuant to this order, had gone to the brahmin pedie Watta Kistena, and had communicated the order of The 10th of December 1790. — his Master to the same, whereupon this brahmin had brought to his house the moneychanger Poeram Rama Swamie, to whom he, Wengadesselam, had dictated that which the Lord van Bijland had given him verbally; that through the said Poeram Rama Swamie he had caused two nearly identical notes to be written, of which the one contained that Triwengalam cum suis was said to have made a promise to give 10,000 Rop:s if the Lord van Bijland were recalled, and the other writing contained that Triwengalam etc. had actually made this promise, as the Lord van Bijland had told him. That he had brought both these writings to the Lord van Bijland, and had communicated their contents, who thereupon kept the first, and 207 The 10th of December 1790. — and had torn up the second, as this is testified at large in Lit. C: as well as in Lit. q: g: by the writer of this small libel, and the above-cited brahmin Pub: Lit. R: R:— The Clerk Christiaan Bernardus Dirkze says in Lr. K: Art: 156. that the Servant Wengadesselam had told him that his Master had ordered him to have such a paper written by an unknown hand, and to deliver it to his Honor, and that he, Wengadesselam, had been forced to do the same in order to cause no displeasure, and that he was very fearful concerning what had been done that it might someday become public. What reasons moved the Lord van Bijland to have such a false and slanderous writing written, and what motives he had to send the The 10th of December 1790. — same to the Honorable Lord Tadama, since he himself was convinced of the falsehood of this writing, as he expresses himself in his letter of the 13th of February, can easily be deduced in hindsight, namely that the Lord van Bijland had already formed the scheme to inflict all kinds of insolences upon the Lord Governor and the council, and thereby throw the whole of Chormandel into confusion, this writing then principally having to serve to show that they had only sought him out because of the 10,000 Rop:s that had been offered for the removal from his post; and although an unsigned small libel merits no belief, it is nevertheless capable of raising heavy suspicions, especially when this is urged so strongly and repeatedly by a man like van Bijland, who has so much interest 708 The 10th of December 1790. — in it, as can be seen from his letter of the 2nd of March, wherein he reasons with so much confidence about the 10,000 Ropias as if it were already a proven truth, and imagines a passage from a letter written by the Honorable Lord Tadama to the Lord van Halm, in order to investigate who was the writer of that disputed small libel, saying: — furthermore, you formally declare that you directly, without delay, want to have the 10,000 Rupias from this imported silver chest, and this is the case: the Mazulipatnam merchants have disputes among each other over the enormous sum, saying that they indeed authorized Triwengelam to present you with a sum, but not so large, all the more so since The 10th of December 1740. — they were expecting 32,000 Guilders in silver bars and have now received only 18,000 Guilders; and in that of the 14th of March, the Lord van Bijland expresses himself in the following manner: But the Lord Tadama still needs to answer their High Honors for what purpose he received 700 pagodas, and that after this proven corruption it is likely that he received 10,000 Ropias from Triwengelam to recall me — Yet the authentic copy of the letter which the Honorable Lord Tadama wrote to the Lord van Halm on that occasion demonstrates the contrary of such reasoning; the same is recorded among the appendices hereof under Lit. S: S: 209 The 10th of December 1790. — The Lord van Halm says in his response to the interrogatories put to him, Art: 18. Lit. T: I: that it is an elaborate fabrication, having never received any writing regarding this from the Right Honorable and Respected Lord Tadama, and still less heard anything of that nature from Triwengelam. The Mazulipatnam merchants declare to the further question points presented to them by the Jaggernaijkpoer commissioners sub No. 2 Lit. B: to be found in the commissioners' report, Art: 1. to 4. that they knew absolutely nothing of such matters, nor had they had any disputes among each other, and thus considered this entire allegation to be the greatest absurdity, as appears from Lit. 11: 11: From this alleged matter it is thus clearly to be deduced that the Lord van Byland has made himself culpable of having written
Dutch transcription
206 Den 10. December 1790. — onder dictaamen te schrijven. — Willem Hendrik Graaf van Bijland aankoomend opperhoofd diene teweeten Dat door Triwengalam en de Mazu„ lipatnamse Kooplieden 10'000 ropijen zijn gepresenteerd aan den wel Edelen Agtbaaren heer Gezaghebber om zijn Ed: op teroepen. — den entbl 172 Dan den dienaar Wengadasselam poele geciteerde om dit te schrijven onder te kennen gaave dat hij dit schrij„ vende, daar onder moeste teekenen, en dat hem de waar of valscheijd van dit gesegde onbekend was — Dog de Heer van Bijland over dee„ se wijgering kwaad geworden zijnde, ordonneerde hem, om een van zijn bekende optezoeken, om het telaaten schrijven, waarom hij ingevolge deese ordre, was gegaan bij den bramine pedie Watta Kistena, en dezelven de ordre van Den 10. ' December 1790. — van zijn Heer had gecommuniceerd, waar op deese bramene ten zijnen huijse had gehaald den wisselaar Poeram Rama Swamie aan welke hij Wengadesselam gedieteerd had het geen de Heer van Bij„ land hem mondeling opgegeven had dat hij door gem: poeram Rama Swamie twee bijna eensluijdende briefjes had laaten schrijven, welker Eene inhield dat Triwengalam Cum suio eene belofte gedaan zoude hebben om 10000 Rop:s te geeven zoo de Heer van Bijland opgeroepen wierd, en het andere geschrift behelsde dat Triwengalam &=a, deese belofte weesendlijk gedaan had, gelyk de Heer van Bijland hem gezegt had. Dat hij deese beijde geschriften bij den Heer van Bijland gebragt, en dezelver inhoud gecommuniceerd had, welke daar op het Eerste aangehouden, en. 207 Den 10. ' December 1790. — en het tweede verscheurd had, gelijk dit in het breede getuijd word bij Lna. C: zoo ook bij L=na q: g: door den schrijver van dit Cartabelletje, en den booven geciteerde bramine Pub: L=ra R: R:— Den Schrijven Christiaan Bernar„ dus Dirkze Zegt bij Lr. K: Art: 156. dat den Dienaar Wengadesselam hem ver„ haald had, dat zijn Heer hem g'ordon„ neerd had, om zodanig papier te laaten schrijven door een onbekende hand, en zijn Ed: te bezorgen en dat hij Wengadesse„ lam genoodzaakt was geweest het zelve te moeten doen, om geen ongenoegen toe te brengen en dat hij over het gedaane zeer bevreest was dat het zomtijds publick zoude worden. Wat reedenen de Heer van Bijland hebben bewoogen tot het laaten schrijven van zulk een valsch en Eerroovend ge„ schrift, en welke motiven hij heeft gehad het Den 10:' December 1790.— het zelve aan den Agtbaar en Heer Tadama te zenden, daar hij zelf van de valscheijd van dit geschrift overtuijgd was, ge„ lijk hij zig uijtdruckt bij zijn brief van den 13. ' februarij, is van agteren ligtelijk te ontwikkelen, namelijk dat de Heer van Bijland toen reeds het pro„ ject geformeerd had om den Heer Gezaghebber en den raad allerlij in zolenties aan te doen en daar door gants Chormandel op Schroe„ ven tesetten, zullende dan dit geschrift ten principaalen dienen om aan te thoo„ nen dat men hem alleen gezogt had om de 10'000 Rop:s die voor de ligting uijt zijn post waaren aangebooden en Schoon een ongeteekend Cartabelletje geen geloof meriteerd, egter is het zelve is staat omswaare suspicien te verwekken voornaamelijk als dit zoo sterk, en ieteratiev word aangedrongen voor Jman gelyk van Bijland die daar zoo veel belang. 708 Den 10 December 1790. — belang bij heeft, zoo als tezien is bij zijnen brief van den 2. Maart waar bij hij met zoo veel vertrouwen over de 10'000 Ropias raisoneerd, als of het reeds een beweesene waarheijd was, en imagineerd zij een pe„ riode uit Een brief door de Agtbaare heer Tadama aan de heer van Halm geschreeven, ten Eijnde te onder„ zoeken wie de schrijver van dat be„ wiste Cartabelletje was zeggende. — vervoegens declareerd uw formeel van direct zonder uijtstel, de 10000 Rupias tewillen hebben uijt dit aangebragte Silver kist„ Je en dit is het geval de Mazuli„ patnamse kooplieden hebben disputen onder Elkander, om de Enorme Som, zeggende Tri„ wengelam wel gequalificeerd te hebben om uw een Som te presen„ teeren, maar niet zoo groot, temeer dat Den 10: December 1740. — dat zij aan zilvere staaven tewagten waaren 32000. Guldens en dat nu maar 18000. guld:s ontfangen heb„ ben en bij die van den 14. Maart. Drukt de heer van Bijland zig in vol„ gender voegen uijt: Maar de Heer Padama diend nog aan hun Hoog Edelheedens te and„ woorden, waar voor hij 700. pagoo„ den ontfangen heeft, en dat na deeze beweesene Corruptie het waarscheijnlijk is v0000 Ropias ontfangen te hebben van Triwen„ gelam om mij opteroepen — Dan de autentagie Copia van de brief die de Agtb: Heer Tadama aan de Heer van Halm bij die geleegendheijd geschree„ ven heeft, thoond het tegendeel van zulk een raisonement aan de zelve is genoteerd onder de bijlaagen deezes met L„ra S: S: 209 Den 10.' December 1790. — De Heer van Halm zegt bij zijne res„ ponse op de hem voorgehoudene Jnterro„ gatovien Art: 18. L=ra T: I: dat het een uijtgezogte leugentaal is als hebbende nooijt van den wel Edelen Agtbaaren Heer Tadama dies aangaande schrij„ vens Erlangd en nog minder iets van dien aard van Triwengelam gehoord De Mazulipatnamse kooplieden verklaaren op de nadre vraag poincten door de Jaggernaijkp=se gecommitteer„ dens hun voorgesteld sub N:o 2 L=ra B: bij der gecommitteerdens rapport te vin„ den Art: 1: tot 4. dat zij in het geheel van diergelijke zaaken niets wislen, nog ook geen disputen onder Elkanderen gehad hadden, en dus dit gantsch voorgeeven voor de grootste absurditeijd hielden blykens L=ra 11: 11: Uijt dit g'allegueerde is dus duijdelijk afteleyden dat de Heer van Byland zig heeft Culpabel gemaakt aan het laaten schrij ven.
