Inventory 9694
Coromandel · 218 pages · 27 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
Letters & Papers from Coromandel dated October 1778 15 15th 1 Per the Ship De Patriot the Chamber Zeeland for William By the grace of God Prince of Orange and Nassau, Hereditary Stadtholder, Hereditary Captain and Admiral General of the United Netherlands, etc. etc. etc., as Upper Governor General and Chief Director of the General Netherlands Chartered East India Company Together with The High Noble, Right Honorable Lords Directors of the Chamber Middelburg in Zeeland, by the Governor and Council of Nagapatnam; namely Original general missive by the said Lord Governor and Council addressed to his said High- No. 1. Register of all such papers as are sent this day per the Ship De Patriot; and addressed to the Illustrious High Born Prince and Lord ness. ness and their High Noble, Right Honorable Lords at the presiding Chamber, Amsterdam, addressed this day, including the enclosures according to this Register. The counterpart of the aforementioned Missive addressed to the Chamber Middelburg in Zeeland, together with a copy of this Register. Secret missive by the Noble Lord Governor alone, being dispatched this day; addressed to the presiding Chamber Amsterdam, accompanying three copies of secret letters addressed to their High Nobles the Noble High Indies Government at Batavia, one dated 31 January, and two the 25 September last. The counterpart of the aforementioned missive addressed to the Chamber Middelburg in Zeeland bound in. Copy of the letter which was dispatched on the 25 September last per the Ship 't Veldhoen via Jagannathpuram to their High Nobles at Batavia. For Amsterdam 5. 3. No. 2 bound in Copy. 10. 11. Not received this paper is also not sent off 12. Copy note addressed by and to the same on the 30 January of this year. Copy note addressed by and to the same on the 10 June thereafter. Copy note addressed by and to as said, dated 12 August last. Two Memoranda or List of the branded chests here of the officers of the bearer hereof, signed by commissioners in the fiscal office, of which the Certificates have been handed over to the master; One for Amsterdam, One for Zeeland. A sounding report of the draught of the aforementioned return ship De Patriot upon departure from this roadstead An Extract from the journal of the aforementioned vessel, showing the work performed during the lay days at this roadstead. A receipt for such papers as the master Hendrik Mulder has separately received here, consisting of 6. 7. all to No. 13. 15. 14. Not received, this paper is also not sent off. the same in 1 bundle of instructive papers. 1 sealed Envelope with secret signal letters for the years 1778 and 1779. 1 sealed Envelope with separate instructions regarding the salute for the officers of the bearer hereof. Some Extracts from the Resolutions, including A model consumption book 1 Brand roll of the chests branded here A declaration by the Master Hendrik Mulder regarding what was received by him at Batavia for the homeward voyage, and also that his Ship was properly provisioned and calked there. A report regarding the small arms and guns, together with munitions of war to be found on that vessel General List of the Charts and Navigator's tools of that vessel, including A declaration by the master regarding their receipt. A No. 16. 17 17. 17 Not received this paper is also not sent off. 18. 19. A Catalogue of the medicines supplied to that keel at Batavia. A Certificate from the officers of this vessel that the same has been properly calked etc. and the sails aired and repaired, as well as that the keel has been properly cleaned and brimstoned. A Copy order to the officers of the aforementioned return vessel, whereby they were ordered the provisioning, cleaning, and calking etc. of the same. A Report from the appointed persons Dirk Buys and Johannes Schelneman, regarding the examined 7 pieces of Ventepallam sewn cloths 20. A Memorandum of such Trade Papers as are sent from here to the Fatherland with the secretarial ones per the Ship De Patriot, according to which are dispatched 2 Invoices. and Envelope in A separate 23. 24. No. 21. 2 Invoices of the cargo laden in the aforementioned vessel at Nagapatnam; namely. 1 ditto for the Chamber Amsterdam 1 ditto Chamber Zeeland Two short invoices, namely: 1 ditto for the Chamber Amsterdam 1 ditto Zeeland. 2 Bills of Lading, of which: 1 ditto for the Chamber Amsterdam 1 ditto Zeeland 2 Memoranda of the linen bales laden in that vessel with their numbers and gross weight, of those 1 for the Chamber Amsterdam 1 ditto Zeeland 2 expense accounts of what was supplied and expended for the aforementioned vessel, such as: 1 ditto at the capital Batavia 1 ditto at Nagapatnam 1 Inventory of the repeatedly mentioned vessel 1 stowage list of the entire cargo 26. 25. 1 expense accounts 22 No. 27. 28. 1780. 19 pieces of Memoranda signed and handed over by the Owners of the branded chests, showing which Linens are packed in the same. Nagapatnam in the Castle, The 15th of October Anno 1778. J. A. Bromveld. 29. 1 expense account of what was supplied here to the ship De Bovenkerkerpolder 1 Indent of Equipment goods for the service of this government for the year Gy. Clercq examined. Jan Abdam Original Letter to the Netherlands Per the ship De Patriot Dated 15th October Anno 1778. For the Chamber Middelburg in Zeeland No. 2.
