VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3974

Coromandel / Bengal · 1,128 pages · 216 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3974_1052 view scan ↗

English

because they had refused to sign the final accounts drawn up by the chiefs, as these did not conform to those of the merchants, etc. This accusation relating solely to the merchants of white linens, we shall also limit ourselves solely to the answer given by them to our 2nd to 5th question put to them, in which they say that Mr. van Halm had not treated them well for some time, and particularly since the conclusion of the first contract, as well as that because of their unwillingness to sign their final accounts, they had been treated in such a manner as is noted above. But upon further questioning on the date of 17 April, presented to the Government with our letter of the 22nd thereafter under No 2 Letter C, they declare in their first answer that on the first day of their arrest—which was not in the chowdry of the Kotwal as was erroneously stated by van Bijland, but in the peons' chowdry in front of the house of Mr. van Halm—they had only had permission once to go home, but subsequently twice and more daily. We have dealt with this article at large in our letter of 22 April, and stated therein that it had appeared to us after investigation that the complaints of the merchants were not entirely unfounded, for it smacked not a little of injustice to arrest them because they would not sign their final accounts with the Honourable Company before the chiefs had satisfied them for what was owed to them for delivered linens. Also noted at the same time were the reasons that had induced the chiefs to keep those people under civil arrest; namely, because despite their requisition, they had persisted in refusing to state their claims, and had further declared that they no longer wished to serve the Honourable Company, which latter point the chiefs prove with 4 pieces of declarations which we presented to the Government with our letter of 22 April under Letter A. We prefer, with all respect, to leave the value of what has been advanced on both sides to your Honourable Worships' far wiser judgment, and only observe further that under such circumstances, and in view of the disadvantageous state of affairs into which they had been brought by the arisen discrepancies, somewhat more accommodation might well have been used with the merchants, although at the same time the suspicion is not entirely to be dismissed that they, the traders, had been incited to such conduct, which however we have not been able sufficiently to discover. Concerning the actual debts of the dismissed merchants in white linens, we have dealt with them in our Findings inserted above, and their debit they have discharged to the Honourable Company; thus there remains nothing further to remark or report on that matter, while they answered our 6th question addressed to them that they also had nothing more to claim from the chiefs, as appears from the answer of the chiefs to our 4th question, regarding what their debit to the merchants consisted of. Regarding the third accusation, that the chiefs, upon the transfer, had sought to reduce the debts of the merchants by cramming the warehouse with rags and tatters and goods that were not even the Company's assortment, under the specious pretense of having been received against the new demand: in our letter of 22 April, repeatedly cited, we reported to the Government that upon examination we had found the largest part of those linens reasonably satisfactory, while the others, although they might well have been better, were nevertheless not found to be as bad as had been said and written of them. And in that of 15 August, we had the honour to present to the Government a finding of 9 bales of Guinea fine bleached 2nd sort, sent with the sloop De Herstelling, being the same that had been secured in the warehouses for the debts of the Jaggennaikpoeram merchants, and were subsequently accepted for the liquidation of their debt. With regard to the sewn goods, which were likewise kept in the warehouses as security for the debts of the Masulipatnam traders, we most respectfully request that, concerning their quality generally speaking, our remark cited above relating to the finding of those goods may be applicable. Yet, since the same, namely the sewn cloths, had not all been accepted as sound, we did indeed find, during the sorting thereof, several loose and poorly coloured pieces, which we rejected and which are kept as such; but linens that are entirely not of the Company's assortment we have not discovered, as we had the honour to report to the Government in our letter of 15 September last. While we still take the liberty to observe, concerning the quality of the linens in general, that since the advances to the merchants upon delivery were made mostly in merchandise on which, besides the mace and nutmegs, they had to bear notable losses, which could only somewhat, but not wholly, be compensated by the successive price increases granted on the white linens, in view of the high prices they had to pay for the same to the weavers, the chiefs were indeed obliged to allow some accommodation during the sorting of the same, as they would otherwise have received very few linens for the moneys advanced, a

Dutch transcription

om dat zij geweijgerd had den de door de opper„ hoofden geformeerde afreekeningen te teekenen alzoo dezelve niet Conform die derk kooplieden wat etc: Deese accusatie alleen betrecking hebbende tot de kooplieden der witte lijwaaten zullen wij ons ook eenelijk bij hunlieden gegeeven antwoord op onse aan haar voorgestelde 2. a 5 vrage bepaalen waar bij ze zeggen dat de Heer van Halm haar zeederd eenigen tijd en insonderheijd zeederd, het sluijten van het eerste Contract niet wel behandeld hadde, zomeede dat se om het niet willen teekenen haaren afreekenin„ geen sodanig getracteerd waaren als hier voo„ ven genoteerd staat Dog bij eene nadere onder vraging in dato 17. april de Regeering bij on„ sen brief van den 22. daar aan onder N=o 2. L=a C: aangeboden declareeren zij bij hier eerste ant„ woord dat zij den eersten dag van hier arrest dat niet in de sjauderij van den Cottewal zoo — als door van Bijland abusive opgegeeven. is maar inde Pions sjauderij voor het Huijs „vande Heer van Halm is geweest, maar eens - 182 eens verlof gehad hadden na huijs te mogen gaan, dog ver„ volgens twee maalen en meerder 'sdaags wij hebben bij on„ zer brief van den 22. april over dit articul breedvoerig gehandeld en daar bij ter needer gesteld, dat ons nage„ daan onderzoek gebleeken was, dat de klagten der kooplie„ den niet geheel ongegrond waaren want dat niet wijnig na verongelijking sweemde haarlieden te arresteeren om dat zij haare afreekeningen met de E: Comp: niet wilden teekenen vooren aleen de opperhoofden aan haar voldaan hadden het geen zij haar voor geleeverde lijwaaten schuldig waaren. — Ook daar bij leffens genoteerd de reeden die de opper„ hoofden gepermoveerd hadden die menschen in Civil arrest te houden; Namentlijk om dat zij ongeagt hun requisitie wijgering gebleeven waaren hunne vorde„ ringen op te geeven, en verder gedeclareerd hadden de E: Comp: niet langen te willen dienen het geen of het laaste de opperhoofden bewijsen met 4. p:s verklaarin„ gen welke wij de Regeering bij ons schrijven van den 22. april onder L=a A: hebben aangebooden. Wij willen de waardije van het over en weder geadvan„ ceerde liefst met alle Eerbied aan uwel Edele Agtb: veel wijzer oordeel overlaaten en nog maar alleen aan„ merken dat men in zulke omstandigheeden en uijt 3 uijt hoofde van den onvoordeeligen sland der zaaken, waarinne dezelve door de gereesene discrepantien gebragt waaren, wel wat meerder inschickelijkheijd met de kooplieden konde gebruijkt hebben schoon tef„ fens niet geheel te verwerpen is het vermoeden dat zij Handelaars tot zoodanig een gedrag zou„ den zijn aangezet het geen wij egter niet voldoen„ de hebben konnen ontdekken. — Betreffende de weezendlijke schulden der buij„ ten functie gestelde kooplieden in witte lijwaa„ ten, dezelve hebben wij bij onse Bevinding hier„ vooren g'inzereerd verhandeld en welker Debet zij aan de E: Comp: voldaan hebben dus en over die zaak verder niets te remarqueeren ofte be„ rigten valts Terwijl zij lieden op onse 6. aan haar ge„ rigte vrage g'andwoord hebben dat zij van de op„ perhoofden ook niets meer te pretendeeren had„ den blijkende uit het antwoord der opperhoofden op onse 4. vrage, waar in hunnen debet aan de kooplieden bestaan heeft — Belangende de Derde beschuldiging dat de opperhoofden de schulden der kooplieden bij het Transport zouden hebben zoeken te verminderen door het Pakhuijs op te proppen, met lompen en vodden 483 vodden en goederen, die niet eens 'sComp:s zorteering waren onder het verbloemd voorgeeven ingekomen te zijn op den nieuwen Eisch Bij onzer brief van den 22. april meermaalen geciteerd hebben wij aan de Regeering gerapporteerd, dat wij het groot„ ste gedeelte dier lijwaaten bij Examinatie reede„ lijk voldoende bevonden hadden, Terwijl de ande„ ven, schoon ze wel beeter weesen mogten, egter zoo slegt niet bevonden waaren als er van gezegd en geschreeven was. En bij dien van den 15. aug:s hebben wij de Eere gehad de Regeering aan te bie„ den een bevinding van 9. Pakken Guinees fijn gebleekt 2. zoort met de sloep De Herstelling verzonden, zijnde dezelve welke voorde schulden der Iaggennaikpoeramse Kooplieden in de Pakhuijsen gesecureerd waaren, en vervolgens ter liquideeren van hunne schuld g'accepteerd zijn Ten aanzien der gezaaijde goederen die meede tot securiteit der schulden van de Mazulipat„ namse Handelaars in de Pakhuijsen bewaard wierden, verzoeken wij eerbiedigst dat omtrent haare deugd over het algemeen genoomen applica„ bel weesen mag onse hier vooren aangehaald ne„ marque betrecking hebbende op de bevinding dier goederen Dan Dan daar dezelve, teweeten de gezaaijde kleeden nog niet alle voor deugend aangenoomen waaren, hebben wij bij dies zorteering wel bevonden verscheidene ijle en slegt gecouleurde stucken die wij uijtgeschoo„ ten hebben, en als zodaanig bewaard worden, dog lijwaaten die geheel 'sComp:s zorteering niet zijn hebben wij niet ontdekt zoo als wij de bere ge„ had hebben de Regeering bij onsen brief van den 15. September lestleeden te berigten. Terwijl wij nog de vrijheijd neemen ten belan„ ge der deugd der lijwaaten in het algemeen aante„ merken dat aangezien de verstrecking aan de Kooplieden op Leverantie voor het meest in koopmanschappen geschied is, waarop zij buij„ ten de foelij en Nooten merkelijk verliesen hebben moeten draagen, die door de successive toege„ staane prijs.- Verhooging op de witte lijwaaten wel eenigzints, dog niet geheel Bonden vergoed werden uijt hoofde der hooge prijsen, die zij voor dezelve bij de weevers betalen moesten de opperhoofden wel in de verpligting geweest zijn eenige inschicke„ lijkheijd bij het zorteeren derzelve plaats te laten vinden, dewijl zij anders zeer wijnige lijwaaten op de verstrekte penningen zouden ontfangen hebben, Een

NL-HaNA_1.04.02_3974_1057 view scan ↗

English

With regard to the fourth accusation, that the merchants actually serving were not merchants, but that those attending the books were children, we have already had the honor in our letter of 22 April to inform the Government that we found this assertion to be untrue, according to the reply of the merchants collectively during their interrogation, while moreover their personal appearance confirmed at the same time that they are no longer children, there being only a young man of 16 years in each group whose affairs are managed by men. Fifth, that Batjoe Balla ramaija had been obliged to pay lavishly for his appointment as a merchant, and that he had neither house nor estate on the Company's territory, but resided with his brother Batjoe Tirwengalom, who was the renter and regent of Kakinara and other villages. The merchant Batjoe Balla Ramaija answered to our 13th question addressed to the Mazulipatnam merchants that he had paid nothing, nor did he know of any reason why he should have had to do so. That, in order to avoid the many expenses that a double household necessarily required, he did indeed reside with his brother at Kakinara, but nevertheless was at all times prepared to come and inhabit his own house on the Company's territory, as can be seen in more detail in his answer to our 14th question to the Mazulipatnam merchants. With regard to the 6th accusation, that the merchants had been forced to take private goods, such as corals etc., from the chief Van Halm so that his speculative trade might turn out well, and that he took the cash for them from the Company's treasury just as if it had been disbursed to the merchants, we informed the Government by letter of 22 April that the Mazulipatnam merchants in their answer testified that they were not forced to do so, but that they had even requested it themselves. However, on the other hand, the Jagernaikpoeram merchants in their answer indicated not unclearly that, despite their fear of damage and loss, Mr. van Halm had virtually forced those goods upon them. We also reported on that occasion that we had not been able to discover clearly how that trade had actually proceeded, although we were willing to believe that the Jagernaijkpoeram merchants had not requested it with the same willingness as the Mazulipatnam merchants say they did. However this may be, upon further inquiry made of them and a requisition for a statement of the losses suffered on those goods, the Jagernaijkpoeram merchants declared that they had suffered no losses, as appears from the translated declaration granted by those merchants under date of 14 September, which document we offered to the Government in our letter of 15 September, to which, as well as to what was further written in that letter concerning this matter, we most humbly refer. While we must further advance here that both parties of merchants in their 6th and 8th responses unanimously confess to having accounted for the value of those goods again in linens to Mr. van Halm, so that it is hardly conceivable that Mr. van Halm received cash for them from the Company's treasury, since the merchants, whose account would have had to be debited with those funds, and who according to their own confession delivered linens for the entirety of the received corals etc., would not at the same time have accepted their value in their accounts as money received from the Company's treasury. In our respectful letter of 22 April, we had the honor to report how matters stood with the negotiation of 80 bhaaren of copper, and we now have the pleasure to add to this that the amount for that copper has been paid into the Company's treasury, and the bond and surety have been returned. Having noted this regarding the seventh accusation of Mr. van Bijland, we must report, as far as the eighth is concerned, namely that the accounts of the Mazulipatnam merchants were mixed with the private accounts of the chiefs, that those merchants declare in response to our 5th question that they have no outstanding accounts with the chiefs. Concerning the complaint of Mr. van Bijland that the chief had allegedly refused to make the transfer to him in order to prevent being forced to satisfy his private debts, the Honorable Chief Van Halm declared in response to our 1st question directed to him that on 26 January he had not only offered the transfer to Mr. van Bijland, but had also requested him to make a beginning with the weighing and taking over of the goods in the warehouses, etc., as can be seen in more detail in that reply. But that this had had no effect because Mr. van Bijland had demanded the unification of both parties of merchants prior to the transfer, from which violent disputes had then arisen between him and the merchants of the sown goods, and whereby, among other pressing reasons, Mr. van Halm was placed under the necessity of refusing the transfer. But that this was not done in order thereby to evade the satisfaction of his private debts. We

Dutch transcription

484 Den aanzien der vierde Beschuldiging dat de wer„ kelijk dienst doende Kooplieden, geene Kooplieden, maar dat die bij de boeken liepen kindenen, waaren, hebben wij bij onze schrijven van den 22. april bereeds de Eere gehad de Regeering ken„ nis te geeven, dat dat voorgeeven onwaar bevon„ den hadden, volgens het gerepliceerde der ge„ zaamentlijke kooplieden bij haare ondervraging, bevestigende buijten des haare perzoneele vertoo„ ning teffens dat zij geene kinderen meer zijn, Eene„ lijk bevind zig onder ieder ploeg, een Iongeling van 16. Iaaren wiers zaaken door mannen bestierd wor„ den Vijfdens Dat Batjoe Balla ramaija voor zijne aanstelling tot koopman rijkelijk hadde moeten opdokken, en dat hij nog huijs nog hof op 'sComp: Territoir hadde maar bij zijnen broeder Batjoe Tirwengalom die Pagter en Regent van Kakina„ ra en andere dorpen was, inwoonde Den koopman Batjoe Balla Ramaija heeft op onse 13. vraage aan de Mazulipatnamse kooplieden gerigt geantwoord, niets betaald te hebben, ook geen reeden te weeten waar omme hij zulx zoude hebben moeten doen. Dat hij ter vermijding vermeijding van veele ongelden die eene Dubbelcde Huijshouding noodzaakelijk vorderde, wel bij zij„ nen broeder te Kakinara inwoonde dog des niet te min alle momenten bereid was zijn eij„ gen Huijs op 'sComp:s Territoir te komen bewoo„ nen breeder te zien bij zijn antwoord op onse 14. vraage aan de Mazulipatnamse Kooplieden. Ter Regarde der 6. accuzatie Dat de Kooplieden ge„ dwongen waren geworden, om Particuliere goederen als Coraalen etc: van het opperhoofd van Halm te neemen op dat zijne wind Negotie wel mogt uijtvallen en dat Hij de Contanten daar voor uijt 'sComp:s kassa nam eeven als of ze aan de kooplieden verstrekt waaren, Hebben wij de Re„ geeving bij brieve van den 22. april berigt dat de mazulipatnamse kooplieden bij haar antwoord betuijgden daar toe niet gedwongen te zijn maar dat zij er zelfs om verzogt hadden. — Dog daar en teegen hebben de Iagernaikpoe„ ramse kooplieden bij hun antwoord niet on„ duijdelijk te kennen gegeeven, dat ongragt haare bedugtheijt voor schaade en verlies de Heer van Halm haar die goederen als opgedrongen hadden Wij hebben bij die Geleegendheijd teffens gemeld dat 485 dat we niet klaar hadden konnen ontdecken hoe„ danig het eijgentlijk met dien Handel toegegaan was, schoon we wel gelooven wilden dat de Ia„ gernaijk poeramse kooplieden met die Karte„ lijkheid daar omme niet verzogt hadden, dan de Mazulipatnamse, zeggen dat ze gedaan hebben. Hoe het hier meede ook weesen moge de Iagernaijk poeramse kooplieden hebben bij eene naadere bij haar gedaane informatie en requisitie van de opgave der geleedene schaadens op die goederen verklaard geene verliesen gelee„ den te hebben blijkens Translaat ver„ klaaring door die marchiandeurs sub dato 14. September verleend en welk ge„ schrift wij de Regeering bij onsen brief van den 15. September hebben aangebooden waar aan zoo wel als het verder geschree„ vene bij dien brief over die zaak ons nee„ drigst gedragen Terwijl we hier nog advanceeren moeten dat beijde Parthijen der Kooplieden bij haare 6. en 8. Responsie een mondig bekennen, de waarde dier goederen weder in lijwaaten aan de Heer a Halm verantwoord te hebben, dus het niet wel wel te denken is dat de Heer van Halm Con„ tanten daar voor uijt 'sComp:s kassa genoten heeft alsoo de kooplieden wiers Reekening met die gelden zoude hebben moeten werden beswaarden die volgens haar eijgen bekentenisse voor het geheel der ontfangene Coraalen etc: lijwaa„ ten geleeverd hebben tegelijk dies waarde als uijt 'sComp:s Kassa genootene gelden en Ree„ kening niet g'accepteerd zullen hebben. Wij hadden bij onsen eerbiedigen van den 22. april de Eere te melden hoedaanig het met de Negotiatie van 80. bhaaren kooper geleegen stond, En thans hebben wij het vermaak daar nog bij te voegen dat het montant van dat kooper in 'sComp:s kassa voldaan is, en de obligatie en borgtogt te rug gegeeven zijn. — Dit op de sevende accutatie van de Heer van Bijland genoteerd hebben, zullen wij wat de agtste betreft teweeten Dat de Reekening„ der Mazulipatnamse kooplieden ver„ mingd waren met de Particuliere ditos der opper hoofden, moeten melden, dat die Marchiandeurs op onse 5. vrage verklaa„ ren. 486 ren geene uijtstaande Reekeningen met de opper„ hoofden te hebben. — sen belange van het beswaar des Heer van Bijlands dat het opperhoofd gewijgerd zoude hebben Transport aan Item te doen ter voorkoming niet gedwongen te konnen werden, tot voldoening zijner particuliere schulden, heeft het opperhoofd D' E: van Halm op onse 1. aan hem gerigte vraage gedeclareerd, dat Hij op den 26. Ianuarij de Heer van Bijland het Transport niet alleen gepresenteerd; maar ook verzogt haddte een begin te maaken met het wee„ gen en overneemen der goederen in de Pak„ huijsen Etc: breeder te zien bij dat replicq. Dog dat zulx niet van gevolg geweest was om dat de Heer van Bijland begeerd had de vereeniging der beijde Parthijen Kooplieden voor het Transport„ waar uijt dan heevige dispuuten tusschen hem en de Kooplieden der Gesaaijde Goederen gereesent waaren, en waar door terom andere dringende reeden de Heer van Halm in de noodzaakelijk „gebracht, heijd „ was geworden, het Transport te wijgeren Dog dat zulx niet geschied was, om daar door te ontwijken de voldoening zijner particuliere Schulden.— Wij

