Inventory 4336
Cape · 410 pages · 215 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government, the aforementioned Burgher Jan Jacobs, who, having had his foregoing report clearly and distinctly read out word for word, declared that he persisted by it, wishing that nothing more or less be added thereto, save only that he, the deponent, as long as the aforementioned April had been his slave, had never beaten him except only on a Sunday evening, when the small cups mentioned in this report were not properly rinsed, on which occasion he, the deponent, only struck the aforementioned April a blow with the flat hand; and he spoke therefore, in confirmation of the truth thereof in the presence of the aforementioned slave April, the solemn words, So truly help me God Almighty. Jan Jacobs. Thus reviewed and sworn to at Cabo de Goede Hoop, the 22 October 1788. /was signed:/ Jan Jacobsz. /lower:/ in my presence /:was signed:/ W J Spneveld. & Clercq. — in the margin / as commissioners /was signed:/ N WVH [illegible] Maarderp. Articles drawn up and submitted to the Gentlemen Commissioners from the Honorable Court of Justice of the Castle of Good Hope, to be heard thereon at the requisition of the Fiscal pro interim Gabriel Exter: April of Bengal, slave of the Burgher Jan Jacobs, whose responses to be given shall be properly recorded in the margin hereof. The slave April of Bengal, slave of the Burgher Jan Jacobs, who to the adjoining interrogation points has given such answers as are recorded alongside each of them. Article 1. The prisoner's name, birthplace, age, and whose slave he is. Answers: April, of Bengal, estimated 35 years old, slave of the Burgher Jan Jacobs. Article 2. How long the prisoner has been in the service of the aforementioned Jacobs, and what his ordinary duty has been. Answers: now for two months, and has served there as a cook. Article 3. Whether complaints have not been made on multiple occasions by his master that he did not prepare the food as it should be, but sloppily and poorly. Answers: yes. Article 4. Whether he, the prisoner, having been ordered a fortnight ago on Sunday to rinse small cups, did not fail to rinse them in the water? Answers: that Januarij rinsed those cups. Article 5. Whether he, the prisoner, on the following day being called to account over this, did not still show himself confident and insolent. Answers: that while he, the prisoner, was busy cutting meat, his master came along and called for the servant, as well as saying, bring the ladder, some gunpowder and vinegar, and call the people, I will put him over the ladder; intending then to punish him, the prisoner, unjustly; that he, the prisoner, having already had a taste of this chastisement, immediately took to his heels with his knife in his hand, but that his master having pursued and grabbed him, the prisoner, he, the prisoner, then wanted to push him away from himself, and that the prisoner does not know whether his master was struck by the knife on that occasion, he, the prisoner, having thereupon immediately proceeded to the jail. Article 6. Whether he, the prisoner, had not already said the evening before that he was not the boy of Jacobs but again of someone else, and that when he should be beaten by Jacobs, he, the prisoner, would well know what he would do. Answers: no, I ran away out of my distress and fear. Article 7. Whether he, the prisoner, having heard from his master that the tally stick was full and that he would settle the score, did not thereupon provide himself with a knife and jump out through the kitchen and into the ditch situated beside the house. Answers: that his master said this to him while he was busy cutting the meat, and further as in article 5. Article 8. Whether he, the prisoner, having then been pursued and overtaken by his master, did not address him with: away from my body, he, the prisoner, having at once given his master a stab in the left shoulder. Answers: that as he was about to cross the ditch and his master had caught up with him, he, the prisoner, then substantially said: away from my body, and pushed him away from himself. Article 9. Whether he, the prisoner, did not intend to wound his master more severely, and indeed to kill him. Answers: no. Article 10. Whether he, the prisoner, does not confess having deserved punishment, and what he knows to bring forward in his excuse. Answers: I cannot help it, it is from heartache, the Devil was behind me. Thus questioned and answered at Cabo de Goede Hoop, the 12 September 1788, before the Gentlemen Rijno Johannes van der Riet and Gerrit Hendrik Meijer, Members from the Honorable Court of Justice of this Government, who signed the original minute hereof together with the prisoner and me
Dutch transcription
Compareerde voor ons onderget: gecomm: uit zegt nu zeederd twee maanden en aldaar als kok dienst gedaan gecommitteerdens uit den E: Achtb: Raad van Justitie dezes Gouvernements voorm: Burger Jan Jacobs, dewelke zijn vorenstaande relaas van woorde tot waarde klaaren duidelyk voergelezen wezende, betuigde daar by te blijven persisteeren, met begeerte, dat er niets meer by ofte van gedaen worden zal, als alleenlyk, dat hy relt: voorsz April, zoo lange denzelven zyn relt. slaaf geweest is, nooyt geslagen heeft des alleen ondags avonds, wanneer de in dit Jlaas vermelde kelkjes niet wel gespeeeld waaren, by welke gelegenheid by recl:t taonsz: April slegts met de vlakke hand een slag heeft toegebragt: en sprak dierhalven ter bevestiging der waarheid van dien in praesentie van doorsz: slaaf april de solemneele Woorden, zoo waarlyk helpe mij God almagtig. Jan Jacobs. Aldus gerecolleerd en beeedigd aan Cabo de goede Hoop, den 22 october 1788. /was geteekend:/ Jan Jacobsz. /lager ( my praesent /:was geteekend:/ W J Spneveld. & Clercq. — in Mengine / als ge gommitt=s /was geteekend:/ N WVH niet Lif Maarderp. Articulen gedaan, maken en aan Heeren Gecommitteerdens uit den E: Achtb:r raade van Justitie des Casteels de goede Hoop, legt, dat terwil hij geve zegt dat Januarij die Kelkjes gespeeld heeft. zegt ra„ off niet tot meerdere reijsen van zijn Baas is geklaagd geworden. dat hij de kost niet zoo als het behoord, slordig en sleg klaar maakte. of hy get: op Sondag voor veertien dagen geordonneerd Zijnde kelkjes te spaelen dezelve niet in det water heeft gespeeld? of hy gev . s'anderen daags door hoekeng hy gete in den dienst van voorsz: Jacobse, en wat zijn ordinaire verregting is geweest Des gev: naam, geboorte plaats ouderdom en wiens lyf eigen hij is: ondhagissing 35 Jaaren lijf eeven van den Burger zegt April, van Bengalen den slaaf April van Bengelen, vijf eigen van den Burger Jan Jacobs, dewelke op die nevens staande vraag¬ poincten, zodanig ef antwoorden heeft gee. geeven, als behyden een yder derselver staat aangeteekend. overgegeeven, omme ter requisitie van den pro interim Fiscaal Gabriel Exter, daar op gehoord te worden, April van Bengalen, lyfeigen van den Birger Jan Jacobs, zul„ lende desselfs te geevene respen¬ siven in Margine deezes behoorlyk worden beffend gesteld. Art: 1. den E: Achtb: raad van Justitie dezes Gouvernements. den overgegeeven besig over G te hebben. d - 4. Art: 8. zegt! neen. zegt, dat zyn haar hem dit terwyl hij met het vleesch te suijden bezig was toegenaegd heeft, en voorts als part: 5. zegt, ik, kan het niet hel„ „pen 't is van hart seer, de Duyvel is agter my geeweest. angstigheid een ik zegt neen door myn niggeloopen. besig was vleesch te Snyden zynen Baas als tien was gekomen, en naar den knegt geroepen, mitsga„ ders gezegt hebbende breng de leer, een ziem kruijd en Azin en roop het volk, ik zal hem over de leer krijgen. hem gev:e als toen onschuldig had willen straffen dat hy get. als reeds van deeze kastyding praef gehad hebbende het ter„ stond met zyn mes in de hand op een looper gezet had, dan dat zynen Baas hem geve: agtervolgd en gegreepen hebbende, hy get. denzelven als toen had willen van zig f stooten, en dat tijgesie niet weet, of zijn lyf Heer bij die gelegenheid door het mes getroffen is, hebbende hy gev„e zig daar op terstond: naar die tronk begeeven. — Art: 6. of hy ged:e niet reed s' avonds te vooren heeft gezegd, dat hy niet den Jongen van Jacobse maar weer van diemanzij, en Wanneer hy van Jacobse zoude geslagen worden, hy gete: wel zoude weeten, wat hy doen zoude of hij get: van zyn Baas ge¬ hoord hebbende dat den Kerff stok vol was en hy aftekening zoude houden zig daar op niet met een mes heeft voorsien en door de comluys na buiten en na de bezijden het huys bevinde lyke sloet is gesprongen. Aldus gedraagd en beantwoord aan Cabo de goede Hoop den 12 september 1788. voor de Heeren Rijno Johent: van der Riet en Gerrit Hendrik Meijer, Leeden uijt den E: Achtb: raade van Justitie dezes Gouvernements, die de minute dezes beneevens de ged=e en mij /:onderstond:/ 10 off hij gev: niet bekend, straf te hebben verdiend en wat hin tot zijne verschooning weeten te brengen. off hij gev: niet van meeninge is geweest zy Baas zwaerder te verwonden, en wel om 't leeven te brengen. zegt dat zoo als hy de sloot door zou gaan en zijn Baas hem ge¬ haeerd was, hij get: als toen substanti eelijk gezegd heeft, weg van min lijff en den zelven van zig affge„ „stooten. off hy get: toen van zyn baas gevolgd en ingehaald zynde, denzelven niet heeft toegesprooken, weg van myn lijf, hebbende hy get: met eens zyn Baas een versteek in de linker Schouder gegeeven. over ter reede gesteld zy niet nog assurant en brutaal heeft getoond. Art: 8. gesw: 7. 8
English
sworn Clerk have also duly signed, lower, which I witness, was signed, J. W: W: Rijneveld sworn Clerk. Re-examination. Appeared before the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government the aforesaid slave April, who, after this his preceding interrogation had been clearly read through from word to word, declared that he persisted therewith, desiring that nothing more be added or taken away. Below stood: Thus re-examined at Cabo de Goede Hoop on the 30 September 1788. Was signed, around which was written, this mark was set by the prisoner's own hand. Lower, in my presence, was signed, W V: Rijneveld sworn Clerk. In the margin, as commissioners, was signed, J: V: Echten, Joh:s Smits. Whereas April of Bengal, bodily slave of the burgher Jan Jacobsz, estimated to be 35 years of age, presently the Lord's prisoner, has voluntarily confessed, and it has evidently appeared to the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government from the documents furnished in the proceedings: That the prisoner, who served as a cook for his master, having on several occasions in succession prepared the food very poorly, was repeatedly reprimanded about this by his master, but with very little effect. That he, the prisoner, subsequently in the beginning of the recently passed month of September, on an occasion when some small chalices were to be cleaned and were rinsed in water by him, being again rebuked about this by his master, accompanied at the same time by the substantive remark that, whereas his score was full, an accounting would now be held, received a slap from his said master. That the prisoner, having thereupon taken flight with a knife in his hands with which he had just been busy cutting meat, and being pursued and overtaken by his aforesaid master, did not then hesitate, while saying, "Away from my body," to inflict a stab with that knife on his aforementioned master in the left upper arm against the shoulder blade; the aforementioned master having thereupon saved himself by flight, while the prisoner, having then gone through the garden toward the Cape with the bare knife in hand and subsequently to the Lord's provost, thus fell into the hands of Justice; the aforesaid master having not long thereafter been cured and fully recovered from the wound inflicted on him by the prisoner, just as the prisoner subsequently testified in pleno Judicio that he never had any intention to deprive his master of life or to do him harm, but came to that act unexpectedly and thus by accident. And whereas such a wounding committed by a slave against his master cannot in any way be tolerated in a land where law and justice are properly maintained, but on the contrary ought to be severely punished as a deterrent to others; so it is that the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government, on this day in session, having read and resumed with the required attention the written criminal claim and conclusion made and taken by and on behalf of the Fiscal pro interim here, the Honorable Gabriel Exter in his official capacity, against the prisoner, and having considered everything that merited reflection and could move their Honorable Worships, administering justice in the name and on behalf of the High and Mighty Lords States-General of the United Netherlands, has condemned the prisoner, April of Bengal, as their Honorable Worships condemn him by these presents: to be taken to the place where it is customary here to carry criminal sentences into execution, to be handed over to the executioner there, and after having stood exposed under the gallows with a rope around his neck, being tied to a post, to be severely scourged with rods on his bare back and thereupon to be branded, and furthermore to remain banished for the term of his life to Robben Island to labor on the Honorable Company's public works, with condemnation of the prisoner in the costs and expenses of justice and rejection of the remaining claim made and conclusion taken by the Officer. Below stood: Thus done and sentenced at Cabo de Goede Hoop on the 9 December 1788, and pronounced in the Castle of Good Hope on the 20th following, and executed on the same day. Was signed: J: J: Rheunis, P: C: Mommelkamp, Joh:s Smits, J: V: Echten, C: G: Maasdorp, G: H: Meijer, R: W: D: Riet, de Wet, C: Gie. Lower, in my presence, was signed: E: L: Neethling secretary. In the margin: Fiat Executio. Was signed: C: J: van de Graaff. Agrees. J Ryneveld Clerk. Against the soldier Johan Hertel of Nuremberg, stationed at this Castle, prisoner and defendant in the aforesaid case, on the other side, and declared: That at the house of the former bookkeeper Albertus Petrus Van der Riet, where a female slave belonging to the Military Captain, the Honorable Johan Arnoud Bleumer, who served there for some months as a wet nurse, silverware had on various occasions been stolen in a very clandestine manner; the prisoner and defendant having previously already cohabited with this maid; he betook himself elsewhere in the evening to the aforesaid residence to receive the silver outside the door and carry it away, the same consisting of 11 silver spoons, 5 forks, and 3 knives, as well as three salvers with three plated candlesticks. Appeared before the Right Honorable Worshipful Lord President and Council of Justice of the Castle of Good Hope, the Fiscal pro interim G: Exter, serving ex officio, plaintiff in a criminal case on the one side, No 13. Article 5. 2. 4.
Dutch transcription
gesw: Clercq meede behoorlyk hebben onder „teekend / lager/ 't welk ik getuijge / was ge„ teekend. J. W: W: Rijneveld gesuf: Clercq. — — Recollement. Compareerde voor de ondergeteekende ge committeerdens uijt den E: Achtb: Raad van Justitie deezes Gouvernements voorsz: Slaaf April, dewelke deeze zijne vorenstaande in„ terragatoria van woorde tot woorde duidelyk doorgeleesen zijnde, betuijgde daar bij te blijven persisteeren, niet begeerte, dat er niets meer bij of afgedaan worden zal /onder stond:/ Aldus gerecolleerd aan Cabo de goede Hoop den 30 September 1788. / was geteekend/ (waaromschreeven) dit merk is daer dden gev:e eigenhandig gesteld. /lager/ mij praesent. /was geteekend:/ W V: Rinereld g Clercq. in margine / als gecomm:s /was geteekend: J:V: Echten Joh:s Smits Alsoo April van Bengalen Leijf Eigen van den Burger Jan Jacobsz: nagissing oud 35 Jaaren, thans 's Heeren gevangenen vrijwillig beleeden heeft en het den E: Achtb: Raad van Justitie deezes Gouvernements uijt de ten processe gefourneerde stukken evident gebleeken is. — Dat den geve. die als kok bij bij zynen hy Heer heeft dienst gedaan, eenige reijsen na elkanderen het eeten zeer slegt klaar gemaakt hebbende, daer over telkens door zijnen hijf Heer edoch met zeer weinig effect is te reede gesteld geworden. Dat hij gete: vervolgens in het begin van de Jongst aerl: maand september, bij gelegen heid, dat eenige kelkjes zouden schoon gemaakt worden en dezelve door hem in het water gespoeld waeren, van zijnen lijf Heer daar over wederom onderhouden zijnde, teffens onder substantieele toevolginge, dat, terwijl zijn kerfstok vol was, en nu afrekening zoude gehouden worden, van denzelven zijnen lijf Heer een klap bekomen heeft. Dat de getze: daar op met een mes waar meede hij just bezig geweert was, vleesch te snijden, in zijne handen, de vlugt genomen hebbende, en door zijnen voorsz: Leijf Heer nagevolgd en achterhaald zijnde, zich als toen niet heeft ontzien zynen meerm: Leijf Heer, onder het zeggen, weg van mijn Leijf met dat mes een steek in de linker boven arm tegen het Alsoo Schouderblad schouder blad toe te brengen; hebbende gem: des gesr: Lijf Heer zig daar op met de vlugt ge¬ „sauveerd, tterwijl den getr: zig als toen met het bloote mes en de handen door de truijn heen naar de Caab en vervolgens bij S Heeren geveldigen begeeven hebbende op die wijze in handen van Justitie geraakt is, zijnde voorsz: zijn zijf Heer niet lange daar na van de hem door den gev: toe gebragte vande wederom geneesen en volkoomen hersteld geraakt, gelijk de getz: vervolgens in pleno Judicio heeft betrugd, nimmier met eenig veerneemen gehad te hebben, om zynen Leijf Heer van het leeven te berooren, of leed aan te doen, maar onvoorsiens en dus bij ongeluk tot die daad te zijn gekomen. En nadien eene diergelike quetting van een slaaf aan zijnen Leijf Heer gedaan in een Land, alwaar recht en gerechtigheid behoorlyk worden gehandhaafd, geensints kan worden geduld, maar integendeel tot afschrik van anderen behoord te worden verstraft, zoo is 't dat den E Achtb: staad van Justitie deeze Gouvernements ten dage dienende, met de vereischte oplettendheed geleesen en geresumeerd hebbende den schriftelijken crimineelen Eisch en conclusie door en van weegens den pro interim Fiscaal alhier d' E: Gabriel Exter nomine officie op ende Jeegens den gev:e gedaan en genoomen mitsgaders vverwoogen alles wat reflectie meriteerde, en hun E: E: Achtb: konde doen moveeren, recht doende uit naamende van weegens de Hoog mogende Heeren Staaten Generaal der Verfenigde Neederlanden, den get: April van Bengaalen, heeft gecondemneerd zoo als snu E: E: Achtb: denzelven Condemneeren mits deesen, omme gebragt te worden ter plaatse daar men alhier gewoenen crimineele gewysdens ter Executie te leggen, aldaar aen de scherprechter overgegeeven, en na met een strop om den hals onder de galg te hebben te pronk gestaan, aan een paal gebonden zinde met staeden op de bloote ruijge strengelyk gegeesseld en daar op gebrantmerkt te worden, mitsgaders den tyd zynes leekens ten robben Enlande om aan s'sE: Comp:s gemeene werken te arbeiden, gebannen te blijven, niet condemnatie van den get: in de kosten en misen van Justitie en ontzegging van den p dienende gedaanen N„o 13 gedaanen Eisch en genomene Conclusie van den Officier /onder stond:/ Aldus gedaan en gesententieerd aan abo de goede Hoop den 9 December 1788. mitsgaders gepronuntieerd in 't Casteel de goede Hoop den 20 der daar aanvolgende en geExecuteerd ten zelven dage: /was geteekend:) J: J Rheunis P: C: Monnelkamp Johs Smits Nchten C: G: Maardorp. G: H: Meijer/. RWD: Riet de Wet slage mij praesent. :C: Gie. (:was geteekend/. EL Neethling secrs. /:in margine/ Fret Executie / was ge¬ teekend:/ C: J: van de Graaff. Accordeerd. J Ryneveld Contra. den ten deezen Casteel be„ Scheidenen soldaat Johan Hertel van Neurenberg gev:en ged:e in voorsz: cas ter ardere syde en deede zeggen. dat ten huise van den Oud Boekhouder Albertus Pethus Van der Riet, daer eene den Capitain Militair de Manh: Johan Arnoud Bleumer toebehoorende stavin, dewelke eenige maanden als minne aldaar heeft dienst gedaan, tot diffirente reijsen zilver goed op eene zeer clandestine wijze zijnde gestrolen geworden. den gevr: en ged:e van te voren reeds bij deeze meijd gehouden hebbende. zig elders s'avonds ter voorsz: woonnige heeft begeeren om 't zilver buiten de deur te ontfancening en weg te brengen zynde sulk bestaan in 11 zilvere leepels 5 Torken, en 3 messen, zodan drie Schenkborden met drie plettie Kandelaars. Compareerde voor den WelEdelen Achtb: Heere Praesident en Rade van Justitie des Casteels de goede Hoop, den pro interim Fiscaal G: Ekter, C: O: Eisscher in cass crimineel ter eenen Clercq Art: 5. 2. 4.
