Inventory 3974
Coromandel / Bengal · 1,128 pages · 216 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
153 Concerning what occurred after the flood, I shall be obliged to Your Right Honourable to have these further points of inquiry investigated; my misfortune is that a matter of such weight is not investigated in my presence on the spot itself, but my trust is that nothing remains hidden, except for a small time. One ought to ask Ramaija that he must tell what he told me and my servant concerning the Company's goods, how they were sold and transported by Mr. van Halm and de Ravallet. 2. Whether van Halm did not sell him Japanese bar copper immediately after the flood, and that he settled that in linens. 3. Whether he was not obliged, on behalf of van Halm, to accept copper from a certain French merchant, Lasauvage, for linens, and that this copper was minted into dabbus; that de Ravallet and van Halm became enemies for upwards of ten days, whereupon Ravallet finally consented to it, and they became good friends again. Right Honourable Sir, whether 155 The Third Chapter. Here I shall come forward with another scene that arose there, and which no person will believe could have taken place under a Christian government, of which the natives are willing, and the foreign nations speak with shame. Indeed, if necessary, I could even prove how they wished to take me under their protection in order to spare my life. Nothing was hidden from them; the entire conspiracy of Coromandel for my ruin was not unknown to them, and especially that they sought my downfall to conceal their malversations and to prevent their total ruin by this discovery of mine. I proceed to the matter itself, after first having cited a letter to Mr. Schliephaken, No. 1, Chap. 3, wherein I frankly informed His Honour of everything that had occurred concerning Jaggernaikpoeram; therefore, he could pretext no ignorance. For that reason, I attach hereto the reply of Mr. Schliephaken, Palicol the 5th of March, No. 2, which is very remarkable. Finally, we have arrived at that sorrowful day of my criminal imprisonment. In the morning, I had gone to Coringa to see my cutter launched. Shortly after my arrival there, the messengers of bad tidings came, one after the other, to report to me that Mr. Schliephaken had arrived, and after having held a long conversation with Mr. and Mrs. van Halm, the Company's cash and warehouse were sealed, and then with the greatest malice and ill-treatment, my chief servant was taken prisoner, all his papers, books, accounts, and olas taken away, chests smashed open, everything with violence in order to discover more. From there, Mr. Schliephaken went with two witnesses in flying haste to the house of my clerk Dirksz, who is not in the Company's service, but is a free burgher; but when violence rules, where then does justice remain? There Dirksz was threatened that violence would be used, as otherwise, if he did not immediately surrender all my papers and letters of whatever name or nature they might be. This poor man, with tears in his eyes, obeyed eagerly out of terror and fear; he was at that time busy transcribing all the letters for Their High Honours concerning this matter. Then he was dragged along to my house, where Schliephaken threw everything into turmoil, ordering my housekeeper to point out to him my bedroom. They all entered there and fell upon my papers and goods like a band of highwaymen, without considering my 156 absence, and that I was due to return within a few hours. Everything was thrown together helter-skelter and packed into a dungaree. After the Company's seal, that of the two commissioners was also affixed, and my clerk was obliged to affix his as well, although my seal remained lying on the table. Then all the windows and doors were secured and sealed. All my people fled from the house, imagining that I had committed murder or manslaughter. For hours' distance, both women and men came towards me, all with dishevelled hair, desperately crying out what was taking place. I was dismayed and inquired what it was, whereupon at that very moment I received several notes, warning me, praying, and requesting that I would please stay away until tempers had cooled, or until it was at least learned what had given rise to that violent treatment; but no, my conscience was clear, and I relied on my rights. Coming home, I found my house occupied by all sorts of strange people; I took a pistol from the palanquin, though unloaded, and single-handedly put them to flight. Thereupon, I had Mr. Schliephaken called, who came immediately with two witnesses, namely the sworn scriba and Da Silva, at a reasonable distance.
Dutch transcription
153 Omtrend het voorgevallene na de watervloed, sal ik uwel Edele gestr: verpligt zijn deeze nadere vraag poincten te laaten ondersoeken, mijn ongeluk is dat een saak van zoo een gewigt niet ten mijnen over„ staan op de plaats selve ondersogt word, maar mijn vertrouwen is dat niets verborgen blijft, als alleen voor een kleynen tijd, men diende te vraagen aan Ramaija dat hij seggen moet wat hij mij, en mijn dienaar verteld heeft omtrend Comp:s goederen, hoe die verkogt, en vervoert zijn door de heer van Halm en de Ravallet. of van Halm hem niet illico na de watervloed Iapans staaf koper verkogt heeft, en dat hij dat met Lijnaa„ ten verreekend heeft. of hij niet voor van Halm van een zeeker frans koopman Lasanvage kooper. heeft moeten aannee„ men voor Lijwaaten, en dat dat kooper tot dabous„ sen vermunt is dat de Ravalleten van Halm vijanden zijn geworden voor ruijm tien dagen, wanneer eyndelijk Ravallet daar in bewilligt heeft, en weer goede vrienden geworden zijn Wel Edele Gestrenge Heer of 2. 3. 155 Het derde Hoofdeel. Hier zal ik met een ander tafereel voor den dag komen, dat daar te beade gereesen is, en dat geene menschen zullen gelooven, dat onder een christelijke Regeering plaats heeft kunnen hebben, daar de na„ tiven van willen, en de vreemde natien schande van sppreeken, Ia. selfs zoude ik des noods konde bewijzen hoe ze mij onder hunne protexie hebben willen neemen, om mij het leeven te spaaren, daar was niets verbor„ gen voor hun lieden, de geheele samenrotting van Cormandel tot mij verderf, was hun niet onbewust en wel principaal dat ze mijnen ondergang sogten, om hunne malversatien te verbergen, en hun totaal ruine voor tekomen door deeze mijne ontdekking. Ik gen ter zaake selver over, na alvoorens aangehaald te hebben een brief aan de heer Schleephaken N:o 1. Cap: 3;, alwaar ik zijn Ed: rond: borssig in bedeeld heb alles wat over Iaggernaijkpoeram voor gevallen was, derhalven kon hij geene ignorantie pretextee„ ren, daarom voege ik hier bij het antwoord van de heer Schliephaken, Palicol den 5. Maart N:o 2., die zger. ofmerkzaam is — Eijndelijk zijn wij gevorderd tot dien droevigen dag van mijne Crimineelen gevangenis desmorgens, was ik ge„ gaan na Corringi om mijn cotter te zien afloopen, kort na mijn arrive daar quamen de Iobsbooden den een, over./. over den anderen na mij rapporteeren dat de hier schliep„ haken gekoomen was, en na een lange Conversatie ge„ houden te hebben met de heer en mejuffrouw van Halm wierd de Comp:s Cas, en pakhuijs verzegelt, en doen met de grootste quaadaardigheijd, en mishandeling wierd mijn hoofd dienaar gevangen genoomen, alle zijne pa„ pieren boeken reekeningen en olas afgenoomen, kisten opengeslagen, alles met geweld om meerder te ontdekken van daar goog de heer Schliepshaken met twee ge„ tuijgen in een vliegende vaardt naar het huijs van mijn schrijver Virksz:, die in geen Comp:s dienst, maar een vrijburger is; maar als geweld regeerde, waar blijft dan het regt aldaar wierd hem dirksz: ge„ dreygd van geweld te zullen gebruijken, als andersints, zoo hij niet in mediaat opgaf alle mijne papieren en brieven van wat naam of na„ tuur dezelve ook waaren. deze arme man met de Wanen in de oogen gehoorsaamde greetig uijt schrik en vreese; hij was of die tijd bezig alle de brieven voor Hunne Hoog Edelheeden afteschrijven, conserneerende deeze zaak, toen wierd hij meede gesleept naar mijn huijs, alwaar schliefhaken alles in rep en roer bragt, ordonneerende aan mijn huijs houwstea van hem mijn slaap kamer aantewijzen, daar gongen zij alle in, en vielen op mijn papieren en goederen, als een parthij struijkroovers zonder te Considereeren mijne 156 mijne absentie, en dat ik binnen weijnige uuren stond weerom te komen, alles wierd holder en bolder door malkander gegooijt, en in een dongerijs gepakt, na Comp:s zegel, wierd dat den 2. gecommitteerdens ook opgezat, en men verpligte mijn schrijver om ook het zijne optesetten, hoe wel mijn Zegel op de tafel bleefleggen, toen wierde alle de veng„ sters en deuren voor zienen verzegeld, alle mijne volk vlugte uijt het huijs, zig verbeelende, dat ik moord of dood slag begaan had. uuren ver quamen mij de vrouwen als de mannen tegen, alle met losse. haaren disperaat schreuwende wat dat er te doen was. Ik ontstelde, en vernam wat dat het was wanneer ik op 't oogenblik zelfs verscheijde briefjes ontfing, mij waarschouwende, biedende, en versoeken de dat ik tog absent zou blijven tot dat de gemoederen tot bedaartheijd gekoomen waaren, of dat men ten minsten vernam wat de oorzaak gegeeven had tot die folenten, behandeling, maar neen mijn geweeten, was suijver, ende ik steunde of mijn regt. te huijs komende vonde ik mijn huijs bezet met allerleij vreemde volk, ik nam een pistool uijt de pellen„ quin hoe wel ongelaaden, en Ioeg hun alleen op de vlugt, daar ovr leet ik de heer schliephaken roepen, die illico quam met twee getuijgen als, den geswooren scriba, en da. silva, op een redelijk afstand
English
distance, he already called out to me, do not take it amiss, by order of the Paleacatte government I must arrest you: Let each and every one place themselves in my situation, though the same is not to be conceived, much less described; I refused to take over a desolate office, I will not make myself responsible for thousands upon thousands, I uncover the malversations, I request to be called over, and I was taken into criminal imprisonment, this briefly in passing. Schliephaken and witnesses stepped inside, I asked him the reason for my confinement, he said believe me as a man of honor, I do not know it, furthermore I asked him for his credentials, he said he had no order to hand them over to me or to let me see them, upon which I asserted and protested, saying that if he did not immediately remove the seals from the doors of my bedroom, I would break open the doors, this was immediately granted, and the seals were removed from the doors, and after much heated passion we came to a capitulation, namely that all my people should remain with me in the house, both free people and slaves, as well as the peons who had lived with me for so many years, and that for my health I might ride by carriage and on horseback, without setting limits, considering the smallness of the place; for that I gave my word of honor not to desert, and that outside the house I would speak with no Company servants of whatever name, not even with my dependent clerk Dirk Bo; after having drunk a glass of wine those gentlemen departed, but being at the door, I remembered a paper that I had in my pocket, written in the hand of the gentleman van Halm, showing how the distribution of the corruption money had to be paid to the gentleman van Halm to well over 6000 pagodas. The following day in the evening I requested Schliephaken to come to me, conversing with him with all calmness, I declared to him the consequences of this illegal conduct, even promising him not to act rashly regarding the Cotten Le Diable, by sending it off before I saw what turn this matter would take, admonishing him nevertheless to uphold right and justice, that he would then always be accounted for, but that I could not conceal having already conceived a mistrust against him, because he knew as well as I that sealing the warehouses and the cash box was merely a farce as long as one did not secure those books and papers concerning it; after having adjusted them, the warehouses must be surveyed, and the cash box inspected, that it had now already been 24 hours without him having definitively executed that work. He answered nothing to this, and departed; shortly thereafter Heshusius arrived at the place, who paid me a visit the following day in which he made his foolish ignorance and arrogance so well known that he seemed flattered to be entrusted with such a commission wherein he could insult a man of honor and reputation at his pleasure, therefore I let flow into the conversation that he was just as fully guilty of the malversations as the gentleman van Halm; furthermore I requested an extract of the resolution in the Council of Coromandel, but they answered unanimously that they had orders not to hand it over to me, but that the scribe would read aloud to me that which concerned my arrest. Two days thereafter van Holt read aloud to me, as it remains imprinted in my memory, mainly: You shall immediately arrest van Bijland, seal everything, and secure above all his silver, in a word leave him nothing except solely his personal belongings, and only two slaves for his attendance, and above all the papers and writing materials, lest he, van Bijland, should in due time come to deny the accusation against the chiefs of Jaggenaikpoeram. Hereupon I am willing to take a solemn oath that this is in substance the content of the read-out extract, although in the month of October another was presented to me in the presence of da Silva, whereupon I had very high words with van Holt, saying that it was not the first validity; I asked him whether he could take an oath that that was the extract which he had read to me in the month of March; he answered to this that he could take an oath that this latter extract was the actual extract from the letter. Is this not indeed a sentence before the investigation, before I am even heard, is this the way of justice, which all at once produces the crime, the sentence, and instantly the execution of the punishments of such a violent, insulting, ruinous criminal imprisonment, yea, which truly brings me to the beggar's sack, I see neither outcome nor redress, your Right Honorable who sees how my health has declined, the fever does not leave me, my flesh is dried up upon my bones, and my blood burns in my veins without my finding any improvement to this day, shall I not have to cry out: the Coromandel Council are my murderers; confined for about 8 months in a sultry house without exercise
Dutch transcription
afstand, riefs hij mij reets toe, neemt mij niet qualijk uijt order van de falleacatse regeering moet ik uw arresteeren: Laat sig elk, en een iegelijk in mijn om„ standigheeden stellen, hoe wel dezelve niet te beseften veel minder te beschrijven is, ik weijgerde een deso„ laat Cantoor over teneemen, ik wil mij niet aan spree, kelijk maaken voor duijzende en duijsende ik ontdek de malversatien, ik versoek over geroepen te worden, en ik wierd Crimineel gevangen genoomen dit uijtstaf in passant Schliefshaken en getuijgen traden binnen, ik vroeg hem de reeden van mij confinement, hij seijde gelooft mij als een man van eer, ik weet het niet, verder vroeg ik hem sijn Coeden zersiaalen af, hij sijde geene ordre te hebben mij dezelve overtegeeven, of te laaten zien, daar op sustiveerde ik, en pro„ testeerde, zeggende zoo hij de sjappen van mijne deuren in slaapkamer niet inmidiaat afnam, ik de deuren open tappen zou, dit wierd illico toege„ staan, en de sjappen wierden afgenoomen van de deuren, en na veele drift quamen wij tot eene Ca„ pitulatie, namentlijk al mijn volk sou bij mij in huijs blijven soo wel vrije, als slaaven, als ook de pions, die zoo lange Iaaren bij mij gewoont hadden, en dat ik voor mijn gezondheijt met de wagen, en te paart mogte tijden, zonder bepaalen van limiten, aangezien. 157 gaf aangezien de kleijnheijd der plaats; daar voor aaf ik mijn woord van een van niet te deserteeren, en dat ik buijten de doeten met geene Comp:s dienaar„ ren sou spreeken hoe genaamd, zelfs niet met mijn broodeeter schrijver Dirk Bo, na een glas wijn gedronken te hebben vertrokken die heeren, dog aan de deur zijnde, hevinneerende ik mij een papier, dat ik in de zak had eijgenhandig geschree„ ven door de heer van Halm, hoe dat de verdeeling der corruptie penningen aan de heer van Halm moesten betaald worden tot ver over de 6000. pagodens des anderen daags 'savonds liet ik schliepha„ ken versoeken bij mij te komen, onderhoudende hem met alle bedaardheijd, declareerde hem de gevolgen van dit illegale gedrag, beloovende hem zelfs, van mij met de Cotten Le Diable niet te zullen overhaasten, met denzelven te verzenden voor dat ik zag wat keer deeze zaak neemen zou vermaanende hem van tog regt en geregtigheijd te behartigen, dat hij dan althoos verantwoord was, maar dat ik niet ontveynsen kon van reets een misvertrouwen opgevat te hebben tegens hem, want dat hij zoo wel wist als ik dat met de pakhuijsen en Cassa te verzegelen maar een bombarie was zoo lang men zig niet en verzekere van die boeken en papieren dien aangaande, na die effengesteld ƒ te te hebben, moeten de pakhuijsen opgenomen worden, ende kassa: nagezien, dat het nu reets 24. uuren was, zonder dat hij dat werk stellig gemaakt had. Hij antwoorde niets hier op, en vertrok, kort daar op arriveerde Heshusius op de plaats die mij des anderen daags een visite bragt daar hij sijn stomme onnozelheijd en hoogmoed zoo wel te kennen gaf, dat hij scheen geflatteerd te zijn met zoo een Commissie daar hij een man van naar eer en reputatie na welgevallen konnen affronteeren, daarom liet ik in de Conversatie in vloeijen dat hy ruijm in de malversatien zoo schuldig was, als de heer van Halm, verder versogte ik Extract van het beslotene ter raade van Cormandel, maar sij antwoorde eenppaarig van order te hebben van het mij niet aftegeeven, maar dat zij mij door den scriba soude voorleezen, het geene mijn arrest Conserneer de. Twee dagen daar na van Holt las mij voor, zoo als het mij in mijn memorie geprent blijft, Hoofdzakelijk, van 't Bijland zult gijlieden direct arresteeren, alles verzeegelen, en verzekeren voor al zijn zilver, met een woord hem niets. laaten als alleenlijk sijn lijf toebehooren, en maar twee slaa„ ven tot sijn oppassing, en voor al de papieren en schrijf behoeftens of dat hij van Bijland niet in der tijd quam te negeeren de beschuldiging tegens 6 do. 158 de opperhoofden van Iaggernaijkpoeram Hier of wil ik een solemneelen Eed afleggen dat dit in substantie is, en den inhoud van het voorgeleezen Extract, hoe wel 'er mij in de maand van october een ander aangepresenteerd is in presentie van de silva„ wanneer ik zeer hooge woorde kreeg met van Hoet, zeggende dat het de Eerste valtiteit niet en was, ik vroeg hem of hij een eed kondoen dat dat het Extract was, dat hij mij in de maand van Maart voor„ geleezen had; Hij antwoorde hier of dat hij een Eed kon doen dat dit laatste Extract het reeele Extract was uijt de brief Is dit niet in der daad een vonnis voor dat der on„ der zoek, voor dat ik zelfs gehoord ben, is dit de weg der- rechten, die in eens opleevert het crimen, het vonnis, en illico den uijtvoer der straffen van zoo een geweldige affronteuse ruineese Crimineele gevangenisse, Ia die waarlijk mij tot den bedelsak brengt, ik zie nog uijt„ komst nog redres, uwel Edele Gestrenge die ziet hoe mijne gezondheijd vervallen is, de koorts verlaat mij niet, mijn vlees is verdroogt op mijne beenderen, en mijn bloed verband in mijn aderen zonder dat ik nog tot heeden mijn beeterschap vind, zal ik niet moeten uijtroepen de Cormandelsche raad zijn mijn moordenaars; omtrend, 8. maanden lang opgestooten in een bedompt huijs zonder Exerci„ tie
English
tion or movement, without books or writing materials, without the least conversation; people were even afraid to pass by my house; by day I was insulted, and by night disturbed, solely in the hope of shortening my days, or else of obliging me to resort to a violent measure, for it will appear that at that time I had no other crime than having dispatched a vessel to Batavia; meanwhile my enemies lived cheerfully and well, feasting and entertaining. The day of the arrival of Schliephaken, the Jaggernaikpoeram merchants were released from their criminal imprisonment under bail, and the gentlemen began with the inventory of the warehouse, and it happened just as I had predicted, that the papers remained in the possession of the secunde, and knowing very well, notwithstanding the time they had to settle, obscure, and gloss over everything, that Japan bar copper was missing; whether it was pawned or sold is all the same to me, but the secunde directly provided well over 400 pagodas to the merchants, and took an acknowledgment of debt for copper for it, and likewise to the washers for 300 pagodas, in order to balance the cash if possible, because rice at that time was expensive and scarce. Finally, having reached the 8th of April, I received a letter under that date signed Heshusius and Schliephaken, too remarkable not to insert here verbatim: "We have lately requested your High Well-born to be pleased to inform us when it would be convenient for your High Well-born to answer the questions that we should have to ask, and have received as an answer thereto through Mr. van Holt that your High Well-born would not answer before and until knowing the reason why you were arrested. And as we are now in a position to inform your High Well-born that your High Well-born is arrested because by your letter of the 2nd of March you declared to owe no further obedience to the government, etc., which has moved their Honours to take that decision; we therefore request your High Well-born once again to be pleased to inform us whether, and when, your High Well-born will be pleased to answer the questions to be put to your High Well-born. We have the honour to call ourselves." How different is this from the extract just inserted; this then is my crime, but should one not infer that the crime in the extract of the 12th of March, wherein the fiscal is ordered to act against me, that that extract is antedated, seeing that on the 8th of April I had no other fault than the private letter to Mr. Sadama of the 2nd of March. From these circumstances it appears as clear as the sun that after the entire Coromandel Council had their malversations discovered in various offices, they knew no other way out than to seek trumped-up charges, which in time would serve more to their shame and punishment than to my dishonour, seeing that the underlying fictions were written with the most reckless pen, from which their partiality is sufficiently proven; and repeatedly I must say that their animosity and passion were first really ignited at the news of the dispatch of my vessel, for what connection does my servant have with the letter of the 2nd of March, and especially my papers and vessels, the blocking of the roads in order to allow no letters to pass, and to intercept them, to open them, even those between husbands and their wives. Moreover, on the spot, the shroffs and shopkeepers, and everyone in a word, were forbidden to give me credit for even a few dhabus, knowing well how embarrassed I was for sufficient cash to dispatch my vessel. To clarify this I shall annex a letter under No. 3, Chapter 3, of the 31st of March, signed Heshusius and Schliephaken, showing how they seek therein to dissuade me from addressing myself to the High Government. Finally, after having dispatched my vessel, notwithstanding all the effort made, both from Paleacatte and from Jaggernaikpoeram, to confront me in writing to all neighbouring powers to certainly arrest my vessel whenever it arrived there, or at Jaggernaikpoeram everything was under arms with sloops and vessels to demand it back on the high seas; but they were laughed at somewhat, and Le Diable flew like a bird out to sea. From that day the tempers at Jaggernaikpoeram remained somewhat calmer until the 14th of April, to be seen under No. 41, Chapter 3, and containing principally: "then since this our permission has been completely disapproved, we find ourselves obliged hereby to request your High Well-born, in order to avoid all correspondence, to dismiss all peons and servants, with the exception of 2 slaves for your High Well-born's attendance; and otherwise without our permission"
Dutch transcription
