Inventory 4329
Cape · 582 pages · 352 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
12 4307 Cape 1788. No: 14 10: 17 ƒ 11 6 1 0 6 5 ƒ 8 6 6 6 0 5 6 67 N 8 20 6 8 6. 6 6 11 N - 5 40 6 1 No: 34 ƒ 3 1 Claim and conclusion made by the Landdrost of Swellendam, the Honorable Constant van Nult Onkruydt, on and against Conradi and his wife, together with documents submitted by the Fiscal pro interim, the Honorable Gabriel Exter, on and against Princenrade et al., along with the documents by the Landdrost of Stellenbosch, the Honorable Hendrik Lodewijk Bletterman, on and against Anthonij of Bengal, slave of the former Heemraad Christiaan Joel Ackerman, and with the documents by the Landdrost of Swellendam, the Honorable Constant van Nult Onkruydt, on and against the Hottentot Daniel Dikkop. Landdrost of Stellenbosch, the Honorable Hendrik Lodewyk Bletterman, on and against the burgher van Tark et al. Claim and conclusion with the documents by Vertrog, together with the documents submitted by the Register of criminal records and muniments which were delivered in the year 1787 to the Honorable Worshipful Council of Justice of this government. of the 0 and List of the Honorable Company's absconded servants in the P alongside the edictal citation. Claim with the documents submitted by the Fiscal pro interim, the Honorable Gabriel Exter, on and against a soldier litzel, together with the documents by the Landdrost of Swellendam, the Honorable Constant van Nuls Onkruydt, on and against the widow de Mlooij et al. Claim and conclusion by the Landdrost of Stellenbosch, the Honorable Hendrik Lodewijk Bletterman, against the burgher Vande, with the documents by the Landdrost of the Colony of Graaff-Reinet, the Honorable Maurits Herman Otto Woeke, on and against the Hottentots kels in dragender, alongside the documents by the Fiscal pro interim, the Honorable Gabriel Exter, on and against Londs Bernandes, with the documents by the Fiscal pro interim Gabriel Exter on and against Theron and his wife, by the Fiscal pro interim, the Honorable Gabriel Exter, on and against the burgher Coenraad Eb. The Landdrost of Swellendam, against the slave November, bondsman of the burgher Jacobus Steijn. Claim and conclusion, along with the documents, by the Fiscal pro interim, the Honorable Gabriel Exter, against the soldier Klikzom, together with the documents by the Fiscal pro interim, the Honorable Gabriel Exter, on and against the soldiers Ringe, Mulder, and Baar, alongside the documents by the Landdrost of Graaff-Reinet, the Honorable Maurits Herman Otto Woeke, on and against the burgher Johannes Steijn, against Magdalena Pieterse, wife of the burgher Henreke, with the documents by the Fiscal pro interim, the Honorable Gabriel Exter, on and against a boss of Paarden Island, Coenraad Snel, on and against Joh. Smit of Dilburg, together with the documents by the Landdrost of the Colony of Graaff-Reinet, the Honorable Maurits Herman Otto Woeke, on and against the Hottentots Willem and Daughter. Claims Claim Claim and conclusion with the documents by the Landdrost of Stellenbosch, the Honorable Hendrik Lodewijk Bletterman, against Baatjoe, slave of the farmer Montor, with the documents by the Fiscal pro interim, the Honorable Gabriel Exter, on and against Sirman of Batavia, slave of the repatriated butler of the Honorable Governor Jan Boets, on and against Job of Madagascar et al. Cape of Good Hope, the last day of December 1788. L. Secret. The undersigned petitioner respectfully shows, being hereto legally commissioned and authorized by her husband, guardian, and churchwarden, as appears from Appendix No. 1 in this matter, how in the month of December 1782 last, the bondsmen of her just-mentioned husband, Fredrik Hendrik Conradi, consisting of two male slaves named Abram of Bengal and Batjo of Bugis, as well as a female slave named Jannetje of the Cape and her child named [illegible] of the Cape, absented themselves from the petitioner's place, were apprehended by the burgher Fredrik van Eeden, and were handed over to the Honorable Landdrost at Swellendam, Mr. Constant van Nult Onkruijdt, to whom they, in order to give their running away an appearance of fairness, made believe that they were mistreated by their master and mistress, which Landdrost, believing this deceitful talk, immediately employed the said slaves in his service, namely the boys for his farm work and the maid to look after his illegitimate child, in which service they remained until the said Honorable Worshipful Lord and Lords. To the Honorable Worshipful Lord Pieter Hacker, President, and the Members of the Honorable Worshipful Council of Justice of this government. Jan Hersleu said 7 - -
Dutch transcription
12 4307 6aab 1788. No: 14 10: 17 ƒ 11 6 1 0 6 5 ƒ 8 6 6 6 0 5 6 67 N 8 20 6 8 6. 6 6 11 N - 5 40 6 1 No: 34 ƒ 3 1 Eisch en Conclutie door den Land drost van zwel lendam de heer constant van Mult onkruydt gedaan op ende jegens Conradi en zijne huijsvrouw mitsgds sthukken ingediend door den Pro interin Fiscaal d' E: gabriel Exter opende jegens Princenrade C: benevens de stukken door den Landdrost van Stellenbosch de heer Hindrik Lodewijk Bletter „man op ende jegens Anthonij van Bengalen Slaaf van den oud Heenraat Christiaan Joel Ackerman en met de stukken door den Land drost van Allendam de heer Constant van Nult Onkrendt op eede jegens den hosten tot Daniel Dikkop Land drost van Stellenboten de Heer Hendrik Lodewyk Bletter man op ende jegens den burger van Tark C: S: Eysch en Conclusie met de stukken door Vertrog mitsgds de stukken ingediend door den Register der Crimineele stukken en munimenten dewelke in den Jaare 1787 in den E: Achtb: Raade van Justitie dezes gouvernements zijn overgeleverd geworden der 0 en Lijst van 's E: Comps geaufugeerde dienaaren in d' P nevens de Edictale citatie Eijsch met de stukken ingediend door den pro in „terin Fiscaal de E: Gabriel Exter Op ende jegens Een soldaat litzel mitsgds de stukken door den land drost van Zweltentam de heer Conttant van Nuls Onkruydt op ende jegens de Wede. de Mlooij C:S: Eysch en Conclusie door den landdrost van Stellenbosch de heer Hendrik Lodewijk Bletterman Cos den burger Vande met de stukken door den land drost der Colonie grantfe Reines de heer Morit Herman Otto Woeke op ende jegens de Lutten totten kels in dragender benevens de Stikkeen daor den Pro interim Fiscaal de E: gab: Egter op ende jegens Londs Bernandes met de stukken door den Aro Interim Fiscaal gat: Exter op ende jegens Theron en Sijne huysvrouw door den Pro interim d' E: gab: Exter opende jegens den burger Coenraad Eb den Landdrotb van Zwellendam, C„r den Slaaf November lyfeygen van den burger Jacobus Sleijn Eysch en conclusie benevens de stukken door den Pro interim Fiscaal de E: gab Eyter Co dan Soldaat Klikzom mitsg:s de stukken over den pro interinr Fiscaal de E: gab: Exter op end jegens de soldaaten Ringe Mulder ende Baar e benevens de stukken door den Landdrost van grantse Renies de heer Abdrik Herman otto Hoeke op en jegens den brager Johannes Steijn Contra Magdelen a Pieterse huijsvrouw van den burger Henreke met de stukken door den Pro interim Fiscaal d'E: gab: Exter op ende jegens Een boos van het Paarden Eyland Coenraad Snel. op ende Jegens Joh SSmit van Dilburg mitsgd de stukken boorden Landdrost der Colonie graaffe Reinet de Heer Morits Herman Otto moeke op ende jegens de Lottentaken Willem en Dogter Eysen Eijsch Eysch en Conclusie met de stukken door den landd van Stellenbosch de hier Hendrik N„o 1 Lodewijk Bletterman Cos Baatjre Slaaf van den landb: Montor met de stukken door den pro interim Fiscaul de E: Gal: Exter op ende jegas Sirman van bake via Slaaf van der gerepatrieerden hotmeester, van den Edelen Heer gouverneur Jan Boets op ende jegen Job van Mada gavear C: S: Cabo de goede hoop Ult„o December 1738. L SSecret. Vertoond in Eerbied de ondergeteekende Supp„te als hier toe door haren Man Huijs en kerkvoogd blykens bylaage N„o 1. ten deezen wettig gelast en gemagtigd, hoe dat in de maand Xber, 1782. Jongleeden de Lyfeygenen van eeven gemelde haaren man, Fredrik Hendrik Conradi, be„ „staande in twee mans slaven genaamd Abram van Bengalen, en Batjo, van boegies benef„ „fens slavinne, genaamd Jannetje van de Caab en haar kind genaamt. . . . . . van de Caab, sig van des sup„te plaats hebben ge„ „absenteerd, door den burger Fredrik van Eeden, opgevat, en overgeleeverd zijn aan den E: Landdrost op swellendam S„r Constant van Nult onkruijdt aan welken zy om hun wegloopen, een schijn van Billijkheijd te gee„ „ven, hebben, diets gemaakt dat zij van hunnen Lijfheer en Lyfvrouws mishandeld wierden, welke Land-drost deeze Leugen„ „taal geloovende gemelde slaven terstond in zyn dienst heeft gebruijkt, als de Jon„ „gens tot zyn Land-werk en de Mijd tot het oppassen van zyn onecht kind, in welke dienst zij zijn gebleeven tot dat het ge„ E E Agtb: Heer en Heeren. Aan den Ed: Agtbaren Heer Pieter Hacker, praesident, en de Leeden van den E: Agtb: Raad van Justitie deezes gou„ „vernements. - Jan Hersleu „melde 7 - -
English
the said Landdrost saw fit to summon the aforementioned Conradi to his residence, according to Annex No. 2, calling him to account over the alleged mistreatment of his slaves and, without a hearing, threatening to have them sold by the Judiciary in such a way that not one of them would ever come into his hands again. However, proposing to him, Conradi, that if he were inclined to sell the aforementioned female slave Jannetje with her child to him for the sum of One hundred rixdollars at 48 stivers, he could then recover the two mentioned male slaves, and the matter would then be settled. Whereupon he, Conradi, imagining how his fellow burgher Fredrik Chaldeijer had fared, and becoming increasingly frightened by the threats of the Landdrost, as well as by those made to him by the messenger of Swellendam Wotzki, saying that if he did not agree to surrender the said female slave with her child to the Landdrost, he would then lose all his slaves, my aforementioned husband, Pieter Hendrik Conradi, in his simplicity, decided to sacrifice two rather than four to greed, since for want of slaves he could not continue his farming. And upon the said threats, he made known that he would choose the lesser of two evils and would cede the said maid Jannetje with her child on the aforementioned condition for the sum of One hundred rixdollars to the said Landdrost, Constant van Nult Onkruydt, who, after he had caused the deed of transfer thereof to be made in the name of the aforementioned messenger Wotzki, had released his two male slaves to Conradi. However, under this condition, that he was not to beat them, whereupon my said husband pointed out to the Landdrost that if the said slaves were not punished, they might return to their old ways, as has also been proven true by experience, since these said slaves, six days after they were home with their master, ran away again and were delivered up to the Landdrost, who then permitted my said husband to have them put in irons and further to live with them as the power of a master allowed. And whereas the petitioner believes that through this conduct of the said Landdrost Constant van Nult Onkruydt she has not only been greatly injured and curtailed in lawful authority, serving as a ruinous example to others, but also that the said Landdrost did not act in this matter as is fitting and proper for a pious and upright officer and Landdrost, the petitioner finds herself most urgently compelled hereby to take refuge in Your Honorable Worships, with an earnest request that it may be Your judicial pleasure, out of consideration not only of the present price for which similar slaves are currently sold daily, but also out of consideration of the oppression of ignorant people, to annul the aforementioned extortionate and subreptitious purchase and sale, ordering that the said female slave Jannetje with her child be immediately returned, or that otherwise the sum of Twelve hundred rixdollars at 48 stivers be paid and satisfied to the petitioner by the aforementioned Landdrost according to her value, over and above a proper and fair compensation for loss, negligence, and further expenses already incurred or yet to be incurred; or, in case of refusal thereof, to leave the petitioners free to bring the repeatedly mentioned Landdrost to justice on this account in such a manner as they shall deem necessary according to the requirements and circumstances of the case. Which doing, etc. Was signed: Elisabeth Rossouw, wife of Fredrik Henderik Conradi. In the margin: Cabo, 5 June 1783. Beside the heading was written: Exhibited in court at Cape of Good Hope, the 5th of June 1783. The apostil was: The Council, admitting for this time the petitioner, on account of the sickly condition of her husband, upon the private written authorization produced and given to her by her said husband, places a copy of this petition into the hands of the Landdrost of Swellendam, Constant van Nult Onkruydt, in order to serve this Council at the earliest opportunity with a report on the complaints brought forward by the petitioner. Below: By order of the Honorable Lord President and the Honorable Council of Justice. Was signed: C. L. Neethling, Secretary. No. 2. As some matters are arising with me about which I must speak, you are hereby ordered to come to me at Swellendam as soon as is possible. Lower down: remain. Was signed: C. van Nuld Onkruijdt, Landdrost. In the margin: Swellendam, the 14th of December 1782. The address was: Monsieur Monsieur P. H. Conradie, at his place situated at the Cogmans Kloof. In the margin: From house to house, comes from me, Landdrost, to Monsieur Conradie. No. 3. I, the undersigned, acknowledge that I have given my wife Elisabeth Rossouw full power of attorney to perform my affairs as if I do the same myself, since I have been sickly for quite some time, and it still increases daily. Was signed: Fredrik Hendrik Conradi. Lower down: As witnesses: signed: Josua Joubert, Gideon's son, and Jan Jacobus Nelson. No. 4. Right Honorable Sir, Being struck with the utmost astonishment when I had the honor to receive the copy of the petition presented in Your Right Honorable's formidable court, by and on behalf of the wife of the burgher of the Colony of Swellendam, P. H. Conradie. I shall make no excuse here, but only with the greatest submission request of Your Right Honorable a delay of some weeks.
Dutch transcription
„melde Land=drost heeft behaagt voorn: Conradi tot zijnent te ontbieden, volgens bijlaage N:o 2. hem over de gewaande mishandeling zijner slaaven te reeden stellende en onverhoord dree„ „gende dezelve door de Justitie te laaten ver„ „koopen. zoodanig dat nooijt een derzelver weeder in zyne handen zoude koomen hem Conradi egter voorstaande dat soo hy geneegen was de voornoemde slavinne Jannetje met haar kind aan hen voor de somma van Een honderd rd„s â 48 stvers te verkoopen hy als dan de twee genoemde mansslaven konde te rug bekoomen, en de zaaken als dan uyt de wee¬ „reld zoude zijn, waar op hy Conradi zig voorstellende hoe het met zyne meede Burge„ Fredrik Chaldeijer was vergaan en langst hoe meerder door de bedrijgingen van den Land-drost beangst werdende als ook door die van de boode van Zwellendan wotskl aan hem gedaan, zeggende, dat zo hij niet inwil„ „legde om aan den Land-drost gedagte Ha„ vinne met haar kind af te geeven, hij als dan alle zijne straven zoude verliesen, Be„ „sloot voornoemde mijne Man, P„r H„k Conradi in zijne eenvodigheijd eerder twee danvier aan de hebzugt of te offeren dewil hij bij gebrek aan slaven, doch zynen Landbouw niet konde voorzetten, en gaf of gemelde dreygementen te kennen dat hy het beste uijterste zoude verkiesen, en gem: Meij d' Jan„ „netje met haar kind of evengem: voorwaar„ „de voor de somma voor de somma van Een „honderd ryxd„s aan gezegde Land drost, C: Nult onkruijd soude afstaan, die na dat hij het Transport daar van of naam van voorn: Boode wolshe had laaten maaken aan hem En nadien de suppliante vermeend door deeze handelwijze van gem: Landdrost St Constant van Nult onkruijd niet alleen zeer benadeeld ende in wettige authoriteijt verkort te zyn tot een huineus voorbeeld voor andere, maar dat gem: Landdrost in deselve ook niet heeft gehandelt soo als een vroom en opregt officier en Landdrost toestaat en betaamd. soo vind de suppliante sig ten hoogst ge„ „noodsaakt door deezen den toevlugt te neemen tot UE: E: Agtbaarheeders met in„ „stantig versoek dat het van derselver reg„ „terlijk welbehaagen mooge weezen omme uijt aanmerking niet alleen van den tegens„ woordige prijs waar voor tans eeven gelyke slaaven daagelijx werden verkogt, maar ook uijt aanmerking der verdrukking van onkundige menschen, dat over sulx de voornoemde, Concussionaire, sulx en obret„ „tive koop en verkoopt vernietigen, met or„ Conradi zyne twee mans slaaven hadde Los gelva„ „ten Egter onder deeze Conditie dat hij deselve niet moeste slaan, waar op gem: mijne man den Landdrost, onder het oogbragt, dat inzien gem: slaaven niet gestrafd wierden, zij wee„ „derom hunnen Ouder gang, konde gaan, zoo als het ook door de ondervinding bewaarheijd is, als zijnde deeze gemelde slaaven weederom ses daagen na dat zij bij hunnen lyfheer zijn te huys geweest op nieuw weggeloopen en den Land-drost oovergeleevert, die als toen aan gem: mijne man heeft toegestaan, dezelve bouter aan te laaten slaan en verders zoodanig met hun te leeven als de magt eeneslyfheers toe liet. — Conradi „dre No. 3 N:o 2. kind, daadelijk werde te zug gegeeven, ofte dat anderzints voor deselve door voorn: Landdrost volgens de waarde aan den supp„l boven en zehalven wel en tetamelijk Cost en schaveloos stelling voor gemis versuim en verdere gedane ofte nog te doene onkosten zal werden voldaan ende betaald de somma van Twaalf hondert ryxd:s â 48 stver: ofte bij wijgeringe van dien de supplianten vri te llaaten omme meergem: Land„ „drost desweegens in regten te mogen betrekken of zodanige wijze als zij naar vereijsch en omstandigheeden van zaaken sullen noodig agten /:onderstond: 'T welk doende &: /:was getekend:/ Elisabeth Rossouw, huijsvrouw van fredrik Henderik Conradi, /:in margine:/ Cabo, 5 Junij 1783. /: besyden 't hoofd stond:/ Exhibitur in Judicio aan Cabo de goede Hoop den 5 Junij 1783. /: de appostille was:/ den Raad de sup„ „pliante, vermits de Piekelijkheijd van haaren man, op de overgeleeverde door haaren gem: man aan haar gegeevene onderhandsche schriftelijke Last, voor dit maal admit„ „teerende; steld Copia van dit Request in handen van den Landdrost van Swellendam N:o 4. S„t Constant van Nult Onkruijd, ten eijnde deesen raade op de ingebragt klagten, de supplianten, met den eersten te dienen van berigt /:laager:/ Ter ordonnantie van den E: Agtb: Heer praesident en den E: Agtb: raad van Justitien /:was geteekend:/ C: L: Neethling Secretaris. dre dat gem: slavinne Jannetje met haar Ik ondergeteekende bekenne dat ik mijn huijs„ Wel Edellen Gestrenge Heer. Met de aller uijterste verwondering aan ge„ „daan zynde toen ik de Copia van het Request de Eere had te ontfangen, in uwelEd: gestrw: gedugte vierschaan overgegeven, door en van wegens de vrouw van den burger der Collonie Swellendam, P: H: Conradie, . Ik sal hier geene Excuse maaken als alleen met de grootste submissie, versoeken aan uwpl„ „ Ed: gestrr: omme mij eenige weeken uijt stel Alzoo zig eenige zaaken by myn zyn opdoende waar over ik te spreeken Moet soo werd u gelast zoo spoedig bij mij of swellendam te komen als maar doenelyk is. /:laager:/ blyven /was getee„ „kend :/ C: van Nuld Onkruijdt Gandrost /: in margine:/ swellendam den 14 dec: 1782. /:de addresse was:/ Monsieur Monsieur P H: Conradie, op desselvs plaats it aan de Cod: Agter de kogmans-Clooff /:in margine:/ van huijs tot huijs komt van mij Landrost Monsieur Conradie. „vrouw Elisabeth Rossouw ten vollen procuratie heeft gegeeven om min saaken te verrichten als of ik 't selve doe, wyl ik al een hele paar sie „kelijk ben; en 't nog dagelyks toeneemt. /: was geteekend:/ Fredrik hendrik Conradi /:lager:/ Als getuigen: /:getekend:/ Josua Soubert, giedeen soon en Jan Jacobes nelson. — „vrouw
English