English
The 10th of December 1790. giving, and divulging of a premeditated false writing, to the detriment of the honor and good name of his lawful master, say premeditated because on the 13th of February he dispatched this hateful paper, when no decision to his detriment had yet been taken, and he still maintained a confidential correspondence with the Honorable Worshipful Mr. Tadama; secondly, he cites this notorious note in his aforementioned letters of the 2nd of March, with as much confidence as if he were truly convinced of its authenticity, and in that of the 14th of March he states that from the proven corruption of 700 pagodas it is also very probable to have received 10,000 rupees, thus founding this accusation upon a false foundation built by himself. With respect to the remaining points of the decision of this Government of the 12th of March, it has further appeared remarkable to the respectful petitioner that the opposition of Mr. van Bijland against the lawful decision of the council taken on the 17th of February in his letter of the 26th of the same month—this annexed under letter GG—whereby he protests in an indecent manner, while spewing forth diverse accusations against the Honorable Worshipful Mr. Commander and the Council, calling the same a partial way of acting, directly contrary to all equity and justice, suited solely to cover up the stinking pits so that the stench may not fly over to their High Nobilities, words entirely unsuited to be thrust at his master, containing a direct accusation not only of connivance in misdeeds that were allegedly committed by the subordinates, but also that the Mr. Commander and Council were partners therein, and upon this accusation he bases his protest. And he says principally on the foundation that your Honorable Worships state in the same letter that you found the matter of the chiefs to be of the greatest weight; he here makes an improper citation from the letter of this government of the 17th of February, where it is written in plain words that the dispute between the acting chiefs and the chosen same was found to be a matter of the greatest weight, as van Bijland was accused of having attempted to force the Masulipatnam merchants by force of peons to sign a contract of union with the Jagannathpurams and thus of being the cause of their departure to Sjapparam. The submissive undersigned has the honor to submit for your Honorable Worships' favorable consideration whether it accords with the rules of a good government, the basis of which is a reasonable subordination, that an inferior servant arrogates to himself the right to communicate his judgment in insulting terms regarding the decisions that are taken by his superiors, to whom he is bound by the oath of loyalty and obedience, in matters in which he himself is involved, nay, has made himself a party; if this premise were now conceded, then Messrs. van Halm and van Someren would have had the same right to oppose the decision of this government when they were ordered to surrender authority to the commissioners, and this would in general pave the way for all subordinates to engage in such conduct, whereby the entire system of the government would be knocked to the ground and a chaos of confusion would ensue. For although Mr. van Bijland, considered as a member of the Government, being present in the Council, is indeed permitted to have his interests recorded regarding any decision with which he does not conform, this cannot take place concerning his own affair, nor can it when considered as chief, for then this same right would belong to all chiefs, seeing that they are all members of policy in loco; therefore the undersigned is, under correction, of the opinion that Mr. van Bijland has usurped a right contrary to the rules of a good policy, which undermines the foundations of an established government, whereby a door is opened to every member of society to withdraw on his own authority from obedience to his government, and this same consequence he also draws from it, as is clearly evident from the words: I write as a free man, and am placed by your partiality upon such a free footing that I venture to give your Honor this admonition, etc., as he expresses himself in his alleged letter of the 26th of February, letter GG. And to further substantiate this assertion, may it please your Honorable Worships to direct your attention to what was written in the letter of the 2nd of March, see letter VV, where he expresses himself in this manner: Also from this moment I can withdraw from myself all obedience and respect that I otherwise owe to a Governor, but now I declare fully to feel neither regard nor esteem for you; and he ends the same with the most abusive slanders in this manner: And consider you all to be corrupted, absurd, not worthy to manage the Company's interests; this I sign, was signed, W. H. Count van Bijland. Clearer and more incontrovertible proofs than these letters signed with his own hand are indeed not necessary to convict him of disobedience and contempt of his superiors, and in addition to this there is furthermore the hiring of foreign armed men, which Mr. van Bijland...
Dutch transcription
Den 10:' December 1790. ven, en divulgeeren van een gepremediteerd valsch geschrift, ten nadeele van de eer, en Goedenaam van zijn wettige gebieder zegge Gepremiditeerd alsoo den 13. februarij hij dit hatelijke papiertje versonden heeft, nog geen besluijt ten zijne nadeele geval„ len was, en hij nog een vertroude Corres„ pondentie hield met den welEdelen Agt„ baaren Heer Tadama, ten tweeden ci„ teerd hij dit fameuse briefje bij zijnen zoo Even aangehaalde brieven van den 2. Maart, met zoo veel feducie, als of hij werkelijk van dies Egtheijd overtuijgt was, en bij dien, van den 14. maart zegt hij dat uijt de beweese Corruptie van 700. pag: het ook zeer waar scheijnlijk is 10'000 Rop:s ontfangen te hebben, fundeerende dus deese acusatie op Een zelv geboud valsch fundament. Ten opzigte van de overige poincten van het besluijt deezer Regeering van den 12.' maart is den Eerbiedigen verthooner nog ro v vo 210 Den 10. ' December 1790. — remarcabel voorgekoomen de oppositie van de Heer van Bijland teegen het wittige genoomen besluijt des raads van den 17. februarij bij zijnen brief van den 26. d. o - deesen G' an„ nexeerd sub L=ma G: G: waar bij hij op Een Indicente wijse, onder het uijtbraaken van diverse accusatien teegen den Agtbaaren Heer Gezaghebber, en den Raad protesteerd noe„ mende het zelve een partijdige handel„ wijse, direct strijdig met alle billijkheijd en regt, alleen geschikt om de stinkende putten te dempen, op dat de stank tot hun Hoog Edelens niet overvliege woorden Gantsch ongeschikt om aan zijn gebieder toe te duwen behelsende een directe beschul„ diging niet alleen van Commventie van ondaaden die door de subalterne zouden zijn begaan waar ook dat den Heer Gezag„ hebber en Raad deelgenooten daar van zouden zijn, en op deeze acusatie vestigd Hij Nog Den 10. ' December 1790. — hij zijn protest. En zegt hij /: principaal op fundament dat uwel Edele Agtbaare in dezel„ ve brief meld de zaak der opperhoofden te hebben bevonden van het grootste gewigt; hij doet hier een abusive aanhaa„ ling uijt den brieff deezer regeering van den 17. ' februarij, alwaar met klaare woorden ge„ schreeven staat, dat het different tusschen de fungeerende opperhoofden en het G'Eligeerd d:o bevonden is te zyn een zaak van het grootste gewigt, alzoo van Bijland beschuldigt wierd de mazulipatnamse kooplieden door geweld van pions te hebben willen dwingen tot teekenen van een Contract van unie met de e Iaggernaijk p=ms en dus oorzaak te zijn van de uijtweijking der zelver na Sjapparam Den submissen Teekenaar heeft de Eer uwel Edele Agtbaare ingunstige Consi„ deratie te geeven of het met de reegelen eener goede Regeering waar van de bases een redelijke subordinatie is over Een komt dat. 211 Den 10. December 1790 dat Een Inderieere dienaar zig het regt aanmaatigd om met beleedigende termen zijn oordeel te Communiceeren over de besluijten, die door zijne supericuren waar aan hij door den Eed van Trouwe, en Gehoorzaamheijd verbinden is, genoo„ men worden in zaaken waar in hij zelv betrocken is, Ja zig parthij gesteld heeft, zoo nu deese stelling toegestemt. word zoo zouden de Heeren van Halm en van Someren het zelve regt hebben gehad, om teegen het besluijt deeser regee„ ring zig te opposeeren, wanneer ze gelast zijn het gezag aan de Gecommitteerdens over„ tegeeven en dit zoude in het generaal aan alle subalternen de weg baanen tot een diergelijk gedoente, waar door het gantsche Sijstema der regeering den boodem zoude wor„ den Ingeslaagen, en Een Chaos van verwerving ten gevolg hebben want komt Den 10. ' December 1790. — want Schoon de Heer van Bijland gecomsidereerd als lid van de Rogee„ ring, in den Raad present zijnde wel gepermitteerd is, zijn belangene over eenig besluijt, daar hij zig niet meede zoude Conformeeren, te laaten