Inventory 8807
Coromandel · 210 pages · 26 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
Per the ship Le Castries. Copy. Letters from Bengal dated 10 and 30 November 1784. Resolution No. 78. 45. One volume. 1. To His Excellency, the High Noble, Right Honorable Mister Willem Arnold Alting, Governor-General on behalf of the State of the United Netherlands and its General East India Company, together with the Noble Honorable Councilors of the Dutch Indies. Right Noble and Wide-Ruling Lords! Taking the opportunity of the elected naval captain Christiaan Blom, appointed Vice Commander, departing for Batavia on the private English vessel The Neptune, we consider it our duty to respectfully inform Your Right Noblenesses of the receipt, on 29 June and 2 October last, per the Danish snow De Anthonetta Maria and the Company ship Stralen, of Your Noblenesses' most respected original, duplicate, and copy general, secret, and circular letters of 5 September, 7 October, and 14 November 1780, 24 April, 12 June, 10 and 20 July, also 9 August 1781, 14 November 1783, and 27 July last, as well as to bring preliminarily to Your Right Noblenesses' attention those matters which we consider unavoidably necessary, as our general report on affairs will be made in the coming month of February. Since, immediately after we were reinstated in possession of this place by the English government, as we have reported in our separate letter of today, we proceeded to take the necessary measures to unload the ship Stralen and to ensure that Your Right Noblenesses' order—namely, to send this vessel with a cargo to Europe—would be fulfilled, our primary consideration was the requirement of ready cash in order to purchase that cargo, which we foresaw would have to be bought up, if not entirely, at least for the greatest part, as the time for contracting had already passed too far. We therefore resolved on 13 October to present for acceptance the 85 European bills of exchange on hand, in the firm and confident hope that, if not all, at least most of them would be accepted, since many of the drawees had already presented themselves several months ago, both to the first signatory and to others among us, to obtain information regarding these bills. Meanwhile, because these drafts are drawn at two months' sight, and some funds were needed to cover the necessary expenses, we resolved to negotiate 50,000 rupees at interest in the most advantageous manner. Of this sum we have thus far taken up no more than half, or 25,000 current rupees, at an interest rate of 9 percent, since, due to the good sale of spices, or properly speaking nutmegs, many expenses are being covered by their sale. However, we found ourselves utterly mistaken in our expectations, for the bookkeeper Van den Broeck, who had gone to Calcutta with the aforementioned bills of exchange, reported to us in an account entered in the Resolution of the 26th of the said month that, so to speak, not a single one of these drafts was accepted, and that he had therefore been obliged to have them protested for non-acceptance. We then took the resolution on the same day, since no reliance whatever could be placed on the hope mentioned in the said report that perhaps some might still be paid upon presentation for payment, to negotiate seven hundred thousand rupees in drafts to be paid in Europe at 27 stuivers per sicca rupee after the spring sale in the year 1786. Likewise, as there might be Company servants who had funds to remit for others, we resolved to accept provisionally one hundred thousand rupees from them into the treasury at 27½ stuivers per sicca rupee, also to be paid at the aforesaid time. We were indeed forced, Right Noble Lords, to proceed directly to this decision without losing time, because the arrangement regarding the dispatch of the ship Stralen to Europe could not possibly be postponed beyond mid-November next at the latest; and the English, who had already remitted the greater part of their cash through their own treasury or on bottomry with the private Danish ships—which, due to the poor market they found for the goods they brought from Europe, accept anything at enormous prices to load their ships for Europe—could altogether remit cash more advantageously through their own Company than with us at 27 stuivers per sicca rupee. For, irrespective of the 8 percent granted to them for the interim between the counting of the money and the granting of the bills, and the 5 percent interest they enjoy from the time of granting the said bills until full payment, they receive two shillings and one penny per current rupee in Europe, which amounts to 1 florin, 5 stuivers, 4¼ penningen per sicca rupee. We therefore had to suspend our decision regarding the purchase of the cargo for the ship at that time due to the uncertainty of whether we would obtain the necessary funds, as we dared not proceed until we had firm assurance of at least four to five hundred thousand rupees, lest we be forced to send that vessel with only a half-cargo, or else retain those goods until the coming season, both of which would result in considerable prejudice to the Company. On the aforementioned day, we also took into consideration that the Honorable Company had sufficient credit to obtain a cargo on bonds, but at the same time realized that, besides the interest of 9 to 10 percent per year that one
Dutch transcription
Pr. t' Schip Le Castries. Copie Buijn van Bengalen ged. 10. en 30. Nov: 1784. Resolutie No. 78 45 ¶ Een band. 1 Baria Aan zijn Edelheid Den Hoog Edelen Groot Agtbaren Heere M=r Willem Arnold Alting gouverneur Generaal we„ „gens, den staat den Per Er„ „nigde Nederlanden en Haare Algemene oosjndische Com„ pagnie. De wel Edele Heeren Raden van Nederlandsch Jndia Benevens Hoog Edele wijdgebiedende. Heeren! Bij gelegenheid dat de tot vice commandaur g'eligeert capitein ter zee Christiaan Blom, met het Particuliere Engelsche scheepje The Nephtun naar Ba„ „tavia vertrekt, achten wa het van onse gehoudenisse uw Hoog Edelheden eerbiedig kennis te geven van de ont„ „vangst op den 29 Iunij en 2: october J:t leden, per de Diensche snauw De Anthonetta Maria en 's Comp=s schip stralen van Hoog derselver ten meeste gerespecteerde originele Duplicaat en copia gemene secrete en circu„ „laire brieven van den 5. September 7: october en 14. Nov: 1780, e 1780:, 24: April, 12: Iunij, 10: en 20: Juli, item 9 Aug=s 1781, 14: November 1783, mitsg:s 27: Julij J:t leeden, als mede om prealabel, die zaken ten uw Hoog Edelheden be„ „lievende kennis te brengen, welke wij onvermijdelijk nodig oordelen, zullende het generaal verslag van zaken door ons in de maand februarij aanstaande ge„ „schieden: Alzo wij aanstonds na dat we in het bezit van de plaats door de Engelsche Regening, zo als na de Eene hebben bij onse aparte brief van heden te bedelen, gesteld waren, overgingen om de nodige maatregelen te nemen, ten einde het schip staalen te lossen en te zorgen, dat aan uw Hoog Edelheden bevel, om namentlijk dien bodem niet een lading naar Europa te zenden voldaan wierde, zo kwam bij ons in de Eerste plaats in aan„ „merking de benodigtheid van contanten, ten einde dat canguasoen het welke wij voorsagen dat zo niet. geheel, ten minste voor het grooteste gedeelte, wel zou ƒ moeten opgekogt worden, also de tijd tot het doen van aan besteding bereets te verre verlopen was, wij besloten dan den 13: october om de bij ons aan handen zijnde 85: stuks uit Europa ontvangene wissels ter acceptatie te laten presenteren, in de vaste hoop venserende dat et dat deselve zo niet alle, ten minste de meeste zouden aan„ „genomen worden; vermits vele den betrokkene zig bereets voor enige maanden zo bij de eerste Tekenaar als bij andere van ons hadden aangediend, ten einde omtrend die wissels, onderregting te enlangen, en intus„ „schen vermits die traites op twe maanden zigt ge„ „trokken zijn, en men tot het doen van de nodige ongelden enige penningen benodigde, om 50000: ropijen op de voor„ deligste wijse op intrest te negocieeren, aan van die som hebben we tot nog toe niet meer dan de helft ofte f:a r:o 25000:, tegens den rente van 9 p=r C=to opgenomen, alzo door de goede aftrek die de specerijen of wel eigent„ „lijk de noten hebben vele ongelden uit dies verkoop wor„ den goedgemaakt. Maan wij vonden ons in onse mening ten uitterste bedragen, also den boekhouder van den Broeck welke met de voorm: wissels naar kalkatte was geweest ons bij een ter Resol: van den 26: der even gem: maand inge„ „lijkt rapport berichte dat 'en om zo te spreken geen een van die traites was geaccepteerd en dat rijse daar„ om van non acceptatie had moeten laten protesteren. wij namen dan ten even gemelden dage het be„ „sluit also men op de bij het voorsch: rapport ver„ „melde hoop dat en mogelijk nog wel enige bij de aanbieding aanbieding ten betaling zoude voldaan worden, in het geheel geen staat te maken was, om zeven Lak ropijen op assignatie te negoticeeren ten einde in Europa te„ „gens 27: stv: de sicca rapij na de voorjaansche venkoping in den Jane 1786, voldaan te worden, gelijk mede nadien en wel onder comp:s dienaren zoude zijn, die gelden voor andere te rermitteren hadden, om van deselve bij provisie een lak ropijen in cas te accepteren tegens 27:½ stuiver de sicca ropij om mede op de hier voor gem: tijd voldaan te worden. wij waren wel genoodsaakt Hoog Edele Heeren om tot dit besluit maar direct ten einde geen tijd te ver„ „liesen over te gaan nadien men de dispositie, om„ „trend het verzenden van het schip stralen naar Euro„ „pa met geen mogelijkheid, langer konde uit stellen dan uitterlijk tot medio November aanstaande, en de Engelschen die bereeds het grootste gedeelte hunnen Con„ „tanten hun eijgen cas, dan wel op respondentie niet de particuliere deensche schepen die tit loofde den slegte markt welke ze voor de door hun uit Europa aange„ bragte goederen hebben getroffen: maar alles tegens en orme prijsen aannemen wat ze ter belading hun„ „nen schepen naar Europa bekomen kunnen, hadde overgemaakt, in alle getal bij hun eige compagnies de contantten 5 de Contanten voor deliger konde remitteren dan tegens 25: stx de sicca cropij bij ons, alzo ze ongetekend de 8 p=r C=to die hun ten goede worden gedaan voor de tusschen tijd, dat het geld geteld en de assignatien verleend worden, en de 5: p=r C=to rente welke ze genieten, van de tijd den ver„ „lening, van de gem: assignatien tot de volle betaling toe twe schellingen en een pens voor de courant ropij, is Europa bekomen dat voor de sicca kopij ƒ1: 5. 4¼ uit„ maakt. we hebben dus als toen nog moeten op schorten uit hoofde den onzekerheid of men de nodige penningen zouden bekomen, ons besluit nopens den inkoop der lading van het schip, alzo we daar toe met dorsten. over gaan, voor en al eer we ten minsten van vier â vijff Laken ropijen vaste verzekering hadden, om anders somwijl niet, te vervallen in de dwang„ van dien Bodem met een halve lading te moeten ver zenden, dan wel die goederen, tot het aanstaande saisoen aan te houden, welk een en ander tot menke„ „lijke prejuditie van de Maatschappij zoude strek„ „ken. Bij ons kwam ten voor gemelde dagermede wel in aanmerking dat de E: Comp: Credit genoeg had, om een lading op obligatien te bekomen, dog tevens ook dat buiten de rente van 9 â 10: p=r C=to s Jaars die men e
English
one would have to pay on the capital, the sellers would calculate their goods so much more dearly, whereby little or no profit would be obtained for the Company, and then there is still the uncertainty as to when one would be able to pay off the capital, as one could not entertain much hope of being able to do so in part from the sale of the merchandise already brought in and still expected, since Japanese bar copper, as the principal money-yielding article, is now to be had in Calcutta for only 36 sicca rupees per maund. To Kasimbazar we have also, pursuant to the resolution of the aforementioned 26 October, as the scarcity of money there is just as great as here, sent two bills of exchange received from Europe to the amount of 50,000 sicca rupees, with orders to negotiate with the drawee prior to finally presenting them for acceptance and to learn whether he would agree to pay in case of some prolongation of time, and then to govern the presentation of the same for acceptance accordingly, at the same time authorizing the servants in the meantime to negotiate the most necessary goods for that sum in the most advantageous manner. We have also required of them their consideration and report as to whether there would be a possibility of obtaining drafts on Europe for the remaining amount of the returns which they undertook to procure, on those conditions as are described hereinbefore. In answer to this, the said servants informed us by letter of the 10th of this month that the two bills of exchange sent to them, after many raised difficulties, were finally accepted for payment; that their having not yet been able to obtain money on drafts was ascribed to the fear that the English had of the renewed Act of Parliament whereby, under penalty of deportation, all engagements with foreigners are prohibited; that thus the only means to clear that obstacle out of the way would be to treat this affair secretly and to agree in case of need that the drafts to be issued, instead of after the spring sale of 1786, would be payable after the autumn sale of 1785. We resolved on the 16th thereafter that, since conducting the negotiation of the drafts secretly seemed extraordinary to us, to recommend the servants to proceed with industry in that regard, and for example merely to have the counting of the money done under another name, as all that matters is that the holders of the drafts receive their money upon them in Europe, and that for greater certainty we would notify the Lords and Masters thereof; furthermore, to depart from the order to issue the drafts on the spring sale of 1786 insofar as necessity requires, provided that the funds which the servants shall negotiate on the autumn sale of 1785 serve absolutely for the payment of their quota in the cargo of the ship Staalen. And upon their repeated request for money, we have granted them permission to propose to Mr. Burgh, who is the acceptor of the aforesaid two European bills of exchange, to pay the amount of the same directly after deduction of one per cent. We hope that Your High Nobles, taking the aforementioned into favorable consideration, as well as the scarcity of money in Calcutta, since according to rumors the English Company, besides the one hundred lakh rupees which it has taken up during the period of two years, still owes well over seventy lakh for which warrants on the treasury have already been issued, will be pleased to crown these our decisions with your High approval; and we shall not fail to inform the Lords and Masters respectfully of this scarcity in the departing letter in January, so that Their Right Honorable High Mightinesses, if it so pleases them, may take the necessary measures regarding it. The First Bookkeeper having communicated in our meeting of the 5th of this month the good probability that there was to obtain the funds required for the purchase of the cargo for the ship Staalen, pro patria, on drafts at 27 stivers per sicca rupee within the period of two to three months, but that the lenders did not show themselves satisfied with the previously credited interest of four per cent for the interim between when they had counted the money and the drafts were issued to them, we have therefore resolved, as that time will be so short since the drafts will be issued under the date of ultimo December, to set the interest to be given at 6 per cent. And this concession, joined with the promises which some of the members also had for that purpose, made us proceed on the said day, as time was pressing hard, to lay down the aforementioned ship Staalen, pursuant to Your High Nobles' respected order by letter of 27 July of this year, for the Chamber of Amsterdam with one third of the cargo for Enkhuizen, in order, under God's blessing, to be dispatched at the ordinary time in coming January, as well as to make a beginning with the purchase
Dutch transcription
men op het capitaal zouden moeten betalen, de ver„ „kopers hunne waren zo veel te duurden zouden be„ „rekenen waar door en voor de maat schappij weinig off geen winst te behalen zoude wesen en dan nog de onzekerheid, wanneer men het capitaal zoude kun„ „nen aflossen, alzo men niet veel hoop konde voeden, om zulx voor een gedeelte te kunnen doen, uit den verkoop van de bereeds aangebragte en nog te ver„ „wagtene koopmanschappen nadien het Japansch staaf kopen als het voornaamste geld afwerpende ar„ ticul, nu op kalkatta, wog voor 36: sicca ropijen de maan te bekomen is. Naar kassembazaar hebben wij mede in gevolge besluit van vorengemelde 26. october al zo door de schaarsheid van geld even zo groot is als hier gezon„ den twe uit Europa ontfangen wissels ten bedragen van 50'000: sicca ropijen, met last om alvorens die finaal ten acceptatie te presenteren, daar over niet den betrokkene te handelen en te vernemen of hijse zoude aannemen te voldoen in cas van enige pro longatie van tijd en dan de aanbieding ter acceptatie van deselve daar na te rigten, de be„ diendens tevens qualificerende om ondertusschen roor 8 voor die som het nodigste op de voor deligste wijze te negocieeren, ook hebben we van hun gerequireerd den zelven consideratie en bericht of en mogelijkheid zoude wesen, om het overige bedragen der retouren, die zij aannamen te besorgen, daar op assignatie op Europan te bemachtigen op die conditien als hier voren beschreeven staan: Jn andwoord hier op bedeelde ons de gemelde bediendens bij brief van den 10: desen dat de hun toegezonden twe wissels na vele geopperde zwarigheden eindelijk ten betaling waren geaccepteerd geworden, dat zij nog geen geld op as„ „signatien hebbende konnen bekomen zulx toe„ schreven aan de vrees die de Engelschen hadden voor de gerenoveerde acte van het pranlement waar bij sub peene van een deportement alle en gagementen met de vreemden verboden word, dat dus het enigste middel om die hin dennis uit den weg te ruimen zou„ de zijn, dese affaire secreet te behandelen en om in tijds van nood te willen accorderen, dat de te verlene assignatien, in stede van na de voorjaansche verkoping in 1786 na de na Jaarsche den koping van 1785 zoude betaalbaar wesen, wij besloten den 16: daar aan, dat vermits ons de behande„ ling der te negocieerende assignatien secreet te doen, als onderlijk voorkwam, de bediend.:s aan te bevelen van daar omtrent met inclustrie te werk te gaan, en bij voor„ „beeld de geldtelling maar op een andere naam te laten laten geschieden, alzo het er tog maar op aankomt dat de houdens de Assignatien hun geld in Europa op desselve ontvangen en dat we tot meerder zekerheid, daar van kennis zouden geven aan de Heeren en Meesters — voorts om van de ordre tot het verlenen den assignatien op de voor Jaansche den koping in 1786 voor zo verne om de nood„ sakelijkheid af te stappen, mits dat de penningen die de bediend=s op de na jaarsche verkoping van 1785 zullen negocieren absolut dienen tot de voldoening, van hun quotum in de lading van het schip staalen. En op het Een haald ver zoek om geld; hebben we hen verlof verleend, om de Heer Burgh, welke de acceptant der voorsz: twe Europische wissels is voor te slaan het bedragen van de„ selve na afkorting van een p„r C:t direct te voldoen. wij hopen dat uw Hoog Edelheden het hier voor geci„ „teende in gunstige overweging nemende zo mede de schaarsheid van geld te kalkatta alzo de Engelsche Com„ pagnie volgens gerugten buiten de Een hondert Lak ropijen, welke ze gedurende de tijd van twee Jaren heeft opgeno„ „men nog ruim zeventig Lak schuldig is, waar voor beneeds ordonnantiem op de cassa zijn verleend, deze onse besluiten met Hooy desselfs goedkeuring zullen gelieven ge„ „lieven te bekroonen en wij zullen niet in gebreken blijven van dese schaarsheid bij de afte gane briefjin Januarij de Heeren en Meesters eerbiedig kennis te geven, op dat Hun wel Ed. 3 Wel Ed: Hoog Agtb: zulx behagende daar omtrend de nodige maatkegelen zullen kunnen nemen. De Eerste Tekenaar in onse vergadering van den 5: de„ sen, gecommuniceerd hebbende de goede waarschijne lijk„ „heid, die er wane, om de benodigde penningen tot den inkoop der lading voor het schip staalen, pro patria, op assignatie tegens 27: stver: de sicca copij binnen de tijd van twé â drie maanden te bekomen, dog dat de telders, zich niet te vrede toonden, met de bevonens hem ten goeden gedane ren„ te van vier procento voor de tusschen tijd, dat zij het geld hadden geteld en hun de assignatien verleend waren, zo heb„ ben wij besloten, alzo die tijd zo kort zal wesen nadien de assignatien onder u2t=o december zullen verleend worden de te gevene rente op 6: p=r C=to te bepalen. En dese toe zegging gevoerd bij de beloften die enige der leden daar toe ook hadden heeft ons ten gemelden dage doen overgaan, alzo de tijd sterk in schoot om het schip staalen voormeld ingevolge uwer Hoog Edelheden ge „respecteende ordre bij brieff van den 27: Julij h: a: aan te leggen, voor de kamen Amsterdam met een derde van de lading voor Enkhuisen om on der Godes zagen op de ordinaire tijd in Januarij aan staande gedepe„ „cheert te worden, zo mede een begin te maken met den Jnkoop e
English
Purchase of the necessary goods for these cargoes, to pay for them as soon as there shall be money in the treasury, with interest at 9 p=r C=to per year; the mortgage deeds to be granted for this purpose shall not be issued earlier than 14 days after the valuation held, in order thereby to make the accrued interest time so short that it will not weigh heavily upon the Hon. Company. In our meeting of 9 October, there was presented a memorial and calculation drawn up by the Head Administrator from the European Requisitions of the years 1780, 1781, and 1782, showing how much of each sort of goods will be needed for the cargo of a ship; and the difficulty having arisen therein that, as we already have had the honor to say here previously, since we will have to purchase the cargo for the ship on the market, we will not be able to procure all the linens so that they meet the prescribed length and width, because these are not contracted for as such with private individuals, and also because some goods that are requisitioned annually cannot be obtained at all, we have therefore resolved, according to the license granted by Your High Excellencies in the aforementioned respected letter of 27 July last, to comply with it as closely as is at all possible in the present circumstances of the time; and since we now already have goods for 425 volumes, and although some of them, namely the coarse linens, turn out to be somewhat more expensive than they cost under contract, we can nevertheless seriously assure Your High Excellencies that they will by no means be inferior in quality, although some of them are very plain; and also that, extraordinary disasters excluded, which can occur sooner than otherwise under these circumstances of the times, we flatter ourselves that we will be able to dispatch the ship Stralen with a decent cargo, since the servants at Cossimbazar have undertaken to supply that which was ordered from here. On the 9th of this current month, it having been reported verbally in our meeting by Sea Captain Christiaan Blom, elected Vice-Commander, that he, together with Master Attendant Hillefs, had maturely considered the orders of the Right Honorable High Respected Lords Gentlemen Seventeen by letter of 7 October 1779, and the further recommendation by Your High Excellencies in the esteemed letter of 7 October 1788, item that which was set down in a report by the Commander Writer regarding the shipment of one hundred thousand pounds of saltpeter more than ordinary with a return vessel, provided that this would cause no reduction in the total volumes that a ship ordinarily carried; His Honor as well as the said Master Attendant were of the opinion that this would be utterly impracticable without making a reduction in the number of 1000 packs which a return vessel ordinarily took in, but rather, for example, if a ship were given no more than 800 to 850 volumes; thus there came under our consideration the possibility that might exist that sometimes, for lack of available goods, one would have to dispatch the ship Stralen with a smaller number of packs than 1000; and we therefore decided, to choose certainty over uncertainty, to set the cargo of that vessel for this time at only 800 to 850 packs and to make up this shortfall with the one hundred thousand pounds of saltpeter. And we were all the more inclined to adopt that resolution because, pursuant to our resolution of 26 October, we had the opportunity to secure a very fine lot of 4500 bags of that salt at 6½ Sicca Rupees per maund of 68 lb. We therefore humbly request that Your High Excellencies will be pleased to approve our arrangement made for this voyage. With very great pleasure we have seen, from Your High Excellencies' esteemed circular missive of 5 September 1780, the accession to Governor-General of the Netherlands Indies of the High Honorable and Right Respected Lord Mr. Willem Arnold Alting; we shall respect and obey His Honor as such in accordance with the supreme order. We have the honor to attend upon His Honor very courteously with our respectful compliments, most humbly congratulating the same on this eminent dignity, wishing that it may please the Almighty to bless His High Honor with prosperity and a happy and long-lasting Government, which we, after the said circular order, as shown by the original resolution accompanying herewith, publicly proclaimed on the 10th of this month with such solemnity as the circumstances of the times allowed us. We also request permission to congratulate most respectfully the Right Honorable and Highly Respected Lord Adriaan Moens on His Honor's accession as First Councillor and Director-General of the Netherlands Indies. As we also felicitate with respect the Honorable Councillors who have been elevated in rank by the Right Honorable High Respected Lords Gentlemen Seventeen, or given a seat in the illustrious assembly of Your High Excellencies; we wish Their Honors collectively Heaven's bountiful blessing upon their persons and undertakings. The First as well as the remaining signatories take the liberty humbly to address Your High Excellencies, as before
Dutch transcription
