VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3974

Coromandel / Bengal · 1,128 pages · 216 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3974_0140 view scan ↗

English

When the minting of Dabboes was ordered, and with what intention. Van Bijland's considerations. having weighed the same, first at the request of Van Bijland and thereafter at the meeting, in my presence and that of the parties. To obtain all possible clarity and illumination on this obscure matter of the dabboes, I have, in addition to what will be found described concerning it in the outgoing general letter, discovered upon examining the Retro Acta that the origin of this coin species, or the minting thereof, appears in Your High Excellencies' respected missive to Kormandel of 16 July 1753. At that time, Your High Excellencies understood that the Dabboes ought to be kept at a moderate price, because the linen collection and many good matters were involved therein, likewise that the copper not needed for that purpose ought to be sold in such a manner that the 100 lb would yield f 84, and the minting ought to be curtailed. The report that the merchant Van Bijland handed to me regarding the dabboes and his considerations thereupon, with an annexed calculation, annexes by him, and of this L. o A/, accord with the intention of the order. The value of the dabboes against the pagoda is not well regulated. appears to me to be the best of his papers, and entirely well reasoned. For what can correspond more closely with the aforesaid origin of the matter than that which forms the purpose of the said Van Bijland's representation: to promote the almost decayed sale of Japanese bar copper, and to allow the servants, without any loss other than the usual agio on salaries, to enjoy a better method of payment than has taken place up to now at the offices where dabboes circulate. Both of these propositions are contained within Van Bijland's opinion that both the pagoda and its value in dubboes are calculated too irregularly, and that because, above the profit on the copper according to the fixed selling price of pagodas 89. 16. 5., through the minting thereof, an advance must be brought to the Company, this makes the circulation of that coin species difficult, whereas, he says, it ought to be current just as well as that of foreigners, and it could be so, if one took note of how the foreigners how the dabboes could be made current. The profit upon minting calculated. act in that regard. To achieve that objective, Van Bijland further believes that the pagoda, or rather the Rupee that is minted at Jaggernaijkpoeran, ought to be brought to its exact value, namely the average of the highest and lowest bazaar prices. In the calculation after the report, this is further clarified and shown: that a bhaar of copper, instead of 16014, ought to yield 16860 pieces of Dabboes, which surplus of 846 dabboes he values for the expenses of minting. The bhaar of copper yielding this first-mentioned number, and being calculated upon disbursement to the Company's servants at 168 per pagoda, amounts to pagodas 95. 7. 57., and the selling cost to 89. 19. 50., which through minting calculates an advance of 5. 12. 7., or fully 6 1/8 per cent, above the 223 per cent which, through the disposal of the copper, just as upon sale, benefits the Company. The value of the dabboes must be calculated according to the rupee, and the copper at prime cost, and not selling price, which can yield 125 per cent profit. If one now supposes, he continues, that 1 bhaar of copper, from which 16014 pieces of good dabboes are minted, and according to the market price at 68 dabboes per Rupee, or 235 1/2 Rupees the bhaar, this would bring the Rupee to 3 3/4 per pagoda, and yield for the bhaar of copper Pagodas 62. 19. 16., and according to the present selling price of the copper, the bhaar at 89. 19. 50., giving a loss of 27. -. 34. or 29 5/16 per cent. Whereas, if the aforesaid 16014 dubboes at 68 per Rupee, and 255 for a Company's pagoda, or 1 bhaar of copper for that purpose costs pagodas 62. 19. 16., and instead of the selling price one took the prime cost at 27. 19. 40., then the Company gains through the minting thereof into dabboes pagodas 34. 23. 56., or 125 3/4 per cent, while the Company's servants would not have to suffer any loss on their salary, and this copper specie would in his view also serve as current money to the suppliers of linens, as good as the English their There must be two different profit calculations. Demanded elucidation from Jaggernaijkpoeran. gold and silver specie. Although I now very well understand the intention of the presenter, namely that there ought to be two distinct profit accounts, one by sale and the other by minting of the copper, and it would be a very desirable matter for the Company, even turning out very advantageously to make advances to the merchants in that manner for the collection, instead of sometimes having to negotiate money for that purpose, or for lack thereof leaving the procurement neglected, against which all difficulties, at least where the dabboes circulate, would cease, and the Company would still gain 125 per cent on its thus advanced money and obtain returns, which is of great importance to it, besides the profit through the sale of the copper, which outside of the minting can and must retain a separate valuation; I have nevertheless, in order to learn what might be practicable in the execution of the one and the other, on the 4th of the past month, the

Dutch transcription

ƒ69. wanneer het slaan van Dabboes is geordonneert en met wat inzigt van Bijlands consideratien. dezelve, eerst op verzoek van van Bijland en daar na bij de Comparitie, in mijne en partijens presentie, heeft gewoogen-. Om van deeze duijster zaak der dub„ „boes, alle mogelijke klaarheijd en ophelde„ „ring te erlangen hebbe ik, buijten het geen daar van, bij de afgaande generaale brief zal worden beschreeven gevonden, by het na„ gaan der Retro Acta ontwaart, dat de oorn„ „prong van deeze Marntspecie ofte het slaan derzelve zig opdoet bij u Hoog Edelheeden gerespecteerde missive naar kormandel van den 16. Julij 1753. Toen hebben u Hoog Edelheeden begreepen dat de Dabboes of een matigen prijs diende te worden gehouden, om dat de Lijnwaat inzaam en veele goede zaaken, daar in deel had, item dat het daar toe onbenodigde koper zodanig diende te worden verkogt, dat de 100. lb: ƒ 84. quam uijtte leeveren, en het munten behoorden te worden ingekrompen. Het bericht dat de koopman van Bijland 70. mij „wegens de dabboes en zijne Consideratien daar omtrent met een bijgevoegde bereekening 'tbijlagen van hem L: E:, en van deeze L. o A/ heeft. 64 strooken met de intensie der ordre de waarde der dabboes tegen de pagoot niet wel gereguleert heeft ter hand gestelt, komt mij voor het beste zijner papieren, en gansch niet qua„ „lijk beredleneert te zijn. want wat kan met de voorsz: origine van de zaak nauwer overeenkomen als het geen het but van gemelde van Bijland vertooning uijt„ maakt, den genoegzaam vervallen vertier van Iapansch staafkoper te bevorderen, en de dienaaren, zonder ander verlies dan het gewoone opgeld der soldijen te doen genieten, een betere wijze van betaling, dan tot nu toe op de kantooren alwaar dabboes rouleert, heeft plaats gehad. Beide deeze stellingen leggen opge„ § 71. slooten in van Bijlands meening, dat 'en de pagoot, en de waarde van dien in dubboes, te onreegelmatig is bereekent, en dat wijl boven de winst op het koper na de gestelde. uijtkoops prijs van pagoden 89. 16. 5. , door de vermunting van dien, advans aan de Comp:e moet worden toegebragt, het rouleeren van die specie bezwarlijk maakt, daar zo /:zegt hij :/ zoo wel, als die der vreemden Courant behoorde te zijn, en het zou konnen weezen, gave men acht hoedanig de vreem„ „den; and den goede de. land ien reekening S. o A hoedanig de dabboes Courant zou konnen worden gemaakt de winst bij vermunting berie„ kent den daar omtrent handelen.- Om dat oogmerk te bereiken vermeend §72. van Bijland alverder dat de pagoot, of liever de Ropij, die op Jaggernaijkpoeran gemant word, behoorde te worden gebragt op dies Juijste waarde, te weeten het me¬ dium van de hoogste en laagste bezaars prijs 73. Bij de bereekening agter het bericht word dit nader opgeheldert en aangetoond dat een baer koper, in steede van 16014. dient uijt te leveren 16860. stuks Dabboes„ welke meerderheit van 846. dabboes hij valideert voor ongelden tot de vermunting. de bhaar koper dit eerst gemelde getal uijtleeverende, en bij verstrekking aan 's Comp:s dienaaren tot 168. per pagoot bereekent wordende, komt te staan op. . . . . . . . . . . pag: 95. 7. 57. en het uijtkoops kostende op - - - - - „ 89. 19. 50. , dat door de vermunting een advans van s/ 5. 12. 7. ofte ruijm 6. 1/8. p:r C:to bereekent, boven de 223. p:r C:o, welke door de afstand van het koper, even als bij verkoop, de Comp=e ten goede komt. stelt 65 De waarde der dabboes diend na de roflij bereekend te worden en het koper tegen inkoops, en niet uijtkoops prijs om het kopper tegen ikoops, en woat uijtkoops prijs dat 125. p=r Cento winst kan afwer„ pen. stelt men nu vervolgt hij dat 1. bhaar 574. koper, waar uijt 16014. stuks goede dab„ „boes worden geslagen, en na de maakts prijs tot 68. dabboes per Ropij, ofte 235. ½. Ropij de baer, zoo zoude dit de Ropij brengen tot 3. ¾. per pagood, en voor de Baer koper opleeveren. . . . . . Pag: 62. 19. 16. En na de tegenwoordige uijt„ koops prijs van het koper de baer tot - - - - - - - - - - - - „ 89. 19. 50. een verlies geeven van. . . . . . . . . Op 27. —. 34. ofte 29. 5/16. perC:to. , waar en tegen„ wanneer meerm: 16014. dubboes tot 68. per Ropij, en 255. voor een 'sComp:s pagoot ofte 1. bhaer koper daar toe kost pr/o 62. 19. 16. en men in steede van de uijtkoops nam de inkoops prijs tot - - - - - - - „ 27 „27. 19. 40. dan winst de Comp:e door de vermun„ „ting van dien aan dabboesen. . . - po 34. 23. 56. ofte 125. ¾. p:r C:to wanneer 's Comp:s dienaaren geen schaade zouden behoeven te lijden op hunne besolding, en deeze kopere specie na zijn gedachte tevens verstrekken zoude tot courant gelt aan de Levaranciers van Lijwaaten, zoo goet als de Engelschen hun„ „ne eend t Daar dienen twee verschillende winst roekeningen te zij gevorderde blucidatie van Iagernaijk„ foeram „ne goude, en zilvere specie §75. Hoe wel ik nu zeer wel begrijp de mee„ „ning van den vertoonen, namelijk dat er twee bijzondere winst reekeningen een door verkoop, ende andere door vermunting van het koper behoorde te zijn, en het voor de Comp:e een zeer gewenschte zaak zou„ weezen, zelfs zeer. voordeelig uijtkomen om tot de inzamen de kooplieden op die manier voor uijt verstrekking te doen, in steede van, somwijl daar toe gelt te moeten negocieeren, of bij manquement van dien de aanbesteeding agterweegen te laaten, waar tegen alle zwaarighee„ „den, ten minsten daar de dabboes roulleert, Cesseeren, en de Compie of haar dus gefieert gelt nog 125. p:r C:to winnen, en retouren bekomen zoude, waar aan haar hoogelijk gelegen legt, behalven de winst door den vertier van het koper, die buijten de vermunting een aparte bepaaling kan en moet behouden; zoo hebbe ik om te ervaaren wat in de uijtvoering van het een en ander mogte practicabel zijn op den 4. van de gepasseerde maand het. 22.

NL-HaNA_1.04.02_3974_0145 view scan ↗

English

how many dabboes circulate in common usage per roppij. how many the servants receive per roppij. The aforementioned address and the calculation of Van Bijland were consigned by a separate letter to my brother, the provisionally elected Jagganaikpoeram chief, and because of this, and because of the damage suffered by the Company shown by Van Bijland at the foot of said calculation through the minting of counterfeit dabboes, such information and elucidations were requested as the copy of my separate letter demonstrates, to which I have not yet received an answer. In contrast to this, a provisional reply has already been made to me regarding a later separate letter of 15 January, also enclosed herewith in copy. This reply, although somewhat untimely, shows that dabboes in common usage fetch 72 to 80 for one ropij, in proportion to what its actual weight or fineness contains, but that the abolition of this dabboes minting would be desirable, because it is nowhere so harmful as to the most destitute Company servants, who receive no more than 48 to 49 pieces per ropij. awaiting disposition on this. to receive, which however in my view will cease if the proposals of Van Bijland are found to be practicable, and might deserve Your High Excellencies' approval or desired disposition, when his petition made to me will undoubtedly deserve gracious consideration, to request from Your High Excellencies a proportionate indemnification for the servants who have suffered significant damage since 1700½. What further comes into consideration regarding the dubboes will be found described hereinafter in paragraph 98 during the review of the report of the Jagganaikpoeram commission. Paragraph 76. The mixing of private accounts with those of the Company. The mixing of the chiefs' debts and private accounts with those of the suppliers, and the arrest of the latter, is proved by the annex of the second part, Letter D, being a translation of a Gentoo petition to Van Bijland, substantially corresponding to a similar testimony required in this matter. similar document, dedicated at that time, or on 5 February 1790, to the assembly, without any special disposition appearing regarding it, other than the ordered investigation by the commissioners Heshusius and Schliephaken, from whose report one can infer nothing other than the contrary of these and the preceding cases, about which I shall express myself further. In the fifth sheet of the frequently mentioned second part of the defense, pages 3 and 13, Van Bijland shows how a certain note came into the world, in which it is stated that the former governor Tadama was allegedly promised ten thousand ropijen if he removed him, Van Bijland, from his post and let Van Halm continue in it. Paragraph 78. As for the witnesses to whom Van Bijland refers, both in his mentioned second main part, page 3, the 2nd sheet, and at numbers 35 and 36 of the interrogatories, up to now as I write this, I do not know what possibly it is merely a rumor. what they will state. They have indeed been summoned hither, but they may remain at Jagganaikpoeram, where orders have been given for their examination under oath, as evidenced by the interrogatories sent along with my separate letters dated 27, 29, and 31 December 1790, as they were provided by Van Bijland and enclosed herewith in copy. Paragraph 79. But as for the matter itself, from the description of it by Mr. Van Bijland himself, it seems to be an intriguing subtlety of some rogue native rather than a real event; for after the disclosure to Van Halm of his intention to unite the Masulipatnam merchants with the Jagganaikpoeram merchants, there arose from this not only that upbraiding as he has treated again in the 2nd part, the 1st and 2nd sheet from page 2 to 8, and the 5th sheet page 2, but see page 3 of the latter, tempers were seething to such an extent, and the passions of Van Halm's head servant, named Triwengalam, Nothing proving liability of Tadama. wengalam had gone so far that he had publicly said, the new chief will burst or I will, and ten thousand ropijen are ready for that purpose. The principal or first bringers of this rumor are the Company's interpreter, and one Poeloe Ramaija, renter of Golapaliem, who are said to have warned Van Bijland's servant and some others mentioned by name, and Van Bijland is said to have requested a written statement from this servant of his, which was also granted to him. Here the question now arises: how can the terms used in passion by a heathen or Gentoo be attributed to Mr. Tadama, and does this statement provide sufficient proof that Mr. Tadama, who appears to have enjoyed 3000 pagodas from unlawful customados according to the answer to articles 37 and 39, although his Honor denies that, see the answer to article 38—does this prove, I ask again, that Mr. Tadama would have received the aforementioned ten thousand ropijen.

Dutch transcription

66 hoe veel dabboes er in de gemeene wandeling rouleeren per roppij hoe veel de dienaaren per roffij ontvan„ gen het voorm: adres, en de bereekening van van Bijland bij een aparte brief gecon„ signeert aan mijn broeder het p:l geeli„ „geert Saggernaijkpoeramsch opperhoofd, en derweegens, en wegens de door van Bijland aan de voet van ged: bereekening vertoonde schaade door het slaan van valsche dabboes bij de Compagnie ge„ „leeden, zodanige informatien, en eluci„ datien gevordert, als Copij van mijne aparte brief komt aantetoonen, waar op ik nog geen antwoord heb bekomen, waar en tegen aan mij bereets provisioneel is gerescribeert op een latere aparte brief van 15. Ianuarij, meede in Copia hier bij gevoegd: welke rescriptie, hoewel wat ontijdig aantoont dat de dabboes, in de gemeene wandeling doen 72. tot 80. voor een Ropij, na rato dat deeze zijn eijgenlijk gewigt of gehalte komt in te houden: dan dat de afschaffing van deeze dabboes mun„ „terij te wenschen ware, om dat ze voor niemant zoo schadelijk voor komt als de nooddruftigste „ sComp:s dienaaren die per ropij niet meer dan 48. â 49. stuks komen. #t, t k kan zin het verwagting van dispositie hier op kening met die van de Comp=e komen te ontvangen, dat echter na mijn gedagten cesseeren zal, zoo de voorstellingen van van Bijland uijt„ voerlijk bevonden worden, en U. Hoog Edelheeden approbatie of geerde dispositie verdienen mochte, wanneer ongetwijffelt een gracieuse aanmerking zal verdienen, zijne mij gedaane instancie om bij u Hoog Edelheeden voor de importante schaade geleeden hebbende dienaaren, Zeedert 1700½ een geproportioneert de dommagement te verzoeken. Het geen verder over de dubboes in aanmerking komt zal hier agter par: 98 — bij de beoordeeling van het rapport der Iaggernaijk poekam„ sche commissie worden beschreeven gevonden. §76. Het vermengen van der opperhoofden vermenging van particuliere ree„ schulden, en particuliere reekeningen met die van de Leveranciers en het arresteeren van deeze, word beweezen door de bijlage van het tweede deel L:d d: zijnde Translaat van een, Ientiefsch Request aan van Bijland in het zaakelijke overeenkomstig met een diergelijk; 6 getuij 67 zeeker briefje van 10000. ropijen hoedanig in de wereld gekomen getuijgenis. derwegen getequireert. diergelijk geschrift, toenmaals ofte den 5. februarij 1790. gedediceert aan de ver„ gadering, zonder dat daar over eenige speciaale dispositie anders komt te blij„ „ken, dan het geordonneerde onderzoek aan de gecommitteerden Heshusius en schliephaken, uijt wier rapport men niet anders, dan het tegendeel van deeze en de voorgaande gevallen, kan afneemen, dan waar over ik mij nader zal ver„ klaaren. Bij het vijfde vel van het meerm: 377. 2e deel. der verantwoording pag: 3. en 13:, toond van Bijland aan, hoedanig in de wereld is gekomen, zeeker briefje waar bij is opgegeeven dat de heer geweeze gezaghebber Padama Tien duijzend Ro„ „pijen zouden beloofd zijn, indien hij hem van Bijland uijt zijn post zette, en van Halm daar in liet continueeren §78. Wat de getuijgen aangaat, waar op van Bijland zig beroept zoo bij gem: zijn tweede hoofd-deel pag: 3. , het 2. de vel, als bij A:o 35. en 36. van de vraag poincten, tot nu dat ik dit schrijve weet ik niet wat elt en d: Vre ch mogelijk is het maar aen gerucht wat zij zullen komen optegeeven. zij zijn wel herwaarts ontboden, maar mogelijk blijven zij te Iaggernaijkpoeram, alwaar ordre is gestelt ter haarer ondervraaging onder Eede, uijtwijzens de nevens mijne apparte brieven de datis 27. 29. en 31. decem„ „ber 1790. afgezondene interrogatorias, zo als ze door van Bijland opgegeeven, en in copia hier bij gevoegd zijn. § 79. Maar wat de zaak zelfs belangt uijt de beschrijving van dien, door den heer van Bijland zelfs, schijnt het eerder een intre„ gante finesse van den een of ander schelmag„ „tigen Inlander, als een weezenlijke gebeur„ tenis te zijn; want na de openbaring aan van Halm van zijn, voorneemen om de Mazulipatnamsche met de Iaggernaijk„ „poeramsche kooplieden te willen vereenigen„ ontstont daar uijt niet alleen die opschult„ „ding zoo als hij ze bij het 2. e deel, het 1. en 2. e vel van pag. 2. tot 8. , en het 5:e vel pag. 2. weder verhandelt heeft, maar vide pag: 3. van het laaste, waaren de gemoederen zodanig aan het gisten, en de driften van van Halms Hoofd-dienaar in naame Tri„ „wengalam„ 23. 13 68 Niets beuijzenda tot laste van Sadama wengalam zoo verre gaande geraakt, „dat Hij publick gezegd had het nieuwe „opperhoofd zal springen of ik, en daar „leggen tien duijzend Ropijen voor gereed„ De voornaame of eerste aanbrengers van dit gerucht zijn sComp:s Tolk, en eene Poeloe Ramaija pachter van Golapaliem, die het zouden hebben gewaarschouwt aan van Bijlands dienaar, en eenige anderen bij naamen opgenoemd, en van Bijland zou van deeze zijn dienaar een schriftelijke opgave hebben begeert, welke ook aan hem was verleent geworden. Hier valt nu de vraag hoe konnen de. door Heiden of Ientief, in passie gebruijkte termen de heer Tadama toegereekent worden, en leevert dit zeggen genoegzaam 6 bewijs op, dat de heer Padama, schijnende uijt de ongeoorloofde Costumados, na aanlei„ „ding van het antwoord op de articulen 37. en 39. pagoden 3000. genoten te hebben, schoon zijn Achtbare dat, vide het ant„ „woord op articul 38. ontkent. bewijst dit, hervrage ik, dat de heer Tadama de gemelde Tien duijzend, Ropijen zou 3 80. hebben. cem¬ aan d ijk„ gen g T alam:

NL-HaNA_1.04.02_3974_0150 view scan ↗

English

why they have drawn! In my opinion, that is pushing the imagination too far, notwithstanding that the order of the then Palikatsche Council of 17 February 1790 may have followed upon it, namely that van Halm and van Someren would continue as chiefs, and that van Bijland would not interfere directly or indirectly with the affairs of the office, much less that it would be proven thereby that upon the arrival of the Company's sloop at Jaggernaikpoeram shortly thereafter, so much less silver would have been sent with it as the aforementioned ten thousand rupees amount to, in order to have the value thereof accounted for in the Company's treasury by the aforementioned Triwengalam. § 81. This sloop, with which the silver was shipped, appears in the Company's papers to be the Zeerob, which was dispatched from here on 22 February 1790 with 90 bars of bullion silver, and other goods besides: of its delivered cargo, including the aforementioned 90 bars in a sealed chest, in accordance with the bill of lading, a finding dated the last of February 1790 is to be found here at the Trade Office, indicating that everything was accurately counted and weighed, as well as delivered into the hands of the second, van Someren, as Administrator, signed for receipt by H:k J:s van Someren van Vrijenes, for the delivery by the master of the sloop Joachim Otto Dratzier, and that this was so done on the spot, and witnessed on the side by J:s Dormieux and G:t van Rechem as commissioners. § 82. All these people would now have had to willfully expose themselves to a false signature and declaration that everything, and in particular the silver, had been delivered from a sealed chest, if so much less had been found in it as the value of ten thousand rupees. And it seems to me that this document, the extract of which accompanies this, provides strong proof to the contrary, the more so because this matter appears to be nothing other than a true or false product of something similar, which the aforementioned first clerk Obdam also presents in his first report, with the addition of some other circumstances relevant to the matter. In order not to fall into repetitions of the very same thing, considering this matter concluded, I shall, for the sake of brevity, regarding that which His Honour states concerning the hiring of some peons, who were placed among the points charged against him in the separate resolution of 12 March 1790, as if he had sought to force himself into authority by force of arms, and how these peons were arrested by his opponent, refer both to his repeatedly mentioned defense, the 2nd ditto, 6th sheet, 2nd page, and to the answers of the parties to the questions posed by me, from No. 78 to No. 83, and especially the last, where they answer the question whether this alarm and the extremities pushed to the utmost were not the cause that the merchants became frightened, and the Company's interests were brought into the utmost hazard and danger, namely how van Halm acknowledges this under protestation of not being the cause thereof, and that van Bijland, on the contrary, believes that the arrest of the Company's merchants caused infinitely more commotion and danger to the Company's interests, because all the inhabitants were thereby frightened of further tyranny, which would be practiced by van Halm's servant, the aforementioned Tierewengelam. Be that as it may, these and other means employed in the utmost poor manner there, and by the council here, to bring about the accountability of the office, and of which the disadvantageous consequences will naturally be further proven in the general report, have from the beginning appeared to me to be of such a nature that they must be placed under the heading of the inexcusable. § 84. Herewith I arrive at the end of the defense of van Bijland, the 2nd main section, the 7th sheet, in which he defends the contents of his letters from page 2 to page 7, on account of which, among other things, he was arrested according to the repeatedly mentioned separate resolution of 12 March 1790. 85. From the answered questions No. 97 to 101, it appears that he completely adheres to what was written without wishing to deviate a single iota from it. It is also unreservedly repeated in the defense, the 7th sheet, page 3, where one reads: "that I hold the council to be corrupt, all swindlers, and not worthy to manage the Company's interests; to this I once again set my seal, and can add to it, but not detract from it." And putting aside as absurd the notion as if he would have overrun Jaggernaikpoeram with ten or twelve peons, there follows: "No, the inhabitants were not afraid of me, but the evildoers I have made to tremble and shake, and they still tremble before the righteous verdict of Their High Excellencies, who in their own conscience will even say, away with

