VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 8261

Japan · 656 pages · 169 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_8261_0003 view scan ↗

English

From the Outer Offices Volume 1 Secret No. 12 Secret Letter to Their High Noble Lordships in Batavia. Incoming Secret Letterbook and Annexes Arrived 1784 First part Copy. A Macasser 9 Batavia To His High Nobility! Introduction The letters of amnesty for the rebels could not be issued at the appointed time. 51: The High Noble, Right Honourable, Right Honorable, Wide-ruling Lord Master Willem Arnold Alting Governor General and The Right Honorable, Right Honorable Lords Councillors of the Netherlands Indies etc. etc. together with High Noble, Right Honourable, Right Honorable, Wide-ruling Lord and Right Honorable, Right Honorable Lords! Having received in very good order over Java on the 27th of March past Your High Noble Lordships' duplicate secret letter of the 31st of December 1782, whose original with its annexes is still expected with the ship Het Huijs te Krooswijk, I have the honor, before rendering the ordinary report on native affairs, most humbly to state in response that with regard to the Macassars it has been impossible to issue the letters of amnesty for those submitting within the fixed period of two months, for the reason that this time was all too short to gather a people scattered far and wide, very dilatory in all their actions, and moreover no less suspicious; as the outcome until the 54. the outcome has also proven, since quite recently, namely on the 5th of April past, one of them, namely Dain Pabalie, being a full uncle on the mother's side of the present King of Gowa, presented himself in submission. § 2. It would also have been to be wished that one could have had the Princes Aroe Mampoe and Craing Sappanang come over directly to the Honorable Company, without having been obliged to let them follow the Boniers in their obtained pardon, since according to the ancient maxims here it is a most desirable matter for the Honorable Company to have such persons with or under our protection, in order thereby to keep the others in check. But there was not the least possibility of this, and I could only be glad that I managed to detach these two high personages, Sankielang's principal support, from that rebel in such a manner. However, I shall always keep a double or most watchful eye on their movements, particularly on those of Aroe Mampoe, who, having recently returned from the interior where he had gone to visit his friends, conducts himself very quietly and well. § 3. In the contract the Macassars, it is true, only bound themselves to try or to do their best to obtain the state regalia held by the rebel Sankielang, but at that time one could demand no more of them when one considers the virtual impossibility thereof for them at that time, given the expeditions so often undertaken by the late Mr. van der Voort and completed most recently to the foot of the Tassese Mountains, and given the very heavy bounty placed upon that mutineer himself. Rumors also have it that, to the eternal shame of the Macassars, he has already successively melted down these ornaments, broken them to pieces, and sold them to support his living. Moreover, according to the entry in the Secret Daily Register under the aforementioned 5th of April, there recently passed away in 55 the 2 2 the mountains the old Crain Candjilo. So that now, apart from one Crain Bonto Nompo, whose wife is with the Boniers and who thus in all likelihood will also come over in time, he has no one with him other than a party of runaway slaves and vagabonds, with whom it is impossible for him to undertake anything of importance anymore. § 6. Concerning Your High Noble Lordships' remark regarding the validity or groundlessness of the reflections I made, that at the making of the contract with the new ruler and his grandees one could not know which of the then still dispersed princes and other men of the realm would come over, and that it was not advisable, on account of their attachment to Boni, to include them among the Macassars, it serves most humbly to state that these reflections were not only based upon the influence which these two peoples have upon each other through the reciprocal marriages that have endured for nearly a century, from which whole genealogical registers could be drawn up, and among which, besides the marriage of Datoe Baringang with a Macassar princess that occurred here still in my time, there particularly belonged at the time the former King Aroe Mampoe mentioned above, together with the Princes Craeng Bonto Panno and Craeng Tammasongo; but also principally upon my full awareness that these Macassars, who have imbibed the Boni maxims all too strongly, far from helping to restore this recently established realm, would have caused far more damage and discord therein, and therefore I hope that Your High Noble Lordships will still be pleased to be satisfied with my conduct in this matter. § 7. While with regard to Your High Noble Lordships' recommendation to proceed with the utmost circumspection and moderation, etc., in giving such qualifications to the Fiscal as occurred in the case of the citizen Braune, since those measures from 42

Dutch transcription

Van de Buiten Comptoire 1. Deel Secreet No. 12 Sekreete Brief aan Hun Hoog Edelheedens te Batavia. In komend Secreet Briefbl. &e Bijlagana Overgekomen 1784 Eerste deel Copia. A Macasser 9 Batavia Aan zijn Hoog Edelheijd! inleijding de Brieven van annestie voor de rebellen konden men op de bepaalde tijd niet stellen. 51: Den Hoog Edelen Groot Agtbaren Gestrengen wijdgebiedende Hwee M„r Willem Arnold Hlling Gouverneur Generaal De welEdele Gestrenge Heeren Raaden van Neederlands Indie &„ d„ v„ Beneevens Hoog Edele Groot Agtbaare Gestrenge wijdgebiedende Heere en wel Edele Gestrenge Heeren! Over Iava op den 27„e Maart passato zeer wel ontfangen heb„ „bende uwer Hoog Edelheedens duplicaat sekreete Brieff van den 31=e December 1782. welkers origineel met dies Bijlagen als nog met het schip het Huijs te Krooswijk word te gemoet gezien, zo geeve jk, alvoorens het ordinaire verslag van Inlandsche zaken te doen mijn de Eere daar op voor af needrigst te dienen dat met op zigt Maccassaaren het onmogelijk is geweest de brieven van amnestie voor de bij te koomene op de bepaalde tijd van twee maanden uit te geeven, om reedenen die tijd al te bepaald was om een wijd en zijd uitgeweeken en in al haar doen en laten zeer talmagtig en boven dien niet minder wantrouwend volk, bij een te krijgen, gelijk het gevolg tot de 54. gevolg ook bewiezen heeft alzo nog Jongst of op den 5„e April Passato een van dezelve namentlijk Dain Pabalie, zijnde een volle oom van Moeders kant van de presente Goasche koning zig in submis„ „sie aangeborden heeft. §2. Het waare ook te wenrden geweert dat men de Princen Aroe Mam, „poe en oraing Sappanang direct tot de Ed: komp: had kunnen doen overkoomen, zonder verpligt te zijn geweest dezelve aan hunne er„ „langd Pardon de Boniers te laten volgen, alzo het volgens de aloude stellingen alhier een allerwenschelijkste zaak voor de Ed: Comp„e is, de zulke bij of onder onze bescherming te hebben, ten einde daar door de andere in bedwang te houden; Dog hier toe is geene de minste mo„ „gelijkheid geweest, hebbende jk maar blijde mogen zijn dat Jk deeze twee Hooge personagien Sankielangs voornaamtte steun, op dusdanige wijse van dien Rebel verwijdert heb gekreegen. Egter zal ik steeds een dubbelde of allernauwkeurigste reflevie op hunne gangen slaan, bijzonder op die van Aroe Mampoe, die onlangs weder uit de binnen Landen, werwaarts hij om zijn vrienden te bezoe„ „ken gegaan was, terug gekeert wezende, zig zeer stil en wel houd. §3. Bij het Contract hebben de Maccassaaren, het is waar, zig maar eenlijk verbonden om te zullen tragten, of hun best te doen de onder de Rebel sankielang berustende Rijksornamen ten magtig te worden, dog meerder kon men in die tijd van hun niet vorderen als men nagaat, de genoegzaame onmogelijkheijd die daar toe voor hun te dier tijd was uit de zo dikwils door wijlen de Heer van der voort ondernomene en nog laast tot aan de voet van het Tassese Gebergte volbragte Expeditien en op de zo Zwaar op dien muijteling zelve gestelde premie. Ook willen de ge„ „rugten dat hij die ornamenten reets tot een beuwige schande der Maccassaaren successive versmolten, aan stukken gebroken en om zijn leven te onderhouden ten gelde gemaakt zoude heb„ „ben. Zijnde onlangs volgens het aangeteekende bij het Sekreet Dag=Register onder den 5„e April voormeld nog in 55 het 2 2 het Geberg te overleeden den ouden Crain Candjilo. zo dat hij nu buijten, eenen Crain Bonto Nompo wiens vrouw bij de Boniers is en dus denkelijk met 'er tijd ook wel zal overkoomen, geenen ande„ „ren bij zig heeft als een parthij weggedroste slaven en vage„ „bonden waarmeede het hem onmogelijk is om iete van belang meer te onderneemen. §6. Aangaande uwe Hoog Edelheeden remarque omtrend de gefun„ „deertheid of ongefundeertheid mijner gemaakte reflexien, dat men bij het maken van het Contract met den nieuwen vorst en zijne Grooten niet konde weeten wie van de toen nog verstrooide Princen en andere Rijkslieden zoude overkoomen en dat het niet raadzaam was uit hoofde van hun attachement van Bonij, hen onder de Maccassaaren meede in te trekken, diend allernee„ „drigst dat deeze reflexien niet alleen gefundeert zijn geweest op den in„ „vloed die deeze twee volkeren op elkander hebben door de bij na een Eeuw stand gehoudene wederzijdse Huwelijken, waar van geheele slagt=Registers op te maken zouden zijn, en waar onder, buiten het nog in mijn tijd alhier voorgevallene Huwelijk van Datoe. Baringang met een Maccassaarse Princes, toen bij zonder thuijs hoorde de geweezene Koning Aroe Mampoe hier vooren gemeld neevens de Princen Craeng Bonto Panno en Craeng Tammasongo, maar ook voornamentlijk op mijne volkome„ „ne bewustheijd dat deeze de Bonijse maximes al te sterk ingesoge„ „ne Maccassaaren wel verre van dit eerst opgerigte Rijk te zul„ „len helpen herstellen, daar inne vrij meer nadeel en stribbelingen zouden hebben te weege gebragt, en daarom wil jk hoope dat uwe„ Hoog Edelheedens als nog in mijn behandeling hier omtrend ge„ „noegen zullen gelieven te neemen. §7. Terwijl jk met opzigt tot Hoog derzelver recommandatie om in het geven van zoortgelijke qualificatie aan den Fiscaal als in het geval van den Burger Braune geschied is, met de uitterste Circumspectie en moderatie etc: te werk te gaan, alzo die mes ures van 42

NL-HaNA_1.04.02_8261_0008 view scan ↗

English

54. consequence has also shown, as just recently, on the 5th of April passato, one of them, namely Dain Pabalie, being a full uncle on the mother's side of the present King, offered himself in submission. §2. It would also have been desirable that [the Company] could have brought over Aroe Mampoe and Oraing Sappanang directly, without being obliged to leave them to their desired pardon from the Boniers, as according to the ancient maxims here it is a most desirable thing for the Honorable Company to keep such persons near or under our protection and thereby to keep the others in check; however, there was not the least possibility of this, and I could only be glad that I managed to remove these two high personages, Sankielang's principal support, from that rebel in such a manner. Nevertheless, I shall constantly keep a double or most accurate reflection upon their movements, especially upon those of Aroe Mampoe, who, having recently returned again from the inland regions, whither he had gone to visit his friends, conducts himself very quietly and properly. §3. In the contract the Macassars, it is true, only obligated themselves to endeavor or to do their best to gain possession of the regalia held by the rebel Sankielang, but one could demand no more from them at that time if one considers the near impossibility that existed for them at that time, as seen from the expeditions so often undertaken by the late Mr. van der Voort and recently accomplished up to the foot of the Tassese Mountains, and from the heavy bounty placed on that mutineer himself. Rumors also have it that, to the eternal shame of the Macassars, he has already successively melted down, broken to pieces, and monetized those ornaments in order to sustain his life. Furthermore, according to the entry in the Secret Daily Register under the aforementioned 5th of April, the old Crain Candjilo recently passed away in 55 the mountains, so that now, besides a certain Crain Bonto Nompo, whose wife is with the Boniers and who will therefore probably also come over in time, he has no one else with him but a party of run-away slaves and vagabonds, with whom it is impossible for him to undertake anything of importance anymore. §6. Regarding Your High Nobilities' remark concerning the well-foundedness or unfoundedness of my reflections, namely that in making the contract with the new monarch and his grandees one could not know which of the then still scattered princes and other nobles of the realm would come over, and that it was not advisable, in view of their attachment to Boni, to include them among the Macassars, it serves most humbly to state that these reflections were not only founded upon the influence that these two peoples have upon each other through the mutual marriages maintained for nearly a century, of which entire genealogical registers could be drawn up—and among which, besides the marriage of Datoe Baringang to a Macassar princess that occurred here in my time, belonged particularly the former King Aroe Mampoe mentioned above, together with the Princes Craeng Bonto Panno and Craeng Tammasongo—but also principally upon my complete awareness that these Macassars, having imbibed the Boni maxims all too strongly, far from helping to restore this newly established realm, would have caused considerably more harm and discord within it; and therefore I hope that Your High Nobilities will still be pleased to accept my actions in this regard. §7. While, with respect to Your High Nobilities' recommendation to proceed with the utmost circumspection and moderation, etc., in granting such qualification to the Fiscal as occurred in the case of the burgher Braune, since those measures of

Dutch transcription

54. gevolg ook bewiezen heeft alzo nog Iongst of op den 5„e April passato een van dezelve namentlijk Dain Pabalie, zijnde een volle oom van Moeders kant van de presente Koning zig in submis„ „sie aangebooden heeft. ien Aroe Mam„ §2. Het waar ook te winsrden geweent dat Comp: had kunnen „poe en oraing Sappanang direc doen overkoomen, zonder verpligt te zijn ve aan hunne er¬ et volgens de aloude „langd Pardon de Boniers te laten Ed: Comp„e is, de stellingen alhier een allerwenschelijkste de daar door de zulke bij of onder onze bescherming te h andere in bedwang te houden; Dog hierroe is geene de minste mo„ „gelijkheid geweest, hebbende jk maar blijde mogen zijn dat Jk deeze twee Hooge personagien Sankielangs voornaamste Steun, op dusdanige wijse van dien Rebel verwijdert heb gekreegen. Egter zal ik steeds een dubbelde of allernauwkeurigste reflevie op hunne gangen slaan, bijzonder op die van Aroe Mampoe, die onlangs weder uit de binnen Landen, werwaarts hij om zijn vrienden te bezoe„ „ken gegaan was, terug gekeert wezende, zig zeer stil en wel houd. §3. Bij het Contract hebben de Maccassaaren, het is waar, zig maar eenlijk verbonden om te zullen tragten, of hun best te doen de onder de Rebel sankielang berustende Rijksornamen ten magtig te worden, dog meerder kon men in die tijd van hun niet vorderen als men nagaat, de genoegzaame onmogelijkheijd die daar toe voor hun te dier tijd was uit de zo dikwils door wijlen de Heer van der voort ondernomene en nog laast tot aan de voet van het Tassese Geberg te volbragte Expeditien en op de zo zwaar op dien muijteling zelve gestelde premie. Ook willen de ge„ „rugten dat hij die ornamenten reets tot een beuwige schande der Maccassaaren successive versmolten, aan stukken gebroken en om zijn leven te onderhouden ten gelde gemaakt zoude heb„ „ben. Zijnde onlangs volgens het aangeteekende bij het Lekreet Dag=Register onder den 5„e April voormeld nog in 55 het 0 : het Geberg te overleeden den ouden Crain Candjilo. zo dat hij nu buijten, eenen Crain Bonto Nompo wiens vrouw bij de Boniers is en dus denkelijk met 'er tijd ook wel zal overkoomen, geenen ande„ „ren bij zig heeft als een parthij weggedroste slaven en vage„ „bonden waarmeede het hem onmogelijk is om iets: van belang meer te onderneemen. §6. Aangaande uwe Hoog Edelheeden remarque omtrend de gefun„ „deertheid of ongefundeertheid mijner gemaakte reflexien, dat men bij het maken van het Contract met den nieuwen vorst en zijne Grooten niet konde weeten wie van de toen nog verstrooide Princen en andere Rijkslieden zoude overkoomen en dat het niet raadzaam was uit hoofde van hun attachement van Bonij, hen onder de Maccassaaren meede in te trekken, diend allernee„ „drigst dat deeze reflexien niet alleen gefundeert zijn geweest op den in„ „vloed die deeze twee volkeren op elkander hebben door de bij na een Eeuw stand gehoudene wederzijdse Huwelijken, waar van geheele slagt=Registers op te maken zouden zijn, en waar onder, buiten het nog in mijn tijd alhier voorgevallene Huwelijk van Datoe Baringang met een Marcassaarse Prindes, toen bij zonder thuijs hoorde de geweezene Koning Aroe Mampoe hier vooren gemeld neevens de Princen Craeng Bonto Panno en Craeng. Tammasongo, maar ook voornamentlijk op mijne volkome„ „ne bewustheijd dat deeze de Bonijse maximes al te sterk ingesoge„ „ne Maccassaaren wel verre van dit eerst opgerigte Rijk te zul„ „len helpen herstellen, daar inne vrij meer nadeel en stribbelingen zouden hebben te weege gebragt, en daarom wil jk hoope dat uwe„ Hoog Edelheedens als nog in mijn behandeling hier omtrend ge „noegen zullen gelieven te neemen. §7. Terwijl jk met opzigt tot Hoog derzelver recommandatie om in het geven van zoortgelijke qualificatie aan den Fiscaal als in het geval van den Burger Braune geschied is, met de uitterste circumspectie en moderatie etc: te werk te gaan, alzo die mes urer van 3.

NL-HaNA_1.04.02_8261_0010 view scan ↗

English

deviate from the ordinary manner of judicial orders, find it my duty most reverently to submit that I have not granted this authorization except upon firm assurance that the seven free Company subjects, stolen or purchased by the said Brauwe, were in his house, as was indeed found to be true. That in a case like this there could be no hesitation with the authorization, because Braune, having smelled a rat, would without doubt have quickly transported those people over or through the bamboo fences to one or another neighbor, the more so as, as can appear from the trial records, the President was a creditor of his and his neighbor at that time, the Secretary of Justice Clootwijk, was a co-partner in his slave trade. Furthermore, Right Honorable, Highly Esteemed Gentlemen, this power—be it said with due respect—which properly belongs to native affairs, has always remained entrusted to and exercised by the respective Governors here, even by published edicts approved by Your Noble Honors, without anyone ever having dared or having had the right to complain about it. I take the liberty, for further proof of the truth, most humbly to append hereto not only an extract from one of these edicts, but also a brief note of just a few similar cases previously executed here. And if this is taken away from them, then, as I must candidly confess, not only does a Governor's most necessary authority exercised in this respect up to now fall away, but they can also then impossible guarantee against the danger that is to be expected from the daily stealing and buying up of Company subjects and particularly of people belonging to Bonian or other Princes, indeed even to the King, since then every slave trader could continue undisturbed in his evil practices and quickly force the Bonians to take their people away from their houses even by force, which can only cause great disasters. And therefore I most humbly request that this practice may not only remain in place, but that I, in answer to this, may obtain anew the high authorization of Your Noble Honors for the same, with this addition, most highly necessary for Maccasser, that a governor shall be free to send up to Batavia, at the honored disposal of Your Noble Honors, those citizens or Company servants who refuse or show the slightest unwillingness to return purchased free subjects and subordinate people of the King of Bonij or other Princes (from which, as said, many difficulties could arise and the so highly necessary respect for a Governor among the native population be completely destroyed), whether for the money advanced for them or in such manner as shall best be arranged for everyone by the Governor, since this will absolutely be of more consequence than all the edicts issued against it. For, Right Honorable, Highly Esteemed Gentlemen, scarcely a day, or at least no three days pass that a Governor is not troubled with all such cases—in which it is impossible for him to satisfy everyone—now by the King of Bonij, then by that of the Maccassars, and then again by other grandees; indeed, this article constitutes one of the greatest vexations for a ruler here. The edicts progressively enacted against this evil and most recently renewed in the year 1773 are drafted so vigorously to achieve the intended purpose, in order to avert the same if it were possible, that hardly any stricter provisions can be made in that regard. Nevertheless, it was recently amplified with the specified points and not only published in the proper place, but copies thereof have also been delivered, according to custom, to the Courts of Bonij and Maccasser. The under-interpreter Deefhout could not be convicted of what was charged against him. I have reasons to think that some partiality on the part of van de Walle or others will have been somewhat too suspicious in that regard; at least, apart from the stubbornness shown to me regarding his brother-in-law Klootwijk's demotion, he has

Dutch transcription

van de gewone maniere der Regterlijke beschikking devieeren, mijn verplijt vinde aller reverentelijkst te dienen dat jk deeze qualificatie niet ge„ „geven, heb als op vaste verzeekering dat de door hem Brauwe ge„ „stolene of opgekogte zeven stux vrije skompagnies onderdanen in zijn huijs waren, gelijk ook bevonden is geweest waar te zijn. Dat in een zaak als deeze was met de qualificatie niet gedraald konde worden, terwijl Braune lond gerooken hebbende ongetrijffeld die lieden spoedig over of door de Bamboese Paggers bij de eene of andere Buurman getransporteerd zoude zijn geworden, te meer nog, gelijk uit de Proces papieren blijken kan, de President Een Crediteur van hem en zijn doenmaligen buurman de secretaris van Iustitie clootwijk een meede participant in zijn slaven handel was. Boven dien Hoog Edele Groot Agtbaare Heeren zo is /: het zij met verschul„ „digd respect gezegt:/ deeze magjt, die eijgentlijk tot de Jnlandse zaken thuijshoort, althoos aan de respective Gouverneurs alhier, zelfs bij ge„ „publiceerde en door uwe Hoog Edelheedens goedgekeurde Plakaten gedefereert gebleeven en door hun g'oeffend geworden zonder dat zig ooit imand hier over heeft durven of met regt kunnen beklagen, nemende ik de vrijheijd om tot verdere bewijse van waarheid niet alleen een Extract uit een dezer Plakaten maar ook een kleine Notitie van maar eenige soortgelijke hier bevoorens g'exteerde gevallen dezen ootmoedigst bij te voegen; En word hun dit beno„ „men dan vervalt, gelijk sk rondborstig bekennen moet, niet alleen een Gouverneurs in dit opzigt tot hier toe g'oeffend allernoodsa„ „kelijkst. gezag maar zij kunnen als dan ook onmogelijk instaan voor het gevaar dat uit het dagelijkse steelen en op koopen van 'sComp„s onderdaanen en wel bijzonder van Bonische of andere Princen, ja zelfs den Koning toebehoorend volk te verwagten is, dewijl als dan ieder slaven handelaar ongestoord in hunne kwade bedrijven zoude kunnen voortvaaren en de Boniers schielijk nood zaken om de hunne zelfs met geweld uit haare huijsen weg te haalen, het geen niet als groote on„ „heilen veroorzaaken kan, en daarom verzoek jk allerootmoedigst dat het niet alleen bij dit gebruik mag blijven, maar dat jk in antwoord die met een nieuw verzoek in diergelijke gevallen voor het vervolg. het Plakaat teegens het opkoopen van vrije menschen etc: g'amplieert en gereno„ „veert 30 Deefhouts onschuld antwoord deezes op nieuw daar toe de Hooge qualificatie uwer Hoog„ „ Edelheedens mag erlangen, met deeze voor Maccasser aller hoogno„ „digste bij voeging dat het een gouverneur vrij zal staan om Bur„ „gers of skComp„s Dienaaren die weigeren of de minste onwilligheid betoo„ „nen om opgekogte vrije onderdaanen en onderhoorig volk van Bonijs koning of andere Princen, waar uit als gezegt veele moeijelijk„ „heeden zoude kunnen ontstaan en de zo hoog nodige agting van een Gouverneur bij den Jnlander finaal benomen word terug te geeven het zij voor het daar voor uitgeschootene geld dan wel zodanig als het best voor een ieder door den Gouverneur zal te schicken zijn, ter g'Eerde dispositie uwer Hoog Edelheedens na Batavia op te zenden, dewijl dit absolut van meerder klein zal zijn als alle de daar tee„ „gens g'emaneerd wordende Plakaaten. want is het Hoog Edele Groot Agtbaare Heeren een dag, ten minsten geen drie gaan 'er voorbij dat een Gouverneur niet met al zulke historiaalen waar inne hij onmogelijk een ieder genoegen kan geeven dan door de Koning van Bonij, dan door die der Maccassaaren en dan weeder door andere Grooten vermoeijelijkt word, ja dit articul maakt een van de grootste verdrietelijkheeden voor een Gebieder alhier uit. De Placaaten teegens dit kwaad successive gestatueert en nog Jongst in a„o 1773. gerenoveert zijn zo kragtig ingesteld tot bereiking van het bedoelde oogmerk, om ware het mogelijk het zelve te weeren, dat daar omtrend genoegzaam geene striktere bepaalingen kun„ „nen worden gemaakt, Egter is het jongst met de opgegevene poincten g'amplieert en ter behoorlijker plaats niet alleen ge„ „publiceert maar ook daar van na den gebruike afschriften aan de Hoven van Bonij en Maccasser afgegeven geworden. De ondertolk Deefhout heeft men van het hem ten lasten gelegden niet kunnen overtuigen. Jk heb reedenen om te denken dat eenige parthijdigheeden van van de walle off andere wat te ergdenkend daar omtrend zullen zijn geweest, ten minsten hij heeft buiten zijn mijn betoonde hoofdigheijd over zijn swagers klootwijk dimotie 5. 58