Jnkoop den benodigde goederen voor dies carquasden, om deselve zo dra en geld bij cas zal wesen met de rente van 9 p=r C=to sjaars te betalen, zullende de daar voor te ver„ len en derbandscheiften niet eerder dan 14. dagen na de ge„ „houdene prijzering worden afgegeven om daar door de tijd den te verlopene renten zo kort te maken dat zulx de E: Comp: niet veel zal drukken. Jn onse vergadering van den 9 october heeft ge„ diend een door den hoofde Administrateur uit de Euro„ pische Eijschen van den Jare 1780, 1781, en 1782, geformeerde memorie en berekening, hoe veel van ider zoort den goederen, men voor de lading van een schip zal benodigt zijn en daar bij te voren gekomen zijnde de zwarigheid; om vermits men zo als wede here hebben gehad hier te voren reets te zeggen, de lading voor het schip te zullen moeten opkopen, men dle Lijwaten, niet alle zal kunnen besorgen, dat se aan de geordonneerde lengte en breed te komen te voldoen, nadien die bij de particuliere zoda„ nig niet worden aan bestred en dat 'er ook enige goe„ deren welke jaarlijks geEischt worden in het geheel niet te bekomen zijn, zo hebben we besloten om volgens uwer Hoog Edelheden verleende licentie bij voormelde gerepecteerden letteren van den 27: Julij J: l: door aan zo na te voldoen als het in de presente tijds om„ stan dirleden 11 't standigheden immers mogelijk is, en nadien wa nu be„ „reets voor 425: - volumes goederen hebben en schoon sommigen daar van af eigentlijk de grove Lijwaten wel wat duuader uitkomen als die bij de aan besteding komen te kosten, zo kunnen we uw Hoog Edelheelen serieuselijk van zekeren, dat ze voor al niet minder in deugd zullen wesen, al zo sommige doar van zeer soaaij zijn, en tevens, dat we, buiten, gemene desasters buiten gesloten, die in dese tijds omstandig heden eerder als anders kunnen voorvallen ons vlijen, dat wa het schip stralen niet een ordentelijke Lading zullen kunnen verzenden ver„ mits de kassam bazaarse Bediendens hebben aangeno„ „men, dat gene te voldoen, wat hun van hier is aangeschre„ ven geworden. Den 9 deser lopende maand door den tot vice Com„ „mandeur g'eligeerde capitain ter Zee Christiaan Dlom, bij monde in onse vergadering gerapporteerd zijnde, van met den Equipagie meester hdlefs rijpe„ „lijk over wagen te hebben het geordonneerde den wel„ Edele Hoog Agtbaren Heeren Masores bij brief van den 7: october 1779, en het nader aan bevolen door uw Hoog Edel„ „hedens bij g'agte letteren van den 7: october 1788. item het ter neder gestelde bij berigt door den commandeur schrijver nopens de verzending van Eenmaal hondert duisend ponden sal „peter „peter meer dan ordinaia met een retour bodem mits dat zulx gene vermindering kwame te maken in het geteil volumes, wel„ „ke een schip ordinair vervoerde, zijn E: zo wel als de gemelde Equipage meesten van oordeel waren dat zulx zouden een te makene vermindering in het getal van 1000: pakken die een retour bodem ordinair in kreeij volstrekt ondoenlijk was maar wel bij voorbeeld, zo een schip niet meer dan 880: â 850 volumes wierd ingegeven zo kwam bij ons in overweging de mogelijkheid die en ware dat men somwijlen het schip stra„ „len bij gebrek aan te bekomene goederen met een minder getal pakken dan 1000; zoude moeten verzenden, en dus be„ „sloten we om het zekeren voor het onzekere te nemen; de lading van dien bodem voor dese keer, maar op 800: a 850: pakken te bepalen en die minderheid te accompleteren met de Een maal hondert duisent ponden salpeter. — En we zijn te Eerden tot dat besluit ovar gegaan, om dat we inge„ „volge onse resolutie van den 26: october gelegenheid hebben gehad een en twee fraije partij van 4500: sakken van dat silt te„ „gens sicca ropijen 6½. de maon van 68: lb: meester te worden. . wij van zoe ken dus onderdaniglijk dat uw Hoog Edelheden voor dese reis onze gemaakte schikking gelieven te approberen. Met zeer veel vermaak hebben we uit uwer Hoog Edel„ „heden g'achte circulaire missive van den 5: september 1780 geziende opvolging tot gouverneur Generaal van Nederlandsch 13 Nederlandsch Jndien, van den Hoog Ed: groot Agtb: Heer M=r wil„ „lem Arnold Altingen wij zullen zyn Edelheid ingevolge het hoge bevel als zodanig respecteren en gehoorsamen. wij hebben de Eere zijn Edelheid zeer beleefdelijk op te wagten met ons Eerbiedig complim:t Hoogst deselve aller onder der„ „nigst vergelukkende met dese Eminente waardigheid wenschende wij dat het den allen hoogsten moge behagen zijn Hoog Edelheid te zegenen met voorspoed en een gelukki„ ge en Lang durige Regering, dien we na mid den gemelde circulaire ordre, uitwijsens de in originale hier nevens gaande resolutie den 10: deser met die plechtigheid welke den omstandigheden des tijds ons hebben toegelaten publicq voorgesteld hebben. wij ven zoe kan ook tevens van lof om op het Eerbiedigst te congratuleren den wel Ed=e groot Agtbaren Heer Adriaan Moens met zijn Edeles optreding tot Eerste Raad en Directeur generaal van Nederlandsch Jndien. Gelijk we mede met respect filiciterren de Edele Heeren Raden die door de wel Edele Hoog Agtbare Heeren Majores. af hogen in Rang vanheven of sessie gegeven zijn in de il„ „lustre vergadering van uw Hoog Edelheden; wij wenschen hun wel Edelens gezamentlijk over hare Personen en on„ dennemingen des Hemels milden zegen. De Earste zo wel als de overige Tekenaars, nemen on„ dendaniglijk de vrijheijd uw Hoog Edelheden, zo voor E
English
themselves as well as the other servants to express in the most polite manner their gratitude for the favor that it has pleased the same High Authorities, upon the resumption of affairs here in this country, to place them again in the offices previously held by them, or in other posts. We assure Your Right Honorables, and the first signatory in particular, most strictly that we shall make every effort to fulfill the trust placed in us, in order to repair as much as possible, through attentive and deliberate conduct, the damage suffered by the Honorable Company during the recent war, so that we thereby make ourselves worthy not only of the high favor of the Lords and Masters, but also of that of Your Right Honorables. Besides the aforementioned Vice Commander Blom, there also travel with this same vessel to Your Right Honorables the sick visitor of the ship De Bovenkerkersolder, Andries Chamerosskij, who has remained here since the year 1781 with suspension of wages, and the sailor Anthonij Willems, whose wage of ƒ11 per month we have allowed to continue upon the request made for that purpose by the said Blom. A request having been made to us on 13 October by the Junior Merchant Ian van der Wart, since he had already paid his passage money long ago and had sold his household effects in order to avoid losses by crossing over with a private opportunity to the Indian capital, this was granted to him with suspension of wages, and he will therefore continue his journey on another occasion. We have the honor to be, very submissively, Below stood: Right Honorable, Far-Ruling Sirs Lower: Your Right Honorables' very humble and obedient servants, Signed: Greg:s Herklots, A: Bogaardt, I: W: S: van Haugwitz, A: G: Kraijenhoff, Iacob Eilbracht, J:m Edlefs, L: Reael de Bas, I: H: Guerin, and I: C: Heining. In the margin: Houglij, 30 November 1784. Agreed, D. D. van Haak Eyke Touwalde The Equipage Master Joachim Edlefs Wednesday, 10 November 1784, in the morning. Present: The Honorable Gregorius Herklots, Senior Merchant, Chief at Kassambazaar, Secunde of the Direction, and Chairman. The Senior Merchant and Head Administrator, the Honorable Anthonij Bogaardt. The Captain at Sea Christiaan Blom, elected as Batavia Vice Commander. The Merchants: Johan Wilhelm Salomon van Haugwitz, First in the Cloth Hall; Adrianus Gerardus Kraijenhoff, Fiscal and Town Master; Iacob Eilbracht, Trade Bookkeeper, Dispenser, and Invoice Keeper. In compliance with the highly respected order The Junior Merchants: Lodewijk Reael de Bas, First Warehouse Master; Isaak Huijbrecht Guerin, Cashier and Secretary; and Johannes Cornelis Heijning, Pay Bookkeeper and Vendue Master. from from the Honorable High Indian Government, by circular letter of 5 September 1780, and the resolution taken on account thereof on the 19th of the past month of October, and the draft therein inscribed, the day of oaths having been chosen to solemnly present His Honor, the Right Honorable, Highly Esteemed Mr. Willem Arnold Alting, in the eminent dignity of Governor-General of the Dutch East Indies, as confirmed in that high station of honor by the highly venerated letter of the Honorable, Highly Esteemed Lords Majors dated 8 December 1781; the Honorable Lord Chairman, having entered the Lodge from the house of the Honorable Head Administrator with the members and body and having appeared in the meeting hall, after invoking the Name of the Almighty, delivered a speech applicable to the matter, and ordered the Secretary to read aloud the Act of Authorization granted to His aforementioned Honor, together with the Form of the Oath annexed thereto. Which, after being read aloud beforehand by His Honor before the full assembly, and thereafter upon an express questioning and shown willingness, was taken by the Honorable Head Administrator and the Council members collectively into the hands of the Lord President; after the performance of which they mutually congratulated one another on the joyousness of the aforesaid event, of which it was understood to keep this record. Here Hereafter, the qualified servants designated for that purpose in the aforesaid Ceremonial Project Nos. 9 and 10 were summoned into Council, to whom the Honorable Lord Chairman stated very briefly the reason why they were summoned; subsequently also causing to be read aloud to them the aforementioned Act of Authorization with the Form of the Oath, and the same being properly performed upon questioning and declared willingness by everyone; and they being thereupon collectively dismissed, this note was likewise kept thereof. Lastly, the ceremonial was repeated outside on the Steps, where the Honorable Lord Chairman and Council, having betaken themselves, His Honor presented to the remaining Company servants and to the soldiers still left here standing unarmed among them drawn up in a rank, the object of this solemnity. For the completion of the same, the repeatedly mentioned Act of Authorization and the Form of the Oath were likewise read aloud to the audience collectively, and as a token of obedience answered by the Militia with "Long live His Right Honor Alting," and the ceremonial being concluded therewith, it was resolved to note this, and also that after the performance of all the foregoing, the Lord President was complimented by the Council and all other Company servants, brokers, merchants, and other inhabitants.
Dutch transcription
zig zelve als de overige dienaren op het allen beleefste hunne erkentenis te betuigen, voor de gunst, dat het Hoogst deselve behaagd heeft, hun bij de weder aanvangneming der zaken hier te lande, weder om in de bevorens door hun bekleed zijnde bedieningen, dan wel in andere posten hebben gelieven te stellen wij verzekeren uw Hoog Edelheden en den Eerst getekende in het bijsonder op het sekieuste dat wij alles zullen aanwenden om aan het op ons ge„ „stelde vertrouwen te beantwoorden, om de geledene schade gedurende den jongsten oorlog bij de E: Comp: door een attent en overleggend gedrag zo veel doenlijk te herstellen, op dat wij ons daar door niet alleen waardig maken de Hoge gunst der Heeren en Meesters, dog te„ „dens die van uw Hoog Edelheden, Buiten gemelde vicecommandeur Blom, van en ook met desen zelven Bodem tot uw Hoog Edelheden over, de alhier zedert den Jare 781. met stilstand van gagie over gebleven krank bezoeken van het schip de boven„ „kenken solder Andries Chameros skij en de Matroos Anthonij willems, die we op het daar om gedaan van„ zoek door geen: Blom, zijn gagie van ƒ11: ter maand hebben laten cours behoudens. Door den onderkoopman Ian van der: wart op den 13: october bij ons verzoek gedaan zijnde, om vermits hij bereets voor lange zijn passagie: geld hadde voldaan, e 15 nagesien en zijnen in boel in doer ten gelde gemaakt, ten voorko„ ming van schade met een particuliere gelegenheid na Jn„ „disch Hoofdplaats over te varen, zo is hem zulx niet stil„ „tstand van gagie geaccordeert, en die zal dus zijne reijze bij een andere occagie vervolgens: wij hebben de Een zeer onderdaniglijk te zijn /:onderstond:/ Hoog Edele wijd gebiedende Heeren : /:lager:/ uwer Hoog Edelheeden zeer ootmoedige en gehoorsame dienaren /:was getekend:/ G reg:s Han„ „kloto, A: Bogaarst, I: w: S: van Hangwitz A: G: kraijenhoff, Iacob Eilbracht, I:m Et labs, L: Reael de Bas, I: H: Geurin en I: C: Heining. /:in margine:/ Houglij den 30: November 1784. Accoudeert DD Van Haar Eyke Touwalde 17 De Equipagie meester Joachim Edlefs Woensdag den 10: November 1784. 's morgens Present DE: E: Gregorius Herklots opperkoopman, opperhoofd te kassambazaar, secunde den Directie mitsg=s voor zitter De opperkoopman, en Hoofd Administrateur DE: An„ „thonij Bogaardt. De tot Bataviasche vice Commandeur g'eligeerden Ca„ „pitein ter Zee Christiaan Blom De kooplieden Johan wilhelm Salomon van Hugwitz p:l Eerste in de kle„ den Zaal Adrianus Gerardus Kraijen hoff Fiscaal en Dorpmeester Iacob Eilbracht Negocia boekhouden Dispencien en fac„ „tuur houden. Jn voldoening aan de zeer gerespecteerde ordre De onderkooplieden Lodewijk Rreael de Bas P=r Eerste pakhuismeester Isaak Huijbrech Guerin cassier en secretaris, en Johannes Cornelis Heijning sodij boekhouder en vendumeester van 8 van de Edele Hoge Jndische Regering, bij circulaire missive van den 5: september 1780: en het uit hoofde van dien genomen besluit van den 19 den jongst verweken maand october en het daar bij in geschreven antwerp den dag van Eeden gekosen zijnde, om zijn Edelheid; Den Hoog Edelen groot Agtbaren Heer M=r willem Arnold Alting plegtig voor te stellen, in de emineute waardigheit van gouvverneur ge„ „neraal van Nederlandsch Jndie, als in die Hoge Eere stand geconfirmeerd bij de zeer Geveneneerde mis„ sive van de wel Edele Hoog Agtbare Heeren Najores de dato 8: december 1781: werd, door den E: E: Heere voor „zitten met de Leden en coups uit het Huis van den E: Hoofd Administrateur de Loge ingekomen en ten verga„ „den zale verschenen zijnde, na het aan roepen van den Naam des Allen hoogsten eene ter materie applica bel aanspraak gedaan, en den secretaris bevolen van overluid op te lesen, de Acte van Authorisatie op Hoogst gemelde zijne Edelheid verleend, met het Formulier van den Eed daar neven gevoegd, welke na het oplesen door zijn E: E: voor af, voor de volle verga„ dering en daar na op Expresse afvragt en betoonde be„ reid willigheid door de E: Hoofd Administrateur en de Raadsleden gezamentlijk, aan handen van den Heer Praesident werd afgelegt, na welkers verwigting men elkanderen over en weder vergelukte, met de Eeugelijk„ „heijd van voorsz: gebeurtenis: waar van is verstaan te houden dese annotatie Hier 49 13 Hier na werden in Raden ontboden, de daar toe bij het voorsz: project Cenemonieel N:o 9: 3n 10:, geappointeerde qualificeerde Dienaren die door den E: E: Heer voor zitter zeer beknoptelijk wierden voorgehouden, de reden waar„ „om zij waren ontboden; doende, Een vervolgens ook voor lesen den voorm: acte van Authonisatie, met het formulier van den Eed en desselve, op afvoage en betuigde bereidwillig„ heid door een ieder; behoorlijk gepresteerd, en zijlieden hier op gezamentlijk gedimitteerd zijnde, werd daar van alme„ de dese aantekening gehouden. Laastelijk wierd het ceremonieel herhaald buiten op de Puije alwaar den E: E: Heer voorzitten en Raad zig ver„ voegd hebbende, zijn E: E: de overige comp:s dienaren en on„ der de dezelve ongewapend in een rije geschaand staande hier nog overgebleven militairen, voorhield het oogmerk van dese statigheid, tot Perfectie van deselve, de toe hoorders gezamentlijk de meermelde Acte van Autho„ „risatie en het Formulier van den Eed mede overluid voorgelesen en ten teken van de gehoorsaamheit door de Militie met vivat zijn Hoog Edelheid Alting beand„ „woord en daar mede het ceremonieel besloten zijnde: zo is verstaan dit en tevens aan te tekenen dat na verrigting van al het vorenstaande de Heer Praesi„ „dant door de Raad en alle overige comp:s Dienaren, na„ „kelaar, kooplieden, en verdere ingezetene gecompli„ menteerd, e -
English
checked, and herewith, in accordance with the honored intention of the Noble High Indies Government to conduct this presentation without further expansion of public solemnities or more fuss than at the presentation of the late Governor General De Klerk (whose memory be honored), and that the same has only been celebrated here at the main office, without being able to employ the flags, the heavy artillery, and sidearms, as is otherwise customary on such solemn occasions, by reason of the fact that, according to the noted separate Resolution of 9 October last, one has hitherto not been able to make use thereof. Done at Hooghly in Bengal, date as above. Was signed: Gerardus Henklots, A: Bogaardt, Cl: Blom, P: W: J: van Haugwitz, A: G: Kraijenhoff, Jacob Hilbwacht, I: Edlefs, L: Baael de Bas, Z: H: Guirin, Secretary, and L: C: Weijning. Agrees. DD: Van Harn 25 Batavia To His High Honor No 11 The High Noble, Right Honorable Mister Willem Arnold Alting, Governor General on behalf of the state of the United Netherlands and its General East India Company, and the Honorable Gentlemen Councillors of the Dutch Indies. High Noble, Wide-Ruling Sirs, At the beginning of this month, having arrived safely here by the Danish snow the Anthonetta Maria, Your High Honors' very esteemed letter of 14 November of the past year, addressed to the members of the former Political Council, together with its enclosures; it has appeared to me from the copy of Your High Honors' revered dispatch dated 10 July 1781, written to the repatriated Director Ross alone, regarding Your High Honors' authorization for procuring 6 to 800 chests of Opium at Batavia, as well as by a copy of a requisition dated Batavia in the Castle, 11 August 1781, what was required at the aforementioned capital for domestic convenience. And realizing well the necessity to fulfill these demands, although made much earlier, for the present, in order not to deprive the Company of its requirements and the precious profits on the Opium any longer than necessary, of which there must undoubtedly be a shortage, since little or nothing of that poppy juice will have been brought to Batavia since the year 1781, besides that taken by The Betsey, which will undoubtedly also have been converted long ago; thus, spurred on all the more by Your High Honors' honored order by letter of 9 August 1781 to fulfill the demand with merely any possibility, I decided within myself to enter into an engagement with one or another among the Foreign Nations, understanding that even if Your High Honors, with respect to procuring this requirement, should still be pleased to issue any further instruction, the season had expired to carry out the collection at Patna according to custom. For this reason, I sounded out one of the most capable among the English merchants as to whether he would be inclined, and if there would be an opportunity, to deliver the required 6 to 800 chests of opium, for a fixed price, free and clear at Batavia; but this at first did not seem likely to succeed, and I encountered, contrary to expectation, much opposition, mainly arising from a fear that, his negotiations being discovered here, he would encounter insurmountable unpleasantnesses on that account, which could even result in his complete ruin, as the prohibition that no private individuals may enter into contracts with any foreign Company was renewed by Parliament under a heavy penalty, and this was being guarded against more than before. I then, noticing where the hitch actually lay, promised him, in case he had any inclination to listen to my proposal, that I bound myself to keep this matter so secret that no one whomsoever here in this country would see or speak of it. This promise, to which he first solemnly bound me, made him come out towards me with greater freedom and, putting his fear aside, declare that he was willing to make an agreement with me, under the assurance that we would carry it out to the satisfaction of both parties. In this negotiation, I took into consideration the possibility that Your High Honors, making use of the preliminaries signed between the English crown and Their High Mightinesses, might sometimes be pleased to see fit to send a ship or other vessel hither this season, with a further requisition, accompanied by authorization to negotiate the necessary funds, or else the amount of the English bills of exchange still on hand here, brought from Europe in the years 1781 and 1782, the payment of which, if not of all, at least of most, will follow upon presentation; in either case, through cash then being on hand, the bargaining of the conditions would turn out noticeably to the profit of the Company. For which reason I have agreed with my contractor to postpone our final agreement until the coming month of October, yet nevertheless to consider ourselves bound to one another to make such arrangements as circumstances will then permit to take; on which condition he, for mutual security, primarily insisted. Meanwhile, High Noble Sirs, I have considered it in the highest degree my duty to bring this negotiation and intention of mine, beforehand and as quickly as possible, very respectfully to Your High Honors' favorable knowledge, which I judge all the more necessary since I dare assure Your High Honors that, unless Your High Honors
Dutch transcription
nagesien Bowalde „menteerd, en hier mede, navolgens de geeerde jntentie van de Edele Hoge Indische Regering om deze voorstel„ „ling zonder verdere uit breiding van publicque solem niteiten of meerder omslag als bij de voorstelling van wijlen den Heer Gouverneur Generaal de klark /: H: L: A:/ te doen, en dat dezelve maar alleen hier ter hoofd Comptoire gecelebreerd is geworden, zouden dat men de vlaggen, het grof geschut en landgewaar, zo als anders bij diergelijke plagtige gelegen leden gebruikelijk is, uit hoofde dat men daar van ingevolge het aangetekende ter sparte Resolutie van den 9: october J: l: tot nog toe geen gebruikt kan maken, heeft kunnen emploijeeren. Actum Hoeglij in Bengale datum ut supra /:was get:d/ Gerag:s Henklots, A: Bogaardt, Cl: Blom, P: w: J: van Haug„ witz, A: G: kraijenhoff, Iacob hilbwacht, I: Edlefs, L: Ba„ ael de Bas, Z: H: Guirin, Sec=s en L: C: Weijning. Accordeert. DD: Van Harn tgke 25 Batavia Aan zyn Hoog Edelheijd No 11 Den Hoog Edelen Groot Achtbaren Heere Mr Willem Arnold Alting Gouverneur Generaal van wegens den staat der Vereenig„ „de Neederlanden en haare algemeene OostIndische Compa„ „grie De Wel Edele Heeren Raaden van Nederlandsch Indien Hoog Edele Wijdgebiedende Heeren In het begin deezer maand, per de Deensche snaauw de Antho„ „netta Maria, hier wel aangebragt zijnde Uwer Hoog Edelheeden zeer geagte Letteren van den 14 November A=o pass=o aan de Leeden van den geweezen Politiequen Raad gerigt, nevens dies bij„ „laagen; zoo is mij uit de Copij van Hoogderzelver gevenereerde Missive de dato 10 Julij 1781. aan den Heer gerepatrieerden Directeur Ross alleen geschreeven, gebleeken, uwer Hoog Edelheed en qualificatie, ter bezorging van 6 a. 800 kisten Afioen te Batavia, zo meede bij een Copia Eijsch gedateerd Batavia in 't Casteel den 11. Augustus 1781 Wat men ter eevengemelde Hoofdplaatse, tot beneevens 21 ricf hiis No 11 „ huisselyk gerief benodigden. En wel inziende de noodzakelykheid om aan deeze Eysschen schoon veel vroeger gedaan, voor als nog te voldoen, ten einde dE Comp=s niet langer dan het noodig is, te priveeren van haare benoodigdheid, en de kostelijke winsten op den Afioen, aan welke ongetwijffeld, gebrek moet weezen, nadien er zeedert den Jaare 1781. buijten de per The Betseij genomene, welke onge„ „twijffeld meede voor lange zal omgezet weezen, weijnig of niets van dat heulsap te Batavia zal aangebragt zijn, zoo heb ik te meerder aangezet door U Hoog Edelheedens geëerd bevil„ bij brieve van den 9=e Augustus 1781, om aan den Eijsch bij maar eenige mogelykheid te voldoen, bij mij zelve beslooten, met den een of ander onder de Vreemde Natien in Engagement te treeden begrijpende, dat alschoon Uw Hoog Edelheeden, ten opzigte der bezorginge deezer benoodigdheid, als nog eenige nadere aanschrij„ „vinge geliefden te doen, het saisoen verloopen was om den inzaam volgens gewoonte te Pattena te doen gevolg hebben, hierom heb ik een der vermogendste onder de Engelsche Negotianten gepolst, of hij geneegen, en er geleegendheid weezen zoude de geeijschte 6a 800 kisten opium, voor een bepaalde prijs, voij en vrank op Bata„ „via te leeveren; dan dit scheen in 't eerst niet te zullen geluk„ „ken, en ontmoete ik, buijten verwagtinge veel teegenkantinge, hoofdzakelijk ontspruitende uit eene vreeze, dat zyn onderhan„ „delinge hier ontdekt wordende, hij dientweegen onoverkome„ „lijke onaangenaamheeden zoude ontmoeten, die zelfs zijne geheelen ondergang ten gevolgen konde hebben, Alzo het verbod dat geene particulieren met eenige vreemde Compagnie Contrac„ „ten mogen aangaan, door het Parlement onder eene zwaare panaliteit wat vernieuwd geworden, en men meer dan voorheen daarteegens waakte; Ik dan merkende waar aan het eigentlijk haperde, beloofde hem, ingevalle hij eenige zin had, aan mynen voor v 25 voorslag gehoorte leenen, ik mij verbond deeze zaak zo gehuimn te houden van erzelfs niemand wie het ook weezen mogte, hier te Lande, iets van te doen blijken, of te spreeken deeze belofte, aan welke hij mij ten eersten plegtiglijk verbond, deed hem met meerder vrijheid teegens mij uitkoomen, en zijne vreeze agterweegen zettende, verklaaren, eene overeenkomst met mij te willen treffen, onder verzeekeringe dat wij het tot beider genoegen zouden ter uitvoer brengen. Bij deeze onderhandelinge kwam bij mij in aanmerkingen de mogelijkheid dat uw Hoog Edelheeden gebruik makende van de tusschen het Engelse stoff en Hunne Hoog mogende geteekende Creliminairen, somwijlen zouden gelieven goed te vinden, een schip of ander Vaartuijg in dit saisoen herwaards te zenden, met een nadere Eisch, verzeld van qualificatie tot het negocieeren der noodige penningen, dan wel het bedragen der hier nog aan handen zijnde Engelsche Wissels in A=o 1781 en 1782 uit Europa aangebragt, 't' ontvangen van welke de voldoeningen, zo niet van alle, ten minsten van de meeste, op vertooninge volgen zal; welk een of andergeval; door als dan aan handen weezende Contanten het bedingen der voorwaarden, merkelijk ten profijte der Compa„ „gnne zou doen uitvallen, Alwaaromme met mijn Contrac„ „tant ben overeengekomen, onze finaale overeenkomst tot in de maand october aanstaande, in zo verre wel uit te stellen dog niet te min onszelven aan den anderen verbonden te reekenen, tot zodanige schitkingen, als de omstandigheiden als dan toe„ „laaten zullen te neemen; op welke bepaalinge hij tot weederzijd„ „sche zeekerheid, voornamentlijk aandrong. Ondertusschen Hoog Edele Heeren, heb ik het ten hoogsten van mijne pligt geagt, deeze mijne onderhandelinge en voorneemen, voor af, en ten spoedigsten zeer Eerbiedig ter Uwer Hoog Edelheedens believen „de kennisse te brengen, het geene te meer noodzakelyk oordeele vermits hoog dezelve durve verzeekeren, dat, ten zij Hoogder zil N 1 0 1 7 13 19 hen — &
English
