VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3974

Coromandel / Bengal · 1,128 pages · 216 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3974_0235 view scan ↗

English

111 itself, had all my provisions purchased at kakinara across the river. Sixth: the matter regarding the counterfeiting of the daboussen is too well known and calculated previously to find place within this brief scope, and whereby Company servants were shortchanged in their wages. Seventh: regarding the percentages in warehouses, specifically: the chiefs receive for every hundred on allowances 2 per cent, and the seconds 1 per cent, and to the lesser servants 4 percentages, to the Company interpreter ¼ ditto, to the First servant of the chief ¼ ditto, to the Company brahmin 7/8 ditto, and to the first servant of the second [illegible], which is completely ignored by the commissioners, and they even obliged Mr. obdam to pay the same after the contract with him was concluded as a fixed customary fee, against which there was no arguing; this was also given to me by van Someren and the warehouse servants. Eighth, that I did not wish to meddle with the lease, as not understanding and can be seen in the general report at No. 1 Chapter 2. The salt cultivation seemed to have been ceded to a servant of van Someren for 500 pagodas, on the condition that he would pocket the bankruptcy moneys of the preceding year to an amount, if I am correct, of 300 or 500 pagodas, whereupon I asked whether the salt cultivation was then worth 800 or 1000 pagodas annually, wishing to give no decisive answer the chiefs kept this cultivation for that year for themselves. Ninth, that on 28 January nothing was yet ready of the books or papers, as shown by this accompanying copy of the remainders as of the ultimate of August, and that I should just take over, that what was consumed, used, and given away in the time of 5 months would be properly settled upon the transfer. Tenth, an autograph manuscript by Mr. van Halm, how he says that the merchants must pay, there is nothing to add to it, without it being signed, it remains of the same value, as Your Right Honorable finds before van Halm, it can also be added here that all lesser servants have had to pay for their service, such as: Company brahmin 400 pagodas for the chief, and 100 for his servants, the Cotewal 50 pagodas, and shortly thereafter discharged from the service, without the least restitution. Eleventh, two letters to Mr. Tadama of January, how moderately I have sought to handle everything and the evidence contained therein, that neither hatred nor envy remained with me, and that I aimed at nothing but the Company's well-being, with the simultaneous request rather to recall me, and already known to Your Right Honorable. Twelfth, that I was reluctant and apprehensive to take over the enormous debts of the merchants to an amount of fully twenty-four thousand pagodas, among which were included those goods on the new demand, and 23 bhaar Japanese copper, besides those 80 bhaar copper, all of which made a fine mess of which the one was no better than the other regarding the payment. Thirteenth, on that occasion the Jaggernaijk merchants were arrested for the first time, because they had testified in the presence of van Someren and Dirksz: not to owe more than about 7 to 800 pagodas, that the remainder were moneys and debts of the chiefs to an amount of 3132 pagodas plus minus, this will be dealt with further. Fourteenth, a translated letter of complaint, to Mr. Tadama and me, each drawn up separately of the same content from the Jaggernaijkpoeram merchants, how they were obliged to take coral in payment. Fifteenth, how I sought to mediate the matter, by uniting the two teams, one for all and all for one, or else to pay the debts in Cash, and in imitation of what was proposed by the Commander Blaaukamer, whose letter is annexed hereto in Copy G, both to secure the Company as well as the chiefs, how far I succeeded in that with the private contract hereto annexed, how the ill-disposed chiefs played underhandedly therein, and whereby this entire revolution was caused, and all malversations both of Mr. Tadama and the chiefs will be most clearly revealed upon an impartial investigation. Sixteenth, the ridiculous evasion of the merchants detailed at large in all the letters, as also with cited proofs and witnesses, which can be looked up regarding this. Seventeenth, how I meanwhile during the evasion made a private contract with Ramaija with deduction of all percentages that have been added to the deliveries since the war. Eighteenth, that on 25 February by a resolution of the 17th by the Palleacat Council, I was as it were discharged from the service, and the Jaggernaijkpoeram merchants were directly criminally arrested until the arrival of Mr. Schliephaken on 20 March, also an old brahmin in a very cruel manner. Nineteenth, that shortly thereafter followed a letter from the council, with the promise to send two Commissioners to prevent further discrepancy of the chiefs, and for that purpose were devised the two most intimate friends of Tadama. Twentieth, here I will only cite the correspondence both with Mr. Tadama and the Council, such as those of the 3rd, 5th, 6th, 13th, 17th, 20th, 26th, and 27th February, as also those of the 1st and 2nd March, these latter upon which my criminal

Dutch transcription

111 selve, alle mijne provisien op kakinara over de revica liet inkoopen. sesdens: de zaak omtrend het valsche munten der daboussen al te bekend en bereekend hier voorens om in dit kort bestek plaats te konnen vinden, en waar door Compagnies dienaaren in hunne gagien te kort gedaan zijn Zevende: omtrend de percentos in pakhuijsen, als namentlijk: geniet de opperhoofden of elk hondert aan verthier. pr /o 2. , en de secundens p. C. 1. , en aan de mindere bediendens 4. percentos, aan de Comp:s Tholk ¼. d:o aan de Eerste dienaar van het opperhoofd ¼. d:o, aan Comp:s bramine. 7/8. d:o, en aan de eerste dienaar van de secunde. /o, 't welk door de gecommitteerdens geheel genegeert word, en men heeft selfs de heer obdam ver„ plicht het zelve te betaalen na dat het contract met hem geslooten was als een vaste costumado, daar niet tegens te raisoneeren was, ook heeft mij dat van some„ ren en de bediendens van 't pakhuijs opgegeeven. Agtstens, dat ik mij met de pagt niet heb willen bemoeijen, als niet begrijpende en te sien is in 't gene„ raal verslag bij N:o 1. Cap: 2. de sout Cultuur scheen afgestaan te zijn aan een dienaar van van Someren voor 500 pag:, onder die mits dat hij de banquer out gel„ den van 't voorgange Iaar soude in palmen tot een bedra„ gen als ik wel heb van 300. of 500. pagoden, daar op vroeg ik of dan de sout Cultuur Iaarlijks 800: of 1000. lve 1000 pagoden waardig was, geene uijtsluijting willende geeven behielden de opperhoofden voor dat Iaar dit cultuure aan hem selve. Negende, dat op den 28. Ianuarij nog niets klaar was van de boeken of papieren blijkens deeze nevens gaande copia van de restanten onder ult:o augustus, en dat ik maar overneemen sou dat het vertheer verbruijk te en verschonkene in den teijd van 5. maanden bij 't transport wel verEffent sou worden. Tiendens, een eijgenhandig handschrift van de heer van Halm, hoe hij segt dat de kooplieden moeten betaa„ len, daar is niets bij te voegen, sonder dat het getekend is, blijft het van de selve valeur, als uwelEdele Gestr: ovmeakten komt voor van Halm, ook kan hier nog bijgevoegd worden dat alle mindere bediendens voor hunne dienst hebben moeten betaalen, als: compagnies lramine 400. pagoden voor het opperhoofd, en 100 voor zijne bediendens, de Cotewal 50. pagoden, en kort daar of uijt den dienst geset, sonder de minste restitutie—. Elfdens, twee brieven aan de heer Tadama van Ianuarij hoe moderagt ik alles heb soeken te tracteeren en de blijke daar in vervat, dat er nog haat nog neid bij mij overbleef, en dat ik niets en betrachten als Com„ pagnies wel zijn met verzoek teffens van mij liever ofr te roepen en bij uwelEdele Gestr: reets be„ kent- Twaalfdens dat ik weigeragtig en beschroomt was 112 was, om de enorme schulden der kooplieden overtenee„ men tot een bedragen van ruijm vier en twintig duijsend pagoden daar onder begreepen waaren die goederen of den nieuwen Eijsch, en 23. bhaar Iappans kooper, behalve nog die 80. bhaar kopper dat alles een potnat uijtmaakte waar van den eenen niet beeter was, als den ande„ nen tot de voldoening. Verthiende, bij die gelegendheijd wierden de Jagger„ naijkse kooplieden de eerste maal gearresteerd, om dat zij ten overstaan van van Someren en Dirksz: getuijgd hadde, niet meerder schuldig te zijn, als omtrend 7 â 800. pagoden dat het overige gelden en schulden waaren der opperhoofden tot een bedaagen van 3132. pagoden plus minus„ hier word nog nader over verhandelt. veerthiende Een Iensiefs translaat klagt schrift, aan de heer Iadama, en mij, ider afpaat ingericht van de selfden inhoud van de Iaggernaijkpoeramsche kooplieden, hoe dat zij verplicht zijn geworden Coraal in betaling te neemen. vijfthiende, hoe ik gezogt heb om de saak te bemiddelen, met de twee ploegen te verEenigen, een voor al, en alle- voor een dan wel de schulden in Cassa. te betaalen, en navolging van 't geproponeerde door den heer Gezagheb„ ber. Blaaukamer, wiensbrief hier annex is in Copia G zoo om de Comp:e te secureeren, als ook de opperhoofden hoe verre dat mij dat gelukt is met het onderhandsche contract hier nevens, hoe dat de kwalijke gesinde opper„ hoofden 6 hoofden daar onder gespeelt hebben, en waar door deeze geheele revolutie veroorzaakt is, en alle malversatien zoo van de heer Tadama, als de opperhoofden, zal ten klaarsten ontdekt worden bij een impartiaal der onderzoek Sesthiende, de redicule uijtweiking der kooplieden in 't breede bij alle de brieven geditailleert, als ook met aan„ gehaalde beweizen en getuijgen, die daar op nagesla„ gen konnen worden. Zeventhiende, hoe dat ik intusschen der uijtweijking een onderhands contract maakk. met Ramaija met af„ korting van alle percentos die op de leverantien gekomen zijn zeedert den oorlog Agthiende, dat ik op den 25. februarij door een besluijt van den 17. door den Palleacatsen Raad, als uijt den dienst geset wierd, en de Iaggernaijkpoeramsche kooplieden direct crimineel gearresteerd zijn tot het arrive van de heer Schliephaken op den 20. Maart ook een oude „bramine ovr een zeer Cruelle weize Negenthiende dat daar kort op een brief van de raad volgde, met de beloften van twee Gecommitteerdens te sullen senden om de verdere discrepantie der opperhoof„ den voor tekomen, en daar toe wierden uijtgedagt de twee aller. intimste vrienden van Tadama Twintigste, hier sal ik alleen in aanhaalen de corres„ pondentie zoo met de heer Tadama als den Raad, als die van den 3e. 5. 6. 13. e 17e. 20e. 26, en 27. februarij, als ook die van den 1. e en 2e Maart. deeze laaste. waar op mijne Crimineele

NL-HaNA_1.04.02_3974_0239 view scan ↗

English

criminal imprisonment was found, was a private letter to Mr. Tadama, which is alleged either at Palleacatta or at Iaggernaijkpoeram, since it very clearly states I can withdraw myself, etc. Being able to do something and actually doing it is a great difference, which will become clearer later. Twenty-first, in what a cruel, unheard-of, illegal manner I and my servant were arrested on 20 March by Schliephaken, and that after Mr. Schliephaken was fully convinced of my innocence, and had been provided with a long letter from me to him, and his answer thereto among the annexes in the general report. Twenty-two: how everything was started with clamor, after my arrest the warehouses and cash desk were sealed; what does that matter if the books and papers are not demanded; they also made up the copper that was short with rice, as well as to the washers, as if that had been given to them from the cash desk in cash, because the books had not been taken. Twenty-three: on 3 April my vessel sailed to Batavia, after every effort and correspondence had been employed to arrest the same, which is indeed proof that my only crime was having arranged that expedition, through which everything would be discovered; this vessel was not dispatched in secret, I gave notice thereof to the Council, whereupon that famous meeting of 12 March was arranged, with the consequences thereof, merely to arrest me provisionally, to seize the papers, to seal all gold and silver, leaving only personal belongings, in order to prevent the expedition and to prevent anyone from granting me money or credit. Twenty-four. A further and even stricter arrest of 14 April, for complaints had been made that if I enjoyed so much freedom, it was then impossible for Triwengelam to prevent the departure of the vessel; this is dealt with at great length, how all the roads were occupied, and also how those gentlemen declared not to know the reason for my arrest, but sent me by the scribe a few days later, to hear read without being allowed to copy, the following: you shall arrest Van Bijland, seal everything, and secure silver, etc., in a word leave him nothing but his personal belongings and only two slaves to attend to him, and above all the papers and writing materials, so that he, Van Bijland, should not in time deny the accusation against the chiefs of Iaggernaijkpoeram; to this I am ready to take a solemn oath, how matters proceeded further is dealt with in the general report. Twenty-five, A letter annexed hereto from Heshusius and and Schliephaken dated 8 April, the actual reason why I was arrested, namely because of the letter to Mr. Tadama of 2 March, not thinking, much less expecting, that 9 months after date, a fiscal action would be thrown upon me, devoid of all semblance of truth, a calumnious, trumped-up action, wherein the witnesses were won over by imprisonment and the cane, some by money, A matter indeed where the fiscal exposes his honor, name, and reputation before the entire world, since there is not a single accusation in it that carries even a semblance of truth, and which was sought only after the knowledge they had of the departure of Le Diable to Batavia, for had that action then been in force or proven, it would indeed have been brought forward on 14 April, let alone on 20 March at the first detention; but let me confine myself for now to the crime of 2 March, is that a reason to treat me in such a cruel, unheard-of, unchristian manner, as if they were truly seeking my life; they had no other recourse to save themselves from their malversations, and therefore the plan was to transport us prematurely by Company sloop, and so directly onto the ship Horsen to Batavia, with all their false actions and accusation, as appears from the letter of Captain Gas annexed hereto with his answer. Twenty-sixth. The violence committed 8 days after the strict arrest of 14 April by placing 12 sepoys at my door, and 2 over my horses, the arresting of my slaves, and freedmen who wished to live and die with me, as well as the repeated refusal of the doctor can be testified to by all my guards, the more so that one of them gave me indigenous medicine, and provided all my people with home remedies. Twenty-seven: How I was insulted by day and disturbed by night, and how I repeatedly warned the guards that they broke into my windows or shutters at night, they will also testify. Twenty-eighth, that all the affidavits were extorted and forced will fully appear upon the arrival and impartial investigation of the new chiefs whom your Honor has appointed, though I will note and ask here with due respect, who will be the faint-hearted and timid native who will come forward once again with his complaints after all that cruel persecution against the complaining merchants of Iaggernaijkpoeram, and what the reward has been that I have had for having looked after the Company's interests as my own; they see me

Dutch transcription

113 Crimineele gevangenschap gevond is, was eene par„ „ticulieren brief aan de heer Tadama, die vervaltett:s, of op Palleacatta of op Iaggernaijkpoeram aangezien en zeer duijdelijk staat ik kan mij ontrekken &:a kunnen doen, en doen is een groot verschil, 't welke nader blijken zal. Een en twintigste, op wat eene Cruelle ongehoorde ilegale weise ik en mijn dienaar op den 20. Maart gearresteert wierd door schliephaken, en dat wel na dat de heer schliefshaken ten vollen overtuijgd was van mijne ons„ schuld, en door een groote brief van mij aan hem bedeeld was, en zijn antwoord daar op bij de bijlagen in 't ge„ neraale verslag Twee en twintig: hoe dat alles met bomberi begonnen is, na mijn arrest de pakhuijsen en Cassa- verzegult; wat doet er dat toe als de boeken en papieren niet overgeeischt worden; ook hebben zij met reijst het koper dat te kort kwam gecompletteerd als ook aan de was„ sers, als of hun dat uijt Cassa in contanten gegeven „was, om dat de boeken niet afgenoomen waaren drie en twintig op den 3. April zeilde mijn vaartuijg naar Batavia, naar alle moeijte en Corres„ pondentie aangewend te hebben, om het selve te arrestee„ ren 't welk wel een blijk is dat mijn eenigste Crimen was, van die expeditie aangelegt te hebben, waar door alles ontdekt sou worden, dit vaartuijg is niet in 't geheum afgevaardigt, Ik heb den Raadt daar van kennisse gegeeven mijne gegeeven, waar of dan ook die fameuse vergadering van den 12. ' Maart is aangelegd met de gevolgen van dien om mij maar bij provisie te arresteeren, de papieren te ontweldigen, goud en zilver alles te verzegelen, alleen zijn lijf toebehooren te laaten, om te beletten de Expeditie en om voor te komen, dat mij iemand geld of credit ver-„ gunnen sou- Vier en twintig. Een nader en nog strenger. arrest van den 14. april, want daar waaren klagten gegaan dat als ik van zoo veel vrijheijd Jouisseerde het als dan onmogelijk was voor Triwengelam van 't vertrek van 't vaarthuijg te beletten; dit is zeer breedvoerig verhan delt hoe dat alle de weegen beset waaren, en ook hoe dat die heeren declareerde niet te weeten de reeden van mijn arrest, maar sonden mij per de scriba korte dagen daar na om te hooren leesen sonder te mogen af„ geeven het volgende, van Bijland sult gijlieden dia het arresteeren, alles verzegelen, en verzekeren, zilver N W:e met een woord hem niet laaten als zijn lijf toebehooren en alleen twee slaaven tot sijn oppassing, en voor al- de papieren en schrijfbehoeftens, op dat hij van Bijland niet in der tijd kwam te negeeren de beschuldiging tegens de opperhoofden van Iaggernaijkpoeram, hier ben ik toe gereed om een solemneele Eed voor te doen, hoe dat verder toegegaan is, word verhandelt in 't gene„ raal verslag -. Vijf en twintig, Een brief hier annex van Heshusius en 114 en schliephaken dato den 8. april, de reeden nu eijgentlijk waarom ik gearresteerd was, en wel om de wille van de brief aan de Heer Iadama van den 2. Maart, niet denkende nog veel minder verwagtende dat er 9. maanden na dato, mij een fiscaals actie op 't lijf soude gegooijt worden, ontblood van alle scheijn van waarheijd, een Calumnieuse opgeraapte actie, daar de getuijgens met de gevangenschap en de Rottingen sommige door geld ingewonnen zijn, Een zaak voorwaard daar de fiscaal zijn eer naam en repputatie voor de gehee„ le wereld ter toon stelt aangezien en geen eene beschul„ diging in is, die maar na een scheijn van waarheijd sweef, en die alleen gezogt is naar de kennis die zij hadden van het vertrek van Le Diable naar batavia, want was toen die actie in vigeur of beweezen geweest, zoo zoude dezelve wel op den 14. april te derde zijn gekomen, laat staan op den 20. Maart bij de eerste deten„ tie, maar laat ik mij als nog bepaalen bij het Crimen van den 2. e Maart is dat eene reede van mij of zoo eene cruelle als ongehoorde oncristelijke manier te behandelen, als of zij werkelijk na mijn leeven stonden, zij hadden geen ander uijtvlugt om hun lieden te redelen van hun„ ne malversatien, en daar om was den aanleg van wij onteidig per compagnies sloep over te voeren, en zoo direkt op het schip Horsen naar Batavia, met alle haarlieder valsche actien, en beschuldiging blij„ kens kens de brief van Capitain Gas hiermeede annex niet desselfs antwoord. Ses en twintigste. De violentie gepleegd met 8. dagen na het strenge arrest van den 14. appril met 12. Sippaijs aan mijn deur te plaatsen, en 2. over. mijne paarden het ar resteeren van mijne slaaven, en vrijgegevene, die met mij leeven en sterven wilde, als ook 't weijgeren van den doctor op gereitereerde wijze kan door alle mijne wagt houdende getuijgd worden, te meer dat een van hun lieden mij inlandsche mediseine gegeeven heeft, en al mijn volk met huijs middeltjes voorzien. seven en twintig: Hoe ik bij dag geinsulteert ben„ en bij nagt ontrust, en hoe ik verscheijde maale de wag„ ters gewaarschuwt heb, dat zij aan mijne vengsters of blinde des snagtsbraaken sullen sij ook getuijgen Agt en twintigste, dat alle de attestatien afgeperft en gedwongen zijn, sal ten volle blijken bij 't arrive, en anpartijdig ondersoek der nieuwe opperhoofden, die uwel Edele Gestr: aangesteld heeft, hoewel sal ik hier met gepaste eerbied aanmerken en vraagen, wie zal den lassen en beschroomden Inlander zijn, die ander„ maal met zijn klagten te berden sal koomen naar alle die cruelle vervolging tegens de klaagen de kooplieden van Iaggernaijkp:m en welke de belooning geweest is, die ik gehad heb met Compagnies be„ langens als de mijne behartigd te hebben sij sien mij

NL-HaNA_1.04.02_3974_0243 view scan ↗

English

me out of service, with little prospect even that I shall be reappointed as chief to be their advocate once again, whereas on the contrary the chief van Halm receives all honor and state upon his departure and upon his arrival, and is directly appointed as Chief Administrator, for which the Council of Palliacat even deemed him unworthy before the arrival of Your Honorable Severe, as long as the matter was not settled. On the contrary, I was transported like that murderer of the Brahmin with 6 peons, with orders to them above all not to let me step down from my palanquin at any English places. Here, Fort Geldria was assigned to me as my arrest, with orders to the guard before the money chest to keep watch on me as well, as also at the gate. Upon my humblest request and sickly, feeble condition, Your Honorable Severe granted that I be lodged under parole, with the promise to return myself into arrest if Their High Nobilities required it. May I not ask with respect on what foundation, for indeed nothing was yet known on that date except the carping in the letter of the 2nd of March, for the fiscal's action only came in on the 8th or 10th of December. Twenty-ninth, regarding the anchor of 3000 lb not entered in the books, and a heavy rope and trucks of the flagpole, Michiel Kind must be heard as boatswain as to how that anchor still lies at van Someren's, and the two other articles were sold at public auction by van Halm; he had asked for them on loan when building his house. The commissioners say that this happened by mistake in the confusion of the auction. Thirty. A matter of greater importance is that of the inundation, where the greatest villainies were committed. That is difficult to discover, and for me to prove here on Palleakatta, but I shall suggest the means; for where it is a Company theft, everyone considers himself entitled, by virtue of his share, to keep it secret. But it is certainly true that those goods, which were of European assortment, were sent to Europe with Captain Godefaoi, a Frenchman. First, the commissioners must be heard on this matter, all Company servants, the Chief Peon who kept watch during the embarkation, the Argathy, the interpreter, and the Brahmin, for there is not a child on the street who is not aware of it. Mr. Obdam and de Bruijn acted as commissioners. The shortest and simplest way is to grant the commissioners and everyone a general amnesty, on the condition of reporting truthfully, for that they can offer some excuse to a certain extent is sure; for as the master is, so is the servant. When the chiefs van Halm and de Ravallet lead the way with such examples, what then is not to be feared even for the subordinate servants? Even so, van Halm was shameless enough to demand back a lost pack, when he received as an answer: be content with your 99 and leave me the hundredth lost sheep, so that you do not lose them all. I certainly have leads, but I fear bringing those people into misfortune, for what must the subordinate servants not do under despotic chiefs. This item alone requires Your Honorable Severe's attention more than anything, for upon a pure investigation, and even through the ridiculous reports concerning this matter, it will appear that practically none of the Company's goods were lost, or could have been lost. I informed the Gentlemen Commissioners from Europe that if they wished to come to the place itself, I would prove it mathematically, unless one convinced me, according to the reports, that the anchors and iron money chests floated and the Japanese bar copper sank. Thirty-first. A matter still very noteworthy: Your Honorable Severe ought to require a report from Mr. Obdam as to why he did not comply first with my plea and entreaty as a friend and attorney, when he departed overland on the 3rd of March, to nevertheless disclose my case according to the truth to Mr. Tadama; and then the regent of Carpa requested and pleaded with him, for the sake of Ramaija, of whom he is the uncle, to spare neither expense nor money, but nevertheless to restore his family's honor and credit over Pallecatta. This might perhaps, through the calm and innocence of Mr. Obdam, have had a very good effect, rather than proving the greatest partiality on the side of Mr. Tadama; but then it will soon appear that he, Jan Obdam, was kept out of service because he did not belong to the plot and in the council of the wicked; for that reason he was cast out until all the false attestations and cruelties were finished in the action of the fiscal against me. Thirty-second. To cite everything is impossible; there then remains for me the report and vindication of the commissioners Heshusius and Schliepphaken. How shall I consider them? As friends of Tadama chosen for that purpose, they are already suspect, notwithstanding that they were nominated by Mr. Simons, brother-in-law of Tadama. It is true that in the beginning, to show my impartiality, I requested to have Schliephaken as a commissioner, but to be sure with the understanding that the other would be Mr. Obdam, then in loco, and not an innocent, confused know-nothing like Heshusius. But in fine, those two have come; may

