VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3892

Ceylon · 900 pages · 127 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3892_0132 view scan ↗

English

van Angelbeek would be removed, but they declared at the same time that this statement was only from hearsay, and thus was not of such a nature that one could be certain of it, and that they furthermore did not understand why the mutineers would not come forward directly with it, if this were truly their extreme desire, since they had offered them every opportunity to declare themselves orally or in writing. They wrote further that if they knew with certainty that the mob or leaders really desired that the Honorable Dessave van Angelbeek be removed, and his answer was that he would come to me, that he had hope of calming the discontented inhabitants, that many had already gone to work their fields in expectation that I would allow them all to enjoy full and fair justice upon their general complaint ola sent to me, and that they were only waiting for that and would remain together at Kaddoewe; that he in person, with a portion of the prominent inhabitants and minor chiefs, would come to wait upon me within 2 or 3 days to negotiate about all matters, and that I could calmly remain and stay in Mature, he being prepared to accept and await the promised favor from me, requesting that he might become Mohandiram and Chief of the Kandebaddepattoe, that peace would thereby be restored, they would submit that request to this Government; however, only after the people had been brought to a standstill, for which he would nevertheless have much trouble, because his older brother was opposed to him in everything and tried to thwart his goodwill. The native chiefs, and particularly the Mudaliyar, did indeed make good promises that they would do everything in their power to bring about peace among the inhabitants quickly. One does not mean to say that they were subsequently entirely inactive; however, they were very slow in their commissions, and one could not notice that they took much trouble to bring about that peace. At least, I believed I had to suspect them of a lack of zeal, which often caused me no small embarrassment. § 28 To this were added the various reports that I received successively, that the Court of Kandy possibly had some part in the Matara conspiracy. I was informed that some emissaries of the dissatisfied peoples had gone to the Court, and that up to three times, and that these emissaries had received no unfavorable answer. It is understood that Mr. Sluijsken will be asked for further clarification regarding the difficulties that have restrained him from naming the man who brought him the reports in the report cited alongside, in this his secret report to this assembly, and what it is to mean that he has not named him to this assembly so as not to expose him to any danger; that is, what dangers he foresaw for this man if it became known to this Government that he had brought these reports from Kandy. One of my spies, whom I did not wish to expose to any danger, nor could I in fairness expose him, as I have experienced with other confidants, respectfully requesting to be excused from naming him, brought me in the last days of my stay at Matara yet more doubt-provoking news, as can be seen in the accompanying report under No. 1. Your Honors yourselves, in your letters written to me about the disposition of the Kandyan Court, did not seem entirely certain. It was assured that a part of the Colombo lands, namely the Hewagam Korale, Hina, and Alutkuru Korale up to Kalpitiya, were also in revolt. § 29 In the Galle Korale it also appeared as if some ill-disposed persons were roaming about to cause an uprising. It was also said on this occasion, in the lands on this side, that there was never any lack in troubled times of purveyors of gloomy reports. The truth of the matter is that on the side of Batticaloa, in the Panawa lands, and on the side of Chilaw, the Kalpitiya, and the Puttalam areas, nowhere among the inhabitants was the least trace of ill will toward the Company observed, yet it was said that the inhabitants had revolted and gathered together in the Wanni. All these reports indicated a general discontent that could well break out into an internal war, as we had examples of from 1760 to 1765. The uncertainty of what might come of all this made me understand that, although one could not use violent means, the matter should nevertheless not be left to take its own course, because such conduct could possibly have dangerous consequences. I thought finally that it was my business, so to speak, to extinguish the spark of fire at once without being sparing with the quantity of water; that I should not engage in disputing or haggling for a long time with the native over what I would grant him, but that it was better to give somewhat free rein at once, so as thereby to relieve and pacify minds and in doing so protect the Honorable Company from even greater damages. On these considerations actually rest my decisions on the general complaints of the dissatisfied inhabitants, and on the answer that they gave to the mandate ola sent by the Honorable Commissioners.

Dutch transcription

van Angelbeek zoude ge steld sijn, dog zij vver klaarden tevens dat dit gezegde enkeld maar van hooren zeggen kwam, en dus niet was van dien aart dat men er zig van verzeekerd houden konde en dat zij buijten des niet begree „pen waarom dat de muijtelingen en niet de rekt meede voor den dag zouden koomen, wan neer dit werkelijk hun overlangen pas„ aangezien zij hun alle geleegenheeden aangebooden hadden om zig mond bor telijk te kunnen verkla „ken te schreeven wijders dat zoo ze met zee kerheid wisten dat de woeste koop of aanvoer ders werkelyk over langde, dat de E: Des „save van Angelbeek verweijderd wierde, en zin antwoord was, dat hy bij mij zoude koomen, Dat hij hoop had, de onvergenoegde inwoonderen tot bedaaren te brengen, Dat veelen reeds aan het bearbeiden hunner velden waaren gegaan, in afwagting dat ik haar alle op hunne aan mij gezondene generaale klagt olas een goed en volkoomen regt zoude laaten genieten en dat ze daar op alleen wagten en op kaddoewe bij mal„ „kander zoude blyven; Dat hy in stig mondeling of schrif persoon mij met een gedeelte der voornaame inwoonders en klijne Hoofden binnen 2 of drie dagen zoude koomen opwagten, om over alle zaaken te handelen en dat ik gerust te Mature konde blijven en mij ophouden, zullende hij de beloofde gunste van mij accepteeren en afwagten, versoekende dat Mohandiaan 5. 165 dat daar door de rust Mohandiram en Hoofd vande zoude hersteld worden, kandebaddepattoe te worden, zij dat verzoek aan deeze Regeering zouden egter eerst, na dat 't volk tot voordraagen stilstand zoude zijn gebragt; waar toe hij egter veel moeite zoude hebben, wijl zijn ouder broeder hem in alles teegen was en hun zijne welmeenendheid tragte te verijdelen De inlandse Hoofden en wel in het bijsonder de modliaan deeden wel goede beloften dat ze hunne vermoogens zoude in het werk stellen om spoedig de rust onder de ingeseetenen te bewerken. Wi wil ook niet zeggen dat ze in het vervolg geheel onwerksaam geweest: zijn, egter waaren zij zeer kraag in hunne bestellingen en men konde niet merken dat te zeg zeer aangeleegen lieten leggen om des telsland te bewerken. ten minste ik meerde hun van ieverloosheid 15 ieverloosheid te moeten, verdenken het welk mij dikwils nog al eens verleegen maekte § 28 Hier bij kwaamen de verscheide Is verstaan dat den Heer sluijsken nader opheldering berigten die ik successive ontving zal worden gevraagd, over dat het Hof van Candia moogelijk de Zwarigheiden die hem heb =ben wederhouden, om den man eenig deel in de Matureese zamen die hem de berigten, bij 't hier bezijde aangeroepen kotting had, jk was onderrigt Relaas, heeft toegebragt, dat van de misnoegde volkeren bij dit zijn geheim berigt eeniege zendelingen ten Hoove aan deze vergadering, te „noemen en wat 't zeggen waaren gegaan, en dat wel tot zal, dat hij hem aan deeze Vergadering niet drie keeren toe, en dat deese genoemd heeft, om hem zendelingen geen ongunstig met bloot te stellen aan eenig gevaar, dat is wat antwoord bekoomen hadden gevaaren hij er voor deze man een mijner spions dien ik„ in voorzag, indien 't bij deeze Regeering bekend hem niet gaarne aan eenig wierde, dat hij deeze gevaar wilde wog met billikheid berigten uit kandia ge moogende bloodstellen, gelijk ik bij andere vertrouwelingen ondervonden heb, eerbiedig ver„ „soeke temoogen verschoond blijven vragt had. van 5167 Wet ontbreekt in onrustige van tenoemen, heeft my in de laaste dragen van mijn verblijf te mature nog een twijffel ver„ „wekkende teidingen aangebragt gelijk bij het nevens gaande kelaes onder N„o 1: tesien is uwel Edele gestrenge groot Achtb. zelve scheenen bij derselver aan mij geschreevene brieven over de ge„ „zindheid van het Candiase Hoff niet geheel zeeker te zijn, men verseekerde dat een gedeelte der Colombose landen naa„ „mentlijk de Hewegamcoale Hina a Alloethoer Coule tot aan kalpettij, meede in opkbek waeren. § 29. Jn de gale koale scheen het tyden nooit aan overbren= ookk, of er eeniege kwaadge„ gers over zwaarmoedi. zinden rond sworven om een „ ge berigten. De waarheid van de zaak is, dat men opstand te bewerken; ook zijde ter men ter dezer geleegendheid in men dat aan de kant van de hier te zijde landen Batticaloa in de Pannewakche neren zoo ook in 't Chilau„ landen, en aan de kant van „phe 't kalpettischi en 't putulangsche nergens on saineonomale in de wannees; der de ingezeetenen de de ingeseetenen gerevolteerd minste spoore over kwa„ „lijk gezindheid teegens waaren, en zig tesaamen ge„ de Comp: heeft ontwaard.:J „ hadden „trokken „ Alle deese berigten duiden eene algemeene mis„ „noegdheid aan die wel tot een Jnlandsche oorlog konde uijtbree „ken, gelijk wij daar van de voor beelden van 1760 tot 1765. gehad hebben De onseekerheid wat uijt dit alles zoude kunnen werden verd mij begrijpen, dat, schoon men geen geweldige middelen konde gebruijken men egter de zaak daarom niet op zijn beloop dienden telaaten, wijl een diergelyken gedrag moogelijke gevaarlijke gevolgen konde hebben i 5168 Ik dagt eindelijk dat het mijn zaak was om ben wijse van spree„ „ken het ontronke vuur met eens te blusschen zonder met de hoeveel „heid van waeter zuining te zyn; dat ik mij niet moest inlaaten om met den inlander over 't geen ik hem zoude toestaan te twitten of lange te dingen, maar dat 't beeter was den teugel met eens wat ruim te vieren, om daar door de gemoederen te verligten en in vreede te brengen en zoo doen de dE Comp: voor nog grootere schaeden te behoeden. op deese overweegingen steunen eigentlijk mijne besluijten op de algemeene klagten der misnoegde ingeseetenen, en op het antwoord dat zy op de afgesondene Man„ „ daat ola van de E Commissarissen raetsz

NL-HaNA_1.04.02_3892_0138 view scan ↗

English

Fretsz and Lamlant have given. Before I issued and published these resolutions into a general Mandate, I conferred on every article and every matter arising therefrom with all the Modliaars and principal Headmen at Mature, giving them freedom and even encouraging them to present me their thoughts and objections, and to give me everything they judged necessary for the greatest benefit of the people and for the pacification thereof. I declared to them that I did not intend to arrange anything more than that which would appear in this Mandate, that they should not seek to delay me, for if 5169. if I noticed this, I would immediately return to Gale and employ such measures as I should judge necessary to attain my objectives. In this manner all the articles of the Mandate, one after another, from day to day, were prepared; the Headmen showed themselves satisfied with it, and I testify hereby sincerely that in no other way, and under no other arrangements than those appearing in the said Mandate, have I been able to bring about peace, and that I have never lost sight of the interests of the Honorable Company in drafting this Mandate. I also think that this Mandate could not have been arranged in any other manner to effect the cessation among the gatherings. Upon my declarations in this regard, the Honorable Raket, Samlant, Aems, and van Albedijhl have also testified and declared this. After this Mandate was prepared, or rather while preparing the same, matters began to take a favorable turn. And because, by creating a division among the leaders of the discontented, I had managed to bring them individually over to our interests, namely: by promising to make the former Mohandiaam of the Magampattoe Rajapakse 5170. Rajapakse Dissanaike second Modleaar of the Jiarewaipattoe, to promote Don Simon Arraatje, Don Constantino and Maddoegodde Appoe to Mohandiaams, and to honor the four Bitmekales with the permission to carry Lascorin swords, I considered it necessary, if possible, to make all these headmen good friends again, in order to let them work together for the submission of the people. Maddoegodde Appoe was of great service to me in this: we united the said remaining Headmen with one another, and I had the pleasure to see that Don Simon Aaraatje and his brother Don Constantino, who who had an almost irreconcilable hatred against each other, became good friends; although I almost doubted this, for after Don Constantino had been with me, as I have already said here before, on which occasion he promised me that he would reconcile with his brother, I received word the day after his meeting that he sat under arrest with the great crowd of the discontented through the actions of his brother Don Simon, because he had been with me without the prior knowledge of the discontented. I secretly did my best to make these two brothers friends, which finally 5171. succeeded for me. Unceasingly continuing to employ what in my view were the best means for promoting a speedy peace, I issued a general Pardon-ola on 30 June, which however was only sent off on the 3rd of this month, being delayed so long—which gave me no small suspicion—during the translation into Sinhalese. This Pardon letter was received by the discontented with all joy and oaths, whereupon I, promising myself good success, had my general Mandate ola translated into Sinhalese and issued on the 7th of this month. § 30 §. 30 Commandeur Fluysken would certainly have preferred to do this with less fuss, had His Honor not found that for this time one ought to step over those unusual outward formalities. I had this Mandate-ola conveyed by my Maha Modliaar, accompanied by most of the Mature headmen and indeed, as the said Maha Modliaar had requested of me, in order, as he said, to add all honor and respect to this document, with the usual native pomp, with the beating of tom-toms and other indigenous music and a flying banner, to the great crowd of the discontented at Kaddoewee. Before the departure of these my emissaries, I addressed the Mature Headmen for some moments, recommending them to exert all their efforts so that the Mandate would be 5172. accepted and respected by the inhabitants in a proper and to me satisfactory manner, indicating to them at the same time in a friendly and serious manner that I might well be informed of several things that could perhaps promise no advantage at all to one or the other if they were known, that I had nevertheless not wished to make use of this information in the trust that my objectives and the general peace would be accomplished, but that, if my Mandate ola were not honored and they, the emissaries, returned with nothing accomplished, I could then easily understand the cause thereof, and that I had indeed seriously resolved then to open my eyes, which until now I had wished to keep closed over various things, and to call to account those whom I believed to have caused me this displeasure. It appeared to me that this address produced an electric shock or effect on the good Headmen; they all gave many assurances of unbroken goodwill and departed under the fairest promises. These my emissaries having departed on the 8th of this month, as already said, I had the pleasure

Dutch transcription

Fretsz en Lamlant gegeven hebben voor dat ik deese besluijten tot een algemeene Mandaat uitvaardig en liet, heb ik mij over elk artikel, en elk daar bij voorkoomende zaak met al de Modliaars en voornaams te Hrofden te Mature onderhouden, hun dagheid gee„ vende om zelfs aanmoedigende my hunne gedagten en teegen werpingen voor te stellen, en mij alles op tegeeven wat ze ten meesten nutte van het volk en ter bevreediging van het zelve noodig vordeelden, ik verklaarde hun dat ik niet voornemens was iets anders meer te beschikken dan 't geen bij deese Mandaet zoude voor„ „koomen, dat men my niet moest zoeken op tehouden, want dat ik, indien 5169. indien ik dit gewaar wierd, ommid„ delijk na gale zoude terug keeren en zodanige middelen in het werk stellen die ik noodig oordeelen zoude om mijne oogmerken te bereiken. op deese wyse kwaamen alle de artikels van de Mandaat, den eenen na den anderen, van dag tot dag, ingereedheid, de Hoof den betoonden. zig daarover voldaan en ik betuyge bij deese opregtelyk dat ik op geen andere wyse, en der geene andere schikkingen dan bij gemelde Mankaat voor„ koomen, de rust heb weeten te bewerken, en dat ik nimmer de voordeelen der Ed. Compinie by het ontwerpen van deeze Mandaat uit het vog verlooren heb hab, Ik denke ook dat deese man„ „daat op geene andere weise konde ingerigt worden om de stilstand onder de zaamenrottingen te bewerken. Op mijne verklaaringen des weegens hebben d E: Raket, Samlant, Aems en van Albedijhl dit meede betuegd en verklaard. Na dat deese Mandaat vervaardigd was, of liever nog onder 't vervaar digen derselve, begonnen de zaaken een voordeeligen keer te kreggen. En wyl ik door eene verdeeldheid onder de hoofden der misnoegden te verwrekken hun afzonderlyk in onse belangens had weeten te krijgen, namentlijk: door belofte van de geweesene Mohan„ diaam van de Magampattoe Rajapakse 5170. Rajepakse Dis sanaike tweede modleaar van de Jiare waip attoe te zullen maaken, Don Limon ar„ „raatje, Don Constantino a Mad„ „doegodde appoe tot Mohandiaams te zullen bevorderen en de vier Bitmekales te zullen hommoneeren van Htouwers te moogen draagen, oordeelde ik het noodzaekelijk om was het mogelijk alle deese hoofden weder goede vrienden temaaken, ten einde hun gemeen„ „aan de onderwerping van 't volk te laaten schappelijk„ arbeiden. Maddoegodde appoe was mij hier in van veel dienst: wij vereenigde zeg ende overlege Hoofden met malkanderen, en ik had het genoegen te zien. dat Don Simon aaraatje en zijn broeder Don Constantino die die genoegsaam eene onversoenlijke haat teegen malkanderen hadden goede vrienden wierden; — schoon ik hier aan bij na twyffelde, want na dat Don Constantino by mij geweest was, gelijk ik hier voor en reeds gezegt heb, by welke geleegentheid hy mij beloofde zig met zijnen broeder te zullen versoenen, kreeg ik den dag na zijne ontmoeting berrigt, dat wi by de groote hoop der misnoegden door toedoen van zijn broeder Don Simon gearresteerd zat, wijl hij zonder voorkennis van de misnoegden bij mij geweest was, Ik deed onder de hand mijn best om deese twee broeders vrienden temaaken het welk my eijnde lyk 5171. lijk dan ook gelukt is. Onvermoeid voortwerkende om na mijn inzien debeste middelen ter bevordering van een spoediege rust in het werk te stellen vaardeigde ik den 30 Junie een generaale Pardon-ola uit, die egter eerst den 3. deeser is af„ gesonden wordende zoo lange, het welk mij niet weinig agter„ „denken, gaf, bij 't translateeren in het singalees op „ houden, Deese Paadon brief wierd door de mis noegden met alle vreugde en eede ontvangen, waar op ik dan ook, mij een goed succes beloovende mijne algemeene Mandaat ola in 't singaleet liet oversetten, en den 7. deser uitwaerdigen ƒ 30 §. 30 De Heer komman deier fluisken Ik liet deese Mandaat-ola door zoude seker verkoosen hebben mijnen Porta modliaar verseld gehad dit met minder, om„ „slag te doen, zoo zyn E: niet van de meeste Matireesche hadde gevonden dat voor woofden en wel gelyk mij gedagte ditmaal over die ongewoone Porta modleaar versogt had, om uijtterlijkheeden behoorden gelyk hij zijde dit geschrift alle tewerden heen gestapt. eer en aan zien by tebbengen met de gewoone pilandsche statie onder het slaan van Jamblijntjes en andere inlandse Musiek en een vliegerd evaandel bij de groote hoop der Mesnoegden op haddoewe brengen voor het vertrek deeser mijn er afgesondene onderheeld ik de matureese Hoofden eeniege orgen blekken; hun aan beveelende alle hunne vermoogens in het werk te stellen dat de Mandaat door F112. door de ingeteetenen op eene behoor„ „lijke en mij woldoende wijse aange„ noomen en geeerbiedigd wierd, hun teffens op eene vriendelyke eanstige wyde aanduidende, dat ik wel van verscheide dingen onderregt konde zijn die moogelyk den een of den ander gants geen voor deel beloofden, indien te bekend waeren, dat ik van deese onderregting egter geen gebruik had willen maaken in vertrouw en dat myne oogmaaken en de algemeene Vroede zoude bewerkstellig worden, dog dat ik, indien mijne Mandaal ola niet gehonoreert wierd en zy 1 zendelingen / onverrigter zaeke terug kwaamen ik dan ligtelijk de oorsaek van dien begrijpen kon kon, en mij wel ernstiglijk had voorgenoomen als dan min oogen die ik tot nog toe over verscheide dingen had willen geslooten houden te oopenen en die geenen ter verantwoording te trekken die ik meende my dit ongenoegen te hebben toege bragt Het kwam mij voor dat deese aanspraak een electaeque schot of werking op de goede Hoofden veroorsaekten, zij gaaven alle veele verseekeringen van eene onafgebrooke welmeenendheid en vertrokken onder de schoonste beloften deese mijne afgesondene den 8e deeser gelyk reeds gesegt ver„ „trokken zijnde had ik het genoegen ƒ

NL-HaNA_1.04.02_3892_0147 view scan ↗

English

5173. pleasure of seeing Don Simon arriving at my place the following day towards evening. He expressed the most heartfelt joy at finally having the opportunity to throw himself at my feet and to demonstrate his sincere goodwill towards the Company. He hoped that I would favor him, while he would furthermore devote all his powers to bring about the general peace and make it lasting. On the 10th towards noon, my dispatched mudaliyars returned, bringing the agreeable report that the mandate ola had been accepted by the people with general satisfaction and submission; that some of the discontented were indeed in doubt regarding some points of this mandate, but that these doubts had already been resolved upon further clarification of the same, or could easily still be resolved. After the return of these my emissaries, the discontented also appeared daily before me in large troops, with their subordinate chiefs at the head, and I suppose that upwards of twelve thousand people appeared before me successively in these days, who, after having received a further clarification of 19 5174. all the points appearing in the mandate ola, submitted with all signs of satisfaction and promised to conduct themselves according to the contents of the said mandate ola, and henceforth to perform their obligatory Company services and their own labor. Convinced that your Right Honorable Grand Venerable's ratification and confirmation writings, which your Excellency had sent to me in order to thereby assure and renew my General Pardon to the people, would be of service to me, I had the same promulgated by way of edicts, one set for each district in the Matara Dissavony, and distributed the same, after having first had them read aloud before the public, to the inhabitants of each district; after which the chiefs and principal inhabitants of the provinces, each province in particular, passed an act before the Honorable Secretary van Albedijll and witnesses, whereby they declared, in the name of all the inhabitants and themselves, to have heard my mandate ola read, to have well understood and appreciated its contents, and to be most highly pleased and satisfied therewith, expressing their gratitude for all the favors shown to them on this occasion, 55 4 76. under the promise that they would in the future conduct themselves as faithful and obedient subjects of the Honorable Company, and duly fulfill all obligations resting upon them. With this work and the hearing of many complaints I was occupied until the 14th of this month, when all the inhabitants, after having first expressed their submission to the Honorable Dissave Raket with the fairest promises for the future, departed, each to his land and his house, after I had promised them that all their separate complaints, which I, for lack of time or on account of the extent of their investigation, had not been able to settle, 75 because other weighty matters recalled me to Galle, would be investigated and settled with equity by the Dissave Raket and two commissioners whom I would send from Galle, and the Landraad, giving them full freedom, in case they should think themselves not satisfied with the verdict, to address themselves further to me at Galle. Paragraph 31. I was compelled to this latter step because the inhabitants seemed to place very little confidence in the Matara Dissavony Landraad, and had not shrunk, on a certain occasion when I referred one of the complainants to the Landraad, from declaring that they would rather have a soldier from my detachment as judge than the said court. One must excuse the people somewhat on such occasions; nevertheless, it would have been of importance to ask for some further explanation as to what the inhabitants' lack of confidence in the Matara Landraad is based upon, in order to have the opportunity to instill better sentiments regarding this Council in the inhabitants, 5176. or also to be able to provide for it in case this Council had indeed given any occasion or inducement to think so ill of it, of which as yet no indications have come before this government. A few days before my departure, the Honorable Dissave Raket, assisted by the Second Warehouse Keeper De Moor, a man very knowledgeable in country affairs and especially in the condition of the Matara Dissavony, and the Assistant Trade Bookkeeper Samlant, assisted by the Authorized Palm, had already begun investigating several complaint cases concerning extortion and mistreatment in the Service, and had divided themselves into two separate teams for this work. The inhabitants seemed to be satisfied with this, and I promised myself a good result from this manner of proceeding. Having settled all affairs at Matara so far 20 that my presence could be of no further service, but on the contrary was not good, because the Honorable Dissave was thereby somewhat hindered from letting the service operations take their obligatory and usual course again, with which one ought not to dally and which was best to begin now while minds were still warm and pliable; and which was somewhat difficult as long as I remained at Matara, because the chiefs as well as their subordinates continued to come running to me, to make all kinds of proposals and request favors, which also probably