NL-HaNA_1.04.02_3974_1062 view scan ↗

English

We have already dealt with this matter repeatedly in our letter of 22 April, to which we request permission to refer, only adding to this that during our presence here it has not come to our attention that Mr. van Halm had debts in this place, to the settlement of which he had to be forced. Regarding the complaints of Mr. van Bijland, namely that the chiefs had kept him in the dark in everything, and had not even called him to the sorting of the linens, the chiefs state in their 8th answer: That this took place in no way whatsoever; that they had not summoned him to the sorting of the linens, firstly, because that sorting was outside his responsibility, and secondly, because His Honour had remarked that the samples approved by the Government were rags and that he would reject them, for which reasons, and to prevent and avoid all unpleasantness regarding that matter, they had thought fit to act in such a manner. With respect to the 9th accusation brought forward by Mr. van Bijland, namely that unheard-of costumados were taken, and bungling and underhanded dealings were committed to the delay of sales from the warehouses, we have questioned the Company's merchants, who cleared mostly all the merchandise from the warehouses, regarding this matter; who in their answers to articles 7 and 9 have unanimously declared that nothing was demanded or taken from them, and the chiefs have also answered to this question that such was unknown to them. In our respectful letter of 22 April, we have already reported to the Government at length how the matter stood with the accusation of Mr. van Bijland that Mr. van Halm, out of jealousy, was supposed to have instigated the Mazulipatnam merchants not to unite with those of Jagernaijkpoeram, and cited in addition the answer of the Mazulipatnam merchants, containing that Mr. van Halm has neither advised them against it nor recommended it to them, citing the reasons why they could not accept that proposal, treated in the second place in their answers to the 8th, 9th, and 10th questions put to them regarding this matter; also the petition of the aforementioned traders presented to the Government with our respectful letter of 22 April. While Mr. van Halm, in his response to our 13th question put to him, declares this accusation to be false and, in support of his statement, refers to the declarations made by those merchants, which we have most respectfully presented to the Government under Litt. A No. 2; it appearing further from the 12th answer of the Mazulipatnam merchants that they, fearing the tempestuous nature of Mr. van Bijland, and being apprehensive of insults, had been forced to leave this place; the particulars and circumstances that gave them further occasion thereto are also treated at length in the 11th answer of those merchants, the 14th response of the chiefs, and the declaration of the Company's interpreter presented to the Government under Litt. C. From all of which we must conclude that no instigation on the part of the chiefs took place to prevent the Mazulipatnam merchants from uniting with those of Jaggernaijkpoeram, nor has it appeared to us that such was done by others. The unjustifiable negligence with which Mr. van Bijland accuses the chiefs, namely that they had seized and secured neither the goods of the departed merchants nor their guarantor Tirwengalom, we have found not to be of that weight for which it has been dished up, and which we also have had the honour most respectfully to report to the Government in our letter of 22 April, and thereby demonstrated the detriment if the chiefs had taken such an imprudent step, to wit: the damage to their credit, apart from the risk of reimbursement that the chiefs would have run if their secured goods had not been sufficient for the payment of their debts, which amounted to quite a considerable sum of more than 11000 pagodas; besides this, it has also not appeared to us that such a violent manner of acting was necessary. Heretofore we have reported that the suspended merchants of the white linens had declared no longer to wish to serve the Honourable Company, by which declaration the chiefs were placed under the necessity of engaging two private suppliers to maintain the trade. We have thereupon asked those merchants whether they had actually refused to make further collections for the Honourable Company, and received for answer from them that they had indeed complained about the great losses which they had to suffer in the trade of the Honourable Company, and that if it continued in such a manner, they could no longer maintain the trade of the Honourable Company, but that they had not definitively refused to make the collection for the Honourable Company any further, to be seen more closely in their answer to the 10th question put to them regarding this matter. Yet the chiefs prove the contrary by the executed declarations made by the writer van Holt, the Company's interpreter, and the Brahmin, and which declarations are cited above and dispatched under Litt. A, to which, as well as to what is further written in our letter of 22 April concerning that matter, [illegible]

Dutch transcription

Wij hebben bij onsen brief van den 22. april meer„ meld bereeds over deese zaak gehandeld waar aan verlof vraagen ons te moogen gedraagen Eenelijk deezen nog bij voegende dat ons geduu„ rende ons aan weesen hier niet voorgekomen is, dat de Heer van Halm schulden op deese plaats hadde, tot welken voldoening Hij moest gedwon„ gen werden. — Op de klagten des Heer van Bijlands Nament„ lijk Dat hem de opperhoofden in alles hadden blind gehouden, Ia zelfs niet eens bij het zorteeren der lijwaaten geroepen, zeggende opperhoofden bij haar 8. antwoord: Dat zulx in geenen deele heeft plaats gehad; dat zij hem niet bij het zorteeren den lijwaaten hadden laten roepen, voor eerst: om dat die zorteering buijten zijne verantwoor„ ding was, En ten tweeden om dat zijn E: zig hadde uijt gelaaten dat de door de Regeering goed„ gekeurde monsters vodden waren en die ver„ werpen zoude om welke reeden en ter voorkoming en ontwijking van alle onaangenaamheeden dier aangaande zij goedgevonden hadden dus daan ig te handelen wij hebben ten opzigte der g. accutatie door den Heer. 487 Heer van Bijland uijtgebragt, namentlijk Dat er ongehoorde Costumados genoomen gemors en gebrouw ge„ pleegd wierd ter vertraaging van den verthier uijt de Pakhuijsen sComp:s Kooplieden die voor het meest alle koopmansz: uijt de Pakhuijsen verthievenen dierweegens ondervraagd, welke bij hunne antwoor„ den art 7. en 9. een mondig verklaard hebben dat van haar niets begeerd nog genoomen wierd, ook heb ben de opperhoofden op deese vraage g'antwoord, dat hun zulx onbekend was. — Bij ons Eerbiedig schrijven van den 22. april hebben wij de Regeering bereeds in het breede berigt gegeeven hoedaanig het geleegen was met de Beschuldiging des Heer van Bijlands dat de Heer van Halm uit Talousie de Mazulipatnamse kooplieden zoude hebben opgestookt om zig met de Iager„ naijkpoeramse niet te vereenigen en daar bij aangehaald het antwoord der Mazulipat„ namse kooplieden, behelsende dat den Hee van Halm haar daer toe nog af nog aange„ raaden heeft, met aanhaaling der reedenen waar omme zij dien voorslag niet hadden konnen am„ plecteeren in het tweede verhandeld bij hunne antwoorden op de aan haar dier weegens gerigte E 8: 9. en 10. vraagen. Jtem het request van voor„ melde Handelaars de Regeering bij onsen ber„ biedigen van den 22. april aangebooden Terwijl de Heer van Halm deese beschuldiging bij zijne responsie op onse 13. aan hem gerigte vrage voor valsch verklaard en zig tot staatting van zijn gezegde beroept op de verleende verklaarin„ gen door die Marchiandeurs die wij de Regeering onder L=a A: N=o 2. eerbiedigst hebben aange„ booden, komende wijders uijt het 12. antwoord der Mazulipatnams Kooplieden te blijken, dat zij bevreest voor den onstuijmigen aart van den Heer van Bijland, en bedugt voor affronten gedwongen waaren geworden deese plaats te verlaaten, het geen „daar ende omstandigheeden die haar toe verder aanlij„ ding gegeeven hebben meede breedvoerig verhandeld zijn bij het 11. antwoord dier marchiandeurs 14. ves„ ponsie der opperhoofden en verklaaring van 'sComp:s Tolk onder L=a C: de Regeering aangebooden. uijt alle het welke wij moeten opmaken dat er geene opstookerije van de zijde der opperhoof„ den plaats gehad heeft om te verkinderen dat de Mazulipatnamse kooplieden zig met de Iaggernaijkpoeramk niet zouden verani„ gen 488 gen, ook is ons niet gebleeken dat zulks door an„ dene geschied is. — De onverantwoordelijk nalaatigheid waar mee„ de de Heer van Bijland de opperhoofden beschul„ digd namentlijk dat zij nog de goederen der uijt geweekene kooplieden nog hunnen borg Tirwen„ galom gearresteerd en gesecureerd hadden, hebben wij bevonden van dat gewigt niet te zijn waar voor de zelve opgedischt is en het geen wij meede de Eere gehad hebben, de Regeering eerbiedigst te berigten bij onzen brief van den 22. april en daar bij getoond het nadeelige wanneer de opperhoofden tot zulk eenen onvoorzigtigen stap ge„ komen waaren teweeten: de Krenking van haar„ lieden credit buijten nog het gevaar van vergoe„ ding dat de opperhoofden zouden Geloopen hebben wanneer haare gesecureerde goederen niet toerijkende waren geweest ter voldoening haar er schulden die nog al een aanzienlijke som van ruijm 11000. –. pagooden bedroegen, buijten des„ is ons ook niet gebleeken dat zulk eene geweldige handelwijse noodzaakelijk was — Hier voor en hebben wij gemeld dat de gesuspen„ deerde kooplieden der witte lijwaaten gedecla„ reer 61 ende reerd hadden de E: Comp niet langer te willen die„ nen, door welk declaratoir de opperhoofden in de noodzaakelijkheijd gebragt geworden zijn, twee Par„ ticuliere Leveranciers aan te neemen, om den Handel voor te staan. Wij hebben daar op die Marchiandeurs gevraagd, oft zij werkelijk gewijgerd hadden verder Inzaam voor de E: Comp: te doen! En van haar voor antwoord bekoomen, dat zij lieden zig wel beklaagd hadden over de groote verliesen die zij in den Handel der E: Comp: lijden moesten, en dat ze wanneer zulks zodaanig continueerde, den Handel der E: Maatschappije niet langer kon„ den voorstaan, dog dat zij niet finaal gewijgerd hadden om den Inzaam voor de E: Comp: verder te doen, nader te beoogen bij haar antwoord op 10. aan haar dierweegens gerigte vraage.— Dog de opperhoofden bewijsen door de gepas„ seerde verklaaringen door den Scriba van Holt 'sComp=s Tolk en Bramine verleend en welke verklaaringen hier vooren onder La A: aan„ gehaald en verzonden is het teegendeel waar aan zoo wel, als over het verder geschreevene bij on„ zen brief van den 22. april die materie concer nee„ rende

NL-HaNA_1.04.02_3974_1067 view scan ↗

English

we conduct ourselves most respectfully. Furthermore, in our just-cited letter, we had the honor to inform the Government that we asked those merchants, since they stated that they had to suffer great losses in the trade of the Honorable Company, what their losses actually consisted of; and that they replied to this that they had to suffer a loss of fully 18 percent on copper and fully 25 percent on cloves, but that shortly thereafter they had stated again that, if the Mazulipatnam merchants were inclined, they would then make the collection together and would do so for the old prices. In our letter just cited, we had to observe from the statements of those traders that the Mazulipatnam merchants must have substantial profits on their linens, whereby they would not only be able to bear the losses on the merchandise, but at the same time also waive the granted price increase of 5 percent on the fine and 10 percent on the coarse linens. That, in order to judge this offer with reason, the suitable means would be to have faithful people investigate what prices the Mazulipatnam merchants pay for the stitched goods in the Guntoors and then subsequently confront those with what the Honorable Company pays, whereby it could then easily be discovered whether the offer of the Jagernaikpoeram merchants was acceptable, or whether they had made it solely out of hatred and enmity against the Mazulipatnam merchants, which passion acts here most strongly to the prejudice, indeed ruin, of both parties of the merchants; for among the native it is nothing strange to seek their own ruin, if only they may achieve the intended aim regarding that of others. In our respectful letter of 15 September, we informed the Government that we were not yet in a position to state accurately to Your Honorable Worships what prices the merchants in the Guntoors had to pay for the stitched goods, given the far distance of that place from this office, adding that as soon as we had obtained the necessary information in this regard, we would most respectfully give notice thereof to Your Honorable Worships; however, up to this day we have not yet been able to succeed in this. It is extremely astonishing that the late Honorable Mr. Pieter Haksteen, Ordinary Councilor of the Dutch Indies and Governor of this Coromandel Coast, of blessed memory, who inspected all the Company's offices on this Coast and investigated most accurately all matters concerning sales and collections, should not have discovered that the merchants of the stitched cloths made excessive profits on the same; whereas one nevertheless knows that His Right Honorable Worship made not the least reduction in their prices. On the contrary, upon their representations of loss on the diced Roemaals of 1 1/8 cubits, a price increase of 10 percent was granted to them in the year 1773, which would never have been agreed to if their profits were so uncommonly large as could be inferred from the answer of the merchants of the white linens. Regarding the accusation by Mr. van Bijland that Mr. van Halm had kept a Brahmin named Pedda Botla Kristnama inhumanely and terribly in criminal arrest, we had the honor to inform the Government most respectfully in our letter of 22 April of the answer of the chiefs and how matters actually stood with that arrest, to which we ask permission to refer, only adding here that this Brahmin is still suspected of having knowledge of how the infamous note of 10000 Rupees came into the world, which is to be dealt with more extensively hereafter. Regarding a certain paper of stipulated and extorted customs fees from the merchants by Mr. van Halm, which His Honor had caused to be presented to Mr. van Bijland through a third party in order to collect the still outstanding balance, we received in response to our 17th question from the chief: That it could very well be that such a paper was in the hands of Mr. van Bijland, but that regarding the extorted customs fees, he referred entirely to what was declared by both parties of the merchants, adding that if His Honor had taken anything from those people by force, they would not have unanimously testified to the contrary. When we, in our humble letter of 22 April, gave the Government an account of our proceedings up to that date, we were unable to say anything more than what was reported therein concerning the famous note of warning sent by Mr. van Bijland to the Right Honorable Authority Tadama, containing a warning to Mr. van Bijland: That Tinwengalom and the Mazulipatnam merchants had supposedly presented 10000 Rupees to the Right Honorable Authority Tadama in order to recall Mr. van Bijland. However, since it has subsequently appeared from the declaration under date of 10 June past, provided by Mr. van Bijland's servant named Wengeda Salom Poele, that the servant had drafted the said paper on the order of his master and under His Honor's dictation, and that it was copied by the moneychanger Poeram Rama Samie in the presence of the Brahmin Pedda Botla Kristnama cited above, we questioned both of those persons, who testify in two separate declarations before the scribe van Holten.

Dutch transcription

488 vende, ons eerbiedigst gedraagen. — Verders hebben wij bij zoo eeven geciteerd schrij„ ven de Eeve gehad de Regeering te berigten dat wijn die kooplieden uijt hoofde zij opgaven groot verlies in den Handel der E: Comp: te moeten lijden gevraagd hadden, waarinne dan eijgent„ lijk haare verliesen bestonden; En dat zij daan„ op hebben gerepliceerd dat op het kooper wel 18. en op de Nagulen wel 25. Percento ruijm verlies lijden moesten dog dat zij kort daar na wedergezegd hadden, dat zij indien de Mazulipatnamse Kooplieden geneegen waren dan den Inzaam gezaa„ „wel mentlijk doen zouden en zulx voor de ou„ de prijsen. Wij hebben bij onsen zoo eeven aangehaal„ den brief uit de gesegdens dier Handelaars moeten op merken dat de Mazulipatnam„ de kooplieden importante winsten op haare lijwaaten moeten hebben, waar door zij„ lieden niet alleen in staat zouden zijnde verliesen op de Handel whaaren te draagen, maar ook teffens afte zien van de toegestane prijs verhooging van 5. p:r C=o op de fijne en 10. p:r Cento p:r Cento op de groove Lijwaaten. — Dat om over dit aan bod met grond te Iugeeren het geschikte middel weesen zoude om door ge„ trouwe lieden op te doen neemen wat prijsen de Mazulipatnamse kooplieden voor de ge„ zaaijde goederen in de goentoers betaalen en die dan vervolgens met die welke de E: Comp betaald te Confronteeren, waar door dan Ja„ ciel zoude konnen werden ontdekt of het aanbod der Iagernaikpoeramse kooplie„ den acceptabel was, dan wel of zij het zelve eenelijk gedaan hadden, uit haaten vijandschap tegen de Mazulipatnamse kooplieden /:welke passie heen op het sterkstageerd. tot preJuditie Jawel Rui„ ne van bijde Parthijen der kooplieden, want het is onder den inlander niets vreemds, haar vijgen ruine te zoeken, als ze het bedoelde oogmark omtrent die van andere maar berijken mogen Bij ons Eerbiedig schrijvan van den 15. Sep„ tember hebben wij de Regeering berigt dat wij nog niet in staat waaren gesteld Haar Edele Agtb: aauraat op te geeven wat prijsen de koop„ lieden in de goentoers voor de gezaaijde Goederen betaalen moesten; aangezien de verre afgeleegendheid dier E 490 dier plaatse van dit Comptoir, met bij voeging dat zoo dra wij de noodige onderrigting dier weegens ingewonnen hadden Haar Edele Agtb: daar van eerbiedigst kennisse geeven zouden, dan tot hee„ den hebben wij daar inne nog niet konnen slaagen Het is ten uijttersten te verwonderen dat wijlen den Edelen Heer Raad ordinair van Nederlands In„ dia en gouverneur deeser custe Cormandel Pieter Hak„ steen /: L: M:/ die alle comptoiren van de Comp: ter deeser Custe opgenoomen, alle zaaken den verthier en Inzaam concerneerende, op het naauwkeu„ rigste onderzogt heeft niet zoude ontdekt heb„ ben, dat de kooplieden der gezaaijde kleeden buij„ ten maatige voordeelen op dezelve hadden; daar men nogtans weet dat zij Edele groot Agtbaare geen de minste diminutie in dies prijsen gemaakt heeft In teegendeel: is aan haarlieden in A:o 1773. op haare vertoogen van verlies op de Roemaals geruijte de 1 1/8. p: toegestaan eene prijs verhooging van 10. p:r C:o die haar nimmer geaccordeerd zoude zijn, waaren hunne winsten zoo buijten gemeen groot als uijt het antwoord der kooplieden van de witte, lij„ waaten zoude konnen werden opgemaakt — Op de beschuldiging des Heer van Bijlands ƒ dat dat den Heer van Halm een Bramine in naame Ped„ da Botta Kristnama onmenschelijk in versse„ lijk in crimineel arrest gehouden hadde hebben wij de Eere gehad de Regeering bij onsen brieff van den 22. april het antwoord der opper hoofden en hoe daa„ nig het eijgentlijk met dat arrest geleegen is geweest. eerbiedigst te bedeelen waar aan verlof vraagen, ons te mogen refereeren eeerelijk hier nog bij voegende dat deese Bramine nog verdagt gehouden is, ken„ nisse te hebben, op wat wijse het berugt briefje van 10000. Ropijen in de waereld gekomen was, waar van hier na breedvoeriger staat gehande„ lat te werden. — Weegens zeekere papier van bedongene en afgeperste Costumado van de kooplieden door de Heer van Halm het geen zijn Edele door weegen van een derde persoon aan de Heer van Bijland hadde laten presentee„ ren om het nog uijtstaande Restant in te palmen„ hebben wij van het opperhoofd op onze 17. vraage tot andwoord bekomen: Dat het zeer wel konde weesen, dat zoodanig een Papier in handen van de Heer van Bijland was, dog dat Hij ten belange der afgeperste costumadis, zig ten vollen beriep op het gedeclareerde door bij de Parthijn der Kooplieden met bijvoeging dat wanneer zijn Ed: die menschen met S 491 met geweld iets afgenoomen hadde zij het teegendeel niet een mondig zouden betuijgd hebben. — Toen wij bij ons en onderdaanigen van den 22. april de Regeering berigt deeden van onse verrigtingen tot dien datum, waaren wij buijten staat iets meer„ der te zeggen dan het geen daar bij gemeld werd, van het fameus Tentiefs Carta belletje door de Heer van Bij„ land aan den wel Edele Agtb: Heer Gezaghebber Tadama toegezonden, inhoudende waarschouwing aan de Heer van Bijland„ Dat Tinwengalom ende Mazu„ „lipatnamse kooplieden 10'000 Repijen aan den „wel Edele Agtb: Heer gezaghebber Tadama zouden „gpresenteerd hebben, om de Heer van Bijland op te „roepen. — Dan nadien zeederd uijt de verklaaring sub dato 10. Iunij p=l door des Heer van Bijlandsdie„ naar in name Wengeda Salom: Poele verleend is komen te blijken Dat de Dienaar gemelde pa„ pier op order van zijnen Heer en onder zij Ed=s dictamen ontworpen en door den wisselaar Poeram Rama Samie, in bij zijn van den hier vooren geciteerde Bramine Peddi Botla Kristnama gecopieerd hadde, hebben wij die beijde Persoonen onder vraagd welke bij twee p:s verklaaringen voor den scriba van Holten getuijgen.