Dutch transcription

waarom hebben getrokken! na mijn gedagten is dat de verbeelding te ver gepousseert, niet tegenstaande daar op mag gevolgt zijn de ordre van het toenmalig Pallea„ katsch Ministerium de dato 17. februarij 1790. , namelijk dat van Halmen van „blijven someren als opperhoofden zouden „ Con„ „tinueeren en dat van Bijland zig direct of indirect met de zaaken van het kantoor niet zoude bemoeijen, veel min dat daar door zoude beweezen zijn, dat bij het kort daar op gevolgde arrive„ ment te Iaggernaijkpoeram van 'sComp:s sloep, met dezelve zoo veel zilver minder zou verzonden zijn, als de voorsz: Tien duijzend Ropijen komen te bedragen, om door voorsz: Triwengalam, de waarde van dien, in 'sComp:s cassa te doen verantwoorden § 81. Deeze sloep, waar meede het zilver is „voor afgescheept, komt bij 'sComp:s papieren de Zeerob te zijn, welke den 22. februarij 1790. met 90. staaven baer. Zilver, en meer anderen goederen, van hier is verzonden: van dies uijtgeleverde lading, daar onder de gem: 90. Haaven in een verzegeld kist, 69 eige walsch kist, accoord met het cognoiscement, is alhier op het Negotie kantoor te vinden, Een bevinding de dato ultimo februarij 1790. , aanwijzende. dat alles accuraat getelt en gewoogen, mits„ „gaders aan den secunde van Someren als Administrateur is ter hand gesteld geworden, onderteekend voor den ontfangst door H:k I:s van Someren van vrijenes, voor de uijtleevering door den gezaghebber van de sloep Ioachim otto dratzier, en dat dit zodanig geschied zij op het spa„ cuim, en ter zijde door J:s Dormieux. en G:t van Rechem als gecomitteerden §82 Alle deeze menschen nu zouden zig moed willens hebben moeten exponeeren aan een valsche hand teekening en ver„ „klaring dat alles, en bij distinctie het zilver uijt een verzegelde kist was uijtge„ „levert, indien 'er in dezelve zoo veel min„ der als de waarde van Tien duijzend Rozijen was bevonden. En mij dunkt dat dit document, welkers Extract dee„ „ze verzelt, een kragtig bewijs van het tegendeel uijtleevert, te meer deeze zaak niet anders blijkt te zijn als een waar: woorden gevaar waar in het kantoor geweest d is waar of valsch gevrugt van iets dergelijks, waar voor de voormelde Eerste kerk obdam het bij zijn eerste bericht, met bij voeging van eenige andere ter materie toepasselijke omstandigheeden, ook komt op tegeeven. Ik zal, om niet van Bijland niet te vervallen in herhaalingen van een en het zelve, dit geval voor afgehandelt houdende, wegens het geen zijn E: opgeeft van het in dienst neemen van eenige pions, die bij de aparte resolutie van 12. Maart 1790. gesteld zijn onder de pointen ten zijnen laste, als hadde hij zich gewapender hand zoe„ „ken te dringen in het gezach, en hoe deeze pions door zijn tegenpartij gearresteert zijn geworden, mij kortheijds halven gedragen zoo aan meerm: zijne verantwoording het 2. e d:o, 6. vel. 2. pagina, als aan de antwoorden van partijen op de door mij gedaane vragen A:o 78. tot N:o 83. , en inzonderheijd het laaste, waar zij beantwoorden de vraag of dit alarm„ en de tot het uijteaste toe gepousseerde Ex„ tremiteiten niet de oorzaak was dat de kooplieden zijn bevreest geraakt, en 's Comp: diensten belang in het uijtterste hazeerd van en 83 70 van Vylands brieven en gevaar zijn gebragt geworden, name„ „lijk hoe van Halm dat erkent onder protestatie van daar van de oorzaak niet te zijn, en dat van Bijland daar en tegen vermeend dat het arresteeren. van 'sComp:s kooplieden, oneindig meer op schudding en gevaar voor 'sComp:s belang veroorzaakt heeft, wijl daar door alle Ingezetenen bevreest wierden voor verdere Tiranij, die door van Halms dienaar voorm: Tierewengelam zoude geoffend worden. Hoe het zij deeze en andere aldaar, en door het ministeruim alhier, ten uijtersten qualijk te werk gestelde middelen om de verantwoording van het kantoor te doen gevolg neemen, en waar van bij het generaal verslag de nadeelinge consequentien als van zelve nader zullen worden beweezen, zijn mij van den beginne af voorgekomen van dien aart te zijn, dat ze onder het onverantwoor„ delijke moeten gesteld worden. §84. Hier meede geraake ik niet van Bijland aan het einde der verdeedi„ „ging het 2. Hoofdeel het 7. vel, waar bij hij ke zoe„ Ze. agen arm a Comp:s 60 zeerd en. de. kragtigt. zich betrekt tot hij „ van pag: 2. tot Pag: 7. verdeedigt den inhoud van zijne brieven, om dewelke onder anderen hij volgens het meerm apart besluijt van den 12. Maart 1790. gearresteerd geworden. 85 Bij de beantwoorde vraagen N:o 97. tot nader door hem herhaalt en be„ 101. blijkt dat hij volkomen blijft bij het geschreevene zonder een Tota daar van af te willen wijken. Het word ook vol„ mondig herhaalt in de verdeediging het 7. vel. pag: 3, alwaar men leest: dat ik de raad voor gecorrumpeert, al „suad, en niet waardig houde om Comp:s belangens te beheeren; hier hang ik an „dermaal mij zegel aan, en kan daar „ wel bij, maar niet afdoen" En onder het absurde stellende, als of hij met tien of twaalf pions Iaggernaijkpoe„ „ram zou hebben afloopen. volgt daar op Neen de ingezetenen zijn niet „bevreest geweest voor mij, maar de boos„ „doenders hebbe ik doen zidderen en bee„ „ven, en zij beeven nog voor de rechtvaar„ „dige uijtspraak van Hun Hoog Edelheeden „die in gemoede zelfs zullen zeggen, weg „met

NL-HaNA_1.04.02_3974_0155 view scan ↗

English

Assessment thereof, and the consequences resulting therefrom. One should not have arrested van Bijland. "with these unfaithful, corrupted servants unworthy of managing the Company's interests! Whether it is now sufficient proof of this corruption to argue, as on page 3 of the 6th sheet of this defense, that in the administration of Coromandel under Mr. Tadama there is not a single branch to be named in which the greatest malversation and corruption does not shine through, is hard to believe. I acknowledge that the administration of the said Mr. Tadama is wrapped up in extremely questionable matters, disorders, and negligences, but I dare not take it upon myself to say that this originates from such bad principles, or is to be attributed to such base, evil sentiments, as those of which his Honor is suspected in more than one respect. This I do agree, that the ministry, deliberating repeatedly on the matters in dispute on 12 March 1790, especially should not have gone further than suspending the person whom they consider there as the aggressor, and in repetition I add that the granting of an arrest on person and property belongs to the office of the judge, and not to the political authority, as was also understood on the day in question, after the mistake was committed, although that intention was neglected by the Fiscal Brouwer out of ignorance or fear. 87 It is meanwhile this arrest that now causes the greatest commotion, and makes van Bijland more and more embittered, so that the defenses are found strewn with new accusations, which produce new difficulties and sometimes unpleasant dispositions for one or another. The third main part of the defense, and the following writing, will produce even more evidence of this. In this writing, not only are the actions of the commissioners at Jaggernaijkpoeram rejected regarding the investigation of matters, as can be seen on the 1st, 2nd, 3rd, and 4th sheet from page 1 to page 16, particularly regarding the manner of executing the arrest and against me for upholding the same, the manner of executing the arrest, the consequences and effects thereof, but on the 7th sheet, page 4, etc., my turn even comes; for after complaining about being summoned hither under arrest and not having been able to put his affairs in order, I am asked how I could also have consented to that violent manner of acting, not only continuing his criminal imprisonment, but further aggravating it by increasing the insults to him by having him escorted with foreign peons over foreign territory, regarding this as a very great concession to his enemies, and an intolerable harm done to him, because eight days later I had seen fit to release him from arrest upon a single presented petition, without anything else having been added to make the arrest legal than the ungrounded action of the fiscal, whose report submitted in that regard had only served in December, and, as a false calumny, merited no reflection, and why the demanded apprehension, according to van Bijland's opinion, could have taken place just as well at Jaggernaijkpoeram as here; reproaching me, on the other hand, for what had taken place regarding van Halm, who had arrived in honor and entered upon his service as chief administrator, with further remarks about leaving van Someren out of function, since, says van Bijland, he was no more guilty than van Halm, with the further addition of how he had tried in a friendly manner to persuade me to take another middle course, without the total ruin of so many servants, namely to consider myself convinced of his innocence, and to offer him the chief directorship, if he should accept and take over the debts of the merchants if they remained united or jointly and severally liable as guarantors for each other, which he would have done eagerly, provided van Halm and van Someren were removed from the scene and Tiroewengelam was barred from the place; asking, finally, why I denied him his post as chief! 89. To answer this now, I may, with your High Mightinesses' kind permission, ask in turn what was more in accordance with the nature of my commission: to have van Bijland come hither from Jaggernaijkpoeram to be interrogated and held accountable for his conduct, or to proceed thither in person and stay there for months and days; thus leaving my post for his sake, and sacrificing what was to be accomplished here to his affair, and consequently regarding the Company's service in no respect as serious as the case of him, van Bijland. Thus van Bijland seems to understand it, arguing that his conduct ought to have been investigated on the spot itself, or that I could just as well have relieved him there as here.

Dutch transcription

Beoordeeling van dien, en de daar uijt geresulteerde gevolgen. Men had van Bijland niet moeten arresteeren. „met deeze ontrouwe gecorrumpeerde „ dienaaren niet waardig Comp:s belangen „te beheeren! of nu ten bewijze van deeze Corrup„ „tie genoeg is te argumenteeren gelijk op pag: 3. het 6. vel van deeze defensie, dat in het cormandelsch bestier onder den heer Tadama, geen tak zou op te noemen, zijn, daar de grootste malversatie en conruptie niet in doorstraalt, valt be„ zwaarlijk te gelooven. Ikerken dat het bestier van gemelde Heer Iadama omzwachtelt is met ten uijterste bedenke„ „lijke zaaken, dis-ordres, en nalatigheeden, maar ik durf niet op mij neemen te zeggen dat dit herkomstig is uijt zulke slegte grond regels, of toe te schrijven zij aan zulke gemeene slegte sentementen, als waar van zijn Agtbare, in meer dan een opzigt, word gesuspecteert. dit stem ik toe, dat het Ministerium over de Zaa„ „ken in verschil, op den 12. Maart 1790. meermelt delibereerende, vooral niet ver„ „der had moeten gaan, dan tot het sus„ „pendeeren van den geen, die zij aldaara 86 houden 90. 1 17 tot ar„ en 21 met bewoeginge ontstaan uijt, dat arrest klagten over de wijze van het belaggen van dien, en houden als Aggresseur, en bij herheling voego. ik 'er bij dat het verleenen van arrest op persoon en goed, tot het ampt des Ree „ters, en niet tot de politie behoort, gelijk men ook, ten dage dienende, na het begaan van het abuijs, zelf begreepen heeft, schoon die intensie door den fiscaal Brouwer, uijt onkunde of vrees is verwaarloost gewor„ „den. 187 Het is ondertusschen dit Arrest dat nu de meeste beweeging, en van Bijland meer en meer verbittert maakt, zoo dat de verdeedigen doorzaaijt worden gevonden met nieuwe accusatien, die nieuwe moeij „lijkheeden en somtijds onaangenaame dispositien, voor den een of ander opleeveren Het derde Hoofd-deel van de verdeedi„ ging zal daar van, en het volgende geschrijt nog meer blijken oplaeveren produceeren. In dit geschrift worden niet al„ 2. poinct 3. Hoofddeel „leen gewraakt de verrigtingen der §88. gecommitteerden te Iaggernaijk poe„ ram wegens het onderzoek van zaaken gelijk op het 1., 2, 3. en 4. vel van pag: 1. tot pagina 16. tezien is, in zonderheijd over de 25. 72 tegen mij over het doen stand houden van het zalve de wijze van het beleggen van het arrest de gevolgen en uijtwerkingen van dien, maar bij het 7:e vel pag. 4. ensz:, kom ik zelfs aan de beurt; want na zig te beklagen van in arrest herwaarts ont„ „boden, en niet in staat geweest te zijn, om ordres te stellen op zijne zaaken, word mij gevraagd hoe ik in die gewelda„ „dige handelwijze meede heb konnen toestam„ schap men, zoo met zijne Crimineele gevangen a te continueeren niet alleen, maar die noch te verzwaeren, met de insultes te vergroo„ „ten van hem met vreemde pions over vreemd Territoir te laaten escorteeren, merkende dit aan als een zeer groote toegeevenheijd voor zijne vijanden, en een onlijdelijk hem aangedaan leed, want dat ik agt dagen daarna had konnen goed„ vinden, hem op een enkel gepresenteert Request uijt het arrest te ontslaan, zonder dat'er tot het wettig reekenen van het arrest iets anders was bij gekomen, dan de niet bankvast gemaakte actie van den fiscaal, wiens derwegen overge„ geeven bericht, eerst gediend had in December: ing Reet men van d nu moeij leeveren. di„ chrijt en. zaken over he 044 verwijt wagens de contrarie behande„ ling van van Halm December, en als een valsche calumnie geen reflexie meriteerde, en waarom de gevergde handtastig, na van Bijlands meening zoo wel te Iaggernaijkpoeram als hier had konnen plaats vinden; ver„ wijtende mij daar en tegen, het geen omtrent van Halm hadde plaats ge„ had, als in honeur zijnde opgekomen, en zijn dienst van Hoofd administra„ „teur aanvaart hebbende, met verdere remarcques over het buijten functie laa„ „ten van van Someren, daar hij doch zegt van Bijland, geen meer Schuld hadde als van Halm, onder verdere bij voeging hoe, hij in het vriendelijke getracht had mij te persuadeeren van een andere middelweg in te slaan, zonder de totale ruine van zoo veele dienaaren, namelijk mij overtuijgt te houden van zijn onschult, en hem de opperhoofdij aan te bieden, indien hij mogt aan en over neemen de schulden der kooplieden als zij vereenigde af in solidum voor elkander borge bleeven, dat hij greetig zou hebben gedaan, mits van 73 wederlegging der klagten van Halm en van Someren uijt de wegu„ waaren gezet en Tiroewengelam de plaats was ontzegt geworden; vragende: ter stot, waarom ik hem zijn post als opperhoofd hebbe onthouden! 589. Om nu hier op te antwoorden, mag ik met gunstig verlof van u. Hoog Edelheeden wederom vraagen, wat met den aart mijner Commissie over„ een komsteger was van Bijland van Iaggernaijkpoeram, ter verhooring en verantwoording van zijn gedaag, her„ waards te laaten komen, of in per zoon mij daar na toe te begeevenen, aldaar maanden en dagen opte houden; dus mijn post, om zijnen't wil te verlaaten, en het geen alhier te verrigten viel, aan zijn zaak op te offeren, en gevolgelijk 'sComp:s dienst, in geen op zicht zoo serieus aan„ te merken, als het geval van hem van Bijland. zoo schijnd van Bijland het te begrijpen met te argumenteeren dat zijn gedrag op de plaats zelve had behooren onderzocht te worden, of dat ik hem aldaar zoo wel als hier p:r uijt /6 1 het. ie ds an laa„ , uld e le. den bleeven, mits van

NL-HaNA_1.04.02_3974_0160 view scan ↗

English

continued could have released him from the arrest; but apart from the fact that this could only take place for some lawful reason and after a prior request, which does not appear to have been made until after his arrival; if Mr. van Bijland at Iaggernaijkpoeram had been willing to entrust his case to the commissioners, there might possibly, upon my arrival, have been an opportunity to view the case in a different light than when I still had to begin with it, on account of his persistent refusal to answer the commissioners and his desire to appear before whoever should be commissioned on the part of Your Right Noblenesses! What other course was there to take than that which, after my presentation made to the meeting on 30 September 1790, was deemed best, and was ordered in writing to Jaggernaijkpoeram! Moreover, van Bijland had after all more to answer for than his conduct at Iaggernaijkpoeram. It was consequently better; better that he should come here for that purpose, than that I should proceed thither! He was at Iaggernaijkpoeram, that is true, but since he was unwilling to do there what ought to be done, no other means remained than that which served to satisfy his own desire. Had a sloop been at hand over there, the expenses of his overland transport, and thus also his supposed affront, could have been prevented. But what affront or insult has he really suffered, having had an escort of a few peons with him! Does not a person travelling by land usually have such a suite constitute his train, or does Mr. van Bijland believe that one accepts as ready cash his so prompt exclamations of suffering wrong because he was transported across foreign territory! Does this not also happen when one undertakes the journey overland of one's own accord, and truly foreigners do not seem to have taken this very much to heart, nor indeed to have made any remarks about it, unless one accepts as truth what van Bijland wants to pass off as truth, namely: that the foreigners, crying vengeance over the injustice of the Dutch, would have taken him into their protection had he tried to avail himself of this, whereas he wisely thought this would rather ruin his case than improve it. In short, I had to do what I had to do, the first step being to make van Bijland appear, and to leave the arrest, under some mitigation, as it was, in order to be decided and determined after investigation as should be found proper by Your Right Noblenesses. §90 And as regards the release from arrest on parole here at Palleakatta, I am sorry to see such an intriguing consequence drawn from it afterwards, and that Mr. van Bijland did not refrain from submitting the petition, presented as he says against his will, which could have saved me the trouble of examining so carefully whether or not I ought to grant it, as is fully evident from the document submitted on 9 November. As Your Right Noblenesses are to judge these reasons, I flatter myself that these will infinitely sooner carry away Your highly honored approbation than what van Bijland reproaches me ought to have happened, namely to set him at liberty at Iaggernaijkpoeram and to annul the arrest itself: from this, or rather from the former, nothing else would certainly have resulted than new disorder and revolt, and had the arrest been completely nullified, I would have directly turned everything upside down, and would have had to take upon my own responsibility what constitutes the main question here, the lawfulness or unlawfulness of this arrest; whereas the judgment thereof belongs to no one other than Your Right Noblenesses alone, or to the ordinary judge in case Your Right Noblenesses might see fit to remit the parties thereto. §91. But what else would Mr. van Bijland say in order to be able to reproach me at the same time with his displeasure that van Halm was summoned with honor, and he on the contrary as an arrestee, without taking into consideration here that van Halm had indeed been relieved of his functions, but not yet suspended, much less arrested as he had been; that after his accounting at Iaggernaijkpoeram there was no reason not to have him come hither and, after the order in writing by Your Right Noblenesses, to let him assume the chief administration, partly under such restriction as Your Right Noblenesses were pleased to determine in separate letters to me dated 11 May of the past year, for which a trial of his capacity was required, and partly in order, if necessary, or if van Bijland produced evidence against him, to hear him thereon, and then to treat him according to the state of affairs; but to wait for this, Mr. van Bijland had no patience, van Halm's guilt was a settled matter with him, ergo he ought also to have been dismissed from the service long ago van Halm

Dutch transcription

vervolg het arrest had konnen ontslaan; maar behalven dat zulks niet kon geschieden, dan om een of andere wettige reeden en na voor afgaande verzoek dat niet blijkt eer als na zijn aankomst geschiet te zijn; hadde de heer van Bijland te Iaggernaijkpoeram zijn zaak willen vertrouwen aan de gecommitteerden, dan was 'er mogelijk, bij mijn aankomst het geval apparentie geweest om de zaak in een ander licht te beschouwen, als toen ik 'er nog meede moest beginnen, uijt hoofde van zijne volstandige weigering 0 van de gecommitteerden te andwoorden en te begeeren van te verschijnen voor de geen die van wegen u. Hoog Edelhee„ „den zoude worden gecommitteert! welke weg was daar toe anders in te slaan, dan die, na mijne op den 30. September 1790. aan de vergadering gedaane vertooning best geoordeelt, en naar Jaggernaijkpoe„ ram is aangeschreeven geworden! daar bij had van Bijland immers meer als zijn gedaag te Iaggernaijk poeram te verantwoorden. Het was gevolgelijk beeter; 26. 74 beeter dat hij ten dien eijnde hier quam, als dat ik mij derwaarts begave! op Iaggernaij kpoeram was hij, dat is waar maar aldaar niet willende doen het geen geschieden moest, bleef en geen andere mid„ del over dan dat het welk, zijn eige verlangen quam aan de kant te geeven. was 'er een sloep ginter bij der hand geweest, de ongelden van zijn transport over lant, en dus ook zijn ge„ waert affront had men konnen prevenieeren. maar wat affront of insulte heeft hij dog ondergaan, een Escorte van eenige pions bij zich gehad hebbende! maakt den trein iemant die over land reist niet doorgaans eene zodanige suite uijt, of gelooft de heer als van Bijland dat men „ gereede munt aan„ neemt, zijne zoo vaardige exclamatien van geleeden ongelijk om dat over vreemd territoir is getransporteert! geschiet dat ook niet wanneer men uijt eijge motif de reijs over land doet., en waarlijk de vreem„ „den schijnen zich dat met heel sterk aan„ getrokken, immers geene aanmerkingen daar over gemaakt te hebben, ten zij men gelde laat het geen van Bijland als waarheijd. maar hieden, te llen omst t gering den oor dhee„ welke dan 1790. poe„ k er; voor vervole verantwoording over het ontslag uijt het arrest onder hand tasting, en niet verder. waarheijd wil doen doorgaan, namelijk: dat de vreemden over de onrechtvaardigheijd der Hollanders wraek roepende, hem in haare protecie zoude genomen hebben, had„ de Hij zig hier van trachten te bedienen, dan waar omtrent hij wijzelijk heeft ges„ dacht zijn zaak eerder te zullen bederven dan verbeteren. Om kort te gaan zoude ik doen wat ik moest doen, het eerste was om van Bijland te doen compareeren, en het Arrest, onder eenige verzagting te laaten zoo als het was, om na onderzoek, te worden gedecideert, en gedetermineert zoo als door u. Hoog Edelheeden zoude bevonden worden te behooren. §90 En wat aangaat het ontslag uijt ar„ rest onder hand tasting hier te Pallea„ „katta, het doet mij leet, van agteren een zoo intrigant gevolg daar uijt getrokken te zien, en dat de heer van Bijland met het /:zoo hij zegt:/ tegen zijn zin gepre„ senteert request niet agter wegen is geblee„ „ven, wanneer het mij de moeijte had kun„ „nen uijtwinnen van zoo zorgvuldig na te gaan, of ik daar in al of niet behoorde te 75 en het ontbod van van Halm als hoofd-administrateur te bewilligen, als uijt het op den 9. Novem„ „ber ingedient geschrift omstandig komt te blijken. U Hoog Edelheeden die reedenen staande te beoordeelen, vleije ik mij dat die oneindig eer Hae„ re hoog geeerde approbatie zullen wegedlragen als het geen van Bijland mij verweit dat had behooren te geschieden, te weeten op Iaggernaijkpoeram hem in vrijheijd te stellen, en het arrest zelve te vernietigen: Hier uijt of het eerste was gewis niet anders geresulteert dan nieuwe disorder en revolte, en waar het arrest geheel te niet gedaen, verwintigt, dan hadde ik direct alles te onderste boven geworpen, en het geen hier de hoofd questi uijtmaakt, de wettig- of onwettigheijd van dit Arrest voor mijn ver„ antwoording moeten neemen; daar de be„ oordeeling van dien niemant toekomt, dan u. Hoog Edelheeden alleen, ofte den gewoonen Rechter bij zoo verre U. Hoog Edelheeden goedvinden mogten, partijen daar aan overtegeeven. §91. Maar wat zou de Heer van Bijland anders zeggen om mij met een te kun„ „nen. vervolg nen verwijten zijn ongenoegen over dat van Halm met honeur, en hij daar en tegen als gearresteert is opgeroepen, zonder hier in aanmerking te neemen dat van Halm wel buijten functie gesteld, maar noch niet gesuspendeert, veel min, gelijk hij gearresteert was geworden, dat na zijn verantwoording op Iaggernaijkpoeram er geen reeden was, om hem niet te doen komen herwaards en, na de aanschrijving door u Hoog Edelheeden, het hoofd adminis„ trateurschap te laaten aanvaarden, eens„ deels onder die restrictie als u Hoog Edel„ „heeden het bij aparte letteren aan mij de dato — 11. meij ao p=o geliefden te bepaa„ len, waar toe een proef neeming van zijne Capaciteit wierd vereischt, en ten anderen om des noods, of als van Bijland bewijzen. tegen hem inbracht, daar op gehoord, en dan na bevinding van zaaken behandelt Maar hier na te wachten, te worden; had de heer van Bijland geen gedult van Halms schult was bij hem een uijt„ gemaakte zaak, ergo had hij ook al lang uijt den dienst moeten gezet zijn van Halm

