Inventory 3892
Ceylon · 900 pages · 127 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
Thirteenth Volume. 8 - - f 109. Copy of a letter from the Captain Lieutenant of the packet boat De Zeemeeuw, Muntz, to the Governor of Ceylon, dated 17 May 1791. - - - f 115 Extracts from the Resolutions taken in the Council of Ceylon, dated 28 January, 4 March, 28 April, and 20 May 1791, concerning the provisions supplied for the benefit of the aforementioned packet boat. 6. . . . f 126. Reports from the Commander of the aforementioned packet concerning the voyages he made to Colombo. Copy of a Petition from the titular former Alderman P: J: Meyer to the Governor and Council of Ceylon, requesting permission to remain provisionally on Ceylon on account of his indisposition. 8. - - - - 5346 secret Resolutions taken in the Council of Ceylon from 12 August to 16 December 1790. 47. . . . 5414 Copies of letters from the Governor and Council at Colombo to the Governor-General and Council, from 18 February to 8 July 1790. 5 - - - - 5417. Original letter from the same to the Amsterdam Chamber, dated 8 July 1790. 8 - - - - - - - Register of Papers sent by the packet boat De Zeemeeuw. 9 - - 5420 Original letter from the Director Register of Letters and Papers arrived from Ceylon 1791. 5127. - . . . . . - Thirteenth Volume. 5108 - - f 109. Copy of a letter from the Captain Lieutenant of the packet boat De Zeemeeuw, Muntz, to the Governor of Ceylon, dated 17 May 1791. 5110 - - - - f 115 Extracts from the Resolutions taken in the Council of Ceylon, dated 28 January, 4 March, 28 April, and 20 May 1791, concerning the provisions supplied for the benefit of the aforementioned packet boat. 5116 - - - f 126. Reports from the Commander of the aforementioned packet concerning the voyages he made to Colombo. Copy of a Petition from the titular former Alderman P: J: Meyer to the Governor and Council of Ceylon, requesting permission to remain provisionally on Ceylon on account of his indisposition. 5128 - - - - 5346 secret Resolutions taken in the Council of Ceylon from 12 August to 16 December 1790. 5347. - - - 5414 Copies of letters from the Governor and Council at Colombo to the Governor-General and Council, from 18 February to 8 July 1790. 5415 - - - - 5417. Original letter from the same to the Amsterdam Chamber, dated 8 July 1790. 5418 - - - - - - - Register of Papers sent by the packet boat De Zeemeeuw. 5419 - - 5420 Original letter from the Director Register of Letters and Papers arrived from Ceylon 1791. 5431. -- and Council at Tuticorin to the Meeting of Seventeen, dated 28 July 1791. 5421 - - - - - - Receipt from P: Peterus, Captain Lieutenant of the packet boat De Zeemeeuw, regarding the receipt of three chests of papers. 5422. - - - - Invoice of postage charges for private letters per De Zeemeeuw. Papers from Galle 5423. . . . . 5424. Register of Papers per the packet De Expeditie. 5425. . - 5427. Original Letter from Commander Sluysken and the Council to the Meeting of Seventeen, dated 18 November 1790. 5428. - - . . . 5429 Two Resolutions taken in the Council of Policy at Galle, dated 5 & 10 November 1790, concerning the defects of the aforementioned packet. 5430 - - - - - - Petition from the commander of the aforementioned packet, Zoeteman, to the Commander at Galle, concerning the repair of defects on his ship and the fulfillment of his requisition. Report from the chief surgeons of Heken and Kuilenburg, concerning the surgeon of the aforementioned vessel, Maas, who is unable to make the voyage due to illness, dated 12 November 1790. 5432 - - - - Petition from the Commander of the aforementioned ship to be assisted with a carpenter. 5433 - - - - - Nominal roll of 6 soldiers of the Regiment de Meuron discharged to the Netherlands per the aforementioned packet. 5434 - 5435 Two receipts regarding equipage goods and timber supplied in Bengal to the aforementioned packet. 5436 - - - - - Report from the Commander of the aforementioned vessel concerning it being properly provisioned in Bengal for the voyage, dated 18 August 1790. 5437. - 5438 Two declarations by the officers of the aforementioned vessel concerning the good condition of the aforementioned vessel, dated 4 and 16 August 1790. 5439. - - - - 5440 Resolution taken in the Council of Policy at Galle, dated 23 July 1790, concerning the defects of the aforementioned packet. 5441. - - - 5442. Ditto ditto at Coromandel, dated 28 September 1790, concerning refreshments and provisions for the aforementioned vessel. 5443. - - - . 5444 Sworn declarations of the officers of the aforementioned vessel concerning the parting of 2 cables and the loss of 2 anchors, dated 11 August 1790. 5445 - - - - - Invoice of Postage charges for Private Letters to the Netherlands per the aforementioned vessel. 5446 - - - - 5450 Register of Papers per De Unie. 5451. - 5455. Original Letter from the Commander and Council to the Meeting of Seventeen, dated 15 November 1790. 5456. - - - 5457 Declarations from the former Commander Kraijenhoff and Chief Mate Aleman stating that they have no further claims against the Company beyond what is mentioned therein, dated 14 and 13 November 1790. 5458 - - - 5461 Two lists of the numbers of the small wooden boards inserted into the cinnamon bales, dated 16 March and 31 October 1790. 5462 - - - 5465. Resolution taken in the Council of Policy at Galle, dated 6 November 1790, concerning the discharged cargo of the ship De Unie. 5466 - - - - - - Brief Summary of the cargo and crew of the ships De Unie and De Expeditie, dated 15 November 1790. 5467: - - - - Invoice of Postage charges for Private Letters to the Netherlands per De Unie. 5468. - - 5469 Declarations from the officers of the aforementioned ship regarding the good condition of the aforementioned vessel, receipt of the cargo, etc., dated 14 November 1790. 5470. - - - 5471 Declaration by the same concerning the full lading, etc., of the aforementioned ship, dated as above. 5472. - - -. 5473. Conduct Roll of the officers stationed on the aforementioned vessel, dated 13 November 1790. 8.
Dutch transcription
- Dertiende Deel. 8 - - ƒ109. Copie missive van den Cap=n Lieutenant d. van de Pacquetboot de Leemeeuw Muntz aan den Gouvr van Ceylon en dato 17 meij 1791. - - - ƒ115 Extracten uit de Resol: genoomen in Raade van Ceijlon in datis 28 Janrij 4 maart, 28 april en 20 meij 1791. wegs. het verstrekte ten behoeve van gem: pacquetboot 6. . . . ƒ126. Rapporten van den Commandr. van meergem: pacquet weegens zijne te Co¬ lombo gedaane togten. Copie Request van den Tit: Oud schee¬ pen P: J: Meyer aan den Goudr en Raad van Ceylon verzoekende om uit hoofde zijner indispositie provisioneel op Ceij¬ =lon te moogen verblyven 8. - - - - 5346 secreete Resolutien genoomen in Raade van Ceylon zedert 12 aug=s tot 16 decemb: 1790. 47. . . . 5414 Copij missives van den Gouv=r en Raad te Colombo aan Gent en Raaden zedert 18 febr: tot 8 Julij 1790. 5 - - - - 5417. Origineele missive van als even aan de t kamer Amsterdam in dato 8 Julij 1790. 8 - - - - - - - Register der Papieren per de Pacquet„ „boot de Zeemeeuw. 9 — : - - 5420 Origineele massive van den Directeur Register der Brie ven en Papieren van Ceij lon overgekoomen 1791. -.- „ 5127. - . . . . . - Dertiende Deel. 5108 - - k109. Copie missive van den Cap=n Lieutenant van de Pacquetboot de Leemeeuw Muntz aan den Gouvr van Ceylon en dato 17 meij 1791. 5110 - - - - ƒ115 Extracten uit de Resol: genoomen in Raade van Ceijlon in datis 28 Janrij 4 maart, 28 april en 20 meij 1791. wegs het verstrekte ten behoeve van gem: pacquetboot 5116 - - - ƒ126. Rapporten van den Commandr van meergem: pacquet weegens zijne te Co¬ lombo gedaane togten. Copie Request van den Tit: Oud schee¬ pen P: J: Meyer aan den Goudr en Raad van Ceylon verzoekende om uit hoofde zijner indispositie provisioneel op Ceij¬ „lon te moogen verblyven 5128 - - - - 5346 secreete Resolutien genoomen in Raade van Ceijlon zedert 12 aug=s. tot 86 decemb: 1790. 5347. - - - 5414 Copij missives van den Gouv=r en Raad te Colombo aan Gen=t en Raaden zedert 18 febr: tot 8 Julij 1790. L415 - - - - 5477. Origineele missive van als even aan de kamer Amsterdam in dato 8 Julij 1790. 5418 - - - - - - - Register der Papieren per de Pacquet„ „boot de Zeemeeuw. 5419 —:- - 5420 Origineele massive van den Directeur Register der Brie ven en Papieren van Ceij„ lon overgekoomen 1791. „ ƒ „ 5431. -- en Raad te Tutucorijn aan de Verga¬ dering van V7=ne in dato 28 Julij 1791. 5421 - - - - - - quitantie van van P: Peterus Capit=n Lieutr van de pacquetboot de Zeemeeuw omtrend den ontfangst van drie kas¬ „sen met papieren. 5422. - - - -. Factuur van portgelden der particuliere brieven per de Zeemeeuw, Papieren van Gale 54.23. . . . . 5424. Register der Papieren p„r de Pacquet de Expeditie. 5425. . a - 5427. Origin:e Missive van den Gezaghebber Sluysken en den Raad aan de WVergad. n van 17. in d:o 18 Nov: 1790. 5428. - - . . . 5429 Twee Resol:n genomen in Raden van Politie te Gale in d:o 5 & 10 nov: 1790 weegens de ge„ breeken aangem: Pacquet. 5430 - - - - - - Request van den gezaghebber van gem: Pacquet Zoeteman aan den Gezaghebber te Gale, weg s 't voorziender gebreeken aan zyn schip, en't voldoen van zyn Eisch Rapport van de oppermeesters van Heken Cuylenborg, om 't rent de Chirurgyn van gem. Bodem Maas dat door ziekte buiten staat is de reis te doen end:o: 12 Nov. 1790 5432 - - - - Request van den Gezaghebber van voors: Schip, om met een Timmerman geadsisteert te worden. 5433 - - - - - Naamlyst van 6. na Nederland verloste sol„ daten van't Regiment van Meuron pr. geme. pacquet 5434 „ 5435 Twee recieven weg.:s verstrekte Equipagie goederen en Houtwerken te Bengaale aanvoors: Pacquet 5436 - - - - - Berigt van den Gezagh:t van gem: bodem Weg. 't in Bengaale behoorlyk voorzien tot dereys ind:o 18 aug:s 1790. 5437. „ 5438 Twee verklaringen der officieren van gem. Vaartuig omtrent de goede Constituitie van Voors: Bodemind. o 4 en 36 Aug:s 1790. 5439. - - - - 5440 Resol. genomen in Raden van Politie te Ga„ „le ind:o 23 Iuly 1790 Weg. s de gebreek en aan evengem: Pacquet: 5441. - - - 5442. do d. o. te Cormandel indo 28 Sept: 1790 weg. s Ververschingen en randcoenen aangem: Vaartuig 5443. - - - . 5444 Beëëdigde verklaringen van de Officieren van gem. bodem wegs. 't Breeken van 2 Touwen en verlies van 2 Ankers in do. 11. Aug. s. 1790. 5445 - - - - - Factuur der Portgelden van Part:o Brieven na Nederland p:r gem: Vaartuig 5446 - - - - 5450 Register der Papieren p„r de Unie 5451. —. 5455. Orig:e Miss:e van den Gezagh: en Raad aande Serg: van 17e: in d:o 15 Nov:r 1790. 5456. - - - 5457 Declaratoiren van den gew: Gezaghebber Kraij. en hoff en opperm:r Aleman dat niets meer, buiten 't daar in gem: van de Comp:e te pretendeeren hebben in datis 14 en 13 Nov: 1790. 5458 - - - 5461 Twee Notities van de Nommers der Plankjes die in de Kanneel Balen zyn gelegd in d:o 16 maart en 31 Octob: 1790. 5462 - - - 5465. Resol: genomen in Raden van Politie te Gale indd: 6 Nov: 1790. wegens de uitgeleverde Lading van 't schip de Unte. 5466 - - - - - - Korte Samentrekking der Lading en beman„ „ning der schepen de Unie en de Expeditie in d:o 15 Nov: 1790 5467: - — - - - Factuur der Portgelden van Particuliere Brie„ „ven na Nederland p„r de Unia 5468. - - 5469 Declaratoiren van de overheden van gem. schip wegens de goede constitutie van gem: bodem, ontfangst der Lading &c, ind=o 14 nov:r 1790. 5470. - - - 5471 Verklaring door dezelve weg:s de vollading &c„ van gem. Schip in do als even. 5472. - - -. 5473. Comportement Rolle der officieren opgem: Bodem bescheiden in d. o 13 Nov: 1790 8.
English
5474. - - . . 5475 List of names of the passengers departing with the said ship for the Netherlands and the Cape on the 15th ditto 5476. - 5480 Register of the papers per Berkhout 5481 - - 5488 Original missive from the Authority and Council to the Assembly of the 17 on the 1st of February 1791. 5489 - - - - - Invoice of the postage fees of private letters to the Netherlands per the Unie. 5490 - - - - - Note of the numbers of the boards placed in the cinnamon bales on the 29th of January 1791. 5491 –. „. -. 5492 Order of the Court of Justice at Galle on the 3rd of December 1790, with an extract following behind it from a letter written from Colombo to Galle, regarding the theft by sailors. 5493 - - - - - - Brief summary of the cargo and crew of the ships Berkhout, the Unie, the Expeditie and the Leviathan on the 31st of January 1791 5494 - - - - - Declaration of the Captain of the ship Berkhout, Weitzel, regarding the receipt of ship necessities, provisions, etc. at Batavia on the 20th of August 1790. 5495. - - - - 5496 Ditto by the ship's officers of the said vessel regarding the good condition of the said ship, receipt of the cargo, etc. on the 1st of February 1795. 5497 - - - - - - Declaration by the same regarding the full lading of the said ship, etc., dated as above. 5498. - - - 5499 Conduct roll of the officers serving on the aforesaid vessel on the 31st of January 1791. 5500 - - - - - 5501 List of names of the native children crossing over with the often-mentioned ship, dated as above 5502 - - - 5503 Ditto of the persons for the Chamber of Rotterdam repatriating with the said vessel, date as above. 5504 - - - - Ditto of the passengers departing with the aforesaid ship for the Netherlands and the Cape on the 1st of February 1791. 5138. To the Right Honorable, Highly Venerable Sir Willem Jacob van de Graeff, Ordinary Councilor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon and its dependencies. Right Honorable, Highly Venerable, High Commanding Sir. The undersigned naval Lieutenant Captain, commanding the packet boat the Zeemeeuw, finds himself, due to his sickly condition, unable for the time being to undertake any sea voyages, and therefore takes the liberty to most humbly request Your Right Honorable, Highly Venerable, to kindly permit him to remain ashore here with his wages discontinued Approved Inspected No. 3: 5110. Friday the 28th of January 1791. Upon the request made by the commander of the packet boat the Zeemeeuw, it was approved and resolved to have supplied to the crew of this vessel the specified rations for the period of three months. Agrees Extract of Resolution taken in the Council of Ceylon on Wijbrands Sworn Clerk Inspected Alaus 5111 Extract of Resolution taken in the Council of Ceylon by round of inquiries. on Friday the 4th of March 1791. Upon the request of Lieutenant Captain Muntz, made in his report of the 1st of this month, it was approved and resolved to have the sails of the packet boat the Zeemeeuw repaired, and further to have supplied to the said vessel the necessities and medicines mentioned in the two lists inserted below. List of the necessities for the packet boat Zeemeeuw. 10 lbs white lead. 5 lbs yellow paint 5 lbs blacking 1 anker boiled linseed oil 3 lead lines 3 log lines 1 hawser of 11 parts 1 ditto of 24 strands 1 ditto of 21 ditto. 1 hawser 1 hawser of 18 strands 2 ditto of 15 ditto. 1 end for buoy ropes 5 thumbs thick 4 lines of various sorts for seizings 6 double blocks of 8 to 10 thumbs 50 lbs grease. 1 barrel of tar ½ cow hide 1 piece of timber for cleats 6 lbs sail twine. 20 ells canvas 5 lbs seven-inch nails 10 lbs six-inch ditto 10 lbs five-inch ditto 15 lbs four-inch ditto 10 lbs three-inch ditto 1 packet of large pump nails 2 ¼-minute log glasses 4 hinges for the side ports in the cabin 1 anchor weighing 1000 to 1100 lbs; repair the lightning chain as well as the cook's utensils, bunting for a flag. /was signed/ P: Muntz /in the margin/ Done on board, mentioned in the heading hereof, the 28th of February 1790. List 5112 List of the Required Medicines for the East India Company Packet Boat the Zeemeeuw. Radix Althaeae . . . 17 ℥ — Rhabarbari . . . N 17 — Jalappae . . . ditto — — Ipecacuanhae - - - 11 — Liquiritiae . . . IV — — Sarsaparillae X — Herba Althaeae TV — Folia Sennae . - . 17 — Flores Chamomillae Romanae 17 — — Chamomillae Vulgaris 17 — Cortex Ligni . . . III lbs Rob Sambuci . . . . 17 ℥ — Ribesiorum II — Conservae Rosarum Rubrarum 11 — Oculi Cancri VV — Sal Mirabilis Glauberi I lb — Nitri . . 7 — — Polychrestum - W m: — Prunellae . . W — Cremor Tartari . . 1 lb Spiritus Aetheris Dulcis 17 / Balsamum Balsamum Copaivae 71 ℥ Peruvianum 77 — Linen /was signed:/ C: F: Bocken, Surgeon /in the margin/ Colombo, the 28th of February 1791. — Inspected Wijbrands Sworn Clerk Agrees LGerritsz 5113. Extract of Resolution taken in the Council of Ceylon on Thursday the 28th of April 1791. Upon a petition from the naval Lieutenant Captain Muntz, commanding the packet boat the Zeemeeuw, containing a request to be allowed rations for 4 months, except bacon and meat, of which he is still sufficiently supplied; and that he might also be supplied with table linen and spices, since he has received nothing of the kind since his departure from the Netherlands: It was approved and resolved to have supplied to the crew of the said vessel rations rations for 4 months, except bacon and meat; and likewise to have supplied to this vessel table linen and spices, according to the regulations received for it. Agrees Wijbrands Sworn Clerk Inspected J D: Linde
Dutch transcription
5474. - - . . 5475 Naamlyst der Passagiers met gem: Schip na Ne„ derland, & de Caab vertrekkende ind:o 15 dito 5476. - 5480 Register der Papier en P:r Berkhout 5481 - - 5488 Origen: Missive van den Gezagh en Raad aan de Verg: van 17e ind:o 1 Febr: 1791. 5489 - - - - - Factuur der Portgelden van Part: Brieven na Nederland Pr de Unie. 5490 - - - - - Notitie van de Nommers der Plankjes die inde Kaneel Balen zyn gelegt in do. 29 Jann: 1791. 5491 –. „. -. 5492 Appointement van den Raad van Iustitie te Gale in d:o 3 Decemb. 1790 met daar agter Extr: uit een brief van Kolombo na Gale gesz:, Weg s dievery van Mattroosen. 5493 - - - - - - Korte samentrekking der Lading en bemanning Van de scheepen Berkhout de Unie, de Expe„ ditie ende Leviathan in d:o 31 Jann: 1791 5494 - - - - - Declaratoir van den Capit:n van't schip Berkhout Weitzel Weg: den ontfangst van scheepsbe„ hoeftens, Provisien & c: te Batavia ind. o 20 Aug. s 1790. 5495. - - - - 5496 dito door de Scheepsoverheden van gem: bodem Weg:s de goede constitutie van gem: Schip, ontfangst der Lading &c:a in d:o 1 Febr: 1795. 5497 - - - - - -Verklaring door dezelve weg. s de Vollading van gem: Schip &ca indo: als even. 5498. - - - 5499 Comportement Rolle der officieren op Voors„ Bodem bescheiden in d:o 31 Iann: 1791. 5500 - - - - - 5501 Naamlyst der Inlandsche Kinderen met met meergem: Schip overgaande in d:o als even 5502 - - - 5503 d:o van de Perzoonen voor de Kamer Rott=m met gem: Bodem repatrieerende datum als voren. 5504 - - - - dito der Passagiers met voorsz: Schip na Nederland en de Caab vertrekkende indo 1 Febr: 1791. 5138. Aan den wel Edelen Groot Achtbaeren Heer Willem Jacob van de Graeff„ Raad ordinaer van Nederlands India Gouverneur en directeur van het Eiland Ceilon met diesonderhoo„ righeeden. Wel Edele Groot achtbaere Hoog Gebiedende Heer. De ondergeteekende Capitain luijtenant ter Zee Commandeerende de paket boot de Zemeen bevind zig door zijnen ziekelijken toestand niet in staat om voor eerst eenige togten ter zee te doen en gebruijkt derhalven de vrijheid uwelEdele Groot Achtb: oodmoedigst te ver„ zoeken, hem te willen permitteeren, om met afgeschreeven gagie hier aan de wal te moogen Av: Kende Nagezien N:o: 3: 5110. Vrijdag den 28. Januarij 1791. op het gedaan verzoek door den gezag„ „voerder op de paket boot de Zeemeu„ is goedgevonden en verstaan, om aan de Equipagie van dit vaartuig te laaten verstrekken, de bepaalde randzoenen voor den tijd van drie maanden. accordeert Extrakt Resolutie geno„ „men in rade van Ceilon of op Hijbrands Veiklerk Nagezien Alaus 5111 Extract Resolutie genoomen in Raade van Ceilon bij rondvraage. op. Vrijdag den 4. Maart 1791. Op 't verzoek van den Capitain Luitenant Muntz, gedaan bij zijn rapport van den 1. deezer, is goedgevonden en verstaan, de zijlen van de paket boot de Zemeeu te laeten verstellen, en voorts aan gem vaartuig te laeten verstrekken de benoo„ =digdheeden en medicamenten, vermeld bij de twee hier onder g'insereerde Lijsten Lijst van de benoodigd heede voor de Paquet boot Zeemeen. 10. lb: witlood. 5. „ geele verff 5 „ swatsel 1: anker gekookte zijn olij 3. Lood Leijnen 3. Log Lijnen 1. tras van 11. p:r 1. d=o „ 24. draat 1. d=o „ 21. dito. 1. tras 1. Tras van 18 draat 2 d=o „ 15. d–o. 1. Ent voor boeij reepe 5 d=m dik 4. Lijnen in soorte voor Bensels 6. dubbelde Blokken van 8 â 10: d=m 50. lb: smeer. 1. Ton Teer ½. koeij huijd 1. steek houd voor klampen 6. lb: zeijl gaaren. 20. Elle Everdoek 5. lb: zeven duijms spijkers 10. „ ses duijms d=o 10. „ vijff duims d=o 15. „ vier diims d=o 10. „ drie duims d=o 1. pakje groote pomp spijkers 2. ¼ Minuet Log glaasjes 4. hengsels tot de zijpoorte in de Cajuijt 1. anker weegende 10. â 1100. lb: de donderketting als meede het koks goed repareeren, vlagge doek voor een vlag. /was geteekend/ P: Muntz /in margine/ Actum aan boort in het hoofd deeses gemeld den 28. februarij 1790. Lijft 5112 Lijst der Benddigten Medicamenten voor den O: I: Comp:e Paquet Bood de Zeemeeuw. Rad: Althar . . . 17. 3. —. Rhabarb:. . . N 17 —. Jallap:. . . . d—. —. Jpocaco - - - 11 —. Liquirit. . . . IV: —: —. Sarsaparil X —. Herb: Althesc: TV. —. fol: - Senna. - . 17. —. flor chamo: Rom: 17: —. —. chamo rulg: 17. —. Cort: Leauv:. . . III lb: Robs: Samb:. . . . I7 B: —. Ribesioa. II —. cons: Rosar: Rubr: 11 — ocul Cancr: VV: —. sal: Mirab: glaub: I. lb: —. - Nitr:. . . 7 —. —. Polijchr: - W m: —. Prunelle. . W —. Cremor Tant:. . 1. lb: sperel: Artv: Dulc: 17 /: Bals: Bals: Copaw. . 71. 3: Peruw. . 77: — Linnen /was geteekend:/ C: F: Bocken Chirurgijn /:in margine / Colombo den 28. februarij 1791. — Nagezien „ Hijbrands Eykeerk Adkordeert LGerritsz 5113. Extrakt Resoluutsie genoomen in raade van Ceilon op Donderdag den 28. April 1791. Op een addres van den Capitain luijtenant ter Zee Muntz commandeerende de paket boot de Zeemeen houdende verzoek om temoogen hebben randzoen voor 4. maanden, ex„ cepto spek en vleesch waar van hij nog genoeg voorzien is; en dat ook aan hem mogten worden verstrekt tafelgoed en specerijen wijl hij daarvan niets heeft ontfangen zedert zijn vertrek uijt Nederland: Js goedgevonden en verstaan, aan de equipagie van gem: vaartuig telaaten verstrekken randzoen L randzoen voor 4. maanden, uijt „genomen spek en vleesch; en insgelijks aan dit vaartuijg te laaten verstrekken tafel goed en specerijen, volgens de daarvan ontfangene bepaaling Akkordeert Wijbrands HEiklerk Nagezien J D: Linde
English
Extract Resolution of Ceilon taken in Council Friday the 20. May 1794. Was read an address inserted below from the commander on the packet boat the Zeemeeuw, the lieutenant Feteris To the Right Honorable, Highly Esteemed Lord Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councilor of Netherlands India, Governor and Director of the Island of Ceilon with its dependencies. Right Honorable, Highly Esteemed, High-Ruling Lord. The undersigned commander of the Packet boat the Zeemeeuw takes the liberty to inform your Right Honorable, Highly Esteemed that in the night between the 15. and 16. of this month due to a sudden storm here in the roads. first we came to lose our sheet anchor, though in calm weather fishable, but that misfortune also willed that the boat was flooded with water and the stem ripped out, and thus drifted ashore, and upon my arrival on the shore I find that it has arrived here in such a state that it is entirely unserviceable, and since the undersigned is still provided with a good jolly boat, he thinks, with the favorable interpretation of your Right Honorable, Highly Esteemed, he will be able to manage without the said boat. But the undersigned very respectfully requests that his subordinate vessel may be supplied with: A Dutch rope of 13. inches as being urgently needed. Because his other ropes are partly lost and are beginning to become very bad. With which, with the utmost high esteem, he calls himself, was written below, Right Honorable, Highly Esteemed, High-Ruling Lord! your Right Honorable, Highly Esteemed very humble servant, was signed, P: Feteris, in the margin, Kolombo the 20. May 1791. And it is approved and understood to let the requested Dutch rope of 13. inches be provided to the said vessel, but the stranded boat, having been found upon inspection by the master shipwright Thenisz:, the master mate Wassing and the shipwrights St Souw and Prinslof, that the stem and other futtocks and planks are entirely unserviceable, to let it be sold at public auction for the going rate, and the proceeds thereof to be credited to the expense account of the aforesaid packet boat. Agrees Sijbrands First Clerk Examined GV: DeLinde No. Report to the High Noble Severe Lord, Mr. Willem Jacob van de Graaff, Councilor of Netherlands India, Governor and Director of the Island Ceilon, by the undersigned Commanding the Packet boat Zeemeeuw Pursuant to the orders of your High Noble Severe, I weighed anchor on the morning of the 11. February to head towards Cochim. On the 13. in the morning, passed Cape Commerijn. On the 15. in the evening at 7. o'clock, dropped anchor in the roads of Cochim. Sent the papers to the shore immediately with an officer. On the 16. and 17., unloaded the cargo. On the 18., received orders from the High Noble Severe Lord Governor van Angelbeek to receive some ammunition supplies to transport the same to Ceijlon, as well as that 60 soldiers of the regiment of Swiss de Meuron had to be transported to Ceilon. On the 19., loaded artillery with their carriages and accessories. On the 20., took water on board and had rations received for the soldiers. On the 21. in the morning, the soldiers came on board with their baggage and in the evening were ready to be able to sail. On the 22. in the morning, received the Company's papers and departed for board, and at 8. o'clock in the forenoon weighed anchor. Had mostly gentle breezes and calms, so that only on the 25. at noon passed east of Cape Commerijn at a distance of 6. to 6½ miles, and subsequently had N: E: and N: N: E=ly winds with which we tacked to the E: to S: so that only on the 27. in the morning at sunrise saw land, but could not distinguish landmarks, but at noon found from the observed latitude that a strong current had run towards the South. Since the observed and dead-reckoning latitude differed 24. minutes and we were more southerly than estimated, and found ourselves to be at the latitude of Barberijen. Had calm the entire day and at night received a Southerly breeze with which we came somewhat to the north, so that in the morning at daybreak we sighted Panture to the E: to S: at a distance of 3. to 3½ miles. At noon sighted Colombo, to the East, by estimation 4. miles, and came to anchor in the evening at half past 8. o'clock. Furthermore, the undersigned requests that whenever a voyage to the Cape of Good Hope or further must be made, the suit of sails that have been bent to the yards for the entire voyages may be repaired on shore, and that the goods may be delivered to him as being most urgently needed according to the adjoining list of equipment goods as well as from the surgeon according to required medicines. Was written below, your High Noble Severe servant, was signed, E: Muntz, in the margin, Done on board mentioned in the heading of this, the 1. March 1791. Agrees Sijbrands First Clerk Examined Report to the High Noble Severe Lord Willem Jacob van de Graaff, Councilor of Netherlands India, Governor and Director of the Island Ceijlon by the undersigned Commanding the packet Boat Zeemeeuw. Pursuant to the orders of your High Noble Severe, I weighed anchor in the afternoon of the 18. September 1790. in order to sail to Punto Gale to carry out the necessary repairs, and in which bay on the next day, the 19th, in the evening at sunset dropped anchor, and the master attendant came on board immediately, and with whom, after the packet had been properly moored by his Honor, I sailed ashore to make known my arrival to the Commander and also requesting his Honor to issue orders that the necessary repairs would be made. The