NL-HaNA_1.04.02_8261_0012 view scan ↗

English

and recommendation for chief interpreter. The Bonians have no right to Takalara and often make unlawful pretensions, for which reason the adjacent matter shall also be kept alive, § 11, and that which is mentioned in the text shall be observed. demotion, which he later, seeing things rightly, had to justify: has given me not the slightest further reason for displeasure; on the contrary, his zeal and vigilance shown since then have obliged me, since he was also the closest and most capable person for it, to confer upon him the service of chief interpreter instead of Brugman, subject to the esteemed approval of Your High Noble Lands, for which I then most humbly request Your High Noble Lands' favorable approval. § 10. The village of Takalara actually belonged to the Macassars, but has for a long time been inhabited by the Bonians in a surreptitious and obreptitious manner, and they inhabit it still, and it is also the same one spoken of in the secret Daily Register of 11 October 1778 and the secret Letter of the 23rd of that month. But all the other lands lying thereabouts belong not only to the Macassars, but have always been administered by them; for which reason I, along with the late Mr. van der Voort, cannot deem it proper, much less advisable, to give them up to the Bonian Gentlemen, who have therefore had the least right to them, and who have repeatedly, indeed very often, been unashamed enough to make pretensions to lands to which they had the slightest ownership, as is found clearly enough noted in the Memoir of Governor Sinkelaar and many other Papers besides. For which reason I then also in the future, as times are not suited for it now, will not only keep alive the pretension of the Macassars to nine of their villages taken possession of unlawfully by the Bonian Tomilalang, but also then insist upon the restitution of the same. § 12. Furthermore, according to Your High Noble Lands' respected orders, I will use all diligence to prevent the jealousy between these two Chiefs and at the same time strive in the best possible manner to bring it about that by encouraging the Macassars one might finally Some clarification as to what result the Conference on Your High Noble Lands' Letter to the Macassar Court has had. finally obtain the balance of this scale, which has already for so long tipped to the side of the Bonians, so necessary to be maintained for the Honorable Company. § 13. That the Macassars in the letter delivered by their Envoys from Your High Noble Lands made no request for pardon on account of the participation of the greatest part of them in the Rebellion, those people—who made not the slightest objection to swearing upon the Koran within this castle that they would do so according to Contract article 14—must have either forgotten it or, as I deem most likely, thought that everything was included within the dispatch of their Envoys. § 14. In a separate Conference on 5 April, I also repeatedly presented to the King and his Grandees of the Realm the goodness of Your High Noble Lands and the requested return to them of Samboppo and the granting of superiority over the Torajans, and at the same time presented to them the impossibility of consenting to the other requests, especially with regard to the tithes, since it is no more than equitable that the Honorable Company, which has been forced by the rebellion they made to incur such heavy expenses, should be compensated somewhat in this way, since they cannot make compensation in Cash. Thereupon they expressed to me their joy over the first and second articles, but at the same time wished that they had also been released just as favorably from the third; but I diverted them from this as best I could, partly in a friendly and then again in a somewhat resolute manner by a clear presentation of its impossibility, and then also gave them to understand that, regarding the Sodiang matter, something might perhaps still be done concerning the Sodiang half formerly administered by them, and that I would very gladly take it upon myself to submit their urgent request concerning this to Your High Noble Lands once more, as I now also have the Honor to do by way of my modest considerations regarding the same formerly

Dutch transcription

en voordragt tot oppertolk. de Boniers hebben geen regt op Takalara. en doen dikwils onregtmatyd pretentien. waaromme het neeven„ „staande ook zal levendig gehouden. § 11. en het in texto vermelde betragt worden. dimotie, die hij de zaken regt inziender naderland heeft moeten billijken: mijn geene de minste reedenen tot misnoegen verder ge„ „geven, ter Contrarie zijn zedert betoonde iever en vigilantie hebben mijn, dewijl hij 'er ook de naaste en bekwaamste toe was werpligt hem onder de g'Eerde goedkeuring uwer Hoog Edelheeden den dienst van oppertolk insteede van Brugman op te dragen, waar op Jk dan ook allerootmoedigst de gunstige approbatie uwer Hoog Edelheedens verzoekende ben. 510. De Negorij Takalara heeft eigentlijk de Maccassaaren toe„ „behoort, dog is zeedert langen tijd door de Boniers op een seb=en ob„ „reptife wij ze bewoond geworden, en deeze bewoonen z' nog en is ook de„ „zelfde waar van bij het sevreet Dag-Register van den 11„e october 1778. en de sekreete Brief van den 23„e dier maand gesprooken word. Dog al de andere daar omstreeks leggende Landen gehooren ook niet alleen aan de Maccassaaren maar zijn althoos door dezelve beheert geweest; waaromme jk met wijlen den Heer van der voort niet voegelijk veel min raadzaam kan oordeelen om ze af te geeven aan de Heeren Boniers, die 'er dus het minste regt op gehad hebben en die meermaalen Ja zeer dikwils en beschaamt ge„ „noeg geweest zijn pretentien te formeeren op Landerijen daar ze de geringste eijgendom aan hadden, gelijk duidelijk genoeg genoteerd gevonden word bij de Memorie van de Gouverneur Sinkelaar en veele andere Papieren meer. Zwaaromme Jk dan ook in vervolg, want nu zijn 'er de tijden niet na gesteld, niet alleen levendig zal houden der Maccassaaren pretentie op Neegen hunne door de Bonische Tomilalang ten onregten in bezit genomene Negorijen, maar ook als dan doen aandringen op de restitutie derzelve. §12. Voorts zal k na uw Hoog Edelheedens gerespecteerde beveelen alle vlijt aanwenden om de Jalousie tusschen deeze twee Hoofden voor te komen en teffens het op de best mogelijkste wijze daar heen tragten te brengen dat men door de Maccassaaren op te beuren weeder eens eindelijk een 7. eenige opheldering wat uitslag de Conferentie, over H:o H: Ed: Missive aan het Maccassaarse Hof gehad heeft. eindelijk bekomen kan het voor de Ed„e Komp„e zo noodzakelijk te be „houdene evenwigt van deeze nu reets zo lange aan de zijde der Boniers overgeslagene balans. § 13. Dat de Maccassaaren bij de door hun Gezanten overgebragte brief van uw Hoog Edelheedens geen verzoek tot pardon hebben ge„ „daan weegens de deelhebbing van het grootste gebeelte hunner in de Rebellie, zullen die menschen /:die geen de minste bedenking hebben gemaakt om binnen dit kasteel op den Alcoran te Zweeren, zulks volgens Kontract art„s 14. te zullen doen:/ of vergeeten hebben of gelijk jk wel het naasten stel gedagt hebben dat in de afzending hunner Gezanten alles als opgeslooten lag. §14. Jk heb den koning en zijne Rijxgrooten ook in een aparte Conferentie op den 5„e April meermeld voorgesteld de goedheid uwer Hoog Edel„ „heedens en de verzogte terug gave aan haar van Samboppo en het toestaan van de superioriteijt over de Trojeenders en hun ook te gelijk voorgehouden. de onmogelijkheijd die 'er is om in het andere verzogte te consenteeren, bijzonder in op zigte den ver„ „thiening, alzo het niet meer dan billijk is dat de Ed„e komp„e die door haar gemaakte opstand genoodzaakt is geworden zulke zwaare onkosten te doen, hier door eenigzints, dewijl zij geen Contante vergoeding kunnen doen, schadeloos word gesteld. zij betuigden wijn hier op hunne blijdschap over het eerste en tweede artikul, maar wenste teffens dat ze van het derde ook zo gunstig ontslagen waren geworden, dog Jk hebse daar van zo goed doenlijk, gedeeltelijk op een vriendelijke en dan weeder eenigzints op een Cordaate wijze door een duidelijke voorstelling van dies onmogelijkheid gebiver„ „teerd en toen teffens te kinnen gegeven dat 'er met opzigt tot het bijzonder, over het sodiangh halve bevoorens door haar beheerde sodiangse somtijds nog wel iets te doen zoude zijn, en dat jk daar omtrend zeer gaarne op mijn wilde neemen uwe Hoog Edelheedens nog maals hunne instantie dien aangaande voor te dragen, gelijk ik dan ook de Eer heb zulks teffens bij wijze van mijn geringe Consideratien nopens derzelver bevoorens

NL-HaNA_1.04.02_8261_0014 view scan ↗

English

that is given in consideration and proposed, in addition to making the request made thereto, and thereby most respectfully to report: That this territory, with all that belongs to it, in a„o 1669 with the conquest of Maccassar became entirely the property of the Honorable Company. That since then a part, or rather the half thereof which lies to the south, was ceded to the Maccassarese; That in anno 1740, according to the contract of the 8„e of October, through the war that arose with Craeng Bonto lancas, they had to surrender this part again until the reign of Mr. Loten, who granted this half to them again, and that they subsequently retained possession thereof until this last war, when everything again fell to the Company, which completely conquered them by the sword. Whether it is now advisable to give this part back to them or not! Concerning this, diverse opinions have arisen on multiple occasions; at least I have found that Mr. Blok, in his posthumous memorandum, made little difficulty of it, whereas on the contrary Mr. van der voort (deceased), in his letter to Your High Right Noblenesses of the 10„e of June 1780, was of the mind never to do so. However, subject to the wiser opinion of Your High Right Noblenesses, I think that for the revival of this realm and in order thereby to make the number of their electors complete again, also because by the lazy and indifferent nature of our subjects we shall never be in a position to manage it properly, one might well proceed to cede that part back to them again, though under no other conditions than that there, as well as elsewhere in their lands, they remain subject to the levy of the tithe, and also that they conform to the most recent delimitation of the boundary made by Mr. Boelen, see his Right Honorable secret daily register sub dato 28„e December 1768. § 15 That I have used all moderation, equity, and reasonableness towards these peoples is evident from too many perspectives for me to boast further about it. I shall also persist in this as long as my administration lasts: § 16 But as regards the Boniers, whom, as well as the Maccassarese, I have always treated with all politeness, and whose King I have also personally shown many conveniences merely to keep him in good harmony with the Honorable Company, and which harmony I dare flatter myself to be currently as great as ever, their innate vices of robbery and greed notwithstanding. § 17 These Boniers, their most unjust, nay, then I can freely say, shameless complaints, if they are aimed at me, I would answer here, were it not that the points themselves are lacking to me due to the delay of the factory ship Het Huijs te Broodwijk, and I thus cannot properly know what the truth of the matter is. § 18 I shall therefore do so as soon as, as stated before, I shall be enabled to do so by the receipt of the note of the grievances stated or brought forward by the envoys who have likewise not appeared here to this day; and meanwhile I most humbly report to Your High Right Noblenesses, with respect to the wantonness of their princes, that however much I immediately complained in all earnest about their insolence, their audacity has increased to such an extent that our kampongs and bazaar peoples continually did not remain free from plundering and stealing; even some of our Europeans who incautiously ventured a little too far off were wounded and stripped by them. However, see the secret daily register under the 24„e of January past, by repeated representations and threats that such acts of violence committed on our soil, nay even in our kampongs, would be resisted with force, I have brought it so far that the King, who in the end even became ashamed of it, gave me full permission immediately to strike down such wanton persons (with the exception of a single one whom he specified to me to be spared), which has had that desired effect.

Dutch transcription

dat in consideratie gegeven en voorgesteld word. bevonens daar toe gedaan verzoek te doen, en mits dien Eerbiedigst te melden: Dat dit Landschap, met al wat daar bij gehoort in a„o 1669 met de verovering van Maccassar geheel en al 's Ed=e komp„s eigendom is geworden. Dat men zeedert een gedeelte of wel de helft daar van, die in het zuijden legt, aan de Maccassaaren heeft afgestaan; Dat zij dit gedeelte in anno 1740. volgens Con„ „tract van den 8„e october door den ontstaane oorlog met Craeng Bonto lancas weeder hebben moeten overgeeven tot op de Regeering van de Heer Loten die haar deeze helft weeder ver„ „gunde, en dat zij vervolgens daar van dan ook bezit gehouden hebben tot op deeze laasten oorlog, wanneer alles aan de Comp„e die hun met den zwaarde geheel en al overwonnen heeft, weder vervallen is. of het nu raadzaam is hun dit gedeelte weder af te geeven dan niet! hier over zijn meermalen diverse gevoelens ontstaan„ ten minsten jk heb gevonden dat de Heer Blok er bij zijn Ed: nagelatene Memorie weinig zwarigheijd ingesteld heeft, daar in teegendeel de Heer van der voort /:z:/ bij zijn brief aan uw= Hoog Edelheedens van den 10„e Iunij 1780. van gedagten was om het nimmer te doen. Egter denk jk onder het Hoog wijzer gevoelen uwer Hoog Edelheedens dat men tot weder op beuring van dit Rijk en om het getal Hunner Kiesheeren hier door weder voltallig te maken, ook om dat wij door den luijer en on„ „verschilligen aard onzer onderdaanen nooit instaat zullen zijn het zelve behoorlijk te beheeren, wel zoude kunnen overgaan om dat gedeelte weder aan hun af te staan, egter onder geene andere conditien dan om daar zo wel als elders in hunne Landen de heffing der thiende subject te blijven en ook om zig te schicken na de Jongste Limiet scheiding door de Heer Boelen gemaakt, vide zijn wel Edele sekreet Dag Register sub dato 28„e De„ „cember 1768. § 15 Dat jk omtrend deeze volkeren alle moderatie billijkheid en redelijkheid heb gebruikt, blijkt uijt te veelen op zigten dan dat jk mijn hier over verder beroemen zoude. jk zal hier ook, zo lange mijn mijn bestier duurt, in volharden: Boniers die jk steeds zo wel als de Maccassaaren met alle politesje behandeld en welkers koning jk ook uit mijn eigen veele gerieflijkheeden beweezen heb om hem maar in een goede eensgezindheid tot de Ed„e Comp„e te houden, en die jk mijn durf flatteeren thans, ongereekent hunne aangeboorne gebreeken van §17. roof en hebzugt, zo groot te zijn als ooit. Deeze Boniers hunner zo ze op mijn doelen, aller onbillijkste Ja als dan kan jk vrijelijk zeggen onbeschaande klagten, zoude jk hier beantwoorden zo niet de poincten zelve door het agterblijven van het Komptoir schip het Huijs te Broodwijk mijn mankeerden en ik dus niet 518. ten regten weeten kan, wat er van is. Ik zal dienthalven sulx doen zo dra k, gelijk voor zegt, daar toe instaat zal zijn gesteld door de ontfangst van de Notitie der door de hier almeede tot heeden toe nog niet opgedaagde Gezanten opgegevene off ingebragte bezwaarnissen en uw Hoog Edelheedens inmiddens needrigst met op zigt tot de moetwil hunner Princen melden dat hoe zeer Jk over hunne brutaliteijten ten eersten met allen ernst heb gedoleert, de stoutheid van haar zodanig heeft toegenoo„ „men dat onze kampongs en Bazaars volkeren bij Continu„ „atie niet vrij van vooren en steelen bleeven zelfs zommige van onze Europeese die on voorzigtiglijk wat te ver afgingen zijn door haar gequest en afgezet geworden. Jk heb het egter, vide het Sekreet Dag Register onder den 24„e Ianuarij passato, door herhaalde vertoogen en dreigementen van zulke geweldadig„ „heeden die op onze grond Ja zelfs in onse Campongs worden gepleegd met geweld te zullen doen wederstaan, zo verre gebragt dat de koning, die 'er op het laast zelfs over beschaamt wierd, mijn een volkomene permissie gaf om zulke moedwillige / een eenige die hij mijn opgaf om verschoont te worden uitgezondert:/ direct maar neer te leggen, het geene van die gewenschte uitwerking Dog wat aangaat de is 516. 119

NL-HaNA_1.04.02_8261_0016 view scan ↗

English

has been that after this happened once or twice, little or nothing more was heard from those troublemakers. Section 20. Against the prohibited navigation, and especially towards the spice-yielding offices, all diligence is exercised here, and it can be none other than Wajo and Mandar people who venture to do so without passes, and who thus, being apprehended, are subject to confiscation; which it were to be wished might once be effected by the vigilance of the Amboina cruisers in order to instill fear in them. For I cannot imagine that the Boni people, who are now thoroughly informed of the prohibition against it, would dare to undertake such a thing, although they would otherwise presently be in a better position to do so than the Macassars, whom in the past year I even had to provide with a vessel for the dispatch of their envoys to Your Right Honourables. Section 21. Nevertheless, I shall not fail, in accordance with the contents of Your Right Honourables' esteemed orders, to remain ever most attentive hereabouts, as well as to keep a watchful eye on the navigation to the Strait of Malacca and the correspondence of the Celebes princes with those of Riau. Section 22. Just as I have also, since the departure of my last respectful letter of 12 October of the past year, repeatedly and especially on 10 and 16 May past pressed the King of Boni no less for his promised assistance in recovering the goods stolen by the people of Suppa and Nepo from the Amboina shipwreck victims, though once again in vain; indeed, to such an extent that I must almost think that in this matter a double game has been played by this Court, or rather by the Madanrang, the King's father-in-law, since he is also a father-in-law to the King of Suppa, and that they merely seek to lead the Company up the garden path with all kinds of frivolous pretexts. However, as long as one cannot actively demonstrate the Company's resentment over all these bad dealings, there is nothing else to be done against this but to continue pressing for the restitution of those goods, 11. Section 23. to see if at times something might come of it. But this will nevertheless not lead me to consent to their unreasonable pretensions made from time to time, such as among others the one regarding the Kampong Baru, the illegality of which is evident not only from the answer that the late Governor Van der Voort gave them to their request to set up a market there again, but it is also certain, and they must be convinced of it themselves, that outside the Bugis lands or the interior where the King's actual place of residence, Cenrana, lies, they do not possess a foot's breadth of land that is their own, or that they have not successively received on loan from the Company to inhabit; even Bontoala and the Kampong Bugis belong to the Company, as Mr. Smout also noted in his memorandum left here. Section 24. The number of vessels exempt from toll when the Boni people come to dispatch their envoys to Your Right Honourables has been determined, as well as the grounds on which such a dispatch alone may take place, although a fourth vessel for the people of Soppeng, which it was not advisable to refuse at this time, has been added. But regarding the size of the vessels themselves, it has not been practicable to make any regulation, nor any arrangement concerning the transport of goods, as with respect to the former they had already complained of having no larger paduakang, while they would immediately have regarded the latter, which was precisely the article in question, as an obstruction to the agreed toll exemption. Section 25. Among the people of Soppeng, who with respect to the notification of their newly elected king will surely have conducted themselves according to what was mentioned in that regard by the Boni people in their letter, all is quiet and well. In the beginning of this year I received by missive from the old Datu of Soppeng a friendly offer of his person and resources at the service of the Honourable Company in case of necessity, which I also answered politely. Section 26. In Luwu matters are likewise well situated. Section 27. And concerning the disputes between Sidenreng and Tawitto, or rather the peoples of Lahiya, who are lesser vassals of Boni and of whom, as well as of several others, Sidenreng is the principal prince, I shall do myself the honour of speaking under the distribution, and thus most respectfully with regard to those of Section 28. Panrangbatu, say that from the same considerations as Your Right Honourables, to accommodate those peoples somewhat, I have permitted their prince to dispatch one or two vessels to Manggarai to collect rice and other necessities. They have also promised, upon the admonition that I recently had the former chief interpreter Brugman make, to apply their diligence this year to pay off something in reduction of their debt, having in the meantime handed over the two customary slaves for homage. Section 29. At the Court of Buton, pursuant to Your Right Honourables' highly respected command, upon the return of the annual extirpators, I shall further insist on the restitution of the cannons successively fished up by them, and at the same time offer them a fair salvage fee, although, as I noted in my respectful letter of 12 October, I cannot suppose that anything will come of it, unless the salvage fee should now accomplish that much with them. Section 30.