NL-HaNA_1.04.02_3974_0165 view scan ↗

English

76 and the leaving out of function of van Someren. van Bijland had expected to be placed immediately in the directorship. Halm is treated with honor, and he is treated with slight regard: how could it have been so understood? But how else was it to be arranged, since he belonged under a personal arrest, and no crime had yet been imputed to or charged against van Halm by anyone other than by van Bijland? And as regards van Someren, one of two things had to happen: either to reinstate him in his post as secunde, or to leave him where he then was until further orders. The latter seemed to me to be the most prudent, and as long as van Bijland had not proven that of which he held him guilty along with van Halm, I judged it ill-advised to make a change in the disposition previously made in his regard, notwithstanding that the necessity existed to provide the factory with another director and secunde. 192. This very arrangement is actually why Mr. van Bijland also declares war on me. For scarcely had I, upon the handover of the documents on which he had to serve, made this known to him, but I immediately noticed a different countenance. To be released from arrest and yet still be considered as under arrest was an incomprehensible injustice. He presumed that my commission specifically included restoring him to his post after a hearing. To hear and perceive the contrary appeared to him exceedingly strange, and if during the discussions held about this something of such a nature might have arisen, such as the invention of the so cleverly introduced middle course, then I will grant that as not being in my mind; but that something similar would have been proposed to me before that time is utterly untrue and beyond the impossible, because, apart from a short conversation on the evening of 1 November upon his arrival, I had not seen or spoken to van Bijland since, or until the 10th thereafter, and even the petition of 3 November on his behalf 77 I received from the hands of another. But even had this proposition once been made, I think that it would not have been advisable for me to listen to it, both from a lack of power and qualification, and because it would have been irresponsible to have reflected upon it as affairs then stood. And if Mr. van Bijland wished to prevent so carefully the ruin of several persons, why then not provide for it when there was time; why not seek the remedies when they were reasonably within his power! For the principal reason why he did not want to take over the factory was—see the answer to the 17th article of the questionnaire—the enormous debts of the merchants, and upon his departure from Iaggernaijkpoeram these were still in the very same predicament as when he had the choice to do that which was now too late, had the proposition otherwise been acceptable. §93. van Bijland contradicts himself, now against me, now for me. Had van Bijland taken over the factory, as he could and ought to have done, with the exception of the debts, then surely no such commotions would have resulted from it as the consequence and the loss of the directorship brought about by contradictory behavior. But the ambition of Mr. van Bijland had more extensive views; van Halm had to fall, van Someren consequently also, the agent Triwengalam was in the way, and now that his Honor feels that matters have been pushed too far, he thinks that the disputes and dissension can be made right by showing the appearance of philanthropy, or having wanted to fill the well when it was already half drowned and there was no recovery possible anymore. May it please Your High Nobles to forgive me for detaining your honored attention so long with the refutation of arguments that sufficiently lose their force by themselves, and would certainly 78 be considered as such; yet which have appeared to me in the manner aforesaid to be able to serve for my justification and defense, should it at times be deemed that they are needed. Although this conduct toward me, so directly contradictory to the praises appearing in other places, also shows that to Mr. van Bijland it seems to be one and the same how he describes someone: virtuous and unvirtuous, partial or impartial, as all this depends on his good and bad humors, and the confidence that his concepts and expressions are judgments without appeal or reformation. §94. One more thing brought to my charge, an accounting on two more points, deserves a brief answer. Namely, he had written to me from Iaggernaijkpoeram just before his departure and requested the summoning of certain persons who were to serve him as witnesses, and they had not yet appeared even in the latter part of December, just as if I should also have to guarantee that, whereas it was indeed announced to him that he had full freedom

Dutch transcription

76 en het buijten functie laaten van van Someren van Bijland had verwagt ter stond in de opperhoofdi gesteld te zij Halm geschiet honeua, en men doet hem kleen agting aan: Hoe heeft het zoo konnen worden begreepen. maar hoe was het anders te schikken daar hij behoorde onder een personeel Arrest, en van Halm noch geene misdaad door iemand als door van Bijland was toege„ rekend, of ten laste gelegt. En wat aangaat van Someren een van beiden moest geschieden, hem of weder te stellen in zijn post als secunde, of tot nader ordre, te laaten daar hij toen was. Het laaste is mij toegeschreenen het voor zig„ tigste te zijn, en zoo lang van Bijland niet had beweezen het geen waar aan hij hem met van Halm schuldig hielt, oordeelde ik ongeraeden verandering te maaken in de ten zijnen opzigte te voo„ ren gevallene dispositie, niet tegenstaande de noodzakelijkheijt daar was om het kantoor te voorzien van een ander opper„ hoofd en Secunde. 192. Deeze beschikking eigenlijk is het waarom de heer van Bijland ook mij den oorlog declareert. want nauwelijks had aan ik elt ng dog het was ongeraaden al had het konnen geschieden. had ik hem bij de overgave van de stuk„ „ken waar op hij moest dienen, dit bekent gemaakt, of ik bespeurde ter stond eene andere Contenance uijt het arrest ontslagen te zijn, en evenwel als gearres„ „teert geconsidereert te worden, was eene onbegrijpelijke onrechtvaardigheijd. Hij vermeende dat mijn Commissie wel speci„ „aal inhielt om hem, na verhoor te stellen in zijn post. Het tegendeel te hooren en te verneemen, quam hem ten uijteasten vreemt voor, en zoo 'er bij de hier over gehoudene descourssen iets van zodanig een natuur mogte te pas gekomen zijn als de uijtvinding van de zoo konstig te pas gebrachte middelweg, dan wil ik dat„ als mij niet voorstaande toegeeven, maer dat, voor dien tijd mij iets diergelijks zou voorgestellt zijn, is volstrekt onwaar, en buijten het onmogelijke om dat, behalven een korte Conversatie op den 1. November 's avonds bij zijn arrivement, ik van Bijland zeedert, of tot den 10. daaraan niet weder gezien of gesprooken, zelfs het Request op den 3. November zijn ent weegen. 77 aanmerking over te lrat betoont meede doogen weegen uijt handen van een ander ont„ vangen heb: maar deeze propositie ware eens geschiet, ik denk, dat het mij niet te raaden zoude geweest zijn, daar na te luijsteren, zoo uijt mancquement aan macht en qualificatie, als om dat het onverantwoordelijk zoude geweest zijn daar of, zoo als de zaaken toen Hon„ „den, reflexie te hebben geslagen. En bij aldien de heer van Bijland zoo zoogvuldig het verderf van verscheijde menschen heeft willen voorkomen, waar„ om dan daar niet in voorzien, toen het tijd was; waarom de remedien niet gezogt toen ze genoegzaam aan hem stonden! want het voornaamste waarom hij het kantoor niet wilde over„ neemen, waaren, vide het antwoord op het 17. A:o der vraagpointen, de en or„ „me schulden der kooplieden, en die stonden bij zijn vervtrek van Iagger„ naijkpoeram noch in het zelve predi„ cament, als toen hij de keuse had om dat geen te doen, het welk nu te laat was zoo de propositie anders aanneemelijk geweest. en te ver gepousseerde ambitie §93. van Bijland spraekt zich, om„ taend mij voor en tegen. geweest of gedaan waar. stad van Bijland het kantoor overgenomen, gelijk hij had konnen en behooren te doen, met „uijtzondering van de schulden, dan waa„ „nen 'er zeeker niet uijt geresulteert zul„ „ke commotien als door een tegenstrijdig gedrag het gevolg en verlies van de opperhoofdij is. Maar de ambitie van den Heer van Bijland had uijtgestrek„ „ter inzigten; van Halm moest tuij„ melen, van Someren gevolgelijk ook, de zaakbezorger Triwengalam was in de weg en ma, dat zijn E: gevoelt dat de zaaken te ver gepousseert te zijn, denkt hij dat de twisten oneenigheijd is goed te maaken met den schijn van menschlievendheijt te toonen, of de put te hebben willem dempen, toen het half verdronken, en er geen herstellen meer op was: U Hoog Edelheeden gelieve mij te vergeeven, dat ik haare geeerde aandacht zoo lang ophoude met de wederlegging van argumenten, die genoegzaam van zelve haer kracht verliesen, en zeeker zodanig 78 tegens wij zodanig zouden geconsidereert zijn, dog die mij zijn voorgekomen in voege voorsz: te konnen dienen ter mijner rechtvaardiging en verantwoording, indien het somwijl mogt geoordeelt worden die te benodigen, schoon ook dit gedrag tegens mij, zoo regel regt strijdig met of andere plaatzen voorkomende Louangien, doet zien, dat het den heer van Bijland een en het zelve schijnd te zijn hoe hij iemand beschrijft; deugdzaam en on„ deugdzaam, par tijdig of onpartijdig als de„ pendeerende dit alles van zijne goede en quaade luimen, en vertrouwen dat zijn concepten en uijtdrukkingen sententien zijn, zonder Appel of reformatie. §94 Nog iets tot mijnen laste aangehaalt verantwoording aan nog twee pointen verdient een kort aantwoord. Hij had name„ „lijk van Iaggernaijkpoeram eeven voor zijn vertrek, aan mij geschreeven en verzogt het ontbieden van sommige perzoonen die hem als getuijgen moesten, dienen, en die waaren zelfs in het laast van december nog niet verscheenen, even als of ik ook daar voor zou moeten caveeren, daar hem immers is aangekondigt dat hem volle vrijheijd

NL-HaNA_1.04.02_3974_0170 view scan ↗

English

freedom was given to gather and have passed his witnesses and muniments on the spot, according to his own discretion, by the person qualified for that purpose, with orders even for all possible help and assistance. But instead of this he saw fit to depart on his journey without witnesses and without acts, and that to add yet another new accusation to a multitude of others, namely that he had been prevented from taking information and that such was refused to be given as he desired, having upon his arrival informed him that he could expect all help from me, and that the required persons would be summoned if he pleased to present his interests to me by petition; but upon which the aforesaid request for release from arrest and the detention of two peons who had arrived with him from Iaggernaijkpoeram to be able to bear witness, followed without more, referring myself further regarding the timely summoning, even of the whole of Jaggernaijkpoeram or all its inhabitants, to that which is found described at paragraph 57 of this memorial. Paragraph 95. The remaining part of the aforesaid defense, Chapter 3, is an accumulation of ever the same complaints, and by intertwining the cases with new facts or accusations, suspicions, and inexhaustible inventions, to which there seems to be no end, and which make me extremely weary of having to read through them, judge them, sometimes pursue them, and then still provide my considerations. For when the report of the Iaggernaijkpoeram Commission is placed against everything that is presented by van Bijland regarding the harshness of the arrest suffered, the violent execution thereof, and in a word as utterly reproachable, insulting, and unjust, one finds all this contradicted and the contrary asserted, so that it is difficult to decide what is true or false as long as the proofs demanded in that regard cannot be collected and sent over. Paragraph 96. Meanwhile, with regard to this report, it catches the eye that the statement made therein, as if some of the merchants or the Mazulipatnam ones had no private accounts or outstanding matters with the former chiefs, appears upon further inspection not to have been properly investigated, or at least to have been stated differently than the outcome of matters shows. For two of these, namely Dewarpa Kamaija and Sjikka wenkaija, as evidenced by the proceedings of the meeting of the 21st of the past month, offered to settle their debit a bond to the debit of the merchant van Halm amounting to Pagodas 2492. 13½, which van Halm, having been heard on this, does deny being indebted to the holders of the bond, but nonetheless gives cause to suspect having outstanding matters with those merchants directly or indirectly; for on behalf of the Brahmins in whose name the bond is drawn, it is hard to believe that the holders would come forward if the value did not belong to them, the more so as they possess the bond without it having been transferred to them, from which must then be deduced a private business with these people, and that the report that van Halm had no debts to the merchants at Iaggernaijkpoeram cannot hold water in this respect. Paragraph 97. Several other statements in this report varying either from what van Bijland says about it, or what his proofs submitted in that regard dictate, all of which to unravel would be an endless task for me, I take the liberty merely to dwell upon that which appeared to me as the most remarkable, or to require some further elucidation. Paragraph 98. Concerning the minting of dabboes, of which mention was made hereinbefore in paragraph 68, the commissioners saying that upon the written order of the ministry, dated 10 August last, in order to shed further light on the matter, had resorted as the surest means to the minters to obtain knowledge of the true occurrence of the affair, who to the questions put to them, to be found among the appendices of their report, had minted dabboes of lesser value two years ago, which difference they estimated, according to their best recollection, at 4 percent, and the quantity minted at 7 to 8 bhaar of copper, that this minting had lasted no longer than one to one and a half months, and that they had thereafter minted the dabboes again of the same value as before. Paragraph 99. How this is now to be reconciled with the reports cited hereinbefore of the First Clerk Obdam and the Assistant de Bruijn, and what reliance one may place on the native testimonies in general, Your Right Noble Worships may be pleased to judge further from this single case or the difference in the one and the other.

Dutch transcription

vryheijd wierd gelaaten om op de plaats zelve, zijne getuijgen en munimenten, na eijge goetdunken te konnen inwinnen en passeeren laaten door den geen die daar toe is gequalificeert, met order zelfs van alle mogelijke hulp en assistencie. Maa in steede van dien vond hij goet op reis te gaan zonder getuijgen, en zonder Act en dat om al weder een nieuw beschuldi„ ging te voegen bij een meenigte van andere namelijk dat men hem belet had informa tien te neemen en weigerde zodanige „ te geeven, „als hij begeerde, hebbende bij zijn aari„ vement hem laaten te kennen geeven dat hij alle hulp van mij konde verwag „ten, en dat de gerequireerde persoonen zoude worden ontboden, in dien zijne be langen bij request aan mij geliefde voor te stellen; dog waar op het voorsz: verzoek om ontslag uijt arrest en de aanhouding van twee van Iagger„ naijkpoeram met hem aangekomen pions om getuijgenis te konnen geeven, zonder meer, opgevolgt is, refereerende mij ove„ „rigens aangaande het tijdig genoeg ont„ bieden; 79 ten al verder uijt. Rapport van de Iaggernaijk poeram„ sche Commissie spreekt zo meest tegen. bieden, zelfs van geheel Jaggernaijk„ poeram ofte alle dies Inwoonderen aan het geen bij par: 57: van deeze memorie word beschreeven gevonden. § 95: Het overige gedeelte van voortz: de„ van Byland strekt zijne klag„ Jensie Cap: 3. , is een op een stapeling van al een en dezelve klachten, en door vlech„ ting der gevallen met nieuwe feiten, ofte accusatien, verdenkingen en onuijt put„ telijke inventien, waar aan geen eijnde schijnd, en die mij ten uijttersten ver„ ze drietig maaken van „ te moeten doorleezen, beoordeelen, somwijl te vervolgen, en dan nog mijne Consideratien op te gee„ „ven. want het Rapport van de Iag„ gernaijkpoeramsche Commissie gelegt tegen alles wat wegens de hardigheijt van het ondergaan arrest, de geweldige executie van dien, en in een woord als ten 6 uijterste reprochabel, beleedigend, en onrechtvaardig door van Bijland word opgegeeven, dan vind men dit alles weder sprooken en contrarie beweert, zoo dat het bezwaarlijk valt te decideeren wat waar of onwaar is zoo lange de dien. en be aanmerking op dat rapport over de veront schuldiging van van Halm. dien aangaande gevorderde bewijzen niet ingevordert en overgezonden konnen worden. 5/96. Ondertusschen valt met op zich tot dit Rapport in het oog dat de daar bij gedaane opgaave als of sommige der koop„ lieden ofte de Mazulipatnamsche met de geweeze opperhoofden geen par„ ticuliere reekeningen of uijtstaande zaaken hadden, van agteren blijkt niet wel onderzogt immers anders opge„ geeven te zijn als de uijtkomst van zaaken komt uijt te wijzen. want twee van deeze innaamen Dewarpa Kamaija, en Sjikka wenkaija hebben uijtwijzens het verhandelde ter vergadering van den 21. der gepasseerde maand, ter afdoening van haar debet aan„ gebooden een obligatie ten laste van den koopman van Halm groot Pag: 2492. 13½. die van Halm, hier op gehoort, wel ont„ kent aan de houders van de obligatie debet te zijn, maar niet te min ree„ den geeft te vermoeden van uijtstaande zaaken te zijn met die kooplieden di„ rect of indirect: want voor de braminees ond op 80 onder anderen wegens de dabboes. op wiens naam de obligatie luijd, valt het qualijk te gelooven, dat de houders op zouden komen, indien de waarde hen niet toequam, te meer zij de obligatie bezitten zonder dat ze aan hen is overgedragen, waar uijt dan moet worden afgeleit eene particuliere affaire met deeze lieden, en dat het Rapport, dat van Halm op Iaggernaijkpoeram geen schulden had aan de kooplieden in dit opzigt geen proef kan houden. Verscheijde andere opgaven in dit Rap„ 197. en verscheijde andere contradictien port varieerende of met het geen van Bijland daar van zegt, of het geen zijne daar van ingediende bewijzen komen te dic„ teeren, al het welke uijt te pluijzen voor mij een werk zonder eijnde zou zijn, neem ik de vrijheijd alleen stil te staan bij het geen mij als het merkwaardigste is voor„ gekomen, of eenige nadere Elucidatie te vereijsschen. §98. Omtrent de dabboes munterij waar over in deeze hier voor par: 68. afs: gesprooken is, zeggende de gecommitteerden, dat zij op aanschrijven van het ministerium, de dato d di„ inees O verdenking van de ingewonnen getuyg schrikten derwegen. 99 dato 10. ' augustus Iongstleeden om den weegen nader licht te geeven, als het zeekerste middel haar toevlugt hadden genomen tot de vermunters om van de waare gebeur„ tenis der zaake kennisse te bekomen, wel„ ke op de hen voorgestelde vraagen, te vinden onder de bijlagen van haar rapport, twee Iaaren geleeden tabboes van minder waarde hadden geslagen, welk different zij, volgens haar best geheugen op 4. percento, en de vermunte quantiteit op 7. â 8. bhaar ko„ per begrooten, dat die vermunting niet langer dan een â een en een halve maand geduurt had, en dat zij daarna de datboes„ weder van dezelve waarde als te vooren hadden geslagen. Hoe. dit nu over een is te brengen met het geen de hier voorwaards geciteerde berichten van den Eersten kerk obdam en den assistent de Bruijn, en wat staat men over zulks op de Inlandsche getuijge schriften in het generaal mag maaken, gelieven u Hoog Edelheeden uijt dit enkele geval of het verschil in het een en ander, nader te beoordeelen. obdam. 299

NL-HaNA_1.04.02_3974_0175 view scan ↗

English

what of that is credible. Obdam, who proceeds with expertise, assures that the reduction of the value of the dabboes began in June or July 1788 and lasted until May or June 1789; that the reduction took place gradually from 3 to 4 to 10 to 12 percent, more or less equal to the circulating dabboes coming in from outside. De Bruijn testifies that since the first of June 1788 the dabboes were minted 6 percent lighter, and that this had lasted until the arrival of the second, Van Someren, or the first of October 1788, since which time, as he had heard, the dabboes were made even smaller and were reduced to 14 percent less than the Golconda dabboes; that for 5 bhaar of copper the Company ought to have had 91279 pieces of full-weight dabboes after deduction of all charges; that he cannot further say how long this lasted, but that the underweight ones were minted after a Bimilepatnam model, which may differ even more from the old full-weight dabboes than the Jaggernaijkpoeram ones, besides which he says that the Jaggernaijkpoeram chiefs have minted no lighter dabboes except with the prior knowledge and consent of the Palikol chiefs, who must receive the necessary dabboes from Jaggernaijkpoeram to pay the charges, calculating or setting the charges of the mint at 4 pagodas on the 480 lb of copper. Obdam adds to this that it has never appeared to him that the Company benefited from these additional dabboes thus produced from a bhaar of copper; the servants lost thereby, though not of great consequence, except when they had to spend them or exchange them for pagodas, which came to 3 to 4 per Madras three-figure pagoda due to the lesser value on the one hand, and on the other hand in the purchase of provisions and so forth at retail, which weighed upon the servants and the community in general, because at Jaggernaijkpoeram, in retail sales, everything is weighed out against dabboes, which according to the order must be done with Company dabboes, that is 64 pieces per seer; whereas now being so many percent lighter than an old genuine seer, one received proportionally so many fewer goods for the household, which was profit for the shopkeeper; a loss that affected only the lesser servants and the community, but which the senior servants did not feel, for reasons stated in the report. According to Van Bijland's calculation, 5 bhaar of copper should yield 107300 dabboes, differing from De Bruijn by 16021 pieces, who sets 91279 dabboes for the 5 bhaar. But however this may be, it is admitted by Van Halm at the 61st article of the questionnaire that the reduction effectively is 12 percent, arising simply from the fact that at the delivery of copper to the minters, so many more dabboes were demanded as a bhaar of copper yields; which, according to the previously cited report of the assayer Bloeme and the aforementioned De Bruijn together, caused a loss to the Company of 7023 florins, 19 stivers, and 8 pence over the course of 15 months, the compensation for which I respectfully leave deferred to Your High Nobility's esteemed discretion; as on the one hand it was done not by Van Halm alone, but with the seconds De Ravallet and Van Someren, without prior knowledge of the council, though as Van Halm says at article 64 of the questionnaire, done solely as an experiment and to investigate before proposing it whether the matter could proceed, which nevertheless, according to the said reports, deserves little and even less consideration if, as is quite possible just as according to Van Bijland's statement number 63 in February 1790, such were circulating which differed by 14 percent to the detriment of the good ones. Meanwhile, regarding all that remains to be investigated in that matter, what is necessary has been written to the present Jaggernaijkpoeram chief. In the aforementioned report of the commissioners it is also shown how the writing mentioned under paragraph 77 of this document concerning the corruption monies mentioned therein to the sum of ten thousand rupees came into the world, and the proofs of Van Bijland, so far as they have already been submitted and are still to be expected, will have to show whether my remark concerning the matter itself, see paragraph 80 and following of this, might be invalidated thereby. The commissioners, in order to show that, contrary to the contention of Van Bijland, they are not partial, or can even be regarded as such, make known in their report that they have had no opportunity to show this, since he has chosen not to answer, or to entrust them with the investigation of his case, or to give disclosure or proof of various accusations brought forward by him, so that he had to deduce that partiality from their conversation with Van Halm, Van Someren, and others.