English
Article 5. That the aforementioned silver goods were brought by the prisoner and defendant, on each occasion of receipt, to the gunsmith discharged from the Honorable Company's service, Master Johannes Fredrik Markstad. 6. Who paid for the same at 27 stuijvers per loot, upon the assurance of the prisoner and defendant that he had it for sale from a certain man. 7. And furthermore again offered it to the silversmith Jan Hendrik Smit for 5 schellingen, and the two last salvers for 5½ schelling the loot. That this fact, along with the remaining circumstances, the inquiries made, and the proceedings, appears fully and more amply from the attached documents and papers. And the prisoner and defendant being no less in confession regarding this. 10. The Officer Demandant, subject to correction, believes it remains only to ascertain what punishments the prisoner and defendant shall have merited by his crime. 11. Whereupon it shall chiefly be noted: 12. That although the prisoner and defendant did not take the silver directly out of the house. Article 13. He nevertheless came elsewhere to take delivery of it outside the house and carry it away. 14. That he did so repeatedly on different occasions, thus with premeditated will, intent, and inclination. 15. That he employed the silver for himself and to his profit, and sought thereby to enrich himself to the detriment of the owner. 16. Which circumstances qualify the act in such a manner. 17. That the prisoner and defendant shall in all respects not be considered merely as a receiver and accessory who concealed the goods or drew only a small profit therefrom. 18. But much rather as the thief and principal culprit. 19. Who used the mentioned female slave therein, and, as she states, actually seduced and persuaded her to that theft. 20. The deliberate obstinacy and malice being further evident from the conduct of the prisoner and defendant before and during the investigation. 21. Which must aggravate his guilt in all respects. 22. And leaves only this excuse. Article 23. That without help he in all likelihood would not have committed the theft, or had the opportunity to do so. 24. It will therefore no less be left to the judge to punish the prisoner and defendant in a proportionate manner in accordance with all the circumstances. For which and other reasons and grounds to be further reduced in due time, if necessary, the Honorable Officer Demandant, making his claim, concludes that by definitive sentence of Your Right Honorable, the prisoner and defendant shall be brought to the place where one is accustomed to execute criminal sentences, and there delivered to the executioner, and being tied to a post, be severely scourged with rods on the bare back, and furthermore be banished forever from this colony, with condemnation of the prisoner and defendant in the costs and expenses of justice, or to such other penalties and punishments as Your Right Honorable shall judge and deem proper. Was signed: G: Exter. In the margin: Exhibited the 11th of December 1788. Right Honorable Gentlemen! Shows with due respect, the undersigned Fiscal pro interim, that the Officer Remonstrant having been informed by the former Bookkeeper Sr: Petrus Albertus van der Riet in the beginning of this month of September that over a short period he had gradually lost 4 silver spoons with 8 ditto forks and 3 knives with similar handles, as well as a small and 2 large salvers, the Officer Remonstrant could not fail to make this known immediately as far as possible, so that upon noticing such silver goods, he might be given notice thereof. That pursuant thereto, the Burgher Jan Hendrik Smit the following day having made known to the Officer Remonstrant that he had bought the aforementioned silver from a certain Markstad, and the latter from a soldier of the Battalion, the Officer Remonstrant decided to have both the one and the other of those persons provisionally placed under arrest, and further to take the necessary information regarding it. That pursuant to the same, and the statements given before the aforementioned Gentlemen Commissioners and the general investigation conducted, the corpus delicti appears fully established, and that the abovementioned soldier Johann Hertel, who nevertheless claimed to have found this silver, must in all respects be guilty of the theft of the same, or indeed be the perpetrator himself, so that the Officer Remonstrant finds himself under the necessity to act ex officio in the aforementioned case against the same Jan Hertel. And since the crime as well as the nature of its punishment require bodily apprehension, the undersigned hereby turns to Your Right Honorable, respectfully requesting to grant the Officer Remonstrant your Decree of authorization to have the frequently mentioned Jan Hertel taken into apprehension. Underneath stood: Doing which. Was signed: G: Exter. In the margin: Exhibited in Court the 18th of October 1788. To the Right Honorable President and Council of Justice of the Castle of Good Hope. Account given in the presence of the undersigned Commissioners from the Honorable Right Honorable Council of Justice of this Government by and on behalf of the former Bookkeeper of the Honorable Company Sr: Petrus Albertus van der Riet, of competent age, and at the requisition of the Fiscal pro interim here, the Honorable Gabriel Exter, reading as follows: That the relator's wife, wishing to use her silver salvers on last Tuesday the 2nd of this month,
Dutch transcription
Art: F: dat voorsz: zilver goed door den gev: en ged:e bij ieder reyse van ontfangst is gebragt geworden bij den uijt 's E: Comp„s dienst ge„ ligten roar sloote M:r, Joh:s Fredrik Markstad. 6. dewelke 't zelve op de ersekering van den geve en ged:e dat hy 't doer een zeker man ten verkoop had met 27 stuijvers p loot heeft betaald. 7. / en voorts weeder verzogt, aan den zilver Smit Jan Hendrik Smit door 5 schellingen ende beide„ laatste schenkboeden voor 5½ schelling 't laat. dat dit fait niet de overige omstandigheden gemaakte recherenes, en procedures uit de annexe documenten en stukken volkomen en ampeler komende te consteeren. E en den gev:e en ged:e niet minder daar omtrend in confessie zijnde. 10. den r: I: Eisschier /:onder correctie:/ vermeend alleenig noch te hebben na te gaan, welke straffen den gev:e en ged:e door zijne misdaat zal hebben gemercteerd. 11. Waar by dan voornamentlijk zal behoren Aangemerkt te worden. 12. dat den gev:e en ged:e hoevel, denzelven 't zilver niet directelijk uijt 't huis heeft weggenomen. Art: 13 echter dog elders is gekomen, om 't zelve buiten 't huis over te nemen en weg te brengen. 14. / dat denzelven zulks by reiteratie tot diffiente reijsen heeft gedaan, digs met voorbedagte Wille, op zet en genegenheid. 15. dat hij 't zilver voor zig en tot zijn profijt heeft geëmploijeerd, en gezegt zig daar meede ten nadeel van den Eiglenaar te verrijken- 16. / Welke onstandigheeden 't fact zodanig qua„ lificeeren. 17/. dat den gev:e en ged:e in allen opzigte niet zoo wel als weelen en meede schuldige, die 't goed geborgen, ofte maar een geringen profijt daar van heeft getrekken. 18. Maar veel meer als dief en hooft schuldige zal moeten geconsidereerd worden 19. dewelke de vermelde slavin daar bij heeft gebruijkt, en gelyk zy zegt wezentlijk tot dien diefstal verleed en overgehaald. 20. blykende nog de opzettelijke halstarrigheid en boosheid, uijt 't voor en bij 't ondersaek gehouden gedrag van den gev„e en ged„e 21: het welk desselfs schuld in allen opzigte moet ter meerderen 22 en alleenig nog tiet zinne verschoning overlaat. Art: 13 Art: 23. 1 1 Art: 23. dat hij zonder hulpe de diefte naar alle Waarschyn lykheid niet zoude hebben begaan, ofte gelegenheid daar toe gehad hebben. e 2k zullende 't dus niet minder aan den regter overgelaten blijven, den geve: en gede ingevolge aller omstandigheedens op eene evenredige wijze te straffen. Mits welke en andere redenen en middelen in tijden wijlen /:is 't naad:/ nader te reduceeren den E: O: Eisscher Eisch doende, concludeerd, dat bij definitive tonnis van UwelEdele Achtb: den gev: en ged:e zal worden gebragt ter plaatse, alwaar Meen gewoon is, crimineele sententien ter Executie te brengen, en aldaar aan den Scherp regter overgeleeverd, en aan een paal gebonden zijnde, met roeden Strengelijk op de bloote ruggegeeskeld en Voorts ten beuuigen dage uit deeze colonie colonie WelEdele Agtbare Heer 8 Heeren! Vertoond met schuldigen Eerbied, den ondergeteekenden pro interum Fiscaal e dat den R:O: vertoonder door den oud Boekhouder S: Petrus Albertus van den Riet in 't begin dezer maand 7ber: aangediend Aan den WelEdelen Agtbaaren Heer Praesident ten Raade Aan Justitie des Casteels de goede Hoop gebannen te worden met condemnatie des gev: en gede in de Kosten en Mise van Justitie, ofte tot alzulken anderen pennen en straffen, als UWelEdelen Achtb: zullen oordeelen en vinden te behooren. (Was getekend:/ G: Exter (in Margine/ Cachib: den 11: Xb:r 1788. gebannen. zijnde ƒ ƒ zijnde geworden, dat hem zederd korten tyd na en na waaren absent geraakt t zilvere leepels met 8 dito ttorken en 3 messen met diergelyke hegten zoodan een kleine en 2 groote schenkborden, den 2: O: vertoonden niet heeft kunnen ingebrek blijven, zulks directelyk zoo veel mogelijk is, be„ kend te maken om bij ontwaaring van diergelyke zilver goed, denzelven daar van kennis te geeven, 6. dat ingevolge van dien den Burger Jan Hendrik smit s' anderen daags aan den R: O: vertoonder te kennen hebbende gegeeven, dat hij voorstaande zilver van eenen zeekeren markstad, en deeze van een soldaat van 't Bataillon gekogt had, den r: O: vertoonder te raade is geworden, zoo wel d'een ie als d'andere dier persoonen bij provisie in arrest te laten gaan, en voorts de nodige informatie, daar omtrend te neemen. Dat ingevolges dezelve en de voorst: Heeren Gecommitteerdens gegeevene ker¬ klaaringen en gedaane generale ondersoek vol„ komen de Corpore dellieti, komt te consteeren, en dat den bovengem: soldaat Johann Hertel, die egter dit zelver absolute wil gesonden hebben, in allen opzigten aan de Diefte van't zelve schuldig„ ofte wel zelve de daader zijn moet, dus den 7:O: vertoonder in de noodsakelykheid zig verzet Relaas gegeeven ten overstaan van de ondergeteekende Gecom„ mitteerdens uit den E: Achtb: Rade van Justitie dezes Gouvernements door en van weegens den oud Boekhouder der E: Compe: Sr: Petrus Albertus van der Riet, van Competti¬ ten ouderdom en ter requisitie van den pre interim Fiscaal alhier, d' E Gabriel Exter, luyden de het zelve als volgt. Dat der relt: Tuis vrouw op laatstl: dingsdag den 2 dezer, haare zilvere schenkborden willende ziet, om amtshalven in Voorm: Cas tegens denzelven Jan Hertel te ageeren. En vermits de misdaad zoo wel als de gesteldheid in bestraffing derzelven apprehensie corporeel komen te vereisschen, zoo is den ondergeteekenden mits deezen zig keerende tot uwe wel Edelen Agtbaren, eerbiedig versoekende, om aan den E: O: vertoonder te verleenen wel derselver Decreet van authorisatie, om meergem: Jan Hertel te doen neemen in apprehensie /:onder stond:/ 't welk doende /was geteekend:/ G: Cater. /in margine/ Exhib: in Judicio den 18 8ber: 1788„ — ziet gebruiken
English
to use, and having missed 3 pieces thereof, he then immediately asked the relator's female slaves named Bientang and Kilida, to both of whom the supervision over the silverware had been entrusted, about this, and had received as an answer that they thought that the salvers must have been put away by the abovementioned wife of the relator, but that they at the same time had to disclose to the relator's wife that they had already been missing eleven silver spoons, four forks, and three knives with silver handles since 16 August last, but had always thought that the same would still turn up, and had therefore kept silent about this. That the relator, having been informed of this by his said wife, immediately made a careful investigation, and had then missed in his house 2 large and one small silver salvers, eleven spoons, four ditto forks, three knives, one silver salt scoop, three plated candlesticks, and six porcelain dishes, as proper notice of the missing silverware was then also given by the relator. That the relator further: on the day before yesterday having been informed by the burgher Daniel Hendrik Smit, with the showing of the aforesaid smallest salver, that he had bought from a certain Markstad three salvers and some spoons, forks, and knife handles, without being able to determine the exact number, and at the same time had learned by a letter from the provost that this silverware had been stolen from him, the appearer; he, the appearer, then also immediately thereupon had returned the three aforesaid salvers; while said Smit had declared to the relator that he, the spoons, forks, and knife handles, as being old and mixed together, had therefore already melted down and consumed. The relator declaring further to know for certain that the three aforesaid salvers were still in the house on the 2nd of the past month of August, while furthermore on the 29th thereof a large salver was still used by the relator. Relating nothing more, the appearer gives reasons of knowledge as in the text, being prepared to confirm the foregoing further at all times with a solemn oath. Thus passed at the Cape of Good Hope on 6 September 1788, before the gentlemen Carel Mappa and Johannes Smuts, members from the Honorable Court of Justice aforesaid, who, together with the appearer and me, the sworn clerk, have also duly signed the minute of this. Underneath stood: to which I testify, was signed: W: J: v: Rijneveld, sworn clerk. Verification. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government aforesaid, Petrus Albertus van der Riet, to whom this, his foregoing account, having been read word for word, declared to persist and abide by it, desiring that nothing more shall be added to or taken from it, except only that the appearer has missed five silver forks, and therefore, in confirmation of the truth thereof in the presence of the soldier Johan Hertel, spoke the solemn words: So truly help me God Almighty. Underneath stood: Thus verified and sworn at the Cape of Good Hope on 24 November 1788. Was signed: R: J: v: d: Riet, G: Hk: Meijer, as commissioners, in the margin was signed: R: J: v: d: Riet, lower: in my presence, was signed: W: J: v: Rijneveld, sworn clerk. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government, the burgher Jan Hendrik Smit, of competent age, who at the requisition of the Fiscal pro interim, the Honorable Gabriel Exter, declared to be true: That a certain Markstad, who was previously stationed as a servant at the armory, but thereafter was engaged by the burgher Bernnardus Rijkheer, who, as the appearer believes, is a silversmith by trade, and now and then has sold to the appearer, as being also a silversmith, 20, 30, and more pounds of old silver; now well over fourteen days ago, in two parcels, some silver spoons
Dutch transcription
