VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 4361

Cape · 375 pages · 179 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_4361_0332 view scan ↗

English

the proper observation of the important post of Secretary of Police, which in fact requires all the attention and activity of the person who is invested with it, to be useful and necessary that the office of Vendue Master be separated from the Secretariat of Police, and rather that a proper salary be assigned to the Secretary of Police, which the Company could recover doubly in the advantages that could be brought to its lap by making arrangements regarding the office of Vendue Master. These means came into consideration for this purpose: first, to draw the Vendue Mastership directly to the Company, and consequently to hold the sales, and to have the demands as well as the payments of the vendue moneys made by or on its behalf; secondly, to farm out that office; and finally in the third place, to appoint a separate Vendue Master, under the stipulation of annually rendering proper accounts of his salary, and paying out a part thereof to the Company. Yet against the first two of these means several difficulties presented themselves: by drawing the office of Vendue Master to the Company, its administrative apparatus would necessarily have had to be increased, contrary to the adopted, so beneficial and necessary system, for since it already involves ample difficulty to properly collect the recognition moneys, loan places, and other revenues, such could not fail to become all the more burdensome when the Company, as Vendue Master, took a thousand other debtors and creditors upon its neck; and, by farming it out, the danger was run that the inhabitants might find themselves exposed to multiple vexations, which would have caused endless difficulties not only to the Council of Justice but even also to the Government, especially since this office, by means of farming out, could easily fall into the hands of base and self-interested people, which in itself already yielded a reason against the farming out, since the nature of the office of Vendue Master, as one who often is in the position of having in hands the entire estate and possessions of many an inhabitant, for which neither he nor his sureties can be sufficient enough, seemed most strongly to require that the same remained in high standing. For those reasons we preferred to make use of the third means, and indeed in this manner: that the office of Vendue Master shall be split into as many parts as there are Districts, that a separate Vendue Master shall be appointed over the Cape, and the Vendue Mastership over the Districts of Stellenbosch and Drakensteyn, Zwellendam and Graaff Reynet be entrusted to the respective Landdrosts there, in such a manner that these may also find therein an improvement of their subsistence, for which they have already so many times applied with their solicitations. All these Vendue Masters shall have to pay out to the Company a part of their salary, of which they shall have to render an annual detailed account, and out of that part which will be left to them, pay the salaries of the messengers and vendue clerks etc., as well as make good the bankruptcies, so that they shall be liable to the Company for the entire amount of the vendue moneys. The arrangements in this regard are advanced so far that they will undoubtedly achieve their conclusion, but since the same could not yet be entirely brought to pass, because the correspondence with the Landdrost of Zwellendam deemed necessary by us for that purpose has for some time been exceedingly difficult, nay almost obstructed by the floodings of the rivers, we must postpone until a further opportunity to communicate the complete result thereof to Your Honorable High Mightinesses, and content ourselves for the present, in so far as such is required for our present purpose, with stating the advantage that can annually be expected from this for the Company, which on good grounds and accurate information we believe may be calculated at f 32000. . - We have furthermore, on the occasion of the considerable repairs to the Pier in False Bay, of which we have reported in its proper place, taken into consideration that with fairness a reasonable contribution could be demanded from all foreign ships that call at both bays, and derive equal benefit from the Company's Piers, as well as from the water pipes and cranes through which the fresh water is led thither, as its own ships, and consequently determined the same by an ordinance of 20 February 1793, under the designation of Pier and crane money, at ten Rixdollars for each ship that, arriving in the roads in one of the two bays, shall drop anchor.

Dutch transcription

329 de behoorlyke waarneeming der aangeleege post van seeretoris van Politie, welke in de daad al den aandagt en werkzaam heid van den perzoon die daar meede bekleed is, vereyscht, nuttig en noodzakelyk te zyn dat het ambt van Vendemeester van het secretariaat van Politie wierd afgescheiden, en liever aan den secretaris van Politie een behoorlyk tractement toegelegd, het welk de Compagnie dubbeld zoude konnen wedervinden in de voordeelen welke door te maken schik kingen omtrend het Vendumeesters ambt in haaren schoot zouden kunnen worden gebragd. Deeze middelen knaamen daartoe in aanmerking: voor eerst om het Vendumeesterschap direct aan de Compagnie te trekken, en gevolgelyk de verkopingen te houden, en de en maningen als meede de uytbetalingen der Verdupen„ ningen te doen geschieden door ofte van haarentweegen; ben tweeden om dat ambt te verpagten, en eyndelyk in de derde plaats om een afzonderlyken vendemeester aan te stellen, onder bepaling van s jaerlyks van zyn Salanis behoorlyke verandwoording te doen, en daar van een gedeelte aan de Compagnie uyt te keeren. Dan teegen de twee eerste dier middelen deeden zig verscheyde zwarigheeden op: door het Vendemeester Ambt aan de Compagnie te brekken zoude noodwendig haaren Omslag, teegens het aangenomen so heylzaam en nood„ sakelyk Systema, hebben moeten worden vermeerderd, want daar het reedes rykelyk moeyte in heeft om de recog„ nitie penningen verleenings plaatzen en andere inkoms„ ten behoorlyk in te vorderen, konde zulks niet mitsen nog des te bezwaarlyker te worden, wanneer de Com„ pagnie, als Vendumeester, zig nog duyzend andere debiteuren en Crediteuren op den hals haalde -en, door het te verpagten, liep men gevaar dat de Jngezeetenen zig aan Veelvuldige vexatien konden vinden blootgesteld, het welk niet alleen aan de Raad van Justitie maar zelfs ook aan de Regeering oneyndige moeyelykheeden zoude hebben veroorzaakt, voor al daar dit ambt door middel van verpagting al ligt zoude kunnen ver„ vallen in handen van gemeene en baatzagtige lieden, het welk op zig zelven reeds eene Reede teegens de verpagting Uitleeverde, daar de aard van het Ambt van Vendumeester, /als die meenigmaal en het geval is van de geheele hare en beritting van meenig Ingezeelen in handen te hebben, waar voor nog hy nog zyne borgen sufficient genoeg kunnen zyn / ten sterksten scheente vorderen dat aan het 331 zie Bil: N:o 393. het zelve in aanzien bleef. Wy hebben om die reedenen gepraefreerd van het derde middel gebruyk te maken, en wel in deezer voegen: dat het vendumeer„ ters ambt in zo veel deelen zal worden gesplict, als er Districten zyn, dat over de Kaab een afzonderlyke vendumeester zal worden aangestelde, en het Vendemeesterschap over de Dis„ trieten van Stellenbosch en Drakensteyn, Awellendam en Graaff Reyner opgedragen aan de respective Landarosten aldaar, sodanig dat deeze ook daar in kunnen vinden eene verbeetering van hun bestaan, waar toe zy reeds so der werf haare sollicetatien hebben aangewende. Alle deeze Vendumeester zullen een gedeelte van hun Sa„ land, waar van zy Jaarlyksch pertinente verandwoording zullen moeten doen, moeten uytkeeren aan de Compagnie, en uijt dat gedeelte het welk hun zal worden overgelaten, salarieeren de bodens en Venderklerken etc:, mitsgaders de banquerouten goedmaken, zo dat zy voor het ge„ heel bedragen der Vendupenningen aan de Compagnie aansprakelyk zullen zyn. De schikkingen hier omtrend zyn zo verre gevorderd dat zy ongetwyffeld hun beslag zullen erlangen, maar dewyl dezelve nog niet geheel tot stand hebben kunnen worden gebragt, om dat de daartoe door ons nodig geoordeelde Correspon„ „dentie met den Landdrost van Zwellendam door de overstromingen der tiieren seederd eenigen tyd ten ryfersten beswaarlyk, jabyna gestremd is geweest, moeten wy tot eene nadere geleegenheid uyt„ stellen om den volleedigen uytslag daar van aan Uw Wel Edele Hoog Agtbaare meede te deelen, en ons thans vergenoegen, met en so verre zulks tot ons jeegenswoordig oogmerk word vereischt, Op te geeven het voordeel dat daar uit Jaarlyksch voor de Compagnie kan worden verwagt, het welk wy op goede gronden en naauw„ keurige in formatien meenen te mogen Calculieren op ƒ32000. . - Wy hebben al verder, by geleegenheid der aanzienlyke repara„ tien aan het Zeehoofd in Baay Fals /waarvan wy ter zyner plaatze verslag hebben gedaan:) in aanmorking genomen, dat met billykheid van alle Vreemde scheepen welke de bei„ de baayen aandoen, en een gelyk niet trekken van s Compagnies Zeehoofden, mitsgaders van de Waterleydingen en kraanen, door welke het versche water naar derwaards word geleyd, als haare eyge scheepen, eene reedelijke Contribatie konde vor„ den gevorderd, en dezelve dierhalven by eene ordonnantie vanden 20 February 1793, onder de benaming van Hoofa en kraangeld bepaald op tien Ryxsdaalders voor elk schip, het welk in een der beide baaijen ter Rheede komende, het anker zal laten worden vallen x

NL-HaNA_1.04.02_4361_0334 view scan ↗

English

fall, with the exception nonetheless of all ships and vessels of war, as well as the ships belonging to the inhabitants of this Colony, which last-mentioned shall pay on account of the aforesaid tax five Ryxdaalders per year. This contribution, taking into consideration the number of ships that usually visit both bays in a full year, can be calculated to yield annually ƒ3000 -. -. Finally, there shall also accrue to the benefit of the statement of accounts of this Government the interest from the Bank of Loan, which must be transferred annually into the Company's treasury, being, after the last reduction of that interest, four per cent of the invested capital, and this we believe, calculated year by year, may safely be estimated at ƒ35000 -. -. We shall conclude this treatise on the country's revenues with the general remark that the same, taken as a whole, have been calculated by us so conservatively that we believe we may rest assured that from their surplus yields, beyond what has been calculated by us, there can be abundantly found the four per cent assigned to the Bookkeeper of the general Public Revenues and the two subordinate clerks of that office; nor have there been brought into calculation various advantages that may flow from the private shipping and trade granted to the inhabitants, although one may with reason expect that the same over time, especially with regard to the import and export duties, will not be inconsiderable. When one therefore recapitulates what has been stated by us on this subject, the future state of the profits and revenues of this Government presents itself in this manner: Profits: ƒ6000 -:- Recognitions of the Loan places: 70000 -.- Lord's rights: 22000 -.- Recognition of Land in Freehold and quitrent: 2500 -.- Tax on wines: 36000 -.- Lease monies: 90000 -.- Lease of the Salt pans: 5000 -.- Stamp duty: 15000 -.- Tithes of grains and legumes: 13500 -.- Import and export duties: 30000 -.- The newly introduced taxes: 40000 -.- Recognition of the Vendue Mastership: 32000 -.- Capitation and Crane money: 3000 -.- Interest of the Bank of Loan: 35000 -.- Making together a sum of ƒ400000 -.- Since they have now demonstrated in its proper place that the expenses of this Government for the future ought to be calculated at ƒ838000 -.-, the excess of the same over that of the profits and revenues will still amount annually to ƒ438000 -. -, being much less than we had dared to imagine, as your Right Honourable Worships will have observed from the first part of our report, at the place where we indicated the grounds upon which we fixed the annual remittance at ƒ400000 -.-; which determination we nonetheless believe can and ought to remain in effect provisionally. We need not therefore repeat here that the change made by us regarding the payment of the land-based military pay causes the representation of the Cape expenses to be burdened with two tons of gold which would otherwise have been paid in the Netherlands, and that therefore the excess of those expenses, as we have now estimated them, in reality amounts to ƒ73000 -.- less than what it was calculated at in the calculation already cited several times, although that excess only appears there as ƒ311000 -. -, because it was assumed there that the partial payment of the land pay in the Netherlands would continue to take place on the usual footing. Having now settled the matter which we had proposed to ourselves, we must still allow a few matters to follow which either could not find a suitable place thus far, or were only accomplished after the subjects to which they would have belonged were concluded in this report. Upon our arrival in this Colony, we were informed by Commander Rhenius that around the autumn of 1791 there had presented himself to him one of the inhabitants of this Colony named Willem van Rheenen, stating that he knew with certainty that far inland and to the north of this Colony lay tracts of land where gold ores were found, and that the well-known English traveller Paterson had also discovered the same during his journeys in those regions, further displaying a small piece of gold that was said to have been smelted from those ores, with an offer to proceed thither at his own expense and peril in order to investigate the matter further, merely desiring reasonable compensation in case it should succeed. That he, the Commander, from what he had heard of it before, inferred the possibility that this so important matter might not merely, as the nature thereof

Dutch transcription

333 vallen, met uytzondering nogthans v:an alle scheepen en vaor„ tuygen van Oorlog, mitsgaders de scheepen aan Ingezestenen deeze Colonie toebehorende, welke laastgemelde weegens de voorschr. belasting zullen betalen vyf Ryxdaalders in 't Jaar. Deeze Contributie kan, in aanmerking genomen het gehal schee pen dat gewoonlyk in een rond Iaar de beide baryen aandoet gecalculeerd worden jaarlyks ƒ3000 -. - te zullen opbrengen. Eyndelyk zullen ook ten voordeele van de staatreekening van dit Gouvernement komen de interessen van de bank van Leening, welke jaarlyksch in s'Compagnies kas moeten worden overgebragd, zynde, na de laaste reductie van die interes„ sen, vier pc:t van de uytgezette Capitalen, en dit meenen wy dat Jaar door Jaar gereekend, gerust op ƒ 35000 —. — Van worden geschat. Wy zullen deeze verhandeling van s' Lands inkomsten be„ Sluyten met de algemeene aanmerking, dat deselve, over het al„ gemeen genomen, door ons zo eng zyn bereekend, dat wy mee nen ons gerustelyk te mogen verzeekerd houden dat uyt derzelver meerder bedragen, dan door ons is gecalculeerd, rykelyk gevonden zullen kunnen worden de vier pro centoo aan den Boekhouder van de generale 's Lands Inkomsten en de twee onderhorige bediendens van dat Comptoir toegelegd, ook zyn daar by niet in Competatie gebragd verseherde voordeelen welke uit de aan de Ingezeekenen toegestaane partiku„ leere vaart en handel kunnen voortoloeijen, schoon men met reede Verwagten kan dat dezelve door den tyd, voor al met be„ trekking tot de inkomende en uytgaande regten, niet gering zullen zyn: Wanneer men dierhalven recapituleerd het geen door ons over deeze materie is gezegd, so vertoond de toekomstige staat der Winsten en inkomsten van dit Gouvernement in deezer voegen. Winsten. . . . . . . . . . . . . . ƒ 6000 —:— Recognetien der Leening plaatzen. . . . . . . . . „ 70000 –. . – s' Heeren Geregtigheid. . . . . . . „ 22000 –. . – Recognitie van Land in Eygendom en er pagt „ 2500. —. Votgeld der Wijpen. . . . . . . . . . . . . „ 36000. — Pagtpenningen. . . . . . . . . . . . . . „ 90000 —. – pagt der Zoutpannen. . . . - - - - - . „ 5000 —„ Zegulgeld. . . . . . . . . . . . . „ 15000 — Tienden der graaven en peulvragten. . . . . . „ 13500 — Inkomende en uytgaande regten. . . . . . . „ 30000 — De Nieuw geintroduceerde belastingen. . . . . . „ 40000 — Recognitie van het Vendumeesterschap - - . „ 32000 -. Hoofd en Kraangeld. - - - - - - - - - - - - - - „ 3000 — Interessen der bank van Leening - - - „ 35000— Makende te samen eene somma van ƒ 4000:00— toe Daar 335 Daar zy nu ter zyner plaate hebben aan getoond dat de Lasten van dit Gouvernement voor 't vervolg behooren te worden gecalouteerd 1 wissten en op ƒ838000. — so zal het excedent derzelve, boven dat den ^ enkomsten nog jaerlyksch beloopen ƒ 438000 -. - zynde veel minder dan Wy ons hadden dinven voorstellen, gelyk Uw Wel Edele Hoog Agt- baave zullen bespeurd hebben uit het eerste gedeelte van ons verslag, ter plaatze daar my de gronden hebben aangeweezen Op welke wy de jaarlyksche in kastelling op ƒ400000 –. . — hebben bepaald; welke bepaling my egter meenen dat provisie neel kan en behoord te blyven plaats grypen: Wy behoeven dan ook alhier niet te herhaalen, dat de door Ons gemaakte verandering omtrend de Uitbetaaling der Soldij en aan land, maakt dat de Vertooning der Kaabse Lasten met twee tonnen Gouds bezwaard welk, anderzints in Nederland wierden uytbetaald, en dat dierhalven het excedent dier lasten gelyk wy thans hebben begroot, in realiteit ƒ73000„- minder bedraagd, dan waar op het by de reeds meermaalen aangehaalde bereekening was gecalculeerd, of schoon dat excedent aldaar slegts voorkomt tot ƒ311000 -. - om dat daar by Verondersteld is dat de gedeeltelyke uytbetaling der Land- soldyen in Nederland op den gewoonen voet zouden blyven plaatsgrypen. Thans afgehandeld hebbende den zaek welke my ons hadden voorgesteld, moeken wy nog eenige weynige zaaken laaten volgen, welke of geene geschikte plaats tot dus verte hebben kunnen vin„ den, of eerst tot stand zyn gebragt, na dat de materien, tot welke zy zouden hebben behoord bij dit verslag waaren afgehandelde. By onze aankomst in deeze Colonie wierden wy door den Gezaghebber Rheniurs verwittigd dat zig omstreeks het na„ jaar 1791 by hem had opgedaan een der Ingezeekenen deezer Colonie genaamd Willem van Rheenen zeggende met zeekerheid te weeten dat verre Landwaards in en ten noorden deezer Colonie strae„ ken lands bevonden daar Gouderszen gevonden wierden dat de be„ kende Engelse ryziger Paterson dezelve ook by zyne tegten in die gewesten had ontdekt, vertoonende wyders een stukje gouds dat uit die ertzen zoude zyn uitgesmolten, met aan bod om ten zynen kosten en pericule zig naar derwaards te willen begeeven, om die zaak nader te onderzoeken, alleen Ver„ langende eene billyke schadeloosstelling, ingevalle dezelve wel mogt recusseeren. Dat hy Gezachhebber uit het geene hy daar van wel meer gehoord had voorzig opmaakende de mogelykheid dat deze zo belangryke zaak niet enkel (gelyk de aard daar van Mhans ander

NL-HaNA_1.04.02_4361_0336 view scan ↗

English

337 otherwise would easily make one suspect) was chimerical, had not hesitated to grant the aforementioned van Reenen's request, and all the less so because, even if that undertaking were to fail, not the slightest disadvantage could be feared for the Company, and had therefore granted a secret permission to the aforementioned van Reenen to travel inland in order to accomplish his good intentions, just as he had then immediately undertaken the journey. For our part, we found no difficulty in fully approving the direction taken in this matter by the Governor, and awaited with no small curiosity the return of that traveler, of whom nothing had been heard for several months, and who was already considered by many to be lost. Finally, he unexpectedly appeared on 20 July 1792, see Annex No 394, and informed us that after having penetrated with incredible effort as far as a nation which he called the Poor Damras, he could by no possibility have advanced any further due to the incredible drought that prevailed in those regions and the loss of several draught oxen, but that he had nevertheless brought along from those regions which he had traversed several wagons with ores, among which he did not doubt that some would be found containing the desired metal, at the same time handing over to us some small stones found by him which he thought might be of value. We particularly demanded from him the notes which he said he had made of the courses he had kept, and the principal encounters he had had; but when we finally received that document, we clearly perceived, what we had already suspected at our first meeting with that man, that his enterprising spirit was greater than his ability to execute such matters in such a manner that the intended fruit could be derived from it. We transmit those notes or journal herewith, more because we considered ourselves obliged not to withhold it, rather than that we should think it contained matters particularly worthy of the attention of Your Noble High Mightinesses. For that same reason we also consider ourselves obliged, distributed over several ships, to send to the Fatherland the ores which were handed over to us by the aforementioned van Reenen, together with 339 see Annex No 395 the small stones mentioned above. Upon receiving these ores, we did not fail to employ all possible means to discover what metals they actually contained; this cost us no small effort due to the lack of people experienced in that study, but in order not to detain Your Noble High Mightinesses with tedious details thereof, we shall content ourselves with saying that by the assays made on our orders by the Major of the Regiment of Württemberg von Dehn, in whom we finally found someone of the necessary skill, we were convinced that these ores contain no gold particles, but that they are very rich in copper of an excellent quality mixed with a little silver, as appears in more detail in the report of the aforementioned Major von Dehn submitted to us. Meanwhile, and before the nature of the aforementioned ores had been developed to that extent, we were informed by the citizen Jan Gysbertus van Reenen that his brother Sebastiaan Valentyn van Reenen in the year 1778 had accompanied the aforementioned Paterson on the journey on which he was said to have discovered the gold ore, and had accurate knowledge thereof. We thereupon summoned the said Sebastiaan Valentyn van Reenen, who related to us that he had indeed made the journey with Paterson and had even brought along some of the ore found by him, that a small portion of it having been smelted here at the Cape had yielded some gold, which he showed to us; and that his father Jacobus van Reenen the Elder, not long afterwards, had taken the remaining portion of that ore with him to Holland and handed it over to a competent assayer in Amsterdam, but that he had never been able to obtain the result of the assays made by that assayer, although according to rumors they had turned out very favorably. The aforementioned Sebastiaan Valentyn van Reenen further assured us that the mines from which that ore came, according to what he had learned from the natives, could not be situated far from a bay or harbor in which one could lie safe from all winds, that Paterson had also shown a very great desire to visit that bay or harbor, but that he, van Reenen, realizing that great advantages could lie in this matter for his own Fatherland, had tried by all possible means, and had also succeeded, in thwarting this, that