Dutch transcription

81 wat daar van geloofwaardig z ƒ100. Obdam die met kundigheijt te werk gaat, verzekert dat de vermindering der waarde van de dabboes een aanvang heeft genomen met Junij of Julij 1788. , en ge„ duurt heeft tot Mei of Junij 1789. dat de vermindering gaande weg is geschiet van 3. â 4. tot 10. â 12. p:r C:to min of meer egael met de van buijten inkomende. rou„ leerende Dabboes. De Bruijn getuijgt dat Zedert Primo Iunij 1788. de dubboes 6. p:r C:o minder geslagen waren, en dat zulks had geduurt tot de aankomst van den secunde van Someren ofte primo october 1788. , zedert welke tijd, zoo als hij ge„ „hoort had de dabboes nog kleinder gemaakt, en vermindert waaren tot 14. op het hou„ dert minder als de golkondasche dabboes; dat de Comp:e voor 5. bhaar koper aan wigtige dabboes had moeten hebben 91279. stuk na aftrek na aitork van alle ongel„ den; dat hij wijders niet kan zeggen hoe lange dit geduaat heeft maar dat de minwigtige waaren geslaagen na een Bimilepatnamsch model, die met de oude wigtige dabboes mogelijk nog meer. gen welk nadeel Comp:s dienaaren lijden door de vervalschte dabboes. meer zullen verschillen als de Jaggernaijk poeramsche, behalven nog (zegt hi :/ dat de Iaggernaijkpoeramsche opperhoofden geen ligter dabboes hebben geslaagen dan met voor kennis en toestemming van de Palikol„ sche opperhoofden, die van Iaggernaijk„ poeram de nodige dabboes tot het doen der ongelden moeten ontvangen beree„ „kenende of stellende de ongelden van de munt â 4. pag: op de 480. lb: koper §10. Obdam voegt hier nog bij dat hem nooijt is gebleeken dat de Comp:e door deeze meerdere dabboes die dusdanig uijt een baar koper quamen is bevoordeelt; de dienaaren verlooren daar bij, dog niet van groot belang„ dan wanneer zij die moesten uijtgeeven of verwisselen tegen pagooden dat op 3. â 4. per Ma: drie beeldige pagood te staan quam door de mindele waarde aan de eene kant, en aan de andere zijde bij inkoop van pro„ visien en 13: in het klein dat de dienaaren en de gemeente in 't generaal drukte, want te Iaggernaijkpoeram word bij verkoop in het klein alles bij dabboes toegewogen dat, na de ordre, geschieden moet met Comp=e 82 an Halms Confessie. Comp:s dubboes, dat is 64. stuks p:r ceer„ daar ze nu zoo veel p:r C:o ligter zijnde. als een oud echt ceer, kreeg men, na rato, zoo veel minder waere in de huijs„ houding, dat winst was voor den win„ kelier; Een verlies dat de mindere dienaaren en gemeente alleen trof, doch de meerdere dienaaren, om reeden als bij het bericht niet gevoelden. §102. Na. van Bijlands bereekening zou 5. bhaar koper 107300. dabboes moeten uijtleeveren, differeerende met de Bruijn 16021. stuks, als stellende voor de 5. bhaar 91279. dabboes: maar hoe het ook hier meede geleegen zij, dit word bij het 61. articul der vraagpointen door van Halm toegestemt dat de vermindering effectief is 12. p:r C:o, spruitende eenvoudig hier uijt, dat bij de afgave van koper aan de vermunters„ zoo veel meer dabboes gevordert zijn als een baer koper opleevert, het welk uijtwij„ zens het hier voor geciteerde bericht van den naaekenaar Bloeme en voorm: De Bruijn te samen, in den tijd van 15. maanden aan de Compagnie een nadeel. hem e at et omp toegebracht berisht aangaande de Corruptie penningen. Nadeel de Compagine daar door nadeel van ƒ 7023. 19. 8. heeft veroorzaakt, de vergoeding van het welke ik met eerbiedigheijd aan u Hoog Edelheijds geeerd goedvinden gedefereert laate, als aan de eene kant niet door van Halm alleen, maar met de secundes de Ravalleten van someren, zonder voor kennis van de vergadering, dog zoo als van Halm of s: 64. van de vraag„ pointen zegt, geschiet te zijn enkel tot een proefneeming, en om voor dies voor„ stelling te onderzoeken, of de zaak Kon„ doorgaan, dat egter na de gem: berichten weijnig en noch minder reflexie verdient, indien en, gelijk welmogelijk is nog even als na van Bijland opgave /N„o 63. / in februarij 1790. , zulke rouleerden, welke 14. p:r C=to met de goede ten nadeele verschil„ „len; intusschen is nopens al wat daar omtrent verder na te seuren valt, het nodige aan het tegenwoordige Iagger„ naijkpoeramsch opperhoofd aangeschree„ ven: „103 Bij het voorsz: Rapport der gecommit„ „teerden word ook aangetoond hoedanig het Ge 83 ten gecommitteerden zeggen niet par„ tijdig te hebben konnen zij het sub pan: 77. dezer vermelde geschrift van de aldaar gementioneerde Corruptie penningen ter somma van Tien duij„ „zend Ropijen in de wereld is gekomen, ende bewijzen van van Bijland, zoo verre ze reets ingediend en nog te ver„ wagten zijn, zullen moeten uijtwijzen, of mijne aanmerking omtrent de zaak zelve, vide 80. en z. par: deezes, daar door krachteloos gemaakt mogten wor„ den: § 104. De gecommitteerden om te betoonen dat zij, contrarie de sustenu van van Bijland, niet partijdig zijn, of zelfs zoo aangemerkt konnen worden geeven bij hun Rapport te kennen, dat zij geen gelegenheijd gehad hebben zulks te too„ „nen, dewijl hij verkoosen heeft niet te antwoorden, of hun het ondersoek van zijne zaak toe te vertrouwen, dan wel opening of bewijs van een en andere door hem uijtgebrachte accusatien te geeven, zoo dat hij die partijdigheijd moest af„ leiden uijt hunne conversatie met van Halm, van Someren, en anderen, met akt ee„ Commit. nig

NL-HaNA_1.04.02_3974_0180 view scan ↗

English

And regarding the arrest of van Bijland, having acted with discretion and consideration for his person, beyond what they believe to have had such reasons for as they further specify in the report itself. Paragraph 105. Concerning the arrest, about which van Bijland complains with the utmost emphasis in every writing wherever he can, as being not only illegal, criminal, and without corpus delicti or proof of crime, merely out of a desire to ruin him, but also executed far more severely than the standing orders prescribed, and he thus being placed on a par with the vilest criminal; the commissioners testify in the report entirely to the contrary: saying that van Bijland had complete freedom in his house, even sat and walked outside his door whenever it pleased him, with free and unhindered use of his goods inside the house, just as he could also have had of other goods brought to Jaggernaickpoeram, had he not seen fit to refuse that, and to force the commissioners to secure them in the Company's warehouse, which had been considered by van Bijland as a seizure placed upon them; regarding which they, the commissioners, believe they have nothing to fear, having proceeded according to the orders given to them, as they have specified at the beginning of the report. Which precaution was used here regarding the discharged person. Paragraph 106. Meanwhile, in order to conduct myself with all possible caution in this delicate matter, upon the request of van Bijland for the release of his person, and the delivery of his papers as, and in the state in which they had been, and that he could be assured that no one had made use of them or approached them in an illegal manner and inspected or viewed them, on the 9th of November 1790 I used that precaution as shown by the extract resolution cited under paragraph 12 of this memorial; adding consequently thereto extracts from the further separate resolutions dated the 19th of November and 10th of December last, the one with the insertion of the deed concerning the opening and return of the seized papers, and van Bijland's protest against the former commander Tadama as having opened them separately, and the other in which is incorporated the said Mr. Tadama's justification of how that opening took place, and why it actually happened, which justification was solely accepted and inserted to serve in the deliberation of Your High Excellencies on what was laid down in the last-mentioned separate resolution as the opinion of the assembly with regard to van Bijland's claimed compensation for damages, which also extends to his goods still present at Jaggernaickpoeram, which, see the 10th sheet of the third part of his defense, page 1, he refuses to take over without a prior inspection and declaration of findings by the new chiefs, who, with the inventory and transfer of the office, upon request for orders regarding this, will be written to with the necessary instructions. That van Bijland was unwilling to gather evidence at Jaggernaickpoeram. Accusations. Paragraph 107. Regarding the refusal to gather evidence by van Bijland while still at Jaggernaickpoeram, commissioners Heshusius and Schliephaken refer in the report to the report of the scribe van Holt found in the bundle of annexes thereto, and simultaneously refute the complaint made by him to me concerning the refused disclosure of the state of the Company's treasury and the debts of the office upon his departure for Palicatte, to which I request permission to refer myself as well as to van Bijland's refutation of the entire report of the commissioners in the repeatedly mentioned third main part, the 1st, 5th, 6th, 7th sheet, the 4th, 5th, 6th, 7th, 8th, 9th, 10th, 11th, 12th, 13th, 14th, and 15th page, and the 10th sheet on the 3 following pages, item the attestation cited in the register of annexes thereto under number 9, van Bijland's proofs of new and other evidence that are also relevant to the numerous newly presented grievances, especially relating to what is alleged to have occurred during that dreadful inundation in the year 1787, the investigation of which cannot reach a conclusion until after van Bijland considers all his grievances proven in the manner as herewith. I receive elucidation regarding this from Jaggernaickpoeram, in which manner I shall also proceed upon receiving information on my separately recommended investigation whether such bad practices take place at Palikol as van Bijland alleges with a bitter pen against the second, Schliephaken. Paragraph 108. Yet another matter that occurs in that third main part of van Bijland's defense, the 9th sheet, pages 3, 4, 16, is his argument that all his stated grievances are fully proven by having it investigated how matters took place here, to obtain testimonies against him concerning his administration and accounting of the warehouses in the capacity of former warehouse master, and by having the expense account sworn to by the interpreter concerning the commission to the Nawab. The first part of this proposal has been fulfilled in so far that after summarizing van Bijland's defense against the accounting of the fiscal Brouwer, whereupon I therefore, in the treatment of

Dutch transcription

En bij het arrest van Bijland, met discretie behandelt te hebben met menageering van de zijne, dan waar voor zij vermeenen zodanige leeden gehad te hebben als ze bij het rapport zelve na„ der komen opte geeven. §105. Belangende het arrest, waar over van Bijland bij elk geschrift, waar hij maar kan, zig met de uijterste na„ „alleen druk beklaagt, als niet „ illegael, cre„ mineel, en zonder Corpus de licte of bewijs van misdaad, enkel uijt een lust om hem te ruineeren, noch veel strenger als de daar toe leggende ordres ter executie gesteld, en hij dus gelijk gesteld zijnde met de snoodste. misdadiger, betuijgen de gecommitteerden bij het Rapport weder geheel het tegendeel: zeggende dat van Bijland alle vrijheijt in zijn huijs gehad, zelfs buijten zijn deur ge„ zeeten en gewandelt heeft, wanneer het hem behaagde, met een vrij en onverhin„ deat gebruijk van zijne goederen binnen 'shuijs, gelijk hij ook had konnen geheid hebben van andere te Iaggernaij apoe„ „ram aangebragte goederen, hadde hij niet goedgevonden dat te weigeren, en den gecommitteerden 84 welke precautie alhier wegens het ontslagene gebruijkt is gecommitteerden te noodzaken om ze in 'sComp:s pakhuijs te secureeren, het welk door van Bijland, als een daar op ge„ legt beslag was geconsidereert geworden; dan waar omtrent zij gecommitteerden vermeenen niets te schroomen te hebben als te werk gegaan zijnde na de hem gegeevene ordre zoo als zij die bij den aanvang van het rapport hebben opge„ geeven. §106. Inmiddels hebbe ik om mij in dit teded point met alle mogelijke voor zigtigheijd te gedragen, op het verzoek van van Bijland om het ontslag van zijn perzoon, en de afleevering van zijne papieren zodanig, en in die staat als ze waaren ge„ weest, en dat hij gerust kon zijn dat nie„ mand zig daar van bedient of ze. op een illegale wijze genadert en visie daar van genomen of ze geschouden had, den 9:e Na„ vember 1790. die precautie gebruijkt als het sub par: 12. deezer. memorie aan„ gehaalt Extract resolutie komt uijttewijzen; voegende ten gevolge van dien daar nog bij Extracten uijt de nadere aparte besluijten de had na„ Over bewijs gen poe„ niet en Heerden de datis 19. November, en 10: december laastleeden het eene met insertie van de Acte nopens de opening en te rug gave van de in beslag genomene papieren, en van Bijlands protest tegen den heer geweezen gezachheb„ ber Tadama als die afzonderlijk geopent hebbende, en het andere waar bij is inge„ hijft gem: heer Padeima. verantwoor„ ding hoe het zig met die opening heeft toegedragen, en waarom zulks eijgenlijk geschied is, welke verantwoording en kel„ is aangenomen; en geinsereert om te dienen bij de deliberatie van u Hoog Edelhee den over het ter nedergestelde bij laast„ gemelde aparte resolutie als het gevoelen der vergadering met opzigt tot van Bij„ lands gesustineerde schade vergoeding die zig ook extendeert over zijne te Iag„ gernaijkpoedam als nog aanwezige goederen welke hij vide het. 10. vel van het derde deel zijner verdeediging Pag: I. weigert overteneemen zonder voor afgaan„ de visitatie en verklaaring der bevinding van de nieuwe opperhoofden, welke met het den opneem en het transport van kan„ „toor, op verzoek van ordre derwegen, het nodige 85 Dat van Bijland op Iaggernaijk„ poeram geen bewijzen heeft willen inwinnen beschubdigingen nodige zullen worden aangeschreeven ƒ107. Nopens het niet willen in winnen van bewijzen door van Bijland te Iagger„ „naijkpoeram nog zijnde, beroepende gecommitteerde Heshusius en Schlip„ haken zig bij het Rapport op het daar van bij de bondel der bijlagen van dien te vinden Rapport van den scriba van Holt, en wederleggen tevens zijn aan mij gedaan beklag over geweigerde ouver„ ture van den staat van 'sComp:s cassa, en „der schulden van het kantoor bij zijn vertrek naar Palleakatta, waar aan ik verlof verzoeke mij zoo wel te mogen gedragen als aan van Bijlands weder„ legging van het gansche rapport der ge„ committeerden bij het meermelde derde „ 10. 11.12. 13, 14, en 15. hoofddeel het 1, 5. 6, 7, vel. de 4. 5, 6, 7, 8, 9„ Pagina, ^ en het 10 vel op de 3. volgende paginas, ^item de op het register der bijlagen van dien sub N:o 9. –. aangehaalde Attestatie van Bijlands bewijsen van nieuwe en andere bewijzen die ook betrekkelijk zijn tot de bij meenigte opgegevene nieuwe bezwaaren, inzonderheijt betrekking hebbende tot het geen gebeurt zou zijn bij die geduchte water vloet in a:o 1787. , waar van het onderzoek geen beslag kan erlangen, dan na ens ands heb„ vlen van Bijland houd alle zijne be zwaarnissen beweezen in voege als hier nievens na dat ik derweegen elucidatie van Iag„ gernaijkpoeram bekoome, hoedanig ik ook zal te werk gaan, naricht bekomende op mijne appart aanbevolene navorsching of 'er zulke slegte stukken te Palikol plaats hebben als van Bijland met eene bittere pen tegen den secunde schliephaken komt op te geeven. § 108. Nog eene zaak die bij dat derde hoofd- deel van van Bijlands verdediging het 9. vel: Pag: 3. 4. lb. voorkomt, is zijn ar„ gument dat alle zijne opgegeevene be„ zwaarnissen volkomen beweezen zijn met te laaten onderzoeken hoedanig het zich alhier heeft toegedragen, „ vonge„ tuijgenissen te bekomen tegen hem wegens zijne administratie, en verantwoording van de pakhuijzen in qualiteit van geweeze te pakhuijsmeester, en met „ doen bezweeren de onkostreekening door den tolk omtrent de commissie bij den Nawab. Aan het eerste gedeelte van deezen voorstel is voldaan bij zoo verre dat na het resumeeren van van Bijlands verdeediging tegen de verantwoording van den fiscaal Brou„ wer, waar op ik dus, bij de verhandeling van

NL-HaNA_1.04.02_3974_0185 view scan ↗

English

86 not cease. His demand with respect to the interpreter at least deserves no reflection, as the necessary points concerning it will show. But what connection the taking of the oath of the interpreter apparently has with the well-known army account, I confess I do not understand, nor what firmness that can give to the matters concerning Iaggernaijkpoeram. But in this manner, if one lets him have his way, he will confuse one case with another, and drag them, as if by the hair, into those which ought properly to constitute the investigation of matters; and proceeding in this manner, I might well be called Inquisitor General instead of Governor of Kormandel. However, in the event of more emerging demands of a similar nature, I intend to check this by notifying Mr. van Bijland that my intention is not to go any further than those points which have now been dealt with and described, or which must still be cited from the documents piled up lying before me. Section 109. For, Right Honourable Sirs, as far as that army account is concerned, it has after all recently been passed by Your Right Honours. Continuation: passed; and if the oath is required for it, how can one demand it from the interpreter, who made the disbursements by order of the commissioners and advanced his own funds for it? Having recently, or on 21 January [illegible], made a request for the payment of what was still due to him, offering, for want of ready money, to accept merchandise for it according to the most recently established prices, the latter part of his request was granted to him, upon my communication to the assembly that this piece of work was also brought under suspicion by van Bijland, on the condition of providing security de restituendo, in case Your Right Honours might be pleased to make further provision regarding this. However, by another petition presented upon my announcement of that resolution and an explanation given of the reasons for that requested security, he maintains, not without reason, that the oath can no more be demanded than the security for a matter which has only been passed and validated by Your Right Honours yourselves after repeated justification 87 Justification of the Council of Justice on complaints against it by van Bijland. and determination. And it is also on the basis of this objection that the assembly has thought fit to satisfy the disbursements due to the interpreter, as stated, with merchandise in conformity with the said offer. Which I humbly request that Your Right Honours may graciously be pleased to approve, since the accountability, if it should be desired further, can be demanded not from the servant, but from the master, thus from the commissioners, and not from the interpreter. Section 110. Upon van Bijland's complaint against the Council of Justice concerning a certain attachment granted to the widow Cantervisscher, and the spoliation of the attached goods both here and at Sadraspatnam by the chief Simons, described in the frequently mentioned third main part, the 10th sheet of the 2nd page of the defense, although also not belonging to the matters in question, as being private, I have furthermore, van Bijland also quarrels with the High Government. solely for the esteemed elucidation and information of Your Right Honours, requested an accountability from the said Council and Simons, each individually. Which documents, according to the Register, are also attached hereto as appendices, with a separate accountability from a son of the said widow Cantervisscher to the said Council, to show that he is wrongly accused by van Bijland of having gone to court with an unlawful claim for his mother through the instigation of others, it having been requested of me in the disposition made thereupon to take it over as such. Section 111. The remainder of this defense, serving for what Mr. van Bijland believes must be regarded as a proof of his zeal and fidelity for the Company's interest—and in which regard I must not withhold from him the testimony even of a far-reaching zeal—likewise what follows thereupon concerning the prohibition of Your Right Honours communicated to him in extract against any further direct correspondence, leaving it in the terms as he 88 His interests on the report of the fiscal. has thought fit to set down, this, and what appears elsewhere in his papers as a warning that he has already made his complaint concerning the matters in general, and Your Right Honours' dispositions in particular, both to His Serene Highness as Chief Director and Governor General and to the Honourable, Most Worshipful Lords Majores, can show how far this fatal combination of a corrupted household and neglected and irresponsible handling of affairs has been pushed, and what infinite trouble is about to be caused by this; regarding which I hope that mine has already had its principal part. Section 112. To say something then of the commission demanded by the assembly on 12 March 1790 from Fiscal Brouwer, beyond what I have already described above under paragraphs 7 and 8, the [illegible] submitted by him on 10 December

Dutch transcription

86 maet Cattie op de zeger rekening niet ophouden Tin vordering ten op zigte van den Tolk althans verdient geen reflexie van dien het nodige zal aantoonen: maar wat connexie het afneemen van den Eed van den Tolk heeft voor de be„ kende leger reekening apparent, bekennen ik niet te begrijpen, of welke steevigheijd dat geeven kan aan de zaaken raakende tt Iaggernaijkpoeram. Maar zoo word dog laat men hem begaan, hij zal het eene geval met het andere verward, en als met de hairen getrokken bij die welke eijgenlijk het onderzoek van zaa„ ken moeten uijtmaaken, en zoo voort„ gaande, zoude ik wel inquisiteur gene„ „raal, in steede van gezaghebber van kor„ „mandel konnen genoemt worden, het geen ik egter bij meer op komende soortgelijke vorderingen denke te stuij„ ten, met den heer van Bijland aan„ te zeggen, dat mijn intensie niet is om verder te gaan dan tot die pointen, welke nu afgehandelt en beschreeven zijn, ofte nog aangehaalt moeten worden, uijt de stukken opgestapelt voor mij leggende. §109. want Hoog Edele Heeren. wat die leger reekening aangaat, deeze is immers nu Iongst door u. Hoog Edelheeden gepasseert. „bing¬ wegens van n ent daan van ron„ deling Bro vervolg gepasseert, en zoo den Eed daar voor word vereijscht, hoe kan men die vergen van den Tolk, die of ordre van de gecommitteerden de ongelden gedaan, en daar bij het zijne verschooten heeft, immer tot de betaaling van het geen hem nog competeerde onlangs ofte den 21. Januarij J2 verzoek gedaan hebbende met offerte om„ bij gebrek aan gereed gelt, daar voor koop„ manschappen na de Iongst gestelde prij„ zen te willen aanneemen is hem, op mij ne Communicatie aan de vergadering dat ook dit stuk werk door van Bijland in verdenken word gebragt, het laaste wel lid van zijn verzoek „ geaccordeert, mits stellende cautie de restituendo om of u Hoog Edelheeden hier omtrent nadere voor„ zieninge gelieven te doen, dog bij een ander request gepresenteerd of mijne aankun„ diging van dat besluijt en eene gedaane uijtlegging der reedenen van die begeerde cautie, sustineert hij niet zonder grond dat den Eed zoo min als de cautie ge„ veagt kan worden van een zaak welke niet dan na een herhaalde verantwoor„ ding 87 verantwoording van de Raad van Iustitie op klachte over haar door van Bijland ding en bepaaling door u Hoog Edelhee„ den zelve gepasseerd, en gevalideert is, en het is ook, op fundament van dit bezwaar. dat de vergadering heeft goed gevonden de ongelden die den Tolk competeeren te voldoen als gezegt met koopmanschappen conform de gezegde aanbieding, het welk ik ootmoedig verzoek dat uw Hoog Edel„ heeden goedgunstiglijk gelieven te approbee„ „ren, aangezien, de verantwoording zoo die al nader mochte begeert worden niet van den knegt, maar van den Meester, dus van de gecommitteerden, en niet van den Tolk gevergt kan worden op van Bijlands klachte over de § 110. Raad van Iustitie ter zaake van zee„ ker aan de weduwe Cantervisscher. verleent arrest, en het spolieeren van de gearresteerde goederen zoo alhier, als te sadraspatnam door het opperhoofd Simons, beschreeven bij het meermelde derde hoofd-deel het 10:e vel der 2=e Pagina van de defensie, schoon meede tot de zaaken in questi, als particulier, niet behoorende, hebbe ik ten overvloede enkeli voor„ der e oor„ van Bijland brouilleert zich ook met de Hooge Regeering enkel ter geeerde Elucidatie en narigt van u Hoog Edelheeden van gem: Raed en Si„ mons, ieder in het bijzonder verantwoording gevraagt, welke stukken na luijd van het Register, ook als bijlagen hier nevens gevoegt zijn, met een aparte verantwoording van een zoon van gem: weduwe Cantervisscher aan gem: Raed ter aantooning dat hij ten onrechte door van Bijland belicht word met een onwettige pretensie voor zijn Moeder, door opstooking van anderen, in Rechten is opgekomen, als mij verzogt zijnde bij het daar op gevallen dispositif het zel„ ve zodanig te willen overneemen. § 111. Het overige van deeze verdeediging dienen„ de tot het geen de heer van Bijland ver„ meent als een blijk van zijn iever en trou voor 'sComp:s belang te moeten worden aan„ gemerkt, en waar omtrent ik hem het ge„ tuijgenis zelfs van te verre gaande iever niet mag onthouden, item het geen daar of volgt wegens de hem in Extract meede gedeelde interdictie van U. Hoog Edel„ heeden tot een verdere directe Corres„ pondentie, laatende in die termen als hij 88 zijn belangen op het berisht van den fiscaal hij heeft goedgevonden het ter neder te stellen, kan dit, en het geen elders in zijne papieren voorkomt als eene waar„ schouwing van over de zaaken in het al„ gemeen, en u Hoog Edelheeden dispo„ sitien in 't bijzonder, bereets zijn be„ klag gedaan te hebben zoo aan zijne door luchtige Hoogheid als opper bewind„ hebben, en opper gouverneur generaal, als de wel Edele Hoog Achtbare Hee„ ren Majores, doen zien tot hoe ver„ re dit fatael samen stelzel van een bedorve huijshouden, veronagtzaam de en onverantwoordelijke behandeling van zaaken gepousseert, en welk eene oneindige moeijte hier door staat verwekt te worden; waar omtrent ik hoope dat de mijne bereets haar voornaamste deel gehad heeft. §112 om dan noch iets te zeggen van de door de vergadering sub 12. Maart 1790. den fiscaal Brouwer gedemandeerde Last buijten het geen ik daar over bereets hier voor onder Jar: 7. en 8. hebbe beschreeven, het door hem op den 10. december inge„ diende 33. van ten zinde dienen„ ver d t iever daar meede Edel„ als n „ aan„ trou

NL-HaNA_1.04.02_3974_0190 view scan ↗

English

The report served by Brouwer, broadly and specifically accurate in various respects, along with all the relevant appendices belonging thereto, as it accompanies this in a separate volume, having been communicated to van Bijland according to the tenor of the last-mentioned resolution, he thereupon presented his interests on 29 January 1791 by means of a petition to me and the Council, which I submitted to the meeting on the 12th of this month, and upon which on that day, after the information previously gathered by me, those reflections and notes were made as shown by the extract from the resolution of that date. Paragraph 113. The petition itself contains, besides another chain of infidelities and malversations, among others against Brouwer—while he, being Fiscal, also administered the provisions—a specific accusation of having measured with false measures, whereupon I immediately had an investigation conducted by a judicial commission, the outcome of which appears from the report received thereof and its appendices. Investigation of his complaints regarding the corrupting and seducing of witnesses. Paragraph 114. Since van Bijland complains very vehemently about the far-fetched action of the Fiscal's office concerning his administration and accounting of the warehouses, and among other things that the witnesses thereto had been corrupted or coerced with violence, with the request that an investigation might be made into this, while one of the weighers of the warehouses and his head servant would complain thereof in writing and retract their statements under oath, I also had an investigation conducted in that regard, in such manner as Your High Mightinesses may please to observe from a copy of an ordinance granted to the interim Fiscal's office, the result of which also appears from a written report and appendices, which documents are augmented by the original sworn complaints of the weigher in the Company's warehouses, Waitinada, and of van Bijland's head servant, Wengadasselam Poele, from which it appears how the inquest in the aforesaid affair—in which the case with the Havildar or Duan is intermingled—proceeded according to the statements of those people, and concerning which one of the members of the court of justice, named Luijken, who is accused by van Bijland's servant of having threatened him with his fist and of having done his part to make him say otherwise than his conscience dictated, requested of me to be permitted to vindicate himself, which I granted him; but that vindication, enclosed herewith in the original, signifies so little that the writer might well have spared himself the trouble of defending himself in such a manner, and moreover of paying the expenses of a stamp. Paragraph 115. In general, High Noble Sirs, my respectful opinion regarding this entire matter consists in this: that it does no honor to its instigators and contributes little or nothing to that which they intend with this sought-out action. For, not to mention that the matters with the Duan, which gave the principal occasion for the discord with van Bijland, should have been presented, properly investigated, treated, and recorded in their own time and not as if out of a kind of revenge over his conduct as elected chief of Jaggernaikpoeram, what is alleged to have occurred in the warehouses is utterly unacceptable, since he has rendered proper account and transfer of that administration without anything having been charged against him at that time. Regarding the Japanese copper. Paragraph 116. And if the case or the sought-out shortages in the warehouses were clear, I must ask, what then moved Mr. Sadama to pay into the Company's treasury for the 1600 lb of Japanese bar copper as if they were sold, or at least to have an ordinance made out for that purpose on his own initiative by the warehouse master De Graeff in the name of his servant Weeloe, which has been running as unpaid in the cash accounts since the month of December last, but which, now being somewhat better supplied with ready money, he has undertaken to pay? And the informalities of the documents. Paragraph 117. The documents or affidavits also sufficiently indicate of themselves that the action which they have sought to bring against van Bijland cannot possibly stand in law, or be accepted in proper evidential form. For where has it ever been seen or heard that testimony of the truth is demanded of deponents or attestants through articles? If their testimonies are to be valid, then the acts or statements should contain nothing other than a pure, sincere account of what the appearing parties can say or state of what is known to them or of which they are aware regarding the one or the other case presented to them or about which they are questioned. But to put words as it were into their mouths by interrogatories and certain reasons added thereto, telling them what they must say, is nowhere permissible, and such witnesses are.