further orders, and the process in the meantime undergoing no changes, the aforementioned opium will be dispatched either with our own vessel, in case one should appear in the meantime, or else with an English vessel; to which I add that the price of the same, in the latter case, shall by no means exceed the formerly determined sum of 300 Spanish; while I further note that I will attempt to send along 2 to 3,000 sacks of saltpeter as dunnage. And all this on such terms as I believe will most benefit the Honorable Company, and I shall likewise endeavor to fulfill the requisition for domestic necessities as closely as possible. May these provisional measures taken by me meet with Your High Excellencies' respected approval, as well as the fact that, for the reasons stated above, I had to proceed to this without first consulting the other members, which, as stated, circumstances necessarily required, in which case I shall consider myself very fortunate to have answered this principal part of my obligations to some degree, begging to be allowed to assure Your High Excellencies in all seriousness that my entire conduct in this matter has been directed solely toward achieving that end and the benefit of the Company. I have the honor to call myself respectfully, with all high esteem, High Noble and Mighty Lords, Your High Excellencies' most humble and obedient servant, Gregorius Herklots. Hughli in Bengal, 26 July 1784. Agrees: D. van Haak D. W. Schellebeek True copy Examined 25 Letter Secret Copy from Bengal dated 30 November No. 11 1784. 27 Batavia To His Excellency The High Noble, Most Honorable Lord Mr. Willem Arnold Alting, Governor General on behalf of the state of the United Netherlands and its General East India Company, Together with The Honorable Gentlemen, Councilors of the Netherlands Indies. High Noble, Mighty Lords: On the 27th of the past month of September, we found ourselves honored with a letter from Ceylon, written by the Council of Colombo on 20 June prior to the remaining members of the Hughli Council; by the same, notice was given to us by that assembly that, according to the 9th and 10th articles of the preliminary peace treaty, which were concluded between our Republic and the Crown of England on 2 September 1783, it was stipulated that all the places that the British took from the Dutch Company in these regions during the last war would be returned at the same time as those evacuated to the French, in order that we might be qualified to demand back and take over the Company's establishments in Bengal from the Calcutta Government; but reliable reports having already reached us then that a Company ship from Batavia was in the river, we decided the following day, in the firm confidence that this vessel would bring us further and more ample orders from Your High Excellencies concerning this subject, to postpone the disposition on the aforementioned Ceylon letter for another three or four days. On 2 October, as we had the honor to report in our general letter of today, the papers of the ship Straalen having arrived upstairs and been read by us, we resolved the following day, in order to lose no time, to commission two members from our assembly to request from the Calcutta Government, in accordance with Your High Excellencies' authorization, the return of all the places that had been taken from our Company by their troops during the war in Bengal, Behar, and Orixa; and the choice for carrying out the mission having fallen upon the merchants Von Haugwitz and Eilbracht, as being the most suitable for it, they were duly provided for that purpose with the credentials and instructions approved by resolution of the 4th following, and with the delivery of the packet that Your High Excellencies were pleased to send for that Government, after all the papers had been properly translated into English; on the 5th of that month, they departed for Sukhsagar, where Messrs. Wheler and Macpherson, the only two members of the Supreme Council who were down here, were staying, since the Governor General, Mr. Hastings, had already been completely up-country for some months, and Mr. Stables had stayed for some time in Kasimbazar. On the evening of the 8th of the month just mentioned, those two members having returned, there was read in our assembly the following day the letter brought by them from the Calcutta Ministry to this Council, as well as the written report of the said merchants Von Haugwitz and Eilbracht; and it having been seen from this that our request had been granted, with the exception, however, that since the French had not yet received back a single place, and we, according to the literal sense of the preliminary articles, had no right to demand back our possessions sooner, the ceremonial of hoisting the flag over the places would still be suspended, and we would be obliged to introduce no garrison into them; it was taken into consideration by us on that day that, although it were indeed to be wished that we had been reinstated into possession of the Company's establishments without any exceptions or obligations, much had nevertheless been gained by the grant of free administration over all our places, the Company's servants, and other dependents, as well as free trade, and that this, provided in any case, as Mr. Macpherson
Dutch transcription
selver nadere bevelen, en den voortgang intusschen geene veranderin gen kwamen te maaken, den Afioen voormeld, het zij met een eige, bij aldien midlerwijlen eene mogte opdagen, dan wel met een Engelsch vaartuijg zal verzonden worden, waar bij nog voege, dat de prijs derzelve in 't laatste geval, de voormaalt bepaalde Com van 300 spaansch, voor al niet zal te booven gaan; terwijle al verder noteere, dat ik tragten zal 2 a 3000 Patken Salpeeter tot onderlaag meede over te zenden. En dit alles op zodanige voorwaarden, als mij vlijs d'E Comp=s het meeste te zullen bevoordeelen, zullende mij almeede bevlijtigen, den Eysch van Huijsselyke benoodigdheeden, zo na mogelyk te voldoen. Mogen deeze mijne provisioneel genome maatregulen het geeerd goedgevinden van uwe Hoog Edelheeden zo wel weg. „dragen, als dat ik om reedenen hier vooren opgegeeven, daartoe het moeten overgaan, zonder met de overige Leeden vooraf te raadpleegen, het welke als gezegd de omstandigheeden noodla„ „kelijk vereyschten, zo al ik mij zeer gelutkig agten, aan dit voornaam gedeelte mijner gehoudenisse, eenigermaate te hebben beantwoord, verzoekende uwe Hoog Edelheedens scrieuselijk te mogen verzeekeren, dat mijn geheel gedrag in deezen, eenelijk ter bereijking daar van, en het voordeel der Maatschappij is ingerigt. Ik heb de Eere met alle hoogagting mij Eer„ biediglijk te noemen. /:onderstond:/ Hoog Edele Wijd gebieden„ „de Heeren /:zager /:/ Uwer Hoog Edelheeden zeer onderdanigs en Gehoorzame Dienaar :was geteekend:/ Pregorius Hterklokt. /:in margine:/ Houglij in Bengalen den 26 Julij 1784. Accordeert D VanHaok DW Schellebeek Egte Nagasien 25 Brief Copie Secreete van Bengale gedt 30 November No 11 1784. 27 Batavia Aan zijn Edelheijd Den Hoog Edelen groot Agtbaeren heer M=r Willem Arnold Alting; Gouverneur generaal weegens den staat der vereenigde Neederlanden en Haare Algemeene Oost Indische Compagnie Beneevens De wel Edele Heeren Raaden van Neederland India Hoog Edele wijdgebiedende Heeren: Den 27:e der Jongst verweeken Maand september, vonden We ons vereerd met een Brieff van Ceijlon, door den Raad van Colombo op den 20=e Iunij Bevoorens Aan de overgebleevene Leden van den Houglijschen Raad geschreeven; bij Dezelve wierd ons door die Vergadering Vergadering kennis Gegeven, dat, volgens het 9. e en 10=e Ar„ „tikel der vreede Preliminaires, die den 2=e september 1783; tusschen onse Republiek in de kroon van Engeland zijn Geslooten, Bepaald waare dat alle de Plaatsen; die de Britten, in deeze gewesten Geduurende de Laaste Oorlog vande Neederlandsche Compagnie genoomen hebben, ter zelver tijd zouden te Rug Gegeven Als die aan de Franschen Ontruimd worden, op dat we gequalificeerd zouden zijn, om 'S Compagnies Etablissementen in Bengale van Het Kalkatsch, Gouvernement te rug te Eijsschen en over te neemen; maar toen bereets bij ons zeekere Berigten ingekoomen zijnde, dat 'is een Compagnies schip van Batavia, in de rivier was, zoo beslooten we daags daar Aan, in het vast vertrouwen dat dien Bodem ons nadere en Ampelder beveelen van uw Hoog Edelhee„ „den, dit sujet betreffende, zoude meede brengen, om de dispositie op voorm: Ceilonsche Missive, nog een dag drie off vier Uit te stellen, Den 2:e October, zoo als we de eere gehad hebben bij onse ge„ „meene Brieff van Heeden te melden, de papieren van Het schip stralen boven gekomen en bij ons geleezen, zijnde, zoo resolveerden wij daags daar aan, ten Einde Geen tijd te verliesen, Twee Leeden uit onse Vergadering te committeeren, om, ingevolge uwer Hoog Edelheeden Qualificatie van de Kalkatsche Regeering te versoeken de te rug Gave van alle de Plaatsen die door hunne Troupen„ Geduurende den Oorlog, in Bengale, Bebaar en Orixa van 25 Van onse Compagnie genoomen waren en de verkiesing tot het volbrengen van decommissie, door ons, als de daar toe geschikste, gevallen zijnde, op de Kooplieden van Haugwitz: en Eilbracht, zoo zijn dezelve ten dien fijne Behoorlijk voorsien van de bij besluit van den 4:o daar aan, geapprobeerde geloofsbrieff en Instructie en onder ter hand„ „stelling van het Paquet dat uw Hoog Edelheeden voor dat gou„ „vernement hebben gelieven te senden, na dat alle de Papieren Be„ „hoorlijk in het Engelsch overgeset waren; den 5: van die Maand Vertrokken naar soeksagor, alwaar sig de Heeren wheler En Macpherson, de twee eenigste Leden die van den Hoogen Raad, hier beneden Waren, Ophielden, alzoo den Heer Gouverneur Generaal Hastings bereets zeedert eenige maanden geheel boven in't Land en de Heer stabels zig voor Eenige tijd op Kassembazzaar hadde opgehouden, Den 8:e van Even gem: maand, des avonds, die twee Leeden te rug Gekoomen zijnde, zoo wierd, in onze vergadering van daags daar aan, Geleesen de door hen meede gebragte Brieff van het Kalkatsch, mi„ „nisterium aan deese Raad, zoomeede het schrifftelijk Rapport van de gemelde Kooplieden van Haugwitz en Eilbracht, en daar bij gezien zijnde, dat men ons versoek hadde toegestaan, met die Uitzon„ „deering Egter, dat vermits de Franschen nog geen een plaats hadden te Rug ontfangen, en wij, Navolgens den letterlijken zinder Preliminaire Artikelen, Geen Regt hadden, om onse besittingen eer der te rug te Eisschen; dat het Ceremonceel van het heisschen der vlag van de plaatsen nog zoude te rug blijven en wij ons souden verbinden, Geen krijgstetig binnen deselve te brengen; zoo quam bij ons ten dien dage in aanmerking, dat, schoon het wel te wenschen Ware, dat men ons zonder eenige uitsluitingen off verbintenissen, weder„ „om in de besitting van S' Compagnies Etablissementen gesteld had„ „de, men egter al veel hadde verkreegen door de vergunning eener vrije beheering over alle onze Plaatsen, de Compagnies, Dienaeren en andere onderhoorigen, zoo meede een Vrijen Handel en dat deeze mits ons, in allen gevalle, zoo als de heer Maepherson de n
English
Macpherson, who in every respect has shown himself to have a good heart toward our Nation, had even testified that this served as a guarantee in case, in the interim, as the definitive Peace Treaty has not yet been concluded, any disputes should again arise between our nation and that of the British, since the High Council would be obliged, in such a case, to maintain us in the privileges granted to us. We therefore resolved to remain satisfied for the time being with that favor, lest by making further representations, one might sometimes only spoil a good cause. And we proceeded to this decision all the more because, apart from the fact that the Calcutta Government had promised to write both to the Marquis de Bussy and to the Madras Government so that the exchange of places might proceed, there was every reason to expect shortly the news of the signing of the definitive Peace Treaty. In this hope we were not so greatly mistaken, since a few days ago, according to the public newspapers and private letters at Calcutta, by way of Basra, information was received that peace between England and Holland was proclaimed in London on 25 May last, and that the Government daily awaits the public confirmation of this news. On the 12th of the month of October, Mr. Charles Turling, appointed as Commissioner by the Calcutta Government, arrived at Chinsurah, and having surrendered the keys of the Company's Lodge and all the warehouses, except those of the Artillery and Armory, to the first undersigned, the British troops marched outside the following day. The necessary orders having also been given for the surrender of the subordinate offices, the servants of Kasimbazar informed us by letter of 23 October that this had already taken place on the 19th preceding, the servants destined for Patna having likewise already departed for that purpose. We hope that it will please Your High Excellencies to approve our conduct, while we, as time and opportunity permit, shall not fail, now that the Lord Governor-General has returned to Calcutta, to address ourselves de novo to the aforementioned High Government, so that we may be put into full possession of all our places, without any exception. We have the honor to be, with all sentiments of true high esteem, High Noble and Far-Ruling Lords, Your High Excellencies' most humble and obedient servants. Was signed: G. Herklots, A. Bogaardt, S. H., J. Van Haugwitz, A. F. Kraijenhoff, I. Elbracht, I. Coleffs, L. Reaal d' Bas, J. H. Gierin, I. C. Feijning. In the margin: Hooghly, 30 November 1784. Agrees: D. Van Haaln. Copy of letters received from Coromandel, dated 22 April and 2 October 1784. To His High Excellency, the High Noble, Highly Honorable, and Far-Ruling Lord, Mr. Willem Arnold Alting, Governor-General, and the Right Honorable Gentlemen, the Councillors of the Netherlands East Indies, etc., etc., etc. at Batavia. High Noble, Highly Honorable, Far-Ruling Lord, and Right Honorable Gentlemen! The highly honored Ceylon Government has transmitted to us, alongside its letter of 8 October 1783, two extracts from the general letters written by the High Noble and Highly Honorable Lords Directors to Your Excellencies, dated Amsterdam, 6 November 1780 and 30 November 1781, with orders to answer them in the margin according to the desire of Your High Excellencies. To this end we would gladly have proceeded upon the receipt of the said papers, had we not been detained therein by rumors of the descent of Haidar's troops; for by that, residing partly at Nagapattinam and partly at Tranquebar, we were prevented from coming together sooner than now. And since we hope that this will be taken into favorable consideration by Your High Excellencies, we respectfully request permission to proceed to the answering of the aforesaid extracts themselves: Extract from the Patriotic General Missive written by the Honorable and Highly Honorable Lords Directors of the General Dutch East India Company at the Assembly of the Seventeen to Their High Excellencies the Governor-General and the Councillors of the Indies at Batavia, dated Amsterdam, 6 November 1780. Paragraph 252. The ship De Patriot having been sent in the year 1778 by the Ministers of Coromandel to the Netherlands, with a cargo to the value of only 768,873 guilders, we have not been able to determine with sufficient certainty from their reports the precise cause of the low amount of that lading. For whereas by their resolution of 5 September, and the letter of the 25th of the same month following thereon, it was firmly established that the cargo of the said vessel could be brought to the determined 900,000 guilders, if only much fine cloth were received with the bark De Liefde, and whereas for that very reason it was even judged unnecessary to send the said ship to Northern Coromandel; yet in the Ministers' letter to us of 15 October, the cause of the small return is attributed to the large number of coarse packages which they had been obliged to ship in the said vessel in order not to become overstocked therewith, adding that they might have to repeat this arrangement every three or four years. Marginal response: Lack of fine linens, so far as we recall, was solely the true reason why the lading of the ship De Patriot sent from here to the Netherlands in the year 1778 did not amount to more than 768,873 guilders, caused by the non-arrival of the bark De Liefde, which we had expected with a considerable quantity of linens from Paleacatte.
Dutch transcription
Raepherson, die in allen deele een goed hart voor onse Natie heeft getoond te hebben, ook selfs hadde Betuigd, tot een waarborg diende, bij aldiener, in die tus„ „schen tijd, Cathet definitive Vreedes Tractaat nog niet geslooten is, weder om eenige Oneenigheeden tusschen onse natie, en die der britten mogten ontstaan, alsoo den hoogen raad verpligt soude weesen Om, ons in soo een geval in de ons toegestaane Privelegien te Maintineeren wij beslooten dan om ons, bij Provisie, met die gunst te Vreeden te houden op dat men door het doen van nadere vertoogen, somwijlen de goede saak nog maar mogten verbrodden, en tot dit besluit zijn wij te meerder overgegaan, om dat, behalven dat de Kalkatsche Reegering hadde belooft om zoo wel aan den marquis de bussij als aan het Madrasschen Gouverneement te zullen schrijven, op dat de Uitwisse„ „ling der plaatsen zijnen voortgaang zoude hebben men alle reeden hadom binnen kort de tijding der teekening van het definitive Vreedes Tractaat te ontvangen, en in welke Hoop wij ons zoo zeer niet hebben bedroogen, na dien men, nu eenige dagen geleeden, volgens de Publieke Nieuwspapieren en Particuliere brieven te Kalkatta, bij de weg van Bassora, Narigt hadde bekoomen, dat de Vreede tusschen Engeland en Holland Den 25: Maij J„o leeden te London is affgekondigt geworden en dat het Gouvernement dage„ „lijks de Publieke Confirmatie van dig Tijding verwagt; Den 12:e der meerm= maand october is de door de Kalkatsche reegering tot Commissaris benoemden Heer Charles Turling te Chirisura gekoomen, en die de sleutels Van S' Comp„s Loge en alle de Pakhuisen, Excepto die van de Artillerij en Wapenkamer aan den eerstgeteekenden Overgegeven hebbende, zoo zijn daags daar aan de Britsche Troupen naar buijten gemarcheerd, en tot de overgave van de subalterne Kantooren meede de noodige Ordres gegeven zijnde, zoo hebben ons de bedien„ „den van Kassembazaar bij Brief, van den 23=e October, bedeeld dat zulx den 19:e bevoorens bereets gevolg hadde Genoomen, zijn„ „de de bedienden naar Patna ook ten dien Einde Be„ reets vertrokken wij Hoopen dat het uw hoog Edelheeden sal Behaagen ons gehouden Gedrag te approbeeren, Terwijl wij, zoo de Tijd 31 gezien P J: D Doorien Herrt Tijd en geleegenheid zulx toelaat noet in Gebreeke zullen Blijven„ Nu den heere Gouverneur Generael te rug op Kalkatta is Gekoomen ons de novo Aan Welmelde Hooge Regeering te addresseeren; op dat wij in het volle bezit van alle onse Plaatsen, zonder Eenige Uitzondeering, Gesteld Worden wij Hebben de eere met Alle gevoelens van waare Hoogagting te zijn; /:onderstond:/ Hoog Edele Wijdgebiedende Heeren; /:lager:/ uwer Hoog Edelheeden seer ootmoedige en Gehoorsaame dienaaren; /:Was Geteekend: G: Herklots: A: Bogaardt, S: H: J: Van Hauguitz: A: F: Kraijenhoff; I: Elbracht; I: Coleffs: L: Reaal d' Bas„ J: H:s Gierin, I: C: Feijning /:in margine:/ Houglij Den 30=e Novemb:r 1784. Accordeert D. Van Haaln ikr land g ge„ meede bedien beende zij S 12 Brieven Copie ontvangen Kormandes ged. 22. april in 2. october 1784. van Batavia. e Aan zijn Hoog Edelheid Den Hoog Edelen Groot Agtbaaren wydgebiedenden Heeren M:r Willem Arnold Alting Gouverneur Generaal, en Dewel Edele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlandsch Indie" Etc:r EtC=o EtC=r Hoog Edele Groot Agtbaare wijdge„ biedenden Heere en O Wel Edele Gestrenge Heeren! De Hoog geeerde Ceilonsche Regeering heeft ons nevens haren brief van den 8. october 1783 toegezonden, twee extracten uit de generaale brieven door de Hoog Edele Hoog Agtb: Heeren Majores aan uwe Edelheedens geschreeven, zijnde gedateerd Amsterdam den 6: 9ber: 1780 en 30 9ber: 1781 met last om die nade begeerte van uwe Hoog Edelheeden in margine te beantwoorden. Hier toe zouden wij gaarne op den ontvangst van gem: papieren over„ gegaan zijn, waaren wij daar in niet weder houden geworden, door gerugten van de afkomst van Haideas troupas: want wij daar door, als gedeeltelijk op Nagapatnam en gedeeltelijk op Tranquebaar woonende, belet wierden, eerder als nu bij elkanderen te komen. En nadien wij doopen dat dit in een gunstige gunstige Consideratie zal genomen werden bij uwe Hoog Edelheeden; ver„ zoeken wij eerbiedig verlof, om tot de beantwoording van de voorschreeve Extracten zelve te mogen overgaan: Extract Patriaschen Generaale Missive geschreeven door de Edele Hooge Agtb: Heeren Bewindheb„ beren van de Generaalen Nederlanschen oost Indischen Comp: ter vergadering van seventienen aan hunnen Hoog Edel„ heeden den Gouverneur Generaal en de Raaden van Indie te Batavia gedateerd Amsterdam den 6:e: 9ber 1780. 252 Het schip de Patriot in den Jaare 1778 door de Minr: van Cormandel naar Nederland zijnde gezonden, met een karga„ soen ter waarde van slegts ƒ768873. hebben wij uit hunne berigten met geen genoegzaame zekerheid de Juiste oorzaak van het gering bedragen dier Lading kunnen op„ maaken Immers daar bij hunne re„ sol: van den 5. September, end Gebrek aan fijne Lijwaaten is voor zo ver ons voorstaat alleen de wa„ re rede geweest, waar om de laading van 't schip de Patriot in anno 1778 van hier na Naderland gezonden. niet meer bedragen heeft als ƒ 768873:— veroorzaakt door 't weg blijven van de bank de Liefde die wij met aan aanzietlijke kwantiteit lijwaaten van Palleakatta hadden verwagt. daar daar op gevolgde missive van den 25 dier zelver maand voor vast ge steld was, dat de lading van gem: Bodem op de bepaalde 9: Ton te brengen zou zijn, zoo maar met de Baak de Liefde veel sijn goed ontfangen wierd, en daar men zelfs uit dien hoofde onnoodigt hadt geoordeelt, het naar meerm: schip noorder- Cormandel te zenden: zo word nogtans bij der ministeren missive aan ons van den 15 october, de oorzaak van 't gering rctour toe geschreeven aan 't groot getal groove Pakken die men genoodzaakt was geweest in gemelden bodem aftescheepen om daar mede niet overkropt te raaken, met bij voeging dat zij deeze schikking mogelijk om de daie â vier Jaaren zoude moeten aale
English
had to resume and that, in loading the return ships, preference could not always be given to the fine textiles. This statement, after all, is by no means consistent with the passage just cited from their letter of 25 September, when surely the large stock of coarse goods could also have been taken into consideration, since among the return bales there were collected goods against the requisitions of 1773, 1776, and 1777; while if one goes by what was set forth in the marginal answer to our letter of the year 1777, inserted in the ministers' dispatch to you of 19 January 1779, it can once again only be concluded that, at the dispatch of the Patriot, there was a shortage of fine textiles, and that for that reason, and not because they could not always be given preference over the coarse goods in the shipment, the cargo remained so far below the quota. Section 256. However that may be, it is certain in any case that leaving bales behind operates to the Company's disadvantage, and that this should be guarded against as much as possible. The employment of another return ship might serve this purpose; however, since in our dispatch of 9 October 1778 we asked the ministers for their considerations as to whether there would be an opportunity to dispatch a second vessel at a suitable time and with a proper cargo, we cannot express ourselves further on this matter until after reconsidering those considerations. Section 257. It will then also have to be taken into consideration whether the ballasting of the Coromandel ships with 100,000 lb. more stones and a shipment in return of just as many pounds less coffee than before can be reconciled with the Company's greatest advantage. And to prompt the consideration of this point, we wished to direct your attention to the doubt raised in our general dispatch of the year 1777, Section 322, as to whether and to what extent the loss of profit that would have to be sustained through a reduced transport of 100,000 lb. of coffee could be compensated by a greater conveyance of textiles; whereas it was already known to us then, from what was noted in your reply of 24 October 1778, that the aforementioned change in the lading was made by you to gain space for storing the textile bales. This item has, as we hope, been fully answered by us in our humble submission of 22 January 1780 addressed to Your High Excellencies, Right Honourables, to which we respectfully refer. And this in our general report to Batavia of 8 February 1781, in which, among other things, it is clearly demonstrated that by observing that arrangement in the ballasting of the Coromandel ships, an additional profit of f 11,781:8:8 will be brought to the Company. Section 258. In the meantime, we consider as communicated the explanation you have given us regarding your purpose in granting authorization to spend f 14 per 100 lb. for saltpeter that might be obtained here on the coast as lower deadweight for the return ships. Section 259. And with respect to the collection of textiles, we have learned with great regret that matters have once again been completely unfavorable: out of the Netherlands and Indies requisitions, totaling 3,061 bales, no more than 2,522 parcels were delivered, whereby the quantity collected amounts to 67 bales less than that of the previous year. Section 260. The reasons given by the ministers for that poor collection consist mainly in the uncertainty in which the weavers found themselves in all the districts around Nagapatnam, ever since the capture of the coastal town of Nagore by the English, as to whether they would dare to work for the Dutch Company; as well as in the harassments by the said nation, according to the ministers' writing, disputing the right the Sadraspatnam servants had always possessed to have textiles manufactured for the Company in certain two prominent weaving districts; and finally in the obstructions caused by the Paliacatta Havildar. The reasons given by us for the poor collection at Nagapatnam in 1777/8 have since ceased, so the Company has encountered no notable obstacles here in that regard. But at Sadras, the vexations of the English, and at Paliacatta those of the Havildar, have continued constantly. Section 261. With respect to the first of those reasons, since it was stated by the ministers that they could not say that the English had prevented the weavers from manufacturing for the Dutch Company, we may assume that the collection for the Company around Nagapatnam will have resumed an unhindered course; and since the ministers were to make the necessary representations to the Madraspatnam government regarding what occurred at Sadras on a suitable occasion, it will be necessary to await the outcome thereof. Section 262. If, however, it could be clearly proven that the Company was substantially wronged by the English in its right of collection at Sadraspatnam, and no proper satisfaction or redress was granted by the government of Madras upon the representations made in that regard, then it would become a matter of consideration whether you yourselves, taking up the ministers' representations, could find a suitable way to obtain equitable redress from the said Madraspatnam government. The unexpectedly favorable outcome of the collection in 1777/8 at Sadras. Section 263. It is, however, not entirely unworthy of reflection that, notwithstanding those alleged harassments, the delivery of textiles at Sadraspatnam in the book-year 1777/8, as reported in the ministers' dispatch to you of 19 January 1779, amounts to considerably more than that of the previous year.