Dutch transcription

5173. genoegen van Don Simon avaatje de volgende dag teegen den avond by my tezien aankoomen, wij be„ tuijgde de haatelykste vreugd eindelijk in de geleegentheid ge„ koomen te zyn van zig aan mijne voeten te kunnen worpen in zine innealijke velmeenend„ „ fd: heid voor de Compenie te kunnen betoonen, wij woopte dat ik hem zoude begunstigen terwijl hij voorts alle zijne vermoogens zonde besteeden om de algemeene rust te bewerkstelligen en aanhoudende te doen zijn Den 10 teegen den middag kwamen mijne afgesondene modlicaas. weeder terug, het aangenaam ver„ „slag doende, dat de Mandaat ola door het volk met een algemeen vergenoegen en onderwerping aangenomen aangenoomen was; dat eeniege der misnoegden wel over eeniege poincten van deese Mandaat in twijffel weeren, dog dat deeze twijffel bij een nadere ophelde ning van dien reeds voldaan waaren, of gemakkelijk nog te voldoen zoude zijn Na de teruijkomst deeser mijner zendelingen kwaamen dan ook de mis noegden zig dagelijks bij groote troupen aanmy vertoonen met hunne mindere Hoofden aan het Hoofd, en ik veronderstel dat ruim twaalff duijsend menschen successive in deese daagen voor mij verscheenen zijn, die na eene nadere op heldering bekoomen te hebben van 19 5174. van alle de poincten bij de man„ daat-ola voor koomende zig met alle blijken van genoegen onder „worpen en beloofden na den inhoud van gedagte mandaat ola zig te zullen besteeren, en voort aan hunne verpligte koorpanies diensten en lunne eige arbeid verrigten. overtuijgd dat uwel Edele Gestrenge groot Achtb ratificatie en beves„ de „tiging geschriften, „ welke Hoog de„ „selve mij gesonden hadde om daar door aan het volk myn gene„ „raal Pardon te verseekeren en te hernieuwen mij om van dienst zoude zijn; heb ik deselve bij waese van Placcaaten / voor elk landschap, in de Matureese Des savonie een stel. /laaten uit „vaardigen, en deelde deselve na de ze alvoorens voor de gemeente te hebben laaten opleesen aan de ingeseetenen van elk distrikt int waarna de Hoofden en voornaamste ingeseetenen van de provintien; elk provintie in het bijzonder, voor de 'E secretaris van Albedijll en getuigen eene acte passeerden waar bij zij uijt naam van alle de ingeseetenen en hun zelven verklaarden mijne Mandaat ola te hebben hooren leesen, dies inhoud wel te hebben begreepen en voorstaan, en daar meede ten Hoogsten vergenoegd en voldaan te zyn, betuigende hunne dank erkentenis voor alle de gunsten bij deese gelee „genheid aan hun beweezen, onder 55 4 76. onder belofte, dat zij in den aanstaande zig als getrouwe en gehoorsaeme onderdaan en Ed: van de Companie zouden ge„ draagen, en alle op hun leggende verpligtingen behoorlijk nakoomen Met dit werk en het aanhooren van veele klagten was ik tot den 14. deeser beesig wanneer alle de ingeseeteren na alvoorens den E. dessave Raket hunne onder„ werping, met de schoonste belofte voor den aanstaande, betuigd te hebben; een elk na zijn land en zijn Huijs vertrok, na dat ik hun beloofd had dat alle hunne afson„ „derlijke klagten, die ik weegens gebrek aan teid, of weegens „heid de uitgebreede van derselver ondersoek, niet had kunnen afmaken 75 afmaaken, wijl andere gewigtige beesigheeden mij nagale terug reepen, door de Dessave Raket en twee Commissarissen, die ik van gale zoude zenden, en den landraad zoude laaten ondersoeken en na billijkheid afmaaken, steim vaij„ „heid geevende, indien zy verg met de uijtspraak niet meenden vol„ „daan te kunnen zyn, zig nader aan mij op gale te addresseeren. § 31. Ik was tot dit laaste verplegt wyl Men moet het volk in zulke gelee„ gentheelen wat ten goede houden de ingeseetenen zeer weinig ver„ niet temin waare het van trouwen in den matureese Dasha„ belang geweest om eeniege # landraad scheenen te nadere verklaaring te vraegen stellen, en niet geschroomd hadden waar op het weinig vertrouwen der ingeseetenen in den Mate„ bij zeeker geleegentheid, dat ik een „reschen landraad is gegrond der klaagens na den land-raad ten einde geleegentheid te hebben overwees te verklaaren, van hun om de ingeseekenen beetere gevoelens van deesen Raad intebdesemen, leever een zoldaat van mijn ƒ betafhement 5176. of ook om er in te kunnen voor „ detachement tot regter te stellen, sien, ingevalle deese Raad, wed„ dan gedagte Rechtbank: kelijk eeneege geleegentheid of Eeniege daegen voor mijn vertrek aanleijding mogte gegeeven heb„ hadden dO Dessave Raket geassis„ „ben om zoo kwalijk van den „teerd door den tweede Paklunsmeester selven te denken waar van nog De Moor een seer kundig man in de ten geen blijken aan deese Landszaaken en voor al van de ge„ regeering zijn voorgekoomen. „steldheid der Matureese Dessavonie, en 82. Negotie boekhouder Samlant geassisteerd door den g'autoriseerde Palm, reeds aan het ondersoeken van verscheide klagt zaeken, aan gaande knevelaaij en mishande„ ling in den Dienst begonnen, en zig tot dit werk in twee afsonderlyke ploegen verdeeld. De ingeseetenen scheenen hier over voldaan te zijn, en ik be „loofde mij een goed gevolg van deese wyse van handelen. Alle de zaeken op Mature in zoo verde 20 „ „ verre gezeegeld hebbende, dat mijne teegenwoordigheid van geen dienst meer konde zijn, maar in teegendeel niet goed was, wijl daar door den E. Dessave eenig „sints belet toegebragt wierd, om de dienst verrigtingen weeder zijnen verpligte en gewoone look te laaten neemen, waarmeede niet diende getalmd teworden en best was te beginnen nu de gemoederen nog waam en buig zaam waaren; en het welk eenig zints moeijelyk was zoo lang ik mij te Mature bevond, wyl de Hoofden zoo wel als hunne ondergeschikten nog aan hielden bij mij teloopen, in allealije voor„ stellingen te doen en gunsten te versoeken, het welk ook waar =schijnlijk

NL-HaNA_1.04.02_3892_0155 view scan ↗

English

5 177. probably would not have ceased as long as I was present. Besides this reason, I also judged my departure for Gale to be most urgent, as I had received reports from the Honourable Political Council and the Honourable Overseer of the Gale Corle, Van Schulen, that some inhabitants in the district of Gangebaddepattoe had banded together and an uprising was to be feared, with several persons who had made themselves guilty of this having actually been seized and arrested in Gale. Judging my presence in Gale to be most necessary and useless in Mature, I handed over on the evening of the 15th of this month the further care for the welfare of the Maturese inhabitants and the vigilance over the interests of the Honourable Company to the Dessave Raket, delivering to His Honour a memorandum and other papers relating to the present state of affairs, and departed on the morning of the 16th for Gale, where I arrived in good health towards evening, having had the pleasure during this journey to learn at Bellegam and along the way that the inhabitants were inclining towards peace and quiet and had returned to their old duties and the tilling of their fields. This peace and quiet will, I trust, 5 178. be lasting, provided that the necessary attentiveness is observed and the land is governed as it ought to be. May I be permitted to remark here that this requires a local knowledge gained through experience, and an understanding of the castes, obligations, privileges, and customs of the Sinhalese. This local knowledge, which is indispensable, especially with a people who have revolted and must be brought back to their obliged duties, can only be obtained through study and diligence in that field, just as is the case in the military, naval, and mercantile professions, of which latter the Honourable Raket undeniably possesses great merits and knowledge, having been trained in it from his childhood. It is for that reason, and because the Honourable Raket himself has been so modest as to declare that he has no knowledge or experience of the native administration, necessary that the Assistant Trade Bookkeeper Samlant, who is experienced in the native administration and has shown proof of competence, remain at Mature for some time longer, at least until the Honourable Raket has acquired some knowledge concerning the native administration; for it is certain that if one deviates in this department from the rules that native governance prescribes, and which are known to those skilled in local affairs, and which especially consist 5 173. in keeping every inhabitant to his obligation, maintaining him in his privileges, preserving him from extortions and exactions, and above all not burdening him with innovations contrary to the customs of the country; for by deviating from all these rules, one certainly cannot expect lasting tranquility, but on the contrary, recurrent revolts by dissatisfied inhabitants. On Ceylon one has had many dessaves who were not previously employed in the native administration, who were nonetheless good country rulers. Dessave De Coste, to speak only of recent times, was a military captain when he was appointed by His Right Honourable Excellency as Dessave of Colombo. De Roose, who was sent from Batavia to Ceylon as senior merchant, became Dessave of Jaffanapatnam shortly after his arrival. Dessave Kugnat became one from Chief Administrator, without having previously been placed in any native administration, and Dessave Vulling became one from Secretary. This principle also caused the Council of Gale to decide, by Resolution of the 20th of this month, to appoint the Overseer of the Gale Corle, De van Schulen, and the Overseer of the Areca Trade, the Honourable De Vos, both trained in the native administration, as Commissioners upon my proposal, to support the Honourable Raket in investigating and settling the numerous specific complaints of the inhabitants at Mature, just as these delegates from the Council of Gale departed for Mature on the 22nd of this month and began there the work assigned to them. I find myself honoured in the most agreeable manner, and my pains taken in this commission, so happily accomplished by me under God's blessing, fully rewarded by the high approval and favourable declarations that appear in this respect 5 180. both in Your Right Honourable's agreeable private letters and in the official letter of the entire government of this administration dated the 21st of this month. I certainly spent very many distressing moments during the recent disturbances in the Maturese dessavony, but these were made bearable by the confidence that I would eventually find an opportunity to convince the entire world of my goodwill in the service of my Lords and Masters, of my concepts of true honour, of my sentiments towards my hidden enemies—whom, however much grief they caused me, I nevertheless do not wish to put to shame—and especially of my desire to give Your Right Honourable proof of how much I wish above all to afford the same some pleasure and to earn the High approval of the same, just as I now indeed taste the agreeable satisfaction of seeing the aforementioned consolations fulfilled in my dizzying moments. I cannot refrain from assuring Your Right Honourable herewith of my open and hearty gratitude for having placed me in this position, and that by an absolute confidence.

Dutch transcription

5 177. „schijnlijk niet zoude opgelouden hebben zoo lang ik teegenwoordig was. Behalven deese reeden oordeelde ik mijn vertrek na gale ook nog hoogst noodsaekelijk, wijl ik beregten van den E Politiquen Raad en den E. op siender der gale„ Corle van schulen gekraegen had, dat eenige ingeseetenen in het landschap de Gange baddepattoe tezaamen gerot waaren en een opstand te vreesen was, zijnde werkelyk eenige persoonen die zig heer aan schuldig gemaakt hadden, opgevat en te gale ge arresteerd Dan mijne teegenwoordigheijd te gale hoogst nodig en testature omnsuttig oordeelende, dooeg ik den 15. deeser des avonds de verdere men heeft onceilon meeniege verdere zorge over het wel sijn dek matureese ingeseetenen en de waak„ „saamheid over het belangen der Ed: „ Ratet Comp den 8. dessave „ datsz op zyn E: eene memonie en andere pa„ pieren tot de teegenwoordiege teids gesteldheid betrekking hebbende overgeevende, en vertrok den 16e des morgens na gale, alwaar ik teegen den avond in getondheid aankwam hebbende geduurende deese reize het genoegen te Bellegam en langs de weg te ver„ neemen dat de ingeteetenen zig tot rust en vreede schiklen en aan hunne oude verpligtingen en het bearbeiden Hunner velden gegaan waaren. Deese rust en vreede vertrouw ik § 32. destaves dat 5178. dat van duur zal zijn, in dien de des saves gehad die bevoorens in geen land diensten zijn ge-em„ noodige oplettendheid beseffend ploijeerd geweest die daarom des en het land, gelijk behoord besteerd niet temin goede landregenten word. Het zy mij geoorhoofd hier geweest zyn De dessave De Coste om alleen van de jongste lijden bij aantemerken, dat hier toe eene te spreeken was kaptein Mililair door ondervinding verkreegene Land, toen wij door H. W. E. tot dessave „kunde, en voor de kennis van de van kolombs wierd aangesteld. Castas, verpligtingen, voor regten, D 0: Roose die als opperkoopman van Batavia na Ceilon gezonden en usantien der singaleesen be„ wierd kort na zijn aankomst hoord Deeze landkunde, die voor Dessave van Jaffanapatnam:„ De Dessave Kugnat is het ge„ al by een volk dat gerevolteerd worden van Hoofdadministrateur heeft en weeder tot haar verpligt zonder te vooren in eenig land dienst werk moet gebragt worden, nood„ te zijn geplaatst geweest en de Dessave vulling is het geworden zaakelijk is kan niet anders van secretaris verkreegen, worden dan door studie en werksaamheid in die taak, evergelyk dit by het Meli„ „taere, het zeeweesen en het Mei cantieele ook plaats heefd, van welk laaste de E Raket onwee„ derspreekelyk veele verdiensten en 21 en kunde heeft, zijnde daar by van zijne kindsheid af aan opgelijd. Aet is daarom en wijl den 2. Raket zelve zoo bescheeden geweest is, van de verklaaren geene kennis of ondervinding van de landdienst te hebben nood zaekelijk dat de 2 Negotie boekhouder Samlant, die in den landdienst ervaaren is, en blijken van kunde gegeeven heeft nog eeniege beid testatrike blijven, ten minsten zoo lange tyd dat de E Raket seg betaek lijk den land dienst eenig kermnis heeft gemaekt, want het is see„ „ker dat zoo en in dit fak word afgeweeken van die reegels die 't landbestier voorschrijven, en die aan landkundige bekend zyn; en die bijzonderlijk daar in bestaan 5173 bestaan, dat een ieder Jngeseetenen tot zijne verpligting moet worden gehouden, in zyne voorrigten ge„ mainktineerd; voor knevelaaijen en afpersingen bewaard, en voor al met geene nieuwigheeden teegen 'slands gebruiken streij„ „dende opgelaaden, worden. want van alle deese reegels afwijkende heeft men zeeker geene voort„ duuring van rust, maer daar en teegen van teid tot teid revoltes van misnoegde inge„ seetenen te verwagten. Deese stel veegel heeft ook den gaals en Raad doen besluijten bij Resolutie van den 20. deezer, den opsiender van de Galekonle de van Schulen in den opsiender van de arreek dE Devos, bij de in den landdienst geoeffend„ als als Commissarisen op myne voorstelling te benoemen om den E: Raket in het ondersoe„ „ken en afdoen der menig vuldige speciaale klagten den Ingeseetenen te Matiere te ondersteunen gelijk deese gecommitteerden uijt den gaelsen Raad dan ook den 22. deeser na Mature vertrokken zijn: en aldaar met het hun opgedraagen werk begonnen heb. Ik vinde mij op de aangenaemste weise vereerd, en mijne genoo„ „mene moeite, in deese door mij onder godes zeegen, zoo gelukkig volbragte Commissie„ ten vollen beloond, door de Hooge goedkeuring en genegene ver„ „klaaringen, die ten dien op sigte voorkomen 5180 voorkoomen, zoo wel by uwel Edele Gestr: Groot Achtb: aangje„ „naame afzenderlijke brieven, als bij de officieele brief. der geheele regeering deses gouver„ nements in dato den 21 deeser. Ik heb zeekerlijk bij de laeste onlusten in de Matekse dessavonie zeer veele verdrietige oogenblikken doorgebragt, dog deese zijn ook al daoglyk geweest door het vertrouwen dat ik wel eens geleegentheid zoude vinden de geheele waeseld te overtuigen van mijne welmeenendheid in den dienst mijner Heeren en Meesteren van mijne deuk„ beelden van waare Eede van mijne sentimenten teegens mijne schuilende vianden die die ik hoe leed ik hun vergte egter niet begeere tot schande te maaken, en voornamentlijk van mijn verlangen om uwel Edele Gestr: Groot Achtb: blijken tegeeven hoe zeer ik wensch voogst denselven eenig genoegen aantebrengen, en Hoog derselver goedkeuring ter verdienen gelyk ik thans dan ook wer„ kelijk de aangenaame vol„ doening smaake de evergem vertroostingen in mijne ver„ duzelige oogenblikken vervuld tezien, jk kan niet voor bij „uwel Edele groot Achtbaare bij „deese mijne opentlijke en haatelijke dank erkentenis te verseekeren van mij in deese geleegentheid, en wel door een onbepaald vertrouwen ge bragt

NL-HaNA_1.04.02_3892_0163 view scan ↗

English

5181. except for some plantations lying deep in the country in the vicinity of the dwellings of the [illegible] to have brought. Before I conclude this, may I be permitted to set down my particular remarks and thoughts concerning the origin and the progress of the latest unrest in the Matara Dissavony. In my judgment, this unrest was caused by a real dissatisfaction of the inhabitants. This dissatisfaction has arisen from the accumulated abuses and extortions suffered and undergone for many years past, through imposed and not in accordance with the caste or birth and obligations of the inhabitants, consistent new burdens; without the addition of new rewards; while on the contrary the old rewards were taken away. All these injustices could not have happened otherwise than with the prior knowledge and even with the cooperation of the native Chiefs and, as experience teaches, cannot be countered, no matter how well-intentioned a country Regent may be, unless, in addition to his well-intentioned nature, he has the necessary knowledge of the country's administration and sufficient desire to counter all the unpleasant encounters within the same with composure and patience. § 23. Against abuses and extortions of the inhabitants by the native chiefs, both high and low, provision has always been made as far as possible and must therefore continue to be made. The circumstances of the times often require one or another new arrangement that cannot be avoided. Thus, for example, about 20 years ago, one had to impose the carrying away of the cinnamon upon the chalia people, because otherwise, due to the scarcity of the cinnamon, there was not enough time left for peeling; yet for this special service the people are paid 2 stuivers a day in the customary allowances of rice or paddy; they are likewise paid for all plantings carried out on the Company's account with the allowances of rice or paddy, and one stuiver a day, insofar as the work in the Dissavony of Colombo was performed by laborers, wherein they received only paddy and no money. In the Dissavony of Matara, about 5 years ago, paddy and money were also provided, but because the work did not match the costs, the principal chiefs themselves pointed this out, and therefore that provision was stopped; however, since some time ago, allowances of 2 parras of paddy per month without money have again been provided to the plantation workers. Other new obligations that might have been imposed on the inhabitants are unknown to this government, just as it is also unknown to this government that any rewards were taken away from the inhabitants, unless this might refer to some readjustments in the accommodations, made about 20 years ago by the Honorable Senior Merchant Burnat at the time he was Dessave of Matara, by virtue of the standing orders, which command that one must try as far as possible to grant the accommodations /maintenance lands/ from such regions as are most remote, and from which it is correspondingly difficult for the Company to have the rightful revenues collected. In the matter of the accommodations in the Matara Dissavony, new provision will now be made on account of the settlement of the complaints. However, if Mr. Commander Sluijsken should know of any new obligations under which the native has been placed, from which they ought to be released, or also that any rewards to which they are entitled are withheld from them, this government will receive his indication thereof with pleasure. Among the injustices spoken of here, Mr. Sluijsken undoubtedly understands nothing other than the unreasonable actions that the native chiefs now and then commit against their subordinates. All the means employed from time to time to prevent this § 34. having been found insufficient, this government, in order to counter this more effectively, sees no other means than that more European servants be employed in the country's administration, the necessity of which has already been demonstrated repeatedly to Their High Mightinesses. 5182. That the aforementioned dissatisfaction of the inhabitants over suffered abuses and injustices has not already been seen breaking out for some time, and even for some years, is in my view solely attributable to the fact that the interest of the Chiefs did not make it necessary earlier. I believe, however, that this dissatisfaction, as far as the common man is concerned, turned into a general revolt solely out of fear of the expedition to Baddiginie, and that this revolt was now deemed necessary by the Chiefs out of particular designs, possibly out of fear that their actions could no longer remain concealed, and that they therefore found the expedition to Baddiginie suitable as a pretext; for had this not been the aim of the Chiefs, they would certainly have informed the Honorable Dessave van Angelbeek of the discontent of the people against this expedition, and not, after 5783. under the pretext of goodwill toward the Honorable Company and toward His Honor, offering their subordinate people as volunteers for the establishment of the intended settlement, attempted to compel these people to this journey by force, as it appears has happened, against the intention of the Dessave van Angelbeek, who testifies to have desired none but voluntary people, with the exception of some workmen, for this journey. From this one will be able to conclude that the foremost Chiefs, or some of them, were the instigators of the revolt in the Matara Dissavony. At least I find this very probable, and will my

Dutch transcription

5181. gesondert eenige plantagies die diep in 't land leggen in de nabijheid van de wooningen der bragt te hebben. voor dat ik deese sluijte zij het mij geoorloofd mijne bijson„ deze aanmerkingen en gedagten over den oorsprong en dies voort„ gang, van den laesten zaamen„ rottingen in de Matureese Destavonie ter needer te stellen. Na mijn oordeel wierden deese zaamenrottingen door een wer„ „kelijk misnoegen der Ingesee ƒ 1 teren veroorsaekt. § 23. Teegens mishandelingen en kaetelaaijen Dit mis noegen is ont„ der ingeseetenen door de inlandse hoofden soo groote als mindere is steeds na moge„ staan door zeedert veele lijkheid voordien en moet dus bij voortdeering geschieden. De omstandigheeden van tijden vorderen dik Jaaren herwaards on„ wils dese of geene nieuwe inrigtingen, die niet te ontwijken zijn, so heeft men bij voorbeeld 'zaf dergaanen en opgestaa„ draagen van de kanneel omtrent 20 Jaeren geleeden de kores volkeren moeten opleggen, wijler door de schaarsheid van de kaneel anders in t geen tijd ge„pelde mishandelingen noeg overschoot tot 't schillen, dog voor dese bezondere dienst word 't volk betaalt met 2: stu sdaags in de gewoone mandementos van rijst of Nelij ze syn ins, en kneve laaijen, door gelijks betaalt voor alle aanplantingen die voor reek: van de komp zyn gedaan met de mandementos van uytt ofnelie; en een stuyver sdaagd, voor zo verre belaeft 't werk in de Dessavonie van kolombo uijt„ arbeiders opgelegde e aanweijsing daar omtrent met welgevallen geld genoten hebben- in de dessavonij van Matere opgelegde, en niet met de is voor omtrend 5 Jaaren ook nelie en geld verstrekt, dog weil 't werk aan de onkosten niet voldeed, hebben de principaale hoofden dit selfs vertoond, en is Casta of geboorte en ver„ daarom die verstrekking niet meer gedaan, dog zedert nu eeniegen tijdt weeder mainctementos van 2 parr: nelie smaands zonder geld, aan de plantagie pligting der ingeseetene werkers verstrekt, Andere nieuwe verpligtingen die de ingeseetenen zoude zijn opgelegd, zijn deese regeering onbekend, zoo als ook dese regeering onbekend is, dat over eenstemmend nieuwe aan de ingeseetenen eenige soude belooningen zoude syn afgenonden, ten zij dit mogte zien op eenige verschikkingen in de accomodesars, nu voor omtrent 20 jaren gedaan lasten; zonder toevoe door den E. opperkoopman Burnat ten tijde wij dessave van mature geweest is, uit hoofde van de leggende ordres, die beveelen dat men so veel mogelijk de accomodasans /onder ging van nieuwe beloo„ houdslanden/ moetsoeken te geeven ui't zulke streeken, die 'tmeest afgeleegen zijn, en waar van 't de komp na maete„ van dien, moeijelik is om de geregtigheid die er van inkomsningen; terwyl in tee te doen afhaalen. In 't stuk van de accomodesans in de Ma„ teresche dessavonie zal nu, uit hoofde van de afdoening der klagten, op nieu worden voorzien. zo de Heer komm gendeel de oude beloo sluijsken nogtans eenige nieuwe verpligtingen waar onder den Jnlander gebragt is, mogte weeten aan tewysen waar van te zouden dienen teworden ontslagen ningen afgenoomen obook dat hun eenige belooningen waar toe ze gewettigt zijn, worden onthouden, zal derde reegeering zijne wierden. arbeiders, waarin, deselve alleen nelij en geen onder de onregtvaardigheeden Alle deese onregtvaaadigen waar van hier gesprooken word verstaat de Heer sluijcken onge„ „heeden hebben niet anders twijffeld niet anders dan de dan met voorkennis en zelvs onbellijkheeden, die de inlandse met toedoen der Jnlandsche Hoofden nu en dan aanregten teegens hunne onderhoorigen Hoofden kunnen geschieden Alle de middelen van tijd tot tijd tewerk gesteld, om dat tebeletten en, gelijk de ondervinding § 34. niet leerd ontvangen. 23 5182. niet toerykende bevonden zynde leerd, niet kunnen tegengaan hiet deese regeering, om dat meer worden, hoe weldenkende een Aficacien teegen te gaan geen ander middel, dan dat er meer land Regent ook is, ten zij Europeese bediendens in 't lands hij bij zijne weldenkendheid bestier worden ge-emploijeerd waar van de noodsaekelijkheid de noodiege kennis van het reeds een en andermaal aan land bestier en tust genoeg Hunne Hoog Edelheeden is heeft, alle de onaangename vertoond. ontmoetingen in het zelve met bedaardheid en gedald teegen te gaan Dat men het evengem: misnoegen der ingezeetenen over ondergae„ „ne mishandelingen en onregt „vaardigheeden niet reeds zeedert eeniege tijd en zelfs zeedert eenige jaaren heeft. zien uijtbreeken, is na mijn begrip alleen daar aan toeteschrijven dat het be„ lang der Hoofden dit niet eerder noodzaakelijk maekte„ W 13 „ Ik geloof egter dat deeze mis„ „noegdheid, zoo verre de gemeene man aangaat alleen uit vrees voor de togt na Baddiginie tot een algemeen opstand is uijtgekoomen, en dat deese opstand door de Hoofden uijt bij ondere inzigten, mogelijk uijt vrees, dat hunne bedrijven niet langer konden bedekt blijven, nu noodig geoordeeld wierd en dat zy daarom de togt na Baddigisie tot voor„ „wendsel goed vonden, want was dit niet het oogmerk der Hoof„ „den geweest, zouden zij den E. de Have van Angelbeek Zeeker„ „lijk van het onvergenoegen des volks, teegen deese togt, hebben onderrigt en niet, na dat te onder 5783. onder voorgave van welmeenend„ „heijd voor de Ed. Comp. en voor zijn E, hunne ondergeschikte volkeren tot het aanleggen der gedagte volkplanting als vrijwilligen aan booden deese volkeren tot deese reise met geweld hebbende willen dwingen, gelyk blykt dat geschied is, teegen de intentie van de 2 dessave van Angelbeek die betuijgd niemand dan vreij „willige menschen, uitgezondert eeniege werkslieden, tot deese togt te hebben begeerd. Hier uijt zal men kunnen op„ „maaken dat de eerste Hoofden of eeniegen van Hhun, de aan= „leggers van de opstand in de Matureese dessavonie geweest. zijn. Venminsten ik vinde dit zeer waarscheinelijk, en zal mijne