aanteekenen, zoo kan dit omtrend zijn Eijgen affaire geen plaats hebben en ook niet als opper„ hoofd geconsidereerd, want dan zoude dit zelve regt alle opper„ hoofden Competeeren, gemerkt zij alle in Loco zijnde leeden van politie zijn, dus den teekenaar /:onder Correctie:) van openie is dat de Heer van Bijland zig eer regt heeft geusurpeerd stridig met de regelen van een goede Politie, dat de Grondslaagen eener vastgeste de Regeering ondermijnd waar door aan Ider Lid der maatschappij een deur 212 Den 10. ' December 1790: deur g'opend word om zig op Eijgen gezag gezag de gehoorsaam„ heijd zijner overigheijd te onttrec„ ken, en dit zelfde gevolg trekt hij ermeede uijt, gelijk niet on„ duijdelijk consteerd, uijt de woor„ den Ikschrijf als een vrijman, en word door uwe partijdig„ heijd op zulke vrije voeten gesteld dat ik mij onderstaa uwel„ Edele deese vermaaning te geeven &=a zoo als hij zig uijt drukt bij zijnen geallegeerden brief van den 26. febru„ arij Lr. G: G: En om dit g'avanceerde nader te adstrueeren gelieve uwelEdele Agt„ baare desselfs attentie te vestigen op het geschrevene by brief van den 2. Maart vide L=ra V: V: alwaar zig in deezer voegen uijtlaat. Ook van dit oogenblick kan ik mij Den 10. December 1790. — mij onttrekken alle Gehoorsaam„ heijd en respect die ik anders een Gouverneur schuldig ben maar nu declareer ik volmon„ dig van nog agting, nog Estim voor Uw te gevoelen, en Eijndige de zelve met de hoonenste las„ teringen op deese wijse. En houden uw alle voor gecorrum¬ peerd absurd niet waardig 'sComps belangens te beheeven, dit on„ derteeken ik /:was geteekend:) W: H: Graaf van Bijland Klaarder en onweederspreekelijke beweijsen dan deese eijgenhandigd geteekende brieven zijn er Immers niet noodig om hem te overtuijgen van desobedientie en veragting zijner overig heijd en ten overvloede komt hier nog bij het inhuuren van vreemd gewaa„ pend volk, dat de heer van Bijland Legt.
English
213 The 10th of December 1796. says to have taken into service for his domestic use, which he fixes at 10 men, but from the immediately preceding paragraph of the said letter it is evident that they were hired for another purpose, for he begins as follows: I and mine are not sure of our lives, yesterday I hired 10 peons from Daatcherom, etc. Thus this hiring is a consequence of the fear for his life, which nowhere in any letters or collected documents appears ever to have been in any danger at Jaggernaikpoeram. Dirkze says in his response to Article 157 under Letter K, that the servant told him that Mr. Van Bijland had ordered him to hire some The 10th of December 1740. or 15 peons into service, and that he cannot think what his master intended to do with so many peons, but that after a few days he had heard again from the said Wengadasselam that those peons were to serve to guard the house and servants of Mr. Van Byland in case any violence or something of that nature should occur. The chiefs estimate the same at 15 men and add thereto his peons actually in service amounting to 10 persons, so that Van Bijland would have had under his command 25 men, of whom 15 were armed; with this agrees the testimony of his servant Wengadesselam under Letter A; the said chiefs also add that these armed peons had caused great consternation 214 The 10th of December 1790 at Jaggernaijkpoeram, the more so as the expedition was kept very secret. Furthermore, the suspicion of violent acts was increased by the conversation held by the merchant Van Bijland with his clerk Dirkze, reading literally as follows: If I wish, I am in a position to go with a few peons and boys into the house of Mr. Van Halm to take the authority myself, and to release those poor merchants from their imprisonment, and I am certain that Mr. Van Halm with all his peons and people will not be able to offer me the least resistance. Note: see Letter K, article 159. This unheard-of conduct was then The 10th of December 1790 the reason why house arrest was announced to him and the undersigned was ordered to formulate his demand against him. But if this were to be done, Mr. Van Bijland had to be sent over here; against this sending over there were various obstacles, namely: 1st. That the means to verify the accusations he brought against the Honorable Commander and the chiefs would thereby have been taken from him, at least he could have claimed this. 2nd. The Honorable Commander did not like to see him at the main settlement for fear that he might again meddle with the Havildar to the great prejudice 215 The 10th of December 1790 of the provisions of the Honorable Company, as in the past year, whereby the last error would have been worse than the first. 3rd. Because it was later seen that he nevertheless refused to answer the questionnaires presented to him and would in no way submit to the orders, it was easy to gather that, upon arriving here, he would play the same role, wherefore it was judged better to let him remain there until the arrival of the expected ship, when one would still have time and opportunity enough to have him come over. These then being the reasons why proceedings were not taken against him according to the order and the affair was not legally concluded before Justice, the humble subscriber requests permission to remark in this regard The 10th of December 1790. that although this affair was not handled according to form, this can nevertheless in no way absolve Mr. Van Bijland of the malversations committed by him as they are described at length above, nor invalidate the arrest imposed upon him, as the facts are clearly evident from the proofs submitted alongside this. Then, since this affair was understood by Their High Mightinesses to be handled politically, it is the duty to obey, especially since all who constituted the government have been challenged as partial by Van Bijland. Finally, this is accompanied by a declaration under Letter WW regarding what occurred on the occasion of the arrest placed upon the person and property of the merchant Van Bijland 216. The 10th of December 1790. by the scribe of Jaggernaykpoeram Albertus Francois van Holt, the assistant Adrianus Mathius de Silva, upon the requisition of the bookkeeper and second of Palicol Sebastiaan Mathias Schliephaken as commissioner for the inquest of the Jaggernaykpoeram affairs, containing a daily opposition against his arrest with terrible threats of breaking the necks of those who did him insults in his house, confirming this with the heavy oath that there would be no God for him or his children. Furthermore, he bursts out with the most improper expressions in the most contemptuous abusive names against the Honorable Commander, the Council, and the chiefs Van Halm, Van Someren, etc., counting the names of the members of the Council on his fingers, and he adds: are they to arrest me and shall I submit to them? The
Dutch transcription
213 Den 10. December 1796. — zegt tot zijn huijs gebruijk te hebben in dienst genoomen, welke hij bepaald op 10. man maar uijt de Eeven voorgaande perioode van Gem: brief Consteerd, dat die tot Een ander Eijnde zijn aangenoomen, want hij begind aldus Ik en de mijne zijn hun leeven niet zeeker, gisteren nam ik 10: pions aan van daatche„ rom &a Dit is deese aanneeming een gevolg van de vrees voor zijn leeven, dat nergens bij Eenige brieven of en ge„ wonnene stukken blikt op Jagger„ naijk p=m ooijt in eenig gevaar geweest te zijn. — Dirkze zegt bij zijne response op het 157. Art: sub L=ra K: dat de die„ naar hem verseld heeft dat de Heer Van Bijland hem gordonneerd had een stuk of. Den 10' December 1740. of 15. pions in dienst te neemen, en da hij niet bedenken kan, wat of zijn heer met zoo veel pions wilde doen, dog dat hij na verloop van Eenige daagen weeder van gem: Wengadasselam ge„ hoord had, dat die pions zoude dienen om des heers van Byland huijs en dienaaren te bewaaren in Cas er Eenig geweld, of iets van die natuur mogte voorvallen. — De opperhoofden begrooten de„ zelve op 15. man en doen daar dan nog bij, zijne weesendlijk in dienst hebbende pions tot 10. persoonen, zoo dat van Bijland onder zijn gezag zoude hebben gehad 25. man, waar van Er 15. gewaapend waaren, hiermee„ de Stemt over een het getuijgenis van zijn dienaar Wengadesselam bij L=ra A: nog voegen gem: opperhoofden er nog bij dat deese g'armeerde pions veel Conster„ natie. 