Dutch transcription

115 mij buijten dienst, met weijnig voor uijtsigt selfs dat ik als opperhoofd wederom sal aangesteld worden om hun voorspraak te zijn andermaal daar en teegen het opperhoofd van Halm ontfangst alle eer en statie bij zijn vertrek, en bij zijn arrive, en word direct als Hoofd-administrateur aangesteld, daar hem voor de komst van uwelEdele Gestr: de Palliacatsen Raad selfs onwaardig toe agtin„ zoo lang als de zaak niet afgemaakt was, daar en teegen ben ik als dien moordenaar van de bramine overgevoert met 6. pions, met ordre aan hun van mij voor al op geene Engelsche plaatsen te doen afstappen van mijn palenquin. hier wierd mij het fort Geldria tot arrest gegeeven, met ordre aan de schuld wagt voor de geld kas om ook op mij te passen, als ook aan de poort; op mijn nedrigst requesten siekelijke swakkelijke omstandigheijd vergunde uwel Edele Gestr: mij gelaageerd te worden onder hand tasting, met beloften van mij weder in arrest te begeeven, als Hun Hoog Edelheedens het requireerde, mag ik niet vraagen met eerbied op wat fundament, immers is 'er nog niets be„ kent geweest op dien datum, als het Caimen in de brief van den 2. Maart, want de fiscaal zijn actie is eerst ingekomen op den 8. of 10. december Negen en twingtigste omtrent het anker van 3000. lb: bij de boeken niet ingenomen, en een swaar touw en klossen van de vlage stok moet Michiel- kint als boots„ man ofr gehoort worden, hoe dat het anker nog bij van Someren niet someren ligt, en de twee andere articuls off publicque vendutie door van Halm verkogt zijn, hij had dezelver ter leen gevraagd bij het opbouwen van zijn huijs de gecom mitteerdens zeggen, dat is bij een abuijs in de confusie van de vendutie geschied. dertig. Een zaak van meer aanbelang is dat van de watervloed, alwaar de grootste schelmstukken gepleegt zijn dat is moeijelijk te ontdekken, en voor mij om te be„ weisen hier op palleakatta maar ik zal de middelen aan de hand geeven, zoo daa als het een comp:s diefstal. is, houdsig in ieder begerechtigt mits zijn aandeel, om het verborgen te houden maar zeeker is waar dat die goederen die Europese sorteering waaren naar Europa verzonden zijn met capitain Godefaoi een fransman, eerst moet daar over gehoort worden, de gecommitteerdens alle Comp:s dienaaren, de Hoofdpeon die bij den inscheep gevigeleert heeft de argathij den tholk en bramine, want daar is geen kint op straat die dat bewust is, de heer Obdam, en de Bruijn zijn als gecommit„ teerdens geweest, de kortste en eenvoudigste weg is om de gecommitteerden en alle een generaale amnestie te vergunnen onder die voorwaarden van opregt of te bregten, want dat zij voor zoo verre eenige excusie konnen bij brengen is zeeker, want zoo als den Heer is, is de knegt, wanneer de opperhoofden van Halm en de Ravallet met sulke voorbeelde voor gaan, wat 116 wat is dan selfs niet te bedugten voor de minderen dienaaren eeven wel was van Halm onbeschaamt genoeg van een verlooren pak opteisschen wanneer hij tot antwoord kreeg vergenoegd uw met uw g9. en laat mij het honderste verloorne schaap, op dat uw dezelve niet alle verliest, ik heb wel handleijding, maar ik vrees die menschen in 't ongeluk te brengen, want wat moeten de mindere dienaaren niet al doen onder dispotique opperhoofden. dit stuk alleen vereischt uwelEdele Gestrenge attentie meerder als iets, want bij een suijver onderzoek, en door de redi„ cule rapporten selfs dien aangaande sal blijken dat er omtrend niets van Compagnies goederen verlooren zijn, of hebben konnen verlooren gaan, ik heb aan de heeren Commissarissen van Europa bedeelt dat als zij op de plaats selfs wilde komen ik het matemati„ sche soude bewijzen ten waare men mij overtuijgde volgens de berigten dat de ankers en ijzere geld kis„ ten gedreeven hebben, en het Iappans staafkoper ver„ sonken is Een en dertigste, Een zaak nog zeer opmerk zaam uwelEdele Gestrenge diende te requireeren van de heer obdamn een rapport, waarom hij niet voldaan heeft eerst aan mijne beede, en smeeke als vriend, en volmagt, toen hij overland op den 3. Maart vertrek van tog mijn zaak na waarheijd aan de heer Tadama te openbaaren, en en dan heeft hem den regent van Carpa. versogt en gebeeden om de wille den Ramaija daar hij oom over is van nog koste nog geld te sepaaren maar tog zijn familie haar eer en Credit weerom te bezorgen over palle catta, dit soude misschien door de bedaartheijd en onsen digheijd van de heer obdam van eene zeer goede uijtwerking zijn geweest dan wel de grootste partijdigheijd aan de kant van de heer Tadama beweezen hebben; maar dan sal wel haast blijken dat hij Ian obdam buijten dienst gehouden is, om dat hij van 't Complot, en in den raadt der boosen niet en hoord, om die reeden wierd hij buijten geworpen tot dat alle de valsche atteste en Cruanteiten afgeloopen waaren in de actie van den fiscaal tegens mij Twee en dertigste om alles aantehaalen, is onmoge„ lijk, daar blijft mij dan nog over het rapport en ver„ antwoordiging van de gecommitteerdens Heshusius en schliepphaken, hoe sal ik dezelve considereeren als vreenden van Tadama daar toe verkoosen, zijn zij reets suspect, niet tegenstaande dezelve door de heer Simons swager van Tadama opgegeeven zijn, wel is waar dat ik in de beginne versogt heb om mijn onpartijdigheijd aante toonen van schliephaken als gecommitteerden te hebben maar wel te verstaan dat den anderen soude zijn de heer obdam toen in loco, maar niet eenen onnosole verwaarde weet niet, als Heshusuis, maar en fin die twee sijn gekomen, mag

NL-HaNA_1.04.02_3974_0247 view scan ↗

English

May I ask what they have accomplished in the nine months; may I also ask, were they sent as advocates of bad causes, to rescue the chiefs, if possible, from that bottomless pit, to describe their case, to defend, gloss over, and obscure it, if possible, and if possible to bring about my misfortune? It is true that in their report there is not a single accusation against me of any importance or proven, but this is not enough; they seek to make a lie of it. The true accusation brought by me against the chiefs is that, contrary to oath, oath and duty of impartial investigators of the pure truth, even that vile fellow of a Triwengalam, who brought them all into grief and misfortune, is still excused in that report (when complaints came against the chiefs, they were sent away in anger, saying, put that on paper tomorrow, in order to give time so that those people were threatened and corrupted once more by Tierwengalam; how long did the exodus of the fishermen castes not last, one way or another, or they were taken on under more favorable conditions by the English, and that solely for the sake of a whore, for which they had not enough honesty to decide or determine it; in a word, no one can obtain justice; the troublemakers were protected, the abductors of married women were granted access, having the lawful husband spied upon by guards, the Cottewal, and peons, who were not allowed to leave Hofland until Koning had come home from his wife. Also, Koning beat a certain Blandouw half to death in his dwelling, who fled to the English, not being safe at Iaggernaijkpoeram under such an arbitrary government. And those were the gentlemen who were to sit as judges over me, and who truly, if between the two of them they had had just one drop of honest blood in their veins, could have settled that whole affair in eight days according to law and equity. But that was not what they sought; they had to help Van Halm because both of them were quite as guilty as those chiefs whose case they came to investigate, for indeed in January or February the merchants sat imprisoned at Bimilipatnam for the very same reason as at Iaggernaijk; the minting of the dubs was done in imitation of Bimilie, which are another 4 percent worse than the wretched dubs of Iaggernaijkpoeram. Did not Schleephaken drag into his nest the land and property of the loyal inhabitants, bringing those people to beggary, after having stayed here for months to seek redress and justice, but without a hearing? All the inhabitants praise the chief Van Haeften, but lament his being misled and deceived by Schliephaken. More than twenty of the inhabitants of Palicol followed my palanquin on this journey up-country with hundreds of complaints; I promised them only to report this to Your Right Honourable Sir. In the measuring of the paddy, underhanded tricks are also employed, and it is said that more or less, both in the lease and otherwise, Schliephaken causes an annual loss to the Company of over 700 pagodas. To discover this accurately in due time, the cannecappels of the villages must be seized at night with their olas and accounts; thus it is an investigation of half a day if it is done in secret. Thirty-third: at this moment I receive news from Jaggernaijkpoeram that on the 1st and 2nd of this month they were busy stopping up and plastering all the cracks and fissures of the warehouse, caused by its sinking; also that the veranda in front of the house of Van Halm was about to be enclosed with pieces of wood and beams, seeking to prevent it; indeed, Van Someren has enriched himself with half of what the warehouse cost the Company. Thirty-fourth: How far shall I express myself concerning the utterly infamous and unheard-of conduct of Mr. Tadama, by breaking open my papers, and that of his own choice without a resolution, precisely to hand them over to the fiscal on that date in May, which again proves their effort to initiate an action against me, because they did not trust the action already begun, which was proven only by my clerk, who on that condition was to enter the Company's service and be stationed at Sadras or Palicol; he is also already in service, without my having been asked whether he fulfilled his contract with me. The other is my faithful servant, who possesses every good quality except bravery; they beat other people to make him tremble and sign whatever they desired. As for the weighers of the warehouse, the second was bribed, and very easily, for he was of no use; by dismissing the first, he rose in rank, as indeed happened; and the first weigher, after all the torments, also signed, having been verbally promised by Sadama that he would lack for nothing, and he offered him a letter if he wished to go to Sadaas to Simons. That man offers the Malabar oath for all this, and the kannekappel and others say that they had been told: you people will never hear of Mr. Van Bijland again. Thus was the Divan treated in all matters by that blood council, and by demanding the oath from those people, as well as having them swear it. The expense account by the interpreter concerning the commission to the Nawab is all clear and proven in my favor; they have also done everything

Dutch transcription

117 mag ik vraagen wat hebben zij uijtgevoert in de en negen maanden, mag ik nog vraagen zijn zij gezon„ den geworden als advocaaten van kwaade zaaken, om was het mogelijk de opperhoofden uijt dien grondeloos poet te redelen hunne zaak te beschrijven, te verleedigen te verbloemen, te verduijsteren, was het mogelijk, en mijn was het mogelijk in 't ongeluk te brengen, wel is waar in hun rapport is geen eene beschuldiging tegens mij van aanbelang of beweezen, maar dit is niet ge„ noeg zij zoeken leugenagtig te maaken, de waare beschuldiging tegens de opperhoofden door mij is dat volgens Eed, Eed en plicht van onseidige onder„ soekers der suijvere waarheijd tot die slegte vent van een Triwengalam die haar alle in 't verdriet en on„ geluk gebragt heeft, word nog verschoond in dat rap„ port (:als er klagten kwamen tegens de opperhoofden, wierden zij met kwaadheijd weg gezonden, seggende, brengt dat morgen op 't papier, om teijd te geeven dat die lieden andermaal gedreigt en gecorrumpeert wierden door Tierwengalam, hoe lange heeft de uijtweijking der visschers kasten niet geduurt, zoo of zoo, of zij waaren op voordeeliger Conditien aangenomen bij de Engelsche en dat alleen om de wille van een hoer„ daar zij geen eerlijkheijd genoeg toe hadde om dat te beslissen of uijt te weisen, met een woord niemand kan recht erlangen, de perturbateurs wierden be„ Schermt schermt, de schaakers der getrouwde vrouwen toegang vergunt met de wettige man te laaten bespioneeren door wagters, Cottewal en pions, die hem Hofland niet mog„ ten verlaaten voor dat koning t' huijs gekomen was van zijn vrouw. ook heeft koning eenen zeekeren Blandouw half dood geslagen in zijn wooning, die de vlugt tot de Engelschen heeft genomen, niet zeeker. zijnde op Iaggernaijkpoeram, onder zoo een willekeuri„ ge regeering, en dat waaren die Heeren, die als rechters over mij souden sitten, en die voorwaar wanneer zij onder haar beiden slegs eenen droffel eerlijk bloed in hunne aaderen gehad hadden, die geheele affaire in agt dagen na. regt en billikheijd hadden konnen uijtweisen, maar dat was hun soeken niet, zij moesten van Halm helpen om dat zij beide ruijm zoo schuldig waaren, als die opper„ hoofden, wiens zaak zij kwamen onderzoeken, want in„ mers in Ianuarij of februarij hebben de kooplieden ge„ vangen gezeeten op Bimilipatnam om dezelve reeden als op Iaggernaijk, het slaan der daboussen, is in navolging gedaan van Bimilie, die nog 4. percento slegter zijn als de ondeugende dabousen van Iaggernaijk poeram Heeft schleephaken niet in zijn nest gesleept het land en goed der trouwe ingesetenen, en die lieden tot den bedel sak gebragt, na maanden lang hier vertoef te hebben, omreedres een recht maar. sonder gehoor, alle de inge„ zetenen prijzen het opperhoofd van Haeften, maar be-„ klagen 118 klagen hem van door schliephaken misleijd, en bedroogen te worden, meerder als twintig der ingeseetene van Pa„ licol zijn mijne palenquin in deeze opreise gevolgd, met honderde klagten, ik heb hun belooft uwel Edele Gestr: daar alleen rapport van te doen, ook omtrend het meeten der nelij, word ook slinkse strecken in 't werk gesteld, en men segt plus minus dat schliep„ haken zoo in de pagt als andersints een schaade. aan de Compagnie toebrengt Iaarlijks van over. de 700. pagoden om dit Juijst of zijn tijd te ontdekken, moe„ ten de cannecappels der doopen des snagts met hunne olas en reekeningen gelicht worden, zoo is het een onder„ zoek van een halven dag als het in 't geheim geschied drie en Vertigste, op 't oogenblik ontfang ik teiding van Jaggernaijkpoeram dat men bezig was op den 1. en 2. deezer om alle de scheuren en reeten te sloppen, en aan„ te smeeren van 't pakhuijs veroorzaakt door 't sakken van 't selve ook dat de warande voor 't huijs van van Halm stond inteslooten met stukken en balken, soekt men het voor tekomen, Ja van Someren heeft sig met de helft verreijkt wat het pakhuijs kost aan de Compagnie Vier en dertigste; Hoe verre sal ik mij uijtlaaten over de aller infaamste ongehoorste handelweijze van de heer Tadama, met het openbreeken van mijn papieren, en dat over eyge verkiesing sonder besluijt, en wel om op die datum in Maij aan de fiscaal aftegeeven, blijkens alwederom alwederom hun soeken om een actie tegens mij te e tameeren, om dat zij zig niet en vertrouwde of de reets begonne actie, die alleen beweesen waaren door mijn schrijver, die op die conditie in Comp:s dienst soh komen, en op sadras of Palicol geplaats sou worden ook is hij reeds in dienst, sonder dat mij gevraagt is of hij aan zijn contract met mij voldaan heeft, den anderen is mijnen trouwe dienaar, die alle goede hoedanigheijd bezet, uijtgenoomen dapperheijd, men heeft anderen haa„ ten kloppen om hem te doen breven en tekenen wat men begeerde; de weegers van 't pakhuijs is den tweede om„ gekogt, en zeer licht want hij was van geen dienst met den Eersten te verstooten klom hij op zoo als gebeurt is, en den eersten weeger na alle touamenten tee„ kende ook, en wierd mondeling beloofd door Sadama„ dat hij geen gebrek sou hebben, en presenteerde hem een brief als hij naar sadaas bij simons wilde gaan, die man presenteerd de mallabaarsen hed voor dit alles, en de kannekappel en andere seggen dat men hun gesegt had van de heer van Bijland sult gijlie„ den nimmer meer hooren spreeken zoo is de Duvan in alle zaaken door die bloed raad getracteerd, en met die Lieden of den Eed te vergen, als ook van te doen besweeren, de onkostreekening door den Tolk omtrend de commissie bij den nabab is alles klaar„ en beweesen, in mijn voordeel ook hebben zij alles gedaan

NL-HaNA_1.04.02_3974_0251 view scan ↗

English

119 done everything in their power to obtain false certificates regarding the Japanese copper that I never received or handed over during the transfer, and it was locked up in a separate pen, and the keys were with Mr. Tadama; therefore it is said that my latest arrived goods were seized anew in 7ber. When they saw upon unloading that there was no copper, they would have liked to deny having seized it, but I immediately protested, and when they refused to receive the protest I sent it to Mr. de Raeff as President of the Court of Justice, and said that I would not hand over the keys, that they could break open and steal at their pleasure, but that I would lay everything open and have it inspected by Your Right Honourable. The rumour ran then that Your Right Honourable was on the point of coming over to Jaggernaijkpoeram, and that is now the reason that the said goods have not yet been taken over, nor will they be taken over before they shall have been examined to my satisfaction and justification by the new commissioners, or by Your Right Honourable's highly esteemed orders. This 34th article is somewhat extended, but everything that can be conceived of as too foul and infamous is contained in this treatment, with the breaking open and stealing of my most important papers. I refer to my protests, the indemnification contained in the other protest of the 16th of July that I caused to be presented to the Council by the commissioners at Jaggernaijkpoeram, delivered under dictation because they would not grant me pen or paper, and did not even want me to sign it. For the sake of completeness I shall annex it here once more, with a humble request to be pleased to take such measures concerning it as shall be deemed appropriate to prevent my total ruin. I shall also annex thereto a copy of a note written by Heshusius stating that it was dispatched to the Council, and perhaps suppressed by Mr. Tadama, for when I requested to be allowed to write to the commissioners, he told me he could not grant that permission, though he could to Mr. Tadama. To this also belongs the irregular procedure at the Court of Justice: in the beginning of the disagreements, a certain Cantervisscher was incited to address himself to that court with an unfounded claim against me, without having caused me to be summoned in court prior to or during my stay here. Thus by decree he was granted permission to seize my left-behind goods, beverages, provisions, chairs, benches, and wagons, and subsequently had everything sealed. Shortly thereafter, without a decree, one of the chests, locked and nailed down, was broken open, all my papers, documents, and charters rummaged through, an inventory made thereof, and taken away from the house of my attorney, without 120 my knowing to this day where the same has ended up; and Mr. Simons has likewise arrogated to himself that power and violence at Sadras, where my goods were also sealed under that same seizure, and he not only breaks open the warehouses, but removes and consumes my goods. I address myself concerning this to the Court of Justice by petitions; after reading them, they send the same back because they would not accept papers from the court messenger. I asked him if he had not said that I was ill, but he said then he can appoint an attorney. Whither shall I now address myself other than to Your Right Honourable, seeing that that Council has so greatly prejudiced me in my rights. Thirty-fifth: another notable matter occurs to me: foreign copper has been minted at Jaggernaijkpoeram; whether it is for the Company or for private individuals I do not know, but I do know that the copper was taken from a ship at Coringe, transported to Jaggernaijk, and minted there, which must be investigated. That it was minted at Jaggernaijkpoeram and sent over from Corringi can be proved very promptly, but that is of no consequence; the question is whether it was for Company's dabboesen, yes or no, which must be assumed, for the seller is an Englishman, and he could have had as many daboessen struck at Nierpillij as at Jaggernaijkpoeram, and I do not know whether striking English daboessen with us would be proper, and especially not from foreign copper so as to cause the price of the Japanese to fall even further thereby. Thirty-sixth: Concerning the Gentoo manuscript wherein it is imparted to me that Triwengalam said there are 10000 Ropias lying ready for Mr. Tadama to recall van Bijland, or to remove him from the chief residency; at first this was imparted to me by high and low as a general rumour, but it was imparted in detail to my servant by Ramaija as well as the interpreter, and principally the shroff Prom Rama Swamie and the Brahmin Tedo Podle Kistnaija. The first has fled with his entire family, yet is a very wealthy man of standing and credit; Your Right Honourable ought to grant him a cowle or safe-conduct to deliver his real testimony here, or before the new commissioners at Jaggernaijkpoeram, without coercion, imprisonment, or threats such as he underwent during his first examination. The second is that Brahmin who has been reclaimed by the English, and will come to Jaggernaijkpoeram upon the first order, being too old to make the journey hither. Ramaija and the interpreter have also imparted the same to me, adding: if the history of the daboussen is discovered under your administration, you will have to bear the shame and the damage as Company's interpreter.

Dutch transcription

119 gedaan wat in hun vermogen is om valsche attesten in te winnen over het Iappans kooper dat ik nimmer ontfangen of overgegeven heb, bij het transport, en was in een appart hok opgeslooten, en de sleutels bij d. heer. Tadama, daar om word gezegd dat mijne laatste aan gekomene goederen ov nieuw in 7ber: gearresteerd zijn, toen sij sagen bij de ontlossing dat er geen koper was, hadden zij wel willen negeeren van het gearresteert te hebben, maar ik protesteerde direct, en wanneer zij het protest niet wilde ontfangen sond ik het aan de heer de Raeff als president van de Iustitie, en seijde niet te sullen afgeeven de sleutels dat zij breeken, en steelen kon„ nen na welgevallen, maar dat ik alles sou open leggen, en laaten visenteeren door uwel Edele Gestr: Het gerugt liep toen dat uwel Edele Gestr: stond op Iagger„ naijkpoeram over te komen, en dat is nu de reeden, dat de„ zelve goederen nog niet overgenomen zijn of zullen overgeno„ men worden voor dat dezelve tot mijne satisfactie en Ius„ tificatie door de nieuwe gecommitteerdes sullen geExami„ neert zijn of uwel Edele Gestr: hoog geeerde ordres. dit 34e articul is wat geExterdeert, maar ook alte vuijle en infaame wat uijtgedagt kan worden is in deeze behandeling„ vervat met het openbreeken en steelen van mijne ge-„ wigtigste papieren, refereeren mij aan mijn protesten schadeloos stelling vervat in 't andere protest van den 16. Julij dat ik aan den raad heb laaten presenteeren door de 0 de gecommitteerdens op Iaggernaijk poveram, onder dictamen afgegeeven, om dat zij mij geen pen of papier wilde ver„ 8 gunnen, wilde selfs niet hebben dat ik het tekenen sou„ ten overvloeden sal ik het hier andermaal annexeeren, met ootmoedig versoek van daar omtrend die maatregu„ len te willen neemen, die sal meenen te behooren tot voorkoming van mijne totaale ruine ook zal ik een copia briefje daar aan annexeeren door Heshusius geschreeven dat het afgezonden is aan den Raad, en misschien verdonkert door de heer Tadama, want ik verzogt om aan de commissarissen te mogen schrijven zoo zeijde mij die permissie niet te kunnen vergunnen, maar wel aan de heer Tadama. Bij dit behoord nog de irreguliere handelwijze bij den Raad van Iustitie in den beginne der oneenigheeden wierd eene zeekere cantervisscher overgestookt, om met eene ongefundeerde pretentie tegens mij sig bij dien raad te addresseeren, sonder alvoorens, of geduurende mijn verblijf hier mij in rechten te hebben laaten aanspreeken, zoo word hem bij decreet vergunt mijne agter. gelatene goederen, dranken, provisien, stoelen, banken, en waagens te arresteeren, en liet vervolgens alles verzegelen kort daar op, sonder decreet wierd een der kisten geslooten en bespeijkert oppen gebrooken, alle mijne papieren bullen en chartres door snuffelt een inventaris van gemaakt, uijt het huijs van mijn volmagt weg gehaalt, sonder dat 120 dat ik tot nog toe weet waar dezelve belant is, en alsoo heeft zig de heer Simons ook die magt en geweld aangematigd op Sadras, daar mijne goederen bij dat selfde arrest ook verzegeld waaren, die breekt niet alleen de pakhuijzen open, maar vervoerten ver„ bruijkt mijne goederen. Ik addresseen. mij daar over bij den Raad van Iustitie per requesten, zij Dende dezelve na lectuur weer om dat zij geene papieren van de gerechts boode aannamen, ik vroeg hem of hij niet gesegd had, dat ik ziek was, maar hij zeijde dan kan hij volmagt aan stellen, waar zal ik mij nu anders addresseeren als bij uwel Edele Gestrenge, aan„ gezien dat dien Raad mij zoo grootelijks in mijn recht benadeelt heeft. vijf en dertigste: daar komt mij nog eene opmerk„ zaame zaak te binnen, daar is vreemt kooper vermunt „of Iaggernaijkppoeram, of het voor de Comp:e of voor de particu lieren is weet ik niet, maar dat wiet ik dat het koper van een schip is afgenomen op Coringe, en naar Iaggernaijk vervoert, en aldaar vermunt, 't welk ondersogt moet worden, dat het vermunt is of Iaggerwaijkpoeram, en van corrin„ gi overgesonden is, kan zeer haastelijk beweezen worden, maar dat doet ter saaken niets, de kweste is, of het voor Comp:s dabboesen geweest is, Ia of neen, 't welk verondersteld moet worden, want den verkooper is Een Engelschman, en die had zoo veel daboessen op Nier pillij als of Iagger„ naijkpoeram naijkpoeram konnen laaten slaan, en bij ons, Engelsche daboessen te slaan weet ik niet of dat in den haak zou zijn, en voor al niet van vreemt kopper om de prijs daar door van het Iappanso nog meerder te doen dalen-. Ses en Dertigste Betaeffende, het Tentiefse handschrift waar in mij bedeelt word dat Triwengalam gezegt heeft daar leggen 10000. Ropias klaar voor de heer Tadama, om van Bijland opteroepen, of van van het opperhoofdschap te weeren, eerst was mij dat bedeelt door groot en kleijn een algemeen gerugt, maar het wierd met omstandigheijd bedeelt aan mijn dienaar zoo door Ramaija als den Tholk, en principaal de cheraph Prom Rama Swamie, en den braming. Tedo Podle kistnaija„ den eersten is met zijn geheele huijsgezien ontvlugt, en dog een zeer gegoed man van aanzien en crediet, die diende uwel Edele Gestr: een kouwel of vrijbrief te vergumen om hier, of bij de nieuwe gecommitteerdens op Jagger„ naijkpoeram zijne reeele altest in te geeven sonder dwang gevangenschap, of drijgementen zoo als hij bij zijn eerste on„ der zoek ondergaan heeft, den tweede is die bramine, die door de Engelsche gereclameert is, en sal op de eerste ordre- op Iaggernaijkpoeram: komen te oud zijnde om de reijse hier na toe te doen; Ramaija en den Tholk hebben mij het zelve ook bedeelt met bijvoeging als de Historie der daboussen ontdekt word onder uw regeering sal uw de schande, en de schaade moeten dragen als Comp:s Tholk