NL-HaNA_1.04.02_3974_1072 view scan ↗

English

witnesses testify: the first, that a certain fictitious note addressed to the Heer van Bijland, in which he was informed that the Mazulipatnam merchants had supposedly promised 10000. Ropijen to the Right Honorable Governor Tadama to remove the said Heer van Bijland from here, had been copied from a draft designed by the servant of the Heer van Bijland; and the second, that he was present at the writing of that paper; to be seen in full in the cited declarations, which we had the honor to offer to the Government with our submissive letter of 5. Iulij past, and to whose contents we humbly refer. Regarding the accusation of the Heer van Bijland that the chiefs had altered the coinage of the Dabboesen; the chiefs say in reply to our 28th question that, in order to stimulate the sale of copper and also to prevent the mint from coming to a complete standstill, they had found themselves somewhat obliged, for a short time, to proceed with an alteration proportioned to the minting of the nearby French and English settlements of ijanom and Nillepillij, but that the Honorable Company was in no way harmed thereby, but had had just as much profit on that minting, further referring, for proof thereof, to the trade books of this factory. The Government, dissatisfied with this justification of the chiefs, instructs us in Her Right Honorable venerated missive of 10. aug:s past to shed more light for Her Right Honorable on the matter of the Dabboesen; we then judged the surest means was to inform ourselves from the minters, in order to obtain knowledge of the true occurrence of the matter, who replied to the questions presented by us to them: that two years ago now they had minted Dabboesen of lesser value, which difference they estimate according to their memory at four percent and the minted quantity of copper at 7. to 8. bhaaren; that this minting had lasted no longer than one to one and a half months, and that thereafter they had minted the Dabboesen again of the same value as before, to be seen in more detail in the four answered questions by the minters, which we had the honor to offer to the Government in our just-cited letter: When we now pressed the chiefs to know the reason for this change, and at the same time: why, wishing to undertake something of that nature, they had not corresponded beforehand with the Government in that regard, in order to obtain authorization, they answered us that they had had no fraudulent intention with this undertaking, but that they had thereby only sought to test whether the trade in copper, which at that time was very much in decline, could not be revived again, indeed even made more considerable, but that the outcome, however, had taught them that their intended goal was not to be reached thereby, so they had also directly abandoned that change again, and also for that reason had reported nothing of their undertaking to the Government, which they would however, according to their duty, unfailingly have done had their efforts in this regard answered to their wish, and that it would also have happened then, if they could have imagined in the least that a malicious man would display such an experiment so hatefully to the Government after the lapse of two years, in order, if possible, to plunge them thereby into the utmost ruin, which was solely his only intention and pursuit. That they hoped, however, that the Government would please view their undertaking in that matter with a more favorable and indulgent eye than their vengeful accuser had served up, under renewed declaration that the Honorable Company had not suffered the slightest harm thereby. Concerning the complaint of the Heer van Bijland regarding the arrest of his Pions, whom he says he had engaged for household services, the chiefs have replied that the Heer van Bijland had brought 15. armed pions from Daatcherom, though not knowing with certainty to what end; that the inhabitants being very alarmed by this arming, they had resolved to disarm those people and make them clear the Company's territory; to be seen in more detail in the answer to the 21st question posed to the chiefs, in which they at the same time deny that Tirwengalom ever came to this place with 40. to 50. armed men, and thus declared that allegation to be a malicious lie. Upon investigation, we found that Tirwengalom, before and during the arisen disputes, came to this place each time with 6. to 8 pions, indeed had even been with those people at the house of the Heer van Bijland several times when they were not yet enemies. Also, the Heer van Halm denies the alleged private discourse that the Heer van Bijland says in his letter of 2. March to have held with his Honor, on which account we respectfully refer to our 22nd question and the answer given thereto by the Heer van Halm. Furthermore, upon our further questioning, under No 2. La C: most respectfully offered to the Government, the merchants of white linens have declared it unfounded that they had supposedly said to the Heer van Bijland.

Dutch transcription

getuijgen testificeeren: den Eersten: Dat zeeker Ten„ tiefse briefje welk gerigt was aan de Heer van Bij„ land, en waar bij hem verwittigd werd, dat des Mazulipatnamse Kooplieden aan den wel Edele Agtbaare Heer Gezaghebber Tadama 10000. Ro„ pijen zouden beloofd hebben omgemelde Heer van Bijland van hier te ligten na een kladje door des Heer van Bijlands dienaar ontworpen gecopieerd hadden En den tweeden dat Hij bij het schrij„ ven van dat Papier present geweest is; in 't breede te beoogen bij geciteerde verklaaringen, welke wij de Eere gehad hebben, bij ons onderdaanig schrij„ ven van den 5. Iulij p:o de Regeering aante bie„ den en aan welkers inhouden, wij ons submis gedraagen. Betreffende de Calangie des Heer van Bijlands, dat de opperhoofden de Munterije der Dabboesen veranderd hadden; zoo zeggen de opperhoofden op onse 28. vrage dat zij om den verthier in koo„ per, en om ook de munt niet geheel stille te doen staan, zig eenigzints inde verpligting gevonden hadden, voor den korten tijd, tot eene verandering g'eevenreedigd na de Munterij van de alhier na bij geleegene Fransche en Engelsche plaatsen ijanom en Nillepillij, te moeten overgaan, dog dat 87 492 dat de E: Comp: daar door in geenen deele was benadeeld maar op die Munterije eeven veel winst gehad hadde zig wijders ter ontdecking van dien beroepende op de Negotie boeken deezer factorije De Regeering met deese verantwoording der opper hoofden onvoldaan, gelast ons bij Haar Edele Agtb: gevenereerde missive van den 10. aug:s p:r om Haar Edele Agtb: omtrend de zaake der Dabboesen meerder ligt te geeven; Wij oordeelden toen het zeekerste middel, ons bij de Munters te informeeren, om van de waare gebeurtenisse der zaake kennisse te bekoomen welke op de door ons aan haar voorgestelde vraagen hebben geantwoord: Dat ze nu twee Iaaren geleeden Dabboesen van mindere waarde geslagen had„ den, welk different zij lieden volgens haar geheu„ gen op vier percento ende vermunte quantiteit kooper op 7. â 8. bhaaren begrooten; Dat die ver„ munting niet langer dan een â een en halve maand had stand gegreepen, en dat zij daarna de Dabboesen weeder van die zelfde waarde zoo als bevoorens geslaagen hadden breeder te zien bij de vier stux beantwoorde vraagen door de munters, welke wij de Eere gehad hebben bij ons zoo eeven geciteerd schrij„ ven. 6 ven de Regeering aantebieden:— Wanneer wij nu bij de opperhoofden aandron„ gen om de reeden deeser verandering teweeten en teffens: waaromme zij iets van die natuur willende onder neemen dier weegens niet vooraf met de Regeering gecorrespondeerd hadden, ter erlanging van qualificatie, antwoorden zij ons Dat ze met deeze onderneeming geen fraudelous oog merk gehad hadden, maar dat zij daar door eenelijk hadden gezogt te beproeven of den verthier in kooper, die toen ter tijd zeer in verval was niet weeder konden doen opluijken, Ia zelfs aanzienlijker te maaken, dog dat de uijtkomste hun egter had„ de geleerd, dat het door haar bedoelde wit daar meede niet te berijken was, des zij ook weder direct van die verandering hadden af„ gezien, en ook om die reeden de Regeering van haare onderneeming niets gemeld hadden het geen zij egter volgens hunnen pligt onwalaate„ lijk zouden gedaan hebben indien haare poogin„ gen in deesen aan haar verlangen hadde b'ant„ woord, En dat het ook dan zoude geschied, zijn, in„ dien zij zig maar in het minst hadden kon„ nen verbeelden dat Een kwaalijk gezind man zulk 493. zulks een proeffneeming na verloop van twee Iaaren dus haatelijk bij de Regeering ten toon zoude sprijden, om waare het mogelijk haar daar door in het uijtterste ongeluk te storten, het geen alleen zijn eenigste oogmerk en trag„ ten was - Dat ze egter hooften dat de Regeering haare onderneeming in die zaak met een gunstiger en inschiekelijker oog zoude gelieven te beschouwen, dan haare wraak„ Lugtige Calangier die hadde opgedischt onder nogmaalige betuijging dat de E: Maatschap„ pije daar door geen het minste nadeel was toegebragt. — Noopens het beklag des Heer van Bijlands weegens de arresteering zijner Pions die Hij zegd voor Huijsdiensten hadde aangenomen, hebben de opperhoofden gerepliceerd, dat den Heer van Bijland 15. Gewaapende pions van Daatcherom had laaten komen, dog niet zeeker te weeten tot wat eijnde; dat de ingezeetenen over deese armeering zeer g'al„ larmeerd zijnde, zij geresolveerd hadden die Menschen te ontwapenen, en 'sComp:s Territoir te doen ruijmen; breeder te beoogen bij het ant„ woord woord der aan de opperhoofden voor gestelde 21. vraage, waar bij zij teffens ontkennen dat Tir„ wengalom ooijt met 40. â 50. gewaapende menschen op deeze plaats gekomen was en dus dat voor geeven voor eene kwaadaantige leugentaal verklaarden. wij hebben bij onderzoek bevonden dat Tirwengalom voor, en onder de gereesene oneenigheeden telkens met 6. â 8 pions op deese plaats gekomen Ia zelfs ver„ scheidene maalen met die lieden aan het Huijs van den Heer van Bijland geweest is toen zij nog geene vijanden waaren ook ontkend de Heer van Halm het voorgegeevene aparte discours, dat de Heer van Bijland bij zijnen brief van den 2. maart zeijd met zijn Ed: gehouden te hebben welken „onser aan weegen wij „ ons 22. vraage en het antwoord daar op door de Heer van Halm gegeeven eerbiedigst gedraagen. Verders hebbende kooplieden der witte lijwaaten bij onse naadere ondervraging onder N=o 2. L=a C: de Regeering eerbiedigst aangebooden voor ongegrond verklaard dat zij aan de Heer van Bijland, zouden gezegd hebben.

NL-HaNA_1.04.02_3974_1077 view scan ↗

English

have to pay thousands and thousands to the Coromandel Governors and Jagernaikpoeram chiefs. That they had only complained about their loss on the trade goods, etc., as may be seen more closely from the just cited answer of the merchants. Regarding the threats which Mr. van Bijland made to Mr. van Someren, and about which the latter complained to the Government, we had the honor to present to Your Honorable Worships with our letter of 22 April under No. 6 two copies of letters written by Mr. van Bijland to Mr. van Someren, to the contents of which, and to what was written therewith by us, we respectfully request permission to refer. While we further have the honor to report that we summoned all Company servants before us and asked them whether they had any reason to complain about Messrs. van Halm and van Someren, and whether they had been disadvantaged or mistreated by Their Honors, who jointly replied to us thereupon that they had no reason to complain about the said gentlemen, as appears from the accompanying written statement provided by them. Likewise, we have acted with all the Company's inhabitants in this place and at Gollepalium, whom we had informed by beat of the tom-tom that if they had to complain about any injustice they could present themselves to us, that we would provide them with justice to the best of our knowledge, but nothing worthy of Your Honorable Worships' esteemed attention came before us in that regard. The various petitions of the merchants in dyed and white cloth suppliers and the old Jagernaikpoeram merchants, submitted to us, we had the honor to present to the Government by letter of 22 April, and communicated the decisions taken thereupon by Your Honorable Worships to the petitioners, so we currently find nothing more to report concerning that matter. And since Mr. van Bijland has absolutely refused to answer the questions we intended to put to him to verify or clarify the accusations he brought forward, we are also entirely unable to say more about the one and the other than has been cited here before, whereas if he had accommodated himself thereto, we might have been able to provide a much fuller report of everything, which His Honor, however, thwarted by his continuous refusal. Thus, we trust in all respect that the protraction of affairs with the consequences resulting therefrom can in no way be incriminated to us, since in this we have offered and done everything that in any way depended upon us, as most clearly appears from our respectful letter of 31 March, the submitted report of 8 April of this year by the scribe van Holt, and lastly on 11 October last past. We therefore consider it superfluous to expatiate further on this, but in view of Mr. van Bijland's assertion that we have been partial in the investigation of the matters, we find ourselves obliged to advance here that we had no opportunity to show ourselves partial therein, since, as already cited here before, he did not choose to answer or to entrust the investigation of his affairs to us, or to give us disclosures or proof of one or another accusation brought forward by him, and thus we, to our knowledge at least, have given His Honor no reason that could have given him grounded cause to suspect, much less be convinced of our partiality; unless His Honor should wish to deduce it from our conversation with Messrs. van Halm and van Someren and others. We would, if he had been inclined thereto and had adapted himself to the circumstances, have been able to converse with him on the same footing, and indeed if he had shown himself more moderate in his discourses than he has been; but it was beyond our ability repeatedly to deafen our ears and feelings to his offensive expressions, and we therefore chose to keep ourselves as far removed from him as was ever possible, in order to prevent further unpleasantness that might sometimes have arisen therefrom. And since His Honor has sufficiently complained to everyone that he was arrested like a murderer and that all access of people was denied to him, we find ourselves, on account of that allegation, obliged to say that His Honor had all freedom in his house, that he even sat and walked outside his door whenever it pleased him; he had free and unhindered use of the goods of whatever kind that were in his house, and could also have had it of those which came from Cottepatnam, had he not refused such himself after having previously asked us to find a place to store them due to lack of space in his house; we therefore secured those goods in the Company's warehouse, which securing he subsequently dished up as an arrest and sought to pass off as such, although we would have had no hesitation whatsoever if we had proceeded to an actual arrest, since the same would have taken place not on our own authority, but by order of the Government. We therefore leave it, with all respect, referred to Your Honorable Worships' much wiser judgment to deduce from the aforesaid whether Mr. van Bijland's assertion concerning the nature of his arrest is well-founded or not. And since we have communicated the conclusion of what occurred with Mr. van Bijland here locally in our respectful letter of 14 October, namely: that we did not wish to gather evidence here, etc., with the transmission of the report submitted by the scribe van Holt, and upon which on the 16th thereafter.

Dutch transcription

494 hebben Duijzend en Duijzende te moeten op brengers aan de Cormandelse Gouverneurs en Iagernaikpoerainse opperhoofden Dat ze zig eenelijk over haar verlies op de Handel whaar en etc: beklaagd hadden, na„ der te beoogen bij het zoo even aangehaalde antwoord der Kooplieden— Ten belange de Drijgementen die de heer van Bijland aan de Heer van Somer en ge„ daan, en waar over laast gemelde zig bij de Regeering beklaagd heeft, hebben wij de Eere gehad Haar Edele Agtb: bij onsen brief van den 22. april onder N=o 6. aan te bieden twee Copia brieven door de Heer van Bijland aan de Heer van Someren geschreeven, aan welkers inhoud en het daar bij door ons geschreevene wij eerbiedig verlof vraagen ons te mogen refereeren. Terwijl wij wijders nog de Eere hebben te be„ rigten, dat wij alle comp: Dienaaren bij ons ontbooden en haar afgevraagd hebben of zij eenige reede van klaagen over de Heeren van Walm en van Someren hadden, en of zij door Haar E:s waaren benadeeld en kwaalijk be„ jeegend! die ons gezaamentlijk daar op re„ pliceerden. - pliceerden, geene reeden tot klagen overgem: Heeren te hebben zoo als komt te blijken bij het nevens gaande door haar verleende ge„ schrift. — Insgelijks hebben wij gehandeld met alle sComp: ingezeetenen ter deezer steede, en op gollepalium die wij bij Tambok slag heb„ ben laten bekend maken dat zoo zij over eenig ongelijk te klaagen hadden zig bij ons konden aandienen, dat wij haar na onse beste ken„ nisse goedregt bezorgen zouden, dog niets uwel Edele agtb: g'eerde attentie waardig is ons ten dien op zigte te vooren gekoomen De onderscheijdene Requesten der Kooplie„ den in gezaaijde en witte lijwaaten leveran„ tiers ende oude Iagernaikpoeramse koop„ lieden, aan ons overgegeeven, hebben wij de Eere gehad de Regeering bij brieve van den 22. april aan te bieden, en de daar op geval„ lene dispositien van Haar Edele Agtb: aan de supplianten gecommuniceerd, dus wij over die affaire tans niets meer te rap„ porteeren vinden — En nadien de Heer van Bijland volstrekt gewijgerd. 495 geweijgerd heeft te antwoorden op de vraa„ gen die wij hem te doen voorneemens waaren ter bewaarheeding of opheldering zijner uijtgebragte beschuldigingen, zoo zijn wij ook geheel buijten staat meerder van het een en ander te zeggen dan hier vooren aangehaald is, daar wij indien Wij zig daar toe geschikt hadde misschien een vrij am„ pelder berigt van alles zouden hebben kon„ nen doen het geen zijn Edele egter door zijne continueele wijgering verijdeld heeft, Dus wij in alle Eerbied vertrouwen dat de Traineering van zaaken met de daar uijt voortgevloeijde gevolgen ons geen zints kunnen werden g'incum„ beerd, aangezien wij in deesen alles aan„ gebooden en gedaan hebben wat maar eenigzints van ons dependeerde, zoo als bij ons Eerbiedig schrijven van den 31. maart het gediend Raport van den 8. april deezes Jaars door den scriba van Holt, en laastelijk nog den 11. october lastleeden ten duijdelijksten blijkt. Wij agten het dus over boodig hier over verder. gem: verder uijt te wijden dog vinden ons ten aanzien van des Heer van Bijlandt voor geeven dat wij in het onderzoek der zaaken parthijdig geweest zijn in de noodzaakelijkheijd gebragt hier te ad„ vanceeren dat wij geene geleegendheijd gehad hebben ons daar inne partiaal te toonen, dewijl Hij zoo als hier vooren bereeds aangehaald is niet verkoosen heeft te antwoorden of ons het onder„ zoek zijner zaaken toete vertrouwen of ons openingen bewijs van de een of andere door hem uijtgebragte accessa„ tie te geeven, en dus wij zijn Edele geene reeden onzes weetens altans gegee„ ven hebben, dien hem met grond hebben konnen doen vermoeden veel minder overtuijgen van onse partij„ digheijd; of zijn Edele moest dezelve willen aflijden uijt onse converzatie met de Heeren van Halm, en van Someren en andere.— Wij zouden als Hij daar toe g'inclineerd en 296 en zig na de omstandigheeden geschikt hadde op den zelfden voet met hem hebben konnen conver zee very en weldan wanneer Hij zig in zijne discoursen gematigder getoond hadde als hij geweest is; maar het was buijten ons vermoogen onse ooren en aan„ doening telkens te verdooven voor zijne Lasive uijt druckingen en dus verkooseneij om ons van hem zoo veel maar immers doenlijk weesen zoude verwijderd te houden, ter pre venieering van meerder onaangenaam„ heeden die daar uijt zomwijlen zouden hebben kon„ nen voortvloeijen. En nadien zijn E: zig genoegsaam bij een iden be„ klaagd heeft dat als een moordenaar g'arresteerd en Hem allen toegang van menschen benoomen is geweest, zoo vinden wij ons uijt hoofde dier allegatie in de verpligting te zeggen dat zijn E: alle vrijheijd in zijn Huijs gehad, dat Wij zelfs buijten zijn deur gezeeten en gewandeld heeft, wanneer het hem behaagde van de goe„ deren hoe genaamd die in zijn Huijs waaren heeft Hij een vrij en onverhinderd gebruijk ge„ had en konde het ook gehad hebben van die welke van Cottepatnam gekomen zijn, hadde Wij. Wij zulks niet zelfs gewijgerd na dat ons voor af zelfs verzogt hadde, voor dies ber„ ging een plaats te zoeken uijt hoofde van ruijms gebrek in zijn huijs, wij hebben dus die goederen in 'sComp:s Pakhuijs gese„ cureerd welke secuneering Hij vervolgens voor arresteering opgedischt en als zoo„ daarnig heeft willen doen doorgaan, schoon wij geenzints te schroomen hadden, in dien wij tot de effective arresteering getreeden waaren, dewijl het zelve niet op eijgen au„ thoriteijt, maar op ordre der Regeering zou„ de geschied zijn. — Wij laaten het dus met alle Eerbied aan uwel Edele Agtb: veel wijzer oordeel gesefen reerd om uijt het voorsz: op te maken of het voorgeeven des Heer van Bijlands nopens der aart van zijn arrest gegrond is dan niet En vermits wij het slot van het voorge„ vallene met de heer van Bijland hier ter plaatse bij onser eerbiedigen van den 14. october bedeeld hebben namentlijk. Dat Wij geene bewijsen hier wilde in winnen etc:a met over„ zending van het door den scriba van Holt gediende Rapport en waar op of den 16 daar aan.