tie of beweeging, zonder boeken of schrijf behoeften, zonder de minste aanspraak de menschen waaren zelfs bedugt om mijn huijs voor bij te gaan, bij dag wierd ik geinsulteerd, en bij nagt ontrust alleen, in hoof van mijne dagen te verkorten, dan wel van mij te verpligten tot een fiolente staf overtegaan, want het zal blijken dat ik ov die tijd geen ander Caimen had, als van een vaartuijg na Batavia aftevaardigen, intusschen leefde mijne vijanden vrolijk en wel gastereerde en tracteerende Den dag van de komst van schleephaken wierden de Iaggernaijkpoeramse. kooplieden onder hand tos„ ting uijt hunne Crimineele gevangenschap ontslagen, en de heeren begonnen met den opneem van de pak„ huijs, en het gebeurde soo als ik het voorspeld had, dat de papieren onder de secunde bleeven berusten, en weetende zeer wel onaangezien de tijd die zij gehad hebben om alles te verEffenen, te verdonke„ ren, en te verbloemen, dat 'er Iappans staafkooper te kort quam, of het zelve verpand of verkogt was is mij om 't eeven, maar de secunde verstrekte direct voor ruijm 400. pagoden aan de kooplieden, en nam daar voor een schuld bekentenis voor koopper, alsoo ook aan de wasschers voor 300. pago„ den, om de cas was het mogelijk te completeeren want de reijst was op die tijd duur en schaars Eijndelijk 159 Eyndelijk tot den 8. april gekomen zijnde, ontfing ik een brief onder die datum getekend Hes„ husius en schliephaken al te opmerkzaam om dezelve niet hier letterlijk te insereeren „wij hebben uw Hoog welgebooren laast verzogt „ons te willen melden wanneer het uw Hoog wel „geb: geleegen zoude komen te antwoorden op de „vraagen die wij zouden hebben te doen, en daar „of voor antwoord door de heer van Holt bekomen, „dat uw Hoog wel geb: niet zoude antwoorden „voor en al eer. de reeden wist, waar omme gearres„ „teerd was: En daar wij nu in staat zijn uw Hoog „wel. Geb: te melden dat uw Hoog wel geb: gear„ „resteerd is om dat bij desselfs brief van den 2e „Maart gedeclareerd heeft geene obedientie meer „schuldig te zijn aan de regeering EnBz:, waar „omme haar Ed: bewoogen zijn dat besluijt te nee„ „men; zoo verzoeken wij uw Hoog wel Geb: nog„ „maals ons te willen melden of, en wanneer „uw Hoog wel Geb: zal gelieven te antwoorden „op onse aan uw Hoog wel. Geb: te doene vraa„ „gen. Wij hebben de eere ons te noemen. Hoe verschillende is dit met het zoo eeven gein„ sereerde Extract dit is dan mijn Crimen, maar zou men dan niet moeten of maaken dat het Caimen in het Extract van den 12. Maart daar den den fiscaal gelast word om tegens mij te ageeren, „dast dat Extract geantidateerd is, aangezien ik op den 8. april geen andere schuld had; als de particulie re brief aan de heer Iadama van den 2. Maart door deeze omstandigheeden blijkt sonne klaar dat„ na dat de geheele Cormandelsche Raad in ver„ scheijde Cantooren hunne malversatien ontdekt waaren, zijlieden geen andere uijtweg meer wiste als overgeraapte actien te zoeken, die hun in der tijd meerder tot schande en straffe, als mij tot oneer soude strekken aangezien het ondergende ver„ digtzels zijn beschreeven met de vrijlaardigste pen daar genoegzaam uijt beweezen is haar paa„ thijdigheijd, en met herhaaling moet ik zeggen dat hunne animoseheijt en drift eerst reeek. ontstooke is op de tijding van het afvaardigen van mijn vaarthuijg, want wat connexie heeft mijn die naar met de brief van den 2. Maart, en voor„ namentlijk mijne papieren en vaarthuijgen, het bezetten der weegen, om geene brieven te laaten passeeren, en dezelve agter te houden, te openen; Ia selfs die van de mannen en hunne vrouwer ook nog over het aldar staafst wierden de sarafs en boutekiers, en alle met een woord verbooden om mij voor geen daboes Crediet te geeven, wee„ tende wel hoe verleegen ik was voor genoegzaam Contanten: 160 Contanten om mijn vaartuijg te depecheeren, tot opheldering van dit zal ik annexeeren een brief onder N:o 3. Cap: 3. van den 31. Maart Heshusius en schliephaken getekend, hoe zij mij daar in zoeken afteraaden van mij aan de Hooge Regee„ ring te addresseeren. Eijndelijk na mijn vaarthuijg afgevaardigt te hebben niet tegenstaande alle aangewende moeijte zoo van Palleacatta, als van Iaggernaijk poeram met mij te affronteeren in 't schrijven aan alle na„ buurige mogentheeden van tog mijn vaarthuijg te arresteeren, wanneer het daar quam, of 't Jag„ gernaijkpoeram was alles onder de wapens om met t slengen en vaarthuijgen het zelve in volle zee of te eijsschen, maar men lagte hun lieden wat uijt, en Le Diable vloog als een vogel uijt zee„ van die dag bleeven de gemoederen op Jagger„ naijkpoeram eenigsints bedaarder tot op den 14. april onder n:o 41 Cap: 3. te zien, en hoofdzaakelijk inhoud „dan vermits deeze onse toelaating geheel afge„ „keurd is, zoo vinden wij ons verpligt uw Hoog wel- „geb: mits deezen te versoeken om alle correspon„ „dentie te vermijden alle pions en bediendens te „verwijderen, uijtgezondert 2. slaaven ter uwer „ Hoog wel: geb: oppassing; en overigens zonder ons „verlof
English
or no access of persons whosoever they may be to your Honour. This letter was delivered to me by Mr. van Holt, whom I call as a witness, and who immediately put the contents into execution by discharging my outdoor servants and peons without payment, but my slaves and freedmen declared their wish to live and die with me. I requested to be allowed to keep a small servant, being a child, having no one for the Gentoo language and household accounts, but no, he had to leave the territory, and I furthermore received a verbal order not to set foot outside, and that all my slaves and freedmen likewise had to consider themselves prisoners, without leaving the house, under whatever pretext it might be; subsequently placing 4 peons, two at the front door and 2 at the back door. A few days thereafter, after this affronting arrest had caused a most terrible commotion both at the place itself and among all the neighbours, so that the chiefs of the English and French, under the cover of Mr. Corsaat, wrote letters to know what was going on, this peon stepped onto the veranda where he found the guard peons and one of my freed boys, to whom he handed the letter, and brought it to me in my sleeping berth. At the moment this peon himself stepped inside and demanded the letter; upon refusing it to him, he went directly to complain to the commissioners, who received him with a most dreadful chastisement for not having taken care that the letter did not come into my hands; the head peon with 6 peons was directly sent to me in an insolent manner, demanding the letter and the boy in order to chastise him for having handed the letter to me, by fair means or foul. I replied that I desired that the commissioners themselves should venture to come at the head of their army to fetch the boy and the letter. After several insolent messages through this head peon, they let me know that they would surely tame me, and that they would employ armed Moors to guard me in the strictest manner. In the evening I had van Holt called, and demonstrated to him the absurd, violent, and affronting conduct of the commissioners, saying to him: surely my crime is the private letter of the 2. March to Mr. Sadama. I told him to arrange that I might take ordinary exercise, or else send away my horses to sell them for my maintenance; the answer was that the gentlemen were very embittered, and that they had even sent orders that doctor Roge should no longer come to me, and that my coachman, a Malay with a wife and 5 children in my house, was no longer allowed to come into my house to boil the grains for my horses and much less to see his wife and children, and that, in a word, those who were inside had to stay inside, and those who were outside had to stay outside; orders were given to the peons to allow only one calang of water to come inside, and that everything that came inside had to be inspected, nay, even when the washermen came, the peon had to be present. Two days thereafter came twelve sepoys standing guard, and two for my horses, all provided with the strictest orders, which will appear from the certificate of this Company peon named Pilla Enketees, who had to make a daily report of what went on in my house, and how I behaved. After this expedition my schooner arrived in the roads under the command of Michiel Kind; the same was immediately arrested with orders to Michiel Kind not to venture to come to me, but to bring the vessel directly into the river and place it on the bank, all to my insurmountable loss, as is to be seen in the protest of the 16. July, to which I further refer. From that time everything remained reasonably quiet concerning me, but the persecution against the inhabitants and principally against the complainants became from day to day more unbearable, which Ramaija will demonstrate and prove in the clearest manner. From that moment on, one found written and drawn on the limits of the choultries or the walls the gallows and wheel against the commissioners, and they delivered a letter to the Kotwal Choultry, although unsigned, but no less according to the custom of the natives, containing according to the reports a petition of complaint that, in order to benefit the chief, Triwengelam, and 6 foreign Masulipatnam merchants, thousands and thousands of inhabitants were made miserable, and that they advised the commissioners to have the tom-tom beaten to invite each and every one if they had complaints to lodge; but Triwengelam, who did not find his account in that since his entire conduct was exposed therein, and principally that he had become dubash of the chief in order to escape his numerous creditors; it was also told on the bazaar that a considerable sum of money was paid by him to destroy that paper; at least, it was brought with great ceremony to the bazaar, and
Dutch transcription
„verl of geenen toegang van menschen wie ze ook „zouden mogen weezen bij uwel Edele toetelaaten deese brief wierd mij door de heer van Holt ter hand gesteld dewelken ik tot getuijge roept, en de„ welken den inhoud inmediaat ter Executie leijde met mijne buijten dienaaren en prons afbedanken zonder betaaling, maar mijne slaaven en vrijgegee„ vene declareerden van met mij te willen leeven en sterven, een klein dienaar een kind zynde verzogt ik te mogen houden, als hebbende niemand voor de Ien„ „liefse taal, en huijsreekeningen, maar neen hij moest het territoer verlaaten, en ik kreeg verder mondeling order van geen voet of staat te setten, en dat alle- mijne slaaven en vrijgegevene zig insgelijks gevangen moesten reekenen, zonder uijt het huijs te gaan, on„ der wat protextie het ook was, plaatsende ver-„ volgens 4. pions, twee aan de voordeur, en 2. aan de agterdeur, eenige dagen daar na, na dit affron„ teuse arrest in aller verschrikkelijke op schuddin gemaakt had zoo op de plaats zelfs als bij alle de nabuuren, zoo dat de opperhoofden der Engelschen in franschen onder couvert van de heer Corsaat brieven schreeven om te weeten wat 'er gaande wa die pions trad in de warande alwaar hij de wagt houde Gions vond en een mijner vrije Iorge, aan wien hij de. brief overgaf, en mij of mijn slaaps kooij bragt, op het 161 het oogenblik trad die. pions selfs binnen en eijscht die brief op, hem dezelve weijgerende gong direct klagen bij de gecommitteerdens, die hem recipicer„ den met een aldereijsselijkste kastijden van niet opgepast te hebben, dat die brief niet in mijn han„ den quam; die hoofdpion met 6. pions wierd direct na mijn toegezonden op een insolente wijze Eijsschen„ de op de brief, en den Ionge om hem te kastijden van mij die brief overhandigt te hebben met goede of kwaade, ik antwoorde dat ik verlangde dat de gecommitteerdens zelfs onderstonden om aan het hoofd van hun heijr mogt te komen om de Ionge, en de brieff te haalen, na verscheijde insolente bood„ schappen, door die hoofd-pion lieten zij mij weesen„ dat zij mij wel temmen zouden, en dat zij gewapende Mhooren zouden aanneemen om mij op 't alder strikste te bewaaren, des avonds liet ik van Holt roepen, en demonstreerden hem het ongereijmde violen„ te affvoordeuse gedaag der gecommitteerdens, zeggende: hem mijne Crimen is immers de particuliere brief van den 2. Maart aan de heer Iadama, ik zeijde. hem van te bewerken om de gewoone excercitie te mogen doen, dan wel mijne paarden weg te zen„ den om dezelve te verkoopen tot mijn onderhoud; het antwoord was dat de heeren zeer verbitterd waaren„ en dat ze zelfs order gezonden hadden dat doctor Roge Roge niet meer bij mij zoude komen, en dat mijn koet zier een malleijer en vrouw, en 5. kinderen in mijn huijs had, niet meer in mijn huijs mogt komen om de graanen voor mijne paarden te koo„ ken en veel minder om zijn vrouw en kinderen te zien, en dat met een woord die binnen waaren moesten binnen blijven, en die buijten waaren, moest buijten blijven; aan de pions wierde order gegeeven van maar een Calang; water binnen te laaten ko„ men, en dat alles wat binnen quam moet gevisen teerd worden, Ia zelfs zoo wanneer de wassers quam, moest hij pion daar bij weezen, twee dagen daar na kwamen twaalf sipaijs wagt houdende, en twee voor mijne paarden alle voorzien met de strikste ordres, welke blijken zal bij het attest van die Comp: pion met naame Pilla Enketees, di dagelijks rapport moet doen wat 'er om gongen in mijn huijs, en hoe ik mij gedroeg na deeze Exppe„ ditie quam mijn schoener. of de rhee onder com„ mando van Michiel Kind, dezelve wierd inme„ diaat gearresteerd met ordre van Michiel kint van zig niet te onderstaan om bij mij te komen, maar het vaarthuijg direct in de revier te haalen, en op de wal te zetten, alles tot mijne onoverko„ melijke schaade als te zein is in het protest van den 16. Julij daar ik mij verder aan refereeren van 162 van die tijd bleef alles reedelijk rustig betref„ fende mij, maar de vervolging tegens de ingezetenen en principaal tegens de klagende wierd van dag tot dag onverdragelijker, het welk Ramaija ten klaarsten aantoonen en bewijzen zal, van dat ogenblik af,vond men op de limieten der chau„ dezien of de muuren geschreeven en getekend Galg en rat tegens de gecommitteerdens, en bestelden een brief in de Cottewal Chauderij hoewel ongete„ kend, maar niet minder volgens het gebruijk der natieven, inhoudende volgens de rapporten een klagt schrift dat om de opperhoofden Triwen„ gelam, en 6. vreemde Mazulipatnamse kooplie„ den goed te doen duijsenden en duijzende ingesete„ nen ongelukkig maakten, en dat zij de gecommit„ teerdens aanraaden van de tamtam te doen slaan om elk, en een iegelijk uijttenodigen, als zij klagten hadden in te brengen, maar Triwengelam die daar zijn reekening niet bij vond vermits zijn geheel gedrag daar in ontdekt was, en wel prin„ cippaal dat hij doebachie geworden was van het opper„ hoofd om zijn menigvuldige schuldenaaren te ont„ vlieden, ook vertelde men op de bazaar dat er door hem een aanzienlijke somma gelds betaald was om dat papier te vernietigen, ten minsten het wierd een groote statie na de bazaar gebragt, en
English
and burned there publicly, and then the tam-tam was beaten, supposedly because the inhabitants, seeing how their petitions had been received and insulted, whereas even the princes of the country do not reject this manner of petitioning, from that moment Trewengelam worked day and night to obtain false testimonies from the heads of the castes, and those people signed, some under duress, some for presents, but all out of fear, and then these were subsequently drafted in proper form by the clerk van Holt; but the finest part is that they present a head of the Gentoos, which is too ridiculous to be explained, since they are all Gentoos; this head then signed on the condition that he would become Cotwal, his name is Is Riddij, and he is still serving, and already the third Cotwal up to the present day since that gentle administration of the commissioners; this will be attested by the whole of Iaggernaijkpoedam, as also by the interpreter the Brahmin Ramaija, the former Cotwal, the currently serving head peon, the previous one, and a hundred others. Around that time, with great displeasure, the entire proceedings, all papers, and documents related thereto, especially all my papers, were demanded from the commissioners by the Pulicat Council; it is assured, and it will be proven in due course, that Mr. Tadama wrote: how is it possible that in all this time you have not been able to accuse van Bijland of any heavy guilt or crime, and you proceed so incautiously that everything is public, and that we receive English letters about it daily? He, Tadama, would now seek to find some guilt in me. Also, after the lapse of one or two months, everything fell into an uproar because the shroffs and the Brahmin already mentioned above were criminally arrested, and with threats of being sent to Batavia and having his hand chopped off if they both did not confess that that note, note bene: the note of 10000. rop:s, had been written by him, the shroff, by order of my dubash; out of terror and fear, those people signed what was demanded of them; the shroff fled with his entire family, and lives at Neapelli, where he waits for new commissioners in order to declare according to the truth then; the Brahmin was demanded by the English unless they handed over what the crime of the Brahmin was; they found it more advisable to release him immediately; all this is also known to the last-cited witnesses; the old man lives on the borders of Iaggernaijkpoeram and comes inside daily, as far as this entire matter is concerned, and how my head servant my head servant was imprisoned in a cruel manner for months on end, during which, through harsh treatment, threats, and sometimes also promises, he was forced to sign what Mr. Tadama desired; I have not seen him now in 9 months, and to this day your Honour does not permit him to return to my service; please therefore order him to submit a report of all that occurred, with such evidence as is legally admissible; now comes another most serious point for the accounting of the gentlemen commissioners: by what authority were they allowed to arrest the Cottea Le Viable upon his return from Batavia, and so arbitrarily that the money of the pilgrims who had also come over, and had promised to pay further upon their arrival—all the ship's crew testified to this—that at his death he had requested that all his goods, papers, and accounts should be handed over to a Frenchman at Yanam; in this I was not consulted at all, and I leave it entirely to their account, responsibility, and indemnification; those two vessels are now lying there rotting to my greatest detriment; added to this is that I, and the clerk van Holt, Doctor Roge, and Dirksz, sent all our goods previous year in October from Pulicat to Iaggernaijkpoeram; they missed their voyage and suffered shipwreck; through all these troubles it was impossible for us to have those goods fetched from Ongole; finally Mr. Roge was commissioned to fetch the same; beforehand I wrote a letter to the commissioners, asking whether they would also seize those goods, to which they declared outright no, to Mr. Roge, and in a letter of the 30th of June, to be found under No. 5, Chapter 3; those goods drifted past Iaggernaijkpoeram, and arrived at the roadstead of Vizagapatnam; working their way from there they were again caught by severe weather to the destruction of most of the goods, and finally the vessel arrived at Iaggernaijkpoeram; I immediately had the ordinary report-bearer ask where I should store those goods that could not be stored in my house; they answered that they would assign a place; no sooner had my people arrived to carry the same up, but they were chased away, saying: you may take away the galley ware, but the rest we shall store. I protested, and they returned the protest, which was immediately sent to Mr. de Raeff to
Dutch transcription
en aldaar publicq verbrand, en toen wierd de tamtan geslagen quamsuijs want de ingesetenen ziende hoe dat hunne klagtschrift waaren opgenomen, en geaffronteerd daar de vorsten der landen zelfs deeze manier van klagen niet en verwerpen, van dat vo„ genblik werkte Trewengelam bij dag en nagt om met de Hoofde der Casta valsche kondschappen in te winnen, en die lieden teekende zommige uijt dwang sommige voor presenten, maar alle uijt vree„ sen, en dan wierden dezelve naderhand door den scriba. van Holt in forma gebracht, maar het mooijste is, dat men laat voorkomen een hoofd den Ien„ lieven dat te redicule is, om uijt gelegd te worden, aan„ gezien zij alle Ientieven zijn; dit hoofddan teekende onder die mits dat hij Collerwal zou worden, zyn naam is Is Riddij, en is nog fungeerende, en reets een derde cottewal tot heeden zeedert die sagte Regeering der gecommitteerdens, dit zal door geheel Iaggernaijk„ poedam geattesteerd worden, als ook door den tholk de bramine Ramaija, de geweeze Cottawal de thans fungee„ rende hoofd-pion, de voorige en Hondert anderen. Omtrend op die tijd wiserden niet groote misnoegen uijt den Palliacatsen Raad opgeEijscht van de gecommit„ teerdens hunne geheele besoigne alle papieren en do„ cumenten daar toe relatief, voornamentlijk alle mijne papieren men verzekerd en het zal in der tijd beweezen worden 163 worden dat den heer Tadama schreef, hoe is het mogelijk dat in al tijd ulieden, van Bijland met geen swaare schuld of crimen heb kunnen beschuldigen en ulieden gaat zoo onvoorsigtig te werk, dat alles publicq is, en dat wij dagelijks Engelsche brieven daar over krijgen. Hij Tadama Zou nu eens zoeken, of hij geen schuld in mij zou vinden ook na verloop van een of twee maanden raakten alles in oproer door dien de sarafs en bramine reets hier vooren genoemd crimi„ neel gearresteerd en met drijgementen van naar ba„ tavia te gaan zijn hand aftekappen, zoo zij beijden niet en bekenden dat dat briefje NB: het briefje van 10000. rop:s door hem saaaf geschreeven was of ordre van mijn dobachi, uijt schrik en vrees, heb„ ben die lieden geteekend, wat men van hun gevergt heeft, de Saraf is ontvlugt met sijne geheele familie, en woond tot Neapelli, alwaar hij wagt of nieuwe gecommitteerdens om als dan na waarheijd te decla„ reeren, den bramine is door de Engelschen opge„ Eijscht ten waare sij lieden overgaaven wat het crimen was van den braminees, sij vonden raad„ samer van hem direct te ontslaan dit is ook alles, bekend bij de laatste geciteerde getuijgens den ouden man woond op de limieten van Iagger„ naijkpoeram en komt dagelijks binnen was deeze geheele zaak betreft, en hoe dat mijn hoofd die naar= hoofd. dienaar of een Cruelle wijze. maanden lang gevangen gezeeten heeft wanneer hij door harde behandeling dreigementen somtijds ook beloften, gedwongen is geworden om te tekenen wat de heer Iadama begeerde, ik heb hem nu in geen 9. maan„ den gezien, en tot heeden permitteerd uwelEdele gest niet dat hij weder in mijn dienst komt, gelieft hem derhalven te ordonneeren van een Relaas in te dienen van alle het voorgevallene met die bewijse die ter voldoening in rechten aanneemelijk zijn, nu komt nog een alder swaarst poinct ter verant„ woording van Heeren gecommitteerdens op wat antho„ riteijt hebben zijde Cottea Le. Viable bij zijn rethour van Batavia mogen arresteeren, en zoo willekeurig dat het geld der peleguimmen die meede overge„ komen zijn, en beloofd hadden bij hunne arrive te zullen verder betaalen, alle het scheepsvolk be„ tuijgde dit, dat bij zijn dood hij verzogt had, dat alle zijne goederen papieren en reekeningen zoude overgegeeven worden aan een fransman te ijanam hier in ben ik in niets gekend, en laat het geheel voor hunne reekening en verantwoording en schaadle„ loos stelling, die twee vaarthuijgen leggen nu daar te verrotten tot mijn alder grootste schaade daar komt nog bij dat ik, en de scriba van Holt doctor Roge en Dirksz: alle onse goederen voor„ gange 164 gange Iaar in october van Palleacatha na Iaggern„ ndijkpoeram sonden, sij verlooren hunne reijse en leeden schip breuk door alle deeze troubles was het ons onmogelijk om die goederen van angola. te laaten haalen; eijndelijk wierd de heer Hoge daar toe gecommitteerd om dezelve aftehaa„ len voor af schreef ik een brief aan de gecommit„ teerdens, vraagende of zij die goederen ook arres„ teeren zouden, waar op volmondig declareerde van neen, aan de heer Roge, en in een brief van den 30. Iunij te vinden onder N:o 5. Cap: 3. die goederen dreeven Iaggernaijkpoeram voor bij, en quamen ter houw of Vizagapatnam van daar ofr werkende wierde wederom door swaare weer beloopen tot verderf van de meeste goederen, en eijndelijk arriveerden het vaartuijg op Iagger„ naijkpoeram, ik liet immediaat door den gewoo„ nen rapport ganger vraagen, waar ik die goederen bergen zou, die in mijn huijs niet geborgen kon„ nen worden; zij antwoorde een plaats te zullen aanwijzen, zoo dra quam mijn volk niet om het selve opte dragen, of zij wierden weggezaagd, zeg„ gende het combuijs goed kan ulie der wegneemen, maar het overige zullen wij bergen. Ik protes„ teerde, en zij zouden het protest weerom, het welk immediaat zoud aan de heer de Raeff na
