VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3883

Ceylon · 1,486 pages · 291 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3883_0001 view scan ↗

English

875 —. - L E. 4 Ceylon 3795 13 13 15 0 Register of the Letters and Papers from Ceylon received 1791. Fourth Volume. 1133. . 1137. Register of the papers per the Ship the Unie 1138 - -. 1175. Copy of secret Letters by the Governor & Council to the Governor-General & Council at Batavia from 1 May to 15 October 1790. 1176 - - . . 1224. ditto ditto ditto written from Galle to Colombo from 18 April to 2 November 1790. 1225. . -. 1275. ditto ditto ditto written from Colombo to Galle from 20 April to 4 November 1790. 1276 - - -. 1361. Copy of Galle secret Resolutions 693 from 19 April to 12 June 1740. 1362. . . 1369. Copy of Instructions for the commissioners to Matara Fretz and Samlant for calming the rioting inhabitants in that dissavony on the 30 April 1790. 1370. . . . . 1371. Copy of secret ditto for the aforementioned Commissioners in ditto as just mentioned 1372 1565. Copy of Letters by the aforementioned Commissioners to the Governor van de Graaff from 6 May to 23 June 1790 along with various papers belonging thereto. 2 1566 - - 1581. ditto ditto by the Governor & Council at Colombo to the frequently mentioned Commissioners from 16 May to 20 June 1790. 1582. - - - - 1589. ditto secret letters from the Commander No 5 col: w: Sluijskens written from Matara to Colombo from 16 June to 13 July 1790. 1590. - -. 1597. Copy of letters by the Governor and Council to the aforementioned Commander at Matara from 22 June to 17 July 1598. - . . . . 1603. Copy of Report from the frequently mentioned Commissioners Fretz & Samlant to the Commander Sluysken on ditto 25 June 1790 accompanying the 1604 . . . 1806 Notes kept by the frequently mentioned Commissioners and the Dissava van Angelbeek from 6 May to 14 June 1790 regarding their Commission, along with some translated complaint olas belonging thereto. 1790. „ - „ 103. Register of the papers belonging to the secret letter, which by order of the Right Honorable Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island Ceylon with its dependencies, via Galle with the ship the Unie is dispatched, consigned to the Honorable Lords Directors in the Assembly of Seventeen representing the General Dutch Chartered East India Company at the Presidial Chamber Amsterdam No. 1. Original missive of this day by and to as in the heading of the same „ 2 Copy of Secret letters written from Colombo to Batavia of 7 and 18 May, 27 August, 15 October „ 3 Copy of secret letters written from Galle to Colombo, concerning the revolts at Matara from 18 April to the 2nd of this month. No. 5 No. 4. Copy of letters written from Colombo to Galle in answer to the just-mentioned letters of 20 April to the 4th of this month. „ 5 Copy of secret Galle resolutions taken in the aforementioned matter „ 6. Copy of Instructions granted by the Governor on 30 April of this year to the Honorable Colombo Dissava Fretz and the Honorable trade bookkeeper Samlant, going as express commissioners to Matara in order to bring the rioting inhabitants from this Dissavony to a standstill. „ 7. Copy of Secret Instructions for the mentioned Messrs. Fretz and Samlant dated 30 April of this year. „ 8. Copy of letters received from the said Commissioners, with the appendices belonging thereto. to here bundle „ 134 to be found in the No. 9 Copy of letters written from Colombo to the just-mentioned Commissioners from 16 May to 21 June of this year „ 10 Copy of letters from the Commander Sluijsken and the two members taken along by His Honor from the Galle Council, written from Matara to Colombo from 16 June to 13 July. „ 11. Copy of letters from Colombo written to Mr. Sluijsken during his presence at Matara from 22 June to 17 July Copy of the draft mandate ola dispatched by Messrs. Fretz and Samlant on 28 May of this year to the mentioned below collective headmen and the bundle marked Letter B. other inhabitants of the Dissavony of Matara. „ 12 Copy of the document handed over by the mentioned Messrs. Fretz and Samlant on 25 June of this year to the Commander Sluijsken with the appendices belonging thereto with matter consisting of answer April of this the bookkeeper Matara standstill appendices - No. 5 to be found inserted Letter A with the Galle resolution of 19 April to be found here with the previously mentioned bundle marked consisting of Letter A A bundle of notes kept by the said Commissioners along with the Dissava van Angelbeek, and Letter B. A bundle of appendices belonging to those notes according to the Registers to be found therewith. No. 13. Copy of secret resolutions taken in the Council of Ceylon, on 12, 16, and 21 August with insertion of two letters written by Mr. Sluijsken to Colombo on 31 July and 5 August and the secret report of His Honor of 31 July with the appendices belonging to the said resolutions, consisting of Two separate letters written by the Honorable van Angelbeek on 18 April to Galle to the Commander Sluijsken with the appendices mentioned therewith. Letter B: Copies of six reports or statements under Oath, concerning the punishments under the administration of the Honorable van Angelbeek namely mentioned above under No. 5 A „ „ consisting of Letter B.

Dutch transcription

875 —. - L E. 4 Ceylon 3795 13 13 15 0 Register der Brieven en Papieren van Ceijlon overgekoomen 1791. Vierde Deel. 1133. . 1137. Register der papieren p=r 't Schip de Unie 1138 - -. 1175. Copij secreete Brieven door den Gou„ verneur & Raad aan Genl. & Raaden te Batavia zedert 1 Maij tot 15 Octo„ ber 1790. 1176 - - . . 1224. d=o do d=o van gale na Colombo geder schreeven zedert 18 April tot 2 Novb: 1790. 1225. . -. 1275. d=o d=o d=o. van Colombo na Gale geschreeven zedert 20 April tot 4 No„ vember 1790. 1276 - - -. 1361. Copij gaalsche secreete Resolutien 693 zedert 19 April tot 12 Junij 1740. 1362. . . 1369. Copij Instructie voor de gecommitt: edde na Mature Fretz en Samlant tot stilling der zamengerotte inge¬ zeetenen in die desjavonij in do 30 april 1790. 1370. . . . . 1371. Copij secreete do voor gem: Gecommitt in do. als even 1372 1565. Copij Brieven door gem: gecommit¬ teerdens aan den gouverneur van de Graaff zedert 6 Meij tot 23 Junij 1790 nevens diversche papieren daartoe gehoorende. 2 1566 - - 1581. d=o d=o door den Gouvr & Raad te Colombo aan meerm: gecommit¬ teerdens zedert 16 Meij tot 20 Junij 1790. 1582. - - - - 1589. d=o secreete brieven van den Commandeur No 5 col: w: Sluijskens van Mature na Colom¬ bo geschreeven zedert 16 Junij tot 13 Julij 1790. 1590. - -. 1597. Copij brieven door den gouv=r en Raad aan voorm: Commandeur te Mature zedert 22 Junij tot 17 Julij 1598. - . . . . 1603. Copij Berigt van meerm: gecomm: retz & Samlant aan den Comman¬ deur Sluysken in do 25 Junij 1790 ten geleide van de 1604 . . . 1806 Aanteekening en door dikwerfgem: gecommitts en den desjave van An¬ gelbeek zedert 6 Meij tot 14 Junij 1790 van hunne Commissie gehouden, nevens eenige Translaat klagt olas daartoe gehoorende. 1790. „ - „ 103. Register der papieren gehoorende tot den secreeten brief, die ter ordre van den WelEdelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaff, Raad ordinair van neederlandsch Jndien Gouverneur en Direkteur van het Eijland Ceijlon met dies onderhoorig„ heeden over Gale met het schip de Unie word verzonden, gekonsigueerd aan de Edele Hoog Achtb: Heeren bewind„ hebberen ter vergadering van 17 nan representeerende de generaale neder„ „landsche g'oktroijeerde oost indische kompanie ter presidiale kamer Amsterdam N 1. origineele missive van heden door en aan als in den hoofde des gelde „ 2 Kopia Secreete brieven van Colombo na Batavia geschreeven van den 7 en 18 Maij 27 aug=t „ 15 oktober „ 3 kopia secreete brieven van Gale na kolombo geschreeven, over de revoltes te Mature van den 18 april tot den 2 deezer. No. 5 N 4. kopia brieven van kolombo na Gale geschreeven in antwoord op evengem: brieven van den 20 aprill tot den 4 deezer. „ 5 Kopia secreete Gaalsche resolutien genoomen in voorn: zaake „ 6, kopia Jnstruktie door den Heer Gouverneur den 30 april dezes Jaars verleend aan den E: kolombopine Dessave Cretz en den E: negotie boek„ „houder Samlant, gaande als ex„ presse kommissarissen na Mature om de te zaamen gerotte ingezee„ „tenen uit deeze Dessavonij tot stil„ „stand te brengen. „ 7. kopia Lecreete Jnstruktie voor gemelde Heeren P: retz en Sam„ land gedt 30 aprill de zes Jaars. „ 8: kopia ontvangene brieven van gem: gekommitteerdens, met de daar toe gehoorende bijlaager. te hier bon „ 134 te vinden in de N 9 kopia brieven van Colombo geschreeven aan evengem: gekommit „teerdens van den 16. maij tot den 21 Junij de zes Jaars „ 10 Kopia brieven van den Heer kommandeur sluijsken en de twee door zijn E: meede genoomene lee„ „der uijt den Gaalschen raad van Mature na kolombo geschreeven van den 16 Junij tot den 13 Julij. „ 11. kopia brieven van kolombo aan den Heer sluijsken geduurende deszelfs aan weesen te Mature geschreeven van den 22 Junij tot de 17: Julij Kopia Concapt mandaat ola door de Heeren frets in Camlant den 28 maij dezes Jaars aan de hier onder vermelde gezaamentlijke hoofden en de bondel gem La B. verdere Jnwoonders der Dessavonij van Mature afgevaardigd. „ 12 kopia geschrift door gem: Heeren frets en Samland den 25 Junij dezes Jaars aan den Heer kommandeur sluijsken overgegeeven met de daartoe gehoorende bijlaagen met Zaake bestaande twoord aprill dezes te boek, ure stil„ gen. - No. 5 geinsereerd te vinden La A bij de gaalsche resolutie van den 19 April hier te vinden bij de hiervoor en gemelde bondel gemerkt bestaande in L=a A Een bondel aanteekeningen gehou„ den door gem: Heeren Kommissaris„ „sen nevens den Heer Dissave van An„ „gelbeek, en L=a B. Een bondel bijlaagen gehoorende tot die aanteekeningen volgens de daar bij te vindene Registers. N=o 13. kopia secreete resolutien genoomen in Raade van Ceilon, op den 12: 16. a 21 aug:s met in„ „sertie van twee brieven door den Haer sluijsken na Colombo geschree„ „ven den 31 Julij en 5: aug: en het geheim rapport van zijn E: van den 31 Juli niet de bijlaagen: gehoo„ rende tot gem: resolutien be„ Twee afzonderlijke brieven door den E: van Angelbeek den 18 april na Gale aan den Heer kommandeur sluijsken geschreeven met de bij laagen daar bij vermeld. L:ra B: koppijen van ses rapporten of ver„ „klaaringen onder Eede, over de strafoefeningen onder het bestier van den E: van Angelbeek namelijk vooren onder N. 5 vermeld Een „ „staande in La B.

NL-HaNA_1.04.02_3883_0013 view scan ↗

English

1135 Letter C: to be found with the notes of the 24th, 25th, 26th, 27th of May. One from the Mudaliyar Abesirriwardene Illangakoon alongside his subordinate minor headmen: Sameresinge Witjesegere Ekenaike, Mohandiram of the Atapattu; Abegoeneratne Dissanaike, Mohandiram of the Adigar Maduwa; and Samweseringe, Mohandiram of the Gamekeepers. One from the Mudaliyar of the Gangaboda Pattu de Saram, the Mohandiram of Attudawe, and five minor headmen of the Gangaboda Pattu. One from the Mudaliyar of the Morawak Korale, Awerekoon Ekenaike. One from the Mudaliyar of the Weligam Korale, Goeneratne. One from the Mohandiram of the Four Gravets, Bandanaisle; and One from the Maha Mudaliyar. Extract from a writing delivered on the 22nd of May by the Honourable van Angelbeek to the Commissioners Fretz and Samland, speaking of the prohibition imposed by His Honour that no Vellalas may be pressed into carrying cinnamon. In the aforementioned bundle Letter A: last. No. 5 properly kept to be found in the aforementioned Honourable to be found in the bundle mentioned after No. 13 Letter D: Copy of report from the Mudaliyar Illangakoon and the Mohandirams of the Atapattu, of the Adigar Maduwa, and of the Gamekeepers, concerning the arrest of the so-called widow of Abesegere Mohandiram. Copies of the papers bound behind the secret report of the Commander Sluijsken, consisting of: A narrative dated Matara the 15th of July 1790. A report from Captain Scheede addressed to the Commander Sluijsken, dated the 20th of July 1790. Translation of a Sinhalese ola letter addressed to the Commander Sluijsken. Narrative dated Galle the 30th of July 1790, and a report from the Galle Secretary van Albedijl addressed to the Commander Sluijsken, dated the 26th of July 1790. Letter F: Copies of the enclosures sent to Colombo with the separate letter from the Commander Sluijsken of the 31st of July last, according to a register transmitted therewith. mentioned bundle Letter B. 1136 No. 14. Copy of a letter written by the Honourable Colombo Disawa to the Disawa of the Three Korales. No. 15. Copy translation of an ola written by the said Disawa of the Three Korales in response to the just-mentioned letter. No. 16. Copy of a letter written by the Honourable Governor to the First Maha Adigar at the Court of Kandy. No. 17. Copy translation of an ola written by the said First Maha Adigar in response to the aforementioned letter. No. 18. Copy of a narrative rendered by the Aratchies of the Atapattu, Cornelis Correa and Senior de Saram, on the 12th of this month. No. 5 Commander the 15th Scheede addressed the Commander July the sent C No. 19. Copy of an address from the Honourable Chief Administrator van Angelbeek, dated the 27th of this month. No. 20. Copy of a statement from the retired Galle Commander Kraijenhoff, addressed by way of petition to the Governor. No. 21. Copy of an address from the Honourable Colombo Disawa Fretz regarding the objection of the Commander Sluijsken appearing in his secret report of the 31st of July. No. 22. Extract of a private missive dated the 3rd of September last, written by the Galle Commander Sluijsken to the Governor. No. 22. Copy of a palm-leaf ola written by the Galle Commander Sluijsken to Madugodde Appu. appears 1137 the 22nd of May 1790. as appears from the register of No. 24. Copy of a letter of the 28th of August last, written by the Galle Commander Sluijsken to the provisional Disawa of Matara, Raket. No. 25. Copy of an address submitted by the former Galle Commander Kraijenhoff. with the packet-boat Maria Louisa already dispatched: Copy of a letter written by the Honourable Colombo Disawa Fretz and Trade Bookkeeper Samlant of Hakmana to the Governor on the 13th of May, with the enclosures belonging thereto, consisting of: A copy of a letter written by the said Honourable Fretz and Samlant under the aforementioned date to the Honourable Disawa of Matara, van Angelbeek. A copy of an attestation granted by the Military Captain and Commandant, the Honourable von Prophalow. An extract from the letter written by the Honourable Matara Disawa van Angelbeek to the aforementioned Honourable Fretz and Samlant on the 13th of May. this month. to the Governor Commander the No. 5 No. 26. Copy of a secret missive dated the 6th of September last, written from Tuticorin to Colombo. Annex: A French letter written by B. Jorin to the Honourable Chief of Tuticorin, Meckern; and A French letter written by the Honourable Chief of Tuticorin, Meckern, to the Superintendent at Kulasekharapatnam, B. Jorin. No. 27. Copy of a separate letter of the 10th of September last, written from Colombo to Tuticorin. No. 28. Copy of a secret letter of the 3rd of October, written from Tuticorin to Colombo. No. 29. Copy of a separate secret letter of the 14th of October, written from Colombo to Tuticorin. Colombo, the 12th of November 1790. Ijsbrands Egberk No. 5 Colombo corin Colombo from Colombo written Examined Copies of Outgoing Secret Letters to Batavia of the year 1790: the 18th of May, the 17th of August, and the 15th of October. No. 5 No. 2. No. 5 1138 Secret Batavia. To His Excellency, The High Noble, Right Honourable, Far-Ruling Lord, Mr. Willem Arnold Alting: On behalf of the State of the Free United Netherlands and the General Dutch Chartered East India Company, Governor-General; and The Right Honourable and Respected Council of the Netherlands Indies. High Noble, Right Honourable, Far-Ruling Lord, Right Honourable and Respected Lords. In response to the request of the Gentlemen Ministers at Cochin to send them as many ships and sloops as possible for the transport of women and children, we have, for the aforesaid purpose, summoned the ship Vreedenburg from Galle to this place. Since then, we have received the Ministers' letter of No. 5

Dutch transcription

1135 La C: te vinden bij de aanteekenings. van den 24. 25. 26. 27 maij Een van den modliaar Abesirriwar„ dene Jllangakoon nevens zijne onder„ „geschikte mindere hoofden samme„ „resinge Witjesegere Ekenaike mohandiram van de attepattoe, Abegoeneratne Dissanaike mokan„ „diram van de adigarie mandoe in samweseringe mohanderan. der Weldschutters. Een van den Modliaar van de Gan„ „gebaddepattoe de saram, de Mo„ „handiram van Attoedawe en vijff mindere hoofden van de Gangebad„ „de pattoe. Een van den modliaar van de Mor„ ruakorle Awerekoon Ekenaike. Een van den modliaar van de belli„ „gam korle Goeneratne Een van den mohandiram van de „vier Gravetten Bandanaisle en Een van den Gajenaik modliaan Extrakt uijt een geschrift door den E: van Angelbeek den 22 maij aan dEs gekommitteerdens frets en samland overgegeeven, spreekende van het verbod door zijn E: gesteld, dat geene Wellales tot het draagen van kanneel mag worden geprest. in de hier vooren gemelde bondel La A: ZD: No. 5 gehou¬ on de lijk te vinden in de hier vooren ƒ E: te vienden in den bondel gem: nat N13 L=e D: kopij rapport van den Modliaar, A„ langazoon en de mohandirams van de attepattoe van de adi„ „gaire mandoe en van de Wild„ „schutters over het arresteeren van de zogenaamde weduwe van Abesegere mohandiran„ kopijen van de papieren die inge bonden zijn agter het geheim rap„ „port van den Heer kommandeur sluijsken bestaande in Een relaas ged=t Mature den 15 Julij 1790. Een berigt van den kapiteijn scheede aan den Heer kommandeur sluijsken gedddresseerd ged 20 Julij 1790. Translaat singaleesche brief ola gerigt aan der Heer kommandeur sluijsken. Relaas gedt Gale den 30 Julij 1790 en berigt van den Gaalsch Secre„ „taris van Albedijl aan den Heer Commandeur sluijsken gerigt ged=t 26 Julij 1790. L=a F: kopijen van de bijlagen die met de aparten brief van den Heer Comman„ „deur sluijsken van den 31 Julij ZL: na Colombo zijn gezonden, volgens een daarnevens overgezonden register. gemelde bondelgem La. B. 1136 No 14. kopia brief door den E: kolombos Dessave aan den Des„ „save van de drie korls geschreeven. „ 15. Kopia Translaat ola door gen: Dessave van de drie korls in Antwoord op even gem: brief geschreeven. „ 16: kopia brief door den Edelen Heer Gouverneur aan den Heer Eersten Rijksadigaar aan het hof van kandia geschreeven. „ 17. kopia Translaat ola door gem: Eersten Rijks adigaar„ in antwoord op voorn: brief geschreeven „ 18 kopia relaas door de anaatjes van de attepattoe Corulies Corna en senior de saram den 12 deezer verleend. No 5 ur den 15 Scheede i gt den man„ Julij den gezonden C N 19 kopia addres van den E: p Hoofd administrateur van Angelbeek ged=t 27 deezer. „ 20. kopia verklaaring van den Heer afgegaanen Gaalsch Ge„ „zaghebber kraijenhoff bij weege van addres aan den Heer Gouver„ neur geaddresseerd. „ 21. kopija addres van den E: kolombos Dessave Fretz op de bezwaarnis van den Heer kommandeur sluijsken voorkoo„ „mende bij desselfs geheim rap„ port van den 31 Julij „ 22: Extrakt particuliere missive ged=t 3. 7ber JL=n door den Heer Gaalsch kommandeur sluijsken aan den Heer Gouver„ „neur geschreeven. „ 22. kopia Comcgot ola door den Heer Gaalsch kommanduur sluijsken aan Maddoegodde appoe geschreeven. blij 1137 den 22 Maij 1790. blijkens register van N=o 24. kopia brief van den 28 aug=o Jz=r door den Heer Gaalsch kommandeur sluijsken aan den p„l Dessave van Mature Raket ge„ „schreeven. „ 25. Kopia addres door den Heer gewezen Gaalsch gezag„ „hebber kraijenhoff gediend. met de Papot Copia brief door den E: kolomboschen Dessave Fretz en negotie boekhouder samlant van Hakman aan den Heer Gou„ „verneur den 13 meij geschreeven, met de daarbij gehoorende bijlaagen, bestaande in boot Maria Louisa reeds afgezonden Een kopia brief door gem: E Fretz en samlant onder voorm: datum aan den E: Dessave van Mature van Angelbeek geschreeven. Een kopia attestatie van den kapi„ „tain Militair en kommendant d E: van Prophalow verleend. Een extract uijt den brief door den E: Maturees Dessave van An„ „gelbeek aan voorm: E: fretz en Samlant den 13 Maij geschreeven zer. „ o0„ „ den Gouver„ andeur de No. 5 No 26, kopia secreete missive de dato 6 7ber, Js=n van Jutth„ korijn na kolombo geschreeven. annex Een fransche brief door B: Jorin aan het E: Tuttukorijns opper„ „hoofd Mekkeru geschreeven en Een fransche brief door het E: Ju„ „tuk wrijnsch opperhoofd Mekern aan den E: Superin tendent, te Granevelli B. Jorin geschreeven „ 27 Kopia aparte brief van den 10 Zber JL=n van kolombo na Tutukorijn geschreeven. „ 28. kopia secreete brief van den 3 oktober van Jutuk orijn na Kolombo geschreeven. „ 29 kopia aparte secreete brief van den 14: Okctober van Co„ „lombo na Gutu korijn geschreeven kolombo den 12. november 1790. Hijbrands Egreerk No 5 lomba rijn ko vaCo„ eeven L„J: Sinde Nagezien Copij afgaande Secreete Brieven naa Batavia van 't jaar 1790: 7 den 18 May 17 dang &n 15 Octob. No. 5 No: 2. No 5 1138 sekreet Batavia. Aan zijn Hoog Edelheid. Den Hoog Edelen Groot Achtbaaren wijd Gebiedende Heer M:r Willem Arnold Alting: Weegens den staat der vrije vereenigde neederlan¬ „den en de Generaale Neederlandsche g'octroijeer„ „de Oost Jndische kompenie, Gouverneur Generaal. en. De Wel Edele Gestrenge Heeren Raaden van Me„ „derlandsch Jndien. Hoog Edele Groot Acht= „baare wijd Gebiedende Heer Wel Edele Gestrenge Heeren. Op het verzoek van de Heeren Ministers te Kolt„ „siem, om hun zoo veel scheepen en sloepen O toe tezenden als moogelijk was, tot transport van vrouwen en kinderen, hebben we ten eijnde voorsz: het schip vreedenburg van Gale herwaards ont= „booden. zeedert hebben we ontfangen der Ministeren brief van No 5