Dutch transcription

337 anderzints al ligtelyk zoude moeten doen vermoeden) Hers en schimmig was, geene bedenking had gedragen aan voorn: van Reenen zyn verzoek toe te staan, en zulks te minder, om dat, zo die on derneeming al eens mislukte daar uit geen het allerminste nadeel voor de Coopagnie konde worden gevreesd, en dierhalven aan voorn: van Reenen een geheyne permissie haa verleend om tot volbrenging zyner goede oogmerken landwaards in te mogen trekken, gelyk dezelve dan ook dadelyk de reije had aan genoomen. Wy voor ons vonden geen zwarigheid om de in deezen gehous directie door den Gezachhebber volkomen goed te keuren, en zagen met geene geringe nieuwsgiezigheid de terugkomst van dien Eyzigen te gemoet van wien men verscheide maanden niet had vernoomen, en die by veelen reeds als verlooren wierd gereekend. Eindelyk kwam hy op het onverwagts op den 20. e July 1792 te zeer Byl. No 394 voorschyn, en informeerde ons dat hy na met ongelooflyke mou te tot by eene natie welke hy de Arme Damras noemde doorgedrongen te zyn het met geen mogelykheid, verder had kunnen brengen door de ongelooflyke droogte welke in die streeken heerschte en het Verlies van Verscheide trek Ossen, dog dat hy egter uyt die gewesten welke hy door kruyst had eenige wagens met Ertzen had meede gebragt onder welke hy niet twyffelde of en zoude gevonden worden die het gewenscht metaal bevatteden, ons teevens ter hand stellende eenige by hem gevonde steentjes welke hy meende dat van waarde konde zyn. Wy verlangden in het byzonder van hem de aanteekeninge welke hy Zeide van de Courssen die hy gehouden, en de voor- naamste ontmoetingen die hy gehad had, te hebben vervaardigd; dog wanneer wy eindelyk dat stuk bekwaamen bespeurden wy klaar, het geen wy reeds by de eerste ontmoeting van dien man vermoed hadden, dat zyne onderneemende geest groter was dan zyne bekwaamheid tot het uytvoeren van zoortgelyke zaaken op zodanige eene wyze, dat daar van de bedoelde Vrugt konde worden getrokken. Wy leggen die aanteekeningen of dagregister hier neevens over meer om dat wy ons Verpligt reekende het zelve niet agter te houden dan wel om dat wy zouden meenen dat het zaaken zoude bevattenden aandagt van Uwel Edele Hoog Agtbaare byzonder waardig. Om die zelfde reeden agter Wy ons ook verpligt over eenige scheepen Verdeeld, naar het Vaderland te zenden de Ertzen welte om door voorn: van Reenen zijn ter hand gesteld, beneevens kruyst de 339 t zu Byk No 395 de hier bovengemelde Steentjes. By het ontfangen dier ertzen verzuymden wy niet met alle mogelyke middelen aan te werden om te ontdekken welke me„ talen dezelve eigentlyk behelsden, dit heeft ons niet weynig moeyte gekost door het gebrek aanlieden in die Studie ervaaren, maar ten einde Uw Wel Edele Hooge Agtbaare met geen verveelend det ail daar van op te kouden, zullen Wij ons vergenoegen met te zeggen, dat nij door de proefreemingan door den Major van het Regiment van Wurtemberg von De hu„ in wien wy eindelyk temand van de nodige kunde hebben aangetreffen, op onze last genoomen, overreed te zyn geworden dat die erfzen geene gouddeelen bevatten, maar dat dezelve zeer ryk in koper van eene voortreffelyke qualiteit gemengd breeder met een weinig zilver gelik zulks ^ voorkomt by het bezigt van Voorn: Major von Dehn aan ons ingediend. Inmiddels en voor dat de hoedanigheid der voorschr: Erken zo verre was, ontwikkeld wierden wy door dene Bejorgen Ian Gysbertus van Reenen geinformeerd dat deszelfs broeder Sebastiaan Valentyn van Reenen in den Iaare 1778 den voorn: Paterson had verseld op de Reize waar op dezelve het goudersz zoude ontdekt hebben, en daar van naauw keurige kennisse droeg Wyj ontboden daar op de gemelde Sebastiaan Valentyn van Reenen die ons verhaalde dat hy waarlyk de reige met Paterson gedaan had en ook zelfs van het door denzelven gevonden Hondert had meede gebragt dat een gering gedeelte daar van alhier aan de Kaap uitgesmolten zynde eenig goud had uitge„ leeverd, het welk hy ons vertoonde; en dat zyn Vader Ia„ cobus van Reenen de Oude, het overige gedeelte van dat erkz niet lang daarna had meede genomen naar Holland en te Amsterdam aan een bequaam essayeur ter hand gesteld, dog dat hij den uitslag der daar van genoomen proeven van dien essaijeur nimmer had kunnen bekoomen Schoon volgens gerugten dezelve zeer voordeelig waaren uitgevallen. voors: Sebastiaan Valentyn van Reenen verzeekerde Ons wyders dat de mynen waar uit dat Erk afkomstig was volgens het geen hy vernoomen had van de inboorlingen, niet ver af moesten geleegen zyn van eene baaij of haare waar in men voor alle winden Veilig leggen Kon dat Paterson ook een zeer groot verlangen had betoond om die baay of Haare te bezoeken, maar dat hy van Reenen int bezef dat deeze zaak voor zyn eigen Vaderland groote voordeelen konden geleegen zyn door alle mogelyke middelen getragt had, en 'er ook in geslaagd was om zulks te verydelen, 119 dat

NL-HaNA_1.04.02_4361_0338 view scan ↗

English

that Paterson, passing by the Cape a considerable time thereafter, had urged him to attempt once again to discover that bay or harbor, promising great advantages if it should succeed, but that he, van Reenen, had declined this out of that same principle, and with the intention to make this whole matter, which he had revealed to no one other than his brother Ian Gysbertus van Reenen, known only when he believed he could thereby advance the interests of his Fatherland. That he now judged that moment to have arrived by our presence here, and offered, if one would grant the necessary sea transport for him as well as for the men, horses, wagons, provisions, etcetera required for such an undertaking, and would provide him at cost prices with some minor articles that he could not obtain elsewhere, to go further in person at his own expense and peril to seek out the aforesaid harbor or bay from the seaward side, and to attempt whether a communication by land could also be opened from there with the said mines, which he would then likewise inspect more closely. That, in order to ensure the success all the better, he would then also dispatch some men, wagons, and draught oxen thither by land, provided with the necessary signals to be able to recognize one another upon making the coast. That only in case this matter were crowned with the desired result, of which he himself had no doubt, he requested, as a reward for the expenses and efforts incurred by him and the dangers endured, to be allowed to have some share in the net profits that the said mines would yield, and to be privileged with the right to shoot elephants in that harbor or bay which would be situated nearest to it. Although the credibility of that part of the story of the aforementioned van Reenen, which concerned the sentiments that had moved him to keep a matter of such importance hidden for so long and now to reveal it to Us, depended entirely on the opinion one formed of his personal character; and although the discovery of gold mines has proven through the experience of all times to belong more to the chimerical projects with which the heated imagination often occupies itself than to such substantial matters as properly constitute the subjects of our Commission, we nevertheless found too much probability in the circumstances stated by van Reenen to discard them entirely. To this was added that we could not imagine that a well-to-do burgher would wish to incur such notable expenses and expose himself to such dangers if he did not cherish in himself a well-founded hope that his undertaking would indeed succeed. The matter being of such a nature that it could not well be discussed with others, we asked the Administrator Rhenius whether he also knew anything of the discovery of gold ores by Paterson, of the smelting here of a part of that ore, and of the conveyance to the Netherlands of another part by Iacobus van Reenen the elder; and the aforementioned Administrator confirmed to us everything that had been told to us in that regard by Sebastiaan Valentyn van Reenen. Meanwhile, it served in no small measure to persuade us to accept the offer of the said van Reenen that we were already intending at that time to have an expedition carried out along the west coast of Africa, although with a completely different purpose, which consequently of itself offered the opportunity to provide van Reenen with the desired sea transport. In our deliberations, namely over granting the whale fishery to the inhabitants of this Colony, it had occurred that the bays situated along the west coast of Africa had for a few years been visited by a considerable number of foreign ships of all kinds of nations, which profited from the fishery there, and that the reports sent over by the Cape ministers regarding this, however exaggerated they had appeared, completely agreed with the truth. Very remarkable to us appeared that which was written on that subject by the Assembly of Seventeen in its missive of 31 December 1788, paragraph 14, namely that the greatest danger lying therein consisted in this: that besides the benefit of the fishery, such unoccupied bays might perhaps have other allurements, as for example local convenience, fertility of soil, etcetera, whereby foreigners might be induced to derive a greater advantage from them than merely fishing around and in them, on which account the Assembly of Seventeen judged it necessary that

Dutch transcription

341 dat Paterson een geruyme tyd daar na de Kaap neder pas„ seerende by hem had aangehouden om andermaal te tragten die baay of have op te speuren, met toezegging van grote voordeelen wanneer zulks wel gelukte, maar dat hy van Reenen zulks had van de hand geweesen uit dat zelfte beginzel, en met een voorneemen om deeze geheele zaak (welke hy aan niemand had geopenbaard dan aan zyn broeder Ian Gysbertus van Reenen (dan eerst kenbaar te maaken wanneer hy meende daar door de belangen van zyn Vaderland te kunnen bevorderen. Dat hy thans oordeelde dat tyd stip door ons aanweezen al hier gebooren te zyn en zig aanbood om wanneer men daar toe zo voor hem als voor de manschappen, paarder, Wagens. provisien &=a tot zodanige onderneeming vereischt wordend het nodige transport ter zee wilde Verleenen en teegens inkoops prijzen aan hem eenige geringe Artikelen welke hy elders net bekoomen konde, verstrekken, verder ten zynen koste en pericule de voorsz: haare of baay in perzoon van de Zeekant te willen gaan opzoeken, en beragten of rok van daar over lande eene Communicatie met de bewuste mynen, welke hy dan teevens nader zoude bezoeken, te openen zoude zyn". dat hy als dan om zig des te beeter van de reussike te verzeekeren ook over land eenige manschappen wagens en trekossen naar derwaards zoude afzenden, en van de nodige seinen voorzien om elkanderen by het aandoen van de kust te kunnen verkennen. Dat hy alleenlyk ingevalle deeze zaak met een gewenescht gevolg wierd bekroond (waar aan hy voor zig zelfs niet twyfe selde / tot eene belooning voor de hem aangewende kosten en moeyten en de uijtgestane gevaren, verzogt eenig aandeelte mogen hebben in de zuyvere winsten welke de meerm. my„ nen zoude afwerpen en bevoorregt te mogen worden met het regt om in die haren of baay welke het naast aan zoude gelee„ gen zyn, olyphanten te mogen schieten. Schoon de geloofwaardigheid van dat gedeelte van het ver„ haal van voorn: van Reenen, het welk betrofde gevoelens die hem genoopt hadden om eene zaak van die aangeleegenheid zo lang verborgen te houden en thans aan Ons te openbaaren, geheel afhing van die opinie welke men zig vormde van zyn perzoonlyk Caraeten en schoon het onsdekken van Goud- mynen door de ondervinding van alle tyden gebleeken is meer te behooren tot de hersschenschemmige projecten waar meede de verhitte verbeelding zig vaak berig houd„ dan tot zulke weezentlyke zaaken als de onderwerpen oner 343 Onzer Commissie eigentlyk uytmaaken, vonden ny egter ii de door van Reenen opgegeeven omstandigheeden te veel waarschynlykheid, om dezelve geheel in den Wind te slaan, waar bij Kwam dat wy ons niet konden voorstellen dato een welgezeeten burger zulke merkelyke kosten zoude willen aanwerden en zig aan zulke gevaaren bloot stellen, zo hy niet bij zig zelfs eene gegronde koop voedde dat zyne onderneeming wel zoude gelukken De zaak van dien aarde zynde dat daar over niet wel met anderen konde worden gehandeld — vroeger Wy den Gezaghebber Rhenius of hem ook iets van de ont„ dekking van goudertien door Paterson, van het uitsmel ten alhier van een gedeelte van dat erk en van het over„ brengen naar Nederland van een ander gedeelte door Iacobus van Reenen de oude bekend was, en voorn: Ge„ zaghebber bevestigde ons alles wat ons daar omtrent door Sebastraan Valentyn van Reenen was gezegd. Intusschen strekte niet weinig om ons tot het accepteeren van het aanbod van gem. e van reenen over te haalen, dat my toen reeds voorneemens waaren eene expeditie langs de Westkust van Africa, of schoon met een geheel ander Oogmerk, te laaten doen, het welk derhalven van zelfs de gelegen houd aan de hand gaf om aan van reenen her verlangde Transport ter zee te bezorgen. By onze deliberatien namentlyk over het toestaan den Walrischt vischery aan de Ingezeetenen deezer Colonie, was, voorgekomen dat de baayen langs de Westkust van Africa geleegen zeedert weyni„ ge Iaaren door een aanmerkelyk getal Vreemde scheepen van allerley Natien werden bezogt welke aldaar met de Visscherye hem voordeel deeden, en dat de berigten door de Kaapsche ministers daar van overgesenden, hoe vergroot dezelve ook waaren voorgekoomen met de Waarheid volkoomen over een te stemden. zeer opmerkelyk kwam ons voor, het geen door de Vergadering van s7m op dat Stuk is aangeschreeven by haare Missive van den 31 December 1788: §14 dat (namentlyk / het groctste gevaar daar in geleegen, hier in bestond dat behalven i het voordeel van Visscherye zodanige ongeoccupeerde brayen n misschien wel andere aan lokselen zoude kunnen hebben, n als by voorbeeld plaetzelyke geleegenheid, Vrugtbaar„ „heid van grond enz: waar door Vreemden zoude kunnen „ worden bewoogen om daar van eene meerdere party te „trekken dan enkelde om en in te doen visschen waarom de Vergadering van 1 C:n het notig vordelden dat daar of den een

NL-HaNA_1.04.02_4361_0340 view scan ↗

English

345 that careful supervision be kept, and if necessary, by a temporary taking possession of such unoccupied bays during the presence of such foreigners, it be prevented that they form any designs on the same which might sometimes be harmful to the Company's interests and the excellent value of this Establishment. The importance which we therefore saw was attached with so much reason by our High Principals to preventing foreigners from sometimes forming establishments in those bays, made it necessary in our view that it be investigated with at least some accuracy which bays were situated north of the St Helena Baay on the West Coast of Africa, and whether among them any were found that offered the necessary requirements to form settlements. Concerning all of which people here were profoundly ignorant, just as there was no one here who had ever visited that part of the coast. We therefore decided to make use of the colonial vessel the Meermin present here, which however during the good monsoon was not required here for any particular purpose, while according to our calculations it could return from that expedition well enough in time to forward the goods and necessities to the Baay Fals before the bad monsoon. We take the liberty in this respect to refer further to an Instruction decreed by us on 21 December 1792 for Captain at Sea Duminy, having commanded the aforesaid ship, whereby we deemed it necessary to limit the investigations to be made to that part of the coast which extends from the St Helena Baay up to and including the Walvischbaay, since the bays that might be situated even further north seemed to us never able to acquire any relation to this Establishment or its value. Finding the temporary taking possession, which the Assembly of Seventeen, as we saw just now, had recommended if occasion arose, if not entirely impracticable, at least very difficult and in any case inadvisable on account of the extensive costs which would necessarily have to accompany it, we have chosen to provisionally take possession of the bays or harbours that could come into consideration on account of their location by the erection of beacons, whereby it is after all prevented that the same can be occupied by others; which after all was the principal objective here, 347 while at the same time one retains the choice whether or not to continue the possession. This opportunity was therefore very suitable to also carry out the plan of van Reenen at the same time without the least cost or difficulty for the Company, as we then also arranged the Instruction for Captain Duminy accordingly. Likewise, we deemed it necessary to provide the burgher Sebastiaan Valentyn van Reenen, as charged by us with the aforesaid undertaking, with a special Instruction relating thereto, and to administer the oath which Your Right Honourable Worships will find inserted at the end of the same Instruction, just as we have in the same manner put under oath his brother Dirk Gysbertus Van Reenen, who accompanied him on that voyage at his request, according to a separate form decreed by us for that purpose. Now as regards the requests made to us by the first-named van Reenen, first for himself and subsequently for him and his aforementioned brother jointly, in the event that this undertaking should fulfill the intended objective, we found no difficulty in promising them half a percent of the net profits that might flow from it for the Company, and that we would also then try to promote to the best of our ability his further request to be privileged to shoot elephants in that region. After these brothers van Reenen had then embarked with everything necessary for the purpose of their voyage, the ship the Meermin departed on 3 January of this year, and on 10 April the same returned from the completed voyage in good condition, anchoring in the Cape Roads. The main objective of this expedition has been fulfilled in so far as possession has been taken of five harbours or bays regarding which it seemed necessary to Captain Duminy pursuant to his Instruction, and which are situated at such longitudes and latitudes as may appear to Your Right Honourable Worships from what we have had extracted in that regard from the logbook of the aforesaid vessel, having been named respectively by Captain Duminy the Elizabeth Baay, the Daniels Baay, the Rhenius baay, and the Beschermerhaven, its name having been left to the Walvischbaay, and in each of the same a stone beacon was erected, on one side of which is carved the coat of arms of the Republic, and on the opposite side that of the East India Company, while aforementioned Captain Duminy has declared to us to have discovered no other bays or harbours that could offer any sufficient opportunity to foreign nations for the laying out of establishments.