NL-HaNA_1.04.02_3974_0255 view scan ↗

English

Yet I must warn you of this: however that may be, that note was immediately sent by Mr. Tadama to van Halm, my adversary, who gave it to Trivengelam, not to excuse himself regarding it, but to persecute the one who had discovered the secret. But if Mr. Tadama was able to take 3000, would he not also have been adverse to accepting 2500, and through his treatment of me, he provides more evidence against himself than I myself can prove; the new chiefs have already been pre-destined, namely his brother Simons for Iaggernaijkpoeram. Thirty-seventh. I had almost forgotten the 3000 pagodas which Mr. Tadama received from the merchants collectively; this was first disclosed to me by Mr. van Halm in the presence of van Someren, stating that Mr. Tadama, being very much interested, had charged 700 pagodas to his account upon appointment, saying that you can settle that with the merchants, requesting therefore that I assist in collecting the same. Mr. Obdam will entertain you on these various matters, as he has indeed done, and as is detailed at length in my general report, as well as how the merchants added it to their excuse for not agreeing with one another, and that they could deliver no better assortment because of the heavy costumados which they had furnished, and whereby they had become totally ruined. Mr. van Halm will not be permitted to deny this face-to-face in your presence before Mr. Obdam and me. The abundant material of all these malversations leads me so far that I would almost need to make a further summary, but I shall break off, asking respectfully and earnestly whether these 37 articles do not form a formal evidential conclusion that when the Palliacat council noticed that they could no longer escape the dance, that all their malversations were laid open, bare and naked, and that they would bear the righteous wrath of the Lords and Masters, with the appropriate punishments for such unfaithful, dishonorable servants, they conspired from that moment on to rob me of honor, name, and reputation. They abandon all actions regarding Iaggernaijkpoeram, but search out all kinds of new ridiculous, groundless actions that were never spoken of during my stay here. Are these rulers, are these judges, are these Company servants, to whom such precious possessions are entrusted? Is there even one branch from the first to the last of this government where the greatest fraud and negligence does not shine through, as if they thought with the patriot, it will last our time out? What do the subjects and entrusted Company servants not have to fear under such a form of government? Might I not say it is a fortunate thing for our Lords Majors that this cruel, unheard-of incident has happened to a man like me, who, as the proverb says, is not a cat to be handled without gloves, and to whom it is all the same, even if it were today, to cross over to Europe to obtain and pursue his right and satisfaction, and who nonetheless has not proceeded in the manner it seems to be understood at Batavia, as if I did it out of hatred of people, envy, jealousy, discontent, as if I desired their empty place or service? Nothing of the sort is the case; after having first accounted for everything in my posts, I remained reluctant to have any accountability; I have now been without service for 18 months, without my zeal slacking to attend to the Company's interests; may I call Your Honorable and Valiant Sir to witness regarding this? Furthermore, to trace my course: I began by writing the description of the coast; I persisted in submitting notes in the meeting in order to set Their High Mightinesses on the path of being informed regarding the state of the Coast; but all this has caused contrary effects. People presumed wrong motives or a spirit of reform, or, as already cited before, people thought that whatever comes from a count of Bijland will surely not stand the test; he came to scrape together some money and quickly repatriate; what does he know of books and papers? That is precisely wherein Their High Mightinesses, respectfully said, are greatly mistaken, as shown by the fact that I spent 18 months at Batavia, indeed with an eye of reflection, and contenting myself with putting my philosophical reflections on paper; and there I soon saw and experienced having committed a folly by coming to the Indies: firstly, because I was married, and thereby all those necessary relations were cut off for me; secondly, that I had reached my mature years, and could no longer live, as they say, to howl with the wolves in the forest, so that nothing remained for me but to seek diligence and competence, which succeeded for me as pay-bookkeeper at Souratta to the extent that I triumphed over my Director in the Company's letter regarding the books; but because of the war that has long since been forgotten. Here on the coast I have crept through everything, and may I now ask, in that class to which I belong in this government, whom did Your Honorable and Valiant Sir find upon his arrival of greater experience and industry, which requires itself, is true.

Dutch transcription

121 Tholk moet ik uw dit waarschouwen: hoe het zij dat briefje wierd immediaat door de heer Tadama aan van Halm gezonden mijn parthij, die het aan Trivengelam gaf niet ons sig daar omtrent te verschoonen, maar om te vervolgen die het geheim ontdekt had, maar heeft de heer Pada„ ma 3000 konnenneemen, sal. hij ook niet advers zijn geweest om 2500. te accerpteeren, en door zijne behandeling omtrent mij, leevert meer bewijs tegens hem als ik selfs beweijsen kan, de nieuwe opperhoofden zijn al gedood verft geweest, en wel zijn broeder Simons voor Iaggernaijkpoeram. —. Zeven en dertigste. Mij was haast ontschooten de 3000. pagoden, die de heer Tadama ontfangen heeft van de gesamentlijke kooplieden, dit is mij het aller eerst ontdekt door de heer van Halm in presentie van van Someren dat de heer Tadama, als zeer geinteresseert zynde 700. pagoden of zijn reekening geplakt had /: nauw aanstelling: seggende dat kan uw met de kooplieden wel verreeke„ nen, versoeke dierhalven van mij behulpzaam te willen zijn tot het infalmen der selver, over 't een en ander sal uw de heer Obdam: onderhouden zoo als hij ook gedaan heeft, en in 't breede gedetailleert is in mijn generaal. verslag als ook hoe dat de kooplieden het bij hunne excuse gevoegt hebben, om niet met elkanderen te ver Eenigen, en dat zij geene beetere sorteering konden leeveren om de swaare Costumados, die zij opgebragt hadden hadden, en waar door zij totaal gerueneert waaren ge„ raakt, de heer van Halm sal dat van aangezigte tot aangezigte ten uwen overstaan aan de heer obdam en mij niet mogen negeeren. de menigvuldige stoffe, van alle malversatien, ver„ leiden mij zoo verre dat ik haaft weder een nadere verkorting soude dienen te maaken, maar ik sal afbreeken, met eerbiedig en ernstig te vraagen of deeze 37. articuls niet eene formeele beweisen conclusie for„ meerd, dat toen den palliacatsen raad opmerkte, dat zij den dans niet meerder ontspringen konden dat alle hunne malversatien opengelegt, bloot en naakt waaren, en dat zij de billijke gramschap van Hieren en Meesters soude wegdragen, met de gepaste straffe„ voor zulke ontrouwe eerlooze dienaaren, dat zij van dat oogenblik te zamen gespannen hebben om mij van Eer, naam, en reputatie te ontrooven. zij laaten alle actien omtrent Iaggernaijk poeram vaaren, maar soeken allerleij nieuwe redicule ongegronde actien op daar nimmer van gesprooken is, geduurende mijn verblijft hier, zijn dit regeerders, zijn dit rechters, zijn dit Comp:s dienaaren, daar sulke kostelijke bezittinge aan toevertrouwt zijn is 'er wel eene tak van 't eerste tot het laatste van dit gouvernement daar niet de grootste fraude en onagtsaamheijd in doorstraalt, als of zij dagten met den patriot, het zal onsen teijd wel duuren —. Wat 122 Wat hebben de onderdaanen en toevertrouwde Comp:e dienaaren niet te bedugten onder zoo eene regeerings form, sou ik niet mogen seggen het is een geluk voor onse Heeren Majores dat dit Cruelle ongehoorde geval gebeurt is, aan een man als ik, die zoo als men tot een spreekwoord segt, geen kat is om sonder hand„ schoenen aante lasten, en die het zeer om het eeven is, al was 't heeden om na Europa overtegaan om zijn recht en satisfactie te erlangen, en te vervolgen, en die eeven wel niet te werk gegaan is zoo als het scheijnd dat het of Batavia beqreepen word, als of ik het deed uijt menschen haat neijd, afgunst onverge= noegtheijd, als of ik hun leeder plaats of dienst be„ geerde, niets van dat heeft plaats na eerst alles verantwoord te hebben in mijne bedieningen ben ik weige„ ragtig gebleeven, om geene verantwoording te hebben, ik den: nu reeds 18. maanden zonder dienst, sonder dat mijn eijver- vertraagt, om compagnies belangens te behastigen; mag ik uwel Edele Gestrenge over dit tot getuijgen roepen; alverder om mijne gange nategaan, ik heb begonnen met de beschrijven der cust te schrijven, ik heb volhard met aantekenen in de vergadering in te dienen, om Hun Hoog Edelheedens of den weg te bren„ gen van te konnen onderleid worden omtrent de gesteldheijd der Custe maar dit alles heeft verkeerde uijtwerkinge veroorzaakt, men veronderstelde ver keerde keerde motiven of een geeft van reform, of zoo als vooren reets aangehaald is, men dagt dat, wat van een graaff van Bijland komt, sal immers de toets niet uytstaan, die is gekomen om wat gelt te schraapen, en schielijk te repatrieeren, wat weet die van boeken en papieren, dat is precies, waar in Haar Hoog Edel„ heedens met respect gesegt grootelijks in mislasten, blij kens ik heb 18: maanden of Batavia doorgebragt, en wel met een oog van reflectie, en met mij te vergenoege van mijne philosophische reflectie op 't papier ke bren„ gen, en daar heb ik wel haaft gezien, en ondervonden, van een dwaasheijd gedaan te hebben van in Indien te komen, Eerstelijk om dat ik getrouwt was, en daar door alle die nodige verwantschappen of een voor mij afgesneeden. was, tweeden dat ik mijne rijse Iaaren berijkt had, en niet meer leeven kon, om zoo als men zegt te huijlen met de wolven in 't bos, zoo dat er niets voor mij overbleef als naarstigheijd, en bekwaamheijd te sol„ ken, 't welke mij als soldij boekhouder op souratta zoo verre gelukte dat ik in compagnies brief omtrend de boe„ ken triumpheerde over mijne Directeur, maar door den oorlog is dat reets lang vergeeten, hier op de cust heb ik alles doorkroopen, en mag ik nu vraagen die classe. daad ik in hoor in dit gouvernement wil heeft uwel Ed Gestaenge bij zijn arrive gevonden van meerder ervaar„ rendsheijd en werkzaamheijd die zig zelfs pereijst, is voor waar, 6

NL-HaNA_1.04.02_3974_0259 view scan ↗

English

truly a fool, but he who allows himself to be pushed aside, and considers himself incompetent without reason, is an even greater fool, who has the right to speak, and requests to be refuted if what has been put forward is confused. Who has there been among the servants in the Indies for 50 years who has given the indications that I have provided, and that have been examined and addressed by your Right Honorable Worship with so much diligence, industry, fidelity, and prudence? Yea, at the expense of my honor, name, reputation, and health, I have observed my duty. Thus one must fight for the good cause; it shall reach the ears of our lawful government. It is to be hoped that this very case will be the foundation of a general redress and investigation, for truly other offices must not boast until they have found a ruler who dares to stand up for the good cause, although my cruel, tyrannical treatment will deter many. I break off, and shall form neither demand nor conclusion, but await my fate, persevering and relying on my right. While I have the honor to call myself with respect, was signed below, Right Honorable Sir, your Right Honorable Worship's humble and obedient servant, was signed, W: H: G: van Bijland. In the margin: In Fort Geldria, the 20th of December 1790. Agrees. A:V: Hass: Sec. To the Right Honorable Sir, Jacob Eilbracht, Senior Merchant and Governor of the Coromandel Government with the jurisdiction thereof, etc. etc. Right Honorable Sir. I thought it necessary to demonstrate the calculation of the daboussen to your Right Honorable Worship in a separate memorial, as being a matter of the utmost importance, both for the trade itself, and principally to allow the servants to enjoy their full payment, which can be withheld from them by no one, as having been approved and understood as such by our Lords Majors. Nor is there the slightest reason to favor one factory over another in their salaries and board money. My earnest pursuit and desire in this is to increase the sale of Japanese bar copper and make it flourish again, while it is falling into decay due to the plentiful importation of foreign copper. Secondly, not only to ensure that the servants receive their payment, but I even hope and request that your Right Honorable Worship may be pleased to propose it so favorably to Their High Mightinesses, that those poor bookkeepers and clerks be compensated for those errors, since the year 1785, when our places were restored. By citing an example, I believe I can shed more light on this than by filling several sheets of paper. Not to speak of the Masulipatnam and Visakhapatnam daboussen, I shall confine myself to the neighborhood of Jagannathapuram, namely Neelapalli, where more daboussen are minted in a month than in an entire year at Jagannathapuram. Nevertheless, one sees few or none of those daboussen circulating, neither in Yanam nor in Coringa, but all of our daboussen, which are not only heavier, but of a much purer and finer alloy. And their daboussen are sent by the thousands to the west and north for their contracting with the weavers, who prefer such coin because they suffer no loss with the moneychangers. Why, may I ask, can we not do the same? Please excuse me for bringing this matter to the attention of your Right Honorable Worship frankly and with resolution. Firstly, we are not lords of the lands to arbitrarily determine the coin species, as by setting 168 daboussen for a pagoda. The Englishman calculates the purchase and sale, and thereon his percentage and profits, while here on the coast the copper is not only brought to the exorbitant price of 89. 16. 50., but they also seek another profit in the minting above the already cited profit. And what does that profit consist of? Not in the minting, for that yields a loss, but in underpaying the servants, as the accompanying calculation shows. Again, the Englishmen, who have no merchants, but do everything with their dubashes, and who enjoy a percentage for that, calculate the rupees, and of that they take the medium, that is the highest and lowest bazaar price, and according to that calculation they form their books. I foresee great remonstrances and feeble excuses that the merchants of white piece-goods will bring forward, and indeed for this reason: that they never make a real contract, but go to market with our neighboring gentlemen and their dubashes to buy up those piece-goods; and those gentlemen or dubashes desire rupees or Madras Pagodas, and by no means daboussen. This is a true fact, and fully proven when one sees the description and the excuses of the chiefs, that the piece-goods are defective in width and length, and can only be considered the rejects of our neighbors, and then it is washed and dressed according to our unpresentable manner; so that the payment at the contracting ought to be handled very cautiously until it is first introduced. And why should one then not have delivery of

Dutch transcription

123 voorwaar een zot, maar die zig laat versatten, en voor onbequaam houd sonder reeden, is nog grooter zot, die heeft recht van spreeken, en versoekt wederleid k. wor„ den als het geavanceerde verwaart is, wie is er zeedert 50. Iaaren in Indien onder de dienaaren, die aanwij„ „zing gedaan heeft, die ik aan de hand gegeeven heb, en 3 met zoo veele naarstigheijd, vleijd, trouw en voorzigtigheijd door uwel Ed: Gestr: ondersogt en geaedresseert zijn, Ia ten kosten van mijn Eer, naam, roputatie en gezond„ heijd, heb ik mijn pligt betaacht, zoo moet men voor de goede saak strijden sal het ter ooren komen van onse wettige overigheijd, het is te hoopen dat dit selve geval de Grondlegging sal sijn van een generaal re„ daes, en onderzoek, want voor waar andere kantooren moeten niet roemen, voor dat zij een regent gevonden, hebben, die voor de goede saak daaft over te komen, hoe wel mijne Cruelle tirancque behandelinge veele sullen afschrikken Ik breeke af; en sal nog Eisch nog conclusie for„ meeren, maar wagten mijn lot af; volhardende en steunende of mijn rigt. Terwijl ik de eere heb mij met redpect te noemen /:onderstond:/ wel Edele Gestrenge Heer uwel Edele Gestrenge Ootmoedige en Gehoor„ Zame zame Dienaar /:was getekend:/ W: H: G: van Bijland /:in margine:/ In het fort Geldria den 20: De cember 1790: —. Accordeert. A:V: Hass: Sec. 124 Aan den wel Edelen Gestrengen Heer Jacob Eilbracht opperkoopman, en gezaghebber van het Cormandelsch Gouvernement met den resorte van dien &:a &:a WelEdele. Gestrenge Heer. Ik heb gedagt de breekening der daboussen bij eene aparte memorie aan uwelEdele Gestr: te moeten aantoo„ nen, als zijnde een saak van het uijtterste gewigt, zoo voor den verthier selfs, als principaal om de dienaaren hunne volle betaaling te doen genieten, die hun van niemand ontrokken kan worden, als zijnde zoo goed gevonden en verstaan door onse Heeren Maijores. ook is er geene de minste reeden van een factorij boven de andere te favori„ seeren in hunne gagien en kostgelden, mijn ernstig soeken en verlangen in deezen is, om den verthier van 't Iappans, staaf koper te doen vermeerderen, en weer te doen opluij„ ken, terwijl het in verval raakt door de menigvuldige aanbreng van vreemd kooper; Tweedens om de dienaar„ ren hunne betaaling niet alleen te doen geworden, maar hoofe en versoeke selfs, dat uwel Edele Gestrenge. het zoo favorabel gelieft voor tedragen bij Haar Hoog Edel„ heedens, dat die arme boekhouders en pennisten die er„ reurs te goed gedaan worden, zedert het Iaar 1785. dat onse plaatsen hersteld zijn—. Met: Met een Exemfel aantehaalen vermeen ik hier meerder licht bij te konnen setten, als met verscheijde vellen papieren te beschrijven, om niet te spreeken van de Ma„ zulippatnamsche, en visagapatnamse. Daboussen, zoo zal ik mij in de buurt van Iaggernaijk poeram bepaalen, namentlijk Nerpellij, daar meerder daboussen in een maand vermunt worden, als in een rond Iaar op Iaggernaijkpoeram, evenwel ziet men weijnig of geen van die dabousen roulleeren, nog op ijanom nog of Coringa, maar alle onze daboesen, die niet alleen swaarder zijn, maar van een veel suijverder en fijnder: alloij, en hunne daboussen worden met duijsen„ de naar de west en noord afgezonden voor hunne aan„ besteeding aan de weevers, die sulke munt verkiesen„ om dat zij geen verlies bij de wisselaars hebben waarom mag ik vraagen konnen wij het zelve niet doen: gelieft mij te der Excuseeren van openhartig en met cordaatheijd deeze zaak onder het oog te brengen van uwelEdele Gestrenge, Eerstelijk zijn wij geene Heeren van de Landen om willekeurig de. muntspecien te bepaalen, als met 168. daboussen te stellen voor een pagood, den Engelsman die bereekent den inkoop en uijtkoop, en daar op zijn percento, en winsten, terwijl hier ter kuste het koper niet alleen op de exorbitante preijs gebracht word van 89. 16. 50. , maar soeken nog wederom een winst bij 125 bij het vermunten boven de reets aangehaalde winst, en waar in bestaat die winst, niet in 't vernumten dat geeft verlies, maar in het te kort betaalen der die„ naaren zoo als de nevens gaande bereekening aantoont, alwederom den Engelsman, die geene kooplieden hebben, maar alles met hunne dabachijs doen, en die daar voor p:r C:to genieten, die bereekend de rop:n en daar van neemen sij het meduim, dat is de hoog„ ste, en de laagste bazaars prijs, en bij die reekening formeeren sij hunne boeken. Ik voor zie groote remonstrancien, en flauwe excu„ sen, die de kooplieden der witte lijwaaten sullen in„ brengen, en wel om deeze reeden, dat zij nimmer een reele aanbesteeding doen, maar met onse nabuurige Heeren; en hunne dobachijs te markt gaan; om die Lijwaaten op te koopen, en die heeren of dobaches begeeren rap:s of M: B: pagoden, en geensints daboussen, dit is een waaragtig waarheijd, en ten vollen beweezen, als men in siet de beschrijving, en de Excusen der opperhoofden, dat de lywaaten in breete en lengte vecieus zijn, en niet als dan uijtschot kan gereekend worden van onse nabuuren, en dan word het volgens onse onaanzienlijke manier, gewassen en opgemaakt, zoo dat, het betaalen bij de aanbesteeding diende zeer voorzigtig behandelt te worden, tot dat het eerst ingevoert is, en waarom soude men dan geene leverantie der

NL-HaNA_1.04.02_3974_0264 view scan ↗

English

can make deliveries as long as there is a bar of copper in the warehouse, provided that nothing, I repeat, that the pag:, or rather to say the rop: is brought to the exact value, and all the more the rop:s, because it is even minted at Iaggernaijk fveram, will this not naturally cause the consumption to revive, and even favor the contracts for the sown goods, I repeat that the craftsmen prefer to have daboussen over other coin species, in order not to suffer any loss with the money changer, and particularly our daboussen, which are not only then an article of trade, because of their weight and pure alloy, but at the same time also become a current coin species. I consider myself assured that upon a closer investigation and by increasing our dabboesen slightly more in weight, one would have an important consumption, for this reason the neighboring Raadjas have our daboussen bought up, and make their daboussen from them, in which they find an important profit, seeing that theirs are so much lighter, please only see what a profit Mr. van Halm has had from his false coinage, and those of the raadjaas are even lighter than the worst Iaggernaijkse; our daboussen also go to the west, to be processed, and particularly because that 126 that they benefit from the tolls, and that nothing is paid on coin species. I proceed to the explanation of the accompanying calculation, although I have made the same, according to my humble comprehension, as clear and understandable as has been possible for me. The books show year after year for a bhaar of copper of 480. lb: 16014, which is followed very hastily, after deduction of all expenses, that manner of description is either not pure, or very obscure, I have not been able to find out the coolie wages, but that does not matter; seeing that they are paid by the month, or ought to be paid so, and their payment is in proportion with other craftsmen, as one can have Comp:s peons for 1. ¾ rop: a month, a carpenter before the flood 9. daboes daily, and now 14. A mason 12. before the flood 9. and the highest monthly pay for the bosses and chiefs is a polg:, and here it would be 5. p:r C:to amply over the bhaar, I say amply because upon the recalculation of the submitted minters' wages a difference of 3. daboessen will be found, which constitutes such a small fraction not worthy of being mentioned, all the more that the mint master's wages ought to be regulated anyway, thus Your Right Honorable will find in the first example, and upon upon re-weighing per d: an increase of 846. pieces of daboussen. One will object to me about smelting waste, but I accept that just as little as with the silversmiths on the one hand, and on the other hand that copper is, appears to be copper, and I have found it in the Comp:s warehouses covered under gunny, when Mr. van Someren informed me that it was the waste from the mint, which he sold once or twice a year in bulk, superficially observed, there lay ample two bhaar mixed with dirt and everything together, on this occasion of such an essential redress, nothing must be omitted. The second example shows an imaginary profit of p/. 5. 12. 7. or 6. 1/18. p:r C:to amply, which one must not abusively call profit, or the minting, but on the arbitrary setting of the pag: or 168. daboussen to such an important damage to the comp:s servants in their payment. The third example is to reinforce the aforementioned, so as not to calculate profit upon profit, the purchase price of the Japan bar copper according to the notification of the year 1790. aug:s Iagger: is pag: 27. 19. 40. ; thus the Company achieves without minting 223. p:r C:to, but I must add to this that the consumption is small compared to previous years or The fourth example shows the loss upon 127 upon the minting if the copper remains at that high price of 89. 19. 50. , namely of 29. 1/16. p:r C:to, but then it is also sufficient for the payment of the servants, and can circulate in trade, like other coin species and especially during contracting, by bringing the rop: to 60. dabboesen, which is scarcely the average of the highest and lowest bazaar price, about which a closer arrangement can always be made during contracting. The fifth example shows that by bringing the rupee to 68. daboutsen, or the Company's pag: to f 255. daboussen, the Comp:y then does nothing more than what is right and equitable, in a foreign country, where we cannot make laws, neither regarding the coin species, nor in underpaying the servants, who have all been accepted by the Lords Majors on an equal footing in their payment. Above all, it appears most clearly that this matter has always been obscured from Their High Excellencies through the indulgence or ignorance of the Governors, or to favor the chiefs; they send letters of complaint from here year after year to Batavia, without indeed giving the true elucidation; the indulgence, if it had taken place with Their Excellencies to make an arrangement, concerning the northern factories would have increased their profits and deceit, after