Dutch transcription
Brieven & Papieren van Chormandel dato October 1778 15 15=e 1 Per het Schip De de Kamer Zeeland Patriok voor Willem Bij der gratie gods Prince van orange en Nassauw Erffstadhou„ der, Erf-Capitain en Admiraal ge„ neraal, der vereenigde Nederlanden E= C Etc:r Etc: als apper=gouverneur ge„ neraal, en opperbewindhebber van de generaale Nederlandsche g'oetroijeer, de oost=Indische Compagnie Benevens De Hoog Edele Hoog Agtb: heeren Bewindhebberen ter kamer Middel„ burg in Zeeland, door den gouver„ neur en raad van Nagapatnam; teweeten origineele gemeene missive door gedagte heer gouverneur en raad aan hoogwelmelde zijn Hoog„ N=o 1. Register van alle sodanige papieren als op heeden per 'T Schip De Patriot werden versonden; en geaddresseerd aan den Doorlugtigen Hoog Gebooren vorst en Heere heid. heid en haar Hoog Edele Hoog Agt „kamer baarens ter presidiaale, Amsterdam op heeden g'addresseerd, annex de bijlaagen volgens dit Register. —. De weedergade van Evengem: Missive gerigt aan de kamer Mideburg in Zeland, meg vens Copia van dit Register. Secrete missive door den Edele Heer gouverneur alleer op heeden afgevaardigd werdende; geaddresseerd aan de presidiaale ka¬ mer Amsterdam ten geleijde van drie Copias Secreete brieven. aan Ha Hoog Edelheeden de Edele Hooge diasche Regeering te Batavia ge rigt, een gedateerd 31. Januarij, en twee den 25. 7ber: Jongstleeden. De weedergade van Evengemelde missive gerigt aan 4. de kamer middelburg in Zeeland ingenaaid„ Copia des briefs welke op den 25. 7ber: j: leeden per 'T Schip Tveldhoen over Jaggernach poeram aan haar Hoog Edelens te Batavia is afgevaardigd. - v:r Am„ Sterdam 5. 3. No 2 ingenaaid Copia. 10. 11. Niet ontvangen dit gaat dit papier ook niet aff 12. Copia briefje door en aan als even op den 30 ' Januarij deeses Jaars gerigt. — aan Copia briefje door en als Eeven op den 10. Junij daar aan gerigt. Copia briefje door en aan als gezegd, onder dato 12: - Augustus J:o leden gerigt. Twee Notities of Lijst van de alhier gebrande kisten van ve de overheeden van brenger deeses door gecommitteerdens in den fiscaal onderteekend waar van de Certifi„ caaten aan den schipper zijn over„ handigd; Een V=n Amsterdam Eenv: Feeland. Een pijl rapport van het diep treeden van Eron ge„ meld retourschip D' Patriot bij vertrek van deese rheede Een Extract uijt het journaal van Even gemeld bo„ dan, aantoonende het verrigte werk geduurende de legdaagen te deeser rheede—. Een quitantie van sodanige papieren als den schip„ per Hendrik Mulder alhier appart heeft ontfangen bestaande de. 6. 7. allen aan No 13. 15. 14. Niet ontvangen, dit gaat dit papier ook niet af. deselve in 1. bondeltje met instructive papieren. 1. vorzegeld Couvert met secrete sijn brieven voor de Jaaren 4178. en 1779 1. verzeguld Convert met apparte en strucken, raakende het salut voor de overheeden van brenger deeses. Eenige Extracten uijt de Resolutien, annex Een model Consumptie boek 1. Brand roll der alhier gebrande kiste Een verklaaring van den Schipper Hendrik Mu „der wegens het door hem op Batava genotene voor de Ahuijs rijse, en ook dat zijn Schip aldaar behoorlijk voorzien en gecalfaat is. Een berigt weegens het hand-en-schiet- gewoer, mits„ gaders ammonitie van oorlag of dien bodem te winden generaale Lijst van de Caarten en Stuurmans ge„ reedschappen van dien bodem, anne Een verklaaring van den schipper weegens dies ontfangst. Een N:o: 16. 17 17. 17 Niet ontvangen dis gaat dit papier ook niet aff. 18. 19. Een Cathalogies van de op Batavia aan deen kiel verstrekte medicamenten. Een Certificaat van de overheeden van deesen bodem dat deselve behoorlijk gecalfaat &:a mitsg:s de zeilen gelugt en gere„ pareerd, zoo ook dien kiel behoor„ lijk Schoon gemaakt en geswaveld is. Een Copia ordonnantie op de overheeden van Even gem: retour bodem , waar bij hun het voorzien, Schoon maaken en Cal¬ faten &:a van deselve zijn geordon„ neerd geworden. Een Rapport van de gecommitteerde persoonen Dirk Buys en Johannes Schel„ neman, weg:s g'Examineerde 7. stuks wentepaliumse gezaaijde kleeden 20. Een Notitie van zodanige Negotie Papieren als met de secretarieele ditos per 't Schip D' Patriat van hier na 't Patria gesonden worden, volgens dewelke afgaan 2 Factuuren. mits„ Couvert in Een apparth 23. 24. N o 21. 2. Factuuren van het gelaadene in apgemelde so„ dem te Nagapatnam; Teweeten. 