Dutch transcription

345 „ een naauwkeurig toezigt wierde gehouden, en des noods „ door eene temporaire in bezitneeming van zodanige onge„ „occupeerde baryen geduurende het aanweezen van diergelyke „ Vreemdelingen, verhinderd dat men op dezelve geene oogmer„ „ken formeeren, welke somtyds voors Comp:s belangen, en de „uitneemende waarde van dit Elablissement schadelyk zoude „kunnen zin Het gewigt het welk wy dierhalven zagen dat door onze s loge Committenten met zo veel reeden er aangehegt wierd, dat vreemdelingen som tyds in die brayen geene etablissementen formeerden, maakte het in ons oog noodzakelyk dat men ten minsten met eenige naauwkeurigheid onderzigt wierd welke baayen noordelyker dan de Sr Helena Baan op de West Kust van Africa, geleegen waaren, en of in zig onder dezelve be„ vonden die de nodige vereischtens aan boden om es bezittingen te formeeren. omtrend al het welke men alhier diep onkundig„ was, gelyk zig ook alhier niemand bevond, die dat gedeelte van de kust immen had bezogt. Wy beslooten dan daar toe gebruyk te maaken van het zig alhier bevindend Colonieschip de Meermin het welk dog geduurende het goede Mousson alhier tot geen byzonder einde wierd Vereischt terwyl het tog volgens onze bezeeken ong genoegzaam in tyds van die expeditie konde te rug koomen, om nog voor de kwade Monssen de goederen en behoeften naar des Daan Fals over te zenden. Wy neemen de Vryheid ons ten deezen opzigte verder te resireeren tot eene Instructie door ons voor den Kapitein tor Zee Drimeny het voorschri schip hebbende gecommandeerd, op den 21 December 1792 t ziesyk: N:o 396. Gearresteerd waar by my nodig geoordeelt hebben de te doene on„ derzoekingen te bepaalen, tot dat gedeelte der kust, het welk zig uytstrekt van de S„t Helena Baay tot de Walrischbaay ingeslooten, alzo de baayen welke nog noordelyker zoude mogen geleegen zyn, oms toescheenen nimmer eenige betrekking tot dit Etablissement of deszelfs waarde te zullen kunnen Vertrygen. De temporaire in bezitneeming, welke de vergadering van 17=n gelyk my zo even zagen, Casu opio had aanbevoolen, zo niet geheel ondoenlyk, ten minsten zeer bezwaarlyk en in allen gevalle ongeraden vindende uithoofde van de kosten in omslag welke daar meede noodwendig zouden hebben moeten verzeld gaan, hebben wy ver Koosen de baayen of havens welke uyt hoofde van derzelver geleegenheid konden in Consideratie komen, by provisie te doen in bezit neemen door het stellen van morkpaalen, waar door immers word verhinderd dat dezelve door geen anderen kunnen worden geoccupeerd; dat dog hier toe het voornaamste genoeg oogmerk 347 1 ibidem tzes tyl: No 397. 8 zie yl: N.o. 398 oogmerk was, terwyl men teevens de Keuze over behoud om de possessie al of niet te Continueeren. Deeze geleegenheid was dierhalven zeer geschikt om ook het ond werp van van Reenen zonder eenige de minste kosten of bezwaar voor de Compagnie leevens te doen gevolg neemen, gelyk wy dan ook de Instructie voor den Kapitein Dumeng daar na hebben ingerigt Insgelyks hebben wy het nodig geoordeeld den burgen Sebas„ tiaan Valentyn van Reenen, als door ons met de voorschr„ Onderneemingen belast, van eene byzondere Instructie daar toe betrekkelyk te voorzien, en te doen praesteeren den eed, wel ke Uwel Edele Hoog Achtbaare aan het einde derzelve In„ structie zullen vinden geinsereerd, gelyk wy in zelver voegen onder eede hebben genoomen desselvs Broeder Dirk Gysbertus Van Reenen welke hem op zyn verzoek op die zee styl: No. 399 tegt heeft vergezeld, volgens eene afzonderlyke formulier daar toe door ons gearresteerd. Wat nu aangaat de verzoeken door eerst gem: van Reenen aan ons eerst voor zig zelven, en naderhand voor hem en zyne gemelde broeder gezamentlyk gedaan in het geval dat deeze Onderneeming aan het bedoelde oogmerk mogte beant„ woorden, hebben wy geen zwarigheid gevonden hum toe te zeggen een half p r„to van de zuyvere voordeelen welke daar uit voor de Maatschappy zouden mogen voortvloeyen, en dat wy ook als dan desselfs verder verzoek om bevoorregt te worden tot het schieten van Olyphanten in dat gewest, naar ons vormogen zouden tragten te bevorderen. Na dat dan deze broeders van Reenen zig niet alles wat tot het Oogmerk hunner reige nodig was, hadden ingescheept, vertrok het schip de Meermin den 3:e January deezer Iaare, en den 10e April Kwam het zelve van de gedaane reijze in goeden staat op de Kaabsche Rheede ten anker. Aan het hoofdoogmerk deezer expeditie is in zo verre voldaan dat possessie is genomen van Vyfhavens ofbaayen waaromtrand zulx aan den Kapitein Duminy, agtervalgens zyne Instructie noodzakelyk is toegescheenen, en welke op zodanige lengtens en breedtens geleegen, als zulks aan Uw wel Edele Hoog Achtbaare blyken kan uit het geen wy dien aangaande wyt het Journaal van Voorm: bodem hebben doen extraheeren, door den kapitein Duminy respectivelyk genaamd zyn de Eli„ beth Baay, de Daniels Baay, de Rhenius baay en de Bdescher„ merhaven, zynde aan de Walvischbaay desselfs naam gelaten, en in elk derzelve een steene merkpaal opgeregt, waar op aan de eene zyde is uijtgehouwen het wapen van de Republick, en aan de teegen zyde dat der Oost Jndische Compagnie, terwyl meerm: Kap:n Daminy ons verklaard heeft geene andere baayen nog havan onsdekk te hebben welke eenige voldoende geleegenheid tot het aanleggen van Etablissementen, aan Vreemde Natien zouden kunnen aanbied en. nit Het

NL-HaNA_1.04.02_4361_0342 view scan ↗

English

See Appendix No. 400. The other objective, namely the discovery of a communication between the copper mines and the sea, and the intended closer investigation of the mines themselves, has completely failed, which seems mainly attributable to the fact that the men who had been sent overland by the Van Reenen brothers were unable to penetrate to the designated place, because, owing to the unprecedented drought which had prevailed for a considerable time in that part of Africa, there was a total lack of drinking water and fodder for the animals, of which misfortune we had already been informed prior to the return of the Meermin. The aforementioned brothers indeed took every possible trouble to penetrate inland with the aid of the men, horses, and provisions which they had with them, but in vain, for lack of the reconnaissance that was indispensable for this purpose, and for the obtaining of which the dispatch of men overland was primarily intended to serve, while the intractable nature of the few native inhabitants whom they encountered made it impossible to remedy this, just as all this appears at length in the journal of their journey kept by S. V. van Reenen and delivered to us, to the contents of which we otherwise take the liberty to refer. The dangers and hardships endured, no less than the direct disadvantage suffered through the loss of the expenses fruitlessly incurred, have nevertheless not deterred the aforementioned brothers, and, being still fully convinced both of the feasibility and of the probable successful outcome of their plan, they have once again offered themselves to us to undertake a much more difficult overland journey to accomplish the same, and to trace a communication between the mines known to them and a nearby bay or harbor, all once again at their own expense and peril. Although we have not yet made a determination regarding this, and this singular matter has hitherto remained in a state of complete uncertainty, we may nevertheless not omit to observe that it seems fairly clear that the earth in these regions contains a great abundance of various kinds of minerals, and that it is always possible that advantages of some importance might arise from this, either for the Company in particular or for the state in general; thus, one and another sample of lead ores has also been delivered to us, of which the mines are very extensive and situated favorably both for easy working and for transport by sea, upon which latter it primarily depends in these regions, since such transport through the interior of the country must be deemed entirely impracticable for such purposes, and we would therefore submit for consideration whether it might not be worthwhile to send hither a few individuals possessing the necessary skill, both for tracing and evaluating as well as for the working of the mines, in order thus to be able to reach a decision on solid grounds as to whether advantage could or could not be derived therefrom. In the meantime, we have instructed Major von Dhen, who has also examined the aforementioned samples of lead ore, as Your Right Honorable Worships will find made known in his submitted report, to pay his respects upon his arrival in the Netherlands to Your Right Honorable Worships, in case it might please Your Honors to obtain further information regarding this from him, as a man who seems to possess knowledge and experience in this field, and who might perhaps be able to provide an opportunity to engage skilled people to go over to this place. See Appendix No. 401. Having been informed that in the storm of the 19th and 20th of May last the Company's ships were exposed to the greatest danger, in particular through the parting of their anchor cables, we have endeavored to investigate whether means might be devised to reduce this danger for them during such tempests. On that occasion, we discovered that Table Bay has become considerably unsafe due to a great number of blind anchors lying in it, and we found therein once again an unpleasant proof of the carelessness that has taken place in the administration of this government. Comparing this with the reports of the stranded ships, it appeared to us all too clearly that their cables could easily have suffered from those blind anchors; one could clearly discern on some pieces of the cables that they had truly been chafed off. We have therefore deemed it most necessary to bring this to the attention of the ministers and to order them with the utmost emphasis to leave nothing untried to have Table Bay cleared of blind anchors, with authority, for the encouragement of such a beneficial work, to grant an extra reward to those who shall have retrieved such anchors, in proportion to the weight and value of the anchors themselves. We may also have the pleasure of informing Your Right Honorable Worships that the measures taken by the ministers in execution of these orders have had such a desired effect that at this moment the roadstead has been cleared of a fairly large number of blind anchors. However much we may now anticipate that the danger for the ships lying in this roadstead during a storm will thereby again be considerably reduced, a doubt has nevertheless arisen among us as to whether the lay of the anchors according to which the ships are moored ought not to be arranged differently for their greatest safety. The Company's orders of the 25th of February 1743 dictate

Dutch transcription

349 t zee Bijl: No. 400 Het ander oogmerk, de ontdekking, namentlyk, van eene Commu nicatie tusschen de Meermre Mynen en de Zee, en het voorgenomen nade onderzoek van de mynen zelve is geheel mislakt, het welk voornament lyk daar aan schynt te moeten worden toegeschreeven, dat de manschapppen welke door de Gebroeders van Reenen over land waren gezonden tot de bestemde plaats niet hebben kunnen doordringen, om dat door de voor„ beeldeloose droogte welke een geruymen tyd in dat gedeelte van Afrika geheerscht had, aldaar een totaal gebrek was aan drinkwaten en Voede voor de besten, van welk ongeval wy reeds voor de terugkomst van de Meermin onderrigt waaren geworden. De Voorn: gebroeders hebben zig wel alle mogelyke moeite gegeeven om met behulp der manschappen, paarden en noodwendigheeden welke zy by zig hadden landwaards in te dringen, maer te vergeefsch„ in 't gebrek der Verkenning welke daar toe onontbeerlyk waeren, en tot het bekomen van welke de zending van manschappen over land voor„ namentlyk had moeten dienen, terwyl de onhandelbaare Aard der weinige natuurlyke inboorlingen die zy dantroffen, het onmogelyk maakte om daar aan te remedieeren, gelyk zulx alles breedvoerig voor„ komt by het dag register hunner reize door S: V. van Reenengehouden en aan ons ter hand gesteld, tot welkere inhoud wy overigens de vryheid neemen ons te gedragen. De uytgestaane gevaaren en moeyelykheeden, zo min als het dadelyk geleede nadeel door het Verlies der vrugteloos gemaakte kosten, hebben egter de voorm: ge„ broeders niet afgeschrikt, en als nog ten vollen overtuygd, zo wel van de wyt voerlykheid, als van den waarschynlyken goeden uitslag van hun ontwerp, hebben zy zig op nieuw by ons aangeboden om eene nog veel moeyelyker landreege te onderneemen om het zelve te bewerkstelligen, en eene Communicatie op te speuren tusschen de hun bekende mynen en eene naast by geleege baay of haven, alles wederom Ten hunnen kosten en Pericule. — Schoon wy oms hier omtrend nog niet hebben bepaald en deeze zonderlinge zaak tot nog toe in eene staat van volkomen onzeeker„ heid is gebleeven, mogen wy egter niet nalaten aan te merken, dat het vry klaar schynt te te zijn dat het aardrijk in deese gewesten eene groote meenigte verschillende soorten van mineraalen en zig bevat, en dat het altijd mogelijk is, dat daar uit het zij voor de Compagnie, in't bijsonder, het zij voor den staat in 't algemeen; voordeelen van eenig belang zou den kunnen gebooren worden, so heeft men ons ook ter hand gesteld een en ander monster van loodertsen waar van de mijnen zeer uitgebreid en geleegen zijn zo tot eene gemakkelijke baarbeiding, als tot het transport over zee, op welk laatste het in deese gewesten voorna„ mentlijk aankomt, dewijl hetzelve door het binnens te gedeelte des Lands tot zulke oogmerken voor geheel inpracticabel moet worden gehouden, en wij zouden daarom in consideratie geeven, of het niet der moeite waardig zoude zijn, eenige weinige leeden, de noodige bekwaamheid bezittende, zo tot het opspeuren en beoordeelen, als omtrend het bearbeijden der mijnen, naar her„ waards te zenden, ten einde alzo op goede gronden tot eene beslissing te kunnen komen of daar van al of niet partij te trekken zoude zijn. Inmiddels hebben wij den Major von Dhen, /die ook de voorschr: monsters Loodertz heeft onderzogt, ge lijk Uwel Ed: Hoog Achtbaare bij zijn gegeeven berigt bekend gesteld zullen vinden /gelast bij zijne aan„ komst in Nederland zijne opwagting bij uwel Edele Hoog 351 1 Zie Bijlage N„o 401. Hoog Achtbaare te maaken, of het Hoogst dezelve behaa „gen mogte van hem als een man die en dit vak kundig„ heeden en ondervinding schijnt te bezitten, en misschien wel geleegenheid zoude kunnen aan de hand geeven, on bekwaame lieden te engageeren en om naar herwaards over te gaan, daar omtrend nadere informatien te neemen. Onderrigt geworden zijnde dat in de storm van den 19 en 20„e Meij Jongstleeden s' Compagnies schee pen in 't bijsonder door het breeken van haare anker touwen, aan het grootste gevaar zijn bloodgesteld ge= weest, hebben wij getragt te onderzoeken, of er ook mid„ delen waaren uit te denken om dit gevaar voor de= „zelve bij zulke onweeders te verminderen:- Bij die geleegenheid hebben wij ontdekt dat de Tafelbaaij merkelijk onveilig is geworden door een groote meenigte blende ankers welke zig daar in bevin „den, en troffen daar in weederom een onaangenaam bewijs aan van de zorgeloosheid welke in het bestuur van dit gouvernement heeft plaats gehad. Hier meede vergelijkende de rapporten der gestrande scheepen, bleek het ons maar al te duijde„ „lijk dat derzelver touwen door die blinde ankers met kelijk konden hebben geleeden, samen kon klaar bespek Ook moogen wij het genoegen hebben uwel E:d: Hoog„ Achtb: te informeeren dat de maatregulen welke door de ministers in opvolging deeser beveelen genoomen zijn, zulk een gewenschte Effect hebben gehad, dat op dit ogenblik de rheede van een vrij groot aantal blinde ankers is gezuijverd. Hoe zeer wij nu wel moogen voorstellen dat hier door het gevaar voor de scheepen op deese rheede leggende bij storm weeder aanmerkelijk zal verminderen is nog thans bij ons bedenking ontstaan, of ook niet de strek„ king van de ankers volgens welke de scheepen worden vertuijd, tot derselver meeste veiligheid anders behoor. de te worden ingerigt. s' Comp„s ordres van den 25„e februarij 1743. dicteeren aan sommige stukken der touwen dat dezelve waar „lijk waaren afgevald. wij hebben het dierhalven allernoodzakelykst geagt zulks aan de ministers onder het oog te brengen en haar met den meesten nadruk te gelasten niets onbeproefd te laaten om de tafelbaaij van blinde ankers te doen zuijveren, met qualificatie om, tot aan moediging van een zo heelzaam werk, aan die geene welke zodanige ankers zullen hebben opgeerst, eene extra„ belooning toe teleggen in eevenreedigheid der zwaarte en waarde van deselve ankers. aan hier

NL-HaNA_1.04.02_4361_0344 view scan ↗

English

353 See Appendix No. 401 in this regard, that the Company's ships, from mid-May to the middle of the month of August, must be moored in the following manner: namely, with the working anchor to the north, and the mooring anchor to the south-west, in order thus (as is stated in the aforementioned extract) to lie with open hawse to a west-north-west wind. But we had observed during the aforementioned storm that it first rose from the north, and the information which we gathered in this regard from people known for their accuracy in observing the weather likewise indicated that in the bad monsoon the most dangerous storms generally began from the northern corner and raged with the greatest violence; but that, when the wind shifted round to the west-north-west, the storm had been at its height, and this was followed by a shift to the west, and subsequently to the south-west, when the ships find themselves under a weather shore, and thus out of danger from wind and sea. One must therefore assume that in the winter season the force of the winds that can be harmful originates in the north, when the sea simultaneously rushes in with violence, and the sailor is obliged to let go his third or sheet anchor. But (it always being assumed that the wind is then from the north), one is then also obliged, if one wishes to derive benefit from it, to veer out from the working cable, since the sheet is only then permitted to run out of the hawsehole, and since the ship necessarily lies all the more safely the greater the scope of the cable one has out, so one also veers out as much as possible of his sheet, ensuring that the cables share the strain equally. However, in the assumed case, it cannot be prevented that both cables chafe against each other, just as it is also very probable that the working cable comes to ride upon the sheet anchor; for as both cables are placed in a straight line and so close to each other, and the one anchor lies so far off in the same direction as the other, while the cables lie flat due to the shallow water, the anchor that stands closest to the ship must necessarily be harmful to the more distant cable, and consequently the sheet anchor causes damage to the working cable. For these reasons, in order to prevent the pernicious consequences to which this manner of mooring gave rise, we have deemed ourselves obliged to alter the standing orders subsisting in that regard in such a manner that henceforth the ships that shall be in Table Bay during the bad season, or rather from the 10th of April to the 1st 355 Ibidem See Appendix No. 402. of September, must moor with the working anchor to the north by east, and not north of it, and with the mooring anchor to the south-west by west, and not south of it; when both those anchors shall again lie, just as before, twelve points apart from each other, and the danger of damaging the cables will be markedly reduced. As we also had well-founded reasons to assume that the Company's ships, through the neglect of the commanding officers, notwithstanding the strict orders to guard against it, nevertheless frequently lie with their cables foul, whereby the cable ropes suffer much, and indeed the greatest accidents may arise, we have deemed it necessary to determine in this regard as well that the commanding officers, whenever they shall have failed to clear their cables properly by night as well as by day, shall forfeit each time a fine of fifty rixdollars for the benefit of the Company, besides such further correction as they may have merited according to the circumstances. See Appendix No. 403 Having furthermore noted how it was customary among the Company's ships lying at anchor in Table Bay to pitch tents on shore to shelter the men who were sent ashore to repair the casks, known by the name of coopers' tents, and that this gave rise to excessive disorders and waste, we have abolished this abuse, and instructed the ministers to have the water casks repaired henceforth on board the ships themselves or in the coopers' shop, and that in the latter case the coopers of the Company's ships present here, without distinction, must be employed to assist at the coopers' shop, receiving the provisions from on board just as took place previously when they performed their service in the coopers' tents. The ministers having favorably presented to us the request made to them by the orphan master Anthonij Berrange for a recommendation, to the end that favorable consideration might be given to his eldest son Ian Christoffel Berrange, minister at Spankeren in Gelderland, for filling the pastoral post vacant here, we did not wish to refuse on account of the good reputation which the petitioner enjoys in this colony, his petition

Dutch transcription

353 Zie Bijlage N„o 401 hier omtrend" dat s'Comp„s scheepen van medio Meij tot „de helfte der maand Augusstus op de volgande wijze „moeten worden vertuijd; namentlijk met het daags „ anker in 't Noorden, en het Tuij in het zuijdwester „ om alzo /gelijk bij gemelde Extract gezegd word/ met „open kluijsen voor een west Noord weste wind te leggen. — Maar wij hadden bij de voorm: storm geobserveerd dat dezelve het eerst uit het Noorden opstak, en de informa„ tien welke wij daar omtrend innaamen van lieden bekend voor hunne naauwkeurigheid in het observeeren van het weeder, bragten insgelijks meede dat in de kwaade mouson de gevaarlijks te stormen doorgaans uit den noordelijken hoek haar begin naamen, en met de grootste heevigheid woeden; dog dat, wanneer de wind tot aan het west noordwesten uitschoot, de strom op zijn hoogst was ge„ weest, en er dan een uitschot naar het westen, en ver„ „volgens naar het zuijdwesten op volgde; wanneer de scheepen zig onder een opperwal, en dus buiten gevaar van wind en zee, bevinden. Men moet dies stellen dat in het wintersais van de kragt der winden die schadelijk kunnen zijn, in het noorden zijn beginzel neemt, wanneer de zee teevens met geweld aanschiet, en de zeeman verpligt word zijn derde of plegt anker te laaten toegaan. Maar /altijd ondersteld zijnde dat de wind als dan aan het noorden is) zo is men dan ook verpligt Wij hebben ons om deese reedenen verpligt geoordeeld, om, tot voorkoming der pernicieure gevolgen, waar toe deese wijde dan vertuijen aanleijding gaf, de daar omtrend subsisteerende ordres in dier voegen te al„ tereeren „ dat voortaan de scheepen welke in het „kwaade saisoen, of wel van den 10=e April tot den 1=e wil men er dienst van hebben, om van het daagsche touw te steeken, dewijl het pleg dan eerst toegelaaten word uit de kluis te kunnen loopen, en daar noodwendig het schip des te veiliger legt, naar maate het bot van het touw dat men uit heeft grooter is, zo steekt men ook zo veel mogelijk van zijn plegt, zorgende dat de touwen gelijk dragtig dienstbaar zijn. Daar door kan egter in het onderstelde geval niet worden voorgekomen, dat de beide touuwen teegens den anderen schaveelen, gelijk het teevens zeer waarschei= nelijk is, dat het daags touw op het plegt anker komt te veilen want daar de beijde touwen in een regte lijn en zo na bij den anderen geplaatst zijn en het eene anker zo verre, in een gelijke rigtinge van het andere geleegen is, terwijl de kabels weegens het ondiepe water vlak staan, zo moet noodwendig het anker dat het meest na bij het schip staat, voor het meest verweijderd touw nadeelig zijn, en dies volgens het plegtanker aan- het daagsche touw schaade toebrengen. wil 355 O ibidem zie Bijlage N„o 402. „september, zig in de tafelbaaij zullen bevinden, zullen „moeten verluijen, met het daags anker in het Noorden „ten oosten, en niet benoorden en met het Puijanker „in het Zuijdwest ten westen en niet bezuijden; wan= neer die beide ankers weederom, eeven als bevoorens, twaalf streeken uit den anderen zullen geleegen zyn en het gevaar van het beschadigen der touwen-merke„ „lijk zal zijn vermindert. Daar wij nie ook gegronde reedenen hadden om te onderstellen dat s' Comp„s scheepen door het verzuijm der gezag voerende officieren, niet teegenstaan de aan de strikte ordres om daar teegen te warken, egter veel tijds met haare touwen onklaar leggen, waa door de kabellouwen veel komen te leijden, Ja de groots ongelukken kunnen ontslaan, zo hebben wij nodig geagt, ook hier omtrend te bepaalen, dat de gezag hebbende officieren, wanneer zij zullen in gebreeke gebleeven zijn om hunne touwen zo wel bij nagt als #: zie Bijlage N„o 403 bij dag behoorlijk te klaaren, telken reijze zullen verbeuren eene boete van vijftig Rijksd: ten profijte van de Compagnie, behalven de verdere Correctie, welke zij naar maate der omstandigheeden zeri„ den mogen hebben gemeriteert wijders opgemerkt hebbende hoe bij sComp=s scheepen in de Tafelbaaij ten anker leggende ten gebruijk was om aan de wal tenten op te slaan, tot berging van het volk dat tot reparatie van het vaat werk naar de wal wierd gezonden, bekend onder de naam van kuijperstenten en dat daar door tot verregaande ongereegeld heeden en morserijen aan„ leijding wierd gegeeven, hebben wij dit misbruijk af„ geschaft, en de ministers aangeschreeven om voortaan de waater vaten aan boord der scheepen selve of in de Kuijpers winkel te doen repareeren, en dat in het laatste geval de kuijpers der zig, alhier be„ vindende s'Comp„s scheepen, zonder onderscheijd, tot ad„ sistentie na de kuijpers winkel moeten worden ge„ emploijeerd, onder het genot der provisien van boord„ zo als dat bevoorens plaats had wanneer zij in de kuijpers tenten hunnen dienst presteerden: De Ministers aan ons favorabel hebbende voor= gedragen het versoek aan haar gedaan door den weesmeester Anthonij Berrange om voorschry „vens, ten einde op zijn oudste zoon Ian Christoffel Berrange Predikant te spankeren in Gelderland, gunstige reflectie mogt worden geslagen tot vervul„ ling der alhier vacante leeraars plaats, zo hebben wij niet willen weigeren uit hoofde der goede repulatie waar van de suppliant in deese Colonie soucisseert dessel„ Scheepen requeste