NL-HaNA_1.04.02_3883_0026 view scan ↗

English

of 2 February last, whereby they informed us that the relief sent by us, mentioned in our respectful letter of 27 January last, had arrived there safely, and that their Honours hoped thereby to be in a position to properly defend that fortress. Upon this report, and upon the private news successively received since then that Tipu Sultan, after his attack on the Travancore lines had failed, was keeping quiet and, as it seemed out of respect for the English, did not dare to continue hostilities, we deemed it advisable to await further reports from Cochin, in order not to let this ship make an unnecessary voyage thither. Shortly thereafter, the first undersigned Governor received a letter from Mr. Buchanan of 30 January last, wherein he wrote that the Government of Madras had received positive orders from Lord Cornwallis to regard all attacks by Tipu Sultan on the Travancore lines as the very beginning of hostilities against the English, and that the English troops were already in motion to march to the frontiers of Tipu Sultan's country. We therefore thought it unnecessary to detain this ship any longer or to send it to Cochin, and have for that reason sent it back to Galle to be prepared for the voyage to Batavia. However, a few days later, the first undersigned Governor received a letter from the Malabar Governor, Mr. van Angelbeek, of 13 February containing the request to send the promised ship thither as soon as possible, as it would be very much needed there in case Tipu, who was growing stronger daily, should break through, which the rulers of Cochin and Travancore regarded as certain, however much the English at Madras spread through the newspapers that he would not begin again. This request placed us in considerable embarrassment, as we had no other opportunity to present our annual papers to your High Honours and at the same time to send over the required linens, coir, etc.; but considering that not sending this ship to Cochin could have the saddest consequences, and that it had to be deduced from the emphatic request of the Malabar Governor, Mr. van Angelbeek, that Cochin, owing to the inactivity of the English, was not yet out of danger, we decided to send the ship to Cochin, requesting the Ministers nevertheless to send it back quickly if it could be spared there without inconvenience, as was done: To our letter written to the English Government at Madras regarding the commenced hostilities of Tipu Sultan, of which a copy is presented to your High Honours alongside our secret letter of 27 January last, which now departs simultaneously with this our respectful one, we received a letter from Madras of 6 February last, containing the report that our aforementioned letter had been sent to the Supreme Government in Bengal, as well as a private letter written by the first undersigned Governor to Governor Holland on 12 January, to see if it might be of service to urge this gentleman, in such a pressing situation, to also take into account in his measures to be taken, as far as possible, whatever could serve to secure Cochin: This letter is also transmitted among the enclosures. Since then, we have received a letter from the aforementioned Supreme Government of 26 February, and from the Government of Madras a letter of 17 March last, both of which accompany this in copy, with the copies of our answer sent thereto. We immediately sent copies of both of these letters to the Gentlemen Ministers of Cochin. The Pulicat Ministers requested from Jaffnapatnam twelve artillerymen and some ammunition supplies, of which they also gave us notice. The Jaffnapatnam officials thereupon took a resolution to comply with that request, which we approved, although we do not think that this place, situated so to speak under the walls of Madras, has any trouble to fear from Tipu Sultan. From the general letter that departs simultaneously with this one, it appears that the Nawab of the Carnatic insists most strongly that his commissioners also be admitted to the inspection of the Mannar pearl banks, in the same manner and on the same footing as at the inspection of the Tuticorin pearl banks. During the settling of the contract, this was already strongly insisted upon from the side of the Nawab, and on that occasion it was pointed out to Mr. Buchanan that this could not be agreed to. The reasons for this are too obvious for it to be necessary to recount them here, and even if there were no other reason against it than solely the inconvenience that one would then often have to wait for the Nawab's commissioner to begin the inspection, this reason alone is enough not to agree to such a request. Since nevertheless the Nawab's Agent, Mr. Buchanan, by a letter of 9 April last, which is transmitted among the enclosures, on this matter in the name of his Master

Dutch transcription

van den 2:' februarij Jol:, waar bij derzelven ons be„ „deelden, dat het door ons gesonden secours, vermeld bij onsen eerbiedigen brief van den 27. ' Januarij Jol:, aldaar behouden was aangekoomen, en dat hun Edelens hoopten, daar door in staat te zijn, om die vesting behoorlijk te defendeeren. Op dit berigt, en op de zeedert successive ontvangene partikuliere tijding, dat Tipoe sultan, na dat zijn aanval op de linie van Trevankoor was mis lukt, zig stil hield, en zoo 't scheen uijt ontzag voor de Engelschen, de vijandelijkheeden niet dorst E voortzetten, hebben we het raadzaam geoordeeld, na= „dere berigten van koetsiem aftewagten, ten eijnde dit schip geen nodelooze togt na derwaards te laaten doen. kort daar aan, ontving de eerst ondergeteekenden Gouver„ „neur een brief van den Heer Buchanan, van den 30. ' Januarij J:o L:, waar bij hij schreef, dat het Gou= „vernement van Madras stellige orders van Lord Cornwalleus had ontvangen, om alle aanvallen van sipoe sultan op de linie van Trevankoor, aan= „tezien, als begin zelfs van Exstiliteiten teegen de Engelschen, en dat de Engelse troupen reeds in bewee„ „ging waaren, om te marcheeren nade frontieren van het land van Jipoe Sultan. we dagten 't mits dien onnoodig dit schip langer aantehouden, of na koetsiem ven 1839 koetsiem tezenden, en hebben het daarom na Gale terug gezonden, om tot de rijze na Bata„ „via in staat te worden gesteld. Dog de eerst ondergeteekende Gouverneur ontving eenige daagen daarna, een brief van den Heer Mallabaarsch Gouverneur van Angelbeek, van den 13:e febr: houden „de verzoek, om het beloofde schip ten eersten der= „waards te willen zenden, wijl men het aldaar zeer noodig zoude hebben, ingevalle Tipoe, die dagelijks sterken wierd, door mogt breeken, het geen de vorsten van koetsiem en Trevankoor als zeeker stelden, hoe zeer ook de Engelschen te Madaas, bij de nieuws papieren uijt strooijeen, dat hij niet weer zoude beginnen. Dit verzoek bragt ons in merkelijke verleegendheid, e wijl we geene andere geleegendheijd hadden, om aan uwe Hoog Edelheeden onze jaarlijksche papieren aantebieden, en teffens de g'eischte lijwaaten, kaijer Ex:a overtezenden; maar overweegende dat het niet zenden van dit schip na koetsiem, van de droevigste gevolgen konde zijn, en dat 't uijt het nadrukkelijk, verzoek van den Heer Mallabaarsch Gouverneur van Angelbeek moest worden afgeleijd, dat koetsiem, weegens de inactiviteijd der Engelschen nog niet buijten gevaar was, hebben we beslooten het schip na koetsiem te zenden, met verzoek nogtans aan de Ministers, om hetzelve, indien aldaar No 5 dlle em aldaar buijten ongeleegendheid konde gemist worden, spoedig terug te zenden, gelijk geschied is: op onze noopens de begonnen vijandelijkheeden van Jipoe Sultan, aan het Engelsche Gouvernement Ze„ Madras geschreeven brief, waar van kopij uwen Hoog Edelheeden word aangebooden neevens onse sekreete brief van den 27 e Jann: J=o l:, die nu te gelijk met deezen onze eerbiedigen afgaat, hebben we van Madras ontvangen een brief van den 6. ' febr: J=ol:, houdende berigt, dat gem: onze brief was gezonden aan het Generaal Gouvernement in Bengale, zo wel als een partikuliere brief van den eerst ondergeteekenden Gouverneur, aan den Heer Gouverneur Holland, geschreeven, den 12: Jan „nuarij, of ze van dienst konde weezen om deesen seer, in zo pressante geleegendheid, op tewekken, om in zijn te neemene maatzeegelen, zoo veel het geschieden kan, ook in agt te neemen 't geen zoude kunnen strekken ter bevijliging van koetsiem: Deeze brief gaat ook onder de bijlaagen over. Zeedert hebben we van gem: Generaal Gouverne= „ment ontvangen een brief van den 26. febr:, en van het Gouvernement van Maelkaseen brief van den 17:e Maart JoL:, die bijde in Copia deesen verzel= „len, met de Copijen van ons daarop gezonden and= „woord. Beijde deese brieven hebben we ten eerste, in Copij gezonden aan de Heeren Ministers van koetsiem. De 1140 De Paleakatsche Ministers hebben van Jaffana„ „patnam gevraegd, twaalf artilleristen en eenige ammonitie goederen, waar van ze ons ook kennis hebben gegeeven. De Jaffanapatnamsche bedien „den hebben daar op een besluijt genoomen, om aan dat verzoek te voldoen, 't geen we hebben g'approbeerd, schoon we niet denken, dat deese plaats, als om zoo te spreeken geleegen onder de muuren van Madras eenig last van Tipol Sultan te dugten heeft. Bij den gemeenen brief, die met deesen, te gelijk af= „gaat, blijkt, dat de Aabab van karnatika op 't sterkst aandringt, dat ook zijne gecomm=s bij de visitatie van de Mannaarsche paarlbanken worden toegelaaten, even en op dien voet als bij de vi= „sitatie van de Tutukorijnsche paarlbanken. Bij 't reguleeren van 't Contract, wierd reeds sterk van de zijde van den Nabab daarop gedrongen, en is bij die geleegendheijd aan den Heer Buchanan vertoond, dat daar in niet konde worden bewil= „ligd. De reedene, daartoe zijn te zichtbaar, dan dat het zoude nodig zijn die hier op te haalen, en al waaren ek ook geen andere reeden teegen, dan alleen de ongeleegendheijd, dat men dan dikwils na 's Nababs gecommitteerde zoude moeten wagten, om met de visitaatie te beginnen, is deeze reede alleen genoeg, om in zulk een aanzoek niet te bewilligen. wijl nogtans 's Nababs Agent de Heer Buchanen, bij een brief van den 9=e: April J:oL: die onder de bijlaa= „gen overgaat, op dit stuk uijt naam van zijn Meester No 5

NL-HaNA_1.04.02_3883_0030 view scan ↗

English

Master insists further, in a manner that deserves some consideration, we think that one will have to do something to satisfy the Nabab, in order to obtain that which is necessary for the exchange of the ratification, to prevent a multitude of chicanes that one might otherwise cause us from time to time, and about which matters the Nabab has been broadly informed by a letter of 10 February last, which is included among the annexes to the general letter departing at the same time as this one. For this reason, we take the liberty humbly to submit for Your High Excellencies' consideration whether Your High Excellencies might not be pleased to consent that, whenever the Company sees fit to have the pearl banks of Mannaar inspected, it shall give notice thereof to the Nabab, at the same time announcing the approximate time when it is about to begin, and that if the Nabab should then see fit to send two or even three of his servants, so that they might obtain from the condition of the banks that knowledge which could later be of service to them in holding the fishery, in their management of the tonies that are granted to the Nabab during the holding of the fishery, these servants of his will be permitted, solely for their own persons, to go along on the tonies with which the Company's commissioners put to sea. This seems likely to satisfy the Nabab, because his servants will thereby have the fullest opportunity to know the condition of the banks through their own observation; one could add thereto, for the further satisfaction of the Nabab, that these servants of his, whenever they request to do so, shall be allowed to be present at the opening of the retrieved oysters, and even at the swearing-in of the reports, at which time even all the pearls found could be shown to them. Expressly warning hereby that the inspection will not wait for the Nabab's servants, and that accordingly it will proceed, whether they arrive in time or not, this would only be a condescension which, in our humble view, can have no inconvenience nor unpleasant consequences. One could further stipulate hereby that whenever the Nabab's servants are present at the inspection in the manner aforesaid, the 9th article of the treaty shall remain unenforced, if a fishery is held upon such an inspection. Without doing this or something similar, we fear new troubles on the Madura coast, and we shall therefore perhaps even have to take it upon ourselves, in the upcoming negotiations with the Nabab regarding the points that must be settled for the exchange of the ratifications, to grant something of the kind subject to the pleasure of Your High Excellencies, solely for the next subsequent inspection, if we cannot amicably make the Nabab understand that the inspection held last spring was conducted with so much precision that an inspection for the coming autumn is entirely unnecessary. In this Government, thank God, all is in peace and quiet, except that around the middle of the month just passed, a party of inhabitants of the Maturese Disavony gathered together, claiming to have several grievances; they are presently staying above Mature and do no other harm than neglecting their obligatory services. In what their grievances actually consist, we do not yet rightly know, but it seems that they are somewhat dissatisfied with some native chiefs. We have sent the Disava Freth and the Trade Bookkeeper Samlant to Mature to investigate their complaints and settle them according to their findings, of which we indeed expect the best, because these discontented persons themselves requested a commission from Colombo. We expect this all the more because, as we have been informed, a large party of people among this gathering are there solely out of fear, having joined on the threats of the discontented that they would otherwise mistreat them. While writing this, we receive a letter from the Galle servants of the 5th of this month, an extract of which is enclosed herewith, stating among other things that the servants hope and believe to be assured that the sending of the aforesaid commission will have the best results, and that the discontented people will also immediately return to their homes after the hearing of their grievances; adding that the Disava van Angelbeek had communicated that the discontented inhabitants are already gradually calming down, and that it appears that they are growing weary and will virtually come to reason of their own accord. Your High Excellencies may therefore have not the slightest anxiety concerning this incident. We commend Your High Excellencies and the interests of the Company to God's safe keeping, and remain with all respect and fidelity, (below stood) High Noble, Right Honorable, Wide-Ruling Lord, Right Noble, Severe Lords! Your High Excellencies' humble and very obedient servants, (was signed) W. J. van de Graaff, M. P. Raket, C. Tilenius, J. Reintous, B. L. van Litter, and J. A. Vollenhove, (in margin) Colombo, the 7th of May 1790. To the same as before. In continuation of the report concerning the unpleasantnesses arisen in the Maturese Disavony, given in our respectful secret letter of the 7th of this month, we take the liberty most humbly to inform Your High Excellencies that our commissioners, the Disava Frett and Trade Bookkeeper Samlant, have already been in conversation with the mutineers on several occasions, and

Dutch transcription

Meester nader aandringt, op eene wijze die eenige be= „denking verdiend, denken, we dat men iets zal moe „ten doen om den Nabab te vergenoegen, ten eijnde te verkrijgen, het geen voor de uijtwisseling van de ratificatie noodig is, ter voorkoming van eene meenigte chicanes, die men ons anders van tijd tot tijd kan doen, en over welke dingen de Nababi„ 'Z: breede is onderhouden, bij een brief van den 10. Febr: JsL: die onder de bijlaagen van de gemeene brief met deese te gelijk afgaande overgaat. Hierom neemen we de vrijheijd Uwen Hoog Edelhee= „den needrig in bedenking te geeven, of hoogst de= „zelven niet zouden kunnen goedvinden te bewilli „gen daar in, dat wanneer de Comp: goedvindse paarlbanken van Mannaar te doen visiteeren, ze daar van zal doen kennis geeven aanden Nibab, met bekendmaeking teffens van de tijd, wanneer die ten naasten bij staat te beginnen, en dat wanneer de Nabab als dan mogte goedvinden, twee of zelfs drie van zijne bedienden te zenden, op dat dezelve van de gesteldheid der banken mogten kunnen verkrijgen die kundigheeden, die hun naderhand bij het houden van de visscherij zouden kunnen van dienst zijn, in hunne directie over de tonies, die bij het houden van de visscherij aan den Nabab zijn toegestaan, deeze zij= „ne bedienden zullen worden toegelaaten, alleen voor hunne perzoonen, om te moogen meede gaan op de tonies, waar„ „meede sComps: gecommo: en zee gaan. Dit 1141 Dit schijnt den Nabab te moeten vergenoegen, wijl daar door zijne bedienden de volkoomenste geleegendheijd heb „ben, om de gesteldheijd der banken door eijgen bevinding te kunnen kennen; men zoude er tot meerder voldoening van den Nabab kunnen bijvoegen, dat deeze zijne be= „dienden, wanneer ze daartoe verzoek doen; zullen moogen present zijn, bij het openen van de opgedooken oesters, en zelfs bij het beëedigen van de rapporten, wan„ „neek hun zelfs alle de gevondene paarlen zouden kun„ „nen worden vertoond. Met hier bij expres te waar= „schouwen, dat met de visitatie niet zal worden ge„ „wagt na 's Nababs bedienden, en dat mits dien, daar =meede zal worden voortgevaaren, het zij ze in tijds komen of niet, zoude dit alleen zijn een condescenda= „ce, die geene ongeleegendheid, nog onaangenaame gevolgen na ons needrig inzien hebben kan. Men zoude hierbij nog kunnen bedingen, dat wanneer 's Nababs bedienden invoegen voorschreeven, bij de visi„ „tatie present zijn, 't 9:e articul van 't tractaat zal blijven buijten executie, indien er op zulk eene visitatie eene visscherij gehouden word= zonder dit of iets moogelijks te doen ; vrezen we voor nieuwe moeijelijkheeden op de madureesche kust, en we zullen het daarom misschien zelfs moeten over ons neemen, om bij de aanstaande handelingen met den Nabab, over de poincten, die voor de uijtwisse„ „ling No. 5 e Dit „ling der ratificatien moeten worden gereegeld, iets dier gelijks op 't welbehaagen van uwe hoog edelheeden toe testaan, alleen voor de naastvolgende visitatie, indien we den Nabab in het vriendelijke niet kun„ „nen beduiden, dat de in 't jongst voorjaar gehoude„ „ne visitatie, met zoo veel exactitude is gedaan, dat eene visitatie voor 't aanstaande najaar geheel onnoodig is. Ten deezen Gouvernemente is alles God dank in rust en vreede, alleen zijn omtrend met de helft van de Jongst gepasseerde maand, een partij inge„ „zeetenen van de Matureesche Dessavonij te zaamen gerot, voorgeevende verschijde klagten te hebben, ze houden zig tans booven Mature op, en doen geen ander quaad, dan hunne verpligte dienste te ver= „zuijmen. waar in hunne klagten eijgentlijk bestaan, weeten we nog niet regt, dog het schijnt dat ze wat te onvreeden zijn, over eenige inland „sche hoofde. We hebben den dessave Freth en den Negotie boekhouder Samlant na Mature ge= „zonden, om hunne klagten te onderzoeken en naar Bevinding aftedoen, waar van we het beste efcht verwagten, wijl deese misnoeg den zelve om eene Com„ „missie van Colombo verzogt hebben. we verwagten dit te meer, omdat, zoo we g'informeerd zijn zig bij deeze zamenrotting een groote partij menschen bevinden, die zig alleen uijt vreese daer bij hebben gevoegd op de bedrijging van de misnoegde, dat ze anders hun qualijk drt 1142 qualijk zouden behandelen. onder het schrijven deeses ontvangen we een brief van de Gaalsche bedienden van den 5=e deezer, die in extract hiernevens gaat, houdende onder anderen dat de bedienden hoope, en meenen verzeekerd te zijn, dat het zenden van voorsz: commissie, de beste gevolgen hebben, en dat 't onvergenoegd volk ook in mediaat na 't verhooren hunner beswaaren zig wel na hun „ne wooningen zullen begeeven; met bijvoeging, dat de Dessave van Angelbeek hadde bedeeld, dat reeds de misnoegde inwoonders allengskens bedaaren, en dat het toeschijnd dat ze moede worden, en ge= „noegzaam van zelve wel tot reede zullen komen uwe Hoog Edelh: gelieve mitsdien over dit voorval geen de minste ongerustheid te hebben wij beveelen uwe Hoog Edelh: en de belangens der Maatschappij in Godes vijlige hoede, en blijven met alle eerbied en trouwe /:onderstond:/ Hoog Edele Groot Achtbaare wijd Gebiedende Heer, Wel Edele Gestrenge Heeren! uwer Hoog Edelh:s onderdanige en zeer gehoorzaame Dienaaren /:was getekend:/ W: J: van de Graaff„ M: P: Raket, C: Tilenius, J: Reintous, B: L: van Litter, en J: A: vollenhove /:in mat„ „gine:/ Kolombo den 7:' Maij 1790: No. 5 ƒ Aan als vooren. Ten vervolge van het berigt noo¬ „pens de onaangenaamheeden in de Matureesche Des Javonij ont„ „staan, gegeeven bij onzen eerbiedigen Sekreeten brief van 7:e deezer, neemen wij de den Vrijheijd uwen hoog Edelheeden needrigst te bedeelen, dat on„ „ze gecommitteerdens, de Des„ „save Frett en Negotie boek„ „houder Samlant, reeds een en andermaal met de muijte„ „lingen in gesprek zijn geweest, en

NL-HaNA_1.04.02_3883_0035 view scan ↗

English

and that they give us hope that she will soon settle everything, provided that some of the requests of the gathered people are granted, as Your High Nobilities can see in more detail from their letter of the 13th of this month, which we received yesterday and which accompanies this in copy. Because we have received word today that our aforementioned commissioners have already returned to Mature, we have, in order that Your High Nobilities may still receive some further reports in this regard by this opportunity, authorized them to make a brief report to Your High Nobilities of the state of affairs and how far they have progressed with their commission to bring the people to tranquility. We commend Your High Nobilities and the interests of the Company to God's safe keeping, and remain with all respect and fidelity, stood below and signed as before in the margin: Kolombo, 18 May 1790. To as before. We have the pleasure to inform Your High Nobilities hereby that the unrest which, as appears from our respectful letter of 7 May, had arisen in the Matureese Dissavony, has been quelled. While this unrest was still continuing, considerable unrest also arose in two korles of this Dissavony, the Hapittegam and Alutkur Korle. There was even a party of ill-disposed persons in the Hina Korle who would gladly have stirred up some unrest, but all these things were restored to order fairly quickly and without much trouble. § 2. On all such occasions, the Sinhalese are accustomed to complain of excessively heavy lord's services, as appears, among other things, from the complaints made during the revolt in the time of Governor van Gollonesse and in that of the year 1757 in the time of Governor Schreuder. On this occasion these complaints were repeated again, to which, besides various particulars, this time were added violent complaints about working in the cinnamon and other plantations, and that the people, amid all these heavy burdens, were finally also called to an expedition to Baddegirie in the Magampattu to construct a dam there. § 3. All these complaints are spoken of at length in the papers that are now being forwarded regarding this, and we only remark here that, in order to judge the validity of the complaints of the Matureese inhabitants about excessively heavy lord's services in general, one only has to consider what there is to be performed, and how little the Company draws from the Matureese Dissavony, apart from the duty on the nelly and some other land products which are paid to the inhabitants. What mainly consists thereof is some small amount of timber that is delivered annually from the country. § 4. Working in the cinnamon and other plantations is certainly a novelty, and for that reason the usual maintenance has also been provided to those who have worked on them. That the people cannot be considered to have been noticeably burdened by this either is easy to conceive, if one compares the large multitude of the inhabitants of the Matureese Dissavony, over which this work was distributed, against the number of people who have been employed thereon for some time. § 5. Regarding the expedition to Baddegirie, besides the fact that it did not take place, no positive orders were ever issued by the Dissave, just as it was never our intention that any inhabitants of the Matureese Dissavony should be called to go thither, unless they were inclined to do so of their own accord. The Dissave had only informed the native chiefs that it was his intention to go in person to Baddegirie in the Magampattu to construct a dam there, and that it would be pleasing to him if each of them could provide some people inclined to do so. That these native chiefs should have employed any means of coercion for this purpose does not appear anywhere. It does not even appear anywhere that the inhabitants, however much they complained with great vehemence about this expedition, have provided a single piece of proof that anyone was forced into it against his will. This could therefore also be no motive to come to an uprising. § 6. Generally, when the common people are truly discontented, one perceives some traces of it beforehand, but on this occasion nothing was heard of it; at least, nothing of it came to our knowledge. We had no reason to think otherwise than that in the Matureese Dissavony the inhabitants were contented and well pleased. The harvest had been extraordinarily successful, and the people, especially of the Girreway, who formerly had been in rather distressed circumstances for several years, now lived in a kind of abundance. § 7. Yet no people is ever completely satisfied. Under the most equitable government one always finds discontented persons who, according to their way of thinking, believe they are wronged; and when there are ill-disposed persons who incite the people, these generally find only too much acceptance among the common folk, as experience has shown through all times and has also been demonstrated on this occasion. § 8. Among the leaders of the people, there have especially