NL-HaNA_1.04.02_3892_0168 view scan ↗

English

further explain my thoughts regarding this below. First, I must demonstrate that the minds of the people, besides the influence of the Headmen and besides the expedition to Baddigirie on account of dissatisfaction, were already inclined toward rebellion, and that nothing was lacking but a good opportunity to cause this revolt to break out generally. That the people have already been dissatisfied for a long time, and that this dissatisfaction has gradually increased and grown more and more, is proven by the following considerations supported by experience. It is well known that the greater and lesser native Headmen in the country have always regarded the common man as instruments of which they believed they had the right to make use at their pleasure in order to expand their wealth; they employed the people for their own ends through all sorts of injustices and extortions, and indeed frequently in the name of the Honourable Company, with these Headmen mostly passing off their private affairs as Company's work. Paragraph 35. The inhabitants, if they thought reasonably, have on the contrary much reason to flatter themselves that in proportion as there is more supply of cinnamon in the country, they will be the less exposed to the unpleasantnesses mentioned on the other hand; also, one hears now much less of such complaints than in earlier years and before more work was commenced. That the inhabitants should have an aversion to laying out cinnamon plantations precisely because it is cinnamon—if such ever existed at all—has long since no longer been perceived. It is much more the laziness of the native that causes him to have an aversion to all kinds of labor of whatever sort; for the rest, it is certainly indifferent to them whether they plant cinnamon, coffee, pepper, areca, or whatever other products it might be. The laying out of cinnamon plantations was regarded by the inhabitants as a burden contrary to their innate obligations; they had all the more aversion to this work because they feared that when cinnamon trees were to be found everywhere, everyone would then be exposed to unpleasant encounters and persecutions from the Chalias, who, as they had already experienced, could cause much harm by accusing them of having ruined cinnamon trees, or by pinning some other malicious acts upon them. Paragraph 36. From earlier times it is known that formerly one similarly had such complaints from the people about the planting of coffee and pepper, and the cultivation of indigo, or whatever else it might be. In particular, it is known what trouble the Commandeur Captain De Jong took in his time for the laying out of pepper plantations, and what costs he had to spend out of his own estate to encourage the people and to overcome their inborn laziness and sluggishness. The aversion of the people to the cinnamon culture became apparent at the beginning thereof, for whatever trouble was taken to carry out this planting, which was so well-meaningly devised and which promised so much benefit to the Honourable Company, one could nevertheless hardly succeed therein until one encouraged the native thereto by granting him honorary titles, distinguished offices, and other tokens of favor when he was willing to burden himself with this work. Greedy for honorary titles and distinction, many of the principal Sinhalese soon offered themselves to undertake considerable cinnamon plantations. They bound themselves thereto by notarial deeds and on pain of forfeiture of their distinguished offices and monetary fines. Many of them subsequently indeed made considerable plantations. Yet one easily understands how much the common people—who were forced to labor on these plantations by the contractors, who were mostly the foremost Headmen, and who often, according to the complaints and grievances lodged with me, had to sacrifice and lose their own gardens and lands because the said contractors found the same suitable and convenient for these plantations—became more and more disaffected with this cinnamon culture. It has never been the intention of this government to authorize those who have taken such obligations upon themselves by deeds to demand more from their subordinates than the labor to which they are obliged, and in so far as they might have done so, that is certainly an abuse of authority. There is hardly any native Headman who has not—one to please his master, the other to be appointed to an office, the third to obtain an honor and honorary title—undertaken to plant cinnamon, coffee, pepper, areca, sappanwood, etc., and that mostly far above their true abilities to accomplish the same. In the deeds of obligation of these contractors, a certain time was determined when the planting had to be completed if the contractor did not wish to incur the stipulated penalty. Some of the contractors had not fulfilled their obligations, and the time having expired, the Honourable Dessave van Angelbeek, in all fairness, imposed on them that penalty to which they had voluntarily subjected themselves by the deed. This made all the other contractors, who, as already said, were the first persons of the country, attentive and convinced that, not having fulfilled their obligations—which were now mostly all expiring or had expired—nor being able to fulfill them, the fear naturally arose in them that they had forfeited either their posts, their acquired honorary titles, or some monetary fine; this fear was

Dutch transcription

mijne gedagten desweegens hier onder nader verklaaren. voor af dien ik aantetoonen dat de gemoederen des volks behalven den invloed der Hoofden en be „halven de togt na Baddigirie weegens misnoegdheid reets tot oproer geneegen waaren, en dat niets als een goede gelee„ gentheid ontbrak om deese opstand algemeen te doen uijtbreeken Dat het volk reeds zeedert lange misnoegd is geweest en dit mis„ noegen langsaamer hand al meer en meer is toegenoomen en aangegroeid, bewijsen de vol„ gende op ondervinding steunende overweegingen Het is bekend dat de meerder en minder 24. 5184. mindere inlandse Hoofden in het land altoos de gemeene man hebben aangemerkt als werktingen waar van de meenden het regt te hebben zig te kunnen bedienen na hun welgevallen om daar meede hunne vermoo„ gens wittebreiden; zij hebben dat het volk door allerlen on„ „rechtvaardigheeden en kneven„ „larijen tot hunne oog merken geemploijeerd en wel veelteids op naam van de Ed: Compenie laatende deese Hoofden meest al hunne partikuliere ver„ „regtingen voor 'sComp„s werk door gaan 8. 35. De ingeseetenen indien de redelijk Het aanleggen van kanneel dagten, hebben meer veel reedenen plantagien wierd door de om zig te vlijen, dat na maate 'er meer ingeseetenen 24. meer voorraad van kanneel in 't ingeseetenen als een last aan„ land is, ze te minder zullen „gemerkt, teegen hunne aange„ zijn bloot gesteld aan de onaan„ genaamtheeden waar van hier boovene verpligting strijdende, tersijden gesprooken word, ook zy hadde in dit werk te meer hoort men tans veel minder van diergelyke klagten, dan in vroe„ teegen zin, wijl hij vrees den „gire Jaaren en voor dat men dat wanneer er kanneelboom en meerder werk is begonnen. Dat de ingeseetenen een teegenten over al tevinden waaren, als dan soude hebben in het aanleggen een ieder zoude blood gesteld van kanneel, plantagien even daarom, om dat het kaneel ik heeftmen zijn aan onaangenaame ont„ zoo het ook ooit mogten hebben bestaan, seedert lange niet meer moetingen en vervolginge der bespeurt, Het is veel meer de Tjaliassen; die hun zoo, als linheid van den inlander, die deselve een teegen ten doed ze reeds ondervonden hadden, hebben, teegens alle zoorten van veel kwaad konde stigten, met werken hoegenaamt voor het overige is het hun zeekerlijk in hun te beschuldigen van kan„ onverschillig of de kanneel, dan wel koffij, peeper arreek of „ neel boomen te hebben gerui„ welke andere produkiten het ook „neerd, of hunne eeniege zoude moogen zin, aanplanten. andere moetwilliege bedrijven aan te han„ „gen § 36 5185. § 36. Het is nooijt de intentie deeser uijt de vroegere tijden is het De teegen zin des volks bekend, dat men eertijds, even teegens de Caneel kulture diergelijke klagten van het volk gehad heeft, over het aanplanten is in den beginne daar van van koffij en peeper, en het aan„ „kweeken van indigo of wat het gebleeken, want wat moeite meer mogte ind onderheid is het bekent men ook genoomen heeft om wat moeite de Heer kommandeur Capitein De jong, tot 't aanleggen deese aanplanting die zoo van peeper plantagien, in zijn welmeenende ontworpen was tid heeft aangewend, en wat kosten ty uit zijn eige vermogen en die zoo veel voordeel aan heeft moeten besteeden ter aan„ de Ed. Comp beloofde doorte„ moediging van het volk en om derselver aangeboorene luiheid, letten, heeft men egter daar„ en traagheid te overwinnen.. omtrend by na niet kunnen slaagen, dan na dat men de inlander daar toe aanmoedigde door heen eertitees, aan zien„ lijke diensten en andere gunst bewijsen toetestaan, wanneer hi zig met dit werk wilde belaaden. Verdot op eer titels en aansien regeering booden 537. regeering geweest, om de geenen booden zig spoedig veele der die zulke verbintenisse bij aktens voornaamste singaleesen aan„ op sig genoomen hebben, daar door om aansienlijke kanneel aan„ te autoriseeren om van hunne „plantingen te doen, zij verbonden onderhoorigen meer te vergen aan den arbeid waar toe ze ver„ zig daar toe door: notarieele pligt zijn, en in zoo verde zi des actens en op verbeurte van hun mogten hebben gedaan, is dat zee„ aansien diensten en geldboeters. kerlik een misbauijk van veele hebben na dien werkelijk aansienlijke aanplantingen gedaan dog men begrijpt ligt hoe zeer het gemeenen volk, dat door de aanneemers, die meest al de eerste Hoofden, waaren, gedwongen wierd om deese aanplantingen te arbeulen en dikwils volgens de bij mij ingebragte klagten en be„ 1 „swaaren hunne eigene tuin en en landen moesten op offeren autoriteid bi 5186. en verliesen wijl gedagte aanneemers deselve tot deese aanplantingen bekwaam en geleegen vonden, teegen deese kanneel Culture meer en meer ingenoomen wierden. Daar is bij na geene Jnlandsch Hoofd die niet, den eenen om zyne gebieder te behaagen, den anderen om in een dienst gestelt teworden, de derde om een hoomeur en eertitul te verkrijgen aangeno„ „men heeft aanplanting van ka„ „neel, koffij, Peeper, Arreek, sappanhout Mc=a te doen, en dat meest alleen verre booven waare vermoogens om deselve te kunnen volbrengen. Bij de verbintenis ac„ „ters deesen aanneemers was een Leeker 45 zeeker teid bepaald, wanneer de aanplanting moest volbragt zijn wilde den aanneemer niet in de bepaalde paene vervallen. Eenige der aanneemers hadden hunne verbintenisse niet volbragt, en de teid verstooken zijnde bij de d E Dessave van Angelbeek, met alle billikheid, hun die staaf op waar aan de zig bij de acte vrij willeg onder worpen hadden. Dit maakte alle de overeege aannee „mers, die gelijk reeds gesegt de eerste persoonen van het land waaren op merksaam en overtuigd dat de aan hunne verbintenissen die meest allen nu ten einde liepen of geloopen waaren, niet voldaan hadde, nog voldoen konden, ontstond en hun natuurlijken weise de vries dat zij of hunne bedieningen of hunne verkreegene eertitels of eenig geld boete verbeurt hadden, dese vaas was

NL-HaNA_1.04.02_3892_0175 view scan ↗

English

That the chiefs in the Matara dessavony can only judge that in general, or entirely, fear was all the greater because they felt they had voluntarily placed themselves in this situation, and because they had seen that the Honorable van Angelbeek conducted himself according to the contents of the deeds of agreement. It was natural that all the chiefs and contractors began to think of means to remove the danger that loomed before them. Nothing was certainly more expedient for this purpose than to have a general revolt staged by the common people, who had so much personal interest in ensuring that these plantations would no longer take place in the future. For these plantations had to be planted, prepared, and maintained by the common people without being rewarded for their trouble, while their own lands and gardens came to suffer thereby. Section 38. That the chiefs had availed themselves of the opportunity to rid themselves of the obligations they had undertaken is very credible, though the claim that the people had to work so excessively upon them has been greatly exaggerated, as is already apparent from the fact that these obligations were not fulfilled, or fulfilled only very defectively. This will become further evident when one examines all the plantations made, piece by piece, and sees what has been accomplished during 4 or 5 years. When one considers in addition the great multitude of people over whom this work was divided, one readily sees how greatly these complaints have been exaggerated. The condition of the common man, on the other hand, has been improved not a little by the abolition of the pareas of the native chiefs, which it is known that in earlier times were imposed to indemnify these chiefs, and which they consequently used to bear at least for the greater part. By the letter of the Colombo Government dated the thirtieth of April in the year 1789, the Honorable Dessave van Angelbeek was qualified to employ one thousand men while granting them two parras of nelly. In order to ascertain the truth, that the inhabitants of the Matara dessavony have no such great reason as they pretend to complain about the labor they performed for the native chiefs who had bound themselves to certain plantations, and at the same time to be able to see what measures are necessary for the future to promote this work, it has been approved and resolved to have a special survey made of all these plantations of cinnamon, etc., made by the chiefs in the Matara dessavony, as soon as circumstances permit. In this investigation it will also be most convenient to examine the validity of the inhabitants' complaints that their own lands and gardens have suffered from these plantations. This will probably amount to a number of deceased and abandoned lands from which for many years no inhabitant was again called upon to make any use. The former Dessave van Angelbeek testifies that in the garden of Kappoegame mentioned here at the side, no more than 30 people of the gajenaike ever worked. And because the disaffected have complained in the highest degree of having had to work in this garden with 470 heads while enjoying only a single parra of nelly a month, The disaffected have declared in the highest degree that in the garden of Kappoegamme four hundred seventy heads had to work while enjoying only a single parra of nelly a month. Section 39. and that this is a special case that can be investigated quickly, it has been approved and resolved to have this investigation made immediately, and to have the bookkeeper Frankena, who made the distribution, prove how much nelly he distributed monthly to each man. The people were also little disposed toward these plantations, in view of the harsh treatment by the overseers of the plantations, which caused them to suffer many injustices. These overseers seem to have... In the investigation that is currently under way, the validity or invalidity of the complaints will also probably become clearer, that the overseers of the gardens supposedly made a practice of having the fences broken down in order thereby to have the opportunity to impound the cattle of the inhabitants. The former Dessave of Matara and present provisional Principal Administrator, having been questioned on this matter, declared that he cannot recall that any complaints were ever brought to him regarding such wanton conduct of the overseers of the gardens; that he endeavored as much as possible to accommodate the public regarding the impounding of cattle; that it would certainly be very hazardous to attempt to give an exact account of all the cattle impounded in the plantations and brought to Matara, nor which were... Section 40.

Dutch transcription

5187 Dat de hoofden in de Materese dessavonie van uit alleen te beoordeelen dat over 't algemeen of geheel vraes was te grooter wijl de gevoelden zig vrijwillig in het geval gebragt „ te hebben, en wijl ze „ zien hadden dat de Heer van Angelbeek sig na den inhoud der verbintenis actens ge„ droeg. Het was natuurlijk dat alle de Hoofden en aanneemens op middelen begonnen te denken om 't gevaar dat hun te voorenstaad te verwijderen: Niets was hier toe zeeker gedievelijker dan een alge„ meenen op stand telaaten doen door het volk dat zoo veel eigen belangen had dat deese aanplanting en in den vervolge geen plaats meer vonden. want deese aanplantin „gen moesten door het gemeene volk aangeplant instaat gebragt en onderhouden worden zonder dat ze voor hunne moeite beloond wierden terwijl hunne eige landerijen en thinnen daar onder kwamen te lyden. § 38. „dig van de verbintenissen die de op zig genomen, hadden te intslaan, is zeer geloofbaar, doog dat het volk dat ze daar in zoo buiten maatig hebben moeten werken zeer vergrootend is opgegeven is reets daar„ dede geleegentheid hebben gebruik gemaekt, om Bij kolombose regeerings niet brief niet, of niet dan seer gebrekkig aan deese verbintenisse is voldaan, 't geen nader zal blyken als men alle de gedaane aanplanting en voor sluk tot stuk nagaet brief van den dertigste en ziet wat er geduurende 4 of 5 jaaren verrigt is Als men nu daar bij de denkt de groote meenigte April Anno 1789 wierd van menschen; waar over dit werk heeft gerouleerd diet men ligt, hoe zeer deese klagten zijn geexa den E Dessave van xgereert, De toestand van den gemeenen man is daar en teegen niet weinig gebretert door het afschaffen van de pareassen der inlandse hoof„ Angelbeek gekwa„ „den, die men weet dat in vroegere tijden aan de Einde dese Hoofden schadelood te stellen, en welke ze mits dien ten minsten voor 't grootere gedeelte plegen te draagen. om van de waerheid dat de ingeseetenen van de Materiese dessavonie geen zoo groot reedenen hebben als te voorgeeven, om de tebeklaagen over den arbeid die ze gedaan hebben voor de inlandse twee hoofden, die zig tot eenige aanplantige hadden verbonden en om tevens te kunnen zien wat maat neegelen en voor den aanstaande nodig zijn ter„ bevordering van dit werk is goedgevonden en ver„ staan om een speciaale opneem van alle dese door de hoofden gedaane aanplantingen in de materese dessavonie kanneel etCetaa te laeten doen, zoo dra de omstandigheeden 't zullen kunnen geheugen / zij welk ondersoek ook bekwamelikst zal te moogen zijn nategaan de gegrondheid van der ingeseetenen klagten, dat hunne eige landerijen, en tuinen bij deese aanplantingen zin koomenteliden, 't geen vermoede ken lijk zal uitkoomen op een partij verstorvene, verlaa„ „tene gronden waar van zedert lange jaaren nie„ ingeseeten en wederom wierden ingevorderd ten lificeerd om met Duysend man on„ der het genot van dE. geweesene Dessave van Angelbeek betuigd De misnoeg den hebben dat in de hier ter yde vermelde tuin kappoegame nooit meer dan 30 luiden van de gajenaike ge„ werkt hebben, en wyl de misnoegden sig ten zig ten hoogsten be„ hoogsten hebben beklaagd, van in desentum met 470 koppen, onder het genot van slegts een klaard dat in de thuijn enkelde parra nelie smaands, te hebben §39. bewer„ paaras Nelie „verdere de thuijnen van moeten Aan „mandeenig gebruik gemaakt heeft. 26 26 5180 moeten arbeiden, en dat dit een van kappoegamme vier speciaal geval is, dat spoedig kan worden ondersogt, is goedgevonden hondert Zeeventig kop„ en verstaan, dit ondersoek ten eersten te laaten doen, en om den boekhouder pen onder het genot Frankena, die de verstrekking ge„ daan heeft, telaaten bewijsen, hoe slegts een enkelde par„ veel nelie wij aan een elk Man waandelijks heeft verstrekt Smaands „ka nelie moeten hebben arbeiden „niet Het volk was ook weinig handen is, sal waarschijnlijk ook nader blyken de gegrondheid of on gegrondheid der klagten dat de opzig ingenoomen teegen deese ters der tuinen zig daar op zouden hebben toegelegd, om de thijningen te aanplantingen, aangezien laaten stukken breeken, ten einde daar door geleegendheid te hebben, om de koe beesten der ingezeetenen te kunnen opor de ligte behandelingen De gew: dessave van Mature en presente der, op rigters van de plan„ p:l hoofdadm:, hier na gevraagd synde heeft overklaard, dat hij zig niet weet te hrerinneren dat er immer of ooet bij hem omtrend een zulk boovaardig gedragt agten, die hun veele der opzigters van de tuinen eenige klag „ten zijn ingebragt. Dat hij zoo veel mo: onregtvaardig heeden gelijk geweest is 't algemeen in 't op„ vatten der beesten heeft zoeken te gemoet te koomen. Dat 't seeker zeer gehaielen ondergaan: deese sardeerd zoude zijn om eene Juste opgave van alle beesten die in de planta gies opgevat, en na Mature opge psigters scheijnen zig bragt tezijn te willen doen, nog ook welke Bij 't onderzoek dat tans onder §: 40. daar „ten de

NL-HaNA_1.04.02_3892_0178 view scan ↗

English

have paid a fine, as it is hardly possible to recall such minor settlements of affairs among thousands of cases over a long time. That in the meantime he believes it is estimated very high if he assumes that there are ten persons who have paid a small monetary fine of two or more schellings, according to the wealth of the owners, for their seized cattle, and which fine was divided among those who had seized the cattle; whereas, on the other hand, there may perhaps be a hundred who have received their cattle back without paying any fine; that this fine was only taken in such cases where it appeared that the owners, out of malice, would not tend to their cattle, and to whom their seized cattle had already repeatedly been returned without any fine. That such cattle, for which after the lapse of some days no owners appeared in Matara, were handed over according to custom to the usual guardians, in order that when the owners appeared later, they might also be returned to them, as has always happened as soon as the owners made themselves known. Whereupon it was resolved to make this note, and that the Honorable Commander Sluijsken shall be ordered, as he is ordered hereby, to have a closer investigation conducted with all accuracy following these declarations of Mr. van Angelbeek, in order that it may be known what truth there is to these complaints, and that one may also better provide against it in the future. Concerning that which appears here, that several such cattle were pointed out, either in the garden belonging to the former Dessave van Angelbeek and the free merchant Franchell at Galgame, or in an oil mill of the latter close to Matara: the Honorable van Angelbeek, having been questioned about this, answered that nothing of this is known to him; that Joan Carel alone had the management of the garden at Galgame, and that he requests that a further sworn statement may be obtained from Joan Carel on this matter. It was resolved to make this note, and that the Honorable Commander Sluijsken shall therefore have to order Matara that a sworn declaration be demanded from the free merchant Franchell, as to whether he received any cattle from the Dessave van Angelbeek or through his procurement, whether for the use of the garden Galgame, his oil mill, or whatever else it might be, and that he must specifically state therein: 1. How he obtained the cattle that were found in the aforementioned garden or in the oil mill, and which, according to what is reported here in the margin, were returned to the owners. 2. For what reason he appealed to the testimony of the former Dessave van Angelbeek, claiming that the latter would know that he had properly paid for the aforementioned cattle, or had obtained them in a proper manner as far as he is personally concerned, since the Honorable van Angelbeek testifies never to have meddled in any way with helping him obtain cattle, other than giving him, like all other inhabitants who requested it, permission to purchase some cattle in the country for his business. It would have been a far better remedy if they, feeling so aggrieved by this, had demonstrated it in a proper manner, having no reason to fear that the Dessave would not attend to it with equity, as it is known that in such a case the law opens the way for them to bring their grievances directly before the Honorable Commander. Paragraph 41. 27. having applied themselves to breaking the fences and enclosures, in order to let them be broken, whereupon the cattle of the inhabitants subsequently entered into the plantations and were seized by the overseers and often brought by the seizer to Matara to the Honorable Dessave, where several were still pointed out to me, both in the garden belonging to the Honorable Mr. van Angelbeek and the free merchant Franchell at Galgame, and in an oil mill of the latter close to Matara, from where several cattle were then claimed by the owners and returned to them. The free merchant Franchell, being interviewed about this, declared that, out of a desire for the wished-for peace, he gladly wished to submit to returning these cattle, appealing however to the testimony of the Honorable Mr. van Angelbeek that he had properly paid for these cattle, or had obtained them in a proper manner as far as it concerned him personally. Having demonstrated that the lower classes of the inhabitants, as well as the Headmen and contractors, had an interest in the abolition of the system of Plantations, one will easily understand that