NL-HaNA_1.04.02_4361_0346 view scan ↗

English

See Annex No 407. See Annex No 409 to transmit requests, as we have the honor to do herewith, with the request that these may meet with favorable consideration at a suitable opportunity. In the first part of our report sent earlier, we reported having requested the views of Landdrost Bletterman on drafting new instructions, both for the Landdrost separately and for the Landdrost and Heemraden of the District of Stellenbosch and Drakenstein jointly. These have since been received by us, and after taking the advice of the ministers thereon, we have enacted both instructions, as we have the honor to submit them herewith. And since it appeared to us on this occasion to be useful and necessary that a permanent placcaat be issued against the irregularities and excesses occurring upon the stranding or shipwreck of vessels, instead of the continual renewals of previous placcaats, which used to take place upon each such occurrence and often when it was too late, and that some new precautions should also be taken at the same time, we have enacted such a placcaat on 20 June 1793. And we ordered the ministers to send a copy thereof in writing as soon as possible to each of the respective Landdrosts, in order to have a sufficient number of copies produced, authenticated by the Secretaries in the outer districts, and delivered to each of the Field Sergeants or Field Corporals residing closest to the sea coasts, as well as to ensure that they are always provided with them in the future, in order to be able to make the necessary use thereof at all times according to the contents of the aforesaid placcaat. On this same occasion, we also have the pleasure to inform Your Honorable Excellencies that according to a specific statement delivered to us today by the Burgher Councillor H. I. de Wet, as Member of the Commissioners of the Council of Justice charged by that College with the administration of corn, the wastage over a quantity of 1246 mudden managed by a steward's mate of the Company amounted to only 1¼ mud, and that on a quantity of 11635½ mudden managed by the stewards of the aforesaid Commissioners, an excess was found of the quantity of 105¼ mudden, thus making a difference of scarcely one percent over the entire quantity, whereby the information we had received on that matter is thus completely confirmed, and a well-founded expectation arises See the proceedings on the abolition of the administration of the Dispense. See Annex No 265 that this wastage during the upcoming inventory of the Company's grain warehouses, of which we have made mention in its proper place, will turn out to be considerably more advantageous than the administrator and the ministers had imagined. This will also entirely eliminate the slight loss that the Company would otherwise have incurred through the arrangements made concerning the price of wheat and the accumulation of a year's supply of provisions, discussed at length in the first part of our report. Regarding some points of minor importance which were still unsettled upon our arrival here and are not specifically dealt with in this report, may we be permitted to refer to the decisions taken thereon, which appear in our letter to the ministers of 10 May 1793. A matter which in the last place demands our most serious consideration before we leave this Colony, and which must be regarded by us as of the utmost importance, is whether we can cherish a well-founded expectation of the body of government as it is currently constituted, that all the orders given and reforms made by us will be fully carried out, and that they will be adhered to with the requisite care and diligence, or in other words, that the administration of the interests, both of the Colony and the inhabitants, will be properly exercised. It appeared to us in this regard, in the first place, that the number of members of the Council of Policy was insufficient to perform all the duties of governance with the requisite order and accuracy, especially since an entirely different level of activity will be required for this than has taken place until now, for which we are currently busy drafting the necessary regulations. For that reason, we have appointed as an effective Member of the said Council the Resident in False Bay, Christoffel Brand, at a salary of two thousand Rixdollars a year, with the condition that he shall be obliged to continue to occupy his post as Resident in False Bay during the winter months, until such time as his adjunct, Johannes Henricus Brand, shall have acquired the necessary experience to succeed him immediately as Postholder in accordance with the provisions made by us in our letter of 22 February, unless, however, matters of the utmost urgency should require the presence of all the Council members, in which case the aforementioned Resident shall be obliged, also during the

Dutch transcription

357 Zee Bijlage N„o 407. Zun sgl: No 409 Requeste over te zenden, gelijk wij de eer hebben te doe„ 1 Zie Bijlage N„o 404 bij deesen, ' met verzoek dat deselve bij bekwame gelee „genheid in gunstige aanmerking mooge koomen. — Bij het eerst verzonden eerste gedeelte dan ons ver slag meldden wij, de Consideratien van den Landdrou Bletterman gevordert te hebben op het formeeren van nieuwe Instructien zoo door den Land drost afzonder. „lijk, als voor Landdrost en soleem raaden van het District van Stellenbosch en Drakenstein gezamentlijk; dezelve zijn zeedert bij ons ingekomen, en daar op te hebben ingenoomen het advis der ministers, hebben wij die beide Instructien gearresteerd, zodanig als wij de eer t Zee Brijlage A„o 405, n 4066. hebben deselve hier neevens over te leggen, t en nadien het ons bij deese geleegenheid is voorgekomen nuttig en noodzakelijk te zijn dat een permanent Plac= caat werde geemaneert teegens de ongereegeld heeden en excessem bij het stranden of verongelukken van scheepen, in steede van de geduurige renovatien van voorige Placaaten, die bij elk zodanig voorval, en dikwrls als het te laat was, pleegen te geschieden, en dat daar bij teevens nog eenige nieuwe voorzorgen werden genoomen, zo hebben zoodanig Plac= caat op den 20 Junij 1793: — gearresteerd t zie Bijlage N„o 408 en de ministers gelast t daar van ten spoedigsten aan elk der resp=e Landvosten een geschrifte te doen toekomen, Een einde daar van een genoegsaam getal Copien, door de Secretarissen in de buiten Districten geauthentiveerd, te doen vervaardigen, en aan elk der Veldwagtmeesters of veld Cor„ poraals die het naast bij de zeestranden woonen ter hand te stellen, mitsgs te zorgen, dat dezelve daar van by Vervolg altyd zyn voorzien, ten einde daar van volgens den in„ houd van voorsche: Placaate ten allen tyde het nodige ge„ bruyk te kunnen maaken. Wy kunnen ook by deeze zelvde geleegenheid nog het ge„ noegen hebben UWel Edele Hoog Achtbaare te informeeren dat volgens eene specificque opgave heeden aan ons ter hand gesteld door den Burgerraad H: I: de Wett, als Lid van Commissarissen van den Raade van Justitie door dat Collegie belast zynde geweest met de administratie van zet„ Koorn, de spillagie over een hoereelheid van 1246 mudden door een botseliersmaat van de Comp=e beheert geweest slegts bedragen heeft 1¼4 mad ^ en dat op eene hoeveel heid van 11635½ mudden door de botteliers van Commis„ sarissen voorn:t beheerd geweest, is overgevonden de quanti„ heit van 105¼ mudden, makende dus een pC schaars over de geheele quantiteit, waar door de informatien welke wy op dat stuk bekomen hadden dus volkomen bevestigd zyn, en eene welgegronde verwagting ten ontstaat . 359 zee het verhandelde over de afschaffing der administratie van de Dispena. Zen zyl: N: 265 ontstaat, dat die spellagie by den aanstaanden opneem der graan magazynen van de Compagnie, waar van wy ter zyner plaatse gewag hebben gemaakt, vrij wat voordeeliger zal uyt„ vallen dan de administrateur en de Ministers zig hadden voorgesteld. Ook zal hier door geheel vervallen het gering verlies het welk de Maatschappy anderzints nog zoude ondergaan, hebben door de gemaakte schikkingen omtrend de pays van de teurwe en den opslag„ van voorraad voor een rondjaar, by het eerste gedeelte van om ver„ slag breedvoerig verhandelt, omtrend eenige poincten van ge„ ring aanbelang, welke by onze komst alhier nog on afgedaan waaren, en by dit verslag niet speciaal zyn verhandelt, zy hed zi yl: No. 410 ons geoorloofd ons te refereeren aan de dispositien daar omtrend genoomen, en voorkomende by ons aanschrijvens aan de Ministers van den 10 Mei 1793 Eene zaak welke in de laatste plaats onze ernstigste: over„ Weeging vordert, alvoorens wy deze Colonie verlaaten, en door ons van het uyterste aanbelang moet worden gereekend, is of ny van het lighaam der Regeering zodanig als het thans is samengesteld, eene welgegronde verwagting kunnen roeden, dat alle de door ons gegeeve beveelen en gemaakte reformes volleedig zullen worden uytgevoerd, en daar aan met de vereischte Zorgvuldigheid en hartelykheid de hand gehouden, of met andere woorden, dat het bestuur der belangen, zo van de Colonie en Ingereetenen, naarbehooren zal worden uijtgeoeffend. Het is ons daaromtrend in de eerste plaats voorgekomen dat het getal der leeden van den Politieken Raad niet voldoende was om alle de beezigheeden van het bestuur met de vereischte orde en naauwkeurigheid te kunnen verrigten, voor al na„ dien daar toe eene geheele andere werkzaamheid zal worden Vereischt dan tot nu toe heeft plaats gehad, en waarom heid wy thans bezig zyn de nodige bepalingen te beraamen, en wy hebben om die reeden tot effectief Lid van gemelden Raade Aangesteld den Revident in Baaij Fals Christoffels Brand op een tractement van Twee duyzend Ryxdaalders in 't Jaar met die bepaling dat hy gehouden zal zyn geduurende de wintermaanden zyne Post als Resident in de Baay Fals te blyven waarneemen, tot tyd en wylen desselfs adjunct Iohannes Henricus Brand, de nodige ondervinding zal hebben verkreegen, om, ingevolge de door ons by aanscher _„ 250. vens van den 22 february gemaakte bepalingen, dadelyk als Posthouder aan hem te succedeeren, ten waare egter zaake van de uiterste aangeleegenheid het aan„ weesen van alle de Raadsleeden mogten vorderen, in welken gevalle voornd. Resident gehouden zal zyn ook geduurende hart de 0

NL-HaNA_1.04.02_4361_0348 view scan ↗

English

to be present during the winter months in such meetings to which he shall have been expressly convened. The aforementioned Resident Brand having, with our approval, renounced the rank which, according to the resolution of the meeting of 17:mn, would now belong to him above Council Member van Rheede van Oudshoorn. For that same reason we have understood that of the Secretary of Policy Bergh, dismissed at his own request (to whom the first sworn Clerk Joek has succeeded in that capacity), as someone of great diligence and experience in the Company's affairs, useful employment could be made for the relief of the duties of the Council Members, and therefore determined that the said former Secretary Bergh shall continue to attend the deliberations of the Council of Policy, and that his advice on upcoming matters shall be requested just like that of the Council Members, yet without the same being included in the drafting of the conclusions and voting count; that furthermore he, Bergh, just as the Council Members, may be employed on all committees from the Council of Policy, and enjoy the rank of Senior Merchant following the junior Council Member, provided that the same honors be shown to him as to a Member of Policy. For this we have allocated to the aforementioned Bergh an annual salary of Two thousand Rixdollars from the treasury of the Company and further appointed him as cashier, after having previously, in consequence of the reservation contained in our missive see Appendix No 358 of 28 February, dismissed the Council Member de Wett from that post. We must not, however, imagine that the measures taken thus far will be sufficient to enable us to leave this Colony with the necessary peace of mind regarding its administration, and we cannot conceal that the pains which we have unceasingly taken to restore harmony and good understanding among the Members of the Council at least so far that they, setting aside all private animosity, would unanimously join hands in the management of the Company's affairs, has not had the outcome which we might have expected from it, and that the administration exercised by the Commander and Councilors also leaves much to be desired as regards efficiency. We may well entertain the well-founded hope that all this will settle into the required order when a capable Chief Ruler shall again be present here, vested with such extensive power and authority as was, and still is, considered by us in the previous part of this report to be in the highest degree necessary; but as it is probable that some considerable time will yet elapse before this matter is fully settled, it appears necessary to us to take precautions that affairs do not in the meantime return to the previous confusion and inactivity. This then will be the weighty, and also as we trust and heartily wish, the last subject of our proceedings in this Colony, and we hope shortly to be able to report the outcome thereof, and at the same time our departure from here. We would have had to expand this report of our proceedings, which we have now brought to a close, considerably further had we wished to enter into the details of the numerous matters concerning the daily management and direction here with which we have had to occupy ourselves, of hundreds of requests made to us by private individuals, and the decisions which we have taken upon them. The efforts which we have unceasingly made to promote the dispatch of passing ships, the sending of seafaring men to India on all possible occasions, the salvage of damaged cargoes to the greatest profit of our Company, would alone occupy a considerable section therein; but in order to save precious time and also not to detain the attention of Your Noble Right Honorables with needless matters, we believed we might and ought to confine ourselves to such of our proceedings as related to the principal objects of our Commission. We shall consider ourselves fortunate, and that part of our difficult labor fully rewarded, if, besides the conviction which we, thank God, may carry away from here of having faithfully fulfilled our duty thus far according to the abilities that have fallen to our share, we may taste the pleasure of seeing the purity of the intentions that have guided us, and the zeal that has accompanied our activities, not unrecognized by our high Principals; we feel, moreover, too well how weak those abilities will always be when weighed against the immense task imposed upon us, not to be convinced that the imperfection of our proceedings will always require as much forbearance and indulgence as

Dutch transcription

361 iidem t ib idem tibidam de wintermaanden zig present te bevinden in zodanige Verga deringen waar toe hy expresselyk zal zyn geconvoceert. Hebbende gem e Rlesident Brand met onre agreatie afstand Gedaan van den rang, welke hem ingevolge de dispositie der ver„ gadering van 17:mn thans boven het Raadslid van Rheede van Oudshoorn zoude Competeeren. Om die zelfde reeden hebben wy begreepen dat van den op desselfs verzoek ontslagen Secretaris van Politie Bergh (aan„ wien de eerst gezwoore Clercq Joek in die qualiteit is opgevolgd/ als iemand van veel applicatie en ondervinding in s'Comps zaaken, tot verligting der beerigheeden van de Raadsleeden, een nuttig gebruyk zoude kunnen worden gemaakt en dier„ halven bepaald dat gem e. Oux Secretaris Bergh zal blyven dasisteeren de deliberatien van den Politieken Raad, en dat desselfs advies op de voorkomende zaaken, eeven als dat der Raadsleeden zal worden gevraagd, dog zonder dat het zelve by het opmaken der Conclusien en Computatie zal worden gebragt; dat voorts hy Bergeven als de Raadts- leeden tot alle Commissien uit den Politieken Raad zal kun„ nen worden geemployeerd, en genieten den rang van Opper koopman volgende op het Iongste Raadslit, mitsg=s deselfde honneurs als als een Lit van Politie worde beweezen. Wy hebben daar voor aan voorn:e Bergh toegelagt een Jaar lyksch tractement van Twee duyzen d Ryxdaalden uit de Kas der Comp„e en hem wyders aangesteld tot kassier, na al„ vorens, ten gevolge van de reverve vorvat by ons aanschryven dzee Byl: N:o 358. Van den 28 februaryj het Raadslit de Wett van dien post te hebben ontslagen. Wy mogen ons egter niet voorstellen dat de tot des verte genome maatragelen voldoende zullen zyn, om oms met de nodige gerustheid op het bestuur deezer Colonie, dezelve te kunnen doen verlaaten, en kunnen niet verbergen, dat de moeyte welke wy ons on op houdelyk gegeeven hebben om de eondragt en goede verstandhouding tusschen de Leeden van den Raad ten minsten in zo verre te herstellen, dat zy, met aflegging van alle partikuliere Animositeet en in de behandeling van s' Comp:s zaken eonparig de hand in een zoude slaan, den uytslag niet gehad heeft welke wy daar van hadden mogen verwagten, en dat ook het bestuur dat door Gezaghebber en Raaden word uytgeoeffend ons, wat aangaat de detiriteit, nog veel te verlangen overlaat Wy mogen wel de gegronde hoop voeden dat dit alles zig in de vereischte gedaan te zal schikken, wan„ neer zig hier wederom zal bevinden een bekwaam Wy Hoofd 363 Hoofdgebieder voorzien van zodanig eene uitgestrekte magt en authoriteit als door ons by het vorige gedeelte van dit verslag ten hoogsten noodzakelyk is, en nog, word beschouwd, maar dewyl het waarschynelyk is dat het nog een geruymen tyd zal aanloopen eer deeze zaak haar vol„ komen beslag heeft; komt het ons noodzakelyk voor prae„ cautien te neemen dat de zaaken immiddels niet tot de vorige Confusie en werkeloosheid weeder keeren. Dit zal dan het gewigtig en ook zo my vertrouwen en har„ telyk wensschen, het laaste onderwerp zyn onzer verrigtingen in deeze Colonie, en wy hoopen binnen korke den uytslag daar van, en teevens ons vertrek van hien te kunnen melden Wy zouden dit verslag onzen verrigtingen het welk mijthans hebben ten einde gebragt, nog aanmerkelyk hebben moeten uytbreiden, zo wy hadden willen treeden in de details van meenig vuldige zaaken, de dagelyksche huyshouding en de„ kectie alhier betreffende, met welke wy ons hebben moeten bezig houden, van honderden verzoeken door partikulieren aan ons gedaan, en de dispositien welke my daer op hebben ge„ nomen. De pogingen welke wy ons onophoudelyk hebben gegee„ ven tot bevordering der expeditie van de passeerende Schee„ pen, de verzonding van zeevaarende manschappen naar Jndie by alle mogelyke geleegen heeden, het beredderen den beschadigde ladingen tot het meeste profyt van de Com„te pagnie onze zouden daar in alleen een aanmerkelyk vak beslaan, maar ny hebben tot besparing van den Kostelyken tyd en om ook den aandagt van Uwel Edele Hoog Agtbaere met geene noodeloose zaaken op te houden, gemeend ons te mogen en te moeten bepaalen tot de zodanige van Onze verrigtingen, welke tot de voornaame oogmerken onzer Commissie betrekking hadden. Wy zullen ons gelukkig agter, en dat gedeete van onzen moeyelyken arbeid volkoomen belonde reekenen; zo wy by de overtuyging welke my Gode zy dank, van hier mogen weg„ dragen, van naar mate der vermogens welke ons zyn te beurt gevallen, onzen pligt tot dus vergetrouwelyk te hebben vol„ bragt, het genoegen mogen smaaken van de zuyverheid der bedoelingen welke ons hebben bestuurd, en den Yver die onze werkzaamheeden heeft vergezeld, door onze hoge Committenten niet mirkend te zien; Wy gevoelen overegeen te zeer hoezwak die vermogens altyd zullen zyn, wan„ neer zy teegens den onmeetelyken zaak ons opgelegd zouden moeten worden opgewoogen, om niet overtuygd te zyn dat het gebrekkige onzer verrigtingen altyd zo veel inschikkelykheid en verschoning zal behoeven, naar als

