Inventory 3974
Coromandel / Bengal · 1,128 pages · 216 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
5. Coromandel Book 1794 Register of the Council Folio 1 and 2. Original Letter from the Director and Council to the Assembly of the Seventeen, dated 31 January 1792. First Volume 3 to 4. Ditto, Ditto, from the aforementioned Council to the same as above, dated as above. Transmitted from Bengal 1794 Register of the Letters and Papers from Folio 1 and 2. Original separate Letter from the Commander and Council to the Assembly of the Seventeen, dated 28 June 1792. 3 to 5. Ditto Letter from and to the same as above, dated as above. 6 to 7. Register of Papers. 8 to 9. Copy of the Letter from the Commander and Council to the Chamber of Delft, dated as above. 10 to 11. Register of Papers. 12 to 13. Copy of the Letter from the Commander and Council to the Chamber of Hoorn, dated as above. 14 to 16. Register of Papers. 17 to 23. Original separate Letter from the Commander to the Assembly of the Seventeen, dated 10 November 1792. 24 to 93. Memorandum of the Commander, containing the report of the Commission entrusted to him by the Governor General and Council, dated the last day of February 1791. 94 to 247. Various petitions presented by the merchant Willem Hendrik van Bijland to the aforementioned Commander, along with the appendices relating thereto, dated 20, 29, and 30 December 1790, and 5, 6, and 29 January 1794. 248 to 256. Account rendered by the head Surgeon Scheppen regarding the inspection of the Hospital, dated 6 February 1791. 257 to 262. Extract of Letters from the Madras Head of Station W. H. van Bijland to the Commander and Council regarding Sadraspatnam samples, dated 31 October, 19 December 1785, 2 and 5 September 1788, together with the appendices belonging thereto. First Volume Papers transmitted from Coromandel, 1794. Register of the Letters and [illegible] Folio 263 to 265. Account rendered by the Master of Equipage van Odijk regarding the equipage yard, dated 28 January 1791. 266 and 267. List of Papers delivered to the merchant van Byland on 8 November 1790. 268 to 269. Declaration of Captain G. P. Gas concerning cable ropes, dated 19 October 1790. 270 to 272. Separate Letter from the provisional merchant and Sadraspatnam Head of Station Simons to the Commander, dated 19 January 1791, together with the 273 to 283. Appendices belonging thereto. 284. Copy of the warrant to the First Sworn Clerk I. Obdam to provide elucidation concerning the occurrences at Jaggernaikpoeram, dated 10 November 1790. 285 to 314. Report of the aforementioned Obdam in compliance with that order, dated 2 December 1790. 315 to 316. Ditto from the Assistant de Bruijn regarding the minting and exchange of the dubs at Juggernaikpoeram, dated 24 November 1793. 317 to 336. Articles upon which the former Commander Tadama, along with the merchants van Halm and van Bijland, were heard and interrogated at a formal meeting on 8 January 1791. 337. Report of the First Sworn Clerk Obdam regarding the indisposition of the aforementioned Tadama, dated 10 January 1791. 338 to 341. Report of the frequently mentioned Obdam and the Assistant de Bruin concerning the reduction in value of the dubs, dated 31 January 1791. 342 to 344. Ditto, ditto, regarding the custom house funds at Jaggernaikpoeram, dated 1 February 1791. 345 to 346. Ditto from the checker Bloeme and Assistant de Bruijn concerning the damage that the Company suffers through the debasement of the dubs, dated 13 January 1791. 347. Report of the Assayer E. de Vries regarding the dubs weighed by him, dated 20 December 1790. Folio Folio 348 to 352. Interrogatories as submitted by the merchant van Bijland to have certain persons examined thereon at Jaggernaikpoeram. 353. Extract from the findings concerning the 90 silver bars received at Jaggernaikpoeram by the sloop De Zeerob, dated the last day of February 1790. 354 and 355. Account rendered by the Court of Justice regarding van Bijland's complaints against the aforementioned Court, dated 12 January 1791. 356 to 358. Ditto from the junior merchant bookkeeper Visscher to the aforementioned Court, dated 28 January 1791. 359 and 360. Report from the Interim Fiscal I. Duijnevelt regarding the false measure in the dispensary, dated 1 February 1791, together with the 361 to 368. Appendices belonging thereto. 369 to 371. Copy of the order to the aforementioned Duijnevelt to convene a judicial hearing, dated 1 February 1791. 372 to 376. Report of the frequently mentioned Duijnevelt concerning that Commission, dated 7 February 1791, together with 377 to 391. Appendices belonging thereto. 392 to 394. Declaration of the Extraordinary Gunner H. C. Corner regarding the sale of a female slave, dated 7 February 1791. 395 to 404. Sworn statement of complaint by the weigher Weijtinadam, dated 30 January 1791. 405 to 419. Ditto, ditto, of Wengadas Salom Poele, dated 13 February 1791. 420. Account rendered by I. W. Luyken as Member of the Court of Justice concerning the aforementioned Wengadas Salom Poele. 421 to 423. Articles answered by Pachea Poele at the requisition of the Presiding Member of Justice de Raeff, dated 11 February 1791. 424 to 426. Summons served on the merchant van Bijland by the First Sworn Clerk I. Obdam, together with 427 to 429. The answer thereto, dated 14 February 1791. 1791. Triplicate.
Dutch transcription
5. Chorr wel 17g10 Recister der Rdair F„o 1en 2. - - . . . . Origineele Missive van den Directeuren Raad, aan de verg:e van 17„ne in dato 31 Jann: 1792 Eerste Deel 3 „ 4. . . . . . . Dito, Dito, van voorn: Raad aan als boven, in dato als voren Bengaalen overgekoomen 1794 Register der Brieven en Papieren van F=o 1 en 2. . . . . . Origineele aparte Missive van den Gezaghebber en Raad aan de Vergad„s van 17. ' in dato 28 Junij 1792. „ 3 a 5. . . . . dito Missive van en aan als voren, in dato als boven 6 „ 7. . . . . Register der Papieren. 8 „ 9 . - - - Copij Missive van den Gezaghebber en Raad aan de kamer Delft, in dato als vooren. 10 „ 11. . . . . Register der Papieren. 12. 13. . . . . Copie Missive van den Gezaghebber en Raad aan de kamer Hoorn, in dato als boven. 14 a 16. . . . . Register der Papieren. 17 „ 23. . . -. . -. Origineele aparte Missive van den Gezaghebber aan de Vergad: van 17e. in dato 10 Novb r 1792. 24 „ 93. . . . . Memorie van den Gezaghebber, houdende verslag van de Commissie aan hem gedemandeerd door Gen. t en Raden in d:o Ult:o Febr„ij 1791. 94 „ 247. - . . . diverse addressen door den koopman Willem Hendrik van Bijland aan voorm:e Gezaghebber gepraesenteert met de Bijlaagen daar toe relatief, in datis 20, 29 en 30 Decbr. 1790, 5, 6 en 29 Jann: 1794. 248 „ 256. . . . . . verandwoording van den opper Chirurgijn cheppen, nopens de inspectie van 't Hospit. gedat. t 6 febr:ij 1791. 257 „ 262. . . . . . Extract Brieven van het Padras Opperhoofd W. H. van Bijland aan den Gezaghebber en Raad nop„s Padra „patnamsche Monsters in datis 31 Octob r 19' Decb r 1785, 2en 5 Septb:r 1788. nevens de Bijlaagen daar toe gehoorende. Eerste Deel Papieren van Chormandel overgekoomen. 1794. Register der Brieven en Tretbalie aa F=o 263 a 265. . . . . Verantwoording van den Equipagiemeester van Odijk be„ „trekkelyk de Equipagie Wort gedateert 28 Jann„y 1791. 266 en 267. . . . . Notitie van Papieren, die op den 8 Novb:r 1790. aan den koopman van Byland zijn afgegeeven. 268 „ 269. . . . . Verklaaring van Capitein G. P. Gas wegens kabeltouwen in dato 19 October 1790. 270 „ 272. . . . . Apaorte Missive van den p:l koopman en Sadiaspatnamsche Opperhoofd Simons aan den Gezaghebber in dato 19.: e Jan: 1791. nevens de 273 „ 283. . . . . Bylaagen daar toe gehoorende. 284. . . . . . . . . . Copis ordonnantie op den Eerstgesw:r Clork I. Obdam, om elucida„ „tie te geeven omt:t 't voorgevallene te Daggernaikpoe „ram gedat:t 10 Novbr 1790. 285 „ 314. . . . . Bericht van voorn: Obdam ter voldoening aan die ordre gadatt. den 2 e. Decbr. 1790. 315 „ 316. . . . . Dito van den Assistent de Bruijn weg. s het slaan en ver „wisselen der Dabboesen op Iuggernaikpoeram, in dato 24 Novbr. 1793. 317 „ 336. . . . . Articulen waar op de geweezene Gezaghebber Tadama met de kooplieden van Halm en van Bijland bij een Compa„ „ritie van den 8 Januarij 1791 gehoord en ondervraagd zijn 337. „ - - - - . Rapport van den Eerstgesw: Clerk Obdam weg:s de onpas. „selijkheid van voorn:e Sadama ged:t 10 Jan„ry 1791. 338 „ 341. . . . . Berigt van meergem:e Obdam en den Adsistent de Bruin oms. t. de vermindering van de waarde der Dabboesen onder dato 31 January 1791. 342 „ 344. . . . dito. . . . . . dito Weg. de Constiemado Penningen te Jag„ „gernaikpaeram, in d=o 1 Febr„j 1791. 345 „ 346. . . . dito van den narekenaar Bloeme en Assistent de Bruijn omt„t de schade die de Comp: door de vervalsching der dabboesen komt te lijden, gedat:t 13 Januarij 1791. 347. . . . . . . . . . Rapport van den Essaijeur E. de Vries omt:t de door hem ge „wooge Dabbaesen, in dato 20 Decbr 1790. F„o be. F„o 348 @ 352. . . - Itteregatoria zo als ze. door den koopman van Bijland opgegeeve zijn, omten daar op eenige persoonen to Jaggernaikpoeram te doen hooren. 353. . . . . . . Extract uyt de bevinding van de te Jaggernaikpoeram p.:r de Chaloup de Zeerob ontfangene 90 staven zilver in d:o ult:o febr„ij 1790. 354 en 355. . . . Verantwoording van den Raad van Justitie omtrend van Bijlands klagten over voorn. Raad, in dato 12 Jan„y 1791. 356 „ 358. . . . . Dito van den onderkoopman Cantor Visscher aan voorme Raad gedatt 28 Jan. r 1791. 359 en 360. . . . Berigt van den Interim Fiskaal I. Duijnevelt weg:s de Valsche maat in de dispens in d=o 1 februarij 1791. nevens de 361 „ 368. . . . Bijlaagen daar toe gehoorende. 369 „ 371. . . . Copie ordonnantie op voorn: Duijnevelt ter belegging van een Justitieele Comparatie in d=o 1 Febr: 1791. 372 „ 376. . . . Bercgt van meergem: Duijnevelt aangaande die Commissio in d=o 7 Febrij 1791, nevens 377 „ 391. . . . . Bylaagen daer toe gehoorende. 77 392 „ 394. . . . Verklaaring van den Extra Ordinair Vuurwerker H. C. Corner Weg. s den verkoop van een slavin in d=o 7. febrij 1791. 395 „ 404. - . - Beëdeijd klagtschrift van den weeger Weijtinadam in dato 30 Jann: 1797. 405 „ 419. . . . Dito. . . „ „ Dito. . . . . van Wengadas salom Poele in d=o 13. e Febri. 1791. 420. . . . . . . . . Verandwoording van I. W. Luyken als Lid van den Raad van Justitie betrekkelijk voorn: Wengadas, „salom Poele. 421 „ 423. . . . Articulen die ter requisisie van het voorzittend Lid van Justitie de Raeff, door Pachea Poelo beant. „woord zijn gedat„t 11e febr„ij 1791. 424 „ 426. . . . Sommatie door den Eerst gezwoore klerk I. Obdam ge. „daan aan den koopman van Bijland, nevens. 427 „ 429. - . . andwoord daar op, in dato 14 febr„ij 1741. 1791. sche Triplicaat.
English
Folio 430. Copy of receipt from Secretary Harsz, dated 26 January 1791. 431. Note of the remaining Stamped Paper under date of 26 January 1791. 432 to 461. Various Extracts from the separate Resolutions on different subjects of the Years 1790 and 1791. 462. Report from Trade Administrator Pietersz, dated 28 February 1791, together with. 463 to 477. Various Current Accounts from the Years 1785/6 to 1789. 478 to 498. Report of Commissioners Heshusius and Schliephaken concerning the investigation into the disputes that had arisen at Jaggernaikpoeram, dated 16 November 1790. 499 to 514. Report of the Jaggernaikpoeram Chiefs Elbracht and Jan Hogendorp concerning the inquest conducted by them, etc., dated 5 March 1791. /90. Patria To the Right Honourable High Respected Lord Directors Deputed to the Assembly of Seventeen, representing the General Dutch East India Company, at the Presidial Chamber Amsterdam Right Honourable High Respected Lord We let this serve as respectful notice that we have this day issued drawn upon Your Right Honourable High Respected an Assignation in triplicate, payable after the spring Triplicate. sale of 1793, of One thousand ninety-three Guilders and eight stivers to the Right Honourable Respected severe Lord Jean Gijsberto Dekker, Burgomaster at Haarlem, heirs or agents properly authorized to receive it by notarial or judicial Power of Attorney, having been exchanged for a Company Bond sold and ceded to the junior merchant Johan Carel Lodewijk Blume, issued in favor of the Native Gopaal Doth, which in principal and accrued interest amounts to rs 809. 14. 1/25, which at 27 stivers per sicca rupee make the aforementioned sum of f 1093. 8. -. in Dutch money. We request that Your Right Honourable High Respected will be pleased to honour this draft with payment, and shall, in the hope of a favourable approval, as no other way is open to us again to give notice to Your High Respected of the issued Assignations, report thereon more extensively with one of the foreign ships departing last from here, and at the same time send over the usual Assignation Lists. We have the honour to be with all due respect, Right Honourable High Respected Lords, Your Right Honourable High Respected's very humble and obedient Servants, Corns. van Citters Aarn Zoon H H van Houigwitz D G raigenhoff Redaelait Jase Hougly the 31st of January 1792. J Heyningh Patria To the Right Honourable High Respected Lords Directors Deputed to the Assembly of Seventeen, representing the General Dutch East India Company, at the Presidial Chamber Amsterdam Right Honourable High Respected Lord We let this serve as respectful notice that we have this day issued drawn upon Your Right Honourable High Respected two Assignations in triplicate, namely: One large One ditto or together f 1367:15: 6561:11: f 7929:6: Patria To the Right Honourable High Respected Lords Directors Deputed to the Assembly of Seventeen, representing the General Dutch East India Company, at the Presidial Chamber Amsterdam Right Honourable High Respected Lord We let this serve as respectful notice that we have this day issued drawn upon Your Right Honourable High Respected two Assignations in triplicate, namely: One large One ditto or together f 1367:15: 6561: 11: f 7929:6: Patria To the Right Honourable High Respected Lords Directors Deputed to the Assembly of Seventeen, representing the General Dutch East India Company, at the Presidial Chamber Amsterdam Right Honourable High Respected Lord We let this serve as respectful notice that we have this day issued drawn upon Your Right Honourable High Respected two Assignations in triplicate, namely: One large One ditto or together f 1367:15: 6561: 11: f 7929:6: payable after the spring sale of the Year 1794, to Messrs. Zacharias Paspoort, Councillor and former Alderman and Treasurer of the city of Middelburg, and G: W: H: De vriese at Groningen, heirs or agents, properly authorized to receive it by Notarial or judicial Power of Attorney, having been exchanged for two Company Bonds sold and transferred to the senior merchant J: W: S: van Haugwitz and the junior merchant B: C: D: Bouman, as guardians of Johanna Alida Sophia de Vriese; namely: One Bond issued in favor of Roepsjent amounting in Principal and accrued interest to P. C. 1013:2: 12/15. One ditto in favor of Goeroe porsaat Boos, amounting in remaining Principal and accrued interest to 4860:6: 1/15. being together rs 5873:8: 2/35. which at 27 stivers per Sicca rupee make the aforementioned sum of Seven thousand Nine hundred Twenty-nine Guilders Six stivers in Dutch money, we request that Your Right Honourable High Respected will be pleased to honour these drafts with payment and shall, in the hope of a favourable approval, as no other way is open to us again to give notice to Your High Respected of the issued assignations, report thereon more extensively with one of the foreign ships departing last from here, and at the same time send over the usual assignation lists. We have the honour to be with all due Respect, Right Honourable High Respected Lords, Your Right Honourable High Respected's very humble and obedient Servants. Hougly in Bengal the 31st of December 1792. Corns. van Citters D: W van Haugwitz J Heyningh Patria To the Right Honourable High Respected Lords Directors Deputed to the Assembly of Seventeen representing the General Dutch East India Company, at the Presidial Chamber Middelburg in Zeeland, Right Honourable High Respected, Very Widely Commanding Lords! We had the honour on the 21st of May last to receive from Ceylon Separate Your
Dutch transcription
F=o 430. . . - - . . . . Copie quitantie van den Secretaris Harsz: gedat. t 26 Jan 1791. 431. . . . . . . . Notitie van het restant Zegul Papier onder dato 26. e Jan:rj 1791. 432 a 461. . . - diverse Extracten uit de aparte Resolutien over verscheij„ de onderwerpen van den Jaaren 1790. & 1791. 462. . . . . . . . Berigt van den Negotie overdraager Pietersz: in dato 28 febrij 1791, nevens. 463 a 477. - Diverse Reekeningen Courant van den Jaaren 178 5/6. tot 1789 478 „ 498. . -. Rapport van den Gecommitteerdens Heshusius en schliephaken nop. s het onderzoek der differenten dis te Jaggernaikpoeram gereesen waren in dato 16 Novbr: 1790. 499 „ 514. . . - Berigt van den Jaggernaikpoeramse Opperhoofden Elbracht en Jan Hogendorp Weg„s. door haar gedaan enquesto etc, in dato 5 Maart 1791. /90. Patria Aan de WelEdele Hoog Achtbaare Heer Bewindhebberen Gedeputeerd ter vergadering van Zeeventienen, de Gene raale Nederlandsche Oost- dische Compagnie represente rende, ter Praesidiale kamer Amsterdam WelEdele Hoog Achtbaare Heere Wij laaten deeze dienen tot eerbiedig advis dat wij onder heeden op uwel Edele Hoog Achtbaare hebben verleend een Assa nacie in triplo betaalbaar na de voorjaa Triplicaat. sche „sche verkooping van 1793 met Een dui„ zend drie en Neegentig Guldens en agt stuivers aan den WelEdelen Acht„ baaren gestrengen Heere Iean Gijsberto Dekker Burgermeester te Haarlem Erven of Gemagtigdens tot den ontvangst bij notarieele of Geregtelyke Procuratie behoor„ lijk gequalificeerd zijnde uitgewisseld teegen een aan den onderkoopman Johan Carel Lode„ wijk Blume verkogte en gecedeerde Comps„ Obligatie verleend ten faveure van den Inlander Gopaal Doth welke aan Capitaal en verloopene rente bedraagd fb: 809„ 14„ 1/25. die a 27 stuivers de suca ropij de ofgemelde som van ƒ 1093„ 8„ -. in Neederlands geld uitmaaken. – Wy verzoeken dat uwelEdele Hoog Achtbaare die traite met betaaling gelieven te honoreeren, en zullen in hoope van een genotige„ goedkeuring, alzoo ons weder geen andere weg open is om Hoog dezelve van de verleende Assig„ nacien kennis te geeven, met een der laatst van hier vertrekkende vreemde scheepen daar van breeder verslag doen en tevens overzenden de gewoone Assignacie Lysten. - Wij hebben de Eere met alle verschuldigd respect te zyn. WelEdele Hoog Achtbaare Heeren Uwel Edele Hoog Achtbaaren zeer nedrige en gehoorzaame Dienaaren orns. Van Citters Aarn Zoon H H van Houigwitz etren:/: H D G raigenhoff 8. 8 Redaelait Jas.e Hougly den 31 e January 1792. J Heyningh v tu aar 5 5 Patric Bewindhebberen Aan de WelEdele Hoog Achtbaare Heeren Gedeputeerd ter vergadering van Zeeventienen, de Generau „le Neederlandsche Oost Jndi„ sche Compagnie representeerende ter praesidicle kamer Amsterdam WelEdele Hoog Achtbaare Heere Wij laaten deeze dienen tot eerbiedig advis, dat wij onder heeden op uwel Edele Hoog Achtb: verleend hebben twee Assigne in triplo; als: Een groot Een _o - - - - ofte te saamen ƒ 1367:15: „ 6561:11: ƒ 7929:6: En gesal bek. 2 60 zoo Patria Aan de WelEdele Hoog Achtbaare Heeren Bewindhebberen Gedeputeerd ter vergadering van Zeeventienen, de Generau „le Neederlandsche Oost- Jndi„ sche Compagnie representeerende ter praesidicle kamer Amsterdam WelEdele Hoog Achtbaare Heer Wij laaten deeze dienen tot eerbiedig advis, dat wij onder heeden op uwel Edele Hoog Achtb: verleend hebben twee Assignee in triplo; als: Een groot Een _o - - ofte te saamen ƒ 1367:15: „ 6561: 11: ƒ 7929:6: Engenel bet. d e Datriel Bewindhebberen Aan de WelEdele Hoog Achtbaare Heeren Gedeputeerd ter vergadering van Zeeventienen, de Generaa „le Neederlandsche Oost- Jndi„ sche Compagnie representeerende ter praesidicle Kamer Amsterdam WelEdele Hoog Achtbaare Heer Wij laaten deeze dienen tot eerbiedig advis, dat wij onder heeden op uwel Edele Hoog Achtb: verleend hebben twee Assignee in triplo; als: Een groot Een _o - - - - ofte te saamen ƒ 1367:15: „ 6561: 11: ƒ 7929:6: Origenel bet: betaalbaar na de voorjaarsche verkooping van A„o 1794, aan de Heeren Zacharias Paspoort, Raad en oudscheepen en Tresau„ „rier der stad Middelburg, en G: W: H: De vriese te groningen, Erven of Gemagtigdens, tot den ontfangst bij Notarieele ofte gerechte„ lijke Procuratie behoorlijk gequalificeerd, zijnde uitgewisseld teegens twee aan de opper„ koopman J: W: S: van Haugwitz en den onderkoopman B: C: D: Bouman, als voogden van Johanna Alida Sophia de Vriese verkogte en getransporteerde som„ pagnies Obligatien; te weeten: Een Obligatie verleend ten faveure van Roep„ sjent groot aan Capitaal en verloope ren„ P„ C„o 1013:2: 12/15. Een d. o ten faveure van Goeroe porsaat Boos, groot aan restant Capitaal en verloope rente- „te - - - „ 4860:6: 1/15. zijnde te saamen - - r„s 5873:8: 2/35. die a 27 stuivers de Sicca ropij de opgemelde som van Zeevenduizend Neegenhonderd Neegenentwintig Guldens Zes stuivers in Neederlands geld uitmaaken, wij ver„ zoe kan - - -. „zoeken dat uwel Edele Hoog Achtbaare deeze traites met betaaling gelieven te honoreeren en zullen in hoope van een gunstige goedkeuring, 4 alzoo ons weder geen andere weg open is, om Hoog dezelve van de verleende assignatien ke nis te geeven, met een der laast van hier ver treekkende vreemde scheepen daar van Brae„ der verslag doen, en teevens overzenden de ge„ woone assignatie lijsten. — Wij hebben de Eere met alle verschul„ digde Eerbied te zijn: — WelEdele Hoog Achttbaare Heere uwer wel Edele Hooge Acht Houglij in Bengaale zeer nedrige en gehoorzaam Dienaaren. - den 31„e Decbr 1792. - Corns. Van Citters Aan Boar s brien Reaelaet Das D: W van Haugwitz d Heyning ing ƒ V Aen Patria Aan de Wel Edele Hoog Achtbare Heerin Bewindhebberen Gedeputeerd ter vergadering van Zeventienen de generaele Neder„ „landsche Oost Indische Com„ „pagnie representeerende, ter pre„ „sidiale kamer Middelburg in Zeeland, Wel Edele Hoog Achtbaere Zeer wijd gebiedende Heeren! Wij hebben den 21. e Mei I„o leeden de Heere gehad van Ceijlon te ontvangen Apart Uwer „
English
Your Right Honorable Worships' most venerated separate dispatch of the 31st of May 1791, serving to communicate the decreeing of a solemn commission for the restoration of affairs in the Indies. We sincerely wish that these wise arrangements may answer the intended purpose, while we, according to our dutiful obligation, shall not fail to honor, respect, and show all obedience to the high-ranking persons appointed for this purpose, and to strive to take nothing so zealously to heart as that which will be proposed and written to us for the improvement of the Company's state here, which we look forward to with ardent desire. We have the honor to remain with the utmost respect, Right Honorable Most Worshipful, highly commanding Lords, Your Right Honorable Worships' most humble and very obedient servants, Jacob Eilbracht Jacob Saml. de Raeff W. Winckelmans Frk. Hnk. Bloem L. A. de Brueijs H. Keese From Ceylon To the Fatherland To the Right Honorable Most Worshipful Lords Directors, deputed to the assembly of the Seventeen representing the General Dutch East India Company, at the presiding chamber of Middelburg, in Zeeland. Right Honorable Most Worshipful, Very Widely Commanding Lords. Referring most respectfully to our dispatch sent via Ceylon and Batavia on the 18th of January of this year, we have the honor to let this serve as a dutiful communication that, pursuant to the altered order of Your Right Honorable Worships, contained in the venerated dispatch to the Honorable High Indian Government dated the 3rd of December 1789, paragraph 52, and the resolution in the Council of the Indies on the 16th of August 1790, we are dispatching to the chambers of the Southern and Northern quarters such copies of advices and resolutions as are recorded in the copies of letters accompanying this to the Honorable Grand Worshipful Lords Directors at the chambers of Delft and Hoorn. As regards the sets for the chambers of Amsterdam and Zeeland, the copies of resolutions and advices have always served for this purpose, the one addressed to the Presiding Chamber and the other to one of the chambers itself. We most humbly request that we, if possible, may suffice with that, namely: when one set of letters and resolutions goes to Amsterdam as presiding, to be allowed to let the second set serve for the chamber of Zeeland; or during that time to excuse the chamber which presides from a separate set. On the other hand, we request Your Right Honorable Worships' honored approval that we, pursuant to our decision of today, have prohibited the sending to the respective chambers of copies of the letters to Your Right Honorable Worships, which we considered to be a misunderstanding by the clerks of our secretariat regarding the order on sending copies of documents to the respective chambers: intending in future to follow the method introduced today in that regard, namely to address the documents destined for the said chambers directly to the same, and in evidence thereof, to attach copies of the covering letters to Your Right Honorable Worships alongside our advices. We eagerly await the honored dispositions of the Honorable High Indian Government regarding our general reports of 1791 and 1792, presently finding nothing to report with certainty to Your Right Honorable Worships regarding the state of affairs here on the coast, hoping nonetheless that, in the event of any good outcome of affairs, we shall be able to let a ship return to Batavia at the ordinary time with a considerable cargo for Europe and the Indies, the bales for Europe that remained behind in the year 1791 having been received too late in Ceylon to have been forwarded from there directly to the Netherlands, and those for the Indies, we have been unfortunate enough to have had to hold back to the quantity of 143 bales due to leakage that arose on the private vessel in which they were laden on freight, until the next direct opportunity. We also have the honor to enclose herewith a copy of the definitive peace treaty of the English and their allies with Tippu Sultan, who, having lost quite a lot of his power thereby, has, as we hope, for now been sufficiently deprived of the power to throw this unhappy country into turmoil again. We commend Your Right Honorable Worships to God's protection and take the liberty to call ourselves, with all respect and dutiful fidelity, Right Honorable Most Worshipful, Widely Commanding Lords, Your Right Honorable Worships' most humble and very obedient servants, Jacob Eilbracht Jacob Saml. de Raeff Winckelmans Frk. Hnk. Bloem L. A. de Brueijs Palliakatta, in Fort Geldria, the 28th of June 1792. To the Right Honorable Grand Worshipful Lords Directors on behalf of the General Dutch East India Company at the chamber of Delft. From the Honorable Mr. Jacob Eilbracht, Senior Merchant and Commander of this Coromandel Coast, and the Council at Palliakatta, namely: 1. Original general dispatch by and to the persons addressed in the heading of this, under today's date. 2. Copy of the general dispatch written by the said Lord Commander and Council to Their High Honors, the Honorable High Indian Government at Batavia, dated the last day of January 1791. Register of such letters and documents as are dispatched today via Ceylon and respectfully addressed: No. 3.