Dutch transcription

17 en dat ze ons hoop geeven, dat zij alles spoedig zal schik„ „ken, mits aan het te zaa„ „men gerotte volk eenige hun„ „ner verzoeken worden toegestaen, gelijk Ue hoog Edelheeden dat naader zien kunnen bij er hunnen brief van den 13:e dee¬ „zer, die we gisteren hebben ont„ „vangen, en in kopij hiernee„ „vens gaat. hebben) Wijl we heeden berigt ont„ „vangen, dat voormelde onse No. 5 t, onse gecommitteerdens reeds te Mature zijn terug gekeerd, hebben we„ op dat uwe Hoog Edelheeden met deeze geleegendheijd nog toekomen eenige verdere berigten dien aangaande, hun geautoriseerd, om aan Uwe hoog Edelhee„ „den een kort verslag te doen van den staat der zaaken, em hoe verre ze gevorderd zijn, met hunne kommissie op het volk tot rust te brengen. Wij beveelen uw Hoog Edelheeden en de belan„ „gens der maatschappij in godes vijlige hoede, en blijven met alle eerbied en trouwe /:onderstond:/ en /: geteekend:/ als vooren /:in margine:/ kolombo den 18. Maij 1790. — Aan 1144 Aan als Vooren. S: V: Wa hebben het genoegen Uw Hoog Edelheeden door dee„ „zen te bedeelen, dat de onlusten die blijkens onzen eerbiedigen van den 7: Maij in de Matureesche Dessavonij waeren ontstaan zijn gestild. middelerwijl dat deeze onrust nog voortduurde is 'er in twee korls van deete Dessavonij de Hapittegam en Al„ „loet koerkorl, ook vrij wat onrust ontstaan. zelfs zijn er in de Hina Korl een partij quaadwillige ge„ „weest, die gaarne wat onrust zoude gestookt hebben, — dog alle deete dingen zijn nog al spoedig en zonder veel omslag weeder te regt gebragt. §: 2: Bij alle zulke geleegentheeden zijn de Zingaleesen gewoon te klaegen over te zwaere 's Heeren diensten, zoo als dat blijkt uijt de klagte onder anderen gedaan in den opstand ten tijde van den Heer Gouverneur van Gollo„ „nasse en in die van 't jaar 1757: ten tijde van den Heer Gouverneur Schrouder. Ter deezer geleegentheijd zijn deeze klagte weeder herhaald, waarbij behalven nog deeze en geene bezonderheeden ditmaal gekoomen zijn, hevige klagten over het werken in de kanneel en andere plantagien en dat het volk bij alle deeze swaare lasten eijndelijk nog geroepen was tot een togt na Baddegivie in de Magampattoe om daar een dam aanteleggen. §: 3: Van alle deeze klagte word in het breede gesprooken No 5 bij bij de papieren die tans daarvan overgaan, en we merken, daarover hier alleen aan, dat om te beoordaa¬ „len de gegrondheijd der klagten van de Maturee„ „sche ingetrekenen over te swaere 's Weeren dienstene in 't algemeen, men alleen heeft te bedenken wat daar te verrigten valt, en hoe weijnig, de komp: buijten de geregtigheijd der Nelie en eenige andere lands produk„ „ten die aan de ingeteetenen betaald worden uijt de Matureesche Delsavonij trekl. Wat hoofdzaekelijke daarvan bestaat in eenige weijnige houtwerken, die jaarlijks uijt 't land geleeverd worden. I: 4: Wat werken in de kanneel en andere plantagien is— zeekerlijk een nieuwigheijd, en zijn ook daarom daarin voor aan de geene die daaraan gewerkt hebben de gewoone mainctementos verstrekt. Dat het volk ook hiermeede niet kan g'agt worden mer„ „kelijk te zijn bezwaard, valt ligt te bedenken, als — men de groote meenigte der ingezeetenen van de Matu„ nreesche Dessavonij, waarover dit werk heeft geroulleerd, vergelijkt teegens het getal der luijden die daaraan zeedert eenigen tijd zijn geamploijeerd. §: 5: Tot de togt naa Baddegirie, behalven dat te geen voort 1145 voortgang; gehad heeft zijn nimmer eenige stellige beveelen door den Dessave uijtgevaardigt zoo als het ook nimmer onte intectie geweest is dat eenige ingezeetenen van de matureesche Dessavonie zoude worden geroepen om naa derwaards te gaan, ten zij te uijt zich zelve daartoe geneigt waeren. Den Dessave hadde alleen de inland„ „sche Hoofden kennis gegeeven dat het zijn voornee„ „mer was in pertoon naa Baddegirie in de Magampattoe te gaan om daar een dam aan teleggen, en dat het hem welgevallig zijn zouden indien een elk hunner eenig volk daartoe geneegt konde bezorgen. Dat ook deete inlaedse hoofden daartoe eenige middelen van contrainte zoude hebben te werk gesteld, blijkt vergens. Wet blijkt zelfs nargens dat de ingeste„ „tenen, hoe zeer ze zig ook over deeze togt met veel havigheid hebben bezwaard, een enkeld bewijs hebben opgegeeven, dat iemand daartoe teegens zijn Dit konde dies ook geen mo„ wil is genoodzaakt. „atief zijn om tot een opstand te koomen. §: 6: Doorgens bespeurt men bij het gemean wanneer het werkelijk misnoegd is, daarvan voor af eenige No. 5 geen t eenige spooren, doch ter deezer geleegeidheijd heeft man daarvan niets vernoomen, ten minsten is daarvan niets tot onze kennis gekoomen Wij hadden geen reeden om anders te denken dan dat in de Maturascha Dessavonij de ingeteetenene vergenoegd een wel te vreesen waeren. Denoogst was ongemaan wel geslaagt, en het welk inton„ „derheijd van de Girrewaij, dat eertijds verschijde jaeren in vrij kommerlijke omstandigheeden geweest was, leefde nu in een zoort van overvloede §: 7: Geheel te vreeden is nogtans nooijt geen volk. Onder de regtmaatigste Regeering vind men altoos mis„ „noegden, die naar hunne wijze van den kan, mee„ „nen te zijn verongelijkt, en wanneer er kwaelijk ge„ „zinden zijn die het volk opruijen, vinden deete doorgens niet dan te veel ingang bij het gemeen, Zoo als dat door alle tijden haan de bevinding heeft getoond, en ook in deeze geleegentheijd gebleeken is. §: 8: Onder de aanvoerders van het volk hebben zig voor„

NL-HaNA_1.04.02_3883_0041 view scan ↗

English

chiefly made known, one Don Simon Arraetje, his brother named Don Konstantijn, and one Madoegodde Appoe, who also confess that they have been the instigators of the people. The father of the first two was likewise a prominent leader of the rebellions of that time in the Sinhalese war from the year 1760: to 1765:, for which he was afterward granted a village in the Disavony of Saffergam by the late deceased Kandyan King, which his descendants still possess to this day. The aforementioned two brothers are both bold and enterprising fellows, and Madoegodde Appoe, also a very bold lad, is a well-known longtime evildoer who has had to be punished more than once for his crimes. §: 9: That the purpose of these people and several others who agreed with them in inciting this rebellion was mainly to have themselves raised to posts of honor, to which they, on account of their particular connections, could in no way have had any prospects, has afterward become most clearly evident: Point 10: Our Commissioners, the Disava of Colombo Graaf and the Trade Bookkeeper Samlant, after having heard the complaints of the inhabitants, had a mandate ola published in the country, which is included among the annexes of this document and has been approved by us. One seemed to have reason to expect that the recalcitrants would have been satisfied with the reasonable arrangements made therein and thereby brought to a standstill, or that they at least would have promptly stated the further reasons for their discontent upon the express invitation made in this mandate, that if there were any matters in which, according to the people's opinion, some provision still needed to be made, they could state them, with the promise that proper attention would be given to them; they did neither the one nor the other. §. 11: Notwithstanding the publication of this mandate, and that our aforementioned Commissioners had thereby, by virtue of the authority conferred upon them by us, granted remission of offenses without any exception or condition, provided that everyone behaved henceforth as becomes good and obedient inhabitants, the unrest nevertheless continued. §. 12: Although everything now seemed to have been done that could in any way serve to satisfy the inhabitants, the restless crowd nevertheless did not calm down, and also did not seem willing to declare what they further desired. §: 13: We therefore did not see how we could further employ our aforementioned Commissioners in a proper manner to bring the recalcitrants to peace by gentle means. §: 14: Because of the unrest that had meanwhile also arisen in the Colombo Disavony, of which mention was made above, the presence of the Colombo Disava was needed on this side, and since the Gentlemen of the military commission were now on the point of departing for Trincomalee and consequently the presence of Commander Sluijsken at Galle could be spared for a short time, we wrote to him to cross over himself to Matara, to see if this might perhaps bring about some changes for the better; but notwithstanding all well-intentioned efforts also made by him, everything remained in great uncertainty for a long time yet. §: 15: Probably Don Simon Arraetje and those who agreed with him did not dare to come out immediately with what they intended for themselves. This would have unmasked them too early among the people. It was therefore in their interest to keep the unrest going for the time being. §: 16: To this one may perhaps attribute that Don Simon Arraetje, who on account of the aforementioned village in the King's country that was formerly granted to his father has some connections in Kandy, seeing that he and his party would otherwise no longer be able to control the game, made use of these connections to make the people believe that he could work wonders there. §. 17: He, or at least some emissaries of his and his party, have actually been to Kandy up to two times, and although they were already turned away there on the first journey, they nevertheless undertook the second expedition to keep the people in their interest by making them believe that they had been favorably received there, in order to accomplish their aims in the meantime. §: 18: Whether the malice of this man and that of his faction went so far that they made attempts to embroil the Company in unrest with the Court, we cannot say. We can hardly even think so, since the Company's inhabitants, and especially the Headmen, still retain a strong impression of the misfortunes they formerly brought upon themselves thereby, and of the contempt that the Headmen in general had to endure from the haughty Kandyans, who at that time looked down upon them all as a rabble of wretched people who could bear no comparison with them. §: 19: However this may be, this much is certain: that as soon as Don Simon Arraetje and those of his faction saw that the Court of Kandy did not take up their cause, they immediately became more manageable. It is likely that they had fairly high expectations of high promotions, but now they were content with less, and as soon as a promise was made to them that they would be elevated to some offices, as among others Don Simon Arraetje to mohandiram and Head of the Kandebodapattu, they changed their tone considerably. §: 20: Commander Sluijsken had meanwhile still

Dutch transcription

1146 voornamentlijk bekend gemaakt, eenen Don Simon Arraetje, zijn broeder genaamd Don Konstantijn en eenen Madoegodde Appoe die ook bekennen dat zij de opstookers van het volk geweest zijn. De Vader van de twee eerste was in den Zingeleeschen oorlog van 't jaar 1760: tot 1765: insgelijks een voornaam aanvoerder der bevoertens van dien tijd, waarvoor hem naadarhand door den laatst overlee„ „dene Mandiasche Koning geschonken is een dorp- in de Dessavonie van Saffergam dat zijne naam „koomelingen nog heden ten daege bezitten. De voorsz: twee broeders zijn bijde stoute en onder„ „neemeede gaften, en Madoegodde Appoe ook een zeer stoute knaap, is een van ouds bekende kwaaddoender die om zijne misdaeden meer dan eens heeft moeten worden gestraft. §: 9: Dat het oogmerk deezer luijden en meer andere die met hun eens waeren in 't verwekken van deeten opstand, hoofdzaakelijk gewaast is, om zich No 5 zich te doen verheffen tot posten van eere, waartoe ze uijt hoofde van hunne bezondere valatien, onderzints geene— uijtzigten konden hebben, is naaderhand op het duijde„ „lijkste gebleeken: P„n 10: Onte Commissarissen de Dessave van Molombo Gvatt en de Negotie Boekhouder Samlant deeden, naa dat ze de klagten der ingeteetenen hadden aangehoord, in het land publiceeren een mandaat ola die onder de bijlaagen deezes overgaat en door ons is geapprobeert. Men scheen met gronds te moogen verwagten, dat de voorder„ „hoorigen in de reedelijke schikkingen daarbij ge„ „maakt, zouden hebben genoegen genoomen en daar„ „door tot stilstand zijn gebragt, of dat ze ten minsten de verdere reedenen van hun misnoegen spoedig zouden hebben opgegeeven op de expresse uijtnoodiging bij deeze mandaat gedaan, dat zoo 'er deeze of geene dingen zijn mogten, waarin naer 's volks meening nog eenige voorziening diende te worden gedaan, te dat konden opgeaven, met toezegging dat daarop behoorlijk zoude worden gelet- te deeden nog het een nog het ander„ §. 11: Niet teegestande de publicatie van deete mandaat, en dat @ 1147 dat voorsz: onte Commissarissen daarbij uijt hoofde van de magt door ons op hun geconfereerd gegeeven hadden uitwis„ „sing van missaad, zonder eenige uitzondering of bepaaling, mads dat een elk zig voortaan gedroeg zoo als dat goede en ge„ „hoorzaame ingeteekenen betaamt, bleef nogtans de onrust voortdueuren §. 12: men schoon nu alles te hebben gedaan wat eenig zints setrek kan konde om de ingeteekenen genoegen te geeven, de onrustige hoop kwam nogtans tot geen bedaeven, en scheen zig ook niet te willen verklaaren wat ze verder begeerde §: 13: W= zaage dus niet op wat wij te voorsz: onte Commissarissen verder op eene betaamelijke wijze konden te werk stellen om de weederhoorigen door zagte middelen tot rust te brengen. §: 14: Om de onrust ook in de Holaubosche Dessavonie middeler„ „wijl ontslaan, waarvan hier boven gesprooken is, was de presentie van den Kolemboschan Dassave aan deeze kant noodig, en wijl de Weesen van de militaire Commissie nu op huen vertrek stonden naa Grukonomale en dat mids„ „dien de presentie van den Kommandeur Sluijsken te Gale voor een korten tijd konde worden gemist, schreeven we hem aan om zelve eens over te stappen naa Mature, of dit zomtijds eenige veranderingen ten goede mogte kunnen voortbrangen, dog niet teegenstaande alle wel mae„ „nende poogingen ook door hem aangewend bleef alles e No. 5 den zoude dat nog nog een tijd lang in groote onzeekerheijd. §: 15: Waarschijnlijk dorsten Don Simon Arraetje en die het met hem eens waeren niet aanstonds uijtkoomen met het geen ze voor hun zelve beoogden. Dit zoude hier te vroeg bij het volk hebben gedemaskeert. Wet was dees van hun belang om de onrift voor eerst te doen voortduuren. §: 16: Hier aan mag men het mitschien toeschrijven, dat Don Simon Arraetje, die uijt hoofde van het voorsz: doop in 's konings land dat aan zijn vader eertijds geschonken is eenige velaatien in Mandia heeft, ziende dat hij en de zij„ „nen buijten dien het spel niet langer zouden kunnen meester blijven, zig van deeze velaetien heeft bedient, om het volk te brengen in den waar, dat Wij daar wonderen doen konde. §. 17: Wij of ten minsten eenige afgetondenen van hem ende zijne, zijn werkelijk tot twee maelen toe in handia geweest, en schoon te reeds de eerste rijzte daar zijn afgewaeken, hebben ze nogtans de tweede togt ondernoomen om het volk in hunne belangens te houden, met het zelve diets te maaken dat ze daar gunstig ontvangene waeren, ten einde intusschen hunne oogmarken te kunnen voltooijen. §: 18: Of de boosheijd van deezen man en die van zijnen aan„ „hang, zoo verre gegaan is dat ze poogingen zouden gedaan 1148 gedaan hebben om de komp:ee met het Hof in onrust te brengene kunnen we niet zeggen. Wa kunnen het zelfs kwaalijk denken, wijl 's: Comp=s ingezeetenen en inzonderheijd de Hoofden nog altoos een groote indruk behouden van de ongelukken, die ze zig eertijds daardoor hebben op den hals gehaald, en van de veragting die de Hoofden in het algemeen hebben moeten ondergaan van de hoog„ „moedige Mandiaenen, die ter dier tijd op hun alle nee„ „dertaegen als op een hoop slegt volk dat bij hun in geen vergelijk koomen kan. §: 19: Wat ook hiervan zij, dit is zeeker, dat zoo dra Don Simon Arraetje en die van zijn aanhang gezien hebben, dat het Hof van Randia zig hunne zaak niet aantrok, aanstonds handelbaarder geworden zijn. Wet is waerschijnlijk dat ze vrij groote uijtzigten op hooge bevorderinggen gehad hebben, dog nu lieten te zig met minder vergenoegen, en zoo draa hun toezegging gedaan is, dat ze tot eenige ampten zouden worden verhee„ „ven gelijk onder anderen Don Simon Arraetje tot mohandiram en Hoofd van de kandebaddepattoe, ver„ „anderden te merkelijk van toon. §: 20: De Commandeur Sluijsken hadde middelerwijl nog No. 5 tusschen n aan„ in „

NL-HaNA_1.04.02_3883_0046 view scan ↗

English

received certain points wherein the inhabitants requested relief, and now that We found affairs to be in such a state that We could have a further mandate proclaimed with hope of good success, he has done so, and upon the proclamation of this mandate the inhabitants returned to peace, and the principal Headmen who were thereupon sent to the Morls were ordered to guard against all further disorders, and that the Company's services are again performed properly. Section 21: The proceedings of our Commissioners, the Senior Merchant Fretz and the Merchant Samlant, are circumstantially described in a document which they, in accordance with the orders received from us, have handed over to the Commander Sluijsken with various appendices, which, as well as this document itself, are transmitted herewith in copy, and to which matters we request permission to refer ourselves here in order to avoid too great prolixity. Section 22: What has since been performed by the Commander Sluijsken is very diffusely described in his secret report, which, together with two letters received at the same time, namely one of 31 July and one of the 5th of this month, has been inserted in our secret resolutions of the 12th, 16th, and 21st of this month, to which and to our resolutions taken thereupon we likewise take the liberty to refer ourselves here, and we only remark here further that we have caused the Senior Merchants Rakat and van Angelbeek to exchange offices, appointing the first as Dessave of Mature, and the second as First Head Administrator of Kolombo, not because anything had come before us in the conduct of the Dessave van Angelbeek that should have recommended this removal, but solely out of consideration that the chief instigators of the revolt might sometimes have a secret fear that their many and far-reaching outrages, although forgiven, would be less forgotten by a Dessave under whose eye they were committed than by a new Dessave to whom their persons are less known and who was no eyewitness thereof. Section 23: In the aforesaid letter of the 5th of this month, Commander Sluijsken not only states that very many native Headmen appear to him, if not proven fully guilty, at least to lie under the strongest suspicion, but also that according to his notions the most cautious and strongest measures must be taken against them. How far these thoughts are well-founded we cannot yet determine for the present. Beyond what appears concerning this in some documents that are bound behind the report of Commander Sluijsken, no evidence thereof appears, other than merely that these accused Headmen seem to have acquitted themselves of their duty, especially in the beginning, with rather little zeal. Section 24: This is certainly somewhat questionable, yet on the other hand it is difficult to conceive what could have moved these Headmen to such criminal steps as are laid to their charge in the aforesaid documents behind the report of Commander Sluijsken. These accused Headmen are of the first families in the Company's lands. They are all, in particular, prominent people of great means, of whom one can hardly think that they would have ventured themselves in so imprudent a manner. Section 25: Because it is nevertheless possible, and in case they should be guilty they ought to be removed from the Maturese Dessavony as soon as possible, we have written to Commander Sluijsken on the 17th of this month concerning this and concerning the obtaining of the further necessary evidence, in the letter which is transmitted in copy among the appendices, to which and to the answer received thereto of the 20th of this month, which likewise accompanies this in copy, we request to refer ourselves, as well as to yet a further letter written to Commander Sluijsken on the 24th of this month, which also lies enclosed in copy. Section 26: From the aforesaid letter of Commander Sluijsken of the 20th of this month, we cannot, however, fail to notice what is stated therein, namely that in Kolombo, if one wishes to take the depositions into consideration, the root of all the evil is to be found, which, if anything had to be done, one should certainly have to tackle first. We found this statement so mysterious that we have requested a further clear and direct explanation concerning it. This matter is of too much importance for us not to have it thoroughly cleared up to the bottom. We shall therefore hold Commander Sluijsken to doing this, and if we still receive an answer from him in time, we shall communicate it at the foot of this letter, or otherwise in the very next letter. Section 27: When the gatherings at Mature were still quite violent, we were informed that, as has already been noted above, some of the Maturese lesser Headmen had betaken themselves to Candia in order to seek refuge there, as is often wont to happen on such occasions. Section 28: As soon as this became known, the first undersigned Governor

Dutch transcription

ingekreegen eenige pointen, waarin de ingeteetenen voor„ „ziening verzogten, en nu Wij de zaeken bevond te wee„ „zen in die termen, dat Wij met hoope van goed succes een naader mandaat konde doen afkondigen, heeft hij het gedaan, en zijn op de afkondiging van deeze mandaat de ingeteetenen tot ruest gekeerd, en de principaale Hoofden die daarop naa de Morls gezonden zijn, zijn gelast om te zorgen teegens alle verdere disorders, en dat 'sComp=s dienisten weederom naa behooren worden verrigt. §: 21: De verrigtingen van onte Commissarissen de Oppar„ „koopman Fretz ende koopman Samlant zijn om„ „standig beschreevene bij een geschrift, dat dezelve vol„ ngeees de van ons ontfangene last aan den Kom„ „mandeur sluijcken hebben ter hand gesteld met ver„ „schijde bijlaegen die zoo wel als dit geschrift zelfs in copij hiernevens overgaan en aan welk een en ander wij verlof vertoeken ons ter vermijding van al te groo„ „te wijsloopigheijd hier te moogen gedraegen. §: 22: Het zeedert verrigte door den Commandeur Sluijsken is zeer wijdloopig beschreeven bij zijn gheijm rapport, dat neevens 1149 neevens twee brieven daarmeede tegelijk ontfangen als een van den 31: Julij, en een van den 5: deezer is geinse„ „reerd bij onze secreete resolutien van den 12: 16: en 21: deeser, waaraan en aan onze daarop genoomene resolutien we insgelijks de vrijheijd gebruijken ons hier te gedraegen, en merken hier nog alleen aan, dat we de Opperkoop¬ „lieden Rakat en van Angelbeek van diensten hebben doen changeeren, met de eerste te benoemen tot Dessave van Mature, en de tweede tot H=l Hoofd Administrateur van Kolombo, niet om dat ons in de verrigtingen van den Dassave van Angelbeek iets zoude zijn voorgekoo„ „men dat deeze verplaatzing zoude hebben behooren aanteraaden, maar alleen uijt consideratie dat de hoofd¬ „belijdens van den opstand, zomtijds eene heimelijke vreeze konden hebben, dat hunne veele en verregaande baldaadigheaden schoon vergeeven, minder zoude worden vergeeten bij een Dassave onder wiens oog ze zijn gepleegd, dan bij een nieuwen Dessave, bij wien hunne perzoonen minder zijn bekend, en daar„ van geen oog getuijgen geweest is. 3: 23: No. 5 §: 23: Bij den voorsz: brief van den 5: deeter, zegt den Commandeur sluijsken niet alleen dat zeer veele inlandsche Hoofden hem voorkoomen, indien niet volkoomen schuldig beweezen, ten weijnigsten onder de sterkste suspitie te leggen, maar ook dat naa zijne begrippen teegens dezelve de voor„ „zigtigste en starkste maatvreegelen moeten worden genoomen. Hoe verre deeze gedagten gegrond zijn kunnen we voor het teegenswoordige nog niet bestammen. Buijten het geene dat daarvan voorkomt bij eenige stukken die agter het rapport van de Commandeur Sluijsken zijn ingebonden, koomen daarvan geene blijken voor„ dan alleen dat deeze daarbij beschuldigde Hoofden zig vooral in dene beginne met vrij wat wijnig ijver, van hun pligt schijnen te hebben geaquiteert. §: 21: Ddit is zeekerlijk wat bedenkelijk, dog het is aan de andere kant niet wel te bedenken, wat deeze Hoofden zoude hebben kunnen brengen beweegen tot zulke misdaedige Pappen, als hun bij de voorsz: stukkan agter het rapport van de Commandeur Sluijoken 1150 sluijsken te vinden zijn ten laste gelegt. Daate be„ „schuldigde Hoofden zijn van de eerste famieljes in 's Comp=s : land. te zijn alle inzonderheijd Tinne thoon luijden van veel vermoogen van welke man kwaalijk kan denken dat ze zig op zoo een onvoor„ „zigtige wijze zouden hebben gewaagt. §: 25: Wijl het nogtans moogelijk is, en dat in gevalle te mogten schuldig zijn, ze hoe eer zoo beeter uijt de Matureesche Dessavonie dienen te worden verwijdert, hebben wij over, en over het inwinnen van de bewijzen die voorts noodig zijn, aan de kommandeur Sluijsr „ken den 17: deezer geschreeven den brief, die in Copij— onder de bijlaagen overgaat, waaraan en aan het daarop ontfangen antwoord van den 20: deezer, dat insgelijks in„ copij hiernevens gaat, we verzoeken ons te moogen ge„ „draegen, alsmeede aan nog een naaderen brief den 24:— deeter aan den Commandeur Sluijsken geschreeven, die ook in kopij hiernevens legt. §: 26: Uijt de voorsz: brief van den Commandeur sluijsken van den 20: deezer, kunnen we nogtans niet voorbij aan„ „te No. 5 „temerken het daarbij gezegde, dat te kolombo, indien men het gedeponeerde in aanmerking neemen wil, zig de wortel van al het kwaade zoude bevinden, die men zoo er iets moest gedaan worden, zeekerlijk het eerst zoude en moeten aantasten. We hebben dit zeggen zoo geheim zinnig gevonden, dat we derweegens eene naadere duijdelijke en regtstreekse verklaering gevraagd hebben. Deete zaak is van te veel gewigt dan dat we die niet tot uit de grond zoude doen ophelderen. We zullen er midsdien den Commandeur sluijsken toe houden dat Wij dit doed, en zoo we nog tijdig genoeg antwoord van hem ontfangen, zullen we het aan den voet dee„ „zes bedeelen, of anders bij den eerst volgenden brief„ §: 27: Toen de zaamenrottingen te Mateere nog vrij heevig waeren, wierden wij geinformeerd, dat zig zoo als dat reeds hier boven is aangemerkt, eenige van de Matu„ „veesche mindere Hoofden naa Randia hadden begeeven om daar gelijk dat veel al bij zulke geleequedheeden pleeg te geschieden, heul te zoeken. §: 28: zoo dra dit bekend wierd, heeft de eerst ondergeteekende Gou„ E