Dutch transcription
544 Extrakt Resolutie geno„ van Ceilon „men in rade Vrijdag den 20. Maij 1794. Is geleesen een hier onder g'insereerd addres van den gezagvoerder op de paket boot de zeemeeuw, de luijte „nant Feteris Aan den Wel Edelen Groot achtb: Heer Willem Jacob van de Graaff Raad ordinair van Nederlandse Jndia Gouverneur en Directeur van het Eiland Ceilon met dies onderhoorigheeden. Wel Edele Groot Achtbaare Hoog Gebiedenden Heer. Den ondergeteekende gezaghebber van de Pacquet boot de Zeemeeuw ge bruike de vrijheid uwel Edele Groot achtb: te berigten, Dat op der nagt tusschen den 15. en 16. dezer door overvallende storm hier ter rheede. voor op voor eerst ons thuij anker hebben komen te verliesen maar bij bedaart weer, vis„ „baar, maar dat meede het ongeluk gewilt heeft dat de boot vol water is geslagen en de voorsteeven uijtge „rukt, en zoo na strand is gedreeven en bevinde bij mijn komst aan de war dat dezelve in soo een staad alhier is aangekoomen, dat dezelve ten eenemaal onbequaam is, en dewijl den ondergeteekende nog voorsien is van een goede Jol, denk hij onder gunstige welduiding van uwel Edele Groot achtb: zig buiten gem: boot wel zal konen redden. Maar den ondergeteekende verzoeke zeer eerbiedig dat aan zijn onderhebbende bodem mag verstrekt werden. Een holl: touw van 13. d:m als hebbende hoog nodig. Dewijl zijn andere touwen gedeeltelijk verlooren en heel slegt beginnen te werden. waarmeede met de uitterste hoog agting zich noemt (:onderstond:/ Wel Edele Groot achtb: Hoog Geb: Heer! uw wel Edele Groot achtb: zeer onderdanige dienaar (:was getee „kend:/ P: Feteris (:inmargine:) Kolombo den 20. May 1791. En 1 5115. En is goedgevonden en verstaan, het verzogte hollandsch touw van 13. om aan gem: vaartuig telaaten verstrekken doch de gestrande boot, als bij visi„ „tatie door den baas der scheeps, „timmerlieden Thenisz:, den meester knegt wassing en de scheepstimmer „lieden st souw en Prinslof, bevon„ „den zijnde, dat de voorsteeven en andere inhouten en planken te eenemaal onbekwaam zijn, per publicque vendutie voor het geldende te laaten verkoopen, en het product daarvan op de onkost reekening van voorschr: paket boot telaaten bevoordeelen. accordeert Sijbrands EgKlerk Nagesien GV: DeLinde No. 5116. 5 Edelen Gestrenge Heer M:r Willem Jacob van de Graaff Raad van Nederlands Jndia Gouverneur en Directeur van het Eijland Ceilon, door den ondergeteekend Comman„ „deerende de Paquet boot Leenieuw apport aan den Hoog Ingevolge de orders van uw H: E: G: ligte in de morgen van den 11. februarij het anker om na Cochim te stevenen den 13. 'smorgens passeerde, Caap Comme „rijn den 15. 'savonds om 7. uuren lieten het anker valle ten Reeden van Cochim zond de papieren aanstonds met een offecier na de wal den 16. en 17. loste de lading den 18. kreege, order van den H. E: G: Heer Gouverneur van Angelbeek omme eenige amunitien goederen te laate ontvangen om de zelve op Ceijlon over te brengen, als meeden dat naar Ceilon moeste overgevoert worde bo militairen van het regiment swit„ „sers Meuron den 14. laaden geschut met hunne affuijte en toebehooren. Dan 20 20. kreege waater aan boord en liet rantsoen ontvange voor de militaire den 21. 'smorgens quamen de militaire aan boord met hunne bagagien en waare 's avonds klaar om te kunnen zeijlen, den 22. 'smorgens ontfing de Comp:e papieren en vertrok naar boor en ligte ten 8. uuren in den voormid „dag het anker hadde meest flauw Coeltens en stiltens zo dat eerst de 25. 's middags de oost Caap Commerijn passeerde ter destantien van 6. à 6½ mijl en hadde vervolgens N: O: en N: N: O=te winden waarmeede het over liete. legge om de O: 3 O: ten z: zo dat eerst den 27. smorgens met sonne opgang land zaage dog konde niet verkend zaaken dog 'smiddags aan de bevonde breete ondervonden dat er sterke stroom om de Zuijd had ge¬ „loopen. Dewijl de bevonde en gegiste breete 24. mun: verschild en dat zuij„ „delijker waaren dan gegist hadden en bevonden op de breete van barberijen te zijn hadde de geheele dag stilte en kreege des nagts een Zuijdelijk lugje 1 1 5717. lugje waarmeede wat om de noord quaamen zo dat 's morgens met den dag Panture in het O: ten 2: peijlden ten distantien van 3. â 32. mijlen 's middags peijlde Colombo, in het O: na gissing 4. mijlen en quaamen des avonds om half 9. uuren ten anker. verders verzoekt den ondergeteekende dat wanneer een reijze na Cabo de Goede Hoop ofte verder moetende doen dat het stel zeijlen welke de geheele reijzen aan de raas geweest zijn aan de wal mooge worden versteld en dat de goederen aan hem mooge geworden als ten hoogste nood „zaakelijk volgens hier nevensgaande leijst van Equipagie goederen als meede van de chirurgijn volgens benoodigde medicamente :onderstond:/ u. H: E: G: dienaar (:was geteekend:/ E: Muntz (:inmargine:) Actum aan boord in het hoofd deezes gemeld den 1. Maart 1791. accordeert Hijbrands Gkeerk Maar Nagezien 5718. Rapport aan den Hoog Edelen Gestrenge Heer Willem Jacob van de Graaff, Raad van Nederlands India, Gouverneur en Directeur van het Eijland Ceijlon door den onderge„ teekende Commandeerende de paquet Boot Zeemeeuw. In gevolge de orders van U. H: E: P: ligte in de Namiddag van den 18. September 1790. het anker ten eijnde naar Punto Gale te zeijlen om de nodige Reparatien te doen, en in welke baaij sanderen daags den 19 e Ja„ vonds met sons ondergang het anker liete vallen en quam den Equipagiemeester op stond aan boord en met welke ik na dat de paquet door zijn Ed: be„ „hoorlijk was vast gelegt aan land voer, om kennist mijner komst aan den Commandeur te geven en tevens zijn Ed: verzoekenden om order te stellen dat de Noodige Repperatien gedaan zoude worden. Den
English
On the 20th went on board with the Master of the Equipage and the master carpenter of the shipyard, who inspected the defects of the packet boat, consisting of the making of the anchor lining, the widening of the tops because they were too narrow and therefore could give no firmness to the rigging, the making of a casing around the pumps and of two rods instead of those broken during the voyages, and another boom as the one on board was no longer judged good because it was rotten in some places, and the caulking both inboard and outboard. Immediately unrigged the Zeemeuw and removed the tops. On the 21st sent the tops ashore and the carpenters were busy making the anchor lining and the caulkers with caulking. On the 22nd still worked as before and unloaded the sea coals and shores. On the 23rd and 24th rainy, so that no caulking could be done and the carpenters finished the anchor lining. On the 25th the caulkers were again at work caulking and the carpenters at making the casing around the pumps, and had received the new foretop on board and rigged the fore-rigging, with which they were also finished on the 26th. On the 27th, due to the rainy weather, could not caulk, but received the new mainmast on board, which was laid over and began to rig the main rigging; the sailmaker was at work altering the sails; received orders from Commander Sluijken to make all possible speed, because by order of Your High Nobleness we had to depart with a detachment of soldiers for Trinconomale. On the 28th and 29th were finished with the rigging. On the 30th received rations. On the 1st of October the carpenters and caulkers finished their work and also brought on board spare spars. On the 2nd and 3rd loaded a little more ballast and bent sails and were ready to sail. On the 10th the ship De Unie came to anchor in the bay in the afternoon. On the 11th received the soldiers on board. On the 12th sailed out of the bay of Gale and arrived on the 17th in the bay of Trinconomale and anchored in front of Fort Oostenburg; immediately went ashore, where found Lieutenant Colonel Drieberg, who at once gave orders for the disembarkation of the soldiers, and had them disembarked that same evening. On the 18th sailed further into the inner bay to better unload the goods belonging to the detachment and disembarked the chests of the soldiers. On the 19th disembarked some packages. On the 20th received orders to get ready again to depart for Colombo. On the 21st and 22nd fetched water and were ready to depart. On the 23rd and 24th the stiff southwest wind prevented coming out of the inner bay. On the 25th in the morning the wind veered to the northwest; immediately weighed anchor and sailed under Klippenburg, where anchored again. On the 26th at daybreak weighed anchor and sailed out of the bay of Trinconomale and arrived on the 31st in the afternoon in the roads of Colombo and was designated again on the 1st of November by Your High Nobleness for Tutucorijn. On the 3rd and 4th received some goods for Tutucorijn and in the evening the papers from Your High Nobleness. On the 5th weighed anchor pursuant to Your High Nobleness's order and sailed to sea; arrived on the 9th at Tutucorijn. On the 11th and 12th disembarked the goods for Tutukorijn. On the 13th discharged ballast. On the 14th began loading salt, and were loaded on the 20th, and received on the 21st the papers from the Chief and orders to unload at Nigombo. On the 22nd weighed anchor and on the 23rd in the morning anchored in the roads of Nigombo. On the 25th began discharging the salt and were discharged on the 2nd of December in the evening. On the 3rd and 4th took in some ballast, departed from there in the evening, and arrived in the forenoon of the 5th in the roads of Colombo and departed from there again in the evening pursuant to the orders of Your High Nobleness for Barbarijen, and arrived there on the 7th; immediately went ashore to carry out Your High Nobleness's orders and returned on board in the afternoon, but it was too calm to depart. In the first watch at 9 o'clock the cable parted due to heavy pitching; immediately let go the other anchor and fished the buoy rope to recover the anchor, but when it was up and down it broke, so that it was not possible to recover the anchor without having to delay here the next day, and even then it would be uncertain whether it could be recovered or not. On the 8th weighed anchor at daybreak and arrived on the 11th in the evening at Tutukorijn. On the 12th delivered the papers given by Your High Nobleness to the Chief. On the 17th discharged some ballast and began on the 22nd to load salt, because the previous days it had rained so heavily that one could not receive it. On the 26th were loaded and received also some Company packages, and in the evening received the papers and packets, and departed on the 27th from the roads of Tutucorijn and came to anchor on the 28th at noon in the roads of Colombo. On the 29th disembarked the Company packages and departed with packets pursuant to the orders of Your High Nobleness again in the evening for Tutucorijn, where arrived on the morning of the 2nd of January 1791; immediately sent the packets to the Chief; upon coming to anchor the mooring cable broke; immediately let go the other anchor and fished the buoy rope of the broken one and thereby weighed the broken anchor, and spliced the cable back in after having cut it off at the knot. On the 10th received the packet from the Chief and departed from the roads of Tutukorijn and anchored on the 11th in the morning at 10 o'clock in the roads of Colombo, and it is now requested to provide the undersigned with provisions for 3 months, since the same has expired this month. Was signed: Pieter Munstz. In the margin: Done on board the vessel mentioned in the heading hereof, the 11th of January 1790. Agrees. — Hijbrands Ship's Clerk
Dutch transcription
Den 20:e voeren aan boord met de Equipagiemeester, en de p Meesterknegt der Timmerwerff en welke de gebreeke de 7 Pagoet boot op namen bestaande in het maaken der am „vervoering het verbreede der maasen dewijl de zelve te smal waaren, en daar door geen vastigheijd aan het tuijg konde geeven, het maaken van een kast om de pompen en van twee stange in steede van de gebrookene van geduurende de reijzen, en een andere Briksboom dewijl die aan boord was niet meerder goed, geoordeeld wierd door dien op sommige plaatsen verrot was het breeuw zo wel binne als buijte boords. Onttuijgde direct de Zeemeuw, en naame de matse af den 21. zonde de matte na de wal en de Timmerlie„ „den waare boszig met het maakeen der anker voe„ „ring en de Calvaaten met Breeuwe den 22. nog als voore gewerkt en Loste de Heen Koolen en Schooren den 23. en 24. reegen agtig zoo dat er niet gebreuw konde 5113. Konde worden en de Timmerleede Klaar geworde met de anker voering den 25. de Breeuwers weeder aan het Calvaaten en de Timmerliede aan het maaken der Kast om de pompen en hadde de nieuwe voor marsz. aan boord gekreegen en tuijgde aan het voor tuijg en waar den 26. meede klaar waaren. Den 27: door het Regenagtig weer zonden niet Cal„ vaten maar Kreege de nieuwe groote maast aan boord en welke overleijden en het groote tuijg be„ „gonne te tuijgen de zeijlemaaker aan het verstetle der zeijlen kreege order van den Commanduar sluij„ „ken om alle moogelijke spoed te maaken dewijl op order van U H: E: 9: vertrekken moest met een Detachement Militaire naar Trinconomale den 28. en 29. waare klaar met het tuijg den 30. ontvange Randzoenen. den Den 1. october Kriege de Timmerliede en Calvaters ge„ „daan werk en haalde meede aan boord waarlo Ron houte den 2. en 3. laade nog een wijnig Ballast en sloege zeijlen aan en waare klaar om te kunne zeijlen der 10. quam het schip de unie nademid„ „dags in de baaij ten anker. den 11. Kreege de militaire aan boord. den 12. zeijlde uijt de baaij van Gale en arriveerde den 17. in de baij van Finconomale en ankerde voor het Fort oostenburg voor op stond na land alwaar den Luijt: Colonel Drieberg vond welke aanstonds order gaf tot het ontscheepen der militaire en hadde dezelve ook 'savonds ontscheept. den 18. Zeijlde verder in de binnen baij om de goederen behoorende tot het detachement beeter te kunnen lossen en ontscheepte de kiste der militaire den 5120. den 19. ontscheepte eenige Pakken. den 20. Kreege order om weeder klaar te maaken om naar Colombo te vertrekkken, den 21. en 22. haalde waater en waare klaar om te vertrekken, den 23. en 24. belette de steijve Z: w: wind om uijt de binnne baaij te koomen den 25. en de aoord liep de wind naar 't N: W: Cigte direct het anker en zeijlde tot on„ „der Klippenburg alwaar weeder ankerde den 26. met den dag ligte het anker en zeijlde de baaij van Trin„ snademiddags conomaele uijt en arriveerde den 31. mards op de reeden van Colombo en wierd den 1. Nov: werder door U: H: E: g: aangelagt voor Tutucorijn. den 3. en 4. ontvange eenige goederen voor Tutuconijn en savonds de papiere van U H: E: g: den 5. ligte het anker Ingevolge Uw H: E: g: order en zeijlde na zee arriveerde den 9. te Tutucorijn den 11 en 12. ontscheepte ontscheepte de goederen van Tutukorijn den 13 onloste Ballast den 14. begonne zout te laaden, en waare den 20. gelaaden en ontinge den 21. de Papieren van het opperhooft en order om op Nigombo te Lossen de 22. ligte het anker en den 23. smorgens anker op de reeden van Nigombo den 25. begonne aan het losse van het zout en waare den 2. december 'savonds Lost den 3: en 4. naame eenige ballast in dor verstrokken Ia„ „vonds van daar en quaamen den 5. voormiddag op de reede van Colombo en vertrokken savonds weeder van daar Ingevolge de orders van Uw H: E: g: naar Barbarijen en arriveerde aldaar den 7. voor op stond na de wal om Uw H: E: g: orders uijt te voeren en quame smiddags weder aan boord dog was te stil om te kunnen vertrekken. In de eerste wagt te 9. uure brak door het swaar Htampe 5121. stampe het touw, liete op stond het andere anker vallen en viste de boeij reep om het anker weeder te krijge dog dezelve op en neer zijnde brak dezelve zo dat het niet mogelijk was het anker weeder te krijge zonder ons hier sanderdaags om te moete opkoude en als dan nog wisselvallig of het te krijge zoude zijn of niet den 8. ligte met den dag het anker en arriveerde den 11. avonds tot Tutukorijn den 12. gaf de papiere door U: W: E: g: meede gegeven aan het opperhooft den 17. loste eenige ballast en begonne den 22. aan het zout Laaden dewijl het de voorige daagen zoo sterk geregend had dat man niet konde ontfangen den 26. waare gelaade en kreege nog Eenige Comp: Pakken en ontfinge 'savonds de Papiere en paketten en vertrokken den 27. van de reeden van Tutucorijn en quaamen den 28: Smiddags op de reeden van Colonbo ten anker den 29. ontscheepte de Comp:s pakken en Nagezien Mlaees pakken en vertrokken, met Paquette ingevolge de ordres van U: W: E: g: weeder 'savonds naar Tutucorijn wan den 2. Januarij 1791. Smorgens arriveerde, zond de paque „te op stond na het opperhoofd met het ten anker gaan brak het tuijg touw liete op stond het andere anker valle en viste de boeij reep van het gebrooke en ligte hier „gebrooke meede het „ anker en staaken het touw en weder in naar het bij het quant afgekapt te hebben. Den 10. ontvinge de paquet van het opperhooft en vertrkken van de reede van Tutukorijn en ankerde den 11. morgens om 10. uure op de reede van Colombo en nu verzogt word om aan de ondergeteekende voor 3. maanden Randzoen te willen laate verstrekken dewijl het zelve in deeze maand, verloppen is. /: was get:/ P:r Munstz: /: in margine:/ Actum aan boord van in het hoofd deezes gemeld den 11. Januarij 1790. -. Accordeerd. — Hijbrands Hlijklerk
English
Departed from Texel. On 3 April lost the main topmast in the English Channel. Report to the Right Honorable, Rigorous Willem Jacob van de Graeff, Councilor of the Dutch East Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon, by the undersigned, commanding the packet boat De Zeemeeuw. 2 April 1790. On 2 April at 7:30 in the morning we were outside the Texel gat, when the pilot left the ship. Then set course west-southwest and on 3 April passed the English Channel; in the evening at 5:30 the main topmast broke four or five feet above the cap in fine weather while sailing before the wind. In the night set up another topmast. On 5 April steered out of the Channel; then transferred the reckoning to the round chart, the wind being east-northeast with a reefed topsail breeze, which wind we kept until the 8th, and then shifting to the south to south-southwest with heavy squalls, through which we were forced to let her drift under reefed brigantine sail and jib. Main topmast cracked. On the 9th the weather calming down and the wind shifting, made sail again. On the 11th in the morning at 4:30 a heavy squall and sea overwhelmed us, through which the fore topmast pitched overboard, before which the other sails were furled; and which wind continued with a course breeze until the following day, when the weather changed for the better, and subsequently had good weather. On the 16th, when taking soundings, found the main topmast cracked above the cap; reefed it by 3½ feet. Lost fore topmast. NB: had not sailed with the said topmast at all and had fine weather, and had already lost 3 topmasts, among which two in fine weather. From this it appeared that the tops were too narrow for the height of the topmasts, so that the shrouds did not obtain sufficient spread, as I had also already told the master carpenter at Enkhuizen. Sight the islands Porto Santo and Madeira. On 19 April sighted the island of Porto Santo to the south of us, and at 8 o'clock lay off the island of Madeira; found that our dead reckoning was 5½ miles further east than where we actually were, and according to the observed longitude by measuring the distances between sun and moon on the 17th of this month, found ourselves 5¼ miles further east upon taking the bearings of the land. Sighted the said island, and found the magnetic variation to be 20 degrees northwesting. Remained drifting in sight of the island of Madeira for two days due to calm, so that not until the 24th did we sight two of the Canary Islands, being those of Ferro and Palma. Subsequently had the wind with a reefed topsail breeze from the east-northeast, so that already on the 28th in the evening at sunset we sighted one of the Cape Verde Islands, namely Ilha do Sal; found that our dead reckoning differed here by 9½ miles from the bearings of the land. Sight the Canary Islands. Sight the Cape Verde Islands. Then steered with the north to northeast wind south-southeast and south-southwest, which wind we kept until 5 May at 3 degrees North latitude, then beginning to struggle with calms, so that not until 18 May did we pass the Equinoctial Line, at the dead-reckoning longitude of 357 degrees 35 minutes, and according to the observed longitude of the previous day, 355 degrees 58 minutes, and at the observed variation of 10 to 11 degrees northwesting. Pass the Line. Coast. Then soon caught the southeast trade wind, with which we steered south-southwest and southwest, but the most westerly position we reached was, according to dead reckoning, 351 degrees 39 minutes longitude, but according to observation, 349 degrees 22 minutes, and the lowest variation we had was between 3 and 4 degrees northwesting. On 12 June, being at the latitude of the Cape of Good Hope, and at 9 degrees 52 minutes longitude, set course due east, since we already encountered westerly trade winds here. Sight the African coast. On 23 June at daybreak we were off the African coast and took bearings of Table Mountain to the northeast by east of us. Found that morning the variation to be 24 to 25 degrees northwesting. At noon, according to dead reckoning, the Cape of Good Hope was east 27 miles from us, and according to the last observed longitude on 21 June, east 8 miles; and at that time took bearings of the west of False Bay, north 2 miles, so that we found ourselves 29 miles further east than had been estimated since the bearings of Ilha do Sal, and according to the last observed longitude 10½ miles further east than had been estimated. Yet according to the astronomical observations of Abbot de la Caille, who places the Cape of Good Hope at 34 degrees 35 minutes longitude, the reckoning according to the last observed longitude would differ by only 1 mile. In the afternoon tacked into False Bay, and at night at 1:30 came to anchor in Simon's Bay. Arrived in Simon's Bay. On the 26th departed for the Cape and asked permission to make repairs to the topmasts and two top yards, as well as widening the tops, though the latter could not be done for lack of timber. Departed again on the 30th for the bay, where work was carried out with all speed on the necessary spars, and had already removed the mats, had them relaid directly, and worked every day on the necessary ship's maintenance. On 7 July received the spare spars on board and were ready to sail, and the crew was mustered in the morning. Had taken a sailor on board here in place of one who had stayed behind absent in Europe. On 8 July received a prisoner on board to deliver him to Ceylon, and in the evening received the papers from the Cape. On the 9th, with light variable airs at first, weighed the small bower anchor, but the southeast wind picking up again, let it drop once more.