No 5. to grant, because of the great distance, until I have obtained some further depositions, in order then to be able to place the entire matter at one time upon the table of Your Right Honourable court. When the matter in question shall first have received its light, and been illuminated by the pure truth, then it shall clearly appear that neither extortion nor greed finds any place in me. But truly my opponents, with downcast eyes and a convicted conscience, must acknowledge to have brought their benefactor into this situation through an innate philanthropy by which my soul has allowed itself to be governed, in order to avoid the severe ways that otherwise must have been used. Permit me the honour, after having most humbly presented my compliments to Your Right Honourable person and highly honoured family, to give myself the honour of commending myself in the humblest manner into the continuing protection of Your Right Honourable person, subscribing myself with all submission, below stood, Right Honourable Severe Lord, lower, Your Right Honourable Severe's dutiful servant, was signed, C: van Nuld Onkruijdt, in the margin, Swellendam, 20 June 1737. Report prepared and submitted to the Right Honourable Lord, Pieter Hacker, President, together with the Honourable Worshipful Council of Justice of this Government, by the Landdrost Constant van Nuld Onkruijdt, regarding such petition as was presented by Elizabeth Rossouw, wife of the burgher Fredrik Hendrik Conradi, and on behalf of the said Conradi, on the date of 5 June 1783, to the aforementioned Council. Right Honourable Worshipful Lord and Lords: In compliance with your very honoured resolution of 5 June of this year, in which it pleased Your Right Honourables to place into the hands of the undersigned a copy of such complaint and petition, with its annexes, as was delivered by Elizabet Rossouw, wife of the burgher Fredrik Hendrik Conradi, on the same date to Your Right Honourables, to the end that a report might be furnished regarding the complaints introduced in that petition: In fulfillment of the said honoured resolution, the undersigned shall take the liberty to point out: that the said complaint and petition consists of three main points: And indeed in the first place: that the slaves belonging to the aforementioned Conradi, Abraham of Bengal, and Baatjoe of Bugis, as well as Jannetje of the Cape with her child, having absented themselves from the farm of their master, the aforementioned Conradi, and having been captured by Van Eeden and delivered to the undersigned at Swellendam, the same, in order to give their desertion an appearance of justice, had made the undersigned believe that they had been mistreated by their master and mistress, and of which the undersigned managed to make such good use as to employ them in his service, namely the boys for farm work and the maid to look after the undersigned's daughter. In the second place: that through oppression and extortion of ignorant people, consisting therein: that the same Conradi had been forced, or according to the literal sense of that petition, that he, Conradi, in his simplicity decided to sacrifice one of the three or four slaves to the greed of the undersigned, namely to sell his slave woman Jannetje of the Cape with her child to the undersigned for one hundred Rixdollars, in order to be able through that remedy to have back his two slaves Abraham of Bengal and Baatjoe of Bugis. And finally in the third place, in the request: that whereas through the aforementioned oppression an extortionate, surreptitious and obreptitious purchase was contracted, the same purchase might be annulled, and that with and alongside compensation for loss of time and incurred expenses, twelve hundred Rixdollars shall be paid and satisfied for the same slave woman Jannetje, and in case of refusal, Mrs. Conradi be left at liberty to take action against the undersigned as she shall deem necessary according to the requirements and circumstances of the case. Before the undersigned shall occupy the attention of Your Right Honourables with the refutation of the aforementioned points, may it be permitted to him to make this reflection: Whether a man who, in the month of May or April of this year, under the pretext that he has been sickly for a whole year, authorizes his wife to manage his affairs for him, could in December of the past year, and thus about six months ago, ride in perfect health from his dwelling place situated in the Cogmanskloof to Swellendam and back, whereas the undersigned is at the same time assured that he could now just as easily have made the journey hither as his wife; and that besides all this, it has appeared to the undersigned that that power of attorney is entirely defective and absolutely invalid; and that consequently, since the aforementioned Conradi and his wife have thereby deceived Your Right Honourables in a very contemptuous manner, the entire complaint and petition collapses and falls away of itself. Yet, in order to be able to fulfill the intention of Your Right Honourables as much as possible, the undersigned, proceeding to the refutation of the aforementioned complaint and petition, shall take the liberty to say regarding the complaints brought in the first place: That the declaration annexed hereto of the wife of Josep van Eeden dictates very clearly that her son from the farm of the burgher Leendert Andriesse
Dutch transcription
No 5. te verleenen, omme de verre afgelegen hijd, tot dat ik nog eenige verklaringe ingewonnen heb, om „me als dan in staat te zyn van de geheele saak op een tijd stik ter Taffel van uwelEd: gestr vierschaars te doen verschijnen. wanneer de zaak: in questi:/ eerst zijn ligt zal ontfangen hebben, en door de zuijvere waar hij t bescheenen. zoo zal duijzelijk blijken als dat geen knevelarijje nog heb sugtigheijt plaats in mij vind. Maar waarlik mijne par„ tijje met diedergeslaage oogen & een overtuijgt gemoet, Erken moeten haar weldoender in di geval gebragt te hebben, door een ingeschad „pene Mens liefden daar mijn ziel sig van hee doen Regeeren, om de straffe wegen te vermijd die anders gebruijk souden hebben moeten zij Vergim mij de Eere van na aan uwEd: gestr„ Persoon & Hooggeëerde Famielie op het alder onder danigst mijn Compliment te hebben, afgelegt, mij de Eere geeven op 't Nederigste gerecommandeert te hebben, in de aanhou„ „dende Protexie van uw Ed: gestrn: te teekene met alle onderdanighijd /:onderstond:/ wel„ „Edellen Gestrenge Heer /:lager:/ uwel Edeles gestrengenes pligt schuldige dienaar /:was geteekend:/ C: van Nuld Onkruijdt /: in mar „gine :/ Sweldendam den 20 Junij 1737. — Bougt gedaan maken, ende aan den WelEdelle Achtbaren Heer, Pieter Hacker, praesident benevens den Edelen Agtbaren Raad van Justitie deses gouver„ In voldoening van het selve geëerde Besluyt sal de ondergetekende de vrijhijd nemen te de marquere: dat het selve beklag en versoek schrifft bestaat in drie Hoofd poincten - En wel in de Eerste plaats: dat de aan voorsz: Conradi, behorende slaven Abraham van bengalen, en baatjoe van boegies, mitsga„ „ders Iannetje van de Caab met haar kind Het heeft uwelEdellen Agtbaaren bij derselver zeer geëerd Besluijt in do 5. Junij dezes Jaars behaagt, in handen van den ondergetekende te doen stellen Copia van zodanig Beklag en ver¬ „zoek-schrift met dies Bijlagen, als door Elizabet Rossouw Huijsvrouwe van den Bur„ „ger Fredrik Hendrik Conradi, sub eodem die aan uwel: Ed: Agtb:s is overgeleverd gewor„ „den ten einde of de bij dat versoek schrift„ ingebragte klagten ten eersten te dienen van Berigt Wel Edele Agtbare Heer en Heeren: of ende Jeegens. zodanig Request als door Eli„ „zabeth Rossouw huijsvrouw van den burger. Fredrik Henibrik Conradi, en van wegens den sel¬ „ven Conradi in dato 5 Junij 1783 aan wel opgemelde Rade is over gelevert geworden. „nemente, overgegeeven, door den Landdrost Constant van Nuld Onkruijdt. „nements van van hun Lyfhiers plaats, voorsz: Conradi geabsen„ „teerd, door van Eeder op gevat, en tot swellen dan aan den ondergetekende overgelevert zynde, deselve om hunne desertie een schijn van billijk„ „hijd te geven den ondergeteekende diets gemaakt hadden, dat zij van hunne Lyfleer en Lyfvrouwen Mishandeld waren geworden, en waar van den ondergeteekende, een dergelijk goed gebruik heeft weten te maken van dezelve in zyne dienst te emploijeeren als de Jongens tot het Landwerk ende Mijd tot het oppassen van des ondergete„ „kendens nogt kind In de tweede plaats: dat door oppressee ende verdrukkinge van onkundige Menschen, bestaande daar in: dat deselve Conradi; genoodzaakt was geworden off volgens den Letterlijken zin van dat Request, dat hij Conradi, in zyne Een„ voudigheijd besloot, een der twee dan vier slaven aan de Heblugt van den ondergeteken„ „de of te offeren, Namentlijk zyn slas inne Ian„ „netje van de Caap, met haar kind aan den ondergeteekende voor een Hondert Rijxd„s te ver„ „kopen, om door dat Remedium zijne bij de sla„ „ven Abraham van bengalen en Baatjoe, van boegees weederom te Rug te mogen Hebben. Een Eijndelijk in de derde plaats, in het versoek: dat terwijl door de voorsz: oppressie eene Concussionaire sub en obreptive koop was aangegaan, dezelve koop mogte vernietigt wor„ „den en dat met ende benevens schadeloos stel„ „ling dan verzuijm en gedane kosten, voor dezelve Ravinne Iannetje Twaalf Hondert Rijxd„s zal worden betaald, en voldaan, En in Cas van Wijgering aan haar vrouwe Conradie vrij gelaten, omme tegens den onderget: te mogen Ageeren, zoo als zij naar vereijsch, en omstandigheden van zaken zal nodig Agten. Alvoorens den ondergeteekende met de wederlegging der voorsz: poincten de Attentie van uweEd: Agtb„r occupeeren zal; zij het hem gepermitteerd deze Beflexee te mogen maken. Off een Man die in de maand Maijot April dezes Jaars onder het protext: dat hij een geheel Jaar ziekelijk geneest is, zyn vrouw qualifi„ „ceert voor hem zijne zaaken waar te neemen, in december des gepasseerden Jaars en dus omtrend, voor ses maanden in een volmaakte welstand van zijn in de kogmans-klooff leggen„ „de woonplaats naar swellendam, en te rug heeft kunnen Rijden, daar den onderget:s tef„ „fens verzekert is, dat hij als nu nog ruijm zo gevoegelijk als zyn vrouws de Rijse Her„ „waards had kunnen doen; En dat boven en behalven dit alles aan den ongetekendes ik is toegescheenen, dat die Acte geheel en al is refectueert en Absolutelijk invalede; en dat mits, dien dewijl voorsz: Conradi en zijne Huysvrouw uwelEdelle Agtbaaren daar door op eene zeer Vilipendieuse wijse mis„ „lijd hebben, het gantse beklag en verzoek schrieft van zelve corruceert en vervalt Dan omme aan de intentie van uwelEd: Agtb: zo veel doenelijk te kunnen voldoen zal den onderget: tot de wederlegging van het voorsz: beklag en verzoek schrift tredende of de in de Eerste plaats. aangebragte klag„ „ten de vryhijd neemen te zeggen: Dat de nevens desen geannexeerde verkla¬ „zing van de huysvrouws van Josep van Eeden seer duydelik dicteerd, dat haar zoon van de plaats van den burger Deonaro Andriese mogen te 1
English
having arrived home, had received report that a maid and two boys of the aforesaid Conradi were going to Swellendam to complain, and that she had sent him to fetch those slaves, and that those same slaves having then also been brought to her on the farm by her son, she had wanted to send those slaves home, but that the maid having shown her body, she, the wife of van Eeden, had seen that the maid was dreadfully and miserably beaten, and that the maid had stated the reasons why she had been so mistreated to be because her master, the aforesaid Fredrik Hendrik Conradi, wanted her to have said that the child, denoting her child, was by Cornelis van Eeden, whereupon her husband had sent those slaves up to the former heemraad, Monsieur Jacobus Botha. That the very same declaration thus incontrovertibly establishes that that female slave was not apprehended by van Eeden and brought to Swellendam, and simple though it may sound, it surely also follows from that same declaration that the slaves, in order to give their desertion an appearance of fairness, did not make the undersigned believe that they were mistreated. Noble Honorable Sirs, it dictates, just as all the other declarations dictate very clearly, that that maid alone was dreadfully and miserably beaten. That precisely that same mistreatment of that female slave Jannetje, as well as the very well-arranged order of the story of that female slave regarding the reasons why she was so mistreated, are the self-evident proofs of why all those people who inspected her out of compassion provided proper assistance on her way to Swellendam, and for which reasons the undersigned then also released her and caused proper care to be taken for her recovery, and nevertheless had the aforesaid slave boys, who despite being moved out of pity for the female slave, incited that desertion and accompanied her to Swellendam, placed into secure custody, and did not employ them for his agriculture or work, for at that time it was impossible to employ them for such, just as this was very erroneously brought forward in that point of objection, just as little as the maid could have been used for the undersigned's illegitimate child mentioned in that request: for according to the contents of the declaration of the burgher surgeon Monteban, the wife of the undersigned was pregnant, and for that reason he advised the wife of the undersigned not to inspect that maid; and according to the judgment of the undersigned, which he willingly submits to wiser men, he does not know that from a husband and wife who have been examined according to the laws of the country, and after the examination have been granted the marriage proclamations, and subsequently been confirmed in the state of matrimony, other children can be produced than legitimate or by birth lawful descendants, unless one could prove against the undersigned: that, in addition to the two children by his wife Elisabeth van der Heijden, who died on the 10th of May of the past year 1782, and the child begotten with his present wife and born in this year, he had procreated yet another. The undersigned finds himself thereby too severely injured in his honor to tolerate such a
Dutch transcription
te huijs gekomen zijnde, aan haar berigt heeft gehad dat er een mijl en twee jongens van voorsz: Conradi naar swellendam gingen om te klagen en dat zy hem gezonden had om die slaven te halen en dat die zelve slaven dan ook door haar zoon by haar op de plaats gebragt zijnde, zy die: slaven had willen te huijs zenden, dog dat de mijd haar Lighaam ver¬ „toond t gewesen hebbende, zy vrouwe van van Edden, gezien had dat die mij & veerlijk en ellen dig was geslagen, en dat die mijd de Redenen waar„ om zy zo was mishandeld gezegt had, te zijn om dat haar baas, voorsz: Fredrik Hendrik Con„ „radi hebben wilde, dat sij zou hebben gesegt, dat het kind (denoteerende Haar kind) van Cornelis van Eeden was naar op haren man die slaven tot bij den oud heemraad. Mons„r Jacobus Nota, gezonden Dat het dezelve verklaring dus on„ had. „wedersprekelijk: Consteerd dat die slavin niet door van Eeden opgevat en naar swellendam zyn gebragt en zo eenvvoudig dezelve ook klinkt, vloet im„ „mers uit die zelfde verklaring almeede voort dat de slaven omme hunne desertie eeven schijn van Billykhijd te geven niet den onderget: diets gemaakt hebben dat zij mishandeld waren Heer Edelen Agtbare Heeren, dezelve dicteerd so als de overige verklaringen alle dicteeren zeer duijdelijk, dat die mid alleen deerlijk en elendig geslagen was. Dat even die selve mishandeling aan die slavinne Janne„ „tje zo wel als de seer wel geschikte ordre van het verhaal van die slavinne, omme welke redenen zij zo mishandelt is, de zelv „spreekende bewijzen zijn waarom alle die mensen die haar bezigtigd hebben met mede„ „dogendhijd de behoorlijke adsistentie op haaren weg naar swellendam hebben ver¬ „leend, en om welke Redenen den ondergetee„ kende haar dan ook losgelaten en de behoorlij„ „ke Longe ter haaren herstelling heeft doen dragen en die bij de voorsz: slave jonges die niet te„ „genstaande haar slavinne uijt medelijden be„ „wogen, tot die desertie aangeset en naar Zwel„ lendam begtijd hebben, egter in goede verzeke„ „ring doen stellen, en niet tot zijn Land Bouw off werk geemploijeerd, want te dien tijd dezelve onmogelijk daar toe te Emploijeeren waren, zo als dit zeer Abusief, bi dat poinct van bezwaar is aangebragt even zo men als de Mijd tot des ondergetekendens bij dat request be„ „noemde Onegt kind heeft kunne worden gebruijkt: want volgens den Jnhoud van de verklaring van den burger Chirurgijn Monteban„ was des ondergetekendens Huijsvrouw Swanger en om die reeden heeft denselven des onder„ „getekendens huijsvrouws afgezaden die mijd niet te bezigtigen; en volgens het oordeel van den onderget: het welk hij gaarne aan wijsere wil submitteeren, weet hij niet dat uit man en vrouw die volgens de wetten van den Landen geexamineert en na de examinatie de huwelyksche proclamatien geaccordeert, en vervolgens in den egten staat bevestigd zynde, andere kinderen kunnen worden uit voortgebragt als Egte ofte door de geboorte wettige afstammelingen of men zouden onder„ „getekende moeten kunnen bewijzen: dat hij buijten de twee kinderen bij zijner op den 10 Maij des voorledene Iaars 1782. overledenen, Huysvrouw Elisabeth van der Heijden, en het bij zijn tegenswoordige huijsvrouws verwekte, en in desen saare geboren kind nog een had geprocreert. Den ondergek: vind zig daar door te sterk in zyne Eere te zyn gecedeerd als dat hij een dergelyke
English
could pass over such slander in silence: He also maintains firmly and surely, and that not without reason, that at the instigation of other maliciously minded persons or of a party of malcontents, or else of one or another foolish idler or self-imagined clever wit, the presenter of that petition was persuaded to have such a more than vicious burden inserted into the same petition; or else that the author of that petition imagines he will achieve immortal fame by continually presenting false ideas so plausibly to simple people, as they were named in that petition, that they accept them as true, and notwithstanding they are misled thereby, nevertheless praise him and remain his adherents. Regarding the complaint in the aforesaid petition, the undersigned believes in the second place that it will suffice to respectfully recall the attention of Your Noble Worships to the contents of the report given by the female slave Iannetje before the commissioners from this Noble Worshipful Council, from which, and from the remnants of mistreatment shown to their honors, it can very easily be deduced how great the mistreatment must have been which that female slave already had to endure six months ago. And it was this crime which caused him, Conradi, to decide to sacrifice two rather than four slaves to the greed of the undersigned, as the author of the petition has seen fit to say; Noble Honorable Worshipful Gentlemen, a more gruesome crime was the cause of that mistreatment, namely that he, Conradi, had carnally mingled with the female slave Iannetje continuously, and that the consequences of that mingling caused two of his own children to be born to him, of which the first has died, which he then also confessed in the presence of that same female slave. This was what made him decide, with folded hands and wet, tearful eyes, not to sacrifice two slaves to the greed of the undersigned, but to beg and implore the undersigned—who already, according to his kept daily journal which he can always solemnly confirm, had intended to leave that matter to the decision of Your Noble Worships—just as he also persuaded the undersigned thereby, to please, pardon the expression, for God's sake preserve him, Conradi, and his family from disgrace or shame, and to be willing to sell that girl for the peace of his household, and for peace and the restoration of the discord and strife that had already existed for some time between him and his wife; and on the assumption that others or the buyer of that female slave, discovering on her the visible signs of impermissible mistreatment, and through which she was at that time not yet entirely out of danger of dying, would lodge a complaint about it, he, Conradi, begged the undersigned to please take over that female slave himself. And from this transaction and confession, the undersigned cannot deduce that the simplicity of him, Conradi, existed, since the undersigned regarding that point again
Dutch transcription
dergelijk Laster stelzwygend zou kunnen surpasee„ „ren: Hij steld ook vast en zaker en dat niet zonder grond, dat op instigatie van andere Malitieus gezinden off van een parthij Malcon„ „tenten dan wel de eeg off ander wan wijze Ledig„ „lopen off zig zelvs verbeeldende sohandere geest de praesentante van dat Request is geper„ „moveerd, dat een dergelijken meer dan quaad„ „aardigen Lasten in het zelve Requeste mooge worde gelascht, dan wel dat den Helder van dat Request zig veerbeeld een onsterffelijken Boem te zullen behalen door eenvoudige Men„ „schen zo als dezelve bij dat request zijn be„ „noemd geworden bij Continuatien verkeerde izeen zo waarschijnelijk voor oogen te stellen dat zij dezelve als waare aan nemen, en niet tegenstaan„ „de zij daar door mislijd worden, hem egter Lau„ „deren en blyven aanhangen. Tot de klagte bij het voorsz: Request meend den onderget: In de Tweede plaats te sullen kun„ „nen volstaan met de Attentie van uwel Ed: Agtb: eerbiedigst te rug te roepen, tot de Contenue van het Relaas, door de slavinne Iannetje ten overstaan van Heeren gecommitt„s uit dezen Eolle Agtb: Rade gegeven, en waar bi uit de aan hun E: E: vertoonde Relequien eener mishande„ „ling zeer ligt zal kunnen worden afgelegd hoe groot de mishandeling moet geweest zijn, dewelke reeds voor ses Maanden die slavinne heeft moeten ondergaan; en met deese misdaad was het, het welk hun Conradi heeft doen besluijten, eerder twee dan vier slaven aan de heb zugt van den ondergetekende zo als de Maker van het Request goed gevonden heeft te zeggen, op te offeren; Heer Edele Agtbare Hee„ zen een gruwzamer misdaad was de oorzaak dier mishandeling, te weten, dat hij Conradi met de slavinne Iannetje zig Conofhoudelyk vleeschelyk had vermeugt, en dat die gevolgen van die vermuiging hem twee eyge kinderen heeft doen geboren worden, waar van de eer gestorven is, het welk hij dan ook ter praesen¬ „tie van die selvde Ravinne heeft beleden, dit was het geen hem heeft doen besluijten met te zamen gevouwen handen en na t Betraan„ „de oogen, niet aan de hebzugt van de on„ „dergeteekende Twee slaven of te offeren, maar den onderget: die reeds volgens zyn gehouden dag verhaal, het welk hy altoos solemneel bevestigenken, had gemeend, die zaak aan de densie van uwelEd: Agtb: te moeten overlaten, te smeeken en verbidden zo als hy den onder„ get: ook daar door heeft verbeden om tog /sit verbes venia / om godswille hem Conradi„ en zyne Famielie voor Petressiece ofte schanden tet bewaren en die mijd tot Rust van zyn huijsgezig, en vreede en herstelling der onee„ nighijd en Twist, zo reeds eenigen tijd het„ „waards tusschen hem en zijne vrouwe had geresideerd, te willen verkoopen, en op de veronderstelling, dat andere ofte de koper van die slavinne de Ligtbare tekenen eener ongepermitteerde Meshandeling aan haar ontdekkende, en waar door zy als toen niet geheel nog buijten gevaar van te sterven was, daar over zouden klagtig vallen, Bad hij Conradi den ondergez: die slavinne tog zelvs dan over te nemen; En uit welke afhandeling en Confessie den onderget: niet aflyden kan dat de Eenvoudighijd van hem Conradi zal hebben bestaan, alsoo den on„ „ der get.: ten opzigte van dat poinct. weeder„ dier „om
English