Dutch transcription

Brouwer in verscheijde op zegte generaal, en speciaal geaccuteert diende bericht met alle de daar toe rela tive bijlagen, zoo als het in Een aparte banden deeze verzeld, na den teneur van het laastgemelde besluijt aan van Bijland gecommuniceert zijnde, heeft hij den 29. Januarij 1791. daar aan, hier op zijne belangen ingebracht bij een Adres aan mij en den Raad dat ik den 12. deezer ter vergadering hebbe overgelegt, en waar op ten dien dage na de voor af door mij genomene informatien, die beden„ „kingen en aantekeningen zijn gevallen als het Extract uijt de Resolutie van die datum komt uijttewijzen. § 113. Het Adaes zelve vervat buijten eene andermalige aan een schakeling van trou loosheeden en malversatien, onder anderen tegen Brouwer, terwijl hij fiscaal zijnde de dispens tevens administreerde, eene speciale beschuldiging van met valsche maat te hebben gemeeten waar na ik terstond door een Iustitieele commissie onderzoek heb laaten doen, en waar van den uijtslag bij het daar van ingekomen bericht en dies bijlagen komt te blijken. Vermits. 89 Onderzoek van zijn klagten over het Corkumpeeren en seduceeren van getuijgen Vermits van Bijland zeer heevig 114. doleert over de vergezogte actie van het officie fiscaal wegens zijne administratie en verantwoording van de pakhuijsen, en onder anderen dat de getuijgen daar toe gecorumpeert of met gewelt gedwon„ „gen waaren, met verzoek dat daar na onderzoek mocht worden gedaan, terwijl eene van de weegers der pakhuijzen en zijn Hoofd dienaar daar over schrifte„ lijk doleeren en hunne verklaaringen onder Eede herroepen zoude, hebbe ik ook derwegen onderzoek laaten doen, in dier voege als U. Hoog Edelheeden gelieven te beoogen uijt copia van een ordonnancie op het interum offici fiscaeel verleent, en waar van het gevolg meede bij een schriftelijk bericht en bijlagen komt te blijken, welke stukken vermeer¬ dert worden met de origineele beeedigde klagtschriften van den weeger in 's Comp:s pakhuijzen waitinada. en van Bij„ lands Hoofd-dienaar wengadasselam Poele, waar bij komt te blijken hoedanig het met de inqueste in de voorsz: affaire„ waar verantwoording van een der Leeden van Iustitie 's fiscals affaire onwettig waar onder het geval met den Haweldhaar of daan vermengt is, zich na de opgave toe van die Lieden heeft „ gedragen, en waar omtrent een der Leeden van Justitie in naame Luijken, die door van Bijlands Dienaar word beschuldigt hem met de vuijst gedreigt, en het zijne gecontribueerd te hebben, om hem anders te doen zeggen als zijn gemoet dicteerde, mij verzogt heeft zig te mogen verantwoorden dat ik hem heb toegestaan, maar die ver„ antwoording in origineeli hier nevens leggende, heeft zoo weijnig te beduijden, dat de schrijver de moeijte wel had konnen bespaaren van zig dusdanig te verdeedigen, en daar bij nog de ongelden van een Zegel te bekostige. § 115. over het algemeen Hoog Edele Heeren. mijn eerbiedig gevoelen wegen 1. deeze geinsche zaak bestaat hier in dat zij de aanleggers daar van geene eere aandoet, en weijnig of niets contri„ bueert tot dat geen, het welk zij met desk opgezochte actie bedoelen: want, om niet te zeggen dat de zaaken met den 34. 90 wegens het Iappans koper den Duan, welke tot de oneenigheijd met van Bijland de voornaamste aan„ lieding hebben gegeeven, op haar tijd, en niet als uijt een soort van revenge over zijn gedrag als geeligeert opperhooft van Iaggernaijkpoeram hadden moeten voorge„ stelt, behoorlijk onderzogt, verhandelt, en beschreeven worden, het geen in de pakhuijzen gebeurt zou zijn, is ten eenemaal onaan„ neemelijk, nadien hij van die administra„ tie behoorlijke verantwoording en Transport heeft gedaan, zonder dat 'er toen iets tot zijn laste is opgekomen. §116. En bij aldien de zaak ofte de opgezog„ te te kort komingen in de pakhuijzen helden. werre, dien ik te vragen, wat heeft dan de Heer Iadama gemoveert om de 1600. lb: Iappansch staafkoper als waren zo verkogt, in 'sComp:s Cassa te betaalen, ten minsten daar toe uijt eijge motief door den pakhuijs„ „meester de CRaeff een ordonnancie laaten maaken op naam van zijn dienaar. wee„ loe. , welke zedert de maand december laastleeden, bij de cassa reekening als onvoldaan voortloopt, dog het welk hij wat en de informalias der actens wat beter als nu van gereet gelt voor zien zijnde aangenomen heeft te betaalen §117. Ook komen de stukken of getuijgschrijf„ ten genoeg zaam als van zelfs aante„ wijzen, dat de actie, welke men daar meede tegen van Byland gezogt heeft in Rechten onmogelijk gelden, ofte als in forma probantie konnen aangenomen worden: want waar is ooijt gezien of gehoort, dat door articulen getuijgenis der waarheijd gevraagd word van depo„ santen of Attestanten! zullen deeze haare getuijgenissen gelden, dan behoo„ aen de Acten of verklaringen niet anders in te houden dan een zuijver, opregt verhaal van het geen de comparanten kon„ nen zeggen of opgeeven van het geen hen wegens het een of onder geval dat voor„ gesteld of waar na zij gevraagt worden, bekend of bewust te zijn: maar door interrogatorias en sommigen daar bij 6 gevoegde reedenen hen als in de mond te geeven wat zij zeggen moeten, is nergens practibel, en zulke getuijgen zijn.

NL-HaNA_1.04.02_3974_0195 view scan ↗

English

91 the mistreatment and imprisonment of witnesses are entirely reprehensible, because their grounds of knowledge do not then consist of what their consciousness conscientiously dictates, but rather what they, so to speak, have been taught by the questions or answer out of timidity, angst, and fear to questions about events of which they are ignorant, or at least do not possess enough thorough knowledge to speak purely from the truth, and thus not against their conscience through the questions. Witnesses are examined on specific articles when counter-questions are required in law; but when the original truth must be squeezed out of the throat by condemnations, bodily apprehension, chastisement, and through interrogatories, then the answer is entirely suspect, and not beyond reproach; and that in this matter the weigher Waitenada, among others, was forced with cane blows to answer as they wished it to happen, appears to me entirely consistent with the truth, as the warehouse master warehouse master De Raeff recounted to me that, at a certain time when this weigher was thus forced and beaten with canes to speak the truth, he utterly condemned such conduct and said that this was impermissible and unreasonable if testimony is given in that manner or through coercion. The apprehension of this Waitenada is also confirmed in the attestation obtained upon my order, and it is likewise confirmed that the former Commander Tadama had him turned out of the fort gate at night to clear off, or at least to go where he was told he had to betake himself. For all which reasons I consider this entire affair to be unlawful, informal, and insupportable, yielding nothing to the charge of Van Bijland but presumptions without lawful proof, and merely contrived and sought out to invent something or other against him, while it was felt that on the other side they had no 92 Reference to the annexes hereof had no sufficient hold against him to proceed and act so violently and aggressively as has been done pursuant to the reprehensible resolution of 17 February and the subsequent resolution of 12 March 1790, without however thereby approving his insulting attacks and offenses against the one whom he, however he was treated, should never have lost sight of as placed in authority and magistracy, and whom he therefore ought to have treated with infinitely more discretion and moderation. § 118 I shall therefore conclude this my Memorandum and humble considerations herewith, and upon receiving the information expected from Iaggernaijkpoeram, immediately add it thereto in originali; most obediently conforming myself, in everything that might not be specially cited herein relative to the annexes, to the Register made thereof, on which are therefore also listed seams of linen cloth handed to me by Van Bijland as evidence for one of his petitions, item the various judges everything to be more judicial than political the various sorts of reweighed dabboes which are to be found in the small chest of papers of the secretariat. § 119. I hope in this extraordinary, no less weighty case to have complied with the respected order and intention of Your Right Excellencies, and that, under favorable indulgence for any unforeseen defect in the execution of so many diverse matters amid the multitude of other occupations no less considerable for the service of the Company, Your Right Excellencies, now being informed of everything, will be pleased to discharge me from the investigation into crimes and infidelities, and, for the observance of my duty to promote the political and mercantile interest of the Honorable Company here on the coast, as requiring an entirely different study and contemplation, to grant that space of time and opportunity which is specially required for that purpose; and that Your Right Excellencies, if further information should be needed, will be pleased to devise and order those means and expedients which are infinitely better known to Your High Selves than to me, as in such cases they belong more to the department of Justice than that of Policy. 93 Palleakatta I pray Your Right Excellencies once again for a favorable reflection upon this, having the honor to remain with the deepest veneration, Right Honorable, Wide-Ruling Sirs, Your Right Excellencies' Faithful, bounden, and most obedient servant, signed Jacob Eelbracht Ao 1791. last day of February Agrees. 94 To the Right Honorable, Severe Sir, Jacob Eilbracht, Senior Merchant and Commander of the Coromandel Government with the resort thereof, etc. etc. Right Honorable, Severe Sir, With all zeal and diligence I shall apply myself to the work to satisfy the requirements of Their Right Excellencies, and pursuant to Your Right Honorable Severe Sir's highly respected order, in the hope and firm expectation that I may finally succeed in obtaining law and justice, having now already flattered myself with that five times without a hearing or examination. The first time, I poured out my grief to my ruler, Mr. Tadama, without a hearing; from there directly to the Palliacatta Council, also without redress, but only with an unforgivable partiality. Then I kept hoping in the two commissioners, who showed nothing but partiality to excuse Mr. Tadama and the Council, and to obscure and gloss over the malversations of the unfaithful chiefs if possible. Being desperate, I dispatched a vessel to

Dutch transcription

91 het mishandelen zijn alzints reprochabel, om dat haare reedenen van wetenschap dan niet be„ staat in het geen haare bewustheijd ge„ moedelijk dicteert, maar het geen zij, om zoo te spreeken door de vraagen zijn geleert of uijt timiditeit, angst en vrees antwoorden op vraagen na gevallen, waar van zij onkundig zijn, ten minsten geen grondige kennisse genoeg bezitten om rein uijt de waarheit, en dus, door de vraagen niet tegen haar gemoed te Men koort getuijgen op spreeken. articulen wanneer er in Rechten contra vragen nodig zijn: maar als de oorspron„ kelijke waarheijd door condemnatien Cor„ poreele apprehensie, kastijding, en door in terrogatorias uijt de keel moet worden geperst, dan is het antwoord alzints sus„ pect, en niet buijten Reproche, en dat in deezen, de weeger waitenada onder anderen, met rotting slagen ge„ dwongen is te antwoorden, zoo als men wilde hebben dat geschieden zoude, komt mij alzints voor, met de waarheijd over„ eenkomstig te zijn, als hebbende de pak„ huijsmeester. en gevange zetten van getuygen huijsmeester de Raeff mij verhaalt, dat hij, op zeekere tijd, dat deeze weeger dus¬ „danig gedwongen, en met rottings ge„ slagen wierd om de waarheijd te zeggen, diergelijk een gedoente ten uijttersten af„ gekeurt en gezegt had dat dit ongeper„ mitteerd en het onreedelijk was, indien het getuijgenis op die wijs of door dwang word gegeeven. Ook wordt het appre„ henderen van deeze waitenada. bij de, ter mijner ordre ingewonnen altesta¬ „tie, en tevens bevestigt dat de geweeze ge„ zaghebber Tadama hem bij avond, de poort van het fort heeft laaten uijtzet„ ten om zig weg te pakken, ten minsten te gaan daar hem gezegt was dat hij zig vervoegen moeste. Al waarom ik deeze geheele affaire voor onwettig, in„ formeel en onbestaanbaar houde, tot laste van van Bijland miets opleeverende dan presumtien zonder wettig bewijs, en alleen bedagt en, gezogt om het een of an„ der tegen hem uijt te vinden, terwijl men gevoelde dat men aan de andere zijde geen 92 Referte tot de bijlaagen deezes geen vat genoeg hadde om zoo heevigen violent tegen hem te doen ageeren, en handelen als zijn tot geweest is uijt hoofde van het reprochabel besluijt van 17. februarij, en de daar op gevolgde Resolutie van den 12. Maart 1790. , zonder hier meede nogthans goet te keuren zijne injurieuse aanvallen en beleedi„ gingen van den geen die Hij, hoe men Tegende hem ook behodelde, nimmer uijt het oog had moeten verliezen, als in gezach en overigheijt gestelt, en welke hij derhalven met oneindig meer. bescheidenheijd, en moderatie had be„ hooren te behandelen. §118 Ik zal derhalve deeze mijne Memorie en onderdanige consideracien hier meede besluijten, en van Iaggernaijkpoeram de ver„ wagt wordende informatien bekomende die, ter stond in originali daar bij voegen; mij aan alles wat in deeze niet speciaal mocht zijn aangehaalt betrekkelijk tot de bijlagen„ gehoorzaamst gedragende tot het daar van gemaakte Register, waar op derhalve ook vermelt staan zoomen van Lijnwaat, door van Bijland mij inhandigt als bewij„ zen tot een van zijn addressen, item de onderscheidene; 35. oordeele alles meer Iustitieel dan politicek te zijn onderscheidene, soort van nagewogene Dab„ boes, die in het kasje der papieren van de secretarij zijn te vinden. § 119. Ik hoop in dit Extra ordinair niet min ge„ wichtig geval, aan de gerespecteerde ordre en intensie van U: Hoog Edelheeden te heb„ ben voldaan, en dat onder goedgunstige inschik„ kelijkheijd van het een of ander onvoorzien mancquement in de uijtvoering van zoo veele onderscheijdene zaaken, bij de meenigte van andere voor den dienst van de compagnie niet minder aanmerkelijke occupatien u. Hoog Edelheeden nu van alles geinformeert mij zul„ len gelieven te dechargeeren van het onder„ zoek na misdrijven en trouloosheeden, en om ter betrachting van mijne pligt tot bevorde„ ring van het politiek en mercantie belang der. E: Maatschappij hier ter kuste, als een geheel andere studie en overdenking vereijsschende, te bezorgen die ruimte van tijd en gelegenheijd, welke daar toe apaat word vereischt, en dat u Hoog Edelheeden, indien er verdere informa tien nodig mogten zijn daar toe die middelen en expedienten zullen gelieven te beraamen, en te ordonneeren, welke Hoog Dezelve oneindig bee„ tra 93 Palleakatta ter als mij bekent zijn, dat in dusdanige gevallen, meer tot het departement van de Iustitie, als de Politie behooren. Ik bedde U. Hoog Edelheeden andermaalt hier op om een goedgunstige reflexie, de eeren hebbende van met de diepste veneratie te ver„ blijven. Hoog Edele wijd Gebiedende Heeren. Uwer Hoog Edelheeden Trou Schuldigen en Zeer gehoorzamen dienaar /:was getekend/ Iacob Cilbracht Jacob Eelbracht Ao 1791. ultimo Februarij Accordeert. ƒ 2 94 Aan den wel Edelen Gestrengen Heer Jacob Eilbracht opperkoopman, en Gezaghebber. van het Cormandelsch Gouvernement met den resorte van dien. Etc: Etc:a Wel Edele Gestrenge Heer Met allen yver en vleijt zal ik mij, aan het werk ter voldoening van het gerequireerde van Hun Hoog Edelhee„ dens, en ingevolge uwel Edele Gestrenge zeer gerespecteerde ordre in hoope en vaste verwagting dat het mij eijndelijk eens gelucken mag van regt en geregtigheijd te erlangsn, als hebbende mij nu reets vijf maal daar meede ge„ flatteerd zonder gehoor of verhoor, de eerste maal boesem„ de ik mijn haat aan mijnen gebieder uijt, de Heer Iadama zonder gehoor van daar direct aan den Palliacatsen Raad, ook zonder redres als alleen met eene overgeefelijke partijschap Toen bleef ik hoopen op de twee gecommitteerdens, „ie niet anders als parthijschap getoond hebben om de heer Tadama, en den Raad te verschoonen, en de ontrouwe opperhoofden hunne malversatien te ver donkeren, en te verbloemen was het mogelijk. Van radeloos zijnde, vaardige ik af een vaarthuijg na

NL-HaNA_1.04.02_3974_0202 view scan ↗

English

to Batavia, the reception thereof, and its referral is not the place here to make remarks upon, so as not to proceed from bad to worse; then I was informed that Commissioners from Europe were about to arrive, without my being able to discover, in my strict imprisonment, what their commission was; I nevertheless found an opportunity to convey my bitter complaints to Their Right Honorable Sirs, in the hope and expectation that they would be invested with such orders as to restrain the cruel, tyrannical disposition; but there too I found neither comfort nor answer, as being, as I subsequently learned, solely for the military. Finally and at last this entire matter was assigned to Your Right Honorable Sir; truly, no one better could have been devised for it, who in knowledge as well as in diligence surpasses so many. The manner in which Your Right Honorable Sir treats this entire matter inspires the greatest confidence in both parties, and with that prospect I shall bring to the attention of Your Right Honorable Sir, with all reverence, decency, and respect, all that has occurred, with this reservation nevertheless, that at a more convenient, peaceful, and suitable time, in an ample deduction, I shall address myself and demonstrate how and in what manner a faithful advocate of the Lords Masters' interests has to struggle, 95 to struggle in these regions, and intends to submit the same to our Supreme Director, our beloved Stadtholder, His Serene Highness, the Restorer of rest, peace, and freedom, and good order in our beloved fatherland, so that His Highness may also be pleased to grant an eye of mercy and protection to these conquered lands, so that the tyrannical, unheard-of, violent conduct without justice may be curtailed and curbed, so that thereby the Netherlands' mild and highly respected laws may again be brought into vigor, so that the well-born Netherlanders may raise their heads, shake off the yoke of slavery, in order to be able to look after the Company's interests with that honor, loyalty, courage, and steadfastness that behoves them as men and regents, in order then to uncover all the malversations and oppose them as much as possible, without having to fear that persecution which I have undergone, and as in the sequel shall most clearly appear how the undersigned was persecuted with a criminal imprisonment of fully 7½ months to the detriment of his health, yea, even almost lost his life thereby. In order to demonstrate all these matters as briefly and clearly as possible, the undersigned deems that it will be the most suitable way to divide this entire transaction into four main parts; as, namely: In the First Main Part he shall demonstrate all that occurred since his arrival at Palleakatta until his arrival at Iaggernaijkpoeram. The second shall consist of how and in what manner he found Iaggernaijkpoeram until the 20th of March. The third shall be from the day of his illegal, unlawful criminal imprisonment until the date of his deliverance at Palleakatta; and The last shall form the conclusion with that fitting remark which the undersigned thinks he can apply to all that has passed. For each main part, the undersigned deems he must offer a historical account for the elucidation of that which subsequently shall be answered and proven article by article. Arriving as warehouse master at Palleakatta, the reception was outwardly most friendly; only, I found that Mr. Tadama had caused the Company's sugar to be transferred from the warehouses into his private warehouses. I maintained that as long as it had not been shipped off, the permitted percentages accrued to me; but in order to have no disputes, I let that pass, when the above-mentioned sugar was shipped off from Tadama's warehouses as on the Company's account in order to defraud the toll both for the Company and the duwan; this Your Right Honorable Sir can have verified by hundreds; 36 verified; but soon enough I experienced how they had sought to slander me, both among the servants of the warehouse and in general among everyone. I paid heed to nothing, and had little intercourse with those gentlemen, except for Messrs. Stoffenberg and de Raeff; nevertheless, everything was outwardly in the best harmony. The very first discrepancies were over the toll books, and my displeasure that I expressed thereover, how they repeatedly sought to deceive the Company and the duwan by causing private goods to be brought into the fort, in order then to ship them off under the name of Company packs, which repeatedly caused the greatest disputes with the duwan, as is still evident from the packs of the Armenian merchant Arriton. I also complained that Mr. Luijken had arrived with a vessel fully laden with Nagapatnam assortments for Batavia, and that the same were transshipped directly onto the ship Horsen, and thus the tolls were defrauded; this was granted to the favorites of Mr. Tadama, while the consignment goods of Madam the widow Stoffenberg from Madras lying in the Palleakatta roadstead were refused to be transshipped before it had appeared that the toll had been paid to the duwan. Shortly thereafter the matters occurred with the Orphan Chamber, when I had his brother-in-law Simons summoned in court