Dutch transcription
5122. vertrokken uijt texel. Den 3. April de hoofde groote steng verlooren. Rapport aan de Hoog Edele Gestra„ „ge Heer Willem Jacob van de Graeff Raad van Nederlands India Gouverneur en Directeur van het Eijland Ceijlon, door den ondergetee„ kende Commandeerende de paquet boot de Zeemeeuw Den 2. April 1790. Den 2. April smorgens om ½. 8. uure waar buijte het gat van Texel toen de Loots van boord ging stelde als toen de Coers om de W: Z: w: en passeerde den 3. april de hoofde, 'savonds om ½ 6. uure brak de groote steng vier of vijf voeten booven het Ezels„ „hooft met mooij werden en van de wind zeijlen de zette des nagts een andere steng op den 5. April stevende het Canaal uijt den bragte het bestek over in den donde Kaart de wind aan het O: N: O: zijnden met een gereefde maasz Coelte welken wind tot den 8. behieuwe en als toen omloopende na het zuijden in Z: Z: W: met swaar wind buijen waar door genot„ „zaakt waar het te laate drijven voor het gereefde Brikzeijl groote steng ge„ kraakt. Porto Brikzeijl en Iok de 9. het weeder bedaarende en de wind omloopende maakte weeder zeijl den 11. Smorgens voor steng verlooren. om ½ 5. uure overviel ons een zwaare buij en zee waar door de voor steng overboord stampte en waar voor de andere zeijle Bergden en welke wind aan hieuw met een onderzeijls Coelte, tot des anderen daags toen het weeder veranderde ten goeden, en hadde vervolgens goedt Weeder, den 16. met het doen der zonden bevond de groote steng boove het Ezelshooft gekraakt te zijn reefde dezelve 3½. voet. NB: hadde in het geheel niet met gemelde sterg gezeijld en mooij weeder gehad en hadden reeds 3. steng verlooren waar onder twee met mooy weeder hier uijt Bleek dat de mansze te smal waare na de hoogte der stergen dat het wand geen genoegzaam uijtspatting haelde zo als ik ook reeds aan de baas Timmerman tot Enchuijsen gezegt hadde. zien de Eijlanden Den 19. April zien het Eijland Porto Santo in het Zuijde 5128. Portee Santo en Nadera. zien de Canarise Eijlanden. zien de Caap verdi„ sen Eijlanden. zuijde ons en ten 8. uur Laage het Eijland madera bevonde dat ons bestek 5½. mijl te oostelijk was als wij ons inderdaad bevonden en volgens de bevonde lengte door de meeting der destantien tusse Zon en maan van den 17. deezer 5¼. mijlen oostelijk bevonde aan de Peijlings van het Land te staan quaamen, bevonde in het gezigt van gemelde Eijland de miswijzing der Naald te zijn 20. op: N: w: ring, bleeven door stelte twee daagen in het gezigt van het Eijland madere suk„ kelen zo dat eerst den 24. twee der Canarisser Eij„ „landen en het gezigt kreege zijnde dat van Teero en Palma hadde de wind vervolgens met een ge„ reefde mj zeijls Coelte uijt het O: N: o: zo dat reeds den 28. savonds met zons ondergang een der Caap verdiesen Eijlanden Namentlijk Ide sal ontdekken bevonden dat ons bestek hier 9½. mijl differeerde met de peijling van het Land. steevende vervolgens met de N: a N: O: wind om de Z. Kust. Z: C:O: en Z: Z:O: en welke wind behuuwe tot den 5. meij op 3. gr: N: Breete beginnende als toen met stille te sukkelen zo dat niet voor den 18. meij Passeere de Linie, de Linie Egunoctiaal Passeerde op de gegiste lengte van 357. gr: 35. m: en volgens de bevonde lengte van den voorige dag 355: g: 58. m: en op de geobser„ „veerde miswijzing van 10. à 11. graade N: w: ring Kreege als toen spoedig de 2: 0: Passaad waar meede om de Z: Z: W: en Z: w: ging, dog het weste„ „lijkste dat wij gewast zijn volgens gissing 351 gr: 39. Lengte dog volgens de bevonde 349 gr: 22. , en de Laagste miswijzing welke gehad hebbe was tussen 3 en 4. grade N. W: Ring den 12. Junij op de breete der Caap de Goede Hoop zijnde, en op 9. gr: 52. Lengte stelde de Coers regt oost dewijl hier reeds west passaad ontmoete. zien de oficaare Den 23. Junij Laage met den dag de africaa„ „se 512. 14. Arriveerde in de Simonsz: baaij. africaanse Kust en Peijlde de Tafelberg in het N:o o ten O. van ons, bevonde die morge de miswijsing van 24. â 25. gr: N: W: E op de middag had de volgens gegist bestek Caap de Goede Hoop oost 27. mijlen van ons en volgens de Laast geobserveerde Lengte van den 21. Junij oost 8. mijlen en op dien tijd Peijlde die west den baaij Talso 2 Noorde 2. mijlen zo dat wij ons 29. mijlen oostelijker bevonde dan gegist hadden seedert de Peijling van Sr: sal en volgens de Laast bevonde Lengte 10½. mijl oostelijker dan aan gegist hadde en dog volgens de Astronomische observatien van den abt de la Caille die de Caap de goede hoop op 34. gr. 35. m: Lengte Plaats zoude het bestek volgens de laast bevonde Lengte maar 1. mijlen differeeren in de Agtermiddag laveerde Baaij Talso binnen en quamen des snagts om ½. 2. uuren in de Fi„ monsz: baaij ten anker den 26. vertrokken na de Caap en vroog verloff om Reparatien van Htenge en aan„ en twee mansen Raas te doen als meede het ver„ „breede der marsen dog welke laaste niet gedaan kan worden wegens gebrek aan hout, vertrokken weeder den 30. naar de Baaij, alwaar met alle spoed gevoert wierd, aan de Benoodigde Rondhouten en hadde Reeds de matte ofgenoomen Liete dezelve direct weeder overleggen werkte alle daag aan het Nordige scheeps werk den 7. Julij kreege de waar„ lossen sondhoute aan boord en waare klaar om te kunnen zeijlen, en wierd des smorgers gemonstent hadde hier een Matroos aan boord gekreegen in Plaats van eenen welken absent was gebleeven in Europa. Den 8. Julij kreegen een arrestant aan boord om de zelve over te geven op Ceijlon en savonds ontfingen de Papieren van de Caap den 9. in het eerst ver„ „anderlijke lugtjes ligte het mij anker dog de Z. O: wind weeder door koomende liete het weder druijpen den -
English
departed from the bay of Talso. The 10th, the wind southeast, southwest, and northwest, light, unsteady breeze with rain showers. The 11th, at night, the breeze holding from the northwest, weighed the stream anchor and at 7 o'clock the bower anchor and set sail, the wind then increasing from the northwest to a reefed topsail breeze; at 10 o'clock we were outside the bay, set the course to seaward, the wind rising still more, and in the dogwatch with heavy squalls and a high, rushing sea, we were thereby forced to heave to because we could no longer properly steer. The 12th, in the morning, the wind abating again, made sail again and steered our course again, and subsequently had mostly fine weather, and having been the furthest south at 38 latitude, the 3rd of August in the evening at sunset we saw 5725 saw the island of Amsterdam, adjusting our reckoning here because we found ourselves 29½ miles further east than dead reckoning had estimated, though only 1½ miles further east according to the last observed longitude of the 20th of July; subsequently had fine weather and lingered for several days on account of light breezes upon passing the Maldives; the 4th of September in the evening at 7 o'clock, sailing with a topgallant breeze, the main topmast broke two to three feet above the cap; at 10 o'clock we were at the latitude between the Maldives, set the course to the east and on the evening of the 8th of September sighted the Malabar Coast, but could not make out our position before the following day, the 9th, at the hill of Brinjohn, by which bearing we saw that we were 73½ miles further east than dead reckoning had estimated, though according to the last determined longitude, being the 3rd of September, we were 19¼ miles further west than we had since 5122. estimated ourselves to be since that time; the 10th, in the morning, passed Cape Comorin and steered along the line of the coast until the evening, when due to a calm we had to anchor off the point of Trichendur; the 11th, weighed anchor again and sailed toward the roads of Punnaikayal, went ashore immediately and gave notice by letter of my arrival to the resident of Tuticorin, together with a request to assist me with a pilot; the 12th, received permission from the resident 951 of Tuticorin to be able to depart again, and he sent me an order to take a person from the bark De Kreeft to serve as a pilot; set sail in the evening, and in the evening during the first watch with fine weather, the main topmast broke again while pitching; salvaged the gear and brought the stump back up. The 14th of September, arrived in the roads of Colombo and came to anchor. Was signed: P. Muntz. In the margin: Done on board the vessel mentioned in the heading of this, the 11th of January in the year 1790. Agreed. Sybrands Company clerk Checked 3: 5:2.7. To the Right Honorable, Worshipful Lord, The Right Honorable Lord Willem Jakob van de Graaff, Ordinary Councillor of the Dutch East Indies, as well as Governor and Director of the island of Ceylon and its dependencies, etc., etc., Together with the Honorable Members of the Honorable Council of Policy here. Right Honorable Lord and Honorable Lords. Your Right Honorable and Your Honors' humble servant, Jan Jacob Meijer, makes known with the requisite respect that, however ready he, the petitioner, may at all times be to comply with the respected orders of his beloved superiors, he nevertheless finds himself presently, upon the notification that he is to depart for the Netherlands with the packet boat De Zeemeeuw, compelled, owing to the weakness of his physical constitution, which has already increased to such a degree through the repeatedly recurring and thus chronic diarrhea, the scurvy associated therewith, and the continual fevers in the present bleak season, that not the slightest external hardship need be added to it to totally deprive him, the petitioner, of the small bit of life which Providence still seems to grant him, to take his refuge in Your Right Honorable's and Your Honors' ever-renowned clemency, and most humbly to pray them not to withhold from him their Christian compassion, but graciously to grant him, the petitioner, since his hoped-for recovery from that illness, which has kept him confined to bed for a very long time, is indeed approaching, though contrary to expectations only with very slow steps, and he, the petitioner, did not in the least count on the influence which the present stormy season could have upon his constitution, a postponement of his departure until such shipping opportunity when a little bit more comfort, appropriate to his age and sickly condition, and somewhat restored strength, will make him, the petitioner, cheerfully undertake the journey with God, without him, even should he immediately sail to his death, being able to attribute the blame thereof to any mortal. And this grace the petitioner implores all the more because Their High Honors themselves, upon the order of the Right Honorable Lords Gentlemen Seventeen to send him, the petitioner, back to the Netherlands with one of the first departing ships, excused him on two occasions from departing with a packet such as Het Haasje and De Snelheid, which were dispatched in a pleasant season at the departure of the first shipment via Batavia to the Netherlands; wherefore the petitioner, appealing to the testimony of the physicians regarding his physical condition, expects from Your Right Honorable's and Your Honors' goodness a favorable decision. Below was written: Which doing, etc., etc. Was signed: J. J. Meijer. In the margin: Colombo, the 24th of June in the year 1791. Agreed. Wybrands Clerk
Dutch transcription
vertrokken uijt de baaij Talso. den 10. de wind Z: O: Z: w: en N: w: Labberen ongestaadinge Coelte met reegen brijen. Den 11. snagts het lugtje doorstaande uijt het N: w: ligte het tuij anker en ten 7. uur het daags anker en gingen onder zeijl de wind als toen uijt den N: W: aanneemende tot gereefde: marszeijls Coette ten 10. uuren waaren buijte de baaij stelde den Coers naar zee de wind zig nog meer verhefsenden en in de Platvoet met swaaren buijen en een hooge aanschietende zee waare daar door genootsaakt om bij te draaijen door dien niet langer behoorlijk konde stuwen. Den 12. smorgens de wind weeder bedaarende maakte weeder zeijl en stuurde weeder Coers en hadde vervolgens meest mooij werder, en zijnde het Zuijdelijkste geweest op 38. Briete den 3. aug=s savonds met zons ondergang zaagen 5725 zaagen het Eijland Amsterdam beetende hier aan ons be stek dewijl wij ons 29½. mijlen orstelijker dan gegist hadde dog maar 1½. mijl oostelijker volgens de laast. geobserveerde. Lengte van den 20. Julij hadde vervolgens mooij weider en sukkelde eenige daagen uijt Plaauwe Coeltens bij het Passeere der maldives den 4. Sept: 's avonds om 7. deure met een bramzeijls Coelte zeijlen de brak de groote steng twee â drie voeten booven het Ezelshooft ten 10. uuren waare op de breete tussen de lak de Maldivos stelde de Coers om de oost en Kraege 'savonds den 8. Zeptember de Mallabaars kust in het gezigt dog konde niet eerder verkend raaken dan sanderen daags den 9. aan het berg je BrinsJan en aan welke pijling zaagen dat wij 73½. mijle oostelijker waare dan gegist hadde, dog volgens Laast bevonde Lengte zijnde geweest den 3: September 19¼ mijl westelijke waaren dan seedert 5122. seedert dien tijd gegist hadde te zijn den 10. smorgens passeerde de Caap Commerijn en stuurden volgens de strekking der wal tot savonds doen door stille moeste C ankere bij de hoek van Tristandoom den 11. ligte wee„ „der het anker en zeijlde naar de rede van punto Caijl begaf mij terstond na Land en galf P=r Missive Kennis mijner komst aan het opperhooft van Patuconijn ee tevens met verzoek om mij te wille assisteeren met een loots den 12. Kragen onder van het opperhooft 951 van Tutucorijn van weeder te kunnen vertrekken en mij een ordonnantie toezond om een Perzoon van de Bark de Kreefst te Ligte om als Loots te dienen ging des avonds onder Zeijl, en savonds in de Eerste wagt met mooij weeder kwam de groote steng weeder te breeken met stampen redde de vleet en bragte de stomp weeder na Booven. Den 14. September quame op de reede van Colombo ten ten anker /:was geteekend:/ P=r Muntz: /:in margine Actum aan boord van in het Hooft deezes gemeld den 11. ' Januarij Ao 1790. —. Accordeerd. Sijbrands VEgklerk llande Nagezeen 3: 5:2.7. Aan Den Wel Edelen Groot Achtb: Wijdgebiedenden Heer. Den wel Ed: groot achtb: Heer Willem Jakob van de Graaff, Raad ordinair van Nederlands Jndien mitsgaders gouverneur en Directeur van 't Eiland Ceijlon en dees onderhorig„ heeden, etc:a etc:a Benevens de wel Edele Heeren Leeden van den Achtb: Raed van Politie alhier Wel Edele Groot Achtbaare Heer en Wel Edele Heeren. heeft met den vereijsten eerbied te kennen uwwel Edele Groot Achtb:s en uwer wel Edele onderdanige die„ naar Jan Jacob Meijer, dat hoe volveerdig hij supp:t ook ten allen tijden mooge weezen om de gevene„ veerde ordere zijner Dierbaere overheid na te koo„ men, hij nogtans teegenwoordig op d' aankondiging van met de Paquetboot is Zeemeeutjna Nederland te moeten vertrekken mits de zwakheid van zijn Lichaems gestel, die door de telkens weeder keerende en dus veroudende Diarnhae, en de daar meede ver„ knogte soorbutigheid en de continueele februcita„ „tien in 't teegenwoordig guure jaergetijde, tot dien trap reets gesteegen is, dat er niet 't minste on„ gemak van buijten behoeve daar bij te komen, om hem supp:t van 't weijnigje leevens, dat hem de voorzienigheid nog scheijnt te vergunnen, to„ „taal te berooven, zich genecessiteert vind om zijnen toevlucht te neemen tot uwel Edele Groot Agtb: en uwer wel Ed:e steeds benoemde clementie, en dezelve onderdanigst te bidden van hem Hunne christelijke compasie niet te willen onttrekken, maar hem supp:t daar dog zijne verhoopte herstel„ ling ling uit die krankheid die hem eenen ganteh lange „tijd aan 't bedde gekliistert gehouden heeft wel aan komt, edog teegens verwagting niet dan met zeer traege schreeden, en hij supp:t ook geenzins gereeken„ heeft op de influentie die 't teegenwoordig, on„ stuimig Jaere Saijsoen op zijne constitutie konde maeken, tot zijn vertrek gatieuselijk uij stel te willen verleenen tot eene scheeps geleeg„ heid als wanneer een klijn weijnigje meerder gemak, convenabel met zijnen ouderdom en ziek lijken toestand, en d'eenigzins toeteneemene krag ten, hem supp:t blijmoedig de reize met God zullen doen aanvaerden, zonder dat hij of schoon onmiddelijk daar meede zijnen dood te gemoet vaerende de schuld daar van aen eenig sterve„ ling zoude kunnen toewijlen. En dieze gratie smeekt de suff:t te meer, om dat Hunne Hoog Edelheeden zelven op de ordre der Hoog Achtb: Heeren Majoores om hem supp:t met eenen der eerst vertrekkende scheepen weeder naar Neederland te zenden, hem tot twee maa„ „len van 't vertrek met een Paquet als 't Haesje en de snelheid, die in een aangenaemen Jaergetij den van 't vertrek der Eerste bezending na Batavia „geslevent naer Nederland „ geflet zijn verexcuseert is, waar bij de supp: zich beroepende op 't getuigenis der Art„ „zen noopens zijne lichaems gesteldheid, zoo verwagt hij van uwel Edele groot Achtb: en uwer wel Edelen goedheid een gunstig apostil. /:onderstond:/ Twelk Doende etc:a etc:a /:was getekend:/ I: I: Meijer /:in margine:/ kolombo Den 24:' Junij A:o 1791. Accordeert. . Wijbrands likeerk
English
5128. Secret Resolution taken in the Council of Ceylon on Present. The Right Honorable Lord Governor Willem Jacob van de Graaff The Honorable Chief Administrator Mr. Christiaan van Angelbeek The Honorable First Warehouse Master Johannes Reintous The Honorable Secretary Benedictus Lambertus van Pitter The Honorable Fiscal Johannes Adrianus Vollenhove Absent The Honorable Colonel Johan Philip Christiaen Filenius The Honorable Disava Diderich Thomas Fretz The Honorable Pay Bookkeeper Gerrit Engel Holst The Honorable Trade Bookkeeper Abraham Samlant. the first and third on account of indisposition, the second in the country, and the last at Matara. Thursday the 12th of August 1790. were read a letter from the Honorable Commander Sluysken of the 30th of July, and a separate letter received together with it written to the Lord Governor on the 5th of this month, as well as a secret report from the said Lord Commander of the 31st of July last past regarding his proceedings in the Disavany of Matara. Whereupon having deliberated, it was approved and resolved to insert the said letters and report here below, and to dispose thereupon as noted in the margin of each entry. Colombo Colombo To the Right Honorable, Right Worshipful Lord. Willem Jacob van de Graaff Ordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon with its dependencies, etc. etc. Together with the Council. Right Honorable, Right Worshipful, High Ruling Lord. Since in this letter no matters appear that do not also appear in the secret report of the Lord Sluysken, no resolution was therefore taken on it. I have the honor to present herewith to Your Right Honorable a brief report of my accomplished commission among the discontented inhabitants of the Disavany of Matara. On the 13th of the past month of June, I had the honor to receive Your Right Honorable's separate letter of the 10th preceding, paragraph 1. wherein 5123. wherein the Same instructed me to hold myself ready to depart for Matara upon a further letter from the Government, in order to make every possible effort there to bring the rebellious native population to peace. That same day towards the evening I also actually received Your Right Honorable Government's letter, dated 12 June, by which I was ordered to depart for Matara; and, should I deem it proper, to take two members of the Council with me, and upon arriving at Matara to investigate the root cause and reasons for the further discontent of the inhabitants, and to establish such orders there as I should find to be most in the service of the Company and for the well-being of its inhabitants. On the 15th in the morning I departed from here for Matara and arrived towards noon at eleven o'clock at Weligama. At this place I found a detachment of 50 men, both Europeans and Malays, commanded by Lieutenant Weber, who had a written instruction for regulating his conduct, of which a copy is annexed under No. 1. The said officer declared that everything in those parts had been quiet since his arrival, and that nothing had been undertaken by the gathered mobs of the Weligama Korale (who were assembled one hour from there) that indicated any evil intentions against the Honorable Company. Having collected all the intelligence that I possibly could, I departed again from Weligama after eating and crossed the Polwatta River at 3 o'clock with dhonies, as the bridge was demolished; at this river there were hundreds of inhabitants who handed over several bundles of olas to me, and requested that their complaints be investigated, and that proper justice be provided to them regarding many mistreatments suffered for several 5730. years; promising that they would submit to my ruling. Having satisfied these people, I continued my journey. On the other side of the Polwatta River, I found a detachment of 50 men under Lieutenant Stoffels, who had been sent from Matara to meet me and who escorted me to Matara, along the way to which nothing came before me that looked like any acts of violence; it only appeared to me that the natives whom I met here and there around looked somewhat wild, and like people who regarded me with a discontented look. I arrived at Matara towards evening, around half past five. The reports that I received upon my arrival concerning the rebellious peoples seemed to me by no means favorable; the discontented were still all in the country, and each Korale was assembled together on its own; and although the Lord Disava Fretz, together with the Lord Samlant, had already dispatched a Maha Mudaliyar in order to effect peace in the country if possible and to pacify the peoples, one could by no means foresee this yet; only the Lord Disava Fretz testified that the agitation among the native population had not been so great for the past 2 days, and particularly since detachments had been sent to Tangalle and Weligama, and a picket had been placed at night in the Redoubt of Eck, whereby at least within the Four Gravets peace was still maintained; the commandos dispatched successively having also contributed much to this. The day after my arrival, or the 16th of June last past, I sent a sannas into the country, the draft of which in Dutch is annexed under No. 2. In this writing I made my arrival known and encouraged the inhabitants to peace. The
Dutch transcription
5128. Sekreete Rezolutie genomen in raede van Ceilon op Prezent. Den wel Edelen Groot achtb: heer Gouverneur Willem Iacob van de Graaff Den E: pr Hoofdadministrateur. . M:r Christiaan van Angelbeek Den E: Eerste Pakhuismeester. - . Johannes, Reintous Den 6: Sekretaris - - . Benedictus Lambertus van Pitter Den E: fiskael: - - - - - Johannes Adrianus Vollenhove Abrent Den E: kolonel - - - - - - - Iohan Philip Christiaen Filenius Den E: Dessave - - - - - - - Diderich Thomas fretz Den E: zoldij boekhouder - - - - Gerrit Engel Holst Den E: Negotie boekhouder - - - Abraham Samlank. de eerste en derde mits indispositie de tweede in 't land en de laetste te Mature Donderdag den 12:e Augustus 1790. zyn geleezen een brief van de Heer Commandeur sluys„ „ken van den 30. Juli, en een daarmeede tegelijk ont„ vangene apparte brief aan den Heer Gouverneur geschreven den 5. deser mitsgaders een geheim rapport van gem: Heer Commandeur van den 31. Juli J:o Leeden nopens deszelfs verrigtingen in de Maturesche Dessavonij Waar op gedeliberreerd zynde, is goedgevonden en verstaan, gem brieven en rapport hier onder te insereeren, en daar op zodanig te disponeeren, als inmargine van elke post staat aange„ teekend Colombo Colombo Aan den wel Edelen Gestrengen Jn Achtbaaren Heer. Willem Jacob van de Graaff Raad ordinair van nederlands India Gouverneur en Direkteur van het Eijland Cijlon met dies onderhoorigheed en etc etc„ Nevens Den Raad. Wel Edele, Gestrenge, Groot Achtbaare Hoog Gebiedende Heer Ik heb de eere uwel Edele Gestrenop wyl bij deezen brief geene Groot Achtbaare bij deeze een bekref dingen voorkomen die niet ook beregt te doen van mijne volbragte voorkoomen by het geheum rap„ Commissie bij de onvergenoegde port van den Heer sluijsken, Inwoonderen der Maturesche is daar om daar op geen reso„ Des savonie lutie gevallen Den 13„e van de voorleedene maand Junij, had ik de eere te ontvangen uw Ed: Gestr: Groot Achtb: afzon„ derlijke brief van den 10. te vooren S. 1. waar 5123. waar bij Hoog Denzelven mij aan„ schreef mij gereed te houden om op een nader Brief van de Reegering na Mature overtestappen, ten eynde aldaar alle moogelijke vlijl aan„ tewenden, om den oproeprigen Inlander toe stelsland te brengen. Dien zelfden dag teegens den avond ontving ik ook werkelijk uwel Ed. Gestr: Groot Achtb Reegerings briev, in dato den 12 Junij waar by mij gelast wierd om na Mature te vertrekken; en zulks goedvindende, twee leeden van den Raade meede te neemen en te Mature koomende te onderzoeken, de grond: oorzaak en reedenen van het verder misnoegen der Jngezeetenen, en daar en te stellen zoodanige orders als ik ten meesten dienste van de kompenie en tot welzin van haare Jngezeetenen zoude bevenden te behooren Den 15. Des morgens vertrek ik van hier na Mature en kwam teegens de middag om elf ruuren op Belligam aan. op op deeze plaats vond ik een Pelac„ hement van 50. koppen zoo Eevre peer als Malayers; gecommandeert door den Luijtenant Weeber, die tot het regelen van zyn gedrag een schriftelyk instruksee had, waar van het af„ schreft onder N. o 1. hiernevens ge„ voegd is. Gemede offecier betuijgde dat alles daar omstreeks zeederd zijne aankomste in stilte was en dat niets door de zaamen gerotte volkeren van de Belligam Corle /:die een uur daar van daar verga„ derd waaren:/ was ondernoomen dat eenige boose inzigten teegen de E. Compence aanduyden. Alle beregten, ingetrokken hebbende, die ik by mooglikheid konde opdoen, ver„ took ik na den eeten weeder van Belligan en Passeerde te 3: uiren de Rivier van Polwatte met tonies; wyl de brug afgebrooken was; aan deeze Rivier be„ vonden zig houderde van Ingeezeetenen die my eenige bondels olassen over„ gaaven, en verzogten hunne klagten te laaten onderzoeken, en hun een goed regt tebezorgen over veele zeederd eenige 2 5730. eenige Jaaren ondergaane mithande„ lingen; met belofte zeij aan mijne uijt„ spraak te zullen onderwerpen. Deese lieden te vreeden gesteld hebbende vervolge ik mijne rijze. Jk rond aan de overkant van de Polwat„ sche Rivier een Commando van 50 kop„ pen onder den Luijtenant stoffeld die mij van Mature te gemoet waa„ „ven gezonden, en die my na Matuore hebben begelijd, tot waar aan toe my ook is voor en gekoomen, dat na eenige geweldadigheeden heeft geleeken, alleen mij Kwam: voor dat de Jylanders „ ontmoete die ik hier en daar „omtrend als verwelderd uijtsaagen, en als lieden die mij met een onvergenoegd weezen aankhouden Jk kwam teegen den avond omstreekt half ses uur te Mature aan. De berigten die ik by mijne aankomst aangaande de opvoerige volkeren ont„ ving, scheenen mij gantsch niet voor„ deelig te zyn de Misnoegden waaren nog allen in het land, en ieder Corle op zeg zelve, bij den anderen voorza„ meld; en schoon den Heer Dessave fretz nefvens den Heer Camlarl„ reeds reeds een Mandaat-ala had den afgevaardigt, ten einde wat het moogelyk de Rust in het land te bewerken en de volkeren te bevree„ „kon deijen „ men zulx in het geheel nog niet voorzien, alleen betuygde den Heer Dessave Fretz dat de beweeging onder den Jnlander zeederd nu 2. daagen niet mee zoo groot was, en wel in het bijzon„ der zeederd dat er Detachementen na Tengale en Belligam waaren gezonden, en in de Retoute van Eck des nagts een Piquet wierd geplaats waar door het ten minsten binnen de vier gravetten nog en rust gehouden was; hebbende hier toe meede veel geholpen de sucessive uijtgezondene Commandas De dag na myn aankomt of den 16. ' Junij Jongst leeden zond ik eene sannas in het land waar van het opstel en het nederduijts onder N.:o 2. hiernevens gevoegd is Bij dit geschrift maakte ik myn aankomst bekend, en moedigde de Jngeezetenen tot rust aan. De
English
The Mudaliyars and other native headmen, who reside within the four gravets and did not dare to venture into the countryside (at least some of them had been sent out fruitlessly), came to pay their respects to me. I inquired of them about the state of the countryside and encouraged them to cooperate toward pacifying the discontented populace, and their promises were also very good. On June 17, I caused a meeting to be convened consisting of the Honorable Disava Fretz and van Angelbeek, the Trade Bookkeeper the Honorable Samlant, the Master of Equipage the Honorable Adams, the Secretary the Honorable van Albedijlh, and myself; from this meeting, the record kept is to be found among the appendices hereto under No. 3. The Honorables Fretz and Samlant having been discharged in the most honorable manner from their duties as commissioners of the esteemed Ceylon Government, their Honors spent ten days putting all their writings in order to deliver them to me. In the meantime, I had perusal of some papers, and I engaged myself in the interim in investigating privately the root cause of the continuing discontent among the natives, and at the same time in learning where the greatest number of people were gathering together; which persons were at the head of the various unlawful gatherings, and which of them had the greatest influence over the populace; what their intention was, and what measures ought to be undertaken to bring this discontented populace to a standstill and pacification. The measures implemented during this investigation I have reserved to detail extensively to Your Noble, Rigorous, Most Honorable Sirs in a secret report, while in the meantime I append hereto under No. 4, 5, 6, 7, 8, 9 copies of all such mandates and sannases as I have successively deemed necessary to send into the countryside. As well as a copy of the instructions given by me to the dispatched officer at Belligam for compliance. After the course of a few days, while in the meantime I heard many specific complaints and settled various daily disputes among the natives, there was handed to me on behalf of the discontented a general complaint ola, which, after translation was made and after the papers of Messrs. Fretz and Samlant regarding their transactions had been handed to me, I caused to be committed to paper with the addition of yet more general complaints that had also been made to their Honors. During the hearing of the general and specific disputes and complaints, many people came forward who made known to me: That their accomodessan fields had been taken away from them and other bad fields given in their place. That their divel lands had been farmed out for the Honorable Company. That their planted coconut trees had been seized for the Honorable Company, and only 18 stuivers paid for each tree that was well worth 2 to 3 rixdollars. That their cattle, with which they had to work their fields, had been taken away under the pretext that they had broken into the cinnamon gardens, and not returned again. That many inhabitants had been forced to surrender the offices due to them by family right, and see them conferred upon people who by right of birth had no entitlement to them and were strangers who had managed to push their way in successively; as it was also evident to me that this was truly the case, particularly among the Arachchies of the Lascorins, Vidanes, and the lesser village headmen, concerning which it was shown to me by deeds of sannases of some that for as long as 80 to 100 years the offices had been held by the complainants' families and administered by them, and were now given to others. Many showed me their backs to see how they had been punished contrary to the customs of the land; and they complained in this regard, particularly about the port servants currently sitting under arrest at Galle; and that these had often mistreated them and extorted money. Others complained that they had been used for base services not native to their caste, and finally there were among the complainants particularly many, both women and men, widows, and orphans, who made known to me with great lamentation how, through the dispatch of people to Baddegirie, they had lost their fathers and brothers who had died there, and requested law and justice on that account. In a short report, of which the copy is to be found among the appendices hereto under No. 10, I have had the general complaints of the inhabitants concisely set forth, together with the decision thereon by the Honorable Commissioners Fretz and Samlant by mandate ola of May 28, following with the refutation and answer of the inhabitants to this mandate ola; and finally my resolution, by my mandate ola of the 7th instant, which resolution, before drawing it up into a mandate ola, I submitted to a meeting on July 5 at Matara, in which it was then also approved by all the members of this meeting for the reasons stated therein; the minutes of this meeting are among the appendices under No. 10. To the aforementioned report and minutes I refer Your Noble, Rigorous, Most Honorable Sirs, where there may be seen briefly all that relates to this commission undertaken by me further.