for the alleged simplicity can be attributed to nothing other than either the frank confession made by him, Conradi, to the burghers Hans Jurrie Botha and Carel Pieter Rog, whereby the previously deducted is most strongly confirmed, or to the sinister drafter of the Petition himself, who apparently, according to his own system, must always have had to deal with simple people, and through the abuse of that simplicity, being obliged in his idle time, seeks to do something with all kinds of foolish writings at the expense of such simple people. And having sufficiently demonstrated by all this that no oppression or extortion has taken place, the undersigned, stepping away from this, shall proceed to the most weighty point, consisting in the request and the threat made therein, which they have thought fit, in the third place, to propose to your Right Honourable Worships. That from the refutation of the said second point it naturally follows as clear as day that no oppression has taken place, for naturally no extortionate, subreptitious and obreptitious purchase could have been entered into, so that the undersigned must again attribute solely to the instigation of some malcontent or a drafter of the Petition acting with deceitful tricks the assertion that the undersigned was said to have entered into an extortionate, subreptitious and obreptitious purchase; as from the designation of subreptitious and obreptitious purchase the drafter of the aforesaid petition exposes himself too much, and shows that he has derived the words subreptitious and obreptitious from the practice of his assumed characteristics or from his life, walk, and conduct; yet the same words are in this instance placed very mal apropos into the mouth of him in whose name or by whose order the petition was presented; all the more so since the mentioned Conradi himself in person, and not as the Petition is drawn up, in commission, told the already mentioned Botha and Rogh on his return journey from Swellendam: That beast (speaking of the aforesaid female slave Jannetje) I will no longer have in my house, for she is a thief; I have given her to the Landdrost to sell, and if the Landdrost cannot sell her, he will buy her for himself. Here one sees the man's own confession, according to which certainly no subreptitious and obreptitious purchase could have been concluded, just as it also manifests from that very same confession that, however simple they have wished to portray him, Conradi, he nevertheless was not foolish enough to disguise his shame, for which he had surrendered that female slave Jannetje with her child for sale, by accusing her of theft. That from what has been deducted it will have appeared most evidently to your Right Honourable Worships that no oppression or extortion of simple people has taken place, and much less that by that means an extortionate, subreptitious, and obreptitious purchase and sale was concluded between the undersigned and Conradi, which he, Conradi, will never be able to demonstrate according to law. But rather that when the often-mentioned Conradi, to cover his crime and the mistreatment of the female slave resulting therefrom, very urgently and with weeping eyes requested, and most strongly insisted, not to make him unhappy and just to sell those slaves; and upon the representation that he could not enter into that, the undersigned, upon the continued entreaties of the same, told him that he should speak with the Messenger Wotshy to see if the same wished to buy the mentioned slaves; the undersigned being able to testify in conscience to your Right Honourable Worships that he, out of sheer humanity and compassion for the mentioned Conradi, and in order to cause no further estrangement between him and his already ill-natured wife, allowed himself to be moved not to prosecute the crimes of the often-mentioned Conradi through the otherwise proper legal process, but to propose such an intervention for the sake of rest, peace, and the restoration of the grievances of him and his wife, and to preserve his family from shame following the very numerous known examples, regarding which the undersigned trusts that your Right Honourable Worships will graciously be pleased to-- - - - That now, in order to prevent all further cavillations, the undersigned takes the liberty respectfully to submit to your Right Honourable Worships whether it might not meet with your favourable approval to place that female slave with her child provisionally, in order to prevent further mistreatment, into safer hands, and to qualify the undersigned to be allowed to take legal action against the said Conradi on account of his crime and against him, Conradi, and his wife on account of mistreatment regarding that female slave Jannetje; or else such as your Right Honourable Worships may be pleased to order with respect to the crime of the often-mentioned Conradi. While the undersigned lets this serve as a report in order to satisfy the intention of your Right Honourable Worships according to his humble ability, he takes the liberty to name himself with the deepest respect, below was written: Right Honourable Sir and Gentlemen, lower: your Right Honourable Worships' humble servant, was signed: C. V. Nuld Onkruydt. Report given in the presence of the undersigned commissioners, at the requisition of the Landdrost of Swellendam, Constant van Nult Onkruijd, by and on behalf of Jannetje, of the Cape, of competent age, former female slave of the burgher Hendrik Fredrik Conradi, broadly as follows: That she was beaten, without being able to determine day or year, by her first master, the burgher Conradi mentioned in the heading of this, on the occasion
Dutch transcription
„om de voorgewende Eenvoudighijd aan niets an„ „ders kan attribueren, als of aan den openhar„ „tige bekentenis door hem Conradi aan de bur„ „gen Hans Jurrie Botha en Carel Pieter Rog ge„ „daan, en waar door het voren gededuceerde ten sterksten word bevestigd, of aan den Sinustie opstelden van het Request zelve dewelke Apparent volgens zine eijge Pijsthema altoos, met eenvoudige menschen moet hebben te doen gehad, en door het Misbruijk van die Een „voudigheijd zijn ledige tijd thans genood„ „saakte Liets met allerhande zolte geschriften ten kosten van zulke eenvoudige menschen te En door dit een en ander genoegzaam hebbende aangetoont dat er geene oppressie ofte verdrukinge heeft plaatse gehad; zal den onderget: hier van afstappende, over gaan tot het gewigtigste poinct, bestaande in het verzoek en daar by gedaan Dreyge„ „ment, het welk men goed gevonden heeft„ In de derde plaats, aan uwelEd: Agtb„ te moe Ponneeren. „ten doen. — Dat uijt de wederlegging van het selve Tweede poinct van zelve dan middag klaar voortspruijt dat er geene oppressie heeft plaats gehad, kan er immers natuurlijker wijze, geene Concussionaire sub en obreptive koop zyn aangegaan, zo dat den onderget het weder alleenlyk aan de instigatie van den een off ander malcontente off een met slinksche streeken omgaanden opstelder van het Request moet toerekenen het zeg„ „gen: dat den onderget: een Concussionaire sub en obzeptive koop zou hebben aangegaan alzo uit de benoeming van sub en obreptive, koop de schriftstelder van het voorsz: request zig zelve te veel bloot geeft, en doet zien dat hij de woor„ „den van subseptive en obseptive uit de praa„ „tijcg van zijne aangenomene Eijgenschappen of uit zijn leven, wandel en gedrag heeft afgeleijd, egter derzelve woorden ten deezen zeer mal â propos zyn geplaatst in den mond van dien geenen uit wiers naam ofte door welkers last het request is gepraesenteerd: te meer daar gemt Conradi zelve in persoon, en niet zo als het Request gemaakt is, in Commissie„ aan den reeds genoemden Botha en Rogh of zyne te rug Rijze van Swellendam, heeft gezegt, „ Die Beest:/ spreekende van voorsz: slavinne Pannetje:/ wil ik in myn huijs niet meer „hebben want het is eer dief ik heb haar „aan den Landdrost gegeven om te verkopen, „ en als den Landdrost haar niet verkopen „ken zal hy haar voor hem zelve kouwen. — Hier ziet men des Mans eyge Confessie en vol„ „gens welke immers geen sub en obreptive koop kan geslooten zyn, gelyk almeede uit eeven die selfde bekentenis maniseoteerd, dat hoe eenvoudig men hem Conradi heeft willen afschilderen, hij egter niet dwaas genoeg geweest is, om zyne schande waar„ „om hij die slavinne Pannetje met haar kind ten verkoop had overgegeeven, te bewin„ „pelen met haar van dievery te beschul„ „degen. Dat uyt het gededuceerde aan uw Ed: Agtb„ op het evidentst gebleken zal zijn, dat er geene oppressie off verdrukinge aan eenvou„ „dige menschen is geschied, en, veel minder dat door dat middel een Concussionaire sub en alzo obreptive obreptive koop en verkoop tusschen den onderget: en Conradi gesloten is, het welk hij Conracti nim„ „mer na regten zal kunnen aantoonen, Maar wel dat wanneer meerm: Conradi ter Bedek„ „king van zyn misbedrijf en daar uit voorge„ „vloeide mishandeling der slavin zeer instan„ „dig en met wenende oogen verzogt, en of het sterkste insteerde, om hem tog niet ongelukig te maken, die slaven maar te verkopen; En op de voorogenstelling van daar in niet te kunnen Preden, heeft den ondergeteekende of het aanhoudend smeiken van dezelven aan hem gezegt, dat hy met den Bode Wotshy moest spreeken om te zien of denzelven gem: slaven wilde koper, kunnende den onder„ „get: uweled: Agtb„s in gemoede betuijgen, dat hij uijt Enkelde Menschlievendeyd en mede„ „dogen, voor gem: Conradi, en om tusschen denzelven in zijne buyten des reedts quaad„ „aardige vrouwe geene verdere verwijtering te veroorzaken, zig heeft laten permoveeren, omme de misdrijver van meerm: Conradi, door N„o 6. den anderzints behoorlijken weg van regten niet te vervolgen, maar omme tot rush„ vrede en herstelling der misnoegen van hem en zyne Huijsvrouwe, en zyn famielie na de zeer veelvuldige bekende voorbeelden voor schande te bewaren, eenen diergelijken tusschen komst te proponeeren, en waar omtrend den onderget: vertrouwd dat uwelEd: Agtbaaren gratieuselijk zullen gelieven te-- - - - Dat omme nu alle verdere Cavellatien te prevenceeren den onderget: de vryhyd neemt uwel Ed: Agtb: eerbiedigst voor te dragen tf het niet van derzelver gunstige approbatie zij, om die slavin met haar kind provisi„ Dat de Belt zonder dag of Iaar te kunnen bepaalen door haren Eerste Lifheer de in de hoofde deeses gem: burger Conradi bij gelee„ Roelaas gegeeven ten overstaan van de onderget: gecommitt„s, ter requisitie van den Landdrost van Rellendam Constant van Nult Onkruijd door ende van wegens Jannetje, van de Caab van Com¬ „petenten ouderdom gewesen Slavinne van den burger Hen¬ „drik Fredrik Conradi beyzena als volgt. „oneel ter voorkominge van verdere mishande„ „lingen, te stellen, in sekerder hand, en den onderget: te gulificeeren omme teegens denzel„ „ven Conradi wegens zyn misdrijf en tegens hem Conradi en zyne Huisvrouwe weegens mis„ „handeling omtrend die slavinne Iannetje in Regten te mogen Ageren; dan wel zodanig als uw Eded: Agtb: ten opzigte van het mis„ „drijf des meerm: Conradi gelieven te ordon„ Terwyl den onderget: dezen omme aan de Intentie van uw EdEd: Agtb„ na zyn gering ver„ „mogen te voldoen, Laaten de dienen voor een Berigt „ de vrijzijd Neemt met de diefste Eerbied zig te Noemen. /:onderstond:/ Wel Edele Agtbare Heer, en Heeren /:lager :/ uwel„ „ Edeles Agtbaares ootmoedige dienaar /:was getekend:/ C: V: Nuld, Onkruydt „heeren. —. „oneel— „gentheid
English
occasion that her mistress, the wife of the same Conradi, had driven to the Heverrivier to fetch corn, having been ordered to take down chaff from the chaff loft, the relator had also gone there, but that the relator, having arrived there, had been followed by her aforesaid master Conradi, who, also having come onto that loft, had thrown her, the relator, onto the ground, and the relator directly understanding the intention of said her then master, she substantially asked him, Master, what does the master want to do? adding, I shall tell the mistress, whereupon he had answered, Hold your muzzle quickly, girl, and in such a manner had committed his foul lusts. That the relator, some days after the return of her aforesaid then mistress, having recounted the incident to her, she had fallen to the ground in a faint from distress, whereupon the aforesaid Conradi, or the relator's master, had helped his wife up again, and having come to herself, she had asked her husband, the aforesaid Conradi, whether it was true that he was keeping with the relator, which he had denied under the most solemn oaths and directly called and ordered a certain Hottentot, Iantje, who currently resides with the burgher Iacob Hugo at the Breede Rivier, to cut a bundle of quince slats and pass them through the fire, which having been done, both the aforesaid Conradi and that Hottentot took her up, and tied her to the stump of an oak tree standing in front of the kitchen door, after her hands and feet were bound and she was completely stripped naked, after which the same Conradi with the same quince slats had beaten her, the relator, with intervals for so long until she, having always affirmed during the beating that which she had told to his wife, had fallen into a faint and was finally forced substantially to say, No, the master did not sleep with me, whereupon the relator, having been untied and brought into the house, had fainted anew, and when she, the relator, subsequently came to herself again by means of some vinegar, they had washed her whole body with brine water. That the aforesaid Conradi subsequently with a substantial assurance, Girl, if you say it again now I will begin to beat you from the beginning, and had continuously had carnal relations with the relator until he, Conradi, having noticed that she, the relator, was pregnant by him, had said to her in the aforesaid manner, If you get a child, you must tell your mistress that it is by Adam Basterd, currently residing with the farmer Willem Grobbelaar, which the relator's then mistress had frequently asked that Hottentot, but having not been answered satisfactorily by that Hottentot, the same mistress, when the relator was delivered of a fair or white child, had asked the very same aforesaid Bastard Hottentot in the presence of the same whether the child was his, which, as previously so then, was answered by the Hottentot with No, whereupon the same, the relator's then mistress, notwithstanding that the relator was still in childbed, had continually beaten and mistreated the relator daily so severely that the same was rendered unable to properly care for her child, the relator's aforesaid mistress thereafter having the relator
Dutch transcription
„gentheid dat haar Lijfleen de vrouws van de„ „selve Conradi na de heverwier gereden was, om koorn te haalen bevoolen zijnde om van de kaf zolder kas af te haalen de rel„t haar ook derwaards begeeven dog dat de rel„te aldaar gekoomen zijnde door haaren voorsz: Lijfheer Conradi was agter volgt, denwelken op die zolder meede gekomen zijnde haar relten op de aarde had geworpen en de rec„te direct de mee„ „ninge van gem: hare toenmalige Lyfheer beqrij„ „pende zij hem substantieelijk gevraagd klid„ Baastwat wil de baak doen, met bijvoeging ik zal 'k aan nonje Leggen, als wanneer denzelven g'antwoord had, houd gouw smoet meijd, en dusdanig zine vuijle Lusten had gepleegt. — Dat de rel„t eenige dagen na de terug komst van haren voorsz: toenmaligen Lufvrouwe 't geval hebbende verhaald, dezelve door ontstel„ „tenisse in flauwte ter aarde was gevallen, als wanneer voorsz: Conraci ofte der Rel„t, Lijf„ „heer, zyne vrouw wederom opgeholpen, den bij haar zelve gekoomen zynde, had zi aan Charen man voorsz: Conradi gevraagd, of 't waar was, dat hij met de rec„te het hield, het welk deselve onder de duurste Eeden had genegeert en directelijk zeekeren Pottentot Ian„ „tje, die thans bij den burger Iacob Hugo aan de breede zwvier woonagtig is, geroepen en geordonneert, een bos queep een Lattjes afte„ „snijden en door 't vuur te halen, 't welk ge„ „chied zijnde, soo wel voorsz: Conradi als die hottentot de zelte opgenoomen, en aan de voor de Combuijs deur staande stomt van een Eyke na dat haare handen en voeten vast gebond waren en zi geheel en al ontkleed was, vastgemaak waarna deselve Conradi met dezelve quepoer„ „latjes zoo lange haar zel„ten met tusschen poosing had geslagen, tot dat zij onder het slaan altoos bevestigd hebbende het geen zy aan desselvs huysvrouws had gesegt, in slauwte ge„ „vallen eyndelyk genoodzaakt was geworden substantieelijk te seggen, Neer de baas heeft niet bij mij geslaapen waarop de rec„te Losge„ „bonden en in huijs gebragt geworden zijnde of nieuws flauw was geworden, en wanneer sy zel„ten vervolgens door wat azyn wederom tot haar zelve was gekoomen; men haar heele Lyf met pekel water had gewassen. Dat voorsz: Conradi vervolgens met substanti„ „eele verzeekering, Meijt zoo gij'k nu al wederom zegt zal ik jouw van vooren af beginnen te slaan, en altoos vleeschelyk met de rec„ten hadd verkeerd tot dat hij Conradi hebbende besbeurd dat zij relten van hem swanger was, aan haar invoegen, voorsz: gesegt had zoo gij een kind krijgt moet gij tegens souw noijje leggen, dat het van Adam „Basterd thans bij de lantb„e Willem grobbelaar woonagtig is, 't geen de vel„ten toemalige Lyfvrouw dikwerf aan die hottentot had gevraagd dog voor dien hotten tot niet is voldoende, beant„ „woord zijnde had deselve wanneer de relten van een blank of wit kind verlost was, aan dienselfde voorsz: bastert hottentot ter prae„ „sentie van de zel„en gevraagt of 't kind van hem was, 't geen zoo voorheen als toen, als door de hottentot was beantwoord van Neen - waar of derselve der zelten toenmalige lyfvrouws de rel„ten niet tegenstaande nog jong kraams was, bij Continuatie dagelyks soo geslagen en mis„ „hanvelt had, dat de zelten buijten staat was geraakt haar kind behoorlijk te kunnen oppoissen hebbende der zelten voorsz: Lyffvrouwe daarna de Oatjas zelten
English
would not permit the narratrix to help the said child and quiet it, no matter how much it cried, so that the narratrix's mistress had said to her more than once: if you get black children, I will let them be cared for, but not a white one. That the narratrix's child, having finally reached about nine months of age, had the misfortune of crawling into the fire, thereby burning one leg, which resulted in the child dying a few days thereafter; and upon inspection, the narratrix had found some welts and stripes on the child's buttocks, which had been inflicted upon it by the narratrix's aforesaid mistress both with a lath and with a knife sheath, the other slaves having said to the narratrix, while the narratrix wept over the loss of the child: you should be glad that the child is dead, for you have not had an hour of rest in a day. That the narratrix, having been about fourteen days out of childbed, her aforesaid then-master, the said Conradi, under the repeated and hereinbefore-mentioned threats, had carnally known her anew, until she, the narratrix, had become pregnant with the child she now has with her, whereupon the aforesaid Conradi had ordered the narratrix to say that the child was by a certain fellow slave boy of hers named Damon of Madagascar, with whom the aforesaid Conradi and his wife had ordered the narratrix to keep company, but in whose stead the narratrix had chosen another fellow black slave boy named Abraham of Bengal. That the narratrix, being about two weeks out of childbed, had gotten a so-called lump in the breast, which the narratrix's aforesaid mistress, while busy smearing it with fat, had substantially asked her: do tell me, girl, whose child it is, I will give you a hundred rixdollars; which the narratrix was afraid to answer truthfully, and thus maintained the statement of her master, the aforesaid Conradi, that the child was by the aforementioned Garrit van den Blijk, which the narratrix's mistress, not being willing to believe, had taken her to the garden, and having arrived there, the narratrix was ordered to cut a quantity of quince laths, which the said mistress had pointed out to her for the most part; which the narratrix's aforesaid mistress, having returned home, had herself passed through the fire, and thereupon, together with her daughter, having stripped the narratrix naked, had bound her hands and feet and sent her children out of the house. That the narratrix, thus bound and lying on her side, her mistress had called her master, who lay in bed, to beat the narratrix, which he had at first refused and said that his teeth or tooth ached too much, but that this could not excuse him, as he had been forced to come and beat the narratrix first with a bundle of fire-tempered quince laths and thereafter with a sjambok, which he had then done for so long until he could or would beat no more, his wife or the narratrix's mistress, the aforesaid Conradi, substantially [illegible]
Dutch transcription