Dutch transcription

na Batavia de receptie van dien en derzelver renvoij is hier de plaats niet om aanmerkinge over te maken om niet van eager tot slimmer over te gaan toen wierde ik onderrecht dat 'er Commissarisen uijt Europa Honder te komen, zonder dat ik in mijne strenge gevankenisse ontdekken kon, welke haarlieders commissie was, ik vond egter gelegendheijd om mijne bittere klagten aan Hun Edele gestrengens te doen geworden, in hoope en ver„ wagting dat zij gemunieert zoude zijn met zulke ordres om het Cruelle terancque dispotisie te be„ teugelen maar ook daar vond ik geen troost nog antwoord, als zijnde, zoo als ik in 't vervolg vernam alleen voor 't militaire Eyndelijk en ten laasten wierd deeze geheele zaak aan uwelEdele Gestr: opgedragen, voor waar daar kon niemand beeter voor uijt gedagt zijn geworden die zoo wel in kundigheijd als werkzaamheijd zoo meenigen overtreffen de manier op welke uwel Edele gestr: deeze geheele zaake tracteerd, geeft het grootste vertrouwen aan bijde paathijen, en met dat vooruijtzigt zal ik on„ der het oog brengen van uwelEd: Gestr; met alle eerbied decentie en respect al wat er voorgevallen is, met der„ ze reserve nogtans dat ik mij bij gelegener rustigea, en bekwamer. tijden bij een ample deductie zal adres„ seeren en aantoonen, hoe en op wat wijze een trouwe voorstander van Heeren Meesters belangens te Worstelen 95 worstelen heeft, in deeze gewesten, en vermeent dezelve optedragen aan onze opper Bewindhebber onzen geliefden „ stadhouder zijn doorlugtigste Hoogheijd den Herstelder- van rust, vreede, en vrijheijd, en goede ordre in onse lieve vaderland, op dat zijn Hoogheijd ook een oog van ontferming en bescherming gelieft te verleenen aan deeze wingewesten, op dat de tiranecque, ongehoorde, violente handelwijze zonder regt, mogen besnoeijt en beteugelt worden, op dat daar door Neerlands zachte en hooge gereffecteerde wetten weder in vigeur. mogen gebragt worden, op dat de wel geboorene Nederlanderen hun hoofden mogen opbeuaen het zul der slavernijen afschudden om compagnis belangens te konnen behar„ tigen, met die eere, trouwe, Cordaatheijd en standvastig„ heijd, die hun als Man en regent competeerd, om als dan alle de malversatien te ontdekken, en zoo veel te„ gen te gaan als mogelijk is, zonder die vervolging te vreezen te hebben, dien ik ondergaan hebbe, en bij het vervolg ten klaarsten blijken zal hoe den tekenaar met een crimineele gevangenschap van ruijn 7½. maan„ den vervolgd is tot krenking van zijn gezondheijd, Ia zelfs bij na het leeven daar bij ingeschooten heeft. om alle deeze zaaken zoo korten duijdelijk mo„ gelijk aanteloonen, vermeent den teekenaar dat het de bekwaamste wege zijn zal om deeze geheele transactie in vier Hoofddeelen te verdeelen; als als namelijk. In 't Eerste Hoofd-deel zal hij aantoonen al het „voorgevallene zeedert zijn komste op Pallearatta tot zijn arrive op Iaggernaijkpoeram Het tweede zal bestaan hoe, en op wat wijze hij Iaggernaijk poeram bevonden heeft tot den 20. Maart Het derde zal zijn van den dag van zijne ilegaale onwettige Crimineele gevangenis tot dato van zijne verlossing op Palleakatta, en Het laatste zal de conclusie formeeren met die gepas„ te aanmerking, die den tekenaar meend te kunnen toepassen of al het gepasseerden. Voor ieder hoofdeel vermeend den tekenaar een his„ „torisch verhaal te moeten aanbieden tot opheldering van het geen vervolgens articuls wijze beantwoord, en beweezen zal worden. Als pakhuijsmeester over komende na Palleakatta was de receptie uijtterlijk alder vriendelijkst, alleen vonde ik dat de Heer Iadama Compagnies zuijker uijt de pakhuijsen had laaten overdragen in sijn particulieren pakhuijsen. Ik sustineerde dat zoo lang het niet af„ gescheept was de gepermitteerde per centos mij toequa„ men, dog om geen disputen te hebben, liet ik dat vaa„ ren, wanneer de boven gemelde zuijker uijt Tadamas sijn pakhuijsen als Comp:s weegen afgescheept wierd om de tol zoo voor de Compagnie als den duvante frandeeran dit kan uwel Ed: Gestrenge door Hondertden doen be„ waarheeden 36 waarheeden, maar wel haast ondervonde ik hoe zwart men mij had zoeken te maaken zoo bij de bedien„k„ dens van het pakhuijs als in 't generaal bij alle. Ik Hoorde mij aan niets, en verkeerde weijnig met die Heeren, uijtgezondert de Heeren Stoffenberg en de Raeff, evenwel was alles uijtterlijk in de beste harmonie, de alder Eerste discrepantien was over de thol boeken, en mij misnoegen dat ik daar over uijten hoe dat men telkens de Campagnie, en den duan sogt te bedriegen met de particuliere goederen in het fort te doen brengen, om dan dezelve onder de naam van Comp: pakken aftescheepen, welke telkens de grootste disputen met den duvan veroorzaakt heb„ ben, blijkens nog de pakken van den armenisch koop„ man Arriton, ook beswaarde ik mij dat de heer Luijken met een vaarthuijg volgelaaden met Nagapatnam„ se sorteeringen voor Batavia overgekomen was„ en dat dezelve direct op het schip Horsen zijn over„ gescheept, en alzoo de thollen gefraudeerd, dit wierd vergund aan de gunstelingen van de heer Tadama, terwijl de bestel goederen van meJuffrouw de wed: stoffen„ berg van Madras op de palleakatse rheede leggende, geweigerd wierden over te scheepen voor dat gebleeken was dat den thol aan den duvan betaald was. kort daar op vielen de zaaken voor met de wees„ kamer toen ik sijn swager Simons in regten liet aanspreeken

NL-HaNA_1.04.02_3974_0206 view scan ↗

English

address, to see everything in greater detail in the notes, and also already distributed to Their High Excellencies, when all the creditors put their heads together at the instigation of Mr. Tadama, and from that moment sought my misfortune to persecute me whenever they might find the opportunity, it had already been foretold to me by the deceased Stoffenberg, who said frankly, if I touch the orphan chamber, my life is no longer safe, but I did what was right and did not look back, although I could assure with a word of truth that small and great on all occasions sought to cause me petty annoyances. Outwardly I remained on very good terms with Mr. Tadama, but when I departed on a commission to Madras, a meeting was immediately convened to excuse, if possible by means of a false report, the head surgeon Meppen for his misconduct in the hospital. Subsequently, I handed over the warehouse, not only to mutual satisfaction, but with the greatest friendship and respect on both sides, though it is true that much intrigue took place to embroil Mr. de Raeff with me, without effect, it is now the eighth transfer I have made without ever having had a single dispute with anyone, soon after this followed that unpleasant affair concerning the resolutions drawn up incorrectly by the Secretary Mr. de Raeff, I was reproached for having signed them, which I had done with such caution that I would not later be made out to be a liar, which certainly would have happened, since I was then refused access to the meeting and all access to the secretarial papers was forbidden, after much partiality and personal attacks, Mr. Tadama had me notified that I could depart for Jaggernaijkpoeram on the condition that I did not come to take leave of him, and in the cabal it was decided that they would insult me in such a manner. Firstly, that according to custom I would not be escorted by committee members, and above all not be granted any salute, although Mr. Tadama said at table in the afternoon (when I was to sign the resolution that evening), I will exceed the Company's orders and give you two shots more, which he said he would take for his account, I replied laughing, Your Honour will do anything to be rid of me quickly, and thus I departed. I now most humbly request, in order to shorten this voluminous work as much as possible, to refer, refer to the letters, papers, documents, and resolutions that are all to be found at this government, and are known to Your Honour. Your Honour will hopefully still grant me the favour of that freedom to be allowed to write as a Dutchman with that resolute courage and candour with which a faithful servant is inspired, when it is to stand up for the interests of the Lords Masters, for with due respect my entire case seems to be considered as a private matter, whereas in reality it is a public Company matter in which the servants have conspired to destroy those who stand up for the Lords Masters and observe their oath and duty, so that it is fully excusable when a faithful servant is opposed in everything that has been promised to him and comes forth with such forceful expressions to maintain his right before Lords and Masters with all might and main, even at the peril of his fortune. Nevertheless, it seems generally not to be perceived as such, since the writer, as first member of the Council, had several notes recorded in full session without the Council raising any objection against it, yet this is taken personally, and the notes were sent back from Batavia, as though the writer had erred in this, would it not have been more fitting, for the further encouragement of other faithful servants and council members, to place such notes into the hands of those who are intended and named in those notes, whereas on the contrary, according to the first method, it can be regarded as a trial, for which every member of the assembly must dread to communicate his sincere sentiments to the assembly, however it may be, it is my duty to obey the respected orders in that regard. Concerning the first extract taken in the Council of Cormandel on the 13th October 1789, regarding the taking of an ocular inspection in the hospital. This grievance I have already answered to Their High Excellencies by stating that I was at the head of that commission, and found a reasonably good house of 5 to 6 pagodas rent, and which is entered in the books for 12 pagodas, and far from finding an apothecary there, or spices, or anything that could serve for the relief of those poor sick, no, nothing of that, several declared that they had arrived in the hospital from the previous year, also from the Batavia ship, and that their venereal diseases direct

Dutch transcription

aanspreeken, alles breeder te zien bij de aanteekenin„ gen, en ook reeds aan Hun Hoog Edelheedens bedeeld, toen staaken alle de Crediteuren de koppen te samen op instigatie van de Heer Tadama, en sogten van dat oogenblik mijn ongeluk om mij te vervolgen, wanneer zij gelegendheijd zouden vinden, 't was mij reeds voor„ zegd door den overledene Stoffenberg, die volmondig uijt zeide, als ik aan de weeskamer torn, ben ik mijn leeven niet langer zeeker, maar ik deed wel, en zag niet om, hoe wel ik met een woord van waarheijd kon verzekeren dat kleijn en groot bij alle gelegendheeden mij zochten kleijnigheeden aan te doen Uijtterlijk bleef ik met de heer Tadama zeer wel, wanneer ik in commissie na Madras vertrok wierd illico een vergadering belegd, om was 't mogelijk door een valsch rapport den oppermeester Meppen te verschoonen in zijn wangedrag in 't Hospitaal. vervolgens gaave ik het pakhuijs over tot weder„ zijds genoegen niet alleen maar met de grootste vriendschap en agting aan weerskanten wel is, waar dat daar zeer, veel ondergestookt wierd om de heer de Reeeff met mij te broulleeren zonder effect, het is nu het agtste transport dat ik gedaan heb zonde dat ik nimmer of ooijt een woord of weerwoord met iemand gehad hebben, hier op volgde wel haastelijk die 97 „die onaangenaame zaak betreffende de resolutien door den Heer Secretaris de Raeff verkeerdelijk opge„ maakt, men wierp mij voor, waar om ik dezelve ge„ teekend hadde, 't welk ik met die voorzigtigheijd deed, dat men mij naderhand niet tot een leugenaar zoude maaken, het geene zeeker zoude gebeurd zijn, vermits dat doen mij de vergadering geweijgerd wierd ook alle toegang tot de secretarieele papieren ver„ booden wierd, na veele parthijdigheijd en persona„ liteijten, liet mij de heer Iadama aanseggen dat ik vertrekken kon na Iaggernaijkpoeram onder die mits, van bij hem geen afscheijd te komen neemen, en in de kabala wierd beslooten dat men mij op dusdanige wijze zoude affronteeren. Eerste„ lijk dat ik volgens gebruijk niet door gecommitteer„ dens uijtgeleijt soude worden, en voor al geen salut„ vergunnen, hoe wel de heer Tadama des middags aan tafel. seijden /:toen ik 'savonds de resolutie zoude teeken:/ ik zal Compagnies order te buijten gaan en geeven uw twee schooten meer, die hij zeijde voor zijn reekening te zullen neemen, ik repliceerde laggende UwE: zal wel wat doen om mij schielijk quijt te raaken, en alzoo ben ik vertrokken versoeken nu nedrigst om het folumeneesen werk zoo veel doenlijk te verkorten van mij te refereeren. refereeren aan de brieven, papieren, documenten, en resolutien die alle te vinden zijn bij dit gouver„ nement, en bij uwelEdele Gestr: bekend. uwel Edele Gestr: zal mij nog wel willen beguns tigen met die vrijheijd om te mogen schrijven als een Nederlander met die cordaatheijd, en vrijmoedigheijd, daar sig een trouw dienaar meede bezield vind, wanneer het is om Heeren Meesteren hunne belan¬ gens voor te staan, want onder verbeetering zoo schijnt mijne geheele zaak geconsidereert te wor„ den als een particuliere zaak, terwijl het recel. een publicque Compagnies zaak is daar de dienaaren in zamen gespannen hebben om die te verderven, dewelke voor Heeren Maijores opkomen en hun Eed, en plicht betrachten zoo dat het ten vollen excusabel is wanneer een trouw dienaar in alles tegen gegaan word dat hem de daift belooft en met zulke gezenuwde expressien te berde komt om zijn regt voor Heeren en Meesters met kragt en magt voorttezetten ten periquel selfs van zijn fortuijn Evenwel schijnt het in 't generaal zoo niet opgemerk te worden, vermits den tekenaar als eerste raads Lid verscheide aanteekening in volle vergadering heeft laaten doen aanteekenen, zonder dat den Raad da eenige aanmerking tegen maakte, everwel word dat de personeel. 98 personeel ofgenomen, en de aantekeningen weeder van Batavia toegezonden, als of den tekenaar daar meede misdaan had, was het niet gevoegelijker geweest tot meerdere aanmoediging van andere trouwe dienaar en raadsleeden van zulke aantekeningen te stellen in handen der geenen, die in die aanteke„ ningen bedoeld en benoemd zijn, daar het in tegendeel volgens de eerste manier als een procedure aangemerkt kan worden; daar ieder lidt der vergadering voor schroomen moet om zijne opregte gevoelens de ver„ gadering meede te deelen, hoe het zij, het is aan mij de gerespecteerde ordres dien aangaande te obedieeren belangende het Eerste Extract in Raade van Corman„ del genoomen op den 13. october. 1789. belangende om occulaire inspectie te neemen in 't Hospitaal Deeze beswaarnisse, heb ik reets aan Hun Hoog Edelheedens beantwoord met te zeggen, dat ik aan het hoofd van die commissie was, en bevon„ den heb een reedelijk goed huijs van vijf â 6. pag: huur, en welke voor 12. pagoden word opgebragt bij de boeken, en wel verre van daar een appoteecq te vinden of specerijen, of iets dat tot laving kon strekken van die aame zieke, neen niets van dat; verscheide de„ clareerde van het voorige Iaar, ook van het Bataviase schip in het hospitaal gekomen te zijn, en dat hunne venerische krankheeden direct

NL-HaNA_1.04.02_3974_0210 view scan ↗

English

directly back to sea. had broken out. Another said he had lain there for months, and that each time the disease settled back into his scrotum; furthermore, I persist in the note that I have seen more dead carried out from there than walking out healthy, for the rest I call all of Palleakatta to witness who places confidence in him Meppen, and those who have him called for political reasons do not use his medicine; several who had already been given up by him have been cured by the assistant surgeon Roges; what vengeance have the English doctors at Madras not called down upon him for his treatment in the beginning regarding the late worthy Mr. Stoffenberg, further information Their High Excellencies already received when he was appointed chief surgeon by Mr. van Vlissingen, which letters of complaint were overthrown at Batavia by the all-powerful credit of Mr. van Vlissingen. With this, I believe I have answered this extract. Follows that of the 21st of September 1789, in which Willem Hendrik van Bijland maintains that no secretary and member of the Council of Policy can act as president of the Court of Justice, persists in that opinion, and refers once again to his notes regarding this. Yet another extract, regarding the account of the repatriated Minister van der Werth, he refers to the same note, with this remark, that Their High Excellencies sent orders to the Palleakatta Council to investigate carefully whether that minister had left behind any money or goods, so that the Company could find recovery on the account disapproved by Their High Excellencies, and since those orders were executed very faintly and tardily, seeing that Mr. Sadama, Simons, and Schuneman are all brothers-in-law, and Mr. Brouwer an elder and special good friend, who certainly helped drink the exorbitant quantity of Madeira wine to a sum of 278 pagodas, which was accounted for in such a profane manner as if the same had been furnished for the use of the Holy Communion, and that while at that time the father's daughter was at Nagapatnam, and Mr. Schuneman held money under his power of attorney. Yet another extract, regarding the office of toll bookkeeper, where the undersigned must observe that the Commander pretends not to have been a toll bookkeeper, but that he undertook to give the monthly statement of the tolls of this place, which amounts to one and the same thing, but with this desirable result, that Mr. Tadama paid a considerable sum into the treasury directly. As toll bookkeeper. Concerning this matter more will be said hereafter, considering the frauds that took place therein and which have always been the bone of contention with the divan, this item will be broadened and detailed further in a later extract. A ditto, why Sadraspatnam is the only place where to this day no contracting has been done, the note regarding this is as clear as day, so that the undersigned does not want to miss a single word of it to demonstrate his innocence of not having been able to make any contracting, whether through the withholding or concealing of the samples or out of partisanship, or else out of fear that the system of the percentage would be discovered; how can this matter be further proven, than that neither private individual, nor Englishman, nor Frenchman, nor Danes, nor anyone, pays that increase of percentage, and let me speak candidly, who are the suppliers or merchants who have those enormous profits that those of the Dutch Holland Company have, and who will grant them that if they did not conspire with the rulers? I say again, ignorance must not be assumed in this, but unfaithfulness and greed, with no other aim than to rob and fleece the Company; I request Your Right Honorable just to inspect my correspondence from Sadras with the Palleakatta Council, how I sought to obtain elucidation and guidance to be able to procure good samples. Concerning the system of those unusual percentages on the textiles since the war, I say again, it is no less absurd than unfaithful, why is that burden not laid upon us private individuals, which on the one hand is very dangerous in order to remove the same again in the future, for reasons for an increase may take place to the south where the theater of war has been, and yet to the north where no one has been molested except the Dutch Company, and the textiles during the war have been very expensive, it is indeed absurd to grant the very same percentages to the north that were granted to the south, but I would rather believe that they are pretenses and that those percentages were never paid to the merchants, but that it was taken as a custom for gratuities, for example, before this last war the merchants of Portonovo came to Nagapatnam to conclude the contract, for which they paid to the governor 3 per cent, and 2 to the chief administrator.

Dutch transcription

direct weder in zee. uijtgebrooken waaren. Een ander seijde, maanden daar geleegen te hebben, en dat tel„ kens die ziekte in zijn schrootum weder zakke, verder blijf ik volharden bij de aantekening dat ik ta meer dooden heb zien uijtdraagen, als gezond en uijtwandelen, overigens roep ik geheel Palleakatta tot getuijgen wie vertrouwen in hem Meppen stelt en die dewelke hem uijt politicque reeden laaten roepen, gebruijken niet zijne medicein verscheide die reets door hem opgegeeven waaren, die door den ondermeester Roges hersteld zijn, wat hebben de Engelsche doctors op Madaas gee wraak over hem geroepen over zijne behandeling in den beginne omtrend den overledene braaven heer Stoffenberg nader onderrichting hebben Hun Hoog Edelheedens reets ontfangen, toen hij als oppermeester door de heer van vlissingen aangesteld wierd, welke klagt schriften door 't al vermoogent Credit van de heer van Vlis„ singen om verre geworpen zijn op Batavia Hier meede meene ik dit Extract beantwoord te hebben. Volgt die van den 21. September. 1789. , waar in willem Hendrik van Bijland sustineerd dat geen secretaris en raad van Politie, als president van den Raad van Iustitie kan fungeeren blijft persisteeren 99 persisteeren bij dat gevoelen, en refereerd zig ander„ maal aan zijn aantekeningen dien aangaande Nog een nader Extract, betreffende de reekening van den gerepatrieerden Predikant van der werth refereed hij zig aan de zelfden aanteekening, met deeze remarque, dat Hun Hoog Edelheedens aan den palleacatsen raad order zond om nauw„ keurig te onderzoeken of dien predikant geen geld of goederen agter gelaaten had, op dat de Comp:e herhaald kon vinden op de gedisapprobeerden reekening door Hun Hoog Edelheedens, en vermits die ordres zeer flaauw en traag nage„ komen wierden, aangezien de heer Sadama Simons, Schuneman alle swagers zijn, en de heer Brouwer ouderling en speciale goede vriend die zee„ kerlijk de Exhorbitante quantiteit madeira heeft helpen uijtdrinken tot een somma van 278 pagoden, die op zoo eene profane wijze opgebragt is; als of dezelve tot het gebruijk van het H: Avondmaal verstrekt was geworden, en dat terwijl of die tijd de dogter van den pater op Nagapat„ nam was, en de heer schuneman als volmagt geld onder sig hadt-. Nog een nader Extract, betreffende het thoe boekhou„ der. schap daar den ondergetekende moet opmerken dat den gezachhebber voorgeeft geen thol boekhouder geweest. ren geweest te zijn, maar dat hij aannam de maandelijks opgave van de thollen deezer plaatse te geeven, 't welk op 't aen en het zelfde uijtkomt, dog met dit gewenscht gevolg dat de heer Tadama. direct, eene aansienlijke som in de cas betaald Als thol boekhouder. over deeze zaak zal nog nader gesprooken worden, aangezien de fraudes die daar plaats in hebbe gehad en welken altijd den twist appel geweest is met den duvan, deeze post zal breeder en nader uijtgebreid worden bij een laaser Extract Een dito, waarom sadraspatnam de eenigste plaat is, daar tot heeden geen inzaam was gedaan, de aan„ teekening dien aangaande is zonne klaar dat den onder getekende daar geen enkeld woord van missen wil om sijne onschuld aantetoonen van geene aan„ besteeding te hebben konnen doen, zoo door het agterhou„ den, of verdonkeren der monsters als uijt partijschap dan wel uijt vreese dat het sisthema ontelekt soude worden der perc:to, hoe kan dit stuk nader beweezen wor„ den, als dat nog particulier nog Engelschman nog Tran man nog deenen nog niemand, die verhooging van p:r Cento betaald, en laat ik rondborstig uijt spreeken wie zijn de Leveranciers of kooplieden, die, die en orme winsten hebben, die die van de Nederl: Holl: Compagnie hebben en wie sal hun dat vergunnen als zij niet zaamen span„ den met de gebieders, hersegge, ignorantie moet niet gesupponeert 100 gesupponeert worden in deezen, maar ontrouw en heb„ zugt, met geen ander oogmerk als om de Compagnie k„ ^ schraapen te te ^ besteelen en te berooven, verzoeke ik uwel Edele Gestr: van eeven te willen inzien mijne Correspondentie van Sadras met den Palliacatsen raad, hoe ik getragt heb om Elucidtatie en een hand-leijding te hebben om goede monsters te konnen bezorgen —. Betreffende het sisthema van die ongewoone. percen„ tos op de Lijwaaten zeedert den oorlog, hersegge is niet minder ongereijmt als ontrouw, waarom wij particulie„ ren word ons dat beswaar niet overgelegt, dat eens deels zeer gevaarlijk is om het zelve daar weder in 't vervolg aftekrijgen, want daar koomen reedenen van verhooging, plaats hebben om de zuijd daar het leater van den oorlog geweest is, en evenwel om de noord daar niemand gemollesteerd is als de Hollandsche Compagnie, en de Lijwaaten geduurende den oorlog zeer. duur zijn geweest is het immers ongereijmt om die zelve percento om de noord te vergunnen, die men aan de Zuijdvergund heeft, maar ik wil lieft gelooven dat het voorwendzels zijn en dat nimmer die per centos aan de Cooplieden betaald zijn, maar dat het als een gebruijk tot Costumados geno„ men is, want per exempel voor deeze laatsten oorlog quamen de kooplieden van Portonovo op Nagapatnam om het Contract te sluijten daar voor betaalde zijlieden aan den gouverneur 3. ten Hondert, en 2. aan den Hoofd ad„ ministrateur „

NL-HaNA_1.04.02_3974_0214 view scan ↗

English

administrator, for all these reasons the undersigned is of the opinion that if the poor Sadras merchants had been wealthy enough to pay 3000 pagodas to Mr. Tadama, as those of Jaggernaickpoeram have done, samples would soon have appeared on the table, and the delivery would have proceeded. At least in Jaggernaickpoeram I had not the slightest trouble in taking back the percentages agreed upon since the war, as appears from the negotiation with the renter and merchant Ramaija and his associates. I refer to Your Right Honourable's own careful investigation in this regard, from which it will best appear to Your Right Honourable where those percentages have gone. Moreover, it can be attributed to nothing other than greed or ignorance to even listen to such insolent proposals for increases from the merchants, much less to accept them, and then describe it with a velvet pen to make the same palatable and acceptable. Verbally I have already proven to Your Right Honourable that the price of the weavers has never varied, but that the same indeed diminishes in quality by stating more punjam than the cloth lengths contain, which is a fraud upon the Europeans, but one from which the merchants derive their profit. This fraud arose in 1768, when the English took the entire Carnatic under their authority and government, 101 and from that day everyone and anyone became a trader, so that cloth was torn from the looms regardless of length, width, or punjam, whereas previously the weavers first had to bring their cloths with their contracts to the kotwals of the villages for examination, out of a kind of jealousy that one village would deliver better cloths than the other and draw away their trade; and if those weavers fell short of their contract in quality, width, or length, it was an income for the kotwal. One can also say that since that year, good cloths have been made only in exceptional cases compared to earlier years. This serves to confirm the matter concerning the prices of the cloths, which, like a loaf of bread at the baker's, never vary from north to south, other than as just quoted above. Another word: the correspondence of Mr. Simons of Sadraspatnam to this Council is also strange, and demands Your Right Honourable's attention, for according to his pretext it appears that around Sadras itself there are few or no weavers; he even draws up a list thereof with the neighboring villages. Nor can it be denied that Sadras has suffered more than any place on the coast, and that because the Dutch flag tarried so long to be hoisted there after peace; those people who had a livelihood did not wish to abandon it before they saw the Dutch flag flying. Regarding the spices that were given in payment or barter, the undersigned maintains that this is more advantageous for the merchants than cash itself, which I will clarify and prove with the accompanying example and calculation under Letters A and B. For further clarification of Letters A and B: Letter A shows two copies of payment warrants, from which the calculation follows, the spices being combined in the calculation for the sake of brevity. The first warrant, made out in the name of the Company's interpreter, I have already preferred from these to demonstrate the absurdity of Mr. Tadama putting those warrants in the name of the interpreter, who in my opinion may do no trade whatsoever in the Company's goods, because by virtue of his office he must submit all the market prices from north and south, buy, sell, contract with the natives, and report, so that he may come to ask the conclusion of the Governor; he must be with the native as the representative of the Governor to look after the Company's interests in all the above-mentioned articles and negotiate to the strictest terms. How can that be expected of him when he himself deals in those articles or is a merchant or supplier therein? So that I would rather believe, at least it appears suspicious and gives the most well-founded 102 suspicion, that Mr. Tadama was conducting that trade together with the interpreter, and that it can only serve to the prejudice of the merchants. In conclusion of this note, it should also principally serve that the informant clearly made understood in his note that Mr. Tadama himself has been merchant, supplier, and sorter, as appears firstly from the meager delivery from the warehouses to the merchants. Secondly, it is undeniable that someone will expose his name, honor, reputation, and credit to favor a party of merchants, and that by obscuring the same so much that it is impossible, even with the most meticulous oversight, to trace the deception. If Your Right Honourable would then please examine the summary of all the debts of the merchants on the Coromandel coast, as the same is recorded with the Company, and the manner in which the interest is fraudulently brought up; this interest has its origin from an earlier date, when everything flourished and when the Company made its contracting in cash. I find this summary with the Company so obscure that I have taken the liberty of offering a similar summary to Your Right Honourable herewith, where everything can be seen at a glance, and principally how the merchants drew interest while they were actually in arrears; every item cannot be cited here. I refer myself, therefore, to Letter C.