NL-HaNA_1.04.02_3974_1083 view scan ↗

English

to the Lord van Bijland has departed from here, we therefore in all humility ask Your Right Honorable's permission to be allowed to take leave of this so troublesome matter and to proceed to the defense ordered of us regarding the complaint of the Lord van Bijland that we had refused to give him disclosure of the Company's cash and debts, and the partiality derived therefrom, etc. From the above-cited report made by the Writer van Holt, Your Right Honorable will have noticed that he thereby declares us to be suspect and partial. We say nothing of the numerous insolences that he has inflicted upon us from the beginning to the end; the next day he demanded from us a statement of the contents of the cash balances and debts, which we refused to give him, from which it appears most clearly that only after declaring us to be partial did he ask for disclosure, and thus the alleged partiality can in no way be founded upon that refusal. As for our refusal, Your Right Honorable, if you please, will find it grounded upon the much respected letter of the Government dated 17 February sent hither, whereby Their Right Honorables interdict the Lord van Bijland from meddling either directly or indirectly with the affairs of this trading post until such time as further arrangements should be made concerning it, which interdict we found had not yet been invalidated by Your Right Honorable. And on that foundation, we judged that we were not bound to give him or anyone outside our lawful rulers any disclosure of the Company's state at this factory, which had been entrusted to us and not to him, not out of fear that it could not withstand the investigation of the Lord van Bijland, but indeed on the foundation of the above-cited order of the Government. We flatter ourselves that what has been advanced will sufficiently plead for our vindication, and we request Your Right Honorable to let the same serve for our defense. Concerning our further actions in the service of the Honorable Company during our presence here, we have most respectfully communicated the same to Your Right Honorable in our successive dispatched letters. While we further take the liberty most submissively to present to Your Right Honorable a statement of such expenses as we have been under the necessity of incurring upon our arrival as well as during our stay here until the 15th of this month, amounting to N: N: Pa/o 986. 4.½., which we most respectfully request you will be pleased to pass. With this we hope to have satisfied what was demanded of us, wherefore we arrogate to ourselves the honor to subscribe this with all submission. Underneath stood: Right Honorable Lord and Honorable Sirs, Your Right Honorable's most submissive and very obedient Servant. Was signed: P: H: Heshutius and I: M: Schliephaken. In the margin: Iaggernaikpoeram, 16 November 1790. NB. The aforementioned documents will follow at the next opportunity. Agreed. Jn. oddam First Clerk MRichard Nagesier Respectful report dedicated to the Right Honorable Lord, Jacob Eilbracht, Chief Ruler of the Coromandel Coast and its dependencies, concerning the inquiry ordered by His Right Honorable by respected separate letter of 27 December last, and executed according to the petitions and proposals made thereto by the Honorable Willem Hendrik Count van Bijland, submitted to His aforementioned Right Honorable under 20 and 28 December 1790, together with 5 January 1791, with such success as is noted in this document; furnished with such considerations and corrections as appeared useful to the subject and necessary for the elucidation of the matter. Right Honorable Lord! Unity is the bond of security, and discord produces unrest and destruction. This maxim, so generally known and so little observed, has, with regard to its latter part, left the liveliest marks in this unfortunate Iaggernaikpoeram, by sacrificing everything to a divergence of views, which on the one hand was pursued somewhat hastily, and on the other hand was opposed and thwarted not without the most dubious suspicions; in a manner that may perhaps forever show its bitter consequences to the detriment of the Company's true and essential interest. The first undersigned, who, except for the circumstances of the flood in so far as it must be investigated according to an unsigned sentive letter under 17 November 1790, has brought everything to an end thus far, having first had to spend a series of days reading through and examining all the papers, has thereby noticed that the sole cause of such a variety of speculative and dubious matters consists only in that the Honorable Van Bijland, having been elected Chief of this trading post in the spring of 1790, shortly after his arrival, sought to push through a long-sought and never-effected union of the Mazulipatnam merchants with the Iaggernaikpoeram merchants. Had His Honor waited with this until after the departure of his predecessor, the

Dutch transcription

497 aan den Heer van Bijland van hier vertroc ken is, zoo vraagen wij uwel Edele Agtb: in alle ootmoed verlof van deese zoo facheuse zaak te moogen afscheijden en over te gaan tot de ons dan bevoolene verantwoording op des Heer van Bijlands beklag dat wij hem gewij gerd hadden ouverture te geeven van 'sComp: kassa en de schulden en daar uijt afgeleijde partijdigheijd ensz: — Bij het hier vooren geciteerd berigt door den Scriba van Holt gedaan, zullen uwel Edele Agtb: ontwaard hebben dat Hij ons daarbij voor suspect en partijdig verklaard. wij swijgen van de meenigvuldige in olentien die Hij ons van den beginne tot het eijnde heeft aangedaan, 's anderen daags het Hij ons een opgave van de inhouden der Kassas ende schulden afvaagen die wij hem opte geeven gewijgerd hebben, waar uijt dan ten klaarst, en blijkt dat Hij na ons voor Par„ tiaal verklaard te hebben eerst opening ge„ vraagd heeft en dus de voorgewende partij„ digheijd geen zints op die wijgering kan werden gefondeerd. — wat onze wijgering betreft zoo zullen uweEd. „ r a uwelEd: Agtb: des gelievende dezelve gegrond vinden op het zeer gerespecteerd schrijven der Regeering sub dato 17. febr: na herwaards afgezonden, waar bij Haar Edele Agtb: den Heer van Bijland interdiceeren zig nog direct nog indirect met de zaaken van dit Comptoir te bemoeijen tot tijd en wijle daar over nader zoude weesen gedisponeerd en welk interdict wij bevonden dat door uwel Edele Agtb: nog niet buijten kragt gesteld was. — En op dat fondament oordeelden wij niet gehouden te zijn aan hem of aan iemand buijten onze wettige gebiederen eenige opening van 'sComp:s staat ter deeser fac„ torij, die ons en niet hem opgedraagen was te geeven, niet uijt schroom dat dezelve de rechergie van de Heer van Bijland niets zoude konnen veelen, maar wel op fondan„ ment van de hier vooren aangehaalde order van de Regeering.— wij vlijen ons dat het geadvanceerde vol„ doende voor onze refuleering plijten zal en wij verzoeken uwel Ed: Agtb: het zelve te laten dienen voor onze verantwoording, Concerneerende. 1 498 Concerneerende onze verdere verrigtingen in den dienst der Edele Comp: geduurende ons aan„ weezen alhier hebben wij dezelve bij onse suc„ cessive afgezondene brieven uwel Edele Achtb: eerbiedigst bedeeld. — Terwijl wij nog de vrijheijd neemen uwel Ed: agtb: in deesen onderdaanigst aantebieden opgave van zodaanige ongelden als wij ter onser over„ komste zoo wel als geduurende ons verblijf hier, in de noodzaakelijkheijd geweest zijn te doen tot den 15. deezer maand groot N: N: Pa/o 986. 4.½. welke wij eerbiedigst verzoeken te willen passeeren— Hier meede hoopen wij aan het ons gedaman„ deerde voldaan te hebben des wij ons de Eere aanmaatigen deesen met alle onderdaanig„ heijd te onderschrijven /:onderstond:/ wel Edele Achtb: Heer en wel Edelen Heeren uwer welEd: achtb: aller onderdaanigste en zeer gehoor„ zaame Dienaar /:was geteekend:/ P: H: Heshutius en I: M: Schliephaken /:in margine:/ Iagger„ naikpoeram den 16. November 1790. NB. de Documenten merm vermeld zullen by nader geleegendheid volgen. e Accordeerd Jn. oddam Eg Clercq —. de. MRichard Nagesier 499 „ F Eerbiedig berigt gedediceerd aen den WelEdelen Achtbaaren Heere, Jacob Eilbracht opper Gebieder ter kuste Corman„ del en der Resorte van dien, wee„ gens gedane enqueste door zijn WelEdele Achtbaare geordonneert bij gerespecteerde apparte letteren van 27. ' december Iongst Ver„ weeken, en g'executeerd na luijd van de daer toe gedaane sup„ plicatien en voordragters door den E. Willem Hendrik Graaf van Bijland aen Welmelde Zijn Achtbaare overgegeeven onder den 20. ' en 28. ' december 1790. mitsgaders 5. Ian: 1791. , met zoodaenige Succes als in deezen staat genoteert; bekleed met zo„ danige Consideratien en Recter„ ien als ter materie dienstig„ en tot opheldering der zaake, noodzaekelijk is voorgekomen. WelEdele Achtbaare Heere! Eendragt is de band van zeekerheid, en Twee spalt, brengt L „ brengt onrust en verwoesting voort. Deeze spreuk zo algemeen bekend, en zo wijnig betragt wordende, heeft, ten opzigte van haar laatste gedeelte, in dit ongeluckig Paggernaikp:n, de leevendigste kenmerken nagelaeten, door alles opte offeren aen een verschillendheid van begrip„ pen; die aen de eene kant wat haestig doorgedreeven en aen de andere kant niet zonder de bedenkelijk„ ste vermoedens teegen gegaen en te leur gesteld geworden zijn; op een wijse die mogelijk voor altoos, tot nadeel van 's Comp:s waar en weezentlijk belang, haar bittere gevolgen vertoonen zal. —. D' eerstgeteekende, die op de omstandigheeden van de watervloed na, zo verre zulx na eene ongeteekende sentiefse brief sub 17. ' November 1790. moet worden on„ derzogt, alles tot dus verre heeft ten einde gebragt, eerst, een reeks van dagen hebbende moeten door„ brengen met het door en naleesen van alle de papie„ ren, heeft daer bij ontwaerd, dat de eenigste oor„ zaek van zulk een verschijdentheid van Spe„ culative en bedenkelijke zaaken alleen bestaat door dien den E. Van Bijland in't voorjaar 1790. geëli„ geert tot opperhooft deezes Comptoirs, wijnig tijd na zijn aenkomst, heeft zoeken doorledwijven een lang gezogte en nog nooit g'effectueerde Vereeni„ ging der Mazulipatnamse met de Iaggernaik„ poeramse kooplieden. Stad zijn E. hier mee ge„ wagt tot na het vertrek van zijn Predecesseur den

NL-HaNA_1.04.02_3974_1091 view scan ↗

English

500 Letter A. the Honorable van Halm, it might have succeeded better and certainly had fewer repercussions; because it visibly appears that the party that was against the unification was encouraged, or at least very strongly patronized and protected; which has been drawn out so far that the Honorable van Bijland, on the representations as if the office were in danger, was first provisionally dismissed from assuming his post, and was subsequently arrested upon the publishing and bringing to light of some malversations, which were stated by him to be the cause of all the thwarting practiced against him, on the basis of which they wriggled him out of the transfer of the office. It is after these malversations and improper treatments that the first undersigned was ordered to conduct an investigation. They were reported from here as effects of malice, and it were to be wished that they truly had no other existence; but when one considers the same on the whole, van Bijland had deserved a different fate. To better distinguish the annexes belonging to this report, the letter of each of them is indicated in the margin of the passage where they are cited; among the same appears in the first place the interrogatories held on the 14th, 15th, 16th, 17th, and 19th, and verified on the 21st following, in which the content of the petitions or representations mentioned in the heading hereof has been followed as much as possible, since those which, with regard to the flood, have already been concluded, and, awaiting the letter expected for that purpose, are still to follow, belong separately to the Council and are thus separated from this report. The description of these questions we shall treat as the matters occur therein point by point, and thus to begin, cite that therein up to article 4½ it comes to appear how the: 1st point of accusation, namely that the large chest was unsealed and opened and taken over without the presence of the appointed commissioners, agrees with the truth; and that thus regarding this, that catches the eye which is to be mentioned hereafter at the 16th point concerning the suspicion conceived regarding the Company's silver brought here with the sloop De Zeerob in February 1790. The daily journal mentioned at article 4½ is attached hereto untranslated; as the holder thereof has requested, and is promised, all discretion. The 2nd point, comprising the poor construction of the new warehouse and the mint, is generally confirmed at articles 5, 6, and 7, and one has reason to maintain that the Company, for the sum raised for it, could have had a solid building constructed with mortar; seeing that shell lime, being considered the best in building, is, upon information obtained here, to be had very abundantly and cheaply; the garce, according to report received, costing at present no more than Madras three-swami pagodas 1¼ to 1½ / a price which nevertheless varies somewhat now and then /; but even were it twice as much, the construction with clay, although the Company's calculation sounds well for it, would still not even have been so necessary. At least according to the native calculation, mentioned at article 6 and 7 of the interrogatories, and attached hereto as an annex, such a building as the warehouse ought not to have cost more than Madras 6 percent 1542:—:- and the mint 225 similar pagodas; whereas 3870. 8¼ of that sort of pagodas have been brought to account for it; which is so much the more grievous, because it is generally suspected that the warehouse will suffer greatly during heavy gales, leading to apprehension of damage to the goods of the Honorable Company, for which one has absolutely no other place here. The 3rd point, or the farming out of the salt, was also done last year, see articles 8 and 9, in conformity with the statement, according to the reports of the Company's native servants, in imitation of an old custom; so that what is paid for it is paid solely for the enjoyment of the land, of which the Company itself makes no use anyway for the salt trade. The 4th point, as if a monopoly had taken place in foodstuffs to the oppression of the community, is stated at article 10 to have taken place only in respect of the salt; the price of which, upon the complaints arisen regarding that, was reduced by the commissioners. The 5th point, or the striking of counterfeit daboeses, being partially admitted in the 11th and 12th articles, seems also in its full extent to be true, at least the suspicion of a bad course of action is markedly increased. Because of the concealment of the mint's notes kept on leaves, a strict investigation was made into it, and fortuitously, while drafting this, they were traced and brought to light; whereby the matter has acquired an entirely different appearance from what was stated in that regard in the aforesaid articles 11 and 12; with this result that the deponents mentioned therein, after the rumor of the discovery of the leaves, have not only come to alter their statements, but the minters jointly declared on the last day of February that their attestation passed before the scribe of Holt, executed while the commissioners were here, was made pursuant to the inducements given to them by the Brahmin of the former second in command van Someren, named Bolla Regada Kamaija, all fully acknowledging the authenticity of the aforesaid discovered leaves, which are now being verified; so that this point, as a separate article, will be treated after the receipt of the report of the ordered examination, and mention is then also to be made of what the mint's servants, in their said further attestation regarding this, have testified to be the actual truth.

Dutch transcription

500 L:a A. den E. van Halm, mogelijk had het beeter geslaagt en vast minder nasleep gehad; wijl het zigtbaar„ lijk blijkt dat de partij die teegens de vereeniging was, gestijft, althans zeer sterk gepatrocineert en geprolegeert is; 't geen zo verre is getrokken dat den E. van Bijland, op de voordragten als of het Comp„ toir gevaer liep, eerst tot het aenvaerden van zijn post provisioneel afgeschreeven, mitsgaders ver„ volgens is gearresteerd geworden op het publiceeren en aen den dag brengen van eenige malversatien, die door hem opgegeeven wierden, de oorsaak te zijn van alle de teegens hem gepractiseerde dwarsdrijverijen, op fondament van dewelke men hem 't Transport van 't Comptoir heeft ontdraaijt. Het is na deeze maliersatien en verkeerde behande„ lingen dat den eerstgeteekende gelast is onderzoek te doen. Men heeft ze van hier opgegeeven als uitwerkzelen van quaadaardigheid, en 't ware te wenschen dat ze weezentlijk geen ander bestaen hadde; dog als men dezelve over 't geheel beschouwd, had van Bijland een ander lot verdient. —. Om de bijlaagen die tot dit bericht behooren te beeter te onderscheiden word de letter van ijder derzelve in„ margine van de periode daer ze in aengehaeld wor„ del bekend gesteld; onder dezelve komt in de eerste plaats voor de den 14. ' 15. 16. 17. en 19. gehoudene en den 21. ' daer aen gerecoleerde Vraagpointen, in dewelke zo veel mogelijk gevolgt is den inhoud der addres„ sen of voordragten in den hoofde deezes gemeld, wijl die welke met betrekking tot de water„ vloed reeds afgeloopen, en, op het daar toe ver„ wagt k „ L:a B. „wagt wordend aenschrijvens, nog te volgen staan, apart aan den Raad gehooren en dus van dit berigt gesepareert zijn. De beschrijving deezer vragen zullen we verhan„ delen zo als de zaaken daar bij point voor point voorkomen, en dus tot een begin„t teeren dat daar bij tot art:l 4½. toe, komt te blijken hoe het. 1. e point der beschuldiging namelijk dat de groote Ras ont„ zeegelt en zonder bijweezen der gestelde Gecommit„ teerdens geopent en overgenoemen is geworden, met de waerheijd overeenstemt; en dat dus dienaengaen„ de in 't oog valt het geen hier na bij 't 16„e point staat gemeld te worden aengaende het opgevat vermoeden omtrend Comp:s zilver met de Sloep de Zeerob in februarij 1790. alhier aengebragt. Het dag Verhaal bij art: 4½. vermeld is onvertaeld hier bij gevoegt; wijl den houder daer van heeft ver„ zoijt en belooft is alle discreetie. —. t 2. e point behelzende den slegten opbouw van 't nieuwe pak„ huis en de munt word algemeen bij Art:s 5. 6. en 7. beaamt, en men heeft reeden te Sustineeren dat de Comp:e voor de daar voor opgebragte Som een hegt en met kalk opgemetzeld gebouw konde ge„ had hebben; gemerkt de schulpkalk, in het bouwe voor de beste gehouden wordende, alhier op beko„ men informatie, zeer abundant en goed koop te krijgen is; kostende de garst, volgens bekoomen berigt, thans niet meer als Madras driebeeldige Pagooden 1¼. â 1½. / een prijs die egter nu en dan wel wat verschilt:/ dog al was ze ook eens zo veel, dan had den opbouw met kleij Schoon de Comp: 501 Comp:s Calculatie daar toe welluijd, nog niet eens zo noodzaakelijk geweest. althans volgens de inlandse calculatie, bij art: 6. e7 der vraegpointen vermeld, en hier nevens als een bijlage gevoegt, had dusdaenig een gebouw als 't pakhuis niet meer moeten kosten den M. d. 6. prC: 1542:—:-. en de Munt 225. gelijke pa„ gooden; daar 'er voor in Reekening gebragt zijn 3870. 8¼. van die soort van Pagooden; 't geen zo veel te Smer„ telijker is, om dat algemeen vermoed werd dat het pak„ huis in zwaare veegens veel te lijden zal hebben, tot bedugting voor schaade aen de goederen van de E. Comp:e, waer voor men alhier volstrekt geen andere plaats heeft. 't 3. e point ofte de verpagtingen van 't zout is voorleeden Iaer, vide art:l 8. en 9. almeede geschied conform de opgave, volgens de berigten van Comp:s inlandse bediendens, in navol„ ging van een oud gebruik; dus dat het geen daer voor opgebragt word, alleen word betaeld voor het genot der grond, waer van de Comp:e tog zelve geen gebruik maakt tot den zout handel. —. 't 4. e point als of 'er een monopolie had plaats gehad in de eet„ waaren tot drucking der gemeente, word bij Art:l 10. opgegeeven alleen plaats gehad te hebben in opzigte van 't zout; welkers prijs, op de daar„ omtrent ontstaane klagten, door de Gecommit„ teerdens vermindert is. —. 't 5. point ofte het slaan van valsche daboesen gedeelte„ lijk toegestemt zijnde in 't 11. en 12. e artikel, schijnt meede in zijn volle uijtgestrektheijd waar te weesen, althans het vermoeden van een L:a C. een slegte handelwijse merkelijk vermeerdert. zijnde door het verduijsteren van de munts annotatien ge„ houden wordende op bladeren, is daer na een Streng onderzoek gedaen, en gevalliglijk zijn die onder het minuteeren deezes uijtgevorst en te voorschijn gebragt geworden; waar door de zaak een heel an„ dere gedaante heeft gekreegen, als het geen dien„ aengaende bij voorzeide att:o 11. en 12. is opgegeeven geworden; met dit gevolg dat de attestanten daer bij vermeld, na het gerugt van 't ontdekken der bladeren, hun opgave niet alleen hebben komen altereeren, maar de munters gezamentlijk on„ der ultimo februarij gedeclareert hebben, dat hun attest voor den Schiba van Holt, verleeden terwijl de gecommitteerdens hier waaren, is gepasseert, navolgens de hen gegeeven inductien van den braminie van den geweesen Secunde van Someren, Bolla Regada Kamaija ge„ naamt, alle volmondig erkennende de egtheid van de voorschreeve ontdekte bladeren, die nu nagegaen worden; dus dat dit point, als een apart artikel, na het intekomene berigt der geordonneerde examinatie, verhandelt, en als dan ook mentie gemaekt staet te worden van het geen de Munts bediendens bij ge„ zegde hunne nadere attestatie dienaengaen„ de getuijgt hebben de reeile waerheijd te zijn