gebruiken, en daar van 3 stuks vermist hebbende, als toen terstond des relts: Slavinnen in naame Bientang en Kilida, aan welke beiden het opzigt over het zilverwerk was toevertrouwd, hier na gevraagd, en ten antwoord bekomen had, dat zij vermeenden, dat de schenkborden door bovengem: des relts: huis-vrouw moesten zyn geborgen geworden, dan dat zy teffens aan des rests. Duisvrouw moesten openbaaren, dat zi reeds zeederd den 16 Augs: Jongst: Elf zilvere leepels, vier Vorken en drie messen met zilvere hegten vermest hebbende, egter altoos hadden vermeend, dat dezelven nog te Toorschijn zouden zijn gekomen, en dit daarom versweegen hadden Dat de relt: hier van door zyne gem: Huis¬ trouw geinformeerd zijnde geworden, terstond nauwkeurig onderzoek gedaan, en als toen in zijn huis vermist had 2 groote en een kleine zilvere schenkborden, Elf leepels, vier dito torken, drie messen, een zilver Sout-schopje, drie plettie Kandelaars, en Ses porcelaine schoo¬ tels, gelik door den relt: dan ook van het ver¬ wiste zilver werk aan den relt: behoorlijk Was kennissie geegeeven. Dat de rekt. voorts: op eergisteren van den Burger Daniel Hendrik Smit, onder ver„ tooning van het voorsz: kleijnste schenkberd ver„ stendigd zynde geworden, dat hy van zeekere Markstad drie schenkborden en eenige leepels vorken en messen hegten, zonder het Juste getal te kunnen bepaalen, gekogt en teffens van den geweldigen door een brieff vernomen had, dat dit zilverwerk bij hem Compt. gestoolen was: hij Compt: dan ook terstond daar op de drie voorsz: schenk borden„ had te rug gegeeven; terwijl gem: Smit aan den relt: hadt gedeclareerd, dat hy de leepels torken en mesten hegten, als zijnde oud en nieuw door elkanderen, derhalven reeds versmolten en verbruikt had. Verklaarende de relt. voorts zeker te weeten dat de drie Voorschreeve schenkborden, den 2ke der gepasseerde maand Augustus nog in het huis zijn geweest, terwijl derder op den 29 e daar aan een groot Schenkbord nog by den relt: gebruikt is. Niets meer relateerende geeft de Compt. door redenen van Wetenschap als in den text bereid, zijnde het vorenstaande altoos met solem¬ neele Eede nader gestand te doen. Burger Dat Dat aldus passeerde aan Cabo de goede Hoop den 6 september 1788. voor de Heeren Carel Mappa en Johannes Smuts Leeden uit den E: Achtb: Raad van Justitie voormeld, die de minute deezes beneevens den Comp:t en mij geswoore Clercq meede behoorlijk hebben onderteekend. /onder stond:/ 't welk ik getuige /:was geteekend:/ W: J: V: Rijneveld g Clercq. Ee Recollement. Compareerde voor ons onderget: gecomm: dat den E: Achtb: Raad van Justitie deezes Gou vernements voorm: Js: Petrus Albertus van der niet,; tewelke dit zijn vorenstaande relaas van woorde tot woorde voorgeleesen wesende ver„ klaarde daar by te blijven persisteeren, met begeerte, dat er niets meer bij of van gedaan worden zal, als alleen dat de Compt: vijff zilvere vorken, vermist heeft, en spraek derhalven ter bevestiging der waarheid van dien in praesentie van den soldaat Johan Hertel, de solemneele Compareerde voor ons ondergeteekende gecom„ mitteerdens uit den E: Achtb: Raade van Justitie deezes Gouvernements, den Burger Jan Hendrik Smit, van Competenten ouderdom, dewelke ter requisitie van den pro interim Fiscaal d' E: Gabriel Exter verklaarde, hoe waar is. Dat zeekeren te toren als knegt op de wapen„ kamer bescheiden geweest zijnde, Edoch daar na door den Burger Bernnardus Rijkheer geligten Markstad die, zoo de Comp„t meend, een zilver smit van zijn Ambacht is, en nu en dan aan den Comp:t: als zynde meede een zilver smit 20, 30 en meer L:t oud zilver verkogt heeft; voor nu ruim veertien dagen geleeden, in twee partijen, eenige zilvere Aldus gerecolleerd en beeedigd aan ee Cabo de goede Hoop den 24 November 1788. R W D. Riet /lager/ mij /was geteekend:/ praesent /:was geteekend:/ als gecommitts Rineveld W3 e G: Clercq. /:in marqnie:/ Was geteekend/ A J a Biet. G: Hk: Meijer woorden, zoo waarlijk helpe mij God Almagtig. /:onderstond:/ woorden leepels- -
English
having brought spoons and ditto forks, as well as some flattened silver knife handles, without the Appearer being able to state the number or weight thereof at present, he, the Appearer, had then also paid off the same to the mentioned Markstad at 5 schell: per loot. That, a few days thereafter, a small salver weighing by estimate 17 or 19 loot having also been brought to the Appearer for sale by the mentioned Markstad, the Appearer, then still suspecting no evil, had likewise purchased the same at 5 schell: per loot. That, however, the mentioned Markstad having come to the Appearer again last Thursday, a week ago, with another although larger Salver and weighing 49½ loot, this had then caused the Appearer some reflection as to whether he, Markstad, had come by it in an honest manner; wherefore the Appearer, having asked the mentioned Markstad to whom that salver belonged, had received as an answer from him that it belonged to a Gentleman who needed money, and, not wishing to let his name be used, had handed the same over to him, Markstad, for sale. That, since on the first of August a silver sugar box had been brought for sale to the Appearer by a maidservant of the mentioned Rijkheer in the name of her mistress, and the mentioned maidservant having received as an answer from the Appearer that he, the Appearer, could not buy such a thing from a slave without a note from her mistress, subsequently indeed brought a note from the aforesaid Wife of Rijkheer, and he, the Appearer, had then thereupon also purchased the mentioned sugar box; the Appearer therefore supposing that the aforesaid salver might also belong to the mentioned Rijkheer, who apparently might need money, had then also accepted the mentioned salver at 5 schell: and 3 stv: per loot. That when the mentioned Markstad, on last Sunday, had offered for sale to him, the Appearer, the counterpart of the aforesaid salver, weighing however only 49 loot, he, the Appearer, had then asked him in substance: to whom it belonged, and whether there was so much hurry that he had to surprise the Appearer with it on Sunday; having thereupon again received as an answer: it is for a Gentleman who needs money; if he were not so much in want of money, it could well be delayed; wherefore the Appearer, still in the opinion that it came from the mentioned Rijkheer, and also presuming that, since the month had ended, he therefore at the beginning of this month needed that money so urgently, had purchased the aforesaid salver at 5 schells and 3 stuivers per loot. That the Appearer, having been informed two days thereafter by a note from the provost that three salvers as well as several spoons and forks, and some knives, had been stolen from the undermentioned upcoming bookkeeper of the Honorable Company, d:s Pettrus Albertus van der Riet, and noticing from this that he had unknowingly purchased stolen goods, had then immediately gone to the mentioned Markstad, but had not found him at home. That the Appearer, having had the mentioned Markstad sought out by a maid, had upon his arrival asked him in substance: whether the provost had been to him, and how he had come by the silverware purchased from him by the Appearer; to which the mentioned Markstad had answered: I have it from the soldier Turken, orderly of officer Boode, for 27 stuivers per loot; while the mentioned Markstad then, upon the question of the Appearer whether that was then the Gentleman with whom he had so misled the Appearer, and who was said to urgently need money, had replied that the mentioned Turken had it from Manus Keeve, who was said to have gambled away much money and, to save himself from his debt incurred on that account, had handed over the aforesaid silverware to him, Turken, for sale. That the Appearer having then said, I shall report this, the mentioned Markstad had thereupon, in anxiety and fear, trembling, suffered and begged him, the Appearer, by all means not to make him unfortunate; upon this being replied to by the Appearer: how can you, when you are not to blame, be so fearful? bring me my money, then we shall see to settle it amicably with the Gentleman van der Riet; the mentioned Markstad had then departed from the Appearer, saying, I shall go look for the soldier. That a moment thereafter the mentioned Markstad, having with him the aforesaid soldier Turken, having come to the house of the Appearer, the first-mentioned had handed over to him, the Appearer, saying, look, there is all my fortune, 33 rd:s, requesting at the same time that the Appearer would grant him eight days' delay for the remainder, adding thereto that when he had the money together
Dutch transcription
leepels en d:o torken mitsgd:s eenige plat geslagene zilvere messe hegten, zonder dat de Compte het getal of gewigt daar van thans meer weet op te geeven, gebragt hebbende, hij Compt: dezelven dan ook teegens 5 schell: het loot aan gem: Markstad had affbetaald. Dat door gem: Markstad eenige dagen daar na ook bij den Compt: ter verkoop gebracht zijnde een klein schenkbord, weegende naar gissing 17 of 19. laat, den Compt: toen als nog geen kwaad vermaeden hebbende, het zelve meede tegens 5 scheel: 't laat had ingekogt. Dat egter gem: Markstad nu laatstl: donderdag voor agt dagen wederom met een andere edocht grootere Schenkbord en weegende 49½ loot bij den Compt: gekomen zijnde, dit als toen enig nadenken of hij Markstad wel op een Eerlyke wyze daar aan gekomen was, bij den Comp:t had te weege gebragt, weshalven den Comp:t gem: Markstad gevaagd hebbende, wie dat schenkbord toe behoorde; van denzelve had ten antwoord bekomen, dat het zelve van een Heer was, die geld nodig had, en echter zijn naam niet willende laten gebruiken, het zelve aan hem Markstad ter verkoop had overgegeeven. Dat nadien met den eersten Augustus door een meid van gem: Rijkheer uit naam van haare lijftrouw een zilvere suiker trommel bij dens Comp„t te koopgebragt was, en gem: meid door den Comp„t ten antwoord bekomen hebbende, dat hij Comp:t zoo iets zonder briefje haarer lijfvrouw van geen slaaf konde koopen, vervolgens ook werkelik een brieffje van de voorsz: Vrouw: van Rijkheer gebragt, en hij Compt: toen daar op ook gem: zuiker trommel gekogt had, de Comp:t derhulven vermeenende, dat 't voersz: schenkbord meede van gem: Rijkheer die aparent geld benodigd mogtie hebben, zijn mogtie, gem: schenklord toen oekens 5 schell: en 3 stv:t het loot had aangenoomen. Dat wanneer gem: Marksteed op laatstl: sondag de weedergade van voorsz: schenkbord wee„ gende echter maar 49 loot, by hem Compt: ter koop had geveeld, hy Compt. denzelven als toen in substantie hed afgevraagd: wie het zelve toebehoorde, en off en zoo veel haast bij was, dat hy den Compt: op sondag daar meede moeste overvallen hebbende daar op wederom ten antwoord bekomen: het is voor een Heer die geld nodig heeft, wanneer hy niet zoo zeer om geld verleegen was, zou het wer uit stel kunnen deelen, neshalven den Compt: als nog in de meening, dat het van gem: Rijkheer kwain, en teetens vermoedende, dat terwijl de maand geeendigd was, hij derhalven met het begin te deezer 8 deezer maand dat geld zoo, noodsakelyk nodeg had, het voorsz: schenkbord teegens 5 schells en 3 stuivers het loot had gekogt. Dat de Compt: 2 dagen daar aan door een briefje van den geweldigen geinformeerd geworden zijnde dat by den onder afgesz: aage staande boekhou„ „der der E: Comp:e d:s Pettrus Albertus van der Riet, drie schenkborden mitsgds verscheidene leepels en torken, en eenige messen gestaalen waaren, en daar uit bemerkende, dat hij onweetende gestolene goederen gekogt had, zig als toen terstond daker gem: Markstad begeeven, edoch hem toen niet te huijs gezonden had. Dat de Compt: gem: Markstad door een meid hebbende doen opsoeken denzelven by zijne aan komst in substantie had afgevrangd: of de gewel diger bij hem was geweest, en hae hy hem het door den Compt: van hem gekogt e zilverwerk gekomen was 2 op het welk gem: Markstad ge antwoord had: ik heb het aan den soldaat Turken oppasser van officier Boode voor 27 stuikers het laad; terwijl gem: Markstad toen op de vrage van den Compt: off dat dan dien Heer was, waar meede by den Compt: zoo had misteid, en die nood sakelijk geld nodig zou hebben had gerepliceerd dat gem: Turken het had van Manus Keeve, welken veel geld zou hebben verspeeld en het voorsz: zilverwerk om zig uit zyn diegwegens ge„ maakte schuld te redden, aan hem Tsurke ter verkoop overgegeeven. dat de Compt: als toen gezegd hebbende, ik zal dit aangeeven. had gem: Markstad hem Comp:t daar op solangst en treese, beevende geleeden en gesmeekt om hem tog niet ongelukkig te maaken, zulks door den Comp: hier op gerepliceerd zijnde: hoe kunt gij, wanneer gij geen schuld hebt, zoo vreesachtig zijn, breng wij mijn geld, dan zullen Wij 't bij den Heer van der Riet in der minne zien te schikken, was gem: Markstad als toen onder het zeggen, ik zal de soldaat gaan opzaeken, van den Comp:t vertrokken. Cat een ogenklik daar na gem: Markstad byzig hebbbende voorsz: soldaat Turken, aan het huis van den Compt. gekomen zynde de eerst gem: hem Compt: onder het zeggen, ziedaar is al mijn vermoogen, had ter hand gesteld 33 rd:s versoekende teffens dat de Compt: hem weegens het restant agt daagen uitstel wilde verleenen, daar bij voegende, dat hij, wanneer hy het geld bij elkander dat had „
English
had, he would then fetch the silver and return it directly to the aforesaid J:s van den Riet. That after the appearer had replied to this: if you can arrange it today yet, it is well, but tomorrow morning I am definitely going to Mr. Jan van der Riet; the aforementioned Turke had then said in substance that the appearer had better keep silent about this and melt it down, or throw it into the water, for this matter could never come out, because he had bought the silverware on the square from a boy who did not know him, nor did he know the aforementioned boy; adding that he well knew that there was a punishment for him for this, and that he would rather take his own life or do himself harm than undergo punishment, both of them, upon the appearer's saying: man, you be quiet, I cannot keep silent, having left the appearer's house. That the aforementioned Turke, having come to the appearer on the following day, or the day before yesterday in the forenoon, and having brought three rixdollars along, had again insisted on keeping this matter quiet, but that the appearer, having accepted the money, nevertheless refused his request once again, and had also immediately given notice of what had occurred to the aforesaid J: van der Riet. That on that same day, the aforesaid officer's messenger having also come to the appearer, had then asked him, the appearer, how matters stood with that affair regarding the silverware; and the appearer having related the matter in its aforementioned circumstances to the said messenger, the latter had asked thereupon whether the appearer had also reported this, but that the appearer, believing that this matter did not concern him, the messenger, at first did not answer, but upon the repeated question whether the matter had been reported, replied yes; Whereupon it was in substance reacted by the aforementioned messenger: then there is nothing more that can be done about it; he asked me to put in a good word with you, and that is why I have come here! adding thereto: it is a pity about such a young fellow, they want to take part in everything, gambling, playing; he is keeping company with a maid of Blumert, who is currently in the house of Mr. van der Riet as a wet-nurse, and from that comes such jugglery. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons of knowledge as in the text, being prepared, if required, always to confirm the foregoing under oath. Thus done at the Cape of Good Hope, the 6th of September 1788, before the Gentlemen Carel Nappa and Joh:s Smuts, members of the Honorable Court of Justice aforesaid, who have duly signed the minute hereof along with the appearer and me, sworn clerk. Below: which I witness. Was signed: W H Rijnere, 1st Sworn Clerk. Articles drawn up and handed over to the Gentlemen Commissioners from the Honorable Court of Justice, in order that Fredrik Markstad, a dischargee locksmith from the Honorable Company's armory, may be heard thereon at the requisition of the Fiscal pro interim G: Goetz, his answers to be given being duly set down in the margin hereof. The witness's name, birthplace, age, and status. Answer 1: says Jan Fredrik Markstad, discharged master locksmith at the Honorable Company's armory, born in Brunswick, 38 years of age. How long he, the witness, has been in service, and what trade he presently pursues, and wherewith he supports himself. Says already for 14 years, and presently supports himself here by working in copper and silver. Since what time he, the witness, has been discharged from the Honorable Company's service, and by whom. Says by Jan Bernhardus Rijkheer, now 5 months ago. Whether he, the witness, has not now and then sold silver, and indeed also to the silversmith, Daniel Hendrik Smit. Says yes. Whether he, the witness, has not on two different occasions, 15 days to 3 weeks ago, brought silver spoons and ditto forks, with flattened knife handles, to the aforementioned Smit. Says yes. How much the same weighed. Says that the spoons and forks
Dutch transcription