Dutch transcription
uwer Wel Edele Hoog Achtbaarheeden zeer gevenereerde aparte missive van den 31.:e Meij 1791. dienende tot Communicatie van het decerneeren van een plechtige Com „missie tot herstel van zaeken in India. Wij wenschen van harte dat deeze wijze schikkingen aan het bedoelde oog „merk mogen beantwoorden, terwijl wij na schuldige gehoudenisse, niet zullen manc„ „queeren, de daer toe gestelde Hooge Per„ „soonen, te eeren, respecteeren, en alle ge„ „hoorzaamheijt te bewijzen, en niets zoo ieverig trachten ter harten te neemen, als het geen ons, tot verbetering van 's Comp:s staat alhier, zal voorgesteld en aan ge„ „schreeven worden, dat wij, met vierig verlangen te gemoet zien. Wij hebben de eere met het uijtterste respect respect te zijn. Wel Edele Hoog Achtbaare Heer wijd gebiedende Heeren! Palliakatta Uw wel Edele Hoog Acht„ In het fort Geldria „barens zeer onderdanige, en den 28. Iunij 1792. Heer Gehoorzame Dienaeren Jacob Eelbrach t Jacob Sam de Raeff. WWinckelmans F„k H„k Bloeme L A de Brueijs H: Keese G van Cilon Patria Aan de wel Edele Hoog Achtbare Heeren, Bewindhebberen. Gedeputeerd ter vergadering van Zeventienen de Generaale Nederlandsche Oost-Indisch Compagnie representeerende, ter presidiale kamer Middelburg, in Zeeland Wel Edele Hoog Achtbare Zeer Wijd Gebiedende Heeren. Ins eerbiedigst gedraagende aan onze over Ceilon en Batavia afgevaardigde missive van den 18. Ianuarij deezes Iaars, hebben we de eere deeze te laaten dienen tot plichtschuldige Communicatie, dat wij, na de gealtereerde ordre van uwel Edele Hoog Achtbaere. Achtbaere, vervat bij gevenereerde missive aen de Edele Hooge Indische Regeering de dato 3. de„ cember 1789. par: 52. , en het geresolveerde in Raede van Indië op den 16. augustus 1790, aen de kameren van het Zuijder en Noorder quartier, afzenden zodanige Copia advisen en Resolu„ tien, als bekent staen bij de deeze accom„ pagneerende Copia briefjes aan de Edele Groot Achtbare Heeren Bewindhebberen ter kameren Delft en Hoorn. Wat aangaat de stellen voord'kameren Amster„ dam en Zeeland, daar toe hebben steeds gedient de Copia Resolutien en advisen, geaddresseert het eene aan de Presediale Kamer, en het andere aan een der kamers zelve. Wij verzoeken zeer ootmoedig dat we, is het mogelijk, daar meede mogen volstaen, te weeten: als 'er een stel Brieven en Resolutien afgaet aan Amsterdam als presidieerende, het tweede stel te moogen laeten dienen voor de kamer Zeeland; ofte de kamer welke presideert geduu„ rende. rende die tijd van een apart stel te Excuseeren. - Daar en teegen verzoeken wij uwel Edele Hoog Achtbare geëerde approbatie dat we„ ingevolge ons besluit van heeden, hebben gein„ verdiceert het zenden aan de respective kame„ ren van copia vande Brieven aan uwel Edele Hoog Achtbaere, dat wij beschouwt hebben als een misverstand door de suppoosten van onze secretarije van de ordre op het zenden van afschriften van papieren aan de respec„ tive kameren: zullende inde aanstaende daer omtrend volgen de methode heeden geintroduceert„ namelijk met de papieren voor ged: kameren gedesti„ neert aan dezelve direct te addresseeren, en ten blijkte van dien, Copia vande geleide brieven aan uwel„ Edele Hoog Achtbare nevens onze advisen te voegen. Wij zien met verlangen te gemoet de geeerde dis„ positien van de Edele Hooge Indische Regeering op onze generaele berichten van 1791. en 1792. , vindende thans aangaende de staat van zaeken hier ter kuste, aan uwel Edele. aen ier ren ter„ en: r n„ 6 de. 4 uwel Edele Hoog Achtbare nog niets met zekerheik te melden, hoopende nogtans dat bij eenige goede uijtslag van zaeken, op de ordinaire tijd, een schip met een aanzienelijke lading voor Europa en India naar Batavia te zullen konnen laeten retourneeren, zijnde de in anno 1791. agter gebleevene pakken voor Europa„ te beilon te laet ontvangen om van daer direct naar Nederland te hebben konnen worden voortgeschickt, en die voor Indie, zijn we ongelukkig genoeg van ter quantiteijt van 143. pakken, door ontstaene lekkagie aan het particuliere vaartuig, waar in ze, op vracht, geladen waaren, te hebben moeten aanhou„ den tot de naaste directe gelegenheijt:— Nog hebben we de eere hiernevens te voegen een afschrift van het deffinitif vreedens tractaat van de Engelschen en Haare geallieerden met Sipoe sultan die daardoor, van zijn vermogen vrij wat quijt geraakt, zoo wij hoopen, voor eerst, genoeg benomen is de macht om dit ongelukkig Land wederen in Repen noer te stellen. - Wij beveelen uwelEdele Hoog Achtbare in Godeste Ccheeming en. en neemen de vrijheid ons met alle erbied en verschul„ digde trouw te noemen. - Wel Edele Hoog Achtbare Heer Wijd Gebiedende Heeren UW Wel Edele Hoog Achtbarens zeer onderdanige en zeen Gehoorsaemen dienaren Scooseelbracht. Jacob Saml: de Haeff Winckelmans AK „k D„k Bloem Palleacatta Int Fort Geldria den 28. ' Iunij 1792. L A de Brueijs Lest: Coma Aan de wel Edele Groot Achtbaare Heeren Bewindhebberen Van weegen de Generaele Neder„ landsche oost Indische Compag„ nie ter kamer Delft Voor Den E: Heer Jacob Eilbracht opperkoopman en Gezaghebber deeser custe Cormandel en den Raad te Palliacatta namenlijk . Orgineele gemeene missive door en aan als in den Hoofde deeses Gerigt onder „ heedigen datum 2. Copia Gemeene missive door Gemelde Heer Gelag„ hebber en raad aan Hun Hoog Edelhee„ den de Edele Hooge Indiasche Re„ gering te Batavia geschreeven in dato ultimo Januarij 1791. — Register van zooda„ Enige Brieven en Papieren als op heeden over Ceijlon ver„ sonden en in Eerbied g'addres„ seerd worden: No. 3. „
English
missive = 3 Copy of the general missive through and to as above dated the last day of February, to which is attached the General report of affairs of the Year 1790. Register of the papers sent therewith. 4. Copy of the general missive through and to as above dated the last day of March 1791. Annex 5. A sealed packet with copies of separate resolutions and advices, namely: Letter A: Resolutions from 23 March to the last day of December 1790. Letter B: Missive to the Honorable High Indian Government at Batavia dated 26 March 1790. Letter C: Ditto ditto dated the last day of February 1791. Annex A small bundle of separately written insertions belonging thereto. Register of the appendices sent therewith. Annex Letter E: 30 June 1791. Number 6. Number 6. A bundle of copies of general resolutions taken in the Council of Coromandel at Palliacatta from 11 March to the last day of December 1790. A bundle of separately written insertions belonging thereto. A small bundle consisting of a report and appendices concerning the arrears of the previous government at Nagapatnam belonging to the resolution of 10 November 1790. Palliacatta, in Fort Geldria, the 2nd of June 1792. was signed: I: Obdam, E: G: Clercq Agrees Jn obdam Ed Clercq Dirk Collet Examined Copy Delft, via Ceylon. To the Honorable, Highly Esteemed Gentlemen Directors of the General Dutch East India Company. Honorable, Highly Esteemed Gentlemen. Pursuant to the highly respected altered order of the Illustrious Assembly of the Seventeen, by extract of the General Missive from the Fatherland to the Honorable High Indian Government dated 3 December 1789, we have the honor to present to Your Honorable and Highly Esteemed Sirs for both the chambers of the Southern Quarter a copy of our advices to the aforementioned Honorable High Indian Government, with copies of various of our resolutions, namely: A set of general advices, dated the last day of January, the last day of February, and the last day of March 1791. A set of separate advices dated 26 March 1790, the last day of February, and 30 June 1791. A set of general and separate resolutions from 11 March to the last day of December 1790. We shall dispatch the resolutions of the year 1791, which due to various reasons are very voluminous and could not be completed in time, as soon as practicable. We have the honor to be with deep respect, underneath was written: Honorable, Highly Esteemed Gentlemen! Your Honorable and Highly Esteemed Sirs' humble and most obedient servants. was signed: Iacob Eilbracht, P: S: De Raeff, I: S: Winckelmans, F: W: Bloeme, L: A: de Brueijs, and I: I: Hasz. In the margin: Palliacatta, in Fort Geldria, the 28th of June, anno 1792. Agrees Jn. obdam Ed: Clercq Examined. Copy Register of such letters and papers as are dispatched this day via Ceylon and addressed in a package to the Honorable, Highly Esteemed Gentlemen Directors of the General Dutch East India Company at the Chamber of Hoorn, by the Honorable Mr. Jacob Eilbracht, Senior Merchant and Commander of this Coast of Coromandel, and the Council at Palliacatta, namely: Number 1. Original general missive from and to the parties stated in the heading hereof, directed under today's date. Number 2. Copy of the general missive written by the said Commander and Council to Their High Honors, the Honorable High Indian Government at Batavia, under the last day of January 1791. Number 3. Ditto ditto from and to the same as above dated the last day of February, to which is attached the General report of affairs. Dirk Collet Examined Copy Hoorn Via Ceylon. To the Honorable, Highly Esteemed Gentlemen Directors of the General Dutch East India Company. Honorable, Highly Esteemed Gentlemen, Pursuant to the highly respected altered order of the Illustrious Assembly of the Seventeen, by extract of the General Missive from the Fatherland to the Honorable High Indian Government dated 3 December 1789, we have the honor to present to Your Honorable and Highly Esteemed Sirs for both the chambers of the Northern Quarter a copy Dirk Collet Examined 52 Register of such papers as are sent under today's date to the Netherlands, consigned to the Honorable, Highly Esteemed Gentlemen Directors deputed to the Assembly of the Seventeen representing the General Dutch East India Company at the presiding chamber of Middelburg in Zeeland. Letter A. Original separate letter from the undersigned to the said Highly Esteemed Gentlemen Majors, dated 10 November 1792. Letter B. Memorandum serving as a report of the commission demanded of the undersigned, with such considerations as appeared applicable upon examination of matters. Letter C. A bundle containing seven addresses from the merchant Willem Hendrik van Byland, namely: six directed to the undersigned alone, dated the 20th, 29th, and 30th of December 1790, as well as the 5th and 6th of January, and one dedicated to him and the Council, dated 29 January 1791. Annexed thereto the appendices, all filed together. Letter D. A bundle in which are to be found the following documents, namely: Number 1. The formal defense of the Chief Surgeon Meppen. Number 2. Extracts from the letters of the merchant Van Bijland, annexed to extracts from the resolutions concerning the Sadraspatnam patterns. Number 3. The formal defense of the Master of Equipage Van Odyk. Number 4. A list of the papers that were delivered to the merchant Van Bijland on 10 November. Number 5. A declaration of Captain George Philippus Gas regarding the cable ropes. Number 6. A separate letter from the provisional merchant and Sadraspatnam Chief Simons, annexed to its appendices regarding the calling at the
Dutch transcription
„missive = 3 Copia Temeene „ door en aan als even sub dato ultimo februarij daar aan zijnde Generaal verslag van zaakten van het Iaar 1790. — Register der daar bij versondene pa„ pieren. — 4. Copia gemeene missive door en aan als vooren de dato ultimo maart 1791. Annex Pakket met Copias appart reso„ 5. Een geslooten lutien en advisen als L:d A: Resolutien sedert 23:e Maart tot ul„ timo December 1790. D: Missive aan de Edele Hooge Indiasche Regeeving te Batavia sub dato 26. Maart 1790 C: Dito. Dito sub ultimo februarij 1791. annex Een bondeltje afzonderlijk geschree rene Insertien daar toe gehoorende Register van de daar bij versondene bijlaagen. — annex „ „ „ 30. Iunij 1791. — E: No: 6. N=o 6. Een Bondel Copia Gemeene Resolutien Genomen in Raade van Cormandel te Pal„ licecatta zedert 11. Maart tot ultimo December 1790. — Een Bondel met afsonderlijk ge„ schreevene Intertien daar toege„ hoorende Een Bondeltje bericht en bijlagen van de agterstallen van het voorig gouvernement te Nagapat„ nam gehoorene tot de Resolu„ tie van 10. november 1790:— Palliacatta in't fort Geldria den 2en Junij 1742. /:was geteekend:/ I: Obdam: E: G: Clercq 8 annex. — Jn obdum EaCleri accordeert to zy nde van pa ne rako„ el„ geschree ornd iasche 1798. en „ Dirk Collet Nagezien Wer Copia Delft, over Ceijlon. Aan de Edele Groot Achtbaere Heeren Bewindhebberen, Van wegens de generaale Nederland„ sche Oost Indische Compagnie. Edele Groot Achtbaare Heeren. Navolgens de zeer gerespecteerde gealte„ reerde ordre van de Illustre Vergadering van seventienen, bij Extract Patriasche generale missive aen de Edele Hooge Indische Regee„ ving de dato 3. e December 1789. , hebben wij de eere UEdele Groot Achtbaere voor beide de kameren kameren van het zuijder quartier aentebieden Copia van onse advisen aen gemelde Edele Hooge Indi„ sche Regeering, met Copia van diverse van onze Resolutien; te weeten: Een stel gemeene advisen, gedateerd ultimo Ianuarij ultimo februarij, en ultimo Maart 1791. _. Een stel aparte advisen de datis 26. e Maart 1790., ultimo februarij en 30. ' Iunij 1791. —. — Een stel gemeene en aparte Rezolutien zeedert 11. e Maart tot ultimo December 1790. —. Wij zullen de Resolutien van het Jaer 1791 die door verscheijde oorzaaken zeer volumineus en niet mogelijk geweest zijn gereet te krij„ gen, zoo spoedig doenlijk laaten volgen. —. Wij hebben de eere met diep respect te zijn. —. /:onderstond:/ Edele Groot Acht„ baere Heeren! UwelEdele Groot Achtb: onderdanige en zeer Gehoorzaame Dienae„ ven. /: was geteekend:/ Iacob Eilbracht, - - - - - P: S: De Raeff, I: S: Winckelmans, F: W: Bloeme, L: A: de Brueijs, en I: I: Hasz:, /:in margine:/ Palliakatta -- Palliakatta in 't Fort Geldria, den 28. e Iunij Accordeerd Jn. obdain Ed: Clercq Anno 1792. —. 9 A. B regotor Nagesien. Coma Register van zoodanige Brieven en Papieren als op hee„ den over Ceijlon versonden en in Een bied geadderesseerd worden Aan de Edele Groot Achtbaare Heeren Bewindhebberen van weegen de generaeleg Ne„ derlandsche oost Indische Compagn nie ter Kamer Door den E: Heer Jacob Eilbracht opperkoopman en Gesaghebber dee„ ten Custe Cormandel en den Raad te Palliacatta namenlijk. — N=o 1. Origineele gemeene missive door en aan als in den hoofde deeses gesegt onder heedigen datum gerigt. — Copia Gemeene missive door gemelde Heer Gesaghebber en Raad aan Hun Hoog Edelheeden de Edele Hooge Indiasche Regeering te Batavia geschreeven onder ultimo Ianuarij 1791. — 2.„ dito Dito Door en aan als even sub dato ultimo Februarij daar aan zijnde Generaal Toorn ven. „ 3. Dirk Coller Nagezien Over Copia Hoorn Over Ceijlon. Aan de Edele Groot Achtbare Heeren Bewindhebberen, van wegens de generaale Nederlandsche Oost Indische Compagnie. Edele groot Achtbaere Heeren Navolgens de zeer gerespecteerde gealtereer„ de ordre van de Illustre vergadering van Zeven„ tienen, bij Extract Patriasche generaale mis„ sive aen de Edele Hooge Indische Regeering de dato 3:e December 1789. hebben wij de eere uEdele Groot Achtbare voor beide de kame„ ven van het Noorder quartier aentebieden Copia 12 DirkCollet Nagezien 52 Register van zodanige Papieren als onder heedige datum na ONeder„ land worden gezonden, gecon„ signeerd Aan De wel Edele Hoog Achtbare Heeren Bewindhebberen gedeputeerd ter vergadering van zeventhienen de generaale Neder„ landsche Oost Indische Compagnie re„ presenteerende ter presidiale kamer Middelburg in Zeeland. L„a 1. Origineel apparte brief van den ondergetekende aan gem: Hoog Achtbare Heeren Maso„ res, ged„t 10. November 1792. B. Memorie dienende tot verslag der Commissie den ondergetekende gedemandeert, met zodanige Consideratien, als bij bevin„ ding van zaaken applicabel zyjn voor gekomen La C L=a C: Een bondel inhoudende seven addressen van den koop„ man Willem Hendrik van Byland, namentlijk ses gerigt aan den ondergetekende alleen gedateerd den 20. 29. en 30. december 1790. mitsgs 5. en 6. Ianuarij, en Een gedediceert aan hem en den Raad, on„ der dato 29. January 1791. Annex dies Bylaagen alle geliasseerd L:a D: Een bondel waar in te vinden zijn de volgende documenten als N. o 1. De verantwoording van den opperchi„ rurgijn Meppen. „ 2. Extracten uijt de brieven van den koopman van Bijland, annex Extrac„ ten uijt de resolutien, raakende de sa„ draspatnamsche monsters „ 3: De verantwoording van den Equipa giemeester van Odyk Een notitie der papieren, die op den „ 4. 10. November aan den koopman van Bijland afgegeeven zijn „ 5. Een verklaaring van Capitain George Philippus gas wegens de kabel touwen 6. Een apparte brief van den pl koopman en Sadraspatnamsche opperhoofd Simons annex dies bylaagen over het aandoen van het
English
the ship Horssen at Sadras No. 7. Copy of the order to the First sworn clerk Ian Obdam, to provide elucidation regarding what occurred at Jaggernaickpoeram 8. A report from the said Obdam in fulfillment of that order, dated 2 December 1790. 9. A report from the assistant De Bruyn concerning the minting and exchanging of the dubs at Jaggernaickpoeram 10. Articles upon which the former Governor Iadama together with the merchants van Halm and van Byland were heard and questioned at a hearing on 8 January 1791. 11. A report from the First sworn clerk Obdam concerning the indisposition of Mr. Iadama 12. A report from the said Obdam and the assistant De Bruijn concerning the reduction of the value of the dubs, dated 31 January 1791. 13. A report from the aforesaid Obdam concerning the customado coin at Jaggernaickpoeram 14. A report from the re-examiner Bloeme and assistant De Bruijn concerning the loss that the Honorable Company suffers through the debasement of the dubs, dated 13 January 1791. No. 15. Two reports from the Assayer Engelbert de Vries concerning the dubs weighed by him 16. Interrogatories as submitted by the merchant van Bijland, to hear certain persons thereon at Jaggernaickpoeram 17. Extract from the findings concerning the 90 bars of silver received at Jaggernaickpoeram by the sloop De Zeerob 18. The defense of the Council of Justice concerning van Bijland's complaints against it 19. The defense of the junior merchant Tantervisscher to the said Council 20. A report from Duynevelt concerning the false measure in the provisions warehouse 21. Copy of the order to the said Duynevelt to convene a judicial hearing 22. A report from the aforesaid Duynevelt concerning that commission 23. A deposition from Hendrik Christoffel Corner No. 24. An original sworn complaint from the weigher Waylmada 25. A sworn complaint from Wengadasalam 26. The defense of the Member of Justice Luyken 27. The articles that were answered by Pachea Poele at the requisition of the presiding Member of Justice De Raeff 28. The summons served upon the merchant van Byland, with the reply annexed 29. Copy of the receipt from Secretary Aasz. 30. Note of the remaining stamped paper Letter F. A bundle containing extracts from separate resolutions on various subjects Letter E. A bundle in which is to be found the report from the trade transfer agent Pietersz, with 11 accounts from Letter A to M annexed Letter C. Report from the commissioners Heshusius and Schliephaken Letter IL. Report from the new Jaggernaickpoeram chiefs Eilbracht and van Hogendorp, concerning the inquiry conducted by them etc. Palleakatta, in Castle Geldria, 10 November 1792. Jacob Eilbracht Schliephaken, regarding the investigation of the disputes that have arisen at the office of Jaggernaickpoeram Register 179 Separate Homeland To the Right Honorable, Highly Esteemed Lords Directors, Deputed to the Assembly of the Seventeen, representing the General Dutch East India Company at the Presidial Chamber of Middelburg in Zeeland. Right Honorable, Highly Esteemed, most widely commanding Lords. The hardships and inconveniences, uninterrupted care and labor applied day and night for more than two years now to the restoration of this troubled and neglected Coromandel, had led me to flatter myself that I would have earned some satisfaction with the High Indian Government at Batavia, whose orders I have believed, as a subordinate minister, that I had to obey without interpreting them according to my own notions, or executing them otherwise than the meaning thereof required. Thus, in the matter of the arrears, I have employed a patient and deliberate earnestness, and sought to oblige the persons involved therein, first amicably and thereafter through other means, to indemnify the Company, with considerably more leniency than the literal meaning of the order contained; containing as an incentive a threat to recover everything from me if one thing or another were to falter therein. It is true, I had to send van Halm and van Someren up to Batavia, but that took place on account of their insolent and insolent behavior, to which they saw fit to resort when the execution of the orders began to be pursued with that seriousness to which people in Coromandel, so it seems, had never been accustomed. Whether this appeared displeasing to the High Government, or whether the giving and executing of orders ought to be understood in two different ways, is something that I do not dare presume to determine; the fact remains that my proceedings were on the whole approved and confirmed, but upon them, wherever it could possibly be introduced, the most moving and bitter reflections have been made both in the public and in the secret rescripts, as if I had made the aforesaid persons, who happened to pass away in Batavia, vide pack 2 of the separate rescript dated 20 June 1792, unfortunate through the loss of life and property, without a sufficient indemnification for the Company, and ought rather to have arrived at terms of accommodation than at the prescribed demanded summary execution; whereas not the least step toward any agreement was ever made on the part of the defendants. Passing over, as it were, the affront offered to me by both of them in my public dignity at the assembly, it seems as though, instead of praising my sensitivity in that regard, with the patience now continually brought forward, they considered that I ought to have humbled myself to