NL-HaNA_1.04.02_3974_1095 view scan ↗

English

The 6th point, or the enjoyment of some percentages on the sales, is agreed upon in articles 13 and 14 to be an old custom, being given by the merchants as a usage that is as old as the Company itself, and presumably in practice in all places where trade is conducted with and among the natives according to their customs, which in the West they call Costumados and are inseparable from their trade. These and certain other customs in the course of affairs may perhaps sound strange to European ears, but if they exert no bad influence, they do not disadvantage the Company; no more than the agreed-upon 7th point, that the native servants pay something upon their appointment, just as the Brahmin of the Company did to the Gentlemen Iadama and Van Halm, see confession on article 15 of the points, for among the native princes such is a constant custom; as in Bengal, where the Nawabs to the prince of the land, subordinate faujdars or governors again to their Nawabs, and other servants again to the faujdars upon their installation formerly had to render a customary contribution by way of Nazarana; however, whether we are justified in following those native customs is not for us to decide. The Kotwal, who according to articles 16, 17, and 38 was to be examined, is not here, but alongside the former Chief Peon on Paleacatta. The 8th point, or the mingling of the merchants' accounts with private matters, cannot be denied; at least that of the white linens, or the so-called Iaggeraikpoeram party, has in our opinion been treated most unreasonably; the case for which they were arrested the first time consisting, as described in these points of inquiry from article 19 to 35 inclusive, in their refusing to sign a paper written in a language they did not understand, and because more had been charged to their account than they were indebted for; both by not crediting to them what they were owed by the chiefs in private, and also by not bringing to their credit the linens delivered by them and already accepted on the procurement contract; at all events, the entire history of the flight of the one party and the thwarting by the other is truly suspicious in every respect, containing rather more than what has ostensibly been stated about it; for passing on to the 9th point concerning the draft for unification, no force whatsoever was used therein, considering that the statement of the Masulipatnam party in articles 36, 37, 38, and 39, as if Van Bijland had declared that this business was already settled and had thus intended to force them to sign a paper drafted for that purpose, which they could foil by no other means than flight, is too childish to merit reflection; since their other answers demonstrate very well that they are not so simple or fearful as they have presented in excuse for their aforementioned recalcitrant conduct; it being impossible to conclude anything else from this entire affair than that private interests played a very prominent role therein; for if one observes closely the answers from article 40 to 48 inclusive, no doubt remains in that regard. And it is not strange to deduce from this a suspicion that the first as well as the second arrest of the Iaggeraikpoeram merchants served as an obstacle to entering into engagements with the latter, which, to the exclusion of the Masulipatnam party, might very well, and possibly with more advantage, have been negotiated and executed; seeing that the Company had nothing from these latter except a bunch of precarious debtors, who again received money and goods to pay off some of the old debt, and in the meantime always remained indebted: for if the chiefs present during these troubles, the Honourable Van Halm and Van Someren, had wished to keep themselves free from all suspicion of partiality, they ought, as soon as this group absconded, at least to have kept watch on behalf of the Company, to have secured the houses and goods of the absentees, and above all to have refrained from such close and familiar intercourse with them as is described in the aforementioned articles. They neither advised them for nor against the matter of unification, it is said; but what purpose then did that conspicuous familiar intercourse serve? The arresting of their houses and goods, say the Commissioners, would have ruined the absconders' credit; however, they had already lost that by falling behind by as much as 11000 pagodas; consequently there was double reason to treat the matter of their departure with much more seriousness. The copy and translation of the report of the pretended mission to the aforementioned absconders mentioned in article 46 is annexed hereto; and according to the answer to article 48, one will be strengthened in the view that the whole affair seems to have been nothing other than a semblance or sham fight to promote private designs, for which Tiewengalan served as the performing actor, and in which he played his role as well as in the 10th point, in bringing the so-called letters of recommendation into the world in order to let the Honourable Van Halm continue here as chief; which, as far as the inhabitants of Iaggernaikpoeram are concerned, according to the answers to the 49th question, were signed by the majority without their knowing anything of the contents; serving thus, as it appears, to

Dutch transcription

502 't 6: point ofte het genot van eenige procentos op den vertier, word bij art:l 13. en 14. toegestemt een oud gebruik te zijn; door de kooplieden gegeeven wordende als een usantie, die zo bejaerd is als de Comp:e zelfs, en vermoedelijk in trein is op alle plaetzen daer de negotie met en onder den inlander gedreeven word na haere gebruiken, die zij om de West Costumados noemen en onafscheijdelijk van haeren handel zijn; deese en sommige andere gewoontens in den loop van zaaken luijden mogelijk voor Europise orver wonderlijk; maer zo ze geen quaede invloed maken, benadeelen Ze de Comp:e niet; zo min als 't toegestemde t 7. e point, dat de inlandse bediendens bij hun aenstelling iets betaelen, gelijk de bramine van de Comp:e ge„ daen heeft aen de Heeren Iadama en Van Halm, vide belijdenis op art:l 15. der pointen;: want onder de inlandse Vorsten is zulks een constant gebruik; gelijk in Bengale, daar de Nawabs aen den vorst van 't land, onderhoorige faus„ daars, of Gouverneurs weer aen hun Nawabs, en andere bediendens weer aen de fausdaars bij hun installatie een gewoon contragent in vroeger daegen bij weege van Nezzeranch opbrengen moesten; dan of wij gewettigt zijn die inlandse gebruiken optevolgen, staat niet ter onzer beslissing. De Cootwaal die volgens art: 16. 17. en 38: onderwaegt moest worden, is niet hier, maar neevens de ge„ „weesen op. „weesen Hooftpion op Paleacatta. t 8: point ofte het vermengen der kooplieden Reekening met particuliere zaeken, is niet teegen te spreeken, al„ thans die der witte Lijwaaten, of de zo genaemde Iaggeraikpoeramse ploeg, is, na onze gedagten, aller onreedelijkst behandelt; staande het geval waer„ om men haar de eerste heer gearresteerd heeft, bij dee„ se vraag pointen van Art:l 19. tot 35: inclusive be„ schreeven hierin bestaan te hebben, om dat zij wijgerden te teekenen een papier dat geschree„ ken was in een taal die zij niet verstonden, en door dien men meer op haar reekening geset had als zij debet waaren; zo door aen haer niet te valideeren het geen zij van de opper„ hoofden in 't particulier hebben moesten, maer ook door hen niet ten goede te brengen de door haar binnen geleeverde en reets geaccepteerde lij„ waaten op 't contract van aenbesteeding; altans de gansche historie van 't wegloopen van de eene, en 't traverseeren van de andere partij, is waarlijk in allen deele bedenkelijk; iets meer inhoudende als men daer van quasi heeft opgegeeven; want ons tot het. 9. e point betreffende het ontwerp ter vereeniging overte„ gaen, zo is daer bij geen 't minste geweld gebruikt geworden; gemerkt de opgave van de Mazuli„ patnamse ploeg bij art:s 36. 37. 38. en 39. als of van Bijland zig uitgelaaten had dat dit werk reeds zijn beslag erlangd en dus voorgenoomen had om hen te noodzaeken tot het teekenen van een daer toe ont„ worpen papier, 't welk zij door geen ander middel als door de 503 de vlugt konden verijdelen, is te kinderagtig om re„ flezie te meriteeren; aengezien haer andere ant„ woorden zeer wel aentoonen dat zij zo onnozel nog vreesagtig niet zijn, als zij tot verschooning van voorschreeve haer wijgeragtig gedoente hebben ko„ men intebrengen; zijnde uit dit gansche spul niet anders optemaaken, dan dat daarin parti„ culiere inzigten al heel sterk een voornaeme vol gespeelt hebben;: want als men de antwoor„ den van art:l 40. tot 48. incluijs nauwkeurig ga„ de slaat, dan blijft dien aengaende geen twijfel meer over. En het is niet vreemd daer uit aftelij„ den een vermoeden dat 't eerste zo wel als 't tweede arrest op de Iaggeraikpoeramse koop„ lieden, gedient hebbe tot een beletzel, om met dee„ se laaste engagementen aentegaen, die met uit„ Sluiting van de Mazulipatnamse ploeg zeer wel, en mogelijk net meer voordeel, zouden te bedingen en uittevoeren geweest zijn; ge„ merkt de Comp:e aen deese laetste toen al niets hadde als een deel onzeekere debiteuren, die op nieuw geld en goed ontvingen om wat van de oude schuld aftedoen, en intusschen altoos debet te blijven: want bij aldien de bij deese troebelen aenweesige opperhoofden d' E. van Halm en van Someren, zig vrij hadden willen houden van alle verdenking van eenzijdigheijd, dan hadden zij, zodra deese twep uit„ week, ten minsten voor de Comp:e hebben behooren te vigileeren, de Huijzen en goederen van de absenten in zeekerheid moeten neemen, en zig voor al ge„ „wagt „wagt hebben voor zulk een naauwe en familaire om„ gang met dezelve als bij voorsz: artikelen beschree„ ven staat; Men heeft haar, zegt men, het stuk van vereeniging nog aan nog afgeraaden; maar waar toe diende dan die in 't oog loopende familaire omme„ gang. Het arresteeren van hun huijsen en goederen, zeggen de Gecommitteerdens zouder uijtgewee„ kene Crediet geschonden hebben; edog dat waeren ze reeds quijt, door zo veel als wel 11000. pag: ag„ ter uitgebleeven te zijn; gevolgelijk was 'er dub„ bele reeden om de zaak hunner uitwijking met vrij meer ernst te tracteeren. De Copia en 't trans„ laat van 't Rapport der quasi gedaene bezen„ ding aen voorschreeve uitgeweekene in Art:l 46. vermeld, is hier nevens gevoegt; en volgens 't ant„ woord op art: 48. zal men gesterkt worden in het begrip dat het gansche gedoente niets anders dan een Semblant of Spiegel gevegt Schijnt geweest te zijn, om te bevorderen particuliere des„ seinen, tot het welke Tiewengalan gedient heeft voor de uitvoerende personage, en waer in hij zo wel zijn rol gespeelt hebbe, als in het. 10. e point om de zo genaamde brieven van voorschrijvens in de weereld te doen komen, ten einde de E. van Halm hier als opperhoofd te laaten Continuee„ ren; die, wat de ingezeetenen van Iagger„ naikpoeram betreft, volgens de antwoorden op de 49. e Vraag, door de meeste part ondertee„ kent zijn zonder van den inhoud iets bekend te weezen; dienende dus zo het voorkomt tot L:a D.

NL-HaNA_1.04.02_3974_1099 view scan ↗

English

504 to nothing other than a safeguard to protect the game that had already started and was pushed so far, of whose consequences one certainly has become fearful. The evidence which, according to the answer to the 49½th question against the writer of this letter, was accepted to be produced, is enclosed herewith with its translation. The 11th point, that Batjoe Balla Ramaija has always had his residence at Kakinada, is true; the same having only recently, with the foreknowledge of the Commissioners, come to live here, without however possessing much property or being far from his first cousin Trewengalam at Kakinada, having no further distance between them than a narrow river, across which one could almost jump with a good vaulting pole. The 12th point, concerning the making of promises by the merchants to furnish money and the actual payment of the same, is in article 51 partly admitted by the Iaggernaikpoeram group to have been paid as an old existing custom, which also seems to be in practice among the customs in trade with the native; the Mazulipatnam faction, however simple in other matters, does not show itself so simple in their answer given regarding this in article 52; declaring roundly to owe no disclosure of what they voluntarily come to give away; which, however, with their observed conduct and constant arrears, is not free from speculation. The 13th point, as if anything else private besides corals had been forced upon the merchants, is denied. Those of the white piece-goods have, according to their answer to article 53, never received any other private goods than corals, and the other faction fully testifies never to have taken anything against their will, and that what they enjoyed privately was also accounted for by them privately. The 14th point, dealt with in the 54th and 55th articles, points out the abuses committed against the Jagernaikpoeram merchants during the second arrest that was imposed, for no other reasons than have already been mentioned under the 8th point; measures which appear unheard of and entirely irresponsible, because one can conclude no other than that this violent step was only used for such reprehensible purposes as were set down at the end of the 9th point; whereby the entire prosperity of the Comptoir was sacrificed, and the minds of the natives, who were taken as a subject to support his private views, have become so embittered and stirred up against one another that there will hardly be any hope of reconciliation now or ever, those of the Mazulipatnam faction being, as it is said, bound to one another in writing never to abandon their cause. The 15th point, namely that the Company's copper was coupled with rice or rather exchanged for it, also took place and, according to the answer to 505 article 56, even up to 70 bhaars; from a large part of which copper on account of Inwengalam, who had the disposal of it, some of the false daboeses that have circulated here were likely struck again, given that this trade was also conducted in his name, as will appear in its proper place in the continuation of this; so that with all such disposals of the Master's property one made his knife, as it were, cut on both sides; to distribute that exchanged grain among the community, including the washers; whose account kept thereof and submitted at the time of the interrogation also constitutes one of the annexes of this; the truth of the statement of these people, that after the flood rice was sent hither from Palleacatta to be distributed to the common man for nothing at all, having also appeared upon investigation; for although the Administration in the letter of 13 June 1787 indeed charged the 59,471 lb of rice then sent at the purchase cost, to be paid as such by the beneficiaries, it nevertheless appears from the trade papers that the amount of ƒ2440: 1: 8 charged for it was in the spring of 1788 debited back to Palleacatta, considering the Honorable Mr. Blaaukamer declared to have presented these grains as a gift to the needy community; although the washers, according to their account, paid for their share among each other here at one pagoda per bag. Meanwhile these are nearly the poorest people and among them the most necessary furniture that can be imagined. The 16th point, concerning the reported corruption in and extortion of the testimonies given here before Commissioners, and the mistreatment of some over a certain discovery made to the Honorable Van Bijland. Apart from the Masulipatnam merchants, the scribe Van Holt, and the assistants Da Silvar and Dirksz, something of the kind has more or less taken place with regard to the other witnesses mentioned in the 58th article. The minters at least, whose testimonies before the Commissioners regarding the counterfeiting of the daboeses read exactly like their revoked statements mentioned hereinbefore at the questions, have, as stated, already confessed by whom they were induced, and the other witnesses were intimidated by unheard-of arrests and guards; for in the investigation that was to be done, all such means were unnecessary; the truth or untruth of a matter, which was inherently indifferent to discover, ought to have occurred without violence, and in that respect it is certain that the Commissioners went beyond the bounds of fairness, both with regard to the sarraf Porain Rama Swanie, who returned on the safe-conduct, and the brahmin Pede Botla Kistnaija, who had to endure an extraordinary amount, and whose simple statement