relten niet wille permitteeren om't selve kind al schrij„ „de 't nog zoo, te mogen helpen en tot stilstand te bren „gen, zoo dat der telten Lijfvrouws, meer dan eens aan haar had gezegd, als zi swarte kinderen kry„ „gen, zal ik deselve laten oppassten maar geen wit„ Dat der rel„ten kind eyndelijk omtrend negen maan„ „den oud geworden zijnde 't ongeluk hebbende gehad van in't vuup te kruijpen daar door 't eene been te verbranden 't welk tot zyn gevolg heeft gehad dat het zelve weynige dagen daarna overleeden is en by besigting had de zelten be„ „vonde Eenige striemen en streepjes op de billen van't kind dewelke door der recten voorsz: lyf„ „vrouws zoo door met een Latje als mes scheede aan deselve waare toegebragt hebbende de andere slaven terwijl de rec„ten over 't verlies van 't kind weende tot de zelten had gesegt gy mogt blijde zyn dat 't kind dood is want vzij hebt geen uur op een dag rust gehad. — 1Dat de rec„ten omtrend veerthien dagen van 't kind oud kraams geweest zijnde haar voorsz toemalige Lyfheer gem: Conradi onder de meermale gedane, en hier bovengem: bedry„ „gingen of nieuw met haar vleeschelyk had geconverseerd, tot dat zij resten. van haar thans bij hebbende kind swanger geworden zijnde voorsz: Conradi haar zel„ter gelast had van te Leggen dat het kind van zeekere haren zelfe meede slaven Jongen gen„t damon van Mada„ „gascar was met welke voorsz: Conradi en zyn vrouw de zelten aangesegt had om ver¬ „keering te houden dog in welkens steede de zel„te een andere meede swarte slaven Iongen, genaamd Abraham van Bengalen gekoosen had. Dat de ret„ten omtrend twee weeken oud kraams zynde een zogenaamde klont in de borsh had gekreesen 't welk der rel„ten voorsz: Lyfvrouw, met vet besig zynde te smeeren, aan haar substantieelyk had gevraagt, zegt mij dog mijd van wie het kind is, ik zal zouw hondert J geeve 't welk de tel„ten bevreesd was na waarheyd te beantwoorden en dus het gesegde van haar lyfheer voorsz: Conradi staande hield dat het kind van voorm: garrit van den blyk was, 't geen der tel„ten Lyfvrouws niet hebben„ „de willen, gelooven, de zelven met haar na de thuijn genomen had en aldaar gekoomen zijnde, was de zelten gelast een parthij queepeen Latten die der zel„te Lyfvrouw haar voor ½ grootste gedeelte aangeweesen had, aftesnijden dewelke der tel„ten voorsz: lyfvrouws te huys gekoomen zijnde zelfs door 't vuur gehaald had, en daar„ „op neevens haar dogter de zelten nakend uyt„ „gekleed hebbende, hande en voeten geboeijd hadden en haare kinderen het huijs uijtgezonden Dat de rec„ten dusidanig geboeijd of zeyde Leggende haare Lijfvrouw haare zelten Lijfheer die te bedde dag geroepen om de resten te slaan, 't geen denselve ^ eerst geweijgert en gesegt had, dat zyn tande of tand te zeer war„ dan dat zulx hem niet konde vrij spreeken alsoo den selve genoodsaakt was geworden om te koomen, en de rec„ten eerst met een bos door 't vuur gehaalde quep eerlatten en daar na met een sjambok te slaan, 't welk denselven dan ook zoo lange had gedaan tot dat hy niet meer kunde nog willende slaan, desselvs huysvrouw ofte der zelfen Lijfvrouw, voorsz: Conradi substantieelijk Dat tot „te. —
English
until the same person had said to her mistress, how will it go if that girl dies, at which question her mistress had stopped striking, and having gone outside the house door had said to the deponent, just say that the child is by Cornelis van Eeden, then you will get no more beatings, which the deponent, having come into the house, had said to her mistress, whereupon they untied the deponent, and having been put down in a room on a sheepskin brought into the house expressly by the Hottentot woman Sara and [illegible], was locked in anew, which statement, however, the deponent's mistress still had not wanted to believe, as she had threatened the deponent that she would write a letter regarding this to the aforementioned van Eeden, and in case this should also be untrue, she would have the deponent tied to a ladder, whereupon, the deponent having fallen ill, her mistress had repeatedly beaten the deponent out of bed with the sjambok, threatening that she would let the aforementioned van Eeden search. That the deponent's fellow slaves, having daily pitied the deponent, finally two of them, named Abraham of Bengaalen and Batjoe of bougies, moved by compassion, had said to the deponent that they could no longer look upon the daily torment, had urged the deponent to go and complain, and thus on a Saturday night they had left the farm with the deponent. That the deponent, having first arrived with both the aforementioned slaves at the farm of the burgher Dewald andressen, had bought a loaf of bread there for two schellinge from the son of the same, as they had consumed nothing in two days; the same son, however, having asked them where they were going, and being answered by them, to the Landdrost to complain, the same had said, just go on; that in the meantime a son of the burgher Fredrik van Eeden, who was present there on horseback, having ridden past his own house, had returned, and said both to the deponent and to the other two fellow slaves, you must come to my father and mother; the deponent and both the above-mentioned slaves having also gone to that place, the wife of van Eeden had inspected her whole body and thereafter said to the deponent and her two fellow slaves, eat first and then you can go on, but that they had to wait by the river because the father of the aforementioned van Eeden would come to them, as he also did, and having brought them to the farm of the former heemraad Monsieur Botha, the deponent was brought into a room there, and her deponent's body was inspected both by the same Botha and by the burgher Carel Rog, who was present there, who both had also said to her, the deponent, come, you must not be ashamed when you arrive at swellendam, and you must just tell everything nicely because you have been grievously mistreated; the same Botta having sent a boy along with them as far as the farm of the burgher Hans Jurgen Botha, whose wife, having inspected the deponent, had advised the wife of the burgher Carel rog, who was present there and had also wanted to inspect the deponent, against doing so since she was pregnant herself; the deponent with both her aforementioned slaves subsequently going from there to the farm of the burgher
Dutch transcription
tot deszelvs der zel„te Lyfvrouws had gesegd, hoe zul het gaan als die meijd verrekt, of welke vraa der zelten Lyfvrouws opgehouden had, met staan en buyte de huysdeur gegaan zynde der zel„ Lyfhter gesegt had, zegt, dog dat het kind van Cornelis van Eeden, is dan zal je geen slagen, meer kreijgen 't welke de rel„te aan haar Lyf„ „vrouws in huijs gekoomen gesegt had waarop zi hel„ten Los gebonden, en in een kamer op een do de hollen tottinnen Sara Expresselijk in huijs ge„ „bragte schap en veel neder geset zynde of nieuws in loezen was geslooten welk gesegte egter der hel„ten Lyfvrouws als nog niet had willen gelooven alsoo zy de tel„ten had bedrijgt aan voorsz: van Eeden een brief dies wegens te zullen schrijven en ingeval zulx ook onwaar mogte zijn, zij de zel„ten op een Ladder zou doen binden waarop de zelten ziek geworden zynde haar Lyfvrouws haar telten telkens uyt het bed met de Sjambok had geslagen onder het bedrijgen dat zi voorsz: van Eeden, zoude La„ „ten zoeven Dat der zel„ten meede slaven dagelijks de relten hebbende beklaagd eijndelijk twee der „selver in naame Abraham van Bengaalen en Batjoe van bougies door meedelijden be„ „wogen tot de zelten gezegd hadden 't dagelijks teijsteren niet langer te kunnen aansien de rel„ten aangesprooken hadden om dog te gaan klagen, dusdanig met de relten dan ook of een Zaturdag nagt, van de plaats heen begeeven. — Dat de zelten met de beyde voorsz: slaven 't eerst op de plaats van den burger Dewald andressen, gekoomen zynde aldaar van de Loon van deselve, voor twee schellinge, een brood gekogt hadden, terwil in twee dagen niets genuttigd hadden, denselven zoon egter hun ge„ „vraagd hebbende waar of zij tt heen gingen en door hun geantwoord zinde na de Landdrost om te klagen had denselven gesegt gaat maar heen, dat inmiddens een zoon van den burger Fredrik van Eeden, die aldaar praesent wvas te paard na huijs hunts voorby gereeden zijnde weder te rug gekomen was, en zo aan haar helten als de andere beijde meede slaaven ge„ „sogt, Pulluy moet bij min vader en moeder koomen de zel„ten en de beide bovengem: slaven ook aldaar ter plaatse hun hebbende begeeven had de vrouw van van Eeden haar geheel Lig„ „haam besigtigd en daarna tot de rel„ten en haare beijde meede slaven gesegt, het maar eerst en dan kan sulluij heen gaan, dog dat zijl bij de zwvier moeste wagten alsoo de vader van voorsz: van Eeden, bij hun Lou koo„ „men, gelyk hy ook gedaan en hunl: tot de plaats van de oud beemraad mons: Botha gebragt hebbende was de helten aldaar in een kamer gebragt en zoo door deselve Botha als den aldaar praesent zijnde burger Carel Rog haar rel„te Lighaam besigtigd dewelke bij de dan tot haar rel„ten ook gesegt hadden komt je moet niet beschaamd weesen als je of swellendam komt en sy moet 't alles maar mooij zeggen wantje ben deerlyk mishandeld, hebbende denselven Botta een Jongen meede gegeeven tot op de plaats van den burger Hans Jurgen Botha wiens vrouwe haar zelten hebbende besogtigd aan de aldaar praesente vrouws van den burger Carel rog die haar helten ook had willen besigtigen afgeraden had zulx te doen dewijl zy zelve swanger was, de zelten met de beijde haare voormelde slaven van daar vervolgens na de plaats van den Our„ brood. ger — 733 re
English
burgher Daniel Steijn, whose wife having likewise inspected the deponent had provided a small Hottentot to accompany her as far as the farm of Christoffel Rog, where the deponent had slept with both the other slaves, and having been brought from there the following day with a small Hottentot to Swellendam to the petitioner, had recounted to him the entire incident, which the deponent believes to have been about fourteen to fifteen days before the new year or the first day of this year. That the deponent having been inspected the day thereafter by the surgeon Montoba, he had stated to her after that inspection that she was, so to speak, beaten to pieces. That a few days thereafter the petitioner's former master, the aforementioned Coenradi, having come to the petitioner at Swellendam, and the deponent having been brought into his presence, she had once again shown her entire body, which was so full of such open wounds that to this day the visible marks, which she, the deponent, showed to the undersigned commissioners, as well as from the irons in which she had mostly been fettered, may still serve as proof; just as the deponent, in the presence of the petitioner, had also shown to the same, her former master the aforementioned Conradi, the child presently with her named Rosina, and had asked him whether it was not his child, the aforementioned Conradi had said to the petitioner that it was his child, and with folded hands weeping bitterly had declared to the petitioner that he did not know how he had come to that misfortune, simultaneously having begged the petitioner, for the sake of rest and peace between him, Conradi, and his wife, to please buy the girl, the petitioner had told him, Conradi, that he could not well do so, since people would see the signs of mistreatment too clearly and complain about it, whereupon the deponent at the request of the aforementioned Conradi was ordered to step down. Declaring lastly, the deponent, never to have had carnal conversation with any other person than with the aforementioned Conradie or her former master, and that the whitish hair and light blue eyes of the child presently with her, as well as of the one already deceased, showed the same, and her former master neither before nor after, nor coming into her presence, will ever or can deny this. Declaring nothing further, the deponent gives as reasons of knowledge as in the text, offering to always further substantiate the same. Thus related at the Cape of Good Hope, the 17th of July 1783, before the honorable Tobias Christiaan Ronnenkamp and Johannes Smuts, members of the honorable Court of Justice aforesaid, who have duly signed the original hereof together with the deponent and me, sworn clerk. Below: Which I witness. Was signed: H: L: Bletterman. No. 7. Re-examination. Appeared before the undersigned commissioners from the honorable Court of Justice of this government, the female slave Jannetje of the Cape, who, having this her preceding report read out to her clearly and distinctly word for word, declared to persist thereby, not desiring that anything more should be added thereto or taken therefrom; and furthermore declared in the presence of the burgher Hendrik Memeling as attorney of the fellow burgher Fredrik Hendrik Conradi that the preceding is the pure truth. Thus re-examined at the Cape of Good Hope, the 20th of May 1787. Was signed: and inscribed there: this cross has been placed by the slave Jannetje of the Cape by her own hand as being unable to write. Below: In my presence. Signed: J: L: Bletterman, sworn clerk. In the margin: As commissioners, signed: J: H: Cruywagen, and Johannes Smuts. I, the undersigned, acknowledge to be the truth, that in the month of December, the exact day unknown, my son Luijk came from my neighbor, Dewalt Andriesse, and said that there were two boys and a girl belonging to the burgher Fredrik Hendrik Conradi going to Swellendam to complain; I sent my son to fetch the slaves, and they came to me in the yard; I wanted to send the female slave home, but the girl showed me her body, and I saw that she was miserably and wretchedly beaten, and the girl told me that her master Coenradi wants her to say that the child was by my brother-in-law Cornelis van Eeden; then my husband Fredrik van Eeden brought the slaves to the former heemraad Monsieur Jacobus Boota; being required, I shall always confirm the above with an oath. Bossemanspad, the 29th of June 1783. Was signed: Cornelia van Deventer, wife of Fredrik Jacobus van Eeden, the elder. Re-examination. Appeared before us, undersigned commissioners from the honorable Court of Justice of this government, the aforementioned Cornelia van Deventer, wife of Fredrik Jacobus van Eeden, who, having this her above statement read out to her clearly and distinctly, declared to persist thereby, not desiring that anything more should be added thereto or taken therefrom, and therefore spoke, in confirmation of the truth thereof, in the presence of the burgher Hendrik Memeling as attorney of the burgher Fredrik Hendrik Conradi, the solemn words: So help me God Almighty. Thus re-examined and sworn at the Cape of Good Hope.
Dutch transcription
„ger Daniel Steijn, wiens vrouw haar zel„ten mee„ „de besigtigd hebbende een kleyne hottentot had meede gegeeven tot de plaats van Christoffel Rog alwaar zij helten met de beyde andere slaven ge„ slapen en des anderen daags van daar met een kleijne Pottentot tot Swellendam bij den req„t gebragt zinde aan denselven 't geheele geval verhaald had, 't geen de tel„ten vermeend omtrend veerthien à vyfthien dagen voor 't nieuwe Iaar of de Eerste dag deeses jaars geweest te zi3. — Dat de rel„ten daags daaraan door den Chirur„ „gijn Montoba besigtigd zijnde, na die besig„ „tiging aan haar betuijgd had dat zy om zoo te zeggen in stukken geslagen was. Dat eenige weijnige dagen daaraan tot Swellendam bij den reqt. gekoomen zynde der req„te toenmalige Lyfheer voorsz: Coenradi den zelter ter praesentie van denselven gebragt zijnde haar geheel Lighaam nogmaals had ver¬ „toond dewelke vol van zodanige opene wonden was dat tot heeden de Ligtbaare teekenen, die zij zelten aan den onderget: gecommitt:s soo wel als van de boeijen waaren zij meester¬ „deels gekluijsterd is geweest quam te vertoonen, als nog tot een bewijs kunnen dienen, gelijk de relten. almeede aan den sal„ „ven haaren toenmalige Lyfheer voorsz: Conradi ter praesentie van den reqt. haar thans bij haar hebbende kind genaamd Rosina vertoond en aan denzelven gevraagd had of het niet zyn kind was voorsl: Conradi aan den req:t gesegd had, sa 't zyn kind te zyn en met te zamen gevouwen handen al weenende aan den reqt. betuijgd niet te weeten hoe hy tot dat ongeluk was gekomen teffens de reg„ts Recollement. Compareerde voor de onderget: gecommitt:s uit Aldus gerelateerd aan Cabo de Goede Hoof„ den 17. July 1783. voor d' Ed„s Tobias Christiaan Ronnenkamp en Ioh,„s Smuts Leeden uyt den E: Agtb: raad van Iustitie voorm: die de mente„ „te deeses beneevens den rel„k end mij geswclerog meede behoorlijk hebben onderteekend /:lager:/ 'T welk ik getuijge /:was geteekend:/ H: L: Bletterman. /:onderstond:/ gebeeden had dat den req„t tot rust en vreede van hem Conradi met zyn vrouw, dog de mijd wilde verkoopen den req„t tot hem Conradi gesegt had van zulx niet wel te kunnen doen, terwijl de menschen de teekenen der mishandeling te klaar zoude zien en daarover klagtig vallen waarof de rel„te op het versoek van voorsz: Conradi was be„ Betuijgende de tel„te Laatstelijk nooyt met eenig ander persoon als met voorsz: Conradie ofte haren voormaligen Lyfheer vleeschelyk te hebbe geconverseerd en dat de witagtige hairen en Ligtblauwe oogen van't thans bij haar heb„ „bende kind zoo wel als van 't reeds overleedene 't zelvs aantoonde en haar voormalige Lyf„ heer zoo voor als na, nog ter haren praesentieng koomende nimmer zulx zal nog kan ontkennen van Niets meer verklaarende geeft den zel„t voor reedenen van weetenschap als in den text prae„ „senteerende het zelve altoos nader te staaven.. „voolen afte treeden. 5/0 gebeeden des - N„o 7. „ments de Navinne Pannetje van de Caab, de„ „welke dit haar voorenstaande Relaas van woorde tot woorde klaar en duijdelyk voor„ „geleesen wesende verklaarde daarbij te persi„ „steeren niet begeerende dat er iets meer bijgevoegd ofte van gedaan werden zal; En betuijgde voorts ter praesentie van den burger Hendrik Memeling als gemagtigde van den meede burger Fredrik Hendrik Conradi het voorenstaande de suijvere waarhyd te zyn. /:onderstond: den E: Achtb: Raad van Justitie deeses gouverne„ Aldus gerecolleert aan Cabo de Goede Hoof den 20 Maij 1787. /:was getekend: /: en daar omschreeven:/ dit kruijs heeft de slavinne Iannetje van de Caab als niet kunnende schryven eygenhandig gesteld. /:lager:/ My praesent /:getekend:/. I: L: Boetterman. Gesw: Clercq, /:in margine:/ Als gecommitt„s /:getee„ „kend: J„s H„k Cruywagen, en Ioh„s Smuts. k onderget: bekenne de waarhyt te syn, dat in de maand decembers de regte dag onbewust mijn soon luijk is gekoomen van myn buur¬ „man, dewalt Andriesse, en gesegt dat ir twee Jongens en een myt van den burger Pre„ „drik Hendrik Conracti na swellendam ging om te klaagen, ik myn soon gesonden, om de slaven te haalen, en sy syn by my op de werf gekomen, ik heb de Havin na huys willen sende maar de myd heeft myn haar lyf geweesen, en ik heb gesien dat sy deerlyk en Aldus gerecolleerd en B'Eedigt aan Cabo de Compareerde voor ons onderget: gecommitt„s uijt den E: Agtb: Rade van Iustitie dezes gou„ „vernements, voorm: Cornelia van deventer, huysvrouw van Fredrik Jacobus van Eeden, dewelke deese haare bovenstaande ver„ „klaring klaar en duydelyk voorgeleezen. weezende, verklaarde daar by te parsistee„ „zen niet begeerende dat er iets meer bij ofte afgedaan werden sal, en sprak dierhalven ter bevestiging der waarhijd van dien ten praesentie van den burger Hendrik Memeling als gemagtigde van den burger Fredrik Hendrik Conradi de solemneele woorden, soo waarlyk helf my god Almagtig /:onderstond: Recollement. /:onderstond: Bossemans, pat, den 29 Junij 1783. /:was geteekend:/ Cornelia van de venter, huijs vrouw van Fredrik Jacobus van Eeden, de ouden. elendig geslaagen was, en de mijt heeft myn gesegt dat haar baas Coenradi hebben wilt dat sij segge moet dat het kind van myn swager Cornelis van Eeden, was doen heeft mijn man fredrik van Eeden, de slaaven ge„ „bragt tot bij den out heemraad monsuur Jacobus boota; dit boovenstaande vereijst wordende sal altijd met eeden bevestigen: elendig goede verte
English
No 8 Good Hope the 20 December 1784. was signed: Cornelia van deventer lower: in my presence: signed: H: L: Bletterman sworn Clerk in the margin: As commissioners signed: P: C: Warneck and P:s karnspek:— I, the undersigned Adrianus Montauban, admitted burgher Surgeon, attest hereby, that having to be at the residency for some private affairs, my Lord the Landdrost C: W: van Onkruijd requested me to examine and inspect a slave girl named Iannetje van de Caab, belonging to the burgher Fredrik Hendrik Coenradij residing behind kogmans klogt: and found the said girl to be terribly beaten, such that her shoulders, back, down to the legs inclusive were not free of open gashes, all this in the presence of the above-mentioned Lord Landdrost and his wife, whom I the undersigned therefore advised, on account of the state of pregnancy in which that lady found herself, rather to put the girl out of the house: in order not to risk later No 9. that any distress be brought upon her or the child she carried. All the above I the undersigned, if required, can confirm by Oath. below stood: Swellendam 14 december 1782. was signed: Ad:s Montauban as above. Examination Appeared before us the undersigned commissioners We the undersigned declare the truth to be that the burgher Fredrik Hendrik Coenradi, on his journey back from swellendam with his two slave boys in the month of december, called at my farm, and I asked him, Coenradie, where is your girl who went to swellendam to complain, and he, Coenradie, answered me, that beast I do not want in my house again, for she is a thief, I gave her to the Landdrost to sell, and if the Landdrost cannot sell her, he shall keep her for himself. Thus Re-examined and Sworn at Cabo de goede Hoop the 20 december 1784. was signed: Ad:s Montauban lower: in my presence signed: H: L: Bletterman sworn Clerk in the margin: as commissioners signed: P: C: Warneck and P:s karnspek below stood: from the Honorable Council of Justice of this government, the aforementioned Adrianus Montauban, to whom this his preceding declaration having been read out clearly and distinctly, declared to abide by and persist therein, desiring that nothing more be added or removed; and spoke therefore in confirmation of the truth thereof in the presence of the burgher Hendrik Memeling as authorized agent of the burgher Fredrik Hendrik Conradi the solemn words So truly help me God Almighty. eight This No 11. truth thereof in the presence of the burgher Hendrik Memeling, as authorized agent of the burgher Fredrik Coenradi the solemn words So truly help me God Almighty. below stood: Thus Re-examined and Sworn at Cabo de goede Hoop the 20. december 1784: was signed: Carel pietersse Rogge lower: In my presence. signed: H: L: Bletterman sworn Clerk. in the margin: As commissioners signed: P: C: Warneck and P:s karnspek. — By virtue of the Decree of the Honorable Council of Justice of the government at Cabo de goede Hoop, granted under date 31 July of this year; and annexed hereto in authentic copy extract, the court messenger Christoph Fredrik Wotky shall, in the name and on behalf of me, the undersigned Constant van Nuld Onkruijdt, Landdrost of the Colony swellendam, proceed to the person or the domicile of the burgher Fredrik Hendrik Conradi and duly and lawfully summon the same to appear in person on Thursday the 9. October next at nine o'clock in the morning, or, that being no court day, the first court day following thereafter, before the said Honorable Council, in order to hear such claim and conclusion, request or requests as the undersigned, by reason of office, shall then deem necessary to make and take against the said Conradi, to answer thereto and further to proceed as according to law. Serve properly, give a copy if requested. Swellendam the 13 August 1783. was signed: C:t van Nuld Onkruijdt — below stood: Summons in the name and on behalf of me, the undersigned Constant van Nuld onkruijd, Landdrost of the Colony Swellendam, before the Honorable Council of Justice of the government of Cabo de goede Hoop, for Thursday, being the 6: November of this year, and, that being no court day, the first court day following thereafter, at precisely nine o'clock in the morning, Elizabeth Rossouw, wife of the burgher Fredrik Hendrik Conradi, in order, in the case of abuse committed against the slave woman Iannetje van de Caab, to hear such written claim and conclusion as shall be made and taken by me, the undersigned, ex officio, to answer thereto and further to proceed as according to law. Serve properly, give a copy if requested, and report your return in writing. Court messenger Christoph Fredrik Wotky. Swellendam the 13 August 1783. was signed: C:t van Nuld Onkruijdt. — if requested, and report your return in writing touching below stood:
Dutch transcription
N„o 8 goede Hoop den 20 December 1784. /:was getee„ „kend:/ Cornelia van deventer /:lager:/ mij prae„ „sents: / geteekend:/ H: L: Bletterman gesw Clercq /:in margine:/ Als gecommitt:s /:geteekend:/ P: C: Warneck en P:s karnspek:— Ik onderget: Adrianus Montauban geadmitteerd burger Chirurgijn, attesteere met deeze, dat om eenige particuliere affaires ter drostdijen moest wezen, mijn heer den Landdrost C: W: van On„ „kruijd mij heeft verzogt ter visitatie en beschou„ „winge van een slaave meijk genaamt Iannetje van de Caab, toebehoorende aan den burger Fre„ „drik Hendrik Coenradij woonende agter kog„ „mans klogt: dezelve meyjt bevonden heb; te zyn deerlyk geslaagen, zoo dat haar ^ schou„ „ders, rugge, tot de beenen in Clusive niet vrij van openen na den waaren, dit alles ter praesentie van bove gemelde Heer Landdrost en deszelvs huysvrouw, die ik onderget: daar „om hebbe geraaden wegens de staat van Ran„ „gerschap waar in die Juff„w zig bevond liever de meijt buijten huijs te doen: om naderhand N„o 9. geen nood te hebben van zij of haar kindt het geene zij droeg eenig ongemak toe te bren„ ger. Al het bovenstaande ik ondergeteekende des gerequireerd wordende met Eede kan staaven. /:onderstond:/ Swellendam 14 december 1782. /:was ge„ „teekend:/ Ad„s Montaulan ut Supra. Recollement Compareerde voor ons onderget: gecommitt„s Wij onderget: verklaren, de waarhijd te zyn dat den burger fredrik Hendrik Coenradl in zyn te rug rijs van swellendam, met zyn twee slaven Jonges, in de maand december, bij min op de plaats aangeweest is, ik hem Coenradie ge„ „vraagd hebd, waar is pou meijt, die na swel„ „lendam gegaan is, om te klagen Hy Coenrdie mij geantwoord heeft, die beest wil ik in mijn huijs niet weer hebbe, want het is een, dief ik heb haar aan de Landdrost ge„ „geeven om te verkoopen, en als de Landdrost Haar niet verkopen kan, zal hi haar voor hem zelvs houwen, Aldus Gerecolleerd en B'Eedigt aan Cabo de goede Hoop den 20 december 1784. /:was getee„ „kend:/ Ad„o Montauban /:lager:/ mij praesent /:geteekend:/ A: L: Bletterman geswClercq /:in margine:/ als gecommitt:s /:geteekend:/ S: C: Warneck en P.:s karnspek /:onderstond uijt den E: Agtb: Rade van Justitie dezes gouver„ „nements, voorm: Adrianus Montauban, dewelke deze zyne voorenstaande verklaaring klaar en duijdelijk voorgeleezen weezende verklaarde daar bij te blyven persisteeren met begeerte dat er niet meer bijgevoegt ofte afgedaan werden zal; En sprak dierhalven ter bevestiging der waarhijd van dien ter praesentie van den burger Hendrik Memeling als gemagtigde van den burger Fredrik Hendrik Conradi de Solem „neele woorden soo waarlijk helf mij god Al„ „magtig. agt Deese N:o 11. hijd van dien ter praesentie van den burger Hendrik Memeling, als gemagtigde van den burger Fredrik Coenradi de Solemneele woorden soo waarlyk heef my God Almagtig. :onderstond: Aldus Gerecolleerd en B'Eedigt aan Cabo de goede Hoop den 20. december 1784: /:was get:/ Carel pietersse, Rogge /:lager:/ Mij praesent. /:geteekend:/ I: D: Bletterman gesw Clercq. /: in marginen :/ Als gecommitt„s /:geteekend:/ L: C: Warneek en J:b karnspek. — Uijt kragte van het Decreet van den Edele Agtbaren Rade van Iustitie des gouvernements aan Cabo de goede Hoop, sub dato 31 Julij dezes jaars verleend; en desen in Copia authenliqq Extract geannex„ „eerd zal de geregtsbode Christoph Fredrik Wotshi zig uit naam ende van wegens my onderget: Con„ „stant van Nuld Onkruijdt Landdrost der Colonie swellen dan vervoegen aan den persoon ofte de woonstede van den burger Fredrik Hendrik Con„ „radi en denzelven wel ende wettig Dagvaaren omme of donderdag den 9. October eerstkomende smorgens de klokke Negen uuren, ofte als dan geen Regtdag zijnde, den eerster Regtdag daar aan volgende in persoon te Compareeren voor welgem: Edelen Agtbaren Rade ten zynde te aanhoren zodanigen Eijsch en Conclusie, verzoek ofte verzoeken als den onderget: Ratione officie als dan zal nodig oordelen tegens denzelven Conradi te doen ende te nemen, daar op te antwoorden en voorts te procederen als naar Regten. Exploteert behoorlijk geeft Copia des Bogeerd Sweltendam den 13 Augustus 1783. /:was ge„ „teekend :/ C:t van Nuld, Onkruijdt — /:onderstond:/ Dagvaart uit naame ende van wegens mij onderget: Constant van Nuld onkruijd, Landdrost det Collonie Swellendam, voor den Ed:e Agtbaare Rade van Justitie des gouvernements van Cabo de goede Hoof, tegens donderdag zullende zyn den 6: November dezes Jwars, ende als dat geen Regtsdag zynde, den eersten Regtdag daar aan volgende 's morgens de klokke proecies Negen teuren Elizabeth Rossouwn, huysvrouw van den burger Fredrik Hendrik Conradi, omme in Cas van gepleegde Mishandeling aan de slavinne Iannetje van de Caab, te aanhoren zodanigen schrif„ „telijken Eijsch ende Conclusie als door mij onder„ „get: Amptshalfen zal worden gedaan, en de genomen daar op te Antwoorden ende voorts te procedeeren als na Regten. Explouteert Behoorlijk, geeft Copia des Begeerd werdende en Relateerd tun wedervaa„ „ren in geschriften Geregtsbode Christoph Fredrik Wotky. Swellendam den 13 Augustus 1783. /:was geteekend:/ C:s van Huld: Onkruijdt. — werdende en Relateerd ui wedervaren en geschriften roerdende ƒ /:onderstond:
English
No 12. I, the undersigned Court Messenger, have duly delivered these accompanying two citations, which were handed to me by the Honorable Landdrost Constand van Nuld Onkruijdt, by copy via the citizen Fredrik Jacobus Vogel, to the citizen Fredrik Hendrik Conradie, as well as his wife Elisabeth Rossouw, on 14 August, at their house; whereupon, nor to my letter attached thereto, no answer has followed. — beneath stood: Swellendam the 18th of August 1783 was signed: C: F: Wothij, Court Messenger. lower: NB. I was indisposed to be able to do the service of process myself. Appeared before the Honorable Worshipful Council of Justice of this government the Landdrost of the district of Swellendam, Constand van Nuld Onkruijdt, ratione officii Prosecutor in criminal case, of the one part, On and against The citizen and farmer Fredrik Hendrik Conradi, defendant in the aforesaid case, of the other part, Article 1. And did say: 2. That pursuant to the interlocutory sentence annexed hereto under Letter A. Article 3. The Prosecutor ratione officii having examined the defendant on such interrogatories as were drawn up for that purpose. 4. That from the replies given by the defendant to the said interrogatories, it appeared to the Prosecutor ratione officii that he could not continue to proceed extra-ordinarily 5. concerning the crimes charged against him, the defendant, 6. since he, with respect to the atrocious injuries inflicted upon the Prosecutor ratione officii in the petition presented by his, the defendant's, wife, excused himself 7. with the claim that the said petition was not presented by his doing or with his knowledge, but at the instigation of the Commandant of the Swellendam invalids, Jacob van Reenen, as well as the insults inserted therein, to which he, van Reenen, apparently considers himself entitled, 8. Also, both for that reason and to give the defendant proper opportunity to be the better able to present his defenses, 9. requested of Your Honorable Worships that the defendant might be admitted to an ordinary process, provided that he might be served therein by an advocate or counsel, 10. as Your Honorable Worships have also been favorably pleased to approve this. 11. That the case having been brought into that state, the Prosecutor ratione officii now also, under respectful correction, believes he must deal with the crimes committed by the defendant in such a manner as the true and substantial circumstances dictate. 12. And whether the total pertinent denial of the crimes charged against the defendant can acquit him of the general statutory punishments. Article 13. That the defendant in this case had carnally cohabited with the female slave Jannetje van de Caab, 14. and that this cohabitation had as its consequence that she brought forth white or fair children, 15. And that, in turn, the bringing forth of those white or fair children gave occasion, or was the cause, that she, the female slave, was mistreated both by the defendant and by his wife. 16. And that this mistreatment was so inhuman and barbarous, and so contrary to the expectation of a Christian, that two heathens, and indeed two others of her fellow slaves, moved by pity, assisted the female slave and were helpful to her in bringing her rightful complaints to the knowledge of the Prosecutor ratione officii. 17. That, says the Prosecutor ratione officii, can appear from the probable circumstances in the account given by the female slave Jannetje in the presence of the Gentlemen Commissioners from this Honorable Worshipful Council, 18. as it were, and become sufficiently proven, 19. if one examines the context of that narrative with close reflection, 20. for then indeed no one will be able to prove 21. that, according to the state and the condition in which that female slave was born and brought up, 22. such a matter with such circumstances as appear in that account could be feigned, false, and fabricated. 23. The latter has been convincingly proven, 24. that that female slave, namely, has been mistreated inhumanly and very barbarously, Article 25. since that female slave showed the marks thereof to the Gentlemen Commissioners from this Honorable Worshipful Council. 26. And the cause of this mistreatment is, beyond the concurrent probable circumstances which the female slave gives in her story, sufficiently confirmed by the wife of van Eede. 27. Through the shown signs of the mistreatment committed upon her, that female slave had aroused enough pity in the heart of that woman to be of assistance to her, 28. such as she needed, without that woman having made any inquiry into the reasons thereof, 29. to say of her own accord: "Because my master (the defendant in this case) wanted me to say that the child of which I was delivered was from Cornelis van Eede." 30. That above and besides all this, the Prosecutor ratione officii trusts that Your Honorable Worships will wish to place beyond all further doubt 31. the oral confession made by the defendant himself to the Prosecutor ratione officii with wet, tearful eyes: 32. that the children begotten with the female slave Jannetje were his, 33. and that he, the defendant, did not know how he had come to that point, 34. continually to cohabit carnally with that female slave, 35. and which had caused a continuous discord and dissension between him and his, otherwise, ill-tempered wife. 36. The Prosecutor ratione officii having deduced and verified the crimes charged against the defendant from sufficient probable circumstances.
Dutch transcription
N„o 12. Onderget: Geregts Boode hebbe deese nee„ „vensgaande twee Citatien die mij door den H der Land drost Constand van Nuld Onkruijdt, is ter hand gesteld; behoorlijk door Copij met den burger Fredrik Jacobus Vogel, aan den burger Fredrik Hendrik Conradie, beneevens syn huijsvrouw Elisabeth Rossouw den Netu„ „gust, ten huijze besorgt; waarop, of mijn daar by gevoegte brief geen antwoord is gevolgt. — /:onderstond: Swellendam den 18 Augustus 1783 /: was geteekend:/ C: F: wothij. Geregtsbooden. /:laa„ „ger:/ NB. ik was onpasselijk omme het A„ „plout selfs te kunnen doen. ompareerde voor den Edele Acht„ „baare Raade van Justitie deeses gouvernements den Landdrost des distrehts swellendam Constan van Nuld Onkruijdt Ratione officie Eysscher in Cas Crimineel ter Eenre Op ende Jeegens. Den burger en Landbouwer Fredrik Hendrik Conradi ged„e in't voorsz: Cas ter andere zyze Ar h: 1: Ende deede zeggen. „ 2. Dat ingevolge interlocutoire vonnis deesen sub L: A: geannexeerd. Art. 3. de Rat: off: Eijsscher hebbende doen hooren den ged„e en deesen of zodanige vraagpoincten als tot dat eijnde waaren geformeerd. „ 4. Dat uijt de responsiven of deselve vraag poincta door den ged„e gegeeven aan den Nak: a: Eyss„r toegescheenen zijnde, niet te kunnen blijven Extra Ordinair voor't procedeeren 5 op de hem ged„en ten lasten gelegde Misdader 6 alzoo hij ten opzigte der aan den zak off Eysscher bi het door zyn gede huysvrouws gepraesenteerd veronschuldigt. 7 met dat 't zelve request niet door zyn toedoen of met zyn weeten was gepraesenteerd, maar of instigatie van den Commandant der Zwellendamse invalides Jocob van Reenen zoo wel als de daarby geinsereerde Jnjurien, waar toe hy van Reenen na 't schijnd meend beroegt te zyn 8 Ook zo om die reeden als om den ged„en behoorlijke geleegentheid te geeven zyne defensien des te beeter te kunnen bybrengen 1 9 van uwel Edele Achtb: verzogt dat den ged„en mogt werden geadmitteerd in een ordinair proces mits dien door voorspraak off taalman mogte werden bediend. „10 zo als uwed: Agtb„s dit ook gunstig hebben ge„ „lieven te Approbeeren. „ dat de zaake in dien staat zynde gebragt de „hat. off Eysscher ook nu onder eerbiedigen Cor„ „rectien vermeend, de misdaden, door den ged„e begaan dusdaanig te moeten afhandelen als de waare en wezerdlijken omstandigheeden meede „12 En of de totale pertinenten ontkentenisse der aan den ged„e ten lasten gelegde misdaden hem van de algemeene gestatueerde straffen vryspreeken, brengen. request toegebragte attroce Jnjurien zig heeft L: A: Art13 1 kan. Art 13, Dat den ged„e in deezen zig vleeschelyk met de sla„ „vinne Jannetje van de Caab heeft vermengd gehad „vte en dat die vermenging tot zyn gevolg heeft gehad dat zy witte ofblancke kinderen heeft voort„ „gebragt „15 En dat weederom het voortbrengen dier witte off blanke kinderen geleegentheid heeft gegeeven, of oorzake zij, dat zy Havinne zoo door den ged„e als zyn huisvrouws is Meshandelt geworden. „16 en dat die mishandeling zo ontmenscht en bassaars en zo strijdent aan de verwagting van eenen Christen is geweest dat twee Heijdenen en wel twee anderen haarer meede slaven door meedelijden bewoogen, die slavinne aan de hand hebben gegeeven, en haar behulpsaam zyn geweest hunne regtmatigen klagten aan den Rak: off: Eysscher ter kennisse te brengen. 17 dat zegt de rat: off: Eysscher kan uijt de waar„ „schynelyke omstandigheeden in het Relaas ten overstaan van Heeren gecommitt„s uyt deesen Edelen Agtbaaren Rade, door de slavinne Jannetje ge„ „geeven voortkomende. „18 als het waare en genoegzaam voldoende worden „19 wat gaat men met nauwkeurige reslexie na de Context van dat verhaal„ „zo dan zal immers niemand in staat zijn te kun„ „nen bewijzen. — „21. dat na mate den staat en den toestand waarin die slavinne gebooren en ofgevoed is „ 22 eene dergelyke zaak met zodanige omstandig „heeden als in dat relaas voorkomen gefin„ „geerd valsch en verdigt sal kunnen zijn. „ 23 het Laatste is overtuygende beweesen. „ 24 dat die slavinne, namentlyk ontmenscht en seer barbaarsch is mishandeld geworden aangetoort. — Art: 25, alzo die stavinne de teekenen daar van aan Heeren gecommitt:s uijt deesen Edele Agtb: Rade heeft vertoond. „ 26 en de oorsaak van deese mishandeling word buijten de zamen Loopende waarschinelijke omstandighee„ „den, die de slavinne bij haar verhaal doet, ge„ noegzaam door de vrouw van van Eede beves„ 27. die slavinne had door de vertoonde tekenen der aan haar gepleegde mishandeling medelyden ge „noeg in het hart van die vrouw verwekt om haar behulpzaam te zijn. „28 als dat zij nodig had zonder dat die vrouw eenig navraag na de reedenen daar van had „29 uyt eygen beweeging te zeggen, om dat myn baas 1. den ged„e in deesen:/ hebben wilde dat ik zeggen zoude het kind waarvan ik verlost ben van Cornelis van Eede te zyn. „ 30. dat booven en behalven dit alles den Rak: off: Eysscher vertrouwd dat uwelEdele Agtb„s buijten alle verderen twijffel zullen willen stellen. „ 31. de eygen mondige door den ged„e aan den Rat: off 't Eijsscher met nat betraande oogen gedaane Confessie „32. dat de bij de kinderen door de Mavia Jannetje voortgeteelt, de zyne waaren „83 en bij ged„e niet wist hoe daar toe was over„ „gegaan. „ 34. bij aanhoudentheid met die slavinne zig vleesche„ „lyk te vermengen. „ 35 en, het welk een Continueele turst en twedragt, tusschen hem en zijne buyten des quaad aardige huijsvrouw had verwekt. „ 36 Do rat: off: Eysscher de aan den geden ten Laste geleg„ „de Misdaader uijt de genoegzaame waarschijnelyken omstandigheeden gededuceerd ende gevertifieerd gedaan. „tigd Art 25 hebbende
English
having. Article 37: now also believes, in the second place, subject to wiser judgment, to deduce the probability of the proofs from the laws applicable in this regard, 38 before he can proceed to the punishments established for the crimes committed by the defendant. 39 And then, in this matter, no small consideration should be given to what Mr. van Hogendorp says in his translation of Carpzovius, Part II, Chapter 106, Article 25: "if a minor crime and a slight injury are dealt with, or if this and that presumption coincide with a single witness, in which case, according to some jurists, the crime is proved by a single witness and the accused is convicted." 40: and subsequently at Chapter 108, Paragraph 6: "prominent jurists are of the opinion that from mere presumptions, even in secret crimes, a referral for sentencing is proceeded to. 41. Just as, in the committing of fornication or adultery, no one is called as a witness, since it is always accomplished in a secret and hidden manner." 43 And which opinion of Mr. Carpzovius is again given even stronger light by the XIVth Definition or explanation of Mr. van Sande, Page 113, where it is said: "for the multitude of many probable and not strictly necessary signs assures someone of the matter, and moves the Judge so that he cannot believe otherwise than that the crime was committed by the accused, etc." 44 The Officer, Plaintiff ratione officii, through the laws cited here before, with all due respect, having sufficiently proven the first crime committed by the defendant, Article 45 and from which the second crime committed by the defendant is naturally most clearly evident, as well as from the visible marks which the female slave displayed to the commissioner gentlemen upon giving her account, 46 the Officer, Plaintiff ratione officii, in order not to occupy the attention of Your Noble Worships uselessly any longer, shall briefly indicate 47: the punishments which are established for the same crimes and which the defendant has incurred. 48. And regarding which punishment the aforementioned Mr. Carpzovius, Part II, Chapter 47, Paragraph 1, etc., and 28, Moorman, Book 2, Chapter 13, Verse 6, Simon van Leeuwen, Roman-Dutch Law, 4th Book, Chapter 37, Section 8, the Ordinance on Criminal Justice, Article 60 in the notes, and a multitude of other Doctors of Law, 49. besides the Statutory Laws of the Indies under the heading Fornication and Adultery, 50. all say that a married person having committed adultery with an unmarried person shall be declared infamous, forfeit their office and status, and be rendered incapacitated, as well as, according to the statutory laws of the Indies, in addition to a fine of One Hundred Rix-dollars, 51 while on account of the ill-treatment committed by the defendant against the slave woman Jannetje, being the second crime of the defendant, 52 no other law ought to come into application cited 53. and which principally seems to consist in this, 54 that besides a fine, the perpetrator is deprived of the means through which he would seek to satisfy his vengeful mind, as has been practiced at this place to the present day. Article 55
Dutch transcription