214 Den 10. December 1790 natie op Jaggernaijkpoeram had„ den gecauseert, temeer de Expe„ ditie zeer secreet gehouden wierd Nog wierd de suspicie tot dadelijks„ heeden vergroot door het gehouden discours van de koopman van Bijland met zijn schrijver Dirkze luijdende woordelijk aldus. Indien wil, zoo ben ik instaat ƒ met Een paar pions, en Jongens bij der Heer van Halm in huijs te gaan om het gezag zelfs teneemen, en die arme Kooplieden van hun gevangenis te verlossen, en ik ben verzeekert dat de Heer van Halm met al zijn pions, en volk niet instaat zul„ len weesen om mij de minste tee„ genstand te bieden N: vide Lra: K: art: 159. Deese ongehoorde Conduite was dan Den 10' December 1790 was dan oorzaak dat hem huis ar¬ rest aangezegt wierd en den teeke naar G'ordonneerd om zijnen Eijsch tegen hem uijt te brengen, dan zou¬ de dit geschieden, zoo moeste den Heer van Bijland herwaards overgesonden worden teegen deese opzending waaren diverse obsta„ culen en wel. 1=m Dat hem de middelen om zijne uit gebragte accusatien teegen de Heer Gesaghebber en de op„ perhoofden teverificeeren daar door zouden zijn benoomen ten minsten hij zoude dit hebben kunnen voorgeeven- 2. d:o Zag den Agtb: Heer gesagheb„ ber hem niet gaarne op de Hoofd„ plaatse uijt vreese dat hy zig weeder mogte inlaaten met den Hawel daar tot groote pre 215 Den 10. December 1790 prejudicie der previtien van DE: Comp:, gelijk in Anno passato, waardoor de laaste dwaaling erger Zouge zijn geweest dan de Eerste. — 3. De wijl men naderhand zag dat hij tog geweijgerde om te andwoorden op de hem voorgestelde vraagpoincten en zig in geenindeele de ordres wilde onderwerpen zoo was het ligt optemaaken, dat hij alhier arriveerende, dezelve rol zoude speelen waarom men bee„ ter oordeel de hem aldaar te laaten ver„ blijven, tot de arrive van het verwagt wer„ dert schip, wanneer men nog tijd en ge„ leegendheijd genoeg zoude hebben om hem telaaten overkoomen —. Dit dan de reedenen zijnde waarom niet na de ordre teegen hem is gprocedeert en die affaire bij de Iustitie niet is bank vast gemaakt zoo verzoekt den submissen teekenaar hier omtrend te meugen re„ marqueeren Den 10: December 1790.— marqueeren, dat Schoon deese affaire niet volgens stijl behandelt is, dit egter den Heer van Bijland in„ geene deele kan absolveeren van de door hem begaane malversatien zoo als ze hier booven largo beschreeven zijn nog het hem opgelegd arrest onwil„ lig doen worden, gemaakt de facta meddag klaar uijt de nevens deese over„ gelegde bewijsen Consteerd Dan Nadien deese affaire door hun Hoog Edelheeden verstaan is politicq te tracteeren is het de pligt te gehoorsaamen te meer alle die de regeering hebben uijt gemaakt, door van Bijland als partiaal, g'Excuseerd zijn. — Eijndelijk verseld deeze nog Een verklaaring sub: L=ma W: W: weegens het voorgevallene bij ge„ leegendheijd van het gelegde arrest op de per„ soon en goederen van den koopman van Bijland 216. Den 10' December 1790. — Bijland door den Scriba van Jaggernaykpoe„ ram Albertus Francois van Holt, den Assistent Adrianus Mathius de Silva ter requisitie van den boekhouder, en palicols secun„ de Sebastiaan Mathias Schliephaken als gecommitteerde tot de Enqueste der Jagger„ naykpoeramse affaires verleend inhouden de een dagelijkse oppositie teegen zijn arrest met vervaarlijke drijgementen van den geenen die hem affronten in zijn huijs aan deeden„ den hals te sullen breeken, bevestigende dit met den swaaren Eed dat er geen God voor hem of zijne kinderen zoude zijn. Voorts breekt hij uijt met de onbetaa„ melykste uijtdrukkingen in de veragtelijkste scheldmaamen teegen den Agtbaaren Heer Gezaghebber, den Raad en de opperhoofden van Halm, van Someren &=a op zijne vingeren tel„ lende de naamen der leeden van de Raad, En /laat hij volgen:/ zullen die mij arresteeren en zal ik mij aan haar onderwerpen. Den d
English
The 10th of December 1790. The respectful memorialist will merely remark upon this certificate that, in this conduct pursued by van Bijland at the time of his arrest, his volatile temper and disinclination to obey his lawful authorities, as well as his propensity to revile and slander those to whom he owes high esteem and obedience, are most clearly shown, the more so as to date he has made none of his accusations probable, much less proven them. The submissive memorialist hopes hereby to have satisfied the intention of the resolution of Your Honorable Worships, and has the honor to subscribe himself with respect. Below was written: Right Honorable, Worshipful, Ruling Lord and Lords, Your Honorable Worships' humble servant, was signed: B: Brouwer In the margin Palliacatta, the 7th of December 1790. RC 217 The 10th of December 1740. Upon which report, submitted by way of consideration by the Lord Commander, the following document was presented. From the report just read of the Fiscal Broerius Brouwer, the case against the merchant van Bijland was presented in such a light that no one other than he, the Fiscal, is to blame for the fact that, pursuant to the orders of the assembly demanded of him, the same was not firmly brought before the Court of Justice and produced therein in such a manner as I already pointed out on the 30th of December last necessarily ought to have been done, both by virtue of the order and the nature and circumstances of the case. also The 10th of December 1790. case itself. The order clearly instructs to proceed against van Bijland and his servant according to the laws and the Articles of War. The nature and circumstances of the case are described by the Fiscal himself in great detail as being such that they cannot be regarded otherwise than as challengeable and actionable at law. It is true, he confuses the matters by mistaking the one for the other, and beginning where he actually ought to end; but however one looks at it, his reasons why he did not pursue the case at law or make it firmly established before the court can in no way serve to excuse his conduct and the neglect of his duty. 218 The 10th of December 1790. duty; for, to begin once more where the Fiscal ends, the extract from the resolution of the 12th of March 1790, as soon as it was handed to him, would have been sufficient, from the viewpoint in which he regards van Bijland's conduct, to apply ex officio to the Judge, to request their assistance, in order by order of the actual principals to obtain the necessary writ so as to cause the accused to come hither to be able to proceed against him, instead of being satisfied merely with collecting evidence, which I once again consider to have been requested by him with no other purpose than to counter van Bijland's accusations The 10th of December 1790. accusations with recriminations: for the resolution of the 12th of March does not authorize him to do that. The assembly merely makes an enumeration of offenses by van Bijland against its instructions by virtue of what was resolved on the 17th of February previously, and orders him, the Fiscal, therefore to proceed against van Bijland and his servant according to the laws and the Articles of War. The Fiscal pays no heed to this. He sets that order aside. He begins, as said, by seeking out other cases to the charge of the accused. He draws up deeds for that purpose; what is more, he receives declarations from his superior, and adds those to these documents collected by him, and sits idle with all of them, as he testifies, 219 The 10th of December 1740. primarily because of the absence of van Bijland, just as if he would come of his own accord, and as if it were only then time to commence a legal action. Yet, even if the Fiscal was unable to grasp the necessity of taking the above-indicated path to uphold the Law, it is nevertheless not unknown to him that no one can stand trial before a Judge, or defend himself before the same, without being summoned or called before their tribunal. And if he also ignores this or professes to be ignorant thereof, he is not worthy of the office entrusted to him. Without entering into an analysis of the three invalid arguments which the Fiscal alleges on the 18th sheet of his report, The 10th of December 1790. report, the 2nd and 3rd pages, as motives why the proceedings were not commenced, or made firmly established with Justice, my reflection falls upon the latter part of the 3rd argument, namely that, since van Bijland at Jaggernaikpoeram refused to answer the question points put to him, and it was thus easy to infer that upon arriving here he would play the same role, it was therefore judged better to let him remain there until the arrival of the expected ship, when there would always still be enough time to have him brought over. If one asks the Fiscal whom he actually means by the improperly used little word one, or whom he believes judged it better therefore to
Dutch transcription