Dutch transcription

504 tot niets anders dan een behoed middel ter beschutting van 't reets gaande geraakte en zo verre gepousseer„ de spel, voor welkers gevolgen men zeeker is be„ dugt geworden. Het bewijs dat volgens 't antwoord op de 49. ½. vraag teegens den Schrijver deezes briefs, aengenoomen is geproduceert te worden, is met dies translaat hier bij gevoegt. 't 11. e point dat Batjoe Balla Ramaija zijn verblijf altoos op kakinada gehad heeft, is waar; zijnde denselven nu eerst kortelings, met voorkennis der Gecommit„ teerdens hier komen woonen, zonder egter veel vas„ tigheijd te bezitten of zonder veraf te zijn van zijn gerrrain Neef Trewengalam te Kakinade, geen ver„ der tusschen wijdte hebbende als een Smalle Ri„ vier, daar men met een goede Pols bij na over heer zou kunnen Springen. ~. 't 12. point behelsende het doen van belofte van de kooplieden tot 't opbrengen van geld en de werkelijke betaaling van 't zelve word bij art: 51. door de Iaggernaikpoeramse gedeeltelijk toegestemt opgebragt te weesen als een oude plaats hebbende usantie, die almeede onder de Costumados in den handel met den inlander Schijnt in trein te weesen; de Mazulipatnamse ploeg, hoe onnezel in andere gevallen, toont zig in hun antwoord hier omtrent op art:l 52. gegeeven zo eenvoudig niet; rond uit declareerende geen ope„ ning verschuldigt te zijn van het geen zij vrijwil„ lig komen weg tegeeven; 't welk met haar gehou„ den gedrag en geduurig agterweezen egter niet vrij van speculatie is. —. L:a E. t. 't 13. point als of de kooplieden iets anders particuliers buiten Coraalen was opgedrongen, word ontkent. Die van de witte Lijwaaten hebben volgens hun antwoord, op art:o 53. nimmer eenige andere particuliere goederen als Coraalen ontvangen, en de andere ploeg betuijgt volmondig nooit iets teegens haar zin genoomen te hebben, en dat het geen zij particulier hebben genooten, door hen ook particulier verreekent is. 't 14. point verhandelt in de 54. en 55. artikelen wijst aan de ge„ daane mishandelingen aen de Iagernaikpoeramse kooplieden bij het belegde tweede arrest, om geen an„ dere reedenen als onder 't 8. point reeds vermeld zijn; middelen die ongehoort en allezints onverant„ woordelijk voorkomen, om dat men niet anders kan opmaaken ofe deeze violente stap is alleen ge„ beezigt tot zulke afkeurlijke oogmerken als bij het einde van 't 9. e point ter needer gesteld zijn; waar bij de gansche welvaart van 't Comptoir gesacvifieert is, en de gemoederen van den inlander, die men tot een onderwerp ter ondersteuning van zijn particuliere inzigten te baat genomen heeft, zoodaenig teegens den anderen verbittert en gaen„ de geraakt zijn, dat 'er bezwaarlijk eenige hoop tot reconciliatie nu ofte ooit zal plaats vinden, zijnde die van de Mazulipatnamse ploeg bij schrifte zo men zegt, aen den anderen verbonden om nooijt hun Streng te laaten vaaren. e. 't 15: point namelijk dat Comp:s koper met rijst geaccou„ pleteert of liever daar teegens verruijlt is, heeft ook plaats gehad en volgens 't antwoord op Art: 505 art:l 56. wel tot 70. bhaaren toe; van een groot ge„ deelte van welk koper voor reekening van Inwen„ galam, die er de beschicking overgehad heeft, den„ kelijk weeder geslagen zijn eenige van de valsche daboesen die hier geroulleert hebben, aengezien op zijn naam deesen Handel ook al gevoert is, zo als in 't vervolg deezes ter zijner plaatse zal blijken; dus dat men met al zulke beschikkingen over 'Smeesters goed zijn mes als 't ware den twee kan„ ten heeft laten snijden; met dat verruijlde graan omtezetten onder de gemeente, tot de wasschers in cluijs; wiens reekening daar van gehouden, en over„ gegeeven ten lijde der ondervraaging almeede een van de bijlage deezes komt uittemaeken; zijnde de waarheid van 't ingebragte deeser menschen dat 'er van Palleacatta na de vloed rijst her„ waards gezonden is om voor niemendal aen den gemeenen man uittedeelen, bij onderzoek almee„ de gebleeken; want Schoon de Regeering bij de brief van 13. ' Iunij 1787. de toen gezondene 59471. -. lb: rijst, wel aenreekende voor 't inkoops kostende, om door de genietens zodaanig betaald te worden, zo blijkt egter bij de Negotie papieren dat het daar voor aangereekende bedragen van ƒ2440: 1: 8. Palleacatta in 't voorjaar 1788. Weederom ten laste gebragt is, gemerkt den Achtbaare Heer Blaau„ kamer deese graanen aen de behoeftige gemeen„ te verklaarde present gedaen te hebben; Schoon de wassers hun aandeel, na luijd hunner reeke„ ning door malkaar teegens een pagood de zak alhier hebben betaald. Intusschen zijn dit bij L:a F. 't 16. point behelzende de opgegeeven corruptie in en afpersing van de alhier voor Gecommitteerdens verleende ge„ tuijgenissen, en de mishandeling van Sommige over zeekere gedaane ontdecking aen den E. Van Bijland. Buijten de Masulipatnamse kooplieden, den Scriba van Holt, en de assistenten da Silvar en Dirksz:, heeft 'er ter opzigte van de overige attes„ tanten in 't 58. Art:l vermeld, min of meer 't een of ander plaats. De munters althans, wiens attestatien voor Gecommitteerdens omtrend de vervalsching der daboesen eeven zoluijden, als hun hier vooren gewaagde herroepene opgave bij de vraagpointen, hebben, zo als gezegt, reeds beleeden door wien zij g'induceert waeren, en de andere attestanten zijn door ongehoorde arresten en wagters g'intimideert; want in het onderzoek dat te doen stond waaren al zul„ ke middelen onnoodig; de waarheid of onwaer„ heid van een zaak, die in zijn aart onver„ schillig was te ontdekken, dienden zonder geweld te geschieden, en in dat opzigt is het zeeker dat Gecommitteerdens buiten de paalen van billijkheid gegaan zijn, zo wel ten re„ garde van den op den vrij brief te rug gekoomen Saraaf Porain Rama Swanie als den bra„ mime Pede Botla kistnaija, die extra veel hebben moeten uitstaan, en welkers eenvoudige bij na de armoedigste menschen en onder dezelve de noodzakelijkste meubelen die 'er te bedenken zijn. opgave

NL-HaNA_1.04.02_3974_1103 view scan ↗

English

statement of the case under article 59 could meanwhile give no cause for such unusual proceedings; for as there are already so many indications of how the Mazulipatnam gang, the means through which the other side maintained its faction, was patronized and protected, it is difficult to determine why the Commissioners seem to have been more inclined to present the case of the Gentoo note mentioned in this article as an invention of Wengadassalam Poele, than as something to which the said Mazulipatnam gang, in view of the prevailing circumstances, could be supposed capable of resorting; all the more so since the Commissioners themselves, with respect to the passion between the merchants, elsewhere even cite in their Report: that it is nothing unusual among the natives to seek their own ruin, if only they may achieve the intended purpose regarding that of others, after which pronouncement one would have to embrace the notion that six combined persons of such a vindictive nature were more capable of concocting something of that character than a single person of inventing such a thing to their charge; at least, the aforementioned Poram Rama Swamie and Pedie Botla kistnaija stated nothing else in that regard than that the former, in the presence of the latter, put into writing what had become public rumor in that respect, namely that on behalf of the Mazulipatnam gang it had been promised in writing to furnish 10,000 Rupees if van Bijland were recalled. This confession of a public rumor was no crime; they were nonetheless burdened with severe arrests over it, and thereby certainly brought so far that their statement before the Commissioners bore the appearance as if the servant of van Bijland had invented this matter, which, however, according to their answers to the aforementioned article 59, appears otherwise; as they both say that this note was dictated by no one, but written by Poram Rama Swamie himself, in conformity with the rumors. The Commissioners could have been heard on this without further ado, had the first signatory not thought that this would be an unnecessary task, since certainly the appeal would nevertheless fall back on nothing other than the testimony previously given by those people; and thus it seemed preferable to abide by the circumstances appearing in this regard: concerning which, in the first place, is worthy of note the answer of Pento Prolo Ramaija to this 59th article, namely how the canncappel or writer of Triwengalam, upon the arrival of the sloop de Zeerob in February 1790, had gone to Palicol, from where one of the Commissioners was to come; in the 2nd place, how the Commissioners Iacobus Dormieux and Gabriel van Rechem, as appears from their answered points of inquiry under date of 23 February, both confess that neither of them was present at the opening, recounting, or taking up of the silver brought with that sloop at that time; in the 3rd place, how the large chest, see the citation under the 11th point, was at that time, in the absence of the commissioners appointed for that purpose, unsealed and, without their presence, taken up and transferred by the commissioners Heshusius and Schliephaken; in the 4th place, how the attestation granted under 24 February by the mint chaudhry Tokojie with the silversmiths Dontaa Botla Sobaaij and Dawalees Serapoe Pattij, obtained following the aforementioned answered points of inquiry to Dormieux and van Rechem, contains that in the spring of 1790 no more than 40 to 45 bars were minted for the Company's account, although Mamedie Soraaij, heard upon that declaration on 26 February, sets the number of bars at 57 (for the 140 bars that on 1 September 1790 were processed in the mint for the Company's account, as appears from a further attestation Lit. K of the aforementioned chaudhry and silversmiths of 20 February, belong to the second delivery of the Zeerob in the following August); in the 5th place, how, pursuant to these documents, all the mint notes so far as concerns the Company's processed silver during the period of three years were demanded by the first signatory from Bolla Pregada Kamaija, the servant of the former second van Someren, who acted as daroga and assayer in the mint, yet could not obtain them on the pretext that no other records were kept of the mint than in the Company's books; in the 6th place, how this same answer was pleaded by the said van Someren upon a writ served on him under 24 February, and he excused himself from having any knowledge of mint papers that might be under his or his servant's custody; in the 7th place, how during this investigation, the former mint writer Wenkat Redie having been arrested by order of the undersigned, some olas or mint leaves concerning the dubs were thereby discovered and retrieved from under a tree, from which one may deduce that there will likely also be notes concerning the silver, but that there is no willingness to bring them forward. These circumstances, which evidently provide more indications for the most plausible presumptions than seemed to be expected from any examination of the commissioners on this matter, also bring into consideration that the refusal to surrender the mint notes of the Company's silver is all the more conspicuous when one considers that the aforementioned statement by the mint chaudhry and two silversmiths, in which the number of silver bars processed in the spring of 1790 is estimated at only 40 to 45, serves to render suspect the return drawn up and signed by van Someren under ultimate March 1790, as if the full 90 bars brought then in February per the Zeerob had all been minted; all the more so since this, under ultimate March, was no longer the business of his department; because the Commissioners

Dutch transcription

506 opgave van 't geval bij art: 59. intusschen geen aen„ lijding konde geeven tot zulke ongewoone procedure: want daar 'er reeds zo veel blijken zijn hoe de Ma„ Zulipatnamse ploeg, het middel waar door men aan de andere kant zijn Streng heeft staande gehouden, gepatrocineert en geprotegeerd wierd, is het moeijelijk te beslissen waarom Gecommit„ teerdens meer g'inclineert schijnen geweest te zijn om het geval van het Ientiefse briefje bij dit artikel vermeld, als een inventie van Wenga„ dassalam Poele te hebben willen opgeeven, dan als iets waer toe gemelde Mazulipatnamse ploeg uit hoofde der plaats hebbende omstandigheeden, ondersteld konde worden in staat geweest te zijn overtegaan; te meer daar zij Gecommitteerdens bij hun Rapport, ten opzigte der passie tusschen de kooplieden, elders zelfs aanhaalen: dat het niets vreemds is onder den inlander hun eige ruine te zoeken, als zij het bedoelde oog„ „ merk omtrent die van anderen maar bereiken moogen, na welke uitspraak met zou moeten val„ len in 't begrip dat zes gecombineerde perzoonen van zulken wraakgiengen aart„ meer in staat geweest zijn om iets van die natuur te ontwer„ pen, als een enkel perzoon, om zulx tot haar laste uittevinden; althans voormelde Poram Rama Swamie, en Pedie Botla kistnaija, hebben niets anders dien aengaende opgegeeven als dat de eerste in presentie van de laatste, in schrift heeft gesteld het geen dien aengaende was rugtbaar geraakt, namelijk dat 'er van weegens de Mazulipatnamse ploeg in schrift was ge was belooft om 10'000. Ropijen op te brengen indien van Bijland opgeroepen wierd. Deeze belijdenis van een publiek gerugt was geen misdaed; men heeft hen eg„ ter daar over met Strenge arresten beswaard, en daar door zeeker zo verre gebragt dat hun opgave voor gecommitteerdens den schijn dragen als of de dienaar van van Bijland dit werkje g'inventeert hadde, het geen volgens hun antwoorden op voorsz: artikel 59. egter anders blijkt; als zeggende zij keij de dat door niemant dit briefje gedicteert, maer 't zelve door Poram Rama Swamier geschreeven is, conform de gerugten. De gecommitteerdens zonder hier op gehoort hebben kunnen worden, indien de Eerstgeteekende niet gedagt hadde dat zulx een onnoodig werk zou weesen, wijl zeeker het be„ roep tog op niets anders als op dier luijden voor heen gegeeven getuigenis vallen zou; en dus scheen het verkiezelijkst te berusten in de ten dee„ Ten opzigte voorkomende omstandigheeden: Waer„ omtrent in de eerste plaets van opmerking is het antwoord van Pento Prolo Ramaija op dit 59. e artikel, hoe namelijk de canncappel of Schrijver van Triwengalam bij de aenkomst der Sloep de Zeerob in februarij 1790. was ge„ gaan naar Palicol, van waar een der Gecom„ mitteerdens komen moest; in de 2. e plaats hoe de Gecommitteerdens Iacobus Dor„ mieur en Fabriel van Rechem, blijkens hunne beantwoorde vraag pointen onder den 23. ' februarij beijde belijden dat geen van hen„ bij het openen, natellen, of opneemen van 't toen 507 L=r I: toen ter tijd met die sloep aangebragte zilver Geweest zijn, inde 3:e plaats hoede groote kas vide 't aangehaalde onder 11. e point te dier tijd in absentie vande daertoe gestelde gecommitteerdens ontzegelt en zonder haer bij weezen opgenoomen en overgebragt geworden is bij de gecom„ mitteerdens Heshusius en Schliephaken; inde 4:e plaats hoe de sub 24. febr: verleende attestratie vande muntstjoudri Tokojie met de zilver Smits Dontaa„ Botla Sobaaij en Dawalees Serapoe Pattij en Gewon„ nen na aanleiding der voorsz: beantwoorde vraagpoin„ ten aan Dormieux en van Rechem, inhoud dater in't voorjaar 1790. niet meer als 40. â 45. staeven vermunt zijn voor Comp:s Reek:, schoon Mamedie Soraaij, op op die verklaering den 26. febr: gehoort, het getal der staan„ ven op 57. steld /: want de 140. staeven die op den 1. Sep: 1790. voor 'sComp:s Reekening blijkens nadere attestatie L:ra K. van voorsz: tjondri en zilver Smits van 20. febr:, in de munt verwerkt zijn hooren tot den tweeden aenbreng van d'zeerob in aug:s daeraen:/ ind' 5. plaats, hoe, na aenleijding deezer stucken, door de eerstgeteekende van Bolla Pregada Kamaija, de dienaer van den geweezen secunde van someren, die als da„ roga en Essaijeur inde numt geageert heeft op g'eischt zijn alle de munts annotatien zoo verre Comp:s verwerkt zilver betaeft, geduurende den tijd van drie Iaeren, dog dezelve niet heeft kunnen bekoomen op voorwendsel dater geen andere aantee¬ keningen. L. ra H 6 L:ra L. keningen als in Comp:s boeken, vande munt gehouden wier„ den, inde 6. plaats, hoe ditzelve antwoord door gemelde van so„ meren op een aan hem onder 24. febr: gedaen exploitie voorgewend en den zelven zig verschoont heeft van geen muntspap ren teweeten die onder hem of zijn bediende zoude zijn; inde 7. e plaats hoe onder dit navorschen ter ordre van den onderge„ teekende g'arresteert geworden zijnde den geweezen munts schrijver wenkat Redie, daardoor ontdekt en van onder een boom vandan gehaald zijn geworden eenige olas of munts bladeren betreffende de Dabboesen, waaruijt men mag afleiden dat er van 't zilver ook wel aenteekeningen zullen zijn, dog dat men niet geneegen is, dezelve te voorschijn te brengen. Deeze om„ standigheeden meer indicien geevende tot de aller aen„ neemelijkste overmoedens blijkens, als er uijt eenig ver„ hoor van de gecommitteerdens hier op te wagten scheen, ze komt nog in aenmerking dat de weijgering ter over„ gave vande munts annotatien van Comp:s zilver te meer in 't oogloopt, als men bedenkt dat door de voorsz: opgave vande munts tjondri en twee zilversmits, waarbij het getal der in't voorjaer 1790. verwerkte staven Zilver maer op 40. â 45. begroot word komt, verdagh temaken het Rendement, door van Comeren onder ult:o maart 1790. opgemaakt en Geteekent als of de volle gostaeven perd' zeercob toen infebr: aangebragt alle vermunt zoude zijn; temeer daer dit onder ultimo maart geen werk meer was van zijn departement; wijlde Gecomm:

NL-HaNA_1.04.02_3974_1107 view scan ↗

English

508 Letter M. Commissioners Heshusius and Schliephaken, the latter having already been here on the 19th and the first on the 20th of March, were to take over everything immediately, and yet did not seem to have been inclined to sign this return, which is presumably also why the transfer was only made known on 1 April as having been made to them. All this, and the unreasonable treatment that was inflicted on the aforementioned people over the confession of a public rumor, make the suspicions in favor of the accuser, regarding the offer made to get him away from here, of very great plausibility; which is strengthened even more when one considers how the compliance of the aforementioned appointed commissioners with the order given to take everything over at once is further shown in the 17th point, regarding which it is indeed mentioned in article 60 that the warehouses were sealed immediately; yet nevertheless it seems one must understand in retrospect that the Second van Someren, even until the arrival of the undersigned, actually retained control of affairs as it were, as is proven by the minutes of our meeting held on the 2nd of February last, sent along with the general letter of the 20th thereafter; and being further corroborated by the attestation obtained on the 28th ultimo from the Company's Interpreter Adaballa Apaija, who on the same day, having brought back to the first undersigned the gifts refused by the Rajah of Pittapoor, then declared that these gifts were sent to him on the 28th of December last, not in the name of the commissioners, but in the name of the said van Someren for delivery to the said Rajah; from all of which one would have to deduce as if they stood by each other mutually, which would certainly provide the most plausible grounds for rejecting the commissioners' proceedings. The 18th point: concerning the arrest placed on the Honorable van Bijland. This was announced to him, see article 61, by Schliephaken in the presence of two witnesses by order of the Government, at which time he was given more liberty than that order dictated; which was afterwards left to their account and formally forbidden; it appearing from article 64 that he was actually refused the registration of some papers, because they were considered to run against the government. Whether this was reason enough to base this refusal on is not for us to decide, who only remark that, since van Bijland in this case came to regard the Government as his opposing party, the commissioners at least did not seem authorized to make themselves a party and decide on it, much less to retain one of those papers, as they have done; as will be stated during the treatment of the question points submitted to them. A. 509 Letter N. One of those writings, which is said to have been sent off, handed over by the scribe to the first undersigned and dated 24 June, is half written in lead pencil, and, as far as it appears to us, not of such a nature as to deduce any injury from it. The 19th point, containing the burning of a complaint from the inhabitants, is confirmed in article 65 and verified by the commissioners, as will appear in its proper place; this being a counterpart of the same writing that was sent on 17 November to the Noble Lord Governor, and received in original by the first undersigned just while drafting this period, in conformity with the proposal made by letter to that end. For the 20th point, it is affirmed that the aforementioned arrest placed on the Honorable van Bijland was of an extraordinary nature, indeed the witness mentioned therein, namely Doctor Roge, according to the answers to articles 66 and 67, fully confesses that he was often forbidden to go and see the Honorable van Bijland, and during which three times there was a necessity to go and examine his Honor. The 21st point, containing the processing of foreign copper into our currency here, is also confirmed in articles 74, 75, and 76, and the quantity thereof, found from the excavated leaves, is to be treated under the article of the dabboes. The 22nd point, the accusation concerning the heavy anchor that was not entered in the books, is so far well-founded that there is such an anchor; fished up before the capture of the place by the English, who did not take it with them because it was not known in the books. According to the copy of the summons accompanying this, served by the scribe and witnesses on the ultimate of February, the former second van Someren kept it until an owner presented himself, who was then declared to him to be provisionally the Company until further instructions from the Government; which is respectfully awaited. Of the heavy rope one has no knowledge, and as for the blocks, they do not belong to the Honorable Company, but are a private property of the boatswain, remaining until now under the revetment. The 23rd point, speaking of an incident with the fishermen. This affair, as it appears in article 81, certainly seemed more for the decision of their own caste than of the department of the commissioners; but since all disputes are commonly settled by the chiefs, the First Commissioner Heshusius certainly for that reason granted an audience to the complaining woman; and presumably for that reason also ordered the kotwal to keep somewhat of an eye on the doings of one Hofland, who, according to article 82, is said to have been sitting near his house on a certain evening with a drawn sword, in order to prevent accidents, thus not with the purpose precisely to strike him together; in order to prevent the designs of his declared opponent to Letter O.