Dutch transcription
5131. De Modliaart en andere Jnlandsche Hoofden, die binnen de vier gravetten woonen, en zig niet in het Land diensden te begeeven /: ten minsten waaren eenige van hun vrugteloos uijtgezon„ den :/. kwaamen hunne opwagting by mij maaken. Jk vroeg hun na de gesteldheid van het Land, en moedigde Hen aan om meede werk„ „saam te zijn ter bevreediging van het misnoeyde volk, waare beloften waaren ook zeer goed. liet Jk bat „ den 17. Junij eene bij eenkomst e beleggen beblaande uijt den E: Dessaven Fretsz en van Angelbeek den Negotie Boekhouder D E. Camland, den Equipagiemeester DE Aams, den secretaris DE. van Albedijlh en rij; van deeze, by eenkomst is onder de bylaagen deezer de gehou„ dene Aanteekening onder N o 3. te venden.. DE:s Fretz en Camlant van hunne verrigting als commissarissen van de geeerde Ceijlonsche Reegeering op de konnorabeeste wyze ontslagen zynde, bragten hun E: geduurende tien daagen alle hunne geschreften, ten ter overgave aan mij, in order Jntusschen had ik van eenige papieren lectura, en Jk bemoeijde mij middeler wijle om onder de hand na te vorsche de grond oorzaak van de voorlduu„ vendheid der misnoegdheid onder den Jnlander, en om teffens te ervaaren waar zig het meeste volk bij den anderen op hield; wat perzoonen zig aan het Hoofd van de differente te zaamenrottingen bevonden, en welke van hun de meeste vermoogens op het volk hadden; wat hunne intentie was, en wat middelen er diende by der hand genoomen te worden, om dit misnoegd volk tot stel stand en bevreediging te brengen. De maatregelen die by dit onderzoek in het werk gesteld zyn heb ik mij voor behouden uwwel Edele Gestr: Groot Achtb: by een secreet Rapport uijt gebreid te detailleeren wijl ik in tusschen by deeze onder N:o 4. 5. 6. 7. 8. 9. voege de afschriften van alle zoodanige Man„ daalen en sannasen, als ik sucessive noodig 5132. noodig geoordeelt heb in het land te moeten zenden. Gelyk ook een Copij instruktie door my aan den gedebac„ teerde offecier te Belligam ter opvol„ ging gegeven. Na verloop van eenige daagen, terwyl ik intusschen nog veele spetiaale klag„ „ten aanhoorde en verscheide der daa„ gelijksche geschillen onder den Jnlander afdeed; wierd mij van weegens de misnoegden ter hand gesteld een Gene„ raale klagt-ola, die ik na gedaane Translatie en na dat mij de papee„ ren van de Heeren Fretz en Iamland weegens hunne verrigtin„ „gen ter hand gesteld was, ter papiere liet brengen met bijvoeging van nog meer andere Generaale klagten als ook hun E:ds waaren gedaan. Onder het aanhooren der algemeene den algemeeme en speciaale geschillen en klagten quaamen veele lieden op daagen welken mij te kennen gaaven. Dat men hun haare ccomodessans = velden had afgenoomen en andere slegte - slegte velden en dies plaats gegeven Dat haare Diwels voor de Ed. Compe. waaren vepagt geworden. Dat men haare aangeplante kooker boomen voor DE: Comp: had aan ge„ slagen /. en slegts voor Jder boom die wel 2. a 3 rd„s waard was 18. stuijv: betaald Dat men haare koebeesten waarmede zij hunne velden moesten bewerken, onder de naam dat ze in de kanneel thuijnen waaren ingebrooken had afgenomen en wet weeder om gegeven Dat veele Jngezeetenen de hun weegens familie Regt Competee„ „rende diensten hadden moeten af„ staan en sien opdragen aan Lieden die weegens hunne geboorte daar geen Regt toe hadden, en vreem„ delingen waaren, dig zig successive hadden weeten inledringen; gelyk mij dan ook gebleeken is dat zulks werkelijk waar was; in het bijzonder onder de Arvaatjes der Lascorijns, Vidaans en de mindere Dorps 5133. - Dorps hoofden waar van my door acte sannaessen van eenigen vertoond wierd dat wel 80 tot 100. E Jaaren de bedieningen door der klaagers familien waaren waar genomen, en door haar bestierd, en nu anderen gegeeven veele ver„ toonder mij haare Ruggen om te zeen hive zij teegens Lands gewoord„ „tens waaren afgestraft; en klaagden hier omtrend en het by zonder over de op Gale in arrest sittende Porta - bediendens; en dat deese haar veelmaalsen mishandeld en geld afgeperst hadden. Wier anderen klaagden dat ze tot slegte en hun niet aangeboore Diensten ge„ bruijkt waaren geworden en Eijndelijk waaren er onder de klaagers in het byzonder veele, zoo vrouwen als mannen, wedewen, en weezen, die my onder veel Jammer geklag te kennen gaaven hoe ze, door het volk na Baddegirie te senden, haare vaders en broeders, die daar gestorven waaren hadden verlooren, en desweegens regt en geregtigheid verzogten. k Ik heb bij een kort berigt, waar van het afschrift onder de bijlaagen deezer onder N:o 10. te vinden is, de generaale klagten der Jngezeetenen beknopt laaten vertoonen, nevens de beslissing daar op door de E„s kom missarissen Fretsz en Camlant, by mandaat ola van den 28. Maij Jo 2. vervolgengs de weederlegging en be„ antwoording der Jngezeteenen, op deeze Mandaat ola; en eijndelijk mijn besluijt, bij mijne Mandaat ola van den 7. deezer welk besluyt ik alvoorens het tot een Mandaat ola enterigten in een by eenkomst op den 5. Julij te Mature heb over„ gelegd waar in het dan ook door alle de Leeden deeser by eenkomst op de reeden daar bij vermeld is goedgekeurd de aantekeningen deeser by eenkomst bevind zig by de Bijlaagen onder N:o 10. Tot het evengem: berregt en Aanteeke„ ningen wijze ik uwel Ed. Gestr: Groot Achtb: over, kunnende daar bij kortelijk gezien worden al het geen betrekkelyk is tot deeze mijne gedaane Commissie voort
English
5134. Furthermore, I refer to the secret report accompanying this, and trust that all my actions may be favorably approved, while I simultaneously testify that, according to my understanding, I could not have undertaken any other means for its pacification, and that furthermore, according to my own judgment, I have done everything that I, as a faithful servant keeping the master's interests in view, could effectuate. Upon my departure from Mature, I left behind a Memorandum for the Honorable Dessave Rattel and the Honorable Trade Bookkeeper Camlant, a copy of which I also send herewith among the Enclosures under No 12, and furthermore have the honor to be, with the greatest respect, beneath stood, Right Honorable, Valiant, Most Respectable, High-Commanding Lord, Your Right Honorable, Valiant, Most Respectable's very obedient Servant, signed, P. Sluijsken in the margin, Gale, the 30. July 1790. To the Right Honorable, Valiant, Most Respectable Lord, Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Council of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon with its dependencies. Right Honorable, Most Respectable Lord, I hereby present to Your Right Honorable, Most Respectable, the secret report of all my actions which I recently performed in the Mature district for the restoration of peace. The contents thereof I have had to consider as secret for the reason that many matters are included therein which relate to very many Native Chiefs, who, as it appears to me, if not proven completely guilty, lie at least under the strongest suspicion; and regarding whom I, submitting to higher, wiser judgment, am of the opinion that the most prudent and strongest measures must be taken, in order that for the future it will be ensured that their influence will at least not be as powerful as it has been for some time over the native inhabitants due to kinship with one another. It is, after deliberation, approved and agreed that the Lord Commander Sluijsken will be asked, regarding the native chiefs who appear to His Honor, if not proven completely guilty, at least to lie under the strongest suspicion, and concerning whom His Honor is of the opinion that the most prudent and strongest measures must be taken: 1. In what the measures, which His Honor is of the opinion ought to be taken against the chiefs so highly suspected by His Honor in general, and each of them in particular, should consist, and how these could and ought to be put into effect in the most prudent manner. 2. Considering that, due to the great importance of the matter, it is necessary that proper evidence be gathered regarding the things charged against these chiefs, whether in his view there might be any objection to having judicial declarations obtained thereof now at once, under oath of secrecy, and while those matters are still fresh in memory, 5135. without distinction or respect of persons, to whom this letter is written separately, whether this government or the Lord Governor in particular, in what those objections in his view would consist, and if not, to begin therewith immediately and to have obtained before two members of the Galle Court of Justice, and a sworn clerk, either at Gale or at Mature: 1. A declaration as well from the bearer of the ola letter that is signed by twelve Sinhalese signatures, as from the people who have signed it, in so far as they are known, or might yet become known. 2. A declaration from Don Dias Weeresooriya Aatchie and from Don Diogoe Wikkremegew Arraatje, who made the report under the 30. July 1790. 3. A declaration from Madoegodde Appoe, declarations of all the people who appear in the aforesaid ola letter, report, and statement of the secretary of Albedijk, containing the statement made to him by Madoegodde Appoe, as well as of all such who, in the compilation of the aforesaid documents, might yet be indicated as having knowledge of these things. Furthermore, it is agreed that the Lord Commander Sluijsken will be written to for further information on the intention of this Government, on which points among others and principally the accusers of the aforesaid native chiefs must be questioned, and that it must be recommended to all those who are examined in the manner aforesaid, not only to answer truthfully to everything that will be asked of them, but that they must also declare all that might further be known to them concerning these things, whether under offer of oath, and if so, in what, and against whomsoever it might be. And thus, it being taken into consideration that in the secret report of the Lord Commander Sluijsken inserted herebelow, nothing appears upon which First, I do not believe that one can devise other means than to let the inhabitant feel our love of justice, and in the meantime to meet them in their reasonable claims. 1. By letting a certain armed force remain in the Mature district, to show them that, if necessary, one knows how to make them obey through coercive measures, and furthermore to apply everything possible to redress all creeping irregularities, and thereby provide everyone a peaceful residence, and thus I have attempted everything that is feasible and possible to, without passion
Dutch transcription
5134. Voorts refereere ik my aan het hier„ nevens overgaand secreet Raport, en vertrouwe dat alle myne verrigtingen gunstiglijk moogen geaprobeerd wor„ den, terwijl ik tevens betuyge dat ik na mijn begrep geen andere middelen „heb kunnen by der hand neemen ter bevreediging van het, en dat ik voorts na mijn geving inzien, ook alles gedaan heb, wat ik als een getrouw Deenaar die 's meesters belange in het oog houd, heb kunnen werk„ stelligen Bij min vertrek van Mature heb ik den E. Dessave Rattel en de E. negotie boekhouder Camlant een Memorie agter gelaaten waar van ik het afschrift bij de Bijlaagen deeser onder No 12. meede oversends en voorts de eere heb met de meeste eerbeed te zijn /: onderstond:/ wel Edele Gestrenge Groot Acht„ baare Hoog Gebiedende Heer uwel Edele Gestr Groot Achtb zeer gehoorzame Dienaar /:getekend:/ P: Sluijsken in margine Gale den 30. Julij 1790 Aan den wel Edelen Gestrenge Groot Achtbaaren Heer Willem Jacob van de Graaff Raad ordinair van nederlandsch Jndia Gouverneur en Direkteur van het Eyland Ceelon met dies onderhoorig heeden Wel Edele Groot Achtbaare Heer Jk biede uwel Edele Groot Achtbaar hiernevens aan het geheim Raport Is na deliberatie goedgevonden en verstaan, dat den heer Conmandeur sluijsken nopens van alle mijne verrigtinge die ik de inlandsche hoofden, Die zoo zijn E: voor„ komt indien niet volkomen schuldig bewee„ onlangs in het Maturesche ter be„ zen, ten weinigsten onder de sterkste Nuspetie werking van de vust hebbe gedaan. leggen en waar omtrend zyn E. van begoef is, dat de voorzigste en sterkste maat Dies inhoud heb ik als geheim te regelen moeten worden genomen zal worden gevraagt moeten houden aangemaakt om reedene „waar in zouden behooren te bestaan de maat daar in veele zaecken zyn verval, 1. regelen, die zijn E: van oordeel is, dat tegens de by zijn E: zoo zeer verdagte hoofden in welke betrekking hebben tot, zeer het algemeen, en een elk derzelve in 't bij„ veele Jnlandsche Hoofden, die zoo mig zonder, zouden dienen te worden genomen, en hoedanig men die op de voorzigste wyze voorkomen indien met volkoomen zoude kunnen en behoren te werk te stellen schuldig beweesen ten weinigstens onder 2/ Aargezien het om het groot gewigt der de sterkste suspetie leggen: en waar„ zaake nodig zij, dat van de dingen ten laste deser hoofden, behoorlyke bewijzen worden omtrend ik met onderwerp wg ingewonnen, of er na zijn inzeen eenige de„ aan Hoog wijzer gevoele van begrep denkelykheid in zoude steeken, om daar van onder den eed van geheemhouding, nu aanstonds en terwyl die zaaken nog in versgeheugen zyn, te doen inwinnen geregtelyke verklaaringen onder 5. 2. 5 ben 5135. zonder onderscheid of aenzien van perzoonen te bezorgen zonder aen wien deeze brief appart geschreven deeze regeering of de heer gouverneur in 't bij ben de voorzigtigste en sterkste. die bedenkingen na zyn inzien zouden bestaan, maatregelen te moeten worden ge„ en zo neem, als dan ten eersten daar mede te doen beginnen en voor twee leeden uit den gaalschen „ roonen- op dat er en den vervolge woor„ ustitie raad, en een beampt schrijven, het zy „de gezorgd haare invloed ten weinigs„ te Gale of te Mature te doen inwinnen Een verklaring zo wel van den brengen van de „tens niet zoo vermoogende zal weesen brief ola die door twaalf singaleesch hand„ als die zeedert eenige heyd door „teekeningen is ondergeteekend, als van de luijden de verwantschap met den anderen die ze onderteekend hebben, en zoo verre ze be„ „kend zijn, of nog mogten bekend worden. op den Jnlanden heeft 2 Eene verklaaring van Dan Dias weerresuyd jl Voor eerst geloove ik niet dat Aatjele en van don Diogoe wikkreme gew: arraatje, die gedaan hebben het relaas onder men andere middelen kan beraemen dan den 30: July 1790 den Jnwoonder der onse regt lievend„ 3 Een verklaaring van Magoegodde Appoe verklaaringen van alle de luiden, die voorkomen„ heid te laaten gevoelen en intus„ by de voorsz: brief ola, relaas en beregt van den secretaris van Albedijkl, vervattende schen haar in hunne billijke pre„ de opgave door Madoegodde Appoe aan tentien te gemoed te koomen. hem gedaan, als meede van alle zulken, die by het beleggen van de voorsz: stukken, nog mog„ Door een zeeker gewapende magt ten worden op gegeeven van deese dingen kennis te hebben 1. in het Maturesche te laaten blijven:/ Voorts is verstaan dat den Heer Commandeur sluijs„ ken tot meerdere informatie van de intentie deser haar te laaten zien, dat men des Reegering zal worden aangeschreven op welke prink„ noods haar door dwang midde„ „ten onder anderen en hoofd zakelijk de beschuldigers van de voorsz: inlandsche hoofden zullen moeten „ len weet te doen gehoorzaemen worden ondervraagt en dat aan alle de geene die invoegen voorsz worden verhoord moet en voorts alles aantewenden wat worden gerecommandeert, om niet alleen na waar„ heid te antwoorden op al het geene hun zal moogelijk om alle ingesloopde on„ worden gevraagt maar dat ze ook moeten „ geregeldheeden te redresseeren, en een opgeeven al wat hun verder aangaande dese dingen mogten zijn bekent het zij wat of ieder daar door een geruste inwooning onder aanbieding van eede; zo Ja waar in ten laste van wien het ook zoude moogen weezen en dus Jk het alles wat doenlijk is en moo„ der gehnsereerde geheum rapport van den hier gelyk was betragd om zonder In agting genoomen zijnde dat by het hier on„ Commandeur sluijsken niets voorkomt waerop is Passie 54
English
knows how to apply what is mentioned here in the margin, it has been approved and understood that Mr. Sluijsken shall be ordered, as he is ordered hereby, to declare himself more fully and directly. 1. whom he has in mind, to whom or by whom it might be that something included in this his secret report might not fully satisfy a pleasing reflection thereupon, and of which nevertheless honor, duty, and the respect of his public character require that he at least say something regarding inflicted insult, slight, and mistaken suspicions conceived against him, as well as why this something would not fully satisfy a pleasing reflection thereupon for the person he intends here. 2. wherein consist the insult, slight, and mistaken suspicions conceived against him. 4 5136. On what appears here, that Mr. Sluijsken, if he wished to be malicious, could certainly have said not only more, but even much more, which could bring no small unpleasantness upon the Chief Administrator van Angelbeek, it has been noted by the said Honorable van Angelbeek that he already in his letter of 19 April written from Mature to Gale most emphatically requested that a careful investigation be made into his conduct during his administration there, and to investigate the complaints that might come in against him with all accuracy, conscientiously, and most strictly; and that, since Mr. Sluijsken says that he could have said not only more but much more if he wished to be malicious, which could have brought him no small unpleasantness, he now further requests that Mr. Sluijsken may be written to, in order to state clearly, without any further reserve, wherein consists that which His Honor believes to hold against him, not only more, but even much more, without letting himself be deterred therefrom by any 513138 considerations of whatever name. Whereupon, having deliberated, it has been approved and understood to grant this request of the Honorable van Angelbeek, and that consequently Mr. Sluijsken shall be ordered, as he is ordered hereby, in accordance with the aforesaid request of the Honorable van Angelbeek, clearly and without any further reserve, to submit to this Government everything that His Honor believes to hold against him, van Angelbeek. And it has further been understood to postpone, until such time as this shall have occurred, the disposition on the request appearing here from Mr. Sluijsken, namely to have him obtain, through the said Honorable van Angelbeek in a public manner in the Company's papers, such reparative honor as will be necessary in such a case before the public, before whom he considers himself to have been diminished. 5138 To the Right Honorable Sir, Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councilor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon with its dependencies. Right Honorable, High-Commanding Sir, The prudence that teaches us to steer our actions according to sound reflection obliges me to offer Your Right Honorable a separate and secret report of my observations and proceedings during the recent disturbances and the gatherings that took place among the greater part of the inhabitants in all the districts of the Maturese Dessavony, to proceed in this report, for it could easily happen that something had been included in this secret report that would not fully satisfy a pleasing reflection thereupon; honor, duty, and the respect of my public character require of me that I at least say something regarding my sensitivity, regarding inflicted insult, slight, and mistaken suspicions conceived against me; if I wished to be malicious, I could certainly have said not only more, but even much, which could bring no small unpleasantness upon Mr. van Angelbeek, but I rest herein only with that confidence that Your Right Honorable will cause me to obtain through the said Mr. van Angelbeek in a public manner in the Company's papers such reparative honor as will be necessary in such a case before the public, before whom I am diminished. I count strongly on Your Right Honorable's benevolence in this matter, and this will oblige me, beyond duty, to continue to work untiringly, and especially as: Right Honorable Sir, Your Right Honorable's very obedient and bounden servant, Signed: S. Sluijsken. In the margin: Gale, 5 August 1790.