NL-HaNA_1.04.02_4361_0350 view scan ↗

English

365 413 In the Castle of Good Hope as we respectfully trust that our principles and our zeal may make some claim upon the high approval of Your Right Honourable Noblenesses. With regret we have seen time speed past with such rapid strides, of such inestimable value not only for our proceedings but also for our prospects, if it please Heaven to spare us in life, and repeatedly disappoint the calculations we made regarding our forthcoming departure; but we trust nevertheless to be allowed to hold ourselves fully convinced that, when Your Right Honourable Noblenesses shall have taken cognizance of our proceedings, our stay of fourteen months in this Colony will require no further defense. Meanwhile, as soon as we foresaw this, we have not failed to contribute everything within our power to advance the intended ends by appointing a Commission in the Indies, and have to that end already communicated, on the 24th of July 1793, to the Gentlemen our fellow Commissioners at Batavia, via the ship Dordrecht which continued its voyage thither on the 20th of July 1792, the means devised by the Assembly of the Seventeen for the restoration of affairs in the Indies, by openly sending them the documents wherein the same are contained and mentioned at the 13th Article of our Instruction, only with some slight alterations which have no influence on the matters treated therein, and which were judged necessary by us for the greatest advancement of the usefulness of the Commission; and we may flatter ourselves that this has already been of not indifferent effect in the Indies for the Company's interests. We beseech Heaven's best blessings upon the important deliberations of Your Right Honourable Noblenesses and the interests of the Company, and have the honour to be with the greatest respect, The Commissioners-General over all the Netherlands Indies, Your Right Honourable Noblenesses' obedient servants Right Honourable Noble Sirs. This matter has since been carried into effect by us and pursuant to what we in this regard In the above-mentioned part of our report, we made mention of new arrangements which we had in view regarding the vendue mastership of this Colony, and whereby an important annual benefit calculated by us at a sum of ƒ 40000 —„—„ would be brought to the Company. On the 24th of the past month of July, we had the honour to address to Your Right Honourable Noblenesses the last part of the report of our proceedings in this Colony. Since then, some matters having occurred which we find ourselves obliged to bring to the knowledge of Your Right Honourable Noblenesses before our imminent departure for Batavia, we let this serve to that end. Sirs. pursuant to what we had reserved when granting the discharge of the Secretary of Policy Bergh, we have, as of the end of August of this year, also relieved the said Bergh of the vendue mastership, and appointed as vendue master over the District of the Cape the Head and Examiner of Pay Books, as well as Member of the Court of Justice, Clement Matthiessen Junior; as well as determined that the vendue mastership in the Outer Districts should henceforth be held and administered by the respective Landdrosts there, all on the footing according to the arrangements contained in the Regulations and Instructions framed and established by us in that regard, which we have the honour to enclose herewith, and with the necessary authorization to the respective Colleges of Heemraden of the outer districts to pronounce judicial sentence by summary execution, under certain provisions, in the case of vendue moneys. We hold ourselves assured on good grounds that on this footing the intended benefit will be brought to the Company, and that nevertheless a net income of approximately Rds. 3000 -„- can remain for the Vendue Master over the Cape District, and a benefit of approximately Rds. 60-- per month for the Landdrosts for the administration of that office each in his District; whereby therefore a fair regard has also been paid to the numerous requests of these latter for an improvement of livelihood, the percentages which they will have to pay out to the Company being regulated in proportion to the difficulty of collecting the vendue moneys and the greater risk arising therefrom, which collection in the district of Stellenbosch and Drakenstein, by reason of its situation and extent, proves to be much more arduous than in those of Swellendam and Graaff-Reinet. Since the Secretary of Policy will now, through this arrangement, lack the means of livelihood that had hitherto been attached to that post on account of the combination with the vendue mastership, and it nevertheless appeared equitable to us that those arduous and weighty functions should be properly salaried, we have

Dutch transcription

365 413 In 't Kasteel de Hoe de Hoop de Handteer uitgesnoen 4 zen yl: N:o 401. als wy eerbiedig vertrouwen dat onze beginselen en onsen Yver op de hoge goedkeuringe van Uwel Edele Hoog Agt= baare eenige aanspraak mogen maaken. Met leedweesen hebben wy den tyd niet alleen voor onze t zees tyt. N o 412 verrigtingen maar ook voor onze vooruitzigten, zo het den Hemel behaagd ons in 't lieven te spaaren van eene zo on„ schatbaare waarde met zulke rasse schreeden zien voorbij snellen en de bereekeningen welke my op ons aanstaande Vertrek maakten telkens te lever stellen, maar my ver„ trouwen niet te min ons volkomen te mogen overtuygd houden, dat wanneer uwel Edele Hoog Agtbaare kan„ nisse zullen genomen hebben van onze verrigtingen, ons verblyf van veertien maanden in deeze Colonie geene verdere Verdeediging zal behoeven. Intusschen zyn wy niet in gebreeken gebleeven om zo ras my zulks voorzagen, alles wat in ons vermo„ gen was toe te brengen, om de bedoelde eindens door het benoemen eener Commissie in Iondie te bevorderen, en hebben ten dien einde aan de Heeren onze meede den 24 en July 1793. Commissarissen op Batavian reeds met het schip Dortngh dat den 20 July 1792 zyne reyze naar derwaards heeft vervorderd meede gedeeld de middelen door de vergadering van 17=me tot herstel der zaaken De Commissarissen Generaal over geheel Nederlandsch Indie te som van ƒ 40000 —„–„ zoude worden ik is zedert door ons tot effect gebragt ge van het geen wij ons des aangaande UWel Edele Hoog Agtbaare gehoorzaame Dienaaren Wel Edele Hoog Agtbaare Heeren. in Indien beraamd door hum opelyk te zinden de stukken maarby derelove zyn Vervat en Vermeld bij het 13 Act:s onzer Ionstructie, alleenlyk met eenige geringe Veranderingen welke van geene invloed zyn op de daar by verhandelde zaaken, en door ons tot meeste bevordering van het nut der Commisie nood zakelyk zyn geoordeeld; en my mogen ons Vlyen dat zulks reeds in Indie van eene voors Comp.:s belangen niet on„ verschillige uytwerking is geweest. Wy Smeeken s' Hemels beste zeegeningen afoven de gewigtige baad„ slaagen van uw Wel Edele Hoog Agtbaare en de belangen der Com„ pagnie, en hebben de een met den meesten eerbied te zyn. in gevonden 0 WelEdele Hoog Agtbaare 4 zen Vyl: N:o 411. Commissarissen op Batavia dat den 20 July 1792 zyne re„ heeft vervorderd meede gedee Vergadering van 17m tot Deeze zaak is zedert door ons tot effect gebragt en ingevolge van het geen wij ons des aangaande Bij het evengemelde gedeelte van ons verslag maak ten wij melding van nieuwe schikkingen welke wij op het oog hadden omtrend het vendumeesterschap deezer Colonie, en waar door aan de Compagnie een important jaarlijksch voordeel door ons beree„ kend op eene som van ƒ 40000 —„—„ zoude worden toegebragd. Den 24=e der voorleede maand Julij hadden wij de eer aan uwelEdele Hoog Agtbaare te rigten het laatste gedeelte van het verslag onzer verrigtin¬ gen in deeze Colonie sederd nog eenige zaaken zynde voorgevallen, welke wij ons verpligt vinden voor ons op handen zijnde vertrek naar Batavia ter kennisse van uwelEdele Hoog Agtbaare te brengen, laten wij deese daar toe dienen. Heeren. to Ozie bylage N:o 1. 3. 4. en 5. #zie bylage No. 1. bij het verleenen van ontslag van den Secretaris van Politie Bergh hadden gereserveerd, gemelden Bergh met ultimo Augustus deezes jaars ook van het vendumeesterschap ontlast, en tot vendumees¬ ter over het District van de Kaab aangesteld het Hoofd en visitateur der Soldijen, mitsgaders lit van den Raad van Justitie Clement Matthiessen Junior, mitsgaders bepaald dat het vendumeesterschap in de Buyten districten voortaan zoude werden bekleed en waargenomen door Landdrosten aldaar respectivelijk, alles op den voeten volgens de schikkingen vervat bij de Reglementen en Instinetien door ons ten dien opzigte beraamd en gearresteerd, welke tzie Bylage N:o 2 wij de eer hebben hier nevens over te leggen, en met de nodige authorisatie op de respective Col„ legien van Heemraden der buijten districten om, onder zekere bepalingen in oas van vendu„ penningen regterlyke iitspraak te doen bij pa¬ rate executie. Wy houden ons op goede gronden verzekerd dat op deezen voet aan de Compagnie het bedoelde voordeel zal werden aangebragd, en dat evenwel aan den Vendumeester over het Kaabsche District een zuijver inkomen van circa Rds. 3000 -„- en aan de Landdrosten voor de waarneeming van die bediening elk in zijn Di„ strict een voordeel van circa Rds. 60-- ter maand overblyven zal kunnen beloopen, waar door dierhalven teevens op de menigvuldige instantien van decze laatsten om verbetering van bestaan een billijk reguard is geslagen, zynde de pro cento's, welke zij aan de Compagnie zullen moeten uijt„ keeren gereguleerd naar eevenreedigheid van de moeyelykheid der invordering der vendupen„ ningen, en daar uit ontspruitende meerdere risico, welke invordering in het district van Stellenbosch en Drakenstein, uit hoofde van desselvs situatie en uitgestrektheid veel be¬ zwaarlijker dan in die van swellendam, en Graaffe Reijnet, vald. Daar nu de secretaris van Politie door deeze inrigting sal missen het middel van bestaan dat uit hoofde van de samenvoeging van het ven dumeesterschap tot dus verre aan die post was gehegt geweest, en het ons nogtans billijk voorkwam dat die moeyelijke en gewigtige be„ dieningen naar behooren wierd gesalarieerd, Kaabsche hebben

NL-HaNA_1.04.02_4361_0353 view scan ↗

English

see Annex No. 6 annex No. 7 we have determined once and for all the salary of Rds 4000-„- upon which the present Secretary George Fredrik Goetz has been appointed by us. The ministers having proposed to us to retain the cooperage upon the forthcoming abolition of the administration of the Cellar, we have, in consideration of the necessity thereof, granted authorization thereto, and for its establishment determined one master cooper, nine coopers, and seven slave boys, for the performance of everything that relates to that shop, and is detailed at large in a report submitted regarding this by the Cellar Master Le Sueur. We have furthermore, upon their proposal, authorized the Ministers to appoint as inspector or tester of the wines and brandies, which shall henceforth be delivered to the Company, as well as supervisor over the cooperage and what belongs thereto, the first assistant in the wine cellar Ernst Frederik Schrader, initially retaining his present rank, salary, and emoluments, but to which we have subsequently added a bonus of Rds 25 - per month, as it appeared to us that he could not subsist on his aforementioned salary and emoluments, and an extra salary had always been paid to the First assistant by the Cellar Master out of his considerable profits, which however was now also about to cease with the termination of that administration. And now, for the storage of the necessities for the daily work, as well as the empty leagers and other casks being discharged from the ships, the Wine Warehouse situated closest to the Sea beach, together with an open ground situated adjacent to it, shall be used. Also, in order to prevent the Company from ever being placed in embarrassment in any possible events, we have authorized the Ministers, upon the cessation of the administration of the Cellar, to retain for the Company such casks as were not initially suited for the shipment of wines, namely the storage vats, and such leagers as are expressly constructed for the aging of wines, and in that regard to make arrangements as advantageous as possible with the contractor of the supply, for which we do think there will be opportunity. The Master of Equipage of this Government J. A. Voltelen has represented to us that his lawful salary and emoluments were not sufficient for his proper subsistence, and requested our favorable reflection in that regard on his behalf. Having investigated what his revenues consisted of, we found that the Master of Equipage here monthly receives, in salary f 30—: — or . . . - - - Rds 33 „ 2 „ 4 board money . . - - - - - - - - - „ 7 „ 7 „ 2 Emoluments - - - - - - „ 3 „ 6 „ — or together Rds 45 — „ — to which may well be added the so-called boat money that is earned by the Company's vessels when foreigners make use of them, and from which the Master of Equipage also has his profits, but that this nevertheless was of little importance, especially in present times, as Foreigners call at the Cape so sparsely, so that this emolument has already for three years yielded little or nothing. As no one can be more convinced than we of the necessity not to burden the Company with any extraordinary expenses, we necessarily had to find much difficulty in granting the Master of Equipage an increase in salary, which, to place his subsistence on a proper footing, would have had to be quite considerable, yet nonetheless no less impressed by the truth that, if the Company is to be served well and faithfully, Her Servants ought to be able to subsist in such a manner that they need not have recourse to any illicit means, and therefore judged that the subsistence of the Master of Equipage in this Government absolutely demanded our provision.

Dutch transcription

1 zie Bijl. N. 6 bylage No. 7 hebben wij daar toe eens en voor al bepaald het tractement van Rds 4000-„- waar op de te„ genwoordige Secretaris George Fredrik Goetz door ons is aangesteld. De ministers aan ons hebbende voorgedragens om by de aanstaande afschaffing der administra„ tie van de Kelder de Kuijpers winkel aan te houden, so hebben wij, uit aanmerking van de noodzakelykheid daar van, daar toe qualifi¬ catie verleend, en tot den omslag van dien bepaald een baas Kuijper, neegen Kuijpers, en zeven slavenjongens, ter verrigting van alles wat tot die winkel betrekking heeft, en in't breede is gedetailleerd bij een desweegens in¬ gediend berigt van den Keldermeester Le Sueur¬ Wy hebben al verder de Ministers op derzelver voordragt gequalificeerd om tot keurder of proever der wijnen en brandewijnen, die bij vervolg aan de Compagnie zullen werden geleeverd mitsgaders tot opzigter over de Kuyperswinkel en wat daar toe behoord aan te stellen den eersten suppoost in de wijn¬ kelder Ernst Frederik Schrader, eerst met behoud van desselfs tegenswoordige rang, gagie, en emolumenten, t dog waar bij wij naderhand gevoegd hebben een doueeur van Rd=s 25 - ter maand also het ons bleek dat hij van zijne voorschre. gagie en emolumen¬ ten niet konde bestaan, en altijd door den Keldermeester uijt deszelvs aanzienelijke winsten een extrasalaris aan den Eersten suppoost was afgegeeven dog het welk nu niet het cesseeren dier administratie, tevens stond op te houden. En zal nu tot berging der benodigdheeden tot het dagelijksch werk, mitsgaders de ledige leggers en ander vaatwerk van de scheepen wordende geligt, gebeezigd worden het naast aan het Zeestrand geleegen Wynpakhuis, be¬ neevens eene daar by geleege opene plaats. Ook hebben wij ter voorkoming dat de Compa„ quie by moogelyke gebeurtenissen nimmer in verleegenheid gerake, de Ministers gequa„ lificeerd om bij het cesseeren van de administra¬ tie der Kelder voor de Compagnie aan te houden als sodanig vaatwerk als niet eerst geschikt „8 „9 1 zie Bijl. N. 6 tzie bylage No. 7 hebben wij daar toe eens en voor al bepaald he tractement van Rds. 4000-„- waar op de te genwoordige Secretaris George Fredrik Goe door ons is aangesteld. De ministers aan ons hebbende voorgedragen om bij de aanstaande afschaffing der admini tie van de Kelder de Kuijpers winkel aan te houden, so hebben wij, uit aanmerking van d noodzakelykheid daar van, daar toe quae catie verleendt, en tot den omslag van dier bepaald een baas Kuijper, neegen Kuijpers, zeven slavenjongens, ter verrigting van al wat tot die winkel betrekking heeft, en in breede is gedetailleerd bij een desweegens. gediend berigt van den Keldermeester Le F. Wy hebben al verder de Ministers op derzel voordragt gequalificeerd om tot keurder op proever der wijnen en brandewijnen, die bij vervolg aan de Compagnie zullen werden geleeverd mitsgaders tot opzigter over d Kuyperswinkel en wat daar toe behoord a te stellen den eersten suppoost in de wi kelder Ernst Frederik Schrader, eerst met behoud van desselfs tegenswoordige rang, gagie, en emolumenten, t dog waar bij wij naderhand gevoegd hebben een doueeur van Rd=s 25 - ter maand also het ons bleek dat hij van zijne voorschre gagie en emolumen¬ ten niet konde bestaan, en altijd door den Keldermeester uijt deszelvs aanzienelijke winsten een extrasalaris aan den Eersten suppoost was afgegeeven dog het welk nu niet het cesseeren dier administratie, tevens stond) op te houden. En zal nu tot berging der benodigdheeden tot het dagelijksch werk, mitsgaders de ledige leggers en ander vaatwerk van de scheepen wordende geligt, gebeezigd worden het naast aan het Zeestrand geleegen Wynpakhuis, be¬ neevens eene daar by geleege opene plaats. Ook hebben wij ter voorkoming dat de Compa¬ qnie by moogelyke gebeurtenissen nimmer in verleegenheid gerake, de Ministers gequa„ lificeerd om bij het cesseeren van de administra¬ tie der Kelder voor de Compagnie aan te houden als sodanig vaatwerk als niet eerst geschikt 1 6 „8 „ „9 geschikt was tot verzending van wijnen, te wee¬ ten de stukvaten, en zodanige leggers als expres zin geconstrueert tot het opleggen van wijnen, en daaromtrent so voordeelig doenlijk schik„ kingen te maken met den aanneemer der le„ verantie, waar toe wij wel denken dat gelegen heid zal zijn. De Equipagemeester deezes Gouvernements J. A. Voltelen heeft aan ons vertoond dat desselvs ga¬ wettige geen en Emolumenten niet toereikende waren tot desselvs behoorlijk bestaan, en onze gunstige reflexie daar omtrend ten zijnen behoeven verzogd. Nagegaan hebbende waar in desselvs inkomsten bestenden, hebben wij bevonden dat de Equipa„ giemeester alhier maandelijksch geniet, aan gagie ƒ 30—: — of. . . - - - Rd=s 33 „ 2 „ 4 kostgeld . . - - - - - - - - - „. 7 „ 7„ 2. Emolumenten - - - - - - „ 3„ 6„— of te samen Rd=s 45 — „ — waar by nog wel gevoegd kan werden het zo ge¬ naamde bootsgeld dat doors Compagnies vaar¬ tuijgen word verdiend, wanneer vreemdelingen van dezelve gebruijk maaken, en waar van de Equipagemeester ook zyne voordeelen heeft, dog dat zulks evenwel van weinig belang was, „vooral in de tegenswoordige tijden, daar de Vreemdelingen so spaarzaam de Kaab aan„ doen, so dat dit emolument reeds zedert drie jaaren weinig of niets heeft opgebragt. Daar niemand meer doordrongen kan zijn dan wij van de noodzakelykheid om de Compa„ gnie met geene buijtengewoone uijtgaven te bezwaaren, hebben wij er noodwendig veel zwarigheid in moeten vinden om aan den Equipagiemeester eene vermeerdering van trae„ tement, die, zoude zyn bestaan op een behoor„ lyke voet brengen, al vrij aanzienelijk zoude hebben moeten zijn, toe te leggen, dog egter niet minder gepenetreerd de waarheid, dat, zal de Compagnie wel en getrouw gediend wor¬ den, Haare Dienaaren sodanig behooren te kunnen bestaan, dat zij tot geene ongeoor¬ loofde middelen toevlugt behoeven te neemen, en dierhalven geoordeeld dat het bestaan van den Equipagiemeester in dit Gouverne„ ment, onze voorziening volstrekt vorderde. de Om. 7

NL-HaNA_1.04.02_4361_0356 view scan ↗

English

Therefore, in order to observe the Company's interest in this matter in every respect as much as possible, we have been able to find no more suitable means than to permit the Master of the Equipage to sell equipage goods to foreigners. It is true that this is contrary to the existing order, according to which the Masters of the Equipage throughout the whole of the Indies are prohibited from trading in equipage goods, and that, when by the 34th Article of the Instruction of the Master of the Equipage of this Government, enacted on 19 July 1786, a similar permission was granted, the assembly of the Seventeen was by no means satisfied with it; but when we examined the reasons for this prohibition, we found that they could equally well, indeed perhaps with more effect, be achieved by permitting the Master of the Equipage to trade in equipage goods with foreigners, provided it is subject to sufficient regulations to prevent all abuses, rather than by the absolute prohibition against engaging in any trade whatsoever in equipage goods. Indeed, assuming that the intention was to prevent all collusion with ship officers and other abuses that have occurred all too often, whereby the Company's equipage goods have served as a fund for the private trade of the Master of the Equipage, so that, being unable to purchase or sell such goods, he would be deterred from that illicit trade, everyone must nevertheless acknowledge that this precaution becomes entirely illusory when that trade (and of this there are also examples) is conducted in the name of others; and one easily comprehends that, in order to prevent this, no means can be devised with respect to someone whom one thinks must be prevented from embezzling the Company's goods by a positive prohibition of all trade in them. Furthermore, when the Master of the Equipage is permitted, under proper regulations, to conduct a lawful trade in equipage goods, there arises an advantage for the Company which has appeared to us to deserve full attention, especially in present times when requisitions are so defectively fulfilled, namely that on occurring occasions it can be supplied with what is lacking at reasonable prices (to which the Master of the Equipage can be obliged in such a case), a matter of all the greater importance in this country because one finds no private individuals who apply themselves to a trade accompanied by so much encumbrance; as, for example, after the severe storm of 19 and 20 May last, and after the ships were again supplied with ropes, no more than one rope remained in stock with the Company, while from private individuals, outside the stock of the Master of the Equipage Cornelissen, none at all could have been obtained. Finally, this was also the only means to provide the Master of the Equipage with an improvement in livelihood without burdening the Company's finances, which was absolutely necessary if the Company wished to be well served in that important post henceforth; and we have therefore, for all these reasons, thought fit to reintroduce the permission contained in the 34th Article of the aforementioned Instruction, on such a footing and under such regulations as are contained in an alteration and amplification made by us to the said Instruction, which we have the honor to submit herewith, and to refer to the contents thereof in the confidence that your Right Excellencies will find that all possible and sufficient precautions have been taken against the abuse that might otherwise have arisen from the aforementioned permission, if necessity should unexpectedly have required it.