Dutch transcription

508 L:r M. Gecommitteerdens Heshusius en Schliephaken, de laeste den 19. en den Eerste den 20. maart reeds hier geweest, al„ les oogenblikkelijk overneemen moesten, en egter niet geincli„ neert schijnen te zijn geweest om dit Rendement de onderteeke„ nen, en waarom denkelijk ook het Transport eerst onder den 1. April bekend gesteld is, aen hen gedaen teweezen. Dit alles ende onreedelijke behandeling die voorschreeve menschen over de beleijdnis van Een publiek gerugt is aangedaen geworden, maken de vermoedens blyken in faveur van den beschuldiger, nopens het gedaene aanbod om hem hier vandaan te krijgen, van zeer groote aenneemelijk„ heid; die nog almeer gesterkt word als men agt heeft hoede in schikkelijkheid van voormelde benoemde gecommitteerdens inde gestelde order om alles ten eersten overteneemen nog nader komt te blijken bij 't 17:e point, waaromtrent in art: 60. welgemeld word dat de par„ huijzen ten Eersten verzegelt zijn; dog egter schijnt men van agteren temoeten begrijpen, dat den Secunde van So„ meren zelfs tot de komst van de ondergeteekendens toe, werkelijk de beschikking van zaeken als 't ware heeft blijven behouden, zoo als dat bon„ steert by de notul onzergehoudene bij eenkomst van den 2. febr: Jongstl:, verzonden neevens Gemeene brief van den 20. daer aen; en nader bekragtigt wordende door de onder den 28. pass:o ingewonnen attestatie van Comp:s Tolk Adaballa Apaija, die tenzelven dage, de voorden Ragia van Pittapoer ent alle aart de Pittappaer geweijgerde Geschenken, aan den eerstgetekende terug gebragt hebbende, als toen heeft gedeclareert, dat deeze geschenken hem den 28. december p:s, niet uijtnaem der gecommitteerdens, maar uyt naem van gem: van Someren ter besorging aangemelde Ragia zijn gesonden geworden; uit welk een en ander men zon moeten afleijden als of men malkaer onderling heeft overstaen, 't Gren zeeker de aller„ aenneemelijkste Gronden tot verwerping van der gecom„ mitteerdens Gedoentens zoude kunnen opleeveren 't 18. e point: betreffende het belegde arrest op den E: van Bijland. Dit is hem vide art:l 61. door Schliephaken aangezegt in presentie van twee getuigen naden last der Regeering, wanneer hem meer vrijheit gegeeven is alsdien lastdicteerde; 't Geen daarna voor hun Reek: gelaeten en formeel verbooden is; blijkende bij art: 64. dat hem weezentlijk eenige papieren te registreeren geweijgert zijn, wijl men deselve heeft aangezien te loopen teegens de regeering. of dik nu reeden genoeg geweest zij om deese wij ge„ ring te fundeeren, staet niet ter beslissing van ons, die alleen maar op merken dat, daer van Bijland de Regeering in dit geval voor zijn parthij kwam te houden, gecommitteerdens althans niet bevoegt schienen om zig parthij te stellen en daer over te beslissen, veel min een dier papieren aan te houden, Gelijk zij gedaen hebben; zoo als onder de verhandeling der hun voorgelegde vraag-pointen zal worden opgegeeven. Een. 509 L r N. Een diergeschriften, dat men zegt verzonden te weesen, door den scriba aande Eerstgeteekende overgegeeven en Gedateerd 24. Iunij is half mitpotlood geschreeven, en, zoo verre ons voor„ komt, van die natuur niet om er eenige lasie uit afteluijden. '119. s point behelszende het verbranden van Een klagtschrift der ingezeekenen word bij ark: 65. geconfirmeert, en doorge„ committeerdens bevestigt, zoo als ter zijner plaatse zalblijken; zijnde dit een wedergade van het zelve geschreft dat on„ der 17. November aan den Edelen Heer Gezaghebber is ge„ zonden, en Juijst onder het minuteeren deezer periode in originale bij den eerstgeteekende ontvangen word, Con„ form zijn daertoe bij brieve Gedaene voorstel. voor 120. d point word geaffirmeert dat het voorsz: op den E: van Bijland belegde arrest van een Extra aan Schouw is ge„ weest, Ia de daerbij vermelde attestand, ofte den Doctor Roge, beleijd blijkens de antwoorden op art:s 66. en 67. vol„ mondig dat hem dikwils verbooden is Geworden om den E: van Bijland te gaen bezien, en daar onder drie heeren dat er noodzaekelijkheid was om zijn E: begaen visiteeren. 't 21. point behelzende 't verwerken van vreemd kooper in onze munt alhier word bij articels 74., 75. en 76. almeede bewaarheid ende quantiteijt vandien, uijt de opgegraaven bladeren Gevonden, staat onder het artikel der dabboesen te worden verhandelt. — 't 22:e point de beschuldiging omtrent ' zwaer anker dat niet ingenoomen ingenoomen is bij de boeken heeft in zoo verre Grond dater zodanig een„ anker is; gevist voor het inneemen der plaats doord' Engelschen die het niet meede genomen hebben omdat het bij de boeken niet bekend stond. volgens het dieze verzellende Copij ex ploij„ door den scribag en getuigen onder ult:o Februarij gedaen, heeft den geweesen secunde van somneren het bewaard tot dat en zig toe op deed een Eygenaer, die hem toen verklaerd is te weezen bij provisie d' Comp:e tot nader aanschrijvens der Regeering; welke reverentelijk word te gemoedt gezien. van het zwaertouw heeft men geen kennis, en wat de blocken be„ treft die zijn niet van d'EComp=e maer een particuliere eijgendom vanden bootsman, tot nog toe onder de Ravallet verbleeven. 't 23. point spreekende van Een geval met de vissers. Deeze affaire zoo als ze bij articul 81. voorkomt, scheenzeeker meer ter beslissing van hun eijge baste als van het departement van Gecommitt:s dog wijl alle disputen gemeenlijk door de de opperhoofden worden beslegt, heeft de Eerste Gecommitt:d Hestusius zeekerlijk daerom de klaegende vrouw te woord gestaen; en denkelijk om die reeden ook den kootwaal geordonneert om wat toetereiken na de gedoentens van Eenen Hofland, die blijkens Art: 82. gezegt word op zeekeren avond, met den bloote deegen digt bij zijn huijs gezeeten te hebben, ten einde ongeluk„ ken te verhoeden, dus niet met oogmerk Juijstom hem gader teslaen; ten einde de dessemen van zijn opgegeeven parthij te L:a O.

NL-HaNA_1.04.02_3974_1111 view scan ↗

English

510 Letter G to promote, as the Honorable van Bijland had been pleased to cite. Thus far go the points mentioned in the questions and answers. These have only been re-examined and not sworn under oath, because, apart from the Europeans, the majority of the witnesses who were ready and willing to do so consist mostly or entirely of the lowest sort of people, while the others excuse themselves from that ceremony on the grounds of its unlawfulness. To the 24th point shall be set down all the particular documents that have been charged against the Commissioners and, according to the interrogatories answered by them on 15 February, are to be drawn together herewith; they testifying thereby that they believe to have proceeded in such manner as corresponded with the order given down to them; indeed, that if they are guilty of violating the same, this consists rather in too great a leniency than in strictness of compliance; denying the prohibition against the Doctor except when he, on account of misconduct, was ordered to stay at home, as well as the prevention of freedom to write, the registering of papers, and the detention of Madeira wine; but they affirm never to have made any inventory of the seized goods; having detained and never dispatched a protest from the Honorable van Bijland; having opened and read a letter addressed to his Honor's servant; having seized all his papers by order of the Government; having burned the petition of complaint submitted by the inhabitants as an offensive paper that no one dared to come forward and defend; having had no instructions as to the manner of taking over the office; and having taken over the main cash treasury without it having been unsealed in the presence of the Commissioners appointed thereto, because the seals had come loose through the carelessness of the peons; while finally the protest detained by them, which is dated 16 July 1790, on the day that they were heard, was handed over to the first undersigned; who now adds it herewith among the annexes, and, subject to correction, is of the opinion that from its tenor cannot be derived the validity of the stated reason for withholding the same; being unable to perceive any injury in the terms, which, according to the circumstances in which van Bijland found himself, signify nothing other than a preservation of his compromised rights, which was directly prevented and refused by the detention of the said writing; all of which contradicts the freedom of defense, which seemingly ought not to be denied to anyone, even in the case of a crime, which at least in this instance was entirely not the case; since the nature of protests appears rather to be an intention to bring crimes to light than to commit a crime oneself; something which, meanwhile, cannot even be said to take place in someone who seeks nothing other than to make use of those means which are permitted by natural and written laws for self-defense; so that the first undersigned is of the opinion that the Commissioners Heshusius and Schliephaken, both in this matter and in the hesitation that arose concerning the taking over of the office, as well as other circumstances occurring herein, seem to have raised the suspicion against themselves of having been more inclined toward van Bijland's opponents than toward a strict and accurate neutrality, a rare phenomenon among the weak human race. In conclusion of this all, it may further be noted here how strange it appears that, whereas the Commissioners were already here in March 1790 to take over the office, the Honorable van Halm and van Someren, against whom such severe complaints existed, were nevertheless left to remain here undisturbed, and on the contrary van Bijland, who came forward with these complaints, was at the same time so heavily secured and prosecuted, before the eyes and in full view of these his adversaries; who meanwhile seem only to have made a pro forma transfer, since van Someren, as stated, was still actually involved in the administration of affairs when the undersigned arrived here, and the Honorable van Halm did not depart before the middle of October of last year. Now proceeding to describe as the last or 25th point, namely the history that has caused so much commotion concerning the differences in the circulating daboeses, and the minting of a false and much lighter sort thereof here locally. The report regarding the differences in the same, submitted to your Right Honorable on 2 December 1790 at Palliacatta, and sent hither in extract, contains indeed everything that one could desire in that regard. Company's dabboeses, from their very first origin, fixed here at 168 pieces to the Nagapatnam pagoda (a coin that is currently just as imaginary here as the current Rupee in Bengal), were initially equal to and current on the same footing as the sorts circulating and minted in other mints; for both, one could manage with one and the same number; but since so much copper has been imported by foreigners, and mints have been established everywhere, in which, as the Honorable van Bijland rightly and properly remarks, more daboeses are minted in a month than with us in an entire year, the price thereof has fallen considerably, to such an extent that for

Dutch transcription

510 L:r G: te bevorderen, Gelijk den E: van Bijland haft gelieven aante haelen zoo verre gaen de pointen bij de vraegen en antwoor„ den vermelt. Deeze zijn en kel gerecoleert en niet b'eedigt, doordien, buiten de Europeesen, het meeren gedeelte der attestanten, die daer toe bereid vaardig waaren, meest of alle bestaen uijt het geringste soort van menschen, terwijl de anderen zig van die plegtigheid uijthoofde van on„ geoorlooftheid excuseeren Tothet 24. e point zal men ter neederstellen alle de bijzondere stukken die tot lasten van Gecommitteerdens opgegeeven en vol„ gens de door haar op den 15. febr: beantwoorde vraegpoin„ ten bij deese in een tetrekken zijn; betuigende zij daer bij dat zij vermeenen te werk te zijn gegaen zoodaenig als met de op hen afge„ daalde last over een kwam; Ia dat zij, indien zij schuldig zijn aen overtreeding derzelve, sulks dan meer bestaet in te groote toegeevendheid als in stiptheid der nakooming; ontkennende het verbod aanden Doctor anders als toen deezze uijthoofde van wangedrag gelast was thuijs te blijven, ook het beletten van vrijheid tot schrijven, het registreeren van papieren en het aanhouden van Madera wijn; dog affirmeeren nooit geen Inventaris der aengeslaegen Goederen gemaakt; een protest van den E: van Bijland aangehouden en nootverzonden; eend 1 een brief aan zijn E: dienaar luijdende, Geoopenden Geleezen, uytlast der Regeering alle desselfs papieren aangeslaegen, het opgeeven klagtschrift van de Ingezeetenen, als een mist over Htoorend papier dat niemant dorst komen staende houden, verbrand, geen voorschrift tot de manier van 't over„ neemen van 't Comptoir Gehad en de groote kas overgenomen te hebben, zonder datze in presentie der daartoe Gestelde, Gecom„ mitteerdens ontzeegelt is, doordien de zeegels bij ^ voorzigtig„ heid der boelijs waren losgeraakt, terwijl eindelijk het door haar aangehouden protest dat gedateerd is den 16. Julij 1790. , ten dage dat zij gehoord: zijn is overgegeeven gewor„ den aande eerstgeteekende; die het thans onder de bij„ laagen hier neevens voegt, en /:onder borrectie :/ van begrip is dat uit dies teneur niet is afteleijden de ƒ bevoegtheid der opgegeeven reeden tot het terug hou„ den van 't zelve; geen lasie kunnende ontwae„ ren inde termen, die, volgens de omstandigheeden waar in zig van Bijland bevond, niet anders te kennen geeven als een conservatie van zijn Gesastineert Regt, twelk door de aanhouding van 't zelve geschrift directelijk belet en gerefuseert wierd; alle sints Strijdende tegens de vrijheid ter verdeediging, die niemant scheijnt te mogen worden geweijgert, al was het ook ingeval van misdaad, 't welk althans in deezen gansch de zaak niet was; wijl de inrig„ ting der protesten eerschien te zijn een oogmerk om misdae„ den. 511 den aanden dag te brengen, als om zelfs te misdoen; iets dat intusschen nog niet eens kan gezegt worden plaats te hebben in iemand die niets anders zoekt dan gebruijk temaeken van die middelen welke door natuurlijke en beschreevene wetten, ter zelfs- verdeediging, geoorloofd zijn, over zulks dat de eerstgeteekende van begrip is dat de Gecommit„ teerdens Heshusius en Schliephaken; Zoo hier in als inde ontstaene bedenkelijkheid omtrend het over„ neemen van 't Comptoir, item andere hierin voorkomende omstandigheeden, het vermoeden teegens zig scheijnen te hebben verwekt van meer g'inchineert te zijn geweest voor van Bijlands parthijen, als tot een stipte en naauwkeurige onzeijdigheid een zeldzaem verscheijnsel onder het zwakke menschelijk geslagh. . Tot slot van 't een en ander kan hier nog bij aengemerkt worden, hoe wonderlijk het voorkomt, dat daer de Gecommitteerdens in maart 1790. reeds hier waaren om het Comptoir over„ teneemen, men egter den E: van Halmen van Someren, teegens wiens zulke heevige klachten waeren, hier ongestoort te blijven heeft gelaeten gehad, en daer en tegen van Bijland, welke met deeze klagten uytkwam, ter zel„ vertijd zoo sterk heeft laeten verzeekeren en vervolgen, voor't oog, en in't gezigt van deeze zijn parthijen; die intusschen maer oooforma transport scheijnen Gedaen Gehad te hebben, wijl van Someren, zoo alsgezegt, nog werkelijk inde beschikking. beschikking van zaeken gemilleert was toen de onder„ geteekendens hier kwaemen, en den E: van Halm niet voor medio october voorleeden Iaer is vertrocken. — Nu overgaende om als het laeste ofte 425. point te beschrijven namelijk de zoo veel op schudding verwekt hebbende historie der verschillen inde roul„ leerende daboesen, en het slaen van Een valsche en veel ligter soort daer van alhier ter plaatse. — Het berigt omtrent de verschillen in dezelve aan uw mel Edele Achtb: in dato 2. december 1790. te Palliacatta overgegeeven, en in Extract herwaards gezonden, behelft inderdaed alles wat men dien aangaende verlangen kan Comp:s dabboesen, van haeren eersten oorspronk af, alhier gesteld op 168. stuks de Nagap: pagood /: een munt die tans eeven zoo imaginair alhier is als de bourant Ropij in Bengale:/ waaren inden beginne met de roulleerende en in andere munten geslaegen wordende soorten egaal en op een gelijke voet gangbaer; voord een en ander kon men voor een en 't zelve getal te regtrae„ ken; dog zeedert dat 'er door vriemden zoo veel koo„ per is aengevoert, en allerweegens munten opge„ richt zijngeworden, indewelke, zoo als den E: van Bijland wel en ter regten aenmerkt, in een maand meer daboesen geslaegen worden als bij ons in Een heels Jaer, is de prijs daer van merkelijk gedaalt, tot zo verre dat men voor

NL-HaNA_1.04.02_3974_1115 view scan ↗

English

512 Letter Sr. R. for a Madras three-figure pagoda, in all in common parlance, can currently obtain 308 pieces in foreign daboeses, while those of the Company have still remained at the same price of 168 per Nagapatnam Pagoda, from which one can see that the poor Company servants and needy native employees, for the overstretching to whom this money is solely used, barely enjoy half of the wages for which they are credited and debited, and from which solely flows the profit that the Company derives from coining. In order to bring this more or less on a nearly equal footing, the rupee ought to be set at 68 to 70 full-weight daboeses, making 272 to 280 pieces per Madras Pagoda, when these, in proportion to their better alloy, would stand equal with the others; which it is to be hoped may, through Your Honorable Worships' favorable cooperation, be introduced and the damage made good to the poor people which they have suffered for several years from the lesser value of the money received by them. Yet to come now to the daboes as it actually ought to be according to its weight, Your Honorable Worships will see from the report accompanying this that the daboeses currently being struck here conform to the weight or are equal in value to four three-figure Pagodas, which is assured to be their genuine and essential standard; yielding per bahar, after deduction of 826 daboeses for costs and loss in processing 35 1/2, being taken at 35 1/12 per pound, 16014 daboeses, which are now truly credited to the Company for one bahar or 480 lb of copper, no debasement whatsoever taking place at present. The same cannot now be said of those struck in the years 1788 and 1789; seeing that according to the translated extract annexed hereto from the previously cited concealed and recovered minute sheets, it appears firstly how, on 11 April 1788, 9 1/2 bahars of foreign sheet copper were processed on account of the Coringa Master of Equipage, which yielded 149060 daboeses, on which a profit was made from lighter daboeses of 4140 pieces, or well over a quarter bahar of private copper. That from Company copper, on 7 June 1788, from 40 bahars were struck: 678052 daboeses Whereas these 40 bahars in full-weight coin could only have yielded: 640560 daboeses There was enjoyed thereon: 37492 daboeses or 2 1/4 bahars of copper, making 6 1/4 percent. That from 13 October 1788 to 29 June 1789, 121 bahars were processed, from which were struck: 2194196 daboeses which in full-weight coin could only yield: 2037640 daboeses Enjoyed profit: 156556 daboeses or roughly 13 percent, 15 1/4 bahars of copper. In total 293994 daboeses, or 17 1/2 bahars of copper, which in money is Company Pagodas 1749. 23. —. 513 The collective minters, of whose attestation mention was made hereinbefore under the then reserved article on the daboeses, and among them those who were heard on the 11th and 12th articles of the interrogatories, appear according to their attestation to state that fully 140 1/2 to 150 bahars of false daboeses were processed, agreeing fairly well with the foregoing extract from the sheets which they all acknowledged as genuine, and to which they referred to aid their memory; they say that among this copper, 40 to 50 bahars were said to have been processed under the name of Triwengelam, but to what extent this has any significance or not to the matter, Your Honorable Worships will best decide. Meanwhile, it is certain that, besides the embezzlement that took place herein to the detriment of the Honorable Company, the poor community certainly also suffered from this; for even if this was not felt in the spending of these light-weight daboeses, it occurred at least in the purchase of provisions, which here at retail are all weighed against Company daboeses, and whereby they were noticeably disadvantaged in what was purchased by them against such light-weight daboeses. All the strange particulars described herein, having arisen solely from a small spark, will truly cause astonishment, as well to Your Honorable Worships, new to such confusion and troubled house.