had, het zelver dan zou haalen en direct naar voorsz: J:s van den Riet te rug besorgen. dat nadat den Comp: daar op had gerepliceerd wanneer gij 't van daag nog kunt sschikken is 't gaad maar morgen vroeg ga ik vast naor den Heer Jan der Riet; gem: Turke als toen substem¬ tieelyk gezegd had, dat den Compt: dit liever Swijgen en 't zelven versmelten, of in het Water Smijten moest, want dat die zaak nooyt kon uit koomen, om dat hij het zilverwerk op het plein had gekogt, Aan een Jongen, die hem niet kende, noch hy gem: Jongen ook niet; met bijvoeging, dat hy wel wst dat er hier voor hem straf epstond en dat hij zich zelve lieven te kort of reed aan doen wilde, als Straffe ondergaan, zynde zy beiden op des Compts zeggen, man zuijg jij, ik kan niet zwijgen¬ uyt 's Compts: huis geqaal. Dat gem: Turke daags daaraan ofte op eergisteren 'S voordemiddags bij den Compt: ge¬ koomen zijnde, en drie Rijksd: meede gebragt heb¬ kende, als noch had geinsteerd, om deeze zaak stil te houden, dan dat de Compt: het geld aan¬ genoomen en echter zijn versoek als toen wederom geuygerd hebbende, ook dadelyk van het geleurde aan voorsz: f: van der Riet had kennisse gegeeven. dat dienzelven dag nog by den Compt: gekomen zijnde, voorsz: officier Boode denzelve hem Compt: als toen had afgevraagd, haer het met die zaake, nopens het zeeverwerk, sat 't zulks den Compt: geem: Boade de zaak in zyne voerszomstemn„ digheid verhaald hebbende had denzelve daarop gevraagd, of den Compt: dit ook had aangegeeven dan dat den Compt. als vermeenende, dat deze zaak hem Boede niet aanging, daarop in 't eerst niet heeft geantwoord, edog op de herhaalde vraage, of de zaak was aangegeeven, gereplieerd van Ja¬ Waar op door gem: Manh: Boede in substantie Wierd geregereerd, dan is er ook niets meer aan te verhelpen, hy heeft mij verzogt om een goed woerd bij u te doen, en daarom ben ik hier bekoomen! daar bij voegende: het is Jammer van zoo een Jonge Keerel, zij willen alles meede doen, dobbelen, speelen, hij houd bij een meed van Blumert, die thans bij de Heer van der Riet als minne in het huijs is, en daar van komt zoo een koukelarij. Niets meer verklarende, geeft den Compt. aan voor Art: 1. zegt reeds zeederd 14 Jaaren en zig thans, met en 't Voor redenen van wetenschap als in den text, bereed zynde het vorenstaande, des gerequi¬ reerd wordende altoos met Eede gestand te doen. Aldus Gepasseerd aan Cabo de goede Hoop„ den 6 september 1788. voor de HHeeren Carel „Nappa, en Joh:s smuts Leedenant den E: Achtb: raade dan Justitie voorm: die de minute deezes, beneevens den Compt: ende mij geswoore Clercq, meede behoorlyk hebben onderteekend. /lager, 't welk ik getuige /was geteekend/ W H Rijnere ld: G: C:lercq. Articulen gedaan maken en aan Heeren Gecommitteerdens uit den E: Achtb: Rade van Justitie over„ gegeeven, omme ter requisitie van den pro interim Fiscaal G: Eoeter daar op gehoord te worden den uit sE Comp:s geligte zaer sloetemaker, of S'E: Comp:s Wapen- kamer, Fredrik Markstad, zullende desselfs te gevene responsiven in margine dezer behoorlyk worden ter neder gesteld. zegt za. zegt, dat de leepels„ ttorken zegt Ja. koper en zilver te ver¬ „ken, alhier te erneeren. 4. of hij getz: niet nu en dan zilver heeft verkogt, en wel ook aan den Zeeter Smit, Daniel Hendrik Smit. of hij getr: niet tot twee ver„ „scheidene reisen voor 15 dagen a 3 weeken geleeden, zelvere leepels en dito storken, met platgeslagene messen hegten, by gem: Smit heeft gebragt. Hoe veel zulks heeft gewoogen hoe lang hij getr: in dienst is geweest, en wat tij thans drijft, en waar meede hij zich neerd zeederd welken tyd hy getr: uit sE: Comp:s dienst geligt is, en door wient zegt door Jan Bernhardus Rijkheer, voor nu 5 maanden geleeden. zegt Jan Fredrik Markstad, geligte Baas toersloote„ maker op 'S E: Comp:s wapen„ kamer van Bhonswijk geboertig, oud 38 Jaaren. Des getr: naam, geboorte plaats ouderdom en qualiteit. /:onder stond:/ Ant: 1. - ƒ en n
English
Article 10. forks, and knives together weighed 66½ loot, and that he, the interrogated party, received 5 schellingen per loot. Answers yes. Article 7. Whether he, the interrogated party, did not a few days later also bring a small salver that he, the interrogated party, sold for the same money. Answers yes. Whether he, the interrogated party, did not further on a Thursday come to the aforementioned smith with a larger salver, having received 5½ for the same. Answers yes. From whom he, the interrogated party, obtained this silver and demanded for it, and whether he, the interrogated party, was not questioned about it by the smith. Answers, that the soldier currently in detention (as the interrogated party believes, named Hertel) brought all the aforementioned silverware to him, the interrogated party, pretending that the same belonged to a young gentleman who had lost money gambling, and who had the same sold quietly without his wife's knowledge, and that the smith indeed asked him, the interrogated party, whom that silverware belonged to, but that he, the interrogated party, answered thereto that it came from a gentleman who needed money. Article 8. Whether he, the questioned party, did not on Sunday a week later come with the counterpart of the aforementioned salver, and what he, the interrogated party, received for it. Answers, no; says to have had no suspicion in that matter, and further came to sell the same to the smith as well. Article 11. Whether he, the interrogated party, had not said and assured the smith that the silver belonged to a gentleman who, not wishing to have his name used, had given the same to him, the interrogated party, to sell. Answers, that while he relied upon the affirmation of the aforementioned soldier Hertel, he, the interrogated party, also stated this as such to the smith; adding thereto, that he had very much reason to place trust in the aforementioned Hertel, since the said Hertel had often brought silver to him for sale, and he, the interrogated party, having made inquiries thereafter, had then also found everything to be just as had been stated to him by the aforementioned Hertel, as among other things also appeared on the occasion when the aforementioned Hertel, being an orderly of the officer Boode, had brought a silver teapot for sale in the name of the said Boode, when the interrogated party made inquiries in this regard with the mentioned Mr. Boode, and then also learned that the aforementioned teapot had actually been given by him, Boode, to the said Hertel for sale; wherefore he, the interrogated party, having now also acted in good faith, had also accepted the silverware in question upon his assurances. Article 12. Whether he, the interrogated party, was not then asked in an urgent manner to whom it belonged, and whether it was in such a hurry that it had to be brought on a Sunday. Answers no: but that he, the interrogated party, having said to the smith that he should not take it amiss that he came on Sunday, because he, the interrogated party, had no money and this was nevertheless brought to him for sale, the mentioned smith responded thereto substantially: well now, it does not matter, let us just weigh it. Whether he, the interrogated party, did not then even more assure that it was from a gentleman who needed money, and which could suffer no delay. Answers no. Article 13. How he, the interrogated party, dared to put forward such lies, while he received this silver from the soldier Hertel, and why he actually did this. Answers on this point as in Article 10. Article 14. Whether he, the interrogated party, indeed asked the soldier in what manner he came by so much silver, and what the same answered thereto. Answers, that having previously had no suspicion when buying the silver spoons, he also did not ask the mentioned Hertel then how he came by it, but that afterwards, when Hertel had arrived with the silver salvers, he, the interrogated party, having then become suspicious and asked in what manner the frequently mentioned Hertel had obtained those salvers, had received in answer thereto from the same that it came from a gentleman, and further as in Article 9. Article 15. Whether the mentioned soldier brought all the silver at once, or on several occasions, and handed it over to him, the interrogated party. Answers on five different occasions. Article 16. Whether he, the interrogated party, had prior acquaintance with that soldier, on what occasion he came to it, and whether they have had more to do together since then. Answers to have first become acquainted with the mentioned soldier about six months ago, and specifically on the occasion that he, the questioned party, often had to be at the house of Officer Boode, where the interrogated party spoke with the aforementioned Hertel continually.
Dutch transcription
Art: 10. torken, en Messen te voor 't Laot heeft ontfangen 5 schellingen. zamen hebben gewoogen zegt Ja. 66½ loot, en dat hij getr: Art„o 7. off hij gesr: niet eenige daagen daar op ook een klein schenkbord heeft gebragt dat hij gesr: voor 't zelve geld heeft verkogt. off hij getr: niet voorts op een donderdag met een grooter schenk, bood bij gemelde smit gekoomen zijnde, voor 't zelve 5½ heeft ontfangen. van wie hij getr: dit zilver zegt, dat de thans in arrest heeft gekreegen, en daar voor ge¬ sittende Soldaat (zoo den „geeren, en off hij gesz: niet van gesr: Meend:/ Hertel Smit daar om is ondervraagd genaamd, al het voorsz: zilverwerk by hem getr: geworden. heeft gebragt, roorgevende, dat het zelve de Jonge Keere toekwam, die geld verspeeld had, en dat zelver in stilte buijten weeten van zijne vrouw liet verkoopen, en dat Smit hem geinterrogeerde wel heeft gevraagd, wie dat zilverwerk toehoorde, edog dat hij gesa: daar op geantwoord heeft, dat het van een Heer kwams die geld nodig had Legt za. off hij gevr: niet op Sondag 8. dagen met de weedergaade van voorsz: Schenkbord is 11. zegt; dat terwijl hij op off hij getr: niet aan smit had de betuiging van Voorst: gezegd en verzeekerd dat 't zilver soldaat Hhertelj staat van een Heer was, die zyn naam gemaakt heeft, hij getr: niet willende laten gebruiken, 't zelve dit ook zodanig aan smit aan hem getre. had ter verhoop heeft opgegeeven; hier bij gegeeven. voegende, dat hij zeer veel reede had, om in voorsz: Hertel vertrouwen te stellen, nadien gerepte Hertel dikwils zilver bij hem te koop gebragt, en hy gesr: daar na on„ „dersoek gedaan hebbende, dan ook alles zodanig als door voorsz: Herkel aan hem was opgegeeven, bevonden had, zoo als onder anderen nog oak is gebleeken, bij gelegenheid dat voorsz: Hertel, als zynde een oppasser van den officier Boode, een Zilvere trekpat uijt naam van gerepte Boede, te koop had gebragt, wanneer de Geinterrogeerde, bij ged„te Manh: Boode, dies„ Neegens navraag gedaan, en teen ook vernomen had, dat het voorsz: trekpetje, door hem Boode werkelyk aan gerepte Hertel ter verkoop gegeeven was; weshallen hij get: thans meede in een goed dertrouwen geverseerd hebbende, het Zilverwerk in questie ook op zijne Verzeekeringen aangenomen had. en wat hij gesr: daar voor heeft ontfangen. Art: 10 gekoomen, 8. Legt, neen. zegt in die zaake geen erg gehad te hebben en voorts gekoomen, om 't zelve ook aan Smit te verkoopen. Art: 12. off hij gesr: toen niet op een Antwoord neen: Maar bringende wijze is gevraagd dat hij getr: teegens geworden wien 't toebehoor die mijt gezegd hebbende, en of 't zoo veel haast had, dat hij niet kwalijk dat 't op sondag moest gebragt moest neemen, dat hij op sondag kwam, want worden. dat hij getr: geengeld had en dit egter bij hem te koop gebragt wierd, gem: Smit daar op substantieelyk heeft geantwoord, wel nu 't komt er niet op aan laten wijze maar weegen of hij getre: toen niet noch meer verseekerd heeft, dat 't van een Heer was, die geld nodig had, en 't geen uitstel konde lijden. 13. Hoe hij getr: dergelyke leugens heeft durren avanceeren, terwijl hij dit zilver van den saldaat sterken heeft ontfangen, en waarom zegt of dijff differentie hy dit eigentlyk heeft gedaan 2. reiden als op art: 10. of bij getr: wel den soldaat zegt, dat hij te voren bij 't koopen der zilvere heeft gevraagd op hoedanige lepels geen kwaad Wijze hij tot zoo deel zilver vermoeden gehad is gekomen, en wat denzelve hebbende gem: Hertel daar op heeft geantwoord toen ook niet heeft gevraagd, hoedanig hij & daar aan kwam, maar dat daar na, wanneer Hertel met de zelvere schenkborden was aangekomen, hij getr: als toen nagedachten gekreegen en gevraagd hebbende, op dat wijde meergem: Hertel die schenkborden ge¬ kreegen had, zan denzelven daar op had ten antwoord bekoomen, dat het Aan Keere kwam en Voorts als op Urt: 9. of gem: soldaat al het zieker met eens, dan wel tot meer¬ dere reisen heeft gebragt en aan hem getr: overgegeeken off hij Getr: van te voren al kennis aan die soldaat heeft gehad, bij wat gelegenheid hy daar toe is gekomen, en of hij zeederd meer te zamen hebben te doen gehad. Art: 45. zegt aangemelde soldaat eerst zeederd zak maan„ den Kennis te hebben gekreegen, en wel bijge„ „legenheid, dat hij gev„e pikwils aan het huijs van Officier Boode heeft moeten zijn, alwaar de Gesr: voorsz: Hestel geduurig gesprooken heeft. ge. Art: 15. Art: 18. 14: 17. /6.
English
Article 18. Whether he, the examinee, having heard from Smit that the silver had been reported as stolen, did not request Smit to keep the matter secret. Answers that Smit said to him, the examinee, that he had to bring back his 76 rijksds, and that he, the examinee, having handed over 33 rijksds, being all he had in his power, to the aforementioned Smit, he, the examinee, had at that time also proposed, solely for the sake of preserving the soldier Hertel, to bring the salvers to Mr. van der Riet and then ask him if he would show consideration to the said soldier and cover up the matter. Article 19. By whom the knife handles were flattened, and why this was done. Says that Hertel requested 8 days delay; says that he, the examinee, having asked the aforementioned Hertel whether, since the knives could not be weighed as they were, he might therefore knock off the handles, and whether the gentleman to whom they belonged would be satisfied with that, the said Hertel answered him, go right ahead, and that he, the examinee, then knocked off the handles and, in order to get the resin out, also flattened them, and subsequently weighed them. Article 20. Whether he, the examinee, did not say this to Smit, saying he does not know how he could say that the silver was given by Hermanus Kreefe, while the soldier himself confessed to having received it from a boy on the square. Says yes, but that Hertel says he does not know this. Article 21. Whether he, the examinee, did not add thereto and say, look there is my entire fortune, where the rest of the money has gone refusing and demanding his money back directly with 33 pieces brought to him, and requested to wait 14 days with the remainder. Answers that he essentially said that he wanted to give his entire fortune, since he had always been an honest man, and such things had never happened to him, and this therefore had not occurred either, and further says he paid for all the silverware to Hertel at 27 stivers per lood. Article 22. Whether he, the examinee, did not say and request to melt down the silver or rather throw it into the water in order to keep the matter secret. Says this was said by Hertel. Article 23. Whether he, the examinee, did not say to Hertel refusing it. Says no. Article 24. Whether he, the examinee, therefore must not confess to have known that the silver was stolen, and where it came from. Answers purely no. Article 25. Whether anything else concerning this case is known to him, the examinee. Says that the aforementioned Hertel had also brought a small plate candlestick to him, but that he, the examinee, having then answered that this was not silver, because one could see the resin inside, the aforementioned Hertel then replied, just break it into pieces, I bought it for 6 Rds, and that the aforesaid Hertel having then broken that candlestick in half himself, the examinee pointed out to him that it was not silver, but copper overlaid with silver, whereupon the said Hertel took the broken candlestick with him. Adding here further in his defense that he had proceeded in this matter very innocently, without the slightest evil intent, for being himself a silversmith, he could well have melted down that silver, and thereby, had he acted in bad faith, prevented that matter from ever coming to light; further, that he, the examinee, has repeatedly shown that he did not engage in any underhanded dealings, in that about two years ago he brought to the Officer of Justice a silver watch, which had been offered for sale to him, the examinee, by a boy for 2 rds, which watch was afterwards found to have been stolen by the said boy from a gunner. Re-examination. Appeared before the undersigned Commissioners from the Honorable Council of Justice of this Government the aforesaid Fredrik Markstad, who, having had his aforesaid answered interrogatories clearly read to him, affirmed that he persisted by them, desiring that nothing more be added or removed, declaring in the presence of the soldier Johan Hertel that all of it was true. Thus interrogated and answered at the Cape of Good Hope on 12 September 1788, before Messrs. Ryno Johannes van der Riet and Gerrit Hendrik Meyer, Members of the Honorable Council of Justice aforesaid, who have duly signed the original of this along with the appearer and me, the sworn Clerk. Which I witness, Was signed: W. H. Rijneveld, Sworn Clerk.