Dutch transcription

is geweest dat zulks een ad tweemaal geschied zijnde, men van die bru„ „teurs weinig off niets meer vernoomen heeft. § 20. Teegens den verboden vaart en wel inzonderheid naar de specerij gevende komptoiren word hier met allen vlijd gewaakt en het kunnen niet dan wasgoreesen en Mandhareesen zijn, die zulks onderstaan zonder passen te doen, en die dus agterhaald wordende buiten der Confisca„ „bel zijn, het geen wel te wenschen was dat door de vigilantie der Ambonse Kruijssers om een afschrik in hun te verwekken eens kon„ „de geschieden. want jk kan niet denken dat de Boniers, die nu ter deege van het verbod daar teegens g'informeerd zijn, zulks zouden durven onderstaan, schoon zij er anders tegenswoordig beter toe in staat zoude weezen als de Maccassaaren, die jk in anno pagato zelfs van een vaarthuig ter afzending van hunne Gezanten aan uwe Hoog Edelheedens heb moeten voor 521. „zien. Des niet te min zal jk niet in gebreeke blijven om na den inhoud uwer Hoog Edelheedens g'eerde beveelen zo wel hier omtrend steeds aller oplettende te wezen als een wakend oog te houden op de vaart na straat Malakka en de Correspondentie § 22. der Celebesche vorsten met die van Riouw. Gelijk jk ook zeedert het afgaan mijner laast Eerbiedige van den 12„e october pagato wee„ „der niet minder bij Bonijs Koning diverse maalen bezonder op den 10„e en 16„e Mai passato aangedrongen heb op zijn beloofde adjude in de wederkrijging der door die van souipa en Neepoe van de Ambonse schip breukelingen geroofde goederen, schoon alweder vrugteloos, Ja zodanig dat jk bij na zou moeten denken dat hier inne door dit Hoff of eigentlijk den Madanrang 's konings schoonvader /:alzo deeze ook een schoonvader van Soupas koning is: /. medium partum is gespeeld, en dat men de Comp„e maar met allerhande frivoole uitvlugten tragt om den tuin te leiden. Egter valt hier teegens zo lange men niet mett 'er daad 'skomp„s gevoeligheid over alle deeze slegte gedoentens toonen kan, niet anders te doen als bij continuatie op de restitutie dier goederen aan te dringen, 11. §23. off er zomtijds iets van Bomen mogt. Dog dit zal evenwel niet wegneemen dat jk zoude inwilligen in hunne nu en dan gedaan wordende onbillijke pretentien, gelijk onder anderen die op de zam„ „pong Baroe is geweest, welkers onwettigheid niet alleen blijkt uit het antwoord dat wijlen den Gouverneur van der voort hun op haare verzoek om 'er weeder een passer op te regten, gegeven heeft, maar het is ook zeeker en zij moeten 'er in zig zelfs van overtuigt weezen dat zij buiten de Boegis of de binne landen alwaar 's konings eigentlijke Residentie plaats Tjinrana legt, geen voet breed land hebben dat hun eigen is of dat zij niet successive van de Comp„e om te bewoonen ter leen ontfangen hebben, zelfs Bontoalacq: en de Campong Boeges behoort de Comp„e zo als de Heer Smout bij zijn hier nagelatene Memorie ook aangemerkt heeft. § 24 Het getal der vaarthuigen die vrij van thol zijn wanneer de Boniers hunner Gezanten aan Hunner Hoog Edelheedens komen af te zenden is zo wel als de reedenen wanneer zo een afzending maar alleen zal plaats mogen vinden bepaald, schoon 'er een vierde vaarthuijg voor die van Soping, dat in deeze tijd niet raadzaam was te ontleggen, is bij gekoomen. dog aangaande de grootheid der vaarthuigen zelfs, is niet wel doen„ „lijk geweest eenige bepaaling te maaken ook niet eenige schic„ „king omtrend den vervoer van goederen, alzo zij met op zigt tot het eerste zig al beklaagd hadden geen grooter paduackangs te hebben, terwijl zij het tweede, dat juist het artikul in questi is geweest, aanstonds weeder als een stremming in de g'accor„ „deerde thol vrijheid zoude hebben aangemerkt. onder die van §25 Soping, welke met opzigt van de kennis geeving hunner nieuw verkooren koning zig zeekerlijk zullen gedragen hebben aan het geene ten dien op zigte door de Boniers bij hunnen brieff vermeld is, is alles stil en wel. hebbende jk in den aanvang van dito 2 dit Jaar per missive van den ouden Datoe soping een vriendelijke aan bod van zijn Perzoon en vermogen ten dienste van de Ed:e Comp„e in Cas van noodzakelijkheijd ontfangen, die ik ook beleefdelijk beantwoord heb. §26. Loewol is het insgelijks wel gesteld, en van de verschillen tusschen. §27: Sideenreeng en Tawitto of eigentlijk de volkeren van Laaija dat mindere vasallen van Bonij zijn en waar van en van nog eenige andere sideenreng de Hoofd-vorst is, zal /k mij de Eere geeven bij de bedeeling te spreeken, en dus eerbiedigst met op„ „zigt tot die van. §28. Pandrabonij zeggen dat jk uit dezelve inzigten van uwe„ Hoog Edelheedens, om die volkeren eenigzints te gemoet te koo„ „men, aan hunnen vorst heb toegestaan om een a twee vaartuigen na de Mangarij ter afhaal van Rijst en andere behoeftens af te zenden. zij hebben ook op de aanmaening die jk jongst door den voormaligen oppertolk Brugman heb laaten doen be„ „looft hun vlijt te zullen aanwenden om dit Jaar iets in minde„ „ring hunner schuld af te leggen, hebbende zij intusschen de twee gewoone slaaven tot homagie afgegeven. Bouton zal ik op uwe Hoog Edelheedens hoog gerespec„ „teerde bevel bij weder vertrek der Jaarlijkse Extirpateurs nader aandringen op de restitutien der successive door hun opgeviste Canons en hun teffens aanbieden een billijke borglom, schoon ik, gelijk bij mijne Eerbiedige van den 12„e october heb aangemerkt, niet kan veronderstellen dat er iets van komen zal, ten zij het berg„ „loon nu zo veel bij hun te weeg mogt brengen. 529 Bij het Hog van op 530 : 4

NL-HaNA_1.04.02_8261_0019 view scan ↗

English

13. §30. I shall also present more fully to the king the complaints of the Amboina Ministers regarding the smuggling trade and the admission of the Ceram people on Bouton, and further urge him to counter that trade, although in this and the past year I have been assured by our Bouton interpreter that no spices are to be obtained there, and that this prince even gave him a commission to purchase a small amount of nutmeg, mace, and cloves here, just as he is said to have given to those who departed on his behalf for the Capital. Moreover, by sending up in the year 1780 some Ambonese arrested there who had colluded with the Ceram people, they have shown that they are not friends of the latter. Furthermore, Bouton is of such an expanse of islands, such as Calisoesoe, Caijdoepa, Woena, Cabainang, etc., among which are many that do not even listen to him, that it may very easily happen that, upon their arrival there, he does not even learn of it; and therefore the order given by Your Right Excellencies to Amboina to obtain the necessary evidence will be a very good aid in this matter. §31. In order to be able to accomplish anything fruitful regarding their complaints about the encroachment of the Bone people in Woena—of which, as I noted anno passato, they themselves are largely the cause—I shall first have to await the embassy that they have stated they will send about this to the Prince of Bone, as otherwise it would at best be only half-done work. Furthermore, by letter of the 12th of May passato, I again instructed the Resident of Bima not only to insist further with those of Sumbawa and Salemparrang on the restitution of the eleven cannons located at the last-mentioned place, but also to remember on occasion those that are still lying at Bima itself and must be sent to the Capital according to orders, in the hope that something may finally come of it. §32. Meanwhile, for Your Right Excellencies' elucidation, I have the honor to enclose herewith a written explanation from the former interim Resident Feihrer concerning a certain vessel said to have arrived there with opium. §33. Concerning Your Right Excellencies' opinion regarding those of Salemparrang and the conduct of the Balinese prince Karrang-Assang, I have also given the Resident Meurs the necessary notice for his guidance and observation, forwarding extracts from Your Right Excellencies' last received respected missive. §34. Upon Your Right Excellencies' honored authorization, I shall have the people of the Prince of Banggai who remained behind here returned to Ternate at the first forthcoming opportunity, whither I shall also have that prince himself transferred, who arrived here on the 7th of March passato from Bonthain, where the indifferent Master of the chaloup De Manado, Pieter Martensz, had left him behind. As Your Right Excellencies will be able to observe more closely, if you please, from his statement made at the secretariat and respectfully enclosed herewith. §35. With regard to affairs of war, having first offered my humble gratitude for the favorable approval of my arrangements made in this regard, I most humbly report with respect to the Javanese auxiliary troops that none of them have ever insisted strongly or emphatically on their departure here, for had that happened, they would in the first place absolutely have had to address themselves to me, which did not occur at all, but rather to the Captain-Commandant Baserman, who then presented to them the war with the English, etc., which I then also had to presume was not in true earnest. 15. §36. Furthermore, I would not have dared to presume to let them depart in these dangerous times without Your Right Excellencies' further orders, the more so as the authorization existed to retain them on account of a shortage of our own men, and I am short nearly one hundred men from the ordinary garrison quota, not counting a large number of impotent and various old, decrepit, and incompetent soldiers; nor could I know how much time would elapse before I received others in return for those to be sent away. However, in compliance with the highly respected orders now received, I shall send them back from here to Java successively, with the most humble request to Your Right Excellencies to be provided in their stead with a couple of hundred other warriors, at least for as long as no relief of European soldiers can arrive. §37. Having herewith—while endeavoring to comply completely in all things with the further orders given—answered Your Right Excellencies' highly respected letter of the end of December 1782, I shall most respectfully proceed to the relation of what has occurred here since the dispatch of my last humble letter of the 12th of October passato, or that which since that time relates to the separate description and has not already been mentioned hereinbefore. Beginning with the Kingdom of the §38. Macassars, I then first most respectfully report that their envoys dispatched to Your Right Excellencies in October anno passato returned here safe and well on the 5th of March last, and that, having received them according to custom, I subsequently conducted such negotiations with that court concerning the letter of Your Right Excellencies brought with them, as I have had the honor to relate hereinbefore. 139

Dutch transcription

13. §30. Jk zal den koning ook nader voorhouden de klagten der Am„ „bonse Ministers over de sluijkvaart en admissie der Cerammers op Bouton en hem verder adhorteeren om die vaart teegen te gaan, schoon k in dit en verleeden Jaar van onzen Boutonse Tolk verzeekert ben geworden dat daar geen specerijen te krijgen zijn en dat dien vorst hem zelfs Commissie ter inkoop alhier gegeven heeft van een weinig Nooten, foelij en Nagulen, gelijk hij ook gegeven zoude hebben aan die geenen die zijnentweegen na de Hoofdplaats vertrokken zijn, Boven dien hebben zij met de opzending in Anno 1780. van eenige daar opgepakte en met de Cerammers geheulde Amboneesen niet getoont vrienden van deeze laaste te weezen. Ook is Bouton van zo een uitgestrekt, „heid in Eilanden als Calisoesoe, Caijdoepa, woena, Cabai„ „nang etc: waar onder veele zijn die niet eens na hem luisteren, dat het zelr gemakkelijk wezen kan, dat zij daar komende, hij er niet eens de weet van krijgt en daarom zal uwe Hoog „Edelheedens gegevene ordre na Ambon ter bekoming van de nodige bewijzen een zeer goed hulpmiddel in dezen zijn. §31. Om iefs met vrugt te kunnen doen omtrend hunne klagten weegens den indrang der Boniers in woena, daar zij, „gelijk jk in anno passato heb genoteerd, zelfs veel oorzaak van zijn, zal jk voor af dienen af te wagten het gezandschap dat zij gezegd hebben hier over aan Bonies vorst te zullen afzenden, alzo het anders op zijn best maar half gedaan werk zoude weezen. Boverwal heb jk de Resident van Bima bij brief van den 12„e Mai passato weder gelast om bij die van sumbauwa en salemparrang niet alleen nader aan te dringen op de restitutie der ten laast gem: plaats zijnde zelven kanons maar ook om bij geleegendheid te denken aan die geenen die nog op Bima zelfs leggen en volgens ordre na de Hoofdplaats moeten gezonden worden: in hoope dat 'er eindelijk iets van Aan komen 4 532. Terwijl jk Jntusschen de Eere heb tot uwe Hoog Edel„ komen mag. „heedens elucidatie hier neevens te voegen een schriftelijke verant„ „woording van den geweezene prointerum Resident Feihrer weegens zeeker aldaar, zo gezegd was, met Amphioen aangekoomen vaarthuig. — §33 van uw Hoog Edelheedens gevoelen omtrend die van Salem„ „parrang en het gedrag van den Balijsen vorst Karrang= Assang heb jk den Resibent Meurs onder toezenden van de Extracten uit uwe Hoog Edelheeden laast ontfangene gerespec„ „teerde missive, almeede de noodige kennisse tot zijn narigt en ob„ „servantie gegeven. § 34 Op uwe Hoog Edelheedens g'Eerde qualificatie zal jk het hier van de Bangaijsen vorst agtergeblevene volk bij eerst voor„ „komende gelegentheid na Ternaten terug laaten heeren, wer„ „waarts jk dan ook zal laaten overgaan die vorst zelve, dewelke alhier den 7„e Maart passato van Bonthain /:alwaar de onverschillige Gezaghebber van de Chialoup de Manado„ Pieter Martensz: hem agtergelaaten had:/ is aangekoo„ „men. Gelijk uwe Hoog Edelheedens uit zijne ter secretarije gedaan en hier neevens in Eerbied bij gevoegde opgave des gelie„ „vende nader zult kunnen b'oogen. Met op zigt tot de 535 Saaken van Oorlog voor af mijn needrige dank erkente„ „nisse afgelegd hebbende, voor de gunstige approbatie mijner ge„ „maakte schikkingen in deezen, zo melde jk needrigst met opzigt tot de Iavase hulptroepen dat geene derzelver hier nooit sterk off met nadruk op hun vertrek hebben gestaan, want dat ge„ „schied zijnde, hadden zij zig in de eerste plaats absolut bij mijn moeten vervoegen, dat in het geheel niet geschied is, maar wel bij den Kapitain Kommandant Baserman die hun dan de oorlog met de Engelschen voorhield etc: het geen Jk dan ook veronderstellen 15. veronderstellen moest geen regten ernst te zijn. §36 Buiten dien zoude k mijn niet hebben durven verstouten om dezelve in deeze gevaarlijke tijds=omstandigheeden te laaten vertrecken zonder uwe Hoog Edelheedens nadere beveelen, te meer 'er de qualificatie lag om ze te mogen aanhouden uit hoofde van eigen volk gebrek, en ik genoegzaam Honderd man, ongereekend een groot getal impotente en diverse oude afgeleefde en onbequaame militairen, aan de ordinaire Guarnisoen bepaling komen te mankeeren; ook konde jk niet weeten hoe veel tijd 'er zoude heen loopen eer Jk in plaats van deeze te verzendene weeder andere terug kreeg. Egter zal jk in voldoening der nu ontfangene hoog gerespecteer„ „de beveelen, dezelve successive van hier terug na Iava zenden, met ootmoedigst verzoek aan uwe Hoog Edelheeden om in plaats van die weder met Een paar Hondert andere krijgers, ten minsten zo lange 'er geen ontzet van Europeese militairen komen kan, voorzien te worden. §37: Hier meede nu /: de verder gegevene ordres in alles Compleetelijk zullende tragten te voldoen:/ b'andwoord hebbende uwer Hoog Edelhee„ „dens Hoog gerespecteerde Letteren van ultimo December 1782. zo zal Ik Eerbiedigst overgaan tot de bedeeling van het alhier voorgevallene zeedert het afgaan mijner laast onderdanige van den 12„e october passato of wel het geene zeedert dien tijd tot de aparte beschrijving relatie heeft en niet reets hier vooren vermeld is Beginnende met het Rijk der 538 Maccassaaren, melde jk dan voor af Eerbiedigst dat hunne na uw Hoog Edelheeden in october anno passato afgevaardigde Gezanten den 5„e Maart J„o Leeden behouden en wel hier weder terug zijn gekoomen, en dat jk dezelve na den gebruike gerecipieert hebbende vervolgens met dat Hof over de hun meede gebragte brieff uwer Hoog Edelheedens zodanige onderhandeling gehouden heb, als Jk de Eere heb gehad hier vooren te bedeelen. 139

NL-HaNA_1.04.02_8261_0022 view scan ↗

English

Section 39. Furthermore, through the mediation of the worthy old shahbandar Craeng Palemba, I settled some disputes that had arisen between the king and his brother, Prince Craen Data, which, although arising from a mutual misunderstanding, could nevertheless sometimes have caused some unpleasant estrangements. The Court of Section 40. Boni, whose envoys have not yet returned here to this day, gave me notice on the 3rd of November that the queen had given birth to a prince, for which, according to custom, I had a small present offered, and at the same time on that occasion informed the king of the complaints brought before me by the Macassars regarding the prowling of certain Bonians around Malangkerie, in order, if possible, as they had already once attempted or undertaken, to kidnap one or another Macassar from there and subsequently sell them here or elsewhere, and that I had already given orders to drive them from there by force, as it was not their place; to which message the prince, certainly more out of shame than pleasure, had me answered that the order given was very much to his liking, indeed that he requested me simply to have it carried out strictly, as these were nothing but the scum of the people who committed such outrages without his prior knowledge. Section 41. On the 1st and 18th of November past, in order to prevent mischief and not to give free rein to these brawlers, I had a protest lodged with His Highness against the holding of ronggeng performances by Bonian princes on Company land in Kampong Totempe, situated between Kampong Bugis and Kampong Melayu, which was thereupon forbidden, though somewhat tardily. Thus, High Noble, Greatly Respectable, Widely Commanding Lords, is one constantly plagued by these peoples, and if it remained at this, it would easily be accommodated, but unreasonable repeated requests from the king himself also occur, so that one is almost at a loss as to how best to turn them aside. On the 28th of December past, His Highness requested me that a vessel that had arrived here these days from Beneratte, having brought along 17 pikols of trepang, various cloths, and other small items, besides some present goods for His Highness himself, might be free of toll; but since this would cause too great a loss to the farmer of the toll and an equal breach of the lease itself, I replied that the king's present goods were free, but that regarding the others, I could not break the contract made in that respect by his late grandfather, both for himself and his successors in the realm, with the Honorable Company on the 26th of February 1774; that such obligations entered into with mutual satisfaction must be kept sacred, and that for this the king himself drew an annual sum of one thousand Spanish rixdollars from the farmer, which otherwise would lapse, as would the contract itself. This did not please His Highness; he repeated that request once more, and I refused it once more in the same manner, and here the matter rested. Section 42. Section 43. Of the insolences which the Bonian princes and lesser persons frequently commit and which are recorded in the separate Daily Register under various dates, especially under the 26th, 27th, and 28th of January, as well as the 18th and 22nd of February past, I have already most respectfully made mention here below in the reply, as well as the measures successfully employed against them. Section 44. On the 2nd of April past, the king of Boni, just as took place in the year 1779 with that of Riau, gave me notice of the arrival of an embassy to him from the king of Banjarmasin, of which I had already been privately informed, and at the same time requested me for the Malay scribe to translate the letter brought to him by the envoy. Since the envoys from there had frequently been here and were always accepted, and it was sufficiently clear to me from this message that no secret negotiations were taking place between these princes, both allies of the Company, I raised no objection to this, and thus thanked His Highness for the communication and sent him the requested scribe, who shortly thereafter procured for me a copy of the aforesaid letter, most respectfully attached among the appendices of this document, which principally contained a request for large, fine horses trained for hunting deer, and an offer in return of a pair of diamond rings, a neat shield overlaid with gold and silver, a pair of silk patolas, and a pair of silk embroidered handkerchiefs. Section 45. Furthermore, the king made the New Year's visit to me at the proper time according to our custom, and aside from what has been cited above, everything is otherwise here with them in a reasonable and peaceful state, as will further appear to Your High Nobilities under the article of matters of war and that of the Northern Provinces. Section 46. Having nothing to report here regarding Soping and Pandraboni, I proceed most respectfully to that of Section 47. Tanette, whose king having rendered himself still unworthy of the favor that Your High Nobilities' goodness would otherwise have pleased to show him in forgiving the war debts incurred by his late mother to the amount of 1612: 8:— rixdollars, I have done nothing in that regard. However, he has made a visit to Boni's king these days and this [illegible]

Dutch transcription

§39 Voorts heb jk door bemiddeling van den braven ouden sabandhaar Craeng Palemba bijgelegd eenige tusschen den koning en zijn Broeder den Prins Craen Data ontstaane verschillen die, schoon uit een misverstand van beide, egter zomtijdes eenige onaan„ „genaame verwijderingen hadden kunnen veroorzaaken. Het Hoff van 540 Bonij welkers Gezanten hier tot heeden toe nog niet terug zijn gekoomen, heeft mijn den 3„e November kennisse gegeven dat de Koninginne van een princ bevallen was, waar voor jk na den gebruike een smal geschenkje heb laaten aanbieden en teffens bij die geleegendheid de koning doen weeten. de mijn van de Maccassaaren voorgebragte klagten weegens het stroopen van zommige Boniers omstreeks Malangkerie om waar het mogelijk, zo als zij al eens getenteert off ondernoomen hadden om deeze of geene Maccassaar van daar op te ligten en zo vervol„ „gens hier of elders te verkoopen en dat jk daar op reets last gege „ven had dezelve met geweld als hun plaats niet zijnde, van daar te verdrijven; Op welke bootschap mijn den vorst seekerlijk meer uit beschaamdheidshalven als genoegen liet antwoorden dat die gegevene Last zeer na zijn zin was ja dat hij mijn verzoeken liet om dezelve maar striktelijk te laaten uitvoeren alzo dit niet anders dan schuim van volk was dat zonder zijn voorkennisse zulke baldadigheeden pleegden. §41. P„o en 18„e November passato heb jk ter voorkoming van onheilen en om deeze bruteurs geen bot te vieren bij zijn Hoogheid laaten protesteeren teegens het aanregten van ronging-speelen door Bonische Prinden in de op skom p„s Grond tusschen de Kampong Boegir en de Lampong Maleijoe leggende Kampong Totem„ „pe, dat daar op, dog egter wat draalende, verbooden is. zoodanig Hoog Edele Groot Agtbaare wijdgebiedende Heeren is men telkens met deeze volkeren geschooren, en bleef het hier bij, het waare ligtelijk in te schikken, dog on billijke herhaalde verzoeken van 17. van den koning zelve komen 'er ook in voor zodanig dat men bij na verleegen is op wat wijze dezelve bast te ontleggen. Den 28„e December passato liet mijn zijn Hoogheid verzoeken dat een hier deezer daagen van Beneratte aangekoomene vaar„ „thuijg meede gebragt hebbende 17 pikols tripangs, diverse kleetjes en andere kleenigheeden, buiten nog eenig present goederen voor zijn Hoogheid zelve, vrij van Thol mogte weezen, dan dewijl dit een te groote schaade den Pagter en een niet mindere inbreuk in de pagt zelve zoude veroorzaaken, antwoorde jk dat 's ko= „nings present goederen vrij waaren, dog dat jk omtrend de andere niet breeken konde het door wijlen zijn Groot- „vader zo voor hem als zijn opvolgers in het Rijk met de Ed„e Komp=e op den 26„e februarij 1774 ten dien opzigte ge„ „maakte Kontract, Dat zulke verbintenisse niet wee= „derzeids genoegen aangegaan, heilig moesten onderhou= „den worden en dat de koning daar voor zelfs van den Pagter Jaarlijks Een somma van Een Duizend Rd„s spaans trok, die anders zo wel als het Kontract zelve zoude vervallen. Dit stond zijn Hoogheid niet aan, hij herhaalde nogmaals dat verzoek en Jk refuseerde het nogmaals op dezelve wijze en hier is het bijgebleeven 542. § 43. Van de brutaliteiten die de Bonsche Princen en min„ „dere meest dikwilspleegen en bij het apart Dag-Re„ „gister onder diverse datums, bijzonder onder den 26„e 27„e en 28„e Ianuarij item 18„e en 22„e februarij passato be„ „kend staan, heb jk hier van onder de b'andwoor= „ding reets eerbiedigst mentie gemaakt zo wel als de daar teegen met succes in het werk gestelde mid= =delen. § 44. Den 2=e april passato liet mijn de koning van Bonij, even als in anno 1779 met die van Riouw had plaats gehad, kennisse geeven van de aankomst eener Gezantschap 9 Gezantschaep aan hem van de koning van Banjermas= „sing, waar van jk reets onder de hand g'informeert wes, en mijn teffens verzoeken om de maleijdsche schrij„ „ver tot het overzetten van de door de Gezant aan hem meede gebragte brief. jk stelde, dewijl de Gezanten van daar meermaalen hier geweest en altoos g'accepteerd waren en mijn uit deeze boodschap genoegzaam bleek dat 'er geene geheime onderhandelingen tusschen deeze vorsten, beide 'skomp=s Bondgenooten, plaats had, geene zwarigheid hier in, en liet zijn Hoogheid dus bedanken voor de communicatie en zond hem de verzogte schrijver toe, die mijn „ kort daar aan bezorgde een afschrift van voorsz: onder de Bijlaagen deezes eerbiedigst gevoegde missive, die ten principaale inhield een verzoek om groote mooije paarden tot de haertenbeesten Jagt gedres„ „seert en een aanbod daar en teegen van een paar diamante ringen, Een net goud en zilver overgelegd schild, een paar zijde pathoolen en een paar zyde gestikte neusdoeken. § 45. Voorts heeft den Koning ter behoorlijker tijd na onder gewoonte de nieuw jaars vizite bij mijn afgelegd en buiten het vooren aangehaalde is het anders hier niet hun alles in een reedelijke en vreedigen toestand, gelijk uwe Hoog Edelheedens onder het articul van zaaken van Oorlog en dat der Noorder Provincien nader ge„ „blijken zal § 46. Soping en Pandrabonij hier niets te melden hebbende, gaan jk Eerbiedigst over tot die van § 47. Tanette welkers koning zig als nog onwaardig gemaakt hebbende, de gunste die uwe Hoog Edelheedens goedheid hem anders hadden gelieven te bewijzen in het quit= „schelden van de door wijlen zijn Moeder gemaakte Oor„ „logs schulden ten bedrage van rijxd„s 1612: 8:—: heb jk daar omtrend niets gedaan. Egter heeft hij deezer daa„ „gen een visite bij Bonijs Koning afgelegd en deeze van. zoude . : - .. R