Dutch transcription
het schip Horssen te Sadras N. o 7. Copia ordonnantie op den Eerste gesw clercq Ian Obdain, om Elucidatie te geeven omtrend het voorgevallene te Paggernaijkpoeram „ 8. Een berigt van gemelde Obdam ter vol„ doening aan die ordre ged:t den 2e december 1790. „ 9. Een berigt van den assistent De Bruyn wegens het slaan en verwisselen der dabboesen op Iaggernaijkpoeram „ 10. Articulen waar op de Heer geweezene gezaghebber Iadama met de kooplieden van Halm en van Byland bij een Comparitie van den 8. Januarij 1791. gehoord en ondervraagd zijn „ 11. Een Rapport van den Eerste gesw: clercq obdam wegens de onpas„ selijkheyd van den heer Iadama „ 12. Een bericht van gemelde Obdam, en den assistent De Bruijn omtrent de vermindering van de waarde der dabboesen, onder dato 31. Ianuarij „ 13. Een bericht van meerm: Obdam we„ gens de Costumado ponning te sagger„ nayt poeram 14. Een berigt van den narekenaar Bloe„ me en assistent De Bruijn omtrend de schaade, die d'E: Compagnie door de 15 1791. de vervalsching der dabboesen komt te lijden, gedateerd den 13. Ianuarij 1791. Twee Rapporten van den Essaijeur N o. 15. Engelbert de Vries. omtrend de do door hem gewogene Dabboesen 16. Interrogatoria zoo als Te door den koopman van Bijland opgegeeven zin, om daar op eenige perzoonen te Iagger„ naykp:n gehoord te worden Extract uijt de bevinding van de te Iaggernaijkpoeram per de Chia„ loup De Seerob ontvangene 90. star„ ven silver De verantwoording van de Raad van „ 18. Justitie omtrend van Bijlands klag„ ten over haar 19. De verantwoording van den onder„ koopman tantervisscher aan gemelde Raad „ 26. Een bericht van Duijnevelt wegens de valsche maat in de dispens „ 21. Copia ordonnantie op gemelde Duij nevelt ter belegging van een Iustitieele Comparitie „ 22. Een berigt van meerm: Duynevelt aangaande die Commissie „ 23. Een verklaring van Hendrik Christoffel Corner 17. N:o 24 N:o 24. Een origineel beEedigde klagt schrift van den weeger waijlmada „ 25. Een beEedigde klagtschrift van wengadasalam „ 26. de verantwoording van het Lid van Justitie Luyken „ 27: De Articulen die ter requisitie van het voorzittand Led van Justitie De Raeff, door Pachea poele be„ antwoort zij „ 28 De gedaane sommatie aan den koop„ man van Byland, annex het ant„ woord „ 29. Copia quitantie van den Secretaris Aasz: „ 30. Notitie van het restant Zegul papier L:a F: Een bondel inhoudende Extracten uijt aparte resolutie over verscheijde onderwerpen „ E: Een bondel waar in te vinden is het berigt van den negotie overdrager Pietersz, annex 11. stux reekeningen van L:a A tot M „ Cr. Rapport van de gecommitteerde Heshusius en schliephaken 16 L„a IL: Bericht van de nieuwe Iaggernayt poeramsche opperhoofden Eilbracht en van Hogendorp, wegens de door haar gedaane enqueste & Palleakatta In het fort Teldra den 10 November Anno 1792. — Jant eeltracht schliephaken, nopans het ondersoek die gereezen zyn der differenten, ter Comptoire Iaggernaijk poeram Register 179 Appart Patria Aan De wel Edele Hoog Achtbare Heeren Bewindhebberen, Gedeputeerd ter vergadering van Zeventhienen, de generale Neder„ landsche oost Indische Compagnie re„ presenteerende ter presidiale kamer Middelburg in Zeeland. Wel Edele Hoog Achtbare zeer wijd gebiedende Heeren. De moeijte en ongemakken, onafgebroken Borg ms Zorg en arbeid nu ruijm twee Jaaren dag en nagt tot herstel van dit beroert en verwaar loost Cormandel in 't werk gesteld, hadden mij doen flatteeren eenig genoegen behaalt te zullen hebben bij de Hooge Indische Re„ geering te Batavia, welkers orders ik mij verbeeld hebbe als een subaltern Minister te moeten gehoorsamen, zonder die uijt te leg„ gen na eijge begrippen, of ze anders uijt te voeren, dan den zin van dien kwam te re„ quireeren. Ik heb dus in 't stuk der Ag„ terstallen, een Iagtzinnige en lankzamelyke „ ernstigheijd gebruijkt, en de daar in betrokke, ne persoonen, eerst in 't minnelijke, en daar na door andere middelen zoeken te verplig ten tot schadeloos stelling van de Compagnie, met nog vrij meer menagement, als letterlyk inhield den zin der order; tot aanspooring in 18 in zig bevattende een drijgement van alles offe mij te zullen verhaalen indien 't een of ander daar in kwam te haperen, 't is waar ik heb van Halm en van Someren moeten op„ zenden naar Batavia, maar dat is geschied uijt hoofde van hun brutaal en insolent gedrag, waar toe zij goedvonden over te slaan, toen met het uijtvoeren der ordres die ernst begon gebruijkt te worden, waar aan men te Cormandel zoo 't schijnt nooijt ge„ went is geweest. Of dit nu de Hooge Regeering onbe„ vallig is voorgekomen, of dat het geeven en uijtvoeren van orders tweederleij behoort ver„ staan te worden, is iets dat ik my niet ver„ meeten durf te bepaalen; dit is 'er van dat mijn gedoentens over het generaal wel gepas„ seert en geapprobeert, edog op dezelve, waar 't maar te pas heeft konnen komen, gemaakt zijn ms zyn de aller aandoenlykste en bitterste replexien zoo in de publieke, als in de secreete rescrip„ tien, als hadde ik voorsz: persoonen, gevallig te Batavia overleeden, vide pak: 2. van de aparte Rescriptie de dato 20. Iunij 1792., door het verlies van goed en bloed, zonder een toe„ reikent de dommagement voor de Comp:ie, on„ geluckig gemaakt, en liever moeten komen tot termen van accomnodement als tot de voorge„ schreeven gevergde parate Executie; daar nooijt de minste stap tot eenig verdrag van de kant der beklaagdens is gedaan geworden Het affront door hen beijde mij in mijn pu„ blieke waardigheijd ter vergadering aan gedaan, als 't ware passeerende, schijnt het als of men in steede van derweegens mijne gevoeligheijd te prijzen, met de nu geduurig voorkomen de Iagt zinnigheijd in 't oog gehad heeft, dat ik mij had moeten verneederen om
English
to make proposals for any such settlement to the accused; at least I cannot perceive that my complaints about what was noted at the close of the separate Resolution of 20 July, nor the subsequently submitted Considerations regarding the joint Resolution of 9 August 1791, have been taken into any consideration at all. On the contrary, the conduct of my subordinates is held up to me, see paragraphs 75, 77, and 145, and subsequently at paragraphs 182 to 184 of the public Rescript dated 19 June of this year, as if I had also wronged them, and as if I had been obliged to make an amende honorable to them for my conceived displeasure over their dereliction of duty, to the public decline of my authority and the dignity which the High Government itself has conferred upon me; treatments to which it seems I shall continually remain exposed as an effect of that displeasure which the High Government has hitherto so clearly displayed regarding the conduct of myself and my brother in Bengal, which again is so strikingly described in the 6th and 7th paragraphs of the letters to that Directorate of 1791 and 5, 15, and 16 September 1791; unless Your Noble High Mightinesses, through a favorable disposition regarding my person, should place the facility of the inclinations shown thereto under such limitations as would be capable of employing a little more management. Just as hatefully as my general proceedings to restore order to the place were approved, people have also been pleased to view the treatments and dispositions concerning van Bijland, who stirs up revolt everywhere, and his factions; on the one hand, those at whom he actually aimed were treated with too little indulgence, and on the other hand, grievous wrongs were again done to him; both have been wronged by me. It is not enough that the principal and majority of the Bengal subordinates have become, and are still kept, embittered against me; more had to be added, and indeed such from so disturbed, suspect, and utterly disorganized a Coromandel government, in order to establish the usual Indian system for the frustration of European protections, and, as it were, to set everyone in motion against me. My reports to Their High Excellencies regarding the accusations and imputations brought against the previous Ministry by van Bijland in 1790, which always remained political, and the outcome of which was communicated to the High Government on 31 March 1791, have not the slightest connection with what occurred in April and May thereafter, when he—as was subsequently communicated to Their High Excellencies on 30 June 1791 and also already reported to Your Noble High Mightinesses—came forward with an accusation of conspiracy against the former Commander, Mr. Padama, and the Council members van Halm, Simons, De Raeff, and Brouwer, alleging that these five had held separate meetings to thwart the affairs of the Company and to cause the ship to depart only half full or empty. This latter matter, and his open revolt against my lawful authority, with grave accusations against my administration of justice over the community, was alone made a judicial matter, and he was accordingly required to supply or produce evidence; but instead of complying with this, he atrociously insulted the Judge before whom he had been summoned solely for that purpose, refused to appear, and was thus condemned in contumacy as a defamer and slanderer. And however much the means for further legal proceedings were thereby cut off from him, it is nevertheless now that Their High Excellencies have mixed this latter judicial case together with all the previous imputations, which have always remained political and could not be altered in character by subordinate ministers, and have declared that they can do nothing in the matter, because, they say, everything had taken a different turn and had been transformed in such a manner that they had become objects of Justice, before which van Bijland seemed inclined to bring forward his invented and sustained gravamina; thus exposing me, along with all the rest of the disturbed Coromandel who have been so grossly insulted by van Bijland, to becoming entangled in private lawsuits with a scoundrel who, by reason of his personal turbulent character, is not worthy to tread the earth; and that solely for executing their orders, which clearly entailed restoring tranquility through good and suitable dispositions in disturbances which they themselves testify that van Bijland fabricated through his restless character, and which they therefore found unprecedented, indeed punishable in the extreme. I deem myself obliged to lay all this briefly before Your Noble High Mightinesses, and to request of the Same in the most emphatic manner a special and speedy efficacious protection, in order thereby to avert those extraordinary consequences which are to be feared when the Government withdraws the outcome of an investigation instituted by its own order from its lawful authority and subjects the same to private lawsuits; seeing that in such a way each and every person who comes to execute a special commission for the representing authority runs the risk of being abandoned by the same and exposed to private hatreds.
Dutch transcription
19 om de voorslaagen tot een al diergelyk accom„ modement bij de beklaagden te gaan doen; ten minsten ik kan niet merken, zoo min dat myne klagten over het aangeteekende bij het slot der aparte Resolutie van den 20. ' Iulij, als de vervolgens ingediende Resolutie Consideratien ter gemeene van den 9. ' Augustus 1791. , in eenige aanmerking gekomen zijn: in tegendeel het gedrag mijner onderhorigen word mij vide de 75, 77, en 145. paragraph, en ver„ volgens bij § 182. tot 184. van de publieke Rescriptie gedateerd 19:e Junij deezes Iaars voorgehouden, als hadde ik ook deeze ver„ ongelijkt, en ware ik verpligt geweest hen wegens mijn opgevat misnoegen over wan„ devoir amende honorable te doen, tot een publiek dechin van mijn gezag, en de waardigheijd waardigheijd die de Hoge Regeering mij zelfs ; behandelingen waar aan heeft opgedragen het schijnt dat ik geduurig geexponeert zal blijven als een uijtwerking van dat ongenoe„ „gen 't welk de Hooge Regeering tot nog toe zoo duijdelijk laat uijt blinken over het ge„ drag van mij, en mijn Broeder in Bengalen 't welk weer zoo Tieltreffende beschreeven is bij de 6:e en 7=e paragraphen van de brieven naar die Directie van 1791. en 5 „ 155. en 16. van September 1791. ;, ten zij uwel Edele Hoog Achtbarens door een favorable dispositie omtrent mijn persoon, de faciliteit der daar toe betoond wordende inclinatien onder zulke limitatien kwame te stellen, als in staat zouden weezen een weijnig meer management te gebruijken. Even zo hatelijk als mijn gedoentens over het generaal tot het weder in order brengen 20 brengen der plaats, goedgekeurt zijn, heeft men ook gelieven te beschouwen de behan„ delingen en dispositien omtrent den over al oproet verwekkenden van Bijland, en zyne partijen; aan de eene kant zyn de geen waar hij 't eijgentlijk op gemunt had met te weijnig inschikkelijkheijd behandelt, en aan de andere kant zijn hem weeder grie„ vende verongelijkingen geschied; beijde zijn zij door mij verongelijkt. Het is niet ge„ noeg dat de voornaamste en meeste der Ben„ gaalsche onderhoorigen tegen mij verbitterd geraakt zijn, en nog gehouden werden, daar do moesten 'er nog meer, en wel zulke van zoo een beroert, suspect, en in alles overhoopt leggend Cormandels gouvernement bijkoomen, om het gewoonlijk Indisch Sijstema, ter verijde„ ling van Europise protectien, te fundeeren, en Ian en alle man als 't ware tegens mij in Myne berigten in beweeging te brengen. aan Haar Hoog Edelheedens over de accu„ satien en imputatien door van Bijland in # 1790. teegens het voorig Ministerium ingebragt steeds politiek gebleeven, en waar van den uijt„ slag bedeelt is aan de Hooge Regeering onder den 31. Maart 1791. , hebben geen de minste Connexie met het geen is voorgevallen in April en Meij daar aan, wanneer hij, zo als vervolgens aan Haar Hoog Edelheeden onder den 30. ' Iunij 1791. bedeelt en ook reeds aan Uwel Edele Hoog Achtbarens gemeld is, uijtkwam met een accusatie van Conspi„ ratie tegens den gewezene gezaghebber de Heer Padama, en de Raadleeden van Halm Simons, De Raeff, en Brouwer, als hadden deeze vijf gehouden separate verga„ deringen om de zaaken van de Compagnie te dwarsboomen, en te maaken dat het schip maar half vollaaden of leeg vertrekken zou Dit 21 Dit laatste, en zyne openbare revolte tegens mijn wettig gezag, met zware beschuldigin„ „gen tegens mijn regts oeffening over de gemeente is alleen Iustitieel gemaakt, en hem inge„ volge van dien afgevordert het suppediteeren of produceeren van bewijzen; dog in steede van hier aan te voldoen, heeft hij den Regter, voor dewelke hij tot dat eijnde alleen gedag„ vaart was, â trocieus gehoort en beleedigt te Compareeren gewijgert, en is dus bij Con„ En tumatie gecondemneert als een eer rover en lasterraar; en hoe zeer dat hem de mid„ delen tot verdere geregtelijke beweegingen hier door ook waaren afgesneeden, is het egter nu dat Haar Hoog Edelheedens, zoo wel dit laatste Iustitieel geval, als alle de voorige imputatien, die altoos politiek gebleeven zijn en door geen subalterne minis„ ters van gedaan te verandert zonden worden te 3 te samen onder een vermangt, en zig verklaart hebben niets daar in te kunnen doen, wijl zeggen zij alles een andere keer gekreegen 3e9 en zodanig getransformeert was dat het objecten waaren geworden van de Iustitie voor dewelke van Bijland geinclineert scheen gravami„ zijne geinventeerde en gesoutineerde nas voortebrengen; mij met de heele rest van het beroert Cormandel, die door van Bijland zo grof beleedigt zijn, dus bloot stellende om gewikkelt te worden in par„ ticuliere procedures met een fielt, die uijt hoofde van zijn personeel turbulant Caracter niet waard is den aardbodem te betree den; en dat alleen om het uijtvoeren van hare orders, die duijdelijk inhielden om de rust door goede en gepaste dispositien, te herstel„ len, in beroertens die zij zelfs betuijgen dat van Bijland door zyn onrustig Carac„ ter „ 22 „ter verzonnen, en zij dus ongehoord, Ia ten uijterste strafbaar vonden. Ik acht mij verpligt dit alles kortelyk voor uwel Edele Hoog Achtbaarheedens oopen te leggen, en Hoog Deselve op 't aller nadrukkelijkst te verzoeken om een speciale en spoedige efficacieuse protectie, ten eijnde daar door afteweeren die wonderlijke ge volgen, welke men behoort te dugten, wan„ neer de Regeering den uijtslag van een door haar bevel aangelegt ondersoek, haar wet„ tig gezag onttrekt, en het zelve aan par„ + ticuliere procedures subject maakt: gemerkt op zoo een wijs elk en een ieder die een speciale Commissie voor de Repere„ senteerende overigheijt komt waar teneemen gevaar loopt door dezelve verlaaten, en aan particuliere hatelijkheeden bloot ge„ steld te worden. Voor e
English
For the rest, I will not enter into any repetitions, either concerning this van Byland or the persons mentioned herebefore. I have put everything on paper truthfully, and held both parties guilty where they were deemed guilty, and granted them to be in the right where they were in the right. Having arrived as an outsider, I had no relation to anyone; yet it is nonetheless regarded in such a manner that Their High Excellencies judge the second Commission not to have been arranged and conducted with that management as the first; indeed, they even value the Iaggernaijkpoeram Report of my Brother as nothing more than a spiteful refutation of the first one by the two commissioners Aeshusius and Schliephaken, although in my understanding things appeared in it that serve to greatly clarify the Confused Affairs and were quite worthy of the Government's attention. But what do new investigations avail against a visible prejudice? It would have been better then to omit the same, for then everything would have remained in the old state, and I along with my brother would have remained spared from an accumulation of so many harsh unpleasantries which caused the latter to resolve to request his dismissal from his post, and would also bring me to that decision if I were not totally ruined by an accumulation of adversities and the abandonment of valuable Bengal properties that have now become worthless. A circumstance which I hope will also arouse compassion with Your Right Honourable Worships for a servant who has now spent forty years in your service without ever having been stationed anywhere other than in laborious and difficult posts. Palleakatta Lastly, I take the liberty of adding hereto all the papers relating to the cases of and with van Bijland, because, with the legal prosecution of the cases, the respective departments at Batavia will likely not be authorized to transmit the same from there; or so that Your Right Honourable Worships may have knowledge of the affairs, and thus may timely and with good reason protect and defend him who has the honour to sign with the deepest respect. Right Honourable, Highly Commending Lords! Your Right Honourable Worships' Faithfully indebted and very obedient Servant, Jacob Eelbracht. In the fort Geldria, the 10th of November 1792. No 51 2 Copy 51. Small matters have great consequences. Memoir serving as a report of the Commission entrusted to the undersigned by separate letters dated 11 May, 2 July, and 17 August 1790. Dedicated to His Excellency, The High Noble, Right Honourable Lord Mr. Willem Arnold Alting, Governor General, Together with The Right Honourable Lords Councillors of the Netherlands Indies, And furnished with such considerations as appeared applicable upon the finding of the matters. High Noble, Highly Commending Lords! That small matters generally have great consequences is such a substantial truth that the case which I describe herein provides the greatest proof of it. 2. Because of a dispute between the Gentlemen Tadama and van Bijland regarding the sale of a small quantity of Pepper, they fell into a great discord; because of the management and treatment by van Halm with regard to the ship Geldria belonging to van Bijland, they became bad friends with one another. 3. These are the sources from which such remarkable consequences have resulted that virtually a Reformation of all of Kormandel arises from it; this is the moving cause that brought the previous Ministry under suspicion with Your High Excellencies, and from this arose that violent shock of which the important station Iaggernaikpoeram has felt the consequence since the Autumn of 1789. Section 4. The investigation of these momentous events was recommended and assigned to the undersigned by Your High Excellencies by Your esteemed separate letters dated 11 May, 2 July, and 17 August of the past year, and these. Points relative thereto. This Memoir will therefore serve to render an honourable report to Your High Excellencies of my proceedings, findings, and Considerations regarding the points which constitute the investigation. According to the Retro Acta, by which I mean the Resolutions of the Kormandel Council of Policy from 10 December 1789 until 12 March 1790, the said Points mainly consist of the following three: 1. Of that which occurred here with the aforementioned merchant Willem Hendrik van Bijland before his departure for Iaggernackpoeram. 2. Concerning what occurred there since his arrival, the arrest of person and property, item his summons back hither, and provisional release from the Arrest. 3. Regarding separate matters added to the charge of the said van Bijland after his departure, which however are also included in the order issued on the said 12th of March to have them judicially prosecuted by the fiscal.