Dutch transcription
is, weet toetepassen, het geen hier ter zijde is vermeld, is goedgevonden en verstaen dat de heer Cassie, in dit Raport te werk te sluijsken zal worden gelast zoo als hij ge„ last word door deeken, om zig naderhuide gaan, dan het zoude ligtelijk komen lijk en regtstreeks te verklaeren. 1. wie hij in 't oog heeft aen wien of de welke gebeuren, dat er iets by det geheem het welkonde zijn, dat iets bij dit zijn geheim Rapport ingenoomen 1 Junst niet Raport was ingenoomen dat Juist volkoomen aen eene genoeglijke bedenking daer over zoude nortig voldoen, en waer van niet volkoomen aan een genoeglij„ egter eer, pligt en 't aenzien van zijn publiek Caracter vorderd, dat hij ten minsten iets zegd, weegens aengedaene hoon, en ke bedenking daar over zoude klijn agting en teegens hem verkeerde opgevatte misstrouwens, als meede voldoen; eer pligt en het aanzien waerom dit iets bij de geene, die hij hier bedoeld, Juit niet volkoomen aen eene genoeglijke bedenking van mijn Publiek Character vor„ daer over zoude voldoen. 2. waerin bestaen de hem aengedaene „derd van mij dat ek ten minsten hoon, klijn agting en teegens hem iets zegge weegens mijne gevoe„ verkeerd opgevatte mistrou„ ligheid, weegens aangedaane hoon„ klynagting en teegens my ver„ keerde opgevalle mistrouwens; Jk zoude boosaardig willende zijn; zeekerlijk niet alleen meer maar zelvs veel hebbe koo„ men zeggen: het geene niet wer„ op 't geene hier voorkomt nig onaangenaamheeden aan den Heer dat de heer sluijsken, van Angelbeek zoude kunnen zoo hij boolaerdig zoude toebrengen, dan ik beruste hier willen zijn, zeekerlijk niet alleen meer, maer alleen in met dat vertrouwe zelfs veel meer zoude dat Hoogst Dezelve mij door hebben kunnen zeggen, het gemelte Heer van Angelbeek op geen niet weinig onaenge eene Publike wyze by sCompanies papieren zoodanig eene repareerende naemheeden eer wens. 4 5136. eer zult doen erlangen als en zulk d naemheeden aen den hoofd von. Angelberk een geval voor het Publiek waar„ administrateur „ zoude kunnen toebrengen, is door voor ik verkleerd ben zal noodeegt gemelde E: van Angel „ weezen beek aengemerkt, dat hij op uwel Edele Groot Achtb reeds bij zijn brief den 19=e welmeenendheid in deeze reekene April van Mature na Gale geschreeven, op 't na „ ik sterk en dit zal my nog buijten drukkelijkst heeft ver„beden, pligt en het besonder ver„ zogt, om een nauw „ pligten onvermoeid voort te werken keurig onderzoek te en wel besonders als /:onderstond:/ doen na zijn gedrag, wel Edele Groot Achtbaare Heer geduurende zijn bestier uwel Edele Groot Achtbaare aldaer, en om de klagten zeer gehoorzame en Trouwschuldigen die teegens hem mog= Dienaar /:getekend.:/ S: ten inkoomen, met alle nauwkeurigheid gemoe „ sluijsken. /:in margine / Gaele den delijk en op 't scherpst 5. aug„s 1790 te onderzoeken en dat wijl de heer Sluijsken zegt, dat hij niet alleen meer maer veel meer zoude hebben kunnen zeg„ gen, zoo hij boovaerdig zoude willen zijn, 't geen hem niet weinig onaen„ genaemheeden „genaemheeden zouden hebben kunnen toe brengen hij als da„ nu nader verzoekt, dat den heer Sluijs„ ken mag worden aengeschreeven, om zonder eenige verdere reserve, duidelijk op tegeeven waer in bestaat 't geen zijn Ed: niet al„ leen meer, maer zelfs veel meer ten zijnen laste ver„ meend te hebben zonder zig daer van te laeten we„ derhouden door eenige 513138 eenige konsideratien hoe genaemt. waer op gedelibereerd zijnde is goedgevonden en verstaen in dit verzoek van den E: van Angelbeek te bewilligen, en dat mits dien den heer Sluijsken zal worden gelast, zoo als hij gelast word door deezen, om over een„ komstig 't voorsz: verzoek van den E: van Angelbeek, duide„ lijk en zonder eenige verdere ae„ Serve, aen deeze Regeering opte al 't geen geeven zijn zijn E: ten laste van hem van Angelbeek meend te hebben. En is wijders verstaen om tot zoo lange dat dit zal zijn ge„ schied uittestellen, de dispositie op 't hier voorkoomend verzoek van den heer Sluijskan om hem namentlijk door gem: E: van An= gelbeek op een publie„ ke wijze bij kom„ pences papieren zodaenig eene repa reerende eere te doen erlangen als in zulk een geval voor het pu„ bliek, waer voor hij zig agt verklijnd te weezen, zal nodig weezen Aan 5138 Aan den Wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Mmaaff, Raad ordinair van Nederlands Jndia gouverneur en Direkteur van het Eijland Ceilon met dies onderhorigheeden. Wel Edele Groot Achtb. Hoog Gebiedende Heer De voorsigtigheid, die ons leerd onse handelingen na eene gezonde wes„ weeging te bestieren, verpligt mij uwel Edele Groot Achtb: een afson„ derlijk en geheim berigt aante„ beeden van mijne opmerkingen en verrigtingen geduurende de laeste onlusten en de tesaamen„ rottingen die onder het grootste gedeelte der Jngeseetenen in alle de landschappen der Matureese Deffavonie
English
The Honorable van Angelbeek declared to have undertaken this journey in accordance with what had been written to him from Galle, by virtue of the Colombo letter mentioned here at the side of 22 December 1789, stating that we had already made known to Mr Sluijsken, not only by a letter of 14 April that we were about to depart thither, but that Mr Sluijsken had also been informed through his earlier letters of his intention to now begin this undertaking ordered of him; that by a letter of 15 February we requested of Mr Sluysken 100 lb of steel for the service of the Magampattoe, and that the Matara stonecutters, if they could be spared, might be sent promptly, as we were in the highest need of the same for constructing the sluice in the dam of Badegerie; and by a letter of 16 March further requested that with the returning paddy 800 lb of flat iron bars might be sent to him for the service of the Magampattoe; which indications we declared to make here in proof that Mr Sluysken had already been informed early on of his aforesaid intention. How Mr Sluysken had come to suspect that the Disava van Angelbeek intended to establish a colony at Baddegidie, we declare not to understand, unless it were merely not to deny this to those who might wish to go thither voluntarily, or to send thither a number of malefactors sentenced to this or that punishment to serve out their banishment there, or even highly suspicious vagrants who can show no honest means of livelihood, in order to cleanse the country thereof; it having otherwise only been his intention, through some people from the Matara Disavony who were offered voluntarily for this by the chiefs, to have the aforesaid dam constructed, and to cause a tract of land that could be laid out into seed fields to be cleared. The Provisional Chief Administrator van Angelbeek requested that, to elucidate what is mentioned here alongside among the enclosures to this resolution, copies of two of his letters written separately to Commander Sluijsken on 18 April, with the enclosures mentioned therein, be sent to Their High Mightinesses, in the first of which it is clearly stated: what the actual reasons are why these people have gathered in mutiny cannot be said with the least certainty. As far as I am informed, they are especially the plantations, the bridges, and the bazaar leases; besides these they have 12 other requests which, however, I do not yet know of; upon which it was decided to record this note and to consent to this request. The Disava Mr van Angelbeek informed me in the latter half, or rather on the 18th of the past month of April, that His Honour had departed from Matara with the intention, surely in accordance with the qualification obtained from the Esteemed Government in Colombo by official letter of 22 December 1789, of establishing a colony in the area of the lake of Baddiginie in the district of Magampattoe; which, to all appearances, could have brought very much advantage to the Company, given the very many and extensive wasteland areas that are found there, and which His Honour intended to make suitable for grain lands; and for the establishment of which the foremost native chiefs of the Disavony had offered to assemble the necessary people and, having provided the essentials, yet unforced and voluntarily, to bring them to Baddegirie. Mr van Angelbeek wrote to me further that His Honour, having advanced on his journey as far as Dikwille, had been obliged to return from there back to Matara, as all the inhabitants of the Disavony had opposed this journey and appeared to have stirred up an insurrection that seemed to become general, and against which it was time to put the necessary violent or gentle measures into effect. These reports caused me reflection and concern, and I considered the state of affairs and what the actual cause and driving force of these disturbances could be. Mr van Angelbeek had assured me that the discontented were not displeased with His Honour, but on the contrary bore him all respect; His Honour also believed that the inhabitants had in fairness no reason to complain, as they had not been forced into the journey to Baddegisie, but this had been left to their free choice upon the invitation regarding it. Finding directly no reason for discontent among the inhabitants, I considered further the origin of these matters. I recalled that rarely or never have any gatherings in mutiny taken place among the Sinhalese, subjects of the Company in Ceylon, without the foremost chiefs having had a hand in it, although they have always known how to keep their influence hidden and to save themselves from all evil consequences. All old papers and writings prove this, and I also know by experience that it is practically impossible for anything to occur in the country that deserves any notice of which the chiefs are not already informed or immediately informed; and therefore
Dutch transcription
D E: van angelbeek betuijgd deese De Heer Dessave van Angelbeek togt te hebben ondernoomen, ingevolge berigtede mij in de laeste helft het hem aangeschreevene van gale, uijt kragte van de hier ter zeijde of liever den 18 van de verweekene vermelde kolombose brief van den maand apriel, dat zyn E. van Ma 22. xber 1789, dat wij den Heer sluijsken reeds bij een brief van „ tuxe vertrokken was, met voor den 14. april niet alleen heeft „neemen om, ingevolge zeekerlijk bekend gemaakt dat Wij stond na derwaards te vertrekken, maer van de Erlangde kwalificatie dat ook de Heer sluijsken door zyne der g'eerde regeering te kolombo„ vroegere brieven is geinformeerd geweest van zijne voorneemen, om bij officieele brief van den 22=e deese hem aan bevoolene ondernee„ #t „ming nu te beginnen, dat wij bij brief xber: 1789 in den omstreek van van den 15 febr: den Heersluijken heeft het lak van Baddiginie in het versogt, om 100. lb staal ten dienste van de magampattoe, en dat de Materesche landschap Magampattoe, eene steen kappers, zoo te konden gewist worden, mogte worden tedlig gesonden, volk - Planting aanteleggen; die, alsoo wij deselve tot het aanleggen van de sluijs, in den dam van Badegerie allen aanschein na zeer veel ten hoogsten noodig hadde, en bi brief voordeel aan de Comp: zoude van den 16. Maart nog nader heeft versogt, dat aan hem met de terugkeen hebben kunnen aanbrengen, =vende padie, 800. lb ijser platte staaven mogte worden gesonden, ten aangesien de zeer veele en uijt dienste van de Magampattoe, welke gestrekte woeste landen die zig aanwijsing wij betuigde hier te doen, ten blyjke dat de heer sluytken aldaar bevinden, en die zijn E: reeds vroegtijdig van voorsz: zyn vooree„ „men is geinformeert geweest tooe de Heersluijshen in 't vermoeden is ge„ Dessavonie plaats gehad hebben „koomen tot 5139. koomen, dat de dessave van Angelbek Roogmerke tot koorenlanden dagt bequaam zoude gehad hebben, om een volkplanting te Badde gedie aanteleggen, betuigd wij niet tebegrijpen te maaken; en tot welkers aan„ ten zi 't alleen. mogte sien om aan zulke, die zig vrijwillig na derwaards mogten willen „ legging de eerste inlandsche begeeven, dat niet te ontzeggen, off om na der„ Hoofden van de Dessavonie zig waerds tesenden een party kwaaddoenders verweesen tot dese of geene straffen om daer pun„ hadden de noodige aangebooden bannissement uit te deenen of ook zelfs hoogst. verdagte zwervers die geen eerlik middel van volkeren te zullen vergaderen en, bestaan kunnen aanwijsen, ten einde 't land daar van te zuiveren zijnde het voor 't' overeige van het nodige voorsien, egter alleen zijn oogmerk geweest om door eenig volk uit de materesse des savonie dat door de ongedwongen en vrijwillig, te hoofden daar toe vrijwillig was, aangeboden, de voorsz: dam te laaten binden, en een partij Baddegirie te brengen geonden, die tot zaaivelden konde worden aangelegd, te doen zuiveren. D E provisioneel Hoofdadministra De Heer van Angelbeek schreef teur van Angelbeek heeft versogt, mij voorts dat zijn E in desselfs dat tot opheldering van het hier nevens vermelde onder de bijlagen reijse tot Dikwille gevorderd zijn van deese resolutie aan Hunnen de verplegt geweest was van daar Hoog Edelheden mogen worden weeder na Mature terug te gesonden, de afschriften van twee ziner brieven, aan den keeren wijl alle de Ingeseetenen Heer kommandeur sluijsken van de Dessavonce zig teegen afzonderlijk geschreeven den deese togt hadden aangekant 18: April, met de bijlaagen en eene opstand scheenen verwekt daar bij vermeld, wordende te hebben die algemeen tegen te bij den eerstgeschreevenen duijdelijk gesegt: wat eigentlijk worden, en waarteegen het teid Was 6 de de reedenen zijn waar om dese was de nodige, geweldige, of merschen tesaamen gerot zijn, zagte middelen, in het werk te is met geene de minste zeeker„ stellen „heijd te zeggen. zoo verre ik onderrigt ben, zijn 't inson „ Deese narigten, baarden mij na„ „derheid de aanplantingen „denken en bekommernis, en ik „de bruggen en bazaar perpagt: overwoog de gesteldheid van zaaken „behalven deese hebben zi nog en wat eigentlijk de oorsaak en „ 12. versoeken die ik egter „tot nog toe niet weeste; waar de drijfveer van deese onlosten van verstaan is, deese aan„ konde zijn. teekening te houden, en in De Heer van Angelbeek had mij dit versoek te bewillig en verseekerd dat de misnoeg den niet over zijn E: onvergenoegd waren, maar hem in teegendeel alle agting toedroegen; zijn E vermeende ook dat de Jngeseetenen met billikheid geen reeden van klaagen hadden; wijl zij tot de togt na Baddegisie niet gedwongen waren, maar dit aan hun vreije verkiesing, op de uijtnoodiging des weegens overgelaten was. geen reeden van misnoegen bij de ingeseetenen onmiddelijk vindende, dogt 51/40. dagt ik verder den oorsprong deeser zaaken na Jk herinnerde mij, dat zelden of noord eenige tezaamen rottingen onder de sin„ galeesen, 'sComp„s onderdaanen op Ceilon plaats gevonden hebben of doorgaans hebben de eerste Hoof„ „den daar in meede gewerkt; of schoon zij ook altoos middel geweeten hebben kunnen invloed bedekt te houden; en zig uit alle kwaade gevolgen te redden: Dit bewijsen alle oude papieren en geschrikten ook weet ik by onder „vinding dat 't genoegsaam onmoo„ gelijk is dat in het land iets kan voorvallen, wat maar eenige aan merking verdeend, waar van de Hoofden niet reeds onder rigt zyn def ten eersten onderrigt worden; en daarom
English
Therefore, I soon came to the thought that the Headmen must have taken part in this conspiracy, and had promoted it through their influence and power. Now investigating the reason for such conduct by the Headmen, and taking into consideration that the Disava Mr. van Angelbeek was very taken with all these Headmen, and it seemed that they also loved and highly esteemed his Honour; I thus supposed that the Court of Kandy, just as in earlier years, might possibly have stirred up this uprising, in order to revive on such an occasion its ancient claims to the lands of Ceylon, and if possible, to gain control. §: 7. If the members of the Military Commission sent from Europe by Their High Mightinesses had not happened to be present here at Galle and busy taking stock of the state of the Company's affairs, as far as military matters are concerned, whereby my presence here locally was necessary; I would possibly have departed immediately for Matara, in order to investigate in person the reasons for the uprising of the people, and to obtain and put into effect the necessary measures in that regard. Being restrained from this, I offered Mr. van Angelbeek two members from the Council of the Galle government for his support; and these members were appointed on my proposal in the meeting of this government on 19 April last, being the overseer of the Galle Korale the Honorable van Schuler and the overseer of the areca nut and storekeeper Mr. Devos; and because Mr. van Angelbeek did not, within the appointed time, decline the sending of this commission, it departed on the morning of the 20th. These Commissioners could hardly have reached Weligama, or Mr. van Angelbeek wrote that he declined this Commission, and on the contrary, together with all his Headmen, insisted that a Commission from Colombo of the Ceylon government might be requested. The provisional Chief Administrator, the Honorable van Angelbeek, says that no deadline was set for him within which he had to reply to the offer made to him of two members from the Galle Council for his support; that the Commander literally wrote to him: "I think that your Honour, accompanied by a couple of members of the Landraad, should go in person to the mutineers to hear from them the reasons for their conduct, and then satisfy them in an equitable and most feasible manner. I found such conduct to have a very good result when the Chalias revolted in the year 1776, whom I brought to terms solely by presenting myself in person to them in the country and listening to them. However, if your Honour does not consider this measure advisable, or rather necessary that I send a detachment from here, or else, according to the custom of earlier days, a couple of members of the Galle Council to calm the mutineers and listen to them, then write as soon as possible and I will come to your Honour's aid in the best manner." That he answered the Galle letter of 18 April, by which this offer was made to him, on the 19th following, being the very same day he received it, as also appears from the received copy of letters that have been verified on this matter; whereof it is understood to keep this record. It has already been noted above that the Chief Administrator, the Honorable van Angelbeek, dispatched his letter on 19 April. The Galle commission was already appointed on the 19th in the afternoon, and thus before an answer could have arrived from Matara, and departed the next day, the 20th. What appears here in the margin—that the commission could hardly have reached Weligama, or van Angelbeek wrote that he declined it—thus seems not to refer to the writing of the letter, but to the time it was received in Galle. The Chief Administrator van Angelbeek also says that the members of the Council who were charged with the commission told him that this letter of his passed them when they were not yet far from Galle. Furthermore, the provisional Chief Administrator van Angelbeek noted that from the aforesaid not
Dutch transcription
daarom kwam ik ook wel spoedig op de gedagten dat de Hoofden aan deese zaamenrotting deel moesten hebben, en door haaren invloed en vermoogen beweakt hadden De reeden nu van een diergelijk bestaan der Hoofden naspeurende, en in overweeging neemende, dat de Heer dessave van Angelbeek met alle deese Hoofden zeer ingenoomen was, en 't scheen dat zij zijn E. ook beminden en hoog agten; zoo veronderstelde ik dat moogelijk het Hof van Candia gelijk wel in vroegere jaaren, deesen opsland zoude hebben kunnen verwekken; om bij een diergelijke geleegend„ heijd desselfs al oude eijschen op de staanden van Ceilon weeder leevendig temaaken, en waere het mingelijk en beheersching tekuijgen. 5 5 1½1 §: 7. De provisioneel Hoofdadministrateur waarende, door Haar Hoogmoogende D' E: van Angelbeek, zegt dat hem geen uijt Europa gesondene, weeren van termijn is bepaald, om te moeten andwoor„ de Militaire Commissie niet juijtt „den op de aanbieding hem gedaan, van twee Leeden uit den gaalschen Raad tot zijne hier tegale aanweesig en beesig ondersteuning, dat de Heer komman„ geweest den staat van 'sComp„s „deur hem sletterlijk heeft aangeschreeven/: Jk denke dat uw E: verzeld van een zaaken, zoo verre het kreegs paar Land Raads Leeden zig in per„ weesen aangaat, op teneemen. „zoon bij de Muitelingen moets begeeven om van wien de reeden, wan win gedrag te waar bij mijne teegenwoordigheid verneemen en stan op eene billijke en best doenlijke wijze te bevreedigen. Een hier ter plaatse noodsaekelijk diergelijk gedaag heb ik van een zeer was; zoude ik mogelijk onmid„ delijk na Mature vertrokken goed gevolg bevonden wanneer de sjali„ „assen in A:o 1776. revolteerden die ik zijn, om in persoon de reeden alleen door mij aan wien in het Land in eige perzoon te presenteeren en hun van den opstand des volks te ondersoeken, en dien aangaande aantehooren weder te regt bragte. vind uw E: egter dit middel niet geraaden de nodige middelen te bekomen of wel noodig dat ik van hier een kom„ „mando zende, dae wel anders, naern werkstellig te maken Hier gewoonte van vroegere daagen een van weederhouden bood ik den paar leeden van den Gaalschen Raad, Heer van Angelbeek twee lieden om de Muitelingen te stillen en hun uijt den Raad der gaalse regering aantehooren, dan schrijft ten tot zijne ondersteuning aan; spoedigsten en ik zal uw E: op de beste wijze te hulpe koomen Dat en en deese lieden wierden op mijn Dat hij den Gaalsen brief van voorstel in de vergadering van dese den 18. April waar bij hem regeering op den 19 April J:o leeden deeze aanbieding is gedaan, benoemd. zijnde de opsiender der een welke wij den 19. daar aan ^ nog dienselijden dag heeft. galekorle dE van Schuler en de ontvangen heeft ^ beantwoord, zoo als dat ook uit de opsiender bij den arreek en win„ ontfangene kopij brieven die kelier os: Devos; en wyl de Heer van hierop zijn nagezien komt te Angelbeek niet, binnen de be„ blijken, waarvan verstaan haalde tijd, voor 't zenden deeser is deeze aanteekening te commissie bedankte, zoo vertrok houden. deselve ook den 20 des morgens. Hier boven is reeds aangemerkt, dat Deese Commissarissen konden de Hoofdadministrateur dE: van Angelbrek nauwlijks Belligam bereijkt zyn brief op den 19 april heeft afgesonden. De gaalse kommissie reeds den 19 in de voorden hebben of den Heer van Angelbeek middag en dus voor dat er nog antwoord van Mature zijn konde, benoemd, is sdaags schreef dat hij voor deese Com„ daar aan den 20. vertrokken Het geen hier ter zij den voorkomt; dat de kommissie nauwelik „ missie bedankte en daar en Bellegam konde hebben berijkt, of de van Angelbeek schreef dat wy daar voor bedank„ teegen met alle zijne Hoofden „te, schijnt dus niet temoeten worden verstaan van 't schrijven van den brief maar van aanhield dat eene Commissie den tijd dat te op gale ontvangen is. ook van kolombo van de Ceelonse zegt. de Hoofdadministrateur van Angelbeek dat de leeden van den Raad, die met de kom„ regeering mogte versogt worden, „missie zijn bekleed geweest, hem hebben verhaalt, dat dese zijn brief hin is gepas„ „seert pen ze nog niet verre van gale waaren. Nog heeft de p„l Hoofdadministrateur van Angelbeek aangemerkt, dat het uijt voorsz niet 8
English
5142. aforementioned his letter of 19 April, in which he requested on behalf of himself and his chiefs that a commission might be sent by the Ceylon government, it clearly appears that it was his intention that this commission should not only be tasked with conducting a strict inquiry into his conduct, into that of his chiefs, and into those who might be the primary cause of this mutiny, but also with recording and investigating the complaints that the inhabitants might consider having, whereof it has been agreed to keep this record. not so much to conduct an inventory of complaints of the discontented inhabitants, as indeed in particular to conduct a strict inquiry into these complaints, into the conduct of him the Honorable Dessave and his Chiefs, and into those who might be the primary cause of this Mutiny. The provisional Principal Administrator van Angelbeek declares to have already stated these reasons in his aforementioned letter of 19 April, wherein it literally states: "Above, Lord, I have already had the honor to request from your Right Honorable, in my name and that of the chiefs, a commission from Colombo, which request I hereby further repeat, and thus thank your Right Honorable very much for the Commission already appointed there, all the more so if merely an inventory of the complaints of the mutineers is to take place; for which the second warehouse master the Honorable de Moor and the commander Thijer would suffice here, who are known to the inhabitants here and, as far as I am aware, are also respected and esteemed; however, it is not solely an inventory of the complaints that I and my Chiefs request, but rather in particular a strict inquiry into these complaints, and into our conduct, as well as into those who are the primary cause of this mutiny," adding that from the above-cited letter of Mr. Sluysken of 18 April he could see nothing other than that it was thereby left to his option Mr. van Angelbeek will have to explain why His Honor declined a Commission from the Galle Council and instead requested another one from Colombo. whether we considered this commission necessary or not, and that he therefore cannot see that by declining the Commission they would have in any respect offended the Mr. Commander. The prestige and the honor of the Galle Government demand this explanation, and a fair redress. Furthermore, the said Honorable van Angelbeek declared that his request that a commission from the Ceylon Government might be solicited was made with no other purpose than because he thought in good conscience that such a commission would be of great utility in these circumstances, whereof it has been agreed to keep this record, and to ask Mr. Sluysken for further information as to what, in His Honor's view, the offense actually consists of, for which His Honor requests a fair redress here in the margin. By letter of 20 April Mr. Sluysken was written to from here that this government approved that His Honor should not send a commission to Mature, unless the Dessave requested it; but even apart from this writing, the Galle commission could well have waited until an answer was received to the request presented by the Galle servants in their letter of 21 April, made by the Dessave and his chiefs, that a commission from Colombo might be sent. Meanwhile, the Commissioners, the Honorables van Schuler and Devos, had departed, and it would certainly not have been advisable to have them turn back immediately before the eyes of the discontented, as this manner of acting could easily have made a wrong impression on these people, who were informed that these Commissioners were coming to take down their 5143. complaints. If the said Commissioners had not already been on their way, then I probably would not have let them depart without first awaiting your Right Honorable's answer to the request of Mr. van Angelbeek to have a Commission from Colombo. Upon the request of the provisional Principal Administrator van Angelbeek, it was agreed that further explanation shall be requested from Mr. Sluysken as to what actually constitutes the disrespect that the Dessave is said to have shown toward the Galle commission, and how it follows from this how reluctantly His Honor saw this commission appear. When the Honorables van Schuler and Devos arrived in Mature, they were received with contempt by Mr. van Angelbeek, which gives no small proof of the little esteem that he bore toward the Galle Government and its supreme authority represented by this Commission; and how reluctantly His Honor saw this Commission appear. Your Right Honorable saw fit to grant the request of Mr. van Angelbeek to appoint a Commission from Colombo and to order that the Honorables van Schuler and Devos should suspend their Commission and return to Galle. Meanwhile, they were already with the assembled people. The Galle Council understood that it could very likely have bad consequences if these Commissioners were just recalled at the request of 5144. the Honorable van Angelbeek and his Chiefs, and therefore left it to the consideration of the Honorables van Schuler and Devos to withdraw if the state of affairs did not make contrary conduct necessary. This was interpreted to the Galle Council by the Government at Colombo in a letter of 25 April as a far-reaching disobedience. However, your Right Honorable shortly thereafter understood the good intention with which this had been done, and we found ourselves honored with a letter of 26 April wherein
Dutch transcription