NL-HaNA_1.04.02_8261_0025 view scan ↗

English

would, as it is said, have reproved him so seriously about his recalcitrant conduct that he has resolved to present himself to me in person shortly, upon returning from Tanette. The Regent of Sidenreng is still within Sidenreng, which, as it appeared to me during their last conference on the 2nd of April, is even beginning to bore her court grandees, especially the first in name Daeng Riboko, who is an old, brave, and upright man disposed toward the Company. Otherwise it is quiet and well there, possibly better than if she were there herself, which is why I concern myself little about her return. The Datu of Sidenreng, who is one of the princes of the northern vassals of the King of Boni, such as Nepo, Supa, Sawitto, etc., went thither some time ago to punish some of those peoples who had wronged him. Arung Pantjana, who also had friends there, learning of this, likewise marched thither to protect his people, and this has caused quite a stir among these peoples. However, since according to the contents of the 25th article of the Bungaya contract they are obliged to listen to Boni and the Company, I think that this will not get out of hand, although our commissioner returned from there, the former Resident of Saleyer Whijts, has not yet given an all too favorable report regarding Datu Sidenreng's inclination thereto. As for Buton, to avoid daily expenses, I already gave their leave on the 13th of November past to the envoys of that kingdom who were present here, and at the same time let them depart thither for the eradication of the spices there, with Sergeant Pieter Bausamie and associates, provided with the necessary instructions for that purpose. Meanwhile, by a letter handed to the envoys, I also conferred with the King and realm grandees about the two English ships that were there in the past year, about their complaints regarding the violence committed by the Bonians on Muna, and about the verdict regarding the reclaimed cannons that currently depends on Your Right Excellencies. From the opposite shore, on the 5th of November past, the King of Bima and his realm grandees sent me a letter containing a request for assistance of powder and lead, as well as flintlocks, for defense against certain Bonians who had attacked their village Pota located on Manggarai. Before I proceeded with this, I had the King of Boni confronted with the unreasonable manner of his subjects in attacking a place that did not belong to them, nor to which their monarch had the slightest right. But since from his equally unreasonable answer it became sufficiently apparent to me that His Highness seemed to have little desire to take the necessary measures against this, and the Honorable Company cannot in good conscience tolerate such unreasonable acts from a gang of marauders or a party of wanton Bonian princes—mostly unbridled even by the King—against its allies, without assisting them with such a trifle, I, with the advice of the Council on the 6th of November past, made no objection to accommodating the Bimanese Court, which as well as that of Boni is in an alliance with the Company, with two small barrels of powder and one picul of lead against payment, nothing further in this regard having come to my notice from then until today. Paragraph 52. From the Gusti of Selaparang I also received a very friendly letter late last year, containing his continuing inclination to live in friendship with the Honorable Company and a request to me to lend a helping hand to his juragan Intje Titang, sent here to carry out his affairs, to which, upon the departure of that man, I gave him such an answer as Your Right Excellencies, if you please, will be able to perceive from my brief letter sent to him on the 2nd of December 1782. Paragraph 53. Furthermore, on the opposite shore everything is reasonably well, and the long-drawn-out dispute between those of Dompu and Sanggar has been quite completely settled by Resident Meurs, as will be able to appear to Your Right Excellencies, if you please, from his letter addressed to me of the last of February past. Paragraph 54. By letter of the 12th and 15th of this month, I have also conferred with the Resident concerning the pieces of cannon still lying on Selaparang and about what was written by Your Right Excellencies with respect to those of Selaparang and Bali, the execution and answer of which I hope to be able to supply to Your Right Excellencies in the autumn. Paragraph 55. Concerning the Company's lands and subjects, Your Right Excellencies, if you please, will be able to see from the entries in the separate Daily Register under the 22nd of October and 23rd of November 1782 the restitution by the King of Boni to the Honorable Company of the mountain village Fatuku, which the Tomilalang, already mentioned before in Paragraph 11, during the dispute of Pankielang on Maros, had appropriated by fair means or foul and had held under his administration until now. Paragraph 56. With the collection of the tithes this year, as in all previous ones, there has again been much trouble, as can appear further from the letter of the former Resident Van de Walle dated the 30th of November past, although this man otherwise also the friendliest

Dutch transcription

zoude hem, zo gezegd word, over zijn werevelig gedaag zo erns= „tig onderhouden hebben dat hij voorgenoomen heed om binnen korte, van Tanette weeder te rug koomende, in perzoon zig bij mijn aan te bieden. 148 Thaeng is nog binnen Sideenring, het geen, zo het mijn bij hunne laaste Conferentie op den 2„e april voorkwam, haar Hofs-Grooten bijzonder de Eerste in naame Daeng Riboko /: dat een oud braaf en opregt 'skomp„s Gezind Man is :/ zelfs begint te verveelen. anders is het daar stil en wel, mogelijk beeter dan dat zij er zelfs was, waaromme jk mijn om haar te rug komst weinig be= „kreune. 49 Tideenreng, die een der vorsten van de om de Noord geleegene vasallen van Bonijs koning als Neepo Soepa, Sawitto etc is, heeft zig eenigen tijd geleeden na derwaarts begeeven om zommige van die volkeren die hem misdaan hadden te straffen. Aroe Pantjana, die er ook vrienden had dit verneemende trok tot be= „scherming der zijne meede na derwaarts, en dit heeft onder deeze volkeren al wat spels verwekt, egter denk jk, dewijl zij na den inhoud van het 25=e artikul van het Bongaijse kontract verpligt zijn na Bonij ende Comp„e te luisteren, dat het geen al te groote vaart meer loopen zal, schoon onze van derwaards te rug gekeerde kommissiant ten oud Saleijers Resident whijts geen al te favorabel Rapport omtrend Datoe Sideenring geneegentheid daar toe als nog gegeven heeft, Boutong heb jk, ter vermijding van dagelijkse On„ „kosten reets den 13„e November passato hun afscheid gegeven de hier aangeweest zijnde Gezanten van dat Rijk en te gelijk met hun weder na derwaarts ter uitroeijing der specerijen aldaar laaten vertrekken de na. Den Datoe van. De Regentesse van zergeant 19. ƒ zergeant Pieter Bausamie C: s. voorzien van de daar toe nodige jnstructie. terwijl jk den koning en Rijxgrooten bij een de Gezanten ter handen gestelden brief ook onder= „houden heb over de in armo passato aldaar aangeweest zijnde twee Engelsche scheepen, over hun klagten omtrend der Boniers gepleegde geweld op woena en over de van uw Hoog Edelheeden tans afhangende uitspraak weegens de te rug gevorderde kanons. De overwal rond mijn den 5„e November passato de koning van Bima en zijne Rijxgrooten een missive, inhoudende verzoek om adsistentie van kruit en Lood, item Snaphaanen tot defensie teegens zommige Booniers die hunne op de Mangarij leggende Negorij Potae hadden aangedaan. eer jk hier toe overging liet jk den koning van Bonij voorhouden de onreedelijke ma„ „nier zijner onderdaanen met een plaats aan te doen die hun niet toebehoorde nog waar op hun vorst eenige het minste regt had, dan dewijl mijn uit zijn even onreedelijk andwoord genoeg kwam te blijken dat zijn Hoogheid niet veel lust scheen te hebben hier teegens het nodige in het werk te stellen en de Ed: komp=e egter niet goedsmoeds zulke onreedelijkheeden gedoogen kan van een bende stroopers of een parthij moetwillig en door den Koning meerendeels zelfs niet te bezeugelen Bouische Princen teegens zijn Bondgenooten, zonder de„ „zelve met zo een kleenigheid te assisteeren, heb jk met advis van Raade op den 6=e November passato geen zievarigheid gemaakt het Bimase Hof dat zo wel als dat van Bonij met de Komp=e in een verbond staat met twee vaeatjes kruid en een pikol Lood teegens betaa= „ling te gerieven, zijnde mijn zeedert tot heeden nog niets nader hier omtrend voorgekomen. 51 § 52. van den Gustij van Salemparrang heb ijk in het laast van voorleeden Jaar ook een zeer vriendelijke brief ontfangen, inhoudende zijn bijblijvende genegendheid om met de Ed„e komp:e in vriendschap te leeven en ver= van. „zoek 21 21. „zoek van mijn om zijne dit heen ter verrigting zijner aspaires gezondene Juragan Intje Titang de behulpzame hand te bieden, waar op Jk hem bij vertrek van die Man zodanig andwoord gegeven heb als uwe Hoog Edel= „heedens des gelievende uit mijne den 2=e December 1782 aan hem afgegaan briefje zullen kunnen ontwaaren. § 53. Voorts is aan de overwal alles redelijk wel, en door den Resident Meurs ook genoegzaam ten eenemaal bijgelegd geworden het zo lang getraineerd hebbende disput tus= „schen die van Dompo en Sangar, gelijk uwe Hoog= „Edelheedens uit desselfs aan mijn gerigte brief van ul= „timo februarij passato des gelievende zal kunnen ge= „blijken § 54. Jk heb den Resident bij brief van 12 en 15 deezer ook nog onderhouden wegens de nog op Salemparrang leggende stukken Kanon en over het geschreevene door uwe Hoog Edelheeden met oprigt tot die van Salemparrang en Balij, waar van jk verhoop de uitvoering en het antwoord uwe Hoog Edelheedens in het najaar te zullen kunnen Suppediteeren. § 55. 'S kompagnies Canden en Onderdaanen be„ „treffende, zullen uwe Hoog Edelheedens des gelievende bij het aangeteekende in het apart Dag-Register onder den 22„e October en 23„e November 1782 kunnen zien de te rug gave door Bonies koning aan de Ed„e SComp„e van de Berg Negorij Fatoekoe, die den bevoorens § 11 almeede vermelden Tomilalang zig niet de Stribbeling van Pankielang op Maros perfas et Nefas toegeEijgend en tot heeden toe onder zijn bewind had gehad. § 56. Met de inpeelming van de verthiening heeft men dit jaar, evengelijk alle voorige, weeder veele moeitens ge„ „had, zo als nader geblijken kan uit de brief van den geweezene Resident van de Walle de dato 30„e No= „vember passato, schoon deeze Man anders ook het vriendelijkste v

NL-HaNA_1.04.02_8261_0028 view scan ↗

English

did not have the friendliest disposition to deal with the native population here, but since I happen to speak of him here and it might sometimes also happen that he, being unreasonably disgruntled, should complain about me, I most humbly request Your High Nobilities only and solely to review his conduct maintained at Maros, which will appear from many papers, especially my letters dispatched thither of 16 December 1762 and 14 January 1783, without my even wishing to speak of the King of Boni's own repeatedly expressed astonishment that I had not long since removed him from the wall there; and this will then correspond with his previous manner of conduct maintained in Ternate, mentioned at large in the Extract of the Patriaschel Missive of the High Noble Lords Seventeen of 25 September 1778, § 71. Otherwise, everything is in a peaceful state here in the northern and southern provinces; also, as far as the crop stands in the field, there is hope of a much better yield than in anno passato. War. Your High Nobilities having already been informed of the reports received from Bima concerning the appearance of English ships in Sape Strait, of which nothing further has been heard since, I have the honor to report further in this matter that on the 4th of this month I was informed from Bulukumba of the appearance at Mandar of seven English ships intending, so it was said, to come hither, so that, unable to know to what extent this was true or not, I immediately put into effect the necessary measures against this visit, but that all of this likewise came to nothing; nevertheless, I saw in this not only how little consternation there was among our people, but also how willing the King of Boni again showed himself toward us in this matter, as Your High Nobilities will find this latter recorded, if you please, in the separate Daily Register under the 4th, 5th, 8th, and 11th of this month. 157. Concerning the article of. § 58. 25 23. § 58. Regarding matters of far less importance, I take the liberty to refer most humbly both to the aforesaid Daily Register itself and to the further enclosures most humbly appended hereto. § 59. While toward the close of this, as the remaining small coin, even if the factory ship should soon appear, is very trifling and the duiten still on hand will last no longer than until the month of May of the coming year 1784 solely for board money, and the people here must lose 10 to 12 duiten on each rupee when exchanging rupees at the bazaar, without anything being able to be done against it, I most humbly request that Your High Nobilities' goodness may be pleased to provide this Government, upon any relief coming from the Netherlands, if not with small coin of the Hollandia mint, then somewhat early with a good quantity of duiten, even if it were to the amount of 12000:—: rixdollars, since otherwise many calamities are to be expected here from this shortage, or we would be forced to issue the rupees to the people at the market price, which would be too great a loss for the Company. I have the honor to call myself, with the deepest sentiments of high esteem and respect. Was written below: High Noble, Right Honorable, Stern, Far-Commanding Lord and Right Honorable, Stern Lords. Lower: Your High Nobilities' most submissive and faithful servant. Was signed: B. Reijke. In the margin: Makassar, in Castle Rotterdam, 31 May Anno 1783. Agrees D. D. Bodenpijl Sworn Clerk Copy Dispatched Secret Letters since 14 October to No. 2 A. 1782 Batavia To His Honor, The High Noble, Right Honorable Lord Mr. Willem Arnold Alting Governor-General, together with The Right Honorable, Stern Lords Councillors of the Dutch Indies High Noble, Right Honorable, Far-Commanding Lord, and Right Honorable, Stern Lords, § 45. The letter and the gift from Your High Nobilities for the Regent of Johor were dispatched on 22 August last with a vessel belonging to the Roor and inhabitant here, Malim Candoe, together with a letter from the undersigned Governor containing an admonition to send an envoy hither in order to treat with us, both regarding the renewal of the former contracts and separately regarding the point of the division of prizes captured from the enemy with the Sovereign's assistance. § 46. Since then, or on the 3rd of this month, we were informed that His Highness had arrived with more than a hundred small vessels, all heavily manned, at Muar, where the Company's territory ends to the SE; and on the 5th, two envoys of His Highness appeared here, not only to make known to us his arrival at the said place, but also at the same time that he, having no trusted person whom he could send hither to treat with us concerning the matters that we to him through Secret 24.

Dutch transcription

vriendelijkste hieruur om met den Jnlander alhier om te gaan niet heeft gehad, dan dewijl jk van derzelven hier kome te spreeken en het zomtijds ook zoude kun= „nen gebeuren dat hij, onreedelijker wijze misnoegd, over mijn kwam te klaagen, zo verzoek jk uwe Hoog Edelheedens als dan ootmoedigtt om maar eenlijk en alleen te willen nagaan zijn op Maros gehoudene gedrag, dat bij veele pa„ „pieren zal komen te blijken, bijzonder mijn na derwaarts afgegane brieven van den 16„e December 1762 en 14„en Janu: 1783. zonder dat jk nog spreeken wil van des Konings van Bonij zelfs te meermaalen betuigde verwondering dat jk hem van de walle niet al reets lange van daar ver= „plaats had, en dit zal dan overeenstemmen met zijn bevoorens in Ternaten gehoudene manier van hande= „lingen, breedvoerig vermeld bij het Extract Patriasche Missive der Hoog Edele Heeren zeeventienen van 25 ste September 1778: § 71: anders is hier in de Noorder en zuider provintien alles in een vreedigen toestand; Ook heeft men in zo verre het gewasch ten velde Staat, hoo= „pe van een vrij beetere verthiening dan in anno passato. Oorlog. uwe Hoog Edelheedens reets bedeeld zijnde de van Brima ontfangene berigten weegens de verscheining van Engelsche scheepen in straat Sape, waar van zeedert niets anders vernoomen is, zo heb jk de Eere nog in deezen te melden dat mijn den 4=e deezer van Boelecomba bedeeld wierd de verscheining op Mandhar van zeeven Engelsche scheepen de wil, zo gezegd was na herwaards hebbende, dat jk niet kunnende weeten in hoe verre dit waarheid was dan niet, terstond de nodige maatregulen teegens dit bezoek in het werk heb gesteld, dog dat dit alles almeede op niets is uit= „gekoomen, egter heb jk hier bij niet alleen gezien de weinige Consternatie die er bij ons volk was; maar ook hoe bereidwillig de koning van Bonij zig omtrend ons in deezen weeder betoonde, gelijk uwe Hoog Edelheedens dit laaste des gelievende bij het apart Dag- Register onder den 4„o 5, 8 en 11 deezer zullen aangeteekend vinden. 157. Omtrend het articul van. § 58. 25 23. § 58. Aangaande zaaken veen minder belang neeme jk de vrijheid mijn Ootmoedigst te gedragen zo aan het voorsz: Dag-Register zelfs, als verdere dezen nedrigst bijge= §59. „ voegde Bijlaagen. Terwijl jk tot Htot deezes daar het restand paijement, schoon het komptoir schip spoedig mogt komen opdaagen zeer gering is en de nog aan handen zijnde duiten niet langer dan tot de maand Mai van het aanstaande Jaar 1784 enkeld door Kostgeld zullen kunnen toereiken en het volk alhier bij verwisse= „ling van Ropijen op de Bazaar 10 â 12. duiten op ieder ropij verliesen moet, zonder dat daar teegens iets te doen is, Ootmoedigst verzoek dat uwe Hoog Edelheedens goedheid dit Gouvernement bij eenig te komen ontzet uit Neder„ „land zo niet met paijement van de munt Hollandia als dan wat vroegtijdig met een goede quantiteit duiten al was het ten bedraagen van rijxd„s 12000:—: gelieven te voorzien, alzo men anders uit dit gebrek hier ver„ „le onheilen te verwagten zal hebben of genoodzaakt wee„ „ren de Ropijen teegens de marks prijs aan het volk uit te geeven, dat voor de komp„e een al te groot verlies zoude zijn. Ik heb de Eer mijn met de diepste gevoelens van Hoog-agting en Eerbied te noemen. /:onderstond:/ Hoog= „Edele Groot Agtbaare, Gestrenge, wijdgebiedende Heere en welEdele Gestrenge Heeren /:lager:/ uwer Hoog Edel= „heedens onderdanigste en Getrouwen dienaar /: was getee„ „kent:/ B„s Reijke /:in margine:/ Makassar in het Kasteel Rotterdam den 31„e Mai Anno 1783. Accordeert D D Bodenpijl „ Gesw: Clercq Copie Afgegaane Secreete Brieven sedert den 14. October „ tot No. 2 A. 1782 Batavia Aan zijn Edelheid, Den Hoog-Edelen Groot-Agtbaaren Heer Mr. Willem Arnold Alting Gouverneur Generaal, benevens De Wel-Edele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlands Indie Hoog-Edele Groot-Agtbaare Wijdgebiedende Heer, Wel-Edele Gestrenge Heeren, en §. 45. De brief en het geschenk van uwe Hoog-Edelheden voor den Regent van Iohor zyn op den 22. Augs. laastleden met een vaartuig van den Roor en inwooner alhier Malim Candoe ge„ „depecheerd, benevens een brief van den ondergetekenden zouver„ „neur, behelzende aanmaaning om een Tezant herwaarts te zenden, ten einde met ons te handelen, zoo over de vernieuwing van de verrige „het point van Contracten, als afzonderlyk over „ de verdeeling in prijzen, die met 's Vorsten behulp op den vijand veroverd worden. §46. Sedert of op den 3. deezer wierdt ons berigt, dat zijne Hoogheid met meer dan een honderd kleine vaartuigen, allen sterk bemand, op Moar, daar Comps. Grondgebied om de ZO. eindigt gearriveerd was; En op den 5. verscheenen hier twee Afgezanten van zijne Hoogheid, om ons niet alleen zijn arrivement ter ge„ „zegde plaatze, maar ook te gelijk bevend te maaken, dat Hij, geen vertrouwd persoon hebbende, welken Hij herwaarts zenden kon, om met ons over de zaaken te handelen, die wij Hem door Secreet 24.

NL-HaNA_1.04.02_8261_0034 view scan ↗

English

had had proposed by the Bookkeeper Rappa, had for that reason come to Moar himself, and left it to the Governor what he wanted done further. Section 47. Upon this message, beyond which the Envoys had nothing to say, we resolved to let the Captain of the Burgher Guard Abraham de Wind depart for Moar, to pay his Highness a compliment on our behalf, and to ask whether He wished to come here himself, or wait for our Commissioners, in order to enter into negotiations with one another concerning the renewal of the former Contracts, and the concluding of a Convention regarding the English ships according to the intention of Your High Nobilities; but from the answer given by his Highness to Captain de Wind, and cited in his Report, we could sufficiently deduce that this Prince was just as little inclined to help capture English ships as to enter into a contractual agreement with the Company, whether regarding this or with respect to other points, and that He on the contrary had some evil design or other in mind with his arrival. Section 48. Although we were further confirmed in this suspicion of ours by the speculative contents of the letter with which two more distinguished Envoys than the first arrived here on the 11th of this month, and which served as an answer to the Governor's letter mentioned hereinbefore, we nevertheless could not yet find it proper to let anything of this show. We preferred to answer the Prince's letter politely, yet at the same time emphatically, and, since He had requested us to send a trusted person to make known to Him whether or not the Company was displeased with Him, to have his Highness assured by the Fiscal Couperus and the Captain of the Burgher Guard de Wind that the Company still persevered in the friendship that had been established more than one hundred and seventy-six years ago with the Johore Court and had been maintained unbroken until now, and that it would also not deviate from it as long as the Princes of that Realm faithfully complied with the Treaties that had been concluded with them, and undertook nothing that conflicted with them in any way; just as we also communicated this to the said Envoys, who returned the same day. Section 49. On the 12th of this month it was brought to our attention how one of the Priests, who had come here with the last-mentioned Envoys and had remained until that day with the Governor's permission, had let slip that Radja Hadjie had undertaken the journey to Moar with no other than a hostile intent against this place, but that he, the priest, did not know in what manner the same would be carried out, surely because that Prince is very secretive with his plans, and discloses them to no one before they have attained their proper ripeness. We learned at the same time that the number of Bugis gathered at Moar already consisted of two thousand six hundred men, and was growing daily; that at Casang, a village close to Moar, three hundred armed riflemen had been disembarked; that the people of Marlimoe, also situated thereabouts, had heard from that of the nine vessels arrived there that Radja Hadjie would shortly proceed hither with his whole force: The Captain of the Burgher Guard de Wind, who received these reports and communicated them to the Governor, further recounted to him that, although the Governor had promised the Envoys, upon their request to obtain their dismissal soon, not to detain them longer than until the letter brought by them had been translated and read, they had nevertheless asked him, de Wind, whether they would indeed be able to depart before the evening, saying that their Master on the following day, or the 12th, would go lie with his vessel outside the river of Moar to look out for them, and, if He did not see them return, would form evil thoughts of it. And having furthermore considered that, to the Governor's question of how long their Master intended to remain at Moar, they had answered that this depended on the answer that the Governor would send to Him; all of that thus served to strengthen us more and more in the suspicion that Radja Hadjie was resolved to attack this place. In consideration, therefore, of whether we should nevertheless let the already appointed Deputation depart, we judged this somewhat precarious, in view of the fact that Radja Hadjie, who wished to assault us hostily without reason, could not be too good to detain our Envoys, whether to oblige us by that means to grant whatever He might happen to demand of us, or with another purpose, and on that ground found it proper to retract our previous decision, but on the other hand to send in the embassy to Moar the gentleman present here, the Regent of Rakkan and Envoy of the King of Siac, as a Sayyid of great esteem and credit among the Muslims, and who is very well-disposed toward our Nation, having for that reason offered his services to the Governor himself, with our letter and the charge that otherwise would have been given to the Fiscal Couperus and company; as this also took effect on the evening of the 12th of this month. We charged him at the same time to present to Radja Hadjie on our behalf that, if his Highness had anything against the Company, He should advise it through his Envoys or by a letter, either to Your High Nobilities or to us, but make no movements that could make Him mistrusted; that it was no friendly manner of proceeding to come so close to our territory with a large force of people and vessels, which He surely did not need for his retinue; that it also went against custom to have his Envoys to us accompanied by a party of vessels