Dutch transcription
Art: 18. Hertel 8 daagen uitstel verzogt heeft. zegt, dat hij getr: gem: Hertel gevraagd heb„ bonde off terwijl de messen zoo niet konden, gewoogen worden, hi derhalven de hegten wilden uitslaan, en off den Heer wieu dezelven toehoorden, daar meede te reede zoude zijn denzelven Herkel daar op geantwoord heeft, gaat Jouw gang maar, en dat hy getr: als toen de regtten aff en /:om er de harpuijs uit te krijgen:/ dezelve ook plat geslagen, mitsgaders vervolgens gewogen had. off hij getr: dan Smit gehoord Antwoord, dat Smit tee, hebbende, dat 't zilver als ge¬ „gens hem getr: gezegd had dat hy hem zyne staalen, aangegeeven was, aan 76 rijks d Es te rug brengen mit niet heeft verzogt, om de maeste, en dat hij geta: zaake te verswijgen. 33 rijksds: zynde alles nat hij in zijn vermogen bezat, 5 aan foern: Smit hebbende ter hand gesteld, hy getne. kenzelven als toen ook had geproponeerd, om alleen tot behoud van den soldaat T Hertel, de schenkborden bij J:r van der Riet te brengen, en denzelven dan te ver„ zoeken, of hij met gerepte soldaat consideratie gebruijken en die zaake bedekken wilde 20. te zegt za. maar dat off hij gevr: niet, Smit zzulks Hertel zegt dit niet te weeten. hoe mij getr: heeft kunnen zeggen, dat het zilver van Hermanus Keere was ge¬ geeren, dat den soldaat dog zelfs bekend heeft, aan een Jonge op 23. 22. diegt dit is daer Hertiel off hij getre: niet gezegd heeft gezegd geworden. en verzogt, om 't zilver te Versmelten ofte liever in 't Water te smijten om de zaake versweegen te houden Art: 21. off hij getr: niet daar bij heeft Antwoord, dat hij gesz gevoegd en gezegt, zief daar essentieelijk gezegd mijn gantsch vermoogen heeft, dat hij zijn ge„ waar t' overige geld is gebleeven heele vermogen wilde geeven, nadien hij altoos een eerlyk man was geweest, en dusdanige zaken noch nooijt met hem voorgevallen waaren, dit derhalven ook niet gepasseerd was, en zegt wijders al het Zilverwerk aan Hettel tegens 27 st het lood betaald te hebben. Weigerende en zijn geld te rug begeerende directelijk met stirkes N:o 33. bij hem gebragt en verzogt heeft, met den Overfest 1s dagen te wagten. Door wie de messen hegten zijn plat geslagen geworden, en waarom zulks is gedaan Weegerende het 13. „ - zegt neen. 25. of hem gesr: ook nog iets zegt dat gem: Hertel ook nog een plettie kon, Weegens deze zaak bekend is. delaer by hem had gebragt dag dat hij get: als toen geantwoord hebbende, dat dit geen zilver was, want dat mende harpuijs van binnen ƒ noet had kunnen zien, gem: Hertel als toen daar op had Gerepliceerd. slaat 't maar in stukken ik heb 't voor 6Ed:s gekogt, en dat voorsz: Hertel die kandelaar als toen ook zelve middlen door gebreken hebbende, de getr: hem daar op Aangetoend had, dat dezelve geen zilver, maar koper enexen met zilver overgeblasen was, terwijl gerepte Hertel, als toen de in strukken gebrokene kandelaar had mede genoomen. Raerende hij getr: hier noch ter zijner Verontschuldiging bij, dat hij in deesen zeer onnosel, zonder de gerugste Org¬ daan, was te werk gegaan, want dat hij gem: zelfs een zilver smit zijnde, sal dat zilver wel zoude hebben kunnen versmelten en daar daer, bij aldien hij ter kwaader trouwe te werk ging, preetenceeren, dat die zaak ooyt was aan den dae Recollement. Compareerde door de ondergeteekende Gecommitt:s uit den E: Achtb: Raade van Justitie deezes Gouvernements voorsz: Fredrik Markstad, dewelke zyne voorsz: beantwoorde interrog: duidelik voorgeleezen zynde, betuigde daar bij te blijven persisteeren net begeerte dat er niets meer bij of afgedaan worden zal, verklaarende in praesentie van den soldaat Johan Hertel dat al het zelve, die gekomen; wijders dat hij getr: al te meermaalen getoond heeft, dat hi zig met geen konkelarij ophield, daar bij gesr: nu circa twee Jaaren geleeden bi den R:O: regt: gebragt heeft een zilver horolagie, 't welk door een jongen aan hem getr: voor 2 rd:s te koop was aangebaaden welk horolagie na dato ook bevonden was, door gerepte Jongen van een boschschieter gestaolen te zijn /:onderstond:/ Aldus gevraagd en beantwoord aan Cabo de goede Hoop den 12 september 1788. voor de Heeren Rine Johannes Jan der Riet en Gerrit Hendrik Meijer Leeden uit den E: Achtb: Raad van Justitie voormeld, die de minute deezes beneevens den Comp:t en mij gesw: Clercq meede behoorlyk hebben onderteekend /:lager:/ 't welk ik getuige„ /Was geteekend/ W H Rijneveld gClercq. het plein ontfangen te hebben. Art: 24. Off hij getr: dus niet bekennen moet geweeten te hebben, dat 't zilver gestoolen geweest is, en waar 't van daan gekomen is gekoomen zuitere
English
is the pure truth. Now denies having taken the silver and the merchandise etc. from Sr. van der Riet. Thus reviewed at the Cape of Good Hope, the 21st of November 1788. /was signed/ Fs: Markstad /lower/ in my presence /was signed:/ W. J. v. Rijnevelt, Sworn Clerk. — /:in the margin: as commissioners /was signed:// R. J. v. Riet. G. H. Meijer. Further articles drawn up and delivered to the gentlemen commissioners from the Honorable Court of Justice, in order to be heard thereon at the requisition of the interim Fiscal G. Exter, Silvia, bondwoman of the Captain-Military, the Honorable Johan Arnold Bleumer, the responses to be given shall be duly noted in the margin of this. — Art. 1. Whether she, the respondent, still pretends nothing else than the theft of the silverware at the house of the Bookkeeper, the Honorable Van der Riet, to wit. Review. Appeared before the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government, the aforementioned Havis Silvia, who, the foregoing having been answered by her. Thus questioned and answered at the Cape of Good Hope, the 14th of November 1788, before the gentlemen Rijnier Johannes van der Riet and Gerrit Hendrik Meijer, Members of the Honorable Court of Justice aforesaid, who have duly signed the original minute of this together with the appearer and me, the sworn clerk. /:below stood:/ to which I testify. /was signed:/ W. J. v. Rijneveld, Sworn Clerk. — and given to Hertel on three different occasions, testifying that she was persuaded to that deed by the said Hertel upon his assertion that he was in great trouble and needed so much money, and that if he could not obtain this, he would do away with himself, while furthermore no one else from the house of the aforementioned J. van der Riet knew anything about it. Adding to this that the aforementioned Hertel said that he had gambled away the money through Vleesch, the officer messenger, and further brings forward in her excuse that she came to this deed out of pity, requesting a merciful punishment. interrogatories and says Johan Hertel of the interrogatories having been clearly read out, testified to persist therewith, desiring that nothing more shall be added or taken away. /:below stood:/ Thus reviewed at the Cape of Good Hope, the 21st of November 1788. /was signed:// around which was written: this mark was made by the appearer's own hand /:lower:/ in my presence /was signed/ W. J. Rijneveld, Sworn Clerk /:in the margin:/ as commissioners /was signed:/ R. Riet, G. H. Meijer /lower/ Agrees /was signed/ W. J. Rijneveld, Sworn Clerk. Whether he, the examinee, knows the dismissed F. Markstad, and had not much conversation with the same. States to know Markstad no otherwise than that he, the examinee, saw him in the armory and now and then was at his house at the Cape without, however, having held conversation with the same. Articles drawn up and delivered to the gentlemen commissioners from the Honorable Court of Justice of the Castle of Good Hope, in order to be heard thereon at the requisition of the interim fiscal, the soldier stationed at this Castle, Johan Hertel, his responses to be given shall be duly noted in the margin of this. Art. 1. The examinee's name, birthplace, age, and capacity. says Johan Hertel of Keurenberg, aged 23 years, and to be stationed at this Castle as a soldier. Whether he, the examinee, did not on several occasions bring silver to the said Markstad in order to sell it or melt it down. 1. says to have brought him silver because he bought it from him. What kind of silver that was. says, eleven forks, five spoons, three knives, and three trays. When and with what ship he, the examinee, arrived here. says, with the Princes of Orange, now about 5 years ago. 2. 3. 4. Art. 5. and how he, the examinee, came by this. says, to have found three knives and three trays bound together in a white cloth in the canal under the bridge situated beside the door of the sexton of the Reformed Church, and to have sold the same in three or four lots to the aforementioned Markstad. Art. 6. Whether Markstad knew of this, or what he, the examinee, said or made known to the same in that regard. says, to the question from Markstad, how do you come by it, I answered: I have it from a certain man, without having named anyone's name. 7. Whether he, the examinee, did not recount to Markstad that the silver came from Keeve, who had gambled and needed money. says no, but that Markstad had spoken about Keeve and about it; whereupon the examinee had let slip that he was still to have two rixdollars from Keeve, which he had won by gambling. 8. How he, the examinee, could assert this, while he indeed said to Smit that he had bought the silver from a boy on the plain. says, yes, not having need to tell Smit that he had found the silver. 9. How much he, the examinee, gave to that boy for the silver, and what he, the examinee, himself profited from it. Art. 9. says, I know of no boy. 10. What kind of boy that is, and in what manner he, the examinee, became acquainted with the same. says, I do not know, I mean. 11. How he, the examinee, dares say that he had found that silver bound together in a cloth in a ditch, whereas it was stolen after about 3 weeks and in that manner was also sold again by him, the examinee. says not to know what relevance this has, but that he had found everything bound together and had sold it successively. 12. On what day and time he then received one thing and the other, and where it has gone. Whether he, the examinee, did not receive all the money from it and where such has gone. says, yes, and returned a portion, namely 12 rixdollars to Smit, 10 rixdollars for a debt to the barber's sister, and also paid some money for a new pair of trousers made by Bouman, tailor of the company of Captain Wernich, as well as having bought a hat and consumed the rest of the money.
Dutch transcription
zuivere waarheid is. Legt thans het bij Sr. van der Riet dermistee zilver en de handelaars etc: te hebben weggenomen Aldus gerecolleerd aan Cabo de goede Hoof den 21 November 1788. /was geteekend/ Fs: Markstad (lager (mij praesent /was geteekend:/ WJ V Rijnevelt. GClercq. — /:in margine: als gecommitteerdens /was geteekend:// HJV Riet. G: H: Meijer. Nadere articulen gedaan maken en aan Heeren Gecommitts: uit den E: Achtb: Raade van Justitie overgegeeven, omme ter requisitie dan den pro interim Fiscaal G: Exter daar op gehoord te worden, silvia lyftegen van den Capitein Militair de Manh: Johan Aknold Bleimer zullende de te gevene responsi¬ den in margine deezer behoorlijk worden bekend gesteld. — Art: D. of zy gede: nog praetendeerd niets dan de deeffte der zilvere gae deren, ten huise van den Boekhouder d' E: Van der Riet, te weeten. Recollement. Compareerde door de ondergeteekende ge Committ:s uit den E: Achtb: Rade van Justitie deezes Gouvernements, voorsz: Havis Jlvia dewelke de vorenstaande door haar beantwoordele Aldus gevraagd en beantwoord aan Cabo de 0 goede Hoop den 14 November 1788. voor de Heeren CRijne Johannes van der Riet en Gerrit Hendrik Meijer, Leeden uit den E: Achtb: Rade van Justitie Voorm: die de Minute deezes beneffens de Compt: en de mij gesw: Clercq meede behoorlijk hebben onderteekend /:onder stond:/ 't welk ik getuige. /was geteekend:/ W H Rijneveld &: Clercq.— en en drie differente reisen aan Hertel gegeeven, betuigende door gem: Hertel op zijn voorgeeven, dat hij in een groot geval was, en zoe veel geld nodig had, en dat wanneer hij dit niet kon magtig worden, hy zich dan szelve zou te kort doen, tot die dood te zijn overgehaald, terwijl voorts niemand anders uit het huis van doorsz: J: van der Riet, daar van iets geseten heeft Voerende hier bij dat voorsz: Htertel gezegd heeft dat hij het geeld door Vleesch den officier Boode verspeeld had, en brengt voorts tot haare verschooning in, dat zij daar meede lyden tot deeze doad gekomen is, versoekende om eengre¬ nadige straff. interrogatoria en zegt Johan Hertet van interrogatoria duidelijk voorgeleesen zijnde betrugde daar bij te blijven persisteeren, met be „geerte dat er niets meer bij of af gedaan worden zal /:onder stond:/ Aldus gerecelleerd aan Cabo de goede Hoop den 21 November 1788. (was geteekend:// waarom schreeven, dit merk is daer de Comp„te eigenhandig gesteld /:lager:/ mij praesent /was geteekend W J Rijngveld g Clercq /: in Margine:/ als gecom¬ mitt:s /was geteekend:/ A Riet Gss: Meijer /lager/ Accordeerd /was geteekend/ W W Ripneveld g: Clercq. of sy gevr: den uyt den dienst Legt Markstad niet anders gelegt e N: Brkstad Kend, te kennen, als dat hij en niet veele conversatie met Articulen gedaan maken gesre. hem op de wapen¬ denzelven gehad heeft. en aan Heeren Gecommitteer¬ kamer heeft gezien en dens uit den E: Achtb: Rade nu en dan aan de Caab bi Aan Justitie des Casteels hem aan huis geweest is zonder nogtans met denzelven de Goede Hoop overgegeeven conversatie gehouden te hebben. omme ter requisitie van den pro interim fiscaal daar op off hy gesn: niet tot meerdere 1 zegt hem zilver gebragt reijsen aan gem: Markstad te hebben om dat bij 't gehoord te worden, den solllaat zilker heeft gebragt om 't zelve hem afkogt ƒ ten deesen Casteele bescheiden te sterkoopen of te smelten! Johan Herkel, zullen de desselfs te geevene responsiven in margine zegt, elff teeaals, vyfftoeken wat daer zelver t is geweest Wanneer en met wat schip hy gete. alhier is aangeland deezer behoorlijk worden bekend gesteld. Art. I. des gers. naam, geboorte plaats, ouderdom en qualiteit. Keurenberg oud 23. Jaaren en als soldaat ten deezen Casteele bescheiden te zijn. regt met de Princes van Orange door nu wel 5 Jaaren geleeden. deester drie en 2. 2 4. Art. 9. zegt ik weet Aangeen Jongen. en hoe hij gete. daar aan drie messen en drie schenkborden, te zamen is gekoomen . in een witte doek gebonden te hebben gevonden in de gracht onder de brug de zijden de deur van de kosten der gereformeerde Kerk geleegen, en dezelve in drie of vier partijen aan voorsz: derhald. Markstad te hebben verkogt. Art: 6. off Markstad zulks heeft geweeten zegt ik heb Markstad of wat hij getr: daaromtrend op de vage: hoe komt aan den zelven heeft gezegd of te gi er een geant woord kennen gegeeven ik het 't frameen zekere man, zonder iemands naam genaamd te hebben. 7. of hy gets: met aan Markstad zegt neen, maar dat Mark heeft verhaald, dat 't zilver stad, iets door heeve te van Keere kwam, die gespeeld maken en daar over ge¬ en geld van nooden hadt. spraaken had; wanneer de gete: zig had laten ont¬ vallen, dat hij noch twee rd: van Keeve moest hebben, die hij met speelen gewonnen had. zegt Ja niet nodig te Hoe hij geta: dit heeft kunnen hebben om smit te advanceeren, terwil hij wel zeggen, dat hij 't zilver Aan Smit heeft gezegt dat hy gesonden had. 't zilver van een Jonge op de plein had gekogt. zegt ik weet het niet ik meen zegt niet te weeten waar dit bij te pas komt, maar dat hy alles by elkan der „gebonden gevonden en suc„ cessivelijk verkogt had. stae hij gets: turften zeggen dat hij dat zelver in een daek te zamen gebonden in een Sloot had gevonden, waar 't dag zederd om, trend 3 weeken naen na is ge¬ Stoalen en dusdanig ook daer hem getr: wederom verkogt geworden. 12½ op hat dag en tijd hij dan 't een of hij gesr: niet al 't geld daar dan heeft ontvangen en waar zulks is gebleeven. 10. etc Hoe deel hij getr: aandien Jonge door 't zilver heeft ge¬ geeven, en wat hij get zelve daar van heeft genooten. Wat tat door een Jonge is, en op hoedanige wijze hij Getr: met denzelven in kennis is geraakt. zegt Ja en een gedeelte als namentlijk 12 eds: Aan Smit te rug gegeeven 10 rd:s aan de parbier sugter daer schuld, en vooreen nieuwe broek, die door Bouman, snider van de Compte. van Capitain Wernich, gemaakt is, meede eenige penn: betaald, mitsgds: een haed gekogt te hebben en 't everige geld te hebben verteerd. Nt: 9. ander 8 M.