Dutch transcription
moeten hervatten en dat men in 't beladen der retourscheepen aan de fijne Lijwaten niet altoos de pre„ ferentie konde geeven. Deeze refalezie toch sluit geen„ sinsmet het zo even aangehaal„ de uit hunnen brief van den 25 september toen zekerlijk ook in aanmerking had kunnen komen de groote voorraad van het grove goed, dewijl onder 't retour pak„ zijn =ken geweest op de eisschen van 1773, 1736, 1776 en 1777, in gesameld ter wijl als men het op het ge„ poseerde bij 't Marginaal antwoord op onzen brief van den Jaa„ re 1777 in der Min:s missive aan UE van den 19 Januarij 1779 geinsereerd als dan weder niet anders op te maaken is is dan dat men bij de depeche van de Patriot gebrek aan fijne Lijwaden heeft gehadt en dat om die reden en niet om dat men dezelve boven 't groove goed in de versending niet altoos de voorkeur kon geeven de Lading zo ver beneden de bepaling geblee„ §: 256 wat hier van nu ook moge zijn, is 't in alle gevalle zeker„ dat 't laten overleggen van pakken de Maatschappij tot nadeel strekt, en dat daar tegen zo veel doenlijk behoord ga„ zorgs te worden Het emploij van nog een retour„ schip zoude hier toe kunnen die„ „nen, dan bij onze missive van den in ven is. deeze post, is zo wij hoopen door ons volledig beantwoord, bij onzen sub„ missen van den 22: Jan: 1780 aan uwe Hoog Ed: Hoog Agtb: gedediceerd, waar aan wij ons met eerbied re„ Batavia van den 8 febr: 1781 waar bij onder anderen duidelijk is aangetoond dat met het observeeren van die schik„ king in 't ballasten der Cormandelsche scheepen, de Comp: een meerdere winst En deeze bij ons generaal verslag na fereeren. den 9. october 1778 den mi„ „nisteren Consideratien gevordert hebbende of 'er gecleegenheid zou zijn om op een Convenabele tijd, en met een bekwaame Lading een twee„ den Bodem te depecheeren, kunnen wij midsdien niet dan na resumtie van die Consideratien ons hier over nader verklaaren § 257 het zal dan meede behooren in overweeging te komen op 't ballasten der Cormandelsche scheepen met 100'000 lb: steenen meer en een ver„ Ponden koffij minder, dan te vooren met Comp:s meeste voordeel zijn over een te brengen en tot over weging van dit poinct hebben wij uE willen aanleiding geeven met de bij onzen „zal worden toegebragt van ƒ11781: 8:8: sending daar tegen van even zo veel gen: gen: missive van den Jaare 1777 § 322 gemoveerde bedenkelijkheid of en in hoe verre de winst=-derving die men door een mindere vervoer van 100'000 lb. Coffij zou moeten ondergaan door een meerder aan breng van lijwaten kon vergoed worden terwijl ons toen reeds bekend was 't genoteerde bij uwe rescriptie van den 24. october 1778, dat de voorm verschiekking in de belading door UE was gemaakt om ruijmte te winnen tot berging der lijwaad Pakken. § 258 Middenlerwijl houden wij voor bedeeld de elucidatie die uE ons hebben gegeeven nopens der zelver oogmerkt met het verleenen van qualificatie om voor de salpeter die men hier ter kuste tot onder swaarte 3 De reden door ons opgegeven voor den geringen inzaam op Nagapatnam in 177 7/8 zijn zedert gecesseerd, dus de Comp: daar omtrend geen merkelijke hindernissen alhier ontmoet heeeft. zwaarte der retour scheepen zou kunnen bekomen ƒ 14: voor de 100: lb. te mogen besteeden. §. 259 En hebben wij met opzigt tot den inzaam van Lijwaaden niet dan zeer ongaaane vernomen dat men daar in al weeder gansch niet voorspoedig is geweest: zijde 'er op de Nederlandschen en Indiesche eisschen te samen groot 3061 Pakken niet meer dan 2522. far deelen ge„ leeverd: waar door de quantiteit van 't insamelde 67 Pakken minder dan die van 't Jaar te vooren bedaagt. §260 De reedenen die door de mins van dien geringen insaam zijn ge¬ geeven bestaan hoofd zakelijk in de onzeekerheid waar in de weevers za„ derd de bezit-neeming door de Engel„ schen Maar op sadaas hebben de rezatien der Engelschen, Een op Palleacatta, die van den Ha„ weldaar steeds blijven voortduuren schen van de zee plaats Naoer in de gesamentlijke districten rondsom Nagapatnam zich bevonden hadden of zij voor de Nederlandsche Comp:e zoude durven werken mitsgaders in de kwellingen van gem: Na„ tien volgens der ministers schrijven, de Sadraspatnamse bedienden 't recht betwistende 't' geen de Comp: altoos had gehad om in zeekeren twee voornaame weel districten Lijwaaten voor de Maatschappij te laaten maken en eindelijk in de dwars drijverijen van den Paliacatschen Haweldaar § 261 Met op zigt tot eerstgemelde dier reedenen door de Min:s: gemeld wordende dat zij echter niet konde zeggen dat door de Engelschen aan de weevers het maken voor 11 voor de Nederlandsche Comp:e was balet geworden, mogen wij onder„ stellen dat den Insaam voor de Maatschappij rondsom Nagapatnam reeds weder een onbelemmerden voort „gang zal hebben gehad, en vermids om„ trent 't voorgevallene te sadras de Min:s aan de Madraspatnam „sche regeering nodige vertooging bij een bekwaame gelegenheid stonden te doen zal 't nodig zijn daar van den uitslag afte wagten § 262 zo echter duidelijk bewee„ zen kon worden dat de Maatschappij in haar recht van Insaam op Sadraspat„ nam door de Engelschen wesentlijk verongelijkt was en op de deswegens gedaane representatie De boven verwagting gelukkigen uitslag van den inzaam in 177 7/8 op sadras, representatien door de regeering van madras geen behoorlijke sa„ tisfactie of repatie wierd verleend, dan zou 't bedenkelijk worden, of uE zelve de Min:s vertoogen zich aantrekkende een geschikten weg zoude kunnen vinden om bij gemelde Madraspatnam„ sche regeering een billijk re„ „dres te doen erlangen. §263 Het is echter niet geheel buiten reflectie dat in weer wil van die gevallegneerde kwellingen de Leverantie van Lijwaden op Saaraspatnam in 't boek„ Jaar 177/8 zo als de zelve in den Ministers Missive aan uE van den 19 Januarij 1779 is bekend gesteld merkelijk meer bedragt, dan die van 't voorige
English
in Paliacatta, must be attributed solely to the vigilance of the chiefs, who, against all vexations, have attempted to fulfill as closely as possible the demands assigned to them for the previous year. § 264. Just as we must also mention that in Paliacatta the collection amounted to only slightly less than that of the previous year, notwithstanding the vexatious conduct of the havildar; all of which taken together provides some ground for doubt whether one can rely completely on these and similar reports regarding the non-fulfillment of the demands. § 265. The indulgence, meanwhile, which the Ministers increasingly practice towards the merchants by only making them refund what they received in excess in cash advances over what was delivered by them in goods, without making them pay any percentage above that in accordance with the standing order of the Company; this indulgence will, it appears to us, not be very serviceable to spur the said merchants to vigilance in fulfilling the commissions assigned to them. And one seems presently to lose sight of the fact that the aforementioned payment of a certain percentage above the refunded money was introduced as a means to prevent those merchants, instead of immediately spending the money advanced to them for the supply of linens on procuring linens for the Company, from first applying those funds to their own private use and meanwhile letting the opportunity slip to obtain the linens needed for the Company in time. We trust that upon the restoration of peace and the recovery of the offices, the order mentioned here concerning the coast will be punctually observed. It is therefore for that reason, and in order not to let the Company be deprived of its money for a considerable time without the benefit of any interest, that we most earnestly recommend this quite important point to the Ministers' attention and observation. § 266. The report of the Bimilipatnam servants regarding the manner in which the linens are received in the warehouse, added to the findings on some of the oldest packages that had been lying there, as well as loose pieces, seems to demonstrate that the insects that were discovered at Nagapatnam on some linens from that office and described as small blackish worms, resembling weevils, which had gnawed through those cloths, only attached themselves to the same after the dispatch of those packages from Bimilipatnam. It will therefore be necessary that the Ministers use all possible precautions to keep the linens sound and clean. We hope that as soon as peace on this coast shall be restored and the weavers have returned, the linens in general will be obtainable, if not for less, at least for the previous prices, to which we on our part will contribute everything possible. § 267. Furthermore, we hope that they will let no opportunity pass to obtain the linens at lower prices than are presently paid for them by them, while we assume in that expectation that at Nagapatnam and Paliacatta, at which places only the contracts for the supply of 1779 had been concluded, the contracting was done at the previous year's prices. § 268. With respect to the contracting of the previous year, we cannot let it pass unremarked that, notwithstanding it was stated in the postscript of the Ministers' letter of 31 January 1778 that the Porto Novo merchants had accepted the supply without the increase of 8 percent on a portion of the coarse Guinea cloth, which increase had taken place for some years, it is now written in the Ministers' letters of 25 September following that they hoped the said merchants would make no trouble over the abolition of the aforementioned 8 percent, since, it seems to us, the fear of that cannot be great when the revocation of that increase has been stipulated in the contract. Regarding the revoked increase of 8 percent on a portion of the coarse Guinea cloth at Porto Novo, not the least fuss was indeed made by the merchants. But on the other hand, they have since also paid off nothing of their old debts, which as of the end of August 1780 still amounted to ƒ50946: 6:— and are presently regarded by us as hopeless; considering that in an account submitted and inserted in our collective resolution of 30 May 1781, it was shown by them that during the latest plundering of Porto Novo by the cavalry of the Nawab Haidar Ali Khan, the linens robbed, burned, and carried away from them amounted to an important sum of pagodas 14691:12:56, against which a sum of 10,000 pagodas had been advanced to them on account of the Company. § 269. We have already remarked what is necessary concerning the harmfulness and absurdity of that increase several times, and most recently in our General Letter of the year 1779, § 210, and also referring to that letter, § 212, regarding the means used for the settlement of the debts of the Jaggernaikpoeram merchants, we further remark on the arrears in general, that as the same, according to the Ministers' statement, were reduced in the latest financial year by only a sum of ƒ 3506:— and consequently have remained large at a rather considerable capital of ƒ 72518:—, there is on that account little ground of hope for a speedy settlement of the debts. But in the settlement of the Palicol and Jaggernaikpoeram debts
Dutch transcription
En Palliacatta, moet alleen werden geattribueerd aan de rigi„ laatie der opperhoofden, die te„ gen alle kwellingen aan, getracht zo na mogelijk za voldoen hebben, de hun opgedragen eissche„ voorige. §264 zo als wij mede moeten aan„ halven dat op Paliacatte de in„ sameling maar weinig minder dan die van 't voorige Iaar heeft bedragen onaangezien 't recatoir, gedrag van den haweldaar 't geen alles t' Zaam genomen eenigen grond van twijffel heeft, of men op deeze en soort gelijke berigten wegens 't niet vol doen den eisschen volkomen staat kan maaken. — § 265 De inschikkelijkheid on„ „der tusschen die de Min:s meer en meer omtrent de kooplieden gebrucken om hen alleen te doen restitueeren 't geen zij bij voor - uit verstrekking aan Contanten meerder hebben genoten 13 Wij der trouwen, dat bij herstelling van de vreede, en te rug erlanging der Comptoiren, de hier nevens gem: er des ordre kuste punctuelijk zal worden geobserveerd. genoten dan daar voor in goederen door hun geleverd is, zonder hen des wee„ gen ingevolge de woord order van de Maatschappij eenige p=rCentos daar en boven te doen betaalen; die inschikkelijkheid zal naar 't ons voorkomt niet zeer dienstig zijn om gem: kopplieden tot vigilantie in 't voldoen van de hun opgedragene Commissien aan te zetten en men scheint thans uit 't oog te verliezen dat de voornoemde voldoening van eenige p r Centos boven 't gerestitueerde geld als een middel is ingevoerd om voor te komen dat die koop lieden in plaats van de pen„ ningen op Leverantie van Lijwaaten aan hun voor uitge„ Schooten uitgeschooten, aanstond te besteeden ter bezorging van lijwaden voor de Comp:, die penn: eerst tot hun eige particuliere gebruik aan leggen en in middels de gelegenheid Laten verlopen om de voor de Comp: benodigde Lijwaten in tijds te bekoomen Het is dan ook om die reeden en ten einde de maat„ schappij niet een geruijmen tyd haar penn: zonder t genot van eenigen intrest te doen missen, dat wij dit vrij aangelee„ gen poinct der Min:s attentie en betragting op 't ernstigst te ra„ Commandeeren. §266. Het berigt der Bimilipat„ namsche Bediendens vagens de manier waar op de lijwaden in 't Pakhuis worden ontfangen gevoegd bij de bevinding van eenige van de oudste der aldaar geleegen hebbende Pakken mitsg:s losse stukken schijnt aan te toonen dat de insecten die ter Naga„ „patnam aan eenige lijwaden van dat Comptoir ontdekt en als kleine Zwaatagtige wormptjes beschreeven zijn, naar Kalanders gelijkende, welke die doeken door knaagd hadden eerst na de ver„ „sending dier pakken van Bimi„ lipatnam zig aan dezelve geset hebben en 't zal derhalven nodig nodig zijn dat de Min s alle mogelijke men, dat de Lijwaten in 't alge„ meen zullen te bekomen zijn zo niet voor minder ten minsten voor de voorige prijzen, waar toe wij van onze zijde alles zullen „atribuseren wat mogelijk is wij hoopen dat zodaa de vreede ten deezer kuste zal weezen Eer„ steld, in de weevers te rug geko„ §. 267 Voorts hoopen wij dat zij geene geleegenheid zullen laten voor bij gaan om de lijwaden tot minder prij „sen te bekoomen dan tegen woordig daar voor door hun betaald worden terwijl wij in die verwagting passee„ „aen dat te Nagapatnam en Pa„ liacatta op welke plaatsen nog. maar alleen de Contracten voor de Leverantie van 1779 waren geslooten da aan=bestaeding tegen de voor Jaa„ „rige prijzen gedaan was. — §: 268. Met opzigt tot de aanbe„ steeding van 't voorige Iaar kunnen wij niet ongeremarqueert voor bij gaan dat niet tegenstaande bij 't Post scriptum van der min=s mogelijke precautien gebruiken om de Lijwaden gaaf en zuijver te doen houden. missive Missive van den 31: Jan: 1748. is gezegd dat de Portonovosche kooplieden de Leverantie, hadden Nopens de weder in getrokken ver„ aangenomen zonder de verhooging hooging van 8. P=r C:t op een gedeel„ van 8 p=r C=to op een gedeelte van 't te van 't grof Guinees te Portonovo, is door de kooplieden wel geen de min„ grof guinees welke verhooging se„ ste beweging gemaakt. Maar daar - en tegen hebben zij sedert dert eenige Iaaren had plaats ook niets afgelegt van haare oude gehad, bij der Min:s letteren nog„ schulden: die onder ult:o Aug:s 1780: nog bedragen hebben ƒ50946: 6:— en thans van den 25. september daar door ons thans als hopeloos werden aan„ „gesien: gemerkt bij een ingediende re„ aan word geschreeven dat men hoop„ kening bij onze gemeene resolutie van den 30 meij 1781 g'insereerd, door hun „te dat gem: kooplieden over de af„ aan getoond is, dat bij de Iongste uit„ schaffing van voorm: 8: p=r C=to plundering van Portonovo door de rui„ „tens van den Nabab Haider Alichan geene boeweeging zouden maken de van hun geroofde verbaanden en weggevoerde lijwaaten bedragen hebben dewijl na 't ons toe-scheint eene Importante somma van pa=o 14691:12:56. , waar op aan hun de bedugting daar voor niet groot voor rekening van de Comp: voor uit verstrekt was eene somma van 10'000: - pag:s kan zijn wanneer de intrekking van die verhoging bij 't Contract bedongen is. § 269 Wij hebben over het schadelijke en ongereimde van die verhoging reeds Dog in 't veravenen van de pali holsche en Iaggernaikpoeramsche reeds meermalen en laatst bij onze Generaale Missive van den Jaare 1779 § 2. 10. 't nodige geremarqueert en ons rer mede tot die missive § 212. refee^ ende ten aanzien van het middel waar van men zich bedient tot vereefening der schulden van de Jaggernaikpoe„ ramsche kooplieden merken wij over de agterstallen in 't algemeen nog aan, dat daar dezelve volgens der Ministers op„ gava in 't Jongste boekjaar slegt met een Zomma van ƒ 3506: — vermindert en mits dien nog groot gebleeven zijn een vrij aan sienlijk Capitaal van ƒ 72518:— en overzulx wijning grond is van hoop voor een spoedige ver„ schulden aaring =evening
English
debts we see not the least difficulty, unless one redoubles the zeal and vigilance thereto. Section 270. Furthermore, we shall accept the information which, according to your advices of 24 October page 118, regarding the report made of the merchants' arrears as they appeared on the ultimate of August 1775, is more fully mentioned in our missive of the year 1777, Section 343, however much that information is not as complete as we might have expected. Section 271. The general profits gained during the financial year 1777/8 on the sold commercial goods, having amounted to a sum of 430438:16:8 florins, or 84392:— florins more than the year before, that increase is indeed pleasing, though however by far not sufficient to make up for the important sum by which those profits had decreased in the financial year 1776/7; it appears moreover from the ministers' reports that, in general, the trade at the Company's establishments on this Coast has not increased, and that one must attribute the increase in profits in the latest financial year principally, if not solely, to the greater sale of Japanese bar copper at Bemilipatnam. Section 272. This latter the ministers believe can be considered a consequence of the reduction of the selling price of that article from 100 to 97 new Nagapatnam Pagodas per bahar of 480 lb, for which qualification was granted by you. Section 273. This reduction, however, had not had that effect hitherto at Jaggernaikpoeram, to which aforementioned office your qualification also extends, and it appears questionable to us whether it is precisely the reduction of the price which has effected the greater sale at Bemilipatnam, and whether other circumstances might not have caused it. In that case, the reduction would not have been advantageous for the Company, but harmful, and it is very likely questionable whether, if the quality of Japanese copper does not make it preferred in trade over European copper, a reduction in price will be able to effect such, and whether those who provide themselves with European copper because it is cheaper will not continue to do so as long as there remains only some difference between the selling price of the one and the other copper; which being so, it would further follow from this that the very same quantity of copper that had been sold since the reduction of the selling price would very probably have found a sale even if one had left it at the previous price. Section 274. We have therefore also found matter for much speculation in the further proposal that was made to you to make the aforementioned reduction general for all the Company's offices on this Coast. But being unable to give any definite orders regarding matters of that nature, we will hope that the ministers, closely observing the course of trade, will have adjusted their proposal accordingly, and that such will have been decided upon the same by you as is most consistent with the Company's interest. Section 275. We must, however, mention in a word that in the secret missive of 12 January 1779 it is noted that, according to the reports of the Sadraspatnam officials, Japanese bar copper was sold at Madras for 93. 9. 26 new Pagodas the bahar, with the added remark that this checked the Company's trade at the first-mentioned place, whilst those chiefs, in the ministers' opinion, had rightly observed that no merchant would come to look for Japanese copper with them as long as he could obtain the same cheaper elsewhere; indeed, that price does not agree with that which we found noted in the secret missive of the Governor of Vlissingen of the 15th preceding, as in that missive the price for which copper was sold at Madras is known as 96 to 98 new Nagapatnam Pagodas. And we cannot at present suppose that the last-mentioned was European copper. Section 276. The uncertainty meanwhile, if not the contradictory nature of such reports, cannot but arouse doubt as to whether one is properly informed concerning the trade of foreign nations in that article, and whether one proceeds on solid grounds in the arrangements regarding it. Section 277. From what the ministers have said in their marginal reply to our missive of 30 October 1776 concerning the profit that can be gained on specie by private merchants who transport merchandise from Ceylon to this coast, you have already had occasion to note that the difficulty concerning the import of Japanese bar copper from the aforementioned into this Government is not entirely removed. Section 278. That this import not only takes place, but also depresses the sale of that copper on this coast, must among other things be concluded from the fact that, according to
Dutch transcription
schulden zien wij geen de minste zwarigheid. =evening ten zij men de iever en Vigelantie daar toe verdubbeld. — §270. voorts zullen wij ons laten welgevallen de informatie ver„ dat bij uwe advisen van den 24 october P 118: nopens het gedaan verslag van der kooplie„ den agterstallen zo als dezelve onder ult:o aug:s 1775 zig hadden vertoond breeder vermeld bij onze missive van den Jaars 1777. S 343. hoa zeer die informatie met zo volleedig is, als wij hadden kunnen verwagten. §: 271 De Generaale winsten geduu„ vende 't BoekJaar, 1777/8 op de ver kogte handelwaaren behaald, een somma hebbende bedragen van ƒ430438:16:8 of ƒ 84392: — meer aan Wij zijn met onderwerping aan dan 't Jaar te vooren, is die ver„ meerdering wel gevalleg doch echter in verre na niet voldoende ter goed„ making van de importante som waar meede in 't boekjaar 1776/7 die winsten waaren afgenomen; het blijkt boven dien uit der mins berichten dat over 't algemeen 't vertier op s Comp:s Etablissemen„ „ten ter dezer kuste niet is geac„ „caesseert, en dat men de vermeer„ „dering der winsten in 't Iongste boekjaar voornaamlijk zo niet eeniglijk moet toeschrijven aan 't meerder debet van 't Japansche staaf koper te bemilipatnam. §. 272 Dit laatste meenen de Mini„ sters als een gevolg te kunnen aanmerken der verlaging van den het verligter oordeel van uwe hoog Ed: Hoog Agtb:, als nog van gevallig Verkoops de bied ter deezer kuste kan doen toe„ „neemen, uit hoofde de oude paijs van 100 — N: pag: voor de baar van 480 lb: te veel differeerde met de prijs, waar voor de engelschen, zo op Madras als elders het Zweeds koper verkopen. gevollig, dat de verminderde paijs van 't Japans staafkoper alleen, dies verkoops paijs van dat articul van 100 tot op 97. nieuwen nagapatnam„ sche Pagooden voor de Baar van 480 lb: waar toe door uE qualifica„ tie is verleend. § 273 Dit verlaaging had ecter op Jaggernaikpoeram als tot welk Comptr voorm: uwe qua„ lificatie zich mede extendeert tot nog toe dat effect niet ge„ had, en 't komt ons bedenkelijk voor, of 't Juist de verlaging is van de paijs welke te bemilipat„ „heeft nam den meerderen aftrek „ uit gewerkt en of niet anderl om„ standigheden dezelve kunnen veroorzaakt hebben. In dat geval zoude verlaging voor de Maatschappij niet voor dee„ „lig „lig maar schadelijk geweest zijn en het is veel ligt bedenkelijk of zo de qualiteit van 't Japansch koper 't zelve in den handel niet doed preefereeren boven 't europeesche een vermindering van prijs zulks effectueere zal kunnen, en of de geenen welke van 't europeesch koper om dat 't beeter koop is, zich voorzien dit niet zullen blijven doen zoo lang tusschen den uit koopsprijs van 't een en ander kooper maar eenig onderscheid over blijft, 't welk zo zijnde zou hier uit verder volgen dat dezelvse quantiteit koper die zedert de vermindering van den uitkoops prijs verkogt was zeer waarscheinlijk vertier gevonden 25 gevonden zou hebben, al had men 't zelve op den vorigen prijsgelaaten. § 274 Wij hebben daar om ook van veel speculatie gevonden de nade„ „re Propositie die aan uE is gedaan om de voorm: verlaging Generaal te maaken voor alle Comp:s Comp„ „toiaren ter deezer kuste. Dan over zaaken van dien aant geene bepaaloa ordres kun„ nende geeven willens wij hoopen dat de min:s den loop van den handel nauwkeurig gadeslaande hun voorstel daar naar zul„ len hebben ingerigt en op het zel„ te door uE zodanig beslooten zal zijn als met Comp:s intrest 't meest is over een koomende. F 275 §275 Wij moeten egter met een Het doed ons leet dat wij door woord aanhaalen dat bij der ontstentenis van 's Gouverneur secreete missive van den 12: Janu„ min:s missive van den 19: Janu: 1739 anij 1779 niet hebben kunnen na„ gaan, waar aan moest worden is genoteerd, dat, volgens de berigten toegeschreeven het different, tuschen dien brief, en den onzen der Sadraspatnamsche bedien van den 19 daar aanvolgende, in de op gegeve ter koops prijs van 't den 't Iapansche staafkoper Iapansche staaf koper op Madras, maar wij kunnen uwe Hoog op Madaas verkogt wierd te„ Edele hoog agtb: verzekeren dat den door ons genoteerde prijs van „gen 93. 9. 26. Nieuwe pagoden pag: 93:9:26, gefundeerd is op 't berigt der Sadraspatnamsche de bhaar, met bij gevoegde aanmer„ opperhoofden, bij haaren brief van den 14: Julij 1778. —. „king dat zulks Comp: vertier ter eerst gemelde plaatse stemde, ter„ wijl die opperhoofden naar der min:s gedagten te regt hadden aangemerkt dat geen handelaar 't Japansch koper bij hen zou koomen zoaken, zo lang bij 't zel„ ve elders beeter koop kon krijgen, immers komt die prijs niet over een een met die welke wij genooteerd hebben gevonden bij de selveete missive van den Gouverneur van Vlissingen van den 15 daar te vooren, alzo in die missive de prijs door welke het koper te Madaas wierd verkogt met 96: â 98. nieuwe Nagapatnamsche pagoden bekend staat. En wij kunnen al tans niet. onderstellen dat 't laast gem: euro„ peesche kooper zoude zijn geweest §. 276 Het onzekere ondertusschen zo niet strijdige van dergelijke berigten kan niet anders dan twijffel verwekken, of men nopens den handel van de vreemde na„ tien in dat artikel wel behoorlijk is onderrigt en of men op solie„ =dre gronden in de bestellingen daar omtrent te werk gaat § 277 §277. Uit het geen der ministers bij hun Marginaal antwoord op onze missive van den 30 october 1776 hebben gezegd, wegens 't voor „deel 't geen op de specien door de particuliere Negotianten die van Ceilon koopmanschappen naar deze kust vervoeren behaal kan worden, hebben UE reeds gele¬ „genheid gehad om op te merken dat de zwarigheid wegens den aang „breng van Iapansch staaf koper uit 't gem:de in dit Gouvernement niet geheel is weg genomen. §278. Dat die aanbreng niet da„ „delijk plaats heeft, maar ook druk 't debiet ter deezer kuste van dat kooper, moet onder andere daar uit worden beslooten, dat volgens