English
after I previously had it thrown onto the stoop at the clerk's, since he refused to accept it, so that all the goods are now left to spoil and perish as having suffered shipwreck, I call to witness all the aforementioned Gentlemen who also have their goods therein, that my goods, wines as well as otherwise, are truly arrested, which even the commissioners cannot deny, as well as the clerk van Holt, Dirk sz: and Roge da silva and Hofland, it is true that by order of the Right Honourable to transfer me to Palleacatta under Escort, they offered me the clothes and the bedding, knowing that I departed from Palleakatta the year before with only two small trunks, and that through a confluence of circumstances I was deprived of all my property for an entire year, and that during my imprisonment and my illnesses I have had no other bedding than what belongs to my palanquin, and that even to this day, to what else must this malice be attributed again, to let my property perish so willfully, once again to please Mr. Padama and to comply with his private letters. These Gentlemen must remain liable for the consequences and indemnification, unless they show who authorized them to all this illegal conduct. And that, above all, Schliefphaken must be summoned to defend himself for having, against his better knowledge, helped promote the ruin of the Company, and what reason those two gentlemen had to withhold from me the wines that were sent for refreshment in my sickly condition; also why those people were persecuted who were suspected of lending me money, and were taken as prisoners, I receiving no maintenance other than only my 3000 dubboeses, while I spent 50 pagodas a month; why was I not permitted to sell my horses for maintenance; why was I not permitted to deliver my timber to the amount of 8000 rupees, actually sold, but instead of that I wanted to have two shutters and 1 door made, when the messenger brought permission under the condition that I should have planks purchased, which I also did. Regarding now the report of Mr. Heshusius and Schliephaken of the 16th of November 1790, which they request may serve for their exoneration. 39 I submit this whole matter to the impartial world, whether those two Gentlemen in that document appear as two impartial commissioners, or rather, as two advocates who, as it seems, have been assigned to the foolish chiefs in order to defend their dirty affair, and to describe it better than they themselves would do. Wherever it is convenient to treat me and the Jaggernaijkpoeram merchants badly, they have always been ready in this report, and to call black white, and white black, one can truly say that Mr. Schliefhaken, who had a thorough knowledge of everything that occurred, made a bad matter out of a very good and pure matter to please Mr. Tadama and the chiefs; are these not sufficient proofs of his wicked character, and that if he were to enter into the circumstances of the chiefs, he would certainly do no better in looking after the Company's interests, and just as he has already made a beginning at Palicol in oppressing the inhabitants and seizing their lands and goods, which will become further apparent. — Meanwhile, I proceed to their first complaints, that I had extended my walk a 1/4 of an hour outside the limits, why did those gentlemen not speak to me directly about that, since I met those gentlemen there that same day. Secondly, of being kept prisoner like a murderer, appears, and is already demonstrated by the cruel treatment of my slaves, who were not allowed to go outside even to relieve themselves, whereby an infection was caused, so that we all became ill in that unbearable heat, and that the doctor was granted to us and then refused in a capricious manner. Regarding the warehouses, it has been dealt with, and Ramaija will explain better than I, how the taken-over and already packed goods were returned to them, how he and his team were dismissed from service, and how they favoured those of Mazulipatnam above all -. Here the gentlemen ought to have mentioned that they opened the cash-box, broke the seal of the Company and of the witnesses, without the presence of van Holt and Dasilva, who declared that they could not sign for that, van Holt had also told him, namely to Dasilva, that he would not sign, but those gentlemen said there will be no inquiry into it, just sign, being afraid seeing all the violence, so they both signed, Roge and Appoll are my witnesses to whom Da silver recounted it, so
Dutch transcription
na dat ik het alvoorens bij den scriba op de stoef heb laaten gooijen, aangezien hij weijgerde om het te accepteeren, zoo dat alle de goederen nu staan te vermussen en te verzerven als schipbreuk gelee„ den hebbende, ik roef tot getuijgen alle de voorge„ noemde Heeren, die haare goederen daar in meede hebben, dat mijne goederen, wijnen als anderzints wer„ kelijk gearresteerd zijn, konnen de gecommitteerdens zelfs niet negeeren zoo meede als de scriba van Holt, Dirk sz: en Roge da silva en Hofland, wel is waar dat op de order van uwelEdele Gestr: van mij over te zenden na Palleacatta onder Escorte dat ze mij aanbooden de kleederen en het bedde goed weetende dat ik enkeld met twee koffertjes ver trokken ben van Palleakatta het Iaar te vooren, en dat door een zamenloop van omstandigheeden ik een geheel Iaar ontrieft ben geweest van al mijn goed, en dat geduurende mijne gevangenschap en mijne ziektens ik geen ander bedde goed gehad hebben als wat aan mijn pallenquin toebehoord, en dat zelfs tot heeden, waar aan moeten deeze kwaad„ aardigheijd niet wederom toegeschreeven worden om zoo moedwillig mijn goed te laaten verderven, al„ wederom om de heer Padama te believen en ge„ hoor te geeven aan zijn particuliere brieven. die Heeren moeten aanspaekelijk blijven voorde gevolgen 165 gevolgen en schadeloos stelling, ten waare zij aan„ toonde wien hun geregtigt heeft tot alle deeze illegale handelwijze En dat wel voor al dat schliefphaken opgeroeppen moet worden om zig te verdeedigen van tegen zijn beeter weeten aan de ruine van de Comp:es te hebben helpen bevorderen, en wat reeden die twee heeren hadden van mij te onthouden de wijnen die tot la„ ving gezonden wierd, in mijne ziekelijke omstandig„ „heijd; ook warom die lieden vervolgd wierden, die men verdagt hield van mij geld te leenen, en als gevangen kreeg, ik geen onderhoud als alleen mijne 3000. dubboesen, terwijl ik 50. pagoden 'smaands verteerde; waarom mogt ik mijne paarden niet verkoopen tot onderhoud; waarom mogt ik niet afgeeven mijn houtwerken ten bedragen van 8000. ropijen wer„ kelijk verkogt, maar in plaats van dat wilden ik twee blinden en 1. deur laaten maaken, wanneer den rapport ganger permissie bragt onder die mits dat ik flanken zoude laaten koopen, het geen ik ook gedaan hebbe. Aangaande nu het rapport van de heer Heshusius en Schliephaken van den 16. November 1790. , welke zij verzoeken dat dienen mag tot hun lieden verantwoor„ ding. 39 Ik geeve dit geheele stuk over aan de onpartijdige wereld wereld of die twee Heeren in dat document voor ko„ men als twee onpaatijdige gecommitteerdens, dan wel, als twee advokaaten, die zoo als het schynt toe„ gevogd zijn aan de onnozele opperhoofden, om hunne vuijle zaak te verdeedigen, en boeter k: beschrijven als zij zoude doen. Waar het maar te pas komt om mij, en de Iagger„ hewalijk waijkpoeramsche kooplieden ^ te bejegenen zijn zig altijd gereed geweest in dit rapport, en zwart wit te noemen, en wit zwart, men kan reëël zeggen dat de heer schliefhaken die eene doorgrondige kennisse had van al het voorgevallene, dat hij veel van een goede zuijvere zaak, een quaade zaak gemaakt heeft om de heer Tadama en de opperhoofden te believen, zijn dit geen genoegzaame bewijzen van zijn ondeugend Caracter, en dat wanneer hij in de omstandigheeden quam der opperhoofden hij het voor al niet beeter sou„ de maaken in het behartigen van Comp:s belangens, en zoo als hij ook reets een begin gemaakt heeft op„ Palicol met de ingezetenen te onderdrukken hun landen goed te vermeesteren 't welk nader blij„ ken zal. —. Intusschen ga ik over tot hun eerste klagten, dat ik een ¼ uur tuijten de lemieten mijne wande„ ling geEitendeerd had, waarom hebben mij die hee„ ren niet direct daar over onderhouden, vermits ik 166 ik den zelfden dag die heeren daar ontmoeten Sweedens van als een moordenaar gevangen ge„ houden te zijn, blijkt, en is riets aangetoond door de Cruelle behandelingen van mijne slaaven die niet buijten mogten gaan om zelfs hun behoeft te doen, waar door een infectie veroorsaakt wierd, dat wij in die onverdragelijke hitte alle siek wier„ den, en dat ons den docter op een Capricieuse weijse. dan geaccordeerd, en dan geweijgerd wierden. Omtrend de pakhuijsen is verhandelt, en sal Ra„ maija beeter bedeelen, als ik, hoe dat hen de overge„ nomene en reets gescheefte goederen weerom zijn gegeeven, hoe hij en zijn ploeg uijt den dienst geset is, en hoe men de Mazulipatnamse boven alles favoriseerden -. Hier hadden de heeren of moeten laaten vol„ gen dat zij de cassa open gemaakt hebben het ze„ gel van de Comp:e en der getuijgen afgebroeken hebben, sonder bij zijn van van Holten Dasilva, die declareerde daar niet voor te konnen tekenen ook had hem van Holt gesegt namentlijk aan Da„ silver niet te zullen tekenen, maar die heeren zij de daar zal geen navraag nakomen, teekend maar, bevreest zijnde siende alle de geweltspleeging zoo teekende sij beijde, Roge en Appoll zijn mijne getuijgen daar da silver het tegens verhaalt heeft, zoo
English
so that I demand that they be questioned under oath, if they should be unwilling, and that such a scribe's copy be corroborated as being that of a public notary. Regarding the extortion of the so-called costumados, I refer to what was previously dealt with, and to the handwritten document of van Halm concerning this, with the distribution of how and in what manner the payment was made. If the merchants are so rich and generous, why then do they not pay their debts to the Company? Furthermore, the Gentile complaint and handwriting of the Jaggernaijkpoeram merchants indeed shows otherwise, how they sigh under it. For those of Mazulipatnam it was in their interest to answer thus, and those of Jaggernaijkpoeram had been imprisoned as criminals concerning this, and yet they did not get the money back; why should they expose themselves to other dangers? Regarding the imprisonment of the merchants, they themselves admit it was not entirely unfounded; this bordered very closely on the conduct of the Chief Lovenair, as those people themselves assert. Regarding the dismissal of the merchants, there is, in my opinion, nothing to report on that, and so they conclude. 167 The 3rd accusation, regarding reducing the account by taking over goods or the new demand, has been dealt with at length, and as I believe, stated point by point. That they allowed the merchants to depart who were running up debts in the books, and that the others came back in again, is an undeniable truth, as appears from my petty servant, and on this Mr. Obdam can be consulted, as also Ramaija, the interpreter and Brahmin, van Holt, chief peon, and the Kotwal. The fifth, that Batjoe Balla Ramaija lives outside the territory, is strictly against the instructions for the Chiefs drawn up by the Honorable Mr. Haksteen. Regarding the coral, it appears much more clearly in the Gentile complaint than in this extorted attestation; I hold this to have been proven by me to the contrary. Regarding the 80 bahar of copper, they have the pleasure of being able to state that it has been paid; have the interests also been paid from August until the day of payment? I hear nothing of that. The refusal and the failure to take over the transport has been dealt with at length and proven. Regarding the complaints that one was not called during the sorting sorting of the linens, they were not under my responsibility. Messrs. Commissioners, or Messrs. Advocates of bad causes, what sort of sorting was that then? Were they the remaining goods from the previous year, which could not be sent? Then those gentlemen have made a false report, and the goods were not ready, and for that reason the Company sloops were laden with private packages, as appears from the fact that I myself received several packages of gunny and dungaree with those same sloops, so that there was room. If they were on the new demand, then it was necessary that I should have been present. That the samples were poor, I have demonstrated by buying 12 pieces of the English, our Company assortment, and showing him, Ramaija, the difference for the same price. But for what do the merchants pay, if it is not to blind the Governor and the Chiefs? Those pieces of guinea cloth still lie at Jaggernaijkpoeram, to be able to serve as proof. On the 9th accusation, concerning the per cento in the warehouses, fully proven by the informant. Regarding the uniting of the two offices, that has also been dealt with, and the tempestuousness in my character 168 was not taken into consideration until after I sought to hold everyone to their duty and accountability, and with a false accusation they seek to answer that balance. It is not enough always to speak without indeed proving in what my passions consist; can you people name anyone who has been mistreated in deeds or words? My strong letters to the Commissioners, let them bring the same forward; it will provide proof of their infamous conduct and partisan behavior, as in the case of King Blandouw and King Hoflanden. Regarding not arresting the goods of the departed merchants, it was not deemed of such importance to proceed to that. Certainly it was of no importance at that time to the Chiefs, who watched that mock fight from close by, and that it was merely to deprive me of my name and reputation; that once having succeeded, those people would indeed return of their own accord, as has appeared. On this, the Interpreter above all ought to be heard, for Triwengelam sent to the departed merchants a paper detailing what complaints and grievances they were to bring in, which had first been drawn up by Ravallet, van Halm, and van Someren. That the Jaggernaijk merchants were said to have declared.
Dutch transcription
zoo dat ik verg dat zij op den Eed gevraagt worden, als zij onwillig mogten zijn, en dat zoo een scriba exemplaar gestaaft word, als een publicq notaris zijn„ Omtrend de afpersing der zoo genaamde Costu„ mados, refereer ik mij aan 't voorige afgehandelde, en tot het eijgen hand schrift van van Halm dien aangaande met de verdeeling hoe, en op wat wij ze„ de betaling geschied is, als de kooplieden zoo reijk en gevereus zijn, waarom betaalen zij dan hun„ ne schulden niet aande Comp:n daar en boven het Ientiefse klagt en hand schrift der Iaggernaijk poeramsche kooplieden toont wel anders aan, hoe zij er. onder sugten de Mazulipatnamse was het hun zaak om zoo te antwoorden, en die van Iaggernaijkpoeram hadden dien aangaande als Crimineel gevangen gezeeten, en zij kreegen tog het geld niet weerom, waarom zouden zij zig in andere gevaaren begeeven. Omtrend de gevangenschap der kooplieden beken„ nen zij zelfs niet geheel ongegrond was, dit sweef zeer na de handelwijze van het opperhoofd Love„ naar zoo die lieden zelfs voorgeeven. Het uijt den dienssetten der kooplieden daar valt naar mijne gedogten niets over te berigten zoo eijndigen zij — de. 167 De 3. beschuldiging van de reekening te ver„ minderen met goederen overteneemen of den nieuwen Eijsch is in 't breede verhandelt, en soo ik meen van stuk tot stuk opgegeeven. dat zij de kooplieden hebben laaten uijtwijken die dewelke bij de boeken voortliepen, en dat de andere weer binnen zijn gekoomen is een waaragtige waarheijd, blijkens mijn klein dienaartje en hier op kan de heer Obdam of nageslagen worden, als ook Ramaija, den tholk en bramine, van Holt, hoofd-pion, en Coterwal de vijfcte dat Batjoe Balla Ramaija buijten het lerritoir woont is volstrekt tegens de in„ structie der opperhoofden door den welEdelen Heer Haksteen opgemaakt Omtrend het coraal blijkt veel klaarder in 't Ien„ liefse klagtschrift dan bij deeze afgeparste atte„ statie houde dit voor beweesen door mij van het tegendeel. —. omtrend de 80. bhaar koper hebben zij het vermaak van te konnen bedeelen dat het betaald is, zijn de interesse ook opgebragt van augustus tot den dag der betaaling! daar hoor ik niets van Het weijgeren, en het niet overneemen van 't transport is in 't breede verhandelt en beweezen. Op de klagten dat niet geroepen was bij de sortee„ ring ring der Lijwaaten, zij waaren niet voor mijne verantwoording Heeren gecommitteerdens of Heeren Advocaaten van kwaade zaaken, wat was dat dan voor sortee„ ring, waaren het de overige gebleevene goederen van het Iaar te vooren, die niet hebben konnen verzonden worden, dan hebbe die heeren een val„ sche rapport gedaan, en de goederen waaren niet klaar, en daar om wierde de comp:e Chialoupen met de particuliere pakken belaaden, blijkens dat ik zelfs verscheijde pakken van goenij en don„ grijse met die zelfde sloepen ontfangen heb, zoo dat er plaats was, waaren zij op den nieuwen Eijsch zoo was het noodzakelijk dat ik er bij dien„ de te zijn, dat de monsters voelden zijn heb ik aan getoond met 12 stukken te koopen der Engelsche„ onse Comp:s sorteering en aan hem Ramaija het onderscheijd doen sien voor deselfde paijs, maar waar voor betaalen de Cooplieden als het niet en is om den gouverneur, en de opperhoofden te verblinden die stukken guinees leggen nog of Iag„ gernaijkpoeram, om tot bewijs te konnen dienen. op de g:' accusatie van de p:r C:o in de pakhuijzen ten vollen beweesen door den berigt geever. — Omtrend het vereenigen der twee pleegen is ook verhandelt, en het onstuijmige in mijn Ceracter is 168. is niet in aan merking gekoomen, als na dat ik een ieder in zijn pligt en verantwoording sogt te houden, en met eene valsche beschuldiging soeken sij die waag te beantwoorden. Het is niet genoeg altijd te seggen sonder immers te beweijsen waar in bestaan mijne driften, kan uw lieden iemand ovrnoemen, die in da„ den of woorden mishandelt zijn, mijne sterke brieven aan de gecommitteerdens laaten zij dezelve te voor„ schijn brengen het sullen beweijsen uijtleeveren van hun lieder infaam gedrag, en partijdige ran„ delwijze, als in de zaak van koningen Blandouw, en Hoflanden koning- Van de goederen niet te arresteeren der uijtgewee„ kene kooplieden word van dat gewigt niet geagt om daar toe overtegaan, zeekerlijk was het van geen gewigt of die tijd voor de opperhoofden die dat siegel. gevegt van na bij in sagen, en dat het maar was om mij mijn naam, en reputatie te beneemen, dat eens gelukt zynde zoude die lieden wel van zelfs weer„ om koomen zoo als gebleeken is, hier op dient voor al den Tolk gehoort te worden, want Triwengelam sond aan de uijtgewekene marchianders een papier wat zij voor klagten en leeden moesten in brengen dat eerst door Ravallet, van Halm, en van someren opgemaakt is geworden—. Dat de Iaggernaijkse kooplieden gedeclareerd soude hebben. 1
English
that they no longer wish to serve the Company is mendacious, yet they still seek to give it a semblance of truth, but it is too burdensome. And as for what is alleged concerning the spices, all are fabrications. When they make a profit on trade they do not come to report it; this must be offset against one another, and it must be understood that the Company's merchants are not forced to buy, and why should they come to buy if they had no prospect of profit. As the suitable means to ascertain the prices of the sown goods, the gentleman commissioners propose to have them surveyed by faithful people. I am of the same opinion, and I do not entrust this to these corrupt commissioners, at least not to Schliephaken, who knows the prices very well, but as he is a commissioner himself he fears the discovery thereof; for he cannot find his livelihood so amply otherwise, notwithstanding that he robs and steals from the good inhabitants their land and drives them from their possessions, a matter, Right Honorable Sir, that absolutely requires investigation, for those people have been complaining since the time of Blaaukamer, and have been reduced to the begging sack because of it. Further information will be provided by me when it is required; here is not the place. Regarding the cited dispute, persecution, and enmity between Triwengelam and Bolle Ramaija, I must remark upon that: that if this takes place, Ramaija ought to be patronized by the Company rather than an insolent foreign fellow like Trewengelam, who is full of tricks and intrigues, and who has once again bribed that Raja to occupy the place, although higher personages lurk behind it. In contrast, Ramaija is a renter and inhabitant of great credit among the natives and high-caste Brahmins, whereas the other is merely a boutique keeper and a foreigner. But those gentleman commissioners with their faction are to be compared to those who are about to drown; they seize upon the smallest blade of grass as eagerly as a heavy rope, in the hope of saving themselves. They never thought of an honest and just investigation; it has been so impressed upon them that I would be sent directly to Batavia without further hearing and without inquiry, as they would also send the false documents, so that they counted me as already departed. How many times have they not said to the faithful Ramaija: you keep hoping and waiting for Van Bijland, but that is in vain; when will his case be decided? You will hear no more talk of it. He will not deny it; he has told me so himself. What they further cite regarding the Honorable Haksteen is completely irrelevant to the matter. Furthermore, regarding the Honorable Mr. Haksteen, although he was an Honorable Gentleman, much human weakness shone through in his conduct, and had Mr. Haksteen never tampered with the coinage, the possessions of these coasts would be in a different condition than they are at present. But people imagine that by reciting the dead, their orders, and history, these are then holy and unimprovable. My sentiments do not tend that way, and however great a man is here in India, the less credit I grant to their actions; I know India all too well to let myself be blinded by that. About the 10,000 rupees has been negotiated, and those people must be heard further, as it was extorted both at Palleacatta and Iaggernaijkpoeram to sign according to the pleasure of those who were interested in it. As for the dabousen, I do not believe I need add more than I have already shown, and here in particular one may ask again: are those impartial commissioners or renegade lawyers to give a veneer to the chiefs, who are too stupid and too ignorant to conceal their own foul conduct, dealings, and ways. But in short, the confession is there, and the excuse is feeble, a fine pretext to favor trade and debit; thus they make the daboussen lighter instead of making them heavier. Regarding the 40 to 50 armed men heard for Triwengalam, I attest that instead of 40 or 50, as many as 80 were in his service at first when the Iaggernaijkpoeram merchants were imprisoned, and subsequently to block the roads so that my cutter would not depart for Batavia, to intercept my letters and papers if possible. He seldom entered Iaggernaijkpoeram with less than 20 men before the arrival of the commissioners, and he was also at my house several times in that manner, which is true; but one ought also to say at the same time that because of that large retinue and state which was forbidden to him by the Ravallet, he immediately left our place. And did he not resist the arriving chief with his people, withhold the Masulipatnam merchants from their lawful judge, and violate the territory? But that is nothing at all to the side of the bloodsuckers of the Company, for those are fine people who howl, yes, who howl with the wolves.