Dutch transcription

leverantie konnen doen zoo lang als 'er een staaf ko„ per in 't pakhuijs is, onder die niets hersegge, dat de pag:, of om beeter te seggen de rop: op de Juijste waar„ de gebragt word, en wel te meer de rop:s, om dat die selfs op Iaggernaijk fveram gemunt word, sal dit niet natuurlijk den verthier doen ovluijken, en selfs de aanbesteedingen favoriseeren voor de ge-„ zaaijde goederen, her segge dat de ambagtslieden liever daboussen hebben, als andere munt specien, om geen verlies te ondergaan bij den wisselaar, en wel principaal onse daboussen, die niet alleen dan in stuk van negotie zijn, door hunne swaarte; en suijvere aloij, maar teffens ook een gangbaare muntspecien worde. Ik houw mij selve verzeekert van bij een nader. on„ der zoek en met onse dabboesen nog iets in swaarte te doen vermeerderen dat men een important verthier sou hebben, om deeze reeden de nabuurige Raadjas laaten onse daboussen ofrkoopen, en maaken daar van hunne daboussen, waar zij een importante winst te vinden, aangezien de haare zoo veel lichter zijn, gelieft maar in te sien wat een winst de heer van Halm niet gehad heeft bij sijne valsche munt„ en die den raadjaas zijn nog ligter als de slegtste Iaggernaijkse; ook gaan onse daboussen na de west, om verwerkt te worden, en wel principaal om dat 126 dat zij de thollen profiteeren, en dat van geene geld specien betaald word. Ik ga over ter uijtlegging van de nevens gaande bereekening, hoe wel dezelve na mijn gering begrif zoo duijdelijk en verstaanbaar gemaakt heb, als mij mogelijk geweest is. de boeken weisen Iaar voor Iaar aan voor een bhaar kopper van 480. lb: 16014, daar laat men zeer schielijk op volgen, na aftrek van alle onkosten, die manier van beschrijven is of niet suijver, of zeer duijster, het Coelijloon heb ik niet konnen te weeten krijgen, maar dat doot ter zaaken niets; aangezien zij bij de maand betaald zijn, of diende zoo betaald te worden, en hun„ ne betaaling in eeven reedigheijd met andere ambagtslieden, als men hebben kan comp:s pions voor 1. ¾ rop: in de maand, een timmerman voor de watervloed 9. daboes daags, en nu 14. Een metzelaar. 12. voor de water vloed 9. en de hoogste maandelijkse besolding voor de baasen en hoofden is een polg:, en hier souw het 5. p:r C:to ruijm zijn ove de bhaar, ik seg ruijm om dat bij de nareekening van 't overgegeevene munters loon een verschil van 3. daboessen sal gevonden worden, welke zoo een kleijne gebrooken uijtmaakt niet waardig om aangehaalt te worden, te meer dat de muntoasloon tog dient gereguleert te worden, zoo vind uwel Edele Gestrenge bij het eerste voorbeeld, en bij bij naweeging per d: eene vermeerdering van 846. stux daboussen. Men zal mij teegenwerpen spelagien, maar die accepteer ik al zoo min als bij de silversmee„ den eensdeels, tweedens dat koper is, blijkt kopen, en heb ik in Comp:s pakhuijsen gevonden bedekt on„ der goenij, wanneer de heer van Someren mij bedeelde dat het pelagie van de munt was, die hij eens of tweemaal in een Iaar in massa verkogt oppervlakkig beschouwende, lag daar ruijm twee bhaar met vuijl en alles door elkanderen, bij deeze gelegendheijd van zoo een essentieele redres, dient niets geomit„ teerd te worden. Het tweede Exempel toont aan, eene imaginaire wienst van p/. 5. 12. 7. of 6. 1/18. p:r C:to ruijm, die men niet abusivelijk winst moet noemen, of het vermunten, maar op het willekeurig stellen der pag: of 168. daboussen tot zoo eene inportante schaade voor de comp:s dienaaren in hunne betaaling Het derde voorbeelt is om het voorig gesegde te ster„ ken, om geen winst op winst te reekenen, de inkoops prijs van 't Iapans staafkooper volgens de aan„ schrijving van het Iaar 1790. aug:s Iagger: is pag: 27. 19. 40. ; zoo behaalt de Compagnie sonder te vermunten 223. p:r C:to, maar moet ik 'er agtervoegen den verthier is gering bij voorige Jaaren te reekenen of Het vierde voorbeeld toont aan het verlies bij het 127 het verminten als het kooper of die hooge. prijs blijft van 89. 19. 50. , en wel van 29. 1/16. p:r C:to maar dan is het ook voldoende voor de betaaling der dienaaren, en kan in de negotie rouleeren, als andere munt„ specien en voor al bij de aanbesteeding, met de rop: of 60. dabboesen te brengen, is schaars het medium van de hoogste en laagste besaars prijs, daar altijd een nader schikking omtrent kan gemaakt worden bij de aanbesteeding—. Het vijfde voorbeeld, toond aan van de ropij op 68. daboutsen te brengen, of de Compagnies pag: of f 255. daboussen dat de Comp:e dan niet meerder doet als wat regt en bellijk is, in een vreemd land, daar wij geene wetten konnen stellen, zoo min in de munt specien, als in het te min betaalen der dienaaren, die alle door Heeren majores ofer eene gelijke voet zijn aan„ genoomen in hunne betaling Voor al blijkt ten klaarsten, dat deeze zaak altijd ver„ duijsterd is aan hun Hoog Edelheedens door toegevend„ heid of onkunde der Gouverneurs, of om de opperhoofden te favoriseeren, zij zende van hier klagt schriften van Iaar tot Iaar na Batavia, sonder immers de. rechte elucidatie te geeven, de toegevendheijd wanneer die plaats gehad had bij Haar Edelheedens om een schikking te maaken, om de noordse cantooren soude hunne winsten en bedrog vermeerdat hebben, na

NL-HaNA_1.04.02_3974_0268 view scan ↗

English

After all this, it appears that the Company still profits 125. 3/4. percent on the bhaar. If this profit is not sufficient, rather than borrowing money for the collection, or paying interest to the merchants, or indeed making no procurement, one must not calculate 125. 3/4. percent profit where the Company receives linens in return with so much advance; I am only pleading here for the mint and the servants, and leave the reduction of the price to your Right Honorable's much wiser judgment, with selling it by the bhaar, as your Right Honorable deems best, which should not be annexed here to the mint. The sixth example shows, as will appear in a larger mass upon reweighing, that the counterfeiters have profited 14. percent or 2360. daboesen per bhaar, and for a bhaar of counterfeit daboussen there comes out 19220. pieces where the goods must deliver 16860. pieces. The seventh example is a distribution, and shows most clearly the enormous profits that the chiefs have enjoyed, namely up to a sum of pa/o 13. 8. 28. per bhaar. Regarding the NB: it should be noted that in weighing such a small quantity of 8. bad dabaessen, it only shows a difference of 11. 5/16. percent, but to repeat as I found and reweighed it at Iaggernaijkspoeram in the month of February, at 100 pieces, it gives a full 14. percent calculated against the good ones. Herewith I hope and wish to have complied with the intention of your Right Honorable, while I have the honor to call myself with deep respect, stood underneath, Right Honorable Sir, your Right Honorable's humble servant, was signed, W: H: G: voer Bijland. In the margin: In Fort Geldria, the 29. December 1790. Agreed. J. Van Lasz: Secr: Memorial or Demonstration of the following Iaggernaijk poeram's [illegible] weighed by De vries in the presence of the undersigned, and found as follows here: 18. pieces of good Iaggernaijkpoeram dabboesen weighing 8. 3/16. ounces, thus one has for 1. lb: 35. 7/8. dabboesen, which according to the Iaggernaijkpoeram books indicates for a bhaar of Japan bar copper of 480. lb: no more than [illegible]. This excess of 846. dabboesen must be set aside for minting wages, calculating 5. percent. If one takes the 16014. good Iaggernaijkpoeram dabboesen as shown by the books, which for a bhaar [illegible], thus gives a profit on minting a bhaar of copper into dabboesen, and calculating 6. 7/8. percent [illegible]. The purchase cost of 1. bhaar of Japan bar copper of 480. lb: is - - - - - - - - The selling cost of a bhaar of copper of 480. lb: is - - - - - - - - - - - - - - - And the selling cost of a bhaar of copper - - - - - - - - - - - - - - - - thus gives a profit on the purchase [illegible], calculating 223. percent. According to the indication that a bhaar of copper is minted into 16014. pieces of good dabboesen, if one [illegible], thus comes to rupee 235. 1/2., and converting these 235. 1/2. rupee into Pagodas at 3. 3/4. per pagoda, thus [illegible]. The selling cost of Japan bar copper - - - - - - - - - - - - - - - - - - - Gives a loss of [illegible], calculating 29. 1/16. percent. When now the 16014. good dabboesen are calculated on the basis of the bazaar price against 6 [illegible], then the Company's servants do not have to suffer any loss on their salary, and also advances can be made to the Iaggernaijkpoeram merchants for the collection [illegible]. The purchase cost of the Japan copper - - - - - - - - - - - - - - - -- thus the Company still has a net profit on the purchase cost of the [illegible], calculating 125 3/4. percent. From a bhaar of Japan copper as weighed and found on the 20th of this month by the Assayer de vries, diminished in value by 14. percent, thus comes for a bhaar of copper in counterfeit dabboesen [illegible]. Thus I now proceed to divide these 19220. counterfeit dabboesen; as follows: A full 45. per hundred, as found above to be in excess during weighing, and set aside for minting wages, thus [illegible]. The selling price of the copper is pa/o 89. 19. 50., and that at 168. dabboesen per Pagoda, making - - - - - Profit which the Company obtained on minting 1. bhaar of copper into dabboesen pa/o 5. 12. 7. or [illegible] On the counterfeit minting, the counterfeiters profited on a bhaar of copper pa/o 13. 8. 28. or [illegible] Total together the counterfeit [illegible] NB: 8. Masulipatnam dabboesen weigh lighter than the 8. Iaggernaijkpoeram good ditto, giving a difference of 1/4. [illegible] 8. bad Iaggernaijkpoeram dabboesen weigh 3. 1/4. ounces, and 8. good Pagoda ditto weigh 3. 5/8. ounces, giving a difference of 3/8. [illegible] 8. good ditto ditto 3. 7/8. ounces, 8. Bimilipatnam dabboesen weigh 3. 1/2. ounces, a difference [illegible] 8. Bimilipatnam dabboesen weigh 3. 1/2. ounces, and 8. Iaggernaijkpoeram bad dabboesen weigh 3. 1/4. ounces, a difference of [illegible] All of which differences will be enormous in a large mass. Gold and silver specie amounting to - - - - - - - - - - - - - - - - - [illegible] Palleakatta In Fort Geldria, the 29th [illegible]

Dutch transcription

na dit alles blijkt dat den compagnie nog profiteert 125. ¾. pr Cento op den bhaar, is deeze winst niet voldoen, der, dan gelt tot den inzaam te negotieeren, of intres„ sen aan de kooplieden te betaalen, dan wel geene aanbesteeding te doen, moet men niet reekenen 125. ¾. percento winst daar ontvang de Comp:e weder Lijwaaten voor, met zoo veel avans, ik verleijt hier maar voor de munt, en de dienaaren, en laat de prijs verlaa„ ging aan uwelEdele Gestr: veel weijzer oordeel over met het bij de bhaar te verkoopen, zoo als uwel Ed: gestr: het best oordeelt, dat dient hier aan de munt niet geannexeerd te worden. Het sesde voorbeeld, toont aan zoo als in een grootere massa sal blijken bij het naweegen dat de valsche mun„ ters 14. p:r C:o geprofiteerd hebben of 2360. daboesen per bhaar, en komt voor een bhaar valsche daboussen 19220. stux daar de goederen moeten overleeveren 16860. stux. Het zevende voorbeeld, is eene verdeeling, en toont ten duijdelijkste aan de inorme winsten, die de opper„ hoofden genooten hebben en wel tot een somma van pa/o 13. 8. 28. per bhaar Bij de NB: dient opgemerkt te worden bij het wegen in zoo een kleijne quantiteijt van 8. slegte dabaessen, maar een verschil aantoont van 11. 5/16. p:r C:to maar herseggen zoo als ik het of Iaggernaijkspoeram in 128 in de maand februarij bevonden, en nagewogen heb, cto tegens de goede bij 100 stuks, geeft het ruijm 14. p„r C=to gereekent. Hier meede hoofe en wensche aan de intentie van uwel Edele Gestrenge, voldaan te hebben, terwijl ik de eere heb mij met dief respect te noemen /:onderstond:/ welEdele Gestrenge Heer uwelEdele Gestrenge oot„ moedigen dienaar /:was getekend:/ W: H: G: voer Bijland /:in margine:/ In 't fort Geldria den 29. December 1790. Accordeert. J„ V„n Lasz: Secr: 129 Memorie of Aanthooning van de ondervolgende Iaggernaijk poerams De vries gewogen ter presentie van den ondergetekenden, en zodanig bevonden, zoo als hier 18. stux goede Iaggernaijkp=se dabboesen wegende 8. 3/16. oncen, dus heeft men voor 1. lb: 35. 7/8. dabboesen s:s wat volgens aggernaijkp=se boeken wijst voor een bhaar Iappans staafkoper van 400. lb: niet meer dan Deese meerderheijd van 846. dabboesen moet men stellen tot muntersloon reekend 5. perc Als men de 16014. goede Iaggernaijk p=se dabboesen zoo als bij de boeken aangetoont word, die voor een bhaar dus geeft een winst op 't vermunten van een bhaar kooper tot dabboeden en bij Reekend 6. 7/8. percento r=m 'T inkoops kostende van 1. whaar Iapans staafkoper van 480. lb: is - - - - - - - - 't uijtkoops kostende van Een bhaar koper van 480. lb: is - - - - - - - - - - - - - - - En 't uijtkoops kostende van Een bhaar koper - - - - - - - - - - - - - - - - zoo geeft, Een winst op 't Inko Reekend 223. Pr Centos Volgens aanwijzing dat Een bhaar kopper vermunt word tot 16014. stx goede dabboesen, als nien de na zoo komt aan ropij 235. ½., en deeze 235. ½. ropij tot Pagood te brengen tegens 3. ¾. p:r pagoor zoo T uijtkoops kostende van Iappans staafkoper - - - - - - - - - - - - - - - - - - - Geeft een verlies van Reekend 29. /16. pb:r Cento. Wanneer men nu de 16014. goede, dabboesen op de voet van de bazaarse prijs gereekend word tegens 6 zoo hoeven dan de 'sComp:s dienaaren geen schaade te lijden op hunne bezolding, zoo meede verstrekking gedaan worden aan de Iaggernaijk p:l kooplieden tot den Inzaam lerj de Inkoops kostende van de Iapans koper - - - - - - - - - - - - - - - -- zoo heeft de compagnie nog een zuijver winst op 't inkoops kosten de van 't Reekend 125¾. per cento uijt een bhaaa Iappans koper zoo als op den 20. deezer door den Essaijeur de vries gewoogen, en bevon â 14. p:r C:to in waarde vermindert- zoo komt voor een bhaar koper aan valsche dabboesen zoo gaan ik nu over om deeze 19220. valse dabboesen te verdeelen; als— 45. ruijm ten hondert, zoo als hier boven bij 't weegen meerder gevonden, en heeft gesteld tot mun teasloon, zoo „'t verkoops prijs van de kooper is per/o 89. 19. 50. , en dat tegens 168. dubb: per Pagood, uijtmakende. - „winst die de Comp: behaald heeft op 't vermunten van 1. bhaar koper. tot dtabb: pr/o 5. 12. 7. of aan „op de voelse munt, heeft de valsche munters geprofiteerd op een bhaar kooper prƒ. 13. 8. 28. 9: aan Tellen te zaamen de valsche NB: 8. mazulipatnamsche dabboesen ligter weegd, als d' 8. Iaggernaijk p=lo goede d. o geeft een verschil van ¼. „ 8. slegte Iaggernaijk p:ske dabboesen weegd 3. ¼. onc:, en 8. goede Pagg: d:o weeg: 3. sCch., geeft een verschil van 3/8 „ 8. goede _„o d:o „ 3. 7/8. „ „ 8. bimilepas: dabboesen weegen 3. ½. onc:, een verschil „ 8. Bimilip=ste dabb: weegd 3. ½. onc:, en 8. Iaggernaijk p:le slegte dabb: weegd 3. ¼. onc:, een verschil van Alle welke verschillen one inde grooten zullen zijn in een groote massa goud, en zilver specie uijtmakende - - - - - - - - - - - - - - - - - . . . . . . . . . . . Palleakatta In het Fort Geldria den 29.e :

NL-HaNA_1.04.02_3974_0273 view scan ↗

English

130 calculated 5. percent [...] poeram dabboes etc., which on the 20th of December, by the Assayer Engelbert as specified below; Namely. boesen [...] what must one then have for a bhaar of copper of 480 lb, yielding . . . . . . . Dabb: 16860. — more than thus upon re-weighing there is found in excess . . . Dabb: 846. - - - - - - - - - - - - - - - 16014. for a bhaar of copper minted, and that calculated at 160 ditto per pagoda, comes to . . . pagodas 95. 7. 57. . . . - - - - - – - - – - - - – – - - – – – dabboes and when disbursed to the Company's servants at 168 ditto per Pagoda - - - - - - pagodas 5. 12. 7. - - - - 89. 19. 50. 1 on the purchase cost of the sales price . . . . . . . . . pagodas 62. —. 10. if one then brings it to the manufacturing cost at 68 ditto for a rupee, per pagoda, it comes to . . . . . . . . . . . . . . . . . pagodas 62. 19. 16. - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 89. 19. 50. is at 68 ditto per rupee, and 255 for a Company's pagoda, likewise the Honorable Company can with this copper coin a [illegible] of the linens, as well as the English with their . . . . . . - - - - - - - - - - - - - - - - ƒ 62. 19. 16. - - . . . . . . . - - . . - - - - - - - - - . 27. 19. 40. cost of minting a bhaar of copper into dabboes - Rp 34. 23. 56 weighed, and found in good: Dabb: 16860. —. - - - - - - - - - - - - - 2360. –— boesen - - - - - - - - - - - - - stivers: 19220. –. . – 6 smith's wages, so it comes for 19220 dabboes to - stivers: 964. –. –. making - - - - - - - - - - - - - 15090. –. –. 12. 7. or in dabboes - - - - - - - 924. —: —. 8. 28. 9 in dabboes - - - - - - 2242. —. -. false dabboes - - - - Dabb: 19220. –. -. difference of ¼ ounce, calculated at 7 7/16 percent difference of 3/8 ounce, calculated at 11 [illegible]/16 percent, a difference of — 1/8 ounce, calculated at 3 5/8 percent difference of —¼ ounce, or 7 1/16 percent large mass. . . . . . . . . . . . - - - - - - - - - - pagodas 27. –. 34.- the 29th of December Anno 1790. / was signed / W. H. G. van Bijland . - - - - - - - - - - - - - - - - . . . . . . . . pagodas 27. 19. 40. . - - - - - - - - - - - - - - - - - - -. - 89. 19. 50. Agreed A. van Last Secretary 131 Passing on to the second main part concerning Jaggernaijkpoeram, I must candidly exclaim, where shall I begin, and where shall I end; justice has departed from the Netherlands inhabitants of this coast; corruptions, thieving, robbing, and cheating have gained the upper hand; among high and low servants here on Coromandel there are few who shrink from laws, orders, resolutions, and far less from accountability, holding themselves assured that with money everything is accounted for; they conspire together without shrink or fear to knock the bottom out of the Company's interests here once and for all. In accordance with my preface, I shall give an historical account in order to provide Your Right Honorable an overall idea of what occurred. A day's journey from Jaggernaijkpoeram, the writer Jan Obdam came to meet me to learn how I was disposed toward Mr. van Halm, well knowing in what a poor manner Mr. van Halm had treated me regarding the ship Geldria; here is the place, Mr. Obdam, where now to the Right Honorable Lord Governor it must be honestly declared whether I did not directly say that all private malice and envy must stand still, when one seeks to attend to the Company's interests; I only requested of Jan Obdam to tell Mr. van Halm by no means to touch upon old disputes, so that that discord may not redound to the detriment of the upcoming transfer; the reception was also most friendly and well. The next day, coming into the warehouse, I was informed that 80 bhaars of copper had been taken out on a year's credit, but the second-in-command van Someren assured me that I would draw the customary dues, which I did not understand at the time, what he meant by that, and which in what follows will become most clearly apparent; from there I went to the half-built warehouse; I demonstrated that it could be used for anything except for a warehouse, and that for so large a sum of money. Furthermore, I proved that the walls were too thin, and that in proportion the tiled roof would lie much too flat, whereby the rain would be very difficult to keep out; this warehouse will be spoken of further, and I will then only note that from day to day I received more discoveries and complaints, to the full conviction of the corruptions and ruinous state and oppression of the inhabitants of that place; no servants came before the Chief or they had to fork out money according to the rate of their service. Being equipped with an order to place myself directly into command, but alas, neither books, nor monthly papers, much less cash accounts were

Dutch transcription

130 reekend 5. percento r=m poeramsche dabboesen Etc:a, dewelke op den 20. December, door den Essaijeur Engelbert zoo als hier onder gespecificeerd staas; Namentlijk. boesen s:' wat moet men dan hebben voor een bhaar kooper van 480. lb:, geeven aan. . . . . . . Labb: 16860. — meer dan zoo komt bij 't naweegen aan meerder. . . Dabb: 846. - - - - - - - - - - - - - - - „ 16014. voor een bhaar koopper vermunt word, en dat gereekend teg:s 160. d:o per pagood, zoo komt aan. . . p„/o 95. 7. 57. . . . - - - - - – - - – - - - – – - - – – – dabboeden en bij het verstrekken aan sComp:s dienaaren tegens 168. d:o per Pagood - - - - - - p/s 5. 12. 7. - - - - „ 89. 19. 50. 1 op 't Inkoops kostende van de verkkoops prijs. . . . . . . . . . pro 62. —. 10. nien da na de maaks prijs brengt tegens 68. ditos voor een roppij, p:r pagoor zoo komt aan. . . . . . . . . . . . . . . . . pa/o 62. 19. 16. - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - „ 89. 19. 50. word tegens 68. d=os per ropij, en 255. voor een Comp:s pagood, zoo meede kan d' E: Comp:e met deeze kooperen specie een zaam der Lijwaaten, zoo goed als de Engelsche met hunne . . . . . . - - - - - - - - - - - - - - - - ƒ 62. 19. 16. - - . . . . . . . - - . . - - - - - - - - - . „ 27. 19. 40. stende van 't vermunten Een bhaar kooper tot dabboesen - Rp 34. 23. 56 gen, en bevonden aan goede. Dabb: 16860. —. - - - - - - - - - - - - - „ 2360. –— boesen - - - - - - - - - - - - - stx: 19220. –. . – 6 tersloon, zoo komt voor 19220. tabb: - stx: 964. –. –. makende - - - - - - - - - - - - - „ 15090. –. –. 12. 7. of aandabboese. - - - - - - - „ 924. —: —. 8. 28. 9 aan dabboeser - - - - - - „ 2242. —. -. valsche dabboesen - - - - Dabb: 19220. –. -. schil van ¼. onc:, reekend 7. 7/16. prC. o verschil: van 3/8. onc: reekend 11. /16. p=r Cento, :, een verschil van — 1/8 ouc. , reak:t 3. 5/8. p:r C:to verschil van —¼. onc:, of 7. 1/16. p„r C„to groote massa. . . . . . . . . . . . - - - - - - - - - - p a/o 27. –. 34.- en 29. e December Anno 1790. /:was get:d / W: H: G: van Bijland . - - - - - - - - - - - - - - - - . . . . . . . . pr/o 27. 19. 40. . - - - - - - - - - - - - - - - - - - -. - „ 89. 19. 50. Accordeert A„ Vn Last: - ec: 131 Tot het tweede Hoofd-deel overgaande betreffende Jaggernaijk poeram moet ik rond borstig uijtroepen, waar zal ik meede beginnen, en waar sal ik meede eijndigen, de geregtigheijd is voor Neerlands ingezeeten van deeze kuste geweeken de Corrupten, steelen, rooven en bedrigen, hebben de overhand genoomen hooge en laage bediendens zijn hier op Cormandel weynige die schroomen voor wetten ordres resolutien, en veel minder voor verantwoording hun verzekert houdende dat met geld alles verantwoord word, zij spanne dus te zamen zonder schroom of vree„ zen om Comp:s belangens hier op eens den bodem in teslaan Ingevolge mijne voorreeden zal ik een historisch verhaal doen om uwelEdele Gestrenge een generaal ijde te geeven van het voorgevallene. Een dag reijsens van Taagernaijkpoeram, quam den kriba Ian obdam mij te gemoet om te weeten hoe ik gezind was omtrend de heer van Halm, wel weetende of wat een slegte manier de heer van Halm mij ge handeld had omtrend het schip Geldria, hier is de plaats mijn heer obdam daar nu aan den wel Edele gestrenge heer Gouverneur oprecht moet gedeclareert worden of ik niet direct gezegt hebben alze particu„ liere laat en neijd moet stil staan, wanneer men zoekt om sComp:s belangens te behartigen, alleen verzogte ik aan Ian obdam van aan de heer van Halm te seggen van tog geen oude disputen aanteroeren, of 18 op dat die oneenigheijd niet oversla tot nadeel. van het aanstaande transport, ook was de receptie alder vriendelijkst en wel. Sanderen daags in het pakhuijs komende wierd mij bedeeld dat daar 80. bhaar koper op een Iaar credit uijtgenomen was, maar den secunde van Someren verzekerde mij dat ik de Costumados trekken zou, 't welk ik toen niet en verstond, wat hij daarmeede meende, en 't welk in 't vervolg ten klaarsten blijken zal, van daar gong ik na het half opgebouwde pakhuijs ik toonden aan dat het voor alles kon gebruijkt worden uijtgenomen voor een pakhuijs, en dat voor zoo eene groote somma gelds-. Verder bewees ik dat de muuren te dun waaren, en dat in de proportie het pannadak al te plat zoude leggen, waar door de reegen zeer moeijelijk zoude zijn afteweeren, over dit pakhuijs zal nog nader gesprooken worden, en zal dan alleen aanmerken dat ik van dag tot dag meerder ontdekking en klagten kreeg, tot volle overtuijging van de corruptien en ruineusen staat en verdrukking der ingezeten dier plaats geen dienaaren bij het opperhoofd off zij hadden na rato hunner dienst geld moeten ofdokken Gemunieerd zijnde met een order van mij direct en het gebied te stellen, maar Helaas nog boeken, nog maandelijkse papieren, veel minder Cassa reekening waaren