5142. voorssz: zyn brief van den 19 April, waar niet zo zeer om eene opneming bij wij uit naam van hem en zijne hoofden te doen van klagten der mis noeg versogt heeft, dat er een kommissie door de Ceilonde regeering mogte werden gesonden, duidelijk blykt dat het zyne intantie geweest de ingeseetenen, als wel om inton„ is, dat dese kommissie niet alleen mogte worden belast; om een scherp ondersoek te derheid een scherp ondersoek doen na zijn gedrag, nadat van zyne Hoofden, en na hun die de eerste oorsaek van dese muiterij mogte zijn, maar ook tedoen, na deese klagten na om een opneeming en ondersoek te doen van de klagten, die de ingesetenen mogte ver„ het gedaag van hem E Dessave meenen te hebben, waar van verstaan en zijne Hoofden, en na Hun is dese aanteekening te houden. die de eerste oorsaak van deese Muijterij mogten zijn De p„l Hoofdadministrateur van Angelbeek De Heer van Angelbeek zal verklaard, deese reeden reeds te hebben opgegeeven bij voorsz zijn brief van den 19 April wear bij zig dienen te verklaaren met soo veel woorden staat: Heer boven heb ik reeds de eere gehad uwE Achtb. uit mijn naam waarom zijn E voor een en die van de hoofden om eene kommissie van kolombo te versoeken, welk versoek ik bij deese nader herhaale en bedanke uwE: Achtb dus heel zeer voor de reeds benoemde Commissie aldaar, te meer, zoo enkeld eene opneeming der klagten van de muitelingen moet geschieden. hier Raad bedankte en daar toe de twede pakhuijsen den E. de Moor met den kommandant thijer voldoende zijn, welke bij de alhier bij de ingeseetenen bekend en voor zoo verre en teegen eene andere van ik bewust be, ook gesien en geagt zijn deses egter niet alleenig eene opneeming der klagten die ik en Colombo versogt heeft mijne Hoofden versoeke, maar wel insonderheid een scherp ondersoek van deese klagten, en na onser gedrag als ook na hun die de eerste oorsaek van deese daer muijterij zijn met bijvoeging dat hyj uijt den hier boven aangehaalden brief wan den Heer sluijken van den 18 April niet anders heeft kunnen zien, dan dat het daar bij in zijn Commissie uijt den Gaalen optie Het 2 beleedigd optie gestelt is, of wy dese kommissie nodig of niet het aansien en de eede van de nodeg agtede, en dat hy mids dien niet sien kan dat zy door 't bedanken voor de Commissie, den gaalse Regeering vorderd Heer kommandeur in eenig opsigt zoude hebben Nog heeft gem. E. van Angelbeek verklaard, dat zijn deese verklaaring, en eene versoek, dat er een kommissie van de Ceelonse Ree„ geering mogte worden versogt, met geen ander billijke herstelling oogmerk is geschied, dan om dat zogj in ge„ „moede dagte, dat zulk een kommissie in dese geleegentheid van veel nut zoude zijn, waer van verstaan is dese aanteekening te houden, en van den Heer sluijsken nader beregt tevragen waar in ze na zijn Ed=s insien eigentlijk bestaat de beleede =ging, waar van zyn Ed: hier ter syde eene bil„ „lijke herstelling versoekt. Jntusschen waaren de Coom„ vry brief van den 20. April was den Heer sluijsken van hier aange„„ missarissen d. E. van schulea schreeven, dat dese regeering goed„ en Devos vertrokken, en het keurde dat zijn Ed: geene kom„ missie na Mature zond, ten zy zoude zeeker niet raadsaam den Dessave daarom versogte, dog geweest zyn deselve voor 't oog ook zelfs buijten dit aanscheij „ven, hadde de gaelse kommissie der misnoeg den onmiddelijk wel zo lang kunnen vertoeven, tot terug te laaten keeren, wijl dat er op het door de gaalse be diendens bij brief van den 21 April deese handel wyse ligtelijk voorgedragen, versoek, door de Des tare en zijne hoofden gedaan eenen verkeerden indauk had dat er een kommissie van kolombo mogte worden gesonden, antwoord kunnen maaken bij deese lieden die onderrigt waaren dat deese Commissarissen kwaamen om ontvangen was. 10 hunne 5143. hunne klagten op teneemen. waaren gedagte Commissariessen niet reeds op weg geweest, dan zoude ik te waarscheinlijk niet hebben laaten vertrekken, zonder zonder voor af uwel Edele Gestr: groot Achtb: antwoord op het versoek van den Heer van Angelbeek om een Commissie van Colombo te mogen hebben, in tewagten F. 11. op het versoek van den p„l hoofdaden: D E:s van Schuler en Devos te van Angelbeek js verstaan dat van den heer sluijken nader explikatie zal wer„ mature koomende zijn den gevraagd, waar in eigenllijk, be„ deselve met minagting door „staat de minagting, die de Dessave aan de gaalse kommissie zoude hebben betoond, en hoe daar uijt volgt, hoe de Heer van Angelbeek ongaarne zijn Ed: deese kommissie ontvangen, het welk geen zag opdaagen. gering bewijs geeft van de weinige agting die denselven aan de gaalse Regeering zijn zijn E. oppergezag dat door deese Commissie gerepresenteerd wierd, toedroeg; en hoe ongaerne zijn E. deese Commissie zag opdaagen. „gestr uwel Edele Groot Achtbaare vond goed het versoek van den Heer van Angelbeek toetestaan een Commissie op Colombo te„ benoemen en te gelasten dat d E„s van schuler en de vos hunne Commissie moeste staaken en na gale terug keeren Jntusschen bevonden zig deese reeds bij de t' zaamen gerotte volkeren. De gaalse Raad begreep dat het veel tigt kwade gevolgen konde hebben indien deese Commissa„ „kissen zoo maar /op versoek van den „ 5144. den E: van Angelbeek en zyne Hoofden:/ tekug geroepen wierden, en gaf daarom aan d E. s van schuler en De vos in overweeging om zig terug te trekken, indien de gesteldheid van zaaken niet een teegenstrijdig gedrag nood„ zaakelijk maakte. Dit wierd den gaalsen Raad door de Regeering te Colombo bij brief van den 25. April 1Z. als eene verregaande ongehoorsaam„ „heijd uijtgeduijd Egter begueep uwel Edele gestrenge Groot Achtb: kort daar op de goede intertie, waarmeede dit geschieed was, en wij vonden ons vereerd met een brief van den 26 April waar
English
This brief description that the whereby our actions were approved. as it could be done with propriety, the Honourable Messrs. van Schuler and De Vos withdrew, pursuant to your Right Honourable and highly Esteemed repeated orders, back to Galle. Over which the Council here appeared not a little displeased. Paragraph 12. Some time thereafter, there arrived from Commissioners the Honourable Faets and Samlant Colombo the Disava, Mr. Fretsz, departed for Matara to bring the dissatisfied and the Trade Bookkeeper Samlant, inhabitants to a standstill and to restore peace once again in that disavony, containing in a full as Commissioners of the Ceylon manner the commission with which they Government here at Galle, and have been charged by this government. immediately continued their journey to Matara without any further disclosure of their Commission having been given to me or the Council, other than merely that they, as Commissioners 5145. Commissioners of the Ceylon Government, departed for Matara to bring the dissatisfied inhabitants to a standstill and to restore peace once again in the Disavony. Hereupon, at the request of the Right Honourable Principal Mr. How little report or information van Angelbeek, the common and secret copy letters received from Galle having been examined, it has appeared that besides the letters Mr. van Angelbeek has given to me as of 18 April mentioned above, the said Honourable van Angelbeek has written to Mr. Sluysken to inform him from time to time his superior up to now regarding concerning the state of affairs on 19, 20, 21, 25, 26 and 29, 30 April, 6, 9, the condition in the Disavony, yet I remained, 10, 12, 15, 25 and two of 29 May, 9, 13, 14, 15, 18 June, of which it is resolved after the arrival of Messrs. Faets to keep this note. and Samlant, almost completely And it is further resolved, for the satisfaction of the Honourable Commander Sluysken, to note here outside of all information, however that no reasons are known to this government which could or ought to have prevented the Honourable Commissioners, much I had flattered myself Fretsz and Samlant, from proceeding communicatively with His Honour, and that this would undoubtedly also have occurred that these Commissioners would have if anything more had presented itself to their Honours which, according to their view, could have been of service. proceeded with me, as was always customary in earlier times, in a communicative manner. Paragraph 13. I not only experienced the The commission was appointed by this government upon the proposal of the Commander and Galle Council itself bitterness that, in the territories entrusted made thereto, and the disclosure which the aforesaid to me and placed under my authority by the commissioners of their commission gave to Mr. Sluysken, Supreme Government of these lands, a Commission by making known to His Honour that they departed for Matara to bring the dissatisfied inhabitants to was sent without my having had any a standstill and to restore peace in the disavony once again, also contained everything to which they were ordered. disclosure of their mandate, nor that any report was given to me of their proceedings; but moreover, I was even deprived of the opportunity to inform myself by special emissaries concerning the Paragraph 14. proceedings. I confess candidly that I would wish to be informed whether this occurred with separate intentions; and what these intentions might then have been. circumstances 5 5146 circumstances of affairs. Every Ruler or Government is obliged and bound and indisputably has the right to be informed of everything that transpires in its subordinate lands and places; unless such supreme authority is under suspicion, or complaints are made about the same by its subordinate inhabitants. Paragraph 15. Having prescribed this rule for myself immediately Commander Sluysken would, in the view of this assembly, after my promotion as Ruler likewise have done well, if the reports which the Honourable Disava of Matara made from time to time to His Honour over Galle and Matara, did not satisfy him, to ask the Disava himself for further clarification, rather than to employ for that purpose a man of such I provided myself with a character as is the Segoe mentioned here in the margin, who, as is said, is a slave boy, good men, by whom I whose master is an inhabitant at Matara, without giving any notice thereof to the Honourable Disava, could be given the necessary information, who consequently could not know with what intentions or for what purposes this man was found in his disavony. and of whom I chiefly made use during the rebellion in the Matara Disavony, and sent them out with the prior knowledge of the Council in order to obtain through them the obligatory knowledge of the state of affairs. One of these emissaries, a Moor and inhabitant of Galle named Seggo, was unexpectedly seized, kept under arrest for some time in Matara, and subsequently, bound and pinioned with a strong guard, transported past this fortress to be transferred to Colombo, without any information thereof having been given to me or the Council here, much less the necessary approval for this action.
Dutch transcription
Deese korte omschrijving dat de waar by onse handelingen ge„ „aprobeerd wierden. zoo daar het met schik geschieden kon, trokken d E„s van schuler en De vos Zig, ingevolge uwel Ed. gestaenge groot Achtb: verhaalde ordre, na gale terug. waar over den Raad alhier niet weinig onvergenoegd kheen. §. 12. Eenige daar na kwamen van kommissaris ven d E. faetten samlant Colombo de Heer Dessave Fretsz na Matiere vertrokken om de misnoeg de ingeseetenen tot stelstand te brengen en negotie boekhouder Camlans en de rust in die dessavonie weder te herstellen, bevat op eene volleedige alt Commissares sen der Ceilonse wijse de kommissie, waarmeede zij door dese regeering zijn belast. regeering hier tegele aan, en vervolgden ten eersten hunne reijse na Mature zonder dat aan mij of den Raad eeniege verdere opening van Haare Commissie gegeeven was, dan alleen dat tin E als Commissarissen 5145. Commissarissen van de Ceilonse regeering na mature vertrokken om de misnoegde ingezeetenen tot stiestand te breengen en de rust in de Dessavonie weeder te herstellen Hierop ten versoeke van den p:l Hoofdaden. Hoe weinig verslag of narigt de van Angelbeek nagesien zijnde, de ge„ meene en secreete kopij brieven van gale de Heer van Angelbeek mij als ontvangen is gebleeken, dat behalven de brieven zijnen gebieder ook tot nu toe van van den 18 April hier boven vermeld gem. E. van Angelbeek aan den H=r sluisken geschreeven heeft om hem van tijd tot tyd de gesteldheid in de Dessavonie nopens den toestand der zaake te onderregten den 19, 20„, 21, 25, 26. en 29„ 30 April, 6, 9, had gegeven, zoo bleef ik egter to, 12, 15, 25 en twee van den 29 May, 9, 13. 14„ 15 „ 18 Junij waar van verstaan is na de komst der Heeren faetsz dese aantekening te houden. en Samlant genoegsaam geheel En is voort verstaan tot voldoening van den H„e kommandeur sluijtken hier aante buijten alle onderregtingen, hoe tekenen, dat dese regeering geene reedenen bekend zijn die de E. kommissarissen, zeer ik my ook gevleed had tretszen samlanl zoude hebben kun nen ofbehooren te beletten, om met zijn dat deese Commissarissen met Ed. e komminikatief tewerk tegaan, en dat dit ook ongetwyffeld zoude zijn gekhied, mij, gelijk in vroegere teiden indien hun Ed„s iets meere vooregekoomen waar in dit naar hun inzien van dienst alteid gebruikelijk was, Com„ hadde kunnen zijn —. — „municatief zoude hebben te Werk § 13. Jk ondervond niet alleen 't De kommissie is door dese regeering benoemt op de voordragt van de Heer kommandeur en grals Raad zelve daer hartteer dat in de door de toe gedaan en de opening die voorsz. Hooge regeering deeser landen kommissarissen van hunne kommissie aan de Heer sluijken gegeven hebben, mij aan vertrouwde en onderge„ met aan zijn Ed: bekent temaaken schikte landschappen een Com„ dat ze, na Matere vertrokken om de misnoegde ingesetenen tot missie gezonden wierd, zonder stilstant te brengen en de arst in de dessavonie weder te herstellen beval dat ik eenige opening van haar en ook alles waar toe te waren gelast. last had, nog dat mij van haeren verrigting en eenig berigt wierd gegeeven; maar ik wierd ook daaren boven nog zelfs buiten de geleegentheid gesteld mij door bijzondere zendelingen na de § 14. werk gegaan. Jke bekenne opregt dat ik wel wenschte onder„ „rigt te zijn, of dit met afzonder„ lyke oogmaaken geschied is; en welke deese oogmerken als dan wel moogen geweest zijn omstandigheeden 5 5146 omstandigheeden van zaaken te moogen onderrigten. Elk Regent of Regeering is ver„ „pligt en gehouden en heeft onbetwist„ „baar het regt onderrigt te zijn van alles wat in dies onderge„ schikte landen en plaatzen voor„ „voet; ten zy dat een diergelyken oppergezag in verdenkingen legd„ of dat over het zelve, door dies ondergeschikte ingezeetenen geklaagd word ƒ 15. Deesen veegel mij onmiddelijk De Heer kommandeur sluijsken zoude na het insien deser vergadering na mijne bevordering als Gebieder alsoo wel gedaan hebben, ons indien over gale en Mature voorgeschreeven. de berigten die dE Dessave van Ma„ ture van tijd tot tijd aan zijn Ed: hebbende, voorzag ik mij van gedaan heeft hem niet voldeeden goede menschen, waar door ik van den dessave zelve nadere op„ heldering te vraagen, dan om daar van het noodige onderrigt toe te gebruiken een man van zulke konde worden, en waar van ik een Stempel, als is de hier ter zijde vermelde segoe, die naar mij geduurende den opstand gesegt in tworf. getegt word een slaave jongen is, in de Matureise Desssavonie we waar van de lijfheer is een inwoonder voornamentlijk bedienden en de te Mature, zonder daar van eenige zelve met voorkennis van den kennis tegeeven aan den E. Dessave die mids dien niet konde weeten met Raad uitgezonden hebbe om door welke oogmerken of tot wat eindens hun de verpligte kennis van deze Man in zijn dessavonie vond de gesteldheid van zaaken te verkrijgen. Een deeser uitgezonden een moor en inwoonder van gale in naame segge wierd op het onverwagts opgevat, eenige teid te Mature in arrest ge houden, en vervolgens met een goede wagt gebonden en gevleu„ „geld voor bij deeze vesting heen getransporteerd, om na Colombo overgebragt teworden, zonder dat mij nog den Raad alhier daar van eenige onderrigting gegeeven, nog minder de noo „dige goed keuring over deese handel
English
5147. manner of conduct was demanded, to which, however, the Honorable van Angelbeek was obligated, knowing his subordination to me and the Galle Government. 3. 16. This conduct of the Honorable Disava van Angelbeek has affected me very acutely, and over and above an equitable redress and satisfaction which I in my character as Commander still expect in this regard, I request Your Honorable Rigid Great Esteemed that a clear explanation of the manner of conduct with the said Moor Segoe may be granted to me, the more so because this man was kept under arrest at Colombo for forty days as a person whom one [...] with bad intentions had made use of. The Governor already notified Mr. Sluijsken that it took place upon his express order, in which Mr. Sluysken ought indeed to have acquiesced without asking further explanation thereof. That the former Disava of Matara gave no notice thereof to the Honorable Commander is certainly improper, and van Angelbeek, being questioned about this, declared this solely to have arisen through inadvertence at a time when he was overwhelmed with business, and that he has since apologized to the Honorable Commander on 20 May in the most proper manner by a letter written in that regard, and requested that the Honorable Commander would be pleased to accept this apology of his; whereupon it was agreed to keep note of this matter. And that the aforementioned Moor, by a declaration which was submitted here to the Secretariat, a copy of which was sent to the Honorable Commander by a separate letter of 29 June, has declared that he was sent only once, in the beginning of the unrest, or actually on 17 April, by the Honorable Commander to go to Matara and to see what truth there was to the report that some mutineers had banded together at Matara; that, since he could not cross over at Polwatte due to lack of vessels, and because he also learned that the mutineers were assembled on the other side of the river of Polwatte, he returned immediately and arrived at Galle that very same day, and the next day made a report of his experiences to the Noble Commander, further testifying that when he went to Matara the last time, he had received no order from anyone, and had gone solely By separate letter of 17 May, the Gentleman gone to fetch his sister, so that, insofar as one may believe his own statement, he had not the least commission on this occasion from the Honorable Commander, who can consider himself all the less insulted by the apprehension and the sending in custody to Colombo of this Moor, since no one knew that this Segoe was a confidant of his, and still much less that he had been sent by His Honor, just as this Segoe himself has also fully denied. Besides this Moor, I had another trusted person in the Matara Disavony, being a certain titular Mohandiram of the Weligam Korale, whom I brought up in my house from his childhood until his adult years. This man could have been of great service to me, being of a very good family, the largest part of which was in the Matara Disavony and gave him a great following. The same, as well as the Assistant Ritmuller, overseer of the plantations in the Morawak Korale, had come through the country and through impassable ways to Galle, because they were prevented by the malcontents from taking the public road to Matara. Both of them, upon their arrival here, made a report to me of their encounters and the conditions in the country. I sent them with a detachment that was just marching to Matara thither with the purpose The Chief Administrator and former Disava of Matara, van Angelbeek, being questioned about what is mentioned here at this time, has undertaken to explain himself about this in writing, and requested to be permitted to suffice for the present with remarking only that the titular Mohandiram of the Weligam Korale mentioned here, is the titular Mohandiram Dahanayake, whom he, as he communicated in his letter of 30 April written to the Honorable Commander and Council, had caused to be arrested, because he, without need and necessity, without prior knowledge and obtained leave, had left the Matara Disavony and, according to his own confession, had proceeded to Galle; just as the Disavas of Matara, like all other regents, are authorized according to the standing orders, as among others the edict of 20 December 1758, when the native headmen subordinate to them behave rebelliously, without it being customary to give notice thereof; whereupon it was agreed to keep note of this and to permit the Honorable Chief Administrator van Angelbeek, according to his request, to explain himself further in writing concerning this matter. 5148. with the purpose of being able to inform the Honorable van Angelbeek also of their findings; and furthermore to provide His Honor, through the said Mohandiram, with a trusted person, for which the Honorable van Angelbeek himself already in the beginning of the gathering, under the presumption that he was here at Galle, had indeed separately more than once requested in his letters, indicating that the same could be of service and use to His Honor in these circumstances. This Mohandiram was immediately arrested upon his arrival at Matara and was thirty-four days
Dutch transcription
5147. handel wijse gevraagd wierd, waar toe egter de Heer van Angelbeek zyne ondergeschikt„ heid aan mij en de Jaalse Regeering kennende Verpligt. was. 3. 16. Dit gedrag van de E: Dessave van gouverneur reeds aan den Heer sluijsken bedeeld, dat 't is geschied op zijn expresse last, waar in de Heer Angelbeek heeft mij zeer gevoelig sluyken wel hadde dienen te berusten, zonder daar over verder explekatie tevraagen getroffen en buijten en behalven Dat dE geweesene dessave van Mature aan den Heer commandeur daar van geen kennis gegeeven heeft, eene billijke herstelling en is zeekerlijk kwalijk, en heeft de van Angelbeek„ hier over gevraagt zijnde, verklaard, dit alleen te zyn voortgekomen bij in advertentie, in een tid dat wij voldoening die ik in mijn ver koopt was van beesigheeden, en dat wij zig bij een brief geschreeven den 20 maij zeedert desweegens Character als kommandeur bij den heer kommandeur op de welvoeglijkste wijse heeft verschoond, en versogt dat de Heer kommandeur in deese zijne verschooning wilde genoegen, neemen, des weegens als nog tegemoed waar van verstaan is dese zaak aanteteekening te houden, en dat de voorsz: Mova bij een de klaartoir dat by aparte brief van den 29' Junij VE. aanden H zie, versoek ik uwel Edele commandeur in kopij gesonden is, hier ter sekret aan opgegeeven, heeft verklaard dat wyj alleen om enkeld Gestrenge Groot Achtb: dat naal in den beginne van de onlusten of eigentlijk den 17. april, door den H„e kommandeur is gelate om mij eene duijdelijke op hel„ na mature te gaan, en tesien wat er waere van de tiding, dat er op mature eenige muijteling en waeren tesaamen gerot, dat wy wyl wij te poltatte dering van de handelwijze bij gebrek van vaartuigen niet konde overvaaren, en omdat wi ook vernam dat de muijtelingen aa met ged. e moor segoe de overkant van de rivier van kollewidande ver„ gaderd waren, terstond is terug gekeerd, en nog dien zelfden dag op gale aangekomen, en des anderen daags aan den El:r kommandeur van zijn wedervaeren heeft verslag gedaan onder betuiging wijder, dat pen wij de laeste maal is na Mature gegaan, wij Bij apparte brief van den 17 Maij heeft, de Heer van niemand eenige last ontvangen heeft en alleen gegaan merge van den H„r kommandeur heeft gehad, die te minder over 't opvatten en 't ingroett zenden na kolomba van desen moor zig kan agten te zijn beledigt, wijl niemand geweeten heeft dat dese segoe een vertrouweling van hem was, en nog zoo als dese segoe dat ook zelve volmondig heeft ontkent. gegaan is om zijne zuster aftehaalen, zoo dat wij, in mooge toekomen, temeer wijl zoo verre men zyn eige verklaring mag gelooven, ter deeser geleegentheid geen de minste kommissie deese man veertig daagen te Colombo in arrest is gehouden zig met slegte oog merken bediend heeft. veel min der dat bij door zijn Ed: was gezonden, als een persoon van die men dE Hoofdadministrateur en geweesen, Behalven deesen Moor had ik dessave van mature van Angelbeek, nog een vertrouwd persoon in de gevraagd zijnde na het geene hier ter tijde voor komt, heeft materse Destavoiie, zijnde zeekere denzelven aangenomen zig hier tikulder Mohandiaam van de over schriftelijk te zullen ver „klaaren, en versogt te mogen vol„ Belligam Coule, dien ik van zijne „staan, met hier op voor het teegen kindsheid af, tot zyne mannelyke woordige alleen aante merken dat de titulair Mohandiaam Jaaren toe, bi mij aan huijs van de Bellegam korl hierne„ heb opgevoed. Deeze man zoude „vens vermeld, is den titulaca mohandiaam Dahanaijke die mij van veel dienst hebben hij zoo als wij dat bij zijn brief kunnen weesen, zijnde van den 30 April aan den Heer kom„ „mandeur en Raad geschreeven een zeer goede familie, waar heeft bedeeld, hadde doen arres„ van het grootste gedeelte zig „teeren wijl wij buijten nood en nood zakelijk G in V7. 6 5148. in de Matureese Dessavonie noodzakelijkheid, zonder voor„ „kenmnis en erlangd verlof, de bevond en hem zeer veel aan„ materese dessavonie verlaaten en „hang gaf, Denselven was volgens zijne eige bekentenis zeg na gale begeeven hadde zoo gelijk ook de assistent Ritmuller als de destaves van mature gelijk alle andere regenten geverf„ op zigter van de plantagien in de „tigd zijn volgens de leggende or„ „does gelijk onder anderen het Morauacorle, door het land plakkaar van den 20. xber 1758. wanneer de aan hun ondergeplekte en door onweegen na galege„ Hoofden zig weder hoorig gedraagen zonder dat 't gebruikelijk is koomen, wijl ze door de mis„ daar van kennis tegeeven, waar van verstaan is deese aantee„ noegden belet waaren de alge„ „kering te houden, en aan den E meene weg na Mature op te„ Hoofdadministrateur van Angel gaan. wij de deeden mij bij hunne beek volgens zijn versoek toe te staan, om zig over deese aankomst alhier verslag van zaak nader in geschrifte hunne ontmoetingen, en de te verklaeren. gesteldheeden in het land, Ik Zond hun met een detachement dat Juijst na Mature maa„ cheerde na derwaarts met oogmerk — oogmerk om den Heer van Angelbeek meede van hunne bevindingen te kunnen onder „rigten; en voorts om aan zijn E door gedagden Mohandiram een vertrouwde persoon, te be„ „sorgen, waarom de Heer van Anga „beek zelve reeds in den beginne van den zaamen rotting, in de veronderstelling dat hij hier te gale was, wel afsonderlijk meer als eens bij zijne brieven versogt had, onder tekennen geeving dat deselve zijn E: in deese omstandigheeden van dienst en nut konde zyn. Deeze Mohandiaam wierd by zyne komst te Mature direkt gear„ „resteert en is vier en dertigh dargen
English
days very closely guarded and kept. Was it in that manner that Mr. van Angelbeek thought to derive use from him! However it may be with this, the arresting of this man, of which I likewise was not given the least knowledge, placed me even further outside the opportunity to inform myself of the circumstances of the matters. I cannot and will not hope that this was the purpose of his arrest. Your Right Honorable and Sternly Worshipful will please do me the favor of discussing this with Mr. van Angelbeek and communicating to me his explanation. Much depends on this for me. Section 18. It has already been noted above that the Moor Segoe himself has declared that on the occasion that he was seized at Matara, he had not the least orders nor commissions from the Lord Commander. His seizing could thus in no respect have served to belittle the Lord Commander, and the reasons given above by the former Dissave van Angelbeek, and communicated to the Lord Commander Sluysken, as to why he arrested the Mohandiram Dahanayake, likewise show that this was not done to belittle His Honor in any respect. Furthermore, concerning the ola that is spoken of here, and regarding which the Lord Commander Sluysken remarks that it served not a little to increase the belittling about which His Honor complains, one should first know: who is that ill-disposed person by whom it was sent to the discontented, before one can hold anyone to account for it. Your Right Honorable and Sternly Worshipful will easily feel to what belittling of me the seizing and sending away of the frequently mentioned Moor Segoe and the arresting of the aforementioned Mohandiram, of whom the latter is known among the inhabitants as my favorite, served in the eyes of each of my subordinates. This belittling was not a little increased by a certain ola, of which I have the copy in hand, and which was sent by a very ill-disposed person to the discontented, and which ola was shown by these discontented to Messrs. Tretz and Samlant at Stakman. In this ola, the discontented were written to throw themselves quickly at the feet of the Lord Dissave van Angelbeek and ask for forgiveness, as they must not rely on the protection of the Lord Governor-Commander whose favorite was even arrested, and that if they did not quickly submit, the Honorable Company had enough powder and lead to bring them to their duty. I also had to undergo the unpleasantness that the Mohandiram of the Gamekeepers of Colombo, whom I also had in my service for many years, and who was with me on leave here at Galle, was at the same time summoned with the utmost speed, and likewise upon arriving at Colombo was treated more like a suspect than an honest man, wherefore I could not derive any use from this man either. It is difficult to understand how Mr. Sluysken can take it upon himself to object that the Lord Governor has summoned the Mohandiram of his Gamekeepers to his gate. Concerning the personal qualities of that man, it is not necessary to make any remarks here. Section 19. Mr. van Angelbeek has himself been willing to admit to me that he was misled by incorrect reports and therefore also proceeded mistakenly and with distrust, which I am also very willing to believe, since one sees daily that young men without experience and knowledge of the office entrusted to them, taken with prosperity and supported by powerful protection, The present Chief Administrator and former Dissave of Matara, van Angelbeek, who has already requested above that the Lord Commander Sluysken might state without any reservation everything he might believe to have to his charge, has had this request repeated here, as here too it is spoken of in a manner as though the Lord Commander, out of special consideration, withheld many things from him that are concealed here, and as here further various remarks occur to which he intends to explain himself in writing, he has requested that he be permitted to do so, trusting that the not too flattering description given here of his person, and which he durst hope his conducted administration at Matara in no respect has deserved, meanwhile will awaken no unfavorable thoughts against him either with this Government or with Their High Excellencies, the Supreme Government of the Dutch Indies, of which Section 20. can easily deviate from the right path and be misled. I will also forgive all this, so far as it has no relation to my public character in the service of the Company, and cover it with the cloak of Christian charity, in consideration that his father, the Lord Governor van Angelbeek, was one of my dearest and formerly most trusted friends and who, moreover, rightfully deserves the respect and esteem of the entire right-thinking world, and is very highly esteemed by me for his truly extraordinary merits, and to whom I wish to give proofs of my way of thinking.