hebbende. Art: 37: meend nu ook In de tweede plaats /onder wijser oordeel / uyt de ten deesen opligte in appliaatien koomende wetten af te lyden de probabiliteijt der bewijsen 38 alvoorens hij kan overgaan tot de op de door den ged„e gepleegde Midaader bepaalde straffen„ 39 En dan behoord alhier in geen geringe Consideratie te koomen het geen de Heer van Hogendorp in zyn vertaalden Carplovius I1 D: 106 Hoofdst:d A: 25: Zeg: „indien over een ligte misdaad en een gering nadeel „gehandelt, worde, of zoo deeze en geene onderstel„ g met een enige getuijgen te zamenloopen, „len „ In welk geval de misdaad naar het zeggen, „van Sommego Regtsgeleerde door eenen eenigen getuijgen beweesen ende beklaagde overluygd „word. 40: en vervolgens bij het 108 hoofdstuk I: 6: voorname „ Regtsgeleerde zijn van gezagten, dat uit „bloote vermoedens blyken, zelfs in verborgenen „misdaden ter verwijzinge word overgegaan. „ 41. gelyk bi het pleegen van hoereryen of overspel nie„ „mand als getuijgen word bygeroepen. „tez haar altoos over eene hymelijken en verborgene wijze word volbragt: 43 en welk gevoelen van den Heer Carplovius wee„ „derom nog sterken ligt word bygezet door de XI V. Definitie ofte verklaring van de Heer van Sanden Pag: 113 alwaar gezegd word. — „want de menigte van veele waarschijnelijke „en geene noodzakelyke henteekenen doet „ymand verzekeren van de zaak ende beweegd „den Regter dat hij anders niet kan gelooven „als dat de misdaad van den beklaagden „zi begaan & 44 Do 4 Bat: off Eijsschen wit de hier vooren bijge„ „52 geene andere wet in applicatie behoord te koomen „gebragte wetten /:onder Eerbiedige reverenten:/ vol„ „doende genoog hebbende beweesen de Eerste mis„ „daad door den ged„e begaan. Artas en waar uyt van zelve de tweede door den ged„e begaan Misdaad ten klaarsten Consteert, zo wel als uijt de Legtbaare teekenen dewelke de Havin„ „nel bij het passeeren van haar Relaas aan heeren gecommitt„s heeft vertoond. „ 46 zal de Rat: off: Eyscher omme de attentie van uwel Edele Agtb„r niet verder nutteloos te oe„ „cupeeren kortelijk te marqueeren. „ 47: de straffen dewelke op deselvde misdaader zyn gestatueerd en den ged„e heeft geencurreerd. 48. en Omtrend welke straffe de eevengemelde Heer Carplovius 11. P: 47. Hoofdst: I: DJ & 28. Moorman 2: boek 13 hoofdst: v: 6: Simon van Leeuwen Roomsch Hollandsch Regt te Boek 37 Deels: 8. de ordonn op de Cremineele Justitie Act„l 60. in notas en eene menigte Andere D. D. „49. behalven de Malutaire wetten van Jndia Lit: Hoe„ „rerij en overspel „ 50. alle seggen dat een gehuuwde persoon overspel hebbende gepleegd met een ongehuuwde verklaard zal worden Eerloos, verbeurte van Ampt, staat en in habiel mitsgaders na de statutaire wetten van India bovendien in eene boete van Een hondert rd„s 51 terwijl wegens de door den ged„e gepleegde mislande„ „ling aan de slavinne Jannetje als de tweede missaad van den gede geasiteerd. „ 53. en welke voornamentlijk daar in schynt te bestaan. „ 54 dat men buijte eene amende den dader het mid„ del, heeft benoomen waar door hy zyn wraak„ „zugtig gemoed zoutragten te bevreedigen. als die tot den huijdigen dagter deezer plaatse is „bragte Art 55
English
Article 55. which, one as well as the other, is nevertheless always left to the discretion of the judge. 56. And of which the Plaintiff ex officio, desisting for now, will still try to demonstrate with a single word 57. that the relevant and total denial of the defendant in his responses does not in any way 58. In this respect, the Plaintiff ex officio submits, subject to respectful correction, solely to the enlightened judgment of Your Honorable Worships 59. the two following responses of the defendant, namely response to Article 21, where the defendant says that the child of the slave woman Jannetje was indeed burned. 60. But he passes over in silence the cause thereof, which was because the mother was not permitted to look after the child. 61. And in response to Article 26 the defendant says: No, that he was not called by his wife to beat the said Jannetje with a number of quince sticks that had been passed through the fire, but indeed because the said Jannetje was insolent toward his wife, he had, at the request of his wife, given the same Jannetje a few blows with a quince stick, but the same having broken, he, the defendant, had given her another stroke or so with an end of a sjambok. 62. And then the Plaintiff ex officio trusts that, when one considers the natural strength of a quince stick and that of an end of a sjambok, 63. and when one then further considers that with the first a few blows, and with the latter a stroke or so were given, can acquit from punishment. 71. that the Plaintiff ex officio, subject to respectful correction, maintains to have laid open and proven before Your Honorable Worships 72. the crimes that were committed by the defendant, 73. and the punishments which he has incurred by the commission of those same crimes, 74. and finally that, however much the relevant and total denial made cannot acquit him, the defendant, from the established punishments, 75. one has nevertheless always left both the one and the other deferred to the discretion of the Judge. For which and other reasons, Article 64. it will appear incomprehensible, nay rather unbelievable, to the simplest among reasonable creatures 65. that one was able to inflict such open welts and wounds on a human being's body from the shoulders down to the legs; 66. that every impartial eye who viewed the slave woman on her way to go complain considered the deed abominable; 67. over and besides that in the negatives and contradictories the truth was, as it were, unfolded and laid open. 68. that, considering with some close reflections the aforesaid responses along with the points of inquiry, one will soon discover 69. that, through an incorrectly applied induction and conciliation in the denial of the defendant, 70. the account of the slave woman Jannetje, standing in such good coherence, deserves the strongest agreement. Article 64. and the 15th of January 1784. and reasons to be further deduced in due time if necessary, the Plaintiff ex officio, making his demand, concluded that the slave woman Jannetje of the Cape mentioned in the documents, with her child, pursuant to Order No. 13 of Your Honorable Worships, in accordance with the conclusion taken by the Plaintiff ex officio against the defendant's wife, shall be sold publicly to the highest bidder by court order for the benefit of him, the defendant, under this express condition that the same slave woman and her child may never come under the power of the defendant or any of his next of kin; furthermore, that the defendant shall be declared deprived of all civic prerogatives, and incompetent ever to hold any offices or charges, with condemnation both to a fine of one hundred Rds. for the benefit of the Plaintiff ex officio, and in all the costs incurred in this lawsuit, or to such other penalties and punishments as Your Honorable Worships shall find and judge proper. Was signed: C.v.Huld. Onkruijt. In the margin: Exhibited in Court. That the deponent, without being able to determine the day or year, was ordered by her first master, the burgher Conradi mentioned in the heading of this document, on the occasion that her mistress, the wife of the same Conradi, had ridden to the Hex River to fetch corn, to fetch chaff from the chaff-loft; the deponent also proceeded thither, but the deponent, having arrived there, was followed by her aforesaid master Conradi, who, having also come up to that loft, had thrown her, the deponent, to the ground; and the deponent, immediately understanding the intentions of her said then-master, had substantially asked him: Master, what does the Master want to do! adding: I will tell the mistress; whereupon the same had answered: hold your mouth, girl, and thus had indulged his filthy lusts. Account given before the undersigned commissioners at the requisition of the Landdrost of Swellendam, Constant van Nult Onkruydt, by and on behalf of Jannetje of the Cape, of competent age, former slave woman of the burgher Fredrik Hendrik Conradi, the same reading as follows: that the
Dutch transcription
Art 55. welke een zo wel als ander egter altoos aan het arbitrium van den regter is overgelaaten. „ 56 En waar van de Rat: af: Eyss„r afslappende als nu. nog met een enkeld woord zal tragten aantetoonen „ 37 dat de pertinente en totale ontkentenisse van den ged„e bij zijne desponsiven hem in geene deelen van de „ 38 ten deesen opligte steld de Bat: off: Eysscher /onder eerbiedige verbeetering /alleenlijk aant verligten oordeel van Uwel Edele Agtb„s over„ 59. de twee volgende responsiven van den ged„e te weeten resp„ of Art: 21 alwaar den ged: zegt „het kind van de slavin Iannetje „wel te zyn verbrand geweest. „60. Maar gaat stilswijgende voorbij de oorzaak daar van, het welk was, om dat de Moeder het kind niet mogt oppassen. „ 61 en resp„t op art: 26 zegt den ged„e „Neen niet door zyn huijsvrouws geroepen te „zijn om gem: Pannetje met een parthij door „het vuur gehaalde meepeer Pattjes te staan, „maar wel om dat gem, Jannetje teegens „zin huijsvrouws brutaal was, had hij of verzoek „van yn huysvrouw dezelve Iannetje, met een „quepeer Pattje een paar slagen gegeeven, dog „deselve gebrooken zijnde, had hy ged„en haar „ nog Een streek of wat met een End van een „ Rambok gegeeven, „ 62 En dan vertrouwd de Rat: of: Eysscher dak wanneer men de Natuurlijke sterkte van een queepeer Satje en die van een End sjambok nagaat „ 63 En wanneer men dan weederom nagaat dat men met het eerste Een paar slagen, en met het Laat„ „ste een streek of wat heeft gegeeven, stratten vrijspreeken kan. „ 71. dat de Rat: off Eysscher /onder Eerbiedige ver„ „beeteringe/ sustineerd voor uwel Edele Agtb„s te hebben opengelegd en beweezen „72. de misdaden dewelke door den ged„e zyn gepleegd „73 en de straffen welke hij door het pleegen van diezelfde Misdaden heeft geincurreerd „74. en eyndelyk dat hoe zeer ook de perticenten en totale gedaanen ontkentenis hem ged„e van de gestatueerde straffen niet vryspreeken kan. „75 men agter altoos het een zo wel als het anders aant Arbitrium van den Regter heeft gede„ „fereerd gelaten. Mits welke en andere reedenen, Art: 64. het aan de eenvoudigste onder de reedelijke schep„ „zelen onbegrypelijk Ja beeter gesegt ongeloofbaar zal voorkomen „ 65, dat men eenes Menschen Lighaam van de schoudere„ af tot op de beenen diergelijke opene striemen en wonden heeft kunnen toebrengen „ 66 dat ieder onpasthijdig oog die die slavinne op haaren weg om te gaan klaagen bezigtigd de daad als afschuwelijk hebben geconsidereerd, „ 67. booven en behalven dat in de Negativen en Con„ „ 68. dat men met eenige nauwkeurige reflexien over„ „weegende de voorsz: bij de responsiven met de vraagpoinctis ras ontdeken zal. 69. dat bij de ontkentenis van den ged:e door eene verkeerde geapliceerde inductie en Consiliatie „ 70 het in een zo goed verband staande relaas van de slavinne Pannetje den sterksten byval meri„ „tradictoire het waare als ontvouwd en op en gelegd werd. Art: 64 „teerd. en den 15 Januarij 1784. en middelen in tijd en wijlen /:is 't nood:/ nader te dutuceeren den Rat: off Eysscher Eysch doende Concludierde dat de in deelen vermelde Aavinne Jannetje van de Caal met haar kind of ordr N„o 13. van uwel Edele Agtb„r Conform de door den zal: off Eysschers Jeegens des ged„s huysvrouws genoomene Conclusie pupsiaq aan den meestbiedende geregtig „lijk ten voordeele van hem ged„e zullen worden verkogt, onder deese expresse Conditie dat de„ „zelve slaven en haar kind nooyt onder de magt van den ged„e ofte een zyner naastbestaande zal vermoogen te geraaken. voorts dat den ged„e zal worden verklaard verstoken te zyn van alle burgerlijke prarogativen, en onbequaam om ooik eenige officien off Charges te kunnen bekleeden, met Condemnatie zo in eene boete van Eenhondert Rd„e ten profijte van den ak: off: Eysscher als in alle de ten deesen processe gevallene kosten, ofte tot sodaanige andere poenen en straffen als uwel Edele Agtb„s zullen vinden en oordeelen te C„t behooren. /:was geteekend: 3 v: Huld, Onkruijst. /: in mar„ „gine:/ Exsubjitum in Juxicio Dat de rel„t zonder dag of Iaar te kunnen bepaalen, door haar eersten lijfheer den in den hoofde deses gem: Burger Conradi bij geleegent„ „heid dat haar Lijfvrouws de vrouwen van den selven Conradi na de hererivier gereeden was om koorn te haalen, bevolen zynde om van de haff zolder kaf afte haalen de rel„ten haar ook derwaards begeeven, dog dat de rec„te aldaar gekoomen zynde door haren voorsz: Lijfheen Con„ „radi was agtervolgd, denwelken op die zolder meede gekoomen zijnde, haar rel„ten of de aarde had geworpen en de ul„te direct de meeningen van gem: haren toenmaligen lyfhier begrijpende zij hem substantieelijk gevraagd had: Baas wat wil de Baas doen! met bijvoeging ik zal 't aan nonje zeggen, als wanneer denselven geantwoord had„ houd sou smoel mijd, en dusdaa„ nig zijne vuijle lusten had gepleegd : Relaas gegeeven ten overstaan van de onlergek: gecommitt:s ter Requisitie van den Land drost Ian Swellendam, Constant van Fulk Onkruijdt door ende van weegens Jannetje van de Caab, van Competenten ouderdom, ge„ „weesene stavinte van den burger Fredrik Hendrik Conra„ „de, luydende 't selve als volgt dat den
English
That a few days after the return of her aforesaid former mistress, having recounted the incident to her, the latter fell to the ground in a faint from distress, whereupon the aforesaid Conradi or her said master helped his wife up again, and having come to her senses, she then asked her aforesaid husband Conradi if it were true that he cohabited with the deponent, which he denied under the most solemn oaths and immediately called a certain Hottentot, Pantje, who currently resides with the burgher Jacob Hugo at the Breede River, and ordered him to cut a bundle of quince switches and pass them through the fire, which having been done, both the aforesaid Conradi and that Hottentot took hold of the deponent, and after her hands and feet were tied and she was completely stripped naked, tied her to the stump of an oak tree standing in front of the kitchen door, after which the same Conradi beat the deponent with those same quince switches at intervals for so long until she, having constantly affirmed while standing there that which she had told his wife, collapsed in a faint, and was finally forced in substance to say: No, the master has not slept with me, whereupon the deponent was untied and brought into the house, and having fainted anew, and when the deponent subsequently came to her senses again by means of some vinegar, washed her entire body with brine water: That the aforesaid Coenradi subsequently, with the explicit assurance, Girl, if you now talk again I will start beating you all over again, constantly had carnal relations with the deponent, until he, Conradi, having noticed that the deponent was pregnant by him, said to her in the aforesaid manner: if you have a child, you must tell your mistress that it is by Adam Basterd, currently residing with the farmer Willem Grobbelaar, which the deponent's then mistress frequently asked of that Hottentot, but this not being satisfactorily answered by that Hottentot, the same mistress, when the deponent was delivered of a fair or white child, asked that same aforesaid Bastert Hottentot in the presence of the deponent whether the child was his, which was answered, both previously and then, by the Hottentot as No, whereupon the same former mistress of the deponent continuously beat and mistreated the deponent daily, notwithstanding she was still newly lying-in, to such an extent that the deponent became unable to properly care for her child, the deponent's aforesaid mistress subsequently refusing to permit the deponent to help the same child and quiet it no matter how much it cried, so that the deponent's mistress had said to her more than once, if she gets black children I will allow her to care for them, but not white ones: That the deponent's child, having finally reached about nine months of age, had the misfortune of crawling into the fire and thereby burning one leg, which had as its consequence that the same, a few days later, [illegible]
Dutch transcription
Dat de zel„e eenige dagen nado te rug komst van haaren voorsz: toomaaligen Lyffrouws 't geval hebbende verhaald, dezelve door ontstaltenissen in flauwte ter aarde was gevallen, als wanneer voorsz: conrudi ofte der stelten lijfheer zijne vrouwen weederom opgeholpen, en bij haar zelve gekomen zynde, had zy dan haaren man voorsz Conradi gevraagd off 't waar was, dat hij met de telten kheeld 't welk denzelven onder de duurste Edden had genogeerd en directelijk zeekeren kottentot Pantje die thans bij den bur „ger Jacob Hugt aan de brede revier woonagtig is, geroepen en geordonneerd een bos quepeer Catjes afteswijven en door 't vuur te haalen 't welk geschied zijnde, zoo wel voorsz: Conradi als dien hottenlot de zelten opgenoomen, en aan den voor de Combuis deur staande slomp van een Eijken, na dat haare handen en voelen vastge „bonden waaren en zij geheel en al ontkleed was, vastgemaakt, waarna denzelven Conracte met deselve queepeer latjes, zoo lange haar zelten met tusschen boosing had geslaagen, tot dat zij, onder het staan altoos bevestigd hebben de 't geen zij aan desselvs huijsvrouws had gesogt in flauwte vervallen, eijndelijk genoodsaakt was geworden substantieelyk te Leggen: Neen de baas heeft niet bi mij geslaapen, waarop zij resten los gebonden en in huys, gebragt geworden zynde, op nieuws flauws was geworden, en wanneer zij zelten vervolgens door wat azyn weederom tot haar zelve was gekoomen, met haar geveele lijf, met pekel water had gewan „sen: Dat voorsz: Coenradi vervolgens, met de substatieele verseekering, Mheijd soo gijk nu wee„ „derom, sogt zal ik sou van vooren afbeginnen te slaan, altoos vleeschelyk met de recten had verkeert, tot dat hi Conracti hebben de bepeurd dat zij relten van hem zwanger was, aan haar invoegen voorsz: gesegt had: zoo gij een kind krijgt moet gij teegens jou nonje zeggen dat 'k van adam Basterd thans bij den landb„t wil„ „lem grobbelaar woonagtig is, 't geen de velte„ toenmaalige lijfvrouww dikwerf aan dien hollantt had gevraagt, dog door dien kotten lot niet voldoende beantwoord zynde had deselve wan„ neer de pob„ten van een blank off wit kind verlost was, aan dienzelfden voorsz: Bastert kottentot ter praesentie van de rebten gevraagd of 't kind van hem was, 't geen zoo voor hun als toen door den Rotterlot was beantwoord van Neen„ waarop deselve der resten toemaalige lyfvrouws„ de zelten niet teegenstaande nog jong kraame was, bij Continuatien dagelijx soo geslaagen, en mishandelt had, dat de recte. buijten staak was geraakt haar kind behoorlijk te kunnen oppassen, hebbende de resten voorsz. Lyffrouws daar na de velten niet willen permitteeren, omme 't selve kind al schryde 't nog zoo, te moogen helpen en tot stilstand te brengen, zoo dat der recten Lyfvrouwe meer dan eens aan haar had gesegt, als zij zwarten kinde„ „ren kuijgt, sul ik deselve llaaten oppassen maar geen witte. dat der res„ten kind eyndelyk omtrend neegen maanden oud geworden zijnde, 't ongeluk heb„ „bende gehad van in't vuur te kruijpen daar door 't eene been te verbranden 't welk tot zyn gevolg heeft gehad, dat 't zelve wijnige substantiente dagen 23
English
days thereafter died, and upon inspection the respondent had found some welts and stripes on the buttocks of the child, which had been inflicted upon it by the respondent's aforesaid mistress both with a lath and with a knife sheath; the other slaves, while the respondent wept over the loss of the child, having said to the respondent: you may be glad that the child is dead, for it has not had an hour of rest in a day. That the respondent, having been out of childbed for about fourteen days, her aforesaid then master, the mentioned Conradi, under the threats made multiple times and mentioned hereinabove, had again had carnal conversation with her until she, the respondent, had become pregnant with the child she presently has with her, and aforesaid Conradi had ordered her, the respondent, to say that the child was by a certain fellow slave boy of the respondent named damon van madagasaar, with whom aforesaid Conradi and his wife had urged the respondent to keep company, but in whose stead the respondent had chosen another fellow black slave boy named Abraham van Bengaalen. That the respondent, having been delivered of the aforesaid child presently with her, her master, the mentioned Conradi, had ordered her, in case his wife, the respondent's mistress, should ask her whose child it was, then to say that it was by a certain bricklayer, gerrit van der blijk, who had lived with aforesaid Conradi and was already deceased at that time; which the respondent's mistress had not wanted to believe. That the respondent, being about two weeks out of childbed, had developed a so-called lump in the breast, which the respondent's aforesaid mistress, while busy rubbing it with fat, had asked her in substance: do tell me whose child it is, I will quickly give you a hundred rds; which the respondent was afraid to answer truthfully and thus maintained the statement of her master, aforesaid Conradi, that the child was by the aforementioned garrit van der Blijk; which the respondent's mistress, not having wanted to believe, had taken the respondent with her to the garden, and having arrived there, the respondent was ordered to cut a quantity of quince laths, which the respondent's mistress had for the most part pointed out to her, which the respondent's aforesaid mistress, having come home, had herself drawn through the fire, and thereupon, together with her daughter, having stripped the respondent naked, had bound her hands and feet, and sent her children out of the house; that the respondent lying thus bound on her side, her mistress had called her master, who was lying in bed, to beat the respondent, which he had first refused and said that his teeth or tooth ached too much; but that this could not excuse him, as he was forced to come and beat the respondent first with a bundle of quince laths drawn through the fire and thereafter with a sjambok, which he then also did for so long until, being no longer able nor willing to beat, his wife or the respondent's mistress had begun to beat, whereupon the respondent's master, aforesaid Conradi, had said in substance to his wife: how will it go if she does not drop dead?