NL-HaNA_1.04.02_3974_0277 view scan ↗

English

were clear: the goods from the Company's warehouses had been used for their own trade and commerce in their bubble business, the cash balance fell short, there was a monopoly on the most essential provisions such as salt and rice, in a word, the complaints were such that in desperation I wrote to Mr. Tadama asking him rather to appoint another chief; there were no Company servants who had not been shortchanged in the Company's wages and board money through the fraudulent manufacturing of the pagodas, having experienced periods of twelve to 20 per cent loss, and the outgoing goods from the warehouses were burdened with unauthorized percentages. Conferring with the chiefs on this matter in the most amicable manner, trying to see whether it might still be possible to cover everything with the cloak of charity, while they sought my ruin, saying he is far too close-sighted, we will get into trouble; for that reason Mr. van Halm declared that he would not hand over his transfer until the very moment of his departure, as Mr. Obdam can witness. Nevertheless, however desperate I found everything, I devised a middle course which I hoped would be to everyone's satisfaction, namely to bring the two groups of merchants into one, that is one for all and all for one, in order to prevent all bankruptcies for the Company and the chiefs. This was a thunderbolt for the merchants of Mazulipatnam. Mazulipatnam. I cannot say that Mr. van Halm had anything against it in the beginning; on the contrary, he seemed to approve of it greatly, but taking counsel with his chief dubash Truvengalam, who was head of the Mazulipatnam merchants, he understood the matter quite differently, and came to speak to me about it, and according to his custom made me several corrupting proposals, even that those 1500 pagodas which I owed him would no longer be mentioned if only I would abandon that union of the merchants, presenting me with several reasons why he was not inclined to it. In a word, he revealed the entire secret, and what an important sum the merchants had to deliver to the chiefs. He then requested me to come to his house once. I declared to him that I had not come to put the merchants or him to expense, and if they had been oppressed, my intention was truly to raise them up again, and I excused myself from coming to him. This went on in this manner until finally the account of the merchants was drawn up. That exorbitant debt made me shudder and tremble, knowing already then how substantial the wealth of those merchants could be considered, and it was a a reason for me to insist on the union of the merchants with all the more urgency, or else that they pay their debt in cash so that the Company would never be at a loss for merchants, and that as far as I was concerned, I would rather entice one good weaver to come and live on the Company's territory than six merchants. Finally and at last, they promised to bind themselves dutifully two days later by a private document in the presence of myself, the secunde van Someren, the Company's interpreter, and the Company's Brahmin. Being very well pleased with this, I went to Mr. van Halm, thinking to bring him glad tidings, but he received me coldly and very dejectedly. I took the floor, whereupon he interrupted me: no force, sir, under my administration; those merchants are not satisfied. Here it should be noted that the day before, Triwengalam as the head had already given me his word, everything in the best harmony and friendship, and sent me the merchants the next day, when I had the above-mentioned encounter with Mr. van Halm, who absolutely maintained that the merchants were unwilling, and that he left everything to my responsibility if a great stoppage occurred, indeed even adding: if the merchants abscond. I brushed that aside, as not half an hour had passed since the merchants had left me. But after dinner, he asked me very seriously whether I would not rather be secunde, that he and his wife were inclined to remain at Jaggernaikpoeram, and promised wonders, saying how he and Triwengalam would arrange it with Mr. Tadama. I paid little or no heed to it at the time, which was my misfortune, for the plot was already forged then to remove me from Jaggernaikpoeram: partly because I would not let myself be seduced by those so-called sugar lumps, as van Halm called them; secondly, that all malversations would suddenly come to light; and thirdly, that Triwengalam noticed that he would have to deal with a different man than Mr. van Halm was. For, said here in passing, Triwengalam will be the real cause of the total ruin of van Halm, and whatever is lacking in it occurred through the instigation of the [illegible] van Someren, the first especially who was still secunde at the time of the flood, and the most essential matter alone is enough to move heaven and earth in order to conceal it. Finally, the 3rd of February was the appointed day for the union and signing by the merchants, but far from coming, namely the Mazulipatnam ones

Dutch transcription

132 waaren klaar de goederen uijt 'sComp:s pakhuijsen voor eijge negotie en commersie in hunne windhandel. gebruijkt, de kassa kwam te kort een monopolie van de Esffenstieelste mond behoeften als zouten reijst, met een woord de klagten waaren, zoo dat ik als rade„ loos schreef aan de Heer Tadama om liever een an„ der opperhoofd te benoemen geene Comp:s dienaaren of zij waaren te kort gedaan in 's Comp:s gagie en kost„ gelden met het valsche fabriceeren van de boussen dat sij tijden beleefd hebben van twaalf tot 20. perC=to verlies, de uijtgaande goederen uijt de pakhuijsen wierden met ongepermitteerde percentos beswaard; Hier over de opperhoofden onderhoudende of het minsaamste„ soekende nog was het mogelijk alles met den mantel der liefde te bedekken, wanneer zij mijn verderf sogten, zeggende hij is al te naauw ziende, wij zil„ len in verdriet koomen, daarom declareerde de heer van Halm van zijn transport niet te zullen gee„ ven als op het oogenblik van zijn vertrek de heer ob„ dam kan dit getuijgen, Evenwel hoe disperaat ik alles ook vond dagte ik een middel weg uijt zoo als ik hooften ter aller genoegen, namentlijk van de twee ploegen Cooplieden tot een te brengen, dat is een voor alle, en alle voor een, om alle bankeroeten voor de Compagnie, en de opperhoofden voor te komen. Dit was een donderslag voor de cooplieden van Mazulipatnam Mazulippatnam. Ik kan niet zeggen dat de heer van Halm in den beginne daar iets tegen had, in tegendeel hij scheenen het zeer te approbeeren, maar met sijne groot dobachia Truvengalam ter raade gaande, en die hoofd was van de Mazulipatnamse kooplieden be„ greep dat stuk geheel anders, en quam mij daar over spreeken, en ingevolge zijne gewoonte deed mij ver„ scheijde Corrumpeerende propositien Ia selfs dat die 1500. pagoden, dien ik hem schuldig was, niet meer zoude van gesprooken worden, wanneer ik maar van die verEeniging der kooplieden wilden afzien, brengende mij verscheijdene reeden bij waarom dat hij daar toe niet geneegen was, met een woord hij ontdekte het geheele geheijm, en wat de kooplie„ den voor importante somma aan de opperhoofden moesten ofbrengen. Hij versogt mij daar op om eens aan zijn huijs te koomen. ik declareerden hem, niet gekomen te zijn om de kooplieden of hem op onkosten te Iaagen, en zoo zij lieden onderdrukt waaren geweest mijn voorneemen reël was om hun lieden weder of te beuren en ik excuseerde mij van bij hem te komen, dit lief, alzoo voort tot dat eijnde„ lijk de reekening der cooplieden opgemaakt was die exhorbitante schuld deed mij cidderen en beeven, kennende toen reeds hoe swaar in vermogen die kooplieden konnen aangemerkt worden, en het was een 133 een reede. voor mij om met dies te meer aandrang de vereeniging der Cooplieden te pretendeeren, dan wel hunne schuld in cas te betaalen dat de Comp:e nimmer verleegen zoude zijn voor Cooplieden, en dat wat mij ƒ betraf ik liever een goede wever zoude aanlokken om ove Comp:s teractoir te koomen woonen, dan ses cooplieden, Eijndelijk en ten laatsten beloofden sij van twee dagen daar na sig pligtig te sullen consungee„ ren bij een onderhands papier ten overstaan van mij den secunde van Someren, de Comp:s tholk, en Comp:s braminie. Hier meede zeer vergenoegd zijnde, zoo vervoegde ik mij bij de heer van Halm, vermee„ nende hem een blijde boodschap te brengen, maar hij ontving mij koel en zeer- verslagen, ik vatte het woord op, wanneer hij mij inviel geen geweld mijn Heer on„ der mijne Regeering, die kooplieden zijn niet verge„ noegd, hier diend opgelet te worden dat den dag van te vooren Inwengalam als het hoofd mij reets zijn woord gepasseerd had alles in de beste harmonie en vriendschap, en zond mij des anderen daags de Cooplie„ den wanneer ik deeze bovengem: ontmoeting had met de hoer van Halm die volstrekt sustineerd dat de cooplieden ongeneegen waaren, en dat hij alles voor mijne verantwoording liet als er een groote overstant kwam, Ia selfs voegen hij er. bij als de kooplieden uijtwijken ik sloeg dat in de wind geen half uur ge„ leeden Jan leeden dat de cooplieden mij verlaaten hadden. Maar na den eeten vroeg hij mij zeer serieus af, af ik niet leever. secunde was dat hij en sijn vrouw genee„ gen waaren op Iaggernaijkpoeram te blijven, en beloofde koeijen met goude hoorens hoe dat hij en Triwenga„ lam het bewerkten zoude bij de heer Tadama, ik sloeg 'er weijnig of geen reflexie of in die tijd, 't geen mijn ongeluk geweest is, want het complot was toen reets gesmeet om mij van Iaggernaijk poeram te verweijderen, Eensdeels om dat ik mij door dat zoo genaamde klontjes suijker zoo als van Halm het noemde niet wilde laaten verleijen; tweedens dat alle malversatien op eens aan den dag zoude komen en ten derden dat Triwengalam opmerkte dat hij met een ander man zoude te doen hebben als de heer van Halm was, want hier in passant gesegd Trwven„ gelaim zal de reëele oorzaak zijn van de totaale ruine van van Halm, en het geene wat er aan mankeerd is geschied door ophitsing van de Ravalleten van someren, den eerste voor al die nog secunde was ten tijde vande weter vloet, en de effentieelste saak is, al„ leen genoeg om Hemel en aarde te roeren om dat zelve te verbergen. Eijndelijk den 3. februarij was den bestemden dag der verEeniging en teekening der kooplieden, maar wel verre van te komen, namentlijk de Mazulipatnamse daar

NL-HaNA_1.04.02_3974_0281 view scan ↗

English

of which Triwengelam was the driving force. They sent me an insolent message, and locked themselves in with 50 to 60 sepoys in front of their door, and let me know that if I had them brought by force, they would repel force with force, which was by no means my intention. And I therefore call as witnesses all the Iaggernaijkpoeram merchants who were in my front hall, waiting for the Mazulipatnam merchants to sign. I contented myself only with making my complaints to the chief van Halm, who had the merchants come to him, namely those from Mazulipatnam, and held a very long conversation with them in the presence of van Someren, with the result that those merchants immediately thereafter departed. Triwingelam, who at that time considered himself merely a surety, remained in the place until late in the evening to fan the flames further. This ridiculous departure will be demonstrated further in the articles; I will only recount here that on the day of the departure van Halm asked the kotwal whether the merchants had already departed, and being impatient in the afternoon, he asked the same of the Company's interpreter. I protested, and requested a meeting with the chiefs in the presence of the clerk van Holt and the former clerk Jan Obdam, but this too was refused me in an insolent manner, and everything is known to Mr. Obdam, and in more detail to be seen in my papers and letters to Mr. Tadama and to the Council, for I persevered in my writing and in reporting everything that was noteworthy, notwithstanding that Mr. Tadama never deigned to answer any of my letters. I relied solely upon my rights and on my good cause, believing that sooner or later my enemies would be convinced that I had no other aim than to serve the Company's interests. But that very thing was my crime, as will be most clearly demonstrated under all circumstances, and how they all conspired together to walk hand in hand along the path of injustice. As evidenced by the fact that on 25 February a letter was read to me by the clerk van Holt, written by the Palliacat Council, stating that van Bijland should no longer meddle directly or indirectly in the Iaggernaijkpoeram affairs, and above all should not speak with any merchants, as well as his servant; and thus they finally suspended me from the service. However sick and weak I lay on my sickbed with the measles, I summoned all my strength to draw up a letter and protest against the unjust conduct of the Palliacat Council, at the same time predicting to Their Honors what the consequences would be; and hereafter I shall demonstrate how the same came true. Then all restraint was lost, and all violence, hatred, envy, and persecution were boundless. And fifty sepoys of Triwengelam marched up, repeatedly saying: van Bijland shall leap, or I from this place, there lie 10,000 rupees ready for Mr. Tadama, which he had already said in his writing several days before. Those sepoys immediately took all the Iaggernaijkpoeram merchants prisoner, as well as the Brahmin Ramaij aija, renter of Gollappaluim, all with their conicopoly, who nevertheless cannot be regarded as Company servants. The reason for this imprisonment and that violence is mainly that those people were still in arrears with the costumados, and to pocket these, the chiefs found no surer way than to place those monies on the Company's account. As merchants of the Company they owed only about 800 pagodas, but according to the calculation of the chiefs, they wanted to force those people by means of a harsh imprisonment to sign for 3,122 pagodas. Those people thus remained criminally locked up for twenty-three days, if I remember correctly; whenever they went to eat or attend to other unavoidable necessities, they were escorted in triumph by Triwengelam's armed men, and whenever they wished to go into their inner chamber, both to eat and to perform their ceremonies, they had to give a surety to their guards. Also, in case of illness, the father was locked up for the son, and the son for the father, and that at the house of Mr. van Halm. This cruel treatment is still nothing in comparison to this case: an old Brahmin of well over 60 years was also taken prisoner under frivolous pretexts, although he fell under English jurisdiction. By day he sat in the kotwal choultry, and the horror of it, by night he was thrown into a dark hole with that murderer who was sent off to Palliacatta, so that in the morning that Brahmin was more dead than alive, and that not merely for a few days, but for well over 20 days. All these cruelties which those poor people endured are for me indescribable, but they have described it to Mr. Tadama, though without a hearing or satisfaction. Around that time a Company letter arrived, which was read to me by van Holt, stating that Their Honors had finally resolved to send two commissioners to investigate the Iaggernaijkpoeram disputes, and to prevent the extreme discrepancy between the chiefs. I answered the clerk that after the calf was half-drowned, they would fill in the well. This indeed came true, and of these two commissioners more will be said in the next chapter. To be brief in this matter, I will note that Iaggernaijkpoeram was the place where

Dutch transcription

134 daar Triwengelam den drijf veer van was zij lieten mij een insolente boodschap doen, en slooten sig op, met 50. â 60. sippais voor haar deur en lieten mij weeten wan„ mer ik hun met geweld liet haalen zij geweld met geweld zoude keeren, het welk geensints mijn intentie was, en roep derhalven alle de Iaggernaijkpoeramsche kooplieden tot getuijgen, die in mijne voorzaale Laaten, en wagten op de Mazulipatnamse kooplieden om te tekenen, ik vergenoegde mij alleenlijk met mijn klagten te doen aan het opperhoofd van Halm, die de kooplieden bij sig liet komen, namelijk die van Mazulippatnam en huwen een zeer lange conversatie ten overstaan van van someren, met dat gevolg dat die kooplieden ilico daar op uijtweeken, Triwingelam alleen zich of die tijd als borg considereerde bleef in de plaats tot 's avonds laat om het vuur verder aante blaasen, deze redicule uijtwijking zal bij de articulen nader aange„ toond worden, alleen zal ik dit hier vertellen dat den dag der uijtwijking van Halm aan de holtewal. vroeg of de kooplieden reets uijtgeweeken waaren en des nademiddags ongeduldig zijnde vroeg hij het zelfde aan de Comp:ies tholk, ik protesteerde, en verzog„ te een bij een komst met de opperhoofden ten overstaan van den scriba van Holt, en den geweezen scriba Ian obdam, maar dit ook wierd mij op de insolente wijse geweijgerd, en alles bekend bij de heer obdaim, en Jan en in 't breeder te zien in mijne papieren en brieven aan de heer Iadama, en aanden Raad, want ik bleef vol„ haaden in mijn schrijven, en in 't rapporteeren van al wat op merksaam was niet tegenstaande den heer Tadec„ ma zig nimmer verwaardigt heeft om op een van mijn brieven te antwoorden, ik steunde alleen of mijn regt, en zoo dat mijn goede zaak was dat ik vroeg of laat mijne vij„ ander zouden overtuijgen dat ik geen ander doeluit had dan 'sComp:s belangens te behartigen, maar dat zelve „ook was mijn crimen zoo als bij alle omstandigheeden ten klaarsten zal aangetoond worden, en hoe dat zij alle te zamen gespannen hebben om hand aan hand met el„ kanderen de weg der ongeregtigheijd te bewandelen, blij„ ƒ kens dat op den 25. februarij mij een brief voor geleezen wierd door den scriba. van Holt door den palleacatsen Raad geschreeven, dat van Bijland zig nog direcs nog in direct met de Iaggernaij apoeramse, zaaken meerder zoude hebben te bemoeijen, en voor al met geene Cooplie„ den te spreepen, als ook zij dienaar; en alsoo finaal mij buijten den dienst stelden; hoe ziek en swak ik ook aan de mazelen op mijn ziek bedde lag, Aancken ik alle. mijne kragten in om een brief en protest op te maaken tegens de onregtvaardige, handelwijse van den Palliacatsen raad, met hunne Edele Agtb: teffens te verspellen wat de gevolgen zoude zijn, en hier na zal ik aantoonen hoe het zelve bewaarheijd is, toen was het hekke van den dam en 135 en alle geweld, haat, neijd en vervolging waaren tomeloos, en vijftig sippaijs van Triwengelam marcheerden op, her zeggende van Bijland zal springen, of ik van deeze plaats, daar legge 10000 ropijen klaar, voor de heer Tadama, 't welk hij reeds in zijn chrift verscheijde dagen te vooren gesegd had, die Sipaijs namen direct alle de Iaggernaijkpoeramse kooplieden gevangen, als ook den braminees Ramaij aija pagter van Golloppa„ luim alle met hunne cannecappel, die evenwel niet als Comp:s dienaaren konnen aangemerkt worden de rieden van deeze geveengenisse en dat gewelt is hoofd zakelijk dat die lieden nog ten agteren stonden met de costumados, en om die in te palmen vonden de opperhoofden geend se„ cuurder weg, als die Gelden op Comp:s reekening te plaatsen als kooplieden van de Comp:e waaren zij om„ trent de 800. pag: maar schuldig, maar volgens de beree„ kening der opperhoofden wilden ze die lieden dwingen met een staenge gevangenis om te tekenen voor 3122. pa„ goden die lieden zijn aldus Crimineel. ofgeslooten geblee„ ven drie en twintig dagen, als ik wel heb, wanneer zij gongen eesen of andere onvermijdelijke nootsakelijk„ G heeden te doen wierden sij in triumph geexcorteerd met Triwengelam zijn gewapend volk, en wanneer zij in hunne binne kamer wilde gaan zoo om keeten, als om hunne Ceremonien te verrigten moesten zij een borgen aan hunne wagtens geeven, ook wierd bij ziekte de vader voor den Zoon, en den zoon voor den; voor den vader opgeslooten, en wel aan het huijs van heer van Halm, deeze Cruelle behandeling is nog nie„ mendal in Comparatie van dit geval een oude bram nees van ruijm 60: Iaaren, wierd ook onder frivoole pretexten gevangen genomen, hoe wel onder Engelsch gebied resorteerde, des daags sat hij in de Cottewal. chauderij, en d' Gruwel. des nagts wierd hij in een donker gat geworpen met die moordenaar die na palleacatta ofgezonden is, dat die braminees smorgen meerder dood als leevendig was, en niets slegts voor eenige dagen; maar wel ruijm 20. dagen lang; alle deeze Cruoteijten die, die arme menschen ondergaan hebben is voor mij onbeschrijffelijk, maar zij lieden hebben het beschreeven aan de heer Tacama, maar zonder gehoor, of satisfactie. Omtrend of die tijd quamer een Comp:s brief, die mij door van Holt voorgeleezen wierd, dat Hun Edele Achtbare eijndelijk geresolveert waaren om twee gecommitteerdens te zenden om de Iaggernaijk vsch verschillen te onderzoeken, en de verregaande dis„ crepantie daar de opperhoofden voor tekomen; Hant woorde aan den scriba dat na het half verdronken was, men de put zoude dempen, dit is wel bewaar heijd, en van deeze twee gecommitteerdens zal in het volgende hoofdeel nader gesprooken worden om mij dan te bekorten in deeze, zoo zal ik aan„ merken dat Iaggernaijkpoeram de plaats was waar

NL-HaNA_1.04.02_3974_0285 view scan ↗

English

where everything ought to have been investigated, as being the place where the coinage was debased, where the servants were defrauded of their wages, where entire warehouses of Company goods were shipped to Europe, that is the place where merchants were forced to take coral for making deliveries, while the cash was taken for private use or handed over to favorites, also where the merchants pay over 6000 pagodas to the chiefs as customados, and 3000 pagodas to the commander, and where a black fellow named Trewengalam may say, ten thousand rupees lie ready to recall van Bijland from this place, as well as the office where the seals of the treasury are broken without the presence of the commissioners, while they are nevertheless forced to sign for it, also where all letters are arbitrarily broken open, not only those of the informant as a prisoner, but even those to the doctor and those from husbands to their wives, in a word, no one obtains justice there, the troublemakers are patronized, a speedy redress, or I predict that that entire office will be lost. Having come this far, I shall break off this historical narrative and proceed to the evidence, so far as it can be claimed in equity and law, for your Right Honorable will please observe. Observe that since the 25th of February I have had orders not to meddle either directly or indirectly with the affairs of Jaggernaijkpoeram, which can be considered as nothing other than to give time to those unfaithful chiefs to disguise and conceal their foul conduct; as it appeared that the commission of inquiry did not arrive until the 20th of March; in that meantime they sent sloops and vessels, silver and sought-after wares, but I trust that the concatenation of the whole, taken together, will yield sufficient evidence; for the rest I shall refer to the correspondence both with Mr. Tadama and with the Honorable Council. The 80 bhaar of copper caused rumor enough, and is evident from the books, as well as the harm that was thereby brought, both to the deliveries and to commerce in general, since it was not delivered to the merchants, but to a stranger on a year's credit; the 400 pagodas that were missing in the treasury at that time, Messrs. van Halm and van Someren will not be able to deny, since Mr. van Halm had sold me some cannons and other goods, saying to me, I owe the treasury, you will find that out upon the transfer with van Someren. How can this otherwise otherwise be proved, ten months after date, that by the 26th of January neither books nor papers were ready, is clearly evident under the signature of van Someren, who offered me on that date the balances of the ultimate of August, and told me that I should just come the next day at 8 o'clock to take over the warehouse, adding that of the aforesaid balances several items had been decimated, consumed, and given away in the span of 5 months, as can be seen under Letter A, second main section. Another word for clarification according to those balances of the ultimate of August, from which it appears that those chiefs took me for so simple-minded as to take over the warehouse before and prior to the transfer being ready, for surely the warehouse must conform with the books, and one must not make up the books or the transfer according to what is found in the warehouse; this demonstrates a manifest fraud, in order to write off the shortfall according to those items decimated, consumed, and given away in the span of 5 months, as is clearly to be seen in those balances under the ultimate of August, and delivered on the 26th of January. Regarding the lease, not wanting to have anything to do with all that brewing and messing, Mr. van Halm wrote me a letter, to be seen under Number 1, second main section, in which he stated that the salt culture from this day forward was left to the accountability of himself and Mr. van Someren. Left to proceed; in the same letter he, van Halm, again requests a delay for making the transfer until the 10th or 12th of February. How can I prove at Palliakatta the introduction of the monopoly of salt and rice? 20 different people have made these complaints to me, and do I not have it from my own experience, did I not even hear the tom-tom beaten that no one should presume to sell salt except only Cotta Sjekke Enkaij in the presence of the canacaple Avrdoe Conde Aija of Mr. van Halm, when those people at that time could not get as much salt for 6 dabboeses as they could get for 1 dabboes before the war, and during the war, and under other chiefs; Mr. Obdam is well aware of this matter. Concerning the matter of the dabboeses, it will be fully demonstrated, calculated, and proved under Letter B, second main section, as will also appear therefrom how the Company servants were shortchanged in their wages and board money; to absolute superfluity those servants can be questioned anew, since they were made to submit a false report, which was extorted from them through terror and fear that prevailed at that time at Jaggernaijkpoeram; Mr. Obdam here on the spot, as well as de Bruijn, can be consulted on this, as one will also find