Dutch transcription

door den Boekhouder Rappa hadden laaten voorstellen, uit dien hoofde zelf op Moar gekomen was, en het aan den Gouverneur liet west hij verder gedaan wilde hebben. § 47. Op deeze boodschap, buiten dewelke de Afgezanten niets te zeggen hadden, beslooten wij den Capitein der Burgerije Abra „ham de Wind naar Moar te laaten vertrekken, om aan zijne Hoogheid een compliment onzentwegen te maaken, en te vraagen, of Hij zelf hier wilde komen, dan wel onze Gecommitteerden afwagten, om met elkanderen in onderhandeling te treeden over de vernieuwing der voorige Contracten, en het sluiten van eene Conventie wegens de Engelsche schepen naar de intentie Uwer Hoog- Edelheden; dog uit het antwoord, door zyne Hoogheid aan Capitein de Wind gegeven, en in zyn Berigt aangehaald, konden wij genoegzaam afleiden, dat die Prins even zoo, min genegen was om Engelsche schepen te helpen veroveren, als om zig in eene contractatie met de Compagnie 't zij dientwegen of met betrekking tot andere pointen, in te laaten, en dat Hij daaren tegen met zyne komste den eenen of anderen kwaaden toeleg in den zin hadt. §48. Schoon wij in dit ons vermoeden nader bevestigd wierden door den speculativen inhoud van den brief, waar mede twee voor„ „naamer Afgezanten, dan de eersten, op den 11. deezer hier aan„ „kwamen, en die tot antwoord strekte op 's Gouverneurs hier vooren gemelden brief, konden wij egter nog niet goedvinden daar iets van te laaten blyken. Liever verkoozen wij 's Vorsten brief vriendelyk, dog teffens nadrukkelyk te beantwoorden, en, dewijl Hij ons verzogt hadt een vertrouwd persoon te zenden, om Iem te kennen te geeven, of de Com„ „pagnie op Ilem al of niet verstoord was ? door den Fiscaal Couperus en den Capitein van de Burgerije de Wind zyne Hoogheid te laasten verzekeren, dat de Compagnie als nog volhardde in de vriendschap, die 26 die voor ruim honderd en zes en zeventig jaaren met het Iohorsche Hof opge„ „regt en tot hier toe onafgebroken onderhouden was, en dat zij daar van ook niet zoude afwijken, zoo lang de Vorsten van dat Ryk de Ver„ „bonden getrouwelijk nakwamen, die met dezelven gesloten waren, en niets ondernamen, dat eenigzins daar mede streedt; gelik wij zulks ook communiceerden aan de gemelde Tezanten, die den„ „zelfden dag te rug keerden. §49. Op den 12. deezer wierdt ons ter kennisse gebragt hoe een van de Friesters, welke met de laastgemelde Afgezanten hier gekomen en met permissie van den Gouverneur tot dien dag verbleven waren, zig hadt laaten ontvallen, dat Radja Hadjie niet als met een vijandelyk oogmerk tegen deeze plaats de reize naar Moar hadt ondernomen, dog dat hij briester niet wist op wat wijze hetzelve zoude worden uitgevoerd, zekerlyk om dat die Prins zeer geheim is met zijne plans, en dezelven aan niemand openbaart voor dat zij hunne behoorlyke rypheid gekregen hebben. Wij vernamen teffens dat het getal der op Thoar verzamelde Boegineeschen reeds in twee duizend zes honderd man bestondt, en dagelyks aangroeide; dat op Casang, een dorp digt bij Moar, drie honderd gewapende schutters ontscheept waren; dat het volk van Marlimoe, ook daar omtrent gelegen, van dat der daar aangekomen negen vaartuigen gehoord hadt, dat Radja Hadjie zig eerlang met zijne gansche magt herwaarts begeeven zoude: De Capittein der Burgerije de Wind, die deeze berigten ontvangen en den Gouverneur medegedeeld heeft, verhaalde hem nog dat, hoewel de Gouverneur aan de Afge„ „zanten, op hun verzoek om spoedig hun afscheid te mogen er langen, beloofd hadt hun niet langer te zullen ophouden, dan tot dat des door hun medegebragte brief getranslateerd en gelezen was, zyj egter aan hem de Wind gevraagd hadden, of zy wel voor den avond zouden kunnen vertrekken. zeggende dat hun Meester den volgenden dag, of den 12. , met zin vaartuig buiten de rivier van Moar zoude gaan leggen, om na hun uit te kijken, en, indien Ilij hun niet Lag 1a8 28 En zag wederkeeren, er kwaade gedagten van zoude formeeren. daar benevens geconsidereerd zynde, dat zij op de vraag van den Gouverneur hoe lang hun Meester op Moar dagt te blijven! gediend hadden, dat zulks afhing van het antwoord, hetwelk de Gouverneur Hem zoude toezenden; zoo strekte dat alles om ons meer en meer te stijven in het vermoeden, dat Radja Hadjie geresolveerd was deeze plaats te attaqueeren. Bij overweeging derhalven, of wij nogtans de reeds benoemde Deputatie zouden laaten vertrekken ? oordeelden wij zulks wat bedenkelijk, uit aanmerking dat Radja Hadjie, die zonder reden ons vijan„ „delyk bespringen wilde, niet te goed kon zyn om onze Afgezanten aan te houden, 't zij om door dat middel ons te verpligten tot de inwiliging van het gene Hlijsomtids op ons te eischen mogte hebben, of met 6 R. eenen ander doeluit, en vonden op dien grond goed van ons voorig besluit te resili„ „eeren, dog daarentegen den heer aanweezenden Regent van Rakkan en Afgezant van den Koning van Siac als een Said van groot aanzien en credit onder de Mahometaanen, en die onze Natie zeer toegenegen is, hebbende daarom zelf zynen dienst aan den Gouverneur laaten pre„ „senteeren, met onzen brief en den last, die anders (ziet va8) aan den Fiscaal Couperus C. S. zoude gegeven zyn, in de zantschap naar Moar te zenden; gelyk dat ook op den avond van den 12. deezer zelfs van gevolg was. Wij droegen hem teffens op Radja Hadjie onzentwegen voor te houden dat, indien zijne Hoogheid iets tegen de Compagnie hadt, Hij zulks door zijne Afgekanten off bij een brieff, 't zij aan uwe Hoog-Edelheeden, dan wel aan ons moeste adviseeren, maar geene beweegingen maaken, die Hem konden doen wantrouwen; dat het geene vriendelyke manier van doen was, zoo na aan ons trond gebied te komen met eene groote magt van volk en vaartuigen, die Hij mimers tot zijne staatsie niet noodig hadt; dat het ook tegen de gewoonte streedt zijne Afgezanten aan ons door eene partij vaartuigen te laaten verzellen

NL-HaNA_1.04.02_8261_0037 view scan ↗

English

accompany, as he had now done twice in succession; that all this had aroused so much speculation among us and consternation among our inhabitants that we had resolved henceforth to admit no more than two or at most three vessels belonging to His Highness into our port at the same time, but to keep away all that arrived above that number, even by force if necessary, since, contrary to the request made in this regard by the Captain of the Burghery, De Wind, he had dispatched forty-four vessels with the last embassy, or eighteen more than with the first; that he also should not presume to disembark or bring any armed men onto the Company's territory, or else we would regard it directly as a breach of the peace and no longer consider him our friend, notwithstanding all his protestations of friendship. Section 50. As for the rumors which, contrary to our initial intention not to show any distrust toward Radja Hadjie, we have since deemed necessary to mention in our letter to His Highness, they entail that his plan was to come here as a friend, surprise us, and thus put himself in possession of this place. Radja Hadjie is haughty and enterprising enough to forge such a plan in his mind and also to attempt to carry it out; yet we prefer to believe that his arrival at Mour is a consequence of the treaty he may have concluded with the English to attack us at this time from the landward side, while they would do so from the seaward side, as they undoubtedly would have done had the French not arrived on the Coromandel Coast and given them their hands full of work there. Section 51. If our mission to Moar, by which we attempted to prevent the outbreak of disturbances with the Regent of Johor, should not have this effect, as we fear with good reason, he might soon cut off our opportunity to dispatch a small vessel to Batavia. And, since we saw none of our sloops and pantjallangs returning, we would form an ill opinion of it. Furthermore, considering that to the Governor's question as to how long their Master intended to remain at Moar they had replied that this depended on the answer the Governor would send him, all this served to confirm us more and more in the suspicion that Radja Hadjie was resolved to attack this place. In considering, therefore, whether we should nonetheless allow the already appointed deputation to depart, we judged this to be somewhat hazardous, considering that Radja Hadjie, who wished to assault us without cause, would not be above detaining our envoys, either to force us by that means into consenting to whatever he might demand of us at times, or for some other purpose. On that ground we thought it proper to retract our previous resolution, but instead to send the Regent of Rakkan, who is present here, an envoy of the King of Siak, being a Sayyid of great prestige and credit among the Muslims and very well disposed toward our nation, who had therefore himself offered his services to the Governor, as an embassy to Moar with our letter and the charge that otherwise would have been given to the Fiscal Couperus and company; which was indeed carried out on the evening of the 12th of this month. We also instructed him to present to Radja Hadjie on our behalf that, if His Highness had anything against the Company, he should advise Your High Excellencies or us thereof through his envoys or by a letter, and not make any movements that could cause him to be distrusted; that it was not a friendly manner of proceeding to come so close to our territory with a large force of men and vessels, which he did not need for his state; that it was also contrary to custom to have his envoys accompanied to us by a party of vessels.

Dutch transcription

verzellen, gelijk slij nu tweemaalen agter elkanderen gedaan hadt; dat het een en ander zoo veel speculatie bij ons en ontsteltenis bij onze ingezetenen verwekt hadt, dat wij besloten hadden voortaan niet meer, dan twee off ten hoogsten drie vaartuigen van zyne Hoogheid, te gelyk in onze haven te admitteeren, maar al wat boven dat getal aan kwam van daar te weeren, zelfs des noods met geweld, dewijl Hij tegen het verzoek dienaangaande, door den Capitein van de Burgerije de Wind gedaan, aan het laaste Gezant „veertig „schap vier en „ vaartuigen, of agttien meer dan aan het eerste, hadt mede„ „gegoven; dat Hij ook niet onderstaan moeste eenig gewapend volk op Comps. Territoir te ontscheepen of te brengen, of dat wij het direct voor eene vredebreur en Hem niet meer voor onzen Vriend zouden aanzien, niet tegenstaande alle zyne betuigingen van vriendschap. §50. Wat de gerugten belangt, van dewelken wij, tegen ons eerste voor„ „neemen om geen mistrouwen aan Radja Hadjie te laaten blyken, sedert noodig geoordeeld hebben in onzen brief aan zijne Hoogheid gewag te maa„ „ken, de zelven behelzen, dat zijn plan zoude zijn om als Vriend herwaarts te komen, ons te overrompelen, en zig zoo in het bezit deezer plaatze te stellen. Radja Hadjie is hoogmoedig en onderneemend genoeg, om zulk een plan in zyne herssens te smeeden, en ook te tragten om het werkstellig te maaken; dan wij willen liever gelooven, dat zyne komste op Mour een gevolg is van het verdrag, dat Hij mogelijk met de Engel„ „schen gesloten heeft, om ons op deezen tijd van de landzijde te atta„ „queeren, terwijl zij het van den zeekant zouden doen, gelijk zij het ongetwijffeld gedaan zouden hebben, zoo de Franschen niet ter kuste 17 Chormandel gekomen waren en hun daar zelfs handen vol werks ge„ „geven hadden. §51. Bij aldien nu onze bezending naar Moar, waar mede wij de uit„ „bersting der onlusten niet den Regent van Iohor hebben poogen voor te komen, van dit effect niet mogte zyn, gelyk wij met reden vreezen, zoude Hij ons haast de gelegenheid kunnen afsnyden om een klein vaartuig naar Batavia te zenden. En, alzoo wij geene van onze sloepen en pantjallangs 28 zag wederkeeren, er kwaade gedagten van zoude formeeren. C daar benevens geconsidereerd zynde, dat zij op de vraag van Gouverneur hoe lang hun Meester op Moar dagt te blijven gediend hadden, dat zulks afhing van het antwoord, hetwelk Gouverneur Hem zoude toezenden; zoo strekte dat alles ons meer en meer te stijven in het vermoeden, dat Radja H geresolveerd was deeze plaats te attaqueeren. Bij overweegin derhalven, of wij nogtans de reeds benoemde Deputatie 't laaten vertrekken ? oordeelden wij zulks wat bedenkelik, aanmerking dat Radja Hadjie, die zonder reden ons „delyk bespringen wilde, niet te goed kon zyn om onze Afgeza aan te houden, 't zij om door dat middel ons te verpligten re inwiliging van het gene Hlijsomtijds op ons te eischen mogte hebben, of m e eenien ander doelwit, en vonden op dien grond goed van ons voorig besluit te „eeren, dog daarentegen den hier aanweezenden Regent van Rakkan Afgezint van den Koning van Sial als een Said van groot aan zien credit onder de Mahometaanen, en die onze Natie zeer toegene hebbende daarom zelf zinen dienst aan den Gouverneur laaten j„ „senteeren, met onzen brief en den last, die anders (ziet v48/ den Fiscaal Couperus C. S. zoude gegeven zyn, in Ge zantschap Moar te zenden; gelyk dat ook op den avond van den 12. deeze zelfs van gevolg was. Wij droegen hem teffens op Radja Hac onzentwegen voor te houden dat, indien zine Hoogheid iets tegen Compagnie hadt, Hij zulks door zijne Afgekanten off bij een E„ 't zij aan uwe Hoog-Edelheiden, dan wel aan ons moeste adviseeren geene beweegingen maaken, die Hem konden doen wantrouwen; het geene vriendelyke manier van doen was, zoo na aan ons tron„ te komen met eene groote magt van volk en vaartuigen, die Hij nu tot zyne staatsie niet noodig hedt; dat het ook tegen de gewoon streedt zijne Afgezanten aan ons door eene partij vaartuigen te verzellen

NL-HaNA_1.04.02_8261_0039 view scan ↗

English

accompany, as he had now done twice in succession; that all this had caused so much speculation among us and consternation among our inhabitants that we had resolved henceforth to admit no more than two, or at most three, of His Highness's vessels into our harbor at one time, but to repel whatever arrived above that number, even by force if necessary, since he, contrary to the request made in that regard by the Captain of the Burgher Militia De Wind, had given to the last embassy forty-four vessels, or eighteen more than to the first; that he must also not presume to disembark or bring any armed men onto Company territory, or we would regard it directly as a breach of the peace and no longer consider him our friend, notwithstanding all his professions of friendship. § 50. As for the rumors, which, contrary to our initial intention not to show any distrust toward Radja Hadjie, we have since deemed necessary to mention in our letter to His Highness, they entail that his plan would be to come hither as a friend, surprise us, and thus put himself in possession of this place. Radja Hadjie is arrogant and enterprising enough to forge such a plan in his mind and also to attempt to carry it into effect; yet we would rather believe that his arrival at Moar is a consequence of the treaty he may have concluded with the English, to attack us at this time from the landward side while they would do so from the seaward side, as they undoubtedly would have done had the French not arrived on the Coast of Coromandel and given them their hands full of work there. § 51. If now our mission to Moar, by which we attempted to prevent the outbreak of disturbances with the Regent of Johore, should not have this effect, as we fear with good reason, he might soon cut off our opportunity to send a small vessel to Batavia. And, as we cannot spare any of our sloops and pantjallangs at present, we have made use of the offer made to us by the Collector of Customs Hoijnck van Papendrecht to inform Your High Excellencies without delay of the aforementioned events by his boat The Phoenix, being a fast-sailing vessel, and most humbly to pray that it may please Your High Excellencies to send us as soon as possible such relief with ships, men, gunpowder, and munitions of war, together with 800 pieces of grenadier muskets, an equal number of cutlasses, and 50000 pieces of musket balls, as Your High Excellencies in your supreme wisdom shall deem necessary, not only for our protection, but also to punish and humble the said unjust enemy, who has long abused the indulgence of the Company. Meanwhile we shall do everything in our power to frustrate his designs, trusting in the help of Heaven; just as we have already, upon the first news of his arrival at Moar, made the most suitable preparations that we could devise. § 52. We also request Your High Excellencies to be pleased to send back the said boat promptly, with the Company seafarers stationed thereon, Jan Coenraad Wilhelm Kroon and Fredrik Niman, Quartermasters, as well as Peeter van Onselder, Sailor, in order to bring us news of the succor we are to expect, and remain, in profound longing for the same, with all respect and high esteem, (was signed) High Noble, Right Honorable, Wide-Ruling Lord and Noble Stern Lords, (lower) Your High Excellencies' very obedient and faithful servants, (signed) P. G. de Bruijn, A. A. Vernélij, I. A. Hensel, F. Dierans, A. Couperus, F. Thierens, and R. B. Hoijnck van Papendrecht and H. S. Wiederhold, (in margin) Malacca in the Castle, the 14th of October 1782. Batavia To His Excellency, The High Noble, Right Honorable Lord Mr. Willem Arnold Alting, Governor-General, together with The Noble Stern Lords Councillors of the Netherlands Indies High Noble, Right Honorable, Wide-Ruling Lord, and Noble Stern Lords § 53. The Regent of Rakkan, who according to our respectful advices of yesterday went on an embassy to Moar and returned today, has reported to the undersigned Governor that Radja Hadjie, upon the question put to him regarding the reason for his coming, had at first pretended to have departed from Riouw to take some recreation, but upon the remark and representation of our envoy that the large number of men and vessels he had with him made this pretense altogether improbable, and his request therefore that he would reveal himself in truth in that regard, had declared to him as if in confidence that the English, who recently passed Riouw with five ships, had reproached him for having allowed the French and Dutch to seize the ship La Betsey in his harbor without opposing it, even without firing a single shot at them, and that this served as proof that this seizure had taken place with his consent; that his subjects, the commoners as well as the grandees of the realm, also made the bitterest reproaches to him daily regarding that matter; that it being impossible for him to endure them any longer, he had gone forth to avenge himself upon the Company for it, in

Dutch transcription

verzellen, gelik Hlij nu tweemaalen agter elkanderen gedaan hadt; dat het een en ander zoo veel speculatie bij ons en ontsteltenis bij onze ingezetenen verwekt hadt, dat wij besloten hadden voortaan niet meer, dan twee off ten hoogsten drie vaartuigen van zyne Hoogheid, te gelyk in onze haven te admitteeren, maar al wat boven dat getal aan kwam van daar te weeren, zelfs des noods met geweld, dewijl Hij tegen het verzoek dienaangaande, door den Capitain van de Burgerije de Wind gedaan, aan het laaste Gezant „veertig „schep vier en „ vaartuigen, of agttien meer dan aan het eerste, hadt mede „gegoven; dat Hij ook niet onderstaan moeste eenig gewapend volk op Comps. Territoir te ontscheepen of te brengen, of dat wij het direct voor eene vredebreuk en Hem niet meer voor onzen Vriend zouden aanzien, niet tegenstaande alle zyne betuigingen van vriendschap. § 50. Wat de gerugten belangt, van dewelken wij, tegen ons eerste voor„ „neemen om geen mistrouwen aan Radja Hadjie te laaten blyken, sedert noodig geoordeeld hebben in onzen brief aan zijne Hoogheid gewag te maa„ „ken, dezelven behelzen, dat zijn plan zoude zijn om als Vriend herwaarts te komen, ons te overrompelen, en zig zoo in het bezit deezer plaatze te stellen. Radja Hadjie is hoogmoedig en onderneemend genoeg, om zulk een plan in zyne herssens te smeeden, en ook te tragten om het werkstellig te maaken; dan wij willen liever gelooven, dat zyne komste op Mour een gevolg is van het verdrag, dat Hij mogelik met de Engel„ „schen gesloten heeft, om ons op deezen tid van de land zyde te atta „queeren, terwijl zij het van den zeekant zouden doen, gelik zij het ongetwijffeld gedaan zouden hebben, zoo de Franschen niet ter kuste 1 Chormandel gekomen waren en hun daar zelfs handen vol werks ge„ „geven hadden. §51. Bij aldien nu onze bezending naar Moar, waar mede wij de uit„ „bersting der onlusten niet den Rehent van Iohor hebben poogten voor te komen, van dit effect niet mogte zyn, gelyk wij met reden vreezen, zoude Hij ons haast de gelegenheid kunnen afsnyden om een klein vaartuig naar Batavia te zenden. En, alzoo wij geene van onze sloepen en pantjallangs 30. pantjallangs tans missen kunnen, hebben wij ons bediend van de aanbieding, door den Licentmeester Hoijnck van Papendrecht aan ons gedaan, om met zyne boot de Thenix als een wel bezeild vaartug zynde, twer Hoog- Eelheden zonder uitstel kennis te geeven van de voorschreven gebeurte „nissen, en ootmoedigst te bedden, dat het uwer Hoog-Edelheden behaage, zoo dra immers mogelyk, ons zoodanigen onder Randd met schepen, volk, buskruid, en oorlogs-munitien /benevens - 800. –. ps. Pranadiers - snaphaa„ „nen, een gelijk getal houwers, en 50000. –. ps. snaphaan kogels / toe te schikken; als uwe Hoog-Edelheden naar Hoog derzelver wijsheid noo„ „dig zullen oordeelen, niet alleen tot onze bescherming, maar door om den gemelden onregtvaardigen vijand, die de toegeevendheid van de Compag„ „nie lang misbruict heeft, te kastijden en te vernederen. Onder tusschen zullen wij alles doen, wat in ons vermogen is om zyne aanslagen te verij„ „delen, vertrouwende op 'sHemels hulpe; gelyk wij daar toe reeds, op de eerste tyding van zyne komste te Moar, de bekwaamste toebereidzels gemaakt hebben, die wij maar bedenken konden. § 52. Wij verzoeken uwer Hoog-Edelheden ook, om de gemelde boot met de daar op geplaatste Comps. zeevaarenden Ian Coen„ „raad Wilhelm Kroon en Fredrik Niman Quartiermeesters, mitsga„ „ders Peeter van Onselder Matroos, spoedig te rug te willen zenden, ten einde ons de tijding te brengen van het secours dat wij te wagten hebben, en blyven, in een uitgestrekt verlangen na hett zelve, met alle eerbieden hoogagting, /onderstond/ Hoog-dele Groot-Agt„ „baare Wydgebiedende Heer en Wel-Edele Gestrenge Heeren /lager) uwer Hoog-Edelheden zeer gehoorzaame en trouwschuldige O Dienaaren /getekend/ P. G. de Bruijn, A. A. Verndlij, I. A. Hen„ „sel, F: Dieerans, A. Couperus, F. Thierens, en R. B. Hoijnck van v Papendrecht en H. S. Wiederhold /in margine/ Malacca in het Casteel den 14. October 1782. 32. Batavia Aan zijn Edelheid, Den Hoog-Edelen Groot-Agtbaaren Heer Mr. Willem Arnold Alting, Gouverneur Generaal, benevens De Wel-Edele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlands Indie Hoog-Edele Groot-Agtbaere Wijdgebiedende Heer, en Wel-Edele Gestrenge Heeren § 53. De Regent van Rakkan die volgens onze eerbiedige adviesen van gisteren in Gezantschap naar Moar geweest en heden te rug ge„ „keerd is, heeft aan den ondergetekenden Gouverneur berigt, dat Radja Hadjie op de vraag, aan Item gedaan naar de reden zijner komste, eerst hadt voorgegeven van Riouw vertrokken te zyn om eenige uitspanning te neemen, dog op de aanmerking en voorhouding van onzen Gezait, dat het groot getal volks en vaartuigen, hetwelke Hij bij zig hadt, dit voorgeeven ten eenenmaale onwaarschynlyk maakte, en zyn verzoen dierhalven om zig toe dientwegen naar waarheid „geopenbaar e te willen declareeren, als in confidentie aan hem verklaard hadt, dat de Engelschen, die jongst met vyff schepen Riouw gepasseerd waren, Item hadden laaten verwijten, dat Hij het schip la Betsey in zyne haven door de Franschen en Hollanders hadt laaten wegneemen, zonder zig daar tegen te stellen, zelfs zonder een enkelden schoot op hun te doen, en dat zulks ten bewijze strekte dat deeze wegneeming met zyn genoegen geschied was; dat zyne onderdaanen, de Gemeenen zoo wel als de Rijksgrooten, Item ook nopens dat geval dagelyks de bitterste verwijlingen deeden; dat het Item onmogelyk zynde dezelve langer te kunnen verdraagen, Hij uitgegaan was om zig daar over aan de Compagnie te wreeken, ten