1. dito voor de kamer Amsterdam hieron Janer d _:o: Zeeland _:o Twee korte fackueren, Teweeten: 1: dito voor de kamer Amsterdam _:o Zeeland. _:o 1. 2. Cognoissementen, waar van: 1. dito voor de kamer amsterdam _:o Zeeland 1. _:o „ 2. Notitien van de in dien bodem geladene lijwaat de fardeelen met dies nombers en brut gewigt, van die 1. voor d' kamer Amsterdam _:o Zeeland 1. _:o„ 2. onkftreekeningen van 't verstrekte en bekostigde aan opgemelde bodem als: 1. dito ter hoofdplaats Batavia Nagapatnam 1. _ o te 1. Jnventaris van meermelde bodem 1: stidagie lijst van de geheele lading 26. 25. 1. onkostreekeningen „ 22 - N=o 27. 28. 1780.. 19. stuks Notities door de Eijgenaar der gebrande kisten, ondertee„ kend overgegeeven, aantoo„ nende welke Lijwaaten in dezelve zzijn gepakt. Nagapatnam in't Casteel Den 15=e F october Anno J„ A„ Bromveld. 29. 1. onkostreekening van „t vorstrekte alhier aan't schip De Bovenkerkerpolder 1. Eijsch van Equipagie goederen ten dienste van dit gouvernement voor den Jaare 178 Gy Clercq nered aan gen nagesien. J=n Abdam Origineele Briev naar Nederland Per het schip de Patriot Gedateerd 15=e October Anno 1778. Voor Kamer Middelburg in Zeeland No. 2. de
English
Netherlands. To the Illustrious High-Born Prince and Lord Willem, By the grace of God, Prince of Orange and Nassau, Hereditary Stadtholder, Captain, and Admiral General of the United Netherlands, etc., etc., etc., as Supreme Governor General and Supreme Director of the Honorable East India Company. Together with The Honorable, Highly Respected Gentlemen and Directors in the Assembly of Seventeen, committee for the Chamber of Middelburgh in Zeeland. Illustrious High-Born Prince and Lord, And Right Honorable, Highly Respected Gentlemen! Via Ceylon, we have had the high honor of receiving Your Right Honorable Highly Respected Gentlemen's venerated missive, missive of 17 October 1777, accompanied by the Demand for Returns for the year 1779, and such other annexes as are listed on the register sent thereof, which we shall use for our information and observance. While we shall soon send the aforementioned Demand for Returns to our respective factories, in order that it may again be contracted out to the merchants for delivery as soon as the collection of this year shall be completely finished, to which we shall also add the necessary recommendations for the complete fulfillment of everything petitioned for in good quality. According to the esteemed instruction of Your Right Honorable Highly Respected Gentlemen, in the coming month of January, we shall send via Ceylon to the Zeeland Chamber the duplicates of the letters and papers that were dispatched by us via Ceylon on the ship Overhout for the Amsterdam Chamber, but which were lost due to the perishing of that vessel. And we hope to be able then to supply Your Right Honorable Highly Respected Gentlemen with a full report concerning the collection now concluded, which we trust will, generally speaking, have succeeded reasonably well; except at this main settlement and Palleacatta, as at the former barely half of the quantity assigned to the merchants has been gathered, and at the latter place only 17 packs of linens have been collected, collected, which is largely to be imputed, with regard to Nagapatnam, to the unruly conduct of the inhabitants; and concerning Palleacatta, to the extortions of Serabab's Havildar, who leaves nothing untried to cause grief to the Chief Tadema. Meanwhile, we thank Your Right Honorable Highly Respected Gentlemen very reverently for the gratuity of three percent granted to us from the Coromandel linens sold in Ao. 1776 by the respective Chambers in the Netherlands, the amounts of which have been divided by us according to the order. The ship De Patriot, the bearer of these presents, having been projected by Their High Honors as a return vessel from here to the Netherlands, we have caused to be provided with all necessities and properly caulked. After which, there have subsequently been loaded into it 1389 packs of diverse linens, collected both on previous years' demands and on this year's petition Pro Patria, which together with the ballast in money amount to f 768873:8:8, which is f 101375:1:- less than the return sent anno passato with the ship De Wakkerheijd; wherewith we shall dispatch it (which is consigned to the Chambers of Amsterdam