English
229 according to the ministers' letter, upon the expiration of the contract entered into with a certain native merchant regarding the annual acceptance of a specified quantity of Japanese copper, this contract could not be renewed because, as noted in the ministers' resolution of 19 March 1778, there was as little vent for that copper to the north as in the Tanjore lands; and also because that which was successively brought from Ceylon was sold off for lower prices than what he had to pay the Company for it. Paragraph 279. We trust, therefore, that that this will also have been reflected upon and considered by your Honours, as to whether any change could and ought to be made regarding the determination of the sale price of the bar copper on Ceylon; and we also rest assured that your Honours will take no resolution concerning a matter of that importance except after having first been well informed regarding the influence which the trade of the one factory has upon that of the other. Paragraph 280. Furthermore, we have read what was dealt with by Governor van Vlissingen in a separate letter of 25 September 1778 in refutation of what was maintained by the Bengal the old Nagapatnam Pagoda; but we hope, however, to demonstrate that although that greater reduction is taken into account to the advantage of the Bengal profit account, the profits on the vent of the Japanese bar copper on this coast have nevertheless been considerably greater than in Bengal. In the aforementioned reduction of the coin species, the Bengal Sicca rupee, in order to bring it to the intrinsic value of the Dutch silver ducaton, was reduced by 20 1/4 percent. And the old Nagapatnam Pagoda, in order to bring it to the value of the Holland ducat, has undergone a reduction of only 6 1/4 percent. Thus, the Sicca rupee has suffered a greater reduction of 14 percent. The Japanese bar copper was sold in Bengal with an advance of 180 percent. To which add the greater reduction of the Sicca rupee over the old Nagapatnam Pagoda, which in Dutch money, being 14 percent or 25 1/4 [illegible], comes to 205 1/4 percent for the general profit on the copper in Bengal. On Coromandel, the Japanese bar copper was sold in the year 1776/7 at 230 1/2 percent and in 1777/8 at 229 1/2 percent; thus, taking the two years together, there was a profit gained of 230 percent, Bengal ministers, namely that although the Japanese copper was sold in that directorate with an advance of only 180 percent, the vent of the same there was nevertheless more profitable for the Company than on this coast. Paragraph 281. According to his argument, it would be a mere assumption devoid of all ground that on this coast the copper is advanced to the merchants upon delivery of piece goods, while precisely the opposite was true of what was stated by those ministers concerning the greater advantage of the Bengal specie, since its difference from the Coromandel specie differed by fully 14 percent to the disadvantage of the Bengal profit account. On those grounds, the conclusion We cannot deny that at the outer factories, Japanese bar copper and other merchandise have now and then indeed been advanced to the merchants upon delivery of piece goods, when they have requested it, but not otherwise, and never at Nagapatnam. But we are respectfully of opinion with Governor van Vlissingen that the contention of the Bengal ministers, namely that although the Japanese bar copper was sold with an advance of 180 percent, the vent of the same there was nevertheless more profitable for the Company than on this coast, does not well accord with annual experience. We see indeed that those ministers have an eye to the greater reduction that the Bengal Sicca rupee suffered in the recent general reduction of the coin species into Dutch money than could not fall otherwise than that the contention of the Bengal ministers is exaggerated and altogether groundless; but, as a further explanation regarding this will be given by them according to what was written under the previous subject, paragraph 243, we expect that the one against the other will be compared by your Honours and a correct judgment will be rendered thereon. In the meantime, it has not appeared very clear to us what Governor van Vlissingen actually meant when he writes that the profit of 180 percent, increased by 14 percent for the difference of the coin specie to 194 percent, still bears no comparison with the profit on this coast: since in our view that increase of fully 24 3/4 percent more than in Bengal, which we hope may serve as complete proof of the greater profits which were obtained on the coast, in contrast to Bengal, on the Japanese bar copper. We also hope that this will shed some light on the governor's proposition mentioned in the margin. is not appropriate when the difference is to the disadvantage of the Bengal profit account, as the governor has attempted to demonstrate. Paragraph 282. The report of the ministers regarding the importation by the Chinese to the prejudice of the vent of Company Japanese camphor, mentioned more fully in our General Letter of the year 1779, paragraph 233, seems not to have been judged very favorably by your Honours, as assuming that this Chinese camphor was actually Japanese, by the Chinese who
Dutch transcription
229 volgens 't schrijven der min:s bij experatie van 't Contract met zeekeren in landsch koopman aangegaan over de Jaarlijksche acceptatie van een bepaalde quanti„ „teit Japansch koper dit Contract niet heeft kunnen vernieuwd wor„ den om reeden dat zo als bij den min:s Resol: van den 19 Maart 1778. is genoteerd, om de noord eeven zo min dan in de Tan„ Jourschen Landen, eenig vertier in dat koper was; en ook om dat 't van Ceilon successive„ lijk aangebragte voor minder prijsen van de hand gezet wierd dan hij daar voor aan de Comp: moest betaalen § 279 Wij vertrouwen derhalven dat dat hier op door uE mede re„ flertie zal zijn geslagen en over woogen of er omtrent de be„ paaling van den uit koops prijs van het staaf koper op Ceilon eenige verandering zoude kunnen ent behooren te worden gemaakt, En wij houden ons teffens verzekerd dat uE. nopens een zaak van die aangelegenheid geen besluit zullen neemen dan na alvoorens wel te zijn geinformeerd aangaande de in vloed en welke de Handel van 't eene Compt„r op die van 't andere heeft. §. 280 voorts hebben wij geleezen 't verhandelde door den Gouverneur van vlissingen bij aparte missiva van den 25 September 1778 ter weder legging van het gesustineerde door de Bengaalsee de oude Nag: Pag:, dog wij hoopen egter aan„ te toonen dat schoon die meerdere verminde„ ring, ten voordeele van de Bengalsche winst Bengaalschen Min:s dat schoon t Iapansch koper in die directie maar met een avand van 180 p:r C:t verkogt wierd, de veatier van 't zelve aldaar voor de Maatschappij nogtans profita„ beler was dan ter deezer kuste. §281 volgens zijn betoog zou't een loutere assumtie zijn van allen grond ontbloot dat ter deezer kuste 't koper op leverantie van Lijwaden aan de kooplieden word voor uit verstrekt terwijl juist t tegendeel plaats had van 't geposeerde door die Min:s wegens 't meerder voor„ deel der Bengaalsche specie alzo 't different van dezelve met de Cormandelsche wel 14: p:r C:t ten nadeele van der Bengaalsche winst rekening verschilde. - Op die gronden zou het besluit wij kunnen niet ontkennen & dat op de buiten Comptoiren, nu en dan wel eens Japansch staaf koper en an„ dere koopmanschappen aan de koop„ „lieden op Leverancie van Lijwaaten is voor uit verstrekt; wanneer zij er verzoek om gedaan hebben, dog anders niet, en nimmer op Nagapatnam. Maar wij zijn met den Gouverneur van Vlissingen eerbiedig van gevaalen dat de sustinu der Bengaalsche mini„ sters, naamentlijk dat schoon het Ja„ „pansch staafkoper waar met een avans van 188: — p:r Cent verkogt wierd; den ver„ tien van 't zelve aldaar nogtans door de Maatschappij profita biler was als ter de„ zer kuste, niet wel en strookt met de Jaar„ lijksche ondervinding Wij zien wel dat die ministers het oog hebben op de grootere vermindering die de Bengaalsche Sicca ropij geleden heeft bij de Jongste ingevoerde generaale reduc„ tie der geld specien tot naederlands geld dan rekening niet Z 51 niet anders kunnen vallen dan dat reeck: werd ingenomen de winsten op den vertier van 't Iapansch de sustenue der Bengaals min:s geha„ staafkoper ter deezer kuste nogtans vrij aanzienlijker geweest zijn als in =saageert en ten eene maal ongegrond is, doch Bengale Bij de voorschreeve reductie der geld„ door hun blijkens 't geschreevene specien is de Bengaalsche Sicca ropij„ om die te kunnen brongen op de intrin„ onder de voorige materie § 243. aen sigue waarde van de Nederl:e zilvere ducaton vermindert met . . . . . . . 20¼ p:r C:t nadere verklaring dien aangaande Ende oude Nag: Pag: heeft maar om hem op de waarde van de Holl:s ducaat te zullende worden gegeeven, verwagten brengen, een vermindering 6¼„ van ondergaan van - het: wij dat het een tegenvo anders door Dus de Sicca Ropijeen meerdere vermindering ge„ uE vergeleeken en daar over een leden heeft van. . . . . . . . 14 — P:s C:t Hlet Japans Staafkoper is in Benga„ Juiste uitspraak gedaan zal worden. le verkogt met een advans van. . . . . . . . . . . . 180: — p:r C=t Het is ons inmiddels niet zeer Waar bij addeere de meer„ dere vermindering der Sicca klaar voorgekomen wat de Gouvraneur ropij, dan de Nag: oude Pagod: die in Nederl: geld, zijnde van Vlissingen eigentlijk bedoeld 25. ¼ „ „ 14 p„r C:t of komt voor de generaa„ heeft wanneer hij schrijft dat le winst op het koper in Bengale. . . . . 205¼ Pr C:t de winst van 180: - Pr Ct met 14. op Chormandel. is het Japansch kC:t voor het different der geld specie staaf koper in A„o 1776/7 met 230½. tot 194 P:r C:t vermeerdeat zijnde pr C. t en in 177 7/8, met 229½ P:r C:t nog in geen Comparatie komt met verkogt dus en /:de twee Jaaren door de winst ten deezer kuste: dewijl elkanderen geslagen:/ op gewonnen is onzes bedunkens die vermeerdering van wel 24¾ p:r Ct niet 230:— 33 33 van Bengale :/ op 't Japansch staafko„ per zijn behaald. — ook hoopen wij dat dit eenigligt zal bij zetten aan de ter zijde vermel„ de stelling van den Gouverneur. meerder als in Bengale 't geen die er op de kust (: in tegenstelling volkome bewijs van de grootere winsten wij hoopen dat strekken mag tot een niet te paskomt wanneer 't verschil ten nadeele is der Bengaalsche winst ree„ kening zo als de Gouverneur getragt heeft aante toonen §282 Het berigt der Ministers waagens den aan voer van Chinee„ sen in prejuditie van 't ver„ tier van Comp:s Japansche Campher, breeder vermeld bij onze Generaale Missi„ ve van den Jaare 1779 § 233 scheint bij uE niet zeer gegoond te zijn geoordeeld als onderstellende dat die Chinesche eigentlijk Japans is geeweest, door de Chinetaasen die
English
according to the resolution of 29 July 1779, traded in that empire by those sailing to Japan. And it seems to us that sufficient certainty could have been obtained in this matter if the camphor brought by the Company had been examined against that brought by the Chinese. Since Your Excellencies have now seen fit to prohibit the importation of camphor by the Chinese, on pain of confiscation and four times the value in addition, we hope, in accordance with what we already wrote in the past year, that this prohibition will serve to the substantial benefit of the Company. This camphor was sold to the Company's merchant Patavi Rama Naiker at an advance of 90 7/8 per cent, which we hope will not be displeasing to Your Right Honourable Excellencies; it will be pleasing to us to hear that the 2000 lb requested by the Ministers for the year 1779 were sold with good profits. Section 283 According to your finding regarding the quality of the cloves brought to Madras by the English, mentioned in our General Missive of the past year Section 232, and of which cloves the Ministers sent Your Excellencies a sample, they seem not to be as good as the Company's kind, but nevertheless fragrant enough to accustom the native to them, especially when the purchase price thereof differs markedly from that of the Company. Section 284 Concerning the lowering of the price of cloves, in order thereby to increase the trade and counteract the supply from foreign places, we declare that, in the present state of the times, the supply of that sort of cloves is therefore no less to be apprehended than if they had been Company cloves, and it would consequently also be desirable to be in a position to prevent that supply. Section 285 The reduction of the selling price certainly comes into consideration for that purpose, as the Ministers have expressed themselves here and there in their letters, one might expect a greater sale from that reduction. Section 286 According to the secret letter, however, of the Governor dated 25 September 1778, it seems doubtful whether the lowering of the price to 60 stuivers we do not dare express ourselves: for to be able to judge that with foundation, peace on this coast must first be generally restored. 60 stuivers would indeed cause the sale of that spice to increase in such a way that the same sums of money would be provided to the Company as they enjoy from it at the present selling price; the restless circumstances that prevailed on this coast owing to the war that had broken out between England and France were, in his opinion, not very suitable for that purpose. He believes, however, at the same time that, in order to harm the sale of cloves at nearby Naoer, the selling price would have to be set as low as and even lower than the price for which the private individuals sold them there, being that of 20 fanams per pound. Section 287 It does not appear whether that sale consists solely of such as are brought from Ceylon by private traders, or whether there are also among them such as were brought to Madras in the previous year, of which mention was made here before in Section 283. This nevertheless seems to require investigation, since if that sale consisted solely or mostly of cloves brought from Ceylon, the sale thereof, as it appears to us, could not well be prevented by a lowering of the selling price equally across all western offices: because then on the same This we can assure Your Right Honourable Excellencies with truth, that the selling price of cloves on this coast was set in the year 1752 by Their Right Excellencies at 100 stuivers the pound, at which it remained until the surrender of Nagapatnam, the same footing would continue to subsist as the advantage which, in the opinion of the Ministers, is to be gained on the transport of that spice from Ceylon to this coast by means of profit on the coins. And we shall therefore also await your and their considerations on this. Section 288 Meanwhile, one seems to have to conclude from the Ministers' missive of 25 September 1778 that the selling price of cloves is not equal at all the western offices; because the Ministers expressly state in that missive that this spice is sold by the Company on this coast at 100 stuivers Dutch money, whereas nevertheless that price calculated in that money is no higher on Ceylon than 80 stuivers without any reduction having been made therein, yet we are ignorant of the price for which the spice is sold on Ceylon. And since, as far as we remember, the resolutions that have been taken by Your Excellencies from time to time on the subject of the prices serve, among other things, to make those prices equal at the respective outer offices, we shall await further elucidation regarding the aforementioned difference. Section 289 The aforementioned private sale of spices, and particularly cloves, at Naoer, joined with the constant changes in the government of the Tanjore lands, is said to have been the reason that on the contract that was made in the year 1775 concerning the accepting of spices against the usual selling price
Dutch transcription
volgens besluit van den 29 Julij 1779 die op Japan vaaren, in dat rijk inge„ handeld. En naar 't ons voor komt zou men hier omtrent genoeg„ zaame zekerheid hebben kunnen ver¬ krijgen wanneer men de Campher zo die welke van wegen de Comp: als die welke door de Chineesen aangebragt was tegen den anderen had doen examineeren. Daar nu UE hebben goedge„ vonden den aanbreng van Campher door de Chineesen, te verbieden, op pae„ „ne van Confiscatie ende vier dub„ belde waarde daar en boven hopen wij ingevolge het door ons reeds ge„ schreeven in den voorleden Jaare dat dit verbod de Maatschappij is deeze Canfer verkogt aan 's Comp:s tot een wesentlijk voordeel zal strekken 33 koopman Patavi Rama Naiker met een avand van 90 7/8 P:r Cent het geen wij hoopen dat uw Hoog Ed: hoog agtb: niet ongevallig zal voorkomen. strekken: zullende het ons aangenaam zijn te vernemen dat de 2000. lb: voor den Jaare 1779 door de Min: g'vraagd met goede winsten ver„ kogt zijn. §283 Volgens uwe bevinding van de qualiteit der nagelen door de Engel„ schen op Madras aangebragt ver„ meld bij onze Generaale missive van den voorleden Jaare §232. en van welke nagelen de Min:s uE een monster hebben toegezonden schijnen dezelve wel niet zo goed te zijn dan Comp:s zoort; doch eeter geurig genoeg om den Inlander zich daar aan te doen gewennen voor al wanneer de inkoops prijs dezelve met die van de Comp: mer„ kelijk e differeert P 284 over de verlaaging van den prijs der nagelen, om daar door den vertier te doen accresseeren en den aan voer van vreemde plaatsen tegen te gaan, betuigen wij /: in den presenten toestand van tijd / ons § 284 De aan voer van dat soort van Nagelen is derhalven niet minder te apprehendeeren, dan wanneer 't Comp: nagelen waren geweest, en 't zoude mitsdien ook te wenschen zijn dat men in staat was dien aan voer te beletten. — §285 De verlaging van den ver„ koops prijs komt daar toe zekerlijk in aan merkingen zo als de Min:s zich hier en daar in hunne brieven hebben uit gelaaten zou men uit die verlaging een meerder aftrekt kunnen verwagten §286 volgens den secreete brief egter van den Gouverneur de dato 25 september 1778 scheint het bedenklijk te zijn of de verlaging van den prijs tot niet 60 stvers 34 niet te durven uitlaaten: want om daar over met grond te kunnen oordeelen, dient de vrede ter dee„ „zer kuste, wel eerst in 't alge„ meen te weezen hersteld. 60 stx:s het debiet van die sperij wel zodanig zou doen toe nee„ men dat daar voor dezelvde sommen gelds aan de Maatschappij bezorgd wierd, als ze bij den tegenwoordige verkoops prijs daar van genieten; de onrustige omstandigheden die ter deeze kuste mitsden ont staane oorlog tusschen engeland en vrankrijk plaats hadden, waren naar zijne gedagten ten dien einde niet zeer geschikt. Hij meent echter teffens dat om den verkoop van Nagalen op 't na bij gelegen Naoer afbreuk te kunnen doen, de uitkoops prijs zo laag en zelfs laager gesteld zou moeten worden aan de prijs waar voor de particuliere dezelve aldaar verkogten: zijnde die van 20 Fa„ „nums „nums 't Pond. §287 Het blykt niet of die ver„ koop allen bestaat uit zulke die van Ceilon door particuliere handelaars aangebragt worden, dan wel of daar onder zich ook zodanige bevinden als welke in 't voorige Jaar te Madras waaren aangebragt, en waar van hier voor 5283. is gesprooken. — Dit scheint nogtans onder zoek te vorderen dewijl wanneer die verkoop alleen of meesten„ deels bestond uit nagulen van Ceilon aangebragt, dies verkoop naar 't ons toeschijnt niet wel voor te komen zou zijn door een verlaaging van den uitkoops„ prijs over alle westensche Comp„ toiren egaal: dewijl als dan op den Zelfden 53 Dit kunnen wij uwe Hoog Edele hoog Agtb: na waarheid verzekeren, dat de uit koop prijs der nagelen op deze kist En den Jaare 1752 door hunne Hoog Edel„ heden gesteld geworden is tot 100 stuijvr: het pond. waar op dezelve gebleven is tot op het overgaan van nagapatnam, zelfden voet zou blijven subsistee„ „ven 't voordeel 't geen naar 't ge„ toelen der Ministers op den ver„ voer van die specerij van Ceilon naar deeze kust door middel van winst op de specien te behaalen is. en wij zullen derhalven ook hier op uwe en hunne Consideratien verwagten § 288 Middelorwijl scheint men uit der Ministers missive van den 25 Sep: 1778 te moeten besluiten dat de uitkoops prijs der nagulen op alle de wester„ sche Comptoiren niet gelijk staat; de wijl de Min. s bij die missive uitdruk„ kelijk zeggen dat die sperij door de Maatschappij ter deezer kuste word verkogt teegen 100 stuwvers Nederlands geld daar nogtans die prijs in dat geld bereekent, op Ceilon niet hoger is dan 80 stver:s zonder en zonder dat daar in eenige ver„ „läging gemaakt is, dog wij zijn on„ kundig van de prijs waar voor de specerij op Ceilon verkogt wordt En vermits zo veel wij ons zulks hir inneren, de resolutien die bij uE van tijd tot tyd op 't sufct van de prijsen zijn genomen onder anderen daar toe strekken om die prijsen op de resp:e buiten Comptoiren egaal te doen zijn zullen wij omtrent 't boven„ genoemde verschil na der „lucidatie verwagten §289 De voorm: particuliere verkoop van specerijen en in zonderheid Nagulen op Naoer zou, gevoagt bij de ge„ duurige veranderingen in 't bestuur der Tansjourschen Landen, de oorzaak zijn ge„ weest dat op 't Contract t geen in den Jaare 1775 over het accepteren van spece„ rijen tegen den gewoonen uitkoops
English