Dutch transcription
hebben de Compagnie niet langer te willen dienen is leugenagtig maar zij zoeken daar nog een schijn aan te geeven, maar dezelve is te lastbaar, en wat het voorgeeven is der specerijen, alle verdigsels, als zij winnen op den handel koomen zij het niet vertellen, dit moet door elkanderen geslagen worden, en insien dat Comp:s kooplieden niet gedwongen worden om te koopen, en waarom soude sij komen koopen als zij geene voor uijt zigt van winst hadden. Het geschikte middel om de prijzen der gezaaijde goederen te weeten, vermeene de heeren gecommitteer„ dens, om door getrouwe lieden te doen ofneemen, ik ben van 't selfde gevoelen, en vertrouwe dat niet aan deeze gecorrumpeerde gecommitteerdens, ten minsten schliephaken, die de prijzen zeer wel weet maar als zelfs commissionant vreest hij de ontdekking, van dien; want hij kan zijn bestaan niet zoo ruijm anders vinden, niet tegenstaande hij de goede inge„ zetene ontroofd en besteeld van hun land en drijft hun uijt hunne bezettingen, een zaak welEdele Gestr: die absolut onderzoek verEijscht, want die lieden klagen zeedert den tijd van Blaaukamer, en zijn door dat aan den bedel sak geraakt nader onderrichting van mij wanneer het gerequireert word, hier is de plaats niet Omtrend de aangehaalde verschil, vervolging, en vijandschap 169 vijandschapp, tusschen Triwengelam, en Bolle, Ra„ maija, daar moet ik ove remarqueeren; dat zoo dat plaats heeft Ramaija meerder door de Comp:e dienden gepatrossineerd te worden als een ofvoerige vreemde. vent als Trewengelam, die vol streeken en intrequen is, en die immeres die Raadjen alwederom overgestoo„ ken heeft om der plaats te besetten, hoewel daar hooger personagien agter schuijlen, daar en tegen is Ramaija pagter en inwoonder van groot Credit bij den inlander en hooge Caste bramine, den andere slegs een boutequia, en een uijtlander, maar die heeren gecommitteerdens met hunnen aanhang zijn te vergelijken bij die, dewelke staan te ver„ drinken zij neemen tot het kleijnste gaas spiertje zoo greetig als een swaar touw, in hoof van sig te redden, zij hebben nimmer op een eerlijk en recht„ vaardig ondersoek gedagt, men heeft hun dat zo„ danig ingeprent dat ik direct zonder verder ver„ hoor, na Batavia zoude gezonden worden sonder navraag, als de valsche documenten die zij meede zouden zenden dat zij reekende mij reets vertrok„ ken; hoe menigmaal hebben zij niet aan den trouwen Ramaija gesegt uw blijfft hoopen en wagten ovpe van Bijland, maar dat is te vergeefs, wanneer zal„ die zijn zaak beslist worden, daar sal uw niet meerder van hooren spreeken, hij zal dit niet ontkennen schap en ontkonnen hij heeft het mij selfs gezegt. Wat zij verder omtrent de Edelen Haksteen aanhaalen doet ter zaake niemendal, ten anderen de Edelen Heer Hak Heen of schoon hij Edel. Heer was, in sijn gedrag straalt veele menschelijkheijd in door, en had de heer Haksteen nimmer aan de munt specien getornt, zoo zou de bezittinge deezer kusten in een andere omstandigheijd zijn, als zij thans is maar men verbielt sig met de dooden haare ordres en geschiedenisse op tenoemen, dat zij dan Heilig en onverbeterlijk zijn, mijne gevoelens swee„ ven daar niet na, en hoe grooten een man hier in In„ dia is, hoe minder Credit ik vergun, aan hunne ver rigtingen, daar ik India al te wel toe, om mij daar door te laaten verblinden. omtrend de 10'000. roppijen is verhandelt, en moeten die lieden nader gehoord worden, als zijnde afgeperst zoo op Palleacatta als Iaggernaijkpoeram om te teekenen naar welgevallen den geene die daar bij geinteresseert waaren Wat de Dabousen betreft vermeen ik niet meer„ den bij te voegen, als reets aangetoond heb, en hier sonderlijk kan men alweder om vraagen zijn dat onparthijdige gecommitteerdens of verloope ad„ vocaaten om de zaak een oogenscheijn te geeven van de opperhoofden, die te stom, en te ignorant zijn 170 zijn om hun eijgen vuijl gedrag handelen wandel. te verbergen, maar en fin de confescie is daar, en de verschooning is flaauw een kostelijke reeden om den handel en het debet te favoristeren, zoo maaken zij de daboussen lichter, in plaats van de zelve swaarder te maaken. Omtrend den 40. à 50. gewappende in hooren voonr Tri„ wengalam, atse steer ik dat in plaats van 40. of 50. wel 80. in zijn dienst waaren in 't eerst toen de Iaggernaijkpderamse kooplieden gevangen wierden, en vervolgens om de weegen te besetten dat mijn cotter niet na Batavia sou vertrekken met mijne brieven en papieren te onderscheppen, was het moge„ lijk, selden kwam hij binnen Iaggernaijkp:m, als met 20. man, voor de komst der gecommitteerdens, u en ook zoo verscheijde maal bij mij aan huijs geweest is, dat is waar, maar ook diende men teffens te zeggen dat om die groote sloet en staat die hem door de Ravallet verbooden wierd, hij direct onse plaats verlaaten heeft, en heeft hij zig niet met zijn volk verzet tegens het aankomende opper„ hoofd, met de Mazulipatnamse, kooplieden van hunne wettigen rechter te onthouden, het terri„ toir gevioleert, maar dat is niemendal aan de kant der bloed suijgers van de Comp: want die sijn brave lieden die huijlen, Ia die huijlen met de wolven
English
wolves in the woods who go hand in hand with Mr. Tadama and the chiefs. And since the gentleman van Bijland has flatly refused to answer any of our questions. Yes, gentlemen, I have flatly considered you all to be corrupt servants of Mr. Tadama, who by their conduct have demonstrated their partiality, even in this report, and that you are unworthy to manage the Company's interests, having announced them contrary to their conscience and better knowledge, principally that Prussian soldier who, through his inborn slavish subordination, imagined that Tadama was Frederick, and thus at will could call black white: should I answer such delegates who at least in their conduct were no better than those chiefs whom they came to try? You, Mr. Heshusius, what do you have to bring against the daboussen that took place at Iaggernaijk in imitation of Bimili; can you deny for what reason in January or February your merchants were arrested? Shall I say it? For the same reason as at Iaggernaijkpoeram; from Mr. Schliephaken you would apparently answer because you showed yourself capable in the estate accounting of Mr. Blaaukamer in favor of Messrs. Tadama and Meppen. No, sir, there I have already perceived that your skill consists of making black white and white black, or should I now have had to trust because your land, sanett, and possessions of the inhabitants drag into your nest at Palicol: No, gentlemen, your manner of acting has been all too suspicious and shall not remain hidden. Must I still trust you after having opened mine and other letters? No, gentlemen, the fiscal can demand your hearth upon that according to the tactile evidence and heaps, and I also desire that such infamy be punished according to merits, and to the deterrence of others, there is no Tadama anymore to save you: law and justice have returned to our possessions, which were banished for so long, yes, to the joy of the well-meaning. How many times have you not said one will sacrifice van Bijland rather than bring 20 to 25 into misfortune? No, gentlemen, one will sacrifice no one, where each shall be dealt with according to right and worth. Mr. Tadama is no more; that is now today our form of government in which we rejoice and place our chief comfort and trust, in order to forget the past. Furthermore, they consider it superfluous to expand further, given the pretense that I acknowledged them as partial, this has already been proven all too clearly to repeat the same, but the last part of that article, when I was supposedly more authoritative in my discourses. Your Right Honorable will please observe that we had no discourses, except upon their arrival, and then once more when I requested to speak with them, on the occasion that they were guests the evening before around next to my door at Latouche's, when I noticed great commotion among my guards; I asked the reason, I was answered that the kotwal had come to say to watch carefully, that I should not come before the door with a pistol or gun, to shoot one of them dead, since the gentlemen sat outside, that running back and forth and watching distressed me so much that I closed my door, and went to bed without eating, being bitterly grieved by such an accusation or suspicion. The next day those gentlemen came, the kotwal was called, and against all the witnesses of me and my house, nevertheless it was not true, the message had only been not to sleep, and let it rest there, well knowing the persecution those people would undergo by testifying the truth, all the sepoys will testify it, also the report-runner, also the present head peon, who was then kotwal, furthermore the conversation was so friendly that those gentlemen came a few days later, the two of them, to have supper with me, as appears from the accompanying letter No. 6, Chap: 3. And since His Honor has complained to everyone of having been locked up or arrested like a murderer, well, gentlemen, what is missing from that, except for the irons and bolts, what more could you do, besides that what right did you have over my slaves and freedmen to arrest them also in such a barbaric manner, here accompanying the attestation of the report-runner, a Company peon, moreover all the sepoys, in a word the whole of Iaggernaijkpoeram. Once I jumped from the porch to come to the aid of my groom, while one of the horses was causing great violence, in the evening the report-runner received clear instruction, with the addition he is a good horseman, he jumps on the horse and flees, the report-runner said it is his only pleasure that in the evening at 6 o'clock those horses are brought walking past his door to see if they are well looked after, what, we know nothing of that, take him by the arm, and bring him inside. The criminal imprisonment has been proven to the extent that I, on the order of Your Right Honorable, was even dragged as it were across foreign territory with
Dutch transcription
wolven in 't bossen die gaan hand aan hand met de heer Iadama, en de opperhoofden En nadien de hier van Bijland volstrekt geweijgert heeft op een van onsen vraagen te antwoorden. Ia mijn Heeren volstrekt heb ik uw lieden geconsidereerd al gecorrumpeerde dienaaren van de heer Tadama die door hunnen handel en wandel getoond hebben hunne partijdigheijd, selfs in dit rapport, en dat gijlieden onwaardig zijt Comp:s belangens te beheeren als tegens hun geweeten, en beeter weeten aangesondigt te hebben, principaal die pruijsche zoldaat die door zijn ingeboorene slaafsche subordinatie sig verbeelde dat Padama Frederick was, en dus na welgevallen swaat wit kon noemen: sou ik antwoorden aan sulke gecommitteerdens die altans in hun gedrag niet beeter waaren als die opperhoofden, dewelke zij te recht kwamen stellen, Gij heer Heshusius wat heeft uw in te brengen tegens de daboussen dat of Iaggernaijk in navolging geschied is van Bimili; kan uw ontkennen om wat reeden in Januarij of februarij uw kooplieden gearresteerd zijn geweest. sal ik het zeggen. Om dezelfde reeden als op Iaggernaijkpoeram; bij heer schliephaken soude uw antwoorden apparent om dat uw sig bekwaam getoond heeft in den boedel reeke ning vanden heer Blaaukamer in faveur vande Heeren Sadama. 1n 171 Tadama en Meppen. Neen mijn Heer daar heb ik reeds ingezien dat uw bekwaamheijd bestaat om swart wit, en wit swart te maaken, of sou ik nu hebben moe„ ten vertrouwen, om dat uw land, sanett, en besittingen der ingezetenen in uw nest sleept of Palicol: Neen mijn Heeren uwes handelwijze is al te suspect geweest en zal niet verborgen blijven moet ik uw lieden nog vertrouwen van mijne, en andere brieven te hebben geopend, Neen mijn Heeren, de fiscaal kan daar op uw heerd Eijsschen volgens de tasten, en hooppen en ver lange ook dat diergelijke infame gestraft word na meriten, en ter afschrik vak anderen, daar is geen Tadama meerder om uw te redden: regt en gereg„ tigheijd is in onze bezittinge weerom gekomen, die zoo lang verbannen was, Ia tot vreugde der welmeenen de, hoe meenigmaal hebben uw lieden niet gezegt men zal van Bijland sacrefieeren veel liever als 20. â 25. in 't ongeluk te brengen, neen mijne Heeren men zal niemand sacrifieeren, waar elk sal na regt en waarde gehandelt worden, de heer Tadama en is niet meer, dat is nu heeden onse regeering form daar wij bij overluijken en onse hoof troost, en vertrou„ wen in stellen om 't voorige te vergeeten. Verder agten zij het overbodig zig verder uijtte„ breijden aangezien het voorgeeven dat ik hun voor Parthij dig erkende, dit is reets al te klaar bewee„ zen, zen, om 't selve te herhaalen, maar het laatste deel van dat articul, wanneer ik gemagtiger geweest was in mijne discoursen. uwel Edele Gestrenge zal gelie„ ven over te merken dat wij geen discoursen gehad heb„ ben, als bij hun lieden komst, en dan nog eens dat ik hun lieden verzogt te spreeken, bij gelegendheijd dat sij des avonds te vooren omtrend naast mijn deur bij Latouche te gast waaren, wanneer ik groot beweeging bespeurde onder mijne wagters; ik vroeg de reeden, mij wierd geantwoord dat de Caterwal was komen zeggen ter deegen op te passen, dat ik met geen pistool of geweer voor de deur kwam, om een van hun„ lieden doodt te schieten, aangezien de groote het te sij buijten saaten, dat geloff over en weder en oppas„ sen, bedroefde, mij zoo zeer dat ik mijn deur sloot, en gong sonder eeten na bed, bitter bedroefd zijnde voor zulke eene beschuldiging of verdenking, des anderen daags kwaamen die Heeren, de loterwal. wierd geroepen, en tegens alle de getuijgen van mij, en mijn huijs eevenwel was het niet waar, de boodschap was maar geweest om niet te slaapen, en lied het ur bij wel weetende de vervolging die die lieden zouden ondergaan met de waarheijd te getuijgen, alle de sipaaijs sullen het getuijgen ook de rapportganger. ook den tegenwoordigen hoofd-pion, die toen Coter„ wal was, verder was de conversatie zoo vriende-„ lijk 172 lijk dat die Heeren quamen eenige dagen daar na onder haar beijde bij mij soupeeren, blijkens de ne„ vens gaande brief N:o 6. , Cap: 3. En nadien zijn E: bij een ieder beklaagt heeft van als een moordenaar opgeslooten of gearresteerd „te zijn geweest, wel mijn Heeren wat manqueert daar aan, op de Eijsers en bouten na, wat kon uw lieden meer der doen, behalve dat wat regt had uw ove mijne slaven en vrijgegevene van die ook op zoo eene barbarische weise te arresteeren hier nevens het attest van den rapportganger een Compagnies pion daar en boven alle de Sipaijs, met een woord geheel. Iaggernaijkpoeram, eens Sprong ik van de stoef om mijn paarde knegt te hulp te komen, terwijl een der paarde groot geweld maakte, 's avonds kreeg den rapport ganger een heldere onderrichting, met bijvoeging hij is een goed ruijter, hij sprong op het paard en vlugt, den rapport ganger zeijde het is zijn eenigste vermaak dat 'savonds om 6. uuren die paarde wandelende voor bij zijn deur gebragt worden om te zien of zij wel opgepast zijn, wat daar weeten wij niet van, neem hem bij de arm, en brengt hem binnen. De Crimineele gevangenschap is zoo verre be„ weezen, dat ik mimers of ordre van uwelEdele gestr: selfs over vreemt territoir als gesleept ben met
English
with 6 peons of the Company, while my word of honor was not accepted to proceed directly to Palleakatta. Regarding the goods which they maintain they did not seize, although they say this occurred not on their own authority, but by order of the government, this has been discussed at length with the witnesses cited in that regard. I request here either satisfaction and to be held harmless for costs before and prior to my taking over any of those goods, just as little as my vessels, and I refer to the protest of 16 July, as well as to the previously cited witnesses and evidence annexed hereto. They leave it entirely to Your Right Honorable's wiser judgment, while I, along with all my household slaves and freedmen, will testify and swear that from 14 April until my departure, no foodstuffs, nor water, milk, and butter were brought into my house that were not first tasted by my dogs, and that then one of my dogs came home severely hacked with cuts, and the other was poisoned two days thereafter, which all those keeping watch for me will testify to. Next, the gentlemen excuse themselves in that report for having refused me everything upon my departure to obtain, in accordance with Your Right Honorable's respected orders, all those informations and attestations that I shall deem necessary, etc. etc. The cash account and that of the merchants was very essential to me, since from that pecuniary matter arose all the far-reaching discrepancy, and most notably that I had predicted in February that the merchants would go bankrupt that very same fiscal year. Everything else mentioned in the report has already been refuted. When I proceed to the forwarded extract of 11 October from the Council of Cormandel, wherein Your Right Honorable orders that I should be sent away either by sloop or by escort over the land route, after having first obtained all the information, attestations, and intelligence that I shall deem necessary, may Your Right Honorable please excuse me for lingering on this for a little while, and for first appealing to my letter to Your Right Honorable to refer myself thereto, dated [illegible], wherein it appears that Your Right Honorable is no longer ignorant of the entire Cormandel transaction regarding me, and that the violence perpetrated upon my person and property had its origin on account of a private letter to Mr. Tadama of 2 March. How could Your Right Honorable also consent to that violent, illegal mode of action, first not only by continuing my criminal imprisonment, but further aggravating it by increasing the insults, having me escorted by peons across foreign territory? Either Your Right Honorable had reason for this, or else it is indulgence toward my enemies. For why does Your Right Honorable release me eight days after my arrival here upon a simple petition, which I submitted even against my own feelings, being virtually compelled by the weak condition in which I found myself? Indeed, no new matter had intervened, for that of the fiscal was not only completely unsubstantiated, but was not even admissible in law any longer, he having been ordered to institute his action against me on 12 March, when he was ordered to do so anew in October, dated [illegible], by Your Right Honorable, and only delivered it to Your Right Honorable on 10 December, being as little acceptable as before, having neither head nor tail, nor substance, nor conclusion, but solely a false, slanderous accusation without any evidence acceptable in law. So that the main seizure could just as well have taken place at Jaggernaijkpoeram as here, and thereby that cruel, illegal transport would also have been avoided, were it not that I still had to endure that insult to the joy of my enemies, and to the shame of all who bear my name. Without accusing Your Right Honorable of partiality, I will leave to the reader the difference in treatment between Mr. van Halm and me. He departs with all honor and state from Jaggernaijkpoeram, where all his cabals and malversations took place before Your Right Honorable's arrival. However partial they were, the Council of Palleakatta nevertheless did not deem him worthy to demote him as Chief Administrator. He arrives in glory at Palleacatta, is ushered in according to custom under the firing of cannon, yea, as if he had performed miracles at Jaggernaijkpoeram, and directly assumed the post of secunde. Was this on account of his ability? Truly not; I appeal to Your Right Honorable yourself. On the other hand, the secunde van Someren is deprived of his office and suspended, without recalling him, whereby he can still cause many troubles among the natives against the new commissioners and the elected secunde. May I ask, with favorable interpretation, what greater guilt does he bear than van Halm upon his arrival? Has he the customary imported moneys
Dutch transcription
met 6. pions van de Comp=ie terwijl mijn woord van eer niet aanneemelijk was van mij per naaste naar Palleakatta te begeeven /:omtrend, de goederen die zij sustineeren die niet gearresteerd te hebben; hoe„ wel seggen zij niet over eijgen anthoriteijd, maar op de ordre van der regeering soude geschied zijn, is in 't breede verhandelt met de getuijgen dien aan„ gaande aangehaalt, versoeke hier of satisfactie kosten schadeloos gesteld te worden voor en al eer ik iets van die goederen zal overneemen, zoo min als mijne vaarthuijgen, en refereere mij aan 't protest van den 16. Iulij, als ook aan de voorige- aangehaalde getuijgen en beweisen, hier annex zij laaten het in 't geheel aan uwelEdele Gestr: weiser oordeel over, terwijl ik met alle mijne huijs slaaven en vrij gegeevene attesteeren en beeedigen sullen, dat van den 14. april tot mijn vertrek geen eetens waaren, of water, melk en boter: in mijn huijs gebragt is, dat niet eerst door mijne houde gevproeft is, en dat toen een mijner houden swaar gekapt te huijs is gekomen, en den anderen twee dagen daar na vergeeven, 't welk alle mijne wagt houdende sullen attesteeren —. vervolgens ontschuldigen sig de heeren in dat rapport van mij alles geweigert te hebben bij mijn vertrek om volgens uwel Edele Gestr: gerespecteerden 173 gerespecteerde ordres in tewinnen alle die infor„ matien en attestatien, die ik sal vermeenen be„ noodigt te zijn &:a &: De Cassa reekening, en die der kooplieden was zeer Essentieel voor mij aangezien uijt het pecunieele voorge„ sprooten is alle de verregaande discrepance, en wel voor„ namentlijk dat ik in februarij voorsegd had dat de koop„ lieden nog dat selfde boekIaar banquerant zoude doen. Al het overige in het rapport vermeld is alles reeds weder„ legd. Wanneer ik overige tot het toegezondene Extract van den 11. october uijt raade van Cormandel alwaar uwel Edele. gestr: ordonneert van mij per de sloep, dan wel. per Ecorte over den landweg soude ofzonden, na alvoorens alle de informatien en attesten en kondschappen ingewonnen te hebben, die sal meenen te behooren, uwel Edele Gestr: ge„ lieft mij te excuseeren van mij heer een weijnig bij opte„ houden, en mij eerstelijk te beroepen of mijn brief aan uwel Edele gestr: om mij daar aan te refereeren in dato . . . alwaar blijkt dat uwel Edele Gestr: niet meer onkundig is van de geheele Cormandelse transactie omtrend mij, en dat de vrolentie op mijn persoon en goederen geperpetreerd zijn oorsprong heid, om de wille van een particuliere brief aan de heer Tadama van den 2. Maart, hoe kon uwelEdele Gestr: in die geweldige ilegaale handelwijz, meede in toestemmen eerst eerst met mijne Crimineele gevangenschap te Con„ tinueeren, niet alleen, maar die nog te verswaaren, met de insultens te vergrooten van mij per pions over vreemd territoir te laaten escorteeren of uwel Ed: Gestr: had reeden tot dit, of wel het is toegevendheijd voor mijne vijanden, want waarom ontslaat uwelEdele Gestr: mij agt dagen na mijn arrive hier over een sim„ „pel request, dat ik nog tegens mijn gevoelen aan in„ gedient heb, maar als gedwongen ben geworden door de swakelijke toestand daar ik mij in bevond Immers daar was geen zaak tusschen beijde geko„ men, want die van den fiscaal was niet alleen niet bank vast, maar was selfs niet meer accep„ tabel in rechten, als zijnde geordonneert om zij ac„ tie tegens mij te institueeren op den 12. Maart wanneer hij op nieuw daar toe geordonneerd is in october dato . . . . door uwelEdele Gestrenge en eerst op den 10. december aan uwelEdele Gestr: over„ gegeeven heeft, en alzoo min acceptable als bevoorens„ hebbende nog hoofd, nog staart, nog slat, nog con„ clusie, maar alleen een valsche Calommeuse beschuldiging sonder een beweijs in rechten ac„ ceptabeld, zoo dat die handlastig had zoo wel plaats konnen vinden of Iaggernaijkpoeram als hier, en daar door sou die Cruelle legale over„ voering meede voorgekoomen zijn, ten waare ik nog 174 nog die insulle moest ondergaan tot vreugde van mijne vijanden, en tot schande voor alle die mijn naam dragen; sonder uwel Edele Gestr: van parthijdigheijd te beschuldigen, zoo zal ik het aan den leezer overlaaten de differente in de behandeling tusschen de heer van Halm, en mij Hij vertrekt met alle eer en statie van Iaggernuijk„ poeram daar alle sijne Cauwelen en malverpatien plaats hebben gehad, voor uwel Edele Gestaenge zijn komst, hoe partijdig ook zoo hebben dog de pallea„ catse raad hem niet waardig geagt om hem als Hoofd administrateur te doen ofklimmen. Hij arriveert in Gloria op Palleacatta, word na de gewoonte in„ geleijd onder 't losbranden van 't Canon, Ia. als of hij miraculs verrigt had of Iaggernaijkpoeram, nam direct de secundes plaats over, was dit om de wille van zijn bekwaamheijd! waarlijk niet, ik beroep mij op uwelEd:e Gestrenge zelfs. Daar en teegen word den secunge van someren zijn dienst ontnomen, en gesuspondeerd, sonder dezel„ ve off te roepen, waar door hij dan nog veele troubles veroorzaaken kan onder den inlander tegens de nieuwe gecommitteerdens en den geeligeerde secunde„ mag ik onder gunstige welduijding vraagen, wat heeft hij voor grooter schuld, als van Halm bij zijn komst, heeft hij de ingevoerde Costumados gelden
English