NL-HaNA_1.04.02_8261_0042 view scan ↗

English

34. unless she would give him a fourth part of the value of the aforementioned ship to be distributed among the said grandees and commoners, while he desired nothing for himself; that, if the Company would not consent to this, he would then declare himself its enemy and openly commit hostilities, without sparing his own life. He further requested our envoy to present all this in the strongest terms to the Governor and to urge upon him that he, after mature deliberation, might take such a resolution as he should deem serviceable for the prevention and averting of all the misfortunes to which the inhabitants of Malacca would otherwise undoubtedly be exposed, as well as to bring speedy word to His Highness, in order to be able to plan his measures accordingly. Section 54. Upon deliberation thereon in our Council, it was considered that Your High Nobilities had indeed, by secret letter of 12 July last, authorized us to have a gratuity delivered to the Regent of Johor, somewhat proportioned to the sum in which the Company participated in the aforementioned prize; but that when this authorization was granted, Your High Nobilities were not yet enlightened as to the contents of his letter received here previously on 18 May, and of his declaration to its bearer, the Bookkeeper Jacob Rappa, containing that now all that had passed was settled and he would show no discontented heart thereover, because from the oldest times we were in alliance with Riouw and the Company was attached to Riouw; that if we nevertheless wished to give him any gratuity, we then could not expect that he would content himself with ten thousand Spanish reals (above which sum we judged this gratuity should not be fixed), since he started with an immoderate demand; that the manner in which this demand was made did not even permit us to have the aforementioned sum of ten thousand Spanish reals offered to him, without harming the respectability of the Dutch East India Company as well as the honor of our Nation, and completely undermining the respect for the same among the other Princes in this strait as well. We therefore resolved to send the Regent of Rokan back to Muar, to notify Raja Haji that the Court of Johor, having expressly bound itself by the Contracts not to admit any foreign Europeans into any harbor of that realm except when provided with a Company pass, he had acted against those contracts by the admission of the ship La Betsy, and thereby had himself given the Company the right to take away that vessel; that, if he had nevertheless wished to maintain the freedom or neutrality of his harbor, he ought to have opposed and prevented the capture of the ship La Betsy when the French ship attacked the same; that, he not having done so, but having tacitly tolerated its removal by the French ship, although accompanied by two Company vessels, it conflicts with all right and equity to now come and demand a fourth part of the value of the same from the Company, even after he had already declared, both in writing and verbally, and also repeatedly, that he considered that matter completely settled, and thus had renounced all claims regarding it; that we nevertheless, on the contrary, for the preservation of mutual peace and friendship, will submit his demand, although unreasonable, to Your High Nobilities and send him the answer thereto in the month of June or July, if he would return to his Residence without delay and desist from all hostile undertakings; but that if he could not resolve to do so, he may then freely go his way, as we, on account of the righteousness of our cause, may hope that the Supreme Ruler of the Universe will assist us and enable us to make a successful use of the Company's arms. 36. Section 55. The packet boat De Thoenip still being in sight here, we quickly prepared this letter, in order to give Your High Nobilities notice herewith of our aforementioned resolution, to which the most pressing necessity has limited us, and upon which we expect nothing other than a violent attack by Raja Haji, the grievous effects of which, however, we trust that Your High Nobilities, with Heaven's blessing, will cause us to overcome by sending us speedily the already requested and highly necessary support. While commending Your High Nobilities' illustrious persons and the interests of the Company, as well as ourselves, to the favor and protection of the Almighty, we have the honor to be with all veneration, High Noble, Highly Honorable, Far-Ruling Lord and Well-Noble, Severe Sirs, Your High Nobilities' very obedient and faithful servants, (signed) P. G. de Bruijn, A. A. Werndlij, J. A. Hensel, A. Couperus, F. Thierens, R. B. Hoijnck van Papendrecht, and H. J. Wiederhold. In the margin: Malacca, in the Castle, 15 October 1782. To His Honor, The High Noble, Highly Honorable Lord Mr. Willem Arnold Alting, Governor General, together with The Well-Noble, Severe Lords Councillors of the Netherlands Indies High Noble, Highly Honorable, Far-Ruling Lord, and Well Severe Lords Section 56. Our Envoy to Muar has informed us upon his return that Raja Haji, on the 17th of this month, or the same day that he had delivered to His Highness the message with which we Batavia

Dutch transcription

34. ten waare zij Hleem een vierde deel der waarde van het voorschreven schip wilde geeven om onder de gemelde Grooten en Gemeenen verdeeld te worden, terwijl Hij voor zig niets begeerde; dat, indien de Compagnie daar niet in consenteeren wilde, Hij zig dan vijand van haar verklaaren en openlyk vijandelykheden pleegen zoude, zonder zijn eigen leeven te ontzien. Hij verzogt voorts onzen bezant, dit alles op het kragtigste aan den Gouverneur voor te stellen en het bij hem daar op aan te dringen, dat hij, na een rijp beraad, zoodanig een besluit mogte neemen, als hij tot voorko„ „ming en verhoeding van alle de ongevallen, swaar aan anders de ingezetenen van Malacca ongetwijfeld zouden weezen blootgesteld, dienstig zoude oor„ „deelen, mitsgaders aan zyne Hoogheid spoedig bescheid te brengen, ten einde zine mesures daar naar te kunnen beraamen. § 54. Bij deliberatie daer op in onzen Raade is geconsidereerd, dat uwe Hoog-Edelheden wel bij secreete missive van den 12. Iuli laast„ „leden ons hadden gequalificeerd, om aan den Regent van Iohor te laaten afgeeven een douceur, eenigzints geproportioneerd naar de somme, die de Compagnie in den (voorgemelden) prijs participeerde dog dat toen deeze qualificatie verleend wierdt uwe Hoog-Edelheden nog niet geelucideert waren van den inhoud zijnes op den 18. Mai bevoorens hier ontvangen briefs, en van zyn declaratoir aan dies brenger, den Boekhouder Iacob Rappa, behelzende dat nu al het gepasseerde afgedaan was en Hij daar over geen misnoegd hart zoude toonen, dewijl wij van de oudste tyden af met Rrouw in verbond ende stonden en de Compagnie aan Riouw verknogt was; dat indien wij Ilem egter eenig douceur wilden geeven, wij toe niet verwagten konden dat Hij zig met tien duizend spaansche reaalen (boven welke somme wij oordeelden dit douceur niet te mogen bepaalen / zoude conventeeren, dewijl Hij met eenen onmaatigen eisch opnam; dat de wijze waar op deeze eisch gedaan wierdt, ons zelfs niet toeliet de voor„ „schreven somme van tien duizend sp. reaalen Item te laaten aan„ „bieden, zonder de agtbaarheid van de Nederlandsche Oostindische Compagnie Compagnie zoo wel als de eere onzer Natie te benadeelen, en het ont„ „zag voor dezelve ook bij de andere Prinsen in deeze straat den bodem in te slaan. Wij beslooten derhalven den Regent van Rakkan weder naar Maar te zenden, om Radja Hadjie aan te zeggen, dat het Hoff van Iohor zig bij de Contracten wel expresselik hebbende verbonden, om geene Vreemde Europeers in eenige haven van dat Ryk te admit„ „teeren, dan met Comp.s. Pas voorzien, Hij door de admissie van het schip la Betseij tegens die contracten gehandeld, en daar door zelf aan de Compagnie het regt van dien bodem weg te neemen gegeven heeft; dat, bij aldien Hij evenwel de vrijheid of neutraliteit zyner haven hadt willen mainteneeren, Hij dan de overmeestering van het schip la Betleij heeft moeten tegengaan en beletten, toen het Feansche schip hetzelve attaqueerde, dat Hij zulks niet gedaan, maar dies wegvoering door het Fransche schip, hoewel vergezeld door twee Comps: vaartuigen, stilzwijgende gedoogd hebbende, het tegen alle regt en billykheid steydt nu een vierde deel der waarde van hetzelve van de Compagnie te komen eischen, zelfs na dat Hij bereeds, zoo wel scheiftelyk, als mondelyk, en ook bij herhaaldig verklaard hadt die zaak voor ganschelijk afgedaan te houden, en dus gerenuncieerd van alle pre„ „tensien dienaangaande; dat wij nogtans ter contrarie conser„ „vatie van de onderlunge vrede en vriendschap, zynen ofschoon onredelyken eisch aan uwe Hoog-Edelheden zullen voordraagen en hem het antwoord daar op in de maand Iuni of Iuli toe„ „zenden, indien Hlij, zonder uitstel, naar zijne Residentie wilde te rug keeren, en van alle vijaadelike onderneemingen af„ „zeen, dog dat Hij, daar toe niet kunnende besluiten, dan vrijelik zynen gang kan gaan, alzoo wij wegens de regtvaardigheid onzer „het zaake verhoopen mogen dat de opperheerscher van „ Geheel al ons zal bij„ „ het „staan en in staat stellen om een voorspoedig gebruik van Comps. wape„ „nen te maaken. § 55. 36. § 55. De paquetboot de Thoenip hier nog in het gezigt zynde, hebben wij deezen brief schielijk in gereedheid gebragt, om uwer Hoog-Edelheden daar mede nog kennis te geeven van ons voorschreven besluit, waar toe de dringendste noodzaakelykheid ons bepaald heeft, en waar op wij niet E anders verwagten, als eene geweldaadige aanhanding door Radja Hadjee, dog welker deerlijke uitwerkzels wij vertrouwen dat uwe Hoog EEdelheden met 's Hemels zegen ons zullen doen te boven komen door ons spoedig toe te zenden den reeds verzogten en hoognoodigen onderhand. Terwijl wij uwer Hoog-Edelheden illustre persoonen en de belangen der Maetschappije, gelyk ook ons zelfs, in de gunste en pro„ „rectie van den Almagtigen beveelende, de eere hebben van niet alle veneratie te zyn, /onderstond/ Hoog-Edele Groot-Agtbaare Wydgebiedende Heer en Wel-Edele Gestrenge Heeren /lager uwer Hoog-Edelheden zeer gehoorzaame en trouwschuldige Dienaaren /getekend/ P. G. de Bruijn, A. A. Werndlij, I. A. Hensel, A. Couparus F. Thierens, R. B. Hoijnck van Papendrecht en H. I. Wiederhold /in margine / Malacca in het Casteel den 15. ' October 1782 Aan zijn Edelheid, Den Hoog-Edelen Groot-Agtbaaren Heer Mr. Willem Arnold Alting, Gouverneur Generaal, benevens De Wel-Edele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlands Indie Hoog-Edele Groot-Agtbaare Wydgebiedende Heer, en Wel Gestrenge Heeren § 56 Onze Afgezant naar Moar heeft met zyne wederkomste ons berigt, dat Radja Hadjie op den 17. deezer, of den zelfden dag dat hij aan zijne Hoogheid hadt overgebragt de boodschap, waar mede Batavia wij 381.

NL-HaNA_1.04.02_8261_0045 view scan ↗

English

we, according to our humble letter of the 15th preceding, charged him, had departed from there with his entire armada, after having requested his envoy to tell us that we had to write promptly to Your High Mightinesses regarding the claim of the people of Riouw. We cannot think, however, that this prince has ceased the execution of his wicked design until the receipt of Your High Mightinesses' answer, but rather that he, seeing no chance to surprise and attack us, will have returned to Riouw in order to come and attack us with greater force and better armed, since he can easily understand that Your High Mightinesses will never consent to the unreasonable claim of his subjects, and we therefore pray Your High Mightinesses repeatedly to send us as soon as humanly possible the assistance that we need to foil his unholy undertakings. Section 57. A letter from the Merchant Ian Daniel Simons and Junior Merchant Pieter Willem Teeke having been delivered to us by the captain of the Portuguese snow L. Maria 'T Almas Panctas, which arrived here from Tranquebar on the 23rd of this month, which served solely as a conveyance for two letters for Your High Mightinesses, the undersigned Governor, after the opening and reading of one of the same, deemed that the dispatch thereof could well be suspended until the express messenger, whom he had sent out to obtain intelligence whether Radja Hadjie had departed directly to Riouw or had retreated to Batoepahat, a place lying eight or nine miles from Moar, should have returned, in order to be able to report this also to Your High Mightinesses; but the clerk of the said snow having caused to be delivered yesterday evening to the Governor a letter from the aforementioned Junior Merchant Geeke under date of 31st August, in which he is informed that the English fleet under Admiral Hughes had taken on many troops at Madras in order to sail therewith via Malacca to the Lesser East and there to rob and plunder whatever was to be had, we decided today—although it did not seem probable to us that this fleet would venture so far from the Coromandel Coast at a time when the French fleet was also located there—nevertheless to dispatch the letter received with that communication for His High Mightiness, along with the two others, without delay with the private sloop made ready for that purpose, as is now taking place. The boatswain placed on that small vessel, Valentijn Nicolaas Kloekero, has the Company's papers in his charge. Section 58. On the 21st of this month the ship Europa arrived here with Your High Mightinesses' highly respected letter of the 17th September; whereupon, with reference to the authority given to us to negotiate the funds that we lack, either at interest or on assignment, and on such conditions as the received notice contains, and, if we can obtain more, to send a ton of gold or more to Batavia or to Ceylon, we answer most humbly herewith that we may not flatter ourselves with the hope of being able to obtain on that basis even as much as will be required to meet our own necessities, since there are few well-to-do inhabitants here, and those of them who lend money at interest can always get twelve percent per year. We therefore do not know how we shall manage if no more cash is sent to us from Batavia than the 40000 Spanish reals brought by the ship Europa. For the rest, we remain with all respect and high esteem, Below stood: High-Noble, Right-Honorable, Far-Ruling Lord and Well-Noble, Severe Sirs; lower: Your High Mightinesses' very obedient and dutiful servants; signed: P. G: de Bruijn, A. A. Werndlij, I. A: Hensel, A. Couperus, F: Thierens, R: B. Hoijnck van Papendrecht, and H. F. Wiederhold; in the margin: Malacca in the Castle, the 30th October 1782; underneath: P. P. We have the honor to present to Your High Mightinesses a report from our artillery supervisor, serving as an answer to that of Major of Artillery Rach, with a humble request to be pleased to send us the fire engine wheels mentioned therein and 2000 pieces of hand grenades at the first opportunity. To His Honor, The High-Noble, Right-Honorable Lord Mr. Willem Arnold Alting, Governor-General, together with The Well-Noble, Severe Lords Councillors of the Dutch Indies. High-Noble, Right-Honorable, Far-Ruling Lord, and Well-Noble, Severe Sirs, Section 59. The evening before last, there arrived here at the roadstead the French royal frigate la Bellonne, commanded by Mr. Soijeuse, and sent from Atchen by the Chevalier de Suffren, who is stationed there with the entire fleet. The translation of the letter which the undersigned Governor received from that naval commander, and which is dated the 2nd of this month, we have the honor to present herewith to Your High Mightinesses, accompanied by an account given by the said Mr. Poijeuse concerning the recapture of Trincomalee and the action with the English fleet under Mr. Hughes that occurred shortly thereafter. We shall do everything we can to accommodate the French squadron with the needed rice as quickly as possible; while of the mast timbers no more than four or five pieces will be transported by la Bellonne. Section 60. The Regent of Riouw, Radja Hadjie, whose departure from Moar we communicated to Your High Mightinesses in our

Dutch transcription

wij hem, volgens onzen onderdaanigen van den 15. bevoorens, belast hebben, van daar vertrokken was met zijne gansche armade, na hem Afgezant verzogt te hebben ons te zeggen dat wij over de pretensie der Riouwers schielyk aan uwe Hoog-Edelheden schrijven moesten. Wij kunnen egter niet denken dat die Prins de uitvoering van zyn boos op zet gestaakt heeft tot den ont„ „vangtt van Uwer Hoog-Edelheden antwoord, maar wel dat Hy, geenen kans ziende om ons bij verrassing op het lyf te vallen, naar Riouw zal wedzen te rug gekeerd, om met grooter magt en beter gewapend ons te komen atta „queeren, dewijl Hij ligtelijk begrijpen kan, dat uwe Hoog-Edelheden in de onbelijke pretensie zyner onderdaanen nimmer bewilligen zullen, en bidden Uwer Hoog-Edelheden derhalven bij reiteratie ons zoo spoedig immers mogelyks toe te zenden de hulpe, die wij noodig hebben om zijne heillooze onderneemingen te verydelen. § 57 Door den Capitein van de op den 23. deezer van Tranquebar gearriveerde Portugeesche snaauw L. Maria 'T Almas Panctas aan ons besteld zynde een brief van den Koopman Ian Daniel Simons en Onder„ „koopman Pieter Willem Teeke, welke eenlyk diende ten geleide van twee brieven voor uwe Hoog-Edelheden, heeft de ondergetekende Gouverneur, na de opening en lecture van een derzelven, vermeend dat met de aff„ „zending daar van wel kon worden gesupersedeerd tot dat de Expresse, dien hij uitgezonden hadt, om kundschap te erlangen, of Radja Hadjie direct naar Riouw vertrokken dan wel naar Batoepahat een plaats agt of negen mijlen van Moar leggende, /geweeken was, gereverteerd zoude weezen, ten einde dit ook uwer Hoog-Edelheden te kunnen berigten; dog den Schrijver van de gemelde snaauw gisteren avond aan den Gou„ „verneur hebbende laaten overgeeven een brief van den voorgenoemden e Onderkoopman Geeke sub dato 31. Augs., waar in hem gecommuniceerd wordt, dat de Engelsche Vloot onder den Admiraal Hughes op Madras veele troupes hadt ingenomen, om daar mede over Malacca naar de kleine Oost te stevenen en daar te rooven en te plunderen wat eenigzins te krijgen was, beslooten wij heden, schoon het ons niet waar schynlyk voor„ „kwam, dat die vloot zig zoo verre van de Chormandelsche kust begeeven zoude in een tijd, dat de Fransche Vloot zig daar ook bevondt, egter den 40. den bij dat schrijven ontvangen brief voor zijne Hoog-Edelheid, benevens de twee anderen, zonder uitstel af te zenden met de daar toe in „particuliere gereedheid gebragte „ sloep; gelyk dat tans geschiedt. De op dat kieltje geplaatste Bootsman Valentijn Nicolaas Kloekero heeft Comps. papieren in bestelling. §58 Op den 21. hugjus is het schip Europa hier gearriveerd met uwer Hoog-Edelheden zeer gerespecteerden brief van den 17. September; waar op wij met betrekking tot de aan ons gegeven qualificatie om de penningen die ons ontbreeken, 't zij op interest of op assignatie, en op zoodanige conditien, als het ontvangen Biljet inhoudt, te nego„ „cieeren, en, indien wij meer bekomen kunnen, een ton of daar boven P naar Battavia of naer Ceilon te zenden, bij deezen onderdaanigst ant„ „woorden, dat wij ons niet flatteeren mogen met de hoop van op dien voet zelfs zoo veel te zullen kunnen erlangen als tot vervulling onzer eigen benoodigdheid vereischt zal worden, dewijl hier weinige gegoede inge„ „zetenen zijn, en die van dezelven geld op interess uit zetten, altoos twaalf percent in het jaar keijgen kunnen. Wij weeten daar om niet hoe wij ons redden zullen, wanneer ons geene meerder contanten van Battavia gezonden worden, dan de met het schip Europa aangebragte 40000. –. Spaansche reaalen. Wij blijven voor het overige met alle eerbied en hoogagting, /onder stond/ Hoog-Edele Groot-Agtbaare Wijdgebiedende Heer en Wel Edele Gestrenge Heeren /lager) uwer Hoog-Edelheden zeer gehoor„ „zaame en trouwschuldige Dienaaren /getekend/ P. G: de Bruijn, A. A. Werndlij, I. A: Hensel, A. Couperus, F: Thierens, R: B. Hoijnck van Papendrecht en H. F. Wiederhold (in margine) Malac„ „ca in het Casteel den 30. October 1782 /daar onder) P. P. . Wij hebben de eere van Uwer Hoog-Edelheden aan te beeden een Berigt van onzen Arthillerij- opzigter, dienende tot antwoord op dat van den Majon der Artullerij Rach, met ootmoedig verzoek om Batavia 42. om de daar bij gemelde afpuitwielen en 2000. –. ps. handgranaaten ons bij eerste gelegenheid te willen doen toekomen. Aan zijn Edelheid, Den Hoog-Edelen Groot-Agtbaaren Heer Mr. Willem Arnold Alting, Gouverneur Generaal, benevens De Wel-Edele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlands Indie Hoog-Edele Groot-AAgtbaare Wydgebiedende Heer, en Wel-Edele Gestrenge Heeren, § 59. Eergisteren avond is hier ter reede gearriveerd het Fransche Konings-fregat la Bellonne, gecommandeerd door den Heer Soijeuse, en van Atchen gezonden door den Heer Ridder de Puffren die met de geheele vloot zig daar bevindt. 't Translaat van den brief, welken de ondergetekende Gouverneur van dien vlootvoogd ontvan„ „gen heeft, en die gedateerd is den 2. deezer, hebben wij de eere Uwer Hoog dEdelheden hier nevens aan te bieden, geaccompagneerd van een Relaas door den gemelden Heer Poijeuse gegeven, wegens de herovering van Trinconemale en kort daar op voorgevallen actie met de Engelsche Vloot onder den Heer Hughes. Wij zullen alles doen, wat wij kunnen, om het Transch Esquader met de benoodigde rijst ten spoedig sten te gerieven; terwijl van de masthouten niet meer dan vier off vyf ps. door la Bellonne zullen worden vervoerd. §60. De Regent van Riouw Radja Hadjie, wiens vertrek van Moar wij uwer Hoog-Edelheden gecommuniceerd hebben bij onzen

NL-HaNA_1.04.02_8261_0048 view scan ↗

English

our humble letter of 30 October last, arrived at Reouw beforehand on the 24th, and has himself notified us thereof by a letter, the translation of which we hereto annex for Your Right Excellencies' consideration, with the respectful remark that we have already learned to know his deceitful nature all too well to put any faith in his pretext of having returned home at our request and on account of the unease of our subjects. We remain with all high esteem and respect, was signed Right Honourable, Highly Respected, Widely Governing Lord and Honourable Stern Lords lower Your Right Excellencies' very obedient and faithful servants signed P. G. de Bruijn, A. A. Werndlij, I. A. Hensel, A. Couperus, F. Thierens, P. C. Hoynek van Papendrecht and H. F. Wiederhold in the margin Malacca in the Castle, 14 November 1782 lower Postscript Upon the closing of this, there arrived here two Imperial ships, named the Prins van Kaunitz and the Graaf van Kollowrath, which are said to be destined for China, but were forced by contrary winds and sickness among the crew to come hither. The Captain of the first is named Jean Mackenzie and that of the other Thomas Bainbridge. To his Excellency, The Right Honourable, Highly Respected Lord Mr. Willem Arnold Alting, Governor General, together with The Honourable Stern Lords Councillors of the Dutch Indies Batavia Right 44. Right Honourable, Highly Respected, Widely Governing Lord, Honourable Stern Lords, Paragraph 1. The Company's warships the Dolphijn and 't Hof ter Linden, together with the gurab the Snelheid, arrived here in good condition on 23 December last, bringing Your Right Excellencies' very revered circular and general letters of 27 September and 1 October, secret letters of 18 October, and separate letters of 1 and 8 October, as well as 8 November 1782. Paragraph 2. Captain Abo, Commander of the said squadron, having informed me that he had encountered no enemy ships on his way, and nothing having been brought to my knowledge by others either that could give me apprehension regarding the insecurity of the waterway between Batavia and this place, we thought, after having deliberated with one another thereon, that we could make no better use of that squadron than to let it cruise in the Strait of Sincapoera, both to keep the Regent of Iohor, Radja Hadjie, in check, should he wish to come out again, and to await the English ships coming from China, and also, if necessary, to sail quickly to the Strait of Banka; while I took it upon myself to request the First Resident of Palembang, upon the appearance of any enemy ship there, to send immediate notice thereof to Captain Abo, or to me, and in the meantime to ensure and the aforementioned warships received orders to dispatch the ship Europa with the mast timbers that la Pourvoyeuze could not transport, and as much of the 96 pieces demanded for the year 1782 as the Captain of that frigate should think to be most urgently needed for the French fleet, to Gale or such other place as I should judge most preferable according to the circumstances of the times or the reports received, I had as yet no certain report from the other side of the strait, but regarding those cut on Formosa, that they would be here to the number of twenty pieces by the 15th or 20th of this month. The lot that the said Captain de Tromelin had left behind was too small to load such a large ship with it alone. To leave the Europa useless here in the roadstead until the middle of this month, and thus exposed to the danger of being assaulted by the English ships returning from China and escaping the cruisers, I thought to be no less irresponsible. I therefore deemed it proper, together with the Council, to quickly equip that vessel for war, as it was already discharged of its cargo, and to add it, together with the Company's bark the Geertruida Susanna, to the aforementioned squadron, and to let it cruise therewith in the Strait of Sincapoera until the 7th or 8th instant, in order to attack with greater effect the said enemy ships, which I supposed would arrive in the meantime, and strike an important blow for the Company. But as the month of January drew to a close without those ships appearing, except for one that had happily escaped the cruisers through its sailing qualities, and the mast timbers from Formosa, as said 48