buyout price had been concluded with a certain native, and in 1776 appears to have been renewed with his brother after the decease of the first-mentioned, be the cause that the last-mentioned had since been unable to receive from the Company's warehouses anything more than 3880 lb cloves, 714 lb nutmegs, and 642 lb mace. Yet having seen from earlier letters that the contract consisted of accepting annually 2500 lb cloves, 1500 lb nutmegs, and 500 lb mace, and that the merchant was granted the benefit of an exclusive right of sale to the natives and residents of this coast. And also being unable to assume that the supply of cloves to Naaer had not already taken place upon the conclusion of the aforementioned contract, we therefore consider it by no means reasonable or fair that the aforementioned contract should not be fulfilled by him, and we consequently hope that the ministers will have exerted their efforts to make the Company obtain the execution of that contract. In our General Letter § 290 of the year 1777, noting the small profit that had been obtained on the arrack and the iron, noticing that they did not need to serve to fill the space of the ships since sugar was used for that purpose with greater advantage, so that we trusted that your honors would also keep an eye on this when regulating the shipments of merchandise for this office. The reply that your honors gave us in the same advices of 24 October 1778 folio 130 appeared to us of such a nature that we could not refrain from dwelling upon it for a moment. Your honors inform us that the small profits of 1774/5 on arrack and iron had since risen to 26 1/4 percent on the former and a good 39 1/2 percent on the latter item, and that, on the other hand, the sale of sugar having decreased rather than increased, your honors, keeping an eye on this during shipment, had caused to be shipped to this office in the years 1776, 1777, and 1778 respectively 23936 lb, 20510 lb, and 47900 lb of iron, and this against the requisitions for those years of 24900 pounds, 32100 lb, and 47900 lb; furthermore, in the year 1776, 100 leagers of arrack above the requisition, in 1777 the requested 100, and in the following year 1780, 200 leagers. § 291 We indeed found that on the iron sold for trade in the book year 1774/5 a profit of a good 39 1/2 percent was obtained, but it does not appear to us that in the book year 1775/6 anything of this item was disposed of in trade, while the profit on that ware in 1774/5 was previously stated by the ministers at a small amount of 5 3/4 percent. If therefore what was written by your honors concerning the increase in prices as a ground upon which the shipments of iron were made by your honors can be applicable to the fulfillment of the year 1778, we nevertheless do not comprehend how this could be the case regarding those of the two earlier years. § 292 The same we can also observe regarding the sale of arrack. In 1774/5 it was sold with a profit of 18 9/16 percent, but in 1776 the ministers wrote that they would hold on for some time to the 200 leagers of arrack sent to them upon the requisition of 100, to see whether the price of this item, which at that time could hardly be sold even for the purchase cost, would revive somewhat, so that consequently no arrack was sold in 1777/8. In 1773/4, 160 leagers of this item were disposed of with the aforementioned profit of 26 1/8 percent, but as the ministers state in their marginal reply to our letter of the year 1777, with great difficulty; and it was so far from being possible to conclude from this that the sale of this item would increase very considerably, that on the contrary in 1777 they made no requisition for it because what had been brought by two ships still lay unsold. § 293 The comparison of our findings with your aforementioned reply has raised considerable doubt with us regarding the soundness thereof, and it will be pleasing to us if your honors find yourselves in a position to remove the same by a further explanation of your opinion. § 294 Meanwhile, the troubles between the English and French nations seem to have checked their supply of arrack, so that the Company's sales since appear to have gotten underway again, such that the profit on that item, according to the ministers' statement, had already climbed to 89 13/16 percent; and they thereby judged that they could requisition with good prospects 600 leagers for the year 1779. The 600 leagers of arrack requested from Batavia were supplied promptly and completely, but according to the resolution of 31 August 1779 we were obliged to part with them for only 28 New V. Pagodas, constituting an advance of 31 1/4 percent, and this because there were then nearly 2000 leagers of arrack at Madras; and moreover it was uncertain whether an English or French fleet would appear on the coast in that year. § 295 Since it was made known to them that it would greatly serve the continuation of trade if the aforementioned 600 leagers could be sent to them somewhat early in that year, we trust that reflection on this will have been taken by your honors, in hopes that the outcome of the matter will have answered expectation. § 296 Furthermore, we cannot leave unmentioned the ministers' report regarding the above-mentioned profit of 5 3/4 percent on the iron, namely that the entire sold parcel in
Dutch transcription
uitkoops prijs met zeekeren In„ „lander was gesloten, en in 1776 met deszelvs Broeder na overleij„ „den van den eerst gem: schijnt te zijn vernieuwd de oorzaak we„ zen dat laast genoemde zedert uit's Comp: Pakhuizen niet meer had kunnen ontvangen aan 3880 lb: nagulen 714 lb noten en 642 lb. Foelij. — Dan uit vroeger brieven gezien hebbende dat 't Contract heeft geleegen om Iaarlijksch aan te neemen 2500 lb: nagulen 1500 lb. nooten en 500 lb. foelij en dat aan den koopman het profijt is verleend van een ex clusief regt van verkoop aan de in=en„ opgezeetenen ter deezer kuste. - En ook niet kunnende onder„ stellen dat de aanvoer van Na„ gulen „gulen op Naaer niet reeds bij het sluiten van 't voorn:t Con tract heeft plaats gehad zo agter wij het geensints reedelijk of billijk dat door denzelven aan het voorm: Contract niet zoude voldaan wor„ den, en wij hopen mitsdien dat de Min:s hunne devoiren zullen aangewend hebben om de Maat „schap py 't effect van dat Contract te doen erlangen. Bij onze Generaale Missive § 290 van den Jaare 17775344 den geringen winste remarquerende die 'er op de arak en 't eizer was behaald, merkend behoefden te dienen tot vulling van de ruimte der scheepen alzo de suiker met meerder voordeel daar toe gebruikt wierden dat wij over„ zulks vertrouwden dat uE hier 43 hier op meede 't oog zoude versti„ „gen bij 't reguleeren der versendin„ „gen van koopmanschappen voor dit Comptoir Het andwoord het geen uE bij dezelven advijsen aan ons van den 24 october 1778 F 130 hebben gegeeven, is ons van dien aart voor„ gekomen dat wij niet hebben kun„ „nen af zijn daar bij een weinig stilte staan. UE melden ons dat de gerin„ „ge winsten van 1774/5 op de Atrak en 't ijzer zedert tot 26¼½ p:r C:t op 't eerste en 39½ p=r C:t ruim op 't laaste articul gereesen, en daar en tegen 't debiet van de zuiker eerder af, als toegenomen zijnde uE daar op bij de versending 't oog vastigende in de Iaaren 1776. 1777. en 1778 naar dit Comptoir respectivelijk - respectivelijk hadden doen afschee„ pen 23'936. lb: 20510 lb. en 47900. lb. ijzer en zulks op de eisschen voor die Jaaren van 24900 Ponden 32100: lb. en 47900 lb. voorts in 't Jaar 1776, 100 leggers arak boven den eisch in 1777 de gevraag„ de 100 en in 't volgende Jaar 1780. 200 leggers. — § 291 Wij hebben walgevonden dat op 't ijzer 't geen men in 't boek¬ Jaar 1775/4 tot negotie verkogt heeft een winst is behaald van 39½ P:r C:t ruim, dog 't blijkt ons niet dat in 't Boekjaar 1775/6 van dit articul in den handel avans iets vertierd is, terwijl 't aand op die whaar in 177/5 door de ministers met een gering bedragen van 5¾ P:r C:t te vooren is op gegeeven.— zoo 45 Zo al derhalven 't door uE geschreevene wegens het toenee„ „men der prijzen als een grond waar op de verzendingen van 't ijzer door uE zijn gedaan van applicatie kan wezen op de voldoening van den Jaare 1778 vatten wij egter niet hoe zulks zoude kunnen plaats hebben omtrent die van de twee vroegere Jaaren. §: 292. Het zelfde kunnen wij mede aanmerken nopens den verkoop van den Arak In 177/5 was dezelve verkogt met een winst van 18 9/16 P=r C=t dog in 1776 schreeven de mins dat zij de aan hun op den eisch van 100 toegezonden 200 leggers aaak nog eenigen tijd zou„ den aanhouden om tezien of de de prijs van dit articul 't geen men toen zelfd voor 't inkoops kostende nauwlijksch kon de bi„ teeren nog wat zou willen op„ wakkeren, zijnde 'er mitsdien in 177 7/8 geen arak verkogt. — In 177¾ zijn 'er van dit articul 160 leggers met de voorm: winst van 26/8 p:r C:t van de hand gezet, dog zo als de mi„ nisters bij hun marginaal andwoord op onze missive van den Jaar 1777 zeggen met veel moeite en 't is 'er zo ver van daan ge„ weest, dat men hier uit heeft kunnen besluiten dat 't ver„ tier van dit articul zeer mer„ kelijk zou toenemen dat zij in tegendeel in 1777 daarom geen eisch hebben gedaan om dat de aangebragte met twee scheepen nog nog onverkogt bleef leggen. — § 293 De vergelijking van onze be„ vinding met voorm: uw andwoord heeft bij ons ten opzigte der gegrondheid van 't zelve vrij wat bedenking verwekt en zal ons aangenaam zijn wanneer uE zich in staat bevinden desel„ ver door een nadere verklaring van uwe mening uit den wag te ruimen. — § 294 ondertusschen schijnen de onlusten tusschen de Engel„ schen en fransche natien ge„ staemt te hebben derzelver aan voer van arak alzo Compt: vertier sedert weder scheint te zijn aan den gang geraakt zulks de winst van dat aati cul volgens der Min:s opgave reeds tot 89 1 3/16 P=r Ct geklommen was; en „sche of Faansche vloot op de kust zou verscheinen. En zij hier door g'oordeeld hadden met een goed voor uit zigt 600: leggens De van batavia gevraagde 600: — voor den den Jaare 1779 te kunnen leggers aaak, zijn tijdig en Com„ pleet voldaan, dog wij zijn volgens vragen. besluit van den 31 aug:s 1779 ver „hen te kennen is gegeven, dat „plig geweest, die afte staan voor §295. vermits nu door „ 't tot 28 No V: Pag: slegts uit maaken„ voortzetting van den handel de een advans van 31¼ p:r C t en zulks uit hoofde 'er toen meakelijk zou strekken, wanneer bij na 2000: - leggers arak op ma de voorm: 600 leggers hun in dras waaren; en 't boven dien onze„ „ker of in dat Jaar, wel een engel„ in dat Jaar wat vroeg konden worden toe gezonden, vertrouwen wij dat hier op door uE reflezie zal zijn genomen in hopen dat den uitslag der zaake aan de verwagting zal hebben beandwoord. — § 296 Wijders kunnen wij niet onaangeroert laten der Min:s berigt omtrent de hier boven gem: winst van 5¾ PrC=t op 't ijzer dat namentlijk de geheele verkogte partthij in
English
had consisted of 5922 lb., of which 4800 lb. at purchase cost had been delivered for the service of the newly built Reformed church and 1122 lb. with 30 P:r C:t advance to the Governor, yet upon drawing up the yield, those two items had erroneously been merged together and thereby could show no more than a profit of 5¾ PrC=t. This report, however, indicates a far-reaching carelessness in the arrangement of the papers, against which the ministers will consequently have to take care in the future. Section 297. In the so-called general summary of the merchandise sold on this coast during the book-year 1777/8, inserted in the Ministers' missive to Your Excellency of 19 Janu: 1779, we find iron not entered at all, from which we must conclude that in that book-year nothing of that item was sold, and that consequently, insofar as the same should have to be sent with the Batavia ships as an object of trade and to serve as ballast for the hold of the ships, powder sugar and candy sugar should as yet have preference for this purpose, because on both those merchandises in the last-mentioned book-year a profit of 8 1/8 p:r C=t and 54 7/8 p:r C=t respectively was obtained. In the book-year 1776/7 both those items, among which 191451 lb. of powder and 95365 lb. of candy were sold, [yielded] 17¼ and 54 7/8 p:r C:t respectively. In 1775/6 the candy sugar to the amount of 95009 lb. had yielded a profit of 54 7/8 p:r C=to, but upon the ministers' petition of 200,000 lb. of powder sugar nothing was sent by Your Excellency. The last-mentioned sort nevertheless, to the quantity of 127711 lb., was sold with a profit of fully 85 P=r C=t, and this statement with regard to the successive sale of sugar on this coast does not agree well with the idea in which Your Excellency appears to be, concerning a decrease in the trade of this item that occurred during the years 1776, 1777, and 1778, regarding which we must consequently consider as repeated what we have just noted with respect to that which was sustained by Your Excellency regarding the increase in the sale of arrack and iron during those same years. Section 298. We spoke just now of a profit of 85 p:r C.t on the powder sugar, and we also immediately found the same noted in the yield among the Coromandel papers received in the year 1776; but in the following statement of the profits obtained at this office, which also contains a comparison of the profits of earlier years, and thus also of 1774/5, one cannot see how large the profit on the powder sugar was in that year, as the same has not been filled in. We must suppose that the same was caused by an error, yet it serves to our great displeasure to find ourselves repeatedly hindered by the defects of papers that ought not to be sent off before one had complete certainty that the same were arranged in the required order, and we expect that Your Excellency will take the required measures to prevent such negligences. Section 299. The expectation which the Ministers had that the principal merchant of Nagoor would come to settle at Nagapatnam having been frustrated, and thus the hope that in that way a considerable benefit would be brought to the Company's revenues having also come to naught, it has on the other hand still been pleasant for us to learn that the leases at Nagapatnam at public auction yielded fully 59787 florins, or 1431 florins more than in the year 1777/8. And we conform to your interdict against the making of private leases, while we at the same time hope that more and more the good effect will be noticed of your further provision regarding the passes, observed both for Malacca and Malabar. And the latest order of their High Excellencies to state henceforth on the passes granted for Malacca and Malabar not to the coast of Coromandel in general, but to Nagapatnam in particular. Meanwhile the general revenues of the Company's domains on this coast for the book-year 1778/9 will have brought in no more than 16139 Pagodas, being less than the year before. Yet since this was for the greater part caused by the lack of the lease at Bimilipatnam, we must acquiesce therein, trusting that nothing will be neglected that can serve to the improvement of the Company's domains on this coast. Section 300: In the marginal answer of the Batavian
Dutch transcription
43 in 5922 lb. had bestaan waar van 4800 lt voor 't inkoops kostende ten dien „ste van de nieuwe gebouwde ge„ refordneerde kerk en 1122 lb. met 30 P:r C:t avans aan den Gouverneur waren afgegeeven dog bij 't opmaken van 't renda„ ment die twee posten abusie velijk onder elkanderen wa„ ren gesmolten en hier door niet meer dan een winst van 5¾ PrC=t hadden kunnen vertoonen. Dit berigt dog wijst aan, een vergaande slordigheid in het ingerigten der papie„ „ren waar tegen de mins mits dien in 't toekomende zullen moeten doen zorgen § 297 Bij het zo genaamt generaal sommarium der ver„ kogte kogte koopmanschappen ter de„ zer kuste geduurende het boek„ „ Jaar 177 7/8 inden Min:s missive aan UE van den 19 Janu: 1779 g'einsereerd vinden wij het ijzer in 't geheel niet opgebragt, waar uit wij besluiten moeten dat 'er in dat boekjaar van dat aa„ ticul niets is vertierd, en dat mitsdien in zo ver 't selve met de Bataviasche scheepen verzonden zou moeten worden, als een object van handel en om tot vullig te dienen van de ruimte der schepen, de poeder„ en kandij-suijker daar toe als nog de preferentie behoord te hebben dewijl op die beide koop„ man=schappen in 't laast gem: boekJaar een winst van 8 1/8 p:r C=t en 54 7/8 p:r C=t respectivelijk is behaald. in 51 Jn 't boekjaar 1776/8 waaren die beide articulen, waar onder 191451: lb: poeder, en 95365 lb. Candij verkogte met 17¼ en 54 7/0 p:r C:t respectivelijk. Jn 177 5/6 had de kandij-suiker ten bedragen van 95009 lb: een winst gegeeven van 54 /8 p:r C=to maar op der ministers petitie van 200'000 lb: Poeder zuiker was 'er door uE niets gesonden. Laats gem: zoort nogtans ten quantiteit van 127711. lb: was met een winst verkogt van wel 85 P=r C=t en deze opgave ten aan„ sien van 't successive vertier der suiker op deze kust, strookt niet wel met 't denkbeeld, waar in uE schijnen te verseeren wegens een geduurende de Jaa¬ „ren 1776. 177. en 1778. voorgevallene decres decres in den handel van dit arti„ cul waar omtrent wij mitsdien voor herhaald moeten houden 't geen wij zo even hebben aange„ merkt met betrekking tot 't door uE gesustineerde nopens 't toe„ nemen van 't debiet van de arak en 't ijzer geduurende die„ zelfde Jaren. §: 298 Wij spraaken zo aanstonds van een winst van 85 p:r C. t op de Poeder Zuiker en wij hebben dezelve ook dadelijk ge¬ noteerd gevonden bij 't rendement onder de Cormandelsche papie„ „ren in den Jaare 1776. ontfan„ gen; dog bij de volgende opgave der behaalde winsten ten dezen Comp„ toire die teffens inhoud een vergelijking der winsten van vroeger Iaren en en dus ook van 1774/5 kan men niet zien, hoe groot de winst op de poeder=suiker in dat Iaar geweest is, alzo men dezelve niet heeft in gevuld. Wij moeten onderstellen dat 't zelve bij abuis is ver„ oorzaakt dog 't strekt ons tot groot ongenoegen telkens ons te vinden belemmerd door de defecten van papieren die niet behoorden te worden afgezonden, voor dat men vol„ komen zekerheid had, dat dezel„ ve in de vereischte order inge„ richt waren, en wij verwagten dat uE de vereischt maatse gulen zullen neemen tot voorkoming van der gelijke onagtsaamheeden 1299 - na vraeze op een segt veld gewas, uit hoofden van de toen malige droogte Dog de nagap:le domijnen voor den Jaare 17 9/61 zijn weder verpagt geworden voor ƒ65101:10. dan wij hoopen, dat uwe Hoog Ed: Hoog agtb: niet on„ stellen, dat die veroorzaakt is door algemee„ §299 De verwagting welke de Mins hebben gehad dat de voor„ naamste Handelaar van Naoer zich te Nagapatnam zou komen neer=setten, vereideld, en dus ook te niet gelopen zijnde, de hoop„ dat langs dien wag een merkelijk voordeel aan Comp:s in komsten zou werden toegebragt. De gezaamentlijke pagten van Nag: voor Is 't ons daar tegen nog al„ den Jaare 1779/80 hebben bedragen ƒ58527:— en dus minder dan 't voorige Jaar ƒ1260 - van aangenaam geweest te verneemen welke minderheid just geen reden te geven is, een lijk zou men met opzigt tot de ver„ dat de Pagten te Nagapatnam minderde pagt van de Neli=meeters, mogen bij publicque op-veiling gerandeert hadden ƒ 59787. of ƒ 1431. meer wel ƒ 6574: 10 meerder als s Jaars te vooren 't geen dan in 't Jaar 177 7/8. aangenaam zal wezen voorgekomen En wij Conformeeren ons met sedert deze interdictie zijn alle de pagten tot dezer kuste, publicq opgeveild. uwe interdictie tegen 't doen van verpactingen uit de hand, ter wijl wij teffens hoopen dat meer en meer bespeurd zal worden het goed effect van uwe nadere voor„ siening Edelheden, omtrent de passen, zo op mal„ „lacca als Mallabaar geobserveerd. Nadien 't beantwoorden der Patai„ En de Jongste ordre van hunne hoog siening om bij de passen die op Mallacca ende Mallabaar ver„ „leend: worden voortaan te stellen niet. naar de kust van Corrman„ „del, in 't algemeen, maar naar Nagapatnam in 't bijzonder. - In middens zullen de generaals inkomsten van Comp:s Domainen ten deezer kust voor 't borkjaar 17789 niet meer hebben opgebragt, dan Pa/o 16139 zijnde minder dan 't jaar te vooren. Doch zulks groote deels ver¬ oorsaakt zijnde door 't gemis van de verpagting te Bimilip:mn mor„ ten wij daar in berusten ver„ trouwende dat niets versuimd zal worden 't geen tot verbata„ ring van sComp:s Domainen ter dezer kuste kan strecken §: 300: Bij 't marginaal antwoord, der asche
English
as if the renewal of that contract had been entirely abandoned. Since answering the extracts from the Fatherland has always been carried out here by the Governor alone, we hope that the contradiction in this will not be attributed to inattention on our side. The Governor appears, in replying to this post, to have been guided by our secret resolution of 19 March 1778, whereby we merely resolved to write to the Bimilipatnam resident chiefs that if the opportunity presented itself to them, they could renew the lease of Bimilipatnam for three years (yet no longer), provided it were on more reasonable conditions and for a lower price, and only then proceed to it; or otherwise to surrender the leased lands, whose lease term ceased on the last day of May 1778, on the 1st of June following, back to the prince of Vizianagaram, because that surrender has since occurred, according to the letter of the resident chiefs of 20 June. It is true that in that same letter, new proposals were made on the part of the princes to lease Bimilipatnam and subordinate villages for the term of 5 years and 15000 rupees a year. And on 27 July we resolved to write to the resident chiefs that if necessity absolutely required taking Bimilipatnam into lease again, we then authorized them to do so, provided it were on better conditions and for no longer than three years; with permission furthermore, in such a case, to proceed to advance the entire lease amount for three years to the princes. Yet, as we had not the least news of this in the month of January 1779, it appears to us most probable that the Governor was firmly of the opinion that nothing would come of that contracting, just as indeed nothing came of it, and that he therefore, in replying to the extract from the general letter from the Fatherland of the year 1777, paragraph 354, presented the matter regarding the renewal of the contract with the Vizianagaram princes concerning the leasing of Bimilipatnam as if the renewal of that contract had been entirely abandoned, and even expressly cited for that purpose the separate letter of the Governor of Vlissingen dated 25 September 1778. However, we find in this a new proof of the far-reaching inattention with which the reports of this trading post are often drawn up, since, contrary to his secret letter of 25 September 1778, in the cited letter of the Governor it is very clearly stated that the Bimilipatnam resident chiefs were still authorized, if an advantageous contract could be entered into on the conditions mentioned therein, to conclude the same, even with permission for an advance payment to the princes of the entire amount of the whole lease for three years. We have not been able to determine with sufficient certainty whether the Bimilipatnam servants were in any way restricted in the sum that they might offer for the annual lease. It appears, however, that the members of the Council have not contradicted the opinion of the servants, namely that a considerably more advantageous contract could now be entered into than the previous one, because it had already been offered by the princes to cede Bimilipatnam and subordinate villages anew to the Company for the term of five years and 15000 rupees per year. Yet we do not understand how on that footing one could consider the contract to be concluded as more advantageous in comparison with the previous one, since the latest was entered into for the term of three years for a sum of only 8331 rupees a year; and we shall therefore await further elucidation on this matter. This contract, if it had been brought to pass, would certainly have been more advantageous than the previous three-year contract, because the princes had ceded only a few villages in it, but in the latest offer had offered to lease to the Company Bimilipatnam together with the 13 villages formerly belonging under that place. Paragraph 301. The uncertainty meanwhile as to whether Bimilipatnam has been leased again or not makes unnecessary at present the discussion of whether it is advisable for the Company to maintain its trading post there. According to the reports of the resident chiefs, the Company would be able to enjoy an undisturbed stay as well as the privileges of trade and collection in that area without disturbance, even if Bimilipatnam and its dependencies were not leased again, the English, who currently held the administration of Vizianagaram, having, according to the writing of the servants, given them assurance thereof. That consideration, added to the profits on the sale of trade goods, could come into consideration for a provisional retention. The favorability of the profits that the Bimilipatnam linens yielded to the Company here in this country, and the considerations mentioned in the margin, principally the one that speaks of the profits obtained on the sale of trade goods in Bimilipatnam and on the sale of Bimilipatnam linens in Europe, we sincerely wish may long plead for the retention of that trading post, both with the Right Honourable and highly esteemed Gentlemen Mayores, and with their Right Honours.