Dutch transcription

ministrateur, om alle deeze reeden is den kkenaar van ge„ voelens, dat wanneer de arme sadrasse kooplieden gegoed waaren geweest om 3000 pagoden aan de heer Iadama te betaalen, zoo als die van Iaggernaijkpoeram gedaan hebben, zoo zoude wel haast monsters op de lappen geko„ men zijn, en de leverancie zijn voortgang gehad hebben, ter minste heb ik op Iaggernaijkpoeram geene de minste moeijte gehad om de percentos zeedert den oorlog daar ovrgekomen weder- afteneemen, blijkens de onderhandeling met den pagter en koopman Ramaija. en zijn verloeg. Ik refereere mij aan uwelEdele gestr: eijgen, naaukeurige onderzoek dien aangaande, waar uijt uwelEdele Gestr: het beste blijken zal, waar die per centos gebleeven zijn, daar en boven, het kan niet toegeschreeven worden, dan aan heb zugt, of onkundigheijd van maar zelfs zulke insolente propositien van vermeerdering der kooplieden aan te hooren veelminder te accepteeren, en dan met een fluweele pen het te beschrijven om 't zelve smakelijk en aanneemelijk te maaken, mondelings heb ik uwel Edele Gestr: reets beweezen dat de prijs der weevers nimmer gevarieert heeft, maar dat dezelve wel in deugd vermin„ deren met optegeeven meerdere poenjang, als de Lijmaate inhouden, dat een bedrog is voor de Europeeschen, maar daar de kooplieden hun profijt wel bij vinden derze faaude is opgekomen in 1768. toen de Engelschen als het geheel Carnaticasche onder hun gebied en Regeering namen 101 namen, en van die dag is elk, en een iegelijk negociant geworden, zoo dat men de lijwaaten van de weestouwen scheurde ongeacht lengte, breete, of poensang daar voor heen de weevers eerst hunne lijwaaten met hunne Contracten bij de Cattewals van de doopen moesten brengen ter examinatie uijt een zoort van Jalousie, dat een, dorp beeter Lijwaaten zou leeveren als het ander en, hunne neering aftrekken zoude, en wanneer die wevers aan hunne Contract in deugde breete, oflengte manqueerde zoo was het een inkomst voor den Cottewal, ook kan men zeggen dat zeedert dat Iaar niet dan als bij zonderlijke gevallen goede lijwaaten gemaakt worden in vergelijking van de vroogere Iaaren, dit is tot sterking, betueffende de prijsen der Lijwaaten die als een brood bij den bakker van Noord tot Zuijd nim„ mer en varieeren anders als zoowen hier vooren aangehaald is. Nog een woord de Correspondentie van de heer Si„ mons van Sadraspatnam aan deezen Raade is ook zondealing, en ver Eijscht uwelEdele Gestr: attentie, want na zijn voorgeeven, blijkt het dat over Padras zelfs weijnig of geene weevers zijn, hij maakt zelfs een lijft daar van op met de nabuurige doopen, ook kan men niet tegenspreeken dat sadras meerder geleeden heeft, als een plaats der kust en dat wel om dat de Hollandsche vlag zoo lang getaxdeerd heeft, naar vreede om daar ge„ keesen te worden, die lieden dewelke een bestaan had 4„ den s ge¬ den wilden dat niet vealaaten vor„n al eer zij de Hol landsche vlag sagen waaijen Betaeffende de specerijen welke in betaaling of ruijling gegeeven wierden, sustineerd den tekenaar dat voor de kooplieden voordeeliger is als de contanten zelfs welk ik met dit nevens gaande Exempel en bereekening zal ophelderen en bewijzen onder L=ras A: en B: Tot nader ofheldering van L:a A: en B:, Letter. A: toond aan, twee Coppia ordonnantien, waar uijt de bereekenin„ zijn gevolg heeft, tot kortsheijdshalven in de bereekening zijnde specerijen zamen getrokken, de eerste ordonnantie op de naam van Compagnies Tholk, heb ik uijt deeze reeds geprefereerd o het ongereijmde aanbetoonen dat de heer Iadama die or„ donnantien of de naam van den stolk zet die mijns dun„ kens in 't geheel geen koophandel. in sComp:s whaaren mag doen, om dat hij volgens zijn dienst alle de maakt prijzen moet overgeeven van noord en zuijd koopen verkoopen Con„ tracteeren niet de Inlanders en rapporteeren, op dat hij de conclusie van den heer gouverneur kan komen vraager hij moet bij den Inlander zijn als den representant van den gouverneur om 'sComp:s belangens in alle de boven gem: articulen te behartigen, en op het naauwste te bedingen, hoe kan dat van hem verwagt worden wanneer hij zelfs in die articul handelt dan wel koopman of leveranciea daar in is zoo dat ik lieft wil gelooven ten minste het komt suspect voor een heeft de aldaar gefundeerste sustitie 102 suspitie als of hij Heer Tadama die negocie met den tholk saamen deed en niet als tot pre Judtitie kan strck„ ken der kooplieden. Tot slot van deeze aantekening dient nog hoofd La„ kelijk dat den berigt geever niet onduijster. t: verstaan heeft gegeeven in zijn aantekening dat den Heer Tadama zelfs koopman, Leverancier, en sorteerder is geweest, blijkt Eerstelijk uijt de geringe verstrekking uijt de pakhuijsen aan de kooplieden. Tweedens, is het ontegensprekelijk dat mand zijn naam eer en reputatie en Credit zal exponeeren om een partij Cooplieden te favoriseeren, en dat met het zelve zoo te verduijsteren dat het onmogelijk is, met het naaukerigste toeversigt om het bedriegelijke nategaan, als uwel Edele gestrenge dan eens geliefde in te zien de zamen„ trekking van alle de schulden der Cooplieden ter custe Cormandel, zoo als dezelve bij de Comp:e beschreeven word, en op welke wijze de intressen fraudeleus opgebragt worden, deeze intressen hebben hunnen oorsprong van vroeger. datum, en toen alles floreerden, en toen de comp:e met contanten hun aanbesteeding deed. Hk vind deeze. zamentrekking bij de Comp=e zoo duijster dat ik de vrij„ heijd genoomen heb van een zoort gelijk zamen trekking uwel Edele gestr: hier nevens aantebieden, alwaar met een ovslag van een oog alles te zien is, en principaal hoe dat de Cooplieden intressen getrokken hebben, ter„ wijl zij reeel ten agter stonden, elke post kan hier niet aangehaald worden, Refereere mij derhalven aan L:a C: Hier 04 Hol

NL-HaNA_1.04.02_3974_0218 view scan ↗

English

Here I must once again make a fitting observation. We, the gentlemen of the Council, neither hear nor see anything of the trade business. As those trade papers arrive, they are delivered to the Chief Administrator. The following year we hear some small remarks in the Batavia letter, which do not disturb us in the least; these are addressed, and our trust is placed in the competence of our commander and Chief Administrator, because the visitor-general has made no remarks on that account. It would also be very hard to make those members participate in the payment for that wrong and fraudulent conduct, since they have had no part or share in the enormous profits and malversations. And if any suspicion arose regarding this, who would dare say it? Firstly out of fear of prosecution; secondly, that it would be cast in our teeth: do you have more knowledge and understanding of it than the visitor-general himself? But to lighten that gentleman's work as much as is within my power, your Right Honorable can see at a glance under letter C where the fault lies, and for that reason the page is added where those entries can be found in the books currently kept at Batavia. I need not restrain my pen any further, I have nothing more to say. The Company's interests are entrusted to your Right Honorable, and through your diligent investigation your Right Honorable will find and know more than we have ever heard or seen, and our trust remains fixed upon your Right Honorable. Regarding the servants: it is true that there are Bookkeepers wandering about in abundance, and when they are patronized, they are called qualified, and with that title they stay quietly at home or are made commissioners. This observation is the real reason that they are and remain incompetent. Among others, a certain Beekman, now only two or three years in service as a clerk of 16 guilders; now he is already a bookkeeper and commissioner in the warehouses. How improper, excuse the observation: he is also a private clerk to the warehouse master De Raeff. How then can he act as a commissioner, who are appointed to represent everyone's interest and to make decisions? Can I expect that from a clerk of the warehouse master, where he earns half as much again as from the Company? Moreover, how this flies in the face of other senior bookkeepers! But why need I expound further on this? They are all known to your Right Honorable. The two bookkeepers mentioned in my notes as performing all the trade work are the honest old, tireless, industrious and capable Wouter Pietersz., who has already been favorably recommended to the Gentlemen Majors by Their High Excellencies. The second is Duijnevelt, who only returned to service upon the accession of Mr. Blaaukamer to the government, as secretary of the Orphan Chamber, for which he is utterly incompetent. He cannot even keep the minutes, but understands reasonably well the keeping of the small books of the outer offices; with a sharp reprimand now and then to wake him up, he can be kept working and sober. § 113. On the further statement that there were only two or three bookkeepers who knew how to draw up a finding: the young Bloeme should excel above all, as a young man of diligence and zeal, who applies himself wholeheartedly to become capable; also a certain Prins, very far advanced in accounting, and a precious trainee for the trade business. Otherwise they are already all known to your Right Honorable, and I refer to your Right Honorable's own investigation concerning this. It is true that there were no Europeans who could rise in the Council of Policy as Secretary, except Jan Obdam, at that time scriba at Jaggernaikpoeram, and now First Sworn Clerk. That step from scriba to secretary of the Council was considered too large, however capable he was, and they preferred the present secretary Hass., about which I have already expressed myself in my letter to Their High Excellencies. Concerning the Clerks, I repeat that their ambition is taken away by placing above them bookkeepers who are real bastards of the lowest extraction. In this regard, I refer to the small list that I handed over to your Right Honorable, so as not to make it more public, and so that your Right Honorable may act upon it at your pleasure should the occasion arise. It is certainly hard for those among the clerks who are of decent descent and of good name and reputation, that they must repeatedly see such individuals preferred to bookkeepers—those who desert from soldiers to the English and stand there without respect, like a common workman, and step straight from the anvil to reappear as bookkeepers with our Company with that impermissible conceit that one can only expect from such who rise from nothing to something. § 114. That among the favorites were such clerks who almost from their birth were taken on from soldier to the pen, I mainly mean three sons of Cantervisscher, and two of Saalfelt, and most especially a certain Pieter van Someren, who never left Nagapatnam until his father became secunde of Jaggernaijkpoeram, when he went along there to accompany his father, and to the annoyance of the active servants there, had his salary and board allowance received at Palleakatta, so as not to suffer that loss which the servants to the north

Dutch transcription

Hier moet ik alwederom eene gepaste aanmerking maaken, wij heeren van den Raad, hooren nog zien niet van het negotie werk, zoo als die negotie papieren komen, worden dezelve aan den Hoofd-administrateur afgegeeven het Iaar daar op hooren wij sommige kleijne remarques in de Bataviase brief, die ons geensints ont„ rusten die worden geaedresseert, en ons vertrouwen, word gestrekt in de bekwaamheijd van onsen gebieder, en Hoofd-administrateur, door dien den visitateur gene raal geene aanmerking gemaakt heeft uijt dien hoofden sou het ook zeer hard zijn dat die leeden in die verkierde bedriegelijke handelwijze in de betaling te doen par„ ticipeeren, daar zij in de enorme voordeelen en mal„ versatien geen part of deel hebben gehad, en kwam er aleens eenige verdenking dien aangaande, wie soude het mogen seggen, eerst uijt vreese van vervolging; tweedens dat ons voorgeworpen sou worden heeft uw er meer kennis en verstand van als den visitateur ge„ neraal selfs, maar om dien heer zijn werk zoo te verlichten als in mijn vermogen is, zoo kan zijn wel„ Edele gestr: onder L:a C: met een opslag zien waar het schuijld, en daar om de pag. daar bij gevoegd waardie posten te vinden zijn bij de boeken op Batavia tans berustende. Ik hoef mijn pen niet verder in te teugelen, ik heb niets meeder te zeggen, Compagnies belangens zijn uwel Edele Gesta: toe vertrouwd, en door desselfs naarstig ondersoek 103 ondersoek zal uwel Edele Gestr: mera der vinden en weeten als wij ooijt gehoort of gezien hebben, en ons vertrouwen blijft gevestigd op uwel Edele Gestrenge. Omtrend de dienaaren. wel is waar dat er Boek„ houders in overvlaed rond swerven, en wanneer zijlie¬ den geprotegeert zijn, worden zij gequalificeerd genaamt, en met die tetul blijven zij stil te huijs of worden ge„ committeerdens, deeze waarneeming is de reëele oorzaak dat zij onbequaam zijn en blijven. onder anderen eenen Beekman, nu eerst twee à drie Iaaren in dienst als pennist van 16. Guldens, nu is hij reets boekhouder en gecommitteerde in de pakhuijsen; hoe oneijgen, excu„ seer mij de aanmerking, hij is ook particulier schrijver bij den pakhuijsmeester De Raeff, hoe kan hij dan als gecommitteerden ageeren, die gegeeven worden, om ieder zijn belang te behartigen, en te beslissen, kan ik dat ver„ wagten van een schrijver van de pakhuijsmeester, daar hij de helft meerder verdient, als van de compagnie, daar en boven hoe sluijt dit tegens het hoofd van an„ dere oude boekhouders, maar wat hoefde ik mij bree„ der daar over uijt te laaten zij zijn uwel Edele Gestr: alle bekend. de twee boekhouders in mijne aanteke„ ningen aangehaald als al het negocie werk verrigtende is den ouden braaven, onvermoeijden arbeijdsaam en be kwaame Wouter Pietersz:, die reets door Hun Hoog Edelheedens gunstiglijk is aangeschreeven aan Heeren Maijores. —. de. 6: De tweeden is duijnevelt eerst weeder in dienst geko„ men bij het aanvaarde der regeering van de heer Blaau„ kamer als secretaris van de weeskamer daar hij gensch onbekwaam in is, kan selfs de notulen niet houden, maar verstaat reedelijk wel het houden der boekjes van de buijten Comptoiren nu en dan een scherpe reprimando tot ovrwekking, kan hij werkzaam, en nugteren gehou„ den worden. ƒ 113. op het verder geavanceerde dat 'er slegts twee of drie boekhouders waaren die een bevinding wisten op„ te maaken. de Ionge Bloeme diend boven alle uijt te mun„ ten, als een Iongman van vleijd en ijverig, die zig met de borst toeleg om bekwaam te worden; ook eene Prins ver zeer ^ in 't reekenen, en een kostelijke aankweekeling voor 't negotie werk, overigens zijn ze uwelEdele Gestrenge reets alle bekend, en beroep mij op uwelEdele Gestr: eijgen onderzoek dien aangaande Wel is waar dat er geen Europeesen waaren, die in den Raad van Politie konnen opklimmen, als Secretaris uijtgenomen Ian obdam in die tijd scriba op Iaggerwaik poeram, en nu Eerste geswooren clercq, men vond die staf van scriba tot secretaris van den Raad al te groot hoe bequaam ook, en men prefereerden den tegenwoordigen secretaris Hass:, daar ik mij reets over uijtgelaaten heb in mijn brief aan Hun Hoog Edelheeden. Betreffende de Pennisten, her zegge dat de zulke hunne ambitio: weggenoomen word met boven hun te plaatsen boekhouders. 104 boekhouders die reeele hoere. kinders van den laagsten afkomst zijn. Ik refereere mij dien aangaande aan het Lijstje, dat ik uwelEdele Gestr: daar van overgegeeven heb, om het niet publicker. te maaken, en op dat uwel Edele Gestr: bij voorkomende gelegendheijd daarmeede handelen kan na welgevallen. zeekerlijk is 't haat voor de zul„ ke onder de pennisten, die van ordentlijk afkomst zijn, en ter goeder naam en faam staan, dat zij tel„ kens de zulken moeten gepreffereerd zien tot boekhou„ ders, die dewelke van soletaat tot de Engelsche over„ gaan, en daar sonder aanzien, als een gemeene werks„ man staan, en van het ambeeld direct als boekhouders bij onse Compagnie weder te voorschijn komen met die ongepermitteerde glorie, die men niet verwagten kan als van de zulken, die van niets tot iets opklimmen § 114. dat onder de gunstelingen waaren zulke pennisten die omtrend van hunne geboortens af als soldaat aan do pen aangenoomen zijn, bedoel ik hoofd zaakelijk meede drie zoonen van Canter„ visscher, en twee saalfelt, en wel voornamentlijk eenen Pieter van Someren, die nimmer Nagapatnam verlaaten heeft als toen sijn vader secunde van Iaggernaijkpoeram wierd, wanneer hij om zijn vader te vergeselschappen meede daar na toe trok, en tot spijt van de dienst doende dienaaren daar, liet hij sijn gagie, en kostgeld op Palleakatta ontfangen, om die schaade niet te lijden, die de dienaaren om de noord 6:

NL-HaNA_1.04.02_3974_0222 view scan ↗

English

undergone in their wages and board money due to the incorrect calculations of the dubashes. Section 115. Concerning the Engineer Broset; he is a Frenchman, and in the year 1781 arrived at Nagapatnam from the army of Haidar Ali Khan; I do not say that he is incompetent, far from it, for he is a great architect, and was further promoted there as an Engineer; I transported him from Bengal to Ceylon, and on my recommendation the Honourable Governor van de Graaff immediately appointed him as master builder in place of Mr. de Graaff, brother of the Honourable gentleman. Suddenly he left that service and crossed over to this coast. At that time a resolution had been passed that the second-in-command, as a means of subsistence, should also be the overseer of the works, but Mr. Tadama, of whom Broset was a favourite, arranged matters so that the second-in-command, Stoffenberg, had to share with him. Shortly thereafter Mr. Stoffenberg passed away, whereupon Mr. Tadama, also as Chief Administrator or second-in-command, drew this post to himself, and indeed with the precaution of not holding himself accountable. Thus it was deemed good and agreed to take into service a certain black carpenter named Moetoe for a small salary, to initial the accounts and payment orders, while the enormous profits were shared between Mr. Tadama and Mr. Broset. It truly demands Your Right Honourable's attention to confront the accounts and payment orders with the work performed; I speak of the year 1789, and there the house of the second-in-command will be very conspicuous, since it is not half finished. But what can I teach Your Right Honourable, how can I even match Your Right Honourable's attentiveness, from whom nothing escapes that can be intended for the Company's interests. Certainly under such an administration I would never have to bring such notes to the table of Their High Mightinesses, but it went too far with Mr. Tadama; the candle was lit at both ends unto total ruin, especially because there was neither order nor subordination, nor anything that resembled a good form of government. I need not tell Your Right Honourable anything, but only ask: how has Your Right Honourable found this main office with its dependencies? Is it then any wonder that I find Your Right Honourable overworked day and night, and when I have already lain down to sleep, I only then hear Your Right Honourable coming from the office? God grant that Your Right Honourable may be blessed and fortunate in all his endeavours. Section 116. That it were to be wished that there were a good Master of the Equipage at this main settlement; I call Your Right Honourable to witness of its necessity. I speak of the year 1789, when the sloops were certainly ill-provided with everything, as evidenced by one of the sloops that made merely a voyage to Sadras, where it lost an anchor, whereupon in all haste a sling with the necessary supplies was sent from here because the sloop was in danger; that sling was sent by him with what was needed against current and wind. But asking the commanders of the sloops about their condition, what must they answer when they remember what my experience was when I revealed the state of Jaggernaikpoeram? The consequences thereof were that my candid confession was rewarded with a criminal imprisonment of fully seven and a half months. If this happens to the green wood, what then shall become of the dry? Who has dared to speak, who has been permitted to look after the Company's interests without subjecting oneself to the greatest persecution? It is true that it is commonly said in the Indies that competence is granted with the post. And yet, out of a heartfelt concern for the Company's interests, I could wish that the Navy and the Military were not included in this, for those arts and sciences do not just blow toward people, and after all, it is through these two branches that we have acquired these conquered territories, and the preservation of us all rests upon their competence and bravery. Where would this Adrianus van Odijk have obtained his competence? He arrived in the Indies as a sailor, subsequently became a flagman, and then transferred to the clerical service, to be a jack-of-all-trades for Mr. Blaaukamer and Tadama; subsequently he became a boatswain more by favour than by skill; and when Pulicat was restored, he presented himself as Master of the Equipage, although Captain Hartman, former Master of the Equipage of Nagapatnam, maintained that it was his post. But good Hartman was soon given to understand that he had nothing but unpleasantness and persecution to expect if he stood his ground, so that he resolved to repatriate, presently residing in Harderwijk, where the Gentlemen Directors could inquire directly regarding the aforementioned, and obtain further elucidation regarding the competence and incompetence of the Master of the Equipage A. van Odijk, about which I would rather not expound further, for however much one looks after the interests, one must weigh one's words so as not to be implicated oneself; for after all, it would be more natural to inquire of those shipmates who have sailed to this office from Batavia since the year 1785, to learn from those people to what extent van Odijk is competent or incompetent. Section 117. What van Bijland with the intricate period regarding