NL-HaNA_1.04.02_3883_0051 view scan ↗

English

The Governor caused the first First Adigar of the realm to be spoken to on the matter, who holds the principal administration in Kandia in his hands, and in his capacity as Dessave of the Three and Four Korles has been the first ambassador to Kolombo during the past 5 years. Section 29: This man had the Governor assured repeatedly that one could rely on his goodwill, that he would see to it that nothing unfriendly occurred, and that he in particular would ensure that the people of Mature were sent back without the least hearing being given to them. Section 30: We also had no reason to distrust the honesty of this man. Of his well-disposed attitude toward the Company he has given proof on more than one occasion. He has done this especially in the matter of the beaches, wherein many court dignitaries and among them principally the late second First Adigar of the realm have repeatedly shown themselves to be less peaceable and moderate than he. Section 31: Meanwhile a multitude of rumors spread here, as is commonly the case under such circumstances. Section 32: The lesser headmen from the Mature Dessavony who had been to Kandia the first time, according to the reports we received thereof, spread among the people upon their return that they had been favorably received in Kandie, and that the Court was about to take up their cause, and although it was afterwards demonstrated most clearly that this was mendaciously spread by them, it seemed to make a great impression for that time. They had the audacity to send another mission to Kandia, to pursue their dealings with the Court, as they claimed, and hereby kept the people agitated. Section 33: Herewith we received report from Trinkonomale that the Patawe Wannia, whose land borders on the Company's boundaries there, had caused some posts to be planted on the Company's land, with the declaration that the King's boundaries extended that far, and when he was asked the reasons for this, he described in his answer the Company's boundaries as they were before the war. Section 34: A Kandian priest wrote an ola to an inhabitant of Nigombo, which he immediately handed over to us, to incite the Nigombo people to rebellion. It was drawn up just as if he had been ordered thereto from Kandia, and from Silau we received report that on the boundaries of the King's land one or two resthouses were being built, which was shortly thereafter followed by another report that a Kandian Dessave had arrived there. Section 35: Upon investigation it has since been found that the Silau reports were mere tales, and that the one who was said to be a Dessave was merely a Moorish servant of the Court, sent to make some domestic arrangements. Section 36: The resthouse of which the Silau reports speak has been found to be a small lodging that was erected for this man in the Seven Korles, a few hours distant from the Company's boundary. Section 37: Regarding the setting of some posts by the Patawe Wannia on the Company's territory, nothing else has appeared than that this was an unauthorized act of this man, and that he did this same thing once before some years ago, when the posts set by him were pulled up and thrown away, as was also done this time, without anything further occurring over it. Finally, regarding the writing of the aforementioned Kandian priest, nothing else has appeared than that it occurred without the knowledge of the Court. According to the reports received thereof, the Court not only took this deed very amiss, but even had him fetched and brought bound to Kandia. Section 38: But before we yet had these clarifications, all these reports, and the fact that the Mature inhabitants remained just as intractable despite all efforts made and reasonable conduct, made us somewhat uncertain. Section 39: We did not know to what we should attribute so much obstinacy, and therefore began in some measure to incline toward the thought that the principal instigators of the unrest really expected support from Kandia, and that they perhaps might have engaged themselves so far with the Court that they were thereby restrained from listening to any proposal, however reasonable. Section 40: We indeed did not distrust the honesty of the first First Adigar of the realm, nor the sincerity of the emphatic assurance that he had repeatedly caused to be given to the first undersigned Governor, but it appeared somewhat doubtful to us whether other court dignitaries, who think less moderately than he, might not be able to raise a faction against him that could at times become too strong for him. Section 41: Therefore, in order to obtain more certainty on this matter, we not only caused our Dessave to write to the King's Dessave of the Three Korles the letter that is forwarded among the annexes, and whereby Your High Mightinesses will see, among other things, that by virtue of the treaty we demanded the surrender of the rebellious persons among the Company's inhabitants who might be in Kandia, but the first undersigned Governor also wrote to the first First Adigar of the realm the letter which is still among the

Dutch transcription

1151 Gouverneur daarover den eersten Rijks Asigaar doen onderhouden, die het voornaame bewind in Randia in handen heeft, en in zijne qualitijt van Dassave van de drie en vier korles geduureerde de jongste 5: jaaren als eerste Afgezant te Kolombo geweest is. §: 29: Deete deed de Gouverneur bij herhaaling verteekeren, dat men op zijn welmeenendheijd staat maaken konde, dat Wij zoude zorgen dat 'er niets onvriendelijks — voorviel, en dat Wij in het bezonder zoude zorgen dat het volk van Mature, zonder dat daaraan het minste gehoor wierde gegeeven, wierd terug gezonden. §: 30: We hadden ook geen reedenen om de eerlijkheijd van — deeten man te mistrouwen. Van zijne welgetint„ „heid teegens de komp:e: heeft hij in meer dan eene ge„ „leegeretheid blijken gegeeven. Wij heeft dit inzonder„ „heijd gedaan in het stuk der stranden, waarin veele Hofsgrooten en onder dezelve voornaamentlijk den overleeden tweeden Rijks Adigaar te meermaalen getoond heb„ „ben, minder vreedelievend en gemaatigd dan Wij te den ken„ §: 31: Jntusschen versprijde zig hier een meenigte geruchten, zoo No 5 als als dat in zulke geleegentheeden gemeenlijk gaat. §: 32: De mindere Hoofden uijt de Matureesche Dessavonie die de eerste maal naa Mandia geweest waeren, versprij„ „de naar de berigten die we daarvan ontfingen, bij hun tenig komst onder het volk, dat ze in kandie gunstig waeren ontfangen, en dat het Hof zig haar zaak stond aantetrekken, en schoon het naaderhand op het duijdelijkst gebleeken is, dat dit leugenagtig door hun is verbreijd, schaen dat voor dien tijd hael veel indruk te maaken. te hadden de koenheid om andermaal een bezending te doen naa Kandia, om, zoo als te voorgaven, hunne handelingen met het Hof te vervolgen, en hield hierdoor 't volk aan de praat„ §: 33: Wierbij ontfingen wa van Trinkonomale berigt dat de Patawe Wannia wiens land grenst aan 's Komp:s d: limieten aldaar, eenige stokken hadde laeten, # straken op 's komp:s : grond, met aanzegginge dat 's konings limieten tot zoo verre gingen, en toen 1152 toen hem de reedenen daarvan wierde gevraegd, beschreef Wij bij zijn antwoord, 's komp=s lemieten zoodaanig als te waeren voor den oorlogs §: 34: Een Mandiasche Priefter schreef een ola aan een ingezeen „tene van Nigombo die te aanstonds aan ons overgaf, om het nigombose volk tot opvoer te verwekken. De zelve was ingesteld even als of Wij uijt Randia daartoe was gelast, en van Silau ontfingen we berigt, dat op de limieten van 's konings land een of twee riest„ „huijsen wierden gebouwd, dat kort daarnaa ge„ „volgd wierd van een ander bericht dat 'er een kan„ „diasche Dessave was aangekoomen. §: 35: Bij onderzoek is wel zeedert bevonden; dat de Si„ „lause berigten enkelde vertelsels geweest zijn, en dat die geene die gezegt wierd een Dessave te zijn, enkeld geweest is een Moors bediende van het Hof gezonden om eenige huijselijke bestallin„ gen te doen. §: 36: Wat rusthuijs waarvan de Silauwsche berigten spreeken, is bevonden te woeten een klein ver„ „blijf No 5 N 2 M ƒ „blijf dat voor deezen man is opgeslaegen in de zeeven korls eenige uuren verre van 's: Comp=s - limiet. §: 37: van het zetten van eenige stokken door de Patawe Wannie op 's komp=s gebied, is niets anders gebleeken, dan dat zulks geweest is een ongequalificeerd bedrijf van deeten man, en dat Wij dit zelfde nog eens gedaan heeft eenige ijveren geleeden, toen de door hem getalte stokken zijn uijtgetrokken en weggesmeeten, zoo als— het ook ditmaal is gedaan, zonder dat daarover verder iets is voorgevallen. Eindelijk is van het schrijven van voorsz: kandiasche Priefter ook niets anders gebleeken, dan dat het is geschied buijten kennis van het Hof- Naa de berigten daarvan ontfangen, heeft het Hof deete daad niet alleen zeer euvel opgenoomen, maar heeft hem zelfs doen ophaelen, en gevleugeld brengen naa Randia. §: 38: Dog voor dat wa nog die onderrigtingen hadden, maakten alle deeze berigten, en dat de Maturasche ingeteetenen niet teegenstaande alle aangewende porgingen en reedelijke handelwijze even onhandelbaar bleeven, ons wat onzeeker„ §: 39: We wisten niet waaraan we zoo veel halsstavrigheijd zouden toeschrijven, en begonden dies eeniger maaten te neijgen tot de gedagten dat de Hoofd belijdens van den onrust werkelijk ondersteuning uijt kandia verwagten en 1153 en dat ze zig misschien zoo verre met het Hof konden hebben ingelaaten, dat ze daardoor wierden weederhouden om naa eenige voorslag en hoe reedelijk ook, te luijsteven- §: 40: We mistrouwden de eerlijkheijd van den eersten Rijks Adigaar wel niet, nog de opregtheijd van de naadrukkelijke verteekening die Wij den eerst ondergeteekende Gouver„ „neur bij herhaaling hadden laaten doen, dog het kwam ons eenigsints twijffelagtig voor, of niet andere der Hofsgrooten die minder gemaatigd dan hij denken, een parthij teegens hem zouden kunnen verwekken die hem zomtijds te sterk konde worden. §: 41: We hebben daarom ten eijnde op dit stuk meer zeeker„ ƒ „heijd te erlangen niet alleen door ontrie Dassave aan s' Konings Dessave van de drie Korles doen schrijven den brief die onder de bijlaagen overgaat, en waarbij Uwe Hoog Edelheeden onder anderen zullen zien, dat. — we uijt hoofde van het tractaat hebben opgewischt de weederhoorigen van 's komp=s ingezeekenen, die zig in kandia mogten bevinden, maar heeft ook den eerst ondergeteekende Gouverneur aan den eersten Rijks Adigaar geschreeven, den brief die nog onder de No 5

NL-HaNA_1.04.02_3883_0056 view scan ↗

English

transmitted in the enclosures. § 42: Contrary to the custom of the Court, we immediately received an answer to this; copies of these answers are transmitted in the enclosures. And since, even before we received these answers, tranquility had already been restored in the Matara Dessavony, which certainly would not have happened if Kandy had had a hand in it, one seems to be able to rely all the more on the assurance appearing in these answers that the Court has not meddled with the Company's restless inhabitants, and that the actions of the Patabenda Wannia occurred without the knowledge and therefore without the order of the Court. The sending to fetch the Kandyan priest mentioned above is a further proof of this. This sort of people is so greatly respected in Kandy that they must make quite a serious mess of things before anyone lays hands on them. § 43: In the answer of the Dessave of the Three Korales, several matters appear that serve to be answered, and we shall also do so. Never have we meddled with the King's disobedient subjects, nor to our knowledge are any of the King's subjects guilty of rebellion within the Company's territory. There are only, since a great series of years, two persons residing in Company land whom it is said are of distinguished descent; however, these have fled because of family disputes, not for any crimes against the King, at least as far as is known to us. They have been reclaimed a few times, and it was then said that inquiries would be made concerning them. We care nothing for these people, but they would have the greatest persecution to expect from their family if we were to hand them over. § 44: We have already remarked at the beginning of this document that there was also a fair amount of unrest in the Alutkuru Korale and in the Hapitigam Korale. Even the fishermen of Negombo, known of old as bold fellows, encouraged by the Matara disturbances, demanded in a very turbulent tone that they might once again be placed under headmen of their own caste, which was abolished about 20 years ago for good reasons. A small disturbance that occurred in the Gangaboda Pattuwa of the Galle Korale was quickly settled. § 45: In conclusion of this and for a better understanding of what appears in the letter from the First Imperial Adigar regarding the arresting of some Company inhabitants from the Hewagam Korale, we briefly note here that, although the Hewagam Korale—which is the largest and most populous korale of the Colombo Dessavony, and with which in former restless times one sometimes had quite a lot of trouble—remained in tranquility, there were nevertheless a party of bold fellows from two or three villages located close to the borders of the King's land who, after having first committed some wanton acts, seized three or four inhabitants from the Hewagam Korale, known as good and peaceful people, and brought them into a temple at Algama in the Four Korales, from which, according to the custom of the Kandyans, they could not be set at liberty again without the express order of the Court. As soon as this incident became known in Kandy, the necessary orders were issued to deliver these people up, as was done, as appears from a report of two Aratchies, a copy of which is annexed hereto. § 46: At the request of the former First Principal Administrator van Angelbeek, in a petition accompanying this in copy, we have granted further inspection and, if necessary, a copy of the aforementioned secret report of the Galle Commander Sluysken, in order to be able to explain himself further in writing on the matter; and, at his request, we have also demanded a conscientious statement from the retired Galle Authority Kraijenhoff as to whether, during the time he was still in the administration of the Galle Commandment, any complaints had come before him against him, van Angelbeek, or any indications of irregularities in his administration of the Matara Dessavony; and this statement is also annexed hereto in copy. § 47: Furthermore, we enclose herewith a copy report of the Colombo Dessave Fretz, serving to clarify several articles of the aforementioned secret report, in which the proceedings of him and of the Trade Bookkeeper Samlant, as our commissioners for the Matara affairs, are discussed. § 48: In our letter written to our said Commissioners on 21 June, we have already expressed to them our satisfaction with their faithful and well-meaning proceedings, and since then nothing has come to our attention whereby this our expression would not have been deserved in the most extended sense. Their aforementioned report is a further proof that they have acted with great uprightness. We commend Your High Right Honourables and the interests of the Company to God's safe keeping, and remain with all respect and fidelity. /:Signed below as before: / In margin /: Colombo, 27 August 1790: / Lower P.S. /: After the closing of this, we further received the separate secret letter of Commander Sluysken, written on the 27th of this month, a copy of which is annexed hereto, on which we, for the

Dutch transcription

de bijlaagen overgaat. §: 42: Teeggers de gewoonte van het Hof, hebben we daarop aanstonds antwoord ontfangen van dee te antwoorden gaande copijen onder de bijlaegen over, en wijl voor dat we nog deeze antwoorden ontfingen, de rust in de Matureesche „geer Desjavonij reeds was hersteld, het u teekerlijk niet zoude geschied zijn, indien kandia daarin de hand gehad hadde, schijnt men op de verzeekering die bij deete antwoorden voorkoomen, dat het Hof zig met 's komp:s: onrustige ingeteetenen niet heeft gemoeijd, en dat het bedrijf van de Pattave Wannie is geschied buijten kennis en midsdien buijten last van het Hof, te meer staat te moogen maaken. Wet laan „ten ophaelen van den Randiaschen Priester hier boven gemeld, is daar van een naader bewijs. Dit slag van volk is in Randia zoo zeer ontzien, dat ze het al vrij wat erg verbruijen moeten, voor dat men hen aan het lijf komt. §: 43: Bij het antwoord van den Dessave der drie Kools, Koomen 1154 koomen verscheijde dingen voor, die dienen te worden geva„ „leveerd, ook zullen we dit doen. Nimmer hebben wij ons met 's konings ongehoorzaeme onderdaanen be„ „moeit, en is onzes weetens ook niemand van 's konings Onderdaanen schuldig aan rebellie in 's: Comp=s: gebied. Alleen bevinden zig. Zeedert een groote reeks van jaeren in komp:se - land, twee luijden die men zegt van voornaame afkomst te zijn, dog deese zijn om fan„ „millie twiften niet om eenige misdrijven teegens den koning gevlugt, ten minsten is dat bij ons niet be„ „kend. De zijn een paar maelen gereclameerd, en is doen gezegt dat men zig naar hun zoude bevraegen. Aan deeze luijden legt ons wel niets geleegen, dog ze zoude de grootste vervolging van hunne familie te wagten hebben, zoo we te overgaeven. §: 44: We hebben in het begin deezes reeds aangemerkt, dat 'er in de alloet koerkorl en in de Wapittigam Korl ook vrij wat onrust geweest is. zelfs heb„ „ben de Vissers van Nigombo, van ouds bekend voor stoute knaapen, aangemoedigd door de Ma„ „tie No 5 „tusoesche onlusten op een zaar onstuijmigen toon gevraagt, dat te weederom mogten worden gestald onder hoofden uijt hun eijgen geslagt, dat nu omtrent 20: jaeren gelee„ 1. „den om goede reedenen is afgeschaft. Een klijne on„ „rust die er in de Gange baddapattoe van de Gale korl geweest is, is spoedig gesteld. §: 45: Tot slot dae tes en tot meerdere verstond van het geen bij den brief van den eersten Rijks Adigaer voorkomt van het arresteeren van eenige 's komp=s: ingeteetenen, 1„ uijt de Wina Korl, merken we hier nog kortelijk aan„ dat schoon de Winakorl die de grootste en volkrijk„ „ste korl is van de Holombosche Dessavonie, en waar„ „meede men voorheen in onrustige tijden zomtijds al vrij wat te stallen gehad heeft, in rust gebleeven is, er nogtans een parthij stoute gaften van twee of drie dorpen, geleegen kort op de limieten van 's konings land, zijn geweest, die naa dat ze eerst wat baldaadighee„ „den hadden gepleegd, die of vier ingezoetenen uijt- de Hina Korl bekend voor goede en vreedzaame man„ „schen, hebben opgevat en gebragt in een tempel te Al„ 1155 Algammer in de vier Korle, waaruijt ze, naa de ge„ nwoonte der Mandiaanen, niet weederom kouden worden op vrije voeten gesteld buijten expresse last van het Hof. zoo dra dit voorval in Mandia is bekend geworden, zijn de noodige beveelen gesteld deeze menschen uijttelevee„ „ren zoo als geschied is blijkens een velaas van twee Arraetjes dat in copij hiernevens gaat. §: 46: Van den p=e Hoofd Adminstrateur van Angelbeek, heb„ „beu we op zijn verzoek bij een addres, dat in copia deeten verteld, toegestaan naadere visi en des noods copij van het hiervooren vermeld geheim rapport van den Gaalsch Commandeur Sluijsken, om zig daarop — naader schriftelijk te kunnen verklaeren, en hebben we ook op zijn verzoek van den affgegaanen Galsch Gezaghebber Kraijenhoff gevorderd eene gemoedelijke verklaaring, of hem, geduurende dat hij nog in het be„ „stier was van 't Gaalsch Commaredement, eenige klag„ „ten waeren voorgekoomen teegen hem van Angelbrek, dan wel eenige blijken van ongeveegeldheijd in zijn be„ „stier van de Matersche Dessavong; en deeze verklaa„ „ring gaat meede in ropij hiernevens. §: 47: Nog volgen wa hierbij een Topij berigt van den Ho„ „lom„ No. 5 „lomboschee Dessave Fretz, dienende tot opheldering van verschijde Artikuelen van voorsz: geheim rapport, waarin van de verrigtingen van hem en van den Negotie Boek„ „houder Samlant, als onze gecommitteerdens tot de matureesche zaaken gesprooken word. §: 48: Bij onte brief aan gem: onze Commissarissen den 21: — Junij geschreeven, hebben we reeds aan dezelve betuigt ons genoegen over derzelver getrouwe en welmeenende verrigtingen, en is ons zeedert ook niets voorgekoomen waardoor te deete onze betuiging niet in den uijtge„ „strekstere zin zoude hebben verdient. voorsz: huen rapport is een naader blijkt dat dezelve met groote welmeenentheijd gehandeld hebben. Wij beveelen uwe Hoog Edelheeden en de belangens der Maatschappij in Godes veilige hoede en blijven met alle eerbied en trouwe. /:Onderstonden geteekend als vooren: / in margine /: Kolocubo den 27: Nie„ „guestues 1790: / Laager P: S: /: Naa het affluijten deezes, ontfangen we nog de in ropij hiernevens gaande serveete aparte missive van den Commandeur sluijs„ „ken geschreeven den 27: deezer, waarop wij voor„ het

NL-HaNA_1.04.02_3883_0061 view scan ↗

English

only briefly note the present matters. 1: That Commander Sluijcken seems to have understood what we wrote regarding the three modliaars Tinnethoon, De Param, and Goeneratne, in letters of the 17th and 20th of this month, very much contrary to our intention. 2: That if one were to proceed on such depositions as Commander Sluijcken lays as the foundation of his opinion regarding the Mahamodliaar, no one henceforth would be assured of his honor or his life. That Baredoewe Korl Araatje of the Ballegamkorle was one of the greatest agitators, as Madoegodde Appoe has stated according to the report of the secretary of Albedijhl, cannot, whatever a great and trusted friend he may otherwise have been of the Mahamodliaar, which is unknown to us, serve as an accusation against the latter. One would have to fear maintaining a friendship with anyone if the crimes of our friends could serve to declare us guilty. Madoegodde Appoe does indeed say, according to the aforesaid report, that the Colombo Mahamodleaar had an understanding at Mature with the discontented people, but in order to give any credit to the tale of a man of such a stamp against someone who enjoys good name and reputation, it would at least have been necessary to ask him in what that understanding consisted, in order to be able to calculate the probability of the accusation from it. Madoegodde Appoe ought also to have been asked what his accusation rests upon that the Mahamodliaar made use of Welligamme Oennanse for the aforesaid purpose, and how he knows that; for the urging by this priest to strengthen the conspiracy as much as possible and not to come to peace quickly, and that he had even dared to make use of the name of the Mahamodliaar for that purpose, is an act that rests solely to the charge of this priest, assuming that it is true. Commander Sluijcken himself seems to feel the weakness of these accusations, since he says in his aforesaid letter of the 27th of this month: which (a continual correspondence between the aforesaid three Maturese modliaars with the Mahamodliaar) seems to me not to be good, if one can in any way suppose that the Mahamodliaar took any part in the Maturese disturbances. 3: That if it be true that Madoegodde Appoe is again seeking to incite an uprising, Commander Sluijcken would have done better to keep him in Gale, even if he showed some discontent about it, for he was appointed Mohondiram of the Galle guard for that very reason, so that one would have a reasonable motive to keep him out of the Maturese Dessavonie. § 1: We had the honor to receive Your High Mightinesses' highly esteemed secret missives of the 26th of May, 18th of June, and 13th of August last. § 2: Regarding the admission of foreign warships or armed personnel, we shall conduct ourselves strictly according to Your High Mightinesses' order mentioned in the extract sent to us by Your High Mightinesses with the ship Neerlandsch Welvaeren from the minutes of the resolutions in the Council of India on the 26th of September 1789, and the further documents that Your High Mightinesses have sent to us on that subject. With this same ship we also received on this subject a missive from the Gentlemen Majors of the 29th of April 1789, which we take the liberty to present herewith in copy to Your High Mightinesses. § 3: The necessity of having to provide ourselves with rice was so great, as we had the honor to bring to the notice of Your High Mightinesses in our respectful secret letter of the 18th of July 1789, that we therefore, in the hope that Your High Mightinesses would be able to enable Coetsiem to pay some bills of exchange for us, thought we might take recourse thereto, as we had no other means to save ourselves, and we hope that this demonstrated necessity may exonerate us from the charge that we did not dutifully seek to conduct ourselves according to the recommendations and orders sent to us by Your High Mightinesses. § 4: On the occasion that the Surat Ministers sent us 200 lasts of rice, they offered to us in their letter of the 19th of December 1789 to procure the rice that we might need for us from Suratte. We did not foresee that we would initially be able to obtain rice from Coetsiem, and we therefore thought that we might make use of this offer. We hope that this explanation will clear us with Your High Mightinesses of having had the least intention to evade in an indirect manner thereby the order of Your High Mightinesses by which we are forbidden to draw bills of exchange on Suratta. The suspicion under which we seem to have been brought hereby with Your High Mightinesses, that we execute our projects with too much passion and haste, causes us great sorrow. The necessity of having to push forward the cinnamon work, if the Company is in the long run to have the requisite quantity of cinnamon, we have had the honor on various occasions to bring