Dutch transcription
Voor 't overige zal ik; zoo omtrent deezen van Byland, als de hier voorwaards ver„ melde persoonen in geen herhalingen treeden. Ik heb alles na waarheijd ten papiere gesteld, en beijde partijen, daar zij schuldig geoor„ deelt wierden, schuldig gehouden, en daar zij gelijk hadden, in 't gelijk gesteld. Vreemd ingekomen, had ik geen betrekking tot iemand, dog 't is eevenwel sodanig beschouwt dat Haar Hoog Edelheedens de tweede Commis„ sie oordeelen niet met dat menagement inge„ rigt en behandelt te zijn als de eerste; Ia zelfs wardeeren zij het Iaggernaijk poerams Rapport van mijn Broeder voor niet meer als een spijtige wederlegging van 't eerste van de twee gecommitteerdens Aeshusius en schliephaken, schoon 'er na mijn be„ „grip dingen in zijn voorgekomen, die tot groote opheldering van de Confuse Zaaken dienen 23 dienen, en de oplettendheijd der Regeering, Heer wel waardig waaren. Dog wat baaten nieuwe ondersoeken bij een Tigtbare voor ingenomendheyd? het ware beter geweest dezelve als dan agter weege te laaten, want dan was alles in den ouden staat, en ik met mijn broeder bevrijd gebleeven van een op een„ hooping van zoo veel harde onaangenaamheeden die den laatsten hebben doen resolveeren zijn 4 demissie uijt zijn post te verzoeken, en mij ook tot dat besluijt zouden doen komen in„ dien ik door op een stapeling van tegenspoeden en de verlating van nu niets waardig gewor„ dene kostbare Bengaalsche vastigheeden, niet totaal geruineert was. Een omstandig„ heijd die ik verhoope dat meede doogen ver„ wekken zal bij uwel Edele Hoog Achtba„ rens voor een dienaar die nu veertig Iaa„ ren in haren dienst heeft doorgebracht zonder ooijt anders, als in laboreuse, en moeijelijke 4. Palleakatta moeijelyke posten geplaatst geweest te zijn. Laatstelyk neeme ik de vrijheijd deeze bij te voegen alle de papieren tot de gevallen van, en met van Bijland betrekkelyk wijl, met het Justitieel maaken der ge vallen, de bijzondere departementen te Ba„ tavia denkelijk niet zullen zijn gequalifi„ teert dezelve van daar over te zenden; off dat uwel Edele Hoog Achtbarens kennis van zaaken mogen hebben, en alzoo met grond tijdig mogen protegeeren en beschermen de geem die de eere heeft zig met de diefste eerbied te onderschrijven. — Wel Edele Hoog Achtbare Zeer wijd gebiedende Heeren! Herwel Edele Hoog Achtbarens den 10. November Trouwschuldige en heer ge Dienaar hoorsame In het fort Geldria Jacob Eelbracht. 1792 N 51 2 Copia 51. kleene zaaken zijn van groote gevolgen Memorie dienende tot verslag der Commissie den ondergetekenden gedemandeert, bij aparte brieven de da tis 11. Meij, 2. Julij, en 17. Augustus 1790. gedediceert Aan zijn Edelheit Den Hoog Edelen Groot Achtbaren Heer M:r Willem Arnold Alting, Gouverneur Generaal, Nevens De wel Edele Heeren Raaden van Nederlandsch India, En bekleed met zodanige Consideracien, als bij bevinding van zaaken applicabel zijn voorgekomen Hoog Edele wijd. Gebiedende Heeren! Dat kleene zaaken, doorgaans, groote ge„ „volgen hebben, is eene zoo wezenlijke waarheid, dat het geval, het welk ik in deeze ge. be„ schrijven L:B - 24 E voor en uijtwerkingen Last tot onderzoek schrijven, daar van de grotse lijk of levert 2. Om de wille van een verschil tusschen de Heeren Tadama, en van Bijland wegens den verkoop van een kleene quantiteit Peeper, geraaken zij in groote oneenigheijd om de directie en behandeling van van Halm, in opzicht van het schip Geldria be„ „hoorende van Bijlaend, worden zij met elkander quaade vrienden. 3. Dit zijn de bronnen, waar uijt zulke aan„ merkelyjke gevolgen geresulteert zijn dat daar uijt, een Reformatie genoegzaam van gansch kormandel voortspruijt; dit is de beweegende oorzaak dat het voorig Ministerim bij u Hoog Edelheeden in verdenken is ge„ „bracht, en hier uijt is ontstaan die heevige schok, waar van het important kantoor Iaggernaikpoeram zeedert het Najaer 1769; het gevool gehad heeft. § 4. Het onderzoek van deeze gewichtige gebeurtenissen is den ondergetekenden door u Hoog Edelheeden aanbevoolen en opgedra„ „gen bij Hoog derzelver geeerde apparte brieven in datos 11. Meij, 2. Iulij en 17. augustus des gepasseerden Iaars, en deeze. 25 15 pointen daar toe relatif deeze Memorie zal derhalven dienen om u Hoog Edelheeden, eerbiedig ver„ slag te doen van mijne verrichtingen, bevinding, en Consideracien, omtrent de pointen, welke het onderzoek ko„ „men uijttemaaken- Volgens de Retro Acta, waar door ik versta de Resolutien van de korman„ delsche Raed van Politie, Zeedert 10. De„ cember 1789. tot den 12. Maart 1790, bestaan de ged: Pointen hoofdzakelijk in de drie volgenden. 1. van het geen alhier met voormelde koop„ man willem Hendrik van Bijland is voorgevallen, voor zijn vertrek naar Iaggernackpoeram 2. Wegens het geexteerde aldaar, zeederd zijn aankomst, arresteering van per zoon en goed, item zijn weder herwaarts ontbod, en provisioneel ontslag uijt het Arrest 3. Aangaande afzonderlijke zaaken, tot laste van gem: van Bijland, na zijn vertrek er bij gevoegt, welke egter ook betrokken zijn tot de op den 12. e Maart voormeld gesteld ordre om die door den fiscaal Justitieel
English
difficulty of the matter to be made judicial, which however was neglected. Before I proceed to the discussion of one thing and another, I shall, with Your High Nobilities' favorable interpretation, provide not a historical account like Van Bijland, but a brief detail of my findings upon investigation into the cause of the arrest granted against him. Upon my arrival he was still at Iaggernaijkpoeram, and the papers received from there were so voluminous that, on account of more weighty occupations for the promotion of the Company's interest, it was impossible for me to read through and consider them all with such accuracy as was indeed required, or I would have had to abandon all other matters that could by no means suffer any delay, and concern myself with nothing else than purely studying and thinking upon this affair. Moreover, the papers up to that time were of little or no use, because therein I found described only from the one side how the chiefs Van Halmen and Van Someren had accounted for themselves. Van Bijland had refused to tell the commissioners anything in response to what they might ask him. On the contrary, he rejected that, and said he would await the disposition of Your High Nobilities or the Commissioners. Section 7. It then became, without any prescription, thus indefinite, and to the best of my knowledge, my duty to set my hands to work and consider what was incumbent upon me to do in order to fulfill my commission. In the first place, it occurred to me as the first and most necessary step to investigate the motive of the arrest granted on Van Bijland's person and property; whether that was decreed politically or judicially, and by whom, likewise whether the matter was legally secured before the court of justice, or still political, in either case with the exhibition of the political resolution, or the disposition of the Judge; in order that, after I had seen and considered that, I might deliberate upon the means that ought to be employed to comply with Your High Nobilities' respected order. I made this known to the assembly on 29 September 1790. It was then declared that the arrest had been decreed and executed by virtue of the separate resolution dated 12 March 1790. They placed in my hands the separate resolution book, as well as the voluminous bundles of papers from Iaggernaijkpoeram. I confined myself to the said Resolutions, and the Instruction granted to the commissioners there, the Bimilipatnam chief Philip Hendrik Neshusius, and the Palikol secunde Sebastiaan Matthias Schliephaken, dated 27 February prior, as containing the facts upon which that commission was decreed. From this it appeared that the matters, one more and another less, could be said to be of such a nature that everything ought to have been made judicial immediately, and especially when it came to that point, or it was deemed necessary to place Van Bijland and his property under arrest. It also seems that on 12 March it was understood on the one hand in such a way, namely to order the Fiscal to perform his office and duty against Van Bijland and his servant, and yet the matter remained at Iaggernaijkpoeram, without any legal proceedings having been taken against Van Bijland. Concerning which informality regarding the arrest, and the failure to institute the affair judicially, I declared myself to the assembly on the 30th of the aforementioned month of September, as is demonstrated in the writing inserted into the Resolution of that date and sent to Your High Nobilities under 19 October, to which, for the sake of brevity, I take the liberty respectfully to refer. Section 8. Upon my further representation of the necessity to hear Van Bijland, and to mitigate somewhat the arrest, as criminal as it stood, without the admission of any sort of people, besides two slaves for his attendance, and to observe propriety somewhat more, if not to condemn it entirely, out of consideration of the consequences to be feared, as being consistent neither with the orders of the Honorable Company nor with the laws of the Land, according to which no one may be criminally apprehended or arrested except by the Judge for notable offenses, the same was changed merely into house arrest, and an order was granted to escort Van Bijland overland hither, under the supervision of some sepoys or peons placed over him, should there be no opportunity by sea. This order, and also to hand over to him all seized letters, books, papers, and in a word everything that had been seized, was sent to Iaggernaijkpoeram on 30 September last, and on the first of November, leaving behind his seized goods etc., he arrived here, and in one of the residences of the Company
Dutch transcription
4 moeijelijkheijd der zaak Iustitieel te laaten maaken, doch het welk verzuijmt is—. Eer ik overga tot de verhandeling van het een en ander, zal ik onder gunstig welduijden van U Hoog Edelheeden, niet gelijk van Bijland een Historisch verhaal, maar een kort ditail doen van mijne bevinding bij onder„ zoek na de oorzaak van het op hem verleend arrest. Bij mijn aankomst bevond hij zich noch te Iaggernaijkpoeram, en de van daar ontvangene papieren waaren zoo meenigvuldig dat, uijt hoofde van meerder gewichtige bezigheeden ter bevordering van 's Comp:s belang, het mij onmogelijk was die alle nateleezen en te overweegen met zulk een naukeurigheijd, als het wel vereijschte, of ik zou alle andere zaaken, die voor al geen uijtstel lijden konden, hebben moeten laaten vaeren, en mij met niet anders bemoeijen, dan enkel„ op deeze affaire te studeeren, en te den„ „ken. ook waaren de Papieren tot die tijd toe van weijnig of geen nut, om dat ik daar bij maar, van de eene zijde, be„ schreeven vond, hoedanig zich de opperhoof„ 6. „den : 26 naspooring van het molif van verleent arrest den van Halmen van Someren hadden verantwoord. - van Bijland had de ge„ committeerden geweijgert iets te zeggen op het geen zij hem mochten vraagen. In tegendeel hij verwierp dat, en zeijde dispositie van u Hoog Edelheeden ofte Commissarissen te zullen afwachten. § 7. Het wierd dan, zonder eenig voorschrift, het op van Bijland en het zijne dus onbepaalt, en na beste kennis, mijn plicht om handen aan het werk te slaan en te overweegen wat mij te doen stont om aan mijne Commissie te beantwoor„ den. In de eerste plaats quam mij als het eerste; en noodzakelijkst voor, te onderzoeken het motief van het verleende Arrest op van Bijlands persoon en goe„ deren; of dat politicq of Iustitieele was gedecerneert, en door wie, item of de zaak bij de Iustitie bankvast gemaakt, ofte noch politiek was, in een of ander geval met exhibitie van het besluijt van politie, ofte het dispositie des Rechters; om, na dat ik dat gezien en overwogen zoude hebben, te overleggen de midde„ „len die in het werk dienden gesteld te . bevinding en verklaarde in formaliteit van dien te worden om aan u. Hoog Edelheeden gerespecteerde ordre te voldoen. I maak„ „te dit op den 29. September. 1790. de ver„ „gadering bekent. Men verklaarde toen dat het arrest was gedecerneert, en ge„ excuteert uijt krachte van het apart besluijt de dato 12. Maart 1790. Men stelde mij het aparte resolutie boek in handen, als meede de volumeneuse bondels met papieren van Iaggernaijk„ „poeram. Ik bepaalde mij aan gem: Re„ „solutien, en de op de gecommitteerden aldaar, het bimilipatnamsch opperhoofd Philip Hendrik Neshusius, en Palikolsch secunde Sebastiaan Matthias Schliep„ „haken, verleende Instructie de dato 27. februarij bevoorens, als bevattende de fac„ „tums waar op die commissie is gedecer„ „neert. uijt deeze bleek het, dat de zaa„ „ken de eene meer, en de andere minder, gezegt konnen worden van dien aaat te zijn, dat men onmiddelijk alles Iustitieel had behooren te maaken, en voor al toen men daar toe quam, of nodig oordeelde van Bijland en het : verzogt het zijne in arrest te neemen. ook schijnt„ men het den 12. Maart aan de eene kant zodanig te hebben begreepen, met name„ „lijk den Fiscaal te gelasten om tegen van Bijland en zijn dienaar, zijn ampt en verlicht te betrachten, en egter is de zaak te Iaggernaijkpoeram verbleeven, zonder dat'er in Rechten tegen van Bijland is geageert geworden. Over welke informaliteit aangaande het Arrest, en het niet Iustitieel aanleggen der affaire, ik mij op den 30. ' der. voorm: maand september aan de vergadering hebbe verklaart, zoo als het, bij Resolutie van dien datum geinsereert, en u Hoog Edelheeden sub 19. ' october toe„ gezonden geschrift, komt aantewijzen, waar aan ik, ter bekorting van zaaken de vrijheijd neeme mij eerbiedig te ge„ draagen. Hel crimineele van het arrest § 8. Oo mijn verdere vertooning van nood zakelijkheijd om van Bijland te hooren, en om het arrest zoo Crimineel als het„ stond, zonder toelaating van eenigerlij soort van menschen, buijten twee slaaven ter en aak„ 27 derweegen, en dies gevolg ter zijner oppassing, eeniger maate te verzachten, en het welvoegelijke wat meer. in acht te neemen, zoo niet het zelve ten eenemaal aftekeuren, uijt overweeging der te duchtene gevolgen, als niet overeekomstig, zoo min met de ordres van d'E: Comp:e, als de wetten van den Lande, volgens welke niemant, dan door den Rechter, om notabele de„ „licten, crimineel geapprehendeert of gearresteerd mag worden, is het zelve verandert, enkel in huijs arrest, en ordre verleent om van hijland, zoo er geen gelegenheijd mogt zijn ter zee, onder toezicht van eenige over hem gestelde sipaijs ofte Pions, over land her„ ordre naar Iaggernaijkpoeram waards te escorteeren, deeze ordre, en om tevens aan hem te extradeeren alle gearresteerde brieven, boeken, papieren, en in een woord alles wat gearresteert was geworden, is den 30. ' 7ber. a. o p:o naar Jaggernaijkpoeram gezonden, en hij is op primo November, met agterlaating van zijne gearresteerde goederen ensz:, alhier gearriveert, en in een der wooningen van C: 6
English
Complaint about the arrest lodgings given in the Fort, under the supervision of a sentry. 19. It would lead to an overly detailed digression if I were to lapse here into the terms of complaints by van Bijland regarding the alleged harsh treatment, and especially the arrest of his person and property without any crime having been made known to him in that regard, of which he remains ignorant to this day. Hearing him and inspecting his writings, the whole of Coromandel seems to have been neglected and managed in an utterly irresponsible manner. Having stood up for that, he says, and having received a prison as his reward, goes beyond all bounds of justice. My counter-representation was that matters as they stood could not be redressed with mere exclamations; that Your High Nobles desired proofs of the multitude of his accusations; and that the reason for the arrest would become evident to him from the documents that I would have prepared and delivered to him, unless he must already be convinced that his offenses Continuation His request for release and judgment on the arrest against the administration, his withdrawal of obedience from lawful authority, and the insulting terms appearing in his various letters had subjected him to the aforementioned treatment. This restrained him from proceeding further and led him to declare his confidence in my impartiality in the investigation that had been entrusted to me, even though it pained him to have to remain under arrest until Your High Nobles should be enabled to judge the nature and merits of the arrest, since I could not take it upon myself to annul or alter it; leaving him nonetheless at liberty to present to me by Request such petitions as he deemed appropriate. Paragraph 10. On 3 November last, a Request was delivered to me on his behalf containing a fourfold petition: the first, for release from arrest under the undertaking and obligation always to appear when summoned and to answer for matters or accusations charged against the person against whom they were brought; the second, for restitution of all his papers taken in an illegal manner, in such form that he could be assured that no one had viewed or inspected them, much less concealed any of them, or, should such be found, to reserve his right of action against so unlawful and liberty-infringing a course of action; the third, for assistance from someone in committing to writing the matters that had to be put on paper, specifically the First Clerk Obdam, for reasons stated in the Request; and the fourth part, to be permitted for the time being to retain here two of the Peons who had come hither with him, in order to bear witness to the truth. The Request, although addressed solely to me, I communicated to the meeting on 9 November, and on that day I declared myself in greater detail on the matters in question and demonstrated that, by reason of what had previously happened Continuation namely in September and October, and especially the proceedings by separate resolution of 10 December 1789, minds had been too strongly prejudiced against the said van Bijland to regard his representations, statements, or manner of writing otherwise than in the worst light; and not enough reflection was given to what above all should have been taken into consideration, namely: that he himself had been entrusted with the chief station of Jaggernaikpoeram, and consequently more consideration should have been given to the intention of his representations than to the meaning drawn from them to his detriment. At least until 17 February, there was no reason to be so partisan and animated against van Bijland in the accounting of the office as was the case on that day: rejecting his accusations and interdicting him from concerning himself directly or indirectly any further with the Company's affairs or the accounting of the office until further orders. For Explanation and decision on his request although on the 27th thereafter it was resolved to appoint the commission set down by separate resolution of that date, the consequence of the first decision, as soon as it became known in Jaggernaikpoeram, had an effect that caused matters to go from bad to worse. Van Bijland, who upon receipt of the tidings of 17 February could not foresee what the meeting would decide ten days later regarding a commission proposed by himself, whilst without any answer thereto he was forbidden to concern himself further with the Company's affairs—or what amounts to the same, with the performance of his duty in taking over the office—or to occupy himself therewith until further orders, fell into the greatest distress over this. He lapsed into excess. He protested against the aforementioned resolution of 17 February, and added in a private letter to Mr. Tadama that from that moment on he could withdraw from all obedience and respect that he would otherwise owe a governor. Paragraph 11. Although for the administration this left no other way
Dutch transcription
beklag over het arrest van het Fort, onder toezicht van een schild„ „wacht, logies gegeeven-. 19. Het zou een te omstandige uijtweiding maaken, indien ik hier verviel in die termen van klagten door van Bijland over de gepretendeerde harde behandelingen en inzonderheijd, het arresteeren van zijn persoonen goed zonder dat hem derwegen eenige caimen is bekent gemaakt, welke hij tot nu toe ignoreert. Htem hoorende, en zijne geschriften inziende, schijnt gansch kormandel. verwaarloost, en ten uijtteasten onverantwoordelijk bestiert te zijn. daar voor te zijn opgekomen, zegt hij, een gevangenis tot Loon verkreegen te hebben, gaat alle paalen van gerechtigheit te buijten Mijne vertooning daar tegen dat de zaaken zoo als ze stonden met geene exclamatien waaren te redresseeren, dat u Hoog Edel„ „heeden bewijzen van de meenigte zijner beschuldigingen begeerden, en dat de reeden van het arrest hem zou blijken uijt de stukken, die ik zou laaten gereed maaken, en aan hem afgeeven, indien hij buijten des, niet overluijgt moest zijn dat zijne vergrijppingen 3 28 vervolg zijn verzoek om ontslag en be„ oordeeling van het arrest vergrijpingen tegen het ministerium, zijne ontrekking van gehoorzaamheijd aan het wettig gezach, en de beleedigende ter men in zijne onderscheijdene brieven voorkomende hem aan de voorsz: behandelingen hadden subject gemaakt, wederheild hem van verder te gaan, en te betuijgen van vertrouwen te stellen op mijne onpartijdigheijd in het onderzoek dat mij was aanbevoolen, schoon het hem trof gearresteert te moeten blij„ „ven tot dat u Hoog Edelheeden in staat zouden zijn gesteld om over den aart en merites van het arrest te konnen oordeelen, wijl ik niet op mij konn neemen dat te vernietigen of te veranderen; hem nogtans vrijheijd laatende om zodanige verzoeken, als hij vermeende te moeten doen, bij Request aan mij voor te dragen. § 10. Op den 3. November. I:o leeden werd mij zijnent wegen overhandigt een Request inhoudende een vierleedig verzoek; Het eerste om ontslag uijt het arrest onder aanneeming, en verbant van althoos, wan„ „neer gerequireert word te zullen ver„ schijnen, en verantwoordende zaaken of 5 of accusatien tot lasten van den geen, te„ „gen wien ze zijn uijtgebracht; het twee„ „de om restitutie van alle zijne, op een ellegale wijze ontnomene papieren, in die form, dat hij verzekert kon zijn, dat niemant daar van visio gehad, of ge„ „nomen, veel min eenige derzelve verduijs„ „tert had, of om bij bevinding van dien zich tegen eene zoo onwettig, als de vrijheijd schendende handelwijze zijne actie te konnen reserveeren; het deade om assistencie van iemand in het beschrijven der zaaken die ten papieren gebracht moesten worden en wel voornamelijk den Eersten klerk obdam, om reeden als bij het Request, en het vierde lid om voor eerst alhier te ma„ „gen aanhouden twee van de met hem„ herwaards gekomen Pions, om getuijge„ nis der waarheijd te konnen geeven. Het Request, schoon alleen aan mij gericht, hebbe ik den 9. November ter vergadering gecommuniceert, en mij ten dien dage, of de zaaken in questi„ omstandiger gedeclareert, en gedemon„ streert dat, uijt hoofde van het te vooren gebeurde zij zijne nde n der oon vervolg tans quest mij 29 vervolg gebeurd te weeten in september en october, en inzonderheijd de verhandeling bij apart besluijt van 10. December. 1789. , de gemoederen tegen gem: van Bijland, te sterk waaren ingenoomen, om zijne voordrachten, ver„ tooninge, ofte wijze van schrijven anders, als van de ergste kant, te beschouwen; en niet genoeg te reflecteeren op het geen voor al in aanmerking had behooren te komen, namelijk: dat men zelf, hem de opperhoofdij van Iaggernaik poeram hadde opgedragen, en gevolgelijk meer reflexie behooren te slaan op de meening van zijne voordrachten, als de daar uijt, tot zijn nadeel getrokken betee„ „kenis van dezelve Men had althans tot 17. februarij toe, geen reeden om in de verantwoording van het kantoor tegen van Bijland zoo par tijdig, en geanimeert te zijn, als te dien dage het geval geweest is: verwerpende zijne accusatien, en in„ terdiceerende hem van zich direct, of in„ direct meer met Compagnies zaaken of de verantwoording van het kantoor te bemoeijen tot nader aanschrijven - want Schoon verklaa zijn tig 30 verklaaring en dispositie op zijn request schoon men den 27. daar aan besloot tot het vast stellen der commissie bij aparte resolutie van dien datum ter neder gesteld, het gevolg van het eerste besluijt had, zoo daar het te Iaggernaijkpoeram bekend wierd, een uijtwerking die de zaaken van quaad tot erger deeden overslaan van Bijland, die op ontvangst der tijding van 17. februarij, niet kon voorzien, wat de vergadering tien dagen laten zou besluijten, aangaande eene, door hem zelf, voorgeslagen commissie, terwijl, zonder eenig antwoord daar op, hem verboden word zig verder met Comp:s zaaken, of dat het zelve is met de betrachting van zijn pligt in het over„ neemen van het kantoor, meer te bemoeijen of beezig te houden tot nader aan schrijven, vervalt daar over in de uijterste moeijelijk„ „heijd. Hij slaat over het uijtspoorigheijt. Hij protesteert tegen het voorsz: besluijt van 17. februarij, en voegt 'en in een particuliere brief aan den heer Tadama bij, van dat oogenblik af, zig te konnen onttrekken alle gehoorzaamheijd en respect, die hij an„ „ders een gouverneur verschuldigt is —. § 11. Hoewel nu dit voor de politie geen anderen weg.