Dutch transcription

Om dierhalven het belang van de Compagnie in deezen in allen opzigte zo veel mogelijk te betragten, hebben wij geen geschikter middel kunnen vinden dan aan den Equipagiemeester toe te staan om equipagie goederen aan Vreem¬ den te mogen verkopen. Welis waar dat zulks strydig is met de plaats hebbende ordre, volgens welke aan de Equipa¬ giemeesters door geheel Indie de handel in Equi¬ pagiegoederen verboden is, en dat, wanneer bij het 34e. Artikel van de Instinetie van den Equipagiemeester deezes Gouvernements ge¬ arresteerd den 19 Julij 1786, eene soortgelijke vergunning was geschied, de vergadering van xvij=ne daar meede in geenen deele heeft genoegen genomen, maar wanneer wij hebben nagegaan de redenen van dit verbod, hebben wij bevonden dat dezelve even zeer, ja mis„ schien met meer effect konden worden be„ reikt door aan den Equipagiemeester den handel in equipagie goederen met Vreemden toe te staan, mits onder genoegzaame bepa¬ lingen om alle misbruijken voor te komen, dan door het onbepaalde verbod van geen handel hoegenaamd in Equipagie goederen te mogen drijven. Immers onderstellende dat men daar meede op het oog heeft gehad te weeren alle collusie met de scheeps overheeden en andere misbruij¬ ken die maar al te dikwils hebben plaats gehad, en waar door de equipagie goederen van de Compagnie hebben gestrekt tot een fonds voor de partikuliere negotie van den Equipa„ giemeester, ten einde deeze, sodanige goederen niet mogende inkopen nog verkopen, daar door van dien morshandel zoude werden te rug gehouden, zo zal een iegelijk dog moeten erkennen dat deeze precautie geheel elusoir word, wanneer dien handel / en hier van zijn ook voorbeelden / gedreeven werd op den naam van anderen, en men bevroed ligtelijk, dat om dit voor te komen geene middelen uijt te denken zijn ten opzigte van iemand dewelken men meend het ontvreemden der goederen van de Compagnie door een positif verbod van allen handel in dezelve te moe¬ ten beletten. dan Daar „1 Daar en boven wanneer de Equipagiemeester vrijheid heeft om onder behoorlijke bepalingen eenen geoorloofden handel in Equipagie goede ren te mogen drijven, spruit daar uit een voor= deel voor de Compagnie het welk Ons is voor„ gekomen, vooral in de tegenswoordige tijden waar in de eysschen so gebrekkig worden vol„ daan, alle attentie te verdienen, dat zij na¬ mentlijk by voorkomende gelegenheeden, tot reedelyke prijzen (waar toe de Equipagiemees„ ter in sodanig geval kan worden verpligt/ van het ontbreekende kan worden voorzien, eene zaak van des te meer aangeleegenheid in dit Land, om dat men geen particulieren vind die zig op een handel met zo veel omslag verzeld toeleggen, gelyk zig by voorbeeld na het heevige stonmweder van den 19 en 20e Mei Jongstleeden, en na dat de Scheepen weeder van touwen waaren voorzien, zig niet meer dan een touw in voorraad bevond bij de Compa¬ gnie, terwijl by partikulieren buijten de voor„ raad van den Equipagiemeester Cornelissen, er in 't geheel geen te bekomen zoude zijn Eindelijk was dit ook het eenige middel om buijten bezwaar van s' Compagnies Finan„ tien aan den Equipagiemeester eene verbe„ tering van bestaan te verzorgen, welke vol„ strekt noodzakelijk was, wilde de Compagnie in die aangeleege post voortaan wel gediend zijn, en wij hebben dierhalven om alle deeze reedenen goedgevonden weeder in te voeren Ozie Byl. No 10. de vergunning vervat in het 34=e Articul der voorschr. Instructie, op zodanigen voet en onder sodanige bepalingen, als vervat zijn by eene door ons gemaakte alteratie en am„ pliatie op de gemelde Instructie, welke wij de eer hebben hier neevens over te leggen, en ons aan den inhoud daar van te refereeren in het vertrouwen dat uwelEdele Hoog Agtbaare zullen bevinden, dat daar bij alle mogelijke en voldoende precautien zijn genomen tegen het misbruijk dat anderzints van de voorschr. vergunning zoude hebben geweest, wanneer de noodzakelijkheid zulks onverhoopt zoude hebben mogen vor„ deren. geweest. kunnen. „ 11.

NL-HaNA_1.04.02_4361_0358 view scan ↗

English

13 A see Appendix No. 12. No. 13. see Appendix No. 14. can be made. We may have the pleasure of informing Your Right Honourable Worships that the measures taken by us to clear the roadstead of Table Bay, of which we reported in due course, have already had that desired result that in the last three expired months of this year, according to a specific list annexed hereto, there have been fished up twenty-five pieces of both good and unserviceable anchors and anchor crowns and about 1200 fathoms of old cable rope, so that we think we can entertain well-founded hopes that the roadstead will soon be completely cleared; had this so important matter always been observed with proper attention, considerable treasures would most likely have been preserved, which have now been lost through the chafing of the ropes, of which such visible proofs occurred again on the occasion of the last storm. The Secretary of the Orphan Chamber, Willem Stephanus van Rijneveld, having shown to us with all proper discretion the hardship involved for him in the payment of the full office fee for his said office, which he had accepted more to satisfy our wishes than because it contained any improvement for him, since had he remained in his previous post he would have been able to suffice with the payment of half the office fee, so we have, from that special consideration, and because the aforementioned van Ryneveld has acquitted himself completely to our satisfaction in the service of the Company, determined that the term of office fee paid by him for the year 1792 as Secretary of the Council of Justice shall serve in reduction of the four terms which he is bound to pay as Secretary of the Orphan Chamber, and that the petitioner will therefore be able to suffice with the payment of three terms in the aforementioned capacity, with authorization to the Ministers to release him from the oath taken by him regarding the payment of the office fee, insofar as he had thereby bound himself to a higher payment. It will undoubtedly not be disagreeable to Your Right Honourable Worships to learn on this occasion the occasion 1 15 see Appendix No. 15. to learn that through the good management, since the redress made by us at the Orphan Chamber, and the placement of the aforementioned van Rijneveld there as Secretary, taking place at that chamber, no use will need to be made of the authorization granted by us as we have stated more fully in the first part of our report to advance to the said chamber a sum of thirty thousand Rixdollars from the Company's Treasury: to which also no little has been contributed by the restored circulation of the currency by means of the loan bank, as many people have thereby been enabled to pay off their debts to the Orphan Chamber. We have, on the recommendation of the Ministers, see Appendix No. 16. appointed as first sworn clerk at the Political Secretariat, as well as Secretary to the Board of Commissioners for Civil and Matrimonial Affairs, with the effective rank, salary, and emoluments of Junior Merchant, the sworn clerk at the said Secretariat, as well as Secretary to the Board of Commissioners Since the engineer officers in the late war, upon the introduction of the service allowances, shared therein under the name of horse money, equally and in the same manner as the other officers of the garrison, and their service in such times certainly cannot be denied to be very difficult and responsible, we have authorized the Ministers to allow the Captain Engineer Louis Michel Thibault, and the Lieutenant Engineer Frans Sebastiaan Valentijn Lesueur, to enjoy the aforementioned allowance in the same manner during the present war. As we were very pleased with the zeal and diligence shown by the assistants Johannes Henricus Brand, Philip from the Council of Justice Reinier Beck, and furthermore in his place as sworn clerk, and Secretary to the Board of Commissioners aforementioned: the Bookkeeper serving at the Political Secretariat, Egbertus Lodewijk Bletterman. in Eduard

Dutch transcription

13 A zie bijl. No. 12. „ 13. Tzie Byl. No. 14. kunnen worden gemaakt. Wy mogen het genoegen hebben uwelEdele Hoog Agtbaare te informeeren dat de door ons ge„ nome maatregelen tot het zuijveren van de rheede van de Tafelbaaij, waar van wij ter zyner tyd verslag hebben gedaan, bereids van dien gewenschten uytslag zyn geweest dat in de drie laast afgeloope maanden van dit jaar volgens eene hier bij gevoegde specifieke lijstt al„ daar zyn opgevischt vijf en twintig ps so goede als onbekwaame en kruijssen van ankers en circa 1200 vadem oud cabeltouw, zo dat wij meenen gegronde hoop te kunnen voeden dat de rheede eerlang geheel gezuijverd sal zijn; had men dit zo aangeleegen stuk altijd met behoor„ lijke attentie gadegeslagen, zouden hoogst„ waarschijnelijk aanzienlijke schatten behou¬ den zyn gebleeven, die nu door het afvijlen der touwen, waar van zig bij geleegenheid van den laasten storm nog zulke zigtbaare bewijzen hebben opgedaan, zyn verloren gegaan. — De Secretaris der Weeskamer Willem Ste¬ phanus van Rijneveld aan ons met alle behoorlijke discretie vertoond hebbende t de hardigheid welke er voor hem geleegen was in de betaling van het volle amptgeld over dezelve zijne bediening, welke hij meer om aan ons verlangen te voldoen, dan wel omdat daar in eenige verbeetering voor hem geleegen was, had aanvaard, daar hij in zijne voorige bediening gebleeven zijnde met de betaling van het halve ambtgeld, zoude hebben kunnen volstaan, so hebben wij uit die bijzondere consideratie, en daar voorn van Ryneveld zig tot ons volko¬ men genoegen in den dienst van de Compagnie heeft gekweeten, bepaald, dat de termijn van ambtgeld door hem over den jare 1792 voldaan als Secretaris des Rade van Justitie, zal strekken in afslag der vier termijnen, welke hij gehouden is te voldoen als secretaris der Wees„ kamer, en dat de suppliant derhalven met de betaling van drie termijnen in eevengemelde qualiteit zal kunnen volstaan, met qualificatie op de Ministers om hem te releveeren van den eed door hem op de betaling van het ambtgeld gepraesteerd, voor zo verre hij zig daar bij tot eene meerdere betalinge had verbonden. Het zal ongetwyffelt uwelEdele Hoog Agtbaare niet onaangenaam zijn bij deeze de gelegenheid 1 15 Ozie Byl. No. 15. geleegenheid te verneemen daar door de goede directie, sedert de door ons gemaakte redressen by de Weeskamer, en de plaatzing van voorn=e van Rijneveld aldaar als secretaris, by die kamer plaats hebbende geen gebruijk zal behoeven te worden gemaakt van de qualificatie door ons verleend ( gelijk wij zulks bij het eerste gedeelte van ons verslag breeder hebben vermeld /om aan dezelve kamer eene som van dertig duijzend Ryksdaalders uit s' Compagnies Kas op te schieten: waar toe ook niet weinig heeft ge¬ contribueerd de herstelde circulatie van het numerair door middel der bank van leening, als waar door veele lieden zijn in staat ge¬ steld hunne schulden aan de Weeskamer af te doen. Wij hebben op voordragd der Ministers aan„ tzie Byl. No 16. gesteld tot eerste gezwoore klerk ter secretarij van Politie, mitsgaders tot secretaris van het Collegie van Commissarissen van civiele en Huwelyksche zaaken met de effective rang, gagie, en emolumenten van Onderkoopman, den gezwoeren klerk tergemelde Secretarij, mitsga¬ ders secretaris bij het Collegie van Commissarissen Vermits de officieren der genie in den jongsten oorlog bij de invoering der serviesgelden, daar in onder de benaming van paardegeld, eeven en in zelver voegen als de overige officieren van het quamszoen, hebben gedeeld, en zee„ kerlyk hunne dienst in zodanige tijden niet kan ontkend worden zeer moeijelijk en verant. woordelijk te zijn, hebben wij de Ministers gequalificeerd om den Kapitein Ingenieur Louis Michel Thibault, en den Lieute¬ nant Ingenieur Frans Sebastiaan Valentijn Lesueur, geduurende den je¬ genswoordigen oorlog het voorschr. douceur in zelver voegen te doen genieten. Daar wij zeer voldaan waren over den yver en werkzaamheid door de adsistenten Johannes Henricus Brand, Philip uit den Rade van Justitie Reinier Beck, en voorts in desselvs plaats tot ge¬ zwoore klerk, en secretaris van het Collegie van Commissarissen voornt: den ter politieke Secretarij dienst doende Boekhouder Egber„ tus Lodewijk Bletterman. - int Eduard

NL-HaNA_1.04.02_4361_0360 view scan ↗

English

see Appendix No. 17. see Appendix No. 16. Eduard Faure and Christiaan Frederik Hanssen demonstrated at our secretariat during the time we have been present here, we have, as a token of our satisfaction in this regard, granted the assistant Brand the rank of junior merchant, and the assistants Faure and Hanssen each respectively a one-time gratuity of one hundred silver ducatoons from the Company's treasury. Likewise, we have also thought fit, in consideration of their many years of faithful service and as a special token of our approval in this regard, to grant the rank of captain to the two oldest captain-lieutenants of the National Battalion here, Johan Wilhelm Lutkens and Johan David Warneck, provided that in all matters concerning the service they continue to be regarded as captain-lieutenants. And whereas good order requires (as has also been observed by the Gentlemen Military Commissioners) that the companies in which no staff officers are present be led by effective captains, and conversely the companies in which staff officers are present by captain-lieutenants, we have deemed it necessary to write to the Council of Policy to place captain-lieutenants with the companies of Colonel Gordon and Lieutenant Colonel de Lille, and effective captains with the other companies where no staff officers are present. Furthermore, we have granted the interim Fiscal, Mr. Jacob Pieter de Neijs, the rank of Councillor of Policy, deeming this necessary for the preservation of the authority of the distinguished office held by him in the interim. Likewise, having noted that no specific rank has been assigned to the Master of Equipment in this Government, even though the prestige of that post requires it, we have determined in this regard, now and for the future, that the Master of Equipment shall have a rank equal to that of Major of the Company's troops, so that seniority between them shall be observed. The Board of Burgher Councillors has represented to us the inconveniences involved in their board and that of the Burgher Military Council being served by one and the same person as secretary, and consequently requested to be allowed to have a separate secretary; and we have granted this request, in such manner that for the aforementioned post a suitable person from the burgher class shall be nominated by the Burgher Councillors to the Ministers, and further appointed by the Ministers and sworn in upon the formula which has been established for that purpose by us, though that secretary shall enjoy no allowance whatsoever from the treasury of the Colony. Having recently received the appraisal of the Company's territorial possessions in this Colony, in so far as they are capable of appraisal, carried out by Commissioners from the Council of Justice by our order, and in the manner prescribed by us in our letter to the Ministers of 10 April 1793, we have the honor to submit the same herewith; from which it will appear to your Right Honorable Worships that the value of those possessions amounts to the important sum of ƒ3483804:15:8 Dutch Currency, at which amount the same shall therefore be entered in the trading books within the lines. Concerning some dispositions on various subjects of minor importance, may we be permitted to refer to the letter from the ministers of 21 August last, containing their proposals made in that regard, as well as our rescript of the 27th following, in which the aforesaid dispositions are contained. For the reinforcement of the defense of this Colony, the so-called Pennisten Corps having been re-established with our approval, consisting entirely of political servants of the Company under the command of the Councillor of Policy van Rheede van Oudtshoorn as Commandant, we have presented it with two colors bearing the inscription Poscente Patria, Auspice Deo, and a few days before our departure from the Cape we reviewed this Corps, which, dressed in a handsome uniform, on that occasion gave very satisfactory proof, to our particular pleasure, of the zeal with which it has applied itself to military exercise and evolutions in the short space of a few weeks.

Dutch transcription

tzie Byl. No. 17. tzie Bijl. No. 16 Eduard Faure en Christiaan Frederik Hanssen ter onzer secretary betoond geduurende den tijd welke wij ons alhier aanweezig hebben bevonden, so hebben wij tot een blyk van ons ge„ noegen dekieveegens toegevoegd aan den adsistent Brand den rang van onderkoopman, en aan de adsistenten Faure en Hanssen elk respecti¬ velijk int s' Compagnies Cassa een douceur van eén honderd zilvere ducatons eens. Gelijk wij almeede hebben goedgevonden de twee oudste Kapitein Lieutenants van het Nationaal Bataillon alhier Johan Wilhelm Lutkens en Johan David Warneck, uit consideratie van derzelver langjaarige en ge„ trouwe dienst, en tot een byzondere blijk onzer goedkeuringe desweegens, toetevoegen den rang van kapitein, mits in alles wat den dienst be„ treft blyven de geconsidereerd worden als Kapi¬ tein Lieutenants. En nadien de goede erde meedebrengt (gelijk zulks ook door de Heeren Militaire Commissa„ rissen is geobserveert:) dat de Compagnie bij welke zig geen staf officieren bevinden werden geleid door effective kapiteins Lieutenanten, zo en daar en tegen de compagnien bij welkehebben. zeg staf officieren bevinden door kapt Leeutenants) hebben wij het nodig geoordeeld, den Politieken Raad aan te schrijven om dienvolgens by de Com¬ pagnien van den kollonel Gordon, en Lieut: Kollonel de Lille te plaatzen Kapitein Lieute¬ nants, en de andere Compagnien alwaar zig geene stafofficieren bevinden effective Kapiteins. Voorts hebben wij aan den ad interim Fiscaal Mr. Jacob Pieter de Neijs toegestaan de rang van Raad van Politie, als zulks nodig oerdee¬ lende tot conservatie van de auetoriteit van het aanzienlijk ambt dat door hem (ad interim) word waargenomen. So ook gelet hebbende dat aan den Equipagie„ meester in dit Gouvernement geen bepaalde rang is toegekend, daar nogtans het aanzien van die post zulks vorderd, so hebben wij dien„ aangaande nu en voor 't vervolg bepaald dat de Equipagiemeester zal hebben de rang gelijk„ standig met die van Major van s' Comp=s — trouppes, so dat de ancuenniteit tusschen dezelve zal worden in agt genomen. Het Collegie van Burgerraden heeft aan ons vertoond de inconvenienten welke er in geleegen waaren dat haar Collegie en dat van den burger 17 19 Zie Bijl. No 18 tzie Byl. N. 280 van het Generaal verslag A zie Byl. No. 20 1zie Byl. N=o 15. burger krygsraad door een en dezelvde persoon als secretaris wierd bediend; en vervolgens ver„ zogt een afzonderlijken secretaris te mogen hebben, en hebben wij dit verzoek toegestaan, sodanig dat tot de gemelde bediening door Burgewaaden een geschikt perzoon uit den burgerstand aan de Ministers zal worden voorgedragen, en voorts door de Ministers aangesteld en beëëdigd op het for„ mulier, het welk daar toe door ons is gearresteerd ) dog zal die secretaris geene toelage hoegenaamd genieten uit de Kas der Colonie. Onlangs nog bij ons ingekomen zynde de tauxatie van s' Compagnies tewitoriaale bezittingen in deeze Colonie, voor zo ver dezelve aan tauxatie vatbaar zijn, door Commissarissen uit den Rade van Justitie verrigt op onzen last, en op den voet door ons bij aanschrijvens aan de Ministers van den 10 April 1793 voorgeschreevent, hebben wij de eer dezelve hier nevens over te leggen, 't zullende daar iit aan uwelEdele Hoog Achtbaare blijken, dat de waarde van die besittingen be„ draagd eene importante som van ƒ3483804„15„8 Holl. Ct. tot welke dezelve dierhalven bij de negotie¬ boeken binnenslijns zullen worden bekend ge¬ steld. Omtrend eenige dispositien op verschillende on„ dewwerpen van gering aanbelang zij het ons geoor„ loofd ons te mogen refereeren aan de missive van de ministers van den 21 Augustus jongstleeden behelsende haare daar omtrend gedaane voor„ dragten mitsgaders onze rescriptie van den 27ste daaraan volgende, waar bij de voorschre dispo„ sitien zyn vervat. Tot versterking der defenzie deezer Colonie met onze agreatie weeder opgerigt zijnde het so genaamde Pennisten corps, geheel bestaande uit politieke Dienaaren van de Compagnie, onder aanvoering van het Raadslid van Politie van Rheede van Oudtshoorn als Commandant, hebben wij aan het zelve twee vaandels vereerd, met de inscriptie Poscente Patria, Aúspi¬ ce Deo, en weijnige dagen voor ons vertrek van de Kaab de revue over dit Corps gehouden, het welk in eene fraaye uniforme uijtgedoscht by die gelegenheid tot ons byzonder genoegen zeer voldoende blyken gegeeven heeft van den yver, waar meede het zig in het kort tydbestek van eenige weijnige weeken op de militaire exercitie en avolutien heeft toegelegd. Omtrend. Wij 0 „19. „ 16