and Zeeland) on the designated sailing day to the beloved Fatherland; in the hope that its cargo, although it could by far not be brought to the designated 9 tons, will nonetheless, both in quality and quantity, fully meet the expectations of Your High Honors, whom we shall always strive to satisfy completely in this principal matter. While we meanwhile request Your Right Honorable Highly Respected Gentlemen with all reverence to attribute the reduction of the aforementioned return to the large number of coarse packs which we have had to ship in the bearer of these presents, in order not to be overwhelmed with them, which would otherwise eventually have to happen if fine linens were always given preference in the loading of the return ships, as can be seen from the packs now being sent that were collected on the demands of 1773, 1775, 1776, and 1777. And consequently we hope that this arrangement of ours, which we shall possibly have to repeat every three to four years, will be favorably approved by Your Right Honorable Highly Respected Gentlemen. In In compliance with the elucidation that we desired concerning the difference that exists in the northern cloths gathered for the English and our Company in Northern Coromandel, the chiefs of Palleacatta at the beginning of this year sent hither 7 pieces of Ventepallam linens, of which the English Company makes an annual shipment to Europe: Which we have caused to be carefully examined and confronted against the Company's old Masulipatnam samples from the year 1734 and against the Palleacatta linens on hand here collected on the previous year's demand, by two knowledgeable servants, who on 3 April rendered a written report concerning their findings. From which it was sufficiently evident to us that the
Dutch transcription
Nederland. Aan den Doorlugtigen Hoog gebooren Vorst, en Heere Willem. Bij der gratie Gods, Prince van Orange, en Nassauw, Erffstadhouder, Capitain, en Admiraal Generaal, der Verenigde Needer„ „landen &:a &=a &:a als opper=gouverneur generaal, en Opper=Bewindhebber van de Edele Oost=Indische Maatschappij. Beneevens. De Edele Hoog Agtbaare Heer en Bewindhebberen ter Vergadering van seeventhienen, gecom„ „mitteerd Ter Kaamer Middelburgh in Zeeland. — Doorlugtige Hoog gebooren Vorst, en Heere. En. Hoog Edele Hoog Agtbaare Heeren! Wij hebben over Ceijlon de hooge Eere gehadt te Ontfangen uw Hoog Edele Hoog Agtbaarens Heer gevenereerde missive: missive van den 17. October 1777. verzeld van den Eijsch van Retouren voor den Iaare 1779:, en zodanige andere Bijlaagen, als op het daar van overge„ „zonden Register staan genoteerd, die wij ons tot narigt en Observantie Iu „len laaten strekken. - Terwijl wij den voorschreeven Eisch van Retouren, eerstdaags sullen afsen„ „den na Onze Respective Factorijen, om de Cooplieden weeder ter Leverancie te kunnen worden opgedraagen, zo dra de inzaam van dit Iaar volkomen zal wij weezen afgeloopen, waar bij „ teffens de noodige Recommandatien voegen zul„ „len, ter Compleete voldoening van al het gepetitioneerde in deugdsaam gewees Wij zullen, volgens het g'eerde aan„ „schrijven van Uw Hoog Edele Hoog Agtbaarens 11 Agtbaarens in de aanstaande maand Ianuarij Over Ceilon aan de Kaamer Zeeland afsenden, de wedergade van de brieven en Papieren, die door Ons over Ceilon met het schip Overhout voor de Kamer Amsterdam afgesonden, dog door het blijven van dien Bodem vermist geraakt zijn. — En wij hoopen als dan in staat te wee„ „sen, om aan uwe Hoog Edele Hoog Agtbaarens een volleedig verslag te kunnen suppediteeren, van den tans afgeloopen inzaam, die wij vertrouwen, dat over het algemeen genomen, nog al Reedelijk wel zal geslaagd weezen; be„ „halven op deese hoofd=Plaats, en Pallea„ „catta, als zijnde op de eerste, nog naau„ „welijks de helft der aan de kooplieden opgedraagene quantiteijt; en op de laas„ „te plaats nog maar 17. pakken Lijwaaten ingekameld. ingezameld, het geen grootelijks, met betrekking tot Nagapatnam, aan het opvoerig gedrag der inwoonders; en om„ „trend Palleacatta, aan de Kneevelarij „en van Serababs Haweldhaar, die niets onbesogt Laat, om het opperhoofd Tadema verdriet aan te doen, te im„ puteeren is. — Wij bedanken Uwe Hoog Edele Hoog Agtbaarens inmiddens zeer Reverentelijk voor het ons toegelegd Dou „ceur van drie percent, uijt de in A 7 776 bij de Respective Kaamerin in Needer „land verkogte Cormandelse Lijwaaten„ welkers bedraagen door ons na de ordere is verdeeld geworden. — Het schip De Patriot of brenger die „ses, door Hunne Hoog Edelheedens geprojecteerd zijnde tot een Retour bodem van hier na Neederland, hebben wij van al het noodige laaten voorzien en behoorlijk. 