Dutch transcription
men, als of van de vernieuwing van dat contractten eenemaal was afgezien der Mins op onze Generaale asche extracten hier altoos is verrigt door den heer Gouverneur alleen, hoopen wij missive van den Jaare 1777 dat het tegenstrijdige in deeze, niet aan in attentie van onze zijde zal worden § 354 hebben zij de Zaak geattribeerdrd Den Heer Gouverneur Schijntzig in aangaande de vernieuwing van 't beantwoorden van deze post geregu„ leerd te hebben na onze secreet, resolu„ 't Contract met de visiana„ tie van den 19 maart 1778 waar bij wij slegts besloten, de Bimilip=te he opper„ garamsche princen over 't hoofden aan te schrijven om zo hun daar toe gelegenheid voorkomen mogt, de pagt in pagt neemen van Bimili¬ van Bimilip=m voor drie Jaaren /:dog langer niet :/ te kunnen vernieuwen mits patnam zou doen voor komen op redelijker voor waarde en voor minder prijs, dan daar toe maar over te gaan: of als of van de vernieuwing anders de in pagt genomen landen, waar van de pagt tijd met ult:mo meij 1778 Ces„ van dat Contract ten eenemaal seerden, op den 1: Juni daar aan volgende, maar weder aan den vorst van visiaga„ was afgezien, en zelfs daar toe „patnaam over te geven, uit hoofden die over„ gave zedert is geschied, volg:s brief der op„ wel expresselijk geallegueerd perhoofden van den 20 Juni wel is waar: bij dien eige brief geschie„ den aparten brief van den Gou„ de nieuwe voor slagen van de zijde der vorsten tot 't in pagt neemen van bimilip=m en on„ Verneur van Vlissingen de onder hoorige dorpen voor den tijd van 5 Jaaren en 15000 ropijen sJaars dato 25 September 1778. En wij besloten op den 27. Juli de opper„ hoofden aan te schrijven om zo de noodzake„ Dan wij vinden hier in lijkheid 't absolut vorderde Bimip=mn weder in pagt te moeten neemen, wij hun daar toe een nieuw bewijs van de verse dan qualificeerden, mits op betere voor„ waarden en niet langer als voor drie Jaaren; gaande on=oplettenheid waar onder vergunningj wijders om in zodanig een geval te mogen overgaan tot de voor uit ver„ strekking van de gansche pagtschad voor drie mede de berichten van dit „jaaren aan de Princen. — Dan wijl wij daar van, in de maand Janu: Comptoir veel al worden 1779 nog geen de minste tijding hadden kont het ons ten hoogsten waarschijnlijk voor, dat den Heer Gouverneur, vastelijk van gedagten geweest is, op gesteld alzo bij de aange„ dat er van die Contractatie niets komen zou ge„ lijk 'er ook werkelijk niets van gekomen is en dat hij daar om, de zaak aangaande het vernieuwen van 't Contract met de visianagaramsche prin„ een contrarie zijne sac: letteren van den 25. 7ber: 1778 bij het beantwoorden van 't patriasche extract mitsiva, van den Jaare 1777 § 354: zodanig heeft doen voorko„ haalde 57 haalde missive van den Gouverner zeer duidelijk is gemeld dat de Bimilipatnamsche opperhoofden als nog gequalificeerd waaren om zo men op de daar bij vermelde voorwaardens een voordeelig Contract aangaan konde; het zelve te sluij„ „ten met permissie zelfs tot een voor =uit verstrec„ king aan de Princen van 't geheel, bedragen der gansche Pacht voor drie Iaaren. Wij hebben met geen ge„ noegsaam sekerheid kunnen opmaken, of de Bimilipat„ namsche bediendens eenig„ =sints bepaald zijn geworden in de Som, welke zij voor de Jaarlijksche pagt zouden moogen Dit Contract zo 't tot stand gebragt zijn dan 't voorige drie Iaarig Contract uit hoofde de vorsten daar bij maar moogen uitlooven. Het schijnt egter dat de Min s niet hebben tegen gesproo„ ken 't begrip der Bediendens dat namentlijk thans een vrij voordeeliger Contract zou„ kunnen werden aangegaan dan 't voorige, door dien reeds van de zijde der prin„ en was aangeboden om Bimilipatnam en onder„ hoorige dorpen op nieuw aan de Compe: voor den tijd van vijf Jaaren en 15000 r. o /a 'sjaars af te staan dog wij begrijpen niet hoeda„ „nig men op dien voet 't te sluitene Contract in vergelijking van 't zou kunnen aanmerken was, zou sekerlijk voor deeliger geweest voorige als voor dee liga hadden dewijl 52 in enige dorpen. dog bij het laaste aan boden, die plaats onder behoord hebbende 13 doopen hadden afgestaan Bimilipatoram dewijl 't Iongst voor den tijd van drie Jaaren aangegaan is nevens de van te voren daar voor een som van slegts 8331: ra in 't Jaar; en wij zullen der aan de Comp„n in pagt over te laten. halven hier omtrent nader elu„ Cidatie verwagten. §301. De onzeekerheid onder„ Tusschen af Bimipatnam al of niet weder zijne in pagt genoomen, maakt thans onnodig de discussie of 't voor de Comp:e ge„ raden zij haar Compt=en aldaar aan te houden Volgens de berichten van de opperhoofden zou de Comp:e een gerust verblijf mitsga„ ders de voorrechten van Handel en insaam daar Wij wenschen van harten dat omstreeks de de winsten die op den vertier van han„ delwaaren te Bemilip:m, en op den ver„ koop van Bemilipatnamsche Lijwaa„ ten in europa weade behaald, nog lan„ ge voor de aanhouding van dat Com„ toir pleiten mogen, zo wel bij de Hoog Ed: hoog agtb: heeren Majores, als bij genieten al was 't dat Be„ milipatnam en dies onder„ „hoorigheeden niet weder in pagt genoomen wierden hebbende de Engelschen die thans 't bestuur van visianagaram in handen hadden naar 't Schrijven der Bediendens, hun daar van verseekering Die Consideratie gevoegd bij de winsten op den verkoop van handelwharen zou in aanmerking kunnen komen voor een provisioneele aanhouding Het favorabele van de win„ sten die de Bimilipat„ namsche Lijwaaten aan de Maatschappij hier te de ter zijde vermelde Consideratien omstreeks ongestoord kunnen gedaan. Principaal die, dewelke spreeke van hunne hoog Edelheeden. Lande
English
to procure as many Bimilipatnam linens as one would desire. For experience has taught us in abundance how little reliance can be placed on the promises of the merchants, especially since it is very uncertain whether, in the event of an unexpected abandoning of Bimilipatnam, the Jaggernaikpoeram merchants would indeed be capable of procuring so many Bimilipatnam linens as one would desire. For which reason, pursuant to your order, no further application should be made to the Bimilipatnam merchants to follow the Company to Jaggernaikpoeram in the event of an abandonment. Also deserving of reflection is what was stated in the secret missive of 25 September 1778, though the same becomes of less weight with respect to the retention of this factory if one can rely on what was written: that the Jaggernaikpoeram merchants would, in case of need, always be able to procure as many Bimilipatnam linens as one desired. Section 302. Having to leave it at present with these general remarks, we further wish that the authorization which you granted to the ministers for the re-establishment of the lodge at Narzapoer will fulfill its purpose, and that accordingly the expenses that will be spent on that establishment—and which the ministers have calculated at a sum of 769 Pagodas—as well as the annual charges which the Company will bear there, will be amply compensated by the advantages which one believed could be expected from this establishment. We must nevertheless repeat once more our frequently made remark that, in proportion as the profits and revenues for the Company on this coast decrease or become more and more subject to vicissitudes, one ought to curtail the burdens thereof as much as possible; wherefore we also gladly wish to express our satisfaction to the ministers that, whereas those burdens at the closing of the books for the year 1774/5 had fallen to a sum of ƒ551518.—, the same at the end of the following year decreased still further to ƒ533272:— and by the ultimate of August 1777 had already been reduced down to ƒ506313:—. Section 303. That continued observance of proper economy remains recommended to their attention, and we trust that you likewise on your part will persevere in your supervision over the household management of these factories, of which we have also perceived evidence this year with regard to the administrations. Section 304. The quite considerable difference which was noticed by you between the prices that were charged by the Equipage Master Hartman for purchased beams and those which were spent by the Land Master Henk ought not to have escaped the attention of the ministers either. And then they would probably have had a better opportunity to investigate the validity of the aforementioned Equipage Master's justification that the beams purchased by him had been of an entirely different kind. Section 305. It also appears to be a consequence of a lack of attention that, regarding the purchase of equipage goods mentioned in our General Missive of the past year Section 226, a report was sent to you drawn up so obscurely that it could not provide even the slightest light. Since all fortification works of the outer city and the Castle have been demolished by the English, we respectfully request to be excused from answering this item. And we would not make any mention of this were it not necessary to remind the ministers further of their obligation to keep a watchful eye over the respective administrations. Section 306. The item of fortifications contributes not a little annually to increasing the burdens of this factory. We have already expressed our satisfaction in our missive of the past year, Section 242, regarding your direction to have a skilled engineer report to you whether and in what manner such ought to be done to the greatest service of the Company before allowing any further notable expenses to be spent on those fortifications. However, since the report transmitted thereto by the Captain-Engineer Paravicini di Capelli did not fulfill your purpose, we deem it very prudent that his further considerations have been demanded, and specifically whether it would not be better and more advantageous to build a new fort at Nagapatnam than to proceed further with the repairs of the old one. We must therefore await your advice on the reports and plans which will have been furnished to you regarding this important work, and we further observe that the state of the Company's affairs on this coast seems more and more to make it questionable whether it will be advisable for it to burden itself with heavy and oppressive expenditures on behalf of the fortification work. Section 307. Meanwhile, we approve that out of necessity you have granted authorization to the ministers to rebuild some sections of the wall of the outer city, which was to be done by the Land Master Henk for the calculated sum of ƒ13475. And since, according to the ministers' advices of 19 January 1779, an estimate was sent to you drawn up by the aforementioned Henk of the costs that would be required to repair the defects caused by the heavy and long-lasting rain to the walls of both faces of the point Geldria, the estimate amounting to a sum of 3206, we shall await your decision thereon, as well as on the proposal to make those walls thicker than they were before; while we reiterate what was written in our aforementioned General Missive of the past year concerning the expectation we had that to the repeatedly mentioned Henk
Dutch transcription
61 zo teel Bimilipatnamsche Lijwaaten te bezorgen, als men zou begeeren. wat de ondervinding heeft ons ten over„ =vloede geleerd, hoe wijnig staat er te Voor aldaar 't zeer onzeker is of bij een onverhoopte opbraake van Bimi„ lipatnam, de Jaggernaikpoeramsche kooplieden wel in staat zouden zijn om maaken is op de beloften derkoopleden Lande geeven, verdiend ook ne flexie, doch 't zelve word met op„ „zicht tot de aanhouding van dit Comptoir van minder gewicht zo men staat kan maaken op 't geschreevene bij de secreete missive van den 25 september 1778 dat de Jagernaikpoeramsche kooplieden des noods altijd in staat zouden zijn om zo veel Bimilipatnamsche lijwaten te bezorgen als men begeede waar om dan ook ingevolge uwe order bij de Bimilipatnamsche koop„ lieden geen aanzoek meer zou worden gedaan om inge„ valle van opbaake de Comp:e naar Iaggernaikpoeram te volgens. 1302 § 302 Bij deeze algemeene aan„ merkingen 't thans moeten„ de laten, wenschen wij ver„ „der dat aan 't oogmerk zal voldoen, de qualifitatie die uE aan de Ministers hebben verleend tot het wa„ der oprigten der Logie te Narzapoer en dat overzulx de kosten welke tot die opregting zullen zijn besteed en die de Min:s op eene Som van 769 Pag: hebben ge calculeerd, gelijk mede de Iaarlijksche ongelden wel„ „ke de Maatschappij al„ daar zal dragen door de voor=deelen welke men van dit Etablissement gemeend heeft te kunnen ver wagten 63 wagten, rijkelijke zullen ver„ goed worden Wij moeten toch nogmaals herhaalen onze meermaalen gemaakte aanmerking dat naar mate de winsten en inkomsten voor de Maatschap„ pij ter dezer kuste af nee„ „men dan wel aan wissel„ valligheeden meer en meer onderheevig worden, men de lasten van 't zelve zo veel doenlijk behooren te besoeijen; waar om wij dan ook gaarne aan de Min:s ons genoegen willen be„ tuigen dat daar die lasten bij 't slot der boeken van 't Jaar 177 4/5 tot een zomma waren gedaald van ƒ551518. — dezelve aan 't einde van 't volgende volgende. Jaar nog verder zijn afgenomen tot ƒ 533'272:— en onder ult:o aug:s 1777 reeds ver„ mindert tot op ƒ 506313: — §303 Die aanhouden de betrach„ ting van een gepaste mena„ ge blijft hunne attentie aan„ bevolen en wij vertrouwen dat uE insgelijks van haa¬ „ren kant zullen volharden in derzelver toe=zicht op de „huishouding ten dezen Comp„ toiren waar van wij ook deezen Jaare ten aanzien der admi„ nistratien blijkens bespeurd hebben §304 Het vrij aanmerkelijk ver„ schil 't geen door uE op gemerkt is tusschen de prij¬ sen welke door den Equipage„ meester Hartman in reek: waren gebragt wegens ingekogte balken 65 Balken en die welke door den „Landmeester Henk besteed wa„ „nen had mede de attentie der Min:s niet behooren te ont„ slippen. En dan zouden zij waarschijnlijk beter geleegend„ heid hebben gehad om onder„ soek te doen naar de ge„ grondheid der verantwoording van gem: Equipagimeester, dat de Balken door hem ingekogt, van een geheel an„ „der„ soort waren geweest. §305 Het scheint mede een gevolg te zijn van gebrek aan attentie dat nopens den in„ koops van Equipagie goede„ ren vermelt bij onze Generaale missive van den voorleden Jaa„ re § 226 aan UE een berigt is overgezonden zo duister opge„ steld Nadien alle fortificatie wer„ ken van de buiten stad en het Casteel door de Engelschen geda„ molieerd zijn, verzoeken wij eerbie„ dig om van 't beantwoorden dezer post verschoont te mogen wezen. steld, dat 't zelfs geen 't minste licht heeft kunnen geeven. En wij zouden van dit een en ander geene aanhaling doen vonden wij niet nodig de Min:s nader hunne verpligting ter her inneren om over de resp:e ad„ ministratien een wakend oog te houden. §306 Het articul der forti. „ficatien brengt Jaarlijks net weinig toe tot verswaaring der lasten van dit Comptoir. Wij hebben bij onze missive van den voorleden Jaare F242 reeds ons genoegen betuigd over uwe directie om alvoorens aan die fortificatien eenige verdere naam waardige kosten te laaten besteeden door een kundig Ingenieur uE te doen 64 64 doen opgeven of en op wat wij„ =ze zulx voor den meesten dienst van de Comp:e zoude behooren te geschieden Doch 't daar toe overgezon„ „dene bericht van den Capitein Ingenieur Paraviline de Cappelli niet aan uw oog„ merk voldaan hebbende agten wij als zeer voorzichtig dat deszelfs nadere Consideratien zijn gevordert en speciaal of 't niet beter en voordeeliger zoude weesen een nieuw fort te Nagapatnam te bouwen dan met de reparatien van 't oude verder voort te gaan.— Wij moeten derhalven afwagten uw advis op de berigten en Plans welke nopens dit aangeleegen werk aan uE zullen zijn gefour„ neerd neerd en merken Wijders aan, dat de gesteldheid van 's Comp:s zaken ter deezer Custe meer en meer scheint bedenkelijk te maken of 't haar geraden zal zijn, zich met swaa¬ re en drukkende uitgaaven ten behoeven van 't fortificatie werk te belasten. §: 307 Jnmiddens laaten wij ons welgevallen dat uE uit hoofde der noodzakelijkheid aan de Min:s qualificatie hebben verleend tot 't doen op halen van eenige stukken der muur van de bui„ ten stad, 't geen door den Land„ meester Henk voor de gecalcu„ „leerde somma van ƒ13475 stond te geschieden En vermits volgens der Mins advisen van den 19: Janu: 63 Ianu: 1779 aan uE is overge„ zonden een door voormelde Henk geformeerde Calculatie der kosten welke 'er zouden ver„ eischt worden ter herstelling van den gebreeken door de zwaare en lang-duurende re¬ gen aan de muuren der beide face van de punt Geldria ontstaan, bedragende de Calcu„ latie een somma van 3206: zul„ „len wij uE dispositie daar over als mede op 't voorstel om die muuren dikker te maa„ ken dan dezelve te vooren zijn geweest, te gemoed zien; ter wijl wij in heerenen het ge„ schreeven bij voorm: onze Gen:t missive van den voorleeden Iaare wegens de verwagting die wij hadden dat aan meergem: Henk
English
that no execution of any work should be entrusted, without first having proper information that the person possessed sufficient competence for it. And it seemed strange to us that the question we asked on that subject here in our General Missive of the year 1777, F: 347, was left unanswered by the Ministers. Paragraph 308. Meanwhile, it meets entirely with our approval that Your Honours made your desire known, as also the Governor of Vlissingen had previously considered, to devise a fund whereby, without any notable burden to anyone, the Company could be assisted with the expenses outside the city, which increase from year to year. Paragraph 309. But the means which the ministers attempted to put into effect to that end, consisting of a tax of 6 stivers or 1¼ fanams on the houses, dwellings, or gardens for each square rod of which their circumference would consist, has had a very detrimental consequence and has, as the Ministers report, served ill-disposed inhabitants as a pretext to put into execution the seditious schemes which they had previously been contemplating. According to their letters, virtually all the native inhabitants, both from the city and the 32 villages, numbering over ten thousand persons, had removed themselves from under the Company's jurisdiction, whereby all trades and crafts together with agriculture came entirely to a standstill, the work of the mint could make no progress due to a lack of people, and they had been at a loss for people to repair the Company's buildings, ships, vessels, etc. However much the fugitives have since returned, and also according to the Ministers' latest letters the uprising with its consequences had ceased, we could nevertheless view this event not otherwise than with a concerned eye, not only because several of the principal natives, and among them even Company merchants, seem to have had a hand in it, but also and especially because the paths which they had to take to quiet the agitated multitude have appeared to us as utterly dangerous, since quite a lot was conceded to the demands which they made on this occasion, and such steps not seldom can cause considerable prejudice to the authority that a well-ordered government ought always to have. We are willing to believe that the ministers found themselves in such circumstances that they were obliged, as the saying goes, to make a virtue of necessity. Nor do we enter into a discussion of the various points of objection that were brought forward by the dissatisfied crowd; yet we note nevertheless that if the tax had already from the beginning been made general and from it had not been exempted the houses and dwellings of the European Company servants and citizens, and perhaps of yet more others (for the Ministers have expressed themselves rather ambiguously on this), the introduction of that tax would very likely have met with less opposition, and the peace might have been preserved. We are also of the opinion that if that tax had been made general on all houses, so much instigation would not have taken place. And we judge at the same time that upon the concluding of peace, and the regaining of Nagapatnam, such a tax could still indeed be introduced: or instead of this, a certain poll tax such as is paid at Sadras and Palicol. The Ministers seem to have felt this as well, since they proposed to Your Honours to issue anew the edict of that tax, which had provisionally been revoked by them, but to extend the tax over all the houses and dwellings after it should have been moderated to a fanam or 4 stivers for each square rod, on which proposal we shall await your decision. Paragraph 310. Now, while matters within this Government have not been on an even footing at all, they have also found not a little trouble from outside, while the Ministers especially had quite a bit to negotiate with the prince of Tanjore. Since the extent of this matter has already run longer than usual due to the importance of the affairs, we cannot enter into an investigation of all the circumstances appearing in the Ministers' letters concerning the disputes which have arisen between them and the said Court. Restricting ourselves therefore only to some of those circumstances, we remark, with respect to the refused extradition by them of the demanded regent of Manaar Coil, Cannegasawea Poele, that in order to judge properly this conduct of the Ministers, one would have to know with certainty whether one was entitled on the part of the prince to the aforementioned reclamation by virtue of any treaties, and likewise whether any crimes had been committed by the said regent against the prince which had forced that regent to flee. The former was denied by the ministers, and with respect to the latter they have assured that the more said regent had only fallen into disgrace with the court through the hatred and envy of the administrator of the realm against him, which then was also the cause of his retreat. Through the dispatch of the secret papers to Ceylon, we are unable to answer this item fully; the only thing we could still report regarding this affair is that that matter has since entirely ceased, and Cannegasawea Poele is now actually at Madras. Yet according to your writings to the Governor of 14 July 1778, there were said to be reports that Cannegasawea Poele in the administration of the prince's
Dutch transcription
Henk geen extructie van eenig werk zou worden toen= vertrouwd, zonder alvoorens behoorlijke informatien te hebben dat dezelve daar toe genoeg„ zaame bekwaamheit be„ zat. En 't is ons vreemd voor gekomen dat door de Min:s de vraag die wij op dat su„ jet hier hebben gedaan bij onze Generaale missive van den Jaare 1777. F: 347 is onbe„ antwoord gelaten. § 308 ondertusschen is 't alsins van onze goedkeuring dat uE haar verlangen te kennen hebben gegeeven zo als ook de Gouverneur van Vlis„ singen reeds te voren bedacht was geweest om een fonds uit te vinden waar door zonder iemands iemants naamwaardig bezwaar der Maatschappij zou konnen worden tegemoed gekomen in de van Jaar tot Jaar toenemende ongelden vand' buiten de stad § 309 Dan 't middel 't welk de ministers ten dien einde getracht hebben werkstalling te maken, bestaande in een belasting van 6. stver:s of 1¼ Fans op de huizen Wooningen of Tuinen voor elk quadraat roeden die dezelve in haren „slaan omtrek zoude bestaan is van een zeer nadeelig ge¬ volg geweest en heeft zo als de Ministers melden aankwalijk geziende Jngeseetenen tot een voorwendsel gediend om de oproa„ „ringe projecten waar van hij reeds te vooren zwariger gingen ter ter uitvoer te brengen Volgens hun Schrijvens hadden genoegsaam alle de Inlandsche Ingezetenen zo uit de stad als de 32 dorpen ten getale van over de tien duijzend perzoonen zich van onder Comp: gebied begeeven waar door alle Neerin¬ gen en handteeringen te gelijk met den Ackerbouw ten eene„ maal hadden stil gestaan 't werk van de munt door gebrek aan lieden geen voortgang had kunnen neemen en men verlee„ „gen was geweest om volk ten einde Comps: geboúwen, Scheepen, vaartuigen enz: te doen herstellen. Hoe zeer nu de uitgewee„ „kene sedert weder te rug ge„ keerd waren, en ook volgens de ministers Ministers Jongste brieven de opstand met de gevolgen van dien was gecesseerd, hebben wij egter dit voorval niet anders dan met een sorgelijk oog kunnen beschouwen niet alleen uit hoof„ de verscheide der voornaam„ „ste inlanders en daar onder zelfs Comp:s kooplieden daar in de hand schijnen gehad te hebben, maar ook en wel voornamentlijk om dat de weegen die men heeft moe„ en inslaan om de opgeruide meenigte tot stilke te bren„ gen ons als ten uittersten gevaarlijk zijn voorgekomen dewijl op de eisschen welke dezelve bij deezen geleegend„ „leid heeft gedaan vrij veel is toegegeeven en dier gelijke stap„ „pen wij zijn mede van gevoelen dat zo die belasting algemeen gemaakt was. op alle huizen, er zo veel opstokeling niet zou hebben plaats gehad. En oordeelen teffens, dat bij 't treffen van de vreede, en weder te rug erlanging van nagapatnam, een diergelijke belasting nog wel zou weezen in te voeren: of in„ „pen niet zelden een merke„ lijke prajuditie kunnen toe„ brengen aan de klem die Regering een wel gestelde reakening altoos behoort te hebben; wy willen wel gelooven dat de ministers zich in zodanig omstandigheeden bevonden hebben dat zij ver„ pligt zijn geweest om ge„ „lijk men spreekt van de nood een deugd te maken. Wij treeden ook niet in een discussie van de onderschei„ „dene poincten van bezwaar, welke door den misnoegden hoop zijn ingebragt; dog merken niet te min aan dat zo de belasting reeds van den beginnen was algemeen gemaakt en daar van niet uitgezonderd stede waren stede van dit, zaker hoofdgeld zo als op sadras en Palicol betaald wordt. — waren de huizen en woonin„ „gen den Europeesche Comp:e dienaaren en burgers en mis„ schien ook van nog meer ande„ „ren /: want de Min:s hebben zig hier over vrij dubbelzinnig uitgedrukt:) de in=voering van die belasting als dan veel ligt minderen tegenstand ontmoet zou hebben en die rust mis„ schien bewaard zou zijn ge„ bleeven. De Min:s schijnen zulks ook gevoeld te hebben dewijl zij aan uE hebben voorgesteld om 't placaat van die be„ lasting 't geen door hun provisioneel was ingetrokken als nog te doen emaneeren dog de belasting na dat dezelve tot op een fanum of 4 stuivers voor „te papieren, na Ceilon zijn wij buiten staat deezen post volledig te beantwoor„ „den: het eenigste, wat wij omtrent dee„ ze affaire nog zouden kunnen melden is, dat die zaak zedert ten eenemaal „gesesseerd, en Cannegasawea Poele tans werkelijk op madras is. — voor ieder quadraat roeden zou„ „de zijn gemodereert gen:t en over alle de huisen en wo„ ningen te extendeeren op welk voorstel wij uwe dispositie zul„ „len afwagten §: 310 Daar nu de zaken ten deezen Gouvernementen van binnen gansch niet op een effen voet zijn geweest heeft men ook van buiten zich en niet weinig beslom„ „mering gevonden terwijl de Ministers voor al met den vorst van Tansjour vrij wat te verhandelen hebben gehad De extensie van deeze materie om de aangeleegen„ heid der zaaken reeds langer dan na gewoonte hebbende moeten Door het verzenden van de selree„ uitlopen uitlopen kunnen wij niet treeden in een onderzoek van alle de bij den Min:s brieven voor„ komende omstandigheeden der verschillen welke tusschen hen en het gem: Hoff zijn ontstaan en ons der halven alleen tot eenige van die omstandigheeden bepalende remaaquerende wij met opzigt tot de door hem geweigerde uit„ „levering van den gereclameer„ de regent van Manaar Coil Cannegsawa Poele dat om over dit gedaag der Min:s wel te kunnen oordeelen men met zeekerheid zou moeten wee„ ten of men van de zijde van den vorst tot de voornoem„ de opeissching uit hoofde van eenige verbonden geregtigt is is geweest, mitsg.:s of door den gem: regent tegen de vorst eenige euveldaden ge„ pleegt waaren, welke die regent tot vlugten hadden genoodzaakt. — Het eerste is door de min:s ontkend en met opzigt tot 't laatste hebben zij ver„ zekert dat meer gem: regent alleen in ongenade van 't hoff vervallen was door de haat en afgunst van den Albeschik van 't rijk, tegens hem 't geen dan ook de oorzaak was van zijne retraite Dog volgens uwe schrijvens aan de Gouverneur van den 14. Julij 1778. zouden 'er berig„ ten zijn dat Cannegesawea Poe„ le in de administratie van 's vorsten
English
had embezzled the prince's finances and stolen a considerable sum of money from the same. And with this also agrees rather well the information given to the Ministers by Governor Rumbold and the rest of the English Council of Madras, stating that the said Regent had remained indebted on his lease as hawaldar for about ten lakh pagodas, and that he had attempted to avoid the payment thereof by his flight; while furthermore, from the letters exchanged between the Ministers and those of Ceylon on the subject of the aforementioned regent, who had subsequently proceeded to Jaffanapatnam, it becomes doubtful whether agreements had not been made in earlier times with the Court of Tanjore for the extradition of mutual runaways. In both of these cases, one did not need to be surprised that the refusal given was taken so seriously by the Court that they had all the roads and accesses to the Company's territory closed, occupying them with native military forces, whereby not only the export of linens, but also that of grains and other provisions had been entirely obstructed; and the unrest with that court would possibly have gone to even further extremes if the Governor and Council of Ceylon had made no objection against the request made to them by the Ministers to seize all Tanjore vessels that might be found in the harbors or bays of that island. We therefore hope, and we are also inclined to trust, that beneath the refused surrender of Cannegasaweapoele and the request that protection might be granted to him in Jaffanapatnam, no motives or intentions may have lain hidden that could not be reconciled with the Company's interest and the obligations of the Ministers. And although their reports regarding the restoration of the said regent into the prince's favor have appeared to us as very uncertain, we nevertheless wish that, if that restoration has indeed taken place, the outcome will then answer to the Ministers' expectation regarding the service and the advantage which the Company will be able to derive from the gratitude and friendship of the said Regent, while we consider it best of all that the roads in the prince's country were reopened and, according to the latest news, trade was carried on by the Company's subjects in the realm of Tanjore just as before. Paragraph 311. The cession made by the prince of that realm to the English of the seaside village of Naoer, which is so well situated for trade, certainly provides proof that this prince cares little any longer about the alliances that have of old subsisted between that realm and the Company, and it would have been entirely desirable for the Company if one had been able to prevent that cession; because the possession of this Naoer and the lands of the province of Kivaloer, which according to the Ministers' reports have now also been ceded to the English Company, affords it the opportunity not only to draw the advantages of trade more and more to itself, but moreover, due to the situation of the lands, to exercise a formidable power over the Company's city of Nagapatnam and its 32 villages. Paragraph 312. The aforementioned cession is also contrary to the treaty concluded in the year 1773 with the Subah of the Carnatic, Moermet Ali, and we can therefore by no means disapprove of the fact that copies have been sent to the latter, as well as to the prince of Tanjore, of the protest which was made by the Ministers to the English Government at Madras on the subject of that cession. Paragraph 313. One can, however, promise oneself little fruit from all this, considering that since the prince of Tanjore was restored to the throne on behalf of the English Company, the Subah has had to evacuate the seized lands of the prince; being hereby incapacitated from fulfilling the aforementioned treaty, so that it might perhaps not have been unserviceable if one had sought to obtain a guarantee of the same at the conclusion of that treaty in 1773. Paragraph 314. On the other hand, it is quite clear that the powerful service rendered by the English Company to the prince of Tanjore has made him entirely dependent on the same, and that consequently that prince, virtually no longer existing in his own right, has no power to fulfill, in that state of dependence, the obligations formerly entered into by the Court of Tanjore for the benefit of the Dutch Company. And when one at the same time considers the importance of the revenues already enjoyed by the English from the lands ceded to them, besides the annual contribution of 400,000 Pagodas which, according to the Ministers' letters, the prince is obligated to pay to that nation, then one can easily realize how little appearance there is of bringing matters back to their former state. Paragraph 315. Meanwhile, by the confluence of the circumstances mentioned here before, the Company has been considerably prejudiced in its privileges and prerogatives. And if, according to the remark of Governor van Vlissingen, the annual recognition moneys, as well as the annual tribute of elephants to the prince, were promised on no other footing than to have, besides a secure seat at Nagapatnam and in the places belonging thereunder, also a certain enjoyment of its other prerogatives, then it seems entirely equitable that the Company should now obtain at least some relief from the aforementioned annual burdens; and it thus becomes worthy of consideration whether some negotiations should be opened concerning this.