English
continuation left any course open other than, deeming van Bijland actionable, to place him into the fiscal's hands and to leave the matters in dispute to the decision of the Court through a judicial investigation and ordinary process; yet it was principally that which is stated above, and some other points brought against him in the resolution of 12 March 1790 and my aforementioned declaration, that were the cause of the informal decision, in my opinion, to arrest his person and property; partly because that which constitutes the question here, his conception concerning the handover of the office, belongs to the Company's service and not to private or personal matters; partly because the prohibition against interfering any further with the affairs of the office until further orders cannot be reconciled with that which was pertinent to the matter, and consequently not with that which had previously been demanded of him, and deferred to him in his capacity as chief; and thirdly because, however much it may be contrary to that which a subordinate owes to a superior, the feeling of injustice affects one person more strongly than another; and 31 and van Bijland, having lapsed into expressions and insults that a more composed mind would have spared, did indeed make himself guilty of slander and liability, as said in law, but that the Political Council was not competent to judge him as a disturber of the public peace, an instigator of rebellion, a violator of laws and oaths, and on the presumption thereof to place him under such an inhumane arrest as the aforementioned separate resolution of 12 March, and my reflections made thereafter, inserted with the separate decision of 9 November 1790, do demonstrate. In short, that based upon these reflections of mine, I found no difficulty in provisionally releasing him from arrest under a solemn promise and further restriction pending the further disposition of Your High Excellencies, and to dispose concerning his further petitions as is found set down in my repeatedly mentioned writing and note with the resolution of 9 November, to which I otherwise request leave to refer myself. continuation the next day handing over of the documents to justify himself. The day after this release, or 10 November, Paragraph 12. I handed over to him those documents upon which he had to explain and justify himself, in so far as they are listed on a separate note made thereof; thus with the exception of those which were separately collected by my order and bound together in one volume for the defense of the former Jaggernaijkpoeram chiefs van Halm and van Someren, likewise those which, in compliance with what was required under the arrest of 29 October, were to be expected from the fiscal office, with a report concerning the action demanded of him under the aforementioned 12 March against van Bijland and his servant Wengadassalam Poele, and how the state of affairs appeared to him, the fiscal; with notice given to him, van Bijland, that as soon as the report from the Jaggernaijkpoeram Commission, already demanded for the second time, should be received, I would also furnish him with a copy thereof, so that, if he should see fit, he might submit his interests thereon, 32 Paragraph 13. Disposition on expenses incurred in the commission at Jaggernaijkpoeram. and examine which documents from the Jaggernaijkpoeram bundle he would desire to inspect or have copies of for that purpose, all of which would then be provided to him, as was also done with the report alone received under 28 November, and the report submitted to the meeting by the fiscal on 10 December 1790, with the delivery, upon receipt, of the annexes related thereto, since the voluminous other clerical work and the shortness of time did not permit having all of them transcribed for van Bijland. Concerning a memorandum, received alongside the aforementioned Jaggernaijkpoeram report, of expenses incurred in that commission amounting to the sum of Pagodas 872. 21. 1/4., it was disposed and resolved at the aforementioned meeting of 10 December to pass the same subject to Your High Excellencies' honored approval, likewise to have all the same charged hither to be placed upon an account of expenses in the Jaggernaijkpoeram Commission to be opened in the Palliacat journal, and after the decision of matters The fiscal office has neglected its duty. to be reimbursed by the one whom Your High Excellencies shall find ought to bear the same, as it cannot be demanded that the Company bear the burden of such excesses and irregularities as have given rise to the said Commission. Paragraph 14. To come to the matter itself, with regard to the report submitted by the fiscal explaining why the matters were not established legally before the court, I respectfully request leave to refer myself to the writing submitted on the aforementioned 10 December, or the remarks contained therein, in order to demonstrate that, in my opinion, the fiscal has made himself guilty of neglect of duty to the highest degree, and the accounting for which has been left deferred to Your High Excellencies, since doing so was too late and, moreover, for more than one reason impracticable to allow to proceed therewith, and especially because the investigation could not well take place in a two-fold manner, namely political and judicial. I
Dutch transcription
vervolg weg open liet dan van Bijland, actionabel oordeelende, te doen stellen in fiscaals handen en de zaaken in verschil, door een Justicieel onderzoek en ordinaia proces, te laaten aan de decisie van den Rechten, zoo was egter hoofd- zaakelijk het geen voorsz: staat, en eenige an„ „dere bij resolutie van 12. Maart 1790. en voorm: mijn declaratoir aangehaalde pointen ten zijnen laste, oor zaak van het na mijn gedagten infor„ „meel besluijt tot arrest van zijn persoon en goederen; eensdeels om dat het geen hier de questi uijtmaakt, zijn begrip wegens de over„ „gave van het kantoor, behoort tot Comp:s diens en niet tot het particuliere ofte personeele ten anderen om dat het verbot om zich met de zaaken van het kantoor niet meer te be„ „moeijen, tot nader aanschrijven, niet is over een te brengen met het geen ter materie diende, en gevolgelyk ook niet met het geen te vooren hem was gedemandeert in de hoedanigheijd van opperhooft, gedefereert, en ten derde om dat, hoe zeer ook strijdig met het geen de mindere den meerderen verschuldigt is, het gevoel van verongelijking bij den een sterker werkt, als bij den anderen en 31 en van Bijland, vervallen in uijtdrukkingen en beleedigingen, die een meer belaart gemoet zou hebben gemenageert, zig wel heeft schuldig gemaakt aan injurie en verantwoording, als gezegt in rechten, maar dat de Raad van Politie niet is bevoegt geweest, hem te be„ „oordeelen als een verstoorder der gemeene Rust, een oproermaker, wet en Eedschender, en of verbeelding van dien te doen stellen in een zoo onmenschelijk arrest, als de voor 13: aparte resolutie van 12. Maart, en mijne daar na gemaakte consideracien, geinsereert bij apart besluijt van 9. Novem„ „ber 1790. komen uijt te wijzen. In het kort dat ik; op fundament van deeze mijne bedenkingen geen zwaarigheit heb gevonden hem, onder hand-tasting en verdere restrictie tot nadere dispositie van u Hoog Edelheeden provisioneel uijt het arrest te ontslaan, en nopens zijne verdere instantien zodanig te disponeeren, als bij meermelde mijn ge„ schrift en annotatie bij Resolutie van g' No„ „vember word ter neder gestelt gevonden, waar aan ik overigens verzoeke mij te mogen ge„ dragen-. 'sdaags vervolg n anderen ter hand stelling van de stukken om zig te verantwoorden. sdaags na deeze largatie ofte den 10. No„ § 12. vember, overhandigde ik hem die stukken, waar of hij zich moest verklaaren en ver„ „antwoorden, in zoo verre als ze genoteert staan of eene apart daar van gemaakte Notisie, dus met uijtzondering van zodanige als ter verdeediging van de Iaggernaijk pere„ ramsche geweeze opperhoofden van Halm en van someren, ter mijner ordre, apaat gecolligeert, en in een bant te samen gebragt zijn, item die welke in voldoening aan het gerequireerde bij arrest van den 29. october te verwagten waaren van het officie fiscaal, met een bericht aangaande de hem sub 12. Maart voormelt gedemandeerde actie tegen van Bijland, en zijn dienaar wengadassalam Poele, en hoedanig den staat van zaaken zich aan hem fiscaal quame op te doen; onder aankundiging aan hem van Bijland, dat zoo dra het bereets ten tweede maal gevordert Rapport van de Jaggernaijkpoeramsche Commissie zoude ontvangen zijn, ik hem daar van meede Copij zoude bezorgen, om daar op, des te raade wordende zijne belangen in te brengen, en mis 32 1 13. dispositie op ongelden in de com„ missie gevallen te sagger nayktm en na te gaan welke stukken hij ten dien fine uijt de Iagger naijkpoeramsche bondel. zoude begeeren in te zien, of in copij te hebben, welke hem dan allen zouden worden bezorgt, gelijk ook geschiet is met het sub 28. November ontvangen Rapport alleen, en het bericht, dat door den fiscaal op den 10. December 1790. ter vergadering is ingedient, onder afga „ve op quitantie van de daar toe relative bijlaagen, vermits het menigvuldig ander schrijfwerk, en de kootheijd des tijds niet toe„ „liet, die allen voor van Bijland te laaten afschrijven. over een nevens gem: Iaggernaijkpoe„ ramsch rapport ontvangene. Memorie van gevallene ongelden in die Commissie ten be„ „dragen van Pag: 872. 21. ¼. , is ter opgemelde. vergadering van den 10. december gedispo„ „neert, en geresolveert om dezelve te passeeren op u Hoog Edelheeden geëerde approbatie, item om alle dezelve herwaarts te laaten aanreekenen om gestelt te worden op eene bij het Palliacatsch Iournaal te formeerene Reekening van ongelden in de Iaggernaijk„ poeramsche Commissie, en na decisie van Zaaken en, Het off Fiscaal heeft zijn plicht ver zuijmt zaaken vergoed te worden door den geen, die U Hoog Edelheeden bevinden zullen dezelve te moeten dragen, als niet te ver„ „gen zijnde dat de Compagnie den last heeft van zulke excessen, en inregularitei„ „ten als tot ged: Commissie aanleiding hebben gegeeven —. §14. Om ter zaake zelve te komen, verzoek ik, met opzigt tot het, door den fiscaal inge„ „diende bericht waarom de zaaken bij de Iustitie niet zijn bankvast gemaakt, mij in eerbied te mogen gedragen aan het op den 10. December voormelt overgelegt geschrift, ofte de aanmerkingen daar bij vervat, ten eijnde te betoogen, dat de fiscaal na mijn gedachten zig ten hoogsten aan pligt verzuijm heeft schuldig gemaakt en waar van de verantwoording aan u Hoog Edelheeden is gedefereert gelaaten, nade„ maal het doen te laat, en buijten des, om meer dan eene reeden, in practicabel was daar meede te laaten voortgaan, en inzon„ derheijd om dat het onderzoek niet wel op tweederlij wijze, politiek en Justicieel namelijk, konde plaats vinden-. Ik _
English
Arrangement of the points that must be described. 1st Point: 15. I shall then further describe herein this distressing matter, which appeared to me exceedingly difficult, in so far as it has now concluded with my investigation and been brought into order, and report thereof to Your High Nobilities with such resolution as Your High Nobilities have been pleased to require of me. And accordingly, after the treatment of the substance from the documents delivered to me by van Bijland, I shall let follow my conscientious considerations on each point, so far as necessary. The first point, as set down above, regards what occurred with van Bijland before his departure for Iaggernaijkpoeram as provisional chief in December 1789. The matters relating thereto are found described in the separate letter sent from here under date of 10 February 1790, from paragraph 3 to 18. Some are related to what is cited in paragraphs 12, 16, 25, 26, 28, 98, 99, item from 110 to 119 of the esteemed general Rescription of Your High Nobilities under date of 27 April 1790. Inspection of the Hospital However, in order not to fall into confusion, and to present to Your High Nobilities the essentials with all possible brevity and clarity, I believe it best to follow the addresses of van Bijland, and where necessary to add to what matter the case he describes relates. Paragraph 16: In the first address, the 2nd sheet, page 3, is contained his defense regarding the inspection of the Hospital, occurring in the 8th paragraph of the above-cited separate Coromandel letter sent. Namely, upon his proposed objection, it had been decided to go and inspect the Hospital as a body. This was carried out, and a report was made to the gentleman in authority, who had excused himself, the day after the inspection, when van Bijland had departed on commission to Madras. The findings and the report of the Commission are recorded in the general Resolution of 13 October 1789. Van Bijland, considering himself to have been at the head of the Commission, Meppen's defense says, contrary to what is recorded in the said Resolution, that he found the house itself to be a reasonably good house of 5 to 6 pagodas a month, and not for 12, which are entered for it; that, far from finding a pharmacy, spices, or anything that should serve for the refreshment of the invalids, nothing of all that had appeared. He adds complaints of people who were not well treated in the curing of their ailments, and finally considers that the chief surgeon Meppen should be regarded as an incompetent man. 17. Concerning both these matters, and to learn how the case stands with the 12 pagodas paid monthly to the said chief surgeon for rent for the Hospital, I demanded of him a written defense under delivery of an extract. That document, handed to me on the 6th of this month, I have the honor to enclose herewith in original, showing that the house or the Hospital actually costs no more in rent than 8 pagodas a month, and that the remaining 4 serve instead of house rent for him, Findings concerning the hospital upon personal inspection Paragraph 19. Explanation on the accusation regarding this chaplain him Meppen. Paragraph 18. I went to inspect the house itself, and the rent of 8 pagodas is, in my judgment, not too much, especially when the already begun new sick ward will be completed, with a length of 48, a height of 9 1/4, and a breadth of 22 feet below the roof, which is still lacking, along with the necessary doors and windows, the walls being already erected. In that ward 30 to 35 invalids will be able to find comfort, and with the remaining rooms where the sick are now accommodated, according to the nature and size of the building, it becomes a very good Hospital, for which one cannot always find one to one's liking; and here in Palliacatte I would not know how to point out any other that, due to the location as well as otherwise, would be as well suited for a hospital as this. The first part of van Bijland's remark, that the house, as he saw it, comes somewhat high in rent, is true: but that everything is lacking there and the sick are not well treated, and of two other cases as it allegedly was, appears differently from the aforesaid resolution. The accusation of Meppen's incompetence is not proven, and so far as I have been able to ascertain, he generally does not have a bad reputation. He who accuses must prove. The appeal to witnesses without producing their statements is of no relevance to the matter. Also Meppen's defense itself will sufficiently show Your High Nobilities from what cause this accusation originated. Paragraph 20. On the 3rd sheet of the aforesaid first Address, page 1, van Bijland defends his note to the Coromandel Resolution with regard to the election of the secretary of Police as presiding member on the Court of Justice, of which mention is made in the 120th paragraph of Your High Nobilities' rescription under date of 27 April 1790. Furthermore, on the same sheet, the same page, touching upon what was received by the minister van de Werth and the Toll-bookkeepership, nothing appears to me therein that requires comment here. On
Dutch transcription
33 schikking der pointen die beschree„ ven moeten worden. 1. Poent: 15. Ik zal dan dit verdrietig, en mij ten uijtersten moeijelijk voorgekomen geval, in zoo verre het nu met mijn onderzoek is afgeloopen, en in staat gebragt, in deezen verder beschrijven, en u. Hoog Edelhee„ „den met die cordaetheid daar van verslag doen, als Hoog dezelve van mij hebben gelieven te vorderen, en over zulks, na de verhandeling van het zaakelijke uijt de door van Bijland mij ter hant gestelde stukken, mijne gemoedelijke Con„ sideracien of ieder point, zoo verre nodig„ laaten volgen.. Het eerste poinct, zoo als voorwaards is ter neder gestelt, ziet op het geen met van Bijland is voorgevallen, o voor zijn vertrek naar Iaggernaijkpoeram als poo„ visioneele opperhoofd in december 1789. de gevallen welke daar toe relatif zijn, vind men beschreeven bij de van hier afgegaane apparte brief de dato 10. februarij 1790. van par: 3. tot 18: Sommigen zijn betrek„ „kelijk tot het geen aangehald is bij de 12. 16. 25. 26. 28. 98. 99. , item van de 110. tot 119. pan: der geeerde gemeene Rescriptie van u visitatie van het Hoppihaal u. Hoog Edelheeden de dato 27. April 1790. dan om in geen confusie te ver„ vallen, en u Hoog Edelheeden, met alle mogelijke kort en klaarheit, het nood za„ kelijke voor oogen te stellen, geloove ik best te zijn, de addressen van van Bijland te volgen, en daar het nodig is 'er bij te voegen op welke zaak, het geval, dat hij beschrijft, zijn betrekking heeft —. § 16: Bij het eerste Nolaes het 2. vel. Pag: 3. is vervat zijne verdeediging ten aanzien van de visitatie van het Hospitaal, voorko„ „mende bij den 8. par: van de boven geciteerde aparte kormandelsche afgegaane brief. Men had, namelijk op zijne voorgestelde bezwaarnis beslooten, Collegialiter het Hos„ „pitaal te gaan visiteeren, men voert dat uijt„ en doet aan den heer gezachebber, die zich had„ „de geexcuseert, Rapport, daags na den opneem„ wanneer van Bijland in commissie naar Madaas was vertrokken. de bevinding en het Rapport van de Commissie staat aange„ teekend bij gemeene Resolutie van den 13.' october 1789. Van Bijland reekenende zig te zijn geweest aan het hoofd van de Commissie 34 Mappens verantwoording Commissie, zegt in tegendeel van het geen bij ged: Resolutie is aangetekend, dat hij het huijs op zig zelve een reedelijk goed Hluijs van 5. â 6. pagooden 'smaands, en niet voor 12. , die daar voor worden opgebracht, bevonden had, dat wel verre van daar een Apoteek te vinden specerijen of iets dat tot lavenis van impo„ „tenten moet dienen, er van dat alles niets was voorgekomen. Hij voegt er klachten bij van lieden die bij de geneezing haarer quaalen niet wel behandelt waaren, en vermeent eindelijk de opperchirurgijn Meppen te moeten houden voor een onkundig Man - 117. van dit een en ander, en om te ervaaren hoedanig het met de maandelijks aan gemelde opperchirurgijn betaalt wordende 12. pagoden aan huur voor het Hospitaal gelegen is, hebbe ik onder afgave van Extract, hem eene schriftelijke verantwoording afgevordert. dat geschrift, op den 6. ' deezer aan mij over„ handigt, heb ik de eere in originali, hier bij te voegen, aantoonende dat het huijs ofte het Hospitaal eigenlijk niet meer aan huur doet als 8. pagooden 's maands, en dat de overi„ „ge 4. dienen in steede van huijshuur voor hem bevinding van het hospitaal bij eijge in spectie §19. verklaaring op de beschuldiging ten aanzien van dit Chapeler hem Meppen-. §18. Het huijs zelve ben ik gaan bezigtigen, en de huur van 8. pagooden is, na mijn oordeel niet te veel, voor al wanneer voltooit raakt de reets begonne nieuwe zieken zaal ter lengte van. 48, hoogte van 9¼. en breedte van 22. voet beneeden het dak dat 'er nog aan mancqueert met de nodige de deuren en vensters, als zijnde ^ muuren be¬ „reets opgetrokken. In die zaal zullen 30. á 35. impotenten gemak konnen vinden en met de overige vertrekken daar de Zie„ „ken nu logeeren, word het zelve na man en van te van het gebou een zeer goed Hospitaal waar toe men na zijn zin althoos geen kan vinden; en ik hier te Palliacatte „ te geen ander zou weeten te aanwijzen, dat wegens de stand als anderzints zich daar toe, zoo wel, als dit, tot een zieken huijs„ schikken zouden. Het eerste Lid van van Bijlands aan merking dat het huijs, zoo als hij het gezien heeft wat hoog in huur komt, is waar: maar dat het 'er aan alles manc „queeren, ende zieken niet wel behandelt zijn texta 35 en van twee andere gevallen als in zijn zoude, blijkt anders bij de voorsz: resolutie. De beschuldiging van Mep„ pens onkunde, is met beweesen, en voor zo verre ik heb konnen nagaan, heeft hij in het algemeene geen quaade naam. die beschuldigt moet bewijzen. Het beroepen op getuijgen zonder haar verklaaringen te produceeren, doet niets ter zaaken. ook zal Mesens verdeediging zelve u Hoog Edelheeden genoeg doen zien uijt wat oorzaak deeze betigting zijn oorsprong heeft-. §. 20. Bij het 3. vel van het voorsz: eerste Adres pag: 1. verdeedigt van Bijland zijne aanteekening bij de kormandelsche Re„ „solutie, met betrekking tot het eligeeren van den secretaris van Politie, als voorzettend lid bij de Raad van Iustitie, waar van men„ „tie word gemaakt bij den 120. pan: van u. Hoog Edelheedens rescriptie de dato 27. april 1790. Voorts, bij het zelve vel dezelve pagina, het genotene door den predikant van de werth, en het Tol boekhouderschap aanroe„ „rende, komt mij daar niets in voor, dat aan„ merking bij deeze vereischt. Bij texta
English
Assessment of that opinion Abolition of the Palliacat price increase remain the same, unless they do not meet the length or width, in which case, upon discovery thereof, they would be declared forfeited by the schout or cotwal. 126. I am willing to believe with Van Bijland that the price increases granted mainly since 1788 were not precisely the result of a general necessity; yet this is still no proof of greed, but rather that they were granted out of reliance on the truth of the repeated complaints made in that regard, and consequently out of a lack of complete information; for one must be very well informed of all particulars of the trade in order to refute variations when they occur and to clear them out of the way. And if Van Bijland was aware of the immutability of the price since 1784, why then did he still insist on a change and increase in 1785 and 1788? At Palliacatta I succeeded, by standing my ground, in abolishing the increase. That in the north is to follow I attribute this, however, more to firmness than to knowledge and conviction that the increases had formerly been unlawful; having pushed this through by frankly presenting to the merchants that they had no right, upon the price increase of a single assortment, to insist directly on a general increase in price, because the profit on other assortments compensated them enough for the loss on some, so much so that I believed I had reason, upon any favorable change in the circumstances of the times, to be allowed to insist on a general reduction of price, in order to make this trade bearable and encouraging for the Company. It is also because of my serious and steadfast intentions that in the north a general abolition of the increase, at least at Bimilippatnam and Palicol, has come to pass, flattering myself that Jaggernaijkpoeram will likely follow, especially when the still agitated minds of the merchants, through prudence The previously agreed upon was actually paid and tact, have calmed down, and affairs there can be brought into a proper center. I think that the particulars employed thereto will fit better in the general letter than here, and therefore, regarding this odious case, the suspected price increase, and that which concerns the Sadras samples, I shall, with the kind permission of Your High Nobilities, refer to the defense already made in the previous year by Mr. Tadama regarding this matter, likewise concerning the proofs of payment and reasons given for the necessity thereof, up to that which is to be dealt with more extensively in the general letter, at which time it will also become apparent in what light the proximate cause of this suspicion is regarded, and to what extent reliance may be placed on what Mr. Van Bijland now presents as such great tokens of knowledge, in comparison to that which he possessed when he was himself head at Sadras and a member of the Coromandel council, Van Bijland judges that merchandise is more advantageous to merchants than cash Paragraph 27. council: seeming, by insisting so strongly on examining the correspondence with the present Sadraspatnam head, Mr. Simons (the 3rd sheet, page 4), to intend nothing other than that an effective reason of necessity for a price increase existed for that office, in order to justify his own and at the same time to validate what he asserts: that if such a reason exists in the south, one should not draw a conclusion from that for the north. Of more note is his opinion appearing (see the 4th sheet of the first Address, page 1) that it is infinitely more advantageous for the suppliers to receive spices in discount on the delivery of piece goods than cash; whereas not only was the contrary demonstrated with admissible reasons by the former governor Mr. Tadama in his defense of the past year, but in the Company's papers it is everywhere asserted that the precarious condition in which all of Coromandel is plunged How he intends to prove that stems mainly from a defective supply of cash, and on the other hand the all too amply demanded acceptance of merchandise to and by the suppliers, who generally complain about the losses suffered thereby. Your High Nobilities having already received the aforesaid defense of Mr. Tadama last year, I shall therefore make no repetition from it here, but confine myself to what was stated by Van Bijland, and state my opinion on it to the best of my knowledge. He takes as a base two copies of warrants annexed to the Address, marked A and B; the one amounting to Pagodas 1406. 6. -, and the other Pagodas 703. 3. -, or together Pagodas 2109. 9. -, which according to the market price of July and August 1789, according to his calculation, Paragraph 28. Carried over Pagodas 2109. 9. - Brought forward Pagodas 2109. 9. — were worth Pagodas 3084. 9. — on account of what was, in his opinion, too ample an allocation of nutmegs and mace, which, had one proceeded according to the distribution determined by the Company, would have been even more considerable, Pagodas 4172. 12. -; thus, in the first case, having brought to the merchants Pagodas 975. -. -, and according to this latter proposition, or after deduction of the sale price of Pagodas 2109. 9. —, a profit of Pagodas 2063. 3. —, as stated, calculated according to the market price of July and August 1789.
Dutch transcription
Beoordeeling van dat gevoelen vernietiging der palleakatse. prijs verhooging zelve blijven, ten ware ze niet voldoen aan lengte of breedte, wanneer ze, bij ontdekking van dien, door den schout, of koetwaal verbeurt verklaart wier„ „den. 126. Ik wil niet van Bijland wel geloo„ „ven dat de zedert 1788. voornamelijk, toegestaane prijs verhoogingen Juijst geen gevolg geweest is van algemeene noodzake „lijkheijd: dan dit is nog geen bewijs van hebzugt, maar wel, dat ze zijn geaccordeert uijt vertrouwen op de waarheijd der dien aangaande, bij herhaaling, gedaane klachten en gevolgelijk uijt gebrek aan volleedige informatie; want men moet al zeer wel van alle bij zonder heeden des handels onder „recht zijn, om wanneer en variatien voor„ komen die te wederleggen, en uijt den weg te „ En ruijmen want„ zoo van Bijland kundig is geweest van de onveranderlijkheit der paijs zeedert 1784. , waar om dan nog in 1785. en 1788. aangedrongen of verande„ „ring en verhooging! Het is te Palliacat„ „ta mij gelukt met op mijn stuk te blijven staan de verhooging te vernietigen. Ik Schrijf dat om de 38 dat om de noot staat te volgen schrijf dit echter meer toe aan fermiteit, dan aan kennis, en overtuijging dat voor„ „maals de verhoogingen onwettig geweest zijn; hebbende dit doorgedrongen met vrijmoedig de kooplieden voor te houden, dat ze geen recht hadden om bij ver„ „duuring van een enkel sortement, direct ^ generaale aan te houden om ^ verhooging van prijs, want dat het voordeel op andere Dor„ „teeringen hen genoeg de dommageerde wegens nadeel op sommige, zelfs zoo, dat ik vermeende reeden te hebben, om bij eenige gunstige verandering van om„ standen des tijds, te mogen insisteeren op een algemeene vermindering van prijs, om dE: Compagnie deezen handel dragelijk en aanmoedigent te maaken. Het is ook, uijt hoofde van mijne serieuse en standvas„ „tige gevoelens om de noort tot een generaale vernietiging der verhooging, immers op bimilippatnam en Palicol. daar toe geko„ „men, mij flatteerende dat Iaggernaijk„ poeram wel zal volgen, in zonderheijd, wanneer de nog onthutste gemoederen der kooplieden, door voor zichtigheijd en De te vooren geaccordeerde is weezen„ lijk betaald en beleit, tot bedaaren geraakt, de zaa„ „ken aldaar in een behoorlijk centrum konnen gebragt worden. Ik denk dat de bij zonder heeden daar toe in het werk gestelt, bij de generaale brief beeter als hier zullen voegen, en daarom zal ik wat dit haatelijk geval, de in verden„ „ken geraakte prijs verhooging, en het geen de sadrassche Monsters aangaat, met gunstig verlof van u. Hoog Edel„ „heeden mij betrekken tot de in anno p:o door den Heer Iadama derweegen bereets gedaane verantwoording, item aangaande de bewijzen der betaaling„ en gegevene reedenen voor de noodzakelijk heijt van dien, tot het geen bij de generaale brief breeder staat te worden verhandelt, als wanneer ook zal blijken, en wat licht de aanleidende oorzaak tot die ze verdenking beschout, en hoe verre er staat mag gemaakt worden op het geen de heer van Bijland thans als zulke groote blijken van kundigheijd opgeeft, in vergelijking van die hij bezat, doen hij zelf opperhoofd te Sadaas, en lid was van de kormandelsche vergadering 39 van Bijland oordeelt dat koopman„ schappen de kooplieden voordeeliger zijn als Contanten §27. vergadering: schijnende door zoo sterk aante dringen op het nagaan van de Corres„ pondentie met het tegenwoordig Sadraspat„ „namsch opperhoofd den heer Simons (het 3. e vel. pag: 4. / niet anders te bedoelen, dan dat er voor dat kantoor een effective reeden van nood zakelijkheijd tot Prijs verhooging plaats gehad heeft, om dus de zijne, en tevens goed te maaken het geen hij beweert dat, als er eene dusdanige reeden exteert om de zuijd, men daar uijt geen gevolg moes trekken voor de Noort. van meer opmerking is zijne, vide het 4.e vel van het eerste Adres pag: 1. , voorkomende opinie dat het voor de Leverancieas oneindig voordeeliger is, in disconte, op leverancie van Lijwaaten, specerijen te ontvangen, dan contanten; daar niet alleen met admissibelen reedenen, het tegendeel door den heer gewe„ „ze gezaghebber Tadama bij zijne verant„ woording van anno passato gedemonstreert, maar bij 'sComp:s papieren over al beweert word dat de hagelijke omstandigheijd, waar in gansch kormandel is gedompelt, voor„ namelijk; Zaa¬ Hoe hij dat meent te bewijzen namelijk herkomstig is uijt gebrekkige verstrekking aan kontanten, en daar en tegen al te ruim gevergde acceptatie van koopmanschappen aan, en door de Leveran„ ciers, die algemeen klaagen over de daar of geleedene verliezen.. u. Hoog Edelheeden hebbende voorsz: verantwoording van den heer Iadama voorleeden Iaar bereets ontfangen. Ik zal dus hier geene herhaaling daar uijt doen, maar mij bepaalen aan het opge„ geevene door van Bijland, en daar op, na beste kennis mijn gevoelen zeggen. Hij neemt tot een bazes twee aan het Adres geannexeerde Copia or„ donnancien L:a A; en B:; Het eene groot Pag: 1406. 6. , en het andere - - - - - - - „ 703. 3. –. ofte te samen Pag: 2109. 9. –. welke na de maakts prijs van Iulij, en Augustus 1789. na zijne becijffering waardig §28. Transporteere R/o 2109. 9. -. 40 P:r Transport. . Pag: 2109. 9. — waardig zijn geweest „ 3084. 9. —. uijt hoofde van eene na zijn gevoe„ „len te ruime toedee„ „ling van nooten en foelij, die, hadde men na de verdeeling bij de Comp:e bepaalt, te werk gegaan, nog aanzienelij„ ker. . . . . Rr/o 4172. 12. -. dus, in het eerste geval. de kooplieden pa/o 1975. —. -. en na deeze. laaste: stelling of na detractie van den ver„ „koops paijs van. . . . . „ 2109. 9. — een voordeel van. . . . . . . . . . . . . Pag: 2063. 3. - toegebracht hadden, als gezegd, gereekend na de Marktsprijs van Julij, en Augustus W 1789