Dutch transcription

ge boete betaald hebben alzoo 't niet wel mogelijk is, dat men zig dier ben om de heijning en gelijke klijne afdoeningen van saaken onder duisenden van meer oelang alle„ te binnen kan brengen Dat hij intus en paggers telaaten aan„ schen geloofd, dat 't zeer hoog geree„ kend is, zoo hij aanneemt dat 'er tien perzoonen zijn die eene klijne stukkend breeken, waar geld boete van twee en meer schell: na maate van 't vermoogen der eijgenaars door dan vervolgens de voor hunne opgevatte beesten te hebben be taald en welke boete onder hen die de beesten opgevat hadden verdeel wierd koebeesten der Ingeseetenen terwijl daar en teegen missihien honderd zullen zijn die hunne beesten zonder eenige boete te betaalen weder terug in de plantagien kwaa bekoomen hebben dat deeze boete alleenig genoomen is in zulke gevallen, waar bij 't bleek, dat de eijgenaars uit kwaad men en door de opsigters daadigheid op hunne beesten niet wil „de passen, en aan de welke te meer„ maale reeds hunne opgevatte beesten opgevat en veeltijds door zonder eenige boete wwaare terug gegeeven Dat zulke teesten, waar van na verloop van eenige daagen geene eijgenaars op den opvatter na Matiire Mature gekoomen zijn na onder ge woonte zijn overgegeeven aan de gewoone verhoeders. , ten einde wanneer de bij de E Dessave gebragt eijgenaars naderhand opdaagde, ook die aan hun te doen terug geeven zoo als steeds is geschijd, zoo dra de eijgenaars wierden, alwaar mij nog zig hebben bekend gemaakt, waar van verstaan is deeze aanteekening te houden, en dat den heer Gaalje Com„ verscheidene aangetoond mandeur sluijsken zal worden gelast zoo als hij gelast word door deezen om na deeze betuijgingen van ded van zijn oo in de aan den Angelbeek met alle naukeurigheid nader onderzoek te laaten doen, op dat Heer van Angelbeek men mag weeten owat van de gegrond „heid deezer klagten zij en men ook daar teegen in den aanstaande te beeter en den Vrijkoopman kan voorzien. omtrend 't geene hier voor komt, dat er nog verschijde zulke beesten aange„ „toond zijn, of in de aan den gew: de zJave Wanchel toebehoorende de inwoonderen voor 't opvatten van hunne brepten in de plantagien eeni daar op toegelegd te heb„ van Thuys 1 5189 van Angelbeek en den vrij koopman thuijn talaame, of in Franchell toebehoorende tuin te tabaame, of in een olie moole van den laatsten digte bij Mature hegft een olie moolen van den de E: van Angelb: hier na gevraagd sijnde, geantwoord, dat hem hier van niets bekend is; dat Gaan Ceele de directie over de tuin te Gacarme alleen heeft gevoerd, en waar van daan dan ook dat hij verzoekt dat van Gra„ Ceele op dit stuk een nadere verscheijde koebeesten verklaaring onder eede mag Aronden afgevraagd, haar Ia„ verstaan is deeze aanteekening gebragt en aan de eij„ te houden, en dat den heer Comman deur sluijsken mits dien na Ma ture zal moeten beveelen dat van den vrijkoopman Granchell moet gevraagd worden, een ver zijn. Den vrij koopman klaaring onder eede, of hij nins ovan den dessave an Angelb: of door deszelfs be Manchel hier over onder =stelling eenige koebeesten, ont vangen heeft, het sij ten dienste houdende verklaarde van de mijn Gallarme, zijne olij moole, of wat anders 't hij van zig uijt hoofde ook zoude moogen zijn, en dat hij daar bij speciaal il van de tewenschene moeten opgeeven. 1. k toe hy gekoomen is aan de koeteesten, die in de voorsz: hun rust gaarne te onder„ of in de olij mole gevonden zijn, en die volg:s het hier ter zijde ver werpen deese koebeesten „melde aan de eijgenaars zijn terug gegeeven 2. 1 om wat reeden hij zig op 't afteslaan, zich egter getuigenis van den gew: dessave„ d van Angelbeek beroepen heeft, dat beroepende op het laasten, digt bij mature genaars te rug gegeeven deze getuigenis deeze zoude weeten dat hij de voorsz getuijgens van den koebeesten behoorlijk hadde betaald, of daar aan op eene betamelike wij ze, zoo verre hem personneel aan Heer van Angelbeek „gaat, gekoomen was, wijl deE. van Angelb: betuijgd sig nimmer dat Hij of deese koebees„ te hebben bemoeijd, met hem opgeni „ger hande wijze aan koebeesten te hel pen, dan niet aan hem gelijk aan„ ten behoorlijk betaalt alle andere ingezeetenen, die daarom verzogt hebben, ver of daar aan opeene betaa„ lof, te geeven om eenige beesten in 't land te moogen inkoopen melijke wijse zoo verre hem personeel aanging gekoomen wal. tot zijn bedrijft Het waare en veel beeter middelen Aangetoond hebbende geweest indien ze, zig hier meede soo beswaard agtelle, dat op een dat de geringe klassen behoorlijke wijse aantetoonen. te konnen niet bedugt zyn dat der ingeseetenen zoo wel den 2. dessave daar op niet naar als de Hoofden en aannee„ bellikheid zoude letten wijl te mers belang hadden dat weeten dat in zulk een geval de wet hun den weg openstelt, om het stuk der Plantagien hunne beswaarnissen dirent te „kunnen brengen voor den Heer mogte afgeschaft worden grae kommandeur zal men ligtelijk begrypen § 41. dat 27.

NL-HaNA_1.04.02_3892_0181 view scan ↗

English

5190 From the preceding §. 30 it appears that they found the obligation. That there was no better means for this than to incite an uprising, which certainly had to be general and for which no better opportunity could be found than the expedition to Baddegirce. §. 42. That the fear of bad consequences for the non-fulfillment of the obligations to make considerable plantings is one of the principal causes of the latest unrest, or at least must be regarded as such. That the mandate ola had already been published before the tearing of the deeds of obligation took place in the presence of the people, and this is the more probable because the participants had to have knowledge of the content of this mandate, article 5, not even to be satisfied that the deeds of obligation were thereby annulled, and freedom was even given to those who passed the said deeds to proceed to the Matara Secretariat in order to see the cancellation immediately executed. If they now had knowledge of this mandate, as one seems unable to doubt, they also had knowledge that in this mandate it is said in the same breath that to all those who bound themselves by the said deeds to make plantings, a term of 4 years is still given for the preservation of their prestige, in order to be able to fulfill their promise within this time, yet so that this had to happen for their own account, and without anyone among the inhabitants being used for it against his will. The participants also had knowledge that in this mandate it is further said that the Company reserves the right, after the expiration of the said 4 years, to take away again the honors granted to all those who do not strive to fulfill their engagements, or do not set to work upon them, and to return them to that state in which they were before entering into the obligation. In the mandate ola of the Honorable Commissioners, all those who before entering into their obligation already held functions were discharged from these obligations of theirs, and in order to accommodate those who had obtained these or those offices by binding themselves to a planting, a term was given to them of just as much time as was determined in the deeds, to be counted from the time that this mandate ola was published. According to what has been noted above from the mandate ola of the Commander Sluijsken, the Company has reserved the right, after the expiration of 4 years, to take away again the honors granted to all those who do not strive to fulfill their engagements, or do not set to work upon them, and to return them again to that state in which they were before the obligation. In the mandate ola of the Honorable Commissioners, on the contrary, it was placed in the option of those who took these engagements upon themselves, either to be able still to fulfill them under a new term, or else to discharge themselves thereof immediately, if they still found difficulty in the aforesaid conditions, provided they reported within three months to request discharge from their offices, when the deeds of obligation would be cancelled. In both mandates the loss of the acquired offices is set as a penalty. The difference consists only in this, that in the one case the participants can still keep their offices for four years and in the meantime continue to act as they have done until now, and that in the other case they had to surrender within three months the offices which they had so ill-deserved, which difference is only of importance to rogues who seek nothing else than merely to gain time. One cannot wonder enough at this fickleness of those who are interested therein. The participants were not satisfied with the settlement of the Honorable Commissioners, notwithstanding what has been pointed out above, and yet they accept the arrangement of Mr. Sluysken. One must be the more astonished at this disparity of conduct if one admits, as Commander Sluysken does here, that the fear of the bad consequences of the non-fulfillment of the obligations to make considerable plantings is one of the principal reasons for the latest unrest, or that it must almost undoubtedly be regarded as such. Undoubted, for whatever trouble the commissioners Taelsz and Samilant, and subsequently I, took to keep the deeds of obligation in existence, it was not possible. The participants were not even satisfied that these deeds of obligation were annulled by my mandate ola. I saw myself forced to have them torn up in the presence of the people, because they would not even be satisfied with having them cancelled. If that had not been done, I could clearly perceive that everyone was satisfied and peace more or less began to restore itself. 5191 This arrangement is very agreeable and is approved in the highest degree. In order not to let the matter of the plantings, which has actually already progressed very far, fall entirely into decay again, but on the contrary to let it continue if possible, and to maintain the prestige of the Honorable Company as much as possible, I have by my Mandate ola granted the undertakers of the plantations, as a special favor, a term of four years to be able still to fulfill their engagements within that time, reserving for the Company the right to those who after the expiration of these four years §. 43.

Dutch transcription

5190 uijt 't voorenstaande §. 30. schijnt 't, dat deman bintenis bevonden. dat er geen beeter middel toe was dan een opstand te verwekken, die zeeker lijk algemeen moeste zijn en waartoe geen beeter geleegentheid konde gevon„ den worden dan de togt na Baddegirce §. 42. Dat de Vrees van kwade „daat ola reeds gepubliceert was, voor dat 't verschen „nen van de verbintenis aktens, in teegenwoordigheid van gevolgen voor het niet het volk is geschied, en dit is te waarschynlijken, wijl de deelhebbers kennes moesten hebben van den inhoud van deese mandaat, artikel 5, om sig niet eens voldaan te hou„ volbrengen der verbinte den, dat daar bij de verbintenis aktens waaren ver„ nietige, en selfs vrijheid was gegeven aan de geene, die nissen om aan zien lijke gem aktens gepasseert hebben, om sig ter Materese secretarije levervoegen, ten einde de roijeering daade„ lijk te zien volvoeren. aanplantingen te doen zoo ze nu van dese maadaat kennis hadd en gelijk men daar aan niet schijnt te mogen twijffelen haden ze ook kennis dat by dese mandaat als in eenen ader gesegt een der voornaamste word, dat alle de geene, die sig bij gem: aktens verbonden hebben aanplantingen te doen, tot behoud van hun aan „zien nog een termin van 4 jaaren word gegeven, om in heeden van de laatste deese tijd als, nog aan haare belofte te kunnen voldoen, egter zoo, dat dit moest geschieden voor haare eige reekening, en zonder dat iemand der ingeseetenen tegen zijn wil daar toe mag gebruikt worden. De deellebbers hadden dies ook kennis, dat by„ deese mandaat nog word gesegt, dat de komp zig voor behoud het regt, om na verloop van gem 4. jaeren alle de geene, die hun angagementen niet tragten te volbrengen, of daar geen werk van maaken, de hun toe gelegde honeurs weder aftenemen, en kon in die staat terug te stellen, waar in ze zig voor 't aangaan der ver„ onlusten is, of ten minsten daar voor moet aange Bij merkt 27. e „functie waaren van deese hunne verbintenissen ontslaagen, en om tegemoet te koomen de geene, die door zig tot een aanplanting te verbinden deese of geene diensten verworven hadden, is hun door bij nog een termijn gegee „ven van even zo veel tijd als bij de aktens was bepaald. te reekenen van den tijd af dat deese mandart ola is gepubliceerd. volgens 't geene hier boven uit de mandaat ola van den H„r kimmandeur sluijsken is aangemerkt, heeft ontwijfelbaar, want wat de komp: zig voorbehouden het regt, om na verloop van 4. Jaar en alle de geene, die hun argagementen niet tragten te volbrengen, of daar geen werk van moeite de kommissarissen maaken, de hun toegelegde honneurs weder afte„ neemen, en hun wederom terug te stellen in die staat taelsz en samilant, en nader waar in te zig voor de verbintenisse bevonden. Bij de mandaat ola van E: kommissarissen is het daar en teegen in de optie der geene die de s angage„ hand ik, gedaan hebben om menten hebben op dig genoomen, gesteld om daar aan onder een nieu termijn als nog te kunnen voldoen, dan de verbintenis actens in weesen wel zig daar van daadelijk te ontslaan, zoo de ook nog swarigheid vonden in de voorsz: voorwaarden, mits ze zeg binnen drrie maanden aangaaven, om te houden, was het niet morge„ ontslag, uijt hunne diensten te versoeken, wanneer de verbintenis aktens zoude worden geroijeerd. lijk De deelhebbers waaren niet in bij de de mandaaten is 't verlies der verworvene dien sten gesteld tot een ponaliteit. Het onder plugt bestaat, eens voldaan dat by mijne dat door de deelhebbers alleen daar in dat ze in het eenegeval hunne diensten nog vier Jaaren kunnen behouden, en middelerwijl, blijven voorthuueren, zoo mandaat ola, deese verbin„ als ze dat tot hier toe hebben gedaan, en dat ze in het andere geval van de diensten, die ze zoo kwalijk heb„ „ben verdiend, in drie maanden moesten afstaan, welk, „ tenis actens vernietigd wierden, onderschijt, alleen van belang is voor liuaarts, die niets anders zoeken dan om maar tijd te winnen Men kan sig over dese wispeltuurigheid der geene die Ik zag mij genoodzaakt de„ daar in belang hebben, niet genoeg verwonderen. De deelhebbers waeren niet te vreeden met de afdoening van E„s kommissarissen, niet teegenstaande het geene daar selve in teegenwoordigheid van uit hier boven is aangeweesen en nogtans laaten de zig de schikking van den Heer Sluysken welgevallen. men moet te meer verwordert zyn over dese onge„ 't volk te laaten verscheuren lijkheid van gedrag, zoo men admiteert, gelyk den Heer kommandeur sluijken hier doet, dat wijl ze niet eens zig verge„ de vrees voor de kwaade gevolgen van 't niet vol„ brengen der verbintenissen om aan zienlijke aan noegen willen met deselve plantingen te doen. een der voornaamste reeden „van de laeste oplusten is, of dat ze ten minsten bij na ontwijffeldhaa daar voor moet worden te laaten royeeren eene, die voor 't aangaan hunner verbintenisse reeds „de mandaat ola van E„s kommissarissen zyn, alle de merkt worden is bij na zoo daar was uiet niet gedaan of ik kon duijdelijk bemerken, dat aangemerkt. 5191 Deese schikking is zeer welgevallig en word ten hoogsten geapprobeerd. Om het stuk der aanplantingen dat werkelijk reeds zeer verre gevordert is, niet weeder geheel te laaten vervallen, maar inte„ gendeel was het moogelyk te laaten voort duuren, en om het aansien der Ed. Comp zoo veel mogelyk staande te houden heb ik bij myne Man„ „daat ola de aanneemers der plantagien nog een termijn van vier Jaaren als uijt een bijzonder gunst toegestaan om in die teijd als nog aan hunne engagementen te kunnen voldoen. door de Comp het regt behouden „ om die geen en die na verloop van dezse veer dat een elk voldaan en de rust genoegsaam min of meer„ zig begon te herstellen. §43. Jaaren

NL-HaNA_1.04.02_3892_0184 view scan ↗

English

years, had acquitted themselves well or poorly of their duty, to reward or punish them according to the findings of the case. By this means I believe to be assured that the plantations, if not increased, can and will at least be maintained in their present state. Thus done and resolved in the Castle of Kolombo, on the day, month, and year aforesaid. Was signed: W. J. van de Graaff, C. van Angelbeek, J. Reintous, B. L. van Zitter, and J. A. Vollenhove. Agrees. 5192. Secret Resolution taken in the Council of Ceilon on Monday the 16th of August 1790. Present: The Right Honorable, highly esteemed Lord Governor Willem Jacob van de Graaff The Honorable Chief Administrator Mr. Christiaan van Angelbeek The Honorable Dessave Diderich Thomas Fretz The Honorable First Warehouse Master Johannes Reintous The Honorable Secretary Benediktus Lambertus van Zitter The Honorable Fiscal Johannes Adrianus Vollenhove Absent: The Honorable Colonel Joan Philip Christiaan Filenius The Honorable Pay Bookkeeper Gerrit Engel Holst The Honorable Trade Bookkeeper Abraham Samlant the first two sick, and the last to Mature. Before proceeding to further disposition upon the secret report of the Commander of Galle, Mr. Sluijsken, it being taken into consideration that the various people who have deposed against the suspected headmen, as well as those who appear in these depositions as having knowledge of the matters related therein, will very probably make no great secret of all these things, and that these headmen will therefore soon be informed of what has already been brought forward to their charge, or might still be introduced; it has, in consideration thereof, and seeing that these accused headmen, knowing that they cannot be considered to be included in the general pardon, might thereby, if they are truly guilty, again be driven to criminal steps, been approved and resolved to make known in a confidential manner to the Modeliars Jinnekoon, Goeneratne, and De Saram, as the principal ones among the accused headmen, that the Lord Governor desires to speak to them in person, and that it will therefore be agreeable to His Honor that they make a brief journey to Kolombo. It is further understood that notice of this shall be given to the Commander, Mr. Sluijsken, with orders to write to the Honorable Dessave Raket in a secret 1733. secret letter that whenever the aforesaid three Modeliars request His Honor to be allowed to make a brief journey to Kolombo, to grant them the same, unless there should be weighty reasons which make it necessary that they remain for a little while longer in the Matara Dessavony, which must then be announced to them in a discreet manner by way of a delaying answer. The Honorable Fiscal Vollenhove was of the opinion that this ought to remain postponed until the considerations of Mr. Sluijsken shall have been received, which according to the resolution of the 12th of this month, paragraph 2, are to be requested. It was furthermore approved and resolved to confirm all the native headmen proposed by Mr. Sluijsken in his previous secret report in the services assigned to them, and to cause the usual acts for that purpose to be dispatched, as well as to approve that the four Vidanes of the Giruwayas have been permitted to wear swords. Thus done and resolved in the Castle of Kolombo, on the day, month, and year aforesaid. Was signed: Wm. J. van de Graaff, C. van Angelbeek, D. T. Fretz, J. Reintous, B. L. van Zitter, and J. A. Vollenhove. Agrees. 5194. Saturday the 21st of August 1790. Secret Resolution taken in the Council of Ceilon. Present: The Right Honorable, highly esteemed Lord Governor Willem Jacob van de Graaff The Honorable Acting Commander of Galle Cornelius Dionysius Kraijenhoff The Honorable Provisionally Assigned Chief Administrator Mr. Christiaan van Angelbeek The Honorable Dessave Diderich Thomas Fretz The Honorable First Warehouse Master Johannes Reintous The Honorable Secretary Benedictus Lambertus van Zitter The Honorable Fiscal Johannes Adrianus Vollenhove Absent: The Honorable Colonel Joan Philip Christiaan Filenius The Honorable Pay Bookkeeper Gerrit Engel Holst The Honorable Trade Bookkeeper Abraham Samlant the first two sick, and the last at Mature. Having proceeded to the further deliberation upon the secret report of the Commander of Galle, Mr. Sluijsken, mentioned in the secret resolution of the 12th of this month, it was approved and resolved to insert the continuation thereof below, and to dispose thereon as noted in the margin of each item. That the regulation assigns 2 amonams to the lascoreens, whereas it gives only 12 amonams to a Modeliar, has no proportion and is a visible error. If one wished to satisfy that, very little of the Company's rights would be left over. This has been seen through all times, but rather than make alterations in a fixed arrangement known to the people, one has always tried to arrange it as best as possible with the accomodessans of the lascoreens. The common people, including the lascoreens, have for a long time been dissatisfied and have lodged very many complaints with me about this, stating that among them there were only few who possessed accomodessan or maintenance lands for their services, that they nevertheless, according to their innate duty, had always performed their service, that they had been successively promised ever since 1744 that each would be assigned accomodessans for their service according to the regulation, but that instead of that, they were burdened with doubling, and indeed without reward, of all kinds

Dutch transcription

Jaaren zig van hunne verplig„ „ting wel of kwalyk gekweeten hadden, na bevinding van zaeken te beloonen of te staaffen. Hier door meen ik verseekerd te zyn dat de aanplantingen zoo niet al vermeerderd ten minsten in de teegenwoordigen staat onder„ houden kunnen en zullen worden Aldus Gedaen ende Geresolveerd in het kas„ teel kolombo, ten daege Maend en Jaere voorsz: /:was geteekend:/ W: J: van de Graaff, C: van Angelbeek, J Rein„ tous, B: L: van zitter, en I: A: vollen„ hove Akkordeert 5192. Sekreete Rezolutie genomen in raede van Ceilon op Maendag den 16. aug:s 1790. Prezent. Denwel Ed: Groot achtb: heer Gouverneur willem Jacob van de Graaff den E: hoofd administrateur. M=r Christiaan van Angelbeek De E: Lessave - - - - Diderich thomas Aretz De E: Eerste Pakhuismeester Iohannes Reintous De E: Sekretaris. - - - - Benediktus Lambertus van Zittea Johannes Adrianus vollenhove De E: tiskael.. Abzent Ioan Philip Christiaan Filenius D„E: kolonel. -- Den E: Zoldij boekhouder Gerrit Engel Holft De E: Negotie boekhouder Abraham Camlant de twee eerste ziek en de laetste na Mature Alvoorens te treeden ter verdere dis„ „positie op het geheim Rapport van den Heer Gaals kommandeur sluijsken, in agtinge genoomen zijnde dat de verschijde luijden die teegens de verdagte hoofden hebben gedeponeerd, zoo wel, als die gee„ „ne die bij deze depositien voorkoomen„ als kennis draegende van de dingen die daar bij worden verhaeld, zeer vermoedelijk geen groot geheijm van alle deze dingen maeken zullen, en dat deze hoofden mids dien spoedig zullen zullen zijn onder regt, van het geene reeds ten hunnen laste is opgegeeven af nog zoude kunnen worden ingebragt is uit aanmerking van dien, en dat deze, beschuldigde hoofden, weetende dat ze niet kunnen geagt worden te„ zijn begreepen in het generael pardon„ daar, door, zoo ze werkelijk schuldig zijn, op nieuw zouden kunnen wer„ „den gebragt tot misdadige stappen, goedgevonden en verstaan, om de Modeliaars Jinnekoon, Goeneratne en de saam, als de voornaamste on¬ „der de beschuldigde Hoofden, op een vertrouwelijke wijze te doen bekent worden, dat de Heer Gouverneur ver„ „langt hun in perzoon te spreeken en dat het zijn Ed: mids dien wel„ „gevallig zijn zal, dat ze een springtogt doen na kolombo nog is verstaan dat hier van zal wor„ „den kennis gegeeven aan den Heer komandeur sluijsken met last om den E: Dersave Raket bij een sekreete 1733. sekreete brief aanteschrijven dat wan„ „neer de voorsz: dre modeliaars zijn E: verzoeken, om een springtogt te„ „moogen doen na kolombo, zulks aan hun te moeten toestaan, ten zijer gewigtige reedenen zijn mogten die het noodzakelijk maeken, dat ze voor eerst nog wat in de Maturee„ „sche Dessavenie blijven, het geene hun als dan op een beschijdene wij„ „ze, bij weege van een uitstellend antwoord moet worden aangzegt Den E: fiskael vollenhove was van gevoelen, dat dit behoord te slijven uitgesteld, tot dat zullen zijn ontvangen de konsideratien van den Heer sluisken die volgens resolutie van den 12. dezer §2. staan te worden gevraegt. Nog is goedgevonden en verstaen om alle de Inlandsche hoofde door den „voorige heer sluijsken bij zijn„ : geheim rapport rapport zijn voorgedraegen, in de aen hun toegelegde diensten te bevestigen en de ge„ woone akten daertoe te doen deperheeren, als meede goed te keuren, dat aen de vier bitmeraeles van de Girrewaijs is toege„ staen, om houwers te moogen draegen. Aldus gedag ende Geresolveerd in het kasteel kolombo, ten daege maend en Jaere voorsz: /:was geteekend:/ W„m J: van de Graaff, C: van Angelbeek, D: T: pretz, J. Remtous, B: L: van Zitter en J: A: vollenhove. Akkerdeert. 5194. Zaterdag den 21. augustus 1790. Prezent Den wel Edelen Groot achtb: heer Gouverneur Willem Iacob van de Graaff Den E: Heer Gaelsch gezaghebber. . Cornelius Dionijsius Kraijenhoff Den E: p:l Hoofdadministrateur M:r Christiaan van Angelbeek den E: dessave. - - - - . Diderich Thomas Fretz. - Den E: Eerste Pakhuismeester - - - Iohannes Reintous Den E: sekretaris - - - - - Denedictus Lambertus van Zitter Den E: fiskael. . . .. Johannes Adrianus vollenhove Abzent Ioan Philip Christiaan Filenius Gerrit Engel Holst Abraham Samlant de twee eersten ziek en de laatste ted Mature Getreeden zijnde tot de verdere deliberatie op 't geheim Rapport van den heer Gaalsch kommandeur Sluijsken, vermeld bij sekreete rezol: van den 12. deezer, is goedgevonden en ver„ staen 't vervolg daer van hier onder te insereeren en daerop zodaenig te disponeeren, als in mar= gine van elke post staat aengeteekend. Het gemeen volk tot las„ Dat het reglement de laskorijns 2 am„ monams toegelegd, daer het den een Mod „ korijns inclutive waeren proportie en is een zigt baere abuijs. zoo zeedert lange misnoegd liaet maer 12. amm: geeft, heeft geen 3. 44 men daer den wilde voldoen, zoude er Den E: Kolonel- Den E: zoldij Boekhouder Den E: Negotie boekhouder- Sekreete Resolutie genomen in Raede van Ceilon wering en of en hebben hier over zeer weing van 'skomp:s geregtigheeden over„ schieten. Men heeft dit door alle tijde heen gezien, dog liever dan verande „ veele klagten bij mij inge rinef te maeken in een vastgestelde schikking bij het volk bekent, bragt dat 'er onder hem heeft men het met de akkomo„ dessans der laskorijns steeds zoo goed mogelijk zien te schikken slegts weinige waeren die „accomodessant of onder„ houds langen voor hunne diensten bezaeten, dat zij egter naer volgens hun¬ ne aengeboore verplig= ting altoos hunne dienst hadden verrigt, dat men haar al zeedert 1744. suc„ cessive beloofd hadde elk voor hunne dienst naer het Reglement en accomodessans te zullen toevoegen dog dat men insteede van dat haer met verdubbeling en wel zonder belooning allerly