7. 13 behoorlijk Calfaaten. —. Waar na 'er vervolgens in afgelaa„ „den zijn 1389: Pakken diverse Lijwaaten, Zo op Voorjaarige Eijsschen, als de deezen Iaarige Petitie Pro Patria ingezameld, die te saamen met de onderlaag in gel„ „den bedraagen ƒ768873:8:8:, dan wel ƒ101375: 1. —. minder, als het Retour, van an„ „no passato, met het schip De Wak= „kerheijd verzonden; waarmeede wij hem, /:die voor de Kameren Amsterdam, en Zeeland is geconsigneerd:/ op den be„ „paalde Zeildag na het lieve Vaderland depecheeren zullen; in hoope, dat desselfs Cargasoen, schoon het in Verre na niet op de bepaalde 9: ton heeft kunnen gebragt worden, even wel, zo in qualiteijt als quan„ „titeijt volkomen voldoen zal aan Hoog„ „derselver verwagting, die wij althoos in dit voornaam Poinct volkomen genoe„ „gen zullen tragten te geeven. — Terwijl. Terwijl wij uwe Hoog Edele Hoog Agtbaarens ondertusschen met alle Re„ „verentie verzoeken, de vermindering van het voorschreeve Retour te attribu„ „eeren, aan het groot getal groove Patk: die wij in brenger deeses hebben moeten afscheepen, om 'er niet meede Overkropt te worden, het geen anders, wanneer de fijne Lijwaaten altoos in het belaaden der Retourscheepen de Preferentie gegeeven wierdt, Eijndelijk eens zoude moeten ge„ „beuren, gelijk na te gaan is, uijt de tans afgezonden wordende Pakken op de Eijs„ „schen van 1773: 1775:, 1776:, en 1777. inge„ „zameld. En gevolgelijk verhoopen wij dat deese onze schikking, die wij mogelijk om de drie 2. vier Iaaren eens zullen moeten her„ „vatten, door Uwe Hoog Edele Hoog Agtbaarens gunstig zal worden ge„ „passeerd. - In. 1 In voldoening aan de Elucidatie, die wij begeerd hebben, weegens het onderscheijd, het geen 'er is in de Noordsche doeken, die voor de Engelschen, en onze Compag„ „nie op Noorder Cormandel ingeza„ „meld worden, hebben de Palleacatse opperhoofden in het begin van dit Iaar herwaards Overgezonden 7. stukken wentepaliumsche Lijwaaten, waar van de Engelse Compagnie Iaarelijks verzen„ „ding na Europa doet: Die wij naaukeurig hebben laten Examineeren, en Confronteeren teegen Comp:s oude Mazulipatnamsche mons„ „ters van het Iaar 1734: en teegen de hier aan handen zijnde Palleacatsche Lij„ „waaten, op den voorjaarigen Eijsch inge„ „sameld, door twee kundige bediendens, wel„ „ke op den 3:' April weegens hunne bevinding gediend hebben van schriftelijk Rapport. Waar uijt ons voldoende Consteerde, dat de 7.
English
the sewn linens that are collected on Northern Cormandel for Your High Noble High Mightinesses' Company are generally better, and cost less, than those collected for the English Company: Wherefore we also decided on the aforementioned 3rd of April to offer to Your High Noble High Mightinesses, via the bearer of this, a copy of the aforementioned report, together with half of the aforementioned 7 pieces of linens; as we have the high honor of doing today, in the confidence that Your High Noble High Mightinesses will be completely persuaded from this that, generally speaking, more virtuous and cheaper goods are collected on Cormandel for the Dutch than for the English Company. Regarding the arrears of the merchants, we hope, upon the arrival of the papers of the collection recently concluded at the end of last August, to receive a pleasant report, of which we shall supply a complete report to Your High Noble High Mightinesses in the coming month of January, according to annual custom. And in the meantime, in accordance with the standing orders concerning this, we shall not only leave all arrears that might be incurred anew for the account of the chiefs, but also secure the immediate settlement thereof to the Company, as being the best and surest means to prevent their increase. Concerning the vent in the trade year recently ended, not much can be boasted, as far as we can gather from the received returns of the quantities sold. Nevertheless, we trust that the profits, if not higher, will at least equal those of anno passato. To which the merchandise brought this year from Batavia with the ships De Patriot and Het