English
Captain Military Bleumer about 14 days says 36 rds. we paid back together, but I did not ask for a postponement. says Yes. says no. says Yes, when someone must be arrested, then he often needs a good word. found another. or 3 weeks ago; having had all the silver in the house for 6 to 7 days before I sold the spoons to Markstad Article 13. Whether he, the interrogatee, having come with Markstad to the smith and having together with him repaid rd.o 36, did not request the mentioned smith to wait another eight days with the remainder. 14. Whether he, the interrogatee, did not further request the smith to melt the silver or throw it into the water, for it would never come to light. 15. Whether he, the interrogatee, did not say himself that he would sooner commit suicide than suffer punishment. 16. Whether he, the interrogatee, did not also request Lieutenant the Honorable Boote to put in a good word, in order to conceal the matter. Whether he, the interrogatee, had not kept company with the maid Silvia belonging to the Honorable Captain Military Bleumer. says yes, and with her to have kept company. Further articles drawn up and presented to the Honorable Commissioners from the Honorable Court of Justice, in order to be heard at the requisition of the Fiscal pro interim, Appeared before us, the undersigned Commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government, the soldier Johan Hertel, prisoner of the Lord, who to the adjacent interrogatory articles gave such answers as are recorded alongside each of them. Thus interrogated and answered at the Cape of Good Hope on 12 September 1788, before Messrs. Ryno Johannes van der Riet and Gerrit Hendrik Meijer, Members of the Honorable Court of Justice, who have duly signed the minute of this alongside the interrogatee and me, the sworn Clerk. Below: which I witness. Was signed: W J V Rijneveld, Sworn Clerk. Article 18. Whether the aforesaid slave Silvia has not for some time been hired out as a wet nurse to the Bookkeeper J:s Pieter van der Riet, and whether he, the interrogatee, was not also found there at the house early in the morning and in the evening. says at first not to know the name of the man to whom the mentioned slave is hired out, saying however subsequently, inadvertently, that he knows no boy of van der Riet, and acknowledged thereafter that the slave is hired out to Mr. van der Riet, and that he was indeed at the house in the evening, but never in the morning. Underneath stood: 8 military the heard the soldier Johan Hertel, prisoner. confessed. declares to have concealed the truth because he thought to improve his case thereby. says Yes. thought to improve his case thereby. Says no, but to have received all the silver at five different times, always toward evening, from the slave Silvia belonging to the Honorable Captain Military Bleumer, who had been hired out as a wet nurse to the Bookkeeper S. Petrus van der Riet. thought 4. Why he, the interrogatee, being punishable in one way or the other, whether he, the interrogatee, by having done this and sold the silver, was not intentional and thereby sought to enrich himself to the detriment of another. 2. If so, why he, the interrogatee, then did not report this, in order to return it to its owner. says as to article 1. says Yes. Whether the interrogatee did not for that reason assure the silversmith, whether he, the interrogatee, will not further confess and admit that he himself stole the silver from the house or was present thereat. Whether he, the interrogatee, does not thus see and will confess that everything he has declared to the same was lies and that he has concealed the real truth, and now still wishes to deceive Justice. to be heard, the soldier Johan Hertel, now prisoner of the Lord, his responses to be given being duly recorded in the margin of this. Article 1. Whether he, the interrogatee, persists in maintaining that he found the silver in question. Article 8. How he, the interrogatee, can then say to have had the silver in the house days before and that he sold the first to Jan Markstad, it being certain that it was stolen gradually, and the last tray was still used by its owner on 29 August, whereas the spoons had already been sold fully 14 days before. that Prisoner. 6. 6 7. 8. the
Dutch transcription
Bleumer Kerd militair men omtrend 14 daagen zegt 36 rds. hebben wy te zamen te rug betaald, maar ik het geen uyt¬ stel gevrangd. zegt Ja. zegt neen. zegt Ja, wanneer iemand in arrest moet den heeft bij weleeen goed waert nodeg. ander gevonden heeft. of 3 weeken geleeden; hebbende ik al het zilver 6 a 7 dagen in huis gehad, voor dat ik de leepels aan Markstad verkogt heb Art: 13. of hy gesr: met Markstad maar smit gekomen en met den zelven te zamen rd„o 36 terug be. taald hebbende, gem: smit niet verzogt heeft, met ten over rest nog acht daegen te wachten 14. off hij getr: niet verder aan met heeft verzogt t zelver te smelten off lieren in 't water te smijten, want het noogt zoude uijtkoomen. 15. off hy getr: niet zelve heeft gezegd dat hy zig eer te kort doen zoude, als straffe te lijden. 16. off hij getr: niet meede den Luitenant de Manh: Boote verzogt heeft om een goed woord in te leggen, ten einde de zaaken te verwwijgen. Off hij getr: niet de meed Silvia toebehorende den mant: Capitain zegt ja, en met dien werd erkeering te hebben gehouden. Nadere articulen gedaan maken Compareerde voor ons onder„ en aan Heeren Gecommitteerdens /geteekende Gecommitt:s in't uit den E: Achtb: Rade van Justitie den E: Achtb: Rade van overgegeeven, omme ter requisitie van Justitie deezes Gouvernements den pro interim Ffiscaal, daarop Aldus gevraagd en beantwoord aan Cabo de goede Hoop den 12 september 1788. voor de Heeren Rimo Johannes van der Rieten Gerrit Hendrik Meijer, Leeden Uit den E: Achtb: raad van Justitie, diede minute deezes neevens den gesr: ende my gesw: Clercq meede behoorlyk hebben onderteekend, /lager:/ 't welk ik getuige. /was geteekend:/ W J V Rijneveld G C:lercq. — Art: 18. off doorsz: slaven silvia zegt in't eerst de naam niet zeederd eenigen tijd, als minne van den man, bij wien bij den Baekhuuder J:s Pieter gem: slavin verhuurd van der Riet is verhuurd geweest is, niet te weeten, zeggende en of hy getr: zig ook niet frmor„ egter vervolgens onvoorziens gens vroeg en 's avonds aldaar dat hy geen Jongen van s aan het huijs bevonden heeft. van den Riet kend, en pe„ „tingd daar na dat zilver a bij Jr van der Riet verhuurd is en dat hij zig wel 's avonds maar nooijt 'smorgens aldaar aan het huis bevonden heeft. /:onder stond:/ 8 militair den gehoord den soldaat Johan Hertel, verzald. vertald. regt, de waarheid derswee¬ „gen te hebben, om dat hij zegt Ja. Meende zyne zaak dewelke op de nevensstaande vraag Articulen, zodanige Antwoorden gegeeven heeft, als beliden een ieder der„ selven Staan aangeteekend. Legt neen, maar al het ziever op vyff differente deijden altoos teegen den Mond te hebben ontfangen Aan de bi den Boekhouder S. Petrus vander Riet, als minne derhuurd geweest mynde flavin Salvia, toebehorende den mank: Capitain Militair Bleumer meende 4. Waarom hy getr: op d'eene en d' andere wijze strafbaar zijnde, off hy getr: dit niet gedaan en 't zeeper verkogt hebbende, niet geintentioneerd geweest is, en daar daer gezogt heeft, zig tot schaade van een ander tie ver. rijken. 2. zoo za. waarom hij getr: dan zulks niet heeft aangegeeven, om t weder aan zijn Iigenaar te rug te brengen. zegt als op art: I. zegt Ja. off ten gesr: niet uijt tien hoofde den zilversmit heeft verzeekerd, of hij getr: voorts niet ingestaan en bekennen zal dat hij zelve 't ziever uit 't huis heeft gestaalen of daar bij praesent is geweest off hij getr: dus niet ziet en Zal bekennen, alles wat aen¬ zelven heeft gedeclareerd ge¬ laag en te hebben. daar daar te verbee„ teren. gehoord te worden den soldaat Johan Hertel thans S' Heeren gesr: zullende desselfs te geevene responsiven in margine deezer behoorlijk bekend gesteld. Art:s off hij getr: daar by blijft pers is, teeren dat hij 't zelver in quaestie gevonden heeft. de rechte naarheid niet bekend, en de Justitie nu noch wil soeken te derrijken Art. soe hij getr: dan kan zeggen 't silver bar dagen te voren in 't huis gehad te hebben, een hij t' eerste Jan Markstad heeft verkogt, zijnde 't zeeker dat 't ma en na is gestoolen geworden en het laatste Schenkbord noch den 29e: Augustus van Zijn Eiger naar noch is gebruikt geworden, wanneer er wel 14 dagen daer dien de leepels al verkocht zijn geweest. dat Verzald. - 6„ 6 7. 8. de
English
Article 13: says no one but the maid servant. says not to have asked the slave Sultia and that he, the interrogated party, never had dealings with a boy or anyone else from the house of J. B. van der Riet, having a certain boy, whom the interrogated party nevertheless does not know, now and then called the aforesaid. 11. Whether he, the interrogated party, did not know that the aforesaid silverware was stolen, and whether he, the interrogated party, also gave any money to the aforesaid slave woman, how she came by the silver, and having given her no more than one rijksdaalder, without even knowing whether that money was from the sold silver, says to have received the silver without the aforesaid slave woman having said anything to him. Whether he, the interrogated party, did not know who gave the silver to the said interrogated party. 12. On what occasion and time he, the interrogated party, little by little carried off the silver and got it into his hands. says, to well know that he has deserved punishment, yet to request a merciful correction. Thus questioned and answered at Cape of Good Hope, the 21 September 1788: where the Honorable Salomon Jan Echten, and Johannes Smuts, Members of the Honorable Council of Justice of this Government, who signed the minute of this alongside the appearer and me, the sworn Clerk, duly having signed it below, to which I bear witness, was signed: A. J. Ryneveld, sworn Clerk. Reconfirmation. Appeared before the undersigned Commissioners underneath: Whether he, the questioned party, must not confess to have deserved punishment, and what he thinks to put forward in his defense. Whether he, the questioned party, also did not receive three plated candlesticks and where the same have ended up. says yes, and one of them broken into pieces at Markstad's, as well as the other sold to the innkeeper in the King of Prussia. that it could never be discovered, and that he should just melt down the silver. Article 9. Whether he, the questioned party, alone was an active perpetrator in this, and who helped therein or had knowledge thereof. Article 14. came from. 8 14. from the Honorable Council of Justice of this Government, the aforesaid Johan Hertel, who, his foregoing answered interrogatories having been distinctly read out to him, declared to persist therein, with the desire that nothing more shall be added or taken away. Underneath stood: Thus reconfirmed and sworn at Cape of Good Hope the 21 November 1788. was signed: Wherearound was written: this mark was made by Johan Hertel's own hand, as he cannot write. lower: in my presence, was signed: W. J. Ryneveld, sworn Clerk. in the margin: as commissioners Was signed: R. W. D. Riet, G. H. Meijer. Whereas the soldier stationed at this Castle, Johan Hertel of Nuremberg, aged 23 years, and Silvia of the Cape, bondswoman of the Military Captain the Honorable Jan Arnold Bleumer, aged 21 years, presently the Company's prisoners, have voluntarily confessed, and it has clearly appeared to the Honorable Council of Justice of this Government from the documents furnished in the trial: That when the second prisoner, Silvia of the Cape, was for some time hired out as a wet-nurse to the former Bookkeeper of the Honorable Company, Petrus Albertus van der Riet, and resided in the house there, the first prisoner, Johan Hertel, who had relations with her, the second prisoner, for several years and also fathered a child (as she, the second prisoner, says); having indicated that he was in a great predicament and needed much money, with the addition that in case he could obtain no money, he would do away with himself, thereby brought her, the second prisoner, to pity, and induced her to steal from time to time from the house of the aforesaid Van der Riet some silverware, and to hand it over to him, the first prisoner; in which manner she, the second prisoner, also did not hesitate on five different occasions to take away from the house of the frequently mentioned Petrus Albertus van der Riet, and always towards the evening to deliver into the hands of the first prisoner: three silver salvers, eleven silver spoons, five ditto forks, and three knives with silver handles, as well as three plated candlesticks; which silverware by him, the first prisoner, each time under the pretense that the same came from someone who had lost money at gambling, was brought to the former watchmaker discharged from the Honorable Company's service, Johan Fredrik Markstad, and sold to the same at 27 stuivers the lood, without the second prisoner, however, having enjoyed anything thereof; the aforesaid forks, spoons, and knives, as well as one of the salvers, being in turn taken over by the Burgher Jan Hendrik Smit from the said Markstad at five schellingen, and the two remaining salvers with payment of five schellingen and three stuivers for the lood; while, however, after this matter was discovered, the aforesaid Van der Riet recovered most of the above-mentioned silverware stolen from him back from the cited Jan Hendrik Smit. Now, whereas such a deliberate theft, in a country where law and justice are properly maintained, can in no way be tolerated, but ought to be punished as an example to others; so it is that the Honorable Council of Justice of this Government, serving on this day, having closely read and considered the written criminal claim and conclusion made and taken by the Fiscal pro interim here, the Honorable Gabriel Exter, in the name of his office, upon and against the prisoners, as well as having paid attention to all that served the matter and could move their Honors, administering justice in the name and on behalf of the High and Mighty Lords States General of the United Netherlands, has condemned the prisoners Johan Hertel and Silvia of the Cape, as their Honors condemn the same by these presents, to be taken to the place where it is customary here to execute criminal sentences, there handed over to the executioner, each tied to a post and with rods on
Dutch transcription
Art: 13: zegt niemand als de meid zervald. zegt de Slavin Sultia niet verraagd te hebben en dat hij getr: nooijt met een Jongen of iemand an„ ders uit het huis van J b van der Riet, heeft, omgang gehad, hebbende zeekene Jongen, die de gezr: echter niet kend, nu en dan de voersz: werd geroepen 11. of hij gesr: niet heeft geweeten„ dat het voorsz: zilker werk gestaalen was, en of hij getr: ook hoe zij aan het zilver eenig geld aan voorsz: slarin kwam, en haar niet meer als een rijksdr: te heeft afgegeeven „ hebben gegeven, zonder nogt eens te weeten, of dat geld dan het verkogte zelver zegt het zilver te hebben ontfangen zonder dat gerepereslavin heem iets gesegt had. off hiij gesr: niet heeft geweeten 6dat szilver aan gem: gesr: gie= geeven heeft 12. Bij wat gelegenheid en tijd hij gesr: na en na 't ziever heeft Neggenomen, en in handen ge kreegen. zegt, Neltie weeten, dat hij straff verdiend heeft, echter een geenadigje correctie te versoeken. Aldus gevraagd en beantwoord aan Cabo de goede Hoop, den 21 september 1788: daer de Heeren Salomon Jan Echten, en Johannes ƒ muts, Leeden uit den E: Achtb: Rade den Justitie deezes Gouvernements die de minute deezes be¬ neekens den Compt: en mij gesw: Clercq, meede behoorlyk hebbende onderteekend, lagen 't welk ik getuige /was geteekend:/ A J Ryneveld. gClercq. — Recollement. Compareerde door de onderget: Gcommitts (onderstond:: off hij gevr: niet bekennen moet straff overdiend te hebben, en wat hy tot zyne verschooning meet in te brengen off hy getr: ook niet drie plettie kundelaars heeft ont„ fangen en waar dezelve ge¬ bleeven zijn 2 zegt ja, em een daar van bi Markstad in stukken gebrooken mitsgds. den anderen aan de herber„ geer in de Koning van ruisden verkogt te hebben. dat het nooijt konde uitkomen, en denselve het silver maar moest insmelten Art: 9. off hij gevre: alleen daar aan daa¬ dig is geweest, en wie daar bij„ heeft geholepen of kennis daar ven heeft gehad Art1h uijt kwarn. - 8 14. uit den E: Achtb: Rade van Justitie deezes Gou„ vernements voorsz: Johan Hertel, dewelke zijne voorenstaande beantw: interrogatoria distrnct voorge„ „leesen zijnde, betuigde daar bij te bliven persisteeren, met begeerte dat er niets meer bij of afgedaan worden zal. /:onder stond:/ Aldus gerecolleerd en beeedigd aan Cabo de Goede Hoop den 21 November 1788. (was getekend./ Waarom schreeven was) dit merk is daer Johan Hertel, als niet kunnen de schrijven eigen¬ handig gesteld. / lager/ my praesent. /was geteekend:/ WJ J Hyneveld. G Clercq. /in margine / als gecomm:s Was geteekend:/ R WD Riet. G: H: MMeijer. Aangesien de ten deesen Casteele be„ scheidene soldaat, Johan Hertel van Neu„ „renberg, oud 23 Jaaren en salvia van de Caab, lijftigene van den Capitain Militair de Manhi: Jan Arnold Bleumer, oud 21 Jaaren, thens 'T Hee„ „ren geevangingen, vrijwillig beleeden hebben, en het den E: achtJaaren Raade van Justitie deezes Gouvernements uijt de ten processe gefourneerde stukken endert gebleeken is. Dat wanneer de tweede gevangene Silvia van de Caab eenige tijd by den oud Boekhouder der E: Comp:e Petrus Albertus van der Riet, als minne is verhuurd geweest, en aldaar in het huis verblijf gehouden heeft, den Eerste gevangene Johan Hertel, die by haar tweede gevangene eenige Jaaren verkeering gehouden en ook een kind geprocreëerd heeft ( (zoo zy tweede gevangene zegt;) te kennen gegeeven hebbende, dat hy in een groot geval was en veel geld nodig had, met bijvoeging, dat ingevalle hij geen geld konde magtig Worden, bij zig dan zelve zoude te kort doen, daar door haar tweede gevangene tot medelyden gebragt, en der leid heeft om van tijd tot tijd uit het huijs van voorschreeve van der Riet eenig zilverwerk te steelen, en aan hem eerste gevangene over te geeven: inwoegen zij tweede gevangene zig ook niet heeft ontsien op vyff differente Reijsen uyt het huys van meergem: Petrus Albertus van der Riet wegte neemen, en altoos teegen den Avond aan dem Eerste gevangene ter hand te stellen. deezes drie drie zilvere schenkborden. leepels. Elf A do Vorken, en drie messen met Vijff zilvere hegten mitsg:s drie plettie kandelaars. welk zilver werk door hem eerste gevangene ijdere reijse onder het voorgeeven, dat het zelve van iemand kwam, die geld verspeeld had, gebragt is bij den uit S' E: Comp„s dienst gelegte hoersloote maker Johan Fredrik Markstad, en aan den selven teegens 27 stuivers, het lood verkogt, zonder dat echter de tweede gevangene daar van iets genooten heeft, zynde de voorsz: vorken, lepels en messen, mitsgaders een der schenkborden wederom teegens vijff Schellingen, en twee ovrige schenkboorden, met betaling van vijff schellingen, en drie stuivers voor het lood door den Burger Jan Hendrik Smit, den gemelde Markstad overgenoomen terwijl echter, nadat deese zaak ontdekt was, voorschreeve van der Riet het grootste gedeelte dan het boven gemelde bij hem gestoolen zilver werk van „geciteerde Jan Hendrik Smit, weeder heeft te rug bekoomen. Dan nademaal eene diergelijke opsettelyke diefte, in een Land, alwaar recht en geregtigheid behoorlyk worden gehand hoofd, geensints gesuld, maar ten exempel van anderen behoord te worden gestrafd, zoo is 't dat den E: Achtb: Raad van Justitie deezes Gouvernements ten dage dienende, naauwkeurig geleesenen overwoegen hebbende den Schriftelyken crimineelen Eisch en conclusie door den pro interim Ffiscaal alhier d'E Gabrie Exter, nomine, officie op ende Jeegens de gevangens gedaan en genomen, mitsgaders gelet op al het gunt ter materie was dienende en hun E: E: Achtb: konde doen moveeren, Recht doende uit naam ende van weegens de Hoog Mogende Heeren Staaten Generaal der Verlenigde Nederlanden, de gevangenen Johan Hertel en silvia Aan de Caab heeft gecondemneerd, zo als hun E:E: Achtbaerens deselven con¬ demneeren mits deesen, omme gebragt te werden ter plaatse, daar men alhier gewoon is cri„ mineele sententien ter Executie te leggen„ aldaar aan den scherp-rechter overgeleekend, ider aan een paal gebonden en met hoeden Jan op
English
being severely scourged on the bare back, the first prisoner further to be banished from this Government and the jurisdiction thereof forever, with forfeiture of his wages due from the Honorable Company since the day of his detention; furthermore, the second prisoner, after being riveted in irons, to remain confined in the Honorable Company's slave lodge for the term of five consecutive years, with condemnation of both prisoners in the costs and expenses of Justice; the second prisoner shall, after the expiration of her confinement, be returned to her master. Below stood: Thus done and sentenced at Cabo de Goede Hoop, the 18 December 1788, as well as pronounced in the Castle of Good Hope the 20 following thereof, and executed the same day. Was signed: Rhenius, F. C. Ronnenkamp, Johs. Smuts, J. V. Echten, C. G. Maasdorp, J. C. Gie, G. H. Meijer, R. v. d. Riet, H. De Wet. Below: In my presence, was signed: C. L. Neethling, Secretary. In the margin: Fiat Executio. Was signed: C. J. Van de Graaff. Agreed: W. Rijneveld, Clerk. G. H. Meijer. No. 14 The sentence of the female slave Silia is inserted in that of the soldier Hertel marked No. 13. No. 2. Appeared before the Honorable President and the Worshipful Council of Justice of this Government, the Fiscal pro interim Gabriel Exter, prosecuting officer in a criminal case on the one side, Against Silia of the Cape, bondwoman of the Captain of the Military, the valiant Johann Arnout Bleumer, prisoner and defendant in the aforesaid case, on the other side. And stated: 1. That the prisoner and defendant mentioned in the heading, having been rented out as a wet nurse to the former Bookkeeper of the Honorable Company, and having resided in his house; 2. Allowed herself, as she says out of pity, to be seduced by the soldier Jan Hertel, who has cohabited with the prisoner and defendant for some years and fathered a child with her, 3. To steal from time to time some silverware and hand it over to the said Hertel, 4. Because he had made known to her that having gambled away the meat money and rent money of Officer Bodde, 5. He was in great danger, to escape which he would rather do away with himself; 6. That the prisoner and defendant thus took away eleven silver spoons, five forks, and three knives with ditto handles, and further at different times three silver salvers and three plated candlesticks; 7. Which goods were always received in the evening by the aforesaid Jan Hertel without anyone suspecting him, 8. And were carried away and sold by him; 9. Without the prisoner and defendant having enjoyed anything thereof or received any money, 10. As shall clearly and further appear from the answers given by both before the Commissioner Gentlemen from this Worshipful Council, 11. Referring to which, the prosecuting officer, subject to correction, nevertheless believes he can define and determine: 12. That the prisoner and defendant has committed an actual domestic theft, and has thus subjected herself to the lawful punishment of that crime; 13. And although legal scholars are not entirely of one mind regarding the punishment thereof, and this crime is therefore also customarily punished variously, 14. They nevertheless all agree in this, that domestic theft, on account of its dangerousness, shall be punished more severely than another simple theft; 15. And thus this punishment, remaining primarily left to the judge to be inflicted according to the nature and circumstances of the case, 16. The prosecuting officer will only take the liberty in that regard to note: 17. That although the prisoner and defendant may have been seduced into committing that deed, which certainly often happens, and in this case is also probable, 18. Because she enjoyed nothing thereof, and the soldier Hertel employed and squandered everything for himself; 19. This excuse, however, appears to the prosecuting officer to be of no great weight, 20. Because one must never allow oneself to be persuaded by evil counsel and used, 21. And the prisoner and defendant should even less have proceeded thereto, 22. Since the conduct of the seducer was known to her.