Den 10. ' December 1790. — Den Eerbiedigen verthooner zal op dit getuijgschrift alleenlijk maar remarquee„ ren, dat in deese gehoudene Conduite voor van Bijland bij zijne arresteering ten klaarsten doorstraald zijnen op„ loopenden aard en ongenijgtheijd tot het obedieeren aan zijne wettige ove„ righeijd, mitsgaaders zijne genijgd„ heijd tot Schelden en blameeren der geene aan wien hij hoog ag¬ ting en Gehoorzaamheijd verschul„ digt is, temeer hij tot dato deezes nog geene van zijne accusatien waar„ scheijnlijk gemaakt veel min be„ weesen heeft. — Den submissen verthoonen hoopt hiermeede aan de Intentie van het besluijt van uwelEde„ le Agtbaare te hebben gesatisfaceerd, en heeft de Eer zig met Eerbied tenoemen. /:onderstond:/ wel Edele Agtbaare Gebiedendende Heer, en Heeren UwelEdele Agtb:s onderdanige Dienaar /was geteekend:/ B: Brouwer /Inmargine Palliacatta den 7. December 1790. — RC 217 Den 10.' December 1740. Op welke bericht bij wege van Consi„ deratie door den Heer Gesagheb„ ber zijnde overgelegt het vol„ gende geschrift. Bij het, zoo eeven geleezen be„ richt van den fiscael Broerius Brouwer, werde de zaek tegen den koopman van Bijland voor„ gesteld in een licht, dat niemand dan hij fiscael is te beschuldigen van de oorzaek, dat dezelve na de hem gedemandeerde beveelen der vergadering niet voor de Justi cie Bank vast en daar in zoda„ nig geproduceert geworden is, als ik bereets op den 30. ' xber: Jongst Leeden heb aangeweesen dat nood„ windig had behooren te geschieden, zoo uit hoofde van het bevel, als den aert en toedracht van de zaek. meede Den 10. December 1790. zaek zelve Het bevel, houddui„ delijk en, om tegen van Bijland, en zijn dienaar, na de wetten, en de Articul brief te procedeeren. Den aert, en toedracht der zaeke beschrijft de fiscael zelve zeer breed„ voerig zodanig te zijn, dat men ze niet anders kan aanzien, dan Calangeabel, en in Rechten acti„ onabel. Het is waer hij verwart de gevallen, met de eene te neemen voor de anderen, en te beginnen, daar hij eigentlijk moet eindigen maer hoe men het neemt, zijne reedenen, waarom hij de zaek in Rechten niet getrokken of bank„ vast heeft gemaakt kunnen in geenen deele strekken tot verschooning van zijn gedrag„ en het verzuymen van zijn plicht 218 Den 10. December 1790. — plicht, want om eens weder te begin„ nen, daar de fiscael eijndigt het Extract uit de Resolutie van den 12. Maart 1790. , zoo dra dat aen hem is ter hand gesteld, ware voldoende geweest om uit het oog punt, waar in hij van Bijlands gedrag be„ Schout, zich ex officio te vervoe„ gen aen de Rechter, te verzoeken Haere assistencie, om door ordre van de eigentlijke Committenten, te verkrijgen de nodige aanschrij„ ving, ten einde den geaccuseerden te doen herwaerts komen, om tegen hem te kunnen ageeren, in steede van zich te vergenoegen enkel met het in winnen van Bewijzen, die ik andermael beschouwe met geen an„ dre oogmerk door hem gerequireert te zijn, dan om van Bijlands accutatien Den 10. ' December 1790. — accusatien te keer te gaan met Re„ crimenatien: Want de Resolutie van 12. Maart authoriseert hem daar niet De vergadering doet enkel een optelling van vergrypingen van van Bijland tegen haers aanschrijvingen uit krachte van het geresolveerde op den 17 februarij bevoo„ rens, en gelast hem fiscaal om, der wegen, tegen van Bijland, en zijn dienaar, na de wetten, en den articul brief te procedeeren. Hier op Slaet de fiscael geen acht. Hij steld die ordre ter zijde. Hij begint als gesegt met het op zoeken van andere gevallen tot laeste van den geac„ cuseerden. Hij belegt derwegen Acten; Hij ontvangst wat meer is verklaringen van zijn oppergebieder, en voegt die, bij deeze, door hem ingewonnen stukken, en blijft met alle dezelve stil zitten, zoo als hy toe. 219 Den 10. December 1740. — hij betuigd, voornamentlijk om de absentie van van Bijland, even als of die van zelf wel zou komen, en als of het dan eerst tijd ware om met een geregtiglijke achtie te beginnen. Maar, zoo de fiscael niet hebbende kunnen vallen in het begrip der nood zakelijkheid om den boven aangeweesen weg tot voorstand van het Recht in te slaen, hem is doch niet onbekent, dat niemant te Recht kan staan voor een Rechter, of zich zelve voor den zelven kan verantwoorden, zonder gedagvaert of voor Haere vierschaar geroepen te worden. En zoo hij ook dit ignoreert of betuigt daar in in„ kundig te zijn, is hij het hem aan„ vertrouwde Ampt niet waerdig zonder te treeden tot een ontwikke„ ling van de drie nietige argumenten, welke de fiscael op het 18. vel van zyn bericht Den 10. December 1790. bericht de 2. en 3. zijde allegeert, aumotiven waarom de procedure niet begonnen, of te bij de Iusticie met bankvast is ge„ maakt, valt mijne reflexie op het laaste gedeelte van het 3.=de argument namelijk dat, vermits van Bij„ land te Jaggernaikpoeram weijger„ de op de hen voorgestelde vraag poin„ ten te antwoorden, en het dus ligt was op te maeken, dat hij, alhier ar„ riveerde, dezelve Rol zoude Speelen, men daarom beeter oordeelde, hem aldaar te laaten verblijven tot de arrive van het verwacht wordend schip, wan„ neer men althoos nog tijd genoeg hadde om hem te laeten overkomen. — Vraagt men den fiscael wie hij onder het oneige gebruijkte woordje Men, eijgenlijk voorstaat, ofte wie hij meent, dat daarom beter oordeelte om
English
220 December 1790. — The 10th. to leave van Bijland on Jaggernaikpoeram! thus he will certainly have to confess to naming no one other than himself, and thus to have followed his own judgment and conception, for the whole content of the report shows that no other or better judgment is to be found, and from none of the submitted documents does it appear that the fiscal ever sought it. It was however, as said, from the beginning, and even much more so when he saw that the Jaggernaikpoeram Commission could accomplish nothing with van Bijland, his unavoidable duty to demonstrate, if not to the Court of Justice, then to the Council of Policy, that van Bijland's presence here was required to The 10th. of December 1740. — to comply with the order to act against him; and that notwithstanding this, on Jaggernaikpoeram itself, the investigation could proceed. Had it then been judged that it was better first to await the ship, and to let van Bijland remain there, then the fiscal would have had reason to appeal to that better judgment, instead of leaving it solely to his own; whereas it now cannot pass for any better judgment. Doubtless he would have let it stand at that, were it not that, by the resolution of 29 October last, an explanation of affairs 221 The 10th. of December 1740. — had been demanded of him. — Here now it is that the fiscal sees himself backed into a corner. He therefore also puts the cart before the horse; namely, he first gives us an account of his better judgment, and then comes to the treatment of that regarding which he was actually ordered to proceed against van Bijland according to his judgment, be it better or worse, he began with gathering evidence against van Bijland, 1. of having, in his capacity as former warehouse master, committed embezzlement of the Company's goods in the warehouses, 2. of illicit correspondence with The 10th. of December 1790 with the Duan or Havildar, likewise making impermissible gifts to the same from the Company's warehouses. 3. of spice theft, and sending the same to Madras, 4. of having falsely caused weighing to be done, and thereby having enriched himself in powdered sugar. Whereupon then follows a record of the Jaggernaikpoeram case, quotation and submission of diverse documents, on which the fiscal considers the arrest placed by the administration upon van Bijland's person to be lawful and well-founded; and wishing to make the same pass simply for house arrest, instead of criminal, as it is to be called in the highest degree, according to the letter of the order. 212 The 10th. of December 1740. — arrest. But in order not to express myself further about that, since I have twice in succession declared myself on this matter according to my findings and opinion, I shall let the matter rest there; once again instructing the fiscal on his declaration and remark that although this affair was not formally filed with the Court of Justice, nor dealt with therein according to proper legal style, this nevertheless cannot in any way absolve van Bijland of the malversations committed by him, nor make the arrest imposed upon him unlawful, considering the facts were as clear as day from his now submitted evidence, that The 10th. of December 1790. the arrest, politically decreed, is of insufficient force and effect to stand in law, and that, if it is ultimately found and judged unlawful, no one other than he is to blame for it, because those by whom the arrest was politically granted ordered him to prosecute the arrested person in court, and thus, in the first place, to have that arrest decreed or confirmed, as the judges should find proper. He is therefore, for the non-execution of this order, to be accused of a dereliction of duty that is utterly condemnable, and the evidence upon which he relies completely condemns 223 The 10th. of December 1740. his own conceited conduct; for although he now a posteriori makes use of what he has adopted from my reflections, namely that the Noble High Indian Government seems to wish to have the matter investigated politically, it would have been his duty a priori, or before an answer had arrived from the Same, by virtue of the Mandate dated 12 March of this year, to comply with this, and not to wait for the pleasure of Their High Excellencies. This neglect or non-compliance with the given order, and following a notion of his own, leaves me no other way open than to declare the fiscal's conduct unaccountable, and The 10th. of December 1790. to leave it to the discretion of the Noble High Indian Government to make such a disposition concerning him in that regard as They, in their superior knowledge and insight, shall be pleased to deem fit. Judging for my part that it is now too late to have the case prosecuted in court without Their further order, because aside from the reason of neglect cited herein, the fiscal is moreover unable to act officially as long as there are such objections against him as are known, as he thereby runs the risk of being recused, and to the decline of Justice and the Office that he holds, being publicly disgraced. Meanwhile, I think it unavoidable to provide van Bijland a copy of