NL-HaNA_1.04.02_3892_0191 view scan ↗

English

imposed all kinds of new obligations upon them, among which they specifically placed the establishing of cinnamon plantations and other produce, and for which the headmen were endowed with honorary offices and prestige, and this at the expense of their sweat and blood: requesting therefore that this be provided for, and that, as of old, only one person from each family might be taken into Company service with the benefit of maintenance lands. Many maintenance lands that had been cultivated through the care and effort of the inhabitants, and had been more fertile than others, had been taken from them for some time, confiscated for the Honorable Company, and leased out, whereby many who had possessed accommodessan no longer profited from them at all, requesting therefore that everyone may again be restored to the possession thereof. While also many pieces of land, which previously served as accommodessan for eight persons, have since some time been divided among 16 persons. Above it has already been noted that this arrangement took place about 20 years ago. The inquiry instituted into this will show whether the interested parties have truly been wronged thereby; yet however this may be, one can already foresee that it will be exceedingly difficult to make a change therein again, and it has been approved and agreed that Commander Sluijsken will be asked for his considerations, as he is hereby asked, whether it might not be feasible to grant to each of those who declare they are not satisfied with the accommodessan they currently possess, instead thereof, for example, four parras of nelie for every month that they are employed by the Company according to their obligation, and that on the other hand the accommodessans with which they are not satisfied be confiscated for the Company, whereby many difficulties would be prevented, besides the fact that it would probably also yield a much better account for the Company; wherefore it would even be very good if one could introduce such an arrangement generally throughout the entire Matara Dissavony. Among the dissatisfied were very many who complained that their coconut trees and gardens had been taken from them against their will and confiscated for the Honorable Company, as was alleged; compensating them no more than eighteen stuivers for each tree, although the same was worth 2 to 3 rixdollars, not counting the trouble they had taken to plant and cultivate such small coconut gardens in the hope of deriving some benefit therefrom in the future. The Principal Head Administrator of Angelbeek, being questioned on this matter, declared that no complaints were made to him about it. The Honorable Dissava Wetz also testifies that no complaints regarding this have ever come before him, which, considering the litigious nature of the Sinhalese, especially when it concerns their coconut trees, is certainly to be wondered at, if there were otherwise any truth to this complaint, which will appear more clearly in the inquiry presently under way; if it were so, one may think that the complainants would surely have pointed out a single case of where, when, or to whom this happened. Many complained, and especially the people from the Girrewaypattoe, that the inhabitants had been employed by the headmen quite improperly beyond their obligation to cultivate the Company's fields, whereby they had often had to neglect their own fields. To which injustices is added that the headmen had appropriated for themselves half of the sower's share, which belongs entirely to the laborers, whereby the sowers had received only half of what was due to them, and even less, after deduction of the seed corn. Furthermore, that even if the crop was lost through one accident or another, they had still been made to pay for the seed corn, notwithstanding that they could enjoy nothing from the field. The inhabitants requested that in the future, according to old custom and usage, the sower's share be allowed to be enjoyed entirely by the sowers; furthermore, that since the crop could be lost, they might in the future obtain the seed corn from the Honorable Company. On this the inhabitants insisted especially, and I found myself obliged to promise them to bring this request before Your Right Honorable worships. To what extent the above-mentioned complaints are well-founded will appear more clearly from the inquiry, and in the meantime it is understood that Mr. Sluijsken will be asked for his considerations, as he is hereby asked, whether in order to prevent all grounds of complaint about it in the future, it might not be feasible that henceforth only the obligated Goy Nambies be used for the cultivation of the Company's lands, on the footing that they are obligated of old and have always done until now, and that otherwise no others be used for this work than those who are inclined to do so of their own free will and as one can best agree with them about it. That accordingly, insofar as the aforesaid Goy Nambies alone are not enough to cultivate the Company's fields, the native headmen who are charged with the care thereof will have to agree regarding the remaining fields with the inhabitants who are inclined to do so, as best they can, just as is the custom among private persons who have some lands that they let others cultivate.

Dutch transcription

5195 allerlij zoorten van nieuwe verpligtinge opleide waer onder zij in het bijzonder het aenleggen van kaneel plantagien en andere pro„ dukten stelden, en waer voor de hoofden met eerampten en aenzien wierden beschonken; en zulks ten koste van hun Zweed en bloed: ver¬ zoekende dus dat daerin„ voorzien worde, en dat zoo als van ouds, uit elk familie slegts een perzoon onder het ge„ not van onderhouds landen tot skomp:s dienst mogten genoomen worden veele . veele onderhouds landen 3. 45. Hier boven is reeds aengemerkt dat deeze verschikking voor nui omtrend 20. Jaeren die door zorge en moeite is geschied. By het onderzoek daer over aengesteld zal blijken of de geinte„ resseerden werkelijk daerdoor zijn ver„ der ingezeetenen waaren ongelijkt dan wijl hoe dit ook mogte zijn men reeds voor af kan voorzig, dat het ten hoogsten moeijelijk zijn zal, daerin gekultweerd geworden wederom verandering temaeken, is goed gevonden, en verstaen dat den heer kom„ en meerder vrugtbaar mandeur sluijsken zijne konsideratie zullen worden gevraegd, zoo als dezelve gevraegd worden door deezen, of het niet waaren dan anderen zoude kunnen aengaen om aen een elk der geenen die verklaeren niet te vree„ den te zijn met het akkemodes san waaren haar zeedert eenige dat ze tans bezitten, insteede van dien toeteleggen bij voordeeld vier parrasteid afgenoomen en voor nelie voor elke maend dat zijn volgens hunne verpligting bij de de E: komp: ingetrokken kompenie worden geëmploijeerd en dat daer en teegen de akkemodes en verpagt geworden, waer Jans waermeede ze niet te vreeden zijn, voor de komp e worden ingetrok„ door veelen die accomo ken waer door veele mogelijkheden zoude worden voorkomen, behalven dat het ook dessan hadden bezeeten naastdenkelijk veel beeter reeken„ ning van de komp: geeven zal waer„ om het zelfs zeer goed waere, zoo men in het geheel daer van een zulke schikking door de geheele maturese dessavonij generael kon niet meer profiteerden verzoekende daerom dat elk wederom in de bezitting daer van mooge gesteld worden Terwijl ook veele stukken lands die bevoorens tot accomo= dessan voor agt perzoonen hebben de invoeren. 5196. Onder de misnoegden bevonden De p:l hoofd administrateur van An„ geldeek hier na gevraegd zijnde, heeft zig zeer veele die zig be„ verklaerd, dat bij hem daerover geene klagten zijn gedaen. Den E: dessave wetz betauigd ook dat hem der „klaegde dat men hun weegens nimmer eenige klagten zijn voorgekoomen het geen aange„ teegens hun zin hun¬ zien de klaagzieken aart der sin„ galeesen inzonderheid wanneer het om hunne klapperboomene kokus boomen en te doen is, zeekerlijk te verwonderen is, zoo 'er anders iets zijn mogt aen deeze klagte, het geen nader beij tunnen hadden afgenomen ken zal bij het tans onderhanden zijnde onderzoek zoo het zoo waere en voor de Ed: komp=e mag men denken, dat de klaegerswel een enkeld geval zouden hebben aen„ geweezen, waar en wanneer of aan gelijk men voor had gegeeven nien dit overkomen is. ingetrokken; hien niet meer goeddoende als agtien Stuivers voor ieder boom, schoon dezelve 2. â 3. rd:s waerd waere geweest, niet gereekend de moeite die zij zig hebben gestrekt zeedert eenige teid aan 16 per„ zoonen waeren ver„ deeld. genomen 346. genoomen hadden van dier= gelijken koker thuijntjes aenteleggen en aan te kweeken in hoop van daer van in den aenstaende eenig nut te zullen hebben veelen beklaegden zig en wel voornaementlijk de volkeren uit de Girre„ waijpattoe, dat de inge„ zeetenen door de hoofden gantsch oneigen boven hunne verpligting tot het bearbeiden van skomp:s velden g'em„ ploijeerd, waaren, waer door ze veelteids hun„ ne eigen velden hadden moeten verwaerloosen. 5137. Bij welke onregtvaer„ digheeden nog komt dat de hoofden zig de helfte van het Zaaijers aendeel dat den baarbeiders in zijn geheel toekomt had„ den toegeegend, waer door de Zaaijers slegts de helfte van het geen hun toekwam, en wal nog minder, na aftrek van het zaedkoorn, hadden bekoomen Voorts dat schoon het gewas door een of ander ongeval verlooren was gegaen men hun dan nog het zaad„ kooren in weerwil dat zij g zij niets van het veld konden genieten had doen betaa¬ „len De ingezectene verzogten 347. In hoe verre de hier boven gem: klagte gegrond zijn zal bij het onderzoek voortaan na oude ge„ nader blijken, en is intusschen verstaen dat van den heer sluijsken zullen wor„ woonte en gebruik, het den gevraegd zijne konsideratie zoo als dezelve gevraegd worden door deezen of het om in het vervolg te voorkoopen Zaaijers aandeel door de alle reedenen van klage daer over niet zoude kunnen aengaen, dat voortaan alleen de verpligte Gooij Naides Zaayers in het wierde gebruikt tot het bearbijden van 's komp:s landen, op dien voet als geheel te laaten genieten ze dat van ouds verpligt zijn en tot nog toe altoos hebben gedaen, en dat voorts geene andere tot dit werk voorts dat wijl het ge„ worden gebruikt dan zulke die geneigd zijn dat uit vrije wil en zoo als men zig daer over met hem best verstaen was konde verlooren kan te doen. Dat mitsdien voor zoo verre de voorsz: Gooij Namdes gaan zij in den aenstaende alleen niet genoeg zin om skomp.:s velden te beazbeiden, de inlandse hoofden die met de zorge daerover zijn belast zig nopens de overige het zaedkoorn van de Ed: velden met de ingezeetenen die geneigd zijn dat tedoen, daerover zullen komp: mogte erlangen Hier moeten verstaen zoo als ze best kunnen d en even en zodanig als dat de gewoonte op hielden de ingezeekenen is, onder partikuliere die eenige lan„ D den hebben die ze door andere laeten voornaementlyk aan en ik heb mij verpligt gevonden hun te be¬ looven uwelEdele Gestr. groot achtb. dit verzoek te bewerken. N K

NL-HaNA_1.04.02_3892_0197 view scan ↗

English

The dissatisfaction of the inhabitants was also greatly caused by the discontent of the lesser chiefs, who complained that for some time, and contrary to all ancient custom, it had frequently happened that the lesser chiefs in the korles and villages had been dismissed from their posts under one pretext or another, and these posts had been assigned to strangers who had arrived there from other districts, and had managed to intrude themselves there, having not the least right to such offices. Many showed their Sinhalese deeds of appointment demonstrating a succession of ancestors who had held one office or another, from which they had been removed contrary to family right. They urged very strongly that this might soon be redressed, because the most distinguished families suffered great injury from such administration. The Honorable van Angelbeek, being questioned on this matter, declared that nothing else is known to him about this except that in his time a single stranger was appointed as chief, being the present vidana aratchi of Kahawatte, who is a native of the Galle Korle and was formerly an aratchi of the grasshopper catchers; and the Honorable Dessave Foetz declares that it is also not known to him that in his time more than a single stranger was appointed as a chief, who was a certain Ferinando, who was for some time a Mohandiram over the lascorins of the Adigar, but has long since been transferred back to the Galle Korle, where he is now the coral of the Talpepattoe, and that these are no novelties, there being many examples at hand that formerly the inhabitants of the Colombo Disavony and of the Galle Korle were employed in the Matara Disavony. From this alone one can conclude to what extent these complaints are well-founded. The documents produced by the complainants prove nothing; they ought to have pointed out which strangers they complain about as having been appointed to their prejudice, and when. The recently introduced bridge toll at Polwatte and bazaar tax at Matara also seem to have aroused no small discontent among the inhabitants. Hundreds of women and children complained that they could not pay these taxes, because they often came to market without selling any of their goods, yet nevertheless had to pay the stipulated tax. Since these aforementioned taxes together yielded only a sum of 240 Rds., and the pretext of the complainants regarding this was to some extent well-founded, for having to pay a tax on goods brought to market which one must carry back home unsold is certainly oppressive. I had scarcely abolished these taxes when the market immediately became larger and more substantial, and thus the public was served. The people pressed all the more for the abolition of these taxes because, according to their testimony, the tax farmers had done them great injustice. The bridge at Polwatte had been in ruins for many years. The inhabitants were therefore obliged to be ferried across in boats and paid the ferrymen for it. The Honorable Dessave Fretz had a bridge laid there again in his time, and there was certainly no injustice in the inhabitants, who hitherto had paid ferry money, now paying a small sum for crossing the bridge for the benefit of the Diaconie poor, for whose benefit this toll was introduced, just like the ancient bridge toll at Matara, which still remains and about which no one complains. The bazaar tax, which is found everywhere, was likewise introduced at Matara in the time of the Honorable Dessave Fretz, in order to care for a number of miserable people who constantly wandered around Matara and sometimes lay helpless along the streets, in a mandu erected for that purpose on the Red Hill, in the same manner as takes place at Galle with an institution established at Galle in the year 1784. And all inhabitants know how many unfortunate people, both at Galle and at Matara, have returned to their villages cured since the establishment of these institutions, with a small handout for travel money, whereas otherwise they would have perished in the most miserable manner. The disbursements made from this fund for the aforesaid purpose were formerly made by the consumption bookkeeper, who had oversight of this institution and kept accounts thereof. Since that office was abolished, this oversight was conducted by Lieutenant Bijer, the surgeon of Matara, and the bookkeeper Franken; and at the time the unrest began, there was still a large number of wretched people being cared for by this institution. Furthermore, these taxes were not introduced until they were approved at Galle, and upon the recommendation of the Galle officials, they were also approved here. From the foregoing and from the small amount yielded by these taxes, one can properly judge the fairness and weight of these complaints. The bridge of Polwatte is situated fully two hours from Matara and thus has little relation to the bazaar tax; and that the paying of a small sum for a seat in the bazaar could not have notably oppressed the people is very obvious. The vidanas and the mayoraals are nowhere better provided for than in the Matara Disavony. Since they are nevertheless not satisfied, and it is likely that the discontented also complained further and brought this forward as a special burden and grievance, that to the inhabitants of the country

Dutch transcription

5198. De misnoegdheid der inge„ Den E: van Angelbeek hier na gevraegd zijnde heeft betuigd dat hem hier van zeetenen is ook heel veel niets anders bekent is dan dat in zijn teid een enkeld vreemdeling tot hoofd is benoemt zijnde de presente veroorzaekt door de onge„ vidaen araetje van kahawatte die geboortig is uit de Gale korle en noegdheid der mindere voor alen tijd geweest is aratje van de springhaan draegers, en den E: hoofden, die zig beklaegden Dessave foetz betuigd dat hem ook niet bekend is dat in zijn tijd dat zeedert eenige teid meer dan een enkeld vreemdeling tot een hoofd is aengesteld welke en wel teegens alle oude geweest is eenen ferinando, die een teid lang geweest is Mohandi„ gewoonte, het veelmalen ram over de laskorijns van de Adigarij, dog zeedert lange gebeurd was dat de min„ wederom is verplaetst na de Gale korl, daer hij tans korael is van deze hoofden in de korles de Talpepattoe, en dat dit geen nieuwigheeden zijn, zijnde 'er meenig exempel voor handen, dat eerteids en Dorpen e onder de een de ingezeetenen uit de kolombosche of ander benaeming uit Dessavonij en uit de gale korl in de Matureesche Des savonij zijn g'em„ hunne diensten waaren ploijeerd. Hier uit alleen kan men besluiten in hoe verre deeze gesteld, en deeze diens= klagten gegrond zijn; De bygebrag„ te stukken door de klagers bewijzen ten aan vreemdelingen waeren niets, ze hadden moeten aenwijzen wel„ ke vreemdelingen het zijn waer over ze klaegen dat ze in hun prejudicie opgedraegen, die uit an„ zijn aengesteld en wanneer. dere gewesten aldaar te zullen voordraegen, gelijk bij deeze eerbie„ dig volbrenge. waeren 348 d waaren in deze denste aan m#dge opgedragen, die uita¬ deze gest als### ### aengekoomen, en zig daer hadden weeten intedringen in die tot dier„ gelijke diensten geen het minste regt hadden gehad„ veelen vertoonden hunne Singaleephe bevestigings bewijzen van een reeks van voor onderen die de een of andere bediening bezeeten hadden, waeruit zij teegens het familie regt gesteld waeren, zij hielden 5199 hielden zeer sterk aan, dat dit spoedig moogen geredresseerd worden; wijl de aenzienelijkste geslagten door een diergelijke bestier zeer veel nadeel moesten ondergaan. kortelings De hee n nieuw De brug te Polwatte was zeedert veele Iaeren vervallen. De Jngezeetenen moes„ ingevoerde bruggepagt ten zig dus laeten overzetten al met vaertuigen en betaelden daer voor aen de luiden van het veer. De E: dessave te Polwatte en Bazaer fretz heeft in zijn teid daer wederon„ een brug laaten leggen en er stuk zeker pagt te Mature schee„ geen onbillijkheid in, dat de ingezee„ tenen, die tot hiertoe veergeld betaeld hadden nu een kleinigheid betaelden nen niet weinig nus= voor het passeeren van de brug voor de Diakonij armen ten wiens be „ noegen bij de ingezee„ hoeve deeze pagt is ingevoerd, even gelijk de van ouds in wezen zijnde brugge pagt te Maiture die nog stand tenen te hebben verwekt; houd, en waer over niemand klaegd. De bazaer pagt, welke pagt men over honderden van vrouwen al heeft is te Mature ingevoerd uit insgelijks ten teide van den E: des„ sare fretz, om een partij mise en kinderen, beklaegden rabele menschen, die steeds bij een omstreek mature rond zworven, en zomtyds hulpeloos langs de straa„ zig, dat zij deeze pagten ten laagen, te doen verpleegen in een daer niet § 49 gs een 4 daertoe op de roode berg opgeslae,„ niet konden betaalen, ge mandoe, even en op dien voet als dat te gale plaets heeft wijl ze veelteids te markt met een gestigt, dat te gale in het Jaer 1784 is opgeregt, en alle in„ gezeetenen weeten hoe veele ongelux kwaemen zonder iets kige menschen, zoo te gale als te Mature, zeedert deeze instel„ van haare goederen te linigen genezen naar haere dor„ pen zijn te rug gegaen, met nog verkoopen; moetende een klein handrijking tot rijsgeld, daer ze anderzinds op de mite„ rabelste wijze zouden zijn omge„ des niet te min de komen. De verstrekkingen die uit dit fonds ten voorsz: ende zijn gedaen zijn, eer„ gestelde pagt op brengen. teids gedaen door den konsumtie boekhouder die over deeze be„ stelling het opzigt hadde en daer van ren „ wijl deeze evengem: pagten kening gehouden heeft zedert dat deeze dienst is ingetrokken is deeze opzigt gevoerd door de llutenant Bijer de Chirurgijn van Ma „ met malkanderen slegts ture en de boekhouder franken, en was ir ten tijde dat de onrust begonnen, nog een groot getal Velendige menschen die door deeze inrigting eene zomma van rd:s 240. „wierde verzogt. voorts zijndeeze pagten niet ingevoerd, dan na dat ze te Gale zijn goedgekeuerd, en op de voordragt opbragten en het voorgeeven den Gaalsche bediendens, ook hier zijn geapprobeerd uijt het voorenstaande der klaegende hier over en uijt het geringe dat bij de deze pag„ ten hebben opgebragt, kan men van eenigzints gegrond was, de billykheid en het gewigt dezer klag„ ten bekwaamlijk oordeelen. De brug van Polwatte legt ruim twee want dat iemand eenige uuren van Mature en heeft dus wijnig betrekking tot de bazaar pagt moet betaalen en dat het betalen van éen klijnig„ heid voor een zitplaets op de ba voor die door hem te Iaar, de luijden niet merkelijk heeft kunnen drukken is Markt gebragte goederen welke 5200. heel Zigtbaar De vidaans en de Majodaels zijn nergens beeter bedeelt als in de unteresche Dessavonie, dan wijl ze des niet te min niet welke goederen hij onver„ kogt weeder tehuijs moet draagen is zeeker„ lijk drukkende. Ik had nauwlijks deeze pag= ten ingetrokken of de markt wierd ommiddelijk grooter en aenzienelijker en dús het algemeen geriefd; over de afschaffing van deeze pagten hield het volk te meer aan, wijl volgens hunne betuiging, de pagters hun veel onregt gedaen, heed„ den De misnoegden beklaegden zig ook nog en bragten dit als eene bijzondere last en bezwaeren te vreeden zijn, en waarschijnlijk is voort, dat aan de in het land 550.

NL-HaNA_1.04.02_3892_0202 view scan ↗

English

also will not be satisfied, whatever reasonable arrangements one might wish to introduce, it is therefore, and because it will probably yield a better account for the Company, approved and understood that the considerations of the Commandeur of Galle, Mr. Sluijsken, shall be requested, as they are requested hereby, whether it would not be better, in order to cut off these complaints once and for all, to relieve the vidanas and mayoralas throughout the entire Matara Dessavony henceforth from supplying pehindoes and adoekoes, and that in return the hoandiram which they enjoy be withdrawn for the Company in order to be farmed out, either separately or under the ordinary farms, and in return to pay the amount thereof in money to all servants who are stationed in the Company's service and to whom adoekoes and pehindoes have hitherto been supplied according to the custom of the country. qualified persons arriving in the country from the first to the last, so many provisions and levies had to be made on the resthouses. The mayoralas among others requested in particular that a fixed arrangement might be made in this regard, because the supplying of so many pehindoes and adoekoes amounted to a general oppression for them. 1741 It has also appeared to me that in this regard in the Matara district there is a very great difference compared with the Colombo district and in the Galle Korle; and thus, with the approval of Your Right Honourable, a similar arrangement could take place here and the regulation in that regard also be introduced in the Matara district, where it does not yet seem to have taken place. The principal Head Administrator Van Angelbeek says that at Matara there has always been a master over the carpenters and the smiths, and that he therefore does not very clearly understand what is meant by masters and chiefs of which mention is made here. This master who has now been deposed, he says is of the caste of the carpenters, silversmiths, and smiths, and that by virtue of his descent he is one of the most distinguished among these families, possessing even to this day a gold medal that Governor Van Goens gave to one of his ancestors. That the complaint of the workmen that they could not be under him on account of their caste therefore has no basis at all, except that of the sawyers who are wellalas, but that these have their own kangaans, and the master consequently had nothing to do with them other than to assign the work that had to be done. To provide for that as well, however, these sawyers had already been promised by the Political Commissioners that henceforth they would stand only under their own kangaans. Nevertheless, this arrangement of Commandeur Sluijsken is approved. The discontented further complained about the appointment of chiefs and masters who were of lower birth and descent than the skilled workmen under them, and that this was truly contrary to the old customs and privileges of the same. I was obliged, upon this complaint, to promise the carpenters and the sawyers each a separate chief in place of the one who was placed over them at that moment, just as I then also, for the present and provisionally, appointed the son of the late master carpenter Haspelaar as master over the carpenters, and another as master over the sawyers. About the Mokkedon or overseer of public works at Matara there was also very strong complaint, namely that he made the naindes perform all kinds of menial services that were contrary to their birth and obligations, and treated the inhabitants working under him unjustly, and subjected them to many extortions. The discontented strongly insisted on another Mokkedon. I have therefore provisionally entrusted this service to a Matara burgher named Floris Jansz., for whom all the naindes publicly asked, and left it to the Honourable Dessave Raket to propose him for confirmation. Furthermore, all the Moorish discontented generally complained about a certain Mohandiram of the kottalbadde: that he inflicted all sorts of vexations upon them, particularly upon his subordinate craftsmen; that he had himself carried about the country in a large palanquin, and that wherever he passed while traveling in that manner, he had the fences of the gardens and fields broken down in order to be able to pass through with his accompanying retinue. The inhabitants complained of still other illicit irregularities peculiar to almost all native chiefs, and they requested to be relieved of this man, and as before, to be allowed to keep only a vidana as chief over the kottalbaddes, because a vidana It is unfortunate that the best servants must sometimes be sacrificed in such circumstances, and it would certainly have been desirable if this man—against whom no other complaints seem to have been brought than that he had assumed a little too much in outward appearances, without it having been specifically pointed out where or in what places this occurred—could have been retained, both on account of his proven zeal in the Company's service and also because of the plantations of cinnamon, pepper, and areca which he has already laid out, among which in particular his areca garden surpassed all others, which it is said, according to the estimate of those who have seen it, could in time have yielded fully 1000 amonams of areca annually if it had not been devastated in the revolt, as it had been laid out in an extraordinarily good location and with great care and diligence.