NL-HaNA_1.04.02_4361_0362 view scan ↗

English

See Appendix No 21. No 23. See Appendix No 25. We have the honor to submit herewith the review roll of the same. Just as we also add here the nominal roll of a corps consisting of native inhabitants of this country, likewise established with our approval, all good marksmen, and from whom much was promised to make it difficult for an enemy to land and to pass mountains and defiles. Learning that this had not been carried out by the Ministers, we deemed it expedient to write to them to cause the purgation oath to be administered to all persons who have been placed by us in any administrations, offices, or duties in this Government, which was then also properly complied with. Appendix No 24. Finally, we also found it expedient to make some further regulations regarding the activities of the members of the Council of Policy, primarily aiming to prevent affairs from returning to inactivity and confusion by placing certain departments under the immediate supervision of those members, to effect that the orders both from the Motherland and from the Indies as well as those given by the Government itself are executed with the requisite speed and accuracy, as well as to ensure that the goods of the Company are properly watched over, and the contracts of tender strictly maintained, so that the principal measures employed by us to reduce the burdens of this Government are not rendered illusory, as may appear to your Honors from the aforementioned regulations themselves, contained in our letter to the Ministers of the 22nd of August last. All this, however, without prejudice to the so necessary power and supreme authority of the Chief Commander, as well as the functions and responsibility of the Chief Administrator, as they are determined according to the orders and regulations existing in this Government. Appendix No 22. We could have wished that these dispositions, added to the unceasing efforts which we have made to establish in the body of the Government those requirements which ought to have a place therein, if the administration itself is to prosper, could have been regarded by us as sufficient; but as we already on previous occasions gave notice of our fear to the contrary, we must also at present testify to having experienced all too clearly that all the efforts employed by us in that regard have not been sufficient to restore and confirm unity and good harmony between the respective members of the Council of Policy, or indeed to effect a joint and confidential cooperation in the Company's affairs, setting aside all private prejudices and animosities, and that also regarding the so necessary activity in the administration and the maintenance of order and subordination, as well as the existing orders and regulations, very much has been left to be desired. We might well expect that when this Government should again be provided with a capable Chief Commander, invested with such ample power and authority as of which we have demonstrated the absolute necessity in its proper place in our report, everything would assume a proper form, but we had equally to fear that, since this matter would probably not be concluded for the present, affairs would after our departure once again fall into disorder, unless provision were made for it. Now this provision, in our view, could only consist in leaving here a person invested with the necessary power and authority to give the administration the necessary vigor, and to prevent all disorders, as well as to promote the execution of the introduced reforms until such time as a capable Chief Commander shall again be present here. For this important task, the former Director of Surat, Abraham Josias Sluijsken, who was present here at that very time, appeared to us to possess all the necessary qualifications, being moreover a man of known application and experience in the Company's affairs, and who, as far as we are aware, in his many years of service has always given much reason for satisfaction. This Gentleman having then shown himself willing to accept the Commissionership over this Government, we understood that he should be taken into consideration by us for a matter of that importance.

Dutch transcription

21 Ozie Bijl. No 21. „ 23. Vzie Byl. No 25. Wij hebbende eer de hevue lijst van het zelve hier neevens over te leggen. Gelijk wij nog hier by voegent de naamlijst van een Corps bestaande uit natuurlijke inwoonders van dit Land, insgelyks met onze goedkeuring opge¬ richt, allen goede schutters, en waar van men zig veel mits beloofde om een vijand het landen, en het passeeren van bergen en defiles beswaarlijk te maken Verneemende dat zulks door de Ministers niet was geeffectueerd, hebben wij het dienstig geoordeeld hun aante schrijvent om aan alle persoonen, welke door ons in dit Gouvernement in eenige admini¬ stratien, ambten of bedieningen gesteld zijn, te doen afleggen den eed van purge, waar aan dan — „ 24. ook behoorlijk is voldaan 't Eyndelijk hebben wij het nog dienstig gevonden om eenige nadere bepaalingen te maken omtrend de werkzaamheeden der Leeden van den Politie ken Raad, voornamentlijk tot doel hebbende om door het brengen van sommige departementen onder het onmiddelijk toeverzigt van die Leeden, voor te komen dat de zaaken niet wederom tot werkeloosheid en confuzie wederkeeren, te effectueeren dat de beveelen so uit het Vader¬ land en uit Indie als die door de Regeeringe Alles egter onverminderd het zo noodzakelijk gezag en de supreeme authoriteit van den Hoofdgebieder, mitsgaders de functien en verant= woordelykheid van den Hoofd administrateur, so als die volgens de ordres en Reglementen in dit Gouvernement subsisteerende zijn bepaald. Wij hadden wel gewenscht dat deeze dispo„ sitien gevoegd by de onophoudelijke moeite welke wy aangewend hebben om in het lighaam van de Regeeringe die vereijschtens te vestigen, welke er in behooren plaats te hebben, sal het bestuure zelve werden gegeeven, met de vereyschte spoed en naauwkeurigheid werden geexecuteerd, mits„ gaders te sorgen dat de Goederen van de Compa„ gnne behoorlijk werden gade geslaagen, en de contracten van aanbesteeding stiptelijk ender„ houden, ten einde de voornaamste middelen door ons in't werk gesteld tot vermindering der Lasten van dit Gouvernement, net elusoir wer„ aengemaakt, gelyk zulks aan uwelEdele Hoog Achtbaare blyken kan uit de voorschre bepalingen zelve vervat in ons aanschrijvens aan de Ministers van den 22ste. Augustus Iongstleeden t Zelve welgaan — — „ 22. 1 4 23 welgaan, door ons als voldoen de hadden kunnen werden beschouwd, maar gelyk wij reeds by vorige geleegenheeden onze bedugtheid voor het tegendeel te kennen gaaven, moeten wij ook thans betuijgen maar al te zeer te hebben ondervonden dat alle de pogingen door ons ten dien opzigte in 't werk gesteld, niet genoegzaam zyn geweest om de eensgezind„ heid en de goede hannonie tusschen de respective Leeden van den Politieken Raad te herstellen, en te bevestigen, immers eene gemeenschappelyke en vertrouwelijke werkzaamheid in 's Compagnies zaaken, met ter zyde stelling van alle partikuliere vooroordeelen en animositeiten, te effectueeren en ok omtrend de so nodige activiteit in het bestuur en handhaving der orde en sub ordinatie, mitsga„ ders der plaats hebbende ordres en Reglementen, zeer veel te verlangen is overgebleeven. Wij mogten wel verwagten; dat wanneer dit Gouvernement wederom van een bekwaam Hoofdgebieder zoude zijn voorzien, bekleed met zodanige ampele magt en auctoriteit, als waar van wyter zijner plaatze by ons verslag de volstrekte noodzakelykheid hebben aangetoond, alles eene behoorlyke gedaante zoude aanneemen, Tot deeze gewigtige taak is ons voorgekomen alle de nodige vereijschtens te bezitten de zig juist te dier tijd alhier bevindende Oud Direc„ teur van Suratte Abraham Josias Sluijsken zynde bovendien een man van eene bekende applicatie en ondewinding in s' Compagnies zaaken, en die, so ver ons bewust is in zijne langjarige dienst altyd veel reden tot genoegen heeft gegeeven. Deeze Heer zig dan bereidvaardig hebbende getoond om het Commissariaat over dit Gouver„ nement te aanvaarden, begreepen wij dat hij tot eene zaak van dat aanbelang bij ons in maar moesten eeven zeer vreezen, dat daar deeze zaak waarschynelijk voor eerst haar beslag niet zoude bekomen, de zaken naar ons vertrek wederom in de war zouden loopen, by aldien daar in niet wierd voorzien. Deeze voorziening nu konde na ons inzien alleen bestaan in hier te laten een persoon voorzien met de nodige magten authoriteit om aan het Be„ stuur de nodige klem by te zetten, en alle desor„ dres te weeren, mitsgaders de executie der inge„ voerde hefonnes te bevorderen tot zo lange zig al„ hier wederom een bekwaam Hoofgebieder zal bevinden. maar consideratie

NL-HaNA_1.04.02_4361_0364 view scan ↗

English

See Appendix No. 17. See Appendix No. 26. coming into consideration, ought from that time forward to be placed in an aspect corresponding to the high quality which would shortly be conferred upon him, for which reason we already on the 26th of July last granted him the title and rank of Councillor of India, with permission provisionally to take up his residence in the Company's garden, of which disposition we gave notice on the same day to the Ministers, as we also subsequently, a few days later, communicated to him our intention to appoint the aforementioned Mr. Sluijsken as Commissioner over this Government and the Jurisdiction thereof. Being able at that time also to foresee that all our business would be concluded before the beginning of September, we fixed the 2nd of that month as the day of our departure from the Cape, and resolved on that same day publicly to introduce Mr. Sluijsken in his aforementioned quality, and also on that occasion to permit all Servants and Inhabitants to take their leave of Us, for which purpose the ceremonial was subsequently arranged by the Ministers with our approval. See Appendix No. 27. However, since the Acting Commander Rhenius had acquitted himself to the best of his ability in the administration of that post, and equity also required that he be indemnified for the additional expenses to which the maintenance of his character during that time obliged him, we have determined in his regard that, in case the Assembly of the Seventeen should judge that the Emoluments of Governor, presently enjoyed by him pursuant to a disposition of the Council, belong to Governor van de Graaf, and that the same ought therefore to be refunded by the Acting Commander Rhenius, in that case the amount of the aforementioned emoluments for the time that he shall have exercised authority shall be credited to the aforementioned Acting Commander out of the Company's Treasury, without prejudice to what the Assembly of the Seventeen might see fit to grant him further, in contemplation of the aforementioned administration of authority, upon the provision for the post of Governor. See Appendix No. 28, 29, 30, 31, and 32. Having subsequently, after mature deliberation, decreed the Commission for Mr. Sluijsken, and the Instruction with which we judged he ought to be provided, to both of which documents we take the liberty to refer, his actual appointment as Commissioner over this Government and the Jurisdiction thereof took effect on the 28th of August last, of which we also gave notice on the same day to the Council, after the oath contained in his aforementioned Instruction, as well as the oath of purgation, had been taken by the aforementioned Mr. Sluijsken into our hands. And on the 2nd of this current month we publicly presented the aforementioned Mr. Sluijsken in his aforementioned distinguished dignity to the Council and the other Servants of the Company, as well as to the Inhabitants of this colony, and caused the oath of allegiance to be rendered to him, taking leave of them on that occasion with such addresses as those of which we have the honor to enclose the copies herewith, wherein we judged it necessary to exhort everyone for the last time respectively to a zealous and faithful observance of his duties, after which the compliments of farewell were also paid to us by the Lord Commissioner Sluijsken, the Council, and all other Boards and qualified persons, and we departed the following morning for False Bay. We have not failed to instruct the Lord Commissioner Sluijsken fully on the state of affairs in this Colony, and on all our proceedings concerning it, and whereas it had already long been taken into serious consideration by us that the war that has arisen between the Republic and the French will considerably prevent the good Inhabitants of this colony from having, for the present, the desired enjoyment of the Freedoms of Navigation and trade granted by us to them, and that for that same reason it is also to be feared that the Colony will not be able to be sufficiently provided by means of the Company's ships with various necessities, of which there is already a very great shortage, whereby consequently the strict observance

Dutch transcription

25 Ozie Bijl. No. 17. 1 — „ 26. consideratie komende, van toen af behoorde te worden gebragd in een adspect, beantwoordende aan de hoge qualiteit welke hem binnen kort zoude werden op gedragen, weshalven wij hem reeds den 26ste Julij jongstleeden toevoegden den titul en hang van Raad van Indie, met vergunning om by provisie zyn intrek te neemen in de tuijn der Compagnie, van welke dispositie wij ten zelven dage aan de Ministers kennisse gaven, gelijk wij hem ook vervolgens eenige dagen later commi niceerden ons voorneemen om voorne Heer Sluijsken aan te stellen tot Commissaris over dit Gouvernement ende den Ressorte van dien! Als toen ook kunnende vooritzien dat alle onze bezigheeden voor het begin van September zouden zyn afgelopen, bepaalden wij den 2=e van die maand tot den dag van ons vertrek van de Kaal, en besloten op dienzelfden dag den Heere Sluijsken in zyne voorschre. qualiteit publiek voor te stellen, en tevens by die gelegenheid alle Dienaaren en Ingezeetenen toe te laaten tot het neemen van afscheid van Ons, waar toe vervol¬ gens het ceremonieel met onse agreatie door de Azie Byl. No. 27. Ministers is beraamd t Daaregter de Gezaghebber Rhenius zig Vervolgens na rijp overleg gearresteerd hebbende naar vermogen had gekweeten in de waar¬ neeming van die post, en de billijkheid ook verderde dat hij wierd schadeloos gesteld voor de meerdere onkosten, tot welke hem het maintien van zyn caracter geduurende dien tijd heeft verpligt, so hebben wij ten zijnen opzigte bepaald, dat ingevalle de Vergadering van xvij=ne mogt oordeelen dat de Emolumen„ ten van Gouverneur, thans door hem (ingevolge eene dispositie van de Regeeringe (wordende genooten, aan de Gouverneur van de Graaf toebehooren, en dat dezelve dierhalven door den Gezaghebber Rhenius zouden moeten worden gerestitueerd, in dien gevalle aan voerne. Gezaghebber uit s' Compagnies Kassa zal worden te goede gedaan het bedragen der voorschr. emolumenten over den tyd dat hij het gezag zal hebben uijtgeoeffend, enver¬ minderd het geen de vergadering van svijne zoude mogen goedvinden bij de voorziening in de post van Gouverneur, hem ter contemplatie van de voorschr. waameeming van het gezag verder toe te leggen. naar de 27 „31 de Commissie op den Heer Sluijsken te decer¬ 1 zie Byl. No 28 neevent, en de Instructie van welke wij oordeel den dat hij behoorde te worden voorzien, tot 29 welke beide stukken wij de vrijheid neemen ons te refereeren, heeft desselvs dadelyke aanstelling tot Commissaris over dit Gouvernement ende den Ressorte van dien den 28 Augustus Jongstleeden gevolg genomen, waar van wij ook ten zelven — „ 30 dage aan de Regeeringe kennisse gaven, nadat door geme. Heer Sluijsken aan handen van ons was afgelegt den eed bij zijne voorschr. Instructie vervat, mitsgaders den eed van purge. En hebben wij den 2=e dezer loopende maand opgemelden Heere Sluijsken in zyne voorschr. aanzienelyke waardigheid aan de Regeeringe en verdere Dienaaren van de Compagnie, mits„ gaders aan de Ingezeetenen deezer colonie publiek voorgesteld, en den eed van trouwe aan hem doen praesteeren, mitsgaders by die gele„ genheid ook van dezelve afscheid genomen bij zodaanige aanspraaken, als waar van wij de eer hebben de afschriften hier nevens te voegen, waar by wij geoordeeld hebben een iegelijk voor het laatst tot eene ijverige en getrouwe en 32. betragting zijner pligten respectivelijk te moe„ ten aanmaanen, waarna ons ook de com„ plimenten van afscheid door den Heere Com„ missaris Sluijsken, de Regeeringe, en alle andere Collegien en gequalificeerde persoonen zyn toegebragt, en wij des anderen daagsch s' morgens naar de Baaijfals zijn vertrokken. Wy hebben niet verzuijmd den Heere Commis¬ saris Sluijsken volleedig te instrueeren van den staat der zaaken in deeze Colonie, en van alle onze verrigtingen daar omtrend, en also by ons reeds voorlang in serieuse overweeging was gekomen dat de ontstaane oorlog tusschen de Republiek en de Franschen aanmerkelijk zal verkinderen dat de goede Ingezeetenen deezer colonie voor eerst zullen kunnen hebben het gewenschte genot van de Vrijheeden van Vaart en handel door ons aan hen toege„ staan, en dat om diezelfde oorzaak ook te dugten is dat de Colonie door middel van s' Compagnies scheepen niet genoegzaam zal kunnen woorden voorzien van diverse nood„ wendigheeden, waaraan reeds een zeer groot gebrek is, waardoor mitsdien destricte betragting uijt 7 —„ 0 - 1

NL-HaNA_1.04.02_4361_0366 view scan ↗

English

See appendix No. 34. See appendix No. 35. execution of our Placard of 21 November 1792 against the importation of goods and merchandise on foreign ships could in some cases be extremely difficult, indeed even ill-advised, we have deemed it necessary specially to qualify the said Mr. Sluijsken to permit, in occurring special cases, the landing and sale of goods and merchandise brought by foreign ships, up to the value of all such products of this country as the same ships might wish to purchase and find themselves unable to pay for in cash specie or with solid bills of exchange. Having also taken into consideration what income ought to be assigned to the aforementioned Mr. Sluijsken in his aforesaid capacity, we have considered the possibility that, by virtue of dispositions in the Fatherland, the Chief Government over this Colony could once again devolve upon someone else, in which case, when regulating the income of Mr. Sluijsken as Commissioner, due regard ought reasonably to be paid to the expenses incurred by him to be able properly to represent the distinguished character held by him; and for that reason we have chosen not to determine the aforesaid income for the present, but, in accordance with the desire expressed by Mr. Sluijsken, to suspend doing so until the final arrangements in the Fatherland regarding the post of Chief Ruler here shall have come to our knowledge. At the same time, upon the request made to that end by the said Mr. Sluijsken, we have agreed that he shall be permitted, in the event that his public functions here should cease, to return to the Indies on the first suitable shipping opportunity that he shall choose for that purpose. In conclusion of this matter, permit us to remark that, just as Mr. Sluijsken is regarded by us as a man in whose character and abilities a very extensive trust can and ought to be placed, so too it will never be possible for anyone, whoever he may be, to hold the difficult post of chief ruler in this Colony with success if he cannot enjoy such trust and is not vigorously supported in that office, so that we believe that when that trust is lacking, it is infinitely better immediately to recall such a Chief Ruler than to subject him to reprimands that tend to damage public opinion in this country regarding him, or to undermine and diminish his so necessary authority and influence, which can never fail to cause great confusion and result in prejudice to the authority of the Government in general, which especially in this Country needs so necessarily to be supported and maintained. Just as much we must candidly acknowledge our opinion that in a country such as this, where the general interest is generally so little valued, and private views and animosities are given such free rein, as is now known to us by experience, it is not possible to hold the difficult post of Chief Ruler with success without being provided with sufficient power and authority to be able calmly to withstand all intrigues and cabals, and to hold the ill-disposed, from the first to the last, to their duty; wherefore we would also be of the opinion that the contents of the Instruction decreed by us for Commissioner Sluijsken could and, for the promotion of the Company's interests, ought to be laid as a foundation for that with which the Chief Rulers here shall henceforth be provided. Although we believe we can give a well-founded assurance that peace in this Colony is now established on good foundations, and through the good direction and proper firmness of Commissioner Sluijsken will be preserved, that