Dutch transcription
220 December 1790. — Den 10. om van Bijland maar op Iaggernaikpoe„ ram te laeten! zoo zal hij zeeker moeten bekennen, niemand dan zich zelf te noemen, op po en dus zijn eige oordeel en begrip te zijn aen gegaan, want dat er geen ander of beeter oordeel is te vinden, toont den ganschen inhoud van het bericht aen„ en uit geene der overgelegde stukken blijkt het dat de fiscael ooit daar na getracht heeft Het was echter als gesegt van den begin„ ne af, en noch veel meer toen hij zach, dat de Jaggernaikpoe„ ramsche Commissie op van Bijland niets konde uitwer„ ken, zijn onvermijdelijk pligt om, zoo niet bij de Iustitie, aan Raade van Politie te vertoonen, dat van Bijlands presentie alhier wierd vereischt om Den 10. ' December 1740. — om te voldoen aan het bevel om tegen hem te ageeren; en dat des onaangesien op Jaggernaik poeram zelve, het onderzoek kends voort„ gaan - Ware 'er dan geoordeelt dat het beter was het schip eerst aftewachten, en van Bij land aldaar te laeten verblij„ ven, dan hadde de fiscael reeden gehad van zich op dat beeter oordeel te beroepen, in steede van het alleen op het zijne te laeten aankomen; wijl het nu voor geen beeter oordeel kan doorgaen. onge„ twijffelt zoude hij het daar op hebben laeten door staen, ware het niet, dat men, door het besluit van 29. ' October Jongst„ leeden, opening van zaeken van 221 Den 10. December 1740. — van hem gevordert hadde.— Hier nu is het, dat de fiscael zich zelf in het nau ziet ge„ bracht. Hij zet daarom ook het paert agter de wagen; namelijk hij doet ons eerst verslag van zijn beeter oordeel, en komt dan tot de verhandeling van dat geen waar omtrent hij eigenlijk gelast is tegen van Bijland te procedeeren na zijn oordeel, het zij beter of segter, is hij begon„ nen met tegens van Bijland in tewinnen bewijsen, 1. / van in zijn qualiteit als geweze pak„ huijs meester, ontrouw gepleegt te hebben aan 's Comp:s goederen in de pakhuisen, 2. / van ongeoorloofde Correspondentie met Den 10. December 1790 met den Duan ofte Haweldaer, item het doen van ongepermitteerde geschen ken aan, den zelven uit sComp:s Pakhuijsen. 3/ van specerij diefte, en het versenden van de zelve nae Madras, A. / van Valschelijk te hebben laeten weegen, en daer door zich verrijkt te hebben aen poeder zuijker. Waar na den volgt eene verbalisatie van het Jaggernaik poeramsche geval, aanhaeling en over leggen van diverse stukken, waar op de fiscael vermeent wet tig, en gefundeert te zijn het door de politie, verleende arrest op van Bijlands persoon; en het zelve, in Steede van Crim neel, gelijk het in den hoogsten graed, na den letter der ordre is te noemen, enkel voor Huis ar¬ rest. 212 Den 10. December 1740. — rest te willen doen door gaen. Maar om mij daar over niet verder uit te laeten, wijl ik mij twee maal agter een derwegen na mijn bevinding en gevoelen, verklaart hebbe, zal ik het daar bij laeten berusten; Den fiscael op zijne betuiging en re„ marque dat schoon deeze af„ faire, bij de Iusticie niet is bank vast gemaekt, of daar in na steile gehandelt, dit egter van Bijland in geenen deelen kan absolvooren van de door hem begaane malversatien, noch het hem opgelegt arrest onwettig doen worden, gemerkt de facta middag klaar uit zijne nu, over„ gelegde Bewijsen, Consteerde, an„ dermael onderrechtende, dat het „ Den 10'. December 1790. het Arrest, politiek gedecerneert van geen kragt en Effect genoeg is om in rechten te bestaen, en dat, zoo het, uit eindig onwettig bevonden, en geoordeelt word, daar van Niemand als hij de Schuld heeft, om dat de geene, door wien het arrest politiek is verleent, hem gelast hebben, den gearres„ teerden in Rechten te vervol¬ gen, en dus, in de eerste plaets dat Arrest te doen decreteeren of Releveren, zoo als de Rech¬ ters zoude bevinden te behoo„ ren. Hij is derhalve, voor de niet uitvoering van deeze last te beschuldigen van een plicht verzuim, dat ten uitterste Condemnabel is, en de bewijsen waar op hij zich beroept veroordee„ len. 223 Den 10. December 1740. len ten eenemaal zijn eigen dun„ kelijk gedrag; want Schoon hij nu a posteriore, zich bedient van het geen hij uit mijne be„ denkingen overgenomen heeft, namelijk dat de Edele Hooge Indische Regeering de Zaek politiek Schijnd onderzocht le willen hebben, het waere á priovi¬ ofte voor dat er antword van Hoog dezelve was ingekomen, uit krachte van het Mandaet de dato 12. Maart deezes Jaars, zijn plicht geweest hier aen te voldoen, en niet te wagten na het goedvin„ den van Hun Hoog Edelheeden. Dit verzuim ofte niet nakomen van het gegeven bevel, en een eige ide op te volgen laat mij geen ander weg open, dan des fiscaels gedrag onver antwoordelijk te ver Den 10 December 1790. Verklaeren, en aan het goed vinden van de Edele Hooge Indische Regeering over te lae„ ten van derwegen ten zijner opzichte zodanig een dispositie te neemen, als Hoog De zelve na haere superieure kennis, en door zicht zullen gelieven goed tevinden. oordeelende voor mijn aandeel het nu te laet te zyn, om de Zaak, zonder Hoog derzelver nader bevel, in Rechten te doen vervol„ gen, om dat buijten de in deeze aan gehaalde Reeden van verzuim, de fiscael daar en boven, onvermogend is R: O: te ageeren, zoo lange er zulke objecten als de bekende, tegen hem zijn als daar door gevaar loopende van gerecuseerd, en tot declin van de Justitie, en het Ampt, dat hij bekleed, publicq geprostitueert te worden. Intusschen denk ik het onvermeide„ lijk te zijn om van Bijland Copia van
English
224 The 10th of December 1790. — to have copies of the report and the annexes delivered, or rather, because of the time that copying notoriously consumes, to hand the documents over to him provisionally in the original, so that he may answer for their contents, and that these, with all other incoming documents, may if possible be presented to Their High Nobilities in the coming month of January; and, as far as I am concerned, by the decision to be taken by Their High Nobilities, if possible to be discharged from a matter to which I can scarcely devote half of my attention, so that I may direct it to other business of greater importance to the Company. — Palliakatta In the Council of Policy The 10th of December 1790. /signed/ Jacob Eilbracht. The 10th of December 1790. — Thus, after reading, it was resolved to conform to the sentiments and proposals of His Honorable Worship contained therein, and consequently to leave the continuing neglect of the said fiscal in this matter to the honored decision of the Honorable High Indian Government, and for reasons mentioned therein to record that instituting action now can cause nothing but new confusion and difficulty, as it is now too late, and the investigation of everything charged against van Bijland can for the present be executed only through the separate commission to the Gentleman Director. Thus done and resolved in Fort Geldria at Palliacatta, date as above: /signed/ As before. — 225 Friday the 24th of December 1790. Morning. All present. During the transaction of business mentioned in today's general resolution, it was resolved, in accordance with the proposal of the Gentleman Director, to record here that on the 20th of this month, two written addresses were delivered to His Honorable Worship by the merchant Willem Hendrik van Bijland, the first serving as a defense of his notes taken in this assembly in September and October 1789 and what further occurred up to his departure for Jaggernaikporam as chosen provisional chief; and the other serving as a brief summary or abstract of the following two points: namely, the one regarding what took place at Jaggernaikpoeram since his arrival, the subsequent arrest of his person, his return hither, and his provisional release from arrest, with various annexes relating thereto, all of such a nature that His Honorable Worship declared that the consideration and reflection upon the same, with what is further to result therefrom, causes very great concern and anxiety as to how everything will yet be brought into order and readiness amid a multitude of so many other affairs, as the successive meetings and others in the Company's service come to cause, in such a short time as yet remains between now and the 15th, or at the latest the 20th of January next, when the general report of affairs must be prepared and