Dutch transcription

ook niet te vreeden zullen weezen, land koomende gekwali„ wat reedelijke schikkingen men ook mogte willen invoeren, is ficeerdens van de eerste daarom, en om dat het waarschijn tot de laatste toe, zoo lijk beetere reek: voor de komp: geeven zal, goedgevonden en ver„veele verstrekkingen staan, dat van den Heer gaals kommandeur sluijsken zijne en omslag op de rust konsideratien zullen worden gevraegt zoo als dezelve gevaagdhuijsen moesten gedaen worden door dezen of het om deze klagte op eenmael aftesnijden worden. De Majoraels niet beeter waere om de vidaans en majoraals in de geheele Ma onder anderen verzogten teresche Dessavonie voor den aenstaende te ontslaan van het in het bijzonder verlen opbrengen van pehindoes en adoekoes, en dat daar en teegen onsee varzegten en het voor de komp: wierde in getrok„ ken de hoeandiram dieze genieten bijzoudens dat hier om= om teworden verpagt het afzon„ trend eene vaste schik= denlijk dan wel onder de gewoone pagten, en om daar en teegen king mogte gemaekt aan alle dienaaren die in'skomp diensten wijzen en aan dewelke tot hier toe naar 'slands gebruijk worden, wijl het opbren„ adoekoes en pehindoes verstrekt zijn het bedraagen daar van gen van zoo veel pehien„ te betaelen in geld. doens en Adoekkoes tot een algemeene druk„ king voor haer sterkte. Het 1741 Het is mij ook voorge„ koomen, dat daerom„ trend in het Matu„ reesche een zeer groot verschil is, in verge„ lijk van het kolom„ bosche en in de Gale korle; en dus zoude met goedvinden van „gestr: Uwel Edele Groot acht„ baere hier omtrend eene gelijke schikking kon„ nen plaets vinden en het reglement daer„ omtrend ook in het Matureesche li„ De misnoegden beklaegden De p:l Hoofdadministrateur van Angelbeek zegt dat er te Mature zig nog over het aen aldeen geweest is een baas over de timmerluijden en de smeeden en datr hij dus niet al te duijdelijk stellen van hoofden en begrijpen wat men verstaen vroet door Baazen en Hoofden Baazen, die van mindere waer van hier gesprooken word. geboorte en afkomst Deeze baes doe nu afgezet is, zegt hijr te zijn van de kaste waeren als de onder hun der timmerlieden silversmit en smeeden en dat hij weegens zijn geschikte werkslieden afkomst is een van de aanzienlijkste onder deeze geslagten bezittende deeze zelfde daar nog heeden ten dragen een en dit werkelijk strijden„ goude penning die de Heer Gouver„ „neur van Goens aan een zijnen voor„ de met de oude gewoon„ „zonderen heeft gegeeven. Dat de klagte en voorregten det der werksluiden dat ze uit hoofde van hun kasta onder hem niet staan konde dus geheel geen grond, heeft, sing aleezen, was ik genood„ uitgenoomen die der houtzaagers zaakt op deeze klagte die wellales zijn, dog dat deeze hun eigen kangaan hebben, en de baas mits dien met hun niets uitstaande aan de timmerlieden en de Matureepche, alwaar het nog geen plaets scheind te hebben, kunnen inge„ voerd worden. had, houtzagers 351. 5202. had, dan aantewijzen het werk dat Houtzaegers elk in het gedaaen moeste worden. om nogtans bijzonder een hoofd, en plaets ook daar in te voorzien, was aan deeze houtzagers reeds toegezegt door van den geenen die op dat P:s kommissarissen datze voortaan alleen onder hun eigen kang aan zouden moment over hun gesteld staan. Niet temien word deeze schik„ was toete zeggen, zoo als ik dan „king van den Heer kommandeur ook, voor eerst en ter waer„ sluijtken geapprobeerd. neeming, de zoon van den overleeden Baas timmer„ man Haspelaar, als baas over de Timmer„ lieden en eenen anderen als baas of meester over de houtzaegers aengesteld heb. Over den Mokkedon of opzigter der gemeene werken te Ma„ ture, wierd ook zeer sterk geklaegd namentlijk dat hij de naindes alle gemeene gemeene en teegens hun geboorte en verpligtin= gen Strijdende diensten liet verrigten, en de onder hem werkende ingezeetenen onregtvaerdig hooden behandelde en veele knevelarijen liet on„ dergaen: De misnoegden hielden ten sterkten om een ander Mokkedon- aan. Ik heb dus deeze dienst, aen een Matureesche burger in naeme Floris Jansz: daer alle de Nain„ des publiek om verzog ten, ter waerneeming meede 5203. Nog wierd door alle de Moor¬ Het is ongelukkig dat de beste misnoegden die in 't al„ dienaaren en zulke gelegent heden somtijds moeten worden gemeen geklaegd over zeeke¬ opgeoffert, in het waare zeker wel te wenschen geweest dat de aen Mohandiram van de ze Man tegens den welken gee„ ne andere klagten scheinen in gebragt te zijn dan dat hij zich kottalbadde: dat hij hun in uitterlijkheeden wat te veel hadde aengemaetegt zonder alle zoorten van rexatien, dat nogtans speciael is aan„ geweezen waer of op welke in het byzonder aen zijne plaetzen dit zoude zijn geschied„ had kunnen worden behouden, zoo uijt hoofde van zijne bewee „ondergeschikte handwerks„ ze ijser in den dienst van de komp: als ook wegens de planlieden, aandeed; dat hij zig tagien van kaneel peper en aareek, die Hij reeds heeft den en een groote Palenkijn gelegt en onder dewelke in„ zonderheid zijne arreeks tuin in het land liet rond drae„ boven alle andere uijtmunt, die gezegt word dat naar attima„gen, en dat hij, waerhij, op „tie der geene die te gezien hebben, g meede opgedraegen, en den E: Des sare Raket over„ gelaaten hem ter bevestiging voor te draegen. die § 52 die wijze rijzende passeerde in der tijd wel 1000. amm:s arreek Jaars zoude hebben konnen opleeveren de paggers der thunnen en zoo ze niet in de revolte was vervoert, als zijnde dezelve op eene uitmanten, velden liet stukkend breeken „de goede plaats en met veel zorge om met zijne bijzig heb„ en vleit aangelegt. bende staatsie te kunnen doortrekken De ingezee„ tenen beklaegden zig nog over meer andere ongevor„ loofde, en aen meest alle Inlandsche hoofden eigene ongereegeldheeden, en zij verzog= ten van deeze Man ontslaegen teweezen, en gelijk bevoozens, slegts een vidaen tot hoofd over de kottalbaddes te moogen houden, wijl een vidaen 5

NL-HaNA_1.04.02_3892_0209 view scan ↗

English

a vidana was sufficient, and that he did not have to occupy himself with all those offensive outward displays. For the satisfaction of the people, and because it truly appeared to me that the said Mohandiram was not entirely blameless, I have stripped him of his authority and promised the inhabitants to submit their request to have a vidana as head to Your Right Honorable Noble Great Revere. However, I have left this aforementioned Mohandiram his full honor, because he appeared to me to be a capable and courteous man, and upon inquiry it has become evident to me that through true merit and zeal in the service he has won the favor of his rulers, and for that reason received the honor of Mohandiram as a special reward. The inhabitants also found great displeasure, according to a very old order no one may bypass his immediate head, this was inter alia forbidden by edict of the 20th of July 1758 on pain of chains, and therefore they were pressing very urgently for a change regarding the manner in which they were obliged to bring forward their complaints and that these complaints were settled; because they were not in the position to address themselves immediately to the Honorable Dissave and the Landraad; access to the Honorable Dissave and this Court being prevented to them under all kinds of pretexts: having to bring their complaints in the first place to the village Heads, where they had to be provided with a written proof of how their complaints were settled; and that such proofs were arranged not according to equity, but mostly in favor of those whom the Heads favored most for one reason or another, and that when the complainant, not being satisfied with the ruling of these Heads, pursued his case further, one commonly rested upon the first settlement without making a further and thorough investigation. That they were often held up quite illicitly before the Head gave them the aforementioned written proof, and that when they were not provided with such proof, and presented themselves without it to the Honorable Dissave, they were rejected. Knowing the nature of the native Heads, and having experienced more than once in my long-term observations of various country services how partisan, unjust, and with what self-interest the Heads decide and settle the disputes of the poor inhabitants, and because the community insisted upon this particularly and very urgently, I found myself obliged to assure them of free access to the Landraad and the Honorable Dissave as soon as they were not provided with such written proof within twice twenty-four hours; and I am, through the approval that my mandate ola obtained from Your Right Honorable Noble Great Revere, if such punishment contrary to the country's custom be put into effect; so I have also declared these native Heads responsible whenever such illicit punishments might take place in the future. The Honorable Principal Chief Administrator van Angelbeek testifies that he prohibited this by sannas, as he has already indicated in a writing signed on the 22nd of May 1790 and handed over by him to the Commissioners at Mature, who also handed it over to Mr. Sluijsken, and he requested that an extract from the aforementioned writing speaking of this might be sent among the annexes to Your Noble Great Revere. Furthermore, the Honorable van Angelbeek, regarding this matter, referred to the record kept at a Mature resolution of the 29th to 27th of May, by which it was understood to grant the aforementioned request to keep this record. The aggrieved also complained very strongly that the Heads did not, as the order dictates, employ the common people and the lower castes for the forced peeling of cinnamon from the land, but also compelled prominent inhabitants to this work, requesting that this may be arranged on the old footing. Which I then, since the order determines this, also ordered accordingly in my mandate ola, holding the Heads responsible in this case.

Dutch transcription

5204. „vidaan toerijkende was en zig met alle die aenstooke„ lijke uitterlijkheeden niet hoefde oftehouden. Tot bevreediging van het volk en wijl het mij werkelijk voorkwam dat gedagte Mohandiram niet geheel zuiver was, heb ik hem het gezag ontnomen en de ingezeetenen beloofd hun verzoek om een vidaen als hoofd te moogen hebben „gest. uwelEdele Groot achtb: te zullen hebeben voordraegen. Deeze evengem: Mohan„ „ diram heb ik egter zijne volle honneur gelaeten wijl 3. 53. volgens een zeer oude order „wijl hij mij voorkwam een geschikt en hupsman te zijn, en bijna vraage is mij gebleeken, dat hij door werkelijke verdiens„ ten en ijver in den dienst de gunst van zijne gebie„ ders heeft gewonnen, en daerom als een bijzondere belooning het honneur als Mohandiram heeft overkreegen. Een groot misnoe„ mag niemand zijn immedi gen bevoonden de in aate hoofd voorbijgaan: Dit is onder anderen bij plakaet van den 20. Iulij 1758: ver„„gezeetenen ook nog 1745 slag. weegens zeer dringen„ de om eene verande„ ring aan, over de weize dat zij verpligt waaren hunne klag„ ten voortebrengen, en dat deeze klagten afgemaekt wier„ den; wijl ze niet in de geleegendheid booden op poene van ketting en hielden des„ waeren waaren zig on„ „middelijk aan den E: Dessa„ ve en den Land„ raad te kunnen addresseeren; wor„ dende hun de toegang tot den E: Desselve en dee„ ze Rechtbank onder allerlij voorwend„ „zels belet: Moe„ tende hunne klagten a 5208. Klagten in de eerste plaats bij de dorps Hoofden inbrengen, alwaar ze van een schriftelijk bewijs moesten voorsien worden, hoedanig hunne klagten afgemaakt weerden; en dat af diergelijke bewijzen niet na de bellijkheid maar meest al ten faveure van den geenen ingerigt wierden die de Hoofden om een of andere reeden het meeste gunstig waeren, en dat wanneer de klaager over de uitspraak deezer Moofden niet volaen zijnde zijne zaak verder pousseerden, men gemeen„ lijk bij de eerste afdoening bleef berusten; zonder een verder en naeuw keuring onder„ „soek. „soek te doen. Dat zij dikwils gantsch ongeoorloofd op„ „gehouden wierden voor en al eer de Hoofd hun het gem: schriftelijk be„ wijs gaaven en dat zij wanneer zij van een dier„ „gelijk bewijs niet voorzien waaren, en zig zonder het zelve aan den E: Dissave vertoond, van de hand geweezen wierden. Dan aard der Jul: Hoofden kennende, en meer als eens in mijne langduurige waarneemingen van onderscheidene land diensten ondervinden hebbende, hoe 5207. hoe partijdig, onaegtvaerdig en met wat eigen belang de Hoofden de geschillen der arme pagezeetenen beslissen en afdoen, en wijl de gemeente hier over voorna„ „mantlijk en zeer dringende aanhield, heb ik mij ver„ pligt gevonden, hun eenen vrijen toegang tot den Meer Dissave in de landraad te verzeekeren, zoodra ze niet binnen tweemaal vieren twintig uuren van een diergelijk schriftelijk bewijs voorzien wierden; en ik ben door de appro„ batie die mijne Mandaat ola van uwelEdele gestronge groot achtbaare verkreegen heefft, n diergelijke straft„ oeffening teegen 'slands gewoonte werkstel„ „lige gemaakt worden; zoo heb ik deese Inlandsche Hoofde meede verantwoorde¬ „lijk verklaard, wanneer diergelijke ongeoorloofde Strafoeff„ feningen in den aans„ „staande mogte plaats hebben De E: p:l hoofd administrateur van De Misvoegden beklaag„ Angelbeek betuigd, dat hij dit bij san„ nas heeft verbooden, zoo als hij dat den zig ook nog zeer reeds heeft aengeweezen bij een ge„ schrift geteekend den 22. Maij 1790. sterk dat de Hoofden en door hem aen b:s kommissa„ nissen te Mature overgegeeven die het ook hebben overgegeeven niet, gelijk de order aen den heer sluijsken wij heeft verzogt, dat ook een extrakt uit dicteerd, tot het afdringen voorsz: van 556 5209. dit stulks beroepen op de aentee„ in 't voorsz: verzoek te bewilligen reespche rezolutie van den 29. tot deeze aenteekening te houden 27. Maij. waer van verstaen, is van kanneel uit voorsz: geschrift hier van spreekende het land het gemee„ onder de bijlaegen moge gezonden worden aan W: s: E: Nog heeft de E: van Angelbeek zig nopens we volk ende laage„ kening, gehouden bij een Matu „ Casstas emploijeeren„ de, maar tot dit werk ook aansien lij„ „ke ingezeetenen dwon„ „gen, versoekende dat dit werden op den ouden voet mooge geschikt worden. het welk ik dan, aan„ gezien de order dit bepaald, ook zoodanig bij mijne mandaatola belast heb, de Hoofden in dit geval aanspreekelijk houdende Niet ams 9 „ 2 n

NL-HaNA_1.04.02_3892_0218 view scan ↗

English

Section 57. No less were the inhabitants displeased about the disadvantage of coercive measures that were said to have been employed in the receipt of the grains, regarding the obligation to deliver paddy into the Matara and Tangalle storehouse, complaining that much injustice was done to them by the receivers during the measuring of that paddy, requesting that henceforth their paddy may be measured and received according to the regulation. The Honorable Principal Chief Administrator van Angelbeek, having been questioned about this, declared that he had never heard that they were forced in any way. That it had only come to his attention now and then that the suppliers of the paddy thought that the paddy needed to be dried and cleaned less than the receivers deemed necessary and was also ordered by the standing regulations, but that in this matter too, as far as it was possible to do so, he always arranged things to the satisfaction of the suppliers. That he always gave the strictest orders to the Postholder of Tangalle, who receives the paddy there, and to the Bookkeeper Frankena, who managed the administration of the Matara storehouses for him, to receive the paddy according to the standing regulations. That while he was still at Matara, concerning the receipt of the paddy in the storehouse of Matara, no complaints were brought before the Honorable Commissioners; that it is, however, not surprising that this complaint was also brought forward, because there has never yet been a revolt in the territory wherein complaints were not made regarding this matter. That in the meantime he can declare with frankness that never, neither regarding the Postholder of Tangalle nor regarding the Bookkeeper Frankena, were any complaints made to him on account of too excessive a receipt. I have also determined this and arranged it as the order prescribes, and I want to hope that the receivers will in the future no longer exceed their bounds; at least if it should unexpectedly happen, the guilty ought to be punished exemplarily. Out of necessity this arrangement has been approved, since the suspicion still existed here that a general dissatisfaction and complaint of the inhabitants, pretending that they were treated in the most unjust manner by the Moors, who obtained almost all the paddy leases in the country, requesting very urgently and insistently that the Moors might nevertheless remain excluded from all leases. I have, merely to pacify the people and yet bring no detriment to the Honorable Company, not been able to decide this otherwise than by granting the preference to the Sinhalese, if they were inclined to pay the same lease sum that might be accepted by a Moor. That it is probable that through this the leases will decline considerably, it has been approved and resolved that the considerations of Mr. Sluijsken will be requested, as the same are requested by this document, whether it has beneficial consequences, or whether it might not be possible that the paddy in the Matara Dissavony henceforth be leased, instead of by Dutch auction, only by English auction. Section 58. Beside and beyond the aforementioned, the inhabitants still had many complaints, whose corvée labor caused their displeasure, and which I also in the best manner and according to the ancient custom and obligations have arranged and settled. Among these belongs, particularly, their aversion against the reclamation of the waste land of Baddegiria. By the sannas of the Honorable Commissioners of 12 August 1715, it had already been declared that it had in no way been the intention of this Government, nor also of the Dessave of Matara, to use anyone of the Matara inhabitants against their inclination to perform any work at Baddegiria in the Magampattoo, and that they were also for greater certainty now excused from this expedition; the aforesaid sannas was confirmed by this Government. Greater assurance could not be given to the people for their peace of mind on this matter. The Honorable van Angelbeek, being specially interviewed regarding this item, declared that he does not understand how the inhabitants could have complained about this expedition, since they were fully convinced that this expedition was a free and unforced work, to which none of them was compelled, and that they were informed thereof for greater certainty by him by sannas as soon as some restless movement was perceived on that account. Section 59. That where

Dutch transcription

§ 57 Niet minder waeren de ingezeetenen De E: p:l hoofdadministrateur van Angelbeek hier over gevraegd zijnde, misnoegd over de nadeelinge betuigd, dat hij nimmer ##ge van dwang middelen, die bij de ont„ wijze dat zij gedrongen wierden vangt der graenen zouden zijn te werk gesteld, heeft gehord. Dat hem alleen nu en dan is voor de verpligtenelie in het gekomen, dat de leveranciers der nelij meenden, dat de nelie minder maturesche en Tangaalsche Pak„ moesten worden gedroogd en gezuiverd, dan de ontvangers dat dagte nood„ zaekelijk te weezen en ook bij de eeg„huijs te leeveren, zig beklaa„ gende ordres bevolen word, dog dat hij ook hier in zoo veel het heeft kunnen geschieden, de dingen steeds gende dat hun bij het mee„ tot genoegen der leveranciers heeft geschikt. „ten van die nelie veel Dat hij aen de Posthouder van Ten„ gale die de nelie daer ontvangt, onregt door de ontvangers en aen de boekhouder Frank ena die de administratie van de Ma„ gedaan wierd, versoekende tureesche Pakhuisen voor hem ge„ heeft gevoerd, steeds de striktste beveelen gegeeven heeft, om sc nelie dat voortaan hun nelie te ontvangen na de leggende ordres. Dat hij noch te Mature zijnde, na de order mooge ge„ omtrend den ontvangst van de Nelie in het Pakhuijs van Mature, aen meeten en ontvangen worden; E„s kommissirressen geene klagte zijn ingebragt geworden, dat het egter niet te verwonderen is, dat Jk heb dit meede bepaald deeze klagte ook ingebragt is geworden, wijl et nimmers nog eene revolte geweest is in het na en zoodanig geschikt als tirreepre, dat hieromtrend niet zoude zijn geklaegd geworden. Dat hij de order voorschrijft, en interssche met opaertheid kan ver„ klaeren, dat hem nimmeer, zoo ik wil hoopen dat den omtrend den Posthouder van Tangale, nog omtrend den boek houder Frankena, eenige ontvangers, zig in den klagten weegens eene te ruime ontvangst gedaen zijn geworden. aanstaande niet meer zullen te buijten gaan ten minsten Zoo 5210. uit hoofde van de noodzaekelijkheid is deze kelijk zullen daelen, is goedgevonden en verslaen dat den heer sluijsken zijne konside„ accetsie zullen worden gevraegd, zoo als de„ zelve gevraegd worden door deeze of ter voor„ deelige gevolgen heeft, het niet zoude kun„ nen aengaen, dat de nelie in de Maturee„ pagt insteede van bij aslag, alleen bij den opslag. schikking geapprobeerd, dan wijl, het vermoede„ Een algemeen misnoegen nen bestond nog hier in sche Dessavonie voortaen wierde ver„ voorgeeven door de Mooren die meest al de ne„ „lie verpagtingen in het land verkreegen, op de onregtvaerdigste wijze behandeld wierden verzoekende zeer drin„ gende en instantig dat dog de mooren van alle lijk it, dat hier door de pagte degee mer en klagte der ingezeete„ koninng dat deeze schikking geen alte na„ dat zij volgens hun zoo het onverhoopt mogte geschieden, dienen de schul„ digen voorbeeldelijk gestoatt te worden. verpagtingen § 58 d mogten uitgeslooten blijven Ik heb Buijten en behalven het voor„ Bij de sannas van E:s kommissarissen artikel ƒ 12. 8. 15: was reeds verklaerd, dat het min„ schreevene hadden de ingezel„ met de intentie van deeze Regeering nog ook niet van den dessave van Mature ge tenen nog veele klagten wel weest is om iemand der Matureesche„ ingezeekenen, tegens hunne geneigtheid te kers voorwerken hun mis= gebruiken, tot het verrigten van eenig werk te Baddegirie in de Magampatioe, en dat noegen veroorzaakten ze ook ten overvloede van deeze togt nu nader wierde ge-exkuseerd voorsz: san, en die ook op de beste weize nas was door deeze Regeering bives= tigd. Grotere verzeekering konde aen het volk, tot derzelver geruststel„ en na de al oude gewoonte ling op dit stuk niet gegeeven worden. Den E: van Angelbeek over deeze post en verpligtingen geschikt speciael onderhouden zijnde verklaerd en afgedaen heb onder deeze dat hij niet begrijpt hoe de ingezee„ tenen zich over deeze stogt hebben konnen bezwaeren daar dezelve ten vollen behooren, nog wel in het bij= overtuigd waeren, dat deeze togteen vrije en ongedwongen werk was, wa zonder hun teegenzin toe niemand hunner genoodzaekt is geworden en dat ze daer van toe over teegen de „ kwaemmae„ „be vloede nader door hem bij Samas zijn onderrigt geworden zoo dra meking van het woeste derweegens eenige onrustige beweeging begon te bespeuren. land van Baddigierie 3. 59. dit om het volk maer te be„ vreedigen en de Ed: kompe egter geen nadeel aentebrengen niet anders kunnen beslissen dan door de Iin„ geleeden de preferentie toete staen indien zij geneegen waaren de„ zelfde pacht schat op te bren„ gen die door een Moor mogte aengenomen worden. Dat waer

NL-HaNA_1.04.02_3892_0221 view scan ↗

English

That even apart from this consideration, he cannot imagine that there really was such a general fear of this journey among the people, because most, or at least very many, of these inhabitants make this journey yearly when they go to Kattregam to perform their offerings, then pass by Baddegirie; and it is well known that Kattregam is held to be even unhealthier than the tract of land where Baddegirie lies. That furthermore, the acceptance by Don Constantyn, one of the principal and first rebels, of the post of head and Mohandiram of that province is not a slight argument against this. That it is indisputable that Baddegirie or the Magampattoe cannot be called healthy for people who are not accustomed to the climate, as during the east monsoon they run the risk of catching the fever. That all strangers face this same risk in the Girouwais and in the vidani of Kattoene, a general sickness that prevails throughout the entire district of Roene in those months, as well as in other regions on this Island; whereas, on the contrary, in the north and west monsoon, people there know just as little of any illnesses as in the other districts. That this is known to everyone, and since this journey was to take place in the west monsoon, there was consequently no risk of sickness. whereupon they strongly insisted on obtaining a firm assurance that in the future they would no longer be forced or invited to make a journey to this unhealthy land, since they regarded it as their murder-pit. That it is well enough known that the cultivation of the Girrewais had to struggle with that same difficulty, as can be seen, among others, in the left-behind memoir of the gentleman Commander de Jong, as outgoing Dessave of Mature; and for which cultivation the peoples of the other korles and pattoes were not only invited, but were forced to do so, and where the mortality among the people appeared to have been so great that the Commissary-General H: A: van Rheede (:L: G:) in a letter dated 23 7ber: 1685 proposed to the Gentlemen Majores to abandon this work. That it is sufficiently known what a blessed province the Girrewaij is at present, what advantages it gives to the Noble Company and to the general public, and that if one wishes to be unbiased and unprejudiced, one will have to admit that the Magampattoe promised considerably greater prospects. Being questioned on this post, the Honorable van Angelbeek answered that he had already noted above that the Sinhalese are by no means lacking in boastful speech and exaggeration when they believe they must complain about one thing or another; and he trusts that it will not be unknown to the gentleman Sluijsken that he cannot find sufficient evidence on such occasions to support his aforesaid allegations. That one may well establish that this proposition is particularly applicable here, since no other people were sent to Baddegirie to work there, except for the convicts of Kolombo, Gale, and Mattire, and some baddenasses to erect resthouses there, and since then, with the Modliaer Jinnekoon, a party of 456 head, who worked there for 15 days under the Gajeman aratje and were replaced by others. That according to the testimony given by the Modliaer Jinnekoon to the Honorable Commissaries, only one of these people died upon return, and the Gajeman aratje likewise declared that he had not learned that more than a single Sinhalese blacksmith had died at Baddegirie. If one can accept the allegations of the inhabitants, and it is genuinely proven that many of the people who were sent to Baddegirie have perished, then it is certainly not to be wondered at that a general discontent could have been stirred up by this. I have had men, women, and children with me who brought forth the most touching lamentations with weeping over the loss of their sons, husbands, fathers, and other blood relatives, whom they said had been sent to Baddegirie and had perished there. A sensitive heart could not fail to be moved to see these people mourn and lament their loss. The inhabitants declared that the Porte servants of the Honorable Dessave had forced the people to this journey to Baddegirie, and had allowed themselves to be bribed or corrupted by those who wished to be exempted from this journey. How the matter stands in this regard will appear upon further investigation; nevertheless, it is not strange that on such occasions extortions of money and other injustices are committed by the Porte servants and other native chiefs. I know this from experience when in the year 1731/32, as overseer of the Gale korle, I had to procure coolies and other people for the service of the marching and passing commandos and detachments; I already saw then how the chiefs knew very well how to let themselves be paid by those who wished to be exempted from accompanying these detachments.