divided money with de Ravallet, the dabboesen had been long in use before his arrival, as were also the unusual percentages in the warehouses introduced by van Halm and de Ravallet, he did not take the merchants prisoner, that is the matter of the chief, I speak impartially they are altogether not mine, but the Company's enemies; please now consider my situation against what has been advanced above, First I am out of service, secondly not yet finally released from arrest, no seat in the Council, no honors at the gates, two months here, what has been accomplished in my case; in my letter of 14 October to Your Right Honourable I already requested which people should be called up to give evidence, to this day no one has yet appeared, Yea today 25 December once again under favorable interpretation, with a truthful testimony that I write out of conviction of my conscience, and as to a most estimable and dearest friend, who has already tried in discourse to persuade Your Right Honourable to take a milder middle course, that matters were not so desperate, but that redress and reform could be sought without the total ruin of so many servants, who will nevertheless be insolvent, Your Right Honourable has already 175 already seen and read everything so far, and is thus convinced that I not only have not a single debt, much less a crime at Iaggernaijkpoeram, what could then prevent Your Right Honourable from consulting with me, and asking, would you still be willing to take over the debts of the merchants if they united, namely as one for all, and all for one with sufficient guarantors, gladly would I say yes, since van Halm and van someren are away from the place, and Iurwengalam can be denied access to the place, so there is no obstacle to be feared, and that single merchant who is not inclined let him pay his debt, or charge it to the account of the outgoing chiefs by this mild way those people under a capable chief would be able to recover themselves, and that heavy item would come off the account of the chiefs, who will nevertheless have enough to hand over what they must pay this opinion of mine is strengthened by the Extract and Instructions to the chiefs of Iaggernaijkpoeram resolved at Nagapatnam on 18 February 1766, and therein it is expressly stated to have the merchants bind themselves jointly and severally etc. etc. May I not after all this ask, why is my service withheld from me by Their High Mightinesses, favourably granted to me by Their High Mightinesses; did I strike the false coin, did I extort the morme money from the merchants, did I rob the Company, did I press coral into the hands of the merchants for the delivery, and keep them waiting eighteen months, without providing a dabous in cash. No Right Honourable Sir, that is your second the gentleman van Halm, whom you appointed as Chief Administrator. He is the man who shortchanged the Company's servants in their payment. Thirty-seven articles I have already handed over to Your Right Honourable eight days ago against van Halm, how much reason do I not also have to complain that the investigation does not take place at Iaggernaijkpoeram itself in my presence and attendance, what can be proven here who will come over so far with their complaints on an uncertainty, among others this one who left the Company's place, and whose name I do not know at present, he is across from vizagapatnam a weaver who fled with his entire family during the flood his house collapsed he brought a chest with his wealth to his neighbor, who subsequently denied that it was that man's chest, the same was immediately brought to the chief, the owner presented the keys saying. 176 saying the chest is forfeited if I do not name piece by piece what is in it as well as gold, silver, and specie coins, no the chief had no time, but the next day, the chest remained at the house of van Halm presenting the key again the lock was forced, opening it, there was nothing in it but some rags and scraps. A second case, during the flood, was a woman, who found a cloth with 100 pagodas tied in it, from one or another drowned person, that woman was seized and put in the Kotwal Choultry for 20 days until the husband had surrendered the loot, these have also fled. Thirdly a fisherman finds in a knotted cloth gold, precious stones and earrings; this was discovered although everything was found on English territory, the chobdar of van Halm says to the fisherman, I shall tell it to my master, or you shall give me five rupees, which he does, and three days thereafter he comes with peons, they arrest the fisherman, take everything from him. The butler of van Halm wears the earrings to this day, and the rest was reworked for the ayah or wet nurse of madam van Halm's child These three cases I only cite among the numerous complaints that were brought to me in January, for who can prove that at Palleacatta; is
Dutch transcription
gelden met de Ravallet gedeelt, de dabboesen waaren lang in swang voor zijn komst, als ook de ongewoone percento in de pakhuijzen door van Halm en de Ravallet ingevoert, hij heeft de kooplieden niet gevangen genoomen, dat is het opper„ hoofd zijn zaak, ik spreek onpartijdig zij zijn al te zamen niet mijne, maar Comp:s vijanden; geleefd nu mijne situatie in tesien tegens het boven geavan„ ceerden, Eerst ben ik buijten dienst, tweedens nog niet finaal ontslagen uijt arrest, geen cessie in den Raad, geene honneurs aan de poorten, twee maanden hier, wat is er in mijn zaak verrigt; in mijn brief van den 14. october aan uwel Edele Gestr: heb ik reets verzogt welke lieden opgeroepen diende te worden om kondschap te geeven, tot heeden is nog niemand komen opdagen, Ia heeden den 25. december nog eens onder gunstige welduijding, met eene waar„ agtige getuijgenis dat ik schrijf uijt overtuijging van mijn gemoed, en als aan een aller Estimabelste dierbaarste vriend, die alreeds in discourse getragt heeft, om uwelEdele Gestr: te persuadeeren van een sagter middel weg in te slaan, dat de zaaken zoo disperaat niet en stonden, of daar was re„ dues en reforme te soeken sonder de totaale ruine van zoo veele dienaaren, die tog onver„ mogend sullen zijn, uwel Edele Gestr: hebben reets 175 reets alles zoo verre gezien en geleezen, en dus overtuijgd dat ik niet alleen geen eene schuld heb„ veel minder een Crimen op Iaggernaijkpoeram„ wat kon dan beletten dat uw eEEd: Gestr: met mij te raaden gong, en vragen, sou uw nog de schulden der kooplieden willen overneemen als zij vereenig„ de, namentlijk als een voor alle, en alle voor een met sufficante borge, greegtig sou ik Ia seggen, vermits van Halm en van someren van de plaats zijn, en Iurwengalam de plaats ontsegt kan worden, zoo is er geen ovstoak te vreesen, en die enkelde koopman die niet geneegen is laat hem betaalen zijn schuld, of ten laste brengen der afgaande opperhoofden door deeze sagte weijse „soude die lieden onder een geschikt opperhoofd sig herstellen konnen, en die swaare post soude van de opperhoofden hunne reekening afkomen, die tog genoeg sullen hebben om over te brengen, wat zij betaalen moeten dit mijn gevoelen word gesterkt door 't Extract en Instructien aan de opperhoofden of Iaggernaijkpoeram beslooten te Nagapatnam op den 18. februarij 1766., en daar staat wel Expres in vermeld van dat de kooplieden sig insoliden te doen verbinden &: &:a Mag ik na dit alles niet vragen, waar om word mij mijn dienst onthouden door Haar Hoog Edelheedens. Edelheedens goedgunstig aan mij gegeeven; heb ik de valsche munt geslagen, heb ik de morme gelden der kooplieden afgeprest, heb ik de Comp:e bestoolen heb ik de kooplieden Coraal in de hand gestoft tot de leverantie, en haar lieder agthien maanden laaten loopen, sonder een dabous contanten te ver„ strekken. Neen wel Edele Gestr: Heer, dat is uw se„ cunde de heer van Halm, die uw als Hoofd-admi„ nistrateur aangestelt heeft. Hij is de man die Comp:s die naaren in hunne betaaling te kort C gedaan heeft. Zeven en dertig articulen heb ik reets agt dagen geleeden tegens van Halm aan uwel Edele Gestr: ter hand gesteld, hoe zeer heb ik ook geene reede van mij te beklaagen dat het on„ der zoek niet of Iaggernaijk poeram selfs en geschied ten mijnen overstaan, en bij zijn, wat kan hier bewijzen worden wie zal zoo verre overkomen met hunne klagten op een onzeeker, onder anderen deeze die Comp:s plaats verlaaten hebben, en wiens naam ik tans niet en wert, hij is over vizagapat„ nam een weever met zijn geheel aanhang uijt gewee„ ken in de watervloed storke zijn huijs in hij bragt een kist met zijn rijkdom bij zijn buurman, die vervolgens ontkende dat het die man zijn kist was, dezelve wierd illico naar het opperhoofd gebragt, den Eijgenaar presenteerde de sleutelo seg„ gende. 176 gende de kist is verbeurt als ik niet offnoem stuk ve voor stuk wat er in is als ook van goud, zilver, en geld specien, neen het opperhoofd had geen tijd, maar des anderen daags, de kist bleef aan 't huijs van van Halm wederom de sleutel presenteerende was het slot geforceert, open maakende, was daar niet in als wat vodden en lompen. -. Een tweede geval, bij de water vloed, was en een vrouw, die vond een kleedje met 100. pagorden daar in gebonden, van deeze of geene verdronkene, die vrouw wierd of gevat in de Coterwal Chauderij gezet voor 20. dagent tot dat de man den buijt afgegeeven had, deeze zijn ook uijtgeweeken. Derdens een visscher vind in een kleedje geknoopt goud, kostbaare steenen en oorringen; dit wierd ontetekt hoe wel alles op Engelsch teractoir gevonden is, den sjobdaars van van Halm segt aan den visser, ik sal het mijn Heer seggen, of uw sal mij vijf ropijen geeven, 't welke hij doet, en drie dagen daar na komt hij met pions, arresteeren den visscher, neemen hem alles af. de oorringen draagt tot heeden toe doen bottelier van van t Halm, en het overige is verwerkt voor de Amee of minne van mejffrouw van Halm haar kint Deeze drie gevallen haal ik maar aan onder de meenigvuldige klagten die mij in Ianuarij zijn aangebragt, want wie kan dat op Palleacatta 1 beweizen; is
English
prove, and with what evidence and at what expense can those people travel here, who have been made to believe that it was a theft; this is the character of the dismissed Chief van Halm, and presently promoted to Second, let me say no more. Having abundantly proven that Paul Engelbert van Halm, de Ravallet, and van Someren have made themselves guilty of laying hands upon Company goods in warehouses for their own use and private trade; also that the cash funds have served for this purpose, and they have pushed other goods, such as Coral etcetera, into the hands of the merchants for the rich collection of the cloths, as well as a monopoly of the most essential sample goods; moreover, they have made themselves guilty of shortchanging the Company servants in their wages and board money; and, most punishable of all, of having transgressed in the counterfeiting of the dabboesen; furthermore, of taking corrupt monies from the merchants to the ruin of those people, whereby nothing but a poor collection can be expected, and bankruptcies of the merchants; further punishable, the books, papers, and accounts were so obscured in order to hide the misconduct therein, if it were possible, that it is unforgettable; they also oppressed and mistreated all inhabitants, and took away their found property, with the salt cultivation, a most punishable and unfaithful way of acting; no servants were exempt from having to pay for their appointments; they also sold Company goods or restitutions, and did not enter other goods into the books. They built a monster of a warehouse, on which they gained half the money, and which is of no use; the lease of the river was completely lost through improper management, a loss of well over 500 pagodas a year; but the most unforgivable and punishable of all is the conduct maintained during and after the flood. Did Ramaija not take the Japanese bar copper from the Chiefs in payment for their cloths? Did Captain Godefroi not willingly sell the stolen goods to the neighbors? Did he not take over the guinees, or all the white cloths, load them into his ship, and depart for Europe after having previously ordered the tearing off from each piece of the selvages bearing the Company chop, that of the commissioners, and the mark and name of the merchant, and having this done by two Company bale binders serving at the house of the Chiefs since the time of Mr. Baars, together with a cannecapel, private Brahmin of van Halm, a peon who always ships the Company goods, and yet another peon; that subsequently another chop was placed on those cloths by the Company chopper; that I actually have one of the torn selvages here in my possession with the aforementioned marks; will this still be denied, or not properly investigated after so much evidence presented on the spot itself? It would be a matter of merely an hour to prove it even more strongly. The good old Michiel Kint, a 40-year servant of the Company, can also still be heard, who declares outright that practically nothing of the Company was lost, nor could be lost. If Your Right Honourable would now please take into consideration these two main points: the counterfeiting of the daboussen and the consequences originating therefrom, and then the tearing off of the chops from the Company cloths, what kind of fiscal demand can be drawn up from that? I leave it to Your Right Honourable's own reflection, repeating that this man is still in office and flaunts himself as Chief Administrator. For the rest, I refer to the short summary, wherein is stated the most capable means for the discovery thereof, as well as the attestation of the chobdar Satana annexed hereto. I cannot repeat enough that all the attestations were extorted and forced, as will fully appear upon the arrival and impartial investigation of the new Chiefs whom Your Right Honourable has appointed. Although, I will note here with due respect and ask, who will be the faint-hearted and timid native who will once again bring forward his complaints after all that cruel persecution against the complaining merchants of Iaggernaijkpoeram, and what the reward has been that I received for having looked after the Company interests as my own? They see me out of service, with little prospect even that I shall be appointed Chief again to be their advocate once more. Another matter very noteworthy for Your Right Honourable's service is to require a report from Mr. Obdam as to why he did not comply, first with my prayer and supplication as a friend and attorney when he departed overland on 3 March, to truly reveal my case to Mr. Iadama, and then the Regent of Carpa requested and begged him, for the sake of Ramaija of whom he is the uncle, to spare neither cost nor money, but to restore his family's honor and credit at Palleacatta; this might have had a very good effect through the composure and neutrality of Mr. Obdam, rather than having shown the greatest partiality on the side of Mr. Iadama, but then it will soon appear that
Dutch transcription
beweizen, en met welke beweijzen en kosten konnen die menschen overkomen, die men weijsgemaakt heeft dat het een diefstael was, dit is het afgegaane opperhoofd van Halm zijn Caracter, en ttans bevorderd tot secunde„ laat ik niet merr der seggen- Als hebbende overtollig beweesen, dat sig Paul Engelbert van Halm, de Ravallet, en van Someren schuldig gemaakt hebben, met den handen te slaan. aan sComp:s goederen in pakhuijzen tot eijgen gebruijk, en particuliere negotie ook dat het geld der Cassa daar toe gedient heeft, en de kooplieden andere goe„ deren als Coraal N:a in de hand gestoft tot den rijken Inzaam der Lijwaaten, ook een monopolij van de effentieelste monst waaren, daar en boven hebben zij zig schuldig gemaakt, met de Comp:e die naa„ ren in hunne gagien, en kostgeld te kort te doen en aller staafbaarst van sig vergreepen te hebben in 't valsche munten der dabboesen, ook nog met Corrap„ tie gelderen der kooplieden te neemen tot ruine van die lieden, en waar door niet als een stegten inzaam te wagten kan zijn, en banqueroeten der kooplieden alverder staafbaar, de boeken en papieren en beree„ keningen zoo verduijstert om 't wangedrag daar in te verbergen was 't mogelijk dat het onvergete„ lijk is, ook nog alle ingezetene verdrukt en mis„ handelt, en hun gevonden goet ontnomen, met de 177 de sout culture, een aller straafbaarste ontrouwe handel„ weijze, geene dienaaren of zij hebben voor hunne bedic„ ningen moeten betaalen ook nog van Comp:e goederen of renetutie verkogt en andere goederen niet bij de boeken ingenomen. Een monster van een pakhuijs gebouwt, daar zij de helft van 't geld over gewonnen hebben, en van geen gebruijk, de pagt of de revier door verkeerde behandeling finaal verlooren een verlies van ruijm 500. pagoden 'sjaars, maar het onvergeefelijkste en straafbaarste van alle is, het gehouden gedaag in en na de watervloed, heeft Ramaija het Iapans staafkoper niet van de opper„ hoofden in betaling genoomen voor hunne lijwaaten, heeft Cap:n Godefroi de gestoolene goederen niet geran verkoopen bij de nabuuren, heeft hij niet de qui„ neesen, of alle de witte lijwaaten overgenomen in zijn schip gelaaden, en na Eurosa vertrocken na alvoorens een ieder stuk te hebben laaten afscheu„ ren de randen daar Comp:s sjap die der gecommit„ teerdens, het merk, en naam der koopman op stond, en dit laaten doen door twee Comp:s baal banders dienst doende aan 't huijs der opperhoofden reets zedert den tijd van de heer Baars, met een Can„ necapel, bramine particulier van van Halm, een pion die Comp:s goederen altijd scheept, en nog Een pion, dat vervolgens op die lijwaaten door Comp:e Comp:s schapper weer een andere sjap gezet is, dat ik werkelijk een der gescheur de rande hier onder mij heb met de boven gemelde merken, sal dit nog ontkend worden, of niet na behooren ondersogt worden na zoo veele aantooning op de plaats selve, souw het de zaak van slegs een uur zijn om het nog sterker te beweijzen ook kan nog den ouden braaven Michiel kint een 40. tig Iaarige Dienaar van de Com„ pagnie gehoort worden, die declareert rond borstig. uijt, dat er omtrent niets verlooren van de Compagnie is gegaan, nog kon verlooren gaan. Als uwelEdele Gestr: nu deeze twee hoofd-poincten in consideratie gelieven te neemen het valsch munten der daboussen, en de gevolgen van dien daar uijt oor„ spronkelijk, en dan het afscheuren der sjappen van Comp:s lijwaaten, wat voor een fiscaals Eijsch kan daar uijt opgemaakt worden, ik laat het aan uwel„ Edele Gestr: bedenking selfs over, met herhaaling die man sit nog in functie, en praalt als Hoofd-adminis„ trateur. Overigens refereere ik mij aan de korte samentrekking, alwaar vermeld staat de bekwaamste middel tot ontdekking van dien, als, ook het attest van den Sjobdaar Satana hier annex Ik kan niet genoeg herzeggen dat alle de attesta„ tien afgeperst en gedwongen zijn sal ten vollen blijken bij 't arrive, en onpartijdig onderzoek der nieuwe opperhoofden, 178 opperhoofden die uwel Edele Gestrenge aangesteld heeft, hoe wel sal ik hier met gepaste eerbied aanmerken, en vraagen wie sal den lassen en beschroomden in„ lander zijn, die andermaal met zijn klagten te berde zal komen naar alle die Cruelle vervolging tegens de klaagende kooplieden van Iaggernaijkpoeram, en welke de belooning geweest is, die ik gehad heb met Comp: belangens, als de mijne behartigd te hebben, zij zien mij buijten dienst, met weijnig vooruijtzigt selfs, dat ik als opperhoofd wederom sal aangesteld worden om hun voorspraak te zijn andermaal Nog een zaak zeer opmerkzaam uwelEdele Gestr: dienste te requireeren van de heer Obdam een rapport, waar om hij niet voldaan heeft eerst aan mijne beede en smeeke als vriend en volmagt toen hij overland ove den 3. maart vertrok van dog mijn saak na waarheijd aan de heer Iadama te openbaaren, en dan heeft hem de regent van Carpa, verzogt en gebeeden om de wille van Ramaija daar hij oom over is van nog koste nog geld te sepaaren, maar tog zijn familie haar eer en Credit weerom te besorgen op Pallea„ catta dit soude misschien door de bedaaatheijd en onsijdigheyd van de heer obdam van eene zeer goede uijtwerking zijn geweest, dan wel de grootste parthijdigheijd aan de kant van de heer Iadama beweesen hebben maar dan sal wel haast blijken dat
English
that he, Jan Obdam, was kept out of service because he was not of the cabal and did not belong to the council of the wicked; for that reason he was cast out until all the false certificates and cruelties were finished in the fiscal's lawsuit against me. How far shall I express myself about the most infamous, unheard-of conduct of Mr. Tadama, with the breaking open of my papers, and that on his own authority without a resolution, and specifically in order to hand them over to the fiscal on that date in May, as shown once again by their seeking to initiate a lawsuit against me, because they did not trust the lawsuit already begun, which was proved only by my clerk, who on that condition would enter the Company's service and would be stationed over Sadras or Palicol. He is indeed already in service, without it being asked of me whether he has fulfilled his contract with me. The other is my faithful servant, who possesses every good quality except bravery; they had others beaten in order to make him tremble and sign whatever they desired. As for the weighers of the warehouse, the second was bribed, and very easily so, for he was of no use; by stealth he climbed over with the first, as happened, and the first weigher, after all the torments, also signed. And he was verbally promised by Tadama that he would suffer no want, and presented him with a letter if he wished to go to Simons at Sadras. That man offers the Malabar oath for all this, and the conicoply and others say that they were told, you people shall never hear Mr. van Bijland speak again. Thus is the one treated in all matters by that council of blood, and by exacting an oath from those people, as well as having the expense account sworn to by the interpreter concerning the commission to the Nabob, everything is clearly proved in my favor. They have also done everything in their power to obtain false certificates concerning the Japanese copper, which I never received nor handed over at the transfer, and which was locked up in a separate shed and the key with Mr. Tadama. For that reason it is said that my latest arrived goods were seized anew in September. When they saw at the unloading that there was no copper, they would gladly have denied having seized it, but I protested directly, and when they would not receive the protest, I said I would give it to Mr. de Raeff as President of Justice, and said I would not surrender the keys, that they might break open and steal at their pleasure, but that I would lay everything open and have it inspected by Your Right Honourable. The rumor was then current that Your Right Honourable was on the point of coming over to Jaaggernaijkpoeram, and that is now the reason that the said goods have not yet been taken over, nor will be taken over before they, to my satisfaction and justification, shall have been examined by the new commissioners upon Your Right Honourable's highly honored orders. This is somewhat extended, but indeed all the filth and infamy that can be devised is contained in this treatment, with the breaking open and stealing of my most weighty papers, referring to my protest and the indemnification contained in the other protest of the 16th of July, which I caused to be presented to the Council by the commissioners of Jaaggernaijkpoeram, delivered under dictation because they would allow me neither pen nor paper, and would not even have me sign it. For greater certainty I shall annex it here once more, with a humble request to be pleased to take those measures regarding it which shall be deemed proper to prevent my total ruin. I shall also annex thereto a copy of a note written by Heshusius stating that it was sent off to the Council, and perhaps concealed by Mr. Tadama, for I requested to be allowed to write to the Commissioners; they told me they could not grant me that permission, but certainly to Mr. Tadama. To this belongs also the irregular conduct at the Council of Justice. In the beginning of the disputes, a certain cantervisscher was incited to address himself to that Council with an unfounded claim against me, without having had me sued at law either before or during my stay here. Thus by decree he is granted permission to seize my left-behind goods, liquors, provisions, chairs, and benches and wagons, and subsequently had everything sealed. Shortly thereafter, without a decree, one of the chests, locked and nailed shut, was broken open, all my papers, diplomas, and charters searched through, an inventory made thereof, and removed from the house of my attorney, without my knowing to this day where the same has ended up. And thus Mr. Simons has also arrogated to himself that power and violence at Sadras, where my goods were also sealed under that same attachment; he not only pulls open the warehouses, but transports and consumes my goods. I address myself concerning this to the Council of Justice by petition; after reading it they send it back, stating that they accepted no papers from the court messenger. I asked him whether he had not said
Dutch transcription