Dutch transcription

136 waar alles onderzogt had dienen te worden, als zijn„ de daar de plaats daar de munt vervalscht is, daar de dienaaren beslooten zijn in hunne gagie, daar de geheele pakhuijsen met Comp:s goederen na Eurappa„ gedreeven zijn, daar is de plaats daar de cooplieden coraal in de hand Gestopt werd tot het doen der leverancien, terwijl de contanten voor eijge gebruijk z of voor de gunstelingen afgegeeven wierd, ook daar de Cooplieden over de 6000. pagooden aan de opper„ hoofden als Costumados betaalen, en 3000. pagoden aan den gezaghebber, en daar een swarte kerel eenen Trewengalam seggen mag, Thien duijzend ropijen leg„ gen klaar om van Bijland van deeze plaats op te roe„ pen, als ook het cantoor daar de Zegels van de Cassa gebrooken worden zonder bij zijn van de gecommit„ teerdens, wanneer men hun egter verpligt om daar voor te tekenen, ook daar men alle de brieven wil„ lekeurig open breekt niet alleen van den bericht geever als gevangene, maar zelfs die aan den docter„ en die van mannen aan hunne vrouwe, met een woord, daar erlangd niemand regt, de perturbateurs worden gepatrosineerd een spoedig redres, of ik voor„ Ael dat, dat geheel Cantoor verlooren gaat. Tot dus verre gekomen zijnde, zal ik dat Historisch verhaalen afbreeken, en gaan ter bewijzen over, voor zoo verre als het naar billijkheijd en rechten gepretendeerd kan worden, want uwel Edele: Gestrenge gelieven over te„ merken. merken dat ik zedtert den 25. februarij ordre gehad heb van mij nog direct, nog indirect met de Iaggernaijk„ poeramse zaaken te bemoeijen het welk niet anders kan geconsidereert worden, als om tijd te geeven aan die ontrouwe opperhoofden om hun vuijl gedaag te verbloe„ men, en te verbergen; zoo als gebleeken is dat de com„ missie ter examinatie eerst op den 20. Maart gearri„ veerd is; in die tusschen tijd heeft men sloepen en vaartuijgen gezonden, zilver en gewilde whaaren, maar ik vertrouw dat de aanschakeling van het geheel al, te samen genoomen genoegzame bewijzen zullen uijtleeveren; overigens zal ik mij refereeren aan de Correspondentie zoo aan de heer Tadama, als aan den Agtbaren Raad. de 80. bhaar. koper heeft gerugt genoeg gemaakt, en blijkt bij de boeken, als ook het nadeel dat daar mee„ de toegebragt is, zoo in de leverantie als de Commer„ cie in 't generaal, terwijl het niet aan de Cooplieden afgegeeven is, maar aan een vreemde op een Iaar Credit; de 400. pagoden die er te kort quamen in de kas, op die tijd zullen de Heeren van Halm en van someren niet mogen negeeren, aangezien de heer van Halm mij eenige Canonnen en ande„ re goederen verkogt had zeggende tegens mij ik ben in de kas schuldig, bij het transport zal uw dat wel vinden met van someren. Hoe kan dit anders 137 anders beweezen worden thien maanden na dato dat over den 26. Ianuarij nog geene boeken nog pa„ pieren klaar waaren, blijkt duijdelijk onder de hand tekening van van someren die mij ov die datum de restanten van ult:o aug:s aanbood, en dat ik maar des anderen daags om 8. uuren het pak„ huijs zoude komen overnemen, met bijvoeging dat van voors3: restanten verscheijde articullen vertiend, verbruijkt en verschonken zijn in den tijd van 5. maanden, als te zien is onder L:a A: Tweede hoofdeel Nog een woord tot opheldering volgens die restanten van ult:o aug:s, waar uijt blijkt dat die opperhoofden mij voor zoo onnozel. versleeten, van het pakhuijs over teneemen voor en al eer het transport klaar was, want immers moet het pakhuijs Conform zijn met de boeken, en niet boeken of het transport opmaaken na rato dat de bevin„ ding is in het pakhuijs, dit toont een maniffest bedrog aan, om ingevolge de te kort koning afteschrijven bij die articulen verthierd, verbruijkt, en verschonken in den tijd van 5. maanden, zoo als duijdelijk te zien is bij die restanten onder ult:o aug:s, en op den 26: Ianuarij afgegeeven. omtrend de pagt met al dat gebrouw, en gemors niet willende te doen hebben, schreef de heer van Halm mij een brief te zien onder N:o 1. tweede hoofd-deel, en waar in hij met dat de zout Cultire van heeden af ter verantwoording van hem, en de heer van Someren liet liet voorslooppen, dezelve brief verzoekt hij van Hul„ weder om uijtstel tot het doen van het transport to den 10, of 12. februarij Hoe kan ik op Palliakatta bewijzen, in brengen van de monopoli van het zout en reijst, 20. diffsaente menschen hebben mij die klagten gedaan, en hebbe ik het niet bij eygen ondervinding, heb ik niet zelfs de tamlam hooren slaan, dat niemand zig zou ondersta van zout te verkoopen als alleen Cotta sjekke Enkaij ten overstaan van den kannekappel Avrdoe Conde aija van de heer van Halm, wanneer die lieden op die tijd voor 6. dabboesen soo veel zout niet kunnen krijgen, als zij voor den oorlog, en geduurende den oorlog, en onder anderen opperhoofden voor 1. dabboes krygen kon, de heer Obdam is deeze zaak wel bewust Betreffende de zaak der dabboesen zal ten vollen aangetoond bereekend, en beweezen worden onder L:a B: tweede hoofd-deel, zoo als ook daar bij blijken zal hoe de Comp:s dienaaren bij hunne gagie en kostgeld te kort zijn gedaan ten allen overvloede konnen die dienaaren op nieuw gevraagd worden, vermits men hun een verkeerd berigt heeft doen ingeeven het welk zij door schrik en vrees, die in die tijd of Jaggernaijkpoeram heerschte af geperst is, de heer obdam hier ter plaatse als ook de bruijn konnen daar op nageslagen worden, als vok zal met vinden

NL-HaNA_1.04.02_3974_0289 view scan ↗

English

find upon closer examination that the entire report is mendacious and far from the truth that they were minting dabboesen too light for only a short time, since van Someren admitted to me that he was not to blame for this, that it had already long before been brought into practice by van Halm and de Ravallet, and that the same was in imitation of Bimilipatnam, and that while Schliephaken had been at Palleacatta a few months ago, he had pointed this out to Mr. Tadama, because Palicol is supplied with dabboesen from Iaggernaijkpoeram, thus the bosom friend Schleephaken found no advantage in it, and for that reason it was communicated in secret to the chiefs of Iaggernaijkpoeram to mint good dabboesen again, but by no means to promote good order or the Company thereby, for then that same order should also have been sent to Bimilippatnam where they are of an even worse sort and the second intimate friend of Sadama is stationed as chief. Also at that time a Brahmin was imprisoned by the name of Bolla Prega Sellamaij; he escaped after first having left behind a letter of complaint against the chiefs and Triwengelam, both concerning the dabboesen and concerning the sale of the salt, that he was arrested in order to give Triwengelam the opportunity to sell his salt, while the poor arrestee remained stuck with his. He departed for Palliacatta where he caused a great deal of commotion with very little success. Under Letter C, second section, I have the honor to present to your Right Honorable Sir an autograph manuscript by van Halm titled Indication of what Company merchants and suppliers of cotton cloths must pay, to which I fully refer as being able to provide nothing clearer and more distinct. These funds were still partly outstanding, and on account of a dispute between De Ravallet and the incoming second van Someren, it was decided among them that van Someren would pocket those costumados for De Ravallet, and that he would then have a share in it; for that reason it occurs that van Halm also had such a proposal made to me, first by Mr. Obdam, who came to speak to me in all these matters on behalf of Mr. van Halm in order to smooth out all obstacles. I also asked Mr. Obdam what those 700 pagodas were that I still had to collect, besides the above-mentioned, for Mr. Tadama or rather for Mr. van Halm, while Mr. van Halm had declared to me a few days before in a complaining manner, firstly that the money that I asked for a servant of the widow Stoffenberg, he had already remitted months ago to Mr. Iadama, without that servant having received that money. Secondly he, van Halm, said that Mr. Tadamia was very self-interested, that he had charged to his account 700 pagodas in costumados, which the merchants still owed of the aforementioned 3000 pagodas, adding thereto, I hope that you will assist me in collecting those moneys, that the merchants will make no disputes about it. This occurred in the presence of Someren, who said to that, that presents no difficulty; there was also present one Galliot Latouche, who strongly urged that matter, although the conversation took place in Dutch. Since that time ten months have elapsed without my having heard anything of it, but concerning the costumados in general I will name those who also told it to me: firstly Mr. Obdam, when I asked him, must those 700 pagodas be deducted from those 6157? No, he said, Mr. Iadama has enjoyed 3000 for his share alone. Subsequently Ramaija told me on the occasion when I reproached him with the poor delivery of the white linens; he replied, how can we fulfill the contracts when we must furnish such significant sums, both upon our appointment and at the annual deliveries, birthdays, New Year, and feast days, besides also at the appointment of new chiefs and seconds. I asked the Company's interpreter about it, who attested all of this; Triwengelam has also communicated all of this to me in great detail, adding thereto that after my transfer I would certainly experience that, and especially when I could bring about that a price increase was granted on some sown goods. Cabelnade testified the same, but with bitter tears, saying to have been totally ruined by the chiefs and because of the exorbitant costumados, and on top of that by the very worst treatment from Mr. De Ravallet, whereby all honor and good faith was violated, also that he still had a bond, acknowledged to Baars and Iopander since the year 1778, which I indeed hold, that he was unable to pursue that debt because De Ravallet was the brother-in-law of Toppander. None of these people will deny it, and if it happened otherwise I request that they be questioned under oath; one can also ask the Company's Brahmin, the cotwal, and several others what they paid to obtain that service; thus the Brahmin will say 400 pagodas to the chief and 100 to his servants; the cotwal will say that he paid 50 pagodas, and a short time thereafter was dismissed from service.

Dutch transcription

1387 vinden bij nader onderkoek dat het geheel berigt lengenagtig, en bezeide de waarheijd is, dat zij dab„ boesen maar voor een korten tijd te ligt geslagen zou„ de hebben, vermits van someren mij bekenden daar geen schuld aan te hebben dat het reets lang bevoorens door van Halm, en de Navallet in gebruijk was geraakt, en dat het selve in navolging was van Bimilipatnam, en dat terwijl schliephaflen eenige maan„ den geleeden of palleacatta geweest was, die dat aan de heer Tadama aangetoond had vermits palicol van Iaggernaijkpoeram voor zien word van dabboesen, zoo vond den boezem vriend schleephaken daar zijn voordeel niet bij en uijt dien hoofde wierd in secretesfe„ aan den opperhoofden van Iaggernaijkpoeram bedeeld om wederom goede dabboesen te slaan, dog geenzints om de goede ordre of de Compagnie daar meede te bevorderen, want dan had die zelfde order ook moe„ ten gezonden werden na Bimilippatnam daar de„ zelve nog een zoort slegter zijn en de tweede in time vriend van Sadama als opperhoofd legd. ook was of die tijd een bramine gevangen met name Bolla. Prega Sellamaij, hij ontvlugte na alvoorens een klagt„ schrift agter gelaaten te hebben tegens de opperhoofden en Triwengelam zoo over de dabboesen, als over de verkooft van het sout dat hij gearresteerd wierd om Triwengelam gelegendheijd te geeven van sijn sout sout te verkoopen, terwijl den armen arrestant met het sijne bleef sitten: Hij vertrok na Palliacatta alwaar hij zeer veerl oproer-maakte met zeer weijnig Succes. Onder L:a C: tweede hoofdeel heb ik de eer uwel Edele gestrenge aantebieden een eijgen handschrift van van Halm getituleerd Aanwijsing het geen Compagnies cooplieden en Leveranciers der gecattoeneerde doeken voldoen moeten, daar ik mij ten vollen aan refereere als kennende niets klaarder en duijdelijker apge ven, deeze penningen stonden nog uijt voor een ge„ deelte, en uijt hoofde van een disput tusschen de Ra„ vallet, en den aankomende secunde van Someren wierd onder hun beslooten dat van Someren die Costumados voor de Ravallet inpalmen soude, en dat hij daar dan portie in hebben zou, uijt dien hoofd komt het voor dat mij van Halm ook dusdand ge- propositie liet voorslaan, Eerstelijk door de heer obdam die in alle die zaaken mij quam spreeken wegens de heer van Halm om alle opstaculen ts plan„ neeren ook vroeg ik aan de Heer obdam wat dat was die 700 pagoden, die ik nog moest in palmen buijten de boven gem: voor de heer Tadama of liever voor de heer van Halm, terwijl de heer van Halm mij eenige dagen te vooren klagen der wijze declareerde, eerstelijk dat die gelden, die ik 139 van ik vroeg voor een dienaar dewed: Stoffenberg, dat hij die reets maanden geleeden aan de heer Iadama hadde overgemaakt, zonder dat die dienaar dat geld ontfangen had, Tweedens zeijde hij van Halm, dat de heer Tadamia zeer geinteresseerd was, dat hij hem op reekening gesteld had 700. pagoden Customa„ dos, die de kooplieden nog ten agteren stonden van de meer gemelde 3000 pagooden, voegende daar bij ik hoof dat uw tot het in palmen van die gelden mij behulp„ zaam zult zijn, dat de kooplieden daar over geen 23 disputen maakt, dit passeerde ten overstaan van So„ meren, die daar op seijde dat heeft geene swaarig„ heijd, ook stond daar bij eenen Galliot Latouche die die zaak sterked Aandrong hoe wel de conver-„ satie in het Hollandsche geschiede, zedert die tijd. zijn 'er thien maanden verloopen, zonder dat ik daar iets meede van gehoort hebbe, maar omtrend de cos„ tumados in 't generaal zal ik opnoemen, die geene die 't mij ook nog gesegd hebbe: Eerstelijk de heer obdam, wanneer ik hem vroeg, moeten die 700. pagoden uijt die 6157. getrokken worden, Neen zeijde hij, de heer- Iadama heeft alleen voor zijn aandeel. 3000. genoo„ ten vervolgens vertelde het mij Ramaija bij gele„ gendheijd dat ik hem voorhield de slegte leverantie der witte lijwaaten, hij repliceerde, hoe kunnen wij aan de contracten voldoen, wanneer wij zulke importante somme moeten opbrengen zoo bij onse aanstelling. ik aanstelling, als bij de Iaarlijkse leverantien, geboorte dagen, nieuwe Iaar, en feest dagen, behalve ook nog by het aanstellen van nieuwe opperhoofden en secunder Ik vroeg des Comp:s Tolk daar na, die dit alles atte teerde, Triwengelam heeft mij dit alles ook zeer omstandig bedeeld, voegende daar bij dat na mijn trans port ik dat wel ondervinden zou, en wel voor al wan„ neer ik kons bewerken, dat op sommige gezaaijde goederen verhooging van prijs kwam Cabelnade betuijgde het zelve, maar vaet bittere traanen zeggen de botaal geruineerd te zijn geworden door de opper„ hoofden, en door dien de exhorbitante Costumados en no daar en boven door een aller slegte behandeling van de heer De Ravallet, waar bij alle een en goede trouw geschonden is, ook dat hij nog een obligatie had, ge kend Baars en Iopander zeedert het Jaar 1778, ik wel heb, dat hij die schuld niet heeft kunnen vervolgen om de wille dat de Ravallet swager was van Toppander, deeze lieden zullen geen van alle negeeren, en het gepasseerden anders verzoek ik dat dezelven of den eed woorde afgevraagd; ook kan men nog vraagen aan 'sComp:s bramine, de cottewal, en andere meer, wat sij betaald hebben om di dienst te obtineeren, zoo zal den bramine zeggen 400. pagoden aan het opperhoofd, en 100. aan desselfs bediendens; de Cottewal zal zeggen dat hij 50. pagode betaald heeft, en een wijnige tijd daar na uijt den dienst

NL-HaNA_1.04.02_3974_0293 view scan ↗

English

put into service without anything being returned to him; it was also reported to me by the servants of the warehouse, as well as by the merchants, how van Halm, Ravallet, and van Someren had calculated that on every hundred pagodas turnover the chief would enjoy 2 pagodas, and 1 pagoda to the second, and to the minor servants, 1/4 percent to the Company's interpreter, 1/4 percent to the first servant of the chief, 1 1/4 ditto to the Company's brahmin, 7/8 ditto to the first servant of the second. Even the gentleman Obdam complained to me about these charges; although he had actually concluded a contract, he was nevertheless obliged to pay this as customary costumados. To give an appearance of justification for those percentages, the chiefs claim to consider themselves obliged to sell nothing to anyone except to the merchants, which is untrue and very absurd, as evidenced by the previously mentioned 80 bhaar copper, and the absurdity consists in this: that in this manner a favorable contract could never be concluded outside those merchants, who then, for this small profit, naturally must obstruct the turnover. Having cited all this as briefly as possible, I must refer to the two first letters written by Mr. Tadama, the first dated 13 January, and the second without date, accompanying the copy as convincing proof that I have proceeded with all reverence and respect, without passion, hatred, or envy, much less with any personality. I refer to them annexed hereto under No. 2, second main part. On 27 January, the Iaggernaijkpoeram merchants were arrested by Mr. van Halm, as can be seen under No. 3, second main part, and from the reply of Mr. van Halm of the same date, No. 4, second main part. This caused me, on 27 January, to summon the Iaggernaijapoeram merchants before me, in the presence of Mr. van Someren and the clerk Dirksz in place of the scribe van Holt, who was ill; this note is to be found under No. 5, second main part, where I asked those merchants whether they really owed the Honorable Company 3122. 3. 7/8 pagodas, to which they answered that when the private gentlemen paid off their debts, they would only remain indebted between 7 to 800 pagodas. At that testimony, Mr. van Someren lashed out with so much passion and abusive words that I felt ashamed and dismissed those people, whereupon, at the complaint of van Someren, they were immediately arrested in order to make them sign for the above-mentioned sum of 3122. 3. 7/8. Likewise, I had those scoundrel merchants of Mazulipatnam summoned, asking them whether they were really indebted 1732. 19. 3/4 pagodas; to this they answered yes, on the condition that I would accept the new demand for a sum of 4539. 21. 7/8, namely for 1527 1/2 pieces of diverse sewn goods, and 360 fine bleached Guinees, and above that still 23 bhaar Japan copper. So that the debts of that date amounted to approximately 18337. 2 5/8, besides the 80 bhaar copper cited here before, which was no less dangerous to take over than the debts of the merchants themselves, since they were all tied and bound to one another. Van Someren interrupted me on this, saying, we simply took everything from the merchants that we could get, without confining ourselves to the assortments alone, but to secure ourselves regarding the enormous debt of the merchants. Having arrived this far, after having considered all this, I wrote, for the sake of completeness, another letter to Mr. van Halm dated 27 January under No. 6, second main part. Matters standing thus, I found nothing more advisable than to unite the two factions, to which the Iaggernaijkpoeram ones seemed very inclined, although they only owed around 800 pagodas and the others over 20,000, if one includes those goods that they claimed to have delivered on the new demand and which had already been stamped and taken over by the old chiefs. While a new chief is not at all obliged to submit to that arbitrary conduct, I nevertheless sought a middle way to arrange everything amicably, and in this I was supported by a letter delivered to me by Mr. Blaaukamer, to be seen annexed hereto under No. 7. And I first summoned Triwengelam to come to me, as we were at that time in the greatest harmony; I put that proposition to him, saying, you are now the driving force of all the merchants, you must work this out, or else pay the debts in cash so that the Company would then be master to engage such merchants as they shall deem capable and propertied, and that I held myself assured that with 3 to 4 merchants I would deliver more and work everything out in a more orderly manner than with such a pack of merchants. He spoke further as has already been cited here before, but nevertheless that he would submit, since they were unable to pay that debt in cash. Thereupon I had a private contract written by the brahmin and the interpreter in Gentoo, first in Dutch, subsequently in Portuguese, out of caution so that no misunderstanding or incorrect expression should occur. Having linked these three together, I have the honor to present them to Your Right Honorable under No. 8, second main part, of 3 February. Having brought all this so far to maturity, I must once again refer to the aforementioned regarding

Dutch transcription

140 dienst gezet zonder dat hem iets weerom is gegeeven; ook is mij opgegeeven door de bediendens van het pak„ huijs, als ook door de Cooplieden hoe van Halm Ravallet, en van Someren bereekend hadden dat of elk hondert pagoden verthier het opperhoofd zoude genieten 2. pag:, en 1. pag: aan de secunde, en aan de mindere bediendens, ¼. p:r C:o aan de Comp: s Tholk ¼. percento aan de eerste dienaar van het opperhoofd„ 1¼. d:o aan 'sComp:s bramine, 7/8. d:o aan de eerste dienaar van de secunde, deeze ongelden heeft min zelfs de heer obdam meede beswaard, terwijl hij werkelijk een Con„ tract geslooten had, even wel was hij verpligt dit als gewoonelijke Costumados afteleggen. Om een schijn te geeven voor die perc:to zeggen de. opperhoofden zig verpligt te houden aan niemand iets te verkoopen, als aan de kooplieden, het welk onwaar„ en seer- absuad is, blijkens de voorige gemelde 80. bhaar kooper, en het absurde bestaat hier in dat op die manier nimmer een favorabel. Contract zoude mogen geslooten worden, buijten die kooplieden, die dan voor deeze kleijne winst natuurlijk den verthier stremmen moeten, na dit alles zoo kort aangehaald te hebben als mogelijk zoo moet ik mij beroepen of dit twee eerst brieven van de heer Tadama geschree„ ven, de eerste van den 13. Ianuarij, en de tweede zonder datum bij de copij overtuijgend bewijs, dat ik met alle Eerbied en respect zonder drift haad of neijd veel minder met n met eenige personaliteijt te werk ben gegaan. Ik refereerde mij aan dezelven hier annex onder N:o 2. tweede Hoofd-deel. Op den 27. Ianuarij wierd de Iaggernaijk poeran se kooplieden door de heer van Halm in arrest ge„ nomen als te zien is bij N:o 3. tweede Hoofdeel en bij het antwoord van de heer van Halm van dezelfde datum N:o 4. tweede Hoofd-deel. veroorzaakt dat ik op den 27. Ianuarij de Iaggernaij apoeramsche koop„ lieden bij mij liet komen, ten overstaan van de heer van Someren en den schrijver Dirksz: in plaats van den scriba van Holt, die siek was, deeze aantekening is te vinden onder N:o 5. tweede hoofd-deel, alwaar ik die kooplieden afvroeg of sij werkelijk schuldig waa„ ren aan d' ECompagnie 312½. 3. 7/18. pag. , waar of zij ge„ antwoord hebben, dat wanneer de particuliere Hee„ ren haare schulden afbetaalden; zij alleenlijk schul„ dig sullen blijven tusschen de 7. â. 800. pagoden op die getuijgenis viel de heer van someren uijt met soo veel drift en scheld woorden dat ik mij schaam, de en die lieden afdankte, wanneer zij op de klagte van van Someren direct gearresteerd wierden om hem te doen tekenen voor de boven gem: som van 3122. 3. 7/8. Insgelijkst liet ik die schurfde kooplieden van Mazulipatnam komen, vragende hunlieden of zij werkelijk schuldig waaren pag: 1732. 19. ¾ „ hier of antwoorden zij van Ia, onder die mits, dat ik over 141 off den nieuwen Eijsch wilde acceppteeren voor een somma van 4539. 21. 7/8. namelijk voor 1527.½. p:s ge„ zaaijde goederen divers, en 360. Guinees fijn gebleekt daar een boven nog 23. bhaar Iappans koper. zoo dat de schulden van die datum beliepen plus minus 18337. 2 5/8. /en„ behalven nog de 80. bhaar koper hier vooren aangehaald, en niet minder gevaarlijk was om overteneemen als de schulden selfs der kooplieden, terwijl zij tog alle aan elkanderen verknogten verbonden waaren. van someren viel mij hier ofer in zeggende wij hebben maar alles genoomen van de kooplieden, wat wij krijgen konnen, zonder ons te Hooven aan de sortementen al leen, maar om ons te verzekeren omtrend de en orme schuld der kooplieden. Tot dus verre dan gekomen ee zijnde, na dit alles overwoogen te hebben schreef ik ten aller overvloede nog een brief aan den heer van Halm dato den 27. Ianuarij onder N:o 6. tweede. Hoofd-deel de saaken aldus staande vond ik niets raadsaamer als om de twee ploegen te verEenigen, waar toe de Iaggernaijkpoeramsche seer geneegen toescheenen hoe wel zij maar omtrend de 800. pagoden schuldig waaren, en de andere ruijm 20'000. als men en onder begrijp die goederen die zij sustineerden of den nieuwen Eijsch voldaan te hebben, en reeds door de oude opperhoofden gesjapt en overgenomen waaren, Terwijl een nieuwe opperhoofd gantsch niet verpligt is om zig aan dat willekeurig gedragte submittee„ Jan ren ren, eevenwel zogt ik een middel weg om alles in de minne te schikken, en daar wierde ik in gestrekt bij een brief, die mij overhandigt wierd van de heer Blaaukamer hier annex te zien onder N:o 7. en liet Triwengelam eerst bij mij komen, als zijnde op die tijd in de grootste harmonie, ik deed hem die proppo„ sitie, zeggende nu is de drijf veer van alle de koop lieden, uw moet dit uijtwerken, of wel de schulden in Cas betaalen dat dan de Compagnie meester was om zulke kooplieden aanteneemen, die zij zullen meenen bekwaam en gegoed te zijn, en dat ik mij ver zekerd hield, dat ik met 3. â 4. kooplieden meerde zoude leeveren, en alles gereguleerden uijtwerken sou, als met zoo een trouf kooplieden. Hij zeijde verder zoo als reids hier vooren aangehaald is, maar egter dat hij zig zoude submitteeren, aangezien zij onvermogent waaren om die schuld in cas te betaalen, daar op liet ik door de bramine, en den Tholk een onderhands Contract schrijven in het Ien tiefs, eerst in het hollandsch vervolgens in het portugees, uijt voorzigtigheijd dat er geen mid verstand of verkeerde uijtdrukking plaats soud hebben, deeze drie aan elkander geliaseerd heb ik de eere uwel Edele Gestr: aantebieden, onder N:o 8. tweede Hoofd-deel van den 3. februarij Dit alles zoo verre tot maturiteijt gebragt hebbe de moet ik mij andermaal refereeren aan het voorr omtrend