Dutch transcription
5149 daagen zeer nauw bewaekt en bewaerd geworden. was het op die weize dat de H:r van An„ gelbeek nut van hem meende te trekken! Hoe het hiermeede ook zij, het arresteeren van dese man, waar van mij almeede geen de minste kennisse gegeeven wierd; stelde mij nog meer buiten de geleegentheid mij van de omstandigheeden der zaeken te onderrigten. Jk kan en wil niet hoopen dat dit t oogmerk van zijne arresteering was. uwel Edele gestrene groot Achtb: gelieve mij de gunst te bewijsen van hier over de Heer van Angelbeek te onderhouden en mij zijne verklaaring mede te deelen. mij legd hier aan veel geleegen § 18 Heer booven is reeds aangemerkt dat de Moor segde selve heeft ver„ uwel Edele Gestrenge Groot Agtb. „klaard, dat wij ter geleegentheid dat dog te Mature is opgevat, geen de minste gevoeld ligtelijk tot welke verkleij„ orders nog kommissies van den Heer ning mij het opvatten en versenden kommandeur heeft gehad. zijn op vat „ting heeft dus in geen op sigt kunnen van meermelde moor segoe strekken tot verklyning van den en het arresteeren van evengedagte Heer kommandeur, en de reedenen hier boven door den geweesen Dessave Mohandiaam, waar van den van Angelbeek opgegeeven en aan laeste bij de inwoonders als den Heer kommandeur sluijs ken in der tyd bedeeld, waarom wy den mijn gunsteling teboek staat, bij een mohand„m Dahanaijke heeft gear„ ieder mijner ondergeschikten resteerd, toond insgelijks aan dat dit niet geschied is om zijn Ed: in eenig strekte. Niet weinig wierd deese op sigtt te verklijnen. wat voorts de ola verkleining vermeerderd door aangaat, waar van hier gesproken word, en waar over de Heer kommand: zeeker ola, waar van ik het sluijs ken aanmerkt, dat te niet afschrift in handen heb en die weinig gestrekt heeft om de verklij ning, waar over zijn Ed: klaagd, te door eenen zeer kwaad gezinden vermeerderen, zoude men eerst dienen aan de misnoegden gesonden is te weeten, wie is die kwalijk ge„ zinde, door wien deselve aan de en welke ola door deese misnoeg„ misnoegden gesonden is, voor dat men daar over iemand aanspree„ den aan de Heeren Trettz. en Samlant op stakman vertoond wierd, bij deese ola wierd den misnoegden aangeschreeven zig spoedig aan de voeten van §. 18. 7. „ken kan 5150 van den Heer Dessave van Angelbeek te werpen en ver„ giffenis te vraagen; wijl zij geen staat moeste maaken op de bescherming van den Heer Gavrld Commandeur wiens gunsteling zelfs gearresteerd was, en dat zoo de zig niet spoedig kwaa„ men te onderwerpen de Edele komp: kruijd en lood genoeg had, om hin tot haare pligt te brengen Jk had ook nog de onaangenaam„ Het is it, wel te begrij„ poen Roe de Heer Sluijss heid te ondergaan dat de Mo„ ken sig aantrekkeen kan„ handiaam van de Wildkchutters dat de Heer Gouverneur den Mohandikam van te Colombo, dien ik meede lange Jaaren in mijne dienst gehad zijne Freedschutters, aan zijne porto heeft ontbooden heb, en die zig met verlof hier op over personeele kwaliteiten aan deeken Man is 't niet nodig hier gale bij mij bevond, ter zelverteid eenige aanmerking te maaken; ten „ § 19 ten spoedigsten op ontbooden en almeede op Colombo komende meer als suspect dan als een eerlijk man behandeld wierd, waarom ik dan van deese man ook al geen nit hiet kunnen kuigentrekken De Heer van Angelbeek heeft D=e p:l hoofd administrateur en gew: Dessave van zelve, mij wel willen bekennen. Mature van Angelbeek, door verkeerde berigten te zijn die reeds hier boven ot zogt heeft, dat de heer misheid en daar door ook ver„ Commandeur sluijcken keerdelijk en met wantrouwen zonder eenige agterhou„ „dentheid mogte opgeeven, te zyn tewerk gegaan, 't week alles wat hij mogte ik ook zeer gaarne wel ge„ vvermeenen te hebben, tot zijne lasten, heeft dit „looven, wijl men daagelijks verzoek hier nader liet dat jongelieden zonder onder herhaald, wije ook hier vinding en kennis van de hun gesprooken srord op eene aanvertrouwde bediening, door wijze, als of de heer voorspoed ingenomen, en door Commandeur Aut beza„ vermoogende protektie onder =dere Consideratie hem veele „steund E § 20. 5151 „steund, legtelyk van de regte veele dingen ten goeden hield, die hier ver= weg kunnen afwijken en misleid zweegen worden, en wijl hier bij voorts worden. Jk zal dit ook alles, voorkoomen verschijde zoo verre hetzelve geen betrek aanmerkingen, waar op king tot mijn publiek Character Bij open scht zig schrijf in den dienst van de Maatschappen ten verklaaren telijk heeft, vergeeven, en met den ƒ heeft hij verkogt mantel der Christelyke liefde dat hem zulx te doen toedekken, uit aanmerking of nog Norden vergund, dat desselfs Heer vader de Heer vertrouwende dat de niet al te vlijende be„ schrijving, die hier ven Gouverneur van Angelbeek zijn per zoon gedaan word, eener myner waardste en eer„ en welke hij duafst hoo„ teids vertrouwdste vriend en wat„ pen dat sijn gehouden die nog boven dien, met reegt„ Vesticr te Mature in geen het ontzag ende agting van op zigt heeft verdient intusschen geene ongunsti de geheele weldenkende waereld „ge gedagten teegens hem verdiend „ en door mij om zijne Za: verweteken nog bij waarlijk bijzondere verdiensten deeze Regeering nog bij zeer hoog geagt word en dien Wunne Hoog Edelh: de Hooge Regeering over Ne ik wensche blyken tegeeven deklandsch Ijndien, waar van myne weize van denken 1a tegen
English
agreed to maintain this notation, and to grant the aforementioned request of the said Honorable van Angelbeek. This assembly does not comprehend from where all these heavy and gloomy thoughts of the Gentleman Sluijsken have arisen, and on what the same could be grounded, against his Right Honorable, and therefore also not to present this matter in such an odious manner as I otherwise well might have been able to do. Over all the foregoing, I was in heavy reflections on how to conduct myself in order to defend my honor and respect, and was not a little concerned how the evil world would judge my case, when I was unexpectedly gladdened by your Right Honorable respected letter of 11 June last, whereby His Excellency requested me to prepare myself to proceed to Mature, as soon as I should receive a further official instruction concerning this from the government at Colombo, in order to investigate in person the condition of the Maturese Dessavonie and to devise and put into effect the necessary means for the restoration of peace and the advancement of the interests of the Honorable Company. Shortly thereafter I also received a letter from your Right Honorable and the further members of this government dated 12 June last, whereby His Excellency pleased to repeat officially the aforementioned request to proceed speedily to Mature, leaving it entirely to me to make such arrangements as I should find to be of the greatest service to the Company and to the welfare of the true inhabitants, and at the same time allowing me the freedom to take along for my assistance a couple of members from the Council of Galle according to my choice, if I found it necessary. By this letter it was also made known that the Gentlemen Siretsz and Samlant were discharged from their commission in the most honorable manner, and that this commission would end as soon as I had arrived in Mature; further, that these gentlemen would hand over to me under a proper register all incoming petitions and reports, and all documents issued by them to the discontented, with orders to them at the same time to give me a short statement of the state of affairs, and all such information and clarifications as I should come to request from them for the judgment of the matters. Where the suspicious sentiments of the Gentleman Sluijsken, which appear here in the margin, in the following paragraph, and elsewhere in these papers, have arisen from is unknown to this assembly; it is not aware that it could not always have treated the Gentleman Commander Sluijsken with proper trust. It is consequently resolved that Just as someone who lies under the heaviest suspicions and ponders upon bringing the purity of his conduct to light is overcome by the pleasant tidings that he is recognized as innocent and his innocence has been revealed to the whole world, so was I surprised by the aforementioned instruction to investigate in person the disturbances in the Dessavonie of Mature and to settle them according to my own discretion. if His Honor should nevertheless believe he has reasons to complain about this Government in that matter, he may, if he sees fit, explain himself directly and further on the subject. I did not tarry long to merit, as a worthy and faithful servant, and further to render myself worthy of the trust that seemed to everyone and to myself to have ended for the present, and with which I was so unexpectedly honored anew. I chose the Equipage Master Aems and the Secretary van Albedijk for my support and to be eyewitnesses of my actions and operations, and departed on 15 June last for Mature, in order, if it were possible, to restore peace in person in that Dessavonie. I also arrived safely in Mature on that same day. In traveling through Belligam, I spoke with the Postholder Willemsz, who seemed to me to be very well known among the native people. He reported to me that the discontented were assembled separately in each Corle or Pattoe, and that those of the Belligamcorle were located no more than a mile's distance from Belligam. That the provinces of the Girrewai and Kandebaddepattoe contained the principal and largest groups of gatherings; that the headquarters was at Hakman, and no single province undertook anything without the communication and consent of all the others. That a certain Don Simon Aratchi and his brother Don Constantino were regarded as the primary chiefs of the discontented, and a certain Madougodde Appoo, a very cunning and bold man, maintained the most authority and order among the gathered populace. That this Madougodde Appoo was particularly at the head of the gathered discontented in the Willigamkorle and Gangebaddepattoe, and that his orders were followed with all strictness, even upon the receipt thereof, which had been shown among other things with an inland vessel of the Company that was at Welligam and had to be hauled ashore and repaired of its defects. That this vessel, being unable to be hauled ashore due to a lack of people—as the inhabitants, out of fear of the assemblies, did not dare to effect this—Madougodde Appoo, being informed of this, had immediately sent 150 men and had the said vessel hauled ashore, with the indication at the same time that he did not want the Company to suffer any damage from the assembly, and that proper care had to be taken of the Company's goods. Madougodde Appoo had even once in
Dutch transcription
van verstaan is dee teegen zijn wel Edele gestrenge ze aanteekening te groot Achtb, en daarom ook houden, en in 't voorsz deese zaak niet zoo haatelyk ƒ verzoek van gem: E: van Angelbeek te wil voorstellen als ik anders wel zoude hebben kunnen bewilligen. doen. Deeze vergadering be: Ik was over al het voorenstaande in over den kingen hoe mij te grijpt, niet, Swaar Uit alle deeze Zwaar gedraagen om mijne elke en moedige gedagten van de heer sluijsken sijn ont aanzien te verdeedegen, en niet „staan, en waar op de weinig bekommerd hoe de kweede kunnen zijn ge= waereld mijn geval zoude be„ zelve grond oordeelen, wanneer ik op het onvernagtste verheugd wierd door uwel Edele Gestrenge groot Achtbaare geeerde brief van den 11. Junij j.o leeden, waar bij Hoogst deselve mij verzogt, mij gereed temaeken om na Mature te kunnen overstappen, zoo daar ik desweegens eene nadere officieele § 21. 5152. officieele aanschrijving van de regeering te Colombo zoude erlangen, ten einde in persoon de gesteldheid der Matureese des Davonie te onder„ „soeken en de noodige middelen tot herstel van rust en de bevor„ deringen der belangen van de Ed: Comp. te bezramen en werk„ stellig te maaken Ik ontving ook werkelijk kort daar op een brief van uwel Edele gestrenge groot Achtb: en de verdere regeering deeses gouvernements in dato, den 12 Juni Jongstleeden waar bij Hoog derselven het evengem. versoek om spoedig na Mature over te„ „stappen officieel gelieven te herhaalen; mi volkoomen over„ „laatende zoodanige schikkingen te maaken als ik ten meesten dienste dienste van de Comp. en tot welzijn van waare ingeteetenen zoude bevinden te behooren, en mij teffens vrijheid laatende, na mijne verkiesing een paar leeden wijl den gaalsen Raad ter mijner assistentie meede te neemen, indien ik het zulx noodig vond Bij deese brief wierd ook bekend gemaakt dat de Heeren Siretsz en Samlant op het honorabelste van hunne Commissie ontslaegen waaren en deese Commissie geindigt zoude hebben, zoo daa ik te Mature aangekomen was; voorts dat deese Heeren mij onder een behoorlyjk regiser zoude overgeeven alle de inge„ „koomene klagtschriften en Re„ „laasen en alle de door hun aan de met noegde uijtgevaardigde Ctakken 5153. stukken, met last aan win 8s. teffens, om aan mij tegeeven eene kortestaat van de gesteld„ heijd der zaaken, en alle zoo„ „daniege onderrigtingen en op„ helderingen als ik ter beoor„ „deelinge der zaaken van Hin E„s zoude koomen te verzoeken. § 22. Gelijk iemand die onder de Waar dit sijn ontstaan de mistrouwende gevoe swaarste verdenkingen legd „lens van den heer sluijs„ en daar op peijnsd om de Luij„ „ken die hier ter zijde, in verheijd van zijn gedrag aan de volgende paragraaph en elders in deeze papieren het dag tigt te brengen over„ voorkoomen is deeze ver „kast word door de aangename „gadering onbekend het innead ze niet dat ze den heer Commandeur sluijsteiding dat men hem voor „ken niet steede met een onschuldig kend, en zyne gepast vertrouwen Con =de hebben behandeld, Een onschuld aan de geheele waereld is dienvolgens verstaan is gebleeken, zoo wierd ik dat Veraast - verrast door de evengemelde opdragt, dat (zoo zijn E: nog tans mogte ver meenen om in persoon de onlusten in de redenen. te hebben om zig in tat stuk over deeze Materse de wavonie te gaan onder„ Regeering te beklaagen, hij soeken en na eigen goedvinden afte zig daar over het goed vindende, regt streeks„maaken. nader van verklaaren. Ik talmde niet lang om mij 't ver„ „trouwen dat aan een elk en aan mij zelve toescheen voor eerst g'Endigt te weesen, en waarmeede in 200 onverwagt, als op 't nieuw vereerd wierd, als een waardig en getrouw dienaar te meriteeren, en mij verder waardig temaaken; Jk verkoos den 3. Equipageemeester Aems en den E. secretaris van Albedijkl ter mijner ondersteuning en om oog getuijgen van mijn handelingen en verrig„ „tingen te zyn, en vertrok den 15 Junie jongstleeden na Mature, ten einde indien het mogelyk was in persoon de arst in dee dessavonie e 5154 Dessavonie te herstellen. Jk kwam ook dien zelvden dag„ gelukkig te Matere aan Jn het door reijsen van Belligam tpaak ik den Posthouder Willemsz, die mij onder den inlander Leer bekend scheen; Wij berigte mij dat de misnoegden in ider Coul of Pattoe /. Landschappen / afzten„ „derlijk verzaamend: waaren, en dat die van de Belligamcorle zig niet meer dan eene mijl weegs van Bellegam bevonden. Dat de provintien van de girre„ „wai en kande badde pattoe de voornaamste en grootste hoopen der zaamen rottingen bevatteden, dat op Hakman het Hoofd kwaatier was, en geen enkelde provintie iest ondernam ondernam zonder meede deeling en toestemming van alle overiegen. Dat een zeekere Don Simon araatj en zijn broeder Don Constantina als de eerste Hoofden der misnoeg„ „den aangemerkt weerden, en eenen zeekeren Madoegodde appoe, een zeer doorsleepen en Hout Man wel het meeste gezag en onder onder de zaamengerotte volke aen hield. Dat deese Madoegodde appoe zig in het bijzonder aan het Hoofd bevond van de vergaa„ „derde misnoegden in de Willi„ „gamkerele, en gangebaddepattoe, en dat zyne ouders met alle stiptheid, zelfs op den ontvangst daar van, wierden nagekomen het welk onder anderen gebleeken was by een sComp:s Jnlandse vaartuig 5155 vaartuijg, dat zig te welligam bevond en op de wal had dienden gehaald en van zijne gebreeken hersteld teworden. Dat det vaertug niet kunnende op dewal gehaald worden. weegens gebrek aan volk; durvende de ingeseetenen uit vrees voor de tezaamen rottingen dit niet bewerkstelligen, Madoegodde appoe, hier van onderrigt on„ middelijk 150. koppen gezonden had en gedagte vaartuig op de wal had laaten haalen met aanduijding teffens dat hij niet wilde dat de Compenie eenig nadeel door de t' Zaa menkotting leed, dat voor sComp:s goederen wel zorge 1 moeste gedraagen worden. Ma„ „doegedde appoe waes zelfs eens in
English
in person at Bellegam, and had told the said postholder that he, the postholder, should not be afraid, because the intention was not to do any harm to the Company or its true servants, and that the gathering only persisted in order to obtain proper justice and a fair settlement regarding the excessive abuses that had been committed for some time, which tended to the detriment both of the Company and of the inhabitants, and that the discontented wished and desired to be restored to their ancient obligations and privileges. According to the testimony of the said postholder, this was in general the language spoken in the country, to which was added that the inhabitants would rather sacrifice everything and abandon their dwellings than groan any longer under excessive tyranny. From the reports that I, over and above what was just mentioned, had obtained regarding the aforementioned Maddoegodde Appoe, I gathered that if we had him in our interest he would be of great use, and that on the contrary it would be very detrimental to my efforts if he continued to adhere to the discontented peoples. I also spoke here with the postholder, who sent him a trusted person, and had it announced to him that if he wished to submit to me, he had a chance not only to make good his case, but moreover to be promoted to Mohandiram. This same thing was also indicated to him by one of his trusted friends whom we had in our interest, and this had the result that Maddoegodde Appoe, from that moment on, thinking of himself, chose our side, and only sought an opportunity to be of service to us and thereby make his fortune. From Billigam to Mature we met hundreds of people, a large part of whom had gathered at the crossing of the river of Polwatte, who handed me many petitions and only requested that I might indeed grant them proper justice and take pity on them; that they were not disobedient subjects of the Honorable Company or kerrelles, meaning rebels in Sinhalese, as they were called, but that they only complained of abuses and tyranny which they could not possibly endure any longer, and which they had been unable to make known in any other way than by gathering together, as their complaints were not heard at the gate of the Honorable Dessave. They expressed much joy at my arrival, with the declaration that they trusted in my justice and would submit to my verdict. I assured these people that I had come to hear the objections and concerns of the discontented inhabitants, to investigate them, and thereupon to dispense fair justice; that I also trusted that their members would submit to my verdict and give proof of their adherence to the Honorable Company, and to prove this, would disperse and go peacefully to their dwellings to work their lands and perform their obligatory Company service. This was promised by them with much joy and singing, and I continued my journey to Mature, where I arrived the same day towards evening and immediately sent two trusted persons to Wakwella, the headquarters of the principal figures of the gatherings, to make known my arrival and the purpose thereof. Just as on the second day of my stay there I also had it published in all the districts of the Maturese Dessavony by means of tom-toms, meaning Sinhalese public notice in writing, with an encouragement to the inhabitants to come and present their complaints and grievances to me, and to return peacefully back to their villages. Upon my arrival in the evening, I immediately sought to inform myself somewhat of the state of affairs from Commissioners Fretsz and Samlant, and the following morning, accompanied by my Council members and the commanders of the militia and artillery at Mature, I went to inspect the place and examine its condition. Paragraph 23. Mature not being laid out as a fortress against a European enemy, and only having a sort of entrenchment to be covered as much as necessary against the native, for which it has also always been considered sufficient, I found twenty-four pieces of artillery of various calibers, of which eleven lay on the ground without carriages, one was unserviceable, and of the rest, almost all the carriages were defective.