Dutch transcription

1156 het teegenwoordige alleen kortelijk aanmerken. 1: Dat de kommandeur sluijcken het door ons geschreevene, nopeus de drie modliaers Tinnethoon de Param en van Goeneratne, bij brieven den 17: en 20: deezer, zeer teegen onte intentie schijnt te hebben begreepen. 2: Dat zoo men op zulke depositien, als de komman„ „deur sluijcken legd tot grond pag van zijne opinie no„ „peues den Mahamodliaer, wilde aangaan, niemand voor„ „taan verteekerd zoude zijn van zijn eer noch van zijn leeven. Dat Baredoewe Korl Araatje van de Balle„ „gamkorle, een der grootste opvoermaakers geweest is, zoo als Madoegodde Appoe heeft opgegeeven, volgens 't bericht van den sekretaris van Albedijhl, kan, wat voor een groote en vertrouwde Vinend hij voor het overige van den Mahamodliaer kan geweest zijn, het geen ons onbekend is, deezen tot geen beschuldin „ging verstrekken. Men zoude moeten vreesen met iemand vriendschap te onderhouden, wanneer de misdrijven van onze vrienden zouden kunnen srtrekken om ons schuldig te verklaaren. Madde„ „godde Appoe zegd wel, volgens 't voorsz: berigt, dat No. 5 dat de kolombosche Mahamodleaar te Mature een ver„ „standhouding met de mivnoegde volken gehad had, doch om eenig geloof te geeven aan 't verhaal van een man van zulk een stempel, toegens iamand, welke staat ter goeder naam en faam, waere het ten minsten noodig geweest om hem te vraagen, waarin die verstandhouding heeft bestaan om de waarschijnlijkheijd van de beschuldiging daaruijt te kun„ „nen bereekenen. Madoegodde Appoe hadde ook wel be„ „hooren te worden gevraegd, waarop rust zijne beschuldi„ „ging, dat de Mahamodliaar zich van Welligamme Oen„ „nanse ten voorsz: einde heeft bediend, en hoe hij dat weet, want het aanmaanen van deezen priefter, om de zaamenrotting zoo veel moogelijk te versterken en niet spoedig tot rust te kloomen, en dat hij zich zalfs daartoe van de naam van den Mahamodliaar had dur„ „ven bedienen, is een bedrijf dat alleen staat ten laste van deezen priefter, verondersteld dat het waar is. De kommandeur Sluijcken schijnt zelfs de swak„ „heid van deeze beschuldigingen te voelen, wijl hij bij zijn voorsz: brief van den 27: deeser zegd, „ 't welk (:eene geduurige correspondentie tusschen voorsz: H 1157 Aan als Vooren. „ voorsz: drie maturceescke modliaars met den Maha „ „modliaer:/ mij toeschijnt niet goed te zijn, indien „ men eenigstints kan, veronderstellen, dat de Maha„ „ modliaar eenig deel in de Matureesche onlusten gehad „ heeft. 3: Dat indien het waar zij, dat madoegodde Appoe wee„ „der een opstand zoekt te verwekken, de Kommandeur sluijoken beeter zoude gedaan hebben, hem te Gale te houden, al was het ook dat hij daarover wat misnoe„ „gen liet blijken, want hij even daarom tot Mo„ „hondiram van de Gaalsche guarde is aangesteld, op dat men een billijk motief zoude hebben, om hem uijt de Matureesche Dessavonie te houden. §: 1: Wij hebben de aes gehad te ontfangen Uwder Hoog„ „Edelheeden, zeer g'eerde serreete missives van den 26: Maij 18: Junij en 13: Aug=s: jongstl: S: 2: Nopens de admissie van vreemde oorlog scheepen, of gewaepende manschappen, zullen we ons step„ „telijk gedraegen, naa uwer Hoog Edelheeden order verm No. 5 order, vermeld bij het door uwe Hoog Edelheeden, met 't schip Neerlandsch Welvaeren, aan ons toegezonden en„ „tract uijt de Notulen van 't geresolveerde in Raade van Jndie op den 26: 7=ber: 1789: en de verdere stuk„ „ken die uwe Hoog Edelheeden ons op dat onderwerp hebben toegezonden. met dit zelfde schip hebben we op dit onderwerp ook ontfangen eene missive van de Heeren Majoores van den 29e: April 1789:, die wede vrijheijd neemen, in dopij uwen Hoog Edelheeden hier„ „neveres aantebieden. §: 3: De noodzaekelijkheijd om ons van rijff te moeten voor„ „zien, was zoo groot, zoo als we de eere hadden, dat bij onzen eerbiedigen serveeten brief van den 18: Julij 1789: te brengene onder 't oog van uwe Hoog Edelheeden, dat we daarom, in hoope dat uwe Hoog Edelheeden koet„ „siem zouden kunnen, in staat stellen, om eenige wissels voor ons te voldoen, dagten toevlugt daartoe te moogen neemen, zoo wa geene andere middelen hadden om ons te redden, en we hoopen dat deeze aangeweezene noodzaakelijkheijd ons zal moogen vrij spraeken, dat we ons niet pligtmaatig zouden zoeken 1158 zoeken te gedraegen, naar de recommandatien ac or¬ „ders die ons door uwe Hoog Edelheeden gezonden worden. §: 4: Ter geleegentheijd dat de soeratsche Ministers ons toe„ „zonden 200, lasten Rijst, booden ze ons bij hunnen brief van den 19: December 1789: aan, om de rijft, die we mogen „ten noodig hebben, van Soeratta aan ons te bezorgen. We voorzaegen niet, dat we voor eerst rijft van Roetsiem zouden kunnen krijgen, en we dogten dus, dat we van deeze aanbieding gebruijk mogten maan „ken. Deete aanwijting hoopen we, dat ons bij uwe Hoog Edelheeden zal vrijspreeken, dat wede minste intentie zouden gehad hebben, daarmeede op eene indirecte wijze te willen illeedeeren de order van Uwe Hoog Edelheeden, waarbij het ons verbooden is, om wissels op Soeratta te trekken. De verdeuking waaronder wij bij uwe Hoog Edelh: hier door schijnen te zijn gebragt dat we met te veel drift en verhaa„ „sting onte proijecten uitvoeren doet ons heel leed. De noodzaakelijkheijd van 't kanneel werk te moe„ „ten doorzetten, zoo de komp: op den duur de noo„ „dige quantiteit kanneel hebben zal, hebben we bij verscheijde geleegentheeden de eer gehad, te brengen No. 5

NL-HaNA_1.04.02_3883_0066 view scan ↗

English

bring to the attention of Your High Nobilities. In this work, be it said with deep respect, neither passion nor haste has guided us, but solely the great importance of the matter, which we believe we know to be of so much consequence for the well-being of the Company that we considered it necessary to employ all possible means to that end; and even with all that, we still have work enough to secure a tolerable quantity of cinnamon. Paragraph 5: The grains supplied for other purposes, such as the planting of pepper and coffee, are of little or no importance by comparison. We shall nonetheless take Your High Nobilities' most respected recommendation as our dutiful guide, and in accordance therewith we shall handle the grains as sparingly as is in any way possible. Paragraph 6: Of Your High Nobilities' authorization to use such means as may serve to that end, even if they might not accord with Your High Nobilities' earlier orders, in the event that we could not provide ourselves with the absolutely necessary rice in any other manner, we shall make use according to what is absolutely necessary and possible, although we do not think that much advantage can be drawn therefrom for this year. We therefore hope that the ministers of Surat will be able to make it possible to provide us with some rice. Paragraph 7: In accordance with Your High Nobilities' order, we have caused the contract with the English merchant William Hollings to be cancelled. Had this been permitted to stand, the 30000 star pagodas that we were to receive in the month of November would have been of great service to keep the linen trade going, and this would now, with the change of the introduced English administration in the Nabob's lands, have come doubly well. Paragraph 8: We cannot yet determine with certainty whether we will be able to deliver the requested 400 bales of cinnamon for Batavia. If it is in any way possible, we shall do so. Paragraph 9: To Your High Nobilities' recommendation concerning the execution of what was requested by Lord Cornwallis, Governor General in Bengal, we shall comply according to possibility. Paragraph 10: In continuation of our respectful secret letter of 27 August last, we have the pleasure to inform Your High Nobilities that everything continues to be at peace in this Government, and that the Court of Kandy has recently, as a token of its goodwill, granted permission to peel cinnamon on the other side of the river of Maha Oya, belonging under the so-called forbidden places. Paragraph 11: In accordance with our decisions taken by secret resolutions of 12 and 21 August last, copies of which were sent to Your High Nobilities together with our aforesaid secret letter, and further copies of which are dispatched herewith, we wrote on 17 September to the Commander of Galle, Sluysken, the separate letter which we have the honor to present herewith to Your High Nobilities in copy. We take the liberty to refer most respectfully thereto, and from it we chiefly note herewith: Paragraph 12: That regarding his declaration made in his separate letter of 5 August, which is inserted in our aforesaid secret resolution of 12 August—namely that it might easily happen that something had been included in his secret report, which is inserted in the aforesaid resolution, that would not entirely satisfy a favorable consideration thereof, and that honor, duty, and the standing of his public character require of him that he at least say something concerning his feelings about insults, contempt, and wrongly conceived suspicions inflicted upon him—we have ordered the said Commander to explain himself further, clearly and directly: 1: Whom he has in mind to whom it might be that something included in this his secret report would not entirely satisfy a favorable consideration thereof, and concerning which, however, honor, duty, and the standing of his public character require that he at least say something regarding insults, contempt, and wrongly conceived suspicions inflicted upon him; as well as why this something would not entirely satisfy a favorable consideration thereof on the part of those whom he here intends. 2: Wherein consist the insults, contempt, and wrongly conceived suspicions inflicted upon him. Paragraph 13: That regarding the declaration of the said Commander in his aforesaid separate letter that, if he wished to be malicious, he certainly would have been able to say not only more, but even much more, which could bring no small unpleasantness upon the principal Senior Administrator van Angelbeek, we have, at the request of the said van Angelbeek, ordered him, the Commander, to

Dutch transcription

brengen onder 't oog van uwe Hoog Edelheeden. Jn dit werk heeft geene drift, nog verhaafting, 't zij met diepe eerbied gezegt, maar alleen het groot ge„ „wigt der zaake ons bestierd, het welk we denken te weeten van zoo veel belang voor het wel zijn der Maatschappij, dat we gemeend hebben, alle moogelijke middelen daartoe te werk te moeten stellen, eie met dat alles hebben we nog werk ge„ „noeg, een taamelijke hoeveelheijd van kanneel te bezorgen P: 5: De graaneer tot andere eindens, als is het aanplanten, van peeper en koffij, verstrekt, zijn in vergelijk— van dien van weijnig of geen belange We zullen niet te min uwer Hoog Edelheeden Zeer g'eerbiedigde aanbeveeling, ons tot schuldig naarigt laaten verstraken „ken, en zullen overeenkomstig daarmeede, zoo zuij„ „nig met de graanen omgaan, als dat eenigzints moogelijk is. S: E: Van Uwd Hoog Edelheeden qualificatie, om in geval dat we ons van de volstrekt noodige rijff op geen andere wijse konden voorzien zodaanige middelen te 1159 te moogen gebruijken, als daartoe kunnee strekken, schoon ze ook niet mogten strooken met uwer Hoog Edelheeden vroeger beveelen, zullen we, naa dat het vol„ „strekt noodig, en moogelijk is, gebruijk maakkane, schoon wa niet denken, dat daarvan voor dit jaar veel par„ „tij zal kunnen worden getrokken. We hoopen dus, dat de soevatsche ministers het zul„ „len kunnen moogelijk maaken; om ons van wat rijff te voorzien. §: 7: We hebben overeenkomstig met uwer Hoog Edelheeden order, 't Contract met den Engelschen Koopman William Hollings doen op Zeggen. Zoo dit hadde moogen stand houden, zouden de 30000: sterre pagooden, die we in de maand November stonden te ontfangen en van grooten dienst geweest zijn, om den lijnwaat handel gaande te houden, en dit zoude tans met de verandering der ingevoerde Engelsche Re„ „geering in 's nababs Landen, dubbeld wel gekoo„ „men zijn. §: 8: We kunnen nog niet met zeekerheijd bestammen of we de gevraegde 400: baelen kanneel voor Ba„ „tavia No. 5 „tavia zullen kunnen bezorgen. zoo het eenigstints moogelijk is zullen we het doen. §: 9: Aan Uwder Hoog Edelh: recommandatie, omtrend de ƒ uijtvoering van het verzogte door Lord Cornwalles Gouverneur Generaal in Bengale zullen we naa moo„ „gelijkheijd voldoen. §: 10: Ten vervolge van onten eerbiedigen serveeten brief— van den 27: Aug=s jongste:, hebben we het genoegen om uwe Hoog Edelheeden te bedeelen, dat bij voort„ „duuring in dit Gouvernement alles in rust is, en dat het Hof van Mandia onlangs ten blijken— van desselfs walgetintheijd heeft verlof gegeeven om kanneel te moogen spchillen aan de overkant van de rivier van Maoije, gehooreerde onder de zoo genaemde verboode plaatsen. §: 11: Overeenkomstig onte genoomene besluijten bij se„ „creete resolutien van den 12: en 21: Aug=s jongst:, waarvan Copijen nevens onzen voorsz: serveten brief uwen Hoog Edelheeden zijn toegezonden, en naadere Copijën neveres deezen afgaan, habben we aan d 1160 aan den Gaalscheer Commacdeur Sluijskere den 17: 7ber 2d=a: daaraan geschreeven de apparte brief, die we de eere hebben uwen Hoog Edelheeden hiernevens in Go„ „pia aantebieden. Wij neemende vrijheijd ons daar„ „aan eerbiedigst te gedraegen, en merken daaruijt hierbij Hoofdzaekelijk aan. §: 12: Dat wa hem nopens zijne gedaane betuijging bij zijn aparte brief van den 5: Augustus, die in voorsz: onte secreete resolutie van den den 12: Augustus— geënsareerd is, dat naamelijk het ligtelijk zoude kunnen gebeuren, dat iets bij zijn geheem Rap„ „port, 't welk in de voorsz: resolutie is geinsereerd, was ingenoomen, dat juist niet volkoomen aan een genoegenlijke bedenking daarover zoude voldoen, en dat eer, pligt en 't aanzien van zijn publiek Tavarter van hem vorderd, dat hij ten minsten iets zegd weegens zijne gevoeligheijd, weegens aangedaane hoon kleinagting en teegens hem verkeerde opgevatte mis„ „trouwens, geme: Commandeur hebben gelast, om zig naader duijdelijk en regtstreeks te verklaaren. A No. 5 1: 1: Wie hij in 't oog heeft, aan wien of de welke het wel konde zijn, dat iets bij dit zijn opheim rapport inge„ „noomen, juist niet volkoomen aan eene genoegelijke be„ „denking daarover zoude voldoen, en waarvan egter aar, pligt en 't aanzien van zijn publiek Tavacter vorderd, dat hij ten minsten iets zegd, waegens aangedaane hoon„ kleijnagting en teegens hem verkeerd op gevatte mistrou„ nevees, als meede waarom dit iets bij de geene, die hij hier bedoeld, juist niet volkoomen aan eene genoegen „lijke bedancking daarover zoude voldoen. 2: Waarin bastaan de hem aangedaane hoon, klijnagting en teegens hem verkeerd opgevalte mistrouwens. §: 13: Dat we weegens de betuijging van gem: Comman„ „deur bij zijn voorsz: apparten brief, dat hij boos„ „aardig willende zijn, zeekerlijk niet alleen meer maar zelfs veel meer zoude hebben konnen zeggen, het geene niet wijnig onaangenaamheeden aan den p=le Hoofd Administrateur van Angelbork zoude kunnen toebrengen, op vertoek van gem: van Angelbeek, hem Commandeur hebben gelast, — om J

NL-HaNA_1.04.02_3883_0071 view scan ↗

English

to state clearly and without any further reserve to us everything that he believes he has against him, van Angelbeek. Section 14: That we, since said van Angelbeek, according to what was recorded in our aforesaid secret resolution, has given sufficient reasons why he declined a commission from the Council of Galle, and instead requested another from Colombo, have ordered said Commander to report further to us wherein, in his opinion, the insult consists, regarding which he states on this subject that the prestige and honor of the Government of Galle demands a fair redress. Section 15: That we have likewise asked said Commander for further explanation as to what actually consists the contempt with which the former Disava van Angelbeek received the Galle commissioners van Schuler and de Vos at Matara, and how from this follows the proof that he draws from it in his secret report of how reluctantly said van Angelbeek saw this commission arrive. Section 16: No. 5 Section 16: That we have asked said Commander for further clarification concerning the difficulties that restrained him from naming to us, in said secret report, the spy who had brought him the reports appended to the back of his secret report under No. 1, and what is meant by him not having named him to us in order not to expose him to any danger, that is, what dangers he foresaw for this man if it became known to us that he had brought these reports from Kandy. Section 17: That we have requested of the aforementioned Commander further indication of the new obligations under which the natives have been placed, of which he maintains in his secret report that they ought to be released; and also wherein consist the rewards to which they are entitled, and concerning which withholding they had felt aggrieved. Section 18: That we have ordered the aforementioned Commander to have a special survey made of all the plantations established by the Chiefs in the Matara Disavany, as soon as circumstances will allow, not only to be able to see what measures are necessary for the future toward the further promotion of this work, but also to ascertain whether the inhabitants of the Matara Disavany have such great reasons as they profess to complain about the labor they have performed for the native Chiefs who had engaged themselves in certain plantations; and concerning which we remark here in passing that Don Simon Aratchi, who was one of the loudest clamorers against such undertakings, has since, according to a private letter written by the Commander of Galle to the Governor on the 3rd of December last, an extract of which is annexed hereto, now that he has achieved his aim, undertaken with Commander Sluysken to make several plantations, from which it clearly appears that these grievances were brought forward by him and No. 5 and other ill-disposed persons solely to achieve their objectives. Section 19: That we have furthermore ordered this investigation so that the validity of the complaints of the inhabitants—that their own lands and gardens came to suffer from these plantations—might be examined. Section 20: That we have in addition recommended to have thoroughly investigated the complaint cited in the aforesaid secret report that in the garden of Kappugama four hundred and seventy heads, enjoying only a single parra of paddy per month, had to labor, since the former Disava van Angelbeek has testified that no more than 30 heads ever worked in this garden. Section 21: That we have ordered Commander Sluysken to have an inquiry made with all accuracy into the complaints of the inhabitants concerning the seizure of their cattle whenever they came into the plantations, and especially also, concerning what appears in this regard in his secret report as a testimony of the Free Merchant Tranchell, to demand of him, Tranchell, a statement under oath whether he ever received any cattle from the former Disava van Angelbeek or through his arrangement, be it for the service of the garden, Tallarme, his oil mill, or whatever else it might be, and that he will have to specify in particular: 1: How he came by the cattle that were found in the aforesaid garden or in the oil mill, and which according to the aforesaid secret report were returned to the owners. 2: For what reason he appealed to the testimony of the former Disava van Angelbeek, that the latter would know that he had duly paid for the aforesaid cattle, or had come by them in a proper manner as far as he personally is concerned; since said van Angelbeek testifies never to have meddled in helping him in any way to obtain cattle, other than by granting him, as to all other inhabitants who requested it, permission to purchase some beasts in the country. No. 5

Dutch transcription

1161 om duijdelijk en zonder eenige verdere reserve, aan ons op tegeeven al 't geen hij ten laste van hem van Angelbeek meend te hebben. §: 14: Dat we wijl gem: van Angelbeek, volgens 't aange„ „teekende bij onze voorsz: secveete repolutie, voldoe„ „ende reedenen heeft gegeeven, waarom hij voor een Commissie uijt deer Gaalschen Raad bedankte, en daar en teegen eene andere van kolombo verzogt heeft: gem: Commandeur gelast hebben, ons naader te berigten, waarin naa zijn intiere bestaat de beleediging, waar„ „van hij nopens dit onderwerp zegt, dat 't aanzien en de eere van de Gaalsche Regeering eene billijke herstel„ „ling vorderd. §: 15: Dat we insgelijks van gem: Commandeur naader ex„ „plicatie hebben gevraegd, waarin eijgentlijk bestaat de minachting, waarmeede de geweeten Desseve van Angelbaek de Gaalsche gecommitteerdens van Schuler en de Vos te Matiere heeft ontfangen, en hoe daar„ „uijt volgt het bewijs, dat hij daaruijt bij zijn geheim Rapport trekt, hoe ongaarne gem: van Angelboek deeze Commissie zag opdaegen. §: 16: No. 5 §: 16: Dat we van gem: Commandeur naadere ophaldering heb„ „bei gevraegd over de zwaarigheeden, die hem hebben weederhouden om den spion, die heen de berigten, die bij het agter zijn gehaim Rapport gevoegd velaast N=o 1:„ had toegebragt, bij gemne: zijn geheim rappoort aan ons te noemen, en wat het zeggen zal dat hij hem aan ons niet genoemd heeft, om hem niet bloot te stellen aan eenig gevaer, dat is, wat gevaeren hij er voor deeten man in voorzag, indizer het bij ons bekend wierde dat hij dee te berigten uijt Randia gebragt had. §: 17: Dat we van voorm: Commandeur naadere aanwijzing hebben gevraegd van de nieuwe verpligtingen, waar„ „onder de inlanderen zijn gebragt, waarvan hij bij zijn geheim Rapport Ceepept suftineerd, dat ze zou„ „den dienen te worden ontslaegen; en ook waarin bestaan de belooningen, waartoe ze gewettigd zijn, en over welke onthouding zij zig hadden bezwaerd. §: 18: Dat we maerm: Gommacdeur hebben gelast, om eene speciaale opneem van alle de door de Hoofden gedaane aan„ 1162 aanplantingen in de Matureesche Dessavonij te laa„ „ten doen, zoo dra de omstandigheeden het zullen kunnen gehengen, niet alleen om te kunnen zien, wat maatseegelen er voor den aanstaande noodig zijn, ter verdere bevordering van dit werk, maar ook ter ontwaaring of de ingezeetenen van de Matiereesche Desjavonij, zoo groote reedenen hebben, als te voor„ „geeven om zig te beklaegen over dene arbeijd, die te gedaan hebben voor de inlandsche Hoofden, die zig tot eenige aanplantingen hadden verbonden, en waar„ „omtreed we hier in het voorbij gaan aanmerken, dat Don Simon Arraetje die een der grootste schreeuwers geweest is over diergelijke aanneemingen zig zeedert volgens een partikulieeren brief door dene Comman„ „deur van Gale aan den Gouverneur geschreeven den 3: 2:=ber: jongstl:, waarvan een extract hiernevens gaat, nu dat hij zijn oogmerk berijkt heeft, bij den Commandeur sluijcken heeft op zig genoomen het doen van verscheijde aanplantingen, waaruijt klaarlijk blijkt, dat deeze bezwaernisseie door hem en No 5 en andere kwaadwilligen alleen zijn in het midden gebragt om hunne oogmerkere te berijken. §„o 19: Dat wa dit ondertoek voorts hebben bevoolen ten einde daarbij zoude worden naagegaan de gegrond, „heijd van der ingeteetenen klagten, dat hunne eijge landerijen en thuijnen bij deeze aanplantingen zijn koomen te leijden. §: 20: Dat we daarbij nog hebben aanbevoolen, om eragt te laaten onderzoeken de bij 't voorsz: geheem Rapport aan i „gehaalde klagte, dat in de thuijn van kappoegamme Vierhonderd zeeventig koppen, onder 't genot slegts van een enkelde parra Nelij 's maands, hebben moeten ar„ „beijden, wijl de geweetene Dessave van Angelbaek heeft betuijgd, dat in deeten thuijn nooit meer dan 30: koppen hebben gewerkt. §: 21: Dat we den Gommandeur sluijsken gelast hebben, om met alle naauwkeurigheijd te laaten ondertoeken naa de klagten der ingeteetenen, over 't opvatten hun„ „ner koebeesten, wanneer ze in de plantagien kwamen en specialijk ook, om nopens 't geen deezen aangaande bij zijn geheim Rapport als eene betuijging van den Vrij 1163 Vrij koopman Tranchell voorkomt, van hem Tranchall te vraegen eene verklaaring onder eede, of hij immer- van den gew: Dessave van Angelbeek of door desselfs bestelling, eenige koebeesten ontfangen heeft, het zij ten dienste van de thuijn, Tallarme, zijne olij moole, of wal anders het ook zoude moogen zijn, en dat hij daarbij speciaal zal moeten opgeeven. 1: Hoe hij gekoomen is aan de Roebeeften, die in de voorsz: thuijn of in de olij moole gevonden zijn, en die volgens 't voorsz: geheim rapport aan de eijgenaars zijn terug gegeeven. 2: Om wat reeden hij zig op het getuijgenis van den gewv: dessave van Angelbeek beroepen heeft, dat deeze zoude weeten, dat hij de voorsz: koebeesten behoorlijk hadde betaald, of daaraan op eene betaamelijke wijze zoo verre hem pertoneel aangaat, gekoomen was; wijl gem: van Angelbeek betuijgd, zig nimmer te hebben bemoeid, met hem op eeniger hande wijze aan koebeesten te helpen, dan met aan hem, gelijk aan alle andere ingeztee„ „tenen, die daarom verzogt hebben, verlof te geeven om eenige beestere in het land te moogen inkooper No. 5

NL-HaNA_1.04.02_3883_0076 view scan ↗

English

purchases for his business. Section 22: That we have asked the considerations of the Commander Sluijsken, whether it might not be feasible to assign to each of those in the Matara Dessavony who declare that they are not satisfied with the accomodesan that they currently hold, for example four parras of paddy for each month that they are employed by the Company according to their obligation, and that on the other hand the accomodesans with which they are dissatisfied be revoked for the Company, and even whether this arrangement could not be introduced throughout the entire Matara Dessavony. Section 23: That we have also asked his considerations whether, in order to prevent all reasons for complaining about this in the future, it might not be feasible that henceforth only the obligated goy-naindes be used for working the Company's lands, on the same footing as they have been obligated from ancient times and have always done until now, and that further no others be used for this work than those who are inclined to do so out of free will, and according to how one can best agree with them about it, just and in such manner as is the custom among private persons who have some lands which they have worked by others. Section 24: That we have likewise asked the considerations of the said Commander whether, in order to cut off at once the complaints of the Vidanes and Mayorals in the Matara Dessavony, it would not be better to exempt them in the future from supplying Pehindoes and Adoekoes, and that in return the hoeanderam which they enjoy be revoked for the Company, to be farmed out, either separately or under the ordinary farms, and in return to pay in money the amount thereof to all servants who travel in the Company's service and to whom until now, according to the custom of the country, adoekoes and behindoes have been provided. Section 25: We have not yet received any answer from the Commander Sluijsken to our aforesaid letter, although it was already promised to us in the Galle secret letter of the 2nd of this month. Section 26: The investigation that we have resolved to have conducted regarding the suspicions of the Galle Commander Sluijsken against the Matara native chiefs has not yet been able to make any progress. For this reason, the investigation regarding what he, according to the explanation in his letter of the 27th of August last, has advanced to the charge of the Maha Mudaliyar of the Governor's gate, has also remained postponed until now, because those investigations must take place simultaneously. Section 27: From his aforesaid separate letter of the 27th of August, which we had the honor to send to Your High Excellencies alongside our aforesaid secret letter, it appears, as we have already briefly pointed out in our said secret letter, that notwithstanding our instruction, by letter of the 7th before that, to further examine Madugodde Appu, now appointed on the Commander's proposal as Mohandiram of the Galle guard, regarding his accusation against the native chiefs, he had then already returned a couple of days earlier to the Matara Dessavony, and that Don Simon Aratchi, who has also been a great troublemaker, as appears from our aforesaid respectful communication, had likewise returned to Matara a couple of days earlier. With these two in particular, the investigation into how far the suspicions of the Commander Sluijsken against the aforesaid native chiefs are well-founded ought to have begun. Section 28: From the question of the Commander Sluijsken in the aforesaid letter of the 27th of August, whether we approved of his having them return to make statements, we thought nothing other than that Madugodde Appu, as well as Don Simon Aratchi, who is mentioned in one breath with him in this letter, had received permission from the Commander Sluijsken to be allowed to return to Matara. Section 29: We could indeed not reconcile this with what the Commander Sluijsken had written to us in his earlier letters about the necessity of keeping Madugodde Appu out of the Matara Dessavony, and on account of which necessity he the Commander himself had judged that, in order to satisfy him, he had to be appointed Mohandiram of the Galle guard. Nevertheless, we considered it questionable to have both him and Don Simon Aratchi recalled immediately now, out of apprehension that it might inspire evil thoughts in these two known malefactors if, after having received permission to go to Matara, as we thought, they were now immediately recalled. Section 30: Whether Madugodde Appu went away quietly, or how this occurred, has not been communicated clearly enough to us from Galle to be able to report it to Your High Excellencies, but it is certain that no sooner had he returned to the Matara Dessavony than he sought to cause unrest anew, which nevertheless failed him. Section 31: In further reports it was communicated to us concerning him that after his departure from Galle, the Commander Sluijsken wrote to him the ola of which a copy is enclosed herewith, and that the Commander Sluijsken only on the 28th of August wrote about this to the Dessave of Matara the letter of which a copy also accompanies this, containing principally that the Dessave Raket must have him summoned to him, and that if he did not come, such means must be employed against him as would be judged most capable of making oneself master of his person. Section 32: As soon as, in consequence of this writing, by the Dessave the