Dutch transcription
svorsten financien zig vergree„ pen en dezelve een merkelijke Somme Gelds ontvreemd hadde. En hier meede komt ook vrij wel over een de informatien die door den Gouverneur Rum„ bolt en den verderen Engel„ schen Raad van Madras aan de Min:s is gegeven dat gen: Regent op zijn pacht als haweldaar omtrend tien Lak pagoden was schuldig gebleeven, en dat hij de betaling daar van door zijn vlugt getracht had te ontwijcken, terwijl voorts uit de brieven die tus„ schen de Mins:s en die van Ceilon op het sujet van meergem: regent als welke zig naderhand naar Jaffana„ patnam had begeeven ge„ wisseld wisseld zijn, twijffe lagtig word, of niet in vroeger tijden met 't Hoff van Tansjour overeenkom¬ sten zijn gemaakt ter uit „levering van weder=Zijdsche wegloopers. Jn beide die gevallen behoef„ den men zig niet te verwonde„ „ren dat bij 't Hof de gedaa„ „ne weigering zo hoog is ap„ genoomen dat men alle de weegen en toegangen naar Comp:s gebied had doen sluiten dezelve met Inlandsche krijgs„ volk bezettende waar door de afvoer van Lijwaten niet alleen maar ook die van graanen en andere Leevensmid¬ delen ten eenemaal belemmert was geworden; Ende onlusten met dat hoff zouden mogelijk tot 81 tot nog meerder uitterstens gekomen zijn; indien door den Gouverneur en Raad van Ceilon geene swarigheid was gemaakt tegen 't verzoek: hen door de Min:s gedaan om alle de Tansjoúrsche vaartuigen welke zig inde ha„ „venen of baaijen van dat ei„ „land mogten bevinden in be„ slag te doen neemen Wij hoopen derhalven en wij willen zulx ook wel ver„ trouwen dat onder de geweiger„ de overgave van Cannega„ Sawea Poele en 't verzoek ten einde dan dezelve te Jaffanapatnam proter tie mogte worden verleend geene motiven of inzigten mogen mogen hebben verborgen geleegen die met Comp:s belang en der Min:s verplichtingen niet zou„ de overeen te brengen zijn. En of schoon hunne berich„ „ten nopens de herstelling van denzelven regent in 'Tvorsten „n gust ons zijn voor geko„ men als zeer onzeker wen„ „schen wij niet te min dat zo die herstelling dadelijk heeft plaats gehad de uitkomst als dan zal beantwoorden aan der Min s verwagting wegens den dienst en het voor„ „deel 't geen de Maatschap„ pij uit de erkentenis en vriend„ schap van gem: Regent zal kunnen trekken terwijl wij als 't best van alles be„ schouwen dat de weegen in 'T vorsten „„ 83 's vorsten Lande weder geopend waaren en volgens de Jongste tijdingen door Comp:s onderdanen even als voor-heen in 't rijk van Jansjour handel ge¬ dreeven wierd. §. 311 De afstand die door den vorst van dat Rijk aan de Engelschen is gedaan van 't voor den Handel zo wel ge„ „leegene Zeedorp Naoer Levert zekerlijk een bewijs uit, dat die vorst zig wei„ nig meer bekreunt de ver„ bonden die van ouds tusschen dat rijk en de Maatschap„ pij hebben gesubsisteerd, en 't zoude voor de Comp:e al„ sints te wenschen zijn geweest dat men die afstand had kun„ „voorkomen „nen „ dewijle komen dewijl 't be„ zit zit van dit Naoer enda landen der Provincie van ki Waloer, welke naar de Mins berigten thans mede aan de Engelsche Maatschap pij zijn afgestaan haar gelegenheid verschaft om niet alleen de voordeelen van den handel meer en meer na zig te trek„ ken maar om daar en boven door de situatie der landen over Comp:e stad Nagapatnam en haare 32. dorpen een duchtig ver=mogen te oeffenen. §312 voorn: afstand is mede strijdig tegen 't verdrag in den Jaare 1773 met den souba van Carnatica Moer„ met Ali geslooten en wij kunnen mitsdien geensints afkeuren dat aan laastgem: zo 86 zo wel als aan den vorst van Tansjour afschriften zijn gezonden van 't protest 't geen door de Mins: aan de Engelschen Regeering te Madras op 't sujet van dien afstond is gedaan. §313 Men kan zig egter van dit alles weinig vrugt belooven aangezien de souba sedert de vorst van Tansjour van wegen de Engelschen Maatschappij op de throon hersteld is, de in bezit genomene Landen van den Vorst heeft moeten ruimen: zijnde „hier door buiten staat gesteld om aan het voor„ schreeven verdrag te voldoen, zulks 't misschien niet tig niet ondienstig geweest waa„ ken dat men bij 't sluiten van dat terdrag in 1773. een guarantie van 't zelve ge„ tragt had te bekoomen. §. 314 Aan den anderen kant is het vrij klaar dat de mag„ tige dienst welke door de Engelsche Maatschappij aan den vorst van Tansjour is beweesen hem van dezelve ten eenemaal afhangelijk heeft gemaakt en dat over zulks die vorst op zig zelven als 't waare niet meer bestaande geen vermogen heeft, om in dien staat van afhanke„ lijkheid de verbintenissen na te komen, die voormaals ten behoeven der Nederland sche Maatschappij door 't hoff Hoff van Tansjour zijn aan gegaan. En als men teffens Consi„ dereert de importantie in kom„ sten welke door de En„ Gelschen van de aan hun afgestaane Landen reeds genoten worden behalven nog de Jaarlijksche Contributie van 400'000 Pag: die volgens der Min:s schrijven de vorst ge„ houden is aan die natie op te brengen dan kan men ligt beseffen hoe weinig apperentie 'er zij om de zaaken tot haa„ re vorigen stand te brengen. § 315 Is ondertusschen de Maatschappij door den sa„ menloop van de hier vooren gem: omstandigheeden in haare priviligien en voorregten mer„ kelijk 87 kelijk geprejudiceerd. — En zijn volgens aanmerking van den Gouverneur van Vlissingen de Jaar lijsche recognitie penningen als mede 't Jaarlijksch Tribut van Eliphanten aan den vorst op geen anderen voet toegezegd dan om behalven een vasten zest te Nagapatnam en op de daar onder gehoorende plaatsen ook van haare overi„ ge voorregten een zeker ge„ not te hebben dan scheind 't alsints billik te wesen, dat de Comp: als nu in de voorschreeven Jaarlijk¬ sche Lasten ten minsten eenige verligting er langen en 't word dus bedenkelijk of daar over eenige negoticatien #
English
whether with the Prince of Tanjore or with those by whom he presently allows himself to be governed, could and should be entered into. We cannot prescribe anything specific to you concerning this matter, as the circumstances of time and place and other matters of that nature, and that one cannot well foresee them, would have to be taken into account. We therefore leave the same deferred to your prudence and care, trusting that a fitting resolution regarding this will be taken by you after having taken the advice of the Ministers, and should one proceed to those negotiations, they will then be so directed that the Company's claim which it can further maintain to have on the aforesaid remains intact. Section 316. Furthermore, we must once again repeat our frequently expressed wishes that a suitable opportunity may finally arise for the Governor of Vlissingen to settle the disputes over the Ceylon Pearl Fishery in an agreeable manner with the Nabob Mahomet Alie, so that the Company, which has already had to be deprived of the benefit of this fishery for so long, may once again have the enjoyment thereof. Section 317. For the rest, with regard to the transactions with the foreign nations, we do not wish to refrain from expressing our particular satisfaction with the measures taken by the Ministers on the occasion of the war that arose between England and France, in order to cause an exact neutrality to be observed on the part of the Company, and we trust that work will have continually proceeded in accordance with those measures. Section 318. With respect to coinage matters, we have examined the report demanded by us from the Ministers in the General Missive of the year 1777 concerning the cause of the discrepancies found here in this country between the alloy of the Pagodas and fanums and the Gold sent from here for those species, together with the further points relating to this matter broadly mentioned in our aforesaid missive, sections 334 and 335. According to that report, consisting of a report made to the Ministers by the mint master Willem Duijnevelt and the assayer P. W. Geeke, that cause was to be attributed to the ignorance of the smelters, badness of crucibles, and the low strength of the Charcoal, or else to an erroneous consignment of Masulipatnam instead of Nagapattinam three-image pagodas. The first mentioned of those reasons being well-founded, it seems to us that with proper supervision over the work of the mint, the said defects could and should have been remedied, which in that case must still be done as much as possible, it being possible in any case to ensure that one is provided with the necessary tools and further mint requirements. The other of the given reasons being a guess which cannot be judged by us, we must leave it uncertain; nevertheless, we have deemed it expedient that the Ministers send to us at the first opportunity 4 Nagapattinam, 4 ditto Masulipatnam, and 4 ditto Madraspatnam three-image pagodas, and try to distribute the same over two ships with a distinct designation of each of the particular sorts. As soon as Nagapattinam shall have been returned to the Company, we shall endeavor to obtain the pagodas required herewith by your High Excellencies and Right Honourables. But in the meantime, we take the liberty most respectfully to note that three-image pagodas were minted only at Nagapattinam and Masulipatnam, and on the contrary, at Madras again nothing other than star-Pagodas. Section 319. And whereas the aforesaid Duijneveld and Geeke have declared themselves ready, in addition to the oath of their faithful administration upon their assumption of office, to take a further special oath on this matter, we make no difficulty in being satisfied with what is further set down in that report. And we rest at the same time in the assurances given that no Gold of higher alloy will be employed for the fanums or other Coin species as long as one has a stock of report which was given by you to the information demanded by us regarding the reasons which you had for causing to be built and sending to this office the two vessels mentioned more broadly in our General Missive of the year 1777, section 330, and we shall pass untouched the Ministers' answer to the question posed by us in that same Missive, section 357, regarding the intent of what was written by them concerning the late Minister Lieftink. Extract. We beg your High Excellencies and Right Honourables very humble pardon because we neglected to mention in our letter of 15 October 1779 the reason that moved us to the direct shipment from here. Extract from the Home General Missive written by the Noble Right Honourable Gentlemen Delegated Directors of the General Dutch East India Company at the Assembly of the Seventeen to Their High Excellencies the Governor-General and the Council of the Indies at Batavia, dated Amsterdam, 30 November 1781. Section 223. We have several times seen with displeasure that, whereas the cargo of a return ship from
Dutch transcription
63 83 't zij met den vorst van Tansjour of met de geene door welke hij zig thans be„ stuuren laat zoude kun„ nen en behooren te worden geëntameerd. — Wij kunnen over deeze zaake uE niets bepaalde„ „lijks voorschrijven, alzo de¬ geleegentheid van tijd en plaats en meer andere zaa„ ken van dien aant, en dat men dezelve niet wel kan voorzien, zouden moeten worden in agt genoo„ Wij laaten derhalven aan uE prudentie en zorg het zelve gedefereerd ver„ trouwende dat hier omtrend door UE naar ingenomen advis men. advis der Mins een gepast besluit zal worden geno men, en zoo men tot die negotiatien mogt overgaan deselve als dan zodanig gederigeerd zullen worden dat Comp:s pretentie die zij op 't voorn: nader kan sustineeren te hebben, blij„ ten in haar geheel. §: 316. Voorts moeten wij nog„ maals herhalen onze meer„ male gedane wenschen dat voor den Gouverneur van Vlissingen einde„ „lijk eens een bekwaame gelegendheid geboore mo„ gen worden, om op een Con„ venable wijse met den Nabab Machomet Alie te ter=mineeren de verschillen over 81 over de Ceilonsche Paarl„ visscherij, ten einde de Maatschappij die reeds zo. „lang van het voordeel diet visscherij verstoken heeft moeten blijven, daar van weder 't genot mogen heb„ ben. — §: 317. Voor 't overige wil„ len wi ten aanzien van het verhandelde met de vreemde natien niet af zijn ons bij=sonder genoegen te betuigen, over de maatregu„ len die door de mins bij ge „leegenheid van de ontstaane oorlog tusschen Engeland en vrankerijk zijn ge nomen, ten einde van de zijde der Maatschappij een exac„ te neuteraliteit te doen ob„ serveeren serveeren en wij vertrouwen dat Conform die Maatragulen door hun steeds zal zijn te werk gegaan §318. Met betrekking tot de munt=saaken hebben wij gexamineerd 't door ons bij generale missive van den Jaare 1777 van de Min gevordert berigt nopens de oor zaak der hier te lande bevon¬ dene verschillen tusschen 't alloi der Pagooden en fanuims en 't voor die specien van hier gezondene Goud benevens de verdere tot deeze materie betrekkelijke poincten bij voorn: onze missive F 334 en 335 breet vermeld. volgens dat berigt be„ staand 83 staande in een rapport door den muntmeester W:m Duij„ nevelt en den essaijeur P: W: Geeke aan de min s. gedaan zou die oorzaak zijn toete„ schrijven aan de onkunde der smelters, slegtheid van smeltkroesen ende wei„ nige kragt der Houtskoolen dan wel aan een abusive verzending van Mazulipat. namsche in plaats van Nagapatnamsche drie beeldige pagoden De eerstgem: van die reedenen gegrond zijnde dunkt 't ons dat bij een behoorlijk toezigt over 't werk van de munt aan de genoemde gebreeken zoude hebben kunnen en beho„ ren ne breed 5 be„ staand zo dra nagapatnam aan de Comp:e zal weezen te rug gegeven zullen wij tragten te bekomen de pagoden door uwe hoog Ed: Hoog agtb: hier ne„ vens gerequireerd. Dog ondertusschen gebruiken wij de vrijheid aller eer„ biedigst te noteeren, dat er alleen maar op nagapatnam en Mazuli„ patnam drie beeldige pagoden ren te worden te gemoed ge„ koomen bij 't geen in dat ge„ val als nog zo veel mogelijk zal moeten geschieden, kun¬ nende in allen geval ge„ zorgd worden dat men van die nodige gereedschappen en verdere munt=behoeftens zij voorzien. De andere der opgegeevene reedenen een gessing zijn¬ „de welke door ons niet kan worden beoordeelt moe„ ten wij dezelve in 't onzee„ kere laaten dog hebben niet te min dienstig ge„ oordeeld dat de Mins ons bij de eerste gelegenheid doen toe 4 stuks nagapatnamsche 4 d:o mazulipatnamsche en komen 4 d. o madraspatnamsche gemunt drie 95 gemunt geworden zijn en daar en tegen op Madras wederom niet an„ kers dan ster- Pagoden. drie beeldige pagoden ende zel ve over twee scheepen tragten te verdeelen met een distincte designatie van ijder der bij. sondere soorten §319 En vesmits voorn: Duij neveld en Geeke hebben ver„ klaard bereid te zijn behalven den eed bij de aanvaarding hun„ ner trouwe behandeling, bij dee„ ze een nadere bijzondere eed afte leggen; maken wij geen zwa„ righeid met 't verdere bij dat berigt ter needer gestelde genoegen te neemen; En bij be„ rusten teffens in de gedaane verzeekeringen dat men geen Goud van hooger allooij tot de fanums of anderen Munt¬ specien zal emploijeeren zo lang men voorraad heeft van berigt het geen door uE is gegeven op de door ons ge„ „vorderde informatie nopens de reedenen die uE hebben gehad tot 't doen aantim„ meren en 't versenden naar dit Comptr van de twee vaartuigen breeder vermeld bij onze Generaa„ le Missive van den Jaare 1777 F 330 en zullen onaan„ geroerd passeeren der Ministe„ „ren antwoord op de door ons bij die zelfde Missive gedane vrage §: 357. nopens 't oogmerk van 't door hun geschrevene aangaande wijlen den Pradikant Lieftink. extract 23 Wij verzoeken uwe Hoog Ed: hoog agtb: zeer nedrig excus om dat wij hebben verzuimd bij onzen brief van den 15 october 1779 te mel„ „den, de redendie ons bewoge heeft tot de directeverzending van hier Extract Patria Sche Generaale Missive geschreeven door de Edele hoog Agtb: Heeren Gecommit„ teerde Bewindhebberen van de Generaale Neder¬ landsche oost Indische Compagnie ter vergadering van Seventiennen Aan Hunne Hoog Edelheeden Den Gouverneur Generaal en de Raaden van Indië te Batavia, ged: Am„ sterdam den 30 Novem„ ber 1781. §223 Wij hebben verschei„ de maalen met ongenoegen gezien dat daar de laading van Een Retourschip van van de act
English
of the ship de Heldwoltemade we decided upon this on 18 August 1779 because we had on hand here a considerable quantity of 1307 packages of linens for Europe, these amounting in money to ƒ626610:3:-, and we moreover expected a considerable quantity of fine linens from Sadras and Palleacatta as well as Jaggernaikpoeram. However, since nothing was brought from the first-mentioned factories, and the ship de Pallas (which had been sent to Jaggernaikpoeram to collect the procured goods from there) had still not appeared on 13 October, we were indeed obliged to fully load the Heldwoltemada (which provisionally had only taken in 1000 packages) with the packages we had on hand here, in order to be able to dispatch her therewith on 15 October, or the appointed sailing day. We are willing to acknowledge in the meantime that if the said vessel had been sent to the North, her cargo would have been more considerable and possibly brought up to the fixed 9 Ton. But we hope nonetheless that her detention and dispatch from here will be favorably excused by Your High Excellencies and Most Honorable Worships, for the above-mentioned reasons. the Coast of Cormandel is fixed at 9 Ton, that cargo has continually remained below it, and that of the ship de Heldwoltemade, which returned in the past year, again amounted to less than that carried by the Patriot in the previous year, while the Ministers have never lacked pretexts to excuse the low volume thereof, if possible. Now fear of being overstocked with coarse goods had made them decide to send the coarse goods to Europe, whereby the value of the cargo had to decrease. Then again the ship that was to go and collect linens from the northern factories remained behind too long, to make the return ship wait for it. Then again the uneven packaging of the linens at various offices took up too much space in the ships. Regarding the first reason, we hope that the Ministers will no longer invoke it, after Your Honors have brought to their attention that Batavia is always in need of coarse linens. The second pretext has likewise appeared to us to be of little value, since indeed the orders imply that a return ship from this Coast must call at the northern factories to take in the fine linens, whereas Your Honors have never approved deviation from those orders, except when weightier reasons had advised it, as for example a sufficient stock of fine goods at Nagapatnam (for which reason Your Honors, among others, approved in the past year the management held regarding the ship De Wakkerheid in 1771); and when now no reason for the direct dispatch was given by the Ministers, we do not doubt that Your Honors will be as little satisfied as we are with what the Ministers have done in this matter. While the third pretext will now likewise cease, since in our demand of returns of 10 November 1780 we have embraced the Ministers' proposals to make the packaging uniform. We trust therefore that no other reasons than those that do not depend on the Ministers' management will be brought forward as an excuse in the future. §224 Under this we would count when the troubles of war between the native or other princes, vexations of neighbors, poverty of the inhabitants, high prices of cotton and the like caused the collection of linens to decrease to such an extent that one was thereby unable to provide a proper cargo of linens. We cite all the aforementioned matters because they were recently stated by the respective chiefs as reasons for the smaller collection than ought to have been provided according to the demand. Since we now fear that these causes will not only not have diminished at present, but we may reasonably assume that other no less weighty ones will have joined them, we shall in such cases have to reconcile ourselves to a small return from this coast. § 225 We must do the same regarding the last collection of which we have knowledge, insofar as the just-mentioned reasons have influenced it, all the more so since circumstances at present are not suitable for making any reasonable representations regarding the extreme vexation of the English, at a time when that nation was still living in friendship with the Republic. However, insofar as wrong conduct of the servants might have given rise to this, as had taken place in the preceding year according to your letter of 5 November 1779 regarding the Sadraspatnam servants, we cannot sufficiently recommend the Ministers to make use of your remark and to be assured that their honor and the company's interest in this
Dutch transcription
van 't schip de Heldwoltemade wij besloten daar toe op den 18 au„ „gust:s 1779 uit hoofden wij hier aan handen hadden een aanzienlijke kwantiteit van 1307:- pakken lij„ waten voor europa, dit C: C: in gel„ den bedragen ƒ626610:3:- en wij bo„ „ven des een aanzienlijke kwantiteit van fijne lijwaten zo van sadras, Pal leacatta als Jaggernaikpoeram ver„ wagten. Dog wijl van de eerstgem: facto„ „rijen niets wierd aangebragt, en 't schip de pallas /:die na Jaggernaikpoc„ ram gezonden was om de gezaaide goe„ „deren van daar aftehaalen:) nog op den 13 october niet kwam op dagen, waaren wij wel verpligt de heldwol„ temada /: die provisioneel maar 1000 pakken had ingekreegen:/ te volla„ den, met de pakken die wij hier aan handen hadden, om hem daar mede op den 15 october, of den bepaalden zuildag, te kunnen depecheeren Wij willen ondertusschen gaarne bekennen dat zo gemmelden bodem na de Noord gezonden was zijne laa„ ding aanzien lijker en mogelijk wel op de bepaalde 9 Ton zou gebragt geworden zijn. Dog hoopen egter dat dies aanhouding en depeche van hier door uwe Hoog Ed: hoog Agtb: gun„ stig zal worden verschoont, om de hier boven gem: motiven de Cust van Cormandel op 9. Thon is bepaald, die laading geduurig daar bena„ den is gebleeven, en die van het schip de Heldwolte„ made in den voorleden Jaare geretourneerd, weder min heeft bedraagen dan 't ver¬ voerde door de Patriot in het voorigen Jaar, terwijl het de Ministers nimmer aan voor = wendselen heeft ontbroo„ „ken, om de geringheid daar van waare 't mogelijk te verschoonen. Dan eens hadde vrees om met 't groove goed over kropt te worden hun doen besluiten om 't groove goed naar Cu„ ropa te zenden, waar door de waarde der lading had 83 101 had moeten verminderen Dati eens bleef 't schip 't geen Lijwaaten van de noor„ der=factorijen moest gaan lang haalen te „ achter, om er 't retour schip naar te doen wagten. Dan eens nam de one„ gaale embaluuren der Lijwaa„ den op onderscheidene Comptoi¬ ren te veel ruijmte inde Scheepen Weg. — Op de eerste reeden hoopen wij dat de Min:s zig niet meer zullen beroepen, na dat uE hun hebben onder 't oog gebragt dat men op Batavia altoos om groote Lijwaaten verlee„ gen is. — Het tweede voor wendsel is lade had is ons mede voor„komen van wijnig waarde te zijn, immers daar de ordres mede brengen dat een retourschip van doe„ ze Custe de Noorder„ factorijen moet aan=doen om de fijne Lijwaaten in te nemen daar uE. de afwij„ king van die ordres nimmer hebben goed gekeurd, dan wanneer gewigtige reeden zulks haddene aangeraaden, als bij voorbeeld een genoegsamen voorraad van fijn Goed op Na¬ gapatnam /:om welke rer„ den uE onder anderen in den voorleeden Jaare de directie omtrent 't schip De wakkerheid in 1771 gehouden, hebben geapprobeerd:/ en dan nu door de Mins geen 103 geen reeden van de directe de„ word. peche „ gegeeven, twiffelen wij niet of uE zullen zo min als wij genoegen neemen met 't door de mi„ „nisters verrigte in deesen. — Terwijl 't derde voorwend„ sel als nu mede zal Cesseren zedert wij bij onsen Eisch van retouren van den 10: November 1780 der Min:s propositien om de embalage equaal te maaken hebben g'amplecteerd. Wij vertrouwen dan ook dat geene andere ree„ denen dan de sulke wel„ ke niet van der Min:s directie aflangen in 't vervolg tot verschoning zul¬ „len werden bij gebragt 5 224 geen §224 Hier onder zouden wij reekenen wanneer de oorlogs troúbles tusschen de Inlandsche of andere vorsten, veratien van nabuuren, ar„ moede der ingezetenen, duuir„ te van Catoen en dergelijke den inzaam van lijwaaten zodanig deeden afneemen dat men daar door buiten staa was eene behoorlijke Lading Lijwaaten te bezorgen. Wij haalen alle voors: zaaken aan, om dat de selve laatst door de respn opperhoofden opgegeeven waar als reedenen van den min¬ dere inzaam, als volgens den eisch had behooren vo daan te werden Daar wij nu vreesen dat 183 dat deeze oorzaaken niet alleen thans niet zullen weezen vermindert, maar wij met reeden mogen vast stellen, dat bij dezelve nog andere niet min gewig. tige zullen zijn gekomen, zullen wij ons in zodanige gevallen een gering retour van deeze kust moeten ge„ troosten. §: 225 Wij moeten 't zelvde doen omtrent den laatsten inzaam waar van wij ken„ nis dragen, voor zo verre de even gem: reedenen op dezelve van invloed zijn geweest, te meer daar de omstandigheeden thans niet geschikt zijn, om eenige billijke vertoogen te doen wegens — wegens de verregaande vera¬ „tie der Engelschen, op een tijd toen die natie met de republicq nog in vriendschap leefde. Dan voor zo ver verkler„ de behandelingen der bediendens daar toe aanlijding mogten hebben gegaven, zo als zuks in 't voorgaande Jaar volgens uw brief van 5 November 1779 omtrent de sadraspatnamse, be„ diendens had plaats ge„ „had, kunnen wij de Min:s niet genoeg aan beveelen. zich uwe remarque ten nutte te maken en verzeekend te weezen dat hun eer en 's maatschap „pijs belang in deeze ten