dispatched to the Honorable High Indian Government; His Honorable Worship deeming this note necessary so that, if anything should happen to fall short, the assembly could always bear witness that there was no lack of his Worship's untiring zeal and diligence to answer to the intentions of Their High Nobilities, and to redress all confusion and disorder in the administration as well as particularly with regard to this dubious affair, and to bring it into such a state that the course of the Company's affairs may once again get on the right track, and an end be seen to a commission that is nothing but exceedingly vexatious and presents indescribable difficulty. It was also resolved to note and insert here two letters from the Honorable English Governor at Madras, Sir Charles Oakelij, written under dates of the 8th and 10th of this month to His Honorable Worship, one containing the missing of a deserter there, and the other an answer to private complaints made to His Honor regarding difficulties with the toll collectors between here and Madras; the aforesaid letters being of the following content: Sir. I have the Honor to receive your letter informing me of the irregularities respecting the Collection of Customs, and I referred it to the gentlemen of the Board of Revenue who have given such orders as will I hope prevent any improper exaction in future. I have the Honor to be etc. Below stood: Sir your most obedient humble servant /signed/ Charles Oakeley /in margin:/ Madras 8th of December 1790. Military Department. To the Honorable Jacob Eilbracht Esq. Superintendent of the Possessions of their High Mightinesses of the States General on the Coast of Coromandel Pulicat. Honorable Sir. It having been reported to me, that a man, named George Nargs, has deserted from his regiment at Madras, I have to request you will be pleased to give orders for his being secured, in case he should be discovered at Pulicat. A description of the deserter is enclosed. I have the Honor to be. /Below stood:/ Honorable Sir, your most obedient humble servant /signed/ Charles Oakeley /in margin:/ Fort St. George 10th of December 1790. Done at Palliacatta in Fort Geldria, date as above. /signed/ As before. Sunday
Dutch transcription
224 Den 10. ' December 1740. — van het bericht, en de bijlaegen te laeten af„ geeven, dan wel, om de tijd welke het kopieeren notoir na zich sleept, het een en ander, bij provisie in originale, aen hem ten hand te stellen, om zich op dies inhoud te verantwoorden, en met alle overige in te komene Actas, Hun Hoog Edelheeden is het mogelijk, in Januarij aanstaande aangeboden, en wat mij betreft, door Hoog derzel„ ver te neemene dispositie, is het mo„ gelijk gedechargeert te worden van een affaire waar toe ik, nauwelijks ten halve, mijne attentie kan be„ steeden, zal ik die vestigen op andere voor de Comp: van meer belang zijnde Beezigheeden. — Palliakatta In Raade van Policie Den 10. ' December 1790. /:get:d/ Jacob Eilbracht. Zoo Den 10. December 1790. — Zoo is na lectura verstaen zich met de daer bij vervatte gevoelens en propositien van zijn E: E: Agtb: te Conformeeren, en mits dien het in deezen exteerende verzuim van gemelde fiscael aen de geëerde dispositie van de Edele Hooge Indische Regeering over te laeten, en om reeden daar bij vermeld te notee¬ ren dat het institueeren van actie thans niet dan nieuwe Confusie en moeyelijkheit kan veroorzaeken, als tans te laet en het onderzoek van alles wat ten laste van van Bijland voorkomt voor eerst niet anders dan door de aparte Commissie aen den Heer Gesachhebber ter uit voer te brengen zijnde. Aldus Gedaan en Gearresteerd in 't Fort Geldria te Palliacatta dato voorsz: /:geteekend:/ Als vooren. — vrijdag 225 Vrijdag den 24 December 1790. Onder de verhandeling van zae„ ken ter gemeene Resolutie van heeden vermeld, is Conform de propo„ sitie van den Heer Gesachhebber verstaen, hier aente teekenen, dat op den 20. deezer maend door den koopman Willem Hendrik van Bijland aen zijn E: E Agtb: zijn ter hand gesteld twee schrif„ telijke adressen dienende het eerste tot verdeediging van zijne Aenteekeningen ter deezer vergadering in September en octo„ ber 1789 en het geen verder is voorgevallen tot op zijn vertrek Smorgens Alle Present. nae - Den 24 December 1790. naa Jaggernaikporam, als g'eli„ geerd provisioneel opperhoofd; en het andere tot eene korte saementrek„ king ofte Summaria van de twee volgende, pointen; alsi het eene wegens het g'exteerde te Jagger„ naikpoeram, sedert, zijn aenkomst het daar op gevolgd arrest van zijn persoon; zijne te rug komst herwaerts, en provisioneel ontslag uit het arrest, met verscheide daar toe relative bijlaegen, alle van die natuur, dat zijn E: E: Agtbaere verklaerde het overwee¬ gen en nadenken van dezelve met het geen verder daer uit staet te ru„ sulteeren, zeer veel bekommering en zorg veroorzaekt, hoedanig alles noch 226 Den 24. December 1790 noch in ordre en gereedheit zal worden ge„ bracht, onder een moenigte van zoo veele andere beezigheeden, als de suc„ cessive vergaderingen en anderen in sComp:s dienst, komen te veroorzaeken, in een zoo karten tijd als 'er noch overig is tusschen nu en den 15, of uit„ terlijk den 20. Ianuarij aenstaende, dat het generaal verslag van zaeken aan de Edele Hooge Indische Re„ geering in gereedheid gebracht en ver„ zonden dient te werden; oordeelende zijn E: E: Agtb: deeze aanteekening no„ dig, om dat indien het eens aen het een of ander mocht komen te haperen, de vergadering altoos getui„ genis zou konnen draegen, dat het niet heeft gemanqueert aan zijn Agtb Den 24. December 1790 Agtb: onvermoeijde iever en vlijt om aen de intentie van Hun Hoog Edelhee„ den te beantwoorden, en alle Con„ fusie en disorere in de huishouding zoo wel als in zonderheit met be„ trekking tot deeze bedenkelijke affaire te redrisseeren en in die staet te brengen, dat den loop van 's Comp:s zaaken weder eenmael in het rechte spoor geraeken, en een einde worde ge„ zien aen eene Commissie die niet dan ten hoogsten verdrietig is, en onbeschrij„ velijke moeielijkheit opleverd. Noch is verstaen hier bij te noteeren en te insereeren twee brieven van den Edelen Heer Engelsch Gouver„ neur te Madras sir Charles Oakelij 227 Den 24. December 1790. Oakelij onder datis 8 en 10. deezer aen zijn E: E: Achtbaare geschree„ ven, behelzende de eene het ver„ missen van een Deserteur aldaer, en de andere antwoord op particulier aan zijn Edele gedaene klachten, over moeijelijk heeden met de tolhef„ Madras. fers tusschen hier en zijnde de voormelde missives van de volgende inhoud. 9 Vir. Ihave the Honer to recivet ijour let„ ter informing me of the irregularitus verperting the Colleikien of Cus„ tins, and Ireferred it to the genthe„ men of the Board of Revuni uli have gevir such orders as wits shon pe Den 24 December 1790. pe present anij improper exuitiant in fuhire. I have the Honor to te C. on„ der stond. / sir ijour most obidient humble servaat /:get/ Cha„ oakel„ /: in margine./ Madras 8. De cember 1798. Militarij Departement So the Honn: Jacob Eilbracht E s super intendant of the Possessi„ ond of thier High Mighti„ nessis of the Statis General on the Coast of Coromandel Drlical Honorable Sir. Is having been reported to ma, that 228 December 1790. Den 24. a man, named George Nargs, has diserted from his regiment at Ma„ dras, Ihave to request youwill be pleased to give orders for his being secured, in Caces hethould be dis„ covered at Pulicat a Description of the Deserter is Enclosed. I have the Honorto be /. onder„ stond:/ Hom: sir, iour most obedient Humble servant /: get/ Cha„ oakelij /:in margine:/ fort S=t George 10. December 1790. Actum Palliacatta Intfort Geldria dato voorsz: /. geteekend/ Als vooren. Sondag
English