Dutch transcription

inkoopen tot zijn bedrijf. §: 22: Dat wede Consideratien van den Commandeur Sluijs„ „ken hebben gevraegd, of 't niet zoude kunnen aan„ „gaan, om aan een elk der geenen in de Matureesche Dessavonie, die verklaeren niet te vreeden te zijn met 't arromodessan, dat ze tans bezitten, toeteleggen bij voorbeeld vier parras Nelie voor elke maand, dat ze volgens hunne verpligting bij de Comp=e: worden g'emploijeerd, en dat daarenteegen de accomo¬ „dessans waarmeede ze niet te vreeden zijn, voor de Compe worden ingetrokken, en ook zelfs deeze schikking niet door de geheele Matureesche Dessa„ „vonij konde worden ingevoerd. §: 23: Dat we ook desselfs consideratieu hebben gevraagd— of 't, om in 't vervolg te voorkoomen alle reedenen van klaegene daarover, niet zoude kunnen aangaan, dat voortaan alleen de verpligte gooij=naindes wierden ge¬ „bruijkt, tot het bearbeijden van 's Comp=s landen, op dien voet als ze dat van ouds verpligt zijn, en tot nog toe altoos hebben gedaan, en dat voorts geena andere 5o J 1164 andere tot dit werk worden gebruijkt, dan zulken, die geneijgd zijn dat uijt vrije wil, en zoo als men zig daarover met hun best verstaan kan, te doen, even en zodaanig, als dat de gewoonte is onder particulieeren, die eenige landen hebben die te door andere laa„ „ten bewarken. §: 24: Dat we insgelijks de consideratien van gem: Com„ „mandeur hebben gevraegd, of het om de klagtens van de Vidaans en Majoraals in de Matureesche Dessavonij op een maal aftesnijden, niet beeter waere, om hun voor den aanstaande te ontslaan van het opbrengen van Pehindoes en Adoekoes, en dat daar„ veerteegen voor de Comp=e wierden ingetrokken de hoeanderam die ze genieten, om te worden ver„ „pagt, het zij afzonderlijk, dan wel onder de gewoone pagten, en om daarae teegen aan alle dienaan „ren, die in s:Comp=s diensten reijzen, en aan de welke tot hier toe naar 'slands gebruijk a„ „doekoes en behindoes verstrkt zijn, het bedraa„ „gen daarvan te betaalen in geld. §: 25: No. 5 §: 25: We hebben van den Commandeur sluijsken op voorsz: onzen brief nog geeee antwoord ontfangen, schoon 't ons reeds belooft is bij Gaalsche secreeten brief van den 2: deezer. §: 26: Het onderzoek dat we voorgenoomen hebben te laatene doen, nopens de verdeukingen van den Gaalsch Com„ „mandeur sluijsken, teegen de Matureesche inland„ „ssche Hoofdene, heeft tot nog geen voortgang kunnen hebben. Hierom is ook tot nog toe uitgesteld gebleeven het onderzoek,„ nopens het geen hij, volgens de expli„ „catie bij zijn brief van den 27: Augs= Joc:, ten laste van dan Maja Modliaar van 's Gouverneurs porta heeft gearanceerd, om dat die ondertoeken gelijk tijdig geschieden moeten. §: 27: Bij zijn voorsz: aparte brief van den 27: Augustus, die we de eer gehad hebben uwe Hoog Edelh: neffacis— onzen voorsz: secveten brief te zenden, blijkt, zoo- als we dat reeds bij gem: onzen secreeten brief kortelijk hebben aangeweeten, dat niet teegen„ „staande onte aanschrijving, bij brief van den 7: daar„ 1165 daar tevooren, om Madoegodde Appoe, nu op 's Com„ „mandeurs voordragt, aangestald tot Mohandiram van de Gaalsche guarte naader te hooren op zijne be„ „schuldiging teegen de inlandsche hoofden, hij toen reets een paar daagen geleeden naa de Matureesche Dassa„ „vonij was teneg gekeerd, en dat ook Don Simon Arraetje, die meede een groote oproermaaker ge„ weest is, zoo als dat uijt onten voorsz: eerbiedigen blijkt, insgelijks een paar daagen te vooren naa mature was terug gegaan. met deeze twee in„ „zonderheijd zoude 't onderzoek, in hoe verre de verdenkingen van den Commandeur Sluijsken teegens de voorm: inlandsche hoofden gegrond zijn, hebben moeten beginnen. §: 28: Uijt de vraag van den Commandeur Sluijsken„ bij voorm: brief van den 27: Aug=s, of we goedvonden dat hij ze zoude laaten tenig koomen, om ver„ „klaeringen te laaten doen, dagten we niet anders, dan dat Madoegodde Appoe, zoo wel als Don Simon Arraetje, die met hem bij deezen brief als in E No. 5 in eenen adem genoemd word, van den Commandeur sluijsken verlof hadde gekraagen, om naa Mature te moogen terug gaan. §: 29: We konden dit wel niet overeenbrengen met het geen de Commandeur Sluijsken, ons bij zijne vroeger brieven hadde geschreeven, over de noodzaa„ „kelijkheijd om Madoegodde Appoe uijt de Ma„ itureeseche Dessavonij te houden, en uijt hoofde van welke noodzaakelijkheijd hij Commandeur zelve hadde geoordeeld, dat hij om hem te voldoen tot Mohandiram van de Gaalsche guarde moest worden aangestald. Niet te min vonden wa het bedenkelijk, om zoo wel hem, als Don Simon Arraetje, nu aanstonds te laaten terug roepen, uit bedugting dat het deeze twee bekende kevaaddoereders erge gedagten mogte inspiree„ „ven, wanneer ze naa verlof te hebben ons„ „fangen om naa Mature te gaan, gelijk we dagten, nu aanstonds wierden tenig geroepen. §: 30: 1166 §: 30: Of madoegodde Appoe stil is weggegaan, dan wel hoe dit geschied zij, is ons niet duijdelijk genoeg van Gale bedeeld, om dat uwen Hoog Edelheeden te kunnen berig„ „ten, dog vast gaet het, dat hij zoo dra niet in de Maa„ „tureesche Dessavonij was terug gekoomen, of hij heeft op nieuw onrust zoeken te stigten, het geen hem eghter is mislukt. §: 31: Bij naadere berigten is ons weegens hem bedaeld, dat naa zijn vertrek van Gale de Commandeur sluijsken aan hem heeft geschreeven de ola, die hier nevens in Copij legd, en dat de Commandeur sluijs„ „ken eerst den 28: Augustus daarover aan den Des„ „save van Mature geschreeven heeft de brief, die nog in copij hiernevens gaat, houdende hoofdzaaken „lijk, dat de Dessave Raket hem moeste laeten bij zig roepen, en dat zoo hij niet kwam, teegen hem moest worden te werk gesteld zodaanige mid„ „delen, als de bekwaamst zouden worden geoordeeld, om zig van zijn perzoon meester te maaken. §: 32: zoo dra er in gevolge van dit schrijven door deen Ddessave die No. 5

NL-HaNA_1.04.02_3883_0082 view scan ↗

English

who until now seems to have been ignorant of the Commander's intention. Immediate means having been employed to get hold of him again, he escaped it, and departed to the King's land. He has since passed through Roeanelle on the 19th of September, taking the road to Kandia, and returned there on the 25th or 26th, saying, according to the incoming report, that he intended to go to Saffergam; if he had indeed actually been in Kandia, it is evident that he cannot have stayed there long. § 33: Since then he has had the audacity to come into the Matara Dessavony again, where he stayed for several days, and again sought to make attempts at gatherings, which nevertheless failed him just like the previous time, because he could find no one who was willing to conspire with him anew; and, after a couple of small commandos were sent by the Dessave Raket to apprehend him, he once again escaped to the King's land. § 34: Madoegodde Appoe was on this occasion accompanied by one Bandewokke Oippoer Arraetje, who is an inhabitant of the Matara Dessavony, and by six others who passed themselves off as Kandians, and of whom one passed himself off as a King's Modliaar, according to the report of the Galle servants in their secret letter of the 5th of this month, which is annexed hereto in copy, and in which the servants not only make mention of the arrangements that the Dessave Raket had communicated to them as having been employed by him to catch these decoy birds, and of the proposals that he had further made to them to that end, but also of the reply that they had sent thereupon to the said Dessave; yet because this reply was framed in such a way that it could put the said Dessave in significant embarrassment, and in particular could have given rise to indecisiveness, which on this occasion could have brought about ruinous consequences, we have reproached the servants for this in our secret letter of the 8th thereafter, which is likewise appended hereto in copy. According to a further Galle secret letter of the 7th of this month, which is likewise annexed hereto in copy, the aforesaid Kandian Modliaar was found to be an inhabitant of Mature, who fled to Kandia some years ago on account of a theft committed, and now passed himself off as a King's Modliaar. § 35: We certainly do not think that Madoegedde Appoe will be capable of doing the least harm henceforth; nevertheless it would indeed have been to be wished that the Commander Sluijsken had not allowed him to depart from Gale, or that if he slipped away quietly, speedier and more efficacious means could have been employed to overtake him than appears to have happened, and that at least now for the second time sufficient care could have been taken to get hold of him. Where the fault in this has lain, we shall have further investigated, and communicate to Your High Nobilities. § 36: In the address of the retired Galle Authority Kraijenhoff, which was submitted by him in response to the appeal made against him by the former Mature Dessave Van Angelbeek concerning his conduct maintained in the Matara Dessavony, and of which we have sent a copy to Your High Nobilities alongside our secret letter of the 27th of August last, the said Kraijenhoff among other things advanced that the upheavals in the Matara Dessavony, besides the causes specially mentioned in the aforesaid address, could furthermore be attributed in their other circumstances to many, though mostly accidental, and yet very co-operating causes, about which he did not deem himself competent to make declarations in that regard, because neither the request of the aforementioned Van Angelbeek nor our resolution proposed or indicated anything thereof. We have therefore, and in order to neglect nothing that could give any elucidation on the cause and progress of the Matara disturbances, requested a further explanation from him by resolution of the 21st of September; and upon this he submitted the address that is further included in copy among the annexes, and to which we humbly request to be permitted to refer for brevity's sake. § 37: The Chief of Tutukorijn has given notice by secret letter of the 6th of September that the English Government at Madras had made itself master of the entire Kingdom of Carnatica, and put itself in full possession thereof; that the new English Regent, Mr. Benjamin Torin, had given notice to him by letter of the 2nd of September that the Government of Madras, by order of the General Government in Bengal, had deemed it necessary to introduce the administration of the English Company into the lands of the Nabab, and that he was appointed Superintendent of all the revenues, etc.; and that the Agent of the Nabab had already declared on the 30th of August that by the measures of the Government of Madras he no longer considered himself authorized to interfere in any matters concerning the Nabab, requesting our orders as to how he should conduct himself in this change of Government, and whether matters concerning the Nabab should henceforth be dealt with using the English Government. § 38: We deliberated upon this in our Meeting of the 10th of September. The Chief Mestern had already noted that, after the manner in which the English Government was introduced into the Nabab's lands, it will in any case amount to the same thing in the consequences as if they had completely appropriated the lands, although otherwise the description of Mr. Torin signifies much less; and to this one seemed

Dutch transcription

die tot hier toe van 's kommandeurs intentie schijnt on„ „kundig te zijn geweest „ daadelijke middelen zijn te werk gesteld, om hem weeder in handen te krijgen, is hij het ontsnapt, en getrokken naa 's konings land. Wijnis zeedert op den 19: Zeptember te Roeanelle ge„ „passeerd, de weg opgaande naa Randia, en is den 25: of 26: daar terug gekoomen, zeggende, volgens 't inge„ „koomen berigt, dat hij voorneemens was te gaan naa saffergam, zoo hij ook werkelijk in Kandia mogte geweest zijn, is het blijkbaar, dat hij daar niet lang „kan hebben vertoefd. §: 33: zeedert heeft hij de stoutheijd gehad om weeder in de Matureesche Dessavonij te koomen, daar hij zich ver„ „scheijde daagen heeft opgehouden, en op nieeuw aan„ „slaegen heeft zoeken te maaken tot zaemenrottin„ egen, die hem nogtans gelijk de voorgaande keer zijn mislukt, wijl hij niemand heeft kunnen vinden, die met hem op nieuw heeft willen aanspannen, en is hij, naa dat door den Dessave Raket een paar kleijner Commandos gezonden zijn om hem optevatten, het ander 1067 andermaal weeder ontsleppt naar 'S: Konings land. §: 34: madoegodde Appoe was bij deeze geleegendheijd ver„ „zeld van eenen Bandewokke Oippoer Arraetje, die een ingeteetene van de Matureesche Dessavonij is, en van nog ses, die zig uijtgaeven voor kandianen, en waar„ van een zig uijtgaf voor eene konings Modliaar vol„ „gens 't berigt van de Gaalsche besienden bij hunnen secreeten brief van den 5: deeter, die in Copij hiernevens gaat, en waarbij de bedienden niet alleen melding doen, van de schikkingen die de Dessave Raket hun had bedeeld, door hem te zijn te werk gesteld om deeze voervinken te Knippen, en van de voorstellen die hij ten dien eijnde verder aan huen had gedaan, maar ook van 't antwoord dat ze daarop aan gemelde Dessave hadden gezonden; dan wijl dit antwoord zodaanig was ingerigt, dat het gemelden Desseve in merkelijke verleegeetheijd konde brengen, en inton„ „derheijd aanleijding konde gegeevene hebben tot be„ „sluijteloosheijd, die ter deeter geleegendheijd verder„ „elijke gevolgen konde hebben naa zig gesleept, hebben No. 5 hebben we dit den bedienden aangeweeten bij ontree se„ „eeten brief van den 8: daaraan, die meede deezen in copija verteld. Volgens eene naadere Gaalsche sewreete brief van den 7: deeter, die insgelijks hiernevens in ropij gaat, was de voorsz: Mandiasche Mosliaar bevonden te zijn een inwooner van Mature, die voor eenige jaaren over een gepleegde diefstal naa Randia gevlugt is, en zig nu uitgaf voor een konings Modliaar. §: 35: We denken wel niet, dat Madoegedde Appoe in staat zal zijn om 't minste kwaad verder te doen, niet te min waere het wel te wenschen geweest, dat de Commacdeur sluijsken hem niet van Gale hadde 6 laaten vertrekken, of dat zoo hij zig stil heeft weggepakt, er spoediger en meer efficacieuse middar„ „len hadde kunnen worden te werk gesteld, om hem te agterhaalen, als blijkt te zijn geschied, en dat ten minsten nu voor de tweede maal toerijsheiden zorge hadde kunnen worden gedraagen, om hem in handen E 1168 Waaraan dit heeft gehaaperd, handen te krijgen. zullen we naader laaten onderzoeken, en uwere Hoog Edelheeden bedeelen. §: 36: Bij 't addras van den afgegaanen Gaalsch Gezagheb„ „ber Kraijenhoff, 't welk door hem is ingediend op 't beroop door den geweeten Matureesche Dassave van Angelbeek op hem gedaan, weegens zijn gehouden gedrag in de Matureesche Dessavonij, en waarvan we Copij aan uwe Hoog Edelheeden hebben gezon„ „den, nevens onten secveeten brief van den 27: Augu„ „stus jongste:, heeft gem: Kraijenhoff onder anderen geavanceert, dat de opschuddingen in de Matureesche Dessaronie, behalvende bij voorsz: addres speciaalijk genoemde aanlijdingen, verders hunne andere omstan¬ „digheeden aan veele, dog meest toevallige, en egter zeer meede werkende oorzaeken konden toegeschreeven worden, over welke hij zig niet bevoegd oordeelde daarbij te verklaeren, om dat 't verzoek van voorm: van Angelbeek, nog ons besluijt, niets daarvan No. 5 N daarvan voorstelden of aanduijden. We hebben daarom en ten eijnde niets te vertuimen het geen eenige op„ „heldering aan de oorzaek en voortgang der Ma„ „tureesche onlusten konde geeven bij resolutie van den 21: Zeptember een naadere verklaering van hem gevraegd; en heeft hij daarop gediend het addres, - dat nog in copij onder de bijlaegen gaat, en waaraan wij verzoeken ons kortheijds halven needrig te moogen refereeren. §: 37: Wat Opperhoofd van Tutukorijn, heeft bij serreete brief van den 6: Zaptember kennis gegeeven, dat het Engelsch Gouvernement te Madras zig van het geheele Rijk van karnatika had meester ge„ „maakt, en in het volle bezit daarvan gesteld; dat de nieuwe Engelsche Regent de Heer Benjamin Torin aan hem bij brief van den 2: Zeptember had kennis gegeeven dat 't Gouvernement van Madras uijt last van 't Generaale Gouvernement in Ben„ „galen het noodzaakelijk had g'oordeeld, om in de 1169 de landen van den Nabab de administratie van de Engelsche kompenie intevoeren, en dat hij benoemd was tot superintendent van alle de revenieen enz:, en dat de Agent van den Nabab reets den 30: Aug:s: had verklaerd, dat hij door de maatveegelen van 't Gouvernement van Madras zig niet meer bevoegd achte, om zig in eenige zaaken deer Nabab betref„ „fecede intelaaten, verztoekende onze beveelen hoe hij zig bij deeze verandering van Regeering zoude ge„ „draegen, en of de zaeken den nabab betraffende voortaan zouden behandeld worden met de Engelsche Regeering. §: 38: Wij hebben hierover in onze Vergaadering van den 10: September geraadpleegd. T Opperhoofd Mestern had reeds aangemerkt, dat naa de wijze waarop de Engelsche Regeering in 's Nababs landen is inge„ „woord, het in allen gevalle op het zelve zal uitkoomen, in de gevolgen als of ze zig de landen volkoomen had„ „den toegeeijgent, schoon anders de beschrijving van den Heer Torin veel minder beteekend, en hier aan scheen men No. 5

NL-HaNA_1.04.02_3883_0088 view scan ↗

English

one should doubt this all the less, because the Nabob's Agent had already declared on the 30th of August that, due to the measures of the English Government, he no longer considered himself authorized to enter into any matters with us, because the Land Regent of the Nabob was also placed under arrest immediately after the handover of the lands; and because by a publication on behalf of the English Government, of which a copy has since been sent to us, it was made known throughout the entire country that the Government of Madras had deemed it necessary to take over the lands of the Carnatic contrary to custom. Section 39: We thought, however, that we should have more certainty regarding the turn that affairs were brought to by this, particularly whether one should regard the English Company for the future as Nabob of the Carnatic, and whether this arrangement was only provisional or if the intention was to make it permanent. We have therefore resolved to instruct the Chief Mekkern, who was acquainted with the new English Regent, Mr. Torin, to pay a visit to the said Mr. Torin at Tirnevelli, and to confer with him verbally about all these matters, and if he found affairs suitable to treat with him officially, so that we no longer have to deal with the Nabob, or at least that for the present we must hold the English Company as the de facto Lord of the Principality of Madura and Paramount Lord of the Marawar lands, to begin then by conferring with him about the inspection of the pearl banks and about the chank diving. We have furthermore left it to the Chief Mekkern, if he considered the occasion suitable, to give Mr. Torin immediately full disclosure of our rights and privileges on the Madura and Marawar Coasts, and of our negotiations with the Nabob under the contracts concluded with Messrs. Dott and Buchanan, adding that in the latest treaty great sacrifices were made in order to avoid the threatening language used by Mr. Buchanan during his negotiations with us on orders from his master, and that it was trusted that through the reasonable arrangements of the English Government matters could be restored to the state in which they were formerly, with the further instruction that, as long as any doubts might remain that matters could later return to their previous state, it should be very carefully avoided that the Nabob be given any just reasons to complain hereafter about our actions. Section 40: Chief Mekkern has subsequently informed us by a separate letter of the 3rd of this month that, in accordance with our intention, he had paid a visit to Tirnevelli, and that he had deemed this all the more necessary because the Nabob's Agent had privately informed him that the Nabob had sent an embassy to the English Lord Governor General in Bengal, upon which everything might easily be reversed and the Nabob restored to the government of his lands: that he had had a conference with the Nabob's Agent and asked him directly whether he wished to proceed with us on behalf of the Nabob to the leasing of the chank diving and the inspection of the pearl banks, but that he had replied to this that in his letter of the 30th of August he had already clearly declared that he could no longer enter into any management of affairs, and that to the question of whether orders to that effect had been given to him by the Nabob, he had answered no, that ministerially he did not have the least orders from the Nabob, but that he had seen made publicly known by the Madras courier that the English Government had devised means to assume the administration of the Nabob's lands, that he had seen the same put into execution, and heard that it was published that all inhabitants must henceforth obey the English Company, that he believed he could not and should not oppose these measures, and thus further declared that he considered himself unauthorized to enter into any measures with us on behalf of the Nabob. Section 41: Chief Mekkern has further communicated by the said letter that he also had an interview with the new Superintendent, Mr. Torin, and requested from him some explanation of his letter in which he had communicated that the Government of Madras had introduced the English administration into the Nabob's lands, and to declare to him on these two questions: 1st: Whether the English Company now considered itself fully master of the Kingdom of the Carnatic, and if not, whether then in the second place Mr. Torin could show him proof from the Nabob whereby he consented to the administration

Dutch transcription

men te minder te moogen twijffelen, wijl 's nababs Agent reets den 30: Augustus verklaard had, dat hij door de maatveegelen van 't Engelsch Gouvernement zig niet meer bevoegd agte, om zig in eenige zaaken met ons intelaaten, wijl ook de Land Regent van den Nabab straks naa de overgang van de landen was in arrest genoomen; en wijl bij een publicatie van weegen 't engelsche Gouvernement waarvan ons 9: zeedert een afschrift is toegezonden door het geheele land was bekend gemaakt, dat de Regeering van Madtas het noodzaakelijk g'oordeeld had; om d' landen van Karnatika teegen de gewoonte naa zig te neemen. §: 39: We meenden egter meerder verzeekering te moeten heb„ „ber van den plooij waarin de zaaken hierdoor waer „vera gebragt, inzonderheijd of men de Engelsche kom„ „penie voor den aanstaande zoude moeten aanzien als Nabab van Karnatika, en of deeze schikking alleen was provisioneel dan of het voorneemen daar¬ „van waere, om ze bestendig te doen zijn. Wij hebben 1170 hebben derhalven beslooten, 't Opperhoofd Mekleen, die met den nieuwere Engelschen Regent den Heer Torin bekend was, aantebeveelen, om bij gemelden Heer Forin eene visite te Tirnevelli afteleggen, en denzelven over alle deeze zaeken mondeling te onderhouden, en indien hij de zaaken daarnaa ge„ „schikt vond, om met hem officieel te kunnen handelen, zoo dat we met den Nabab niet meer te doen hebben, ten minsten dat we voor het tee„ „genwoordige de Engelsche Kompenie moeten houden als Heer met der daad van het Vorsten„ „dom Madure, en Opperleen Heer van de Mar„ „rriasche landen, als dan te beginnen met hem te onderhouden over de visitatie van de paarl„ „banken en over de sjankoos duijkerij- Wij heb„ „bere voorts aan 't Opperhoofd Methern overge„ „laaten, om indien hij de geleegendheijd daartoe ge„ „schikt agte, nu al aanstonds aan den Heer Tovin opening te geeven van onze regten en voorregten op de No. 5 de Madureesche en Marriasche Kussen, en van onte handelingen met den Nabab, bij de kontracten met de Heeren Dott en Buchanan geslooten, met bijvoeging, dat bij het laatste tractaat, groote sacri„ „fices gedaan zijn, om te ontwijken de dreijgende taal, waarvan de Haar Buchanan zig bij zijne handelin„ „gen met ons op last van zijn measser heeft bedient, en dat men vertrouwde, dat door de reedelijke schik„ „kingen van het Engelsche Gouvernemenet de zaeken weeder zouden kunnen gebragt worden in deer staat, waarin dezelve eertijds waeren, met verderen lasst, dat zoo lange er eenige twijffelingen over blijven mogten, dat de zaeken naa deezen weeder zouden kunnen koomen in den voorigen plooij, zeer voor„ „zigtig moest worden vermijd, dat aan den Nabab geen billijke reedenen wierden gegeeven, om zig naa deeze over onze handelingen te kunnen beklaagen. P„o 40: 'T Opperhoofd Mektern heeft ons hierop bij serveate brief van den 3: deezer naader bedeeld, dat hij ter voldoening aan ons oogmerk eene visite te Tirnewelle had e 1171 had afgelegt, en dat hij dit te noodiger had geoordeeld, wijl 's Nababs Agent hem in het particulier had kennis gegeeven, dat de Nabab een Ambassade aan den Engelschen Heer Gouverneur Generaal in Bengalen had gezonden, waarop ligtelijk alles omgekeerd en de Nabab in de Regeering van zijne landen hersteld zoude kunnen worden: dat hij een onderhoud met 's nababs Agent had gehad en denzelven disect afgevraegd of hij van weegen den Na„ „bab met ons wilde treeden tot de verpagting van de Sijankoos duijkkerij en de visitatie van de ppaarl„ „banken, maar dat hij daarop had geantwoord, dat hij bij zijn brief van den 30: Augustus zig raets duij„ „delijk verklaard had, dat hij in geene behandeling van zaaken meer konde treeden, en dat hij op de vraage, of hem daartoe ordres van den Nabab wae„ „ven gegeeven, geantwoord had neen, dat hij minister„ „rieel geen de minste ordres van den Nabab had, maar dat hij bij den koerier van Madras publiek had zien bekend maeken, dat het Engelsch Gouver„ No 5 d Gouvernement middelen beraamd had, om de admini„ „straatsie van 's nababs landen naa zig te neemen, dat hij dezelve had zien ter uitvoer brengen, en gehoord, dat 'er gepubliceerd was, dat alle ingeteekenen voor„ „taan de Engelsche Komponie moesten gehoorzaamen, dat hij meende zig teegen deete maat vegulen niet te konnen, nog te moogen verzetten, en dus naader verklaerde, zig onbevoegd te agten, om met ons in eenige maatregulen van weegen den Nabab te treeden. §: 41: 'Tt Opperhoofd Mellern heeft bij den gemelden brief naader bedeeld, dat hij ook met den nieuwen super„ nintendent den Heer Torin een onderhoud had gehad, — en dezalven verzogt eenige verklaering van zijn brief waarbij hij bedeeld had dat het Gouvernement van Madras in 's nababs landen de Engelsche Admini„ astraatsie had geintroduceerd, en aan zig te verklaa„ „ren op deste twee vraegen. 1: Of de Engelsche kompenie tans zig, weekende vol„ „leedig meester te weeten van het Rijk van Kar„ „natika, en zoo neen, of dan in de tweede plaats de Heer Torin aan hem konde vertoonen een bewijs van den Nabab, waarbij hij bewilligde in de admini„ astraatsie