English
then what is maintained thereon is not well founded. 1789, of which I have tried in vain to obtain a price current, although it would properly have been van Bijland's affair to provide it in order to prove his proposition. Aside from the fact that Mr. van Bijland only speaks of spices, and specifically of the most desired sorts, such as nutmegs and mace, and of those months, such as July and August, when, according to his own demonstration, the shipping to China from Madras is open, and the price of everything is at its highest, and the cloves, when the two other sorts of spices are added to them, nevertheless cannot fetch the Company's price of pagodas 26. 6. - the man, since they yield no more than pagodas 20, a single case out of a hundred others is no proof that the remaining ninety-nine have not been handled in accordance with the Company's interest and pursuant to the regulation. It would lead too far here to touch upon everything that constitutes the uncertainty in this matter, but the aforesaid difference in the price of the cloves, when the so eagerly sought nutmegs and mace are added to them, is enough to let Your Right Honorables judge the value of a consequence drawn so generally from a criticized distribution, and not to let you doubt the complaint about the loss on the cloves when they must be retailed separately, not to mention when it happens, as is now indeed the case, that such a vast remainder of them is on hand, together with yet another item, namely the Japanese bar copper; which Mr. van Bijland leaves unmentioned, knowing full well that the Company has profited considerably by it, and the merchants have lost heavily on both. Insofar, then, as Mr. van Bijland intends to demonstrate with his calculation that the merchants are not entitled, on account of losses suffered on the merchandise sold to them, to claim an increase in price on the linens, the matter is, to my mind, beyond all dispute in the world. My sentiment regarding this will provide sufficient material in the place where it belongs, and there, or in the outgoing letter, Your Right Honorables will find amply described and proven the actual payment of the price increase, both here and at the offices where such has taken place, as well as the reasons given for the necessity of that increase. Van Bijland, whose aforesaid calculation is founded on deliveries of merchandise to the Company's interpreter, simultaneously seizes the opportunity to regard that servant as someone who ought to have no share in the Company's trade; for, being the Governor's representative to the native in order to look after the Company's interest in purchase and sale, one cannot, he says, expect that of him when he is himself also a merchant and supplier, finally drawing from this the conclusion as though Mr. Tadama and the interpreter lay under one blanket and understood each other's interest very well. The first part of this remark I acknowledge to be reasoned and well-founded, but the latter to be a rash conclusion, without any proof: and if this continues, of founding a conclusion merely upon suspicion, then every honest man faces the danger of suspicion. Whatever the conduct of Mr. Tadama may be in other respects, in this one, I believe I may trust that His Honor, regarding the trade with the interpreter, proceeded according to that custom which was handed down and proven to me, namely that the interpreter, from the oldest times onward, has been granted as an honorable prerogative certain items of supply, so much so that when the late Honorable Governor of Vlissingen sought to deprive the present interpreter of it, he, the interpreter, was favored by His late Right Honor, the Right Honorable Governor-General Reinier de Klerk, with a special letter of recommendation to the said Governor dated 16 April 1779, in order to let him enjoy and possess those privileges and prerogatives which, from the times of his ancestors, have always been their share. And if I recall correctly, I believe to have read in one of the Company's public letters that one ought not to think of the Company's interpreters in a single uniform way; that among them were men of merit to whom the Company, either in their own person or through their ancestors on account of distinguished services, owed gratitude. It is also on account of this recommendation and consideration that I, following the previous custom, have assigned to the Company's interpreter the supply of the caliatour wood, ray skins, and uniforms: submitting myself nevertheless to the respected pleasure of Your Right Honorables, whether to continue therewith or to change this, under respectful assurance that the interpreter, for the present, gives me no reason for complaint or suspicion in the observance of his duty to advance the Company's interest; on the contrary, upon my recommendation and his diligence, the cancellation of the Pulicat price increase was accomplished. In conclusion to this chapter, Mr. van
Dutch transcription
dan het daar op gesustineerde is niet wel gefundeert 1789, , van dewelke ik te vergeefsch getracht hebbe een prijs Courant te bekomen, schoon het van Bijlands zaak eigenlijk geweest ware die te bezorgen om zijne stelling te bewijzen-. Behalven nu dat de heer van Bijland enkel spreekt van specerijen, en wel van de gewilste soorten, gelijk nooten en foelij, en van die maanden, gelijk Iulij en Augustus dat, na zijn eijge aantooning, de vaart op Sina van Madaas open; en de prijs van alles op zijn hoogst is, en de nagelen wanneer de twee an„ dere soorten van specerij en bij zijn, dog niet haalen kunnen de Comp:e prijs van pa„ gaden, 26. 6. –. de m:n, nadien ze niet meer dan pag: 20. rendeeren, zoo is een enkel geval, uijt hondert anderen, geen bewijs, dat de overige negen en Negentig niet behandelt zijn overeenkomstig met sComp:s interest, en na de bepaling. Het zou hier te wijd uijt loopen, om alles aanteroeren wat het wisselvallige in deeze komt uijttemaaken, maar het bovenstaande verschil der prijs in de Nagelen, wanneer de zoo graeg ge„ zochte Nooten en foelij er bij gevoogt zijn, 129. is 41 §30. Hoe verre men zijn gevoelen toestuat is genoeg om u Hoog Edelheeden te doen oordeelen over de waarde van eene, zoo algemeen getrokken consiquentie uijt eene gecritiseerde verdeeling, en niet te doen twijffelen aan de klachte over het ver„ „lies op de Nagelen, wanneer ze apart moeten worden verdebiteert, men gezwijge„ als het geval, gelijk nu wel, dat daar van een zoo magtig restant aan handen is, met nog een ander articul, het Iapansch staafkoper namelijk; dat de heer van Bijland onaangevoert laat, welweetende dat de Compagnie daar bij aanzienlijk ge„ „profiteert heeft, en de kooplieden op beiden machtig verlooren hebben-. Voor zoo verre dan de heer van Bijland met zijne bereekening meent aan te toonen dat de kooplieden niet gerechtigt zijn, door geleeden verlies op de aan hen ver„ kochte koopmanschappen, verhooging van prijs te pretendeeren op de Lijwaaten, tijd de zaak, bij mij, ter wereld, geen disput Mijn gevoelen dien aangaande, zal stoffe genoeg opleeveren ter plaatse daar het be„ „hoort, en aldaar, of bij de af te gaane brief, zullen. 131. argumenten waarom de Tolk geen Leverancier dient te zijn gedeeltelijk goet, en gedeeltelijk valck zullen U Hoog Edelheeden overvloedig be„ schreeven en beweezen vinden, de effective betaaling der prijs verhooging, zoo alhier, als op de kantooren, alwaar zulx plaats gehad heeft, als meede de reedenen, die voorde noodzakelijkheijd van die verhooging, wor„ „den opgegeeven. van Bijland, wiens voorsz: bereekening gefundeert is of verstrekkingen van koop„ manschappen aan sComp:s Tolk, neemt tevens de gelegenheit waar, om dien bediende aantemerken, als iemand die geen deel. behoorde te hebben in 's Comp:s Handel; want, bij den Inlander zijnde des gouverneurs „representant, om 's Comp:s belang bij in- en verkoop te behartigen, kan men dat zegt hij van hem zoo niet verwachten, dan wan„ „neer Hij zelfs ook koopman en leverancier is, trekkende eindelijk noch daar uijt deeze conclusie, als of de Heer Tadama en den Tolk onder eene deeken geleegen, en elkan„ „ders interest zeer wel verstaan hadden. —. § 32. Het eerste gedeelte van deeze aanmerking erkenne ik beredeneert en gefundeert, maar het laaste, een onbedachte conclusie te 42 te zijn, zonder eenig bewijs: en gaat dit door, van enkel op suspicie, een conclusie te fundeeren, dan loopt ider eerlijk man te gemoet het gevaar van verdenking, wat het gedrag van den heer Tadama, in andere opzigte ook mag zijn, in dee„ „zen, vermeene ik te mogen geloven, dat zijn E:, omtrent den Handel met de Tolk„ te werk is gegaan na die usantie, welke aan mij is overgelevert en beweezen, na„ melijk dat de Tolk, van de al oudste tyden af, als een eerelijk prerogatif vergunt is zeekere articulen van Leverancie, zoo zelf, dat toen wijle de Ed: Heer gouverneur van vlissingen den tegenwoordigen tolk daar van zogt te benooven, hij Tolk, door wijle. zijn Edelheijd den Hoog Edelen Heer Gou„ veneur generaal Reinier de klerk is begunstigt met een bijzondere brief van recommandatie aan gem: heer Gouverneur de dato 16. april 1779. , ten einde hem te doen Jouisseeren en gaudeeren van die voor rechten en paerogativen, welke; van de tijden zijner voor ouders af; althoos hun deel zijn geweest. En vervolg at de Tolk continueert met verzoek om ordre derwegen sustenu van van Bijland waar om Tadama gedeelt heeft in de leve„ randie En zoo ik het wel hebbe, meen ik bij een van 'sComp:s publicke brieven te hebben gelee„ „zen, dat men over sComp:s Tolken niet moest denken of eenealij manier; dat 'er onder de„ „zelve voorquamen mannen van merites aan wien de Compagnie, het zij in haer persoon of door haare voor ouders wegens uijtmun„ „tende diensten, erkentenis verschuldigt was. Het is ook uijt hoofde van deeze recommanetatie en consideratie, dat ik de voorige usantie volgende, aan sComp:s Tolk hebbe opgedragen de Leverancie van het kalleatourhout, Roggevellen, en mon„ „teeringen: submitteerende mij niet te min aan het gerespecteerde welbehagen van u Hoog Edelheeden, ten eijnde daar bij te continueeren, of zulks te veranderen, onder eerbiedige verzeekering dat de Tolk, voor als noch, mij geen reeden geeft van klagen of verdenking in de betragten van zijn plicht ter bevordering van 's Comp:s belang, in tegendeel op mijne recommanda„ „tie en zijne ieven, is de vernietiging der palliakatsche prijs verhooging uijtgewerkt §33. Tot slot van dit Chapiter gaat de heer van Not
English
43 The proof thereof van Bijland continues on the fourth sheet of the first address page 2 with depicting Mr. Tadama according to the opinion he holds of him. He believes he can substantiate the proof that the said Mr. Tadama was himself merchant, supplier, and sorter, 1. by the small issues from the warehouses to the merchants, and 2. by a conviction that no one will easily expose his honor, reputation, and credit to favor a party of merchants, and conceal the same in such a way that the fraudulent nature is practically impossible to trace; regarding which he appeals to a current account La C, drawn up according to his own assurance by himself and attached to this first address, with which he had come to me several days before the submission of his address, both to show his discovery and to request to have the account, which he testified to agree with the Company books, examined by a knowledgeable person, in order that, if found to be correct, it might serve him as principal proof. tested against the Company books §35. causes, as it lies, astonishment §36. Commission to investigate the hidden matters. I placed this account into the hands of the transfer clerk of trade Wouter Pietersz, simply ordering him to check whether the same agreed with the books, and to make a report to me of his findings. The day after, or the 11th of December 1790, he gave me a written report that the account was found to correspond perfectly with the Company books, and on the 20th of that month, I received the said First Address from van Bijland. Having suspended my judgment on that account until I should see to what end the said van Bijland employed it, upon reading his address I fell into an even greater astonishment at what in fact appeared incomprehensible to me: the validating of interest to the merchants at the very same time that they were in arrears on principal, and that indeed, as van Bijland demonstrates, at times or on days when expenditures were made with the disbursement of cash. Now in order to see this unfolded and explained, 44 I dispatched to the aforesaid Wouter Pietersz, handing over the account, a written order to report further whether the interest appearing in the account had been calculated as it ought to be, namely: whether at the same time that interest was credited on what had been delivered, the suppliers had not delivered less of certain items, and therefore in the actual delivery year, calculated from the first of October of one year to the last of September of the next, were not more in arrears than before. For it appeared incomprehensible to me how the Palleakat merchants, who in 1785/7 had been in arrears for ƒ24233:8. —, could have been credited with ƒ2087. 2. 8. in interest, and while the favorable balance of the Jaggernaijkpoeram merchants amounted to no more than ƒ35. 13. 8., and the adverse balance, on the contrary, to ƒ112328. 3. —, how these interests are credited at ƒ13606. 14. —, and further to understand the credit of the Palleakat merchants continuation and why merchants up to ƒ18197. 17. 8., and the debit of the Jaggernaijkpoeram merchants at ƒ63423. –. –. with a special order distinctly to elucidate for me, as regards the Palleakat merchants, not by each book but by each delivery year, and regarding the Jaggernaijkpoeram merchants, of which the books of 1788/9 are here, to be guided accordingly, and for each delivery year separately in the form of a current account, to show the amounts of the disbursements on the debit and of the deliveries on the credit side, and in his report how matters stand with the interest and how one may rest assured that the Company has not been disadvantaged thereby, and finally to address his report with the annexes to me and the Council, to whom on the 24th of December aforesaid I gave notice thereof. I shall not dwell on the remarks of van Bijland concerning the aforesaid handling of matters, and his contention that the members of the Council cannot be held liable 45 §38. result of that commission in that regard, but acknowledge that this discovery of his gave me cause to investigate matters which I had no reason to suspect, and to have them examined in such a manner as I, after inspecting and considering them, deemed to have immediately become my duty. The report on the outcome of that, or of the aforesaid further commission, was only submitted at today's meeting and inserted by resolution, wherefore I attach an extract thereof hereto to prove that van Bijland, however much his account agrees with the Company books, has nevertheless in his imagination regarding the disadvantaging of the Company by the validation of interest been found to be unfounded, mainly through incorrect premises with respect to what was in surplus and in arrears, and thereafter calculated in interest; indeed, this is not only shown by the report of the transfer clerk of trade, but further proven by
Dutch transcription
43 Het bewijs daar van van Bijland bij het vierde vel van het eerste adres paq: 2: voort met den heer Iadama afte schilderen na het gevoelen dat hij van hem heeft. Hij vermeent het bewijs, dat gem: heer Tadama zelf koopman, Leverancier en sorteerder is geweest, te konnen fundeeren 1.: / op de geringe verstrekkingen uijt de pakhuijzen aan de kooplieden, en 2. / op een vertrouwen dat niemant zijn Eer, reputacie en Crediet ligt zal exponeeren om een partij kooplie„ den te favoriseeren, en het zelve zodanig te verduijsteren dat het bedriegelijke. genoegzaam niet is na te gaan; waar omtrent hij zig beroept op eene na zijne „verzeekering zelf opgemaakte, en aan dit eerste addres gehegte Reekening courant L:a C:, waar meede hij eenige. dagen, voor de overgave van zijn Adres, bij mij was gekomen, zoo ter vertooning van zijne ontdekking, als verzoek om de reekening, die hij betuijgde te accordeeren met sComp:s boeken, en door een kundig persoon te willen laaten examineeren om, goed „ hem bevonden wordende, voor het „ tot een voor„ „naam. heer geloest aan 'sComp:s boeken §35. brengt, zoo als het legt, verwondering ƒ36. Commissie tot inkooping van het verborgene. naam bewijs te dienen. -. Ik stelde deeze reekening in handen van den negocie overdrager Wouter Pietersz hem eenvoudig gelastende om na te zien of dezelve accoord was met de boeken, en van zijne bevinding mij te doen Rapport. 'sdaags daar aan ofte den 11. e december 1790, deed hij mij schriftelijk bericht, dat de „ boeken reekening met 'sComp:s „ volkomen over een„ „komstig was bevonden, en den 20. van die maand, ontving ik het gem: Eerste Aelaes van van Bijland-. Mijn oordeel over die reekening hebbende opgeschort tot dat ik zou zien tot welk eijnde gem: van Bijland die emploijeerde raakte ik op het leezen van zijn adres in eene des te grooter verwondering over het geen mij in der daad als onbegrijpelijk voorquam het valideeren van interessen aan de kooplieden ter zelver tijd dat zij aan kapitaal ten agteren waaren, en dat wel gelijk van Bijland aantoond, in tijden of dagen dat 'er met verstrekking van kontanten Aan besteeding is gedaan. Om nu dit ontwikkelt en verklaart, 134. te voort „ 44 te zien, depecheerde ik op voorm: Wouter Pietersz:, met ter handstelling van de Reekening, een schriftelijke ordonnantie, om nader te berichten, of de bij de reeke„ „ning voor komende interessen bereekend zijn zoo als het behoort, te weeten: of ter zelver tijd dat, op het overgeleverde, rente worden goet gedaan, de Leveranciers niet sommige Articulen minder hadden ge„ „leverd, en overzulks in het eigenlijke Leve„ „rancie Iaar, gereekent van Primo october van het eene, tot ultimo september van het volgende, niet meerder ten agteren, dan te vooren zijn geweest. want dat mij onbegrijpelijk voorquam hoe de sal„ „leakatse kooplieden, die in 178. 5/7. ƒ24233:8. — waaren ten agteren geweest, hebben kon„ „nen worden gekrediteert met ƒ2087. 2. 8. aan interest, en daar het baatelijk saldo der Iaggernaijkpoeramsche kooplieden niet meer beliep dan ƒ35. 13. 8. , en het saldo te quaet, daar en tegen ƒ 112328. 3. ; hoe men deeze interesten ten goeden brengt met ƒ13606. 14. -. en overigens hadde te begrijpen de Credit der Palleakatsche kooplieden vervolg en waarom kooplieden tot ƒ18197. 17. 8. , en den debet van de Iaggernaijkpoeramsche met ƒ63423. –. –. met speciaal bevel om mij distinctelijk te elucideeren, wat aangaat de Palleakatsche kooplieden niet van ieder Boek maar van ieder Leverancie Iaar, en om nopens de Iaggernaijkpoeramsche, waar van de boe„ ken van 1788. /9. hier zijn, zich daar na te rich„ ten, en van ieder Leverancie Iaar op zich zelve„ bij forme van reekening courant, om te: toonen het bedragen der verstrekkingen op de debet„ en der Leverantie op de Creetit zijde, en bij zijn bericht hoe het met de interessen is gelegen en hoe wen zig gerust mag stellen dat de Compagnie daar door niet is benadeelt geworden, en eindelijk om zijn bericht met de bijlagen te addresseeren aan mij en de Raad, aan welke ik den 24. december voormeld haa van kennis, heb gegeeven Ik zal mij niet ophouden met de aan„ 37. meakingen van van Bijland over de voorsz: behandeling van zaaken, en zijne sustenu dat de Leeden van de Raad niet gereekent konnen worden aansprekelijk te 45 138. uijtslag van die commissie te zijn derwegen, maar erkennen dat deeze zijne ontdekking mij aanleiding heeft gegeeven tot eene na spooring van zaaken welke ik geen reeden had te suspecteeren en zodanig te doen nagaan als ik na het inzien en overwegen van dezelve oordeelde terstond mijn pligt te zijn geworden van den uijtslag van dien ofte de voorsz: nader Commissie is het bericht ter vergadering van heeden eerst inge„ diens, en bij resolutie geinsereert waarom ik Extract daar van hier bij voege om te bewijzen dat van Bijland, hoe zeer zijn reekening overeenstemt met 'sComp:s boeken, egter in zijn verbeelding nopens het benadeelen van de Comp:e door het valideeren van Intrest ongefondeert is bevonden, hoofdzaakelijk door verkeer„ de stellingen met betrekking tot het geen over en ten agteren, en daar na aan interest gereekent is, immers dit word bij des negotie overdragers bericht niet alleen, maar nog nader beweezen door
English
continuation by the eleven enclosed current accounts submitted alongside it, from Letter A to L inclusive, agreeing to that extent with the books as far as the sum of the provision and supply is concerned, for which the suppliers were debited and credited in the books under the last of August with a general amount, and not as the accounts now read, which cannot be found in the books, and which cost him, the transferor of trade, two months of time to investigate and thus bring together, which was also found impossible with the Iaggernaijkt account in the manner as done for Palleakatta, since the books show nothing other than what the current account drawn up separately for that office dictates, and regarding which he, the transferor of trade, consequently had to keep precisely to the book year, without being able to reveal how it stood with debit and credit in each supply year, and where I had to let the investigations rest for reasons as stated in the resolution. Further van Bijland expressed himself strongly concerning the servants, as serving Paragraph 39. Further one finds in that repeated first address of van Bijland, the 4th sheet page 3 and following, his declaration about the servants, and answer to the Extract from Your High Nobilities' formal rescript of 27 April 1790 from paragraph 110 to 119, regarding which, for the sake of brevity, I request to be allowed to refer to the reports inserted in the resolution of 18 November from the heads of the writing offices concerning the active number of clerks at each office, and of what nature they are, and what qualities they possess; furthermore to the decision of 6 December following, when such an arrangement was made concerning the servants in general as could possibly take place, in proportion to the manifold clerical work and for the dismissal of all useless or superfluous ones; and with regard to such injustices as are cited on the 5th sheet page 1 concerning the clerks in general, and which for the most part; proves nothing concerning the Assayer and Engineer in which sentiments one agrees with them part are not untrue, care will be taken that there is nothing to complain of in that regard; while at present, with legitimate or illegitimate children, it cannot be arranged otherwise than has already been done, the persons of the latter class named on a list being indispensable at the offices where they are stationed. Paragraph 40. With respect to the engineer Brossette and Assayer de Vries, van Bijland produces no proof. The necessary having been cited concerning both in the general letter, I request to be allowed briefly to note that the bookkeeper and former ordinary commissioner Beekman has been discharged from the service, and that all the people recommended by Mr. van Bijland are indeed worthy of favorable consideration, yet in such a way that I with him, see the 6th sheet page 2 of the first address, would always prefer Europeans above natives or indigenes, who in my opinion ought not to rise to any higher rank than to bookkeepers, and also not to be employable; but now they are impracticable to be employable as ordinary commissioners, on account of decisions that are expected of them when disputes arise over the weighing out and weighing in, which, even if they could do so, are seldom given otherwise than for the benefit of the one upon whom they reckon they depend; but to want to remedy that now, since most of the servants were born in Cormandel, would be just the same as if one sentenced someone to death guilty or innocent, and consequently intentionally and without feeling wanted to make this Cormandel community unhappy, which would run against equity as long as one can still manage with it; for generally speaking, the confusion in the entire administration is more to be attributed to those who must keep the subordinates in order and lead by good examples, than to neglect of duty by the subordinates, who otherwise behave tolerably well. Criticism of the account of the repairs Note concerning that in the meeting Paragraph 41. It will, says Mr. van Bijland on the 5th sheet page 3 of the repeated address against me, require your attention to check the accounts and warrants of 1789 against the work that is entered as completed repairs and is only half finished, such as the house of the second. But besides that I have not yet been able to find time for it, everything needed for it is lacking, even cash and specification books, which are sent to Batavia with the trade books, which have not advanced further than to 178 7/8. Paragraph 42. Upon submitting the Report to the meeting of 15 January last concerning the examination of those books, I had noted by Resolution which entries in the reported expenses of that book year appeared exorbitant to me, among others ƒ 5153. 3. - on the account of Carpentry and Repair, but in order to point out accurately how much the Company has been disadvantaged by what was entered too high
Dutch transcription