Dutch transcription

5211 Dat hij zelfs buiten deeze konside„ waer op zij sterk aan„ ratie zig niet verbeelden kan, dat er werkelijk eene zoo algemeene vrees voor deeze togt onder het voerhielden om dog eene vaste geweest is, wijl de meeste, of te minsten zeer veele van deeze inwoonderen verzeekering te moogen Iaerlijks deeze togt doe, als zij na katregam gaan om hunne offer„ dan na Baddegirie passeeren en het bekent is dat kattregan„ voor nog ongezonder gehouden Wot da de streek lands gedwongen of uitgenodigd waerd Baddegirie legt. Dat voorts de aenneeming van Don Con„ om een togt na dit onge„ stantens, en der voornaemste en eerste oproermaekers, van zonde land te doen; wijl zij de Post als hoofd en Mohandi„ ram van die provintie, niet wei, het zelve als hunne moord„ nig een argument is dat teegens deeze militeerd. Dat het onbe„kuil aenmerkte twistbaer is dat Baddegi„ rie of de Magampattoe voor menschen, die de lugtstreek niet gewoon zijn niet gezond kan ge„ noemd worden, wijl ze in de oostmous„ son gevaer loopen om de koorts te krijgen. Dat alle vreemdelingen dit zelfde gevalt loopen in de Grouwais en in de vidani van Kattoene, eene algemeene zichte die in het geheele distrikt van Roene in die maenden, gelijk ook in andere streeken op dit Eiland keerscht, terwijl daer en teegen in de noord en west mousson men daer even zoo wennig, als in de andere distrikten, van eenige ziekten weet. Dat dit een ijder bekend is, en ter„ wijl deeze togt in de west mousson zoude geschieden, er dus ook geen geraek van ziekte was. hande te verrigten moetende zij krijgen, dat ze voortaan niet meer zoude worden Dat b Dat het genoegzaem bekent is dat de bekwaemmaeking van de Girrewais met die zelfde zwaerig„ heid te worstelen heeft gehad, zoo als onder anderen de nagelae„ tene memorie van de heer kom„ mandeur de Jong, als afgaen„ de Dessave van Mature te zien is, en tot welke bekwaemmae„ king niet alleenig de volke„ ren van de andere korles en pattres uitgenodigt, maar daertoe gedwongen zijn gewor„ den, en alwaer de sterfte onder het volk zoo groot scheen geweest te zijn, dat de hier kommissaris H: A: van Rheede (:L: G:/ bij brieve van den 23. 7ber: 1685. aen Heeren Majores voorstelde om van dit werk aftezien. Dat het genoegzaem bekent is welke een gezeegende provintie tans de Girrewaij is, welke voordeelen die aen de Edele Maet„ schappij en aen het algemeen geeft, en dat zoo men onbe„ vooroordeeld en onvoorin„ genoomen wil zijn, men zal moeten bekennen, Dat de Ma„ gampattoe vrij grootere voor„ 1 uitzigten beloofde. zoo 5212 zoo men het voorgeeven der op deeze post den E: van Angelbeek gevraegd zijnde, zoo anstwoorde ingezeetenen kan aennee„ hij daerop, dat hij reeds hier boven had aengemerkt, dat het groot spraek en breet uitmeesen mankeert, zoo hij vermeend om over het een en ander te moeten beklaegen, en dat hij vertrouwt, onbekent zal zijn dat hij bij zulke geleegentheeden voorwerpen gaves te onderstennen. Dat men wel vast mag stellen, dat deeze stelling inzonderheid hier appli„ kabel is, alzoo 'er na Badde„ girie om aldaer te arbeiden geen zeeker niet te verwonde„ andere volkeren gezonden tzijn, buiten en behalven de gekondem„ren, dat hier door eene neerdens van Kolombo, Gale en Mattire, van eenige baddenassen om rusthuizen aldaer op te slaen en zeedert met de Modliaer Jus„ die aldaer 15. daegen onder de Gaje„ man aratje gewerkt, en door Koo. andere vervangen zijn geworden Ik heb mannen vrouwen en Dat volgens betuiging van de Modliger Jinnekoon aan E. kom, kinderen bij mij gehad, dit missarissen gedaen, van deeze vol„ keren bij terug komste maer een overleeden is, en de Gazemenaraetje insgelijks verklaerd, dat hij niet girie meer dan een enkelde Jinga„ leephe smit overleeden is. —. de singalees in geenen deele aan men, en dat het werkelik dat het den heer sluijsken niet van het volk, dat na Bad„ genoeg kan vinden, om zijne voorz„ degirie is verzonden veelen nekoon een parthij van 456. koppen heeft kunnen verwekt worden. vernoomen heeft, dat op hadde „ met geklag voortbrag= ten over het verlies van hunne zoonen, mannen het aendoenlykste Jam„ algemeene misnoegdheid zijn ongekoomen; dan is het beweezen word dat er van Vaders 10 3. 00. vaders, en andere bloed verwanten, die zij zijden dat na Baddegirie ver„ zouden en aldaer omgekor„ men waeren. Een gevoelighart moest aengedaen worden, deeze menschen hun ver„ lies te zien betreeen en bejamineren De Ingezeetenen verklaerden dat de Porta bedienden van den E: dessave het. volk tot deeze tagt. na Baddeginie hadden getwongen, en zig door die geenen hadden laaten parres„ seeren of omkoopen, die 5213. die gaerne van deeze togt bevreid wilden weezen. Htoe het hier„ meede geleegen is, zal bij nader onderzoek blijken; het is egter niet vreemd dat 'er bij zulke geleegentheid door de Porta bedienden en andere Inlandsche hoofden geld afperzin„ gen en andere onregt„ vaerdigheeden geschieden Ik weet dit bij onder„ vinding e vinding wanneer ik in Ao 17 2/32. als opziender van de Gale korle, koe„ lies en andere volk tot den dienst der uitrukkende in passeerende komman dos en Detaihementen mrest bezorge; Ik heb toe reeds gezien hoe de hoofde zig wel wisten te laeten betaelen door die geene die van het verzellen van deeze detachementen be„ vrijd wenschten te zijn

NL-HaNA_1.04.02_3892_0227 view scan ↗

English

All of the above clearly shows that the discontent of the people, especially since some years ago, is not imaginary, but rather well-founded. Added to this, as was written to me, the Honorable Mr. van Angelbeek has, from the very beginning when His Honour became Dessave of Mature, acted with somewhat too much rigor in general, and has not sufficiently adhered to the customs and laws of the land, to which the Native is so greatly attached. Being asked about what is set forth here in the margin, the former Dessave van Angelbeek declared that he believed he had sufficiently demonstrated, by the reports of the Native chiefs cited above, of what nature his punishments had been, and what should be made of the complaints of the inhabitants in this regard. That he does not remember having ordered anyone punished other than a single lime burner's wife, besides those who were sentenced to some punishment by the Honorable Landraad, and who certainly cannot be counted among women of noble birth. That he thinks, however, that this general and indefinite expression of the Honorable Commander Sluijsken actually refers to the alleged arrest of the so-called widow of Abesegere Mohandiram, since she is mentioned in one of the complaint ola's, and he remembers no other. That concerning this event, a report was likewise submitted, with the presentation of an ola, by the Mohotiaar First Folk and Modliaar of the Attepative Adigarie Mandoe and Gamekeepers, a copy of which was likewise delivered to Mr. Sluijsken by the Commissioners. This supposition of mine is also proven by many who were punished in a more than harsh manner. At least many have come to me who still bore the ugliest marks upon their backs from the punishment they underwent, and showed them to me. It is well known to Your Right Honourable Worships that the Native must be punished according to the custom of the land and in such a manner as corresponds to his Caste and his birth. Many are beaten with rattans, others chastised with a whip or sjamboks; there are also those whom one brings to their duty through arrest or other civil punishments. In particular, women who are of good birth or castes are not punished in a manner that is dishonorable to their family; and this, however, seems to have taken place now and then. From this report, he trusts, it will fully appear that he treated this woman with the greatest moderation, and he requests that a copy of this report may likewise be attached to the annexes hereof. That, for the rest, he cannot refrain from expressing his surprise to some extent that the Honorable Commander Sluijsken, besides never having spoken to him about it, has not paid the slightest regard to the reports presented above, the more so as His Honour himself was in quite an unpleasant situation as Captain of the Cinnamon when the Chalias revolted in 1778, since the complaints that these peoples brought forward at that time, as he is well informed, were rather more hateful than those which the Mature inhabitants brought forward on this occasion, while asserting that they had repeatedly made complaints about it without being heard or obtaining justice. Finally, that against him, against whom no complaints of extortion or oppression were made anywhere, however unproven the Sinhalese were in their complaints this time, he thinks that if the Honorable Messrs. Fretz and Trobus had acted in a similar manner during the aforementioned rebellion of the Chalias, Mr. Sluijsken would have complained not a little about their actions. I do not at all wish to attribute this to a bad disposition of Mr. van Angelbeek, but rather to ignorance of the country's administration and the character of the Sinhalese when His Honour was appointed to this post. Added to this is that Mr. van Angelbeek, in my view, placed all too great a trust in certain Native chiefs who possessed less merit than His Honour's trust warranted. Among these I reckon especially the Modliaers De Saram, Tennekoon, and Gooneratne, but also the Modliaar of the Wellabaddepattoo and the second Interpreter Mohandiram, both of the latter who have been dismissed from their posts and are presently in Galle, possessing perhaps more goodwill toward Mr. van Angelbeek than the means to counter the scheming of the others. That furthermore, concerning the trust he placed in the chiefs subordinate to him, he prefers to explain himself in writing, as well as regarding the non-observance of the country's customs and laws, and most humbly requests this of this Government. That in the meantime he cannot see that it is a crime, or even deserves any reprimand, that a regent placed appropriate trust in his subordinate chiefs, who were given to him for help and assistance to promote the welfare of land and people, and that he trusts that by this trust of his he has in no way lost his authority over these chiefs, but that on the contrary each of them always feared and respected him, and that his orders given for the performance of the Company's services were executed with as much, if not more, promptness than ever before; upon which it was decided to record this note, and to grant the aforementioned request. Furthermore, the Honorable van Angelbeek requested that, with regard to his supposed ignorance of the country's administration assumed here in the margin, the following brief indication of the country's products collected during his administration might be inserted here, compared to

Dutch transcription

5214. Al het voorenstaende toond De geweezene Dessave van Angelbeek over het hier ter zijden gestolden ge„ vraegd zijnde verklaerde hij te ge„duidelijk aan, dat de mis= looven door de hier boven aenge„ kaalde rapporten van de Jnlangvoegdheid des volk zee„ sche hoofden genoegzaem te hebben aengeweeze hoedaenig derd eenige Iaeren her„ zijne strafoeffeningen geweest zijn, en wat van de klagten der waerds niet imaginaire ingezeetenen ten denz„e opzigte moet worden gehouden. Dat hij zig niet ervincient meer dan maer wel gegrond is ge ^ hier bij komt nog dat de Heer van eene enkelde kalkbrandersvrouw ongeldeek gelijk mij toegeschreeven is behalven die geenen die door de weest ^ van de beginne aan eerw: landraed tot eenige straffe zijn overweezen, te hebben laaten afstraffen, en die zeeker onder dat zijn E: dessave eene vrouw van geboorte niet kan gereekent worden, dat van Matirae is geworden, hij egter denkt dat deeze al„ gemeene en onbepaelde uit drukking van den heer komman omtrend het algemeen, met der sluijsken, eigentlijk ziet op de gewaende arresteering wat al te veel rigeur is te van de zoogenaemde weduwe van Abesegere Mohandiram werk gegaen, en zig niet ge„ wijl bij een der klagt olassen van haar gesprooken word noeg bepaeld heeft aen 'slands en hij zig van geen andere erm„ nekt. Dat omtrend deeze ge„gewoonten en wetten waeraen den beurtenis insgelijks een rapport onder aenbieding van eeze, Jnlander zoo zeer verslaefdis door den Mohotiaer eerste Volk en Modliaer van de Attepative Deeze mijne verondersstel„ adigarie mandoe en wildschut„ ters overgelegt is geworden, en ling word ook beweezen, door door E:s kommissarissen uitge„ lijks in kopij aen de heer sluijsken veelen die op eene meer dan overgegeeven harde 5. 61. 0 overgegeeven is, uit welk rap„ harde weize zijn afgestraft, port hy vertrouwd ten vollen zal bleiken, dat hij deeze ten minste veelen zijn bij mij ge vrouw met de meeste ge gemaetigheid behandeld weest die de lelijkste adtee„ heeft, en dat hij verzoekt kens door de ondergaene dat insgelijks van dit rap„ port een kopij onder de bij straf op hunne ruggen laegen deezes mag worden gevoegt. Dat hij overigen behouden hadden, en mij die niet kan nalaeten eeniger maete zijne verwondering te betuigen aentoonden. Het is uwel dat de heer kommandeur sluijsken behalven dat hij Edele Gestrenge Groot Acht„ hem nimmer daerover heeft gesprooken, geen de bekend dat den Inlander minste reflexie op de hier moet gestraft worden na boven bijgebragte rappor„ ten heeft geslaegen temeer 'slands gebruik en zodaenig zijn Ed: zelfs een vrij onaen„ als met zijne Casta in zijne genaeme omstandigheeden als kapitain van de kaneel geboorte over eenkomt zig bevonden heeft, toen de Cha„ veele worden door Rottings liassen in 1778. refolteerden, alzoo de kragte die deeze geslaegen, andere met fwriep en volkeren toen derteid inbragten zoo hij wel onderrigt is, vrij of Sjambokken gekasteed haetelijker waeren, dan die de Ma„ ook zijn er die men door ak„ turlepie ingezeetenen bij dee„ ze geleegendheid hebben voort gebragt onder betuiging, dat rest of andere Civiete straf ze daer over te meermaalen fen tot hun pligt brengd hadden klagten gedaen zonder te zijn verhoord of regt het bijzonder de vrouw in te hebben verkreegen. eindelijk dat hij teegens wien die van goede geboorte nergens eenige klagten over af of 5215. afperzingen of knevelarijen of kastas zijn, straft men niet gedaen zijn, hoe onbeproemd op eene weize die voor haere ook de singaleeschen in hunne klagten ditmael zijn geweest familie onteerende is; en dit denkt dat zoo db. s fretz en scheindegter nu en dan ook wel trobus, bij meermelde oproer der Tjaliassen, eens plaets gehad te hebben op eene gelijke wijze gehan Ik wil dit geenzints toeschrij„ delt hadden, de heer sluijs van aen eenen kwaeden inborst ken zig niet weinig avet van de heer van Angelbeek hunne handelingen zoude maer wel aen onkunde van hebben beklaegd. Dat hij voorts liefst over het land bestier en den aerd het vertrouwen, dat hij in de hem ondergeschikte hoof,„der Singaleesen, toen den gesteld heeft, zig schrif„ ƒ telijk wenscht te verklae„ zijn E: in deeze post ge„ ken, gelyk ook weegens het niet opvolgen van slands steld wierd; waerbij gewoontens en wetten en dit van deeze Regeering komt dat de heer van ootmoedigst verzoekt Dat hij intusschen niet Angelbeek na mijn in„ zien kan, dat het eene zign een alte groot vertrou„ misdaad is, of zelfs eenige berisping verdiend, dat een wen aen eenige Inlandsche regent gepaste vertrou„ wen in zijne ondergeschik hoofden heeft toegedraegen te hoofden, die hem tot die minder verdiensten hulpe en bijstand, om het gelijk van land en volk te zaeten als zijn E: vertrou„ te bevorderen a 90 g N s te bevorderen, gegeeven zijn, steld, wen meriteerde. onder deeze en dat hij vertrouwd, reekene ik voornaement„ door dit zijn vertrouwen lijk de Modliaers De Javam in geenen deele zijn ge„ Tinnekoon en Goenerat„ zag over deeze hoofden te hebben verlooren, maer ne, edog ook den dat daer en teegen een ijder hunner hem steeds gevreegt moiliaet van de welle„ en geagt heeft, en dat zijne baddepattoe en den tweeden gegeevene beveelen tot het verrigten van 'skomp:s tolk Mohanderam welke dienssten, met eene zooveel zoo niet met meer prompebeide laatsten, die uit hun„ heid zijn uitgevoerd, dan ne diensten gesteld zijn, en zig immer voor deezen, waer van verstaen is deeze aen „ thans te gale bevinden, moge„ teekening te houden, lijk meerder welmeenend„ en in voorsz: verzoek heid voor de heer van te bewilligen. Nog heeft den E: van Angel „ Angelbeek als ver„ beek verzogt, dat met betrekking tot de in hem moogens bezaaten hier ter zijde veronder„ stelde onkunde van het lande in de Saloutie bestier, hier mogte worden g'in„ sereerd de ondervolgende der anderen te kunnen korte aenwyzinge van slands produkten, ingekoomen geduurende zijn bestier teegen gaan vergeleeken 1

NL-HaNA_1.04.02_3892_0231 view scan ↗

English

5216. compared against that which was purchased in earlier years. Statement of the Products that were delivered to the Company in the Matara dissavony during the last Ten financial years, namely: The Dissava Burnat. The Dissava Fretz. The Dissava van Angelbeek No 78 8/8 7 1782. 178 3/3 178 /3/4. 178 1/5. 178 /6 178 7 78 /8 „ 178 8 Paddy tithes: parras 37036 ƒ 5976:1½ 6 25174 5983 — 436:1: 5 246: 38:69152 8085 - 54913 7/8. 103 44. - Pepper for payment lb: 2705. 4. 3500. - 465¼. 4279 1/8. 547. - 3312. 4. 1586. — 2499 7/8. 7177. from the plantations: 754„ 4727. -. 17089 38851. 2 8412 1/8 Coffee beans. for payment lb: - - 52 from the plantations - - 5. Cardamom for payment lb: 14020 –. 4158½ —. 6543¾. 6075. - — „ 7274½. 7225. ½ 4765. -. 5669 4 from the plantations „ 183. - 94. Areca. for payment amunams: 459¼. 22 7/8. 355¼. 47½. 48 3/8. 386 7/8: 498½ 282. 3/8 285. ¼. 710 15/8 from the plantations „ - - - - - ½. 68. 3. 5/8. 1½. 51. ¼ from the plantations „ — - - - - - - - - - - - - - - - Concerning the delivery of products for this current financial year 17 89/90, no other statement can be given than in so far as concerns the paddy tithes for the Maha and Duruthu Maha harvests, which in this financial year have yielded: parras 85639 4. whereas in the preceding five financial years they amounted to no more than the following, to wit: 178 4/5 - - - - - - - - - - - - - 29024. — 178 5/6 - - - - - - - - - - - - - 27254. ¾ 178 6/7 - - - - - - - - - - - - - 10894: —: 178 7/8 - - - - - - - - - - - - - 30307. –. 178 8/9 - - - - - - - - - - - - - 55405: Colombo the 20th August 1790. Underneath stood: Agrees with the memoranda drawn up of these revenues at Matara and delivered to the gentlemen commissioners Groetz and Samlant, and with the compendiums of the overseer of Areca at Galle. Signed: C: van Angelbeek. § 62. The Honorable van Angelbeek, having been asked regarding the non-employment of the Mudaliyar Ilangakoon, the said van Angelbeek declared that he could not employ this Mudaliyar because he is entirely given over to drunkenness, and from which evil he has not been able to dissuade him, however much he attempted to do so, and that in this matter he dares to appeal to the public testimony of everyone to whom this Ilangakoon is known. In a word, to this trust toward the native headmen, and to the fact that the first interpreter, the Mudaliyar Illangakoon, who has great power and influence over the Sinhalese, was not always employed in his service, and therefore considered himself diminished in his prestige, I attribute all the unpleasantries that have now befallen the gentleman van Angelbeek. The native headmen, who previously considered it an honor whenever they happened to come into the company of any distinguished European, and whenever they might appear before the Dissava in private, considered this among the highest tokens of favor, have presently become so familiar that they not only withhold the customary marks of respect from persons of the first rank among the Europeans, but almost seem to want to make no distinction between themselves and their superiors. 5217. Yet these native headmen have indeed known how to maintain their prestige and power over the native; I have seen, when the dissatisfied peoples came down to Matara to appear before me, that the common man showed very great awe for their headmen, even that they had more regard for their headmen than for us Europeans. This familiar intercourse of the native headmen and the trust with which they were favored has likely caused them to commit many injustices, which they knew how to gloss over and conceal from their superiors who considered them honest folk, and which, on the contrary, they represented to the people as the will and order of the Honorable Dissava; and to this I attribute the general outcry that they had to have another Dissava. The native headmen could probably no longer conceal their deceits; they presumed that if the gentleman van Angelbeek should discover their deception, he would likely have subjected them to the deserved punishment. A means therefore had to be devised whereby their injustices would be concealed and they would remain free from all accountability; nothing was more convenient for this than to take the expedition to Baddegiriya as a pretext, to incite a general revolt among the people, and on that occasion to keep all their misdeeds concealed. Nothing put them more at ease in this than the hope of ridding themselves on that occasion of the gentleman Dissava van Angelbeek, whom they had so shamefully deceived. Even some native headmen who had no connection to the family of the principal ones among them had to be sacrificed, not only because these latter were in their way and according to their desire had to make room for others of the family, and because they possibly feared that these, remaining in consideration, would discover their affairs; but also because they well understood that it was not possible for all headmen in general to remain out of blame. Upon closer investigation it will first be possible to reveal to what extent these remarks are well-founded. § 63.