dat hij Ian obdam buijten dienst gehouden is om dat hij van 't Complot, en in den raad der boosen niet en hoorden, om die reeden wierd hij buijten gewon„ pen tot dat alle de valsche atteste en Cruanteiten afgeloopen waaren in de actie van den fiscaal tegens Hoe. verde sal ik mij uijtlaaten over de aller in„ faamste ongehoorste handelweijze van de heer Iada„ ma. met het openbreeken van mijne papieren, en dat of eijge verkrising sonder besluijt, en wel om op die datum in Meij aan de fiscaal aftegeeven, blijkens alweeder om hun soeken om een actie tegens mij te entameeren, om dat zij zig niet en vertrouwde of de reets begonne actie die alleen beweesen waaren door mijn schrijver die op die conditie in Comp:e dienst sou koomen, en over sadras of Palicol geplaatst sou werden, ook is hij reeds in dienst, sonder dat mij gevraagd is, of hij aan zijn contract met mij voldaan heeft, den anderen is mijne trouwen dienaar die alle goede hoedanigheijd besit uijtgenoome dapperheijd, men heeft anderen laaten kloppen om hem te doen breven, en teekenen wat men begeerde, de weegers van het pakhuijs is den tweede omgekogt, en zeer ligt, want hij was van geen dienst, met den eersten te verstoolen klom hij over, zo als gebeurt is, en den eersten woeger na alle tourmenten teekende ook, mij. en 179 en wierd mondeling beloofd door Iadama dat hij geen gebrek sou hebben, en presenteerde hem een brief als hij naar sadras bij Simons wilde gaan, die man presenteerd de Mallabaarsen Eed voor dit alles, en de kunnekappel en andere zeggen dat men hun ge„ segt had van, de heer van Bijland sult gij lieden nimmer meer hooren spreeken, zoo is de die van in alle zaaken door die bloed raad getracteerd, en met die lieden op den eed te vergen als ook van te doen besweeren de onkostreekening door den Tholk omtrend de Commissie bij den Nabab is alles klaar„ en beweezen in mijn voordeel ook hebben zij alles gedaan wat in hun vermogen is; om valsche attesten in te winnen over het Iappans kooper dat ik nim„ mer. ontfangen of overgegeeven heb bij het transport en was in een appart hok opgeslooten, en de sleutel. bij de heer Tadama, daar om word gezegd dat mij„ ne laaste aangekomene goederen of nieuw in septem ber gearresteert zijn, toen zij saagen bij de ontlos„ sing dat er geen kooper was, hadden zij wel willen negeeren van het gearresteerd te hebben, maar ik protesteerde direct, en wanneer zij het protest niet wilde ontfangen soud ik het aan de heer de Raeff als president van de Iustitie, en sijde niet te zullen afgeeven de sleutels dat zij breeken en steelen konnen na welgevallen, maar dat ik alles alles oppenleggen en laaten visenteeren door uwelEdele Gestr: Het gerugt lief toen dat uwelEdele Gestr: stond op Jaa „gernaijkpoeram overte komen, en dat is nu de reeden dat dezelve goeder, en nog niet overgenomen zijn, of zullen overgenomen worden voor dat dezelve tot mijne satisfactie, en Iustificatie door de nieuwe gecom„ mitteerdens zullen geexamineerd zijn op uwel Edele gestr: hoog g'eerde ordres Dit is wat geextendeerd, maar ook al het vuijle en infame wat uijtgedagt kan worden is in deeze behandeling vervat met het openbreeken en steelen van mijne gewigtigste papieren, refereeren aan mijn protest en de schaadeloos stelling vervat in het an„ dere protest van den 16. Iulij dat ik aan den Raad heb laaten presenteeren door de gecommitteerdens of Iaggernaijkpoeram onder dicta afgegeeven om dat zij mij geen pen of papier wilde vergunnen, wilde selfs niet hebben dat ik het tekenen zou ten over„ vloeden zal ik het hier andermaal annexeeren, met ootmoedig verzoek van daar omtrend die maatregulen te willen neemen die zal meenen te behooren tot voorkoming van mijne totaale ruine, ook zal ik een Copia briefje daar aan annexeeren door Heshusius geschreeven dat het afgezonden is aan den Raad, en misschien verdonkent door de heer Tadama, want ik verzogt om aan de Com„ missarissen. 180 missarissen te mogen schrijven, zij zijde mij die permis„ sie niet te kunnen vergunnen, maar wel aan de heer Tadama. -. Bij dit behoort nog de irreguliere handelwijzer bij de Raad van Iustitie, in den beginne der oneenigheeden wierd eene zeekere cantervisscher opgestookt, om met eene ongefundeerde pretentie tegens mij sig bij dien Raad te addresseeren, sonder alvoorens of geduurende mijn verblijf hier, mij in rechte te hebben laaten aanspree„ ken, zoo word hem bij decreet vergunt mijne agter„ gelatene goederen, dranken provisien, stoelen, en ban„ ken en wagens te arresteeren, en liet vervolgens alles't verzegelen, kort daar op sonder decreet wierd een der kisten geslooten, en bespeijkert open gebrooken, alle mijne papieren, bullen, en chartres door snuffelt een Iventaris van gemaakt, uijt het huijs van mijn volmagt weggehaalt, sonder dat ik tot nog toe weet waar dezelve belant is, en alzoo heeft zig de heer Simons ook die magt en geweld aange„ maatigt op sadras daar mijne goederen bij dat selfde arrest ook verzegeld waaren, die treckt niet alleen de pakhuijsen open, maar vervoert en verbruijkt mijne goederen; Ik addresseere mij daar over bij den Raad van Iustitie per request, zij zende dezelve na lectuur werom, dat zij geene papieren van de gerechts boode aannamen, ik vroeg hem of hij niet gesegd 6
English
had said that I was ill, but they said then he can appoint by power of attorney; where shall I now address myself other than to Your Right Honourable, seeing that the said Council has so greatly prejudiced my rights. There occurs to me another remarkable matter; foreign copper has been minted via Jaggernaijk. Whether it is for the Company or for private individuals I do not know, but this I know, that the copper was taken off a ship at Coringie and transported to Jaggernaijk and minted there, which must be investigated. That it was minted via Jaggernaijkpoeram and sent over from Coringie can very quickly be proven, but that is of no consequence to the matter; the question is whether it was for Company dabboessen, yes or no, which must be presumed, for the seller is an Englishman, and he could just as well have had daboussen struck at Niepillij as at Jaggernaijkpoeram, and to strike English daboussen with us, I do not know whether that would be proper, and especially not from foreign copper, thereby to cause the price of the Japanese to fall even further. Here I must return once again to those corrupt Gentlemen Heshusius and Schliephaken, for to recount everything is impossible. How shall I consider those gentlemen, otherwise than as friends of Tadama, and chosen for that purpose for that reason, and they cannot be regarded as other than suspect, notwithstanding that they were nominated by the gentleman Simons, brother-in-law of Tadama. True it is that in the beginning I requested, to demonstrate my impartiality, to have Schliephaken as commissioner, but to be well understood that the other should be the gentleman Obdam then in loco, but not a silly, confused know-nothing like Heshusius. But en fin, those two having arrived, may I ask, what have they accomplished in those nine months? May I ask further, were they sent as advocates of bad causes, in order, if possible, to rescue the chiefs from that bottomless pit, to describe their case, to defend, to gloss over, to obscure it if possible, and if possible to bring me into misfortune? True it is that in their report not a single accusation against me is of consequence or proven, but that is not enough; they seek to show contempt. The true accusation against the chiefs by me, is that according to honour, oath and duty of impartial investigators of the pure truth, even that vile fellow of a Triwengalam, who brought them all into grief and misfortune, is still excused in that report. When complaints came against the chiefs, they were dismissed with anger, saying bring that on paper tomorrow, in order to give time for those people to be influenced and corrupted once again by Tieroewengalam. How long did the departure of the fishermen castes not last, one way or another, whether they were, or accepted more advantageous conditions with the English, and that solely for the sake of a hat, which they did not have enough honesty to settle or decide. In a word, no one could obtain justice; the troublemakers were protected, the abductors of married women were granted access by having the lawful husband spied upon by guards, the cotewaal, and peons, who were not allowed to leave him, Hofland, before Koning had come home from his wife. Koning also beat a certain Blandouw half to death in his dwelling, who took flight to the English, not being safe at Jaggernaijkpoeram under such an arbitrary government. And those were the Gentlemen who were to sit as judges over me, and who truly, if they had had between them but a single drop of honest blood in their veins, could have decided that entire affair in eight days according to law and equity. But that was not their aim; they had to keep silent, because they were both quite as guilty as those chiefs whose case they came to investigate, for indeed in January and February the merchants sat imprisoned at Bimilipatnam for the same reason as at Jaggernaijkpoeram. The striking of the dabboesen was done in imitation of Bimili, which are even worse than the defective daboussen of Jaggernaijkpoeram. Has Schleephaken not dragged into his nest the land and property of the loyal inhabitants, and reduced those people to the beggar's sack, after having tarried here for months for redress and justice, but without a hearing? All the inhabitants praise the Chief van Haeften, but pity him for being misled and deceived by Schliephaken. More than twenty of the inhabitants of Palicol followed my palanquin on this journey up-country with hundreds of complaints; I promised them to report thereof only to Your Right Honourable. Also regarding the measuring of the paddy, underhand tricks are also employed, and it is said, plus minus, that Schliephaken, both in lease and otherwise, a damage
Dutch transcription
gesegd had dat ik siek was, maar zij zeijden dan kan bij volmagt aanstellen, waar zal ik mij nu an„ ders adresseeren, als bij uwelEdele Gestr:, aangezien dat dien Raad mij zoo grootelijks in mijn regt be„ nadeelt heeft. daar komt mij nog eene opmerkzaame saak te binnen, daar is vreemd koper vermunt over Iagger„ naijk, of het voor de Compagnie, of voor particulie„ ren is weet ik niet, maar dat weet ik dat het koper van een schif is afgenoomen op Coringie en naar Iaggernaijk vervoert, en aldaar vermunt, 't welk onder„ sogt moet worden, dat het vermunt is over Iaggernaijk„ poeram, en van Coringie overgezonden is, kan zeer haastelijk beweezen worden, maar dat doet ter zaa„ ke niets, de kweste is of het voor Comp:s dabboessen geweest is, Ia of neen, 't welke verondersteld moet worden, want den verkooper is een Engelsman, en die had zoo wel daboussen op Niepillij, als of Iaggernaijk poeram konnen laaten slaan, en bij ons Engelsche daboussen te slaan weet ik niet of dat in den haak sou zijn, en voor al niet van vreemt koper om de prijs daar door van 't Iappanse nog meerder te doen daalen Hier moet ik nog eens weeder keeren tot die gecorrumpeerde Heeren Heshusuis en Schliep„ haken want om alles aantehaalen is onmogelijk, Hoe 181 hoe. zal ik die heeren Considereeren, anders niet dan als drienden van Tadama, en daar toe om die reeden verkoosen, en kunnen niet als voor suspect gehouden worden niet tegenstaande dezelve door de heer Simons swager van Iadama opgegeeven zijn, wel is waar dat ik in den beginne versogt heb om mijne enpartijdigheijd aan te loonen van Schliepha„ ken als gecommitteerden te hebben, maar wel te verstaan dat den anderen soude sijn de heer obdan„ toen in loco maar niet eene onnosele verwaarde weet niet als Heshusius, maar en fint die twee zijn gekomen, mag ik vraagen, wat hebben zij uijtgevoert in die negen maanden, mag ik nog vraagen zijn ze gezonden geworden als advocaaten van kwaade „zaaken, om was het mogelijk de opperhoofden uijt dien grondeloos poel te redden, hunne saak te be„ schrijven, te verdeedigen, te verbloemen, te verduij„ steren, was het mogelijk, en mij was het mogelijk in 't ongeluk te brengen, wel is waar in hun rapport is geene eene beschuldiging tegens mij van aan„ belang of beweezen, maar dat is niet genoeg, sij soeken lergenagting te maaken, de waare beschul„ diging tegens de opperhoofden door mij, is dat volgens eer Eed en pligt van onseidig ondersoekers der suijvere waarheijd, tot die slegte vent van een Iriwengalam die haar alle in 't verdrieten ongeluk ongeluk gebragt heeft, word, nog verschoont in dat rapport, als'er klagten kwamen tegens de opperhoofden wierden zij met kwaatheijd weggezonden, seggende brengt dat morgen op 't papier om tijd te geeven dat die lieden andermaal gedragt en gecorrum„ peert wierden door Tieroewengalam, hoe lange heeft de uijtweijking der visschers, kasten niet ge„ duurt, zoo of zoo, of zij waaren, of voordeeliger conci„ tien aangenoomen bij de Engelschen, en dat alleen om de wille van een hoed, daar zij geen eerlijkheijd genoeg toe hadde om dat te beslissen of uijt te wei„ sen met een woord niemand kon rechterlangen, de perturbateurs wierden beschermt, de schaakers der getrouwde vrouwen toegang vergunt met den wettigen man te laaten bespioneeren door wagters cotewaal en pions die hem Hofland niet mogten verlaaten voor dat koning te huijs gekomen was van zijn vrouw ook heeft koning eenen zeekeren Blandouw half dood geslaagen in zijne woonnig die de vlugt tot de Engelsche heeft genomen, niet zeeker zijnde of Iaggernaijk„ poeram, onder zoo een willekeurige regeering en dat waaren die Heeren, die als rechters over mij souden sitten, en die voor waar wanneer zij onder haar beijde slegs eenen drofpel eer„ lijk bloed in hunne aderin gehad hadden, die geheele. 182 geheele affaire in agt dagen na recht en billijk„ heijd hadden konnen uijtwijsen, maar dat was hun soeken niet, zij moesten van Halm hebpen om dat zij beide ruijm zoo schuldig waaren waaren als die opperhoofden, wiens zaak zij kwaa„ me onderzoeken, want immers in Januarij en februarij hebbende kooplieden gevangen geseeten op Bimilipatnam om dezelve reeden als of Iaggernaijkpoeram het slaan der dabboesen is in navolging gedaan van Bimili, die nog slogten zijn, als, de ondeugende vaboussen van Iag„ gernaijkpoeram-. Heeft schleephaken niet in zijn nest gesleept het land en goed der trouwe ingesetene, en die lieden sak tot den beedel ^ gebragt, na maanden lang hier ver„ toeft te hebben om redres en recht maar zonder gehoor, alle de ingezetenen prijsen het opperhoofd van Haeften, maar beklaagen hem van door schliephaken misleijd en bedrogen te worden, meer„ den als twintig der ingezetene van Palicol zijn mijn palenquin in deeze opreise gevolgd met Honderde klagten ik heb hun beloofd uwel Edele Gestr: daar alleen rapport van te doen, ook omtrend het meeten de r. Nelij word ook met slinkse streeken in het werk gesteld, en men zegd plus minus dat schliephaken zoo in pagt als anderzints een schaade
English
damage caused to the Company, amounting annually to over 700 pagodas. To discover this right in time, the Cannecappels of the villages must be lifted at night with their olas and accounts; thus it is an investigation of half a day if it is done in secret. Concerning the Gentoo handwriting wherein I am informed that Triwengelam said there are 10,000 rupees ready for Mr. Tadama to summon from Bijland or to keep from the chief directorship; at first this was imparted to me by high and low as a general rumour, but it was detailed to my servant both by Ramaija and the Interpreter, and principally the Cherafph, Prom Ramasamie, and the Brahmin Pedo Poele Kistna-aija. The first has fled with his entire family, yet being a very wealthy man of standing and credit, Your Right Honourable should grant him a safe-conduct or pass to give his genuine depositions here, or before the new commissioners, or at Iaggernaijkpoeram, without coercion, imprisonment, or threats, such as he underwent during his first examination. The second is that Brahmin who was reclaimed by the English, and will arrive at Iaggernaijkpoeram upon the first order, being too old to make the journey here. Ramaija and the interpreter have also communicated the same to me, adding: if the history of the dabboesen is discovered under your administration, you will have to bear the shame and the damage; as the Company's Interpreter I must warn you of this. However that may be, that note was immediately sent by Mr. Tadama to van Halm, my adversary, who gave it to Triwengelam, not to excuse himself in that regard, but to persecute the one who had discovered the secret. But if Mr. Tadama was able to take 3,000, would he not also have been disinclined to accept 2,500? And by his treatment of me, he provides more evidence against himself than I can even prove. The new chiefs have already been painted as dead, and that indeed his brother Simons for Iaggernaijkpoeram. I had almost forgotten the 3,000 pagodas that Mr. Tadama received from the collective merchants. This was first revealed to me by Mr. van Halm in the presence of van Someren, that Mr. Tadama, being very self-interested, had erased 700 pagodas from his account after your appointment, saying: you can settle that with the merchants; I request therefore that you be helpful to me in securing the same. Mr. Obdam will converse with you about one thing and another, as he has also done, and as is detailed at length in my general report, as well as how the merchants added it to their excuse for not uniting with one another, and that they could not deliver a better assortment because of the heavy customados they had paid, whereby they had become totally ruined. Mr. van Halm will not be able to deny that face to face in your presence to Mr. Obdam and me. I shall break off by asking with respect and earnestness whether this does not form a formal proof and conclusion that when the council of Pulicat noticed that they could no longer escape the dance, that all their malversations were exposed, bare and naked, and that they would incur the just wrath of the Lords and Masters with the fitting punishment for such unfaithful, dishonourable servants, that from that moment they conspired together to rob me of a name and reputation. They drop all actions regarding Iaggernaijkpoeram, but seek out all kinds of new, ridiculous, groundless actions that were never spoken of during my stay here. Are these rulers, are these judges, are these the Company's servants, to whom such precious possessions are entrusted? Is there indeed a single branch from the first to the last of this government wherein the greatest fraud and negligence does not shine through, as if they thought, with the Patriot: it will last our time. What do the subjects and entrusted servants of the Company not have to fear under such a form of government? Might I not say it is a piece of good fortune for our Lords Masters that this cruel, unheard-of case happened to a man like me, who, as the proverb says, is no cat to be handled without gloves, and to whom it is quite the same even if it were today to cross over to Europe to obtain and pursue his right and satisfaction, and who nevertheless has not proceeded, as it appears to be understood at Batavia, as though I did it out of human hatred, envy, jealousy, or discontent, as if I desired their place or office? Nothing of the kind has any place. After having accounted for everything in my offices, I remained hesitant so as to have no responsibility; I have now already been without service for over a year, without my zeal to look after the Company's interests slowing down. May I call Your Right Honourable to witness regarding this, and further to trace my steps? I have begun with the description of the
Dutch transcription
schaade aan de Comp:e boebrengd Iaarlijks van over- de 700. pag: om dit Juijst op sijn tijd te ontdekken moeten de Cannecappels der dorpen des snagts met hunne olas en reekeningen geligt worden, zoo is het een ondersoek van een halven dag als het in 't geheim geschied—. Betaeffende het Ientiefse handschrift waar in mij bedeeld word dat Triwengelam gezegd heeft daar leggen 10000. ropijen klaar voor de heer Tadama. om van Bijland opteroepen, of van het opperhoofdschap te weeren eerst was mij dat bedeelt door groot en kleijn een algemeen gerugt, maar het wierd met omstandig„ heijd bedeelt aan mijn dienaar zoo door Ramaija als den Tholk, en principaal de Cherafph, Prom Rama samie, en den bramine Pedo Poele kistna-aija, den eersten is met zijn geheele huijs gezien ontvlugt, en dog een zeer gegoed man van aanzien en Credit, die diende uwel Edele Gestr: een kouwel of vrybrief te vergunnen om hier of bij de nieuwe gecommitteerdens of Iaggernaijkpoeram zijne reeele attesteen te geeven sonder dwang gevangenschap, of drijgementen, zoo als hij bij zijn eerste onderzoek ondergaan heeft den tweede is die bramine die door de Engelsche gereclameerd is, en sal op de eerste ordre op Iag„ gernaijkpoeram komen te oud zijnde om de reijse. hier na toe te doen; Ramaija en den tholk heb„ ben 183 ben mij het zelve ook bedeelt met bijvoeging, als de historie der dabboesen onteekt word onder uw re„ geering sal uw de schande en de schaade moeten draagen, als Comp:s Tholk moet ik uw dit waar„ schouwen: hoe het zij dat briefje wierd immediaat door de heer Iadama aan van Halm gesonden, mijn parthij die het aan Triwengelam gaf niet om sig daar omtrend te verschoonen, maar om te ver-„ volgen, die het geheijm ontdekt had, maar heeft de heer Padama 3000. konnen neemen sal hij ook niet advers zijn geweest om 2500. te accepteeren, en door zijne behandeling omtrend mij, leever't meer be„ weijs tegens hem, als ik selfs beweijsen kan de nieuw opperhoofden zijn alreeds gedood verft geweest, en dat wel zijn broeder Simons voor Iaggernaijkpoeram Mij was haast ontschooten de 3000. pagoden die de heer Tadama ontfangen heeft van de geza„ mentlijke kooplieden dit is mij het aller eer Htont„ dekt door de heer van Halm in presentie van van someren, dat de Heer Tadama, als zeer geinteres„ secrt zijnde 700. pagoden of zijn reekening gevrlakt had /:na uw aanstelling:/ seggende dat kan uw met de kooplieden wel verreekenen, verzoeke dierhalven van mij behulpzaam te willen zijn tot het inpalmen derzelver over 't een en ander sal uw de heer obdam onderhouden zoo als hij 6: hij ook gedaan heeft, en in 't breede getaclleert is in mijn generaal verslag, als ook hoe dat de kooplie„ den het bij hunne excuse gevoegd hebben, om niet met elkanderen te vereenigen, en dat zij geene bietere sor„ teering konden leeveren, om de swaare Costumados die zij opgebragt hadden, en waar door zij totaal ge„ ruineert waaren geraakt, de Heer van Halm sal dat van aangezigte tot aangezigte ten uwen over staan aan de heer obdam en mij niet mogen negeren. Ik zal afbreeken met eerbied en ernstig te vraagen of deeze niet eene formeel bewijs en Conclusie formeerd, dat toen den palleacatsen raad opmerkte dat zij den dans niet meer ontspringen konden, dat alle hunne malversatien opengelegt, blood en naakt waaren, en dat zy de billijke gramschap van Heeren en Meesters zouden wegdragen met de gepasten straffe voor sulke ontrouwe eerloose die„ naaren dat zij van dat oogenblik te zamen ge„ spannen hebben, om mij van een naam, en reputatie te ontrooven, zij laaten allen actien omtrend Iagger„ naijkpoeram vaaren, maar soeken allerleij nieuwe rudicule ongegronde actien of, daar nimmer van gesprooken is, geduurende mijn verblijf hier, zijn dit regeerders, zijn dit regters, zijn dit Comp:s die„ naaren, daar zulke kostelijke bezittingen aan toe„ vertrouwt zijn, is er wel eene tak van het eerste tot het 184 het laatste van dit gouvernement daar niet de grootste fraude en onagtsaamheijd in doorstraalt, als of zij dagten met den Patriot, het zal onsen tijd wel duuren. Wat hebben de onderdanen en toevertrouwde Comp:s dienaaren niet te bedugten onder zoo eene regeerings form, sou ik niet mogen seggen het is een geluk voor onse, Heeren Majoores dat dit cruelle ongehoorde geval gebeurt is aan een man als ik, die soo als men tot een spreekwoord segt geen kat is om sonder handschoenen aante lasten, en die het zeer om het eeven is al was 't heeden om na Europa overte gaan om zijn recht en satisfactie te erlangen, en te vervolgen, en die evenwel niet te werk gegaan is, zoo als het scheijnd dat het op Batavia begreepen word, als of ik het dud uijt men„ schen haat neijd afgunst onvergenoogtheijd als of ik hun lieder plaats of dienst begeerde niets van dat heeft plaats na alles verantwoord te heb„ ben in mijne bedieningen, ben ik weijgeragtig ge„ bleeven om geene verantwoording te hebben, ik ben nu reets over 't Iaar sonder dienst, sonder dat mijn iever vertraagt om Comp:s belangens te be„ hartigen; Mag ik uwel Edele Gestrenge over dit tot getuijgen roepen, alverder om mijne gange na te gaan ik heb begonnen met de beschrijven der
English