Veldhoen has contributed not a little, namely: the powdered sugar for 13 1/4, the candy [illegible] for 23, and the Japan camphor for 95 new Nagapatnam pagodas per bahar of 480 lb, or disposed of with an advance of 58 1/8, 54 5/8, and 125 5/8 per cent. While also on 150 leagers of arrack, which went off at 41 1/2 new Nagapatnam pagodas per leager, a profit of 89 9/16 per cent was gained. For the rest, under favorable interpretation of Your High Noble High Mightinesses, both with respect to this and the previous articles, we refer to our letter sent under date of 25 September with the return ship 'T Veldhoen to Their High Nobilities in Batavia, a copy of which is enclosed herewith with all respect. Due to the continual scarcity of equipage goods, we are most times forced to make purchases thereof once every two years at market price, which turns out quite high here in comparison with the price in Europe; and therefore, to provide against this, Their High Nobilities have qualified us, by missive of the 15th of May last, to be permitted to request directly from Your High Noble High Mightinesses the equipage goods needed for a full year for the service of this government each time; wherefore we now take the liberty to most respectfully offer to Your High Noble High Mightinesses, among the appendices to this, our formal requisition for equipage goods for the year 1780, with a humble petition for a complete fulfillment of what is petitioned therein with the ship departing that year for Bengale. To the chief of Sadraspatnam Willem Blaaukamer, and the secunde of Jaggernaikpoeram Mr. Jacob Pieter de Nijs, we have, pursuant to the authorization obtained from Your High Noble High Mightinesses on account of gratuity money due, granted an assignment on the general Dutch Company to the amount of f 1645: 4: and f 1517: 11: 8 respectively, which we most humbly request Your High Noble High Mightinesses to honor by payment. Furthermore, we have granted passage to the Netherlands with the bearer of this to the young son of the equipagemeester Hartman, named Johannes Godefridus, aged seven years, for the purpose of receiving a good education, under payment of the transport and board money due for it, which has been duly paid into the treasury here by his father with Pag. 38: 12:-. Furthermore, there have been discharged by us to the Netherlands with the bearer of this, with retention of their currently earned wages: 1 gunner and 10 soldiers, who, having duly served out their bond, could not be moved to any new engagement, which would otherwise have been desirable, in consideration that our garrison is very weak. Herewith we shall limit our provisional report for the present, since, besides what has already been cited, few matters of weight have occurred on this Coast of which special mention should be made herein. And therefore we respectfully take the liberty, in addition to such papers as have been handed to the master for his information, to offer to Your High Noble High Mightinesses: Catalogue of the medicaments supplied at Batavia for the benefit of the bearer of this, whereof
Dutch transcription
de gezaaide Lijwaaten die voor Uwe Hoog Edele Hoog Agtbaarens Compagnie op Noorder Cormandel worden ingezameld, doorgaans beeter zijn, en minder kosten als die, waar van inzaam geschied voor de En„ „gelsche Maatschappij: Weshalven wij ook op den voorsz: 3:' April beslooten Uw Hoog Edele Hoog Agtbaarens per brenger deeses aan te bie„ „den Copie van het Eevengemelde Rapport, neevens de helft van de voorsz: 7. stukken Lijwaaten; gelijk wij heeden de hooge eere hebben van te doen, in vertrouwen, dat uwe Hoog Edele Hoog Agtbaa= =rens, daar uijt volkomen sullen worden gepersuadeerd, dat over het algemeen genoo„ „men, 'er op Cormandel deugdzamer, en goedkooper goed voor de Neederlandsche, als voor de Engelsche Maatschappij wordt ingezameld. Omtrend de Agterstallen van de Kooplieden, verhoopen wij bij het inkomen der 1 der Papieren van den Iongst of onder ultimo augustus afgeloopen inzaam, een aangenaam verslag te ontfangen, waar van wij in de aan„ „staande maand Ianuarij aan uw Hoog= „Edele Hoog=Agtbaarens na Iaarelijksche gewoonte een volleedig berigt suppediteeren zullen. En inmiddens zullen wij volgens de daar van leggende Permanente ordres, alle agter„ „stallen, die op nieuws mogten gemaakt wor„ „den, niet alleen Laaten voor Reekening van de opperhoofden, maar ook de dadelijke voldoe„ „ning daar van aan de Compagnie bezorgen, als het beste en secuurste middel zijnde, om der zelver vermeerdering te Prevenieeren. —. Op Den verthier in het Iongst afge„ „loopen handelIaar valt, voor zo ver wij uijt de ontfangen Rendementen van de ver„ „kogte quantiteijten kunnen opmaaken, Juijst niet veel te Roemen. — Egter vertrouwen wij dat de winsten zoo niet hooger, ten minsten met die van anno Passato equaliseeren zullen. —. Waar toe de in dit Iaar met de scheepen De Patriot, en het veld=hoen van Batavia aan„ „gebragte koopmanschappen het haare niet wijnig. 