Dutch transcription
dagen daarna overleeden is, en bij besigtiging had de velten bevonden eenige striemen en striepjes of de billen van 't kind dewelke door der zelten voorsz: lyffrouwe zoo door met een latje als mes Rcheede aan deselve waaren toegebragt, hebbende de andere slaven, terwijl de vel„ten over 't verlies van 't kind weende, tot de zelten gesogt: ge moogt blijde zijn dat 't kind soot is, wart bij heb geen uur op een dag rust gehad. ¶ dat de rec„te omtrent veerthien daagen van't kind oud kraams geweest zijnde, haar voorsz toenmaligen, lijfheen gem: Conradi onder de meer maalen gedaane en hier boovengem: be¬ „drygingen op nieuw met haar vleeschelijk had geconverseerd tot dat zij recten van haar thans byhebbende kind swangers geworden zijn voorsz: Conradi haar rec„ten gelast had van te zeggen dat 't kind van zeekere haaren res„ten meede slaven jongen gen„t damon van mada„ „gasaar was, met denwelken voorsz: Conradi en zyn vrouws de Velten aangezet had, om ver„ „keering te houden, dog in welkers steede de rel„ten een andere meeze zwarte slaven Jongen gent Abraham van Bengaalen gekoosen had Dat de zelten van 't voorsz: thans bij haar hebbende kind verlost zijnde, had haar lyfheer gem: Conradi haar gelast, ingevalle zyne vrouws der kel„ten lyfvrouws haar vraagen mogte van wien 't kind was, als dan te zeggen dat 'h van seekere bij voorsz: Conrade gewoond heb„ „lende te dier tijd reeds overleeden metzelaar gerrit van der blijk was, 't welk de rec„ten. lyf „vrouwe niet had willen gelooven. Dat de recten omtrend twee weeken oud kraams zynde, een zogenaamde klont in de borst had „gekreegen, 't welk der recten voorsz: lyfvrouws met vet bezig zinde te smeeren, aan haar substan„ „tieelijk had gevraagt zogh mij dog mid van wien 't kind is, ik zal gouws hondert rd„s geeven 't welk de recten bevreest was na waarhijd te beantwoorden en dus 't besegde van haar Lijfheer voorsz: Conradi staande hield, dat 't kind van den voorn: garrit van der Blijk was, 't geen den Relten lyffrouw niet hebben de willen gelooven, de resten met haar na de thuijn genoo„ „men had, en aldaar gekoomen zynde was de rel„ten gelast een parthij quepeer Latten, die den velten lyfvrouws haar voor 't grootste gedeelte aangeweesen had afte, snijden, dewelke der relten voorsz. huysvrouws te huijs gekoomen zijnde zelfs door 't vuur gehaalt had, en daarop nee„ „vens haar dogter de velten naakend uijtge„ „kleed hebbende handen en voeten geboeyt hadden, en haare kinderen 't huijs uijtgesonden dat de relten dusdanig gebreyk over zeyde reg„ gende haare lijfvrouws haaren zelten Eyfheers die te bedde lagt geroepen, om de zelten te slaan 't geen denselven eerst gewijgerd en gezegtshad, dat zin tanden of tand te zeer was; dan dat zulx hem niet konde vry spree„ „ken alzoo denselven genoodzaakt was ge„ „worden om te koomen en de rel„ten eerst met een bos door 't vuur gehaalde quepeerlatten en daarna met een sjambok te slaan, 't welk denzelven dan ook zoo lange had gedaan tot dat hij niet meer kun„ nende nog willende slaan deszelfs huijsvrouw ofte der zesten lyfvrouw had beginnen te slaan, als wanneer der rec„ten lyfleer voorsz: Conradi substan„ „ticelijk tot deszelvs der zel„ten huysvrouw had gesegt hoe zal 't gaan als die mit verrekt gekreegen,
English
at which question the deponent's mistress had stopped beating, and having gone outside the house door, the deponent's master had said: do say that the child belongs to Cornelis van Eeden, then you will get no more beatings, which the deponent, having come into the house, had said to her mistress, whereupon the deponent was untied and, having been put down in a room on a sheepskin brought into the house expressly by the Hottentot woman Sara, was placed in irons anew, which statement, however, the deponent's mistress had still not wanted to believe, as she had threatened the deponent that she would write a letter to the aforesaid van Eeden in that regard, and in case that should also turn out to be untrue, she would then have the deponent tied to a ladder, whereupon the deponent having become ill, her mistress had repeatedly beaten the deponent out of bed with the sjambok, under the threat that she would have the aforesaid van Eeden called. That the deponent's fellow slaves having daily pitied the deponent, finally two of them, named Abraham of Bengal and Baatjoe of Bugis, moved by compassion, had said to the deponent that they could no longer watch the daily torment, and had urged the deponent to go and lodge a complaint, thus also having left the farm with the deponent on a Saturday night. That the deponent with both the aforesaid slaves having first arrived at the farm of the citizen Theowald Andriessen had there bought a loaf of bread from his son for two schellingen while they had eaten nothing in two days; the same son, however, having asked them where they were going and having been answered by them, to the Landdrost to complain, the same had said, just go on; that meanwhile a son of the citizen Fredrik van Eeden, who was present there, having ridden past them on horseback toward home, had come back again, and said both to the deponent and to the other two fellow slaves, you must come to my father and mother; the deponent and the same two aforementioned slaves also having gone there to that place, the wife of van Eeden had inspected her entire body and thereafter said to the deponent and her two fellow slaves, first eat and then you can go, but that they had to wait at the river as the father of the aforesaid van Eeden would come to them, just as he did and having brought them to the farm of the former Heemraad Monsieur Botha, the deponent was brought into a room there and her body was inspected both by the same Botha and the citizen Carel Rog, who was present there, who both had then also said to the deponent, come, you must not be ashamed when you arrive at Swellendam, and you must just state everything well, because you have been terribly mistreated; the same Botha having given a boy along with them as far as the farm of the citizen Hans Jurgen Botha, whose wife, having inspected the deponent, had advised against the woman of the aforesaid Carel Rog, who was present there and who also wanted to inspect the deponent, doing so, since she herself was pregnant
Dutch transcription
of welke vraag der zel„ten lyfvrouwen ofgehouden had wet slaan, en buiten de Huijsdeur gegaan zijnde, der Relten Lyfheer gezegt had: zegt dog dat het kind van Cornelis van Eeden is, dan sal je geen slaagen meer krijgen, 't welk den rec„ten aan haar lifvrouwen in huijs gekoomen gezegt had, waarop zij zel„ten los gebonden en in een kamer op eene door de hottentottinnen Sara Expresselijk in huijs gebragte schap en vel needergezet zijnde op nieuw in boeyen was gesloten, welk gesegde egter der relten Eyfvrouwe als nog niet had willen gelooven alzoo zy de resten had bedrijgt aan voorsz: van Eeden een brief diesweegens te zullen schrijven, en ingeval zulx ook onwaar mogte zijn, zij de zolten als dan of eene ladder zou doen binden, waar of de Vel„ten ziek geworden zijnde, haar Eyfvrouw haar recten. telkens uyt 't bedde met de spam„ „bok had geslagen, onder het bedryven, dat zij voorsz: van Eeden zou laaten roepen. Dat der velten meede, slaaven daagelijx den rel„ten hebbende beklaagd, eyndelyk twee derzelver in naame Abraham van Bengaalen, en Baatjoe van Boegies, door medelyken bewoogen tot de relten gesegd hadden 't dagelijx tijsteren niet langer te kunnen aansien, de rel„ten aange„ sprooken hadden om dog te gaan klaagen, dusdaanig met de velten dan ook op een Latur„ „dag nagt van de plaats heen begeeven. dat de recten met de by de voorsz: slaven 't eerst op de plaats van den Burger Deowald andries„ „sen gekoomen zinde aldaar van de zoon van denselven voor twee schell: een brood gekogt hadden terwijl in twee daagen niets genuttigd hadden, denzelven zoon egter hun gevraagd hebbende waar of zijlieden heen gingen en door hun geantwoord zynde, na de landdrost om te klaagen, had denzelven gezegt, gaat maar heen dat immiddels een zoon van den burger Fredrik van Oeden die aldaar praesent was te paard na huijs hunlieden voorbij gereeden zynde, weederom te rug gekoomen was, en zoo van haar recten. als de andere by de meere slaven gesegt, sulliy moet bij myn vader en moeder koomen, de Velte en deselve bij de eeven„ „gem: slaven ook aldaar ter plaatze hun hebben „de begeeven, had de vrouwe van van Eeden Haar geheel lighaam beligtigd en daarna tot de Velten en hare by de meede slaven gezagt eat C maar eerst en dan kun julluij heen gaan, dog dat zijl bi de tweer moeste wagten alzoo de vader van voorstz: van Eeden bij hun zou koomen, gelyk hy ook gedaan en hants tot de plaats van den Oud Hienraad mons„r Botha, gebragt hebbende, was de uelk aldaar in eene kamer gebragt en zoo door dezelve Bo„ „tha als den aldaar praesent zynden, burger Carel Rog, haar resten lighaam besigtigd, de„ welke by de dan tot haar relten ook gesegt hadden, komt ja moet niet beschaamd wee„ „zen, als je of zwellendam komt, en je moet 't alles maar mooi leggen, want op den deerlyk mishandelt hebbende denselven Botta een jonge meede gegeeven tot op de plaats van den burger, Hans Jurgen Botha wiens vrouwe haar rel„ten besigtigd hebbende, aan de aldaar prasente vrouw van voorsz: Carel rog die haar velten ook had willen bezigtigen, afgeraaden had zulx te doen dewijl zij zelve denzelven zwanger
English
was pregnant, the declarant, together with both her aforesaid fellow slaves, proceeded from there to the place of the burgher Daniel Stin, whose wife, having also examined her, gave a small Hottentot along with them to the place of Christoffel Rogh, where she, the respondent, stayed the night with the two other slaves and, having been brought from there the following day with a small Hottentot to Swellendam to the petitioner, related the entire case to him, which the declarant believed to have been about fourteen to fifteen days before New Year or the first day of this year. That the declarant, being examined the day thereafter by the surgeon Montauban, after that examination he testified to her that she had been, so to speak, beaten to pieces. That a few days thereafter, the respondent's former master, the aforesaid Conradi, coming to Swellendam to the petitioner, the respondent, being brought into his presence, again showed her entire body, which was so full of open wounds that to this day the visible marks, which she just showed to the undersigned commissioners as well as those from the irons in which she was mostly shackled, can still serve as proof; just as the declarant also showed to the same, her then master, the aforesaid Conradi, in the presence of the petitioner, the child currently with her, named Rosina, and asked him if it was not his child; the aforesaid Conradi having said to the petitioner that it was his child, and with clasped hands, thus weeping, testified to the petitioner that he did not know how he had come to that misfortune, at the same time requesting the petitioner that, for the peace and quiet of him, Conradi, and his wife, the petitioner would please sell the maid; the petitioner having said to him, Conradi, that he could not well do such a thing, while people would see the signs of mistreatment too clearly and complain about it; whereupon the respondent, at the request of the aforesaid Conradi, was ordered to step down. The deponent testifying lastly never to have carnally conversed with any other person than with the aforesaid Conradi, or her former master, and that the whitish hair and the light blue eyes of the child currently with her as well as of the one already deceased demonstrated the same, and her former master, coming into her presence either before or hereafter, will never, nor can, deny such. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons of knowledge as in the text, offering always to substantiate the same further. Thus related at the Cape of Good Hope, the 17th of July 1783, before the honorable Tobias Christiaan Rönnenkamp and Johannes Smuts, members from the honorable Court of Justice aforesaid, who have duly signed the minute hereof together with the deponents and me, the secretary. Lower: Which I testify. Was signed: C. L. Neethling, Secretary. Below that: Agrees. Signed: H. L. Bletterman, sworn clerk. No. 160. No. 15. No. 16. I, the undersigned, acknowledge it to be true that in the month of December, being at the place of the former heemraad Monsieur Jacobus Botha, I saw that a slave woman named Jannetje, together with 2 boys belonging to Fredrik Hendrik Coenradi, arrived there; when the said Monsieur Jacobus Botha asked where they were going, they answered: to Swellendam, to complain, we can no longer endure it with our master; Monsieur Botha examined the woman in my presence, as I also did, finding the woman's entire upper body bruised, and beaten so miserably as I have never seen a human being; by the more-mentioned Monsieur Botha it was said: when you arrive at Swellendam she must not be ashamed, but show everything plainly, for she looks pitiful; that if desired, I will always confirm the above under oath. Bruyntjesrivier, the 27th of June 1783. Was signed: Carel Pieter Rogh. Below that: Agrees. Signed: J. v. d. Bletterman, sworn clerk. I, the undersigned, Adrianus Montauban, admitted burgher surgeon, attest hereby: I, the undersigned, acknowledge the truth to be that in the month of December, the exact day unknown, my son came home from my neighbor Dewald Andreas and said that two boys and a woman belonging to the burgher Fredrik Hendrik Coenradi were going to Swellendam to complain. Swellendam, 14 December 1782. Was signed: Ad.n Montauban, as above. Below that: Agreed. Signed: H. L. Bletterman, sworn clerk. that having to be at the drosdy for some private affairs, my lord the Landdrost C. A. van Onkruijdt requested me to inspect and examine a slave woman named Jannetje of the Cape, belonging to the burgher Fredrik Hendrik Coenradi, residing behind Cogmanskloof; I found the same woman to be pitifully beaten, such that her shoulders, back, down to and including her legs were not free from open cuts; all this in the presence of the above-mentioned lord Landdrost and his wife, whom I, the undersigned, therefore advised, on account of the state of pregnancy in which that gentlewoman found herself, rather to place the woman outside the house, in order afterwards to have no distress of causing any harm to her or the child she was carrying. All the above, I, the undersigned, if required, can substantiate with an oath.