Dutch transcription
in persoon on Bellegam genoept en had aan ged=e posthouder gezegd, dat hn posthouder niet bevreets moeste zyn want dat het voorneemen niet was eenig kwaad aan de Comp: of Waare dienaaren toetebrengen, en dat de zaamen rotting alleen aan hield om over te verregaan de mishan„ delingen die zeedert eeniege tijd gepleegd waeren en die tot nadeel zoo wel van de Comp als van de Ingeseetenen strekten een goed regt en een billijke schikking te erlangen, en dat de misnoegden wenschten en begeerden in haare oude ver„ plegtingen en voor regting an hersteld te worden. Dit was volgens betuijging van gedagte potthouder 10 5156. posthouder in het algemeen de taal die men in het land spaak, waar bij kwam dat de ingeseetenen liever alles wilden op offeren en hunne woonplaatsen verlaaten, dan langer onder eene te verre„ „gaande dwingelandig te zugten uijt de berigten die ik buiten en behalven het even gemelde nopens evengenoemde Maddoegodde appoe gekreegen had, maakten ik op, dat hem in onse belangen hebbende, hij van veel niet zoude zijn, en dat het daar en teegen mijne bemoeijingen zeer nadeelig zoude zijn, indien hij de mis„ noegden volkeren bleef aankleeven Ik onderhield hier ook den post„ „houder die hem een vertrouwd, persoon zond, en hem liet aankundigen aankundigen dat in dien hyj zig aan mij wilde onderwerpen. Wi kans, had niet alleen zijne zaak goed temaeken, maar nog boven dien tot Mohandiram bevonderd te worden. Dit zelve wierd hem door een zijner vartrouwde vrienden, die wij in ons belang hadde, meede aangeduyd, en der was van dat gevolg dat Maddoe„ godde Appoe van dat oogenblik aan, om zig zelve derkende onse zijde koos, en maar na 2 # geleegentheid zogt ons van dienst te zyn en daar door zijn geluk temaaken. Wij ontmoeteden van Billigam tot Mature, honderden van menschen, waar van sig een groot gedeelte bij de overvaart van de divier van Polwratte versameld „ 5157. vertameld had, die mij veele klagtschriften overgaaven en alleen versogten dat ik hun dog een goed regt wilde laaten toe„ koomen en mij over hun ontvermen dat zy geene ongehoorsaame onderdaanen van de Ed. Comp. of kerrelles /. Muitelingen in het singalees /:waaren, gelijk men hun noemde, maar dat zij zig alleen beklaagden over mishan„ delingen en dwingelandij die zy onmoogelijk langer uijthouden konden, en die zij op geene andere weise hadde kunnen te kennen geeven als zig tezaamen te trekken, wyl hunne klagten aan de porta van den E: dessave niet gehoord wierden, zy betuigen over mijne komste veel vreugde, met verklaaring dat ze op Mijne mijne regtvaardigheid vertrouwde en zig aan myne uijtspraak zoude onderwerpen Ik verseekerde deese menschen, dat ik gekoomen was om de be„ „twaaren en bekommeringen der misnoegden ingeseetenen te verhooren, te ondersoeken en daar op een billyke regt uijt „tedeelen, dat ook ik vertrouwde dat zij leeden zig aan mijne wijtspraak zoude onderwerpen, en blijken geeven van Hunne aankleeven aan de Ed. Comp., en om dit te bewijsen uijt mal kanderen en vreedig na harme wooningen zouden gaan om hunne landen te bearbeiden en hunne verpligte Comp dienst te verregten. Dit wierd door hun 5150. Hun met veel vreugde en gezung beloofd en ik zettede mijne rijse na Matire voort, alwaar ik dienself den dag teegen den avond aanquam en onmiddelijk twee vertrouwde persoonen na Wakeman Het hoofd quartier der eeste personagien van de zaamen„ rottingen, zond, om mijne aan„ „komst en het oogmerk van dien bekend temaken Gelijk ik ook den tweede dag van mijn ver blijf terstalere door tanassen singalees bekentmaking ge„ „schrift / in alle de landschappen van de matureese Dessavonie liet publiceeren, met aanmoe„ „diging aan de ingeseetenen hunne klagten en beswaeren bij mij te komen inbrengen en vreedig na hunne woonderpen Weeder weeder terug te keeren Ik zogt mij 'zavonds bij mijn aankomst ten eersten bij de Commissarissen Fretsz vers Samlant van de gesteldheid van zaaken eenigzints te onderrigten, en ging den vol„ „genden morgen verteld door mijne Raadsleeden en de Com„ mandants der militie en artillerie te Mature de plaats besigtigen, en de gesteld„ „heid dala van opneemen §. 23. Ik vond vier en twintig Mature niet aangelegd, zijn „de tot een vesting teegens stukken geschutt van ver„ een Europaeshe vijand en schillende Caliber waar van alleen hebbende een zoort van Retranchement, om elf zonder affuijten op de teegens den inlander zoo grond laagen, een onbruijk veel het nodig zijn te weezen baar was en van de overigen gedekt, waar toe het ook steeds toerijkend is geagt, meest alle affuiten gebrekkig zoo waeren
English
Thus, as in all similar places on Ceylon, the supply of ammunition was kept as small as could possibly be done, so that one could almost say that no cannon is needed against the Sinhalese, unless one should wish to let oneself be surrounded, which a garrison as large as there was now does not need to suffer if it is properly provided with powder and lead. Mr. Sluijsken points out below that one must not fear unexpected attacks, very certainly not from the Sinhalese side. Against the Sinhalese, an entrenchment that one can throw up at any moment is sufficient, and this can be placed according to the circumstances of the time wherever one wishes. The redoubt has therefore long been considered a useless piece of work; it was constructed in accordance with the plan designed by Captain Morc, which has since been entirely condemned. The entire supply of gunpowder consisted of only 1600 pounds, and the other ammunition goods were also completely insufficient. The stock of muskets consisted of only 8 pieces. The cash box was quite empty, and in the warehouse nothing was to be found except a quantity of paddy sufficient for four months. I also went to inspect the Redoubt of Eck and recalled what use had been derived from this post from the year 1760 until 1765, when at that time no redoubt had yet been constructed there. I found this fortification completely overgrown with wild brushwood and only two pieces of cannon lying on the ground there without carriages. The esplanade before Matara toward the Roodeberg was completely overgrown and even planted with coconut gardens. From this I could gather how matters stood with the defense of Matara itself, and what would still be needed to put this place in security against unexpected attacks, although one asserts that these very certainly are not to be feared from the side of the Sinhalese. Because of this poor condition of Matara, which was garrisoned by only 379 soldiers, of whom 101 were detached and some were sick, I was even more confirmed in my view that it was an absolute necessity to bring the dissatisfied inhabitants back to rest and peace through mild and persuasive means. It is easy to imagine that the Commissioners, the Honorable Messrs. Faetsz and Samlant, needed some time to put such voluminous papers as had to be handed over to Mr. Sluijsken into proper order, and that in the meantime some papers were sent to Mr. Sluijsken for perusal, as His Honour himself states in his letter of 31 July mentioned above. Nevertheless, it is understood that an extract of the grievances of Mr. Sluijsken mentioned here in the margin and in some following paragraphs against the aforesaid Commissioners, who are not present now, shall be delivered to them in order to have their report thereon. Upon my arrival at Matara I had wished that the Gentlemen Faetsz and Sluijsken had immediately handed over to me all papers relating to their commission, in order to be able to obtain an extensive idea of the matter at once. But this could not be done, and I had to wait from the 15th until the 25th of June until these papers were made ready; had I at least been allowed perusal of their instructions received from Your Right Honourable, for which I expressly asked, and subsequently of other instructive papers; but these Gentlemen thought fit to refuse me this flatly, saying that they were not permitted to do this without orders from Your Right Honourable; although in the letter of the Colombo government of 12 June, mentioned at the beginning hereof, whereby the journey to Matara and my commission were recommended to me, it is clearly stated that Faetsz and Samlant were ordered to give me all such information regarding their proceedings as I should require for the complete assessment of the state of the matter. Mr. Sluijsken was not bound to any instruction; he had been given a plein pouvoir, and the instruction of the Commissioners could only be relevant if he found something to criticize in their proceedings and therefore considered it necessary to ask them for their mandate. These considerations probably made the Commissioners think that handing over their instruction was not included in the mandate given to them as mentioned above. Nevertheless, it is understood that, to satisfy the desire of Mr. Sluijsken, a copy of this instruction shall be sent to His Honour, and it is further understood, for the reassurance of Mr. Sluijsken, to declare here that this Government, regarding the granting or not granting of perusal of this instruction, has given no specific orders to the aforesaid Commissioners. I was not a little affected by the withholding by the Honourable Messrs. Faetsz and Samlant of their instruction, as I could not nor thought I should assume that these Gentlemen, who are much younger members in the Council of the Ceylon Government than I, deserved more trust or could be charged with anything on the Company's behalf of which I might have no knowledge. However that may be, I consider myself to have the right and to be obliged to request Your Right Honourable for a satisfactory explanation regarding this case, as my honour and prestige have been very much offended and affected by this conduct of the Honourable Messrs. Faetsz and Samlant, whether they held to this of their own accord or by higher command or advice of others, and I trust very surely that a pleasant satisfaction regarding this will be granted to me. Obtaining no sufficient information from the Honourable Messrs. Faetsz and Samlant, although the Government in Colombo had expressly ordered this, and further to encourage the inhabitants and provide them every liberty to present themselves before me whenever
Dutch transcription
5159. waaren. De geheele voor raad Zoo is daar gelijk op alle dierge lijke plaatsen op Ceilon, de voorraad van miskruijt bestond slegts. van ammonitie goederen zoo klijn geno „men, als eengesints geschieden kan bij na zeggen dat geen kannon nin 1600 ponden, en de overiege Jeegens de Jingaleessen van men dig is, ten sij men zig mogt wil len laaten insluijten, het geen een ammonitie goederen waaren bezetting soo groot als er nu waes, niet behoeft te dulden ook gants niet toerijkende De voorraad van geweeken be„ als te behoorlijk van krugt en lood voorzien is. De heer „stond slegts in 8 stuks. De sluijkken wijst hier onder zelve aan dat men onder geldkas wel leedig en in het wagte aanvallen mist, zoo Pakhuijs niets als een partij zeer zekerlijk niet cvan de kant der Cingaleesen te Nelie voor vier maanden toe rijkende tevinden weezen haft. Wk ging ook de Redoute van Eck Teegens de Cingaleesen is een retranchement dat men besegtigen en herinneede mij alze oogenblikken opwerpen welk nut men in anno 1760: kan, toerijkende en dit kan men leggen na tijds geleegend „heid waar men wel. De tot 1765 van deese post, alwaar redout is daarom zedert te dier teid nog geene Redoute lange geconsidereerd als een aangelegd was gehad heeft. Ik mitteloos stuk ze is aan gelegd ingevolge het plan vond deese sterkte ten eene„ door Capitain Morc ontwo„ „maal met ruigtens begroeid „pen, dat zedert geheel is afge en daar in slegts twee stukken „ceurd. § 24. haimor kannons zonder affuiten ter aarde leggen. Het plijn voor Matere na dekant van de Roodeberg was geheel begroeid en zelvs met kokus thuijnen beplant. Hier uit kon ik opmaaken hoe het met de defensie van Mature zelve gesteld was, en wat er nog al zoude noodig weesen om deese plaats in zeekerheid te stellen teegen onverwagte aanvallen. schoon men die sust zoo zeer zeekerlijk niet van de kant der singaleesen te vroesen heeft. Door deese slegte gesteldheijd van Mature dat slegts met 379 militairen waar van 101. gedetacheerd en eeniege ziek waaren, bezet was, wierd ik nog 5160. nog meer in myn begript be„ „vestigd dat men in de Nood zee„ „kelijkheid was door zagte en overreedende middelen de mis„ noegde jnwoonderen weeder tot huff en vreede te brengen. §. 25 Ik had by mijn komst te satere Het is ligt te bedenken dat de Commissarissen wel gewenscht dat de Heeren de P:s fritz en Camlant Faetsz en sluijken mij inme„ eenige tijd nodig gehad hebben, om zulke volu„diaat alle papieren tot hunne mineuse papieren, als de Commissie hadden overgegeven, aan de heer sluijsken moes„ om ten eersten een uitgebreeijde ten overgeeven in behoorlijke ordre te brengen, dat intus denkbeeld van de zaak te schen aan den heer sluijs kunnen erlanger. Dan dit konde niet geschieden en ik heb ken eenige papieren ter „ lectura gezonden zijn, van den 15: tot den 25. Junie moeten zegt zijn Edele zelve wagten tot dat deese papieren bij zijn brief van den in gereedheid gebragt wierden: 31. Julij hier boven ver meld. Niet remin is ver wtad ik ten minsten tectura staan dat van de hier moogen hebben van derselver tia van van uwel: Edele Gestrenge Groot ter zijde en in eenige volgende paragraaven, Achtb. ontvangene Jnstruktie vermelde bezwaer po„ incten van den Heer waarom ik wel expresselijk ver„ sogt heb, en vervolgens van andere sluijsken teegens voorsz: kommissarissen die tans Instruktive papieren; edog deese niet present zijn, ex„ ex„ Heeren vonden goed mij dit volstaekt trakt zal worden afge„ te weegeren, zeggende dit zonder geeven om daar op te heb„ order van uwel Edele Gestr: groot ben derzelver bericht. Achtb: niet temoogen doen; schoon bij de, in den beginne deser gemelde Colombose regeerings brief van den 12 Junee waar bij mij de reise na Mature en mijne Commissie aanbevoolen word, duijdelijk gemeld staat, dat de Faetsz: en samlant gelast zijn, om mij nopens hunne verrigtingen, alle zoodanige onderrigting te geeven als ik ter volkoomene beoordeeling van den staat dea zaeke 5151. De heer Cluijsken was Ik was over de terughouding der 3. faetsz: en Samlant van hunne aan geen instructie ge bonden, aan hem was instruktie, niet weinig geraakt, een plein pouvoir gegee„ wyl ik niet konde nog meende ven, en de instructie te moogen veronderstellen dat van Commissarissen deesesteeren die veel jonger leeden konde alleen te pas in den raad det Ceilonschen koomen, wanneer hij Gouvernement zijn dan ik, tiets in der zelver tver rigtinge vond afteken meer vertrouwen verdien den „ken, en hij het daarom of met iets sComp:s weegen kon„ nodig agtede hun te den gechargeerd zijn waar vraagen na derzelver last Deeze Conside van ik geen kennis mogte ratien heeft waarschijn, hebben, Hoe het ook zy, ik lijk de Commissaris vermeene het regt te hebben sen doen denken dat 't overgeeven van hunne en verpligt te zijn uwel Edele instructie niet wat gestrenge Groot Achtbaare begreepen onder de hier § 26. zaake van Hun zoude, koomen te versoeken boven Over boven gem: aan hun ge= over dit geval eene voldoende „gegeevene last. Niel op heldering te versoeken wijl te min is verstaan dat ter voldoening aan mijne eer en aansien door dit 'tverlangen, van de gedaag van d E:s saetsz en heer sluijsken aan zijn samlant, het zij dat zij zulks Ed: zal worden gezon„ uijt eige beweeging dan wel den een Copij van de op hooger bevel of aanraaden ze instructie, en is voorts verstaan tot van anderen gehouden hebben „gerustheid van den heer sluijsken hier te verklaate zeer beleedigd en aangedaan „ten, dat deeze agee is, en ik vertrouwe heel zeeker „ring, omtrend 't geeven off niet geeven van lek dat mij hier omtrend eene ture van deese instruc aangenaame voldoening zal „tie, aan voorsz: Com toekoomen missarissen niets in 't hijzonder heeft gelast Geene toerijkende onderrigting van d E:s fretsz en Lamland erlangende, schoon de Re„ geering te Colombo dit Expres belast had, en voorts om de ingeseetenen aantemoedigen en haar alle vrijheid te besorgen zig bij mij te kunnen aan dienen wanneer
English
5162. whenever it pleased her. I went outside Matara on the other side of the river, to take up my quarters in a small garden that had previously been inhabited by the late consumption bookkeeper Frobus; having merely for my protection a guard of one sergeant, one corporal and twelve soldiers, with another sixteen Javanese material carriers whom I had brought with me from Galle for my transport, and now retained, and whom I have employed to have the Eck redoubt and its glacis cleared and purged of all brushwood. The day The day after my arrival at my aforementioned quarters, a large number of inhabitants immediately appeared, who presented various complaints to us and sought justice thereon; and this subsequently took place every day from morning until evening, and however unpleasant it was for me to have to spend most of the time listening to a bunch of trifling complaints, I nevertheless had to put up with this in order thus to win the confidence of the common man. I disposed of their matters immediately as much as possible, sought especially to 5163. appease the different parties and cause both to depart satisfied; and promised those whose matters required an extensive investigation that, when everything was in peace and quiet, I would have their disputes accurately investigated and do fair justice thereon. They handed over to me a multitude of complaint olas, which I eagerly accepted, and promised those who gave them to me that I would have these olas translated and, after investigation of matters, likewise do fair justice thereon. In the meantime, I was mindful from the beginning of what means and ways might be the best to disperse the gathered mob and to achieve the purpose of my journey. I deemed it very necessary to cause a division among the headmen of the discontented, and sought to put the same into effect. The co-head of the discontented, Maddogodde Appu, of whom I spoke in the beginning of this, was of exceptionally great service to me in this, and I am now, while writing this, clearly convinced that the gathering would have continued for much longer if this Maddogodde had not been drawn over to our interests. Once a division was brought about and having Maddogodde Appu on our side, this man was virtually cast out by 5164. the other headmen as soon as they discovered his defection from them, and indeed so cast out that he was obliged to take flight and hide himself elsewhere. It had been easy for me to bring Don Simon Araatchi into dispute with his brother Don Constantino, as these brothers were very distrustful of each other, and Your Right Honorable clearly understands that this division among the leaders of the people also caused divisions among the people themselves; this had the consequence that many sought a safe haven, and enticed by my assurances that they would be well treated, almost It has been approved and understood to request further clarification from Mr. Huysken, on what occasion and declarations there were which can be charged to the bulk of the people, that the majority would not come to rest until the former Dessave van Angelbeek had departed from Matara. No evidence of this has come before the Council, other than that this was done by a few individuals, as for example by two majorals from the Kande-badda pattu who declared this at Galle, and by Maddogodde Appu once at Oepangodde and once at Hakmana, and subsequently once more in an ola sent to the Commissioners, signed only with characters and which is thus not known from whom it came, and has also since been disavowed by everyone, and finally the question which on that account was posed by a single [illegible] on Kottewatte to the mudaliyar Ilangakoon in a mocking manner, without anyone else having spoken about it on that occasion: regarding the aforesaid and other conversations of Maddogodde Appu, even the other lesser headmen requested that no heed be paid to them, and that attention should only be paid to their written requests. The Commissioners wrote in their letter of 10 June that they indeed heard from this one and that one that the mutineers insisted on the removal of the honorable Dessave As soon as Dessave van Angelbeek had departed from Matara—for the discontented had declared more than once that they would neither calm down nor come to me until then— several of the discontented came and appeared before me. Maddogodde Appu was the first, who was gradually followed by some lesser headmen of his party. Don Constantino also came to me most unexpectedly and requested, under promise of adherence to the Honorable Company, forgiveness and protection. And Don Simon Araatchi, who, as I was informed, was watched so closely by all sought to declare themselves for us. Section 27. the 5165. the discontented that he could not get away, wrote me several letter olas in which he testified to adhere to our side, and promised that peace would soon be restored, and he himself would come to me in person; he also sent me from time to time some of his confidants to repeat these promises. In order really to get him into our interests, I wrote him a letter ola in which I assured him of my favor and intercession if he managed to bring the people to a standstill, and that he should just come to me to speak about everything concerning the welfare of the inhabitants.
Dutch transcription
5162. wanneer het haar behaagde, ik ging buiten Mature aan de overkant van de Rivier, in een klijne thuijn, die bevoorens door den overleeden Consumptieboekh. Frobus bewoond was, mijn ver„ „blijf neemen; slegts tot mijn dekking hebbende een wagt van een sergeant, een Corporaal en twaalff zoldaaten met nog sestien Javaanse Materiaal Jorgers, die ik van gale tot mijn transport meede ge„ had „bragt heeft „ en nu aan kield en waar van ik mij bediend heb om de Redoute van Eck en dies glacis te laaten schoonmaaken en van alle ruijgters. te suijveren 'sdaag 13 sdaags na mijn aankomst in mijn evengemelde verblijff kwaa„ men onmiddelijk een groot ge„ tal inwoonderen opdaagen, die wij verscheide klagten voorstelden en daar op regt ver sogten; en dit heeft in den ver„ „volge alle daagen van den morgen tot den avond plaats gevonden, en hoe onaangenaam het my ook was de meeste teijd. temoeten doorbrengen met een partij niets beduidende klagten aantehooren, moett ik mij dit egter laaten welgevallen om dus doende het vertrouwen van den gemeenen man te win„ „nen. Jk deed zoo veel moge„ „lijk haare zaaken onmidde„ „lijk af, zogt voor namentlyk de 5163. de verschillende partyjen te be„ „vreedigen en by den vergenoegd te doen vertrekken; en beloofde de zulken, wiens zaaken een uitgebreid onderzoek vereischte, dat ik wanneer alles in rust en vreede ws haare geschiellen naamkeurig zoude laaten ondersoeken en daar op een billijk regt doen. Men overgaf mij eene menigte van klagt-olassen die ik greetig aannam en aan degeenen die mij deselve gaven, beloofde deese olassen te zullen laaten transla„ „teeren en na ondersoek van zaaken daar op meede een billijk regt doen Jntusschen was ik van den be„ ginne af aan bedagt welkemid, „delen en weegen wel de beste zoude zijn om 't te saamen gerotte Volk volk uijt malkanderen te brengen en het oogmerk mijner reijse te bereijken Jk oordeelde eene verduldheid onder de Hoofden der misnoegden aan terigten, zeer noodzake„ lijk en zogt deselve werkstellig temaaken. Het meede Hoofd der misnoegden Maddoegodde appoe waar van ik in den beginne deser gesprooken heb, was mij hier in van bijzonder veel dienst, en ik ben nu, terwijl ik deese schrijve duidelijk overtuigd dat de tezaa„ „ menrotting nog veel langer zoude aangehouden hebben, in„ dien deese Madoegodde niet in onse belangens waere getreken Eens eene verdeeldheid beweakt en Madoegodde appoe op onze zijde hebbende, was dese Man van „ 5164 van de overiege Hoofden als ver„ „stooten, zoo draa zij zijne afweij„ „king van hun ontdekten, en wel zoodanig verslooten dat hij ver„ „pligt was de vlugt te neemen en zig elders schuijl te houden „set was mij gemakkelijk gevallen Don Simon Aaaatje met zijne broeder Don Constantina, wijl deese broeder zeer wantrouwende teegen elkander waaren, in'twist te brengen, en uwel Edele Gesta„ groot Achtb begrijp ligtelijk dat deese verdeeldheid onder de aanvoerders des volks, ook ver„ „deeldheeden onder het volk zelve veroorsaekten; dit was van dat gevolg dat veelen een goed heen koomen zogten, en verlijd door mijne verseekeringen van wel behandelt te zullen worden, genoegsaam Zoo daa was de heer Dessave van Is goedgevonden en verstaan van den heer Hluijsken Angelbeek niet van Mature nader opzeldering te vraa vertrokken, want de misnoeg gen, bij welke geleegend heid en verklaaringen gex„ „den hadden meer als eens ver„ daar zijn, die men stellen „klaard niet eerder tot rust kan op reek: van 't gros nog bij mij te zullen koomen; van 't volk, dat de me der hoorge niet zouden of verscheidene der misnoegde tot rust komen, dan kwarmn en bij mij op daagen: wanneer de gew: Des save van Angelbeek Madoegodde appoe was de eeteste van Mature zoude ver die successive van eenige min„ trokken zijn Aan die Le regeering zijn daar „dere Hoofden van zijn partij van geene blijken voor gevolgd wierd. Don Constantino ge=koomen, dan dat dit gescheed zij door enkel kwam ook op het onverwagtst de liiden, gelijk bij voor bij mij en versogt, onder belofte beeld door twee Majoraals van de Kandebatdepattie van aankleeving aan de E: Comp: die dit te gale verklaard hebben, en door Madoegrode om vergiffenis en bescherming appoe eens te oepangodde en Don Simon Araatje die gelijk eens te wakman. vervol„ gens nog eens bij een aan E:s my berigt is zoo naeuw door genoegsaam allen, tragte den zig voor ons te verklaaren. §. 27. Commissaars de 5165. Commissarissen toegezonde, de misnoegden bewaekt wierd, „ne, alleen met kaaakters dat hij niet weg konde koomen, geteek: ola en die men dus niet weet van wien te gekokchreef mij verscheide brief vlassen, men is en ook zedert door waar bij hij betuigde onse zijde niemand is geavoueerd, en zijn delijk de vraage die der aantekleeven, en beloofde dat weegens door een enkelden kron de rust spoedig hersteld zoude sen keril op kottewatte aan 7 modl Jlangakoon zijn, en hy zelve in persoon „op e en spot agtige wijze „gedan is, zonder dat bij mij koomen; ook zond hij iemand anders daar om mij nu en dan eeniege van trend bij die geleegendheid gesprooken heeft gehad: om zijne vertrouwelingen om deese trend voorsz: en andere ge sprekken van Madoegrd- beloften te herhaalen. om hem de appre hebben zelfs de werkelijk in ouse belangen te overige mindere hoofden krijgen schreef ik hem een verzogt, dat daar op geen agt zoude worden brief ola, waar bij ik hem mijn gegeeven, en dat alleen zou de worden gelet op hunne gunste en voorspraak verseekerde schriftelijke verzoeken indien hij het volk tot stilstand E: Commissarissen, schreeven by hunnen brief van den wiste te brengen en dat hij maar 10 Junij, dat zij wel van bij mij zoude koomen om over deeze en geenen hoorden, dat de muijtelingen op de ver alles aangaande de welvaard wijdering van den E: Deffave van de ingezeetenen tespreeken. van zijn