7. 7. wijnig gecontribueerd hebben, als zijnde. de poeder Zuijker voor 13¼. „ kamfer Iapan „ 95: —. Nieuwe Nagapatnam„ „sche pagooden de bhaar van 480: lb: of met een avans van 58. 1/8. 54. 5/8. en 125. 5/8. pC:o van de hand gezet geworden. Terwijl almeede op 150. – Leggers arrak, die voor 41:½: Nieuwe Nagapatnamsche Pagooden de legger van de hand gegaan zijn, gewonnen geworden is 89. 9/16. pr C. o „ 23 —. en. „ kandij _.o Voor 't overige Refereeren wij ons, onder =gunstige welduijding van Uwe Hoog Edele Hoog Agtbaarens, zo met opzigt tot dit als de voorige artikulen aan onze, onder dato 25. September met het Contra schip 'T Veld„ „hoen afgezonden brief aan Hunne Hoog Edel Heedens, Te Batavia, waar van de Copia deezen met alle eerbied wordt bij gevoegd. Door de Continueele schaarsheid van Equi„ „pagie-goederen, zijn wij meesten tijds genoodsackt daar van, om de twee Iaaren eens inkoop te doen teegens marks=Prijs, die hier vrij hoog te staan komt, bij vergelijking teegens de Prijs in Europa; en derhalven hebben Hunne Hoog-Edelens, om daar teegen te voorsien, ons bij missive van den 15. ' Maij Jongstleeden, ge„ „qualificeerd. 7. 13 13 „qualificeerd, om telkens de voor een Rond Iaar benodigde Equipagie goederen ten diensten dee„ „zes gouvernements direct van uwe Hoog Edele Hoog Agtbaarens te moogen Ver„ „zoeken; waarom wij tans de vrijheid neemen, onsen formeelen Eijsch van Equipagie goede„ „ren voor den Iaare 1780: Uwer Hoog Ede„ „le Hoog Agtbaarens onder de bijlaagen deeses allereerbiedigst aante bieden, met ne„ „drige Instantie om een Compleete voldoening van 't daar bij gepetitioneerde met het in dat Iaar voor Bengale uijtkomende schip. Aan het opperhoofd van Sadraspat„ „nam Willem Blaaukamer, en den Se„ „cunde van Saggernaik p:r M:r Iacob Pie„ „ter de Nrijs, hebben wij ingevolge de erlangde qualificatie van uwe Hoog Edele Hoog Agtbaarens, weegens te goed hebbende Dou„ „ceur Penn: een assignatie verleend op de gene„ „raale Neederlandsche Compagnie groot ƒ1645: 4: en ƒ1517:11: 8: respective, die wij uwe Hoog Edele Hoog Agtbaarens allernee„ „drigst verzoeken door betaaling te honnoree„ Wijders hebben wij aan het zoontze van den. am „ren. —. den Equipagiemeester Hartman, genaamd Iohannes godefriderig, oud seeven Iaaren, „ter erlanging van een goede Educatie; met brenger deeses Passagi na Neederland ver„ „leend, onder betaaling van het daar toe staan„ „de Transport- en kostgeld, het geen door sijn vaader met Pag: 38: 12:–. alhier behoorlijk in casse voldaan is. Voorts is door ons, met behouding van hun„ „ne tans winnende gagie, met brenger deeser na Neederland verlost. I. Cannonier. en 1.0. Soldaaten. die hun verband behoorlijk hebbende uijtge„ „diend, tot geen nieuwe engagement zijn te be„ „weegen geweest, het geen anders wel te wenschen was, uijt Consideratie ons guarnizoen zeer Swak is. — Hier bij zullen wij voor het teegenwoordige, ons Provisioneel verslag bepaalen, wijl buij„ „ten 't reeds aangehaalde, wijnig saaken van ge„ „wigt ter deeser Custe gebeurt sijn, waar van in deezen speciaal gewag zon dienen ge„ „maakt te worden. —. En derhalven neemen wij met eerbied de vrijheid, behalven zoodanige Papieren, als den schipper tot sijn narigt sijn ter hand gesteld uwe Hoog Edele 9 Hoog Agtbaarens aantebieden. — Catalogus van de Medicamenten op Batavia ver„ „strekt, ten behoeven van brenger deezes, waar gu van
English