Dutch transcription

onzen onderdaanigen van den 30. October laastleden, is den 24. bevoorens op Reouw aangeland, en heeft zelf ons daar van kennis gegeven bij een brief, welks Translaat wij tot uwer Hoog-Edelheden speculatie deezen nog bijvoegen, onder eerbiedige remarque, dat wij zynen bedriegelijken aart reeds al te wel hebben leeren kennen, om eenig geloof te slaan aan zyn voorwendzel van op ons verzoek en wegens de ongerustheid onzer onderdaanen naar huis gekeerd te zijn, Wij blijven met alle hoogagting en respect, /onderstond/ Hoog-Edele Groot-Agtbaare Wijdgebiedende Heer en Wel-Edele Gestrenge Heeren /lager) uwer Hoog-Edelheden zeer gehoorzaame en trouwschuldige Dienaaren /getekend/ P. G. de Bruijn, A. A. Werndlij, I. A. Hensel, A. Couperus, F. Thierens, 82. 883. e Hoijnek van Papendrecht en H. F. Wiederhold /in margine/ Malacca in het Casteel den 14. November 1782 /lager/ P. P. Op het sluiten deezes zijn hier gearriveerd twee Keizerlyke schepen, met naame de Prins van Kaunitz en de Graaf van Kollowrath, die men zegt naar China gedestineerd, dog door tegenwinden en ziekte van de Equipagie genoodzaakt te weezen herwaarts te komen. De Capitein van het eerste hier Iean Mackenzie en die van het andere Thomas Bainbridge. Aan zijn Edelheid, Den Hoog-Edelen Groot-Agtbaaren Heer Mr. Willem Arnold Alting, Gouverneur Generaal, benevens De Wel-Edele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlands Indie Batavia Hoog 44. Hoog- Edele Groot-Agtbaare Wijdgebiedende Heer, Wel-Edele Gestrenge Heeren, §1. Comps. oorlogs-schepen de Dolphijn en 't Hof ter Linden, benevens de goerab de snelheid, zijn hier op den 23. Decem„ „ber laastleden in goeden staat gearriveerd, mede bren„ „gende Uwer Hoog-Edelheden zeer gevenereerde circulaire en Gemeene brieven van den 27. September en 1. October, secreeten van den 18. October, en Aparte van den 1. en 8. October, mitsgaders 8. November 1782 32. Capitein Abo, Commandant van het gemelde Esquader, mij berigt hebbende, dat hij in zijnen weg geene vijandelijke schepen hadt ontmoet, en mij door e anderen ook niets ter kennisse gebragt zijnde, dat mij bedugting kan geeven voor de onveiligheid van het vaarwater tusschen Batavia en deeze plaats, ver„ „meenden wij, na met elkanderen daar over geraad„ „pleegd te hebben, geen beter gebruik van dat Esquader te kunnen maaken, dan hetzelve in de straat Sincapoera te laaten kruissen, zoo om den Regent van Iohor, Radja Hadjie, in bedwang te houden, indien wij weder mogte willen uitloopen, als om de Engelsche schepen in te wagten, die van China kwamen, en om ook des noods schielijk naar de straat Banka te stevenen; terwijl ik op mij nam den Eersten Resident van Palembang te verzoeken, bij de opdaaging ginder van eenig vijandelijk schip, daar van aan Capitein Abo, of aan mij, ten eersten narigt te zenden, en intusschen te zorgen en de voorgenoemde oorlogs-schepen order erlangde, om het schip Europa met de masthouten, die la Pourvoijeuse niet vervoeren kon, en zoo veel van „ voor het jaer 1782 gevor„ „derde 96. –. ps. , als de Capitein van dat fregat zoude vermeenen voor de Fransche vloot ten hoogsten benoo„ „digd te zijn, naar Gale of zoodanige andere plaats, als ik naar de tijds-omstandigheden of de ontvangen berigten de preferabelste zoude oordeelen, af te zenden, hadt ik van de overwalsche nog geen zeker narigt, dog van die op Formosa gekapt wierden dat zij ten getale van twintig stuks den 15. of 20. hujus hier zouden De partij, die de gemelde Capitein de Trome„ weezen. „lin hadt agtergelaten, was te gering om daar mede alleen een zoo groot schip te belaaden. Europa tot in het midden van deeze maand nutteloos hier op de reede, en dus aan het gevaar van door de Engelsche schepen, die van China wederkeerden en den kruissers ontsnap„ „ten, aangerand te worden, blootgesteld te laaten, dagt ik niet minder onverantwoordelijk te zijn: Ik e vand derhalven met den Raad goed dien bodem 10t als van zijne laading reeds ontlost, spoedig ten oorloge toe te rusten, en nevens Comps. back de Geertruida Susanna te voegen bij het voorschreven Esquader, mitsgaders daar mede tot den 7. of 8. courant in de straat Sincapoera te laaten kruis„ „sen, om net meer effects de gemelde vijandelijke schepen, die ik onderstelde intusschen wel te zullen aankomen, te kunnen attaqueeren, en eene impor„ „tante coup voor de Compagnie doen. Maar vermits de maand Ianuari ten einde liep, zon„ „der dat die schepen opdaagden, behalven een, dat door zijne bezeildheid den kruissers gelukkig ontsnapt was, en de masthouten van Fonnosa, gelijk gezegt 48

NL-HaNA_1.04.02_8261_0051 view scan ↗

English

said, were not to be expected before the 15th or 20th of this month, the time for the return of Europa was extended to the 15th, but at the same time Captain Abo was authorized to detain it until the 20th or even until the end of the month, if he, along with Captain Winterheim, skipper Aems, and other capable nautical experts, should deem that this vessel, even if it were dispatched from here to Gale or Trinconomale in the beginning or middle of April, could easily make the voyage, since I, being informed that the English ships preparing to depart from China numbered six vessels and were putting themselves in a state of defense, was unwilling to weaken the Company's squadron in the Straits of Sincapoera. 36. Skipper Aems, who knew before his departure for the Straits of Sincapoera that he was to transport mast timbers to Ceilon, having nevertheless mentioned not a single word to me about the unfitness of his vessel for that voyage, I was not a little surprised by a letter from Captain Abo dated the 4th current, in which he wrote to me that the ship Europa, in order to make the voyage to Ceilon properly, had to depart from here before the middle of March, but that if it could not be prepared before that time and it was nevertheless deemed proper to send it to Ceilon, it would then be better to dispatch that vessel through the Straits of Sunda, learning at the same time the declaration of skipper Aems that so much was lacking on this ship, and it was in such bad condition, that it could not be supplied and repaired in the meantime, since it urgently needed: A fish for the capstan, Two anchor cables, A new set of sails, New running rigging, Carpentry and caulking above the waterline; while skipper Aems himself furthermore made known to me that the ship was eaten through everywhere by white ants and was rotted in several places that required repairs, since such had not been done at Batavia for anything more than the voyage to Malacca. Being completely destitute of sailcloth, anchor cables, and other cordage, I could not assist him therewith unless a ship were to come from Batavia that brought me the same; but even if this were to happen, the defects on the ship Europa appeared to me too numerous to restore it from them so quickly and load it with mast timbers so that it could depart for Ceilon before the middle of March. Consequently, I could also not comply with the order of Your Right Excellencies with respect to that vessel, if matters were truly in such a state with it as skipper Aems had reported. But unable to rely upon his declaration, Captain Abo was ordered to inspect the ship Europa thoroughly and without delay together with Captain Winterheim, and to submit a report of their findings; furthermore, if this ship could not possibly undertake the voyage to Ceilon with sufficient safety without such provisions and repairs as skipper Aems had declared to be necessary, to detain it until the 20th of this month, but otherwise to have it return hither immediately. §7. I am still awaiting an answer to this, and if I must exempt Europa from the voyage to Ceilon, I will let that vessel depart for Batavia with the 14 pieces of mast timber still on hand here—since the frigate la Bellonne, mentioned in the secret letter of 14 November last, could take none of them—and the 20 pieces expected from Formosa, because with the fetching of the latter, the monsoon might sometimes run too late to dispatch that ship thither; but of the spices received for Ceilon, and the 7000 lb. of cloves that I can add to them, I shall load as much into a ketch which is about to depart for Tranquebar under Danish flag and passport as I can send by it at a reasonable freight, and address the same to the Company's agent there, the Junior Merchant Geeke. §8. From the Resolution of this Government dated 16 November last, it will be evident to Your Right Excellencies that and why it was resolved to send 64000 lb. of green katjang and 1120000 lb. of rice to Atchien for the French fleet, the rice with the privateer ship de Ionge Hugo, but the katjang partly with that ship and partly with the frigate la Bellonne. The katjang, along with 352000 lb. of rice, was taken from the cargo brought in by the ship Europa. The remaining 768000 lb. of rice were delivered by the Nakhodas of three Javanese vessels, under the condition that the Company, for every 5000 lb. at the Main Factory

Dutch transcription

gezegd, niet voor den 15. of 20. deezer te verwagten waren, prolangeerde men „ tijd der wederkeering van Europa tot „den den 15. , dog qualificeerde te gelijk Capitein Abo, om het tot den 20. of zelfs tot den laasten aan te houden, indien hij met Capitein Winterheim, schipper Aems, en andere bekwaame Zeekundigen vermeenen mogte, dat die bodem, al wiert dezelve in het begin of midden van April van hier naar Gale of Trin„ „conomale gedepecheerd, de reize ligtelijk zoude kunnen krijgen, dewijl ik, geinformeerd zijnde dat de Engelsche schepen, die gereed lagen om van China te vertrekken, in zes stuks bestonden, en zig daar in staat van defensie stelden, Comps. Esquader in de straat Sincapoera ongaarne ver„ „zwakken wilde. 36. schipper Aems, die voor zijn vertrek naar de straat Sincapoera geweeten heeft, dat hij masthouten naar Ceilon moest overbrengen, mij nogtans geen enkeld woond gerept hebbende van de onbekwaam„ „heid zijnes onderhebbenden bodems tot die reize stond ik niet weinig verwonden uit een brief van Capitein Abo sub dato 4. courant, waar in hij mij schreef dat het schip Europa, om de reis naar Ceilon wel te kunnen doen, voor het midden van Maart van hier moeste vertrekken, dog, zoo het voor dien tijd niet klaargemaakt kon worden en men evenwel goedvondt hetzelve naar Ceilon te zenden, het dan beter zoude zijn dien bodem door de straat Sunda te expedieeren, te gelijk te verwe„ „men de betuiging van schipper Aems, dat aan dit schip zoo veel manqueerde, en hetzelve in zoo slegten staat was, dat het in den tusschen tijd niet „dewijl voorzien en gerepareerd kon worden „ het allernoodigst hadt hadt Een vissing aan de spil, Twee ankertouwen, Een nieuw stel zeilen, Nieuw loopend touwerk, Timmerasie en kalfaating boven water; terwijl schipper Atems zelf mij boven dien nog bekendmaakte, dat het schip over al door de witte mieren was door„ „vieeten en op verscheiden plaatzen verrot, daar repa„ „ratie aan gedaan moest worden, nadien zulks te Batavia niet meer dan tot de reize naar Geheel ontbloot van Malacca geschiedt was. zeildoek, anker - en andere touwen, kon ik hem daen mede niet helpen, of een schip moest van Bata„ „via komen, dat mij dezelven aanbragt; dog; al gebeurde dit, de gebreken aan het schip Euro„ „pa schenen mij te meenigvuldig, om het daar van zoo spoedig te herstellen en met mast„ „houten te belaaden, dat het voor het midden van Maart naar Ceilon vertrekken kon. Ik kon bij gevolg ook aan de order van uwe Hoog= Edelheden met opzigt tot dien bodem niet vol„ doen, indien het daar mede weezenlijk indier„ „voegen gesteld was, als schipper Atems hadt opge„ geven. Maar in zijne betuiging niet kun„ „nende berusten, gelastte men Capitein Abo, om met Capitein Winterheim het schip Europa ten eersten nauwkeuriglijk te visiteeren, en van hunne bevinding een Rapport over te voorts, om dit schip, indien het zon„ zenden; „zoo „der „ danige voorziening en reparatie als schipper Aems 50. Items betuigd hadt daar aan noodig te zijn, onmogelijk met genoegzaame gerustheid de reize naar Ceilon kon onder„ „neemen, hetzelve dan tot den 20. deezer aan te houden, dog anders immediaat herwaarts te laaten retourneeren. §7 Ik verwagt daar nog antwoord op, en zal, zoo ik Europa van de reize naar Ceilon moet excuseeren, dien bodem met de hier nog aan handen zijnde 14. –. ps. mast„ of „houten, dewijl het bij secreeten brief van den 14. Novem„ „ber laastleden vermeld fregat la Bellonne niets daar van heeft kunnen inneemen, en de van Formosa ver„ „wagt wordende 20. –. ps. naar Batavia laaten vertrekken, doordien met den afhaal van de overvalsche de mouson somtijds te verre verloopen zoude om dat schip naar derwaarts te depecheeren; dog van de voor Ceilon ontvangen specerijen, en de 7000. –. lb. nagelen, die ik 'er bij kan voegen, zal ik in eene kits, welke met Deensche vlag en Paspoort naar Tranquebar staat te vertrekken, zoo veel landen, als ik daer mede op eene redelijke vragt verzenden kan, en hetzelve adres„ „seeren aan Comps. Agent aldaar, den Onderkoopman Geeke. §8. Bij de Resolutie deezes Gouvernements van den 16. November laastleden zal uwer Hoog-Edelheden blij„ „ken, dat en waarom niet besloten heeft 64000. –. lb. groene kadjang en 1120'000. –. lb. rijst naar Atchien voor de Fransche vloot te zenden, de rijst met het kaaperschip de Ionge Hugo, dog de kadjang deels met dat schip en deels met het fregat la Bollonne. de kadjang met 352'000. –. lb. rijst is genomen uit den aanbreng van het schip Europa. De overige 768'000. –. lb. rijst zijn geleverd door de Na „chodas van drie Iavasche vaartuigen, onder conditie dat de Compagnie voor elke 5000. –. lb. ter Hoofdplaat„ „ze

NL-HaNA_1.04.02_8261_0054 view scan ↗

English

would pay 85. –. rds., and therefore, according to the resolution of 29 November/December, granted them drafts, namely: To Lin Hoetzeeng for ducatoons: 1275. —. To Kang Tampko for ditto: 1020. —. And to Tjin Japko for ditto: 5538. 2/5. Amounting in total to ducatoons: 7833 2/5; which drafts I most humbly beg Your High Excellencies to be pleased to honor with payment. Regarding the freight, I have agreed with the master of De Jonge Hugo, Hermanus Cornel, that he would have 15. –. rds. for each koyan of 3200. –. lb., both of the rice and of the cadjang that he transported, for the benefit of the owners of that ship; just as 100. –. lb. per each koyan has also been granted to him for leakage/spillage. Each such koyan has been charged to Mr. de Suffren at rds. 75. –., summing for the 20. –. koyans of cadjang and 350. –. koyans of rice to rds. 27750. —. And since they, with the expenses of the embarkation, cost only rds. 17599. 18. –., the Company profits thereby rds. 10150. 30. –., according to the memorandum drawn up by the trade conveyancer Pungel. I requested Mr. de Suffren to grant, for the said sum of rds. 27750. —., three identical bills of exchange on the King's Treasury in Paris for the benefit of the Company, but from what was due to the owners of De Jonge Hugo for the stipulated freight, to grant bills of exchange for their benefit, and to have that vessel discharged and returned as soon as possible. Although this ship departed from here on 30 November, and could have been back in January, I nevertheless do not see it appearing, and therefore fear that Mr. de Suffren will either have taken it along to Trinconomale, so as not to delay himself with the discharging of that keel, or dispatched it on to Batavia to bring more rice. Paragraph 9. Besides the prescribed rice, master Cornel also carried along some for the account of his owners, and the customs master Hoynck van Papendrecht was granted permission to send 183400. –. lb. of that grain for his own account with the Colombo sloop Sunda, which I dispatched to the French fleet under escort of La Bellonne, in order to return with it to Ceylon. Paragraph 10. Upon the request made on behalf of Mr. de Suffren by Mr. de Joyeuse, captain of the frigate La Bellonne, to be permitted to have two or three pilots for the ships that His Honor wished to have cruising in this strait, I sent over the boatswain Christiaan Meijer with the said frigate, and requested him to be sent back as soon as the cruise should be finished. Paragraph 11. The Portuguese Captain Manuel Vincente Rosa de Barros, mentioned in Your High Excellencies' honored separate letter of 1 October, was unwilling to enter into any agreement with me to transport to Batavia the required: 200000. –. lb. saltpeter 20000. –. pcs. long gunnies, and 20000. –. large gunny sacks, saying that he did not know whether and at what prices he could obtain the same, but requested me on the other hand to give him the ordinary purchase prices of the gunnies and gunny sacks for his information (as I have done so), and promised that, if he were able to acquire those articles, he would purchase and take them along at such prices that Your High Excellencies will be satisfied therewith. He has also promised me, if possible, to deliver 200000. –. lb. of saltpeter both hither and to Batavia, under the condition that the Company shall not need to accept the same if the price should not please it. Paragraph 12. I trust that my proceedings in all this will be crowned with the approval of Your High Excellencies; while I have the honor to present to Your High Excellencies the documents pertaining thereto, and for the rest to name myself with the utmost high esteem, (was written below) High Noble, Right Honorable, Far-Ruling Lord and Right Honorable, Stern Lords (lower) Your High Excellencies' very obedient and faithful servant (signed) P. G. de Bruyn (in margin) Malacca in the Castle, 23 February 1783 (lower was written) P.S. Upon the closing hereof, the ship Europa having returned from its cruise, I have received such a report concerning the unfitness of that vessel for the voyage to Ceylon as is also enclosed among the annexes hereof. And since it is presumed that the cargo port, when it is opened (for the embarkation of the mast timbers), cannot be properly closed again, I shall have that further investigated here. Agrees Baumgarten No. 18 A. Secret and Separate Letters received from Malacca dated 31 March and 3 April 1783. and Secret Resolutions of 14 March 1783. Batavia To His Honor The High Noble, Right Honorable Lord Mr. Willem Arnold Alting Governor-General, together with The Right Honorable, Stern Lords Councillors of the Dutch Indies High Noble, Right Honorable, Far-Ruling Lord And Right Honorable, Stern Lords Paragraph 13. On previous occasions, the receipt of Your High Excellencies' highly respected secret letters of 1 and 10 June, 12 July, and 18 October 1782 was communicated to Your High Excellencies, to which we shall now most submissively reply in so far as we have not already done so. Paragraph 14. As regards the quantity of gunpowder that was stated as required in the report of the late Chief Administrator Werndly and associates, inserted in our secret resolution of 25 August 1781, the same having also appeared too exorbitant to us, we did not dare to make a demand for it, but only, as appears from our said resolution, resolved with respect to that and some other articles to request Your High Excellencies to send us as much as Your High Excellencies should deem necessary for the defense of this place

Dutch transcription

„ze betaalen zoude 85. –. rds. , en daarom, volgens besluit Nov van den 29. December, aan hun verleend Assignatien, naamelijk 1275. —. Aan Lin Hoetzeeng voor dukatons -1020. —. do — Aan Kang Tampko voor 5538. 2/5. En aan Tjin Japko voor - do . 7833 2/5; Bedraagende in 't geheel dukatons -- welke Assignatien ik uwer Hoog-Edelheden ootmoe„ 52 „digst bidde met betaaling te willen honoreeren. Omtrent de vragt ben ik met den Schipper van de Ionge Hugo, Hermanus Comnel, overeengekomen, dat hij voor elke kaijang van 3200. –. lb. , zoo van de rijst als van de kadjang, die hij vervoerde, 15. –. rds. hebben zoude ten behoeven der Reeders van dat schip; gelijk hem ook voor spillasie op ieder koijang toegelegd zijn 100. –. lb. Elk zoodanige koijang is den Heer de Suffren in rekening gebragt tegen rds. 75. –. sommeeren„ „de voor de 20. –. koijangs kadjang en 350. –. koij„ angs rijst rds. 27750. —. En dewijl zij, met de ongelden van de inscheeping, maar res. 17599. 18. –. kosten, profiteerd de Compagnie daar bij rds. 10150. 30. –. , volgens de Memorie, door den Negotie - overdraager Pungel opgemaakt. Ik heb den Heer de Suffren verzogt, om voor de gemelde somme van rds. 27750. —. drie eens„ „luidende Wissels op 's Konings Kasse te Parijs ten behoeven van de Compagnie, dog van het„ „gene den Reeders van de Ionge Hugo competeerde voor de bedongen vragt der wissels ten behoe„ „ven van dezelven te verleenen, en dien bodem ten ten allerspoedigsten te laaten ontlossen en wederkeeren. schoon dit schip op den 30. November van hier ver„ „trokken is, en in Ianuari hadt kunnen te rug weezen, zie ik hetzelve egter niet opdaagen, en vrees derhalven dat de Heer de Suffren hetzelve of naar Trinconomale zal hebben medegenomen, om zig met de ontlossing van die kiel niet op te houden, of naar Batavia voortgeschikt, om meer„ „der rijst te brengen. 39. Behalven de voorschreven rijst heeft schipper Comel nog wat medegevoerd voor rekening van zijne Reeders, en den Licentmeester Hoijnck van Papendrecht is permissie verleend, om met de Colombosche sloep Sunda, die ik onder escorte van la Bellonne naar de Fransche vloot af„ „vaardigde, ten einde met dezelve naar Ceilon te retourneeren, voor eigen rekening te mogen 76 zenden 183400. –. lb. van dat graan. 510. Op het van wegen den Heer de Suppren gedaan verzoek door den Heer de Ioijeuse Capitein van het fregat la Bellonne, om twee af drie Lootzen te mogen hebben voor de schepen, die zijn Ed. in deeze straat wilde doen kruissen, heb ik met het gemelde fregat laaten overgaan den Bootsman Christiaan Meijer, en verzogt hem te rug te zenden, zoo dra de kruistogt geëindigd zoude zijn. 311. De bij Uwer Hoog-Edelheden geëerden aparten brief van den 1. October vermelde Portugeesche Capitein Manuel Vincente Rosa de Baros heeft geene Conventie met mij willen aangaan om naar naar Batavia over te brengen de gerequireerde 200000. –. lb. salpeter 20000. –. ps: lange goenies, en 20000. –. „ groote goenizakken, zeggende dat hij niet wist of en tot welke prijzen hij dezelve bekomen kon maar mij daarentegen verzogt om hem de or„ „dinaire inkoops-prijzen van de goenies en goeni„ „zakken tot zijn narigt op te geeven, gelijk ik zulks gedaan heb,) en beloofd dat hij, die articulen kunnende magtig worden, dezelven tot zooda„ „nige prijzen zoude inkoopen en medeneemen, dat uwe Hoog-Edelheden daar mede voldaan zullen zijn. Ook heeft hij mij toegezegd, bij moge„ „lijkheid, zoo wel herwaarts, als op Batavia, te bezorgen 200'000. –. lb. salpeter, onder conditie dat de Compagnie hetzelve niet zal behoeven te acceptee„ „ren, indien de prijs haar niet mogte aanstaan. §12. Ik vertrouw dat mijne behandelingen in allen deezen met de goedkeuring van uwe Hoog-Edelheden zullen worden bekroond; terwijl ik de eene heb van Uwer Hoog-Edelheden aan te bieden de daar van spreekende bescheiden, en mij voor het overige met de volkomenste hoogag„ „ting te noemen, (onderstond/ Hoog-Edele Groot- Agtbaare Wijdgebiedende Heer en Wel-Edele Ge„ „strenge Heeren (lager) Uwer Hoog-Edelheden zeer gehoorzaamen en trouwschuldigen Dienaar (gete„ „kend/ P. G. de Bruijn (in margine/ Malacca in het Casteel den 23. Februari 1783 (lager stondt) P. S. Op het sluiten deezes het schip Europa van zijne kruistogt te rug gekeerd zijnde, heb ik zoodanig of Rapport wegens de onbekwaamheid van dien bo„ „dem 54. „dem tot de reize naar Ceilon ontvangen als onder de bijlaagen deezes nog overgaat. En dewijl gepresumeerd wordt, dat de lastpoort, wanneer zij (ter inscheepinge van de masthouten / geopend is, niet weder behoorlijk digt gemaakt kan worden, zal ik dat hier nader laaten onderzoe„ „ken. Accordeert aumgarten No 18 - A. Secrete in Aparte Brieven ontvangen van Malacca ged. t 31. Maart en 3. April 1783. en Secrete Resolutien van den 14 Maart 1783. - 56 Batavia Aan zijn Edelheid Den Hoog Edelen Groot Agtb: Heer M: Willem Arnold Alting Gouverneur Generaal, benevens De wel Edele Gestr: Heeren Raaden van Nederlands India Hoog Edele Groot Agtb: wijdgebiedende Heer En Wel Edele Gestrenge Heeren § 13: Bij voorige gelegenheeden is uwer Hoog Edelheeden gecommuniceerd de ontvangst van Hoog der zelver zeer gerespecteerde secreete brieven van den 1: en 10: Junij 12: Julij en 18: october 1782 waar op nu onderdanigst zullen antwoorden voor zoo verre wij zulks niet bereeds gedaan hebben § 84: wat de quantiteijt buskruids betreft die bij het berigt van wijlen den Hoofdadministrateur werndlij c: S: geinsereerd in onse secreete resolutie van den 25: Augustus 1781: als benoodigd is opgegeeven dezelve ons ook te exorbitant voorgekoomen zijnde hebben wij er gee„ „ nen eisch van durven doen maar eenlijk blijkens onze gemelde resolutie beslooten met op zigt tot dat en eenige andere articulen uwer Hoog Edelheeden te verzoeken om ons zoo veel toe te senden als uw Hoog Edelheeden vermeenen zouden tot defensie deezer plaatze