Dutch transcription

noord in hunne gagien en kostgeld door de verkeerde bereekeningen der dabboesen ondergaan. - ƒ 115. Betrekkelijk den Ingenieua Broset; deesen is, een fransman, en in het Iaar. 1781. uijt het Leger. van Haijder Alichan op Nagapatnam aangekomen; ik zeg niet dat hij onbequaam is, wel verre daar van dan hij is een groot aachiteet, en is daar verder ingevordert als Ingenieur; Ik hebbe hem van Bengale overgevoert naar Ceijlon, en of mijn recommandatie heeft hem de Edelen heer Gouverneur van de Graaff direct aangesteld als fabricq in plaats van de heer de Graaff broeder van den Edelen heer, Eensklaps heeft hij die dienst ver„ laaten, en is na deeze kuste overgekomen, op die tijd was 'er een besluijt gevallen dat de secunde tot een middel. van bestaan teffens of ziender derwerken zoude zijn, waar de heer Tadama, van wien Broses een gunsteling was, bewerkten het zoo, dat den secunde stoffenberg met hem deelen moest, kort daar op kwam de heer Htoffenberg te overlijden, wanneer de heer Tadama ook als Hoofd-administrateur of secu de deeze post aan sig trok, en wel met deeze voor„ zigtigheijd om zig niet aanspreekelijk te houden zoo wierd goedgevonden en verstaan van een zeeker Zwaate timmerman Moetoe genaamd voor eene kleijne bezolding in dienst te neemen, om bij de reekeningen en ordinnancien te paraseeren, terwijl de en orme winsten gedeelt wierden tusschen de heer Tadama ende 105 en de Heer Broset, het verEijscht wel uwel Edele Gestr: attentie om de reekeningen en ordonnancien te confronteeren met het gedaane werk, ik spreekt van 't Iaar 1789. , en daar het huijs van den secunden zeer in het oog vallen sal, vermits het niet half klaar is. Maar wat kan ik uwelEdele Gestr: leeren hoe kan ik zelfs uwel Edele Gestr: oplettendheijd evennaaren, die niets ontgaat wat Compagnies belangens in bedoeld kan worden zeekerlijk onder zoo eene regee„ ring soude ik nimmer diergelijke aantekeningen ter tafel van Hunne Hoog Edelheeden hoeven te brengen, maar het gong te ver bij de heer Tadama, de kaars was aan beijde sijden aangestooken tot de finaale ruine, voor„ namentlijk om dat 'er nog order, nog subordtinatie was, nog iets dat na een goede regeerings forme sweefde; Ik hoof uwel Edele Gestrenge niets te zeggen, maar alleen vragen hoe heeft uwel Edele Gestr: dit hoofd-comp„ toir met zijn onderhoorigheeden bevonden, is het dan wel k verwonderen, dat ik uw elEdele Gestr: bij dag en nagt over moeijt werkzaam vinde, wanneer ik reeds mij ter slaap nedergelegt hebbe, hoore ik uwel Edele Gestr: eerst van het kantoor komen. God geeve dat uwelEdele gestr: in alle sijne pogingen gezegend, en Geluckig mag zijn § 116. dat het te wenschen was, dat 'er op deeze hoofd„ plaats een goede Equipagiemeester. was, ik roep uwelEd: Gestr: tot getuijgen van dies noodzakelijkheijd. Ik spreeke de spreeke van het Iaar. 1789. wanneer zeekerlijk de sloepen van alles slegt voorzien waaren, blijkens een der sloepen die slegts een reijse na Sadras deed, alwaar hij een anker verloor, wanneer in aller haast van hier een sleng gesonden wierd met het noodige om dat de sloep sig in „wiard gevaar bevond, die sleng door hem met het nodige tegen ström en wind toegezonden, maar vraagende aan de gezaghebber der sloepen de gesteldheijd derzelve wat moeten zij antwoorden, wanneer zij herdenken wat mijn werder vaaren is toen ik de gesteldheijd van Iag„ gernaijkpoeram openbaarde, de gevolgen daar van waaren dat mijne gulhartige confessie bekroond wierd met eene Crumineele gevangenschap van ruijm. seven en Een halve maanden, als dit aan het groen geschied, wat sal dan niet worden van het doaren wie heeft durven spreeken, wie heeft Compagnies belan„ gens mogen behartigen zonder zig te stellen onder de grootste vervolging. Wel is waar dat men gemeenlijk zegt in Indien de bekwaamheijd word bij de dienst gegeeven. E: dog wenschte ik uijt een hartelijke sugt voor Comp: belangens dat de Marine, en het militairen daar onder niet begreeppen wierd, want die kunst en weetenschappen „waaijen hunlieden niet aan, en immers bij die twee takken zijn wij deeze wingewesten deelagtig gewor„ den, en ons aller behout steunt of hunne bekwaam en 706 en dapperheijd; waar zoude deeze Adrianus van odijk zijn bekwaamheijd van daan gehaalt hebben, hij is als mattroos in India gekomen, vervolgens vlaggeman, en toen in de penne dienst overgegaan, om bij de heer Blaaukamer en Tadama te zijn een omnes homo, vervolgens meer door gunst als kunst bootsman geworden; En toen Palleakatta hersteld wierd kwam hij voor als Equipagiemiester, hoewel den Capitain Hartman geweezene Equipagiemeester van Naga„ patnam sustineerde dat het zijn dienst was, maar den goeden Hartman wierd welhaast verstaan te geeven, dat hij niet als onaangenaam heeden en vervolging te wagten had, wanneer hij op sijn stuk bleef staan, zoo dat hij resolveerde van te repatrieeren, thans woon„ agting te Harderwijk, alwaar de Heeren Majores sig direct konde enkondigen omtrend het voorig gezegde, en verdere Elucietatie krijgen omtrend de bekwaam en on„ bekwaamheijd van den Equipagie meester A: van odijk, waar over ik mij lieft niet verder wil uijtlaaten, want hoe zeer mende belangens behartigd, zoo moet men de woorden in de weegschaal leggen om zelfs niet betrokken te zijn, want immers was het natuurlijker dat die scheepvrienden die zedert het Iaar 1785. van Batavia dit kantoor bevaaren hebben, om van die lieden te er„ kondigen voor hoe verde van odijk bekwaam, of onbe„ quaam is. ƒw7. Wat van Bijland met de ingewikkelde percode omtrend

NL-HaNA_1.04.02_3974_0226 view scan ↗

English

refers to about the 30 cable ropes furnished to the captain of the ship Housen. He found it so remarkable that he thought he ought to impart it to Their High Excellencies. If it is to the satisfaction of Their High Excellencies, he has no remarks, but should the contrary appear, he, as a former shipowner, believes that the consumption of 3 ropes can be presumed to mean nothing other than incompetence in weighing the anchors, or else that the ropes were rotten and worn out from lying unused, the more so because it is in the best of the season, when the ships lie at their deepest in 6 to 7 fathoms. Moreover, the ship has already lain unmoored for several days, contrary to Company orders. As a member of the council, I believed I ought to make such remarks to you, not as a seaman, but in order, if possible, to prevent the expenditures from worsening from bad to worse, for by turning a blind eye to everything and giving the captains so much liberty, they will soon act solely according to their own pleasure, as shown by: who permitted Captain Gas this year to drop anchor at Sadraspatnam with the current and wind ahead, and there to give a banquet to the Chief on board, to ship off several goods, and subsequently also again on the Madras roadstead, as appears from the English courier, who takes note of no ships other than those actually lying on the roadstead, all so contrary to the Company's orders. Must all this simply be approved, and does not such a captain make himself suspect at a time when the smuggling trade is gaining the upper hand to such an extent that it is the real cause of the meager sales of spices at Palleacatta? I hope to have satisfied what was requested simply and impartially. Paragraph 118. Whether Palleakatta could not be provided with some European bookkeepers and apprentices to prevent the cited destructive intrusions. Herewith the informant means nothing other than the fear he has that, in the unexpected event of death or otherwise, the posts would be filled with natives of these lands, who through their large following can cause nothing but discord and a destructive influence in the Company's true interests, for it is universally known that an inland native does not like to deal at all with those who were born here in the country, because they know very well how to figure out from which castes those people are born. A further Extract from a secret missive written by the Coromandel Government to Their High Excellencies under date of 10 February 1790. Containing principally the accusation against the Secretary De Raeff that he allegedly included distorted opinions and falsifications in the resolutions. This matter having come to maturity, Their High Excellencies could take a decision on this, for the pretext of confronting the resolutions and minutes kept by the Secretary in the meeting with one another on 10 December, yet no errors of any kind having been discovered therein, much less any falsifications, what shall I conclude from this? The Secretary De Raeff makes a full confession by accusing the Secretary Hasz, and he is taken to confront the resolutions with the minutes in order to plead himself free as well. And why was the undersigned not called in if it were pure truth? The matter of the greatest importance is whether a governor may refuse a meeting, yes or no, arbitrarily when it does not suit his purpose, and whether it is fitting for a governor to take a decision in his own case and on his own authority to deny both Van Eijland and De Raeff access to the meeting, with orders to the former that he may have no access whatsoever to the secretarial papers. I must say in all conscience that I have the highest esteem and regard for Mr. De Raeff, and one can never accuse someone of an evil deed unless one must presume that there are motives for it, whereas here it was quite indifferent to Mr. De Raeff how the resolutions were drawn up, far less whether the insertions were included with them, yes or no; but on the contrary it was by no means indifferent to Mr. Tadama, who was amply accused therein. For all these reasons it is to be presumed that Mr. De Raeff, out of generosity and friendship for Mr. Tadama, allowed himself to be misled into this. If I might succeed in recommending Mr. De Raeff to Your Respected and Gallant Worship in such a way that his case would be presented to Their High Excellencies by Your Respected and Gallant Worship in the most favorable light, I would regard it as a singular favor, the more so because I must say that we have often lamented to each other about the sloppy management of affairs here on the coast. Herewith I believe to have concluded this article. Paragraph 11. Contained in that same Extract is the answer of the Council as to why Sadaaspatnam has not collected any piece goods. Having already answered this in detail, I abide by it. Concerning Paragraphs 12, 13, 14, 15, 16, 17, and 18, the undersigned reserves the right to answer them when the evidence against this enormous, unfounded, and absurd accusation shall have been received. An Extract from a successive letter written by Their High Excellencies to Coromandel on 17 August 1790, Paragraph 59, contains the missive from the Malabar ministers of C:

Dutch transcription

omtrend de 30 kabeltouwen verstrekt aan den kapitein van het schip Housen bedoeld. Hij heeft het zoo aan merkelijk bevonden dat hij dagt het Hunne Hoog Edel. heedens te moeten bedeelen, is het ten genoegen van Haar Hoog Edelens zoo heeft hij geene remarques, maar blijkt het tegendeel, zoo vermeent hij als geweezen rhee„ der van scheepen dat om 3. touwen te verbruijken, niet an„ ders gesupponeerd kan worden, als onbekwaamheijd in het ligten der ankers, dan wel dat de touwen verrot en verleegen waaren, te meer. dat het in het besten van het saesoen is, wanneer de scheepen op zijn diepst 6. a. 7. vaam leggen, daar en boven gaat het schip reets ver„ scheide dagen onvertuijt geleegen Areidig met Comp order als lid van den raad heb ik vermeent uwen da diergelijke remarques te moeten maaken, niet als een Zeeman, maar om daar door was het mogelijk voor te komen dat de verstrekkingen niet van slimmer tot erger toenamen, want met alles door de vingers te zien, ende kapitains zoo veele vrijheijd te geeven zullen zij wel haast doen, alleen na hunne welgevallen, blijkeng wie heeft den kapitain Gas dit Iaar gepermitteerd, om voorstroom en wind te sadraspatnam ter anker te komen, en aldaar het opperhoofd aan boord een gast„ maal te geeven, verscheijde goederen aftescheepen, vervolgens ook weder op de Madrasser rhee blijkens de Engelsche courier die van geene scheepen notitie neemen, als die werkelijk op de rheede leggen, alles soo 107 soo strijdig met Comp:s ordre, moet dit maar alles goed gekeurd worden, en maakt zig zoo een kapitain niet suspect op een tijd dat den smokkelhandel zoo verre de overhand neemt dat het de reeele oorzaaken is, van het wijnig verthier. op Palleacatta betaeffende de specerijen. Ik hoof aan het gerequireerde eenvou„ dig en onpartijdig voldaan te hebben-. § 118. of men Palleakatta. niet met eenige Europee„ sche boekhouders en aanquekelingen zouden kunnen voor„ zien, om de aangehaalde verderfelijke inkruijssinge voor te komen. Hier meede bedoeld den bericht geever niets anders meede als de vreese die hij heeft dat bij onverhoofte sterfgeval als andersints de plaat„ sen vervult zoude worden met nativen dezer landen, die door haar grooten aanhang niet dan twee spalt, en een verderflijk in vloet konnen te weegen brengen in 'sComp=s waare belangens, want het is salomme be„ kont dat een inlander in 't geheel niet graag te doen heeft met die geene die hier te lande gebooren zijn om dat zij zeer wel weeten uijtte reekenen uijt welke kasten die lieden gebooren worden. Een nader. Extract uijt een secreete missive door de Cormandelsche Regeering aan Hun Hoog Edelheedens geschreeven in dato den 10. februarij 1790. Behelsende hoofd zakelijk de beschuldiging tegens de secretaris de Raeff van in de resolutien verdraaijde meenin„ gen en valsiteiten zoude inhouden, deeze zaak ter maturiteit matuaiteit gekomen zijnde hadden Hunne Hoog Edelheedens een besluijt hier over konde neemen, want het voorgeeven dat op den 10. december, de resolutien en notulen door den Secretaris in vergadering gehouden met elkander te Confronteeren, dog daar bij er geene erreuren hoe genaamd ontdekt zijnde, nog veel minder eenige falsiteiten, wat zal ik hier uijt opmaaken den secretaris de Raeff doedeen volmondige Confessie met den Secretaris Hasz: te beschuldigen, en die word ge„ noomen om de resolutien met de notulen te Confron„ teeren, om zig zelven ook voij te plijten, en waar om wierd den tekenaar daar niet bij geroepen als sij suijver waar de zaak van het grootse aanbelang is, of een gou„ verneur vergadering weigeren mag, Ia of neen wil„ tekeurig wanneer het hem in zijn kraam niet te pas komen en of het een gouverneur past om in zijn eijgen zaak en opr eijgen authoriteijt een besluijt te neemen, om van Eijland en De Raeff beijde de vergadering te ontseggen, met ordre aan de eerstgenoemde dat hij geene toegang hoe genaamd mag hebben tot de secreta„ reeele papieren Ik moet in gemoede zeggen dat ik de hoogste Estime en agting heb voor de heer de Raeff, en men kan nimmer iemand van een kwaad beschuldigen, of men moet veronderstellen dat daar mativen voor zijn, terwijl hier het zeer indifferent was voor de Heer. De Raeff, hoe de resolutien opgemaakt waaren, weel 108 vel minder of de Insertien daar bij stonden Ia. of neen, maar daar en tegen was het gansch niet on„ verschillig voor de heer Tadama die daar rijke„ lijk in beschuldigt was, om alle deeze reeden is het te supponeeren, dat de heer de Raeff uijt genovisi„ teijt en vrundschap voor de heer Tadama zig daar toe heeft laaten verleijen; Mocht het mij gelucken van de heer de Raeff aan uwel Edele Gestr: zoo te recommandeeren dat zijn zaak aan Hun Hoog Edelheeden door uwel Edele Gestrenge op het favora„ betste voorgedragen werde. zoude ik het voor een sin„ guliere gunst aanmerken, te meer dat ik zeggen moet, dat wij meenigmaal met elkander gedolleert hebben over de slorsig directie der zaaken hier ter kuste, Hier meede meene ik dit articul afgehandelt te hebben. —. § 11. In dat zelfde Extract vervat is in antwoord van den Raad waar om sadaaspatnam geene lijwaaten heeft ingezameld. dit reets breedvoerig beantwoord hebben„ de, blijf ik daar bij berusten. Betreffende ƒ 12. 13. 14. 15. 16. 17. en 18. reserveerd sig den tekenaar daar op te antwoorden, wanneer de bewijzen tegens deze en orme ongegronde absurde beschuldiging zul„ len zijn ingekomen Een Extract uyt een successive door Hun Hoog Edelheedeng na Cormandel geschreeven op den 17. aug:s 1790. ƒ59. behelsd de missive van de mallabaarse ministers van C:

NL-HaNA_1.04.02_3974_0230 view scan ↗

English

from 30 April from section 158 to 100 inclusive regarding the complaints of the Governor there, van Angelbeek, about the insult done to his Honour by van Bijland, originally through having protested a bill of exchange of 600 rupees, and the request for satisfaction made at the same time by his Honour, with an order to you to ensure that the demand of the gentleman van Angelbeek is completely fulfilled by the said van Bijland. May I be permitted, with due respect, to bring to your Right Honourable's attention, with the request that you may be pleased to direct it to their High Honours, so that their High Honours may be convinced that the matter between the Honourable gentleman van Angelbeek and van Bijland is not a Company matter at all, and that therefore my humble request consists in this, that their High Honours may be pleased to refer the gentleman van Angelbeek to the Court of Justice at Batavia, at which time I will likewise appoint an attorney to hear this matter adjudicated in court, and therefore I most humbly request to be excused from giving any satisfaction whatsoever to the gentleman van Angelbeek, the more so because the Honourable gentleman van Angelbeek appears to be ill-informed, since until today, 12 December, the ship has not yet been paid for. Meanwhile, in order to reassure the Right Honourable gentleman van Angelbeek regarding my signature, it should be noted that when the informant writes in English he signs Count, and in French Comte, both meaning Count in our language, and instead of Willem, which letter is unknown, one writes Guillaume in French. Herewith I believe I have satisfied what was required, and those paragraphs that are not cited here will be answered in the following main parts, since the evidence has not yet arrived; however, in order not to cause any delay, I thought to offer your Right Honourable a summary of the following main parts, while they are being copied, and to which I fully refer; while I have the honour to call myself with deep respect, stood below, Right Honourable Sir! Your Right Honourable's humble and obedient servant, was signed, W: H: G: van Bijland, in the margin, In Fort Geldria, 20 December 1790. Agrees. A: V: Hassel, Secretary. To the Right Honourable Sir Jacob Eilbracht Senior Merchant and Commander of the Coromandel Government with the dependencies thereof, etc. etc. Right Honourable Sir, I have the honour to present to your Right Honourable this brief summary of the second and third main parts of the undersigned's general report concerning everything that occurred at Jaggernaik until his release from criminal imprisonment, after a period of more than seven months. Firstly, how the warehouses were found three months after the accusation is matters little to the informant, as he was not called upon during their takeover; it is enough that those mentioned goods reported by me to be slipped into my hands upon the new delivery were actually found there, as admitted by the commissioners, to an amount of 4539. 21. 7/8. Secondly, whether the treasury was complete three months after the date would also matter little to me, were it not shown that it was opened and the seals were broken without the presence of the commissioners, who can be questioned under oath, and otherwise my witnesses are the gentleman Roge, and the bread baker Appol, and a son of Hogermeer, to whom da Silva complained about it; if the treasury had been complete, one would not have had to resort to such extremities to expose a public person like a clerk so that the fiscal can demand his hand. Thirdly, regarding the warehouses, they should be compared to the important buildings of Bimilipatnam built under the supervision of Dormieux, and especially the flag bastion, which is so much lower in price and provides a perfect battery; that warehouse in question is about to sink and collapse, was built by Callemagne, and where lime was absolutely required, it was mixed with 3 baskets of sand to 1/4 basket of lime. Fourthly, the monopoly on the principal foodstuffs is so far proven in the general report with the name of the only person who was allowed to sell salt in the presence of the kaniakapillai of the gentleman van Halm, and indeed that upon my arrival one could not get as much salt for six dabbous as one could in earlier administrations before the war for one dabbous. Fifthly, the weights and measures all in disorder, and only recently calibrated, but the greatest fraud occurs with the weighing of the dabbous, between the light and the heavy there is a difference of 14 per cent, through which all trade is driven away, and the residents, and myself.

Dutch transcription

van den 30. april van '§158. tot 100. inclusive wegens d klagten van den heer Gouverneur aldaar van Angel„ beek over de aan zijn Ed: toegebrachte injurie door van Bijland oorspronkelijk van een wissel geprotesteert te hebben van 600. rop:s, en het door zijn Ed: teffens gedaan verzoek tot satisfactie met order aan uE: om te zor„ gen dat aan het requitzet van den heer van Angelbeek door gem: van Bijland Compleet voldaan worde Het zij mij vergunt met gepaste eerbied uwel Edele Gestr: onder het oog te brengen, met verzoek van het bij Hun Hoog Edelheedens daar heenen gelieven te derigeeren, op dat Hun Hoog Edelheeden overtuijgd mogen worden dat de zaak tusschen den Edelen He van Angelbeek, en van Bijland in 't geheel geen Compagnies zaak en is, en dat derhalven mijn oot„ moedig verzoek daar in bestaat dat Hun Hoog Edelhee dens de Heer van Angelbeek gelieven te renvoijeeren aan de Raad van Iustitie te Batavia, wanneer ik insgelijks volmagt zal aanstellen om deeze zaak in regten te hooren uijtwijzen, en daar om verzoeke ik nedrigste van geExcuseert te zijn eenige satisfactie hoe genaamd aan de heer van Angelbeek te geeven te meer dat den Edelen heer van Angelbeek kwalijk scheijnt geinformeerd te zijn, vermits tot heeden den 12. december het schip nog niet betaald is. om in„ tusschen de welEdelen Heer van Angelbeek gerust te stellen omtrent mijne handteekening zoo dient ofer gemerkt 109 opgemeakt te worden, dat wanneer den berigt geeven in 't Engelsch schrijft hij Count teekend en in frans Comte bijde in onse taal beduijd Graaf, en in plaats van Willem welke letter niet bekent is schrijft men guillaume in het fransch. Hier meede meene ik aan het gerequireerde vol„ daan te hebben, en die paragraphen, dewelke hier niet aangehaald zijn, zullen in de volgende Hoofd-deelen beantwoord worden, aangezien de be„ wijzen nog niet zijn ingekomen; Edog om geen of onthoud te veroorzaaken, soo heb ik gedagt van uwel Edele Gestrenge aantebieden een zaamen„ trekking van de volgende Hoofd deelen, Terwijl deselve afgeschreeven worden, en waar aan ik mij ten volle refereere; Terwijl ik de eere hebbe mij met dief respect te noemen /:onderstond:/ wel Edele Gestren„ ge Heer! uwelEdele Gestrenge ootmoedige en Gehoorzame Dienaar /:was geteekend:/ W: H: G: van Bijland /:in margine:/ In 't fort Geldria den 20.' December 1790—. Accordeert. A:V: Hass E Secs 110 Aan den wel Edelen Gestrengen Heer Jacob Eilbracht opperkoopman, en Gezaghebber van het Cormandelsch Gouvernement met den resorte van dien &:a &:a WelEdele Gestrenge Heer. Ik heb de eere uwel Edele Gestrenge aante bieden deeze korte zamentrekking van 't tweede en derde Hoofd-deel van den ondergetekende zijn generaal verslag omtrend al het voorgevallene op Iaggernaijk tot zijn ontslag uijt de Crimineele gevangenschap, na verloop van ruijm zeven maanden—. Eerstelijk hoe de pakhuijsen bevonden zijn drie maan„ den na de beschuldiging is den bericht geever zeer. om het eeven, als zijnde bij desselfs overneem niet bij geroepen genoeg is het, dat die vermelde goederen bij mij opgegeeven om mij in de hand te stoppen op de nieu„ we. leverantie, dat die werkelijk daar gevonden zijn, in confesso bij de gecommitteerdens tot een bedragen van 4539. 21. 7/8. Sweedens of de Cassa Compleet was, drie maanden 6 na dato diende mij ook om het eeven te zijn, was 't niet gebleeken dat dezelve geopend is, en de Zeguls afgebroeken sonder bij zijn van de gecommitteerdens, die op den Eed konnen, konnen geveagt worden, en anders zijn mijne getuijgen de heer Roge, en den brood bakker Appol, en een zoon van Hogermeer den wien zig da silva daar over beklaagt heeft, als de cas Compleet was geweest hoefde men niet tot sulke extremiteeten over tegaan om een publicq persoon als een scriba te Exponeeren dat de fiscaal zijn hand eijsschen kan. Derdens omtrend de pakhuijsen diende dezelve ver„ geleeken te werden bij de importante gebouwen of Bimilipatnam gebouwt onder opzigt van Dormieux, en wel voornamentlijk de vlagge punt die selve zoo veel minder in prijs is, en een volmaakte batterij uijtleevert, dat pakhuijs in questie staat te sakken, en in te storten, is door Callemagne ov gebouwt, en waar absolut kalk vereischt wierd, is dezelve gemingt geworden met 3. mande sand over ¼. mande kalk-. . Vierdens: de monopolie van de principale eetens whaaen, is voor zoo verre in 't generaale verslag beweezen met de naam van den Eenigste die sout mogt verkoopen ten overstaan van de cannecappel van den heer van Halm, en dat wel dat bij mijn komst men voor geene ses daboussen zoo veel sout kon krijgen als in vroe„ gere regeeringsen voor den oorlog voor een dabous Vyfdens. de gewigten en maaten alle in desorder nde laastelijk eerst geeijkt, maar de grootste frande ge„ schiet met het weegen der dabbousen, de lichte en de swaare is een verschil van 14. p:r C:o, waar door al de negocie afgetrokken word, en de dngeseetene, en ik selve.

← previousnext →