NL-HaNA_1.04.02_3974_0297 view scan ↗

English

concerning the displeasure of van Halm over that union, and what occurred regarding 3 February is described in great detail to Mr. Tadama, annexed here under No. 9, second section, as well as under No. 10 to Mr. van Halm on 3 February, demanding satisfaction against the Mazulipatnam merchants, and particularly regarding the insult done to me by his dubash Triwengalam, and that by violating the Company's territory with armed men to deprive the Company's merchants of their lawful rights, to incite them to riot, and to conspire in a revolt; but far from obtaining any satisfaction, the chief and the second joined with those mutineers and further fanned the flames to induce those people to depart collectively, so that this rumor would certainly cause me to be recalled, and van Halm would achieve his aim to continue as chief under the guardianship of his dubash Triwengalam. That Mr. van Halm incited those people to this end appears clearly from the question he posed to the kotwal Isredoly, and subsequently to the interpreter: have the merchants of Mazulipatnam not yet departed? Finally, they departed on 5 February in the evening at 5 o'clock to the house of Triwengalam at Kakinada, and from there to Chapara, after having first presented a most unfounded petition in Gentoo there to Messrs. van Halm and van Someren, however much my composure ought to have brought their minds to reason, to which I call Mr. Jan Obdam as a witness, and he is not unaware that the merchants requested that Mr. van Halm might continue as chief. I must once again refer to my voluminous letter to the Paleacatte Council of 6 February, No. 11, second section, as well as to a letter signed by van Halm and van Someren dated 5 February, No. 12, informing me of the departure of the merchants. Immediately thereupon I sent van Holt with a letter, to be seen under No. 13, second section, and a verbal message to the gentlemen to request a meeting or gathering on my behalf forthwith in the presence of Mr. Jan Obdam, in order to see through his composure and impartiality whether this far-reaching matter could not yet be resolved; but alas, the wind had caught their sails, and they wrote an impertinent note signed by both of them, dated 5 February, under No. 14, second section. Nevertheless, I set out on my way, whereupon at a short distance from the house I saw that the front gate was being closed. I appeal to the chiefs themselves, and above all to Mr. Obdam, as to how composed and patient I conducted myself in all these circumstances. On 10 February I wrote again to Mr. Tadama, to be seen under No. 15, with an original Gentoo petition submitted by the Jaggernaikpoeram merchants, one to Mr. Tadama and the other to me as the new chief, both of the same content, which translation I have the honor to offer to your Right Honorable and Stern Sir under letter D, second section; the original Gentoo can also be found with me. Around that time, and after the departure of the Mazulipatnam merchants, I still flattered myself that the Paleacatte Council would come to consideration and reason. Meanwhile I proposed, and indeed contracted privately with the Brahmin Ramaija, renter of Gollapalum and head of the Jaggernaikpoeram merchants, a man of most well-known credit, standing in good name and reputation and already of the fifth generation serving the Company blamelessly, presenting to him whether, if the Mazulipatnam merchants persisted in refusing to unite, he with the Jaggernaikpoeram faction would undertake to fulfill the full yearly demand of the Company. He eagerly answered yes, and immediately named several fine and well-to-do new sureties, among others the regent of Karppa. Yes, I said, that is all well and good, but there must be substantial profits for your people to have so readily agreed to participate in those great debts and arrears of the Mazulipatnam merchants. He did not deny this either when I concluded with him on the condition of dropping all the increases and percentages that had arisen since the war. After much arguing back and forth, this was concluded in the presence of my dubash. Minds were so agitated and the passions of Triwengalam were running so high that he publicly said: the new chief will hang or I will, and 10000 rupees lie ready for it; and he presumed to forbid each and every one from calling me the new chief, for upon the first Paleacatte letter he would be recalled. All these rumors are not unknown to Mr. Obdam, as well as to the clerk van Holt and Dirksz, but actually all of this was told to me by the Company's interpreter, as well as by Ramaija, who warned my servant thereof, who had already heard it from that old Brahmin who had been so violently locked up by that murderer, mentioned hereinbefore, whose name is Peddoe Bodle Pede Kistnaija; my servant had also heard it from a certain shroff whose name is Perom Rama Samie. This case requires some clarification, my

Dutch transcription

142 omtrend het misnoegen van van Halm over die A verEeniging, en wat voorgevallen is over den 3. februarij an zeer geExtendeert beschreeven aan de heer Iadama hier unnex onder N:o 9. tweede hoofd-deel, als ook onder N:o 10. aan de heer van Halm van den 3. februarij, verzoekende satisfactie tegens de Mazu„ lipatnamse kooplieden, en wel princepaal over de insulte mij aangedaan door zijn dubachie Tri„ wengalam, en dat wel met het violeeren van 'sComp:s territoir van met gewapend volk Compagnies koop„ lieden van hunne wettige rechten te onttrekken op te rotten, en tot een revolte samen te spannen, maar wel verre van eenige satisfactie te erlangen, zoo voegde zig het opperhoofd, en den secunde met die overoermakers, en blaasde het vuur verder aan om die lieden te permoveeren van gezamentlijk uijttewijken dat dit gerugt zeekerlijk veroorzaaken zou, dat ik opgeroepen zoude worden, en dat van Halm sijn oogmerk zoude bereijken, om als opper„ hoofd te contenueeren onder de voogdij van zijn da„ bachie Triwengelam, dat de heer van Halm die lieden daar toe opgerot heeft, blijkt klaarlijk uijt de vraag dien hij deede aan de kotterwal Is redolij, en vervolgens aan de tholk zijnde koopliedene van Mazulipatnam nog niet uijtgeweeken, eijnde„ lijke weeken dezelve uijt op den 5. februarij 's avonds om 5. uuren na het huijs van Triwingelan over 6 of kakinare, en van daar naar sjapara, na alvoo„ rens een aldaar ongefundeerste klagt schrift in het sentiefs hebben laaten presenteeren aan de heeren van Halm, en van sonieren hoe zeer mijne bedaartheijd hunne gemoederen tot in keer hadden dienen te brengen daar ik de heer Ian obdam tot getuijgen veroep, en dat hij niet onbewust is dat de kooplieden ver„ sogte dat de heer van Halm als opperhoofd mogt Con„ tinueeren ik moet, mij andermaal beroepen of mijne vollimunieuse brief aan den palleakatsen raad van den 6. februarij N:o 11. tweede hoofd-deel, als ook op een brief geteekend van Halm en van Someren dato den 5. februarij N:o 12. mij bekend makende de uijtweij„ king der kooplieden, illico daar op zoude ik van Holt met een brief te zien onder N:o 13. twee de hoofd deel, en een mondeling boodschap aan de heeren om of staande staande voet bij een komst of verga„ dering te verzoeken mijnent' weegen ten overstaan van de heer Ian obdam om door zijne bedaardheijd en onvaatijdigheijd te zien of deeze verre gaande zaak niet nog te beslussen was, maar Helaas, de moolen was door de wind bij hun lieden, en schreeven een empertinent briefje door hun beijde geteekend in dato den 5. februarij onder. N:o 14. tweede hoofd deel Evenwel begaf ik mij op weg, wanneer ik op een korte distantie van het huijs sag dat het voor hekke geslooten wierd; ik beroep mij op de opperhoofden zelfs 143 zelfs, en voor al op de heer obdam, hoe bedaart en lankmoedig ik mij gedroeg in alle deeze omstan„ digheeden. Op den 10: februarij Schreef ik weder aan de heer Iadama te zien, onder N:o 15. met een origineele Ien„ lief klagtschrift door den Iaggernaijk poeramse. kooplieden ingedient, een aan de heer Tadama, en de andere aan mij als nieuw opperhoofd beijde van den selfden inhoud, en welke translaat ik de eere hebben uwel Edele Gestr: aan te bieden onder L:d d: weede hoofdeel het origineele Ientiefse kan uwel Edele Gestrenge ook onder mij vinden; omtrend op die tijd, en na de uijtwijking der Mazulipatnams flateerde. ik mij nog dat den Palliacatsen raad tot overwee„ ging, en inkeer. zoude komen, intusschen proponeer„ den ik, en contracteerde werkelijk onderhands met de bramine Ramaija pagter van Gollapalum en hoofd der Iaggernaijkpoeramse kooplieden Een man van een aller bekende Credit als staande ter goeder naam en faam en reets het vijfde geslagt is, die de Comp:e onberespelijk bediend, houdende hem voor dat zoo de Mazulipatnamse persisteerden van zig niet te willen Consungeeren, of hij dan met de Iagger„ naijkpoeramsche vloeg aan nam om den vollen Eijsch der Compagnie Iaarlijks te voldoen, hij antwoorde greetig Ia„ en noemde direct of braave en wel gegoede nieuwe borgen onder anderen den regent van Karppa, Ia seijden 6: ik dat is alles goed, maar daar moeten importante winsten zijn dat uw lieden zoo goeetig toegestemd. hebben om meede te participeeren in die Groote schulden en ag„ verstallingen der Mazulipatnamse; Hij ontkenden dit ook niet wanneer dat ik met hem concludeerde onder die mits van alle de verhooging en per centos die 'er zedert den oorlog opgekomen waaren te laaten vallen, na veel over en weer geargumenteert te hebben wierd dit geconcludeerd ten overstaan van mijn dobache„ de gemoederen waaren zodanig aan het gisten en de driften van Triwengalam waaren zoo verre gaande dat hij publicq gezegd heeft het nieuw opperhoofd sal Bringen of ik, en daar leggen 10000 roppijen voor gereed, en onderstond zig van aan elk en een eigelijk te verbieden van mij te noemen het nieuwe opperhoofd, want op de eerste Palleacatse brief zal hij ovrgeroepen worden, alle deeze gerugten zijn de heer Vobdam niet onbekend, zoo wel als den scriba van Holt en Dirksz:, maar eijgentlijk is mij dat alles gesegd door de Comp:s Tholk, als ook door Ramaija die het zelve gewaarschouwt hebben aan mijn die„ naar, die het reets gehoord had door die oude bramine die zoo geweldig bij dien moordenaar opgeslooten geweest hier voor en gemeld zijn naam is Pedoe Bodle Pede kistnaaija, ook hadde het mijn dienaar ge„ hoort van een seeker saaaf, wiens naam is Perom Rama Samie, dit geval ver Eijscht eenige opheldering, mijn

NL-HaNA_1.04.02_3974_0301 view scan ↗

English

344 When my servant told me this, I cast it to the wind, saying that whoever said that must put it in writing, whereupon a Gentile note was delivered to me containing a warning that Triwengalam wants to give 10000. rupees to Mr. Tadama in order to summon the new chief. Certainly Mr. Tadama did not summon me to be present when he settled the accounts for the same; I therefore persist in my opinion that Mr. Tadama received 3000. pagodas, having proven here before that he could well have received 2500. pagodas. All this will appear more clearly in the following chapter; besides the illegal conduct toward me, when on 13. February to be seen under No. 16, as well as under No. 17. second chapter dated 20. February to Mr. Tadama for further pressing on all my previous written letters, when finally on 25. February a letter was read out to us from the Palleacatta Council to be seen under No. 18. second chapter, and dated Palleacatta 17. February, containing mainly that van Halm and the second-in-command would continue as chiefs, and to interdict van Bijland from interfering directly or indirectly with the affairs of that factory. Upon this unheard of, absurd, and unlawful course of action, I had a protest inserted into the protocol inserted at Iaggernaijkpoeram, and written in reply to the Palleacatta council dated 26. February, and to be found under No. 19. This letter, which is said to have caused so much noise and is considered seditious, I most humbly request Your Right Honorable to please inspect with particular attention, so that the contents thereof are nothing other than what has today been verified, and especially if Your Right Honorable would please observe that shortly thereafter the Company's sloop arrived to cover up and sugarcoat all the filth and trouble. Then, however, the fat was in the fire; the inhabitants were dejected and astonished, not knowing how, and in what manner, such a decision could have been taken, and especially because the Iaggernaijkpoeram merchants were criminally arrested from 25. February until 20. March, when the same were released from their criminal imprisonment under a pledge by the commissioners Schliephaken, and shortly thereafter kicked out of the Company's service. I have already cited that in cases of illness or otherwise, the father had to surrender himself as a prisoner for the son, and that the worthy and accredited Brahmin Ramaija, renter of Gollapalum and surety for some merchants, was taken prisoner as well, together with the canacaple 145 as well as the actual merchants, who on all occasions called out that they would pay the Company, but did not want to sign for what they did not owe, or to speak more clearly, that they did not want to put the customs duties of the chiefs onto the Company's account, and even did not want to pay the remainder of the customs duties, because they had been oppressed in order to favor the Mazulipatnam merchants all the better, who are indeed the pet children of the chiefs, as evidenced by their debts and impermissible interest credited to them on pretextual capital. Under No. 20. second chapter Your Right Honorable finds a very strong letter to Mr. van Halm, annexed with a note to the scribe van Holt to hand over that letter on 1. March and to keep a record thereof; immediately thereafter on the same date No. 21. a reply from van Halm was handed to me by van Holt, containing principally that if those 4. Company's peons are not enough to secure your person, I shall gladly add another 4., although I must note in passing that I never gave any occasion for any apprehension for your person, and thus I judge that you will do best to discharge the foreign armed peons. NB: NB: these armed peons were 10. Datcheram Moors who are no more armed than other peons, except that they carry a shield; I had wanted to take these people into my service for my security, and upon the advice of many faithful inhabitants, stating that all peons and other minor servants of the Company were creatures of Triwengalam, who as chief dubash was to grant no other persons access to his Master than those whom he sees fit; this is a very simple matter, partly because they were not yet actually in my service, but were quietly sitting and eating, when Triwengalam was ordered to come over with his troops, which all together with the crowd consisted of more than 150. persons, surrounded my 10. peons, telling them to leave the place immediately, or else he would take them prisoner and remove them from the territory; hearing this, I let those people know to just keep quiet, that I had not yet hired them, and therefore dismissed them; thereupon they were brought for interrogation before van Halm, who took nearly all of them into service; on this matter I call to witness in particular Mr. Obdam, and in general the whole of Iaggernaijkpoeram. Finally and ultimately I have advanced this far

Dutch transcription

344 mijn dienaar dit mij vertellende, sloeg ik het selve in de wiend, seggende die dat gesegt heeft moeten het schriftelijk geeven, waar op dan mij een Ientiefs briefje besorgd wierd, inhoudende een waarschuw dat Triwenge„ lam 10000. ropijen wil geeven aan de heer Tadama om het nieuw opperhoofd op te roepen. seekerlijk heeft den heer Iadama mij daar niet bij geroepen wanneer hij dezelve verreekend heeft, persisteere derhalven bij mij gevoelen dat de heer Iadama 3000. pagoeten ontfangen heeft, hier vooren beweezen ook wel 2500. pagoden ontfangen kan. dit alles zal na„ der blijken in het volgende Hoofd-deel; behalve. het ilegale gedrag omtrend mij, wanneer ik op den 13. februarij te zien onder N:o 16. , als ook onder N:o 17. tweede Hoofd deel dato 20. februarij aan de heer Tadama tot nader aandrang op alle mijne voorige geschreevene brieven wanneer eyndelijk wij op den 25. februarij een brief voorgeleezen wierd van den Palleacattase Raad te zien onder N:o 18. tweede hoofddeel, en gedateerd Palleacatta den 17. februarij hoofd zakelijk inhoudende dat van Halm en den secunde als opperhoofden soude blijven conti„ nueeren, en om aan van Bijland te interdiceeren van zig direct nog indirect met de zaaken van dat Cantoor te ormoeijen Op deeze ongehoorde ongereijmde, en onwettige handelwijze, heb ik een pratest in 't protocol laaten insereeren insereeren op Iaggernaijkpperram, en in antwoord ge„ schreeven aan den palliacatsen raad in dato den 26. februarij, en te vinden onder N:o 19. deeze brief die zoo als men zegt zoo veel gerugt gemaakt te hebben, en als oproerig gereekend word, verzoeken nedrigst dat uwel Edele Gestr: deeze met een sonderlinge attentie gelift in te zien dat den inhoud derzelve niet anders is dan wat heeden bewaarheyd is, en wel voornamentlijk als uwel Edele Gestrenge gelieft ovr temerken, dat kort daar na Comp:s Chialoup gekomen is om alle vuijle en gemoat te bedekken, en te verbloemen. Maar toen was het hekke van den dam, de ingezetenen waaren verslaagen en verbaast, niet wee„ tende hoe, en of wat wijze zoo een diergelijke besluijt had konnen genoomen worden, en wel principaal om dat de Iagoernaijkpoeramsche kooplieden Cri„ „ mineel gearresteerd wierden van den 25. februarij tot den 20. Maart, wanneer dezelve door de gecom„ mitteerde schliephaken onder hand tasting uijt hun Crimineel. gevangenschap ontslagen en kort daar na uijt Comp:s dienst geschopt zijn. Ik heb reets aangehaald dat bij zeektens als anderzints de vader voor den zoon zig gevangen moest stellen, en dat den braaven 2 en den gecrediteerden bramine Ramaija pagter van Gollapalum en borge van sommige kooplieden zoo wel gevangen genoomen wierd, benevens de kanne„ kappel 145 kappel als de wezentlijke kooplieden, die bij alle ge„ legendheeden uijtriepen dat zij de Compagnie betaalen soude, maar niet wilden teekenen voor het geene zij niet schuldig waaren, dan wel om klaarder te spree„ ken dat zij de Costumados van de opperhoofden niet op Comp:s reekening wilde zetten, en ook zelfs het overschot der Costumados niet wilde betaalen, om dat zij lieden onderdrukt waaren geworden om de Mazulippatnamsche kooplieden des te beeter. te favoriseeren, die tog de troetel kinderen zijn der opperhoofden, blijkens hunne schulden, en ongepermit„ teerde intressen die hun op gepretexteerde capitaalen te goed gedaan worden. Onder n:o 20. tweede hoofd-deel vind uwel Edele. Gestr: een zeer sterke brief aan de heer van Halm geannexeerd met een billetje aan den scriba van Holt om die brief te overhandigen op den 1. maart, en aan„ tekening daar van te houden, illico daar op van desselfs datum N:o 21. wierd mij door van Holt in antwoord van van Halm ter hand gesteld, inhouden„ de hoofdzakelijk dat als die 4. Comp:s pions niet genoeg zijn tot secureering van uw per soon zoo zal ik met vermaak nog 4. daar bij geeven, hoewel ik dit in passant moet noteeren geen gelegendheijd ooijt gegeeven te hebben tot eenige bedugting voor uw perzoon en dus oordeel ik dat uw best zal doen van de vreemde gewappende pions te Consedieeren N3: NB: deeze gewappende pions waaren 10. Datcheramse Mh ren die niet meer der gewaspend zijn als andere pions uijtgenoomen dat ze een schild dragen, die lieden hadi in mijn dienst willen neemen tot mijn securiteijt, en op aanraading van veele trouwe ingezetenen, geevende voor dat alle pions en, verdere mindere bediendens van de Compagnie Creaturen waaren van Triwengalam, d als groot dobachii geen andere menschen toegang moest vergunnen bij zijnen Heer als die geene die hij goedvind; dit is een zeer een voudige zaak, een sdeel om dat zij nog niet reele in mijn dienst waaren, maar rustig saten te eeten, wanneer Triwengelam geordonneerd wierd van met zijne troupen over te ko„ men, dat alles te zamen met den toeloop meerder als uijt 150. persoonen bestond, om zingelde mijne 10. pions, zeggende hun van de plaats illico te ver„ laaten, dan wel hun lieden gevangen zou neemen, en van het territoia brengen; dit hoorende liet ik die menschen weeten van zig maar stil te houden dat ik hun nog niet aangenoomen had, en dierhal„ ven haarlieden ontslag, daar op wierden zij in ver„ hoor gebragt bij van Halm, die dezelve meest alle in dienst nam, hier op roep ik tot getuijgen parti„ culier den hier obdam, en in 't generaal geheel Iaggernaijkpoeram. -. Eijndelijk en den laatsten ben ik tot zoo verre gevor„ derts

NL-HaNA_1.04.02_3974_0305 view scan ↗

English

than that I could bring to the attention of Your Honorable Right Esteemed, under No. 22, second section, dated 2 March, a private letter to Mr. Tadama. A letter which demands all the more attention because on account of it I was criminally taken prisoner, as will appear in the following section, because of these remarkable words: from this moment I can withdraw from myself all obedience and respect that I otherwise owe to a Governor, but now I declare plainly that I feel neither esteem nor regard for you any longer, for for whom do you sacrifice me, a man like me of name, honor, reputation, and family, and that against a black Triwengelam, who through the excesses he committed deserved the gallows rather than any protection. Can Your Honor call yourself an honest man, and allow yourself to be so seduced, and that for 10,000 rupees. Here it should be noted the little word "I can withdraw" etc. etc. Not being able to, and doing, is a very great distinction which was not observed by Mr. Tadama in his barbarous persecution, for I say I can do evil, but I do good. And then at the close of that same letter it states: Your Honor can be assured that as long as the matter takes no other turn, neither you nor the Council will be troubled by me any more, holding you all to be corrupt, absurd, unworthy to manage the Company's interests. This was written on the 2 March, and today the 6 December I desire not to retract a single word of it, and call Your Honorable Right Esteemed to witness how this unfortunate Coromandel has been governed, directed, and ruled under Mr. Tadama. Is there a single branch to be named in which the greatest corruption and malversation does not shine through? But besides all this, this was a private letter, upon which Mr. Tadama in private could have demanded satisfaction or further proof without seeking to be his own judge or inciting the Council to execute the private interests, hatred, and envy of Mr. Tadama through the Council upon me. May I ask: is that entire Council then so ignorant as not to know that there is no tribunal or court of justice, or whatever authority it may be called, which, as soon as it considers itself insulted, becomes the party of the aggressor; whether it has functioned well or poorly is quite the same, it can no longer be its own judge, and in that capacity it has no further right, and must have no greater and more extensive privileges than a private person, from which it then appears that Mr. Tadama and the Council were not at all authorized to do anything beyond suspending the informant, and handing the matter over to another or higher authority for investigation and satisfaction. This sounds different from taking someone criminally prisoner without proof, without sentence, yes, even without a hearing. Who gave the Political Council that power, and that in the presence of a Fiscal and of a President of Justice, who both sit in the Political Council to be vigilant that civil matters are not mixed with judicial ones? But why should I elaborate further? It is evident enough that hatred, envy, and passion animated them to such an extent that they knew neither limits nor bounds in persecuting me, saying among themselves: what do we have to fear, he sits without access and hears, sees, nor knows what is going on, and thus we will bring him over most unexpectedly with the Company's sloop, and subsequently ship him directly via the ship Horsen to Batavia. He has neither papers nor proofs, what will he do, and if we do not do so with him, we are truly all unfortunate and ruined. Finally on the 7 or 8 March, a letter from the Paleacatte Council of 27 February was read to me by the scribe Van Holt, as can be seen under No. 23, second section, mainly containing that they had decreed a commission for the settlement of the discrepancies that had arisen between Your Honors, and for the investigation of the reciprocal accusations, in order to prevent any further estrangement from arising among you. The acting chiefs will retain the management of affairs and the authority until the arrival of the commission. I requested a copy and answered: after the calf is drowned, the well is filled, for please note that in the meantime, since 25 February, the Company's sloop had arrived with silver and coveted goods; the fled merchants had also been brought back inside with all honor and state, and the new contract concluded, and money and goods delivered, and in place of the imprisoned Jagannathpur merchants two new ones were appointed, both creatures and of the family of Triwengelam, who then merely bore the name, and Triwengelam in reality was also the supplier of the white linens, from which it appears that they now actually formed only one faction, with the rejection and cast-off of the Jagannathpur merchants. Even so with this defect, that they would not, according to my proposal, stand surety the one for the other, and form only one account. What has been the outcome of all this, other than that those two new merchants are currently absent or bankrupt, and that the collective merchants over