Dutch transcription
op de bloote ruijge strergelijk gegeesseld zijnde, de eerste gevangene wyjders ten eeuwigen dage uijt dit Gouvernement en den ressorte Aan dien gefannen te worden, met verbeurt Verklaaring van zine bij d' E: Compagnie te goed hebbende jage zederd den dag zijner detentie, voorts de tweede gevangene om daarna in de ysers geklonken zynde, den tyd van vyff achter een volgende Jaaren in 's E. Compagnies slaven zage geconfineerd te blijken net condemnatie van beyde de gevangens in de kosten en misen van Justitie. zullende de tweede gevangene na expiratie van haar Confinement aan haren lyf Heer worden te rug gegeeven /:onder stond:/ Aldus gedaan en gesententieerd aan Cabo de Goede Hoop, den 18 December 1788. mitsgaders gepronuntieerd in 't Casteel de goede Hoop den 20 daarvan volgende en geëxecuteerd ten zelven dage (: was geteekend:/ Rhenius. F: C: Ronnen Kamp Johs. Smuts, J. V: Echten: C: G: Maasdoug Jn C. Gie ƒ G: H: Meijer, R WD Riet H: De Wet lager mij praesent wes ge¬ teekend/ C: L Neetsling. seer:— in Margine/ fiot Executie (was geteekend C: J: Van de Graaff. Accordeerd:— W Rijnever Clerc G H Meijer - No: 14 de sententie van de slavin Silia is geinsereerd: in die van den soldaat Hertel gemerkt N„o 13 N2 ompareerde door den WelE: Achtbaaren Heer Praesident en den E: Achtbaaren raade van Justitie deezes Gouvernements, den pro interim Fiscaal Gabriel Exter, R: O: Eysscher in cas eri„ mineel ter eenre. Contra silia van de Caab, lijfeigene van den Capitain Militair, die Manhafte Johann Arnout Bleumer, get: en ged:e in voorsz: Cas ter andere zijde En deede zeggen. dat de get:e en ged:e in 't hoofde vermeld by 1/ den oud Boekhouder der E: Compe als minne verhuurd geweest zijnde, en in desselfs huijs gewoond hebbende d'door den soldaat Jan Hertel, die bi de 2. gev:l en Ged:t zeederd eenige Jaaren heeft gehouden, en een kind geprocreeerd (: zoo hij legt uit medelijden heeft laten verlyden. van tyd tot tyd eenig zilvergaed te ontsteelen 3. en aan gem: Hertel overtegeeven. om dat denzelven haar had, te kennen ge„ geeren, dat hijt vleesch en huur geld vanden officier Bodde verspeeld hebbende. Art„ 5. Art: F./ in groote gevaar was, em welke door te koomen, hij zig eer zelve te kort zoude doen 6. dat de gev:e en ged:e dusdanig heeft wegge„ noomen olff zilvere leepels, vijff torken, en drie messen met d:o hegten, zodan nog in differente reisen drie zilvere schenkborden en drie plettie Kandelaars. welke goederen door voorsz: Jan Hertel altoos 's avonds zonder van Iemand gesoupeon neerd te worden, zijn ontfangen 8. / en door denzelven weggebragt en verkogt ge P worden. E„ g:/ zonder dat de ged:e en ged:e iets daar van heeft genooten ofte eenig geld ontfangen. 10.1. gelijk zulks uit de van beide voor Heeren Gecommitteerdens uijt deezen E: Achtb: Raade gegeevene responsiven duijdelijk en nader zal komen te blijken. 117 Aan welke zieh refereerende den R: O Eisscher egter /:onder corfectie:/ vermeend te kunnen bepaalen en vast stellen „ 12:/ dat de gev:e en ged:e een wezentlyke huijs, diefstal heeft begaan, en zig dus aan de wettige bestraffing dier misdand zal onder heerig gemaakt hebben. 13. / en haewel de regts Leeraaren over derselver straffe niet volkomen eenig zijn, en dierhalven dit crimen ook verscheidentlijk pleegd gestrafd te worden. Art: 14. zoo koomen dog alle daarin overeen dat de huis diefte weegens derselver gevaarlykheid harden als een andere simpele diefstal zal bestraft worden 15. en dus deeze straffe aan den regter voorna mentlijk overgelaaten blyvende om naar de ge¬ steldheid en omstandigheeden der Jaaren geinfli¬ „geerd te worden. 16. zal den r:O: Eisscher daar omtrend alleenig die vryheid neemen, aan temerke. 176 dat zoe zeer de gete: en gede: tot 't pleegen van die daad wil verlend zijn, 't geen zekerlyk dikwils geschied, en in dat geveel ook waar Schinlyk is. 18 omdat zij niets daar van heeft genooten en den soldaat Hertel alles voor zig heeft geëmploijeerd en doorgebragt. 49. deeze verschoening echter den R: O: Eisscher doorkomt van geen groot gewigt te zijn. 2o dewijl men zig het eene kruade raad nooyt moet laten overhaalen; en gebruijken. 1 21. / en de gev: en ged:e nog minder daar toe had zullen overgaan „ 22. / terwijl haar de conduite van den verlijder Straffe bekend . 1 6
English
has been known, and her help could only serve to make him continue therein and increase his offenses; Article 23, coming principally furthermore into consideration: 24. that the deed was not accomplished by surprise, 25. but indeed premeditated, gradually, by reiteration, with deliberate will and intent, 26. in such a manner that upon further freedom and opportunity, it would have been continued therewith, 27. which circumstances shall entirely nullify the excuse of the prisoner and defendant; 28. unless some resolution still merits: 29. that one ought to have taken other supervision concerning the silverware, 30. and a great fault was committed therein, that upon the missing of the first item, no immediate investigation was made, 31. and better precaution was taken concerning the keeping of the remainder, 32. whereby the owner has received back his property again. By virtue of these and other reasons and means to be further deduced in due time and place, if necessary, the Prosecutor makes his claim, concluding that by definitive sentence of the Honorable Worships, the prisoner and defendant shall be condemned to be brought to the place where criminal sentences are customary to be executed, and there delivered to the executioner and, being tied to a stake, to be severely scourged with rods upon the bare back; that the defendant and prisoner, further being clapped into irons, shall remain banished for the period of 5 consecutive years to the Honorable Company's slave quarters, with condemnation of the same in the costs and expenses of justice, or to such other pains and punishments as the Honorable Worships shall find and judge to belong. Was signed: G: Exter. In margin: Exhibited the 11 December 1788. Concluded. Further Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government, the soldier Johan Hertel, who, upon the adjacent interrogatories, has given such answers as are duly recorded next to each of the matters in the margin hereof. Article 1. Whether he, prisoner, continues to persist that he found the silver in question. Says no, but to have received all the silver on 5 different occasions, always towards the evening, from the female slave Silvia, who had been hired out as a wet nurse to the Bookkeeper C: Petrus van der Riet, belonging to the military Captain Bleumer. Article 2. If so, yes: why he, prisoner, then did not report this in order to return it to its owner. Lapsed. Article 3. Why he, prisoner, being punishable in one way and another, did not confess the true truth, and now again seeks to deceive justice. Says to have concealed the truth because he thought to better his case thereby and to surrender it to the Gentlemen Commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice, in order to be heard thereon at the requisition of the interim Fiscal; the soldier Johan Hertel, now the Lord's prisoner, whose responses to be given shall be properly made known. Article 4. How he, prisoner, can say to have had the silver in the house for 14 days before he sold the first of it to Markstad, since it is certain that it was stolen gradually, and the last tray was still used by its owner on 29 August, whereas a good 14 days before then the spoons had already been sold. Says as on Article 1. Article 5. Whether he, prisoner, did not do this, and having sold the silver, was not intentional, and said before to enrich himself to the harm of another. Lapsed. Article 6. Whether he, prisoner, does not see this and will confess to have lied in everything he declared. Says yes! Article 7. Whether he, prisoner, will not further admit and confess that he himself stole the silver from the house or was present thereat. Says not to have asked the slave Silvia. Article 8. Whether he, prisoner, did not for that reason assure the silversmith that it could never come to light, and that he should just melt down the silver. Lapsed. Article 9. Whether he, prisoner, alone was involved therein, and who helped with it, or had knowledge thereof. Says no one but the maid, and that he, prisoner, never had intercourse with a houseboy or anyone else from the house of the said Van der Riet, a certain boy, whom the prisoner however does not know, having now and then called the aforesaid maid. Article 10. On what occasion and time he, prisoner, gradually removed the silver and got it into his hands. Lapsed. Article 11. Whether he, prisoner, did not know that the aforesaid silverware was stolen, and whether he, prisoner, also gave any money to the aforesaid female slave. Says to have received the silver without the mentioned female slave having told him anything about how she came by the silver, and not to have given her more than 1 rijksdaalder, without however knowing whether that money came from the sold silver. Article 12. To what end the said female slave gave that silver to the said prisoner. Says yes. Article 13. Whether he, prisoner, also did not receive three plated candlesticks and where the same have gone. Says yes, and to have broken one of them in pieces at Markstad's, and to have sold the other to the innkeeper in the King of Prussia. Article 14. Whether he, prisoner, must not confess to have deserved punishment, and what he knows to bring in for his excuse. Says to know well that he has deserved punishment, requesting however a merciful correction. Thus
Dutch transcription
bekend is geweest, en haarl hulp alleenig kost strekken, om denzelven daar in te doen corti¬ „nueeren, en zijne fauten termeerderen Art: 23, komende voornamentlyk daar by noch in Consideratie. 24. dat de daat niet bij overrassing is volbragt 25, maar wel overleijd, na en na, by reiteratie, met voorbedagten wille en opzet 26„ zodanig dat bij verdere vryheid en gelegenheid daar by zoude zyn gecontinueerd geworden F 27. / welke omstandigheeden de verschooning der gets: en gede. volkomen zullen te niet doen 28. / Indien niet nog eenige reslutie meriteerd 29. dat men andere toezigt omtrend het zilver gaed had behooren te neemen 39 en een groote faute daar in is begaan, dat by 'f missen van 't eerste, niet direct ondersoek is gedaan 31. / en omtrend de bewaring van't overige beetere voorzigt is genomen geworden. 32. / doerts den Eigenaar voor zijn goed wederom te rug gekreegen heeft. Mits deezen en andere reden en middelen in tijden wijle, (: is 't noad:) nader te deduceeren den 2: O: Eisscher, Eijsch doen die concludeerd, dat bij definitite donnis van UwelEdelen Achtbr: de gev: en ged: zal wor¬ den gecondemneerd, omme ge bragt te worden ter plaatse alwaar men gewoen is exui¬ neele sententien te executeeren, en aldaar aan den scherpregter overgeleeverd en aaneen paal gebonden zinde niet Roeden op de brooterug strengelijk ge¬ geesselt te worden, dat de gede. en gete. Voorts in de Ysers ge„ Klonken zijnde, door den tijd Aan vyff achter een volgende Jaaren in 's E: Compagn: slaken logie zal gebannen blijven, niet consemnatie derselven in de Kosten en misen van Justitie ofte tot alsulken aendeden peinen en Straffen als UWelEdelen Achtbr: zullen vinden en oordeelen te behooren /:was geteekend:) G: Exter /in Margine Exhebt. den 11 xb:r 1788. concludeerd. Vadere Akt: 3. Verzald. zegt de Waarheid over sweegen te hebben, om dat tiij meende zyne zaak daar daer te Nadere articulen gedaan Compareerde door ons maken en aan Heeren Recom„ „chtergeteekende gecom„ „mitteerdens uijt den E: Achtb: mitt:s uit den E: Achtb: Raade van Justitie overge¬ raade van Justitie dezer Gouvernements den „geeren, omme ter requisitie soldaat Johan Hertel, Aan den pro interim Fiscaal dewelke op de nevens staande daar op gehoord te worden draag articulen, zodanige den soldaat Johan Hertel Antwoorden gegeeven heeft, thans S Heeren get: zullende als bezyden een ieder desselfs te geevene responsiken dersaaken staan aange in margine deeses behoorlyk worden bekend gesteld. teekend. Art: I. of zij gev: daar bij blijft zegt neen maarjal het persisteeren, dat hij het zilver zilver op viff doffe¬ in questie gevonden heeft. rente zyden altoos teegen den avond te hebben ontfangen van de bij den Boekhouder C: Petrus van der Riet, als minne verhuurd geweest zynde starin silvia toebehoorende de mank Capitain Militair Bieumer Vervald. zo, Ja: waarom hij get: dan zulks niet heeft aangegeeven out weder aan zyn Eigenaar te rug te brengen veerbeeteren. Waarom hij geve. op de eene en andere wize strafbaar ƒ zijnde, de regte waarheid niet bekend, ende Justitie nu raek Wil zaeken te bedziegen. Hoe hij get: hen zeggen het zilver bardagen te daeren in het huijs gehad te hebben, eer hi het eerste aan Markstad heeft verkogt, zinde het zeker, dat het nam na is gestaalen geworden, en het laatste Schenkbort, nog den 29 Augustus van zyn eigenaar nog is gebruykt geworden, wanneer en wel 14 dagen voor dien de lepelsae verkogt zijn geweest. of hij get:e: dit niet heeft gedaan, en het zelver verkogt hebbende, niet geintentioneerd geweest is, en haar voor gesegt heeft zieh tot schaade van een ander te verrijken. Art: 3 Art=o 6 der Pald. - L. „ l1. Art 6. zegt Ja! Zegt, als op Art: I. Ligt de slavin silvia niet gevraagd te hebben off hij gev:e dus niet ziet en zal bekennen alles wat denzelven heeft gedeclareerd geloogen te hebben of hy gete. voorts niet inge¬ staan en bekennen zal, dat hyzelve het zilver uit het huis heeft gestaalen of daar bij „preesent is geweest.— of hij gev:t niet uit dien haofde den silver Smit heeft ver„ zeekerd, dat het naoijt konde uitkoomen, en denzelven het zilver maar moest in smelten off hij get:e alleen daar aan zegt niemand als de theid 2 radig is geweest, en wie daar bij en dat hij gev: nooijt met heeft geholpen, of kennis daar een Jongen of iemand van heeft gehad. miders uyt het huijs Aan J:ls Aan der Riet heeft omgang gehad, hebbende zeekere jongen, die de get: egter niet tend, nu en dan de voorsz: meid geroepen Bij wat gelegenheid en tijd dewald. hij 8 14. zegt wel te weeten off hy get: niet bekennen dat hy straf verdiend moet straf verdiend te heeft echter een ge hebben en wat hij tot zijn vadige correctie te verschoning wet in te brengen versoeken. 13. off hy get: ook niet drie plettie zigt Ja: en een daar van bi Markstal Kandelaars heeft ontfangen en in stukken gebroeken waar dezelve gebleeven zijn mitsgaders den andere aan de berbergier in de Koning van Prunssen verkogt te hebben. zegt het zelver te heb, ben ontfangen zonder dat gerepte Slavin hem iets gezegd had. hoe zy aan het zilver kwam, en haar niet meer als een rijksd: te hebben gegeeven zonder nogtans te weeten of dat geld van W het verkogte zelver kwam. 12. tot wat einde gem: slavin. dat zilver aangem: gev: ge„ „geeren heeft. hij gev: na en na het zelver heeft weggenoomen en in han„ den gekreegen Art: 11. of hy get:e niet heeft geweeten dat het voorsz: zelverwerk gestaalen was, en of hy get: ook eenig geld aan voorsz: tslavin heeft afgegeeven. zegt Ja. Aldus 1 8. g. -
English
Thus questioned and answered at the Cape of Good Hope, the 21st of September 1788, before the Messrs. Salomon van Echten and Johannes Smits, members from the Honorable Council of Justice aforementioned, who duly signed the minute of this together with the appearer and me, the sworn clerk. Below was written: Which I witness; was signed: W: S: van Rijneveld, sworn clerk. Re-examination. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this aforesaid Government, Johan Hertel, to whom his preceding answered interrogatories having been distinctly read out, declared to persist therein, desiring that nothing more shall be added to or taken from it. Below was written: Thus re-examined and confirmed under oath at the Cape of Good Hope, the 21st of November 1788. Was signed with an X, and around it was written: this mark was made by the hand of Johan Hertel, as he is unable to write. In the margin as commissioners; and signed: R: Wondenkriet and Gerrit Hendrik Meijer; lower: in my presence; signed: W S van Ryneveld, sworn clerk; below was written: Agrees; was signed: W S Rijneveld, sworn clerk. Articles drawn up and handed over to the Messrs. commissioners from the Honorable Council of Justice, in order to examine thereon, at the requisition of the pro interim fiscal, Silvia, bondwoman of the valiant Military Captain Bleumer, the responses to be given by her to be duly noted down in the margin hereof. Appeared before the undersigned members from the Honorable Council of Justice of this Government the slave woman Silvia, who to the adjoining interrogation articles gave such answers as are noted beside each of them. Article 1. The prisoner's name, place of birth, age, and whose bondwoman she is. Says Silvia of the Cape, 21 years of age, bondwoman to the valiant Military Captain Jan Arnold Bleumer. 2. Whether the prisoner was not hired out as a wet nurse to the bookkeeper Sr. Petrus van der Riet? Says yes, for about two months. No. 15. Appeared before the Honorable President and Council of Justice of the Castle of Good Hope, the pro interim Fiscal G: Exter, official plaintiff in a criminal case on the one side, the sailor Jan Meijer, prisoner and defendant in the aforesaid case, on the other side. And caused to be stated: 1. 2. That the prisoner and defendant aforementioned, having arrived here as a sailor on the Honorable Company's ship Africa, and having stayed behind from his appointed vessel, did not hesitate, by changing his name, to enlist and be maintained under the Regiment Württemberg garrisoned here. 3. 4. That the prisoner and defendant, however, not being able to manage the drilling and get accustomed to the soldier's service, 5. deserted again from this regiment after about 6 weeks and stayed for some months on the Table Mountain, 6. where he received his food and maintenance by gathering and carrying wood for the wood-boys, 7. until finally, going Cape-wards behind the Castle, he was apprehended by the patrolling court officers and taken into custody. Article 8. No. 8. That the prisoner and defendant has thus, through the assumption of another name, made himself guilty of falsehood and doubly of desertion, and ought properly to be punished here as an example, 9. were it not that in excuse of the prisoner and defendant there must be taken into consideration: 10. that he, neither at the first nor at the second desertion, betook himself to foreign nations, 11. and thus is not within the conditions regarding which the laws on desertion are principally determined; 12. that he, the prisoner and defendant, as the official plaintiff on good grounds reasonably judges, was surely persuaded to assume another name, with the assurance that it was all the same where and in what capacity he served the Honorable Company; 13. and let himself be moved all the more, 14. because, having stayed behind, he must have been anxious about a beating; 15. the second desertion being even less attributable to the prisoner and defendant, 16. since in any case he ought to have been reclaimed, and 17. of a sailor who had served for so long, it cannot well be demanded that he subsequently serve as a soldier; 18. that, moreover, the prisoner and defendant having rendered his service for so long a time to the Honorable Company, Article 19. the official plaintiff, under correction, believes: 20. that, however insufficient the cited reasons may be for the entire excuse of the prisoner and defendant, 21. the same will nevertheless serve to mitigate his punishment, 22. and that the prisoner and defendant thus ought to be punished not with full rigor, but in accordance with the moving circumstances. Articles. Article 19. By virtue of which and other reasons and means, in due time and place, if necessary, to be further deduced, the official plaintiff, making his demand, concluded that by definitive sentence of Your Honors, the prisoner and defendant shall be condemned to be severely scourged by the Caffers and subsequently sent to the Indies; with condemnation of the prisoner and defendant in the costs and expenses of justice, or to all such other punishments and penalties as Your Honors in good justice shall judge proper. Was signed: G: Exter. In the margin: Exhibited 7 December 1788.