to write regarding the Coast; I persisted in taking notes and submitting them to the meeting, in order to set Their High Excellencies on the path to being informed regarding the situation of the Coast. But all of this produced contrary effects. People assumed improper motives, or a spirit of reform, or, as was rightly cited earlier, people thought: what comes from a Count van Bijland will never stand the test of time; he has come to scrape together some money and quickly repatriate; what does he know about books and papers? That is precisely where Their High Excellencies, respectfully speaking, are greatly mistaken, as is evident. I spent 18 months in Batavia, and indeed with an observant eye, and contenting myself with putting my philosophical reflections on paper. And there I soon saw and experienced that I had committed a folly by coming to the Indies: firstly, because I was married, and thereby all necessary family connections were cut off from me at once; secondly, that I had reached my mature years and could no longer live, as the saying goes, to howl with the wolves in the forest, so that nothing remained for me but to seek diligence and competence, which succeeded for me so far as pay-bookkeeper at Souratta that I triumphed over my director in the Company's letter regarding the books. But because of the war, that has long since been forgotten. Here on the Coast I have crawled through everything, and may I now ask, within that class to which I belong in this government, whom did your Right Honorable find upon his arrival of greater experience and industriousness? He who praises himself is indeed a fool, but he who allows himself to be disparaged and held for incompetent without reason is an even greater fool. He has the right to speak and asks to be refuted if what is put forward is presumption. Who is there among the servants in the Indies since 50 years who has made the demonstrations that I have provided, and which have been investigated and redressed with so much diligence, industry, faithfulness, and prudence by your Right Honorable? Yea, at the expense of my honor, name, reputation, and health, I have observed my duty. Thus one must fight for the good cause if it is to be brought before our lawful government. It is to be hoped that this very case will be the foundation for a general redress and investigation, for truly other offices must not boast until they have found a ruler who dares to stand up for the good cause, although my cruel, tyrannical treatment will deter many. Finally and at last, I conclude with the extract from the honored separate dispatch, written by Their High Excellencies to the Right Honorable and Worshipful Lord Governor Jacob Eilbracht, dated Batavia, 17 August 1790: And to interdict the merchant Willem Hendrik van Bijland, arrested over there, from any further direct correspondence with this Government, especially since among the papers already transmitted by him, extremely many documents have been noticed which one has had to read with indignation, and which one ought to be ashamed to bring before the eyes of the Government. These soul-grieving words and expressions from Their High Excellencies are most deeply felt by a man of honor, name, and education, who never thinks to have made himself guilty of vile documents, and much less to use them to defend the Company's interests, and that before the table of Their High Excellencies. Could Their High Excellencies also have mistaken one paper for another, whereby that error might have been caused? However that may be, I submit myself eagerly to such satisfaction as may be imposed upon me, if I have made myself guilty thereof; whereas I also hope and expect that, when the contrary is proven, Their High Excellencies will likewise wish to wash and cleanse me of the insulting injury done to me by the public letter of 17 August 1790, as I cannot let that insult pass unnoticed, both for myself and for my posterity. I break off, and shall form neither demand nor conclusion, but await my fate, persisting and relying upon my right. While I have the honor to call myself with deep respect, /:was written below:/ Right Honorable and Valiant Sir, your Right Honorable's humble and obedient servant, /:was signed:/ W: H: G: van Bijland. /:in the margin:/ In Fort Geldria, 1 January 1791. /:lower down:/ P:S: Please accept my most humble excuse that the proofs and annexes cannot yet be attached, as they are not ready, but I shall let them follow immediately hereafter with a proper register, the more so because several are still expected from Jaggernaijk—. Agrees. A: J: H: Lasel Sec: To the Right Honorable and Worshipful Lord Jacob Eilbracht Senior Merchant and Governor of the Coromandel Government with the dependencies thereof &:a &:a Together with the Council Right Honorable and Worshipful Lord and Sirs! Pursuant to and in compliance with your Right Honorable Worships' highly respected order to defend myself against all the accusations brought against me, both by the Political Council and by the Fiscal, I have the honor hereby to comply with what is required. But how I shall entitle or name the document of the Lord Fiscal, I do not know, since he was ordered by the Political Council, dated 12 March 1790, to proceed against van Bijland and his servant in accordance with the laws and the Articles of War &: &a, which he neglected not until 29 October, but has not even sought me out since my arrival here, knowing full well that it is a concocted, unfounded
Dutch transcription
der Custe te schrijven, ik heb volhard met aante„ kenen, in de vergadering in te dienen, om Hun Hoog Edelheedens op den weg te brengen van te konnen onderleijd worden omtrend de gesteld„ heijd der Custen, maar dit alles heeft verkeerde uijt„ werkingen veroorzaakt men veronderstelde verkeer„ de motive, of een geeft van reform, of zoo als vooren recht aangehaald is, men dagt dat wat van een Graff van Bijland komt sal mimers de tiets niet uijtstaan die is gekomen om wat geld te schraa„ pen, en schielijk te repatrieeren, wat weet die van boeken en pasieren, dat is precies, waar in Haar Hoog Edelheedens, met respect gezegd grootelijks in mistasten, blijkens; Ik heb 18. maanden op bata„ via doorgebragt, en wel met een oog van reflectie, en met mijn te vergenoegen, van mijne Chilosophi„ sche reflectie op 't papier te brengen, en daar heb ik wel haast gezien, en ondervonden van een dwaasheijd gedaan te hebben van in Indien te komen eerstelijk om dat ik getrouwt was, en daar door alle de noodige verwantschappen op eens voor mij afgesneeden was, tweedens dat ik mijne rijfse Iaaren bereijkt had, en niet meer leeven kon, om zoo als men segt te huijlen met de wolven in 't bos, zoo dat 'er niets voor mij overbleef, als naarstigheijd en bekwaamheijd te soeken, 't welk mij s: 185 mij als soldij boekhouder op souratta zoo verre gelukte, dat ik in Comp:s brief omtrend de boeken trumpheerd over mijnen directeur, maar door den oorlog is dat reets lang vergeeten, hier ope de kust heb ik alles door kroopen, en mag ik nu vraagen die classe daar ik in hoor in dit gouvernement, wie heeft uwel Edele Gestr: bij zijn arrive gevonden van meerder ervaarendheijd en werkzaamheijd! die sig selfs prijst is voorwaar een sot, maar die sig laat ver„ sutten, en voor onbekwaam houden zonder reeden, is nog grooter sot, die heeft recht van spreeken, en ver„ soekt wederleijdt te worden, als het geavanceerde verwaantheijd is wie is 'er zeedert 50. Iaaren in In„ dia onder de dienaaren, die die aanweijzing gedaan„ heeft, die ik aan de hand gegeeven heb, en met zoo veele naarstigheijd, vleijd, trouwe, en voorzigtigheijd door uwel Edele Gestr: ondersogt en geredresseert zijn, Ia ten kosten van mijn eer, naam, reputatie en ge„ zondheijd, heb ik mijn pligt betracht, zoo moet men voor de goede zaak streijden sal het ter voren koomen van onse wettige overigheijd, het is te hoopen dat dit selve geval de grondlegging sal sijn van een generaal redres, en ondersoek, want voor waar andere Cantooren moeten niet roemen, voor dat zij een regent gevonden hebben die voor de goede zaak duaft op te komen, hoe wel mijne Cruëlle tiranccqie behandelijxk behandelinge veele sullen afschrikken Eijndelijk en ten laatsten sluijte ik met het Extract uijt geeerde apparte missive, geschreeven door Haar Hoog Edelheeden aan den welEdelen agtbare Heer gezaghebber. Iacob Eilbracht, gestateerd Batavia den 17. augustus 1790. En om den ginter gearresteerden koopman wil„ lem Hendrik van Bijland te interdiceeren, eeni„ ge verdere directe Correspondentie met deeze Re„ geering, bisonder daar man onder de door hem reeds overgesondene papieren, ten uijtersten vele stukken, die men met verontwaardiging heeft moeten leezen, en men sig schamen moet onder het oog der Regeering te brengen, ontwaard heeft. Deeze ziel grievende woorden en uijt drukking bij Haar Hoog Edelheeden zijn aller gevoeligst voor een maar van Eer, naam, en Educatie, die minmer sig denkt schuldig gemaakt te hebben nog aan vele „stukken, en veel minder om dezelve te gebruijken om Comp:s belangens te verdeedigen, en dat nog aan de tafel van Hun Hoog Edelheedens, soude Haar Hoog Edelheedens ook een papieren voor 't ander genoomen hebben; waar door dat abuijs soude hebben konnen veroorzaakt zijn, hoe het zij ik submitteer mij greetig aan die satisfactie die mij sal konnen opgelegt. 186 opgeligt worden, zoo ik mij daar aan schuldig gemaakt heb wanneer ik ook hoof en verwagt, dat wanneer het tegendeel beweezen is Haar Hoog Edelhee„ dens mij insgelijks sullen willen afwassen, en reij„ „nigen van de hoonende in Iuri mij aangedaan bij de publicque brief van den 17. augustus 1790. , als kon„ nende die injurie niet ongemerkt passeeren zoo voor mij, als mijn nageslagt. Ik breek af, en sal nog Eisch nog conclusie formeeren, maar wagten mijn lat af, vorhardende en steunende op mijn recht. Terwijl ik de eere heb mij met dief respect te noe„ men /:onderstond:/ wel Edele Gestrenge Heer uwelEdele Gestr: ootmoedig en gehoorzame Dienaar /:was gete„ kend:/ W: H: G: van Bijland /:in margine:/ In het fort Geldria den E. Ianuarij 1791. /:lager:/ P: S: Gelieft mijn nedrigst Excus te accepteeren dat de bewijsen en bijlaagen nog niet konnen geannexeert worden; als niet klaar zijnde, maar zal de zelve met een behoorlijk Register. immediaat hier af„ laaten volgen, te meer dat 'er nog verscheijde van Iaggernaijk verwagt word—. Accordeert. A: J: H: Lasel Sec: 187 Aan den wel Edelen Agtbaren Heer Jacob Eilbracht opperkoopman, en Gezaghebber van het Cormandelsch Gouvernement met den resorte van dien &:a &:a Nevens den Raad Wel Edele Agtbare Heer, en Heeren! Ingevolge, en ter voldoening van uwel Edele Agtbare zeer gerespecteerde ordre van mij te verdedigen tegens alle de beschuldiging tegens mij ingebragt zoo door den politicquen Raad, als ook door den fiscaal, zoo hebbe de eere aan het gerequireerde te voldoen bij deezen. maar hoe dat ik het document van den heer fiscaal titreeren of noemen zal wiet ik met, aangezien hij door den politicquen Raad geordon„ neert is, in dato den 12. Maart 1790. om tegens van Bijland en zijn dienaar ingevolge de wetten enden articul brief te procedeeren &: &a, 't welk hij versuijmt heeft niet tot den 29. october, maar heeft mij selve niet opgesogt zeedert mijn komst hier, wel weetende dat het een ofgeraaft onge„ fundeerde
English
well against him, nevertheless I defend my case and consider the necessity of a clarification against all those calumnious, injurious, false accusations, both for my vindication and to show what kind of people are chosen to maintain law and justice in these regions. Firstly, he, the fiscal, has already been suspended for having defrauded the orphan chamber of over ten thousand pagodas, and several thousand more from the diaconate fund, but this is too generally spoken; however well-known to everyone, it deserves clarification: as secretary of the orphan chamber he has not only squandered, consumed, or sent those monies to Europe, but is also the true cause of the ruin of the orphan chamber, having had the management of the funds under his charge, lending them out so loosely and with such partiality by accepting insolvent guarantors, and accepting those same people as guarantor for five or six different persons, letting the interest run from one year into the next, so that some are found whose interest has risen as high as the principal itself, whereby thousands will be lost, and failing to have new guarantors provided upon death or otherwise, so that he, Brouwer, is the real cause of all those losses through bad administration; he 187 he applied to become an elder after all this had been discovered at the orphan chamber, yet he still remained its director, and so much so that today the diaconate children walk around virtually barefoot, having received no clothes of any importance in two years. Oh, abominable state, to rob orphans, widows, minors, and the diaconate; what punishments ought such a person to undergo! This took place as secretary of the orphan chamber; now it will become apparent that he was no less grasping in his post as fiscal, and unfaithful and dishonorable in the capacity of storekeeper. I will touch upon only one matter from each office, but a sufficient one. A certain gunner Corner, presently in this garrison: a slave girl came from his neighbor's house and remained concealed there during the night; he settled this matter to mutual satisfaction and bought that girl, who was not inclined to stay longer with her former master. The fiscal forced that Mr. Corner indoors to sign a confession of debt for 100 pagodas, saying that he had abducted that slave girl; being afraid and dismayed, having already had unpleasant encounters with Mr. Iadama, that poor man signed, and took this matter so much to heart that it [illegible] him as in my papers and defenses. This was foiled both by the sudden arrival of Your Right Honorable and by the arrival of the gentlemen Commissioners, when they no longer dared to keep the false, coerced witnesses imprisoned, as will become evident. How far could I expatiate upon the criminal imprisonment, but trusting that my judges, who will not let slip the illegality contained therein, will provide me with the necessary lawful satisfaction, and will in the future take such precautions that such unheard-of tyrannical conduct can no longer be committed, resembling more the times of Spanish tyranny than a free form of government; moreover, where is the court that finds itself offended that may be its own judge? In order to make this defense of mine as brief and clear as ever possible, I will restrict myself in particular to the Extract of March 12, and regarding the further sought-out accusations in the document of the fiscal dated December 7, I shall answer those unqualified points and accusations according to their merits. I say unqualified, because it is evident that he proceeded from a principle of malice and allowed himself to be misled by passion and fury, so far that he did not shrink from 191 from fabricating false witnesses, but even obtained witness testimonies with cane blows, so that I in a word hold all the witnesses to be illegal and suspect, and request that they may be re-examined, and that under oath. One of the witnesses is my private clerk, named Dirksz, who found no livelihood when, out of service, I could not pay him; out of poverty he allowed himself to be corrupted for money and promises of being accepted into the Company's service, which was also fulfilled. The second is an upright, old, experienced servant who has served the Company's warehouses for 50 years at Nagapatnam without ever the slightest reproach. This man, Waijtinada, was persecuted in order to advance the second, who was a creature of Mr. Iadama during the time he was stationed here as chief; his name is Anda Chittij and he has by no means the capability of the first and is therefore of no account. The third, named Soepermanie Chittij, receives his salary, but like a thief has no access to the warehouse, but is thus handed over from one warehouse master to the next, not being able to be locked out because of the influence he has among the warehouse coolies, whom he has already instigated several times during busy periods
Dutch transcription
„wel tegens hem, des niet te min ^ ik mijn zaak verdedigen„ en considereeren de noodsakelijkheijd van een ophelde„ ring tegens alle die calomnieuse in jurieuse valsche beschuldiging zoo tot mijne afwassing, als om aan„ te toonen welke lieden verkoosen worden om rechten gerechtigheijd te hand havenen in deeze gewesten. Eerstelijk is, hij fiscaal reeds gesuspendeerd om de wille van de weeskamer te kort gedaan te hebben voor ruijm thien duijsend pagoden, en nog eenige duij„ sende van de diakonij Cas, maar dit is te generaal gesprooken, hoe bekend ook, bij een iegelijk, zoo ver„ dient het opheldering, als secretaris van de wees„ kamer heeft hij niet alleen die geldenen verbrast, verteert, of versonden na Europa, maar is nog de waaragtige oorzaak van de ruine der weeskamer, als hebbende de beheering der gelderen onder hem „gehad, dezelve zoo los, en zo partiaal uijtgeset met insolvente borge te neemen, en die selve lieden nog als borg aangenoomen voor vijf ses differente per„ soonen, de intressen laaten loopen van een Iaar in 't anderen, dat er zulke gevonden worden, wienst in„ tressen zoo hoog gesteegen zijn, als het capitaal selve, waar door duijsende verlooren sullen gaan, en bij serfgeval als andersints geen nieuwe borgen laaten stellen, dat hij Brouwer de reele oorzaak is, van alle die verliesen door segte administratie, hij 187 hij soliciteerd om ouderling te worden, na dat dit alles ontdekt was, bij de weeskamer, zoo bleef hij egter daar ook nog den directeur en wel zoo, dat hee„ den de diaconij kinderen omtrend barevoets loopen, hebbende in twee Iaaren geene verstrekking van kleederen gekreegen van eenig aanbelang. —. O' ver„ foeijelijke dtaat, weesen, weduwe onmondige, en de di„ aconij te besteelen, wat straffen dient zoo een te onder„ gaan. dit is gepasseert als secretaris van de weeska„ mer;, nu sal blijken dat hij niet minder inhaalig geweest is in zijn post als fiscaal, en ontrouwe en eerloos, in de qualiteijd als dispencier. Ik sal. slegts van ieder bedienig maar een saak aanroeren, maar voldoende. Eenen zeekeren vuurwerker Corner tans present in dit guarnisoen, een slaave meijsje kwam van zijn buurmans huijs en beleef des 'snagts daar verhoolen, hij maakte deeze zaak af tot we„ der zijds genoegen, en kogt die meijd, die niet gene„ gen was om langer bij den voorigen heer te blijven. de fiscaal dwingt dien heer Corner binnens ka„ mers om een schuld bekentenis van 100. pagoden te tekenen, seggende dat hij die slaave meijd ges„ schaakt had, bevreesd en ontsteld zijnde, hebbende reets onaangenaame ontmoetinge gehad met de heer Iadama teekende dien armen man, en heeft sig die zaak soo aangetrokken, dat het hem als in mijne paieren en defencien. dit wierd vereijetelt zoo door uwel Edele Agtb: schielijke overkomst, als ook het arrive van de heeren Commissarissen, wanneer zij de valsche afgedwongene getuijgen niet langer gevangen dorsten te houden, 't welk blijken zal. —. Hoe verre soude ik mij konnen uijtbreijden over de Crimineele gevangenschap, maar vertrouwende, of mijne rechters die het elegale niet ontgleppen sul„ len daar in vervat, om mij het nodige rechten satis„ factie te bezorgen, en in 't toekomende sulke voor sor„ gen zullen neemen dat diergelijke ongehoorde tira nicque handelwijse niet meerder gepleegt kunnen worden, als sweevende meer na de tijden des Spaanse tirani, als na eene vrije regeerings form, daar en boven, waar is de recht banc die sig beleedigt vind, die zijn eijgen regter mag zijn om deeze mijne de„ fencie zoo kort en klaar te maaken als immer mo„ gelijk, sal ik mij particulier bepaalen tot het Ey„ tract van den 12. Maart, ende verdere opgesogte beschuldiging in 't document van den fiscaal in dato den 7. december, sal ik die ongequalificeerde pointen en beschuldiging beantwoorden naar merites„ Ik seg ongequalificeerd, om dat het blijkt dat hij uijt een principe van quaad-aardigheijd te werk is ge„ gaan en sig door drift en pascie heeft laaten ver„ leyden, zoo verre dat hij sig niet ontsien heeft, van 191 van valsche getuijgen op te doen lotten, maar selfs met rotting slagen getuijgens ingewonnen heeft, zoo dat ik met een woord alle de getuijgens voor ilegaal, en suspect houw, en versoek dat deselve nader gehoord mogen worden, en dat wel op den led een der getuijgens is mijne particuliere schrij„ ver: met name Dirksz:, die geen bestaan vond toen ik buijten dienst hem niet betaalen kon, uijt armoede lied hij sig Carrumpeeren voor geld, en beloften van in 't Comp:s dienst te sullen aangenoomen worden, 't welk ook nagekomen is. den tweede is, een braaf oud ervaaren dienaar, die 50. Iaaren Compagnies pakhuijsen bedient heeft op Nagapatnam, sonder immer de geringste reproche. deese man waijtinada wierd vervolgd, om den tweede wegen te doen of klimmen, die een crectuur van de heer Iadama was, ten leijde dat hij hier als opperhoofd lag, zijn naam is Anda Chittij en heeft geensints de bekwaamheijd van den eerste en daar om niet in tel: den derde met name soe permanie Chittij ontfangt zijne besoldting, maar. als een dief heeft geen toegang in 't pakhuijs, maar word van den eenen pakhuijsmeester. zoo overgegeeven, niet konnende verslooten worden om de influencie die hij heeft onder de pakhuijs Coelijs daar hij ver„ scheijde maalen reets ondergestookt heeft om bij drukken h: 1
English
would have been, when all those insulting invectives erupted; certainly the letter of 26 February is strong, but appropriate, and with that resoluteness that befits a well-meaning, faithful Company servant who has sworn only one oath faithfully to serve his Lords and Masters, and he saw before his eyes the unfaithful, careless malversations increase from hour to hour, with the most dangerous consequences for the Company's interests, indeed even that Mr. Tadama, out of conviction in his conscience, already shipped off his most precious goods by night and at improper times to Tranquebaar, without this being prevented by a faithful, well-meaning servant of the Company, and that at a time when I was convinced that he must pay back more than 40 thousand pagodas into the treasury if everything is audited as it ought to be. I was not asked or consulted, although I was the one who brought these profits to the Noble Company with the discovery thereof, indeed even the way and manner how they could be discovered in the most suitable manner; but who will turn the mill away from the water, and would I venture again into such dangers where my life was involved, and from the consequences of which I am still languishing? No, before the Lords Majors will have provided therein, I shall not venture into the open again, for the Indies is like a stringed instrument, all attached to one cord, and he who touches that small cord moves and stirs all the strings at once that are strung to the Company's ruin, in order to seek and look after nothing but self-interest, and to persecute him who makes a discovery thereof. How many examples could I cite, and what harsh and sharp letters could I not produce, which had to convince me in an indirect manner of the displeasure that was felt over my resoluteness and discovery, contained in my notes submitted in the Council of Coromandel. The letter of 2 March, as a private individual, and I having been placed out of service, has no further connection with Company matters. Here follows directly after the 10000 rupees promised by Triwengalam to Mr. Tadama to recall me and to have the old chief continue; all depositions in that regard have been extorted, but if it had been a clean matter, one should have asked at the interrogation whether those people had ever heard speak of it, but against force, what could those people answer other than what was put before them? Then follows the armed men, who consisted of 10 Moorish peons from Dacharam, for the guarding of me and my house, to return those peons to Van Halm, who had been placed with me as spies, and were creatures of Triwengalam, my enemy and persecutor, in whose presence my life was not safe; and those 10 natives are no more armed than ordinary peons, except for a shield. But how ridiculous is that proposition; from that time it appears indeed that my request was to be recalled. By committing such violence, my cause would have become bad and that of the unfaithful chiefs good; in such a revolution, they would soon have destroyed the Company's books and papers, and left everything to my account. I repeat that the least of the Company's merchants have peons from Datcheram in their service, and it is a Dutch Company post. Concerning the effect, it has already been treated at large and sufficiently proved that those people were incited thereto by the chiefs and Triwengalam. That I did not heed the order of 17 February, which was only delivered into my hands on 25 February, is a false and mendacious accusation. I complied strictly with that order; also all the merchants of Jaggernaikpoeram were immediately criminally arrested on 25 February to force them to sign for over 3000 pagodas, while they owed only 7 to 800 pagodas. It is true that, in my capacity as a Company servant and as a Member of the Council of Palleacatta, I wrote a letter to the chiefs to soften, if possible, the oppressions and cruelties committed against those merchants and Brahmins. Here follows upon that the illegal criminal arrest, which, according to the circumstances and arbitrary pleasure of Mr. Tadama outside of the council, was aggravated from day to day, as can be seen from the letter of 14 April, and all that for the sake of the private letter of 2 March, to be seen and found in the letter of the commissioners dated 8 April. Concerning finally and lastly, contained in that extract, the arresting and sending up of my head servant, and the cruelties inflicted upon that man are indescribable to me, and I leave it to himself to obtain redress and satisfaction from Your Honorable Worships, and I reserve the right to seek justice and satisfaction where I shall deem appropriate regarding that injury done to me by having mistreated my servant almost to death. And what is a servant? He can do nothing else than obey his master, so that that insult was done to me, and the pain, grief, and suffered damage to that head servant must be compensated by Mr. Tadama. Thus far the extract has concluded; and it was approved and understood to order the fiscal to proceed against Van Bijland and his servant in accordance with the laws and the articles of war, so that all the rest that follows are scraped-up actions to please Mr. Tadama and the chiefs, with
Dutch transcription