Dutch transcription

512 Lra. Sr. R. voor een madrasse drie beeldige poagood /: in all een inde wandeling:/ thans aan vreemde daboesen 308. stuks kan bekomen, terwijl die van d' Comp:e nog op dezelve prijs van 168. de Nagap: Pagood Gebleeven zijn, waaruijt men kan zien dat de arme Comp:s dienaaren en be„ hoeftige inlandse bediendens tot de overstrekking aen de welke ditgeld alleen gebruijkt word, pas de helft van 't loongenieten waar voor zij bekent staen en Gedebiteert worden, en waar uit alleen de Winst voor't vloeit die d' Comp:e heeft bij de vermunting. om dit min of meer op een bij na egale voet te brengen, behoorden de ropij gesteld te worden op 68. â 70. wigtige daboesen, ma„ kende op een madrasse Pagood 272. â 280. P:s, wanneer die, na eeven reedigheid van haer beeter aloij met de anderen gelijk zouden staen, 't welk te hoopen is dat door uwelEdele Achtbaere goedgunstige meede werking g'introduceert en aande arme menschen te goed gedaen mag worden de schade die zij zeedert eenige Iaeren aan mindere waarde van het bij haer ontvangene Geld geleeden hebben. — Dog om nu te komen tot de daboes zoo als die volgens haar gewigt eijgentlijk zijn moet, zal uwel Edele achtb: bij het deezen verzellende berigt zien dat de thans alhier geslaa„ gen wordende daboesen zijn Conform het gewigh of eeven reedeg aan vier driebeedige Pagooden, dat men verzeekenrt haer egte en L ƒ en weezentlijke stamdaart te zijn; maekende op de baar na aftrek van 826. daboesen voor ongelden en verlies bij verwerking 35. ½ , genomen wordende op 35. 1/12 per pond aan daboesen 16014. –. die thans weezentlijk aan d' Comp:e begoed gedaen worden voor Een bhaar of 480. lb: kooper; hebbende er voor teegenwoordig in 't geheel geen vervalsching plaats. — Het zelve nu is niet te zeggen vandie welke inden Jaere 1788. en 1789. geslagen zijn; gemerkt na luijd van het hierbij gevoegde Translaet Extract uit de indeezen reeds aange„ haelde verduijsterde en te voorschijn gekomene minutsbladeren voor eerst blijkt hoe er onder den 11: April 1788. verwerkt zijn 9.½. baarschaers aan vreemd plaatkoper voor reek: vande Coringise Equipagiemeester, die afgeworpen hebben '149060. da„ boesen waarop men aan ligtere daboesen geprofiteerd heeft 4140. stuks ofte ruim een quart baar particulier kooper. — Dat van Comps Kooper onder 7. Iunij 1788. van 40. bhaeren geslaegen zijn Geworden. . . . . . . . - dab:s 678052. —. daer nu deeze 40. bharen aan wigtige munt maar hadden kunnen afwerpen - - - - - - „ 640560. —. Heeft men daarop genoten - - - - - Pab:s 37492. —. ofte 2. ¼. baar kooper makende 6:¼. p„r C„to dat van 13. october 1788. tot 29. Iunij 1789. verwerkt zijn 121. baren, waarvan men geslaegen heeft gehad. . Da b:s 2194196. -. die aan wigtige munt maar konde geeven - - - - - - - - „ 2037640. –. 256502. —. Heeft aangenot- -- --„ of r: 13 p„r C:to 15 ¼. bhaan kopper In 't Geheel Dab:s 293994. —. ofte 17 1/2. bhaaren koper, en is geld Comp:s Pag: 1749. 23. —. De L:r S. s 513 De gezamentlijke munters, van welkers attesta„ tie hier vooren bij het toen gereserveerde articel der da boesen gesprooken is, en daer onder die welke op het 11. dh 12. art: der vraegpointen gehoord zijn, komen blijkens hun attestatie optegeeven dat'er aan valsedabboesen wel 140. ½ 150. bhaeren zijn verwerkt, genoegzaem accoord, met het vooren„ staende Extract uit de bladeren die zij alle vooregterkent, en op welke zij zig beroepen hebben ter gemoed koming van hun geheugen; zij zeggen dat er onder dit koper op den naem van Triwengelam 40. â 50. bhaaren Zouden zijn verwerkt, dan in hoeverre zulks iets al of niet ter zaeke te beduijden heeft zal uwel Edele Achtb: best be„ flissen Intusschen is het zeeker dat, buijten de ontvreem„ ding die hier in ten laste van d' E: Comp:e heeft plaats gehad, de arme gemeente gewis ook hier bij geleeden heeft; want zoo zulks al niet inde uitgave vandeeze minwigtige da„ boesen gevoelt is, heeft dat ten minsten plaats gehad in het koopen van eetwaaren; die hier in 't klein alle tee„ gens Comp:s daboesen Gewoogen worden en waardoor zij, in't geen door hen teegens zulke minwigte daboe„ sen ingekogt wierd merkelijk moesten benadeelt worden. Alle de indeezen beschreevene wonderlijke bijzonder„ heeden alleen voortgekomen uijt Een klein vonkje, zullen weezendlijk verwondering verwekken, zoo wel bij uwelEd: Achtb:, nieuw in zulk een bonfus en beroe huijs: I. en weezentlijke standaart te zijn; maekende op de baa aftrek van 826. daboesen voor ongelden en verlies bij verw 35. ½. genomen wordende op 35. 1/12 per pond aan de 16014. –. die thans weezentlijk aan d' Comp:e te goed ged worden voor Een bhaar of 400. lb: kooper; hebbende er teegenwoordig in 't geheel geen vervalsching plaats. — Het zelve nu is niet te zeggen van die welke inder 1708. en 1789. geslagen zijn; gemerkt na luijd van het hier gevoegde Translaet Extract uit de indeezen reeds ad haelde verduijsterde en te voorschijn gekomene munth= voor eerste blijkt hoe er onder den 11 April 1788. verwer„ 9.½. baarschaers aan vreemd plaatkoper voor reek: 8 Coringise Equipagiemeester, die afgeworpen hebben 1490 boesen waar op men aan ligtere daboesen geprofiteerd hei stuks ofte ruim een quart baar particulier kooper. — Dat van Comps Kooper onder 7. Iunij 1788. van 40. br geslaegen zijn Geworden. . . . . . . . - dab:s 678052. daer nu deeze 40. bharen aan wigtige munt maar hadden kunnen afwerpen - - - - - - „ 640560. Heeft men daarop genoten . - - - - Pab:s 37492 ofte 2. ¼. baar kooper makende 6:¼. p„r C„to dat van 13. october 1788. tot 29. Iunij 1789. verwerkt zijn 121. baren, waarvan men geslaegen heeft gehad. . Da b:s 2194196. –. die aan wigtige nunt maar konde geeven - . . _ _ - - - „ 2037640. —. 256502 Heeft aangenot----„ of r: 13 prC:to 5 /4. hans koppe In 't Geheel Dab:s 293994 ofte 17 1/8. bhaaren Koper en is geld Comp:s bag: 1749. 23. —. L:r S. G

NL-HaNA_1.04.02_3974_1119 view scan ↗

English

513 Cra The collective minters, of whose attestation was spoken here earlier in the then-reserved article of the daboesen, and among them those who were heard on the 11th and 12th articles of the interrogatories, according to their attestation come to state that as much as 140 ½ to 150 bhaars were processed into false daboesen, in sufficient agreement with the preceding extract from the leaves which they all recognized as authentic, and to which they referred to refresh their memory; they say that among this copper, 40 to 50 bhaars were supposedly processed in the name of Triwengelam, but to what extent this signifies anything relevant to the matter Your Right Honorable will best decide. Meanwhile, it is certain that, besides the embezzlement that has taken place here at the expense of the Honorable Company, the poor community has certainly also suffered from this; for if this was not felt in the expenditure of these underweight daboesen, it has at least taken place in the purchase of foodstuffs, which here in retail are all weighed against Company daboesen, and whereby they necessarily had to be noticeably disadvantaged in what was bought by them against such underweight daboesen. All the wondrous particulars described herein, having arisen solely from a small spark, will truly cause astonishment, both to Your Right Honorable, new to such a confused and troubled house. S J. and to be the real standard; making on the bhaar, after deduction of 826 daboesen for charges and loss in melting, 35 ½, being taken at 35 1/12 per pound, 16014.–, which are now truly credited to the Company for one bhaar or 480 lb of copper, no debasement whatsoever taking place at present. The same, however, cannot be said of those which were struck in the years 1788 and 1789, seeing that according to the attached translated extract from the mint books, already mentioned herein as having been concealed and now brought to light, it appears firstly how under the date of 11 April 1788 there were processed 9 ½ bhaars of foreign sheet copper for the account of the Coringise Master of the Equipage, which yielded 149 daboesen, upon which a profit was made in lighter daboesen of [illegible] pieces or fully a quarter bhaar of private copper. That of Company copper under 7 June 1788, from 40 bhaars, were struck: 678052 daboesen, whereas these 40 bhaars in heavy coin could only have yielded: 640560 daboesen, there was enjoyed a profit thereon of: 37492 daboesen, or 2 ¼ bhaars of copper, making 6 ¼ per cent; that from 13 October 1788 to 29 June 1789 there were processed 121 bhaars, of which were struck: 2194196.– daboesen, which in heavy coin could only have given: 2037640.– daboesen, there was enjoyed a profit of: 256502 daboesen, or about 13 per cent, being 15 ¼ bhaars of copper. In total: 293994 daboesen, or 17 ½ bhaars of copper, which in money is Company pagodas 1749. 23. -. Letter S. 513 Letter J: The collective minters, of whose attestation was spoken here earlier in the then-reserved article of the daboesen, and among them those who were heard on the 11th and 12th articles of the interrogatories, according to their attestation come to state that as much as 140 ½ to 150 bhaars were processed into false daboesen, in sufficient agreement with the preceding extract from the leaves which they all recognized as authentic, and to which they referred to refresh their memory; they say that among this copper, 40 to 50 bhaars were supposedly processed in the name of Triwengelam, but to what extent this signifies anything relevant to the matter Your Right Honorable will best decide. Meanwhile, it is certain that, besides the embezzlement that has taken place here at the expense of the Honorable Company, the poor community has certainly also suffered from this; for if this was not felt in the expenditure of these underweight daboesen, it has at least taken place in the purchase of foodstuffs, which here in retail are all weighed against Company daboesen, and whereby they necessarily had to be noticeably disadvantaged in what was bought by them against such underweight daboesen. All the wondrous particulars described herein, having arisen solely from a small spark, will truly cause astonishment, both to Your Right Honorable, new to such a confused and troubled house. household; as well as to the Noble High Government, which will certainly not be edified at all to learn what a disorderly management of affairs has taken place, and how very far people here have strayed from the path of helping to support the Company's tottering state in unity with their wise orders, by surrendering themselves to notions which, being paired with much self-interest, necessarily had to provoke scandal and strife, to the ruin of the place that formerly made such a fine appearance; in outward appearance primarily to be attributed to granting too much of an ear to the self-interested inducements of the clever Triwengalam, who, with his countrymen on his string, will just like the Bengalis now be amused to have set a party of Europeans against each other over matters in the enjoyment of which such pernicious counselors usually come to participate. The first undersigned, who from his arrival until now has not had a moment of rest or time for anything other than investigating and describing the cases cited herein, hopes for a favorable accommodation if anything should fall short in one thing or another, both by reason of having newly entered into the confusion, and because, being already aged, he is no longer so nimble in the execution of affairs that of.

Dutch transcription

513 Cra De gezamentlijke munters, van welkers attesta„ tie hier vooren bij het toen gereserveerde articel der da boesen gesprooken is, en daer onder die welke op het 11. d 12. art: der vraegpointen gehoord zijn, komen blijkens hun attestatie optegeeven dat 'er aan valsedabboesen wel 140. ½ 150. bhaeren zijn verwerkt, genoegzaem accoord, met het vooren„ staende Extract uit de bladeren die zij alle vooregterkent, en op welke zij zig beroepen hebben ter gemoed koming van hun geheugen; zij zeggen dat er onder dit koper op den naem van Triwengelam 40. â 50. bhaaren Zouden zijn verwerkt, dan in hoeverre zulks iets al of niet ter zaeke te beduijden heeft zal uwel Edele Achtb: best be„ flissen Intusschen is het zeeker dat, buijten de ontvreem„ ding die hier in ten laste van d' E: Comp:e heeft plaats gehad, de arme gemeente gewis ook hier bij geleeden heeft; want zoo zulks al niet in de uitgave van deeze minwigtige da„ boesen gevoelt is, heeft dat ten minsten plaats gehad in het koopen van eetwaaren; die hier in 't klein alle tee„ gens Comp:s daboesen Gewoogen worden en waardoor zij, in 't geen door hen teegens zulke minwigte daboe„ sen ingekogt wierd merkelijk moesten benadeelt worden. Alle de indeezen beschreevene wonderlijke bij zonder„ heeden alleen voortgekomen uijt Een klein vonkje, zullen weezendlijk verwondering verwekken, zoo wel bij uwelEd: Achtb:, nieuw in zulk een bonfus en beroe huijs. S J. en weezentlijke standaart te zijn; maekende op de ba# aftrek van 826. daboesen voor ongelden en verlies bij vern 35. ½ , genomen wordende op 35 1/12 per pond aan de 16014. –. die thans weezentlijk aan d' Comp:e tegoed ge„ worden voor Een bhaar of 480. lb: kooper; hebbende er teegenwoordig in 't geheel geen vervalsching plaats. — Het zelve nu is niet te zeggen van die welke inder 1788. en 1789. geslagen zijn; gemerkt na luijd van het he gevoegde Translaet Extract uit de indeezen reeds ae haelde verduijwerde en te voorschijn gekomene munts voor eerste Elijkt hoe er onder den 11e April 1788. verwer 9.½. baarschaers aan vreemd plaatkoper voor reek: Coringise Equipagiemeester, die afgeworpen hebben '149„ boesen waarop men aan ligtere daboesen geprofiteerd heb stuks ofte ruim een quart baar particulier kooper. — Dat van Comps Kooper onder 7. Iunij 1788. van 40. l„ geslaegen zijn Geworden. . . . . . . . - dat:s 678052. daer nu deeze 40. bharen aan wigtige munt maar hadden kunnen afwerpen - - - - - - „ 640560 Heeft men daarop genoten - - - - - Pab: 37492 ofte 2. ¼. baar kooper makende 6:¼. p„r C„to dat van 13. october 1788. tot 29. Iunij 1789. verwerkt zijn 121. baren, waarvan men geslaegen heeft gehad. Da b:s 2194196. –. die aan wigtige munt maar konde geeven - - - - - - - - „ 2037640. –. 256502 Heeft aangenot- ---„ of r: 13 prCto 15. ¼. bhaanskopper In 't Geheel Dab:s 293994 ofte 17. /2. bhaaren koper en is geld Comp:s bag: 1749. 23. -. L:r S. 513 L:ra J: De gezamentlijke munters, van welkers attesta„ tie hier vooren bij het toen gereserveerde articel der da boesen gesprooken is, en daer onder die welke op het 11. d 12. ark: der vraegpointen gehoord zijn, komen blijkens hun attestentie optegeeven dat 'er aan valsedabboesen wel 140. ½ 150. bhaeren zijn verwerkt, genoegzaem accoord, met het vooren„ staende Extract uit de bladeren die zij alle voor egterkent, en op welke zij zig beroepen hebben ter gemoed koming van hun geheugen; zij zeggen dat er onder dit koper op den naem van Triwengelam 40. â 50. bhaaren Zouden zijn verwerkt, dan in hoeverre zulks iets al of niet ter zaeke te beduijden heeft zal uwel Edele Achtb: best be„ flissen Intusschen is het zeeker dat, buijten de ontvreem„ ding die hier in ten laste van d' E: Comp:e heeft plaats gehad, de arme gemeente gewis ook hier bij geleeden heeft; want zoo zulks al niet in de uitgave van deeze minwigtige da„ boesen gevoelt is, heeft dak ten minsten plaats gehad in het koopen van eetwaaren; die hier in 't klein alle tee„ gens Comp:s daboesen Gewoogen worden en waardoor zij, in 't geen doorhen teegens zulke minwigde daboe„ sen ingekogt wierd merkelijk moesten benadeelt worden. Alle de indeezen beschreevene wonderlijke bijzonder„ heeden alleen voortgekomen uijt Een klein vonkje, zullen weezendlijk verwondering verwekken, zoo wel bij uwelEd: Achtb:, nieuw in zulk een bonfus en beroe huijs. huijshouden gekoomen; als bij de Edele Hooge Regeering„ die zeekerlijk gansch niet gestigt zal zijn te verneemen welken stordigen directie van zaeken er al hereft plaats gehad, en hoe zier men alhier afgeweeken is van het spoor om, eendragtiglijk met derzelver wijze beveelen 'sComp:s waggelende staat te helpen onder schraegen door zig over tegeeven aen begrippen welke beveel met eijgen belang gepaart, noodzaekelijk opspraak en twift verwekken moesten, tot ruine van de plaats die voorheen zulk een fraaije vertooning maekte; op 't uijterlijk voorko„ men voornamelijk te attribueeren door te veel gehoorte vergunnen aen interessante inductien van den Schranderen Triwengalam, die zig, met de aan zijn snoer zijnde landsluij /: eeven gelijk de bengal„ ders nu amuseeren zal een parthij Europeesen teg:s malkaer gaende gemaakt te hebben overzaeken in Welkers genot, zulke overderffelijk Raedgrevers gewoon„ lijk komen te participeeren. D' Eerstgeteekende die van zijn komst af tot nu toe nog geen oogenblik rust of tijd ge„ had heeft tot iets anders als het nagaen en beschrijven vande indeezen aengehaelde Gevallen, verhoopt eene gunstige in schikking indien er aand Een of andere iets mogt komen tehaaperen; zoo uijthoofde van nieuw inde Confusie ingekomen, als omdat hij reeds bejaerd, zoo grif niet meer is inde uijtvoering van beezigheeden die van.

NL-HaNA_1.04.02_3974_1123 view scan ↗

English

are of such an intricate nature as that which the contents of this letter concern. And although the investigation of everything had already been concluded except for the Gentoo letter of 17 November, when your Honorable Worships' honored letter of 18 February was delivered on the 28th following, we have nonetheless, pursuant to the permission granted therein to employ the Secunde also for these separate matters, drawn up this and the report that is now partly being sent regarding the inquiry into the events during the flood in both our names; having the honor to assure in conclusion that we remain with all respect, underneath stood, Honorable Worshipful Sirs, your Honorable Worships' very obedient and very humble servants, was signed, Lionardus Eilbracht and C: E: van Hogendorp. In the margin: Jaggernaakpoeram the 5 March 1791. Agreed Jn oodam NB the documents mentioned herein will follow at a later opportunity. E: g: Clercq te die van. A Nichard Nagessen

Dutch transcription

514 van zulken intricaeten aart zijn als waar over den Inhoud deezes komt te handelen. En schoon het onderzoek van alles reeds zijn be„ slag had tot op de Ientiefse brief van 17. November na, toen uwel Edele Achtb: g'eerde van 18. ' febr: den 28. daaraan besteld wierd, hebben wij ingevolge van de daarbij verleende permissie om de Secunde meede tod deeze aparte zaeken te emploijeeren, egter dit, en 't berigt dat thans gedeeltelijk over de enqueste nade gebeurtenissen bij de watervloed afgaet, in onzer beider naem ingerigt; d'eere hebbende tot slot te verzeekeren dat wij met alle respect volharden te zijn /:onderstond:/ wel Edele Achtbaere Heere, uwer wel Edele Achtb: zeer Gehoorzaeme en zeer onderdaenige dienaeren /:was geteekend:/ bas Lionardus Eilbracht en C: E: van Hogen„ dorp /: In margine:/ Iaggernarkpoeram den 5. ' maart 1791. — Accordierd Jn oodam NB de Documenten hier in vermeld zullen hy nader geleegend heid volgen. E: g: Clercq te „ die van. A Nichard Nagessen

← previous