vervolg door de daar nevens overgelegde, deeze bijgevoegde Elf stuks Reekeningen cou„ rant van L:a A: tot L: inclusive, ac„ cordeerende in zoo verre met de boeken wat de som der verstrekking en Leveran„ cie aangaat, voor dewelke de Leveranciers met een generaal bedragen bij de boeken onder ultimo Augustus zijn gedebiteert, en gekrediteert, en niet zoo als de reekeningen nu luiden, dat men bij de boeken niet kan vinden, en hem negocie overdrager twee maanden tijd gekost heeft om het uijt te vorschen, en zoo bij malkander te krijgen, het welk met de Iag gernaijktsche reekening ook daar om op die wijs als het van Palleakatta geschiet is, onmogelijk is bevonden, nadien de boeken niet anders aantoonen, dan het geen de van dat kantoor appart opge„ maakte reekening Courant komt te dicteeren en omtrent dewelke hij negocie overdrager zig derhalven paecies aan het boekIaar heeft moeten houden, zonder te kunnen aan den dag leggen hoe het zich met debet en credit in ieder Leve„ rancie Iaar, heeft toegedragen, en waar bij ik de nasporingen om reeden als bij resolutie heb moeten laaten berusten. Verder 46 van Bijland heeft aangaande de ten, als diende 239. Verder vind men bij dat meerm: eerste dienaaren zich sterked: uijtgela„, adres van van Bijland, het 4. e vel. pag: 3: ensz:, zijne verklaaring over de dienaa„ „ren, en antwoord op het Extract uijt U. Hoog Edelheeden formeele rescriptie van 27. e april 1790. van par: 110. tot 119, waar omtrent ik verzoeke kortheijds halve. mij te mogen gedragen aan de ter re„ solutie van den 18. 9ber:: geinsereerde berichten van de baazen der schrijf kan„ „tooren, wegens het dienst doende getal scribenten op ieder kantoor, en van wat niet dat ze zijn, en welke hoedanig„ heeden te bezitten; voorts aan het be„ „sluijt van 6. december daar aan, wanneer en over de dienaaren in het generaal, zodanig een schikking is gemaakt als, na maete van het meenigvuldig schrijfwerk, en ter demitteering van alle onnutte of overtollige, met moge„ „lijkheijd heeft kunnen geschieden, zullende ten aanzien van zulke ver„ „ongelijkingen, als op het 5. vel pag: 1. ^ nopens ten aanzien van ^ de pennisten in het generaal, worden aangehaalt, en mee„ „rendeels; 12 bewijst niets wegens den Essenijeur en Ingenieur in welke gevoelens men hun bij valt rendeels niet onwaar zijn, zorge dragen dat derwegen niets valt te klagen; terwijl het thans, met echte of onechte kinderen, niet anders kan geschikt worden, als het bereets geschiet is, zijnde de bij een Lijstje opgenoemde van de laaste Classe, op de kantooren daar ze bescheijden zijn, niet te missen-. §40. Met opzicht tot den ingenieur Bros„ sette en Essaijeur de vries produceert van Bijland geen bewijs. over beiden het nodige zijnde aangehaalt bij de ge„ „neraale brief, verzoeke ik kortelijk te mogen noteeren dat de boekhouder en geweeze ordinaire gecommitteerde Beek„ „man, uijt den dienst is ontslagen, en dat alle de door den heer van Bijland gerecommandeerden Lieden in der daad- gunstige reflexie waardig zijn, zoo nochtans dat ik met hem, vide het 6. vel pag: 2. van het eerste adres, Europeeschen althoos zouden prefereeren boven Inland„ sche of nativen, die na mijn opnie, in geen hoogen rang behoorde op te klim„ „men, dan tot boekhouders, en ook niet emploijabel maa 47 maar nu zijn ze onuijtvoerlijk emploijabel te zijn tot ordinaire gecom„ mitteerden, om de wille van decisien, die van haar verwagt worden wanneer er verschillen voor komen, over het uijt en inweegen, die, zoo zo het alkonnen doen, zelden anders als ten behoeve van den geen daar zij reekenen van aftehan„ „gen gegeeven worden, dan om dat nu te willen remedieeren daar de meeste der dienaaren te kormandel gebooren zijn, zou even het zelve zijn, als of men schuldig of onschuldig iemant ter dood veroordeelde, en gevolgelijk deeze kor„ mandelsche gemeente met goede oogen, en zonder gevoel, ongelukkig wilde maar„ ken, dat tegen de billijkheijd zou aan„ loopen, zoo lange men het 'er nog meede stellen kan; want in het generaal ge„ „sprooken, de verwarring in de gansche huijshouding is meer te attribueeren aan den geen, die de minderen in order moeten houden, en met goede voorbeel„ „den voorgaan, dan aan plicht verzuijm van de minderen, die zig anders tame lijk wel gedragen. Het: Carticque op de reet: der re„ paratien Aanteekening daar over in vergadering Het zal zegt de heer van Bijland op §41. het 5:e vel. pag: 3. van het meerm: Adaes tegen mij, uwe attentie vereijsschen om de reekeningen en ordonnancien van 1789. eens na tegaan tegen het werk dat, gelijk gedaane reparatien, is opgebracht, en maar van halven voltooit is zoo als het huijs van den secunden. Maar behal„ ve dat ik, daar toe, nog geen tijd heb kon „nen vinden, zoo ontbreekt het aan alles wat daar toe nodig is, zelfs kassa en speceficatie boeken, die met de negocie boeken, welke niet verder zijn gevordert als tot 178 7/8, en thans naar Batavia worden gezondene. §42. Bij het indienen van het Rapport ter vergadering van den 15. Ianuarij I: L:, nopens de Examinatie van die boeken, hebbe ik bij Resolutie aan laaten teekenen welke posten, in de opgebragte ongelden van dat boekIaar, mij exorbitant zijn voorgekomen, onder anderen ƒ 5153. 3. - op reekening van Timmerasie en Repara„ tie, dog om naukeurig aantewijzen wat de Comp:e benadeelt is door het te hoog Hoeda opgebrachte. wo ver „d
English
the expenses will be investigated abolition of bad practices 143. How van Bijland judges the Equippage Master van Odijk entered and who benefited thereby appears impossible to me, partly due to the lapse of time, and secondly, because I am a stranger here, and no one expresses themselves about it, while the statement of the Gentleman van Bijland cannot be taken so impartially that one, solely based upon that, might condemn someone. I shall meanwhile in my administration take care not to validate any unnecessary expenses, and as soon as I can, explain myself upon Your High Noblenesses' order as to what one could properly omit: meanwhile having already abolished the method of charging expenses under native names, by having all who receive monies from the treasury as an advance for the purchase of necessities, among which also belong the construction materials, submit book accounts and properly account for their expenditures. Regarding the necessity of a competent Equippage Master; see 4th page of be how the man's conduct is of the 5th sheet of the repeatedly mentioned Address, the Gentleman van Bijland refers to what was the case in 1789 with one of the sloops upon the loss of an anchor on the voyage to Madras, as a consequence of the poor provisioning of the same; further, after some remarks about a desirable improvement in the state of the navy in general, demonstrating how the present Equippage Master van Odijk came to that service, and whereof one must seek the proof in the Netherlands, which is somewhat far off, the writer seems, regarding the mentioned Equippage Master's incompetence, to have no other ground than that he rose from common Sailor to the rank which he holds, without ever having given any proofs of competence, having become Boatswain more by favor than skill. I have thus far nothing to say against his conduct, and his competence for the sea service would have to be examined and judged by others understanding such matters, in order to determine whether his accusa 49 644. his defense or van Bijland's accusation shall be further investigated The case of the 3 cable ropes of the ship Horssen whether he is worthy to continue with a promotion to third mate or Lieutenant at sea. Regarding the accusation concerning the poor repair to the sloops, I have, under the framing of this document, delivered an Extract to the abovementioned Equippage Master van Odijk with an order to answer for himself upon it within three days, and from the commanders of the vessels I shall demand depositions under Oath as soon as they shall have returned here. I shall attach Odijk's defense to the annexes of this, and therewith I believe this point is concluded. §45. For regarding the three cable ropes used in anno 1789, the information and entry in the joint Resolution of 15 October 1790 shows that this cannot be attributed to the aforementioned Equippage Master's incompetence, as the Gentleman van Bijland, in his repeatedly mentioned First Address, the 6th sheet page 1, comes to remark, since the mentioned Equippage Master's defense is enclosed The ship Horssen called at Sadras closed in what the captain of the ship Horssen, after interrogation, stated on that day in our meeting; besides also that he himself has provided information on that chapter, which was already dispatched in last October; furthermore, a secretarial deposition under tender of Oath provided by the mentioned captain at the requisition of the undersigned, attached hereto, can show what actually seems to have moved the Gentleman van Bijland to make a stir about this affair. the §46. His, van Bijland's, question on the 6th sheet of the repeatedly mentioned Address page 2: "who permitted Captain Gas, recently or in anno 1790, to anchor before wind and current at Sadras, and there to give a banquet to the resident, to dispatch various goods, subsequently also again to anchor in the roads of Madras and make himself suspected of smuggling, at a time when the trade in spices here in Palliacatta amounts 50 147 The dispute with de Raeff concerning the resolutions of 1789. to so little!" Your High Noblenesses, if it please you, will find answered, firstly by what was noted in the resolution of 14 January, when I gave notice thereof to the assembly and requested the Members of the former Administration to be pleased to explain themselves upon this, and secondly from the answer of the Sadraspatnam resident Simons in that regard, given at my requisition in the accompanying original separate letter dated the 19th of that month, with its annexes. Upon the affair occurring from page 3 to 10 in the dispatched Coromandel separate letter dated 10 February 1790 concerning the formulation of the resolutions of 1789 by the then secretary de Raeff, van Bijland says on the 6th sheet page 2, that that matter had acquired enough maturity to be able to be decided by Your High Noblenesses, believing that the transactions at the separate resolution of 10 December 1790, upon the confrontation of the Minutes or notes against the Resolutions
Dutch transcription
48 de ongelden zullen nagegaan vernietiging van quaade gebruijken 143. Hoedanig van Bijland oordeelt over den Equipagiemeester van odijk opgebrachte en wie zich daar meede bevoor„ deelt heeft, komt mij onmogelijk voor, eensdeels mits het verloop des tijds, en ten anderen, om dat ik hier vreemt ben, en niemant zich daar over uijt laat, terwijl het gezegde van den Heer van Bijland zoo onzijdig niet kan worden opgenomen, dat men, enkel daar op, iemant zoude mogen veroordeelen. Ik zal intusschen in mijn bestier zorge„ dragen om geene onnodige ongelden te valideeren, en zoo dra als ik kan mij verklaaren of u Hoog Edelhee„ „den bevel, wat men met voeg zou kon„ „nen nalaaten: intusschen die met hode van op Inlandsche naamen ongelden op te brengen bereets hebbende vernietigd door allen die uijt kassa penningen ge„ nieten als in advans, ter inkoop van be„ nodigtheeden, waar onder ook behooren de bouw materiaalen, bij de boeken rea„ keningen te geeven, en haare uijtgaven behoorlijk te doen verantwoorden. Omtrent de noodzakelijkheijd van een kundig Equipagemeester; vide 4. e pagina van worden hoe de man is van gedrag van het 5:e vel: van het meerm: Adres, treks de heer van Bijland aan het geen in 1789. het geval geweest is met een der sloepen bij het verliezen van een anker op de reize naar Iadras, als een gevolg van het slegt voorzien van dezelve, voorts, na eenige aanmerkingen over eene te wenschen ver„ betering in den staat der marine in het generaal, aantoonende hoe de tegenwoor„ „dige Equipagemeester van oelijk aan dien dienst gekomen is, en waar van men het bewijs in Nederland moet zoeken, dat wat ver van de hand is, schijnt de schrijver, wegens gem: Equipagemeester's onkunde, geen andere grond te hebben, dan dat hij van gemeen Mattroos ge„ komen is tot de waardigheijt die hij bekleet, zonder ooijt eenige blijken van kundigheijt te hebben gegeeven, als meer door gunst dan kunst Bootsman gewor„ „den zijnde. Ik heb tot noch toe mits op zijn gedrag te zeggen, en zijne kun„ digheijt tot de zeedienst, zou door an„ deren des verstaande, onderzogt en beoordeelt moeten worden om te bepaalen, of zijn beschul 49 644. zijn verantwoording of van Bijlands beschuldiging zal nader onderzogt worden Het geval den 3. kabeltouwen van het schip Horssen of hij waardig is, met een avancement tot onder stuurman of Luitenant ter zee, te Continueeren—. Van de beschuldiging wegens de slegte reparatie aan de sloepen hebbe ik onder de instelling deezer, Extract afge„ „geeven aan bovengem: Equipagemeester van odijk met bevel om binnen drie dagen zig daar op te verantwoorden, en van de gezaghebbers der vaartuijgen zal ik ver„ klaaringen onder Eede afvorderen zoo daa ze alhier zullen geretourneert zijn. odijks verantwoording zal ik bij de bij„ „lagen dezes voegen, en daar meede geloove ik heeft dit point zijn beslag-. §45. want omtrent de in anno 1789. ver„ bruijkte drie kabeltouwen toont de infor„ „matie en aanteekening bij gemeene Re„ „solutie van 15. october 1790. aan dat zulks niet kan worden toegeschreeven aan voorsz: Equipagemeesters onkundigheijd, zoo als de heer van Bijland, bij meerm: zijn Eerste Adres, het 6. vel pag: 1. het komt aantemerken, aangezien gemelde Equi„ pagemeesters verantwoording legt op„ „geslooten. Het schip Hoassen is op sa„ daas aangeweest geslooten in het geen de kapitein van het schip Horssen, na ondervraaging, ten dien dagen in onse vergadering heeft opgegeeven; behalve noch, dat hij zelfs, over dat Chapeten van bericht gedient heeft, dat in october laastleeden bereets is verzonden; kunnende overigens eene door gem: kappitein, ter requisitie van den ondergetekende verleende secretarieele verklaring, onder presentatie van Eede, deeze bijgevoegt, aantoonen, wat eijgent„ „lijk den heer van Bijland gepermoveert schijnt te hebben om over deeze affaire beweeging te maaken—. de §46. zijne van Bijlands vraage bij het 6.:e vel van het meerm: Addres pag: 2. e wie heeft „cap:n Gas gepermitteerd, nu Jongst of in „a:o 1790. op sadras voor wind en stroom „ten anker te komen, en aldaar aan het opper„ „hoofd een gastmaal te geeven, verscheijde „goederen aftescheepen, vervolgens ook wee„ komen „der op de rheede van Madaas ten anker te gaan„ „en zig suspect te maaken aan smokkel. „handel, in een tijd dat de vertier in spe„ „cerijen hier te Palliacatta zoo weijnig heeft. 50 147 Het verschil met de raeff over de resolutien van 1789. „heeft te beduijden! zullen U Hoog Edel„ „heeden des gelievende beantwoord vinden voor eerst door het aangetekende ter reso„ „lutie van 14. e Ianuarij, wanneer ik de ver„ „gadering daar van kennis gegeeven, en de Leeden van het voorig Ministerie ver„ zogt hebbe van zich hier op te willen ver„ klaaren, en ten anderen uijt het antwoord van het Sadraspatnamsch opperhoofd Simons derwegen, ter mijner requisitie gegeeven bij de deezen verzellende origineele aparte brief de dato 19:' van die maand, met dies bijlaagen—. op de bij afgegaane kormandelsche aparte brief de dato 10. februarij 1790. van pan: 3. tot 10. voor komende affaire betrekkelijk tot de instelling der resolutien van 1789. door den toenmaaligen secretaris de Raeff, zegt van Bijland bij het 6:' vel: pag: 2. , dat die zaak maturiteit genoeg had verkreegen om door u Hoog Edelheeden te konnen worden gedecideert, vermeenende, dat het verhandelde ter aparte resolutie van den 10. december. 1790. , van bij Confrontatie der Notulen of aanteekeningen tegen de Resolu„ „tien
English
van Bijland refuses to give satisfaction would happen, because the case about which the mentioned Lord Governor complains is a private matter, not concerning the Company; accordingly requesting that Your High Excellencies may please refer the mentioned Lord van Angelbeek to the Honourable Court of Justice of the Castle Batavia, at which time he, van Bijland, will also appoint an authorized representative to hear this matter decided in court. The aforementioned resolution of Your High Excellencies, addressed not only to me but to the Cormandel Ministry, because it would have been in vain to persuade van Bijland to address himself to the Council in this regard, I brought the passage from his writing before the meeting on the 14th of this month January, and after deliberation over what constitutes the main question, namely: whether he is obliged to pay a bill of exchange sent from Coutchim at his expense or not, summoned van Bijland himself into the meeting, and while pointing out that even if some doubt could exist in that regard, he nevertheless, on account of 52 on account of the grievous expressions submitted in a Note at the meeting, was at the very least obligated to retract them, and openly in the meeting request an apology from the so grossly insulted Lord van Angelbeek, or prove his slander; but he remained unyielding in his position, and declared upon the question I put to him, whether he then refused to obey Your High Excellencies, fully to persist in his aforementioned request, believing that Your High Excellencies would gladly please grant him the very same right as was assigned, without a hearing, to the aforementioned Lord van Angelbeek, who was poorly informed in His Honour's proposal; wherefore it had to be left at keeping detailed notes of all this, and on occasion informing Your High Excellencies and the Ministry at Couchim thereof, as indicated by the attached Extract from the aforementioned Resolution, to which I otherwise request we may refer. seems to have to be compelled thereto by Higher Authority. 2nd Point the Head section The incident at Jaggernaikpoeram folio 51. refer; hoping that Your High Excellencies will please excuse me from stronger proceedings with a man who seems willing to sacrifice everything to cause inconvenience and trouble to someone, and does not shrink from showing displeasure toward Your High Excellencies, as will appear from the continuation of his writings, on account of which and other reasons to be mentioned, it seems to me that, at least here in Kormandel, the matters that are in dispute with him cannot well be decided, and the higher authority of Your High Excellencies alone will be able to set the same to rights. Herewith I proceed to the second point of the Memorial, or what occurred at Jaggernaikpoeram since the arrival of the aforementioned van Bijland there, the arrest of his person and property, item his being summoned back hither, and provisional release from arrest. The facts on this subject are set down in the secret letter dispatched from here by the Council 53 paragraph 52. the writings pertaining thereto are all of an extraordinary nature Preliminary information regarding dated 26 March 1790, from paragraph 8 to paragraph 17, and in an Instruction for the commissioners destined thither under 27 February preceding, see paragraph 12 of the mentioned letter. For the preparation of the defense on this 2nd point, van Bijland has handed me three writings. The one, which I may call his second Advice, is a summary or short detail and article-by-article description, or as His Honour gives it, a short summary of the two following, bearing the title: The second and third Main Part The summary is dated 20, the second Main Part 30 December 1790, and the third the 6th of January 1791. Paragraph 53. All these documents are of an extraordinary content, and to the second Main Part as well as the summary account are attached one and the same proofs, which, together with the further proofs belonging to the third Main Part, are to be noted distinctly in the Register of the General Annexes hereof. Paragraph 54. Before I proceed to the discussion thereof, this Jaggernaikpoeram affair 55. warrant to the First Clerk Obdam discussion, may I be permitted to show Your High Excellencies what I, before and upon the receipt of those writings, have undertaken, both to obtain information regarding this Jaggernaik affair in general, as well as concerning several newly arisen matters in particular, some of which I could not take upon myself to execute without prior notice to the meeting. On 10 November 1790 I issued to the First sworn clerk Jan Obdam, having been secretary at Jaggernaikpoeram and possessing a more than superficial knowledge of matters of that place, an ordinance to serve me, with a pure, upright, and truthfully drawn up report, with everything that could serve me for elucidation in the aforementioned affair not unknown to him, and with all that his knowledge and information yielded, indicating what might be known to him concerning the main question: the uniting of the Mazulipatnam with the
Dutch transcription
van Bijland weijgert satisfactie te geeven geschieden zoude, om dat het geval waar over gem: Heer Gouverneur doleert een particuliere questi is, de Comp:e niet raa„ kende: mits dien verzoekende dat u Hoog Edelheeden gem: Heer van Angel„ „beek gelieven te renvoijeeren aan de Edele Agtbare raed van Iustitie des kasteels Batavia, wanneer hij van Bijland tevens gemachtigde zal aanstellen om deeze zaak in rechten te hooren uijtwijzen-. Het voorm: besluijt van u Hoog Edel„ 550. heeden niet alleen aan mij, maar gericht aan het Cormandelsch Ministerie, hebbe ik, vermits het te vergeefsch zou geweest zijn van Bijland te persuadeeren van zig derwegen aan Raade te addresseeren, de passa„ Januarij ge uijt zijn schriftuur op den 14. daze over, gebracht ter vergadering en, na deliberatie over het geen der hoofd questi is; namelijk: of hij gehouden is eene ten zijnen laste van Coutchim overgezonden wissel al of niet te betaalen, hem van Bijland zelf in verga„ dering ontboden, en onder aantooning dat zoo derweegen al eenige bedenkelijk„ „heijd konde plaats hebben, hij nogtans wegens 52 wegens de grievende uijt drukkingen bij een Nota ter vergadering ingedient, voor het minst verschuldigt was die te herroepen, en den zoo grof beleedigden Heere van Angelbeek openlijk in ver„ „gadering excus te verzoeken, of zijne laster te bewijzen, maar hij bleef on„ verzettelijk bij zijn stuk, en verklaarde op de vraag die ik hem deed, of hij dan weigerde u Hoog Edelheeden te gehoor„ zamen, volmondig te. persisteeren bij voorsz: zijne instancie, vermeenende dat u Hoog Edelheeden hem gaarne even dat zelve recht zullen gelieven te doen erlangen als, zonder verhoor, aan welmelde heer van Angelbeek, qualijk geinformeert op zijn Edeles voordracht, was toegewee„ zen: weshalve men het heeft moeten laaten berusten met van dit een en ander omstandige annotatie te houden, en bij gele„ genheijd daar van aan u Hoog Edelheeden, en het Menisterium te Couchim kennis te geeven, gelijk het hier bij gevoegde Extract uijt voorm: Resolutie aanwijst, waar aan ik overigens verzoeke wij te mogen refereeren. verv schijnt door Hooger gezag daar toe verpligt te moeten worden. 2. Point te Hoofdeel Het worval te zaggernaij kep:n ƒ 51. refereeren: hoofende dat u Hoog Edel„ heeden mij zullen gelieven te Excuseeren van sterker procedures met een man, die alles schijnd te willen sacrifieeren om den een of ander aan ongelegenheijd en moeyelijkheijd te helpen, zo zich niet ontziet van ongenoegen te toonen over u. Hoog Edelheeden, gelijk uijt het vervolg„ van zijne geschriften zal blijken, uijt hoofde van het welke en andere te mel„ „dene reedenen, het mij toeschijnt dat, voor het minste hier te kormandel, de zaaken die met hem in verschil zijn, niet wel konnen beslist worden, en het hooger gezach van u Hoog Edelheeden alleen in staat zal zijn Item te recht te stellen Hier meede ga ik over tot het tweede point der Memorie, ofte het geExteerde te Iaggernaikpoeram zeedert de aankomst van voorm: van Bijland aldaar, de Na„ resteering van zijn persoon en goed, item zijn weder herwaards ontbod, en p:l ontslag uijt het Araest. De factums ten deezen sujette zijn ter neder gesteld bij de van hier afgegaane secreete brief van den Raad de de zi Preals 53 § 52. de geschriften daar toe spicterrende zijn alle van een Extra ord: in„ Prealabele informatien wegens d' dato 26. Maart 1790. , van par: 8. tot par: 17. , en bij eene Instructie voor de derwaarts bestemde gecommitteerden sub 27. februarij bevoorens, viele par: 12. van gem: brief. Tot in richting der verantwoording van dit 2. e point, heeft van Bijland mij ter hand gesteld dair geschriften. Het eene, dat ik zijn tweede Adves mag noemen, is een summeer of kort detail, en articulatinis geweijze beschrijving, of zoo als zijn E: het zelve opgeeft een korte samentrekking van de twee volgende, voerende ten titul Het tweede en derde Hoofd-deel Het summaria is gedateert 20. , het tweede Hoofd deel 30. December 1790. , en het derde den 6. Januarij 1791. -. § 53. Alle deeze stukken zijn van een Extra ordinairen inhoud, en bij het tweede Hoofd- deel zoo wel als het summier verhaal. zijn gevoegt een en dezelve bewijzen, welke met de vordere tot het derde Hoofddeel behoorende distinct bij het Register van de generaal Bijlaagen deezes genoteert staan te worden. § 54. Alvoorens ik treede tot derzelver ver„ „handeling. houd deeze 8 deeze Iagger naijkpoeramsche affaire 55. ordonnancie op den Eerste klerk obdam handeling zij het mij geoorlooft u Hoog Edelheeden te vertoonen, wat ik, voor en bij het inkomen van die geschriften hebbe„ in het werk gestelt, zoo ter erlanging van informatie wegens deeze Iagger„ naijksche affaire in het generaal, als aangaande verscheide nieuw opgekomen zaaken in het bijzonder, sommige van dewelke uijt te voeren, ik niet op mij kon neemen, zonder voor afgaande kennis geeving aan de vergadering—. Op den 10. November 1790. verleende. ik op den Eersten gezwooren kerk Ian obdam, geweest zijnde scriba te Iagger „naijkpoeram, en eene meer dan supperficieele kennis van zaaken van die plaats bezet„ „tende Eene ordonnancie om mij van alles wat in de voorsz: hem niet onbekende affaire mij kondienen tot elucietatie, en van al wat zijne kennis en kundschap opleeverde, te dienen van een zuijver, op„ „recht, en na waarheijd ingestelt bericht, aantoonende wat hem bekend mocht zijn aangaande de hoofdquesti het ver„ Eenigen der Mazulipatnamsche met de
English
54 requested report from de Bruijn the Jaggernaijkpoeram merchants, namely the possibility or impossibility of the taking of Costumado money by the chiefs, the coining of the dabboes, the reducing of their value, and how this obscure matter ought to be understood, while demonstrating what damage has been suffered thereby by the Company and the community, in a word, of everything that, after reviewing the points of accusation of the chiefs against one another, his memory and awareness dictated to him, in such a manner that, should it be required, he could confirm the report under oath. To the Assistant Simon Ian de Bruijn, who also served at Jaggernaijkpoeram and handled the trade papers for some time, I gave verbal orders to draw up a clear and distinct report of all that might be known to him concerning the counterfeiting of the Dabboes and the damage suffered thereby by the Company, and to hand it over to me, which was done on the 24th 56. of the said month of November, that of Obdam having only arrived on the 2nd of the past month of December, both new movement concerning disloyalty, which was allegedly committed in 1787 at Jaggernaijkpoeram made known to the assembly with that of Obdam added hereto these reports are among the annexes to this document, and to them I will, if necessary, refer under or during the further description hereof. 57. In the meantime, or on the 25th of the aforementioned month of November, I received an unsigned Gentoo letter written in the name and on behalf of the joint Inhabitants of Paggernaijkpoeram under the 17th of the said month, of such an extraordinary content, according to the translation made of it, and filled with various new accusations against the former chiefs of that office, van Halm and van Someren, likewise, in so far as it relates to the case of the unfortunate flood in 1787, also against the former second De Kavallet, that I judged myself obliged to deliberate about it with the assembly; submitting the matter and my opinion on it to the Members in writing 55 resolution passed thereon Advertisement sent thither on that account People summoned from there in writing with such a four-part special and also a general proposition as Your High Nobilities will, if you please, find described in the Extract from the separate resolution of 27 November 1790, when it was resolved in that regard to let the 1st and 2nd points of the specific proposition and the rest, or the general proposition, take effect, but to leave the third and fourth parts of my proposal shelved, until it should be seen what effect the simultaneously drafted and approved Advertisement would have, which, after translation into the Gentoo language, was sent the following day to Iaggernaijkpoeram with a covering letter dated 27 November, with orders to publish and post it in the manner prescribed in the letter, likewise to send hither at the same time the Company's Interpreter Adab Alla Appaija, the renter of Golapalum Poelo Ramaija, together with the Head Peon and hooswael, and a certain Brahmin separate order to the commissioners answer from Jaggernaijkpoeram who belongs to the choultry or audience place, or had belonged thereto at the time of the chiefs van Halm and van Someren, and had been arrested, with such further strict orders to the commissioners Heshusius and Schliephaken on the subject as are found more broadly described in the said outgoing letter; while, regarding the separate accounting of what was charged against him, we ordered to supersede until the arrival of the new chiefs expected from Bengal; furthermore how they were to conduct themselves should anyone come forward as signatories or writer of the aforesaid letter, the translation of which stands inserted in the aforesaid Extract resolution of 27 November: the answer received hereupon from Iaggernaijkpoeram dated 12 December having been communicated to the assembly on the ultimate of that month, from which resolution an Extract is also to be found among the annexes, both in proof of the publication of 56 §58. likewise for a special investigation of the actions of the previous commissioners the aforesaid advertisement, and that up to 12 December no one had yet come forward claiming to be the writer or co-signatory of the aforesaid letter, as well as the devising of another publication, altering the previous one in so far that we gave permission to those who might find difficulty in undertaking the journey hither to remain and report to the elected chief, my Brother Casparus Leonardus Eilbracht, of whose departure from Bengal with the elected second van Hogendorp on the 21st of the aforesaid month I already had report at that time. For that reason, I had also on 27 December previously already sent such precautionary orders to my said Brother, as the Copy of the letter under that date shows, in particular granting him authorization to investigate the concluded proceedings of the former commissioners Heshusius and Schliephaken, since Your High Nobilities please to be separately elucidated in that regard.