soude geweest zijn, als alle die injurieuse in vectwes uijtte„ braaken, zeekerlijk is de brief van den 26. februarij sterk, maar gepast, en met die Cordtaatheijd, die betaamd aan een welmeenent trouw Comp: dienaar, die maar eenen Eed gedaan heeft van zijne Heeren en Meesters trouw te dienen, en hij sag voor sijne ooge de ontrouwe sorgeloost tot uijt malversatien van uur toeneemen, met de allergevaar lijkste gevolge voor Compagnies belangens, Ia selfs dat de heer Iadama door overtuijging in zijn gemoed reets zijne kost baarste goederen bij nagt en ontijden afscheepten naar Tranquebaar, sonder dat hem dat door een trouw welmeenent dienaar van de Comp:e belet wierd, en dat of een tijd, dat ik overtuijgd was dat hij meerder als 40. duijsend pag: in cassa moet te rug tellen als alles nage„ gaan word zoo als het behoord, ik ben niet gevraagt of geconsulteerd, hoe wel den geenen die deeze profij„ ten aan de Edele Compagnie toegebragt heb, met de ondekking dersilver, Ia selfs de weise en manica hoe het op de geschikste weijze te ontdekken zouden zijn; maar wie zal water van de moolen, weisen, en souw ik mij andermaal in sulke gevaaren begeeven daar mijn leeven meede gemengt is geweest, en nog kwijnende ben van dies gevolgen, neen voor dat Hee„ ren Majores daar in sullen voorzien hebben, sal ik mij niet weder op de vlakte begeeven, want India is als een snaaren spel alle aan een koort . vast 193 vast gehegt, en die dat Coortje aanroert die beweegt en eens alle de snaaren die gespannen zijn tot Compagnies ondergang, om niet als eijgen belang te zoeken en te behartigen, en die te vervolgen die daar ondekking van doet, hoe veel exempels soude ik konnen aanhaalen, en welke norse en scherpe brieven soude ik niet konnen voorbrengen, die mij of eene indirecte weise overtuijgen moeste van 't ongenoegen dat men gevoelde over mijne Cordtaatheijd en ontdekking, vervat bij mijne aanteke„ ningen in raade van Cormandel ingedient. De brief van den 2. maart als particulier, en ik buijten dienst gesteld zijnde, heeft geene Connecie meer met Compagnies zaaken, hier volgt direct of de beloofde 10000 rop:s door Triwengalam aan de heer Tadama om mij overteroepen, en het oude opperhoofd te doen continueeren, alle attesten daar omtrend zijn afgeperst maar was het een suijver zaak, zoo had men bij de interogatorie moeten vraagen, of die lieden daar nimmer van hadden hooren spreeken, maar tegens gewelt wat soude die lieden antwoorden an„ ders als wat hun voorgehouden wierd. dan volgt de gewassende koppen, die bestaan heb„ ben in 10. dacharamse moorse pions, tot oppassing van mij en mijn huijs, om die pions aan van Halm weerom te geeven, die als spions bij mij geplaatst waaren, en Creatuuren waaren van Iriwengelam mijn vijand en vervolger daar mijn leever niet zeeker zeeken bij was; en die 10. inhooren zijn niet meerder gewapent als de ordinaire pions, uijtgenomen een schild„ maar hoe redicuul is die stelling of die tijd blijkt immers dat mijn verzoek was om opgeroepen te wor„ den met zoo een geweld te pleegen, was mijn saak kwaad geworden, en die der ontrouwe opperhoofden goed zij zoude bij zoo eene revolutie wel haast Compagnies boeken en papieren vernielt hebben, en alles tot mijn verantwoording gelaaten, herzegge dat de minste van 'sComp:s kooplieden pions van datcheram in hun dienst hebben, en een Hollandsche Compagnies plaats is—. Over de uijtwerking is reets in 't breede verhandelt en genoegzaam beweezen dat die lieden daar toe door de opperhoofden en Triwengelam of gerot zijn van mij niet gestoord te hebben aan de ordre van den 17. februarij, die mij eerst op den 25. febr: ter hand gesteld is, is een valsche en leugenagtige beschuldiging, ik heb die ordre strikt nagekomen, ook waaren alle de koop„ lieden van Iaggernaijkpoeram in mediaat of den 25. februarij Crimineel gearresteerd om hun te dwingen van voor over de 3000. pag: te tekenen; terwijl maar 7. â 800. pag: schuldig waaren, wel is waar dat ik in qualiteijt als 'sComp:s dienaaren als Raadlid van Pal„ leacatta een brief aan de opperhoofden geschreeven heb, om was het mogelijk de drifsen en Cuanteiten aan. 194 aan die kooplieden en bramine begaan te versagten. Hier volgt dat ilegaale Crimineele arrest op, dat na omstandigheeden en willekeurig goedvinden van de heer Tadama buijten den raad van dag tot dag ver„ swaart wierd, als te zien is bij de brief van den 14. april en dat alles om de wille van de particieliere brief van den 2. Maart te zien, en te vinden bij de brief der gecommitteerdens dato den 8. april. Betreffende eijndelijk en ten laatsten in dat Extract vervat het arresteeren en opsenden van mijn hoofd dienaar, en de Cruanteiten die men die man aangedaan heeft is voor mij onbeschrijvelijk, en laat het aan hem selve over, om redres en satisfactie van uwel Edele agtbare te erlangen, en reservere mij om recht en satisfactie te soeken daar ik sal meenen te behooren over die in„ Iurie mij aangedaan. Met mijn dienaar tot bij na de dood te hebben mishandelt, en wat is een dienaar, die kan niet anders doen als zijn meester te gehoorzamen, soo dat die insulte mij aangedaan is, en de pijn, smerte, in geleede schaade aan die hoofd-dienaar moet vergoed ie worden door de heer Iadama, tot dus verre is het Extract afgeloopen; en goedgevonden, en verstaan om de 22 fiscaal te gelasten om ingevolge de wetten, en den articul„ brief tegens van Bijland en zijn dienaar te procedeeren, zoo dat alle het overige dat volgt opgeraafte actien He zijn om de heer Zodlama en de opperhoofden te believen, ast met
English
with a foolish assumption, as if my filth could wash them clean. Concerning the haveldhar, it is a very simple matter, and I cannot comprehend that this affair should be brought before Your Honorable Worships so filthily and partially. The dispute between me and Mr. Tadama has already been cited regarding the toll bookkeepership, which was attached to my service as warehouse master and was not gladly surrendered by Mr. Tadama, who did not find his account in it, but forthwith had money counted into the treasury that came from the tolls. A proper, clean transfer would cast much light on this matter, but that was not given by Mr. Tadama. As toll bookkeeper, I had to work with four subordinate cannecappuls assigned to me as toll bookkeeper and standing directly under me. Those people sit with the haveldhar's men on the pial where the tolls are paid and write back and forth, and they come to report to me daily; that is the correspondence that is presented so darkly to Your Honorable Worships. But this is really where the secret lies: the parcels and goods of private individuals destined for Batavia are carried out of those gentlemen's houses into the fort, and then shipped off smuggled, as if they were the Company's parcels and goods. That has always been the real cause of the dissension and disputes with the haveldhar. Has that not been proven and known to Their High Nobilities concerning the detained parcels of the Armenian, through which for several years no toll account was rendered by the haveldhar? Those goods belonging to a certain Mr. Pieter B. were also detained, yes, even on the glacis of our fort. I was not there then either, and nonetheless the arrest and detention of the goods took place in the year in question, as if I were to blame for it. Then Luijken shipped all the Nagapattinam goods directly onto the ship Hoassen without toll. That same year, Mr. Tadama shipped off in the name of the Company, in order to smuggle the toll, 12189 lb of sugar to the north with our sloops, of which I have already made mention, and inserting this provides further clarification: Mr. Martinus Hoffenberg, chief administrator and outgoing warehouse master, supplies from the Company's trade warehouse to the native Porwea Poele the 12189 lb of powder sugar or 25 189/480 bhaar sold by him on three months' credit, and records the same as a memorandum: Palleakatta, in Castle Geldria, the 15th of December 1788. Note: that is the servant of Mr. Tadama, and done to disadvantage me, as I was then about to arrive from Sadras, and no price for the sugar is stated, so as to weigh off the lowest bazaar price. Captain Gas, who lived next door to me, had the trade goods carried over into his house in small lots, and had them packed into a five-foot chest, and carried daily to the beach by Chinese and Malays, which caused a great riot among the coolies; and they are the ones who reported it to the haveldhar, whereupon the chest was seized, and not released until after a considerable present was paid by Mr. Tadama. I had reported to my toll cannecappuls how many Company parcels were to be shipped off that year, that the remainder was private, and that they also had to pay. Meanwhile, the private parcels were shipped first in order to form the bottom layer in the ship, so as to favor the smuggling trade everywhere. When the quantity of parcels was reached, the haveldhar ordered all the remaining ones detained: Company or private is all the same to me; the Company only has so many parcels, and there are already that many in the ship; the rest must pay toll. Is this case now different from the two examples first cited, namely the parcels of the Armenian and those of Mr. Pietersz? As the haveldhar is shortchanged, he seizes wherever he finds it; and our privileges do not rest on smuggling or deceiving the haveldhar, but on right and equity, which one must assume would be maintained and protected by the ruler Tadama, but not by being the first to violate those privileges. That man was so accommodating in the beginning that he released them on the word of Mr. Tadama, until that evidence of the sugar and his private trade was discovered by the haveldhar. As toll bookkeeper, I repeat once more, I remained vigilant for the Company and attended to my entrusted duty, seeking to prevent that illicit trade from gaining the upper hand to the detriment of the Company and leading to great disputes with the haveldhar. Why did Mr. Tadama express his displeasure when I demanded the transfer of the toll books? Because he could no longer favor himself and his favorites. The present given by me to the haveldhar: that I deny to have been of such value, but rather a few handfuls of each kind of spices, as well as a piece of broadcloth, and not given at that time, but when that haveldhar first arrived at the post in that office, and indeed for the sake of friendship and good relations. That I let the haveldhar's men come to my house before I locked my trunks and chests is nothing but convincing proof of good faith, and because I did not like having my goods unlocked at the beach. Furthermore, I have always strictly paid for my trade; the witnesses will say more about this than I, namely the weighers. What reason can one assume
Dutch transcription
met een dwaase veronderstelling als of mijn vuijl haar lieder schoon kan wassen -. Omtrend den Hauveldhaar, is eene zeer eenvoudige zaak en kan niet begrijppen dat die zaak zoo vuijlaendig als partiaal. onder het oog van uwelEdele agtb: mag gebracht worden. Het disput tusschen mij, en de heer Tadama is reets aangehaald omtrend het tol boekhouderschap dat aan mijn dienst was als pakhuijsmeester verknogt is, en niet gaeetig door de heer Tadama is afgestaan, die daar zijn reekening niet bij vond, maar illico geld in Cas„ sa liet tellen dat van de thollen gekomen was een goet suijver. transport zoude in deezen veel licht bij zetten, maar dat is niet gegeeven door de heer Padama; als Tolboekhouder heb ik te werk moeten gaan met vier onderhoorige canekappels die mij als tholboekhouder toe„ gevoegt zijn, en direct onder mij staan, die lieden sitten met den Haweldhaar zijn volk of de piaal, daar de thollen betaald worden en schrijven over en weder op, en komen mij dagelijks rapport doen, dat is de Corres„ pondtentie die zoo swart opgedist word aan uwel„ Edele agtb:—. Maar hier bestaat eijgentlijk het geheim in, de particuliere hunne pakken en goederen voor Batavia worden uijt die heeren haare huijsen binnen het fort gedraagen, en dan afgeschiefte smokkel der wies als of het Comp:s pakken en goederen waaren, dat is de reeele oorsaak 195 oorsaak altijd geweest der onEenigheijd en disputen met den Haweldhaar, is dat niet beweesen en bekend bij Haar Hoog Edelheedens omtrend de gearresteerde pakken van den armenien, waar door verscheijde Iaaren geene Thol reekening gedaan is, door den Haweldhaar ook zijn die goederen aangehouden van eenen heer Pieter B:; Ia„ selfs op de glascie van ons fort, toen was ik ook niet daar, en eevenwel had het arrest en aanhouden der goederen plaats het Iaar in kwostie, als of ik daar aan schuld had, toen heeft luijken alle de nagapatnamse goe„ deren direct overgescheept op het schip Hoassen sonder thol dat selfde Iaar heeft de heer Padama afgescheeft op de naam van de Compagnie om de thol te smokkelen 12189. lb: zuijker na de noord met onse sloeppen, en waar van ik reets gewag gemaakt heb, en door dit te insereeren geeft meerder opheldering: den Heer Martinus Hoffenberg hoofd-administrateur en afgaande pakhuijsmeester verstrekt uijt Comp:s negotie pakhuijs aan den Inlanden Porwea Poele de door hem op drie maanden Credit verkogt 12189. lb: proeder 189 zuijker of 25. 14/480. bhaar , en houd dezelve per memorie Palleakatta In het Casteel Geldaca den 15. decemb:r 1788 NB: dat is, de dienaar van de heer Iadama, en gedaan om mij te benadeelen, als staande toen over te komen van sadras, en geen prijs der zuijker vermeld, om de laagste baszaars prijs af te wagen. Den cappitain Gas die naast mijn mijn deur woonde lied bij kleijne parthijen de negotie goederen in zijn huijs overdragen, en lied het in een vijf voet kist pakken, en door chineese en maleijers dagelijks na strand dragen, 't welk groot oproer onder de Coelijs maakten, en die zijn het dewelke het bij den Haweldhaar aan gedient hebben, en waar op de kist gearresteerd is, en met ontslagen als na een aansienlijke present betaald te hebben door de heer Tadama, mijne Cannecappels van den Tol had ik ik overgegeeven. hoe veel Compagnies pakken er dat Iaar soude afgescheept worden dat het overige particulier was, en ook moesten betaalen, intusschen wierden de particuliere pakken eerst afgescheept om de onderlaag in 't schip te formeeren, om over al, den smokkel handel te begunstigen, toen de kwantiheijd der pakken daar waaren bied, den Haweldhaar alle de overige aanhou„ den, Comp:s of particulier is mij om 't eeven de Comp=e heeft maar zoo veele pakken, en 'er zijn er reeds zoo veel in 't schip, de overige moeten tol betaalen. is dit geval nu different van de twee eerst aangehaalde Exempels namentlijk de pakken van den armenien, en die van de heer Pietersz:, zoo als hij Haweldhaar te kort gedaan word arresteerd hij waar hij het vind en onse previlegien die steunen, niet of smokkel of om den haweldhaar te bedriegen, maar of regt en equiteit, die men veronderstellen moet, door den gebieder Iadama te sullen worden gemaintineerd, en geprotegeert maar 196 maar niet met selfs den eersten te zijn in 't overtreeden dier previlegien, die man was zoo geschikt in den beginne dat hij het op 'twoord van de heer Tadama. largeerde tot dat die beweizen van de suijker, en zijne particuliere negotie ontdekt is bij den Haweldhaar, als Tol boekhouder, her zegge nog eens heb ik voor de Compagnie gevigileert, en mijn toevertroude dienst betragt, en soeke tegens te gaan, dat die sluijk han„ del. niet verder de over hand sou neemen tot nadeel van de Compagnie, en groote disputen tin met den Ha„ weldhaar, waar om gaf de heer Tadama zijn ongenoegen te kennen, toen ik het transport opfeischde der tol boeken om dat hij sig selven, en zyne levelingen niet meerder kon begunstigen; het present door mij aan den Hawel„ dhaar dat butken ik, van die waarde te zijn geweest, maar wol een paar volle handen van ijder soort Appe„ cerijen, als ook een lap roodlaken, en niet op die tijd gegee„ ven, maar toen hij Haweldhaar eerst op de plaats kwam in die post, en wel om vriendschap en goede verstand hou„ ding dat ik de haweldhaars volk bij mij in huijs let komen voor dat ik mijne koffers en kiste sloot, is niet als een overtuijgent beweis van goede trouw, en om dat ik niet graag mijne goederen open let sluijten aan strand„ overigens heb ik altijd strikt voor mijn negotie betaald, de getuijgens sullen hier van meerder zeggen als ik, namentlijk de weegers, wat reeden kan men ver„ onderstellen 5
English
supposing that I would want to detain the ship Horsen, on that date everything was in the best outward harmony, my notes in the meeting had neither impression nor impact on those indifferent, unfaithful servants, who had forged a plot among themselves to bring about that I should be removed from the Coromandel Coast, and on that occasion, one brother-in-law deceived the other, and Mr. Tadama paid the reckoning, by obtaining that dismissal which he in no way expected. The fiscal believes he has fully proven that I am the cause of the discord that arose with the Havildar or Divan, but far be it, that discord arose through the continuous smuggling trade of Mr. Tadama and his favorites; the more so since such displeasure of the Havildar occurred almost every year, as well as the arresting and detaining of goods, at which time I was at Sadras, who was then the cause; foul and malicious are the fabrications of that unfaithful fiscal, and which will clearly appear in every article or accusation, so I proceed to the copper. This article is all too voluminous to dwell on every remark and supposition. It is certainly true that 800 small chests were transshipped directly from the ship Horsen into the sloop to the north, which once again shows my disinterestedness and desire to get the ship Horsen quickly discharged, but notwithstanding the Captain and my percentage and that of the commander of the sloop, there was a very large shortage, but to the credit of the Jagannathapuram chiefs, they bore that loss, precisely because it came directly from the ship; if it had been sent in such a manner by the warehouse master, it would not have ended so easily, and rightly so. Subsequently, it appears that I did not take over that copper and did not transfer it during my transfer, nor did I store it. Now the fiscal shows that in the transfer of Mr. Stoffenberg there was a shortage of copper, and that is also true; but Your Right Honourable knows very well that the new warehouse master is the rising sun for the weighers and they will ensure that the new warehouse master does not come short; moreover, Mr. Stoffenberg said to the weighers, we are good friends, I will not quarrel with Van Bijland over a little turn of the scale during weighing, but if one gives those people a finger, they take the hand, therefore I have not run short of copper, as appears in the transfer from Mr. Stoffenberg, received 5194 5/8 st and furnished, sent and sold 52009 ¾, thus credit 15 ¾ lbs, and in the transfer to Mr. De Raeff there appears a surplus of 91 7/8 lbs; on account of that surplus it is supposed that I stole copper, without taking into consideration my validation of 1/8 per cent, and that it is never weighed so strictly when weighing out as when weighing in, since the merchants always resell it with English lbs; also in that mendacious paper it appears as if I had only sold two bhaars, while it was just proven by the books that I sold 52009, and further that I stole either 12 small chests or 24 small chests, and precisely for the reason that Mr. De Raeff, in reweighing the transferred lot of copper from the ship Horsen by Mr. Tadama, found a deficit of 1600 lbs. I leave Mr. De Raeff in his full character and acknowledge him as an honest man, but as a warehouse master in his honest trade and occupation, he will not maintain that he is better than previous warehouse masters; besides that, even were he ever so well-intentioned, the weighers watch out that no loss comes to their masters, but that is how it went to work, for when they started with it, I had not yet departed. Beekman, writer of Mr. De Raeff, said that it was only weighed out of curiosity, and that his weighers did not have to look so closely at one or two bars per small chest; now one bar, calculated on average, weighs ¾, 7/8, 1 to 1 1/8 lbs; if one sets this very generously at ¾ lb per bar, that makes 2400 bars at ¾ lb, which already amounts to a deficit of 1800 lbs. Would it not have been much simpler to have had that copper weighed out to Mr. De Raeff just as strictly as it was weighed by the judicial commission, in order to be able to determine precisely whether Mr. De Raeff is the thief, or I? For to suppose that 3000 lbs—yes, with a deduction of 44 5/16 per 100 small chests, there remains 2989 ½—that this would have been carried over by my two boys in small lots is not believable. How many trips would those boys not have had to make, the one is older, the other cannot carry 50 lbs and is a child, and that past the door of the fiscal in gunny sacks, would that not have caught the eye, since those boys are dressed neatly as house servants and only carry the tea back and forth? But in fine, the corpus delicti has been traced until it was shipped, and now it is arrested at Jagannathapuram. Look there, Your Right Honourable, if more than two small bars can be obtained from it, which I am accustomed to place on my papers, I forfeit all my arrested goods. Also another matter: how could one mix wet and green copper with dry copper that has lain in the warehouse for over a year? Would Mr. De Raeff and the commissioners not have made remarks about that? Is it not, through all this, much sooner to be supposed that the writer Beekman and
Dutch transcription
onderstellen dat ik het schip Horsen soude willen aan„ houden, of die datum was alles in de beste uijterlijke han„ monie, mijne aanteekeningen in vergadering hadden nog indruk „ nog imprescie of die onverschillige ontrouwe dienaaren, die bij haar selve een Complot gesmeed hadden om te bewer„ ken dat ik van de Cust Cormandel soude gelicht worden en bij die gelegendheijd, heeft den eene swager den ande„ ren bedroogen, en de heer Iadama het gelag betaald, met dat ontslag te er langen, dat hij geensints verwag„ tende was de heer fiscaal vermeent ten vollen beweezen te heb„ ben dat ik oorzaak ben van de oneenigheijd ontslaan met den Haweldhaar of dijvan, maar het zij verre, die oncerig„ heijd is ontslaan door den drijvende smokkel. handel van de heer Taclama, en zijne liewelingen; te meer dat het omtrend alle Iaaren voorgevallen is diergelijke misnoeging van den Haweldhaar, als ook het arre Heeren en aanhouden der goederen, toen was ik op Sadaas, wie was dan toen de oorzaak; vuijl, kwaataardig zijn de verdigsels van dien ontrouwen fiscaal, en welke bij ieder artikel of beschuldiging souwe klaar blijken zal, zoo gaan ik over tot het kooper. dit barticul is al te volumi„ neus, om mij bij ieder aanmerking en veronderstelling of te houden. zeeker is waar dat 'er 800. kistjes di„ recht uijt het schip Horsen in de sloep zijn overge„ scheept na de noord, dat toont alwederom mijne onge„ in teresteerdheijd 157 interesseerdheijd aan, en om het schip Horsen schielijk los te krijgen, maar niet tegenstaande de Capp:n en mijne p:r C:to en die van den gezaghebber der sloep is er zeer veel te kort gekomen, maar tot roem der Iaggernaijkpoerams opperhoofden, hebben zij die schaade gedraagen, en wel om dat het direkt uijt het schip kwam, als het zoo door den pakhuijsmeester versonden was, soude het zoo gemak„ kelijk niet afgeloopen hebben, en met recht. Vervolgens blijkt dat ik dat kooper niet overgemoo„ men en bij mijn transport niet overgegeeven heb, ook niet geborgen heb. nu toont den fiscaal dat 'er bij het transport van de heer stoffenberg kooper te kort ge„ komen is, en dat is ook waar; maar uwelEd:e Agtb: weet zeer wel, dat den nieuwen pakhuijsmeester de ofgaande son is voor de weegers en sorgen zullen dat den nieuwe pakhuijsmeester. niet te kort komt daar en boven seijde de heer Stoffenberg aan de wegers wij zijn goede vrienden, ik zal mij om een weijnigje door slag bij het weegen niet brouelleeren met van Bijland, maar geef men die lieden de vinger, zoo neemen zij de handen, dierhalven ben ik geen koper te kort gekomen als blijkt# bij het transport van de hier Stoffenberg ontfangen 5194 5/8: st en verstrekt versonden en verkogt 52009. ¾. , dus Credit lbd: 15 ¾, en bij het transport blijkt aan de heer. De Raeff eene meerderheijd van lb: 91. 7/8. , om de wille van die meer„ derheijd word gesupponeerd dat ik kooper gestoolen heb sonder 11 dat dat zij in aanming neemen mijne validatie van 1/8. p:r C=to en dat nimmer zoo strikt gewoogen word bij het uijtwegen als bij het inwegen, vermits de kooplieden het altoos weer verkoopen met Engelsch lb:, ook komt in dat leugenagtig papier als of ik maar twee bhaar verkogt had, terwijl zoo eeven beweesen word door de boeken dat ik 52009 verkogt heb alverder dat ik of 12. kistjes of 24. kisjes gestoolen heb, en wel om reeden dat de heer de Raeff bij het naweegen van de overgenomene parthij kopper, van het schip Horsen, door de heer Padama eene minderheij bevonden heeft van 1600. lb:, Ik laat de heer de Raeff in zijn volle Caracter, en erken hem voor een eerlijk man, maar als pakhuijsmeester in zijne eerlijke neering en han„ teering sal hij niet sustineeren beeter te zijn als voore ge pakhuijsmeesters behalven dat, al was hij nog zoo wel geintioneerd de weegers passen wel of dat 'er geen schaade komt voor hunne Heeren, maar zoo is het in zijn werk gegaan, want toen daar meede begonnen wierd, was ik nog niet vertrokken Beekman schrijver van de heer de Raeff zeijde, dat het alleen gewoogen wierd uijt nieuwsgierigheijd, en dat zijn wegers opr een â twee staaven per kistje niet hoefde te zien, nu een staaf door elkanderen gereekend weegt ¾ 7/8. 1. tot 1: 1/8. lb:, als men dit na genereus steld op ¾. lb: per staaf, zoo zijn het 2400. staaven â ¾. lb: komt reeds eene minderheijd van 1800. lb: was het niet veel een vou„ dige erk 198 „diger geweest om dat koopper aan den heer de Raeff. door te laaten toeweegen, zoo scherp als het de Iustitieele commissie gewoogen is, om Juijst te konnen bepaalen of de heer de Raeff den dief is, of ik, want om te veronderstellen dat 3000 lb:; Ja met eene mindering van 44. 5/16. per. 100. kisjes, rest nog 2989. ½. dat die door mijne twee Iongens in klijne parthijen soude overgedragen zijn, is niet geloofbaar, hoe veele gange soude die Iongens niet moeten doen den eenen is ouder den andere kan geen 50. lb: dragen, en is een kind, en dat voor bij de deur van de fiscaal in goe„ nij sakken, souw dat niet in 't oog gestooken hebben daar die Iongens paaper en net als lijf son„ gens gekleed zijn, en alleen de thee over en weer „dragen, maar en fin het coupus dilictij is na ge„ speurt tot dat het ingescheept is, en nu is het gearresteert op Iaggernaijk poeram. zie daar uwel„ Edele Agtb: als'er meerder als twee staafjes uijt te haalen zijn, die ik gewoon ben of mijne papieren te leggen, verbeur ik al mijn gearresteerde goederen ook nog een saak hoe soude men nat en groen ko„ per konnen vermengen met droog kooper dat over 't Iaar in 't pakhuijs gelegen heeft, soude de heer de Raeff en de gecommitteerdens daar geene Re„ marques over gemaakt hebben, is door dit alles niet veel eerdten te veronderstellen dat den schrijver Beekman en ij