NL-HaNA_1.04.02_3883_0093 view scan ↗

English

administration of the English Company over his lands, and that Mr. Torin had thereupon declared quite openly that against the will of this Nabab they had put themselves in possession of his lands, and that in some places they had even been obliged to use force; that this, however, had not occurred with the intention of depriving the Nabab of his lands, nor of usurping sovereignty over them, but solely to secure the revenues for the discharge of the principal sums for whose payment this Nabab had bound himself, and in which commitment he had remained in arrears from time to time. That furthermore, the Nabab had thus far given no order to his servants in the country to render an accounting and conveyance to the English, but that this order would presumably arrive in a few days, and that if the Nabab should remain entirely obstinate, more detailed orders from the Government would in such a case be given, according to which he would have to conduct himself in all circumstances as soon as the reply from Bengal should arrive regarding the embassy that the Nabab had sent to Lord Cornwallis. Paragraph 42: Since the inspection of the pearl banks and the leasing of the chank fishery could be postponed until the end of this month without any disadvantage, Chief Mekern has requested our further orders, specifically whether, in case the affairs between the English Company and the Nabab should remain until the end of October in the same state in which they were, the English should be invited to the inspection of the pearl banks and to the fishery of the chanks, or whether we shall allow the inspection of the pearl banks and the fishery of the chanks to proceed alone and without the intervention of the English or of the Nabab. Paragraph 43: We have considered this in our meeting of the 9th of this month: 1: That the Nabab has already long been reduced by the English to such subjugation that the English are in effect masters of the Nabab's lands and have left to the Nabab nothing more than the administration of his lands, in which he has nevertheless been so restricted that he has been unable to transact any affairs of importance with us except through the intervention of the English, just as the latest treaty was also concluded under the mediation of the English Governor of Madras, and that there consequently seems to be all the less difficulty in dealing with the English, since the Nabab is under the absolute necessity of having to submit to the arrangements made by them in his lands. 2: That the English, who are currently in full possession and administration of the Nabab's lands, are the ones to whom we shall have to address ourselves whenever disputes arise in our scattered possessions on the Madura coast in order to claim our privileges, and that we could do this with little grace without at the same time allowing them, as substituting for the Nabab, to enjoy the rights that the Nabab possesses in our territories, and 3: That it is not probable that the embassy of the Nabab to Lord Cornwallis will effect anything, because General Medows, who is held to be the efficient cause of the change effected in the Government, is now elevated to Governor-General, and that even if it is supposed that the Nabab might bring about his restoration in Europe, one will nevertheless have to deal with the English for a considerable time even in this uncertain event. Paragraph 44: We have therefore resolved to write to Chief Mekern to ask this English superintendent for the arrangements that seem most fitting to him, even if only provisionally, so that both the leasing of the chank fishery and the inspection of the pearl banks may take place to mutual satisfaction. We have the honor to submit herewith the copies of the exchanged letters, from which Your High Excellencies will further see that this change of Government gives a great prospect that all vexations that occurred under the Nabab's Government will cease at once, and we shall be maintained in our privileges; but that our right to exclusive trade is in great danger of being lost on account of our persistent lack of money, as proposals have already been made and trials also undertaken by the English Company some years ago to establish a trading factory at Kailpatnam, the abandonment of which must be attributed to the contracts made with Messrs. Cotton and Buchanan. Chief Mekern has on this account strongly urged a persistent supply of money as being, in his opinion, the only means to maintain us in that right; and although his views in this matter have appeared to us entirely well-founded, we find ourselves, to our regret, unable

Dutch transcription

1172 „straatsie van de Engelsche Kompenie over zijne landen, en dat de Heer Torin daarop vrij uijt had verklaard, dat zij teegens den wil van deze Nabab zig in de possassie van zijne banden hadden gesteld, en dat zij zelfs op zommige plaetsen geweld hadden moeten gebruiken, dat dit echter niet geschied was met het- oogmerk om den Nabab van zijne landen te bevooren, nog om zig de souvereiniteit daarvan aantemaatigen, maar alleen om zig te verteekeren, van de inkomsten tot voldoening van de kapitaalen, tot welker voldoe„ „ning dese Nabab zich verbonden had, en in welke verbintenis hij van tijd tot tijd agterlijk was gebleeven. Dat voorts den Nabab tot nu toe geen ordre had gegeeven aan zijne dienaaren in het land, om aan de Engelschee reekening en transport te doen, maar dat deeze ordre ver„ „moedelijk in weijnige daagen zoude koomen, en dat zoo den Nabab geheel mogt halfterrig blijven, in zulk geval omstandiger ordres van 't Gouvernement zoude worden gegeeven, waarnaa hij zig in alle omstandigheeden zouden moeten No. 5 be„ bestieren, zoo dra het antwoord van Bengale zoude zijn gekoomen op de Ambassade die den Nabab aan Lord Cornwallis had gezonden. §: 42: Wijl nu de arsitaatsie van de paartbanken ende verpagting van de Sijankoos duijkerij tot in 't laatst van deeze maand zonder eenig naadeel konde wor„ „den uijtgesteld, heeft 't Opperhoofd Mekern, onze naadere ordres gevraagd en bepaaldelijk, of in„ „dien de zaeken tusschen de Engelsche Kompenie en den Nabab, tot het laatst van October in den zelven staat waarin te waeren mogten blijven; de Engelschen zullen moeten worden genoodigd tot de visitaatsie van de spaarlbanken en tot de duijkerij van de sijankoos, dan wel of wij in de visitaatsie der spaarlbanken en de duijkerij der Sijankoos alleen en zonder tusschen komst van de Engelschen of van den Nabab zullen laaten geschieden. §: 43: Wij hebben hierop in onze vergaedering van den 9: deeter overwoogen. 1: Dat de Nabab reets lange door de Engelschen tot zulk een onderwerping is gebragt, dat de Pnij 1173 Engelschen in effecte meester zijn van 's nababs landen en aan den Nabab niets meer hebben overgelaaten als de administraatse zijner landen, waarin hij achter zodaanig is bepaald geweest, dat hij met ons geen zaaken van aan„ „belang heeft kunnen verhandelen, als met tusschenkomst van Engelschen, gelijk ook het laatste tractaat onder de mediaatsie van den Engelschen Gouverneur van Madras is geslooten, en dat 'er derhalven te minder zwaerigheijd schijnt te weeten, om ons met de Engelschen intelaaten, wijl de Nabab in de vol„ „strekte noodzaakelijkheijd is, om zig te moeten on„ „derwerpen aan de schikkingen, die door hen in zijne landen worden gemaakt. 2: Dat de Engelschen die tans in de volleedige possessie en administraatsie van 's nababs landen zig bevinden, de geenen zijn waarbij wij ons zullen moeten addresseeren bij ontmoetingen van verschil„ „len in onze verspreijde bezittingen op de Madu„ „veesche kust, om onte previlesien te reclameeren, en dat wij dit met weijnig graatsie zouden kun„ „nen doen zonder te gelijker tijd hen als vervan„ „gende den nabab te doen jouisseeren van de regten, No. 5 die die de Nabab in onte territoiren heeft, en 3: Dat 't niet waarschijnlijk is dat de Ambassade van dene Nabab aan Lord Gornevallis iets zal uijt„ „werken, wijl de Heer Generaal Medows die voor de werkende oorzaak wordt gehouden van de gemaakte verandering in de Regeering tans tot Gouverneur Generaal is verheeven, en dat schoon men ook verondersteld dat de Nabab in Europa zijne her„ „stelling bewerke, men echter zelfs in dit on„ „zeeker geval een geruimen tijd met de Pn„ „gelschen zal te doen hebben. §: 44: Wij hebben hierom beslooten 't Opperhoofd Me„ „kern aanteschrijven, om van deze Engelschen seeper„ rintendent te vraegen de schikkingen die hem het bekwaamst voorkoomen, als waere het ook maar alleen provisioneel, op dat beiden de verpag„ „ting van de sijankoos duijkerij en de visitaatsie van de paarlbanken tot weederzeijds genoegen geschieden kan. Wij hebbende eer de Ropijen van de gewisselde brieven hiernevens aantebieden, waaruijt E 1174 waaruijt Uw Hoog Edelheeden verder zullen zien dat deeze verandering van Regeering een groot vooruijtzigt geeft, dat alle kwellingen die onder de Nababs Regeering hebben plaats gehad, op eenmaal zullen ophouden, en wij in onze previ„ „lesien gehand hoefd, maar dat ons regt tot den exclusiven handel door onze geduurtaeme geldeloos„ „heijd in groot gevaar is, om verlooten te gaan, alzoo bij de Engelsche Kompenie voor eenige jaaren, reets voorslaegen gedaan en ook proeven genoomen zijn, om een handel kantoor te Kailpatnam opterigten, waar„ „van de agterblijving moet worden toegeschreeven aan de kontraktan die met de Heeren Dottenr Buerha„ „nan gemaakt zijn. 'T Opperhoofd Mekkern heeft hierom kragtig aangedrongen, om eene ge„ duurzaemen voorraad van geld als naa zijn ge„ „dagten het eenige middel om ons in die regt te main„ „tineeren, en hoe wel zijne begripopen in dit stiek ons allezints gegrond zijn voorgekoomen, zoo bevinden wij tot ons leedweeten ons buijten staat No. 5

NL-HaNA_1.04.02_3883_0098 view scan ↗

English

state, to comply therewith. §: 45: However, in order to employ all means within our power, we have resolved to authorize the servants at Tutukorijn, if it can be obtained, to negotiate money against interest of one percent per month, as they shall have need thereof, and likewise to make attempts to obtain money from the English upon assignation to the Netherlands, as advantageously as can be negotiated. §: 46: Your High Noblenesses will further see from the Tutukorin letter of the 3rd of this month that we have ordered the Directors of the bank at Madras to be informed that the commission we had charged to the English merchant William Hollings, to procure some money into the said bank on behalf of this Government, has been revoked by us, and that they, the directors, consequently must not accept any money from the said Hollings; but that the Chief Mekern has shown us that this money would now be uncommonly convenient, and had meanwhile suspended the recommended notification until our further orders. We have condoned this on account of the good intention with which it was done, but at the same time ordered the said notification to be made as soon as possible. §: 47: The Jaffna servants informed us by their letter of 12 April that, upon the request of the Paleacatta ministers to be assisted with 12 artillerymen and some ammunition goods due to the fear of an invasion by the troops of Tipu Sultan into the Carnatic lands, they had resolved to comply with that request, which we condoned because it was not a matter of great importance. §: 48: But since then, the said servants informed us by their letter of 29 May that, upon the further request of the Paleacatta ministers for a reinforcement of 50 European and 50 Eastern soldiers, together with their officers and arms, they had further resolved to send thither 82 European and 78 Eastern soldiers; however, as this came entirely inconveniently since our garrisons are already noticeably weakened by the sending of men to Batavia and Cochin, and the servants wrote to us at the same time that they had also resolved to call the burghers to arms to strengthen their own garrison, we have disapproved their resolution to send the aforesaid reinforcement, with orders at the same time not to send any men out of their garrison without our special permission. But when this order of ours arrived at Jaffanapatnam, the aforesaid soldiers had already departed from there, and thus we had to acquiesce therein as an accomplished fact. We nevertheless requested the ministers at Paleacatta to send this force back to Jaffanapatnam at the earliest opportunity as soon as they could spare them, but the ministers replied to us by letter of 21 July last that the state of affairs on the coast of Coromandel makes this reinforcement necessary for Paleacatta, and since then they have written to us by letter of 29 August that they will send the dispatched troops back directly to Jaffanapatnam as soon as they no longer need them there. We commend Your High Noblenesses and the interests of the Company to God's safe keeping and remain with all respect and fidelity. /:Below stood and signed as before:/ in margin /: Colombo 15 October A:o 1790: Agrees J: A: G: Hybrands, V: Clerk Copy of incoming Secret Letters from Gale, of the Year 1790: No 5 No. 3. N: Calkoen 1776 secret Colombo. To the Right Honorable, Highly Esteemed Lord Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon with its dependencies, together with the Council. Right Honorable, Highly Esteemed, High-Commanding Lord. This afternoon I received a letter from the Honorable Disava van Angelbeek, in which he informs me that he had to abandon his already undertaken journey to the Alagampattoe and return to Mature, because many discontented people in the Mature Disavany had banded together and were causing a great disturbance; of the consequences whereof he as yet predicts no evil, believing himself assured that those mutineers have all respect and good regard for his person, and that mild means will probably be the best. I have offered him my assistance, either by sending a detachment or merely a commission of two members from the Gale Council, and the further reports that I await will determine my choice. I send to Your Right Honorable and Esteemed Lordship enclosed herewith the copies of the letter of the said Honorable van Angelbeek, as well as my answer served thereto, and I have the honor to be, with the utmost sentiments of high respect. /:Below stood: Right Honorable, Highly Esteemed, High-Commanding Lord; Your Right Honorable and Esteemed Lordship's humble servant /:was signed:/ P. Sluijsken /:in margin:/ Gale, 18 April 1790. To as before. This morning the undersigned received Comm:

Dutch transcription

staat, om daaraan te voldoen. §: 45: Wij hebben egter om alle middelen in 't werk te stel„ „len die in ons vermoogen zijn, beslooten de bedienden te Tutukorijn te qualificeeren, om indien het te bekoo„ „men is, geld te negootsieeren teegen den intrest van een percent 's maands, na maate, zij dit zullen noo„ „dig hebben, en om insgelijks poogingen te doen om bij de Engelschen geld op assignaatsie naa Neederland te behoo„ „men, zoo voordeelig als het te bedingen is. §: 46: uw Hoog Edelheeden zullen voorts bij den Tutukor: brief van den 3: deezer zien, dat we gelast hebben om aan de Directeuren van de bank te Madras kennis te geeven, dat de Commissie die we aan den Engelschen Koopman William Wollings hebben opge„ „draagen, om in gem: bank te bezorgen eenig geld ten behoeve van dit Gouvernement, van ons weeder is opge„ „zegt, en dat zij diracteurs, midsdien geen geld van gem: Hollings moeten accepteeren, maar dat 't Opperhoofd mekern aan ons heeft vertoond, dat dit geld tans on„ „gemeen wel zoude te pas koomen, en intusschen tot on„ „ze naadere ordre de aanbevolene aanschrijving hadt uijt„ de „ge„ 1175 „gastelt. Wij hebben dit om 't goede oogmerk waarmeede het geschied is wel gepasseerd, maar taffens bevoolen om de gem: aanschrijving ten aldereersten te laaten geschieden. §: 47: Dde Jaffanasche bedienden gaeven ons bij hunnen brief van den 12: April kennis, dat ze op 't verzoek van de Palle„ nazalsche ministers, om weegens de bedugting voor een in„ „val van de troupen van Tipoe Sultan in de Karnatika„ „sche landen, te worden geassisteerd met 12: Arthellene steen en eenige ammonitie goederen, hadden beslooten aan dat verzoek te voldoen, het geen ese om dat geen zaak van veel belang was hebben gepasseert. „ 3: 48: Dog zeedert bedeelen ons gem: bedienden bij hunne brief van den 29: maij, dat ze op 't naader verzoek van de Pallearatsche ministers, om een setours van 50: Europaesche en 50: oostersche militairen, benevens hunne officieren in waapenen, nog hadden beslooten derwaerds te zenden 82: Europeesche en 78: Oostersche militairen; dan wijl dit, daar onte guarnitoenen reeds door 't zen„ „den van volk naa Batavia en Koetsiem mer„ „kelijk verswakt zijn, gants ongeleegen kevam, en de bedienden ons daarbij schreeven, dat ze teffens had„ „den beslooten om de burgerij in de Waepens te bran„ „gen tot versterking van hun eijgen guarnitoen, hab„ „ben No 5 O Naagstien Looman „ben we hun besluijt, tot 't zenden van voorsz: sagvers gedisapprobeerd, met last teffens, om geene manschappen, zonder ons speciaal verlof, uit hun guarnitoen te verton„ „den: dog toen deeze onze order te Jaffenapatnam aankwam, waeren de voorsz: militairen reeds van daar vertrokken, en hebben we dus daarin, als, in eene reeds gedaane zaek, wel moeten beriesten. We hebben nogtans de ministers te Pa„ „leacatta verzogt, om zoo dra ze dit volk konden mis„ „sen, het ten eersten naa Jaffanapatnam tonig te zeeden, maar de ministers hebben ons geantwoord bij brieve van dene 21: Julij Joc:, dat de toestand van zaaken ter keeste kormandel, deeze versterking voor Paleacatta nood zaake„ „lijk maakt, en zeedert hebben ze ons bij brieve van den 29: Augustus geschreeven, dat ze de gezondene manschappen; zoo draa te die aldaar niet meer noo„ „dig hebben, divect naa Jaffenapatneme zullen terug zenden. Wij beveelen uwe Hoog Edelheeden ende belan„ „geees der Maatschappij in Godes vijlige hoede en blijven met alle eerbied en trouwe. /:Onderstond en geteekend als vooren:/ in margine /: kolombo den 15: October A=o 1790: Accordeert „ J Aan e G Hijbrands Vgklenk Copij aankoomende Serreete Brieven van Gale, de Anno 1790: No 5 No. 3. N Calkoen 1776 secreete Kolombo. Aan den wel Edelen Gestrengen, Groot agtb: Heer Willem Jacob van de Graaff Raad, ordinair van Nederlands Jndia, Gou= „verneur en Directeur van het Eijland Cij lon met dies onderhoorigheeden nevens den Raad. Wel Edele, Gestrenge groot Achtbaare Hoog Gebiedende Heer Heeden agter middag ontvangik van de E: Dessare van Angelbeek een Brief waar bij dezelve mij bedeeld, dat hij van zijne„ reeds ondernome rijze na de Alagampat„ „toe heeft moeten afzien en na Mature te „rug keeren;, wijl veele misnoegder in de Maturee„ „zig te zamen gerot hadden „sche Dessaronij „ ezug kee zn wijl vel, en eene groote opschuoding maakten; van welken ge„ „volgen No 5 lictien. „volgen Hij zig egter als nog geen kwaad voorzegd, als meenende verzeekerd te zijn dat die Mluijtelingen omtrend zijn, perzoon alle agting en goede gedagten hebben; en dat de lagtste middelen waarschijnlijk de beste zullen zijn jk heb hem mijn assistentie „het zij doordeen commando, of alleen een Commissie van twee Leeden uit den Gaal= „schen Raad, te zenden aangebooden, en de na „dere berigten die ik verwagte, zullen mijn keuse bepaalen. jk zende uwel Ed: Gestr: Groot agtb: hier in geslooten de afschriften van de Brrief van ged=te: E: van Angelbeek, als mijn: daer op gediend andwoord en heb de eere met de meeste gevoelen van hoog agting te zijn. /:onderstond Wel Edele, Gestr: groot Agtbaare Hoog Ge „biedende Heer; uwel Ed: gestr: groot agtb: onderdaenige Dienaer /:was geteekend/ ƒ P„r Sluijsken /:in margine:/ Gale den 18. April 1790 Aan als vooren. Heeden morgen ontfing de ondergeteekende Comm: 8.