Sunday, 26 December 1790. In the forenoon, extraordinary meeting, all present. The meeting was specially convened by the Governor to communicate the gloomy reports received yesterday evening and this morning by post from Sadras, and particularly from Pondicherij, regarding the marauding horsemen of Siepoe Sultan wandering everywhere, as well as what are believed to be the intentions and designs of the aforementioned prince, namely first to make himself master of the outer or so-called Black Town of Madras, and then directly to target this distressed Palliacatta to be devastated as well; it appearing from the translation of a letter written to him from Pondicherij on the 23rd of this month by the son-in-law of Secretary Hasz, that there is fear of far greater danger, as can be seen from these remarkable words: My dear Father, I had the good fortune to arrive in Pondicherij two days earlier than the cavalry of Badder. If, according to what they told me, they had found me, they would have made nice turbans out of my handkerchiefs, which God did not please. I am now able to report on a conversation lasting two hours with Mr. Richard, officer of Mr. Lally, who commands a detachment of 200 cavalry that arrived here concerning matters which I can only tell by word of mouth. All that I ask Your Honour is that Your Honour goes to live in the fort as soon as it will be possible, and certainly within 8 to 15 days without fail. However, I can tell Your Honour that Mr. Richard told me that he had orders to do no harm to neutral places, but that one should nevertheless not put much faith in that, as orders are changed every day, and that only a pistol shot was needed to alter their orders immediately. This Mr. Richard departs this evening for the main army, which is 35 miles from here. Dear father, I ask Your Honour to take good care of my wife and my little children until I return. I will be obliged to depart by sea, which will be a little too far, but what can one do against God's will? I think to depart within 4 days if possible. They also have orders, as they told me, to rob all Europeans, French, Dutch, and Portuguese whom they might find on their way of everything, but to do them no bodily harm, on pain of being hanged as soon as they return to the camp. My dear father, make sure that Your Honour is in safety, and do not forget my wife and children, whom Your Honour has been so good to take under Your Honour's care, and believe what I tell Your Honour. I am distressed that I cannot reveal more to Your Honour, as I am in a hurry. I ask Your Honour, my dear father, to embrace my wife and mother for me; and I have the honour to be, with the deepest respect, underneath stood: Your Honour's son, signed: Langeven. In the margin: Pondicherij, 23 December 1790. Below: Translated from the French to the best of my knowledge by me in Palliacatta, 8 February 1791, signed: S. J. de Bruijn. Which information, regarding the arrival in Pondicherij of a sirdar or chief with one hundred lower horsemen and the delivery of letters for the French Commandant, and likewise that the lands of the French shall remain free from plunder but the rest will be devastated, was confirmed by the letter received yesterday evening from Sadras, dated the 23rd of this month, wherein it is further added that everything there was in commotion and the stonemasons of Ariaal Cherij had already fled; wherefore the Governor seriously submitted to the consideration of the meeting, in order to be provided with the advice of the members, what one ought to undertake and choose in this truly uncertain and no less critical state of affairs for the protection of the Company's effects, the congregation, and property, so as to be on guard as much as possible against the impending danger, and to employ that which according to the circumstances in which one finds oneself would be judged best possible and necessary for justification. Whereupon, having deliberated, it was unanimously understood that if matters should indeed come to the aforesaid extremity, one would accomplish little or nothing with all the precautions to be taken, but will well have to leave the so-called town of Palliacatta to the unfortunate fate that seems destined for it in such a sad calamity; indeed, that the only hope of not being attacked in a hostile manner ourselves must be grounded on our neutrality and impartiality in this respect, since the condition of our fort, as has already been noted in the separate Resolution of the 19th of the past month, does not allow of any encirclement, much less a violent assault and the defence thereof, being altogether unsuitable for that purpose and so situated that one would have everything to expect and suffer from the houses below the fort, without being able, with any success, against the enemy any
Dutch transcription
Sondag den 26 December 179 'D voormiddags Extra ordi„ naire vergadering, alle Present. De vergadering expres door den Heer Gesachebber geconvoceert ter meede dae„ ling van de gister avond en heeden morgen met de post van Sadras, en in zonderheit van Pondicherij ontvan gene Zwaermoedige narichten ten aanzien der over al Zwervende stro„ pende Ruiters van Siepoe sul„ tan zoo wel, als het geen men vermeent de intentien en desseinen van gemelde vorst te zijn, namelijk om „dien te ƒ te maaken zich eerst meester van de voor- of zoogenaemde zwarte stad van Madras, en het 229 Den 26. December 1790. het als dan direct aen te leggen op dit bedroeft Palliakatta om ook verwoest te worden, Consteerende uit de vertaeling van een brief door de schoon zom van den secre„ taris Hasz: uit Dondicherij op den 23. deezer aen hem geschree„ ven, dat 'er met zeer veel rerder voor gevaer gevreest word, als te zien is uit deeze aenmerkelijke bewoording. Mijn waerde Vader. Ik had het geluk om twee dagen eerder te Pondicherij te zijn als de Ruiterij van Badder in dien zij volgens dat zij mij gezegd hebben reij Den 26. December 1790. mij gevonden had, dat zij mooije e tulle banden van mijn neusdoeken zoude gemaakt hebben, 't welk God niet behaagd heeft Ik kon op het oogenblik van een gesprek die twee uuren lang gedient heeft met de Heer Pichard of vier van de heer Lales die een de tachement van 200. Ruiterij Commandeert, die alhier gekomen ## over zaekelijkheiden die ik niet kan zeggen dan mendelings, al wat ik uwel Ed: verzoeke is dat uw Ed: in het fort gaet woone zoo gouw als het mogelijk zal zijn, en dat wel binnen 't â 15 dagen en niet laeten, even wel kan ik uwEEd: zeggen dat de 230 Den 26. December 1790. de heer Sichar mij gelegd, dat vineland om geen quaad te hij order had tdoen aen Neutraele plaatsen, maar dat men evenwel daar aen niet veel geloof moest slaen, alzoo men alle dagen de orders verandert, en dat ter een Sis„ tool schoot nodig was om hun„ ne orders ten eersten te veranderen Die Heer Richard vertrekt ^ groote heeden avond na de ^ arme die 35 mijlen van hier is; waarde va¬ der, Jk verzoek uwel Ed: om mijn vrouw, wel op te passen en mijn kleene kinderen, tot dat ik weeder kome, Ik zal verpligt zijn om over zee te vertrekken 't welk een weijnig te ver zal zijn, maer wat kan men tegens Gods Den 26. December 1790. Gods wil doen. Ik derk binnen 4. dagen zoo het mogelijk is te vertrekken, zij hebben ook er„ ders, zoo als zij mij gezigt heb„ ben om alle Europeesen, fransch¬ Hollanders, Portugeesen die zij op hunne veis mogte vinden van alles te roren, maer geen kwaad aen hem te doen op straffe van gehangen te werden zoo dra zij in de Camp weder keeren; mijn waerde vader maakt dat uwel Ed: in zeekerheid zijt en vergect niet mijn waur en kinderen, dewelke uwelEde zoo goed geweest zijt, onder uw eEEd: zog te neemen en geloof het geen ik uwelEd: zigt: Ik ber bedroeft dat ik uweE Ed: niet meer kan op en 231 Den 26 December 1790. openbaeren alzoo ik beweest ben; Jk verzoek uw Ed: mijn waerde vader om mijn vrouw voor mijn te omhelsen en moeder; en Ik heb de Eere te zijn met de diepste respect /:onder„ stond:/ Uw Ed„ zoon /:geteekend/ Langeven /. ter zijde:/ Pondeche„ rij den 23. December 1790 /:lager:/ Ge„ translateerd uit het fransch na beste kennisse door mij in Pal„ liacatta den 8. febr. 1791 /:getd/ S. J. de Bruijn. Welke informatien, wat betreft het. te Pondicherij aenkomen van een serdaer of Hooft met hondert min„ dere Ruiters, en het meede brengen van brieven voor den Heer franschen Comm Den 26 December 1790. Commandant, item dat de landen va de franschen van de roof zullen bevrijt blijven, maer de overige ver„ woest worden, bij de gisteren avond van Sadras ontfangene brief de dato 23. deezer geconfirmeert, en waar bij noch gevoegt word ho# het aldaar over al in rep en voer was , en de steenhouwers van Ari„ aal Cherij bereets gevlugt waren; zulks de Heere Gesachhebber de vergadering serieuselijk ter over„ weeging voorstelde, om met het advies van de leeden te worden gemunieert wat men in deeze, waerlijk onzeekere niet min Cro„ ticque gesteldheit van zaeken ter beveiliging van 's Comps Effecte gemeente. 232 Den 26 December 1790. gemeente en goederen ter hand te nes„ men en te kiesen hadde, om zoo veel mogelijk tegen het dreigend gevaar op hoede te zijn en dat geen aante wenden, het welk na de omstandigheeden waar in men zig bevint best mogelijk en ter ver„ antwoording noodzaekelijk oor„ deelen zoude. be„ waar op gedelibereert en eenpaerig greepen zijnde, dat wanneer de zaeken eens mochten komen tot het voorsz: uitterste, men met alle te nee„ mene precautien weinig of niet uit„ rechten, maer de zoogenaamde stad Palliakatta wel zal moeten overlaeten aen het ongelukkig tot dat haer, bij zoo een droevig onge„ val val schijnt beschooren te zijn, im„ mers dat de eenige hoop van zelfs niet vijandelijk te worden aenge„ vallen, gegront zou moeten zijn op onze onverschilligheit en on zij„ digheit derwegen, nademael de toestand van ons fort, gelijk ter aparte Resolutie van den 19. der gepasseerde maend bereits niet toelaet. is aengemerkt, eenige insluijting veel minder ge¬ weldige aenval en verdeediging van dien, als zijnde daer toe ten eenemaal ongeschikt en zoodanig aengelegt, dat men uit de huisen onder het fort alles te verwachten en te lijden zou hebben, zonder dat min, met eenig succes, den vijant Den 26. December 1790. eenige