Dutch transcription
54 gerequireert bericht van de Bruijn de Iaggernaijk poeramsche kooplieden namelijk de mogelijkheijd ofte onmogelijk„ „heijd van dien het neemen van Costumado penningen door de opperhoofden, het mun„ „ten der dabboesen, verminderen der waarde van dezelve, en hoedanig men die duijstere zaak moet begrijpen, onder vertooning welke schaade daar door bij de Comp„ie, en de gemeente word geleeden, in een woord van alles, wat na het inzien der pointen van beschuldiging der opper„ „hoofden tegen elkanderen, zijn geheugen en bewustheijd hem dicteerde, zodanig dat, wanneer het mogt worden gerequireert, hij het bericht met Eede kon bevestigen-. Aan den Assistent Simon Ian de Bruijn meede te Jaggernaijkpoeram dienst gedaan, en de negocie papieren, eenige tijd behandelt hebbende, gaf ik mon„ „deling order om al wat hem aangaande de vervalsching der Dabboes, en de daar door bij de Comp:e geleedene schaade bekent mogt zijn, een duijdelijk en distinct bericht of te maaken, en mij te overhandigen, dat geschiet is den 24: 156. der. nieuwe beweeging over ontrou, die zou zijn de vergadering bekend gemaakt der gemelde maand November, zijnde dat van met dat van obdam hier bij gevoegd Obdam eerst ingekomen den 2. e der Jongs verwerken maand december, beiden die berichten zijn onder de bijlagen deezes, en op dezelve zal ik, als het nodig is mij beroepen onder of bij de verdere be„ schrijving deezes -. 57. Intusschen ofte den 25. der voorm: maand in 1787. te Saggernaijkp:r gepliegt November ontving ik een Ientiefsche onge„ teekende brief geschreeven uijt naam ende van weegen de gezamentlijke Ingezetenen van Paggernaijkpoeram sub 17. der gem maand van eene, na het daar van ge„ maakte Translaat, zoo extra ordinaire inhoud en opgevult met verscheijde nieuwe accutatien tegen de geweezen opperhoof„ den van dat kantoor van Halm, en van someren, item bij zoo verre die betrekking heeft op het geval van de ongelukkige water. vloet in 1787: ook tegen de voormaligen secunde De Kaval let, dat ik oordeelde verpligt te zijn, van daar over te moeten raadpleegen met de vergadering; stellende de zaak en mijn gevoelen daar over, de Leeden schriftelijk 55 besluijt daar op gevallen Advertisfemant derwegen derwaarts gezonden Lieden van daar ontboden schriftelijk voor met zodanige vierlee„ „dige speciaale, en nog een generaale propositie als u. Hoog Edelheeden des gelievende beschreeven zullen vin„ „den bij Extract uijt de aparte resolutie van 27. November 1790. , wanneer daar omtrent werd geresolveerd om het 1. e en 2. point der bijzondere, en het overige ofte de algemeene propositie te laaten ge„ volg neemen, dog het derde en vierde did van mijn voorstel geburcheert te laaten; tot dat men zou zien van wat uijt wer„ king zoude zijn het tevens ontworpen en geapprobeerde Advertissement, dat na de overzetting in de Jentiefsche taal met een geleide brief de dato 27=e November, 'sdaags daar aan naar Iaggernaijk„ poeram is gezonden, met ordre om het zelve te publiceeren en te affigeeren in dier voege als bij de brief werd aange„ schreeven, item om tevens herwaards te zenden 's Comp:s Tolk Adab Alla Appaija, de pagter van Golapalum Poelo Ramaija, nevens den Hoofd„ pion en hooswael, en zeekere braminees„ die dat van M ongs nd wa va gen zaak leden telijk afsonderlijk last aan de gecomm: antwoord van Jaggeraij &p:r die tot de sjoudherrie of audientie plaats behoort, afte ten tijde van de opperhoofden van Halm en van Someren hadde behoort, en gearresteert was geworden, met zodanige verdere stricte ordre aan de gecommitteerden Heshusius en schliephaken ten sujette, als bij gem: afgaande brief breeder word beschreeven gevonden; terwijl we, omtrend de afzon„ „derlijke verantwoording van het geen hem werd ten lasten gelegt, gelaste te supercedeeren tot de komst van de uijt Bengale te verwagtene nieuwe opper„ hoofden; voorts hoedanig zig hadden te gedragen indien zig de eene of andere quame te melden als teekenaaren of schrij„ ver van de voorsz: brief, welkers vertaaling geinsereert staat bij voorsz: Extract reso„ „lutie van 27. November: zijnde het van Iaggernaijkpoeram hier op ontvangene. antwoord de dato 12. december gecom„ municeert ter vergadering van ult:o van die maand, uijt welke resolutie ook een Extract onder de bijlagen is te vinden, zoo ten bewijze van de publicatie van het 56 §58. item tot bij zonder onderzoek der mitteerden het voorsz: advertissement, en dat zich tot den 12. December toe, nog niemand hadde aangemelt, schrijver of meede on„ „der tekenaar van voorsz: brief te zijn, als het beraamen van een andere publica„ „tie, de voorige in zoo verre altereerende, dat we den geenen die zwaarigheijd. mogten vinden de herwaards reize te onderneemen verlof gaven van te verblij„ „ven, en zich te melden bij het geeligeert opperhoofd mijn Broeder Casparus Leonar„ dus Eilbracht, van wiens vertrek met den geeligeert secunde van Hogen„ „dorp uijt Bengale op den 21. van voorss: „maand, ik toen reets naricht hadden. uijt dien hoofde hadde ik ook den 27 e verrigtingen van de voorige gecom„ December bevoorens, bereeds zodanige precau„ tioneele ordres aan gem: mijn Broeder laaten afgaan, als Copia van den brief onder dien datum uijtwijst, in zonderheijd hem verleenen„ „de qualificatie om onderzoek te doen na de afgeloopene verrichting der voorige gecommitteerden Heshusius en Schliep„ „haken, vermits U Hoog Edelheeden derweegen afzonderlijk gelieven geeluci„ „deert. Schrij aaling v het
English
who have been accused by van Bijland. Section 59. His further new accusation seems to be, as appears from what was written in the separate letter to the former resident here, Tadama, and myself dated 17. August last, with orders to report to me on this proceeding by separate letters; and which further commission has become all the more necessary because the gentleman van Bijland complains to the utmost about the actions of those commissioners, and in his writings mentioned earlier under the second main point of this Memorial, gives not indistinctly to understand that which I had reason to suspect earlier on 27. November with respect to the aforementioned unsigned Jaggernaijkpoeram letter, namely that the accusations contained therein originated from other motives than a spontaneous impulse of unknown persons who keep themselves concealed. For, not to speak yet of other grievances, on what else than obtaining knowledge of, if not a secret encouragement directly or indirectly towards the writing of this letter, which provides means for discovering matters, does van Bijland base his bold accusation of infidelity during the sad disaster of the flood in 1787. not only by the former Jaggernaijkpoeram chiefs van Halm and de Ravallet, but, in order to make the trouble of investigation infinite, even by involving therein all Company servants who were stationed at Jaggernaijkpoeram at that time, without bringing forward a single piece of evidence other than his usual way of thinking, that everything must be true and certain which his Honour comes to state and report, and that whenever actions are not taken accordingly, he has the right to suspect everyone of complicity or corruption, without even considering whether what he believes to be necessary is at all within anyone's power to carry out; such as, among others, his opinion that granting a general amnesty regarding all accomplices, on condition of reporting honestly, would show by what bad examples van Halm and de Ravallet had led the community; in short, that upon a pure investigation, even by examining the ridiculous reports, it would appear that virtually nothing of the Company's goods had been lost, ending with a serious admonition that this matter required my attention more than others. Section 60. Among other things, the granting of amnesty. At least at the meeting of 31. December aforesaid, I, together with the members, judged that granting amnesty would have exceeded our authority, as being a benefit flowing from the High Government, and entirely beyond the power and authority of those who represent it in a lesser degree, certainly not without prior special qualification from Your High Noblenesses; and why only two ways remained open, namely to wait for that qualification, or to give orders for as covered an investigation as possible, and upon discovering that anything of the aforementioned nature and bad character had taken place, to try to obtain evidence in that regard, which could provide grounds and occasion for a further judicial inquiry; meanwhile examining what the papers from that time, collected on my order, were found to contain, and if the reports should be of such a dubious content, to interview and hear the commissioners Obdam and de Bruijn, both present locally, regarding this, and what they would submit to the meeting, without hesitation or delay in that regard. Section 61. Two witnesses heard in the meeting under oath. Counter-writing against a previous one from the Jaggernaijkpoeram inhabitants. These persons, having appeared in the meeting at the next assembly of 5. January 1791., and some impromptu questions having been put, and those answered by them, and ipso momento confirmed with a solemn oath, I respectfully enclose these herewith, recorded in an Extract of the resolution of that date, as proof that they are not aware of anything whatsoever of any infidelity committed in the aforesaid case; as well as the translation produced by me in the meeting on the same day of a letter written in the name of the joint Jaggernaijkpoeram inhabitants dated 20. December 1790., received on 3. January 1791., whereby the aforesaid unsigned letter is considered by the signatories of this one to be entirely false and fabricated. As much reliance can be placed on that declaration as on the accusation itself, as long as the truth is not brought to light; for the investigation of which, the aforesaid precautionary orders were given to the provisionally elected chief; and to which reference was made with the meeting on 26. January and further urged in the separate letter dispatched on that day, when I received word that the adverse journey of the said Eilbracht and the provisional second van Hogendorp was so far completed that, having reached Bimilipatnam on the 14th previous, on account of the continuous contrary wind, they would continue their journey further by land. Both requiring further investigation. Section 62. Information for the hearing of parties on the principal matter. Meanwhile, in order to investigate the matter itself or what happened at Jaggernaijkpoeram...
Dutch transcription
welke door van Bijland zijn aange„ klagt §59. zijne verdere nieuwe accusatie deert te zijn, uijtwijzens het aangeschreeven „ne bij de aparte brief aan den hier gewe„ „zen gezaghebber Tadama, en mij de dato 17. augustus laastleeden, met last om van deeze verrigting bij aparte brieven aan mij verslag te doen, en welke nadere Commissie te nodiger is geworden om dat de heer van Bijland zig ten uijttersten over de verrichtingen van die gecommit„ teerden beklaagt, en bij zijne voorwaarts, onder het tweede hoofdpoint deezer Memorie vermelde geschriften, niet onderduijdelijk te kennen geeft dat geen, het welk ik den 27. 9ber: bevoorens reeden had te vermoeden, met opzigt tot de voorsz: ongetekende. Iaggernaijk poeramsche missive, namelijk dat de daar bij ver„ vatte accusatien onstaan zijn uijt andere motiven als een eijge vrije beweeging van onbekende, zig verber„ „gen houdende Persoonen. want, om van andere gravaminas nog niet te spreeken, waar op toch anders als de bekomene kennis van, zoo niet een ge„ „heime aanmoediging direct of indirect tot 57 welke middelen te ontdekking van zaaken aan de hand geeft. tot het schrijven van deeze brief, fundeerd van Bijland zijne Houtmoedige beschul„ diging van ontrou bij het droevig ongeval van de watervloed in 1787. door de geweeze Iag„ „gernaijkpoeramsche opperhoofden van Halm en de Ravallet niet alleen, maar, om de moeijte tot onderzoek oneindig te maaken, zelfs met daar in te betrekken alle comp:s die„ waaren, welke toenmaals te Iaggernaijk„ „poeram bescheijden waaren, zonder een eenig enkel bewijs te beade te brengen, dan zijne gewoone wijze van denken, dat alles waar en zeeker moet zijn, het geen zijn E: komt aan- en optegeeven, en dat wan„ „neer daar na niet word te werk gegaan, hij recht heeft, ieder een van meede plichtigheijt of Corruptie te verdenken, zonder zelfs te overweegen, of het geen hij vermeent nodig te zijn wel in imands macht staat om het uijt te voeren, ge„ „lijk onder anderen zijn openie, dat een generaal amnesti omtrent alle meede„ plichtigen, onder voorwaarden van recht op te bregten, zou doen zien, met welke slegte voorbeelden van Halm en. ve en den ber„ inas 1 60. onderanderen het verleenen van amnesti en de Ravallet de gemeenten waaren voorgegaan, in het kort, dat bij een zuijver onderzoek, zelfs het nagaan der redicule rapporten, zoude blijken, dat'er genoeg zaam niets van sComp:s goederen was verlooren gegaan, eyndigende met eene serieuse vermaning dat dit stuk meer als anderen mijne attensie vereijschte. Althans ter vergadering van 31. de„ „cember voormelde, hebbe ik met de leeden geoordeelt dat amnesti te verleenen ons bestel te buijten zou gegaan zijn, als zijnde een beneficie afvloeijende van de Hooge overigheijd, en geheel buijten de macht en het vermogen van die dezelve, in een mindere graed, representeeren, immers niet, dan na voor afgaande speciaale qualificatie van u Hoog Edelheeden; en waarom er maar twee weegen open bleeven, namelijk om na die qualificatie te wachten of ordre te stellen tot een zoo beetekt mogelijk onderzoek, en bij ontwaa„ „ring dat 'er eets van voor '13: natuur, en slegten aart hadde plaats gehad te trach„ „ten van derwegen bewijzen te bekomen, welke van 58 161. twee getuijgen in vergadering onder Eede gehoort. contra geschrift tegens een voorig van de Iaggernaijkpoeramsche ingezetenen welke grond, en aanleiding tot een verder gerechtelijk onderzoek konnen geeven, inmiddels nategaan wat de, ter mijner ordre verzamelde papieren van die tijd qua„ „men te behelzen, en zoo de rapporten van een zodanigen bedenkelijken inhout mogten zijn, de gecommitteerden obdam en de Bruijn beiden in Loco aanweezig, hier over te onderhouden en hooren, wat zij de vergadering zouden ovrgeeven, zonder beraad of uijtstel dien aangaande. deeze persoonen, ter naasten bij eenkomst van den 5. Januarij 1791. in vergadering ge„ compareert, en eenige extempore ontworpe„ „ne vraagen gedaan, en die door hen be„ antwoord, en ipso momento met solemneele Eede bevestigt zijnde, voege ik die, inge„ schreeven bij een Extract resolutie van dien datum, in eerbied hier nevens, ten bewijze dat hen niets, hoe genaamt, van eenige gepleegde ontrou in het voorsz: geval, bewust is, als meede het ten zel„ ven dage door mij ter vergadering ge„ produceert Translaat van eene op de naam der gezamentlijk Jaggernaijkpoeram „sche ver le „ 18 vereijsschende beijde nader ondersoek 162. inthomatie tot verhoor van parthijen ten principale sche inwoonderen geschreeven brief de dat 20. December 1790. , ontvangen den 3. Ianua„ „rij 1791. , waar bij de voorsz: ongetekende brief door de onderschrijveren van deeze, ten eenemaal valsch, en voor gefingeert word gehouden. Van of die verklaaring is even zoo veel staat te maaken, als of de beschuldiging zelve, zoo lange de waarheijd niet aan den dag word gelegt; tot het onderzoek van dewelke, de voorsz: „precautioneele ordres aan het p:l geeligeert opperhoofd zijn gegeeven; en waar aan of den 26. Januarij met de vergadering gere„ „fereert en nader aangedrongen is bij de ten dien dage afgevaardigde aparte brief, als wanneer ik naaicht kreeg dat de tegenspoedige reis van gem: Eilbracht en den p:l secunde. van Hogendorp in zoo verre volbragt was, dat zij den 14. bevoorens Bimilipat„ „nam bereekt hebbende, mits de door„ staande contrarie wind, hunne reis verder over land zouden vervolgen. Om ondertusschen de zaak zelve ofte het gebeurde te Jaggernaijkpoe„ „ram.
English
to bring about an adjustment with the aforementioned van Bijland, and to place it in such a context that I could judge the reality of the complaints, and whether the former chief van Halm and his second van Someren ought to be held guilty of the misdeeds charged against them by van Bijland, concerning which a further hearing of the principal parties against each other had to decide, I formally summoned in writing on 22 December 1790 the former Coromandel authority Nicolaas Padama, together with the aforementioned van Halm and van Bijland, transmitting such documents as they were required to explain themselves upon, to appear by the beginning of January 1791 to be heard on several drafted articles and to answer them in each other's presence; without which I would perhaps not yet have been in a position to report on my findings, since the exchange of documents. continuation of the Honourable Company hereby, to a sum of ƒ7023. 19. 8., the demanding of costumados upon the delivery of goods from the warehouses; the conducting of trade in salt by way of a monopoly, the books of commerce of 1788/9 not being balanced in January 1790, when the office ought to have been accounted for; the arbitrary conduct of the chiefs van Halm and van Someren towards the incoming chief, withholding from him the necessary knowledge of affairs, and failing to devise with him, as was proper, any means to regulate everything together in unity and good understanding, not even deliberating upon that in which they differed with each other from the beginning, namely the union of the Masulipatnam merchants with the Jaggernaickpuram merchants: namely, the flight of the former, due to the mutual misunderstanding and the stubbornness in that regard, going so far that they attempted to maintain themselves by force of arms, the one to push through the union, and the other van Halm and van Someren suspended disposition concerning de Ravallet to prevent the same, whereby the Company's interests were placed in the utmost danger, fear and dread were brought among the community, and division and faction or following have been caused up to the present, for all of which reasons, following the instructions by letter of 17 August last, the aforementioned van Halm together with his former second van Someren have been suspended from office, rank, and salary, subject to Your High Excellencies' further pleasure; of which disposition notice has been given to Jaggernaickpuram, and regarding the aforementioned widow de Ravallet, as being implicated in the demanded costumado monies, and if necessary held responsible for the incident of 1787, she has likewise been instructed to remain there until after receipt of an answer from Your High Excellencies upon the proposal of matters to be made, while that which has been stated by van Bijland regarding the treacherous construction of the new warehouse and dwelling house there shall be thoroughly investigated on the Company's behalf, and the proofs which he requested to obtain shall, upon timely receipt, be added hereto. shortens the further description of matters contents of the 2nd and 3rd main parts of the defence by van Bijland With this hearing of the parties against one another, I can, with respect to what now remains to be remarked from van Bijland's writings, be shorter, and thus also easier for Your High Excellencies. Passing over the aforementioned brief summary of affairs, I shall therefore further deal here with that which appears to me to be worthy of observation in the second and third main parts. Second point. 2nd Main part. § 66. According to the introduction, upon his arrival he found neither books nor papers, much less cash accounts. The goods from the Company's warehouses circulated in private trade, the cash was deficient, a monopoly of the most essential necessities, the Company's servants were shortchanged in their salary and board money through the fabrication of false dabboes, yielding a loss of 12 to 20 percent, the goods delivered from the Company's warehouses were burdened with impermissible percentages, and his proposal to regulate everything properly and to cover the shortcomings with the cloak of charity had found no acceptance. Proofs relative thereto On the contrary, they had sought to prejudice him, and so to direct and arrange matters that he, van Bijland, requested the gentleman then governor rather to send another chief, as he found himself at his wit's end in this state of affairs. The only thing that appeared to remain for redress regarding the arrears was the union of the Masulipatnam merchants with the Jaggernaickpuram merchants. But against this, too, the chiefs van Halm and van Someren opposed themselves, and this intention was thwarted by a multitude of enumerated particulars and, because of this, reached that extreme which has already been set down here before, and is found described in the second part, the 1st and 2nd sheet from page 1 to page 8. The cash deficiency, ten months after the date on which the books ought to have been closed, van Bijland believes is clearly evident from the statement of balances of the last of August 1789.
Dutch transcription
59 „ram met voorm: van Bijland tot staan te doen komen, en te brengen in een zodanig verband dat ik konde oordee„ „len over de wezentlijkheijd der klagten, en of het geweezen opperhoofd van Halm en zijne secunde van someren, aan de hen door van Bijland ten lasten, ge„ „legde wanbedrijven schuldig moesten worden gehouden, waar omtrent een nader verhoor van de principale partijen tegen elkanderen moest decideeren, hebbe ik den 22. december 1790. den heer geweezen kormandelsch gezaghebber Nicolaas Padama, nevens voortz: van Halm, en van Bijland onder toezending van zodanige stukken als waar op zij zig dienden te verklaaren, schriftelijk geënthimeert tegen het begin van Ianuarij 1791. tot het hooren op eenige ontworpene articulen, en om daar op in elkanders tegenwoordigheijd te antwoorden; buijten het welke ik mo„ gelijk nog niet in staat zou geraakt zijn om van mijne bevinding verslag te doen, dewijl het uijtwisselen van stukken. dato vervolg vervolg van dE: Compagnie hier door, tot een somma van ƒ7023. 19. 8. , het vorderen van Cos„ tumados bij aflevering van goederen uijt de pakhuijzen; het drijven van handel in zout bij forme van monopo„ „lium, het niet effen zijn van de negocie boeken van 178. 2/9. in Januarij 1790. , toen het kantoor had behooren te worden verantwoord; het eijgendunkelijk gedaag van de opperhoofden van Halm en van someren omtrent het aankomend opperhoofd, hem onthoudende de noodige kennisse van zaaken, en met hem, gelijk behoorde geene middelen beraamende om, in eenigheijd en goet verstand, alles met elkander te regu„ „leeren, zelfs niet delibereerende over het geen waar in men, van den beginne af met elkan„ „der verschilde de vereeniging van de Mazu„ „lipatnamsche met de Iaggernaijk poeram„ „sche kooplieden, namelijk: het vluchten van de eerstgemelde, mits het wederzijds misverstand, ende hardnekkigheijd derwegen tot zoo verre, dat men zich gewapender hant heeft trachten te maintineeren, de eene om de vereeniging door te drijven, en de andere om 61 van Halm en rasomeren ge„ suspendeert dispositie noffens de Ravallet om zulks te beletten, waar door sComp:s be„ langens in het uijterste gevaer geraakt, mees en schrik onder de gemeente gebragt, en tot nu toe een verdeeltheijd en factie of aanhang is veroorzaakt geworden, al waaromme, na vol„ „gens aanschrijven bij brieve van 17. aug:s J:o „leeden, voorm: van Halm nevens zijn ge„ weezen secunde van someren, tot u Hoog Edelheeden nader goedvinden zijn gesuspendeert van ampt, qualiteit en gasie, van welke dispositie naar Iaggernaijk„ poeram kennis gegeeven, en ten opzigte van voorm: Ve. Ravallet, als in de afge„ „vorderde Costumado penningen betrokken, en voor het geval van 1787. des noods verant„ woordelijk, tevens aangeschreeven is, om aldaar te moeten verblijven, tot na ontvangst van antwoord van u Hoog Edelheeden op te doene voordracht van zaaken, zullende het geen wegens den trouloozen opbou van het nieuwe pakhuijs en woonhuijs aldaar, door van Bijland is opgegeeven, Comp:s wege naukeurig onderzocht, en de bewij„ „zen, die hij in te winnen verzogt heeft, bij tijdige ontvangst, deeze bijgevoegt worden. Met. mma cie isse de re verkort de verdere beschrijving van zaaken in houd van het 2. en 3. hoofddeel. der verdeediging door van bijland Met dit verhooren van partijen tegen elkanderen, kan ik, in op zigt van het geen nu noch uijt van Bijlands geschrif„ ten aantemerken valt, korter, dus ook gemakkelijker zijn voor U: Hoog Edel„ heeden. Ik zal derhalven het voorsz: kort summier van zaaken voor bij gaande„ alhier nog verhandelen, het geen mij in het tweede en derde Hoofd-deel voorkomst van speculatie te zijn. 165. 2. Point Volgens de inleijding, vond hij bij zijn aan„ 2: Hoofdeel. § 66. „komst, nog boeken, nog papieren veel minder cassa. reekeningen. de goederen uijt sComp:s pakhuijsen rouleerden in een particulieren handel, de Cassa quam te kort, een mono„ polium van de epsensieelste behoeftens, sComp:s dienaaren waaren te kort gedaan in gasie en kostgeld door het fabuiceeren van valsche dabboes, een verlies geevende van 12. tot 20. p:r C:o, de uijt 's Comp:s pakhuijzen afgeleverde goederen wierden met onge„ permitteerde percentos bezwaart, en zijn voorstel om alles behoorlijk te reguleeren, ende gebreeken met den mantel der liefde te B 62 Bewijzen daar toe relatif te bedekken, had geeningang gevonden. Ter contrarie men had hem zoeken te bena„ deelen, en de zaaken zoo te derigeeren en te schikken, dat hij van Bijland den heer toenmalige gezaghebber verzogt liever een ander opperhoofd te zenden, dewijl hij zig radeloos vond in deezen toedracht van zaaken. Het eenige dat wegens de agter„ stallen voorquam tot redres overig te zijn, was de vereeniging der Mazulipatnamsche met de Iaggernaijkpoeramsche kooplieden. Maar ook hier tegen verzette zig de opperhoofden van Halmen van Someren, en dit voorneemen word door een meenigte van opgetelde bijzonderheeden gedwarsboomt en geraakte om de wille van dien tot dat uijtterste, als hier voor reets is ter neder gestelt, en bij het tweede deel, het 1. en 2. e vel van pag: 1. tot pag: 8. word beschree„ „ven gevonden. de te kortkoming van de casse, tien maanden na den datum dat de boeken had„ den behooren geslooten geweest te zijn, vermeent van Bijland klaar te blijken uijt de opgaef der restanten van ult:o aug:s 167. 1789. van aan„ nder zen liefde te