NL-HaNA_1.04.02_3883_0107 view scan ↗

English

1577 Commandeur a second letter from the Honourable Dessave van Angelbeek, in which he communicates the certainty of the gathering of many discontented inhabitants of the Matureesche Dessavonij; and at the same time requests a detachment of military personnel, with the authority to use forceful measures; we have therefore decided, in a meeting expressly held for that purpose, to dispatch 150 military troops under the command of Captain Prophalo to the said Honourable Dessave this very afternoon. We have also appointed the Junior Merchants van Schuler and De Vos to depart from here early tomorrow morning and proceed to the mutineers, in order to learn the reasons for their conduct and their grievances, unless further reports from the Honourable van Angelbeek render this mission unnecessary. We herewith present to Your Right Honourable, Valiant, and Highly Esteemed Sirs a copy of the letter from the Honourable Dessave van Angelbeek, and of the further papers sent to us by him, and we shall not No. 5 not fail to inform Your Right Honourable, Valiant, and Highly Esteemed Sirs of everything relating thereto at the earliest opportunity; having the honour to be, with the utmost sentiments of high esteem, below stood: as before, was signed: P:r Sluijsken, C: L: Schede, N: B: Martheze, P:r Devos, and C: L: B: van Albedijhl, in the margin: Galle, 19 April 1790. To the same as before. In our respectful letter of yesterday the 19th instant, we had the honour to inform Your Right Honourable, Valiant, and Highly Esteemed Sirs that, in order to pacify the discontented inhabitants of the Matureesche Dessavonij, we had decided to dispatch a military detachment and a commission from our Council. This detachment indeed departed the evening before yesterday, and the Junior Merchants van Schuler and De Vos departed yesterday morning for the aforementioned purpose. Yesterday at noon, the undersigned Commandeur received a 1178 separate letter from the Honourable Dessave van Angelbeek, which had been more than twelve hours en route, in which the said Honourable Dessave seems to hold some slight hope that the gathering of the mutineers will not have great consequences. The said Honourable Dessave wishes to be excused from the commission sent from here by us, and requests on the contrary that Your Right Honourable, Valiant, and Highly Esteemed Sirs be pleased to send a commission from Colombo, in order to investigate the conduct and complaints of the mutineers and to trace the true origin of these people's discontent. On this matter we shall await the pleasure of Your Right Honourable, Valiant, and Highly Esteemed Sirs; in the meantime, we have decided to allow the Junior Merchants van Schuler and De Vos, who are assisted by an able clerk, the Bookkeeper van Zitter, and the Porta Mohandiram Balthazar Dias, to complete their commission, as we trust that Your Right Honourable, Valiant, and Highly Esteemed Sirs will find this consistent with the requirements of the service. Of the aforementioned letter from the Honourable Dessave van Angelbeek, we herewith present to Your Right Honourable, Valiant, and Highly Esteemed Sirs a copy, as well as of our reply sent thereto; and we hope that both may merit the approval of Your Right Honourable, Valiant, and Highly Esteemed Sirs. As soon as we are informed of any further circumstances regarding the said mutineers, we shall not fail to inform Your Right Honourable, Valiant, and Highly Esteemed Sirs thereof, as well as of the measures we intend to take; having the honour to be, with the utmost sentiments of high esteem, below stood: as before, was signed: P:r Sluijsken, M: V: d: Spar, J: L: Schede, L: Aems, N: B: Martheze, J: J: D: D' Estandau, and A: E: De Lij, in the margin: Galle, 21 April 1790. To the same as before. Since the dispatch of our respectful letter of yesterday noon, we have received between yesterday evening and today such letters from the Honourable van Schuler and De Vos, of which we herewith present the copy to Your Right Honourable, Valiant, and Highly Esteemed Sirs, as well as the copy of our replies sent thereto. From the discontented inhabitants of the Matureesche Dessavonij, an unsigned ola was brought here yesterday evening, and a signed ola this morning, of the translations of which we likewise take the liberty to enclose copies herewith. From all the aforementioned papers, Your Right Honourable, Valiant, and Highly Esteemed Sirs will, in our view, observe that the mutineers number around 12,000 men and have gathered partly at Wakman in the Girrewaij-Pattoe, and that these people do not seem so much intent upon committing any actual violence as upon presenting their complaints about having suffered

Dutch transcription

1577 Commandeur een tweede brief van den E: Dessa „re van Angelbeek, waar bij dezelve de zeekerheid der zaemenrotting van veele misnoegde in „gezeetenen der Matureesche Dessavonij bedeeld; en teffens om een Commando Militairen, E met kwalificatie geweldige middelen te moogen gebruiken versoekt; wij hebben daer op in een expresten dien eijnde gehoudene bij= „eenkomst beslooten, om nog heeden agtermiddag 150. koppen Militairen onder Commando van den Capitein Prophalo gedagte E: Dessave toe te„ „zenden. ook hebben wij de onderkooplieden van Rchuler en De vos benoemd, om, ten zij dat nadere berigten van D: E: van Angelbeek deeze zending onnoodig maaken, morgen vroeg van hier te vertrekken, en zig bij de muijtelin= „gen te begeeven, om de reedenen van hun bestaan en hunne beswaaren te verneemen. Wij bieden uwel Ed: gestr: groot agtb: bij deesen aan, een afschrift van des E: Dessave van An= „gelbeek brief; en van de verder door derzel= „ren ons toegezondene papieren en wij zullen niet No 5 lictien. end 18. teekende. m. niet versuimen, uwel Ed: gestr: groot agtb: verder van alles, hier toe betrekking hebbende, ten eersten te onderrigten; hebbende de eere met de meeste gevoelens van hoog agting te zijn /:onderstond:/ als vooren /:was geteekend:/ P=r Sluijsken, C: L: Schede, N: B: Martheze, P:r Devos, en C: L: B: van Albedijhl /:in margine:/ Gale den 19: April 1790. Aan als vooren. Bij onze eerbiedige van gisteren den 19:' deeser, hadden wij de eere uwel Ed: gestr: groot agtb: te bedeelen, dat wij om de misnoegde ingezeetene van de Ma= „tureeesche Dessavonij tot rust te brengen besloot hadden een commando Militairen, en een com- „missie uit onze Raad afte vaardigen. Dit de„ „tachement is ook werkelijk aergisteren avond, en de onder „kooplieden van schuler en de vos gisteren morgen ten voorschreeven eijnde vertrokken- Gisteren middag om twaelf uren ontrfing de ondergeteekende Commandeur eer aparte 5. # 1178 apparte brief van den E: Dessave van Angelbeek, die ruijm twaalf uuren onder weegs geweest was, waar bij gedagte E: Des„ „save eenige wijnige hoop schijnt te hebben, dat de saamen„ „rotting der muijtelingen van geene groote gevolgen zal zijn. Gedagte E: dessave wenscht, van de door ons van hier gesonde„ „ne commissie verschoond te blijven, en verzoekt daar en teegen dat uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: een commissie van kolom„ „bo gelieve te zenden, ten eijnde het gedrag en de klagten der muijtelingen te onderzoeken, en de waare oorspronk van het misnoegen deeser menschen natespeuren. Hier op zul„ „len wij uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: goedvinden verbijden; intusschen hebben wij beslooten de onderkooplieden van schuler en de Vos, die van een goed schribent de boek, „houder van Zitter, en de porta Modliaar Baltta zak Dias geassisteerd zijn, hunne commissie te laaten vol„ „brengen; gelijk wij vertrouwen dat uwelEd: Gestr: Groot Achtb: met de order van dienst zal overeenstemmende bevinden. Van gedagte hier vooren gem: brief van den E: Dessave van Angelbeek bieden wij uwel Ed: Gestr: Groot Agtb: het afschrijft bij deesen aan; gelijk ook van ons daarop gezondene andwoord; en wij willen hoopen dat het een en ander uweld: Gestr: Groot Achtb: goedkeuring moogen verdienen. zoo dra wij van eenige nadere omstandigheeden, aangaande gedagte sluijtelingen, geinformeerd worden, zullen wij niet ver„ „suijmen tb: No 5 n Carte Aan als „suijmen uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: daar van, glijk ook van onze teneeme maatreegelen te onderrigten; hebbende de eere met de meeste gevoelens van hoog Agting te zijn. /:onder„ „stond:/ als vooren /:was geteekend:/ P:r Sluijsken, M: V: d: Spar, J: L: Schede, L: Aems, N: B: Martheze, J: J: D: D' Estandau, en A: E: De Lij. /:in margine:/ Pale den 21. April 1740: vooren. zeedert het afzenden onzer eerbiedige van gisteren middag hebben wij gisteren aangedaen heeden moogen soodanige drie„ „ven van den E: van Schuler en de vos ontfangen als waar van wij Uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: het afschrift bij deese aanbieden; gelijk ook het afschrift van onze daar op gezondene andwoorden. Van de misnoegde Jnwoonders der Matureesche Dessavo„ „nij zijn hier gisteren avond een ongeteekende, en heeden morgen een geteekende ola aangebrugt, van welkers trans„ „laaten wij almeede de vrijheijd neemen hierneevens ko„ „pijen te voegen Bij alle voorschreevene papieren, zal uwel Ed. Gestr: Groot Achtb:, na ons inzien ontwaaren, dat de muijtelingen bij de 12000. Man uijtmaaken, en zig gedeeltelijk op Wakman in de Girrewaij=Pattoe vergaderd hebben en dat deese mensche zoo zeer niet geintentioneerd schijnen te zijn om eenig weesend„ „lijk gewed te willen pleegen, als wel om haare klagten over ondergaane No 3

NL-HaNA_1.04.02_3883_0111 view scan ↗

English

1179 To the same as before. to present the endured indignities, as they claimed, and to demand their opinion. And thus, as the Honorable Messieurs van Schuler and Devos, accompanied by the porta Mudaliyar Dias, have been commissioned for the aforementioned purpose, we also hope that this rebellion will not have such great consequences and even that it will be quickly settled and the gathered mob will soon be dispersed from one another. A cautious and moderate conduct in this matter will however always guide us, and we shall be on our guard; and we shall take care to avoid as well as possible everything that may cause great consequence and commotion among the Native population. With the highest sentiments of esteem we have the honor to be, below was written and signed as before, in the margin: Galle, the 22nd of April 1740. Your Right Honorable, Rigorous, Highly Esteemed honored orders, appearing in your secret government letter of the 21st of this month, delivered to us this morning, will be strictly carried out, to which end we have already dispatched the necessary notifications to the Honorable Disava van Angelbeek and the junior merchants van Schuler and de Vos. Of these notifications we hereby offer the copies to Your Right Honorable, Rigorous, Highly Esteemed. Only, after having deliberated extensively on this matter and taking the circumstances of the time into consideration, and having issued the necessary orders to that end, we have resolved, in the trust of a favorable interpretation, to let the junior merchants van Schuler and De Vos, if they should already find themselves among the mutineers, then carry out their charge. Merely to hear and record the complaints and grievances of these dissatisfied people, without conducting any investigations; and subsequently, under the promise to these people that proper justice will be done to them, to return to Matara as soon as feasible. We have thought it necessary to take this decision in consideration of: Firstly, because we believe we may assume that if these dissatisfied people are merely listened to, and if their complaints are equitable, the obliged equitable justice is then also granted to them, they will return to their dwellings content and satisfied. Secondly, we believe that the execution of this commission, if it is conducted with deliberation, as we trust, will bring no harm to the Company's prestige and interests. Thirdly, we believe it must be taken into consideration that if one wished to make the said commissioners, should they indeed already be among the mutineers, cease their commission, and immediately let them return without hearing these people, this could bring the said commissioners into great danger and inconvenience, and agitate the minds of the rebels even more instead of calming them. And Fourthly, we believe, with submission to wiser judgment, that if the mutineers can be brought back to their duty by gentle means, merely by listening to them and, if they have equitable complaints, by granting them equitable justice, this course is by all means the most preferable, as in our view, should one succeed in this manner, not only will many expenses that a war can entail be saved, but even the saddest and most unforeseen consequences of bloodshed and so forth will be prevented. We dare to flatter ourselves that our aforementioned remarks merit Your Right Honorable, Rigorous, Highly Esteemed's approval, and we have the honor to be with the highest sentiments of esteem, below was written and signed as before, in the margin: Galle, the 23rd of April 1790. To the same as before. At ten o'clock in the forenoon we had the honor to receive Your Right Honorable, Rigorous, Highly Esteemed's honored secret letter of the 2nd of this month, the contents of which have made us somewhat embarrassed, because Your Right Honorable, Rigorous, Highly Esteemed are pleased to strictly order therein that the junior merchants van Schuler and De Vos shall be recalled directly to Galle; and on the other hand, about an hour and a half earlier, we have received such news from the said commissioners that make us expect very good results from their mission. We have resolved to communicate Your Right Honorable, Rigorous, Highly Esteemed's honored orders to the said commissioners, and to instruct them to take well into consideration the circumstances of the time in which they will find themselves upon receipt thereof, and then to execute this order as best as feasible, if the Company's interests permit this and the state of affairs does not make an opposite conduct absolutely necessary. Of the letter and two olahs sent to us by the said junior merchants van Schuler and De Vos, we hereby offer the copies to Your Right Honorable, Rigorous, Highly Esteemed, as well as of our letters just dispatched to the said commissioners and the Honorable Disava van Angelbeek. The distance between the places where the mutineers are situated and Matara, between Matara and Galle, and between Galle and Colombo is, in our humble view, too far, and the circumstances and conditions in an agitation such as that in which the Matara Disavany presently finds itself are subject to so many and rapid successive changes, that it is impossible for us to be assured that the orders being dispatched from here to Matara, and even less those we receive from Your Right Honorable, Rigorous, Highly Esteemed from Colombo, can be strictly obeyed. Therefore we have, until now, always kept in mind to recommend, in the letters dispatched by us to the Honorable Disava and our commissioners

Dutch transcription

1179 Aan als vooren. ondergaane /:gelijk zij zig verede:/ nwegtwaardigheeden voor„ „tedraagen en hun gedagte te eijschen. En dus wij DE:s van schuler en Devos verseld van den porta Modliaar Dias, ten voorschreeven eijnde gecommitteerd zijn, zoo hoopen wij„ ook dat deese oproer, zoo zeer geene groote gevolge zal heb„ „ben en zelfs dat ze schielijk zal gesteld en het saamenge„ „rotte, volk spooedig uijt den anderen zal gebragt worden. Een voorzigtig en moderaat gedrag in deesen, zal ons altoos dog bestieren, en op onse hoede zijn; en wij zullen zorgen om alles, wat bij den Jnlander van veel gevolg en opschudding kan zijn, zoo goed moogelijk te vermeijden. Met de meeste gevoelens van hoogagting hebben wij de eere te zijn /:onderstond:/ en /:geteekend:/ als vooren /: in mar„s Gale den 22. ' April 1740. „gine:/ uwel Ed: Gestr: Groot Agtb: geeerde beveelen, woorkomende. bij derselver sekreote Regeerings brief van den 21. deeser, hheeden morgen bij ons besteld, zullen stiptelijk worden vol„ „bragt, tot welken eijnde, wij reeds de noodige aanschryvingen e„ aan den E: Dessave van Angelbeek en de onderkoop„ „lieden van schuler en de vos hebben afgevaardigd. van dee„ „se aanschrijvingen bieden wij uwelE: Gestr: Groot Achtb: de afschriften bij deese aan„ Alleen hebben wij, na desweegens wijdloopig gedelibereerd en de teijds omstandigheeden, in overweeging genoomen te hebben, in elijk ook de de e 1 M rie gen tb: het c chrif van savo„ heeden trans„ ers en en z de an No 5 en en de ten dien eende noodige beveelen uijtgeweerdigd, in vertrouwen van eene gunstige welduijding beslooten; om de onderkooplieden van Schuler en De vos zoo ze zig reeds bij de Muijtelingen mogten bevinden, als dan hun last te laa„ „ten volbrengen. De klagten en beswaaren van dit misnoegde volk slegts aante hooren en opteneemen, zonder eenige onder„ „zoeken te doen; en vervolgens onder belofte aan deese men„ „schen, dat hun een goed regt zal geworden, zoo spoedig doen„ „lijk na Mature terug te keeren. Wij hebben gemeend dit besluijt te moeten neemen uijt aan„ „merking. Eerstens. wijl wij meenen te moogen veronderstellen, dat dee„ „se misnoegde menschen, zoo slegts aangeloord worden, en hun indien hunne klagten billijk zijn, dan ook het verpligt billijk regt toekomt; zij te vreeden en voldaan na Hunne wooningen zullen terug keeren. Tweedens. gelooven wij, dat het volvoeren deeser kommissie indien deselve /:gelijk mij vertrouwe :/ met overlegen „bragt word, geen nadeel aan 'sComp:s aansien en be„ „langens zal toebrengen: Derdens. Vermeenen wij in aanmerking te moeten neemen, dat wanneer men ged=e gecommitteerdens, indien zij zig werkelijk reeds bij de Muijtelingen bevinde, haere commissie wilde doen staaken; en ten eersten, zonder„ deese menschen aantehooren, laaten terug keere; alit ged:e gecommitteerdens in groote gevaar en ongeleegend„ „heijd 1180 Aan als „„heijd zoude kunnen brengen, en de gemoederen der rebellen in plaats, van te bedaaren, nog meer in beweeging brengen. en Vierdens. Vermeenen wij met onderwerping aan wijzer gevoelen, dat indien de Muijtelingen door zagte middelen; met hun slegts aantehooren, en zoo zij billijke klagten hebben, een billijk regt te doen geworden, tot hunne pligt terug te bren„ „gen zijn; Deese weg allesints de verkieselijkste is, wij eer ons inzien, indien men op deese wijze mogte reus„ „seeren, niet alleen veele kosten, die een voorlog kunnen na zig sleepen uijtgewonnen; maar zelfs de droevigste en on„ „tevoorsienste gevolgen van bloedvergieten en zov: woorgekomen zullen worden. Wij durven ons vlijen dat onse voorschr: aanmerkingen uwelEd: Gestr: Groot Achtb: goedkeuring verdienen, en hebben de eere met de meeste gevoelens van hoog agting te zijn. /:onderstond:/ en /:ge„ „teekend:/ als vooren /:in margine:/ Gale den 23. April 1790. — vooren. Te sien uuren voordemiddag hebben wij de eere gehad te ontfangen uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: geeerde secreete brief van den 2.' dee„ „ser; welkers inhoud ons eenigzints verleegen heeft gemaakt, wijl uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: daarbij stellig gelieven te or„ „donneeren, dat de onderkooplieden van Schuler en De Vos direkt na Gale zullen terug geroepen worden; en wij van de anderen kant van gedagte gecommitteerdens zoodanig tij„ „dingen, omtrend ander half uur te vooren, hebben bekoomen die ons de doen vve 1 ng hei itien en No 5 ons heel goede gevolgen van hunne zending laaten verwagten. Wij hebben beslooten gedagte gecommitteerdens uwelEd: Gestr Grot Achtb: geeerde beveele, meede te deelen; en Wun te gelasten, de teijds omstandigheeden waarin ze zig, op den ontfangst der „zelve, zullen bevinden, wel in overweeging te neemen, en dan deese ordr, zoo'sComp:s belangen dit toelaaten, en de gesteld„ „heijd der dingen niet een teegenstrijdig gedrag volstrekt nood„ „zaakelijk maaken, best doenlijk te volbrengen; Van de door gem: onderkooplieden van Schuler en De vos ons toegezondene brief en twee glassen bieden wij uwel Edele Gestr: Groot Achtb: de afschriften bij deese aan; gelijk ook van onze zoo wen aan gedagte gecomm: en den E: Dessave van An„ „gelbeek afgevaardigde brieven. De distande tusschen de plaatsen waar de Mluijtelinge, zig bevinden en Matiure; tusschen Mature en Gale; en tusschen Gale en kolombo; is na ons needrig inzien, te ver; en de omstandig„ „heeden en gesteldheeden in een Nogue als waarin zig thans de Matureesche Dessavonij bevind, aan zoo veele, en kort op malkander volgende veranderingen onderworpen; dat wij na on„ „moogelik is zig verzeekend te houden, dat de van hier na Ma „ture afgevaardigd wordende orders; en nog minder die wij van Uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: van Kolombo ontfangen stiptelijk kunnen opgevolgd worden. Dierhalven hebben mij, tot nog toa, althoos in het oog gehouden om, bij de door ons aan den E: Dessave en onze gecomm:s afgezondene brieven aante„ „beveelen

NL-HaNA_1.04.02_3883_0115 view scan ↗

English

to order their conduct and the resolutions to be taken, adjusting them as much as possible to the circumstances of the time. Which we understand to be necessary, because these circumstances of the time can often make a conduct entirely contrary to what the order contains necessary. We remain assured that the Honorable Dissave van Angelbeek and the Gentlemen van Schuler and De vos have sufficient skill and judgment to devise with deliberated prudence the best measures that may serve in the present case. Hoping for a favorable interpretation, we take the liberty respectfully to request Your Highly Esteemed, Valiant, and Right Honorable Lordships to grant a similar confidence to the undersigned, and not to bring us into embarrassment by sending your honored, and otherwise by us very gladly obeyed, peremptory orders; as it would heartily grieve us if the circumstances of the time did not fully harmonize with your intention. We promise Your Highly Esteemed, Valiant, and Right Honorable Lordships unanimously that, on the oath by which we are bound to the Noble Company, and as men of honor, we shall devise no other measures, especially in the present case, than those which, according to our best judgment, correspond most with the interests and prestige of the Noble Company, and with the justice of honor-loving rulers. In the present state of affairs regarding the discontented inhabitants of the Matara Dissavony, there are, in our view, two ways to be chosen to bring them back to their duty; namely, means of force or of gentle persuasions. We have hitherto considered the latter as the most preferable and guided our resolutions accordingly; considering that the former can bring about the most grievous consequences and great costs, and that there is always time to take that path when it has been found fruitless. Long before we can receive Your Highly Esteemed, Valiant, and Right Honorable Lordships' answer to this, matters will probably have developed sufficiently to be able to judge with certainty whether anything has been achieved through gentle means or not, in which latter case we request Your Highly Esteemed, Valiant, and Right Honorable Lordships' approval and qualification as to whether one must oppose the mutineers by force; should Your Highly Esteemed, Valiant, and Right Honorable Lordships decide on the latter, we respectfully request that the necessary means be devised to assist us, whenever we might request it, with a sufficient number of troops and other war necessities; since we, having experienced through the most grievous consequences in the last Sinhalese War since the year 1760 how disadvantageous it is to put a small number of troops in the field on Ceylon, thus presume that one ought not to confront the mutineers, who according to rumor may well amount to 16 to 18000 men, otherwise than with a considerable force. Flattering ourselves that the contents of this will merit Your Highly Esteemed, Valiant, and Right Honorable Lordships' much honored approval; we commend ourselves to your high favor, and have the honor to be with the highest sentiments of deep esteem, below was written and signed as before, in the margin, Galle, the 24th of April 1790. To the same as before. From the reports received since our respectful letter dispatched to Your Highly Esteemed, Valiant, and Right Honorable Lordships the day before yesterday, of which we enclose herewith the copies of the principal points, it appears continuously that the discontented inhabitants of the Matara Dissavony do not commit outright open hostilities, but rather that they still behave reasonably quiet and modest, and that their intention does not appear to be in any way to commit any outrages against the Noble Company; but rather to make known, collectively and with one another, their complaints and grievances concerning endured injustices. Our commissioners, the Gentlemen van Schuler and De vos, have already returned to Matara from Dikwella; and we shall further instruct them this very day to return to Galle as soon as possible. The mutineers, who have not caused these commissioners any molestation whatsoever, but on the contrary showed much deference, very willingly submitted to submit their complaints, only requesting that they may be granted an 8 days' postponement to present their grievances in writing, and that after the expiration of that time, at a place best situated for that purpose.

Dutch transcription

1181 bevelen, hun gedrag en te neemene besluijten, zoo veel moogelijk na de teijds omstandigheeden te schikken. Het welk wij be„ „grijpen noodzaakelijk te zijn, wif deese teijds omstandigheeden dlikwils en heel teegensthijdig gedrag, dan de order bevat, kun„ „nen noodzaakelijk maaken. Wij houden ons verzeekerd dat den E: Dessave van Angel„ „beek en DE:s van Schuler en De vos toerijkende kun„ „de en oordeel genoeg hebben, om met overleegde beste maatreegdle te kunnen beraamen die in het teegenwoordig geval kunnen te gas 9 koomen. Jn hoop op eene gunstige welduijding, neemen wij de vrijheid uweld: Gestr: Groot Agtb: eerbiedig te verzoeken een ge„ „lijk vertrouwen de ondergeteekendens te willen toedraagen, en ons door het toezenden van derzelver geeerde, en door ons anders zeer gaarne opgevolgd wordende, stellige orders niet in verlee„ „genheijd te brengen; terwijl het ons hartelijk smerten zoude in„ „dien de omstandigheeden des teijds niet volkoomen met dies intentie karmonieerden. wij belooven uweld: Gestr: Grot Agtb: eens gesind, dat wij, op den eed waarmeede wij aan de Edele Comp: gebonden zijn, en als mannen van eere, geen andere maat„ „reegelen, voor al in het teegenwoordig geval zullen beraamen dan, die na ons best oordeel, het meest met het belangen en aenzien der Ed: Comp:, en met de regtvaardigheijd van eerlievende regen„ ten overeenkomt. Jn de teegenwoordige gesteldheijd van zaaken aangaande de mis„ „noede Jnwoonderen van de Matureesche Dessavonij zijn, na ons inzien verwagten. 9 Grot nood vos Edele An¬ de na on¬ na Ma„ die wij ontfangen 16 ons l tot e No5 en. inzien, twee weegen te verkiesen om deselve tot hunne peligt te„ 60 „rug te brengen; te weeten, middelen van gewel of van zagtsinni„ „ge persuatien. wij hebben tot nog toe de laatste als de verkiese „lijkste gehouden en daarna onze besluijten bestierd; uijt aan„ „merking dat de eerste de droevigste gevolgen en groote kosten kan na zig sleepen en nog althoos tijd is die weg inteslaan„ wanneer de vrugteloos bevonden is, voor en al eer wij uwe Ed: Gestr: Groot Achtb: andwoord hierop konnen ontfangen zullen de zaaken zig waarschijnlijk genoeg ontwikkeld hebben, om met zeekerheijd te kunnen oordeelen of men door zagte mis„ „delen iets heeft kunnen uijtrigten, of niet, in welk laast ge„ „val wij uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: goed vinden en kwalife„ „catie verzoeken, of men met geweld de Muijtelingen moet tee„ „gen gaan; Mogten uwelEd: Gestr: Groot Achtb: dit laatste besluijten, verzoeken wij eerbiedig, de noodige middelen te beraemen om ons, wanneer wij daarom mogten verzoeken, met een toe„ „rijkend getal van troupen en andere krijgsbehoeften te kunnen as„ „sisteeren; terwijl mij, door de droovigste gevolgen in den laatsten singaleesche oorlog zederd Anno 1760. ondervonden hebbende hoe nadeelig het is een gering aantal van troupen op Cijlon in het veld te schikken, dus veronderstellen, dat men niet anders dan met een aansienlijke magt de muijtelingen, die volgens met het gerugt wel 16. tot 18000. man kunne uijtmaaken diend tegaen. Ons vlijende dat den inhoud deeser, uwelEd: Gestr: Groot Achtb: veel geeerde goed keuring zal verdienen; bevelen ij ons in hoog der„ „zelven 184 1182 Aan als vooren. „zelven hooge gunste, en hebben de eere met de meeste gevoelens van hoog agting te zijn /:onderstond:/ en /:geteekend:/ ls vooren /:in margine:/ Gale den 24. April 1790. Uijt de, zeedert onse, eergisteren, aan uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: afgevaardigde eerbiedige brief, ontvangene berigten, waer„ „van wij /: van het hoopd zaekelijk :/: de afschriften bij deesen voegen, blijkt als nog voortduurende dat de mishoegde ingezeetene„ van de Matureesche Dessavonij Iuijst. zoo zeer geene openbaar„ „re vijandelijkheeden pleegen, maar wel dat zij zig als nog ree„ „delijk stil en bescheiden gedraagen, en dat hunne intentie geensints schijnt te zijn eenige baldaadigheeden teegen de Ed: Comp: te bestaan; maar wel om, gezaamentlijk en met malkanderen hunne klagten, en beswaaren over ondergaane onregtvaardigheeden te kennen te geeven. Onse gekomm:s D: E:s van Schuler en De vos zijn reeds te Mature van Dikwelle terug gekoomen; en wij zullen hun nog heeden nader gelasten, om ten aller eersten na Gale terug te keeren. De Muijtelingen die deesen gecomm:s hoe genaemd geen mol„ „lest hebben aangedaan, maar in teegendeel veel ontzag be„ „weesen, hebben zig zeer gaarne onderworpen hunne klagten opte „geeven, slegts verzoekende, dat hun 8. ' daagen uijtstel mooge gegeeven worden, om hunne beswaaren schriftelijk voortestellen en dat ze na verloop van die tijd op een best daartoe geleege plaats. No. 5 en

next →