Dutch transcription
Aldus gevraagd en beantwoord aan Cabo de goede Hoop, den 21 september 1788. voor de Heeren Salomon van Echten en Johannes Smits, Leeden uit den E: Achtb. Raad dan Justitie voorm: die de minute deezes beneevens den Comp:t ende my gesw: Clercq meede behoorlijk hebben onderteekend. /:onderstond:/ T welk ik getuige /:was geteekend./ W: S: van Rijne veld gesw: Clercq. Recollement. Compareerde voor ons ondergeteekende Gecommitt:s uit den E: Achtb: Raad van Justitie deezes Gouvernements voorsz: Johan Hertel, de„ Art: I. welke zijne voorenstaande beantwoorde interrogeeteren des gev: naam, geboorte plaats zegt silvia van de Caub distinct voorgeleesen wezende, betwide daar by oud 21 Jaaren, lyf eigene ouderdom en wiens lyff eigene te blijven persisteeren, met begeerte dat er niets Aan den Capitain Muli„ zij is meer bij ofte van gedaan worden zal. /onderstond:/ tair de manhaft Jan Arnold Blemmer Aldus gerecolleerd en Beldigt aan Caba „ de goede Hoop den 21 November 1788. /:was geteekend X en daaromme geschreeven/ dit Legt Ja:s omtrend twee merk is door Johan Hertel als niet kunnen de maanden. schrijven eigenhandig gesteld /:in margine als gecommitteerdens. /:en geteekend/ R: Wondenkriet, Compareerde voor de Ondergeteekende Leeden Uat den E: Achtb: Rade van Justitie deezes Gouvernements de Pavin Salvia, dewelke op de nevens staande 1 draag articulen, zoo danige Antwoorden heeft gegeeten, als be„ zijden een ieder dersel„ ten staan aangeteekend. off zij gets: niet als minne bij den Boekhouder St. Petrus Jan der Reet, is verhuurd Articulen gedaan maken en aan HHeeren gecommitteerdens uit den E: Achtb: Rade van Justitie overgegeeven, omme ter requisitie van den proirterim fiscaal daar op gehoord te worden silva„ lijf eigene van den manhafte Capitain Militair Bleumer zullende derselver te gevene responsiven in margine dezer behoorlijk worden bekend gesteld. en Gerrit Hendrik Meijer /:lager:/ mij praesent /:geteekend:/ W S van Ryneve lb gesw: Clercq. /onderstond / Accordeerd / was getekend/ WJ Rijnereld. G Clercq. geweest en 2. N:o 15 En deede zeggen. dat den ge: en ged:e toorm: als matroos met s'E Comp=s schip Africa alhier aangeland en van zijn bescheide bodem agter uit gebleeven zijnde zich niet heeft ontzien met verandering van zijn naam, zich onder 't alhier guarnisoeen houdende Regiment Hurtemberg en gageeren en onderhouden te laaten— 3 dat den gev:e en ged:e echter, met texerceeren niet hebbende kunnen klaar zaken en aan den soldaaten dienst zich gewennen. 5. naar omtrend 6 wedkam wederom van dit regiment is gedeserteerd en wel eenige maanden in den tafelberg zog heeft opgehouden. 6. alwaar met hout roeijen en dragen voor de hout„ Jongens van desselfs kost en onderheud heeft ontffangen. 7. tot dat eindelijk Caabwaards gaande agter het Casteel door de patrouilleerende geregts dienaaren is aangehouden en in hegten is gebragt geworden. Compareerde voor den Wel Eagtb: Heere Praesident en raade van Justitie des Casteels de goede Hoop, den pro interim Fiscaal G: Exter E: O: Eisscher in cas grimineel ter eenre. den matroos Jan Meijer gev: en ged:t en voorsz: cas ter andere zijde da Art: 8. 1 2. d5 Nt: O. dat den gev: en ged: dus door aanneeming van een andere naam aan Calsiteit en dubbeld aan desertie zig heeft schuldig gemaakt en bellijk tot een voorbeeld alhier zoude behooren gestraft te worden. 94 indien niet tot verschooning van den gesten gede in consideratie moeste genomen worden. 10. dat denzelven nog bij d'eerste nog tweede desertie zich naar vreemde naties heeft begeeven. 11. en dus niet is in de termen, ten welke opzichte voornamentlijk te wetten over de desertie bepaald zijn. 12. dat hij gev: en ged:e gelijk den 7: d: Eisscher uijt garde redenen dillyk oordeeld, tot aanneeming van een andere qaam sekerlijk is gepersuadeert geworden, met de verseekering, dast het eens was, waar en in wat qualiteit hij d' E: Comp:e diende. 13 en dies te meer zig heeft moveeren laaten. 14. om dat agter uitgebleeven zijnde door een pakslagen moest bezorgd zijn. 15. Zullende de tweede desertie den gete: en ged:e nog minder kunnen aangereekend worden. 46. dewijl hij in alle gevallen had moeten gere„ clameerd worden, en 17. van een zolange gediend hebbende matroos niet wel ken gevergd worden, naderhand als soldaat te zullen dienen. 18. dat bovendien den gev:e en ged: zyn dienst zo langen tijd d' E: Compe: gepreesteerd hebbende mits welke en andere heeden en middelen, intid en wijlen /: is 't naod:/ nader te dediceeren den r: O: Eisscher, Eisch doen de, concludeerde, dat bij definitive vonnis van UwE Agtb: den gev:e en ged:e zal worden gecondemneerd, omme door de Caffers strengelyk gelaansd, en vervolgens naar Jndien versonden te worden; met condemnatie des gev:e en ged:e in de kosten en misen van Justitie, ofte tot al zulke andere Straffen en peinen, als Uwel Eachtb: bij goede Justitie zullen oordeelen te behooren was geteekend. G: Exter /in margine/ Ophib: 7„ xber 1788. Art: 19. den r: O: Eisscher /onder carrectie / vermeend. 28: dat zoo insufficient de aangehaalde redenen tot gantsche verschoening des:/ gev: en ged,:e zullen zijn 24. dezelve dog zullen dienen, om desselfs straffe te mitigeeren. 22. en dat den gev:e en ged: dus niet na rigeur, maar ingevolge de moveerende omstandigheeden zal te hooren gestrafd te worden. Art: 19. Articulen.
English
Articles drawn up and submitted to the Gentlemen Commissioners from the Honorable Worshipful Court of Justice, in order to examine thereon, at the requisition of the interim Fiscal G: Exter, the sailor of the Honorable Company Jan Mijer, presently the Lord's prisoner, whose answers to be given shall be properly noted in the margin hereof. Article 1. His name, birthplace, age, and rank. Answers: Jan Meijer of Altenra, aged 24 years, and to be a sailor in the service of the Honorable Company. 2. When and with which ship he arrived here. Answers: arrived here in the month of April last with the ship Africa. 3. How long ago that was, and how long he served with the aforementioned regiment; what he received. Answers: states that he was in the hospital, and states that about four months ago he enlisted in the aforementioned regiment and received 9 guilders hand-money together with 6 guilders wages, having remained only 5 to 6 weeks under that regiment, and this for the reason that he, the prisoner, could not manage with the drilling. 4. Whether he, having been assigned to the hospital, did not absent himself from there and make himself a fugitive. Answers: states that he had been discharged, and states that the Corporal of the regiment Huatemberc, named Smit, had advised him to take service under that regiment, and that he had then entered into service there under the name of Nicolaas Meijer, of Hamburg. 5. Whether he did not report to the Württemberg regiment under another name and take service; under what name he did so! Answers: states that the aforementioned Corporal had made him believe that he would receive 3 rixdollars hand-money and that it was all the same whether he entered service with them or under our battalion, the said Corporal having received the enlistment bounty. 6. In what manner he was left behind from his designated vessel and remained at the Cape. Answers: states that having been in the hospital, he did not wish to go on board and kept himself absent at that time. 7. Whether he did not declare that he had been left behind from a Danish ship, and not to be in the service of the Honorable Company. Answers: Yes. 8. Whether he, the prisoner, did not shortly thereafter desert again from this regiment, and has already been absent for several months. Answers: states that he remained at the Table Mountain, and out of fear of beatings had kept himself in hiding. 9. Where he stayed during that time and from what he obtained his sustenance. Answers: through the boys gathering wood, together with having received food for that. 10. Whether he, the prisoner, will not confess to have made himself punishable in the highest degree through his double desertion and the use of a false name. Answers: Yes. 11. What he has to bring forward in his defense. Answers: as on Articles 7, 8, and 10, and that he would not have done this if the aforementioned Corporal had not made him believe that it was all the same whether he took service under the battalion here, or with his regiment; states to have made already five voyages to the East Indies, and always behaved well, but to have done this now upon inducement, as stated in Article 7. Thus questioned and answered at Cape of Good Hope, the 24th of October 1788, before the Gentlemen Rijno Johannes van der Riet and Christiaan George Maasdorp, members from the Honorable Worshipful Court of Justice aforesaid, who have also duly signed the draft hereof together with the witness and me, the sworn Clerk. Below stood: which I witness. Was signed: W J Ryneveld, Sworn Clerk. Re-examination. Appeared before us, the undersigned Commissioners from the Honorable Worshipful Court of Justice, the aforesaid Sailor Jan Mijer, to whom these his preceding interrogatories, with the answers given thereto, having been clearly and distinctly read word for word, declared to abide by and persist in them, desiring that nothing more shall be added or taken away, testifying that all the foregoing is the pure truth. Below stood: Thus re-examined at Cape of Good Hope, the 7th of November 1788. Was signed: Jan Meier. Lower: in my presence, was signed: W J Ryneveld, Sworn Clerk. In the margin: as Commissioners, was signed: R J van der Riet, C: G: Maasdorp. Agrees: W J Ryneveld, Sworn Clerk.
Dutch transcription
zegt Jan Meijer van Altenra Legt in de maand april J: C: met het schip Atrica geraakt te zijn. Articulen gedaan maken en aan Heeren Gecommitt. s uit den E Achtb: Raade van Justitie overgegeven, omme ter requisitie van den pro interim Fiscaal G: Exter, daar op gehoord te worden den matroos der E: Comp=e Jan Mijer, regt, dat de Corporaal thans 's Heeren get: zullende dan het regiment Huatemberc, Smit desselfs te geevene responsiven genaamd, hem gets: aan¬ in Margine deser behoorlijk geraaden had, om onder worden bekend gesteld. — dat regiment dienst te neemen, en dat hij get: als toen aldaar was in dienst gegaan onder de naam van Nicolaas Meijer, van Hamburg. Art: 1. Ses gers. naam geboorte plaats¬ Oud 24 Jaaren, en te weeken Ouderdom en qualiteit. Matrays tn dienst det E Comp:e 2. Wanneer en met wat schip hij gets: alhier is aangeland. alhier te zijn aangekomen. Legt in het Tospitaal Hoe lang zulks is geleeden zegt nu wel vier maanden en haevel tyds hij get. bij gem: by het voorsz: regiment te zijn in dienst gegaan en regiment is gestaan: wat hy „ 9: hand geld: mitsgaders heeft genooten . „ƒ6„—gage genoten te hebben, ƒ zynde alleenlyk 5 a 6 weeken onder dat regiment verbleeden, en zulks om reeden dat hij 4. Gev=te met tecerceeren niet konde klaar raeken . off hij get: in 't hospitare bescheiden zeyt dat hij ontgemonsterd zegt voorts, dat gerepten Corporaal, hem had wysgemaakt geweest „ op dat wijze hij gets: van zijn beschijden bodem agter uijt en aan de Caas is gebleeken zegt Ja. of hij gete: niet gedeclareerd heeft van een eensche schip te rug gebleeven te zijn, en niet en s' E: Comps: dienst te weeken. ex Art: 5. of hy geve: niet onder een andere naam zig by het regiment wur temberg heeft gemeld, en dienst genomen onder wat naam bij zulks heeft gedaan! geweest zijnde, zig niet van daar heeft geabsenteerd en fugitief gesteld. geweest zijnde, zich niet gaanne na boord had willen begeeven en zich als toen te hebben absent gehouden. geweest dat — 6. geld bekomen. zegt aan de tafelberg terbleeven te zijn, en dat hij 3 dijksd: handgeld zoude ontfangen en dat het om het sten was of hij bij hun of onder ons battaillon in dienst kwam, hebbende gem: corporaal Th: aanbreng Art: 8. off hij gev:e niet korte tyd daar na van dit regiment wederom is opgedrost, en reeds meerdere maanden absent is geweest Waar hij gete: zich geduurende dien tijd heeft opgehouden en waar van hy zyn onderhoud heeft gehad. . 10. off sy gev=e niet bekennen zal, door zijne dubbele desertie en gebruijk van een valsche naam zig ten hoogsten strafbaar te hebben gemaakt. E. 11. zegt als op Art: 7810. en Wat hy gete. tot zyne versehoring Dit niet te zullen gedaan hebben, zoo hem voorsz: neet in te brengen Corporaal niet had wys gemaakt, dat het om het even was of hij onder het zegt, reeds vijff reijs en op OostIndien, en altoos wel opgepast, doch dit thans op aan lading, als op art: 7 gemeld is, gedaan te hebben. door de Jongens hout geraeijd, mitsgs daar voor letten bekomen te hebben. zegt Ja. Aldus Getraagd en Beantwoord aan Cabo De goede Hoop, den 24 October 1788 voor de Heeren Rijno Joh:s van der Riet en Christiaan George Maasdorp, Leeden uit den E: Achtb raade van Justitie voorm: die de minutie deezes beneevens de gets: ende mij geswe Clercq meede behoorlijk hebben - t onderteekend. /onder stond: 't welk - ik getuige /was geteekend W J Ryneveld. G Clercq. Recollement. Compareerde voor ons ondergeteekende Gecommitts uit den E: Achtb Rade van Justitie den voorm: Matroos Jan Mijer dewelke deeze zyne vorenstaande interro¬ gatoria met de daar op gegeevene antwoorden klaar en duidelijk wiordelijks toergeleezen battaillon alhier, of by zijn regiment dienst nam, voorts uit vreese voor slaagen zich schuijl te hebben gehouden. battaillon ynde 9 zynde, verklaarde en by te blyken persisteeren, met begeerte, dat er niets meer bij of hem gedaan worden zal betuijgeende, dat al het vorenstaan die de Zuivere Waarheid is. /:onder stond:/ Aldus gerecolleerd aan Cabo de goede Hoop, den 7:e November 1788. (was geteekend) Jan Meier (lager/ mij praesent (was getekend WJ W Rijneveld g Clercq. /in margine:/ ver als Geecommitts: /was getekend:/ R W V Kiet. G: H: Meijer Accordeerd J RRijneveld G:Clerce 1: zynde, verklaarde en by te h persisteeren, met begeerte, dat meer bij of hem gedaan worden betuygeende, dat al het vorens de Zuivere waarheid is. /:onder stond:/ Aldus gerecolleerd aan Cabo d Hoop, den 7:e November 1788. / Jan Meier (lager) mij praesent fr WW Rijneveld g Clercq. / in mar¬ als Geecommitts: was getekend. G: H: Meijer. Accordeerd Rijne 6. - ƒ 5 - 5 - 5 . - or 2 0 2 9 - F 8