NL-HaNA_1.04.02_8261_0066 view scan ↗

English

place cannot be spared. § 15: We have been able to obtain the soldiers recruited from the Malays, Chinese, and Gentiles for no less than five rijksdaalders each per month in service, and their officers are very well satisfied with the pay granted to them since it was increased, as shown by our secret advices of 2 March 1782. At first, they all received nothing other than that pay, except when they were employed on some expeditions; however, recently we have also had to grant them rice for rations, for the reasons noted in our general resolution of 14 November 1782. We trust that Your Right Noblenesses will be pleased with this, and with our further arrangements regarding these troops, to be seen in our general advices of today, since in case of an enemy attack we would not know how to save ourselves if they did not faithfully assist us. § 16: The Malays are armed with muskets and krisses, but the Chinese and Gentiles with muskets and cutlasses, carrying cartridge boxes made of waxed canvas, except for the captains, who carry a kris or sword at their side and an assegai or pike in their hand, having learned the military exercises so well that they may pass for trained troops. § 17: The sailors recruited from the said nations and the native Christians to man the Company's ships and vessels, most of whom are discharged again after completed voyages, are no more to be persuaded than the soldiers to serve the Company for a lower pay than five rijksdaalders per month, although some of them are provided on board with the ordinary ship's rations, and others receive money for them. § 18: We thank Your Right Noblenesses very humbly for the favorable promise to assist us as far as possible with European soldiers upon obtaining relief from Europe, and we beseech most emphatically for the fulfillment of the same, since the common soldiers in our garrison have decreased to the number of one hundred and forty-four men, and there being fifty-five among them who can be employed for nothing else than the keeping of sentry watches. Consequently, if one or another enemy should attack us, we will not be able to add even ten men to each company of the native troops that march out or must defend the outposts, without stripping the Castle too much, whereas we nevertheless believe that each such company ought to be reinforced with at least twenty Europeans in order to derive the required service from it. By Your Right Noblenesses' honored missive of 11 June 1778, we were already ordered to propose to Your Right Noblenesses forty-nine European soldiers, who seemed rather to constitute an invalid corps than to promise help in time of need, to obtain a pension, or to send them up as unfit; and since then we have not received a single man from the Headquarters. We know well that Your Right Noblenesses have not been in a position to reinforce our garrison with an adequate number of Europeans; yet we could not fail to bring its weakness further to Your Right Noblenesses' attention, in consideration of the dangerous circumstances into which we might fall through the further delay of the hoped-for relief. § 19: All the Nakhodas of the Chinese vessels that departed for Batavia, Java, and Cheribon in the spring of 1782 and since have been admonished by the undersigned Governor to avoid the ships and vessels they observed in their sailing waters without trusting any flags, but, being unable to escape them, to throw into the sea the letters that had been delivered to them for dispatch. And that some of our letters nevertheless fell into English hands, we can attribute to nothing other than the confusion into which their deliverers must have fallen when they realized how mistaken was their notion that the English would leave them unmolested so as not to be deprived of the trade with China. § 20: The statements received concerning the cruelties committed by the notorious privateer Mackelarij in the Strait of Bangka were presented not only to the First Minister of State, Said Oemar, who arrived from Siak, but also to the Chiefs of the native nations here locally, although they were already informed of it. The former promised us auxiliary troops against the English, as will appear from the convention concluded with him, and the others have testified more than once to the undersigned Governor that they would rather let themselves be cut to pieces than hear of submitting to that nation. All the natives, with the exception of Radja Hadjie and his following, are also so embittered against the English that they wish to have the opportunity to avenge themselves on them; we believe, therefore, that they will offer them a stubborn resistance and us a faithful assistance, should we—which God forbid—be attacked by them. § 21: At our session of 27 September, based on Your Right Noblenesses' authority for the restoration of the small fort at Perak, we decided to send four European soldiers and some tools there in a hired vessel, in order to purchase and prepare the necessary palisades for the enclosure of that small fort against the arrival of the Company's vessels, hoping that we would obtain artillery and men from Batavia with the ship Europa. But the subsequent rumor of pirates lingering at the mouth of the Perak River made us

Dutch transcription

plaatze niet te kunnen worden ontbeerd. §15: De soldaten uit de maleijers Chineschen en Jentieven genomen hebben wij voor niet minder, dan vijf rijxd:s elk ter maand in dienst kunnen krijgen, En de offi„ „cieren daar van zijn met de hun toegevolgde bezolding sedert dat dezelve blijkens onze secreete adviesen van den 2: maart 1782 verhoogd is zeer wel te vreeden Eerst hebben zij allen niet anders als die soldijen genoo„ „ten behalven wanneer zij op eenige expeditien geemplij„ eerd wierden; dog onlangs hebben wij hun ook rijst voor rantzoen moeten accordeeren om redenen bij onze gemeene resolutie van den 14: November 1782 genoteerd wij vertrouwen dat uwe Hoog Edelheeden daar mede, en met onze verdere dispositien ten aanzien van deeze trou„ „pes; bij onze gemeene adviesen van heden te zien, genoegen zullen neemen dewijl wij in Cas van eenen vijandelijken aanval ons niet zouden weeten te redden indien zij ons niet getrouwelijk bijstonden. § 16: De maleijers zijn met snaphaanen en kritzen, dog de Chineeschen en Jentieven met snaphanen en houwers gewapend, draagende patroontassen van gewakst zeildoek behalven de Capitiins die een krits op degen op zijde en een assegaai of piek in de hand voeren hebbende de militaire exercitien zoo wel ge„ „leerd dat zij voor gedresseerde troupes mogen passee„ „ren. § 17: De Matroozen die van de gemelde Natin ende inlandsche Christonen tot bemaning van Comp:s scheepen en vaartuigen aangenomen en waar van de meesten na 58. na volbragte kogten weder afgedankt worden, zijn even zoo min als de soldaaten te beweegen om voor geringer bezolding dan vijf rd:s ter maand de Com„ „pagnie te dienen schoon eenigen daar van aan booad de ordinaire scheeps-rantzoenen en anderen daar geld voor verstrekt krijgen § 18 wij danken uwer Hoog Edelheedens zeer nederig voor de gunstige belofte van bij erlanging van ontzet uit Europa ons naar mogelijkheid met Europesche Militairen te zullen adsisteeren en senee„ „ken op het nadrukkelijkste om de voldoening aan dezelve nadien de gemeene in ons gaanisoen tot een getal van een honderd vier en veertig man verminderd en er vijf en vijftig onder zijnde, die tot niets anders als tot de waarneming van schildwagten geemploijeerd kunnen worden wij gevolgelijk, wanneer de een of ander vijand ons mogte attaqueeren geen tien maar bij ieder Comp: van de inlandsche troupes, die uitrukken of de bui„ „ten posten dependeeren moeten zullen kunnen voegen zonder het Casteel te veel te ontblooten, daar wij nog„ „tans vermeenen, dat ieder zoodanige Compagnie met en twintig Europees ten minsten behoort te weesen versterkt om 'er den vereisch ten dienst van te hebben. Bij uwer Hoog Edelheden geerde missive van den 11: Juni 1778 is ons reeds aangeschreeven om negen en veertig Europesche mili„ „tairen, die eer een Corps invalides scheenen uit te maaken dan hulp in tijd van nood te belooven ter erlanging van van rustgagie aan uwe Hoog Edelheden voor te draagen of als onbekwaam op te zenden, En sedert hebben wij geen enkeld man van de Hoofdplaats bekomen wij weeten wil, dat uwe Hoog Edelheeden niet in staat geweest zijn, om ons garnisoen met een toereikend getal Europees te renforceeren: Dan wij hebben egter niet mogen nalaaten de zwakheid van het zelve uwer Hoog-Edelheden nader het oog te brengen uit aanmer„ „kinge van de gevaarlijke omstandigheden, waar in wij door de langer agterblijving van het verhoopte ontzet zouden kunnen geraaken § 19 Alle de Nachodas van de in het voorJaar 1782. en sedert naar Batavia, Java en Cheribon vertrokken Chineesche vaartuigen zijn door den ondergetekenden gouverneur vermaand de scheepen en vaartuigen, die zij in hun vaarwa„ „ter vernamen te ontwerpen zonder Eenige vlaggen te vertrouwen, dog hun niet kunnende ontloopen de brieven in zee te werpen die hun in besstelling waren mede gegeven En dat even wel eenigen onzer brieven in Engelschen handen geraakt zijn kunnen wij nergens anders aan toe„ „schrijven, als aan de Confusie waar in de overbren„ „gers van dezelven zullen wiezen geraakt toen zij bespeurden hoe abusief de verbeelding was, die zij hadden, dat de Engelschen hun wel ongemoeid zouden laaten om van den handel op China niet versteken te worden § 20: De ontvangen verklaaringen wegens de wreedheeden door den berugten kaaper mackelarij in de straat Banca gepleegd, zijn niet alleen aan den van 60. van Siac aangekomen Eersten Rijks minister, said oemar, maar ook aan de Hoofden der inlandsche na„ „tien hier ter plaatse, voorgehouden, schoon zij 'er reeds van geinformeerd waren De eerste heeft ons hulptroupes tegen de Engelschen toegezegd, gelijk bij de met hem gesloten Conventie blijken zal en de anderen hebben meer als eens aan den ondergetekenden gouverneur betuijgd, dat zij zig liever zouden laaten in de pan kakken, dan van onderwerping aan de Na„ „tie hooren. alle der Inlanders uitgenomen Radja Hadjie en zijnen aanhang, zijn ook dermaaten tegen de Engelschen verbitterd; dat zij wenschen gelegenheid te hebben om zig aan hun te waecken, wij gelooven daar om dat zij hun eenen hardnekkigen weer- en ons een getrouwen bijstand bieden zullen indien wij van hun /:dat god verhoede :/ mogte worden aan„ „gevallen § 21: Ter onser sessie van den 27: Septemb:r hebben wij op fundament van uwer Hoog Edelhee„ „den qualificatie tot de herstelling van het Fortje te pera, besloten met een gehuurd vaartuig vier Euro„ „pesche militairen en eenige gereedschappen derwaarts te zenden, om de benoodigde lantheezen tot de omhei„ „ning van dat Foattje in te koopen en gereed te maa„ „ken tegen de komste van Comp: vaartuigen hoopen„ „de dat wij met het schip Europa geschut en volk van batavia zouden erlangen. Maar het ingevolge gerugt van de ophouding aan den mond der Perasche rivier van zeerovers maakte ons 3

NL-HaNA_1.04.02_8261_0070 view scan ↗

English

the hiring of such a vessel was impossible for us; for the same reason, sending a single sloop or pantchiallang in its place was also not advisable. The hostile intention of Johor's Regent, which became known to us in the month of October, did not permit us to dispatch more than one vessel to Pera, and we had, both since and before the month of September, grounds to fear that English ships might encounter our vessels. We could therefore not transfer the said soldiers and tools to Pera before the end of January, as shown by our Resolutions of the 6th and 24th of that month. And we would subsequently have proceeded to the actual restoration of the said little fort as soon as we had received any reinforcement from the main settlement, if the news brought by the returned vessels, as recorded in our Resolution of 28 February, and the failure of the hoped-for reinforcement to arrive, had not compelled us to take such further decision on that matter as will appear to your High Noblenesses from our enclosed secret resolution of the 14th of this month. Depending on the outcome of the mission decided upon then and your High Noblenesses' disposition regarding our secret letters of 14 and 15 October, we shall take our further measures, in the expectation that our conduct in this matter will be crowned with your High Noblenesses' approval. Section 22. No people live at the spot where the little fort stood. And if we had ordered the erection of an attap hut there for the soldiers who were to guard the Company's property and keep the Dutch flag flying, those men would sometimes have run the risk of being murdered by the robbers who frequently enter the river. We therefore had them live in the village of the Layamana, but since they could not go from there to the said spot daily with the flag to remain there until evening, we ordered them to hoist it only on a single day in the week. However, we shall instruct Captain Commandant of the Militia Hensel, who is due to depart thither according to our aforementioned Resolution of the 14th of this month, to have the flag flown there daily henceforth, if he can arrange it without any difficulty. Section 23. Some of the garrison members who arrived from Pera having told us that the tools left behind by the English in the destroyed little fort had been brought to the king, without knowing what they consisted of, we consequently requested the king, in case the English had not taken the melting pans with them, to let us have them. But in response we received nothing more than 9 pieces of copper tin moulds with 1 piece of iron tripod, and obtained as an answer from His Highness that there were no melting pans left. Section 24. The Layamana is a man who has always been well-disposed toward the Company. Therefore, even if it were true that one of his panglimas served as a pilot for the English, we cannot suspect that this occurred with his prior knowledge. We prefer to believe that the shahbandar of Pera, who possesses not a grain of virtue and sailed to the mouth of the river shortly before the arrival of the English privateer vessel, piloted it over the bank or the reef. We have not yet been able to conduct an investigation into it, but shall charge the said Captain Hensel, if he finds it to be so, to discuss it with the king. And although this cannot induce His Highness to punish such a traitor according to his deserts, as he is of a very indulgent nature, it may nevertheless make the Commandant of the fort attentive in the future, when it is restored again. Section 25. The king's offer of 4000 Spanish reals for the artillery taken by the English from the Pera Fort was made, so it is said, with no other purpose than to deliver it back to the Company at that price. Section 26. Notwithstanding the granting of 34 Spanish reals for each bahar of tin that should be brought to us from Pera, it has remained limited to a single delivery, of which we have given your High Noblenesses notice, and the reason for this is to be deduced from what is noted in our general Resolution of 28 February. Section 27. Concerning the pay account of the faithless Commandant Bartholomeus Meijer, we refer to the general advices Section 47, and merely note hereby with regard to his remaining slaves that they were sent over by the king, except for one maid whom His Highness retained under the pretext that Meijer had indeed bought her from him but had made no payment for her. Section 28. If an opportunity should again present itself to us to enter into a similar treaty as we [illegible] insert the conditions that were prescribed to us in your High Noblenesses' honored missive of 12 July; while we most humbly thank your High Noblenesses not only for passing the loans made to him, but also for the instruction given regarding the distribution of the booty captured in conjunction with him. Section 29. Concerning the message that was delivered to Captain Barbaron before the capture of the English ship the Betsij by a priest on behalf of the Regent of Johor, we have been able to obtain no further information than what we communicated to His Highness in our letter of 20 April 1782. The person who brought the said message to Captain Barbaron is known to everyone on Riau and would certainly have been kris-stabbed if he had misused the prince's name. We must therefore determine that His Highness [illegible] the taking of La Betsij

Dutch transcription

ons de inhuuring van zoo een vaartuig ondoenlijk; om de„ „zelfde reden was de afzending in dies plaatze van Eene enkelde sloep of pantsjalling ook niet raad„ „zaam het vijandelijk voornemen van Iohors Regent ons in de maand october bekend geworden, liet ons niet toe meer dan een vaartuig naar Pera te depecheeren en wij hadden zoo wel sedert, als voor de maand september grond van bedugting dat Engelsche schepen onze vaartuigen zoude kunnen ontmoeten. wij kon„ „den derhalven niet voor het bind van Januarij blij„ „kens onze Resolutien van den 6: en 24: dier maand de gemelde militaire en gereedschappen naar pera doen overbrengen; En zouden vervolgens zoo dra wij eenig ren port van de hoofdplaatse gekregen hadden tot de werkelijke herstelling van het gem: Fortje over„ gegaen zijn, indien de tijding met de te rug gekeerde vaartuigen aangebragt, blijkens de aante keurig bij onze Resolutie van den 28: feb: ende agterblijving van het verhoopte renfort ons niet genoodzaakt hadden zoodanig nader besluit op dat stuk te neemen, als uwer Hoog Edelheeden zal te vooren komen bij onze hier nevens overgaande secreete resolutie van den 84: deezer wij zullen naar den uitslag van de toen gearresteerde be„ „zending en de dispositie uwer Hoog Edelheeden op on„ „ze secreete brieven van den 64: en 15: october onze verdere maatregelen neemen in verwagting dat ons gedrag in deezen met uwer Hoog Edelheden goedkeuring zal worden bekroond § 22: op de plek, daar het portje gestaan heeft, woonen woonen geene menschen, En indien wij daar een adappn huis„ „je voor de militairen, die Comp:s eigendom met de Hol„ „landsche vlag te laaten waaijen bewaaren moesten, hadden laaten opregten zouden die menschen somtijds gevaar gelopen hebben van door de roovers, welke dik„ „wils de revier inkomen vermoord te worden. wij hebben hun daarom in de nogerij van den Layamana laaten woonen, dog, vermits zij zig van daar dage„ „lijks met de vlag naar de gem: plek niet konden begeeven om daar tot den avond te blijven hun het bij maaken van dezelve op een Enkelden dog in de week geoordonneerd. Egter zullen wij den Capitain Comman„ „dant van de militie Hensel die volgens onze voorschreeven Resolutie van den 14: deezer naar derwaarts staat te vertrekken, gelasten om 'er voor„ „taan dagelijks de wag te laaten waaijen, indien hij het zonder eenige zaarigheid zoo beschikken kan § 23 Eenigen der van Pera aangekoomen Bezette„ „lingen ons verhaald hebbende dat de door de Engelschen in het verwoeste fortje agtergelaten gereedschappen bij den koning gebragt waren zonder niet te weeten waar in dezelven bestonden hebben wij derhalven den koning verzogt, bij aldien de Engelschen de smeltpannen niet mogten hebben mede genomen dezelve ons te laaten toekomen, dog daar op niets meer dan 9: - p:s koperen tin vormen met 1: p:s ijzeren drie voet en van zijne Hoogheid ten antwoord gekreegen, dat er geene srmelt pannen meer waren § 24: § 24: De Layamana is een man, die het altoos wel met de Compagnie gemeend heeft, wij kunnen daarom zoo het al eens waar was dat een van zijne Pang„ „limas den Engelschen tot loots gediend heeft, niet ver„ „moeden, dat zulks met zijne voorkennis geschied zal weezen. Liever willen wij gelooven dat de saband haar van Pera die geene greintje deugd bezit en kort voor de komste van het Engelsche kaaper scheepje naar den mond van de revier gevaren is het zelve over de bank of het rif gelootst zal hebben wij hebben 'er voor als nog geen onderzoek na kunnen doen, maar zullen het den gemelden Capitain Hensel op draagen om het zoo bevindende den koning daar over te onderhouden; En schoon dit zijne Hoogheid niet kunnen beweegen, om zulk een verraader naar verdienste te straffen, dewijl Hij zeer inschikkelijk van aart is, zal het egter in het ver„ „volg, wanneer het Fortje weder hersteld wordt der Com„ „mandant van het zelve oplettende kunnen maaken § 25: 's konings aanbieding van 4000:- sp.:s reaalen voor het geschut door de Engelschen uit het Perasche Fort genomen is, zoo gezegd wordt met geen ander oog„ „merk geschied, als om het weder tot dien prijs aan de Compagnie te bezorgen. § 26: Ongeagt de inwilliging van 34: spx: reaalen voor Elke baar tiuns, die ons van Pera zoude worden aangebragt, is het bij eenen enkelden aanbreng, daar wij uwer Hoog Edelheden kennis van gegeven hebben, geblee„ „ven en de reden daar van af te leiden uit het geene bij onze gemeene Resolutie van den 28: feb: is aangetekend. § 27: § 27: Belangende de soldij reekening van den trouloo„ „zen Commandant Bartholomeus Meijer gedragen wij ons aan de gemeene adviesen § 47: en merken bij deezen eenlijk wegens zijne agtergebleeven, slaaven aan dat zij door den koning zijn overgezonden op eene meed na die zijn Hoogheid heeft aangehouden onder voor wendzel dat Meijer dezelve wel van hem ge„ „kogt dog er geene betaaling voor gedaan hadt: § 28: Bij aldien ons weder gelegenheid mogte voor„ „komen om een soortgelijk verdrag aan te gaan als wij ir de Conditien in laaten influaeren, die ons bij uwer Hoog Edelheeden geEerde missive van den 12: Juli zijn voorgeschreeven; Terwijl wij uwer Hoog Edelheeden onderdanigst bedanken niet alleen voor het pas„ „seeren van de geldheeningen aan hem gedaan maar ook voor de gegeven onderrigting nopens de repartitie van de met hem verEenigd behaalde buit. §29: Nopens de boodschap die aan Capitain Barba„ „ron voor het neemen van het Engelsche schip de Betsij door een Priester van wegen den Regent van Iohor gedaan is hebben wij geene nadere informatie kunnen bekomen als wij aan zijne Hoogheid gecommuniceerd hebben bij onzen brief van den 20 april 1782, De persoonen die de gemelde boodschap aan Capitain Barbaren gebragt, heeft is op Riouw bij een ieder bekend en zoude wel gekritst zijn indien hij 's vorsten naam mistruikt hadt. wij moeten derhalven vaststellen, dat zijne Hoogheid het neemen van La Betsij

next →