Dutch transcription

t zie byt. N. 34. t zeebyl N. 35. uytvoering van ons Placaat van den 21 No¬ vember 1792 tegens den invoer van waaren en Koopmanschappen met vreemde scheepen in sommige gevallen ten uytersten moeijelijk, ja zelvs ongeraden zoude kunnen zijn, so hebben wij het nodig gevonden gemelden Heere Sluijs. ken speciaal te qualificeeren om in voorko„ mende bijzondere gevallen te mogen perit„ teeren het aan de wal brengen en verkoopen van waaren en koopmanschappen met vreemd scheepen aangebragd, ter concurrentie van alle zodaanige producten van dit Land, als dezelve scheepen zouden mogen willen inhan„ delen, en zig niet in staat bevinden om in & Contante spetie of met solide wissels te kun¬ nen betaalen. Meede movenweeging genomen hebbende welk inkomen aan opgemelden Heere Sluijsken in zijne voorschr. qualiteit zoude behooren te worden toegelegd, hebben wij geconsidereerd de mogelykheid dat uit kragte van dispositien in het Vaderland het Hoofdbestuur over deeze Colonie wederom op iemand anders zoude kun¬ nen devolveeren, in welk geval by het reguleeren van het inkomen van den Heere Sluijsken als Commissaris, billijker wijze reguard zoude moeten worden geslaagen op de onkosten, die by hem zouden zyn aangewend om het gedi„ stinqueerde caracter door hem bekleed wordende, behoorlyk te kunnen repraesenteeren; en hebben wij uyt dien hoofde verkosen de bepaling van het voorschr. inkomen voor als nog niet te ma„ kent, maar, overeenkomstig het betoonde ver„ langen door den Heere Sluijsken, daar meede te supercedeeren tot de finale beschikkingen in het Vaderland omtrend den post van Hoofdgebieder alhier ter onzer kennisse zullen gekomen zijn. Tevens hebben wij op het daar toe gedaan verzoek van gemelden Heere Sluijsken verstaan, dat aan hem zal weezen geper¬ mitteerd, om in het geval dat zijne publieke functien alhier zouden mogen cesseeren, met de eerste bekwaame scheepsgelegenheid welke hij daar toe zal verkiesen, naar Indie te mogen retormeeren. Tot besluit van deeze materie zij het ons van geoorloofd 29 31 geoorloofd aan te merken, dat gelyk de Heer sluijsken by ons word beschouwd als een man in wiens Caracter en bekwaamheeden een zeer uijtgestrekt vertrouwen kan en behoord te worden gesteld, so ook het nimmer aan iemand, wie hij ook zij, mogelijk zal zijn den moeijelijken post van hoofdgebieder in deeze Colonie met suc„ ces te bekleeden, wanneer hij van sodanig ver„ trouwen niet mag jouisseeren, en niet met kragt in die bedieninge word gesouteneerd, so dat wij geloven dat wanneer dat vertrouwen dadelijk komt te ontbreeken, het oneijndig beter is zodani„ gen Hoofdgebieder dadelyk te happelleeren, dan hem correctie te doen ondergaan die strekken om om de publieke opinie in dit land ten zijnen op„ zigten te krenken of zyne zo nodige authoriteiten invloed te ondermijnen en te verminderen, het welk nimmer nalaten kan veel confusie te ver„ wekken, en uijt te lopen tot nadeel van de auctoriteit der Regeeringe int algemeen, die vooral in dit Land so noodzakelijk diend te worden ondersteund en gehandhaaft. wij Eeven zeer moeten rondborstig erkennen van begrip te zijn dat in een land als dit, waar in aan het algemeen belang over het algemeen zo weynig gehegt word, en aan bij¬ zondere inzigten en animositeiten zo zeer den tengel gevierd, als ons zulks nu bij onder„ vinding bekend is, het niet mogelijk is den moeyelyken post van Hoofdgebieder met succes te bekleeden, sonder voorzien te zijn van genoegzaame magten authoriteit om aan alle intriques en cabaalen rustig het hoofd te kunnen bieden, en kwaadwilligen, van den eersten tot den laatsten tot hunnen pligt te kunnen houden, waarom wij ook van oordeel zouden zijn dat de inhoud der Instruetie door ons voor den Commissaris sluijsken gearresteerd zoude kunnen en tot bevordering van s' Compagnies belangen be„ hooren te worden gelegd tot een grond van die, waar meede de Hoofdgebieders alhier voortaan zullen weezen voorzien. Schoon wij meenen eene welgegronde verzee¬ kering te kunnen geeven dat de rust in deeze Colonie thans op goede gronden gevestigd is, en door de goede directie en behoorlyke ferme. teit van aen Commissaris Sluijs ken sal werden dat geconserveerd

NL-HaNA_1.04.02_4361_0368 view scan ↗

English

see Appendix No. 33. preserved; we may not, however, fail to bring to the notice of Your Noble and Right Worships that we still had the unpleasant experience, a few days before our departure, of finding ourselves troubled with a petition signed by around 180 burghers and residents, with whose tedious content we shall not here fatigue the attention of Your Noble and Right Worships, but, referring in that regard to the content of that document itself, merely report that it had as its objective to be exempted from the stamp duty on auction records, the increase of the Lord's Dues from the 40th to the 25th penny, as well as the carriage tax established by us by Plakaat of 16 March of this year. This address was handed to us sealed on 26 August by two of the signatories, namely Jacobus Arnoldus van Reenen and Cornelis Brink. Unaware of the content, we understood that we had to accept it, but made known to the aforementioned persons our surprise at the manner in which this petition came to our notice, bypassing the College of Burgher Councillors. The aforementioned Jacobus Arnoldus van Reenen, taking the floor again, did not scruple to express himself in a manner very insulting to this College, indeed even to complain about the oppressions that took place in this colony (he said); we did not think fit to allow him to continue any longer in that shameless harangue, and ordered him, after having reproached him for this in the most vivid terms, to carefully refrain from such discourses both outside and in our presence, with the warning that we would have a watchful eye kept on him, and that if he again made himself guilty of the like, it would be followed by prompt correction and conspicuous satisfaction. Having subsequently read that document and taken a copy of it, we summoned the aforementioned two persons before us again and informed them that we disapproved of the aforementioned address, both because the College of Burgher Councillors had been established by us, in accordance with the general desire of the residents, to receive their interests and to present them to the lawful authorities in a proper manner, and because the content of that same address contained various matters and arguments that were not within the competence of the petitioners; that we therefore returned the same address without any ruling, and most earnestly recommended the signatories not to trouble us again with the like; that lastly, we expressed our earnest displeasure that, for the presentation of that address, a person had been chosen who seemed to be so little instructed in the manner in which one ought to approach one's lawful authorities, as had appeared the day before with regard to the person of Jacobus Arnoldus van Reenen; after which those two persons departed again with the address, without this matter having had any further consequence. According to authentic information obtained by us, this address had already been drawn up and signed two or three months before it was handed to us; and when one considers that the number of signatories, although belonging to the outer districts as well as to that of the Cape, is very small in comparison with that of the residents of this Colony; that among this small number there are still very many who do not own an inch of land in property here, and again others who signed at the persuasion of their friends or acquaintances without even knowing what they were signing (of all of which we are reliably informed); it can, in our view, admit of no doubt that this document must solely be regarded as a product of a few agitators, and not in the least as a sign of any general discontent. We even have reason to be assured that many of the signatories already regret their signatures, and have already received striking proofs thereof. Meanwhile, we may not fail to observe what a harmful influence it has that the intrinsic situation of the Company in the Fatherland

Dutch transcription

33 H zie Bijl. N: 33. geconserveerd; mogen wij egter niet afzijn Uw welEdele Hoog Agtbaare ter kennisse te brengen dat wij nog de onaangenaamheid hebben moeten ondervinden van ons weijnige dagen voor ons vertrek lastig gevallen te zien met een verzoekschrift door omtrend 180 bur„ gersen Ingezeetenen onderteekendt met wel„ kers toedieusen inhoud wy alhier den aandagt van uwelEdele Hoog Agtbaare niet zul„ len fatigeeren, maar ons daar omtrent re¬ fereerende tot den inhoud van dat stuk zelve, alleenlyk melden dat het zelve ten doel had om ontheeven te worden van het zegelregt over de vendubrieven, de verhoging van s' Hee„ ren Geregtigheid van den 40ste op den 25ste penning, mitsgaders het carossengeld door ons bi Placaate van den 16 Maart deezes Jaars gearresteerd. Dit Addres wierd ons den 26. augustus door twee der teekenaaren, namentlijk Jacobus Arnoldus van Reenen en Cornelis Brink, verzegeld ter handge¬ steld. Van den inhoud onbewust begreepen wij het zelve te moeten aanneemen, dog gaven aan voornoemde persoonen onze bevreemding te kennen over de wijze waar op dit verzoekschrift ter onzer kennisse kwam met voorbij gaan van het Collegie van Burgerraaden. Voornoemde Jacobus Arnoldus van Reenen daar op het woord weder opvattende ontzag zig niet zig op eene voor dit Collegie zeer honende wijze uit te laten, ja zelvs zig te beklagen over de onderdrukkingen welke in deeze colonie (zeide hij) plaats hadden; wij vonden niet goed hem in die schaamteloose haranque langer te doen continueeren, en gelasten hem, na hem daar over op het levendigst te hebben gerepro„ cheerd zig van diergelijke discourssen zo wel buiten als in onze presentie sorg vuldig te wag= ten, met waarschouwing dat wij op hem een wakend oog zouden doen houden, en dat wan„ neer hij zig weeder aan diergelyke schuldig maakte, zulks door eene dadelyke en ecla„ correctie tante satisfactie zoude worden agtervolgd. Dat stuk vervolgens geleezen en daar van een afschrift genomen hebbende ontboden wij de voornoemde twee persoonen weeder voor ons, en gaven hun te kennen "dat wij het voorschr=e zelve Addres 35 „ Addres afkeurden so om dat het Collegie van „ Burgerraden door ons, overeenkomstig het al„ „ gemeen verlangen der Ingezeetenen was opgeregt, „ om derzelver belangen te ontvangen, en aan de „ wettige Overigheid op eene betamelijke wijze voor „ te dragen, als om dat de inhoud van het zelve „ addres verscheide zaaken en raisonnementen „ bevatte, die niet waaren van de competentie „van de Requestranten, dat wij het zelve addres „ dierhalven sonder dispositie te rug gaven, en de „ onderteekenaars ten emnstigsten aanbevoolen „ om ons met diergelyke niet weeder lastig te „vallen, dat wij laatstelijk onsemstig engenoe¬ gen betuijgden, dat men tot het praesenteeren „ van dat Addrs verkoozen had een perzoon „ die zo weinig onderrigt scheen te zijn van de wijze „ waar op men zyne wettige overigheid behoorde „ te naderen, als zulks daagsch te voren gebleeken „ was omtrend de persoon van Iacobus Ar„ „noldus van Reenen waar na die beide perzoonen met het addres wederom zyn ver„ trokken sonder dat deeze zaak eenig verder gevolg heeft gehad. Volgens egte informatien bij ons bekomen was dit Addres reeds opgesteld en onderteekend twee a drie maanden voor dat het zelve aan ons is ter hand gesteld, en wanneer men na„ gaat dat het getal der onderteekenaaren, of„ schoon so welgehoorende tot de buitendistricten als tot dat van de Kaab, zeer gering is in ver„ gelyking van dat der Ingezeetenen deezer Colonie, dat onder dit gening getal zig nog zeer veelen bevinden die geen duim gronds alhier in eygendom bezitten, en weder om anderen die op persuasie hunner vrienden of bekenden geteekend hebben, sonder eens te weeten wat zij teekenden (van al het welke wij in't zeekere zi ^ n dewigt ) so kan het naar ons inzien geen twyffel lijden, of dit stuk moet eeniglyk be„ schouwd worden als een voortbrengsel van eenige weynige woelgeesten, geensints als een blyk van eenige algemeene ontevreedenbeid. Wij hebben zelvs reden om ons verzeekerd te houden dat veelen der onderteekenaaren reeds berouw hebben van hunne onderteekeningen, en daar van bereids treffende blijken ontfangen. Intusschen mogen wij niet nalaten op te merken van wat schadelijk en invloed het is, dat de Intrinsique situatie der Compagnie in het dit Vaderland

NL-HaNA_1.04.02_4361_0370 view scan ↗

English

Fatherland become so generally known, as is now the case even through the press, the signs of which, to our genuine sorrow, we have once again had to encounter in the aforementioned address, and we cannot conceal our apprehension that this will also have the most damaging consequences in the Indies for the prestige and credit of the Company. That now, as we just stated, this matter needs not cause the least unease regarding the disposition of minds in general, we also believe we may infer in particular from the fact that, after completing our difficult task in this region and being on the verge of leaving the Cape, we have been privileged to receive the clearest tokens of esteem and affection from the inhabitants in general for our persons. Regarding this, we may not fail to bring to the knowledge of Your Right Honourable Nobilities that the College of Burgher Councillors, having been informed of our imminent departure, came solemnly to thank us for the benefits bestowed by us upon this Colony, and to assure us both of the gratitude and attachment of the largest and most well-thinking part of the inhabitants to the Company, our High Constituents, and our persons, as well as of their own sincere and zealous inclination in particular to contribute all in their power to the preservation of good order and the so necessary subordination to the lawful Government, and to bring back those few who might still err due to erroneous instillations or notions. Likewise, we do not wish to withhold from the Burgher Councillors the praise of having constantly exerted themselves during our presence here, in an exemplary manner, to support our good intentions. The wife of the former merchant in the Company's service here currently residing in the Netherlands, Martinus Adriaan Bergh, named Catharina Cornelia de Waal, addressed us by petition requesting our favourable recommendation to the Assembly of Seventeen, to the end that her aforementioned husband might be most graciously permitted, in or out of service, to return to this his native country. We have not wished to refuse the petitioner the bringing of this petition to the knowledge of the Assembly of Seventeen, for which purpose we transmit the same on this occasion, and must testify that if, following adequate information, it should appear that the conduct of the aforementioned Bergh since his arrival in the Fatherland has been such that it could reflect favourably upon his person, we for our part would currently find no objection to his return to this Colony. The Secret Clerk F. O. de Bruijn having, on the 5th of November of last year, requested and obtained his discharge on account of his frail physical constitution, was replaced on the same day in that office by the Assistant at the Political Secretariat here, Abraham Faure, of which we may not fail to give knowledge to Your Right Honourable Nobilities. Just as it may also lastly be permitted us to inform the very same that, on account of the considerable volume of work of our secretariat and the resulting necessity that a trusted person immediately and constantly maintain supervision over the clerks employed there, we have to that end taken into service here the Assistant at the Political Secretariat here, Jan Welters, as judged suitable by us for that purpose, to whom, during the time he shall serve in our service, we have granted an income of 100 Dutch Guilders Currency per month, and a ducaton per day to defray all his expenses, commencing on the day he boards our vessel. We commend Your Right Honourable Nobilities to the protection of the Almighty. Our intention now is, as soon as these our last dispatches are brought into readiness, to continue our journey to Batavia at the first good opportunity. On board the State Frigate Amazoon, lying at anchor in Simon's Bay, the 10th of September 1793. Right Honourable Noble Sirs! and remain with all respect, Your Right Honourable Nobilities' obedient Servants. The Commissioners-General over all the Dutch East Indies. P. C. Nederburgh S. H. Frijkenius P.S. Since we must repeatedly see that with the Company's ships many incompetent men are brought out, indeed often such who on account of incompetence have already several times been sent back to the fatherland, we have deemed it expedient to append hereto a List of such men for the Chambers Amsterdam, Zeeland, Rotterdam, and Enckhuijsen who have arrived so far in the course of this Year, already amounting to thirty-one individuals, in order that such provision may be made in that matter as the Assembly of Seventeen will undoubtedly judge the importance thereof to require, especially in a time in which the lack of manpower in the Indies has such an astonishing influence on the interests of the Company.

Dutch transcription

37 Vaderland so algemeen bekend worde, als thans„ zelvs door middel der drukpers, geschied, waar van wy tot ons werkelijk leet weezen de blijken wederom in het voorschr. addres hebben moe„ ten ontmoeten, en kunnen onze bedugting niet verbergen dat zulks ook in Indie op het aanzien en het crediet der Maatschappij van de aller schadelykste gevolgen zal zijn. Dat nu, gelijk wij zo eeven zeiden, deese zaak geene de minste ongerustheid behoefd: te baaren omtrend de gesteldheid der gemoederen in 't al„ gemeen, meenen wij ook in't bijzonder daar uit te mogen afleiden, dat wij na het volbrengen van onsen moeijelijken taak in dit gewest de Kaal zullende verlaten, de duidelykste blyken hebben mogen ontfangen van agting en geneegenheid der Ingezeetenen in't algemeen, voor onze Perzoonen, waaromtrend wij niet mogen nalaten ter ken„ nisse van uwelEdele Hoog Agtbaare te brengen, dat het collegie van Burgerraden, geinformeerd zijnde van ons na bij zynde vertrek„ ons plegtig is komen bedanken voor de weldaa„ den door ons aan deeze Colonie beweezen; en verzeekeren zo wel van de dankbaarheid en verkleefdheid van het grootste en welderkendste gedeelte der Ingezeetenen aan de Compagnie, onze Hooge committenten, en onze personen als van de opregte en ijverige geneigdheid van hun in't byzonder, om al wat in hun vermogen is te contribueeren tot conservatie van de goede orde, en so nodige ondergeschiktheid aan de wettige Regeeringe, en om die weynigen welke nog uit hoofde van verkeerde inboezemingen of begrippen mogten dwalen, daar van te rug te brengen, gelijk wij ook aan Burgerraden den lof niet willen onthouden van zig geduurig ons aanweezen alhier op eene voorbeeldige wijze te hebben beijverd om onze goede oogmerk en te ondersteunen. De Huysvrouw van den zig in Nederland bevindende oud Koopman in s' Compagnies dienst alhier Martinus Adriaan Bergh, met name Catharina Cornelia de Waal, heeft zig by Requeste aan ons geaddresseerd =met verzoek om ons favorabel voorschrijvens aan de Vergadering van Xvij=ne, ten einde aan voorne= haaren man hooggunstig mogte worden geper„ mitteerd, om in of buijten emploij naar dit zyn geboorteland te rug te keeren. Wyj hebben aan de suppliante niet willen gedeelte weygeren 39. tzie Byl No. 36 weygeren deeze Requeste ter kennisse van de Vergadering van svijne te brengen ten welken einde wij dezelve bij deeze gelegenheid overzenden en moeten betuygen dat wanneer naar vol„ doende informatien mogt blyken, dat de con„ duites van voornoemde Bergh zedert zijne komst in 't Vaderland sodanig zyn geweest dat dezelve eene gunstige reflescie op zijn per¬ soon zouden kunnen ten gevolge hebben, wij voor ons tegenwoordig in zyne terugkomst in deeze Colonie geene zwarigheid zoude vinden. De Geheymschrijver F. O. de Bruijn den 5e November des voorleeden jaars, uijt hoofde zijnen 2wakke lighaamsgesteldheid zijne demissie verzogt en bekomen hebbende, is ten zelven dage in die bedieninge vervangen door den Adsistent ter Politieque Secretarij alhier Abraham Faure, waar van wij niet mogen af zijn uwel Edele Hoog Agtbaare kennisse te geeven. Gelyk het ons ook nog laatstelijk vergunt zij Hoogst dezelve te informeeren, dat wij uyjt hoofde van den merkelijken omslag onzer secretarij, Wij beveelen u WelEdele Hoog Agt„ baare in de beschenming des Allerhoogsten Ons voorneemen is thans om 2o ras deeze onze laatste depeches in gereedheid zullen zijn gebragt, met de eerste goede gelegenheid onze reijze naar Batavia voort te zetten. en daar uit voortspruijtende noodzakelijk¬ heid dat een vertrouwd persoon onmiddelijk en geduurig het toeverzigt houde over de al„ daar geemploijeerd wordende klerken, tot dat einde alhier in dienst hebben genomen den Adsistent ter politieke Secretarij alhier Jan Welters, als daar toe door ons geschikt geoordeeld aan wien wy geduurende den tijd dat hij in onzen dienst zal furgeeren hebben toegelegd een inkomen van ƒ 100-„- Holl=s C=t s' Maands, en een ducaton s' daagsch om zig daar voor van alles te defroijeeren, ingaande met den dag dat hij zig aan boord van onsen bodem zal begeeven. en en Aan boord van s' Lands Fregat Amazoon, gean„ kert leggende in de Simons baaij — den 10e. September 1793 Zee byl No. 37 WelEdele Hoog Agtbaare Heeren! en verblijven met allen eerbied UWelEdele Hoog Agtbaare gehoorzaame Dienaaren. De Commissarissen Generaal over geheel Nederlandsch Indie. P: C: Nederburgh S: H: Frijkenius F P. S. Vermits wij telkens moeten zien dat met s: Compagnie's scheepen veele onbekwaame Manschappen worden aangebragd, ja dikwils sodaanige die uit hoofde van onbekwaamheid reeds meermaalen naar het vaderland zijn te rug gezonden, hebben wij het dienstig geoordeelt hier nog by te voegen een Lijst van zoda„ nige Manschappen voor de Kameren Amsterdam, Zeeland, en Rotterdam, en Enckhuijsen in den loop deeses Jaars tot dus verre uitgekomen, bedragende reeds een en dertig stuks, ten einde in dat stuk zodanige voorzieninge te kunnen werden gedaan als de vergadering van Xvij=re ongetwyffeld sal oordeelen de aangelegenheid daar van te verderen, vooral in een tijd waar in Het volks gebrek in Indie van zulken verbazen den invloed is op de belangen van de Compagnie. —

← previous