Dutch transcription

146 dert als dat ik onder het oog van uwelEdele Gestr: kon brengen onder N:o 22. tweede Hoofd-deel in dato 2. Maart, een particuliere brief aan de heer Tacama Een brief die deste meer attentie verEijscht om dat ik op de zelve Crimineel gevangen ben genomen, zoo als in het volgende Hoofdeel. blijken zal, om deeze remaa„ quabel woorden: van dit oogenblik kan ik mij ont„ trekken alle gehoorzaamheijd, en respect die ik an„ ders een gouverneur schuldig ben, maar nu declareere. ik volmondig van nog agting nog Estime meerder voor= uw te gevoelen, want voor wie sacrifieert uw mij een man als ik van naam, eer, reputatie en fanulie, en dat tegens een swarte Triwengelam, die door zijne begaane Excessen eerder de galg verdiend had als eenige protextie kan uwelEdele zig een eerlijk man noemen, en zig zoo laaten verleijen, en dat voor 10'000 ropijen. Hier dient opgemerkt te worden het woordje ik kan mij onttrek ken &: &:a niet kunnen, en doen is een zeer groot onderscheijd die door de haer Tadama in zijne bar„ barische vervolging niet in agt genomen word, want ik seg ik kan kwaad doen, maar ik doe goet. En dan tot slot van die selfde brieff staat uwel Edele kan versekert zijn, dat zoo lange de zaak geen andere keer neemt nog uw nog den Raad meerder van mij zal: geimportuneerd worden, houdende uw alle voor gecorrumpeerd absurd, niet waardig Compagnies be„ langens te beheeren. dit Dit is geschreeven of den 2. Maart, en heeden den 6. december begeere ik daar geen woord van te retracteeren en roepen uwelEdele Gestr: tot getuijgen hoe dit ongelukkig Cormandel beheerst, bestierd en geregeerd is geworden on„ der de heer Iadama, is er wel een tak op te noemen daar niet de grootste Corruptie en malversatie in doorstraalt, maar behalven dit alles zoo was dit een particuliere brief, daar de heer Tadama in 't particulier satisfactie of nader bewijs op had kunnen eijsschen zonder te zoeken van zijn eijge regter te zijn of den raad op te hetzen om de particuliere belan„ gens, haad, en neijd van de heer Tadama door den Raad te doen wareken of mij Mag ik. vraagen is dien geheele Raad dan zoo igne rant van niet te weeten dat 'er geen tribunaal af geregts hof, of wat voor een gebied het ook genoemd mag worden die zoo dra zij zig geinsulteerd houd word zij parthij van den agresseur wel of qualijk gefuncteert is zeer om het eeven, zij kan haar eijgen rechter niet meer zijn en, in dat affect heeft zij niet meerder recht, en moet geen grootere, en meerdere previlegien hebben als een particulier waar uijt dan blijkt dat de Heer Iadama en den raad in 't geheel niet verder begeregtigt was, als den berigt geever te suspendeeren, en de zaak aan een ander of hooger. gebied ter onderzoek en satisfactie over te geeven, dit luijd anders, als van iemand 147 iemand Crimineel gevangen te neemen zonder bewijs, zonder sententie, Ia zelfs zonder gehoor, wie heeft den politicquen Raad die magt gegeeven, en dat ten overstaan van een Fiscaal, end van een president van Iustitie die beijde in den politicquen raad zitten om waakzaam te zijn dat het civele met het Ius„ titieel niet vermengd word. -- Maar waarom zoude ik mij breeder uijtlaaten het blijk genoeg dat de haat, neijd, en dreft hunlieden zoo verre bezielde, dat zij nog paal nog perken en kende om mij te vervolgen, zeggende onder elkande„ ren wat hebben wij te vreesen, hij zixt zonder acces en hoort, ziet nog en weet niet water om gaat, en zoo zullen wij hem of het alder onverwagtst met Comp:s sloef doen overkomen, en scheepen hem ver„ volgens direct over het schip Horsen na Bata„ via, hij heeft nog papieren nog bewijzen, wat zal hij doen, en als wij met hem zoo niet en doen, zoo zijn wij voorwaar alle ongeluckig en geruineerd. Eijndelijk op den 7. of 8 maart wierd mij door den scriba van Holt voorgeleezen een brief van den Pal„ leacatsen Raad van den 27. februarij als te zien onder N:o 23. tweede. Hoofd-deel: Hoofd-zaakelijk inhoudende dat zij een commissie gedecerneert hadden ter afdoe„ ning van de tusschen uE: gereesene discrepantien, en ter onderzoek der reciproque accusatien, ten eijnde te te prevenieeren dat ern verdere verwijdering onder ub ontstaan-. de fungeerende opperhoofden zullen de maneance va zaaken, en het gezag blijven behouden tot de arrive van de Commissie Ik verzogt Coppij en antwoord, na dat het half ver dronken is word de put gestempt, want geliefde, op te me„ ken, dat in die tusschen tijd zeedert den 25. februarij Comp:s sloep gearriveerd was met zilver, en gewilde whaaren; ook whaaren de uijtgewekene kooplieden met alle eer en statie weder binnen gehaald, en het nieuwe Contract geslooten, en geld en goederen afgegee ven, en in plaats van de gevangene Iaggernaijk p:r kooplieden wierd en twee nieuwe aangesteld beijde Cra turen, en van de familie van Triwengelam, die dan de naam maar droegen, en Triwengelam reeel ook den Leverancier was der witte lywaaten, waar ni blijkt dat zij werkelijk nu maar eene vrloeg uijt„ maakte, met verstootinge en verwerping der Iagge naijkpoeramse, Even wel met dit defect dat zij niet volgens mijne prapositie borg zoude zijn den een voorden ander, en maar eene reekening for„ meeren. Wat is den uijtkomst van dit alles geweest, als dat die twee nieuwe kooplieden thans absent of bankaroet zijn, en dat de gezamentlijke koopliede over

NL-HaNA_1.04.02_3974_0309 view scan ↗

English

148 today owe well over 16000 pagodas, without any means to pay them off, please consider with me that van Halm still had to be favored with that last tender, and with the appointment of 2 new merchants, certainly to obtain from it the outstanding tostumados for Mr. Tadama as well as Mr. van Halm. At that time, the Ravallet was also favored for the good counsel and assistance that he, the Ravallet, had inspired in the chiefs in order, as they thought, to work my ruin, whereas on the contrary they have brought all Coromandel into turmoil, and to the greatest injury of the Company. He, the Ravallet, had repeatedly requested to be allowed to receive the arrears from the Company. Before my departure, Mr. Tadama ordered me not to pay him anything other than with nails from the warehouses, and by no means with copper, as he desired. Nevertheless, I heard that before the arrival of the Commission he was paid with copper; also something else that is remarkable, and which ought to be investigated on the spot itself, namely: that during the supply very serious disputes occurred among the Mazulipatnam merchants, saying to Triwengelam, we did indeed order you to give a substantial present to Mr. Tadama, but 10000 rupees is far too much; we thought we would receive so much on the new demand, and now we have only received so much; upon the arrival of the interpreter, that will become further apparent. Finally, having proceeded to the extract from the secret resolution taken in the Council of Coromandel on 12 March 1790, wherein my letter of 26 February to the Honorable Council is cited as the main matter, together with the protest against what was resolved by the Council on 17 February, I continue to refer to all that was mentioned previously. Concerning that point, I pass over their injurious expressions, since it is evident that it is as calumnious as it is mendacious; subsequently, the Council falls upon a private letter to Mr. Tadama of 2 March, mainly regarding being able to withdraw oneself from that moment, etc. To be able to withdraw oneself, or actually withdrawing oneself, is of a very different nature, and was wrongly construed by this Council, for it is as if I said: I can do evil, but I do good, as it has been proven that I have not withdrawn myself from obedience, but have steadfastly persevered in zealously pursuing the Company's interests, the arrest and prosecution of the Company's unfaithful servants. For the rest, I refer to what I have already 149 mentioned about it here before, and especially that I maintain, as is cited in this extract, that I consider the Council corrupt, absurd, not worthy to manage the Company's interests. To this I attach my seal once more, and I can add to it, but not detract from it. Directly following this is the proof of one of their absurdities, as if I would have wanted to overrun Jaggernaijkpoeram with 10 or 12 Batcheram peons, while the mighty and great dubash of van Halm had more than 80 from that Telugu village in his service; no, the inhabitants were not afraid of me, but I made the evildoers shudder and tremble, and they still tremble before the righteous judgment of Their High Nobilities against them, who will even in good conscience have to say, away with these unfaithful, corrupt servants, not worthy to manage the Company's interests. Yes, trembling and not before armed people, but with the truth to discover how far the malversations went, in the hope of a speedy and efficacious redress. Where is it evident that the Mazulipatnam merchants were supposedly forced by violence to sign a contract of union? How absurd again; those merchants refused to come to me, how then can I exercise violence on absent, armed merchants stirred up by the chiefs to that departure to Sjapara; also that I supposedly flouted the resolution of the 17th, which was only delivered into my hands on 25 February, by having meddled in the affairs of that office, must I not ask where that is evident from, since all the Jaggernaijkpoeram merchants were already imprisoned on 25 February, likewise completely outside the hook. Directly following this is a resolution to arrest van Bijland at Jaggernaijkpoeram, to deny him access to all sorts of people, except one or two slaves to attend to him; regarding this arrest, it will be spoken of in more detail during the arrest itself; and it subsequently proceeds to two matters that are no less remarkable: firstly, the boatswain Michiel Kind, a faithful Company servant who has now served it for 40 years; he fished up an anchor of well over 3000 lb shortly before the war with the English; according to custom, he requested the stipulated reward and his expenses in order to then have the anchor entered into the books; this was neglected, and upon the surrender to the English he declared that it was his anchor; the English also allowed him to keep it; again, after the restoration of the place, he requested the reward, but no, the anchor was

Dutch transcription

148 op heeden ruijm 16000. pagoden schuldig zijn, zonder, eenig vermogen om die afteleggen, geliefft nog met mij in te zien dat van Halm nog moeste gefavori„ seerd worden met die laatste aanbesteeding, en met het aanstellen van 2. nieuwe kooplieden zeekerlijk om daar uijt te vinden de agterstallige tostumados zoo voor de heer Iadama als de heer van Halm Ook wierd op die tijd de Aavallet begunstigd voor voor de goede Raad en bijstand, die hij de ravallet aan de opperhoofden ingeboesemt had om zoo als zij dach„ „ten mij verderf te bewerken, daar te in tegendeel. heel Cormandel in ofroer. gebragt hebben, en tot de grootste schaade voor de Compagnie Hij de Ravallet had bij herhaaling versogt om de ag„ terstallige bij de Compagnie te mogen ontfangen—. Voor mijn vertrek ordonneerde mij de heer Tada„ ma van hem niet te betaalen, als met Nagulen uijt de pakhuijsen, en geensints met kooper, zoo als hij begeerde., Evenwel hoorde ik dat hij voor de komst der Commissie met koper betaald is; ook nog iets dat of merkzaam is, en dat op de plaats zelfs diende onderzogt te worden, namentlijk: dat bij de verstrekking zeer swaare disputen zijn voor„ gevallen onder de Mazulipatnamse kooplieden, zeggende aan Triwengelam wij hebben uw wel gelast van een aanzienlijk present te doen aan de. 9 de heer Tadama, maar 10000. rappijen is al te veel wij dagten of den nieuwen Eijsch zoo veel te ont„ vangen en nu hebben wij maar zoo veel gekreegen bij de komst van de Tholk zal dat nog nader blijken Eijndelijk gevordert zijnde tot het Extract uijt het secreete resolutie genomen in Raade van Cor„ mandel oper den 12. maart 1790. , waar bij hoofd zaa„ kelijk aangehaald word mijn brief van den 26. feb: aan den agtb: raad, mitsgaders protest tegens het beslotene van den Raad op den 17:e februarij ik blijf mij refereeren aan alle het voorige gemelde, Con„ serneerende dat poinct, passeer ik haare inJurieu„ se Expressien, vermits het blijkt dat het zoo Calumneus als leugenagtig is, vervolgens valt den Raad op een particulier brief aan de heer Iadama van den 2. Maart hoofdzaakelijk zig van dat oogenblik te kunnen onttrekken W: &:, te kunnen onttrekkene of zig werkelijk te onttrekken, is van een zeer onderscheijdene natuur, en door deezen Raad verkeerdelijk opgenoomen, want het is als of ik zeijde Ik kan quaat doen, maar ik doe goed zoo als gebleeken is, dat ik mij geene gehoorsaam„ heijd onttrokken heb, maar standvastig volhard in het na ijveren van Comp:s belangens den Apeijt en vervolging van Comp:s ontrouwe dienaar, overi„ gens refereere ik mij aan het geene ik reets hier 149 hier vooren daar over gemeld heb, en voor al dat ik sustineere zoo als in dit Extract aangehaald is, dat ik den Raad voor gecorrumpeerd, absuad niet waardig Comp:s belangens te beheeren, Hier hange ik andermaal mijn zegel aan, en kan daar wel bij maar niet afdoen, hier op volgd direct het bewijs van een hunner absurditeiten, als of ik Iaggernaijkpoeram soude hebben willen aflooppen, met 10. of 12. batcheramse. pions, terwijl den machtigen en grooten dobachi van van Halm meer als 80. van dat Telfoe-dorf in zijn dienst had, neen de ingezetenen zijn niet bevreest geweest voor mij, maar de boosdoenders heb ik doen zidderen en beeven, en zij breven nog voor de rechtvaardige uijt„ spraak van Hun Hoog Edelheedens tegens hun, die zelfs in gemoeden zullen moeten zeggen, weg met dee„ ze ontrouwe gecorrumpeerde dienaaren, niet waardig Comp:s belangens te beheeren. Ia brevende en niet voor gewapend volk, maar met de waarheijd k ontdekken hoe verre de malversatie gongen, in hoop van een spoedig en efficacieus redres. Waar blijkt het dat de Mazulipatnams Marchain„ deus met geweld zoude gedwongen zijn geworden om een contract van verEeniging te tekenen, hoe onge reijmd alwederom die kooplieden hebbe geweijgert om bij mij te komen, hoe kan ik dan geweld oeffenen of absenti gewapende kooplieden opgekist door de opperhoofden 10 opperhoofden tot die uijtwijking na sjapara, ook dat ik soude gefelipendeerd hebben het besluijt van den 17. dat mij op den 25. februarij eerst ter hand gesteld is, met mij met de zaaken van dat Comptoir bemoeijt te hebben, moet ik niet vraagen waar blijkt dat uijt vermits alle de Iaggernuijkpoeramsche kooplieden van den 25. februarij reets gevangen saten, ook wedero geheel buijten den Haak Hier op volgt direct een besluijt om van Bijland op Iaggernaijk poeram te arresteeren, hem den toegang van allerleij zoort van menschen te beletten, uijtge„ nomen Een â twee slaaven tot zijn oppassing, over dit arrest zal bij de arresteering zelfs nader gesproo¬ kon worden, en gaat vervolgens over tot twee zaaken, die niet minder aanmerkelijk zijn, Eerstelijk den bootsman Michiel kind een trouwe Comp:e dienaar die dezelve gedient heeft nu 40. Iaaren lang, hij viste een anker of van ruijm 3000. lb: kort voor den oorlog met de Engelschen, volgens gebruijk versogt hij de bepaalde belooning, en zijn onkosten, om dan het anker bij de boeken te laaten innee men, dit wierd verslofd, en bij het overgeeven aan de Engelschen declareerden hij dat het zijn an„ kers was, ook lieten hem de Engelschen het zelve houden, weder om na de herstelling der plaats versogt hij de belooning, maar neen het anker wierd

NL-HaNA_1.04.02_3974_0313 view scan ↗

English

was taken from him, and currently lies close to the river by the house of van Someren, who has already made several attempts to sell it, instead of entering it into the books, as van Halm and de Navallet ought to have done upon taking over the station in 1785. The second case is of the utmost importance, and cannot be regarded with indifference by Your Right Honourable. Directly after the great flood, the late interpreter wrote an account of that event, of which Mr. Blaaukamer sent me a copy, and which copy has become very common and will certainly still be found here; it does not appear from it that the Company warehouses suffered so much. This entire matter requires a great deal of circumspection, since it is proven that as soon as they are Company goods, each and every one believes they have a right to steal and plunder them, and on that account form a plot that is very secret, because they all have a share and part in it. Yet there is no child on the street but will testify that they acted infamously on the occasion of the flood. All those goods, or most of them, that were suited for Europe were dispatched with Captain Godefroid. It is difficult to prove all this, unless one granted a general pardon to the subordinate servants who, following the chiefs, were guilty of it; among others, and especially those two commissioners who took the inventory, namely Mr. Ian obdam, sworn clerk, and de bruijn, private clerk to the two chiefs. These ought to be put on oath if they are reluctant to make an open, faithful confession. Other servants as well, among others one who confessed to having also enriched himself with a bundle, when van Halm was shameless enough to ask him for it, to which he answered him: keep your ninety-nine sheep, and do not trouble yourself with this one lost sheep. The chiefs' description regarding this to this main office sheds more light than all that I can write, among other things the item of the Japanese bar copper, the drifting of the anchors, and other such ridiculous pretences. On this matter, the interpreter and the Chief Peon Paspetil Appaija can be consulted; this latter was employed as a confidant during the shipment, but principally the sworn clerk ought to be questioned on board here as a public person who also acts as a notary, makes wills, must keep the protocol pure, in a word, a man whose signature must be sacred. What more can I prove of this? If all matters had been investigated in Jaggernaijkpoeram itself according to law and equity, more could have been proved in an hour than here in Palleacatta with all the voluminous papers, which on the part of my enemies can be considered nothing other than trumped-up suits, as if my dirt could wash them clean, which will appear more clearly in the sequel. Here I must ask another question, which I request Your Right Honourable most seriously to consider: that on 3 March Mr. Ian Obdam departed from Jaggernaijkpoeram by the overland route. How I begged and pleaded with him to declare this whole matter according to the upright truth to Mr. Taelama, as a friend as well as an attorney. Moreover, the Regent of Carpa, where Mr. Obdam called in passing, requested him, indeed pleaded with him, to stand up for his family, seeing that Ramaija was still imprisoned at that time, and that he considered neither money nor goods, if only one could obtain law and justice, while his family was disgraced and discredited, and had thereby lost all respect among the natives. Concerning this, Mr. Obdam ought to submit a written account, whether his honest confession and knowledge might not perhaps calm the tempers, under which so many families now groan and will languish if they receive punishments according to their deserts. And I believe I may fully suffice with this regarding the extract of the secret missives from Coromandel to the High Government dated 26 March. And I proceed subsequently to the third main section. While I have the honour to call myself with the deepest respect, beneath was written: Right Honourable Sir, Your Right Honourable's obedient servant, was signed: W: H: G: van Bijland, in the margin: Fort Geldria the 36. December 1790, lower down: PS: please accept my humblest apologies, as owing to the shortness of time and not having sufficient help with the clerical work, I have been obliged to have the correspondence follow the numbers as they had already been prepared for Their High Mightinesses at the time when the papers were wrested from me and my clerk. However, with a little attention, the numbers are all very easy to find. I hope that Your Right Honourable will not consider this as negligence, but acknowledge the above-mentioned reasons for the truth, the more so because they were mostly all written by my then private clerk, currently still at Jaggernaijkpoeram. Agrees. A: V: Kasz Sec:

Dutch transcription

150 wierd hem afgenomen, en legt thans kort bij de re„ vier aan het huijs van van Someren, die reets verscheijde tentativen gedaan geeft om het zelve te verkoopen, in plaats van het bij de boeken in„ te neemen, zoo als van Halm, en de Navallet had moeten doen bij de overneemen van de plaats in 1785. Het tweede geval is van het uijtterste belang, en kan door uwel Edele Gestrenge niet onverschillig op„ genomen werden direct na de groote water vloed schreef den over„ leeden Tholk een Relaas van die gebeurtenis, waar van de heer Blaaukamer mij Copij sond, en welke copij zeer algemeen geworden is en zal zekerlijk hier nog west te vinden zijn, daar blijkt niet uijt dat de sComp:s pakhuijzen zoo veel geleeden heb„ ben, deeze geheele zaak vereijscht zeer veel cir„ compectie, vermits dat het beweesen is, dat zoo dra het Comp:s goederen zijn, elk en een iegelijk regt meent te hebben om die te steelen en te roo„ ven en uijt dien hoofde een Complot formeeren dat zeer geheijm is, om dat zij alle portie en deel daar aan hebben Edog is er geen kind op straat, of die zal getuijgen, dat men infaam te werk is gegaan bij die gelegendheijd van de watervloed, alle die goederen of de meeste die geschikt waaren voor voor Europa zijn afgezonden met de Capitain Gode„ froid dit is moeijelijk alles te bewijzen, ten waare men een generaal pardon verleende aan de min„ deren dienaaren, die zig in navolging der opperhoof den daar aan hebben schuldig gemaakt, onder anderen, en voornametlijk die twee gecommitteer„ dens die den opneem gedaan hebben, als de heer Ian obdam gesu: scriba, en de bruijn particulier schrijver der twee opperhoofden, deeze dienden op den Eed gevergd te worden wanneer zij weijgerag„ tig zijt van een openbaare trouwe Confessie te doen, andere dienaaren meer onder anderen een dewelke be„ kende van zig ook verrijkt te hebben met een pak, wanneer van Halm onbeschaamt genoeg was van hem dat aftevraagen, wanneer hij hem tot antwoord gaf, bewaart uw negen en negentig schaappen, en bekommert uw niet met dit eene verloore schaap, de beschrijving dien aangaande der opperhoofden aan dit hoofd Cantoor geeft meerder ligt, als al wat ik schrijven kan, onder ander het articul van het Iapans staafkoper, het drijven der ankers, en meer deze andere rediculeeren voorgeeven hier of kan nageslagen worden den Tholk, en de Hoofd-pion Paspetil Appaija deeze laaste is als een vertrouweling bij der afscheep gebruijkd, maar wel principaal doend den geswooren Scriba. hier op scheep 6 ondervraagd. „ 151 ondervraagd worden, als een publick persoon, die teffens als notaris ageerd, testamenten maakt, het protocol suijver moet houden met een woord een man, wiens handteekening heijlig moet zijn Wat kan ik hier meerder van bewijzen, wanneer na regt en bellijkheijd alle de zaaken op Iagger„ naijkpoeram zelfs waaren onderzogt, zoo zouden 1 in een uur meerder beweezen konnen worden als hier op palleacatta met alle de folumineuse papieren, die aan de kant van mijne vijanden niet anders kunnen geconsidereerd worden, als opgeraapt actien, als of mijn vuijl hun schoon konde wassen, 't welk nog nader blijken zal in 't vervolg. Hier moet ik nog een vraag doen, die ik versoekt dat uwel Ed:e Gestr: aller serieust geliefd in te zien dat op den 3. maart de heer Ian Obdam van Iagger„ naijkpoeram over den landweg vertrokken is, hoe heb ik hem niet gebeeden en gesmeekt van deeze geheele zaak na de opregte, waarheijd te willen declareeren aan de heer Taelama zoo wel als vriend, ook wel als volmagt. Sweedens de regent van Carpa daar de heer obdam aangeweest is in pas„ sant heeft hem verzogt, Ia ook gesmeekt van voor zijn familie te willen ovkoomen, aangezien Ramaija toen nog gevangen zat, dat hij nog geld, nog goed, en Considereerde, als men maar regt en „ en gerechtigheijd kon erlangen, terwijl zijn familie onteerd en gediscreteerd was, en alle aanzien daar door bij den inlander verlooren had: Heer over diende de heer Obdam een schriftelijk verantwoording in te dienen, of niet somwijlen door sijn opregte beleijdens en kundigheijd de ge„ moederen niet tot bedaaren konde brengen, daar nu zoo veele familiens onder zuchten, en kwijnen zullen als zij straffens na merites zullen ontfangen En meene hier meede voll te kunnen volstaan omtrend het Extract der secree„ te missiven van Cormandel aan de Hooge. Reegering in dato den 26. maart. En qa. vervolgens tot het derde hoofd-deel over Terwijl ik de eeren heb mij met diepst respect te noemen /:onderstond:/ wel Edele Gestrenge Heer uwel Edele Gestr: Gehoorzame dienaar /:was getekend/ W: H: G: van Bijland /:in margine:/ Fort Geldria den 36. december 1790. /:lager:/ PS: gelieft mijn nedrigst excuus te accepteeren aangezien de kort„ heijd des tijds, en geene genoegzame hulp in 't schrijf: werk heb, zoo ben ik verplogt geweest van de Cor„ respondentie der nummeres te doen volgen, zoo als zij reeds in gereedheijd gebragt waaren voor Hun Hoog Edelheeden, ten tijde toen mij, en mij schrijver de papieren ontweldigt zijn, egter 152 egter met een weijnig oplettenheijd soo sijn de num„ meas alle seer gemakkelijk te vinden, hoope dat uwel Edele Gestr: dit niet zult gelieven te Con„ sidereeren als onagtzaam, maar de bovengem: reedens voor de waarheijd te willen erkennen, te meer. dat se meest alle geschreeven zijn door mijnen toenmaligen particulieren schrijver thans nog of Iaggernaijk poeram. —. Accordeert. A: V: Kasz Sec:

← previousnext →