Dutch transcription

5216. vergeleeken teegens het geene in vroegere Iaeren is ingekoo„ Aanwijzing van de Produkten, die in de Iongste Thien boekjaeren in de Matureesche dessavonij aen de Comp=e zijn geleeverd namelijk. De Dessave Burnat. . De dessave fretr. de dessave van Angelbeek No 78 8/8 7 1782. 178 3/3 178 /¾4. 178 1/5. 178 /6 178 7 78 /8 „ 178 8 Nelijven gerag: pa 37036 ƒ 5976:1½ 6 25174 5983 — 436:1: 5 246: 38:69152 8085 - 54913 7/8. 103 44. - Peper voor betaeling ld: 2705. 4. 3500. - 465¼. 4279 1/8. 547. - 3312. 4. 1586. — 2499 7/8. 7177. 8412 1/8 183. - 94. Kardamom „759 voor betaeling t: 14020 –. 4158½ —. 6543¾. 6075. - — „ 7274½. 7225. ½ 4765. -. 5669 4 uit de plantagien„ Koffij boonen. voor betaeling lb: - -- uit de plantagien - - Arreek. voor betaeling anno: 459¼. 22 7/8. 355¼. 47½. 48 3/8. 386 7/8: 498½ 282. 3/8 285. ¼. 710 15/8 - - - - - ½. 68. 3. 5/8. 1½. 51. ¼ uit de plantagien „ - - - - - uit de plantagien „ — - - - - - - - - - - - - - - - men. van de Leverantie van produkten van dit lopend boek„ Jaer 17 39/90. kan geene andere aenwijzing worden gedaen, dan voor zoo verre betaeft de nelij geregtigheid voor de oogsten Maha en Doeroetoe Maha, die in dit boekjaer hebben opgeleverd- - - par:s 85639 4. daer ze in de voorgaende vijf boekjaeren net meer hebben bedraegen, dan het volgende te weeten. - - - „29024. — --„27254. ¾ „ 17876 - - - — -: „ 10894: —: „ 178 3/8 . -. kocombo den 20: Augustus 1790. /:onderstond Akkordeert met de Notitien, die van deeze inkomsten te Maturre opgemaekt, en aen de heeren kommis„ sarissen Groetz en Samlant, overgegeeven zijn en met de Compendiums van den opziender der Arreek te Gale /:was geteekend: C: van Angelbeek. „ 178 3/3 - - - - - - - - - - - - - – – – – – „ 30307. –. „ 1789 - - - - – – – – – – – „ 55405: „ 178 4/5 - - - - - - - - - - - - - „ 754„ 4727. -. 17089 38851. 2 52 - - 5. Met eze „ a„ ƒ — - - - - - - - - -„ - — — — - „ — — — ----- —— — — - — — - — — - — — - — § 62. Met een woord aen dit vertrouwen tee„ Den E: van Angelbeek, nopens het niet gebruiken van den Modliaer Hanga „ gens de Inlandsche hoofde koon gevraegd zijnde, zoo betuigde gem: van Angelbeek, deeze mod, en dat de eerste tolk, de mod„ hiaer niet te hebben kunnen gebruiken wijl hij geheel en al aen de orankeliaer Illangakoon die veel overgegeeven is, en van welk kwaed vermoogens en invloed hij hem niet heeft kunnen afbren„ gen hoe zeer hij ook dit getragt heeft op de Singaleesen heeft, niet te doen, en dat hij zig ten deeze op de opentlijke getuigenis van een ijder durft beroepen, hij dewelke deez altoos in zijn dienst geëmploij Jlangakoon is bekend. eerd wierd, en zig daer door in zijn aenzien verkleind agte schrijft ik alle de onaengenaem„ heeden tot die den heer van Angel„ beek nu zijn overgekoomen De Inlandsche hoofden die het zig bevoorens tot eer, reekende wanneer ze eens in het geselschap van eenig aenzienelijk Europees mogte koo men, en wanneer zij bij hem des„ Jave in het Partikulier mogte verscheinen, dit onder de hoogste gunt bewijze reekende zijn teegenwoordig zoo famil„ jaar geworden, dat ze niet alleen de bij hunne gewoone eer bewijzen aan perzoonen van de eerste van gonder de Eurepeesen onthouden, maer te schijnen bijna gen onderscheid tusschen hun en hunne meer ren 5217. „ken. Egter hebben deese Jlandsche Hoofden haar aanzien en ver„ moogens over den Jnlander wel weeten te onderhouden, ik heb gezien, toende misnoeg„ „de volkeren na Mature afs„ „kwaamen om voor mij te ver„ „schrijven, dat den gemeene man voor haare Hoofden zeen veel ontzag betoonde zelvs dat deeze meer egard voor hun Hoofden als voor ons Europee„ „sen had. meerderen te willen maa„ Deeze familjaare ommegang ter Jnlandsche Hoofden ent vertrou„ „wen waarmeede zij zig begun„ „stigd vorden, heeft hun waarschijnlijk veel onregtvaardig„ „heeden doen begaan, die ze bij hunne gebieden die hun voor eerlijke lieden heeld, wiste roed te maaken en te verbergen en die zij aan 't volk daar en tegen als de wille en de order van den E: Dessave voorstelde, en hier aan schrijve ik toe dat het alge„ „meer geroep was een ander Pessa ƒ00 „re te moeten hebben De inlandsche Hoofden konder haa„ Bij het nader onderzoek zal het „re kaerelaijren waarschijn 07 eerst kunnen blijken, in hoe verre „lijk niet langer bedekt hou„ „den zij veronderstelden dat de heer van Angelbeek deze indien § 63. deze aanmerkingen gegrond indien bij hun bedrog gewaar wierd hun waarschijnlijk de verdiende straffe zoude hebben doen ondergaan. Daar moest dus een middel uit gevon„ „den worden waar door hunne onregtvaardigheeden bedekt en zij buiten alle verantwoording bleeven, niets was hier toe ge„ „rivelijken dan de togt na badde „girie tot voorwendsel te nee„ „men, eene algemeene opstand onder 't volk te verwekken en bij die geleegenheid, alle hun „ne kwaade stukken bedekt te houden niets stelde hun hier bij meer gerust als de Hoop om bij die geleegendheid den Heer Dessave van Angelbeek dien zij zoo schandelijk bedroo„ „gen hadden, kwijt te raaken zelfs moesten eenige Jnland„ „sche Hoofden die niet tot de famelie van de voornaamste onder hun eenige betrekking hebben opgeofferd worden, niet alleen wijl hun deese laasten inde weg waaren en volgens hun verlangen plaats moes„ „ten maaken aan anderen van de famelie, en wijl ze moogelijk vreesden dat dee„ „ze in aanmerking bijvende hunne zaaken zouden ontdekken; maar ook wijl ze wel begreepen dat het niet mooglijk was dat alle hoofden in het generaal buiten zijn. 13 is

NL-HaNA_1.04.02_3892_0235 view scan ↗

English

5218. could remain beyond all suspicion, and it thus became their business to shift this suspicion onto their enemies; against whom, as soon as they were dismissed, they stirred up the community in general to complain against them, just as many complaints have also been lodged with me concerning them. It is known that the family of Tinnekoon, Ilangakoon, Abesinge, and others who are related to them, have already for a very long time harbored an enmity and grudge against the House of Manamperie, of which (coincidentally, one might say) precisely the native chiefs dismissed or rather suspended from their services are virtually the last remnants. It is very remarkable that all those who belong to the family of the Tinnekoons, Ilangakoons, and Abesinges have remained free of all accusations during the recent unrest, and that no one has brought any complaints against them either. Has this family, which is so extensive and holds virtually all the primary offices, then been governed justly only through the Lord Dissave van Angelbeek, about whom the general public complained and whose removal they demanded? Or have all these men alone treated the people so well and kindly that no complaints were made about them? Anyone who knows the Sinhalese even slightly will perceive the contradictory and impossible nature of this. What then is the reason, one can and may ask, that these people have managed to keep themselves free of all complaints? I answer, and one readily understands this: nothing other than their powerful influence. And if they possessed such an influence over the minds of the people, as I have just clearly demonstrated, one can also easily imagine that the rebellion in the Matara Dissavony could not have existed without their agency or knowledge. Among the dismissed chiefs mentioned in the margin here, only the chief of the Kandebadde Pattu is from the house of Manamperie. The others have no connection to it, except that only a daughter of the Mohandiram of the Baygams, father of the two other dismissed chiefs, was married to the aforesaid Manamperie a few years ago now. One needs only to trace the genealogy of this family in Matara, Galle, and Colombo, 5219. and one will discover how great their following and power on this island must be, even at the Court of Kandy, where some of these families find themselves in high regard. I attach hereto a copy of a certain ola which is confirmed with several signatures, and which removes much doubt regarding the driving forces of the recent unrest, and from which one could deduce that there are certain plans and projects afoot whereby the Honorable Company, if it is not speedily remedied and if they were to be executed, would come to suffer greatly. I also attach hereto a deposition made these days here in Galle by Madugoddeappu and another by a certain Don Dias Wijesinghe, and your Right Honourable, highly Esteemed will find therein further confirmation of how probable my suspicions are. I have investigated the character of the native chiefs at Matara as best I could. I found that Ilangakoon was disgruntled because the Honorable Dissave had favored another over him in the performance of his duties as first interpreter. For the rest, this Ilangakoon, who was very well regarded by the people on account of his birth and service as first Mudaliyar, seemed to me not to be a bad sort of man. He has even shown me the greatest diligence and willingness to bring about the general peace, and I do not believe that he is personally the cause of the recent unrest. It is said in general that he is very much given to drink; however, I cannot confirm this with certainty. Tinnekoon, Mudaliyar, Hunting and Sowing Master, is reserved and truly possesses much knowledge and skill, which makes him appear all the more dangerous to me, as he has particularly great wealth and influence over the native; he also has some family relations, and even close ones, as is said, at the Court of Kandy. 5220. De Saram, Mudaliyar of the Gangaboda Pattu, appears to me to be a sly and secretive fellow; he puts on a mask of honesty, and unless I am mistaken, his inner nature completely contradicts this outward appearance. He had managed in particular to gain the trust of the Lord van Angelbeek, and I believe, if I may give any credit to the reports I have received privately, that he may be considered, if not the first, at least the second driving force of the game. Gunaratne, or the Mudaliyar of the Weligam Korale, who is actually a stranger in the Matara Dissavony and a native of the Galle Korale, has also managed to force his way into that family through a marriage with the widow of the deceased Mudaliyar Ilangakoon. From outward appearances, one would take him 5221. to be a quiet and simple man; yet, as has been depicted to me, he also belongs to the number of the ill-disposed, and among those who know how to present the opposite of their true nature. I myself have not been able to fathom him sufficiently. The Mohandiram of the Matara Four Gravets has also been described to me as one of the foremost of the ill-disposed, although during the recent rebellion and gatherings the inhabitants within the Four Gravets took no part in them. One should note well here that all native chiefs and Mudaliyars have their possessions, wealth in movable property, and their residences within the Four Gravets. Against this Mohandiram of the Four Gravets, several complaints have nevertheless been received, and he would certainly not have been able to maintain his position if he had not also belonged to the main faction, and the inhabitants

Dutch transcription

5218. buijten alle verdenkingen konden blijven en het dus hunne zaak wierd deeze verdenking op hunne vyanden te doen koomen; teegen dewelke zy zoot dra waaren ze niet gestort de gemeente in het generaal op hitsden, om teegen dezelve te klaagen; gelijk dan ook over hun veele klagten bij my zyn ingebragt. Het is bekend dat de familie van Tinnekoorn, Hlangakom, Abesinge Onder de ontslaegene hoofden hier ter zijde vermeld is alleenig het hoofden andere die daar in vermangschapt van de kandebadde pattoe uit het zijn al zeerderd Lange eene vijand„ huijs van Mannaperie De overige hebbben daertoe geen betrekking, dan schap en haal heeft teegen het Huijs dat alleenig een dogter van den Mo= van Manamperie waar van handeram van de Baijgams va„ der van de twee andere ontslae„ (gevallig zoude men zeggen:) Iuist gene hoofden, met voorzeide Manauperie voor nu een paar de uit hunne diensten ontslaagene Jaeren getrouwt is. of eigentlijk gestelde Jnlandsche Hoofden genoegzaam de laatste over„ blijfzelen zyn wet is zeer aanmerke„ lyk dat alle de geenen die tot de familie der Tinnekoon Han„ gakooms en Abesinges gehooren in de laatste onlusten buijten alle beschuldigingen gebleeven zyn en dat van hun ook niemand eenige klagten in gebragt heeft Is dit geslagt dat zoo 3. 64. uyt geb: 43 uijtgebreid is en genoegzaam alle eerste bedingen bezit, dan alleen door de Heer Dessave van Angelbeek, waar over het algemeen klaagde en zyne ver„ wijdering begeerde regtvaardig gere„ geerd e. of hebben alle deeze, alleen het volk zo wel en goed- behan„ „deld, dat over hun niet geklaagd wierd" Elk die den singaleesch maar eenigzints kend, zal het teegenstreydige en onmoogelijke hier van, gevoelen. wat is dan de reeden kan en mag men vraagen; dat deeze menschen zig buijten alle klagt zaaken hebben weeten te houden „men Jk antwoorde, en „ van begrijpt dit ligtelyk niets als hun vermogenden in vloed. Een hebben zij zulk eenen invloed op de gemoederen des volks gehad, gelyk ik zoo even duijdelyk aangetoond heb, zoo kan men zig ook gemakkelijk voorstellen dat de opstand in de Maturesche - Dessavonie zonder hun toedoen of meede weeten niet konde geexcisteerd Men behoefd slegts de Genealogie van deese famelie te Mature Cale en Colombo, eens natigaen hebben 3 en 52. 19. en men zal onderenden hoe groot hun aan„ hang en vermoogen hier ten Eilande zelvs aan het Hoff van Candia, waar zey eenige van deeze familien in aanzien bevinden; moet zyn. Jk voege by deezen het afschrift van zeeker ola die met verscheide handteekeningen bevestigd is, en die veele twyfel weegens de dryf veeren van de laatste onlusten weg„ neemt, en waaruit men zoude kunnen opmaaken dat er eenige plans en projecten Leggen, waar door De Ed. Comp zo er niet spoedig in voorzien word, en zoo zij mogten volvoerd worden veel zoude koomen te lyden. Jk voege ook by deeze een verhaal door Madoegoddeappae en een ander door zeekere Don Dias wiresinge in deezer daagen hier te Gale gedaan en uwel Edele gestrenge groot Achtb: zal daar uit nader bevestigd vinden hoe waarscheinlyk mijne verdenkingen zijn. Jk heb het Character der Jnlandsche Hoofden te Mature zo goed deen„ lijk onderzogt. Jk vond dat Jlangakoon misnoegd was, wijl de de E. Dessave het en het waarnemen van zyn dienst als eerste tolk een anderen had voorgetrokken, voor het overige schein mijn deeze Hangakoon, die by het volk wee„ gens zyne geboorte en dienst van eerste Modeliaar zeer gezien was, geen kwaad slag van een man te zijn Wig heeft mij zelvs nog het meerste werksaamheid en gewel„ ligheid tot bewerking van de algemeene rust betoond, en ik geloof niet dat hij perzonal oorzaak aan de laatste onlusten is. Men zegd en het generaal dat hij zeer den drank toegedaan is egter kan ik dit niet met zee„ kerheid bevestigen. Tinnekoon, modeliaar, Iaag en Zaaij„ meester is agterhoudend en heeft werkelijk veele kennisen kunde„ waarom hij mij te gevaarlijker scheid wyl hy in het byzonder veel vermoogens en invloed op den Jnlander heeft, ook heeft hij eenige familie betrek„ „king en zelfs van na bij zoo 6 14 5220. zoo als men zegd aan 't Hoff van Kandia. De Saram, noodliaar van de gangebodde pattoe schijnt mij een slimme en agter„ „houdende knaap te zijn, hij vertoond het makker van eerlijkheid, en zoo ik mij niet bedriegen weederspreekt zijn inborst ten vollen, deze uitterlijke voorstelling- Hij had in 't bijzonder het vertrouwen van den Heer van Angelbeek weeten te verkrijgen en ik geloof, indien ik eenig geloof mag slaan aan de be„ rigten die ik onder „hands 2 „hands heb gekreegen, dat hij, zoo niet als de eerste ten minsten als de twee de drijf-veer van het spel mag aangemeakt. worden. Goeneratne, of de mo„ aliaar van de Billi„ gam Corle, die eigentlijk een vreemdeling in de Matureesche dessavonij, en in de Galecoale geboor„ tig is, heeft zig door een huwelijk met de weduwe van den over leedene modliaar slanga koop meede in die familsie weeten intedringen, mete zoude hem na het uitterlijke aanzien moeten aanneemen 5221. aanneemen voor een stil en eenvoudig man, edog, gelijk men mij vertee kend heeft, hoord hij meede onder het getal der kwaad gezinden, en onder die geene die 't teegengestelde van hun inborst wee„ ten te vertoonen, Ik zelve heb hem niet genoeg kunnen doorgaonden. De Mohandiram van de Matureesche viergravetten is mij meede als een der voor naamste van de kwaadge„ zinden beschreeven; schoon geduurende de Laatste opstand en zaamen rottingen, de jnwoon; ders binnen de vier vier gravetten daar aan geen deel hebben ge noomen: Men neeme hier bij wel in aanmer¬ king, dat alle Jnlandsche hoog den en modliaans hunne bezittingen, rijkdommen aan losse goederen, en hunne woon¬ huisen binnen de vier gaa„ vetten hebben. over deeze mohandiaam der vier gravetten zijn egter verscheide klagtens ingekoomen en hij zoude zig zee ker niet hebben kunnen staande houden zoo hij niet meede onder de groote hoop ge hoorde; en de ingezeete„ 1 nen

NL-HaNA_1.04.02_3892_0243 view scan ↗

English

5222. inhabitants of the four gravets would certainly, as well as the other provinces of the Matara dissavony, have revolted, had they not been restrained by the influence of the Headmen who, as already said, live therein. The former Mohandiram of the Magam pattu, Rajapakse Dissanayake, to whom I on this occasion gave an act of appointment as second mudaliyar of the Giruwas, and who was also at the head of the discontented, is, as it appears to me and as people have told me, a very capable and knowledgeable man. He has very great influence among the natives. His dissatisfaction was probably the cause of his publicly joining the discontented. I have had much service from him, and if I am not mistaken, he also deserves to be considered in the future. Don Simon, aratchi, whom I have recommended as Mohandiram of the Kandebodapattu, enjoys especially great respect among the common 5223. common people. He seems to me to be a sensible man who considers well what he undertakes. He has many acquaintances at Court. For the rest, I believe that he placed himself at the head of the discontented solely in the hope of making his fortune and obtaining a prominent office, and on the advice of the native Headmen of Matara, to whose family he does not belong, and who could thus easily sacrifice him. Don Constantyn finds himself in the same case as his just mentioned brother. He seems to me, however, not to have nearly as much conduct and consideration in his undertakings. I have provisionally entrusted him with the service as Head of the Magam pattu. Madugodde Appu I regard as a wild man, without a bad nature, however, of a good spirit and good judgment, who on account of several misdeeds has already walked in chains, and thus being discontented over the harsh treatment he underwent, 5224. and possibly even more because he had nothing else to do, chose the side of the discontented on the advice of others and in the hope of making a name for himself. One may say that he is the one who maintained good order among the discontented, and who taught the other headmen how they had to behave to prevent irregularities from being committed among the people, especially against the Honourable Company. He had exceptional influence and a large following. The Mudaliyars and other notables treated him with very great distinction and respect, although behind his back they always depicted him to me as a bad fellow, a drunkard, and a great evildoer. I must declare to have had exceptionally much service and use from this Madugodde Appu. And I do not believe that without him I would have achieved my purpose so quickly; for I 5225. I believe that the interested parties did their best to make the gatherings last even longer. And had Madugodde Appu not, upon his coming to me, been received in a friendly manner and my pardon-ola confirmed here, the other discontented would possibly not have dared so soon to risk appearing before me. After Madugodde Appu had once joined me, I can say that everything I desired of him was faithfully executed. When the multitude of the discontented arrived at Matara, I and all the mudaliyars could not prevent, without force, the common people from overturning the Bazaar, assaulting and even stripping several wives of the Malays, and committing acts of violence at the houses of some Moors. I had my displeasure expressed to Madugodde Appu about 5226. about this; and he declared, on forfeit of his head, that he would see to it that the Bazaar was restored and no more irregularities were committed. And indeed, the next day in the afternoon the Bazaar was open, supplied with provisions, and almost no irregularities took place anymore. I could certainly mention several more things about this Madugodde Appu to prove that he is a man who dares to undertake something bold, who considers his undertakings well, and who has much influence over the minds of the inhabitants in the Matara Dissavony. But let it suffice that I declare to have found him such; furthermore, that I have had real services from him; and that this man, if he remains attached to us, is very useful. This is the reason why I have recommended him to Your Right Honourable as mohandiram, and I believe that holding this character in the guard of 5227. of the Commander of Galle and Matara, and being treated somewhat flatteringly, he will be of much use. Among those who have been of great service to me during the recent disturbances in the Matara Dissavony, I cannot pass over recommending my Maha Mudaliyar Don Balthazar Dias as a person who can be employed with much benefit, and from whom I have indeed had much service. He is certainly related to the principal native Headmen, but how

Dutch transcription

5222. nen van de vier qua„ vesten, zouden zeekerlijk zoo wel als de overige landschappen van de Ma„ tureese dessavonie ge„ revolteerd hebben, indien zij niet door het vermoogen der Hoofden, die gelijk reeds gezegd daar in woonen, waaren teegen gehouden. De geweesene Mohandi ram van de Magam pattoe Rajapakse Dissa„ narke, die ik bij dee ze geleegenheid een be„ wijs van tweede mode¬ liaat van de Gere wais gegeeven het, en die zig meede aan 't hoofd der misnoeg den bevond is gelijk mij voorkomt, en gelijk 15. gelijk men mij gesagt heeft, een zeer geschikt en kundig man; wij heeft zeer veel in vloed bij den Jnlan„ den; zijn onvergenoe¬ gen was denkelijk oorzaak dat hij zig peu„ „bliek bij de misnoede heeft vervoegd, Jk heb van hem veel dienst gehad, en zoo ik mij niet misgissen verdiend hij ook in het in het vervolg geconsidereerd te worden. Don Simon arraatje die ik tot Mohandiram van de kande„ baddepattoe heb voorgedraagen geniet in 't bijzonder veel Consideraatje bij het gemeen 5223. gemeen volk. Hij scheind mij een verstandig man te zijn die wel overlegd wat hij onderneemd. Hij ƒ. hij heeft veel kennis te 67 Hoove. voor 't overige geloove ik dat hij zig al„ leen aan 't hoofd den mis„ noegde gesteld heeft, op hoop om fortuin te maaken en een aanzienlijke dienst te verkrijgen, en op aanraaden der jnlandsche Hoofden van Mature, tot welkers familiie hij niet behoord, en die hem dus gemak¬ kelijk konden op of„ „ feren. Don Constantend bevind zig in het zelfde geval van zijn zijn zoo eevengenoemde broe„ der. Hij scheind mij egter lange zoo veel beleid en overleg in zijnen onderneemingen niet te hebben. Jk heb hem provisioneel den dienst als Hoofd van de Magrin „pattoe opgedraa gen. Madoegodde appoe, merk ik aan als een dolle man, zonder kwaade inborst egter van een goede geest en goed overleg die weegens verscheide kwaade stuk jes reeds in de het„ ting gehoopen heeft, en duson„ vergenoegd over de ondergaane harde behandelinge 16 5224. en moogelijk nog meer„ wijl hij niets anders te doen had, der partij der misnoegden op aanraa„ den van anderen en op hoop zig een naam te zullen maaken ge„ „koosen heeft. Men mag zeggen dat hij die geene is die de goe„ de order onder de mis & haat gehoijdenen die de overige hoofden heeft noegden, heeft geleent zij zig moesten hoe gedraagen om te be„ letten dat onder het volk geene ongezeegeld, heeden, voor al tegens Companie de Ed: gepleegd wierden. Wij had een bijzonder vermoogen en een gros„ ten aanhang. De Modeliaars 16 Modliaars en andere grandes bejeegenden hem met zeer veel onderscheid en ach ting schoon te ag ter zijn rug hem, mij altoos als een slegt kaerel een dronkaart en groo te kwaaddoender afschilderdens Ik moet verklaaren deezen Ma van doegodde appoe bij zon der veel dienst en nut gehad te hebben. En dat ik niet gelooven dat ik buiten zoo spoedig mijn oogmerk zoude be rijkt hebben; want ik 5225 ik meene, dat de be„ lang hebbende hun best deeden om de zaamen rottingen nog lan gen te laaten aanhou den. En waare Madoe„ godde appoe, niet bij zij ne komste bij mij, op eene vriendelijke wijze ontfangen en hier „ mijn Pardon-ola bevestigd geworden, moogelijk zoude de overige misnoegden het zoo spoedig niet hebben dúrven Waagen zig aan mij te vertoonen. Na dat Madoegodde appoe, zig eens bij mij ge„ „voegd „voegd had, kan ik Zeg„ gen dat alles wat ik va hem begeerde getrouwelijk geexecuteerd wierd: Toen de mee nigte der misnoeg te Mature aan den kwaamen, konde ik en alle de modelieaers, zon„ „der geweld, niet beletten dat door het gemeene volk de Bazaar om ver geworpen verscheide vrouwen van de Malijers aan„ gedaan en zelvs ont„ kleed wierden, en dat ze Bij eenige Mooren aan Huijs gewelde narijen pleegden; ik liet madoe godde appoe mijn misnoegen hier 5226. hier over betuijgen; en hij verklaarde bij verbeurte van zijn Hoofd, dat hij zoo„ gen zoude dat de Bazaar weeder hersteld en geene ongereegeld heeden meer gepleegd wierden; en werkelijk des anderen daags nademiddags was de Bazaar open, met levens middelen voorzien, in geene ongereegeld„ „heeden hebben bij na meer plaats gevonden. Jk zoude zeekerlijk van deese Madoe god„ de appoe nog verscheij„ de dingen kunnen aanhaalen, om te bewijsen dat hij een man is die iets stouts durfd on onder neemen, die zijn on„ „der neemingen wel over„ legd, en die veel ver„ moogen in de Matu„ „veesche Dessavonie op de gemoederen der Jngezee¬ „tenen heeft; Edog het zij genoeg dat ik verklaaren Hem zoodaenig te heb„ ben bevonden, voorts dat ik werkelijke diensten van hem gehadt heb; en dat deeze man, indien Hij ons blijft aan klee„ ven, zeer nuttig is, Dit is de reeden waarom ik hem uwel Edele Gestren„ „ge Groot Achtbaare als mohandiram heb voorgedraa„ „gen en ik meene dat hij dit character bij de garde van 5227. van den Commandeur van Gale en Mature beklee„ dende, en eenig Zints streelende behandeld wordende, van veel nut zal zijn Onder de gurgeenen die mij geduurende de laatste ontusten in de Maturesche Dessavonij van veel dienst geweest zijn kan ik niet voor bij mijnen Porta Mod„ liaar Don Balthazar Dias, als een persoon aanteprijzen, waar van man zig met veel nut bedienen kan en waar van ik werkelijke veel dienst gehad heb wij is zeekerlijk aan de voornaamste Jnlandsche Hoofden geparenteerd, edog hoe

← previousnext →