Dutch transcription
zwanger was, de Jol„te met de by de haare voorsz: meede slaaven van daar vervolgens na de plaats van den beviger daniel Stin, wiens vrouwe haar zel ten meede bezigtigd hebbende een kleyne hotten„ tot had meede gegeeven tot de plaats van Chris „toffel Rogh, alwaar zy res„te met de byde andere slaven geslaten en des anderen daags van daar met een kleyne hottertot tot swellendam bij den req„t gebragt zijnde aan denselven 't geheele geval verhaald had, 't geen de zelten ver„ „meend omtrent veerthien à vyfthien dagen voor geweest te zijn. dat de Velte daags daar aan door den Chi „rurigijn Monteban besigtigd zijnde, na die bezig„ „tiging aan haar betuijgd had, dat zy zoo te zeggen in stucken geslaven was. Dat eenige wijnige daar aan tot swellen „dam bij den reqt gekoomen zijnde der reste toenmaalige lyfheen voorsz Conrodi, de resten ter praesentie van denzelven gebragt zinde haar geheel lighaam nogmaals had verloond, dewelke vol van zodanige opene wonden was dat tot heeden de zegtaaare teekenen, die zy reeten aan de ondergek: gecommitts zoo wel als van de Boeijen waarin zy meesterdeels gekluysterd is geweest, quam te vertoonen, als nog tot een bewijs kunnen deenen, gelyk de velten almeede aan denselven haren toen„ „maaligen Lifheers voorsz: Conradi ter paa„ sentie van den reqt. haar thans bij haar hebbende kend, gen„t Rosina vertoond, en aan denzelven gevraagt had of 't niet zin kind was voorsz: Conradé aan den 't nieuwe Jaar of den Eersten dag deezes Jaars reqt gesegt haer sas 't zyn kind te zijn, en met te zaamen groouwene handen; alzooemende aan den req„tn betuijgd: niet te weeten hoe hij tot dat ongeluk was gekoomen, teffens den reqt geboeden had dat den seq„t tot rust en vruecte van hem Conrade met zyn vrouw de mid dog wilde verkopen den req:t tot hem Conrudi gezegt had, van zulx niet wel te kunnen doen terwil de menschen de teekenen der mishandeling te klaar zouden zien en daar vver klagtig vallen waarop de res„t op 't verzoek van voorsz: Conradi was bevoo„ Getuijgende de recte laatstelijk nooyt niet eenig ander persoon als met voorsz: Conradi ofte haaren voormaligen bijfheer vleeschelijk te hebben geconverseerd, en dat de witagtige hairen en de ligt blaauwe oogen van 't thans bij haar hebbende kind zoo wel als van 't reeds overle„ „denen 't zelfs aantoonde en haar voorma„ „lige lijfheir zoo voor als na nog ter haaren praesentie koomende nimmer zulx zal, nog kan ontkennen. Compt. voor reeden van Niets meer verklaarende geeft den weetenschap als in den text presenterende 't zelve altoos nader te staven. — : onderstond „len af te treeden. Aldus Gerelateerd aan Cabo de goede Hoof. den 17. July 1783. voor d' EE. Tobias Christiaan „Bonnenkamp en Iohannes Suts, heden uit den E: Agtb: raade van Iustitie voorm: die de minute dezes beneevens de rec„ten ende mi se„ „cretaris meede behoorlyk hebbe onderteekend /lager: T welk ik getuijge /:was geteekend/ C L: Neethling Secretaris /:daar onder: Ac„ „cordeert /:geteekend:/ H: L: Blotterman gesw: regt Clercq gesw Clercq. N o 160. N o 15. No 16. Ik onderget: bekenne hoe waar is, dat ik in de maant december op de plaats van den Out Heemraat mons„r Bootha. zeijnde gesien hebt dat aldaar een slave, meit met name Junne„ „tje beneevens & Jongens toebehoorende fredrik Hendrik Coenradi gekomen zyn, doen geseyt Mons:r Jacobus Botha gevraagt is waar bi na toe ginge door haar lieden geantwoord na Swellendam, om te klaagen wij kunnen het niet langer uijttouwen bij onse baas, monsr Botha de meijt en in gte min presensie bekee„ „ken heeft Gelijk ik ook gedaan, hebt beevinde, de meyt haar geheele boven Lyf touwen, en zoo ik nooyt een mensch gesien hebt elendig ge„ „slaagen, door meergem: mons:r Botha gesegt als Julluy op swellendam komt moet zy niet beschaamt weesen, maar wist alles mooij want zij siet er deerlyk uyt dat booverstaande begeert wordende, altoos met eeden zal bevestigen. 2: Druyntje Revier den 27 Juny 1783 /:was geteekend:/ Carel Pieter Rooh / daar onder Accordeert /:geteekend:/ J: v:d Bletterman. ge„ „ Rv: Clercq. Ik onderget: Adrianus Montauban geadmit teert, burger Chirurgijn, attesteere met deeze, Ik onderget: bekenne de waarhyd te zyn dat en de maand december de regte dag onbewust min soon tuijs is gekoomen van min buur¬ „man dewalt andresse, en gezegt dat er twee Jongens en een mijt van den burger Fredrik :hendrik Coenradé na swellandam ging om te Swellendam 14 December 1782. /:was geteekend:/ Ad:n Montauban ut Supra. /:daar onder: geAccordeert /:geteekend:/ H: L: Blek„ „terman gesw Clercq. „dat om eenige particuliere affaires ter drosdyen moest wezen, myn heer den Landdrost C: N: van onkruijdt mij heeft versogt ter visitatie en beschouwinge van een slave wyt gen:t Iannetje van de Caab, toebehoorende aan den burger Pee„ „drik Hendrik Coenradi, woonende agter Cog „mans kloof dezelve meyt bevonden heb te zyn deerlyk geslagen, zoo dat haar schou¬ „wens, rugge tot de beenen inclusive niet vry van opene naden waren, dit alles ter preesenten van boovengem: heer Landdrost en desselvs huysvrouw, die ik onderget: daarom hebbe geraaden weegens de staat van Zwangerschap waar in die Jnfw zig bevond liever de meyt buyten huijs te doen, om naderhand: geen nood te hebben, van zij off haar kind 't geen zij vroeg eenig ongemak toe te brengen. Al 't booverstaande ik onderget: des gerequireerd wordende met Eede kan staanen /:onderstond: dat klaagen onderstond: ——
English
complaining, I sent my son to fetch the slaves, and they arrived at my yard. I wanted to send the slaves home, but the maid showed me her body, and I saw that she was terribly and excessively beaten. And the maid told me that her master Coenradi wanted her to say that the child was from my brother-in-law Cornelis van Eeden. Then my husband Fredrik Jacobus van Eeden brought the slaves to the former heemraad Monsieur Jacobus Botha. This above statement, if required by commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, will always be confirmed by oath. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice, the burgher Fredrik Hendrik Conradie, who answered the adjacent questions as noted beside them. Bosjesmanspad, the 29th of June 1783. Was signed: Cornelia van Deventer, wife of Fredrik Jacobus van Eeden the Elder. Below: Agrees. Signed: H. L. Bletterman, sworn clerk. Interrogatories drawn up and submitted to the gentlemen commissioners from the Honorable Court of Justice on behalf of the Landdrost of Swellendam, Constant van Nuld Onkruydt, in order that the burgher Fredrik Hendrik Conradie himself in person may be heard upon them, his responses to be properly recorded in the margin hereof. The undersigned declared it to be the truth that the burgher Fredrik Hendrik Conradie, on his return journey from Swellendam with his two wagon lads in the month of December, was at my place. I asked him, Conradie: where is your maid who went to Swellendam to complain? He, Conradie, answered me: I do not want that beast in my house again, because she is a thief; I have given her to the landdrost to sell, and if the landdrost cannot sell her, he will keep her for himself. These words we shall, if desired, confirm by oath. Below: Bruyntjes Rivier, the 30th of June 1783. Was signed: Hans Jurie Botha and Carel Pieter Rog. Below: Agrees. Signed: H. L. Bletterman, sworn clerk. Article 1. The name, place of birth, age, and status of the defendant in person. Answers: Fredrik Hendrik Conradie, 43 years old, burgher under the district of Swellendam. Whether the defendant knows the female slave Jannetje of the Cape. Answers: Yes. Whether the defendant, on a certain day when his wife Elizabeth Rossouw had ridden to the Hex River to fetch grain, ordered the aforementioned female slave, Jannetje of the Cape, to fetch chaff from the chaff loft. Answers: Says he knows nothing about it. Article 4. Whether the defendant followed the same Jannetje to the chaff loft and thus also went thither. Answers: Says this is untrue. The female slave Jannetje says the defendant has had to do with her. Whether the defendant, coming onto the chaff loft, threw the aforementioned female slave Jannetje to the ground, and she, Jannetje, asked the defendant: Master, what does the Master want to do?, adding that she would tell her mistress. Answers: Says no. Whether the defendant said or answered to the said Jannetje: hold your mouth, maid, and proceeded with his lusts to satisfy himself upon the female slave by having carnal intercourse with her, until the aforementioned Jannetje, upon the return of the defendant's aforementioned wife, related the incident to her, and his wife fainted from dismay over it. Answers: Says this is untrue. The female slave Jannetje, having stepped inside, says to the defendant in his face that he threw her onto the ground on the chaff loft and that she asked him: I shall tell it to mistress! Article 7. Whether the defendant's wife asked the defendant whether it was true that the defendant was carrying on with the aforementioned Jannetje, or indeed had carnal conversation with her. Answers: Says he knows nothing about it. The female slave Jannetje says the defendant in his face that he has beaten her, and indeed more than once. Article 8. Whether the defendant assured his wife with the most solemn oaths that it was untrue that he, the defendant, was carrying on with the aforementioned Jannetje. Answers: Says no, because the defendant's wife never asked him about it. Whether the defendant thereupon ordered the Hottentot Claas, currently residing with the burgher Jacob Hugo, to cut a bundle of quince switches and to draw them through the fire. Answers: Says that these are things that are concealed from him, the defendant. Article 10. Whether the defendant afterwards, with the help of that Hottentot, completely undressed the aforementioned Jannetje and tied her to the stump of an oak tree. Answers: Says no. Article 12. Whether the defendant, having tied the same Jannetje fast in this manner, beat her with quince switches for so long, with intervals, until she fainted, and having come to herself again was forced to say: No, the master has not been with me. Answers: Says no, but indeed to have beaten her with a quince switch. Article 13. Whether the defendant, when the aforementioned Jannetje had fainted again, helped her with some vinegar to revive her. Answers: Says he knows nothing about it. The female slave Jannetje says: he beat me.
Dutch transcription
klaagen ik min zoon gesonden om de slaven te halen en zy zin bij mij op de werff gekomen, ik heb de sla „ven na huijs willen zenden maar de mijd heeft myn haar lyf geweesen en ik heb gezien dat zy deerlyk en eendig geslaagen was, en de mijd heeft myn gezegt dat haar baas Coenrade hebben wilde dat sij zeggen moeste dat het kind van mijn swager N. o 16 Cornelis van Eeden was, doen heeft myn man Predi van Eeden de slaven gebragt tot bij den Outhoem „raat mons„r Jacobus Bottir, dit bovenstaande gecommitt:s uijt den E: Agtb Rade verEyscht wordende sal altijt met Eoden bevestigen Compareerde voor ons onderget: Interrogatorien gedaan maken en aan heeren gesommitt uyt van Justitte dezes gouvernements den E: Achtb: Rade van Iustitie den burger Fredrik Hendrik overgegeeven, van weegens den Conrade, dewelke op de nevenstaan, Landdrost van Swellendam Constant Bosjesmanspat, den 29' Junij 1733. was ge de vragen zoodanig gpantwoord van Neeld Onkruijd omme daarop teekend:/ Cornelis van deventer huysvrouw van heeft als bezyden dezelve staan Jak: off gehoord te worden, den Fredrik Jacobus van Edden de Ouden /:laager„ aangeteekend. burger Fredrik Hendrik Coenra„ Accordeert /:geteekent:/ H: L: Bletterman gesa „die gel in persoon, zullende Clercq. desselvs te geevene responsiven in margine dezes behoorlyk moeten worden bekend gesteld. Hy onderget: verklaarde, de waartijd te zin, dat A den burger Fredrik Hendrik Coenradi in zyn te rug rijs van swellendaeg met zyn twee Haaveregt. Fredrik Hendrik Conradie, ngens, in de maand december bij min op de oud 43 Jaaren burger onder „boorte plaats ouderdom e qua„ ¶ destrict Svellendam. plaats aangeweest is, ik hem Coenradi gevraagt hebk, waar is Jouwijt, die na swellendam gegaan is, om te klagen hij Coeniadie, mij geantwoord hoe segt Ia„ die beest wil ik in mijn huijs niet weer hebbe want het is een dief ik heb haar aan de land „drost gegeeven om te verkoopen, en als de regt. daarvan niets te land-drost haar niet verkopen kan, zal hij weeten. haar voor hem zelvs houwe, deeze woorden zullen wij als 't begeert werd met Eeden betuijgeg. /:onderstond: Bruyntjes Revier, den 30 Juny 1783 /: was :geteekend:/ Hans Jurie Botta, en Carel Pieter Rog laager: Accordeert /:geteekend:/ H: L: Blek„ „tertman gesu Clercq. Des ged„e in persoon naam ge„ „liteijt Off den ged„e kent de slavinne Jannetje van de Caab of de ged„e of zeekeren dag, dat zijn huijsvrouw Elizabeth Ros„ „ Comp na de here revier geree„ „des was, om hoorn te haalen, voorsz: slavin, Iannetje van de Caab heeft bevoole gehad om kaf van de koff zolder af geteekend te haalen /:onderstond: 86 Art: 1. - haalen. zogt. zulx niet te weeten. de slavinne sannetje zegt den haar te doen gehadt heeft. Legt. Neen. — zagt. zulx onwaaragtig te zijn. de Mavinne Iannetje Zegt vez: Zegt. Neeg. Ja. „vrouw hem nooyt daarom zogt daarvan niets te weeten. Of den ged„e op de kafzolder de slavinne Pannetje binnen koomende de voorsz: slavinnen getreeden zynde zegt den gedn Iannetje op de aarde heeft op„ in zyn facie dat hy get„e haar worpen en zij Iannetje hem ged en geslaagen en wel meer als heeft gevraagd, Baas wat wil op de kaf zolder of de aarde eens. — de Baas doen met byvoeging had geworpen, en zy hem ge„ „drigd zulx aan haar nonje Art 4. off den ged„n dezelve Iannetje naar de kafzolder is gevolgd en zig dus ook derwaards heeft begeeven. heeft gevraaigt. „6. Off de get„n aan gem Iannetje zegt zulx onwaarachtig te zyn heeft gezegd ofte geantwoord houd ged„n in zyn facti dat hij met sou smoel mijds en voortgegaan is zine vuijten lasten aan die sta„ „vinne te verzadigen met haar zig vleeschelijk te vermengen. tot voorsz: Iannetje bij de to rug komst, van zin ged„n voorsz: huijs„ „vrouw van dezelve 't geval heeft verhaald en zyn huysvrouw door ontsteltenis daar over in flauw „te is gevallen.. off des ged„tn huijsvrouw aan hem off hy ged:n wanneer dezelve ged„n heeft gevraagd off 't waar zegt daarvan niets te weeten de slavinne Iannetje Legt voorsz: Jannetje weederom was dat hy get„n het met voorsz in flauw te gevallen was, Jannetje huld dan wel vleesche„ door wat azyn heeft geholpen off hy get„n dezelve Jannetje alzoo vastgebonden met queepeer latjes zoo lange met tusschen heeft geslaagen tot dat poezing zij in flaauwte gevallen en wee„ ver by haar zelve gekoomen zijnde heeft moeten zeggen Neeg de baar heeft niet bij off hy ged„n daarna met be„ „hulp van dien hotter tot voorsz Iannetje geheel ontkleed en haar aan een stomp van een eykenboor heeft vastgemaakt „ 10. Of hy ged„n daarop den hottentite „neert heeft een bos queepeeren latjes afte sniden en door 't zegt neen maar wel met een santje thans by den burger Ja„ queepeet Catje haar te hebben „ oob Hugo woonagtig geordon„ Logt Neen terwijl zyn ged:n huijs„ of hij get„n zyn huysvrouws met de duurste Eeden heeft versee„ „kert gehad, het onwaar te zyn dat hij ged„ 't met voorsz: Ian„ „netje hield . „lijke Conversatie heeft gehoudend. zegt: zule dingen te zyn die bij hem ged„n verborgen zijn. „lyke t Legger. ik sal 't aan nonje leggen! 7. 8. my geslagen. „ 13. „ 12. vuur te haalen. Art:
English
States not to know such a thing. Says never to have done so. Says not to have known. Says not to know that. Or had her assisted and thereupon had her entire body washed with brine water. Article 14. Whether he, the witness, said to the mentioned Jannetje: "Girl, if you say it again now, that I am keeping company with you, I will begin to beat you from the front." Whether the defendant subsequently continued to have carnal conversation with the aforesaid Jannetje. Says not to know such a thing. Whether the consequence of the carnal conversation held by him, the defendant, with the very same mentioned Jannetje made him realize that she was pregnant. Article 15. Whether the mentioned Jannetje, through the carnal conversation held with him, the defendant, became pregnant for the second time. Says to know nothing of it. Article 16. Whether the defendant's wife asked the mentioned Jannetje different times whether the child of which the aforesaid Jannetje was subsequently delivered happened to be by him, Adam Basterd, whereas it was a white child. States to know nothing of that. Article 17. Whether the mentioned Adam Basterd always maintained that the same child was not his. Says never to have heard such a thing. Article 18. Whether he, the defendant, said to the mentioned Jannetje: "If you get a child, you must then say that it is by Adam Basterd." Says never to have had anything to do with that female slave. Article 19. Whether the defendant, about fourteen days after the death of the same child of the mentioned Jannetje, again held carnal conversation with the aforesaid Jannetje under the threats previously made. Says not to know that she was pregnant. Article 20. Whether the defendant's wife, when the mentioned Jannetje had recently given birth, continually mistreated her, so that the same Jannetje was thereby incapacitated from being able to care properly for the child. Says no, but indeed while she was mistreated. Article 21. Whether the defendant's wife often said to the mentioned Jannetje that if she brought forth black children, she would then have the same properly taken care of, but no white or fair ones. Says not to know that. Article 22. Whether he, the witness, when the mentioned Jannetje was delivered of the same second child and it was a fair or white child, said to the aforesaid Jannetje that whenever her mistress might ask whose child it is, she, Jannetje, should just say that the same child was by the already deceased bricklayer Gerrit van der Blijk. Says not to have said such a thing. Article 23. Whether the defendant on a certain day when the mentioned Jannetje was insolent toward his wife, he, the defendant, at the request of his wife, had given her a few blows with a quince-wood lath, but the same having broken, he, the witness, had given her one more stroke with an end of a sambok. Says not to know that his wife beat her. Says he has never yet heard anything of that. Article 24. Whether he, the witness, then said to the mentioned Jannetje that she should say that the child of which she was pregnant was by her fellow slave Damon of Madagascar. Says to know nothing of that. Article 25. Whether the mentioned Jannetje said such a thing to his, the defendant's, wife. Says not to know such a thing. Article 26. Whether the defendant was called by his wife to beat the mentioned Jannetje with a bunch of quince-wood laths passed through the fire. Says never to have said that, for surely it was the slave. Article 27. Whether each of them first excused themselves, saying to his wife that he had a toothache. Says because it was so long ago. States not to know that she was tied fast. Article 28. Whether the defendant was nevertheless afterward compelled to beat the aforesaid Jannetje first with the aforesaid quince-wood laths and thereafter with a sambok for as long as he, the defendant, could. Whether the defendant's wife thereupon did not also beat the aforesaid Jannetje for so long until he, the defendant, substantially said to his aforesaid wife, "The girl is dying now." Article 29. Upon which his, the defendant's, wife then stopped beating the mentioned female slave. Article 30. Whether he, the defendant, having gone outside the house door, said to the mentioned Jannetje that she should say to the defendant's wife that the child is by Cornelis van Eeden, and she would then receive no more beatings. Article 31. Whether the mentioned Jannetje said such a thing to his, the defendant's, wife.
Dutch transcription
Legt zulx niet te weeten zegt zulx nooyt te hebben gedaan. zogt niet te hebben geweeten zegt niet te weeten dat off doen helpen en daarop haar geheel lighaam met pekelwaater heeft doen wasschen. Art: 14. Off hij get:n aan gem: Jannetje heeft gezegd gehad, mys zoo gij 't nu wederom zegd, dat ik bij sou houde, zal ik u van vooren afbeginnen te staan off den ged„n vervolgens heeft gecontinueert vleeschelyke Conversatie met voorsz: Jannetje te houden. zegt zulx niet te weeten. of 't gevolg van de vleesche„ „lyke Conversatie door hem ged„ met dezelve gem: Jannetje gehouden, hem geven heeft doen bespeuren dat zy swanger was. „ 16. off des ged„n Lyfvrouws aan gem: Jonnetje Adam basterd differente rijzen heeft gevraagd Off gem: Jannetje door de olf 't kind waarvan voorsz: Iannetje vervolgens verlost Legt laarens hiets te weeten met hem ged„n gehoudene vleeschelijken Conversatie voor is van hem Adam quam te zijn de twbedemaal is zwanger terwijl het een blank kind wvns. „ 18. Legt: daarvan niets te weeten. off hi ged:n aan gem: Pannetje kreeg als dan tot moeten zeg „gen dat k van Adam Basterd heeft gezegd. zoo zij een kind zegt, nooijt met die slavinne Off de ged:n omtrent veerthien te doen gehad te hebben. „ 22. daagen na de dood van 't zelve kind van gem: Pannetjen, weederom onder de voorma„ „lige gedane bedrygingen met voorsz: Jannetje vleeschelijken Conversatie heeft gehouden. „ 21. Ob des ged:n huijsvrouws tot gem: Jannetje dikwerf heeft gesogt, zoo zij swarte kinderen voortbragte dezelve als dan te zullen laaten behoorlijken ver„ „zorger, maar geene witte of „ 20. off des ged„n huysvrouws, wan„ neer gem: kannetje nog Jongs kraams was, by Continue„ „atie heeft mishandeld, zoo dat dezelve Jannetje daar door buijten staat is gesteld het kind behoorlyk te kunnen oppassen. zij mishandeld is. zegt zulx nooijt gehoord te off gem: Adam Basterd altoos staande heeft gehouden het zelve kind niet van hem te dat zij zwanger was. zegt daarvan niets te weeten. art 19 geworden „ 15. hebben.— zyn art: 18. re blanken. „ 23. was =geworden. zegt: zulx niet gesegt te hebben. zogt dat niet te weeten zegt neen maar wel terwijl zagt, niet te weeten dat zijn heeft. segt daar nog nooyt iets Art: 24. Arb: 28: off hij get aan gem. Janne¬ „tje als, toen heeft gezegt dat zy zouden zeggen, dat het zegt daarvan niets te weeten. Of, de ged=e egter naderhand is genoodzaakt geworden, kend waarvan zy zwanger voorsz: Iannetje eerst met was van haar tmeede slaaf de voorsz: queepeer Latjes damon van Maragasaar is en daarna met een sjambak te slaan zoo lange hi gedn off des ged: huysvrouw daar¬ „op niet meede de voorsz: Jannetje heeft geslaagen zoo lange tot dat hy gedn aan zyn voorsz: vrouw substanti„ „eelijk heeft gezegt als de 29 mijd nu verrekt. Op zyn ged„n huysvrouws huysvrouw haar geslaagen als toen heeft ofgehouden de „ 30. gem: slavinne te slaan. „ 31. off hij ged„n buyten de huijs„ deur gegaan zynde aan gem: Jannetje heeft gesegt dat zij aan des ged„e huijs„ „vrouws zeggen zouden dat 't kind van Cornelis van Edden is, en zi als dan geen slagen meer zoude hebben. „ 3 t'e gem: Iannetje zulx aan zyn ged„e huysvrouw heeft. van gehoord te hebben. is zulx niet te weeten. „vrouw te zeggen dat hij tand„ „pijn had. off hi getn wanneer gem: Pantnetje van 't zelve tweede kend verlost en't zelve een blanken of witte kind was; tot voorsz: Iannetje heeft gezegd, zoo wanneer haar Lyffrouws vraagen mogte van wieg 't kind is zy Jan„ „netje maar moeste zeggen van den reeds overleedenen wetselaar Gerrit van der Blijk 't zelve kind te zin! „ 26. off de ged„n of zeekeren dag gem Jannetje brutang tee„ door zyn huijsvrouw is ge„ „gens zyn huysvrouw was, „ roepen om gem: Iannetje hij ged„n of versoek van met een parthij door 't vuur zegt: dat nooyt gezegt te zyne vrouw dezelve met gehaalde queepaen Catjes een quepeerlatjen een paar te slaaen „ slaagen had gegeeven, dog deselve gebrooken zijnde, had hij get„n haar nog een streek off wat met een End van een Rambok gegeeven. hebben 27. Legt niet te weeten dat zy Off den ieder zig eerst heeft. zogh: terwijl 't zoo lang geleden vastgebonden geweest is. ontschuldigt met zyn huijs „vrouw gezegt — „ 25. immers kon de slaav! de re is