21 of what was consumed on his voyage hither has been properly replenished here. Brandvol of the permitted chests branded here. Declaration of the master Hendrik Mulder, regarding what was provided to his vessel for the homeward voyage. And invoice of the Linens on these and previous Year's Fatherland Requisitions collected both here and at the Respective Factories, as well as unladen into the bringer of this: consisting of the following Linens and goods, as: For Amsterdam For Zeeland Together packs and chests packs and chests packs and chests guineas common raw - 79. —. f 276. 8. —. 36. —. f 12898. 6. — 15:— f 4859. 14. -. guineas common raw after a sadraspatnam pattern - 21. —. 8647. 18. 8. 14. –. 5825. 11. - 35:–. 14473. 9. 8. guineas fine bleached - - 58. —. 3612. 14. 8. 31. —. 20218. 2. — 89. –. 56830. 16. 8. guineas bleached the Company's old sort 13: — 5494. 7. 8. 3. — 1645. 9. - 14. – 7139. 16. 8. guineas common bleached 265. — 9396. 14. 8. 130. — 49562. 16. 8. 395. —. f 48949. 11. -. guineas common bleached after a sample - 7. packs and chests For Amsterdam For Zeeland Together guineas common bleached after a coedeloers pattern. -. 38. —. 1761: 2. —. 21. — 980. 13. —. 59. —. 149. 5. guineas brown blue. . 15. — 7610. 13. —. 9. — — 4634. 1. 8. 24. 124. 14. 8 guineas brown blue after a sadraspatnam pattern - 6. —. 3421. 2. —. 2. –. — 165. 7. 8. 8. – 4506: 9. 8 guineas pale blue - 2. —. 981. 5. 8. 3. -. - 1475. -. 8. 5. 2456: 6.- guineas pale blue after a sadraspatnam pattern - 1. –. 490. 13. —. —. –. –. — —. —. — —. 1. —. 490. 12. guineas bleached the given number 26. —. 13764. 14. —. 16. — 8726. 13. 8. 42. — 249. 7. 8. Salempores common raw - 18. — 5363. —. 8. 9. — 266: 13. —. 27. 824. 13. 8. Salempores common bleached 40. — 47606: 12. —. 66: — 234: 3. 8. 206. 70947. 5. 8: Salempores common bleached after a Sadraspatnam pattern - 18. —. 6830. 13. 8. 9. —. — 3470. 3. —. 27. - 10300: 16. 8.— Salempores brown blue — 5. —. 2316. — —. 3. — 1439. 14. —. 8. 3755: 14. —. Salempores fine bleached 3. —. 1820. 3. —. 9. — 5468. 4. 8. 12. 7288: 12: 8:— salempores bleached of 18. Punjam —. 10. —. 4936. 19. - 10. —. 4936. 19. —. Baftas common bleached — 6. — 2174. 16. —. 2. — 738. 9. —. 8. —. 2913. 5. - Sadraspatnam pattern - - - - 44. —. f 10693. 4. — packs and chests packs and chests 18. — —. f 7966: 4. 8. 62: f 2659: 8: 8: Baftas. 23 For Amsterdam. For Zeeland. Together. packs and chests packs and chests packs and chests Baftas Brown blue 1. f 476. 8. 8. —. —. f —. —. —. 1. f 476. 8. 8. Bettillas fine broad bleached pulicats - - 1. — 2010. 12. —. —. 2. — 4021. 4. 8. 3. –. 6031. 16. 8. Bettillas fine broad bleached 5. – 5315. 16. 8. —. 3. 3292. 5. 8. 8. —. 8608. 2. -. Ditto Bettillas fine narrow bleached - - - - 1. 558. 13. —. —. 1. 587. 4. -. 2. -. 1145. 17. -. Bettillas coarse broad bleached 2. 1579. 15. —. — —. —. —. 2. —. 1579. 15. -. Bettillas ternatanes - 3. 2028. 17. — — 1. 882. 6. 8. 4. –. 2611. 3. 8. Bettillas thin bleached Indian sort 6: 3234. 4. 8. —. 2. 1084. 18. 8. 8. -. 4319. 3. -. Bettillas Sesterganti 10. 9801. 7. 8. — 5. 4900. 14. -. 15. –. 14702. 1. 8. Bettillas allegias — - 4. 3040. 16. — — 3. 2280. 12. -. 7. –. 5321. 8. -. Ditto Calewapoe – 5. 4335. –. –. –. 4. 3468. –. -. 9. — 7803. -. -. Ditto dossooties bleached — — —. —. —. — 1. 578. 18. 8. 1. — 578. 18. 8. Ditto bleached with Flowers- 1. 1062. 7. -. —. 2. 2124. 14. -. 3. — 3187. 1. -. Ditto without 5. 3967. 7. 8. —. 8. 793. 9. 8. 6. —. 4760. 17. -. Chintzes fine painted— 16. 27669. 17. -. — 9. 17107. 1. 8. 25. – - 44776: 18. 8. Handkerchiefs superfine 3. 4343. 17. —. —. 2. 3601. 2. —. 5. — 7944: 19. -. Rumals sesterganti - 12. 14005. 15. 8. — 6. 7556. 15. 8. 18. -. 21562: 11. -. Rumals. chests. chests. For Amsterdam. For Zeeland Together. clothes Sum - - - Rumals De Cista – – 2. — 207. 5. –. f 2. 2246. 18. —. 4. –. 250. 3. -. Rumals ordinary — 1. 482. 9. — — —. —. -. 1. 482. 9. -. Rumals checkered diverse - 42: 3105. 12. — 15. 12441. 6. 8. 57. 43546: 18. 8. Rumals —. Indian Sort 12. 1418. 10. 8. 9. —. 8488: 11. —. 21. — 19907. 1. 8. Mooris fine white — —. —. —. 1. 1583. 5. 8. 1. 1583. 5. 8. Chelas checkered diverse - 13. 8110. 12. 4: 2833: 9: 8: 17. 11004. 1. 8. Gingham underdrawers checkered - 1. 1183. 14. 3: 3551: 2. —. 4. 4734. 16. -. Chintzes or Handkerchiefs - - 1. 1612: 3. . 1 1272: 3. -. 2. 2884. 6. —. Cotton yarn fine — 13. 23682. 19. -. 5 - 8990. 9. 8. 18. 32673. 8. 8. Counts - - - 926:— f 474518. 14. —. 463. —. f 254509. 8. —. 389. f 129028. 7. -. For dunnage 30,000: lb: sappanwood Bima - - f 769. 9. —. 200000: Pepper black winnowed - - 26901. 18. —. 100000: Coffee beans Jacatra - - 9567. 12. —. 200000: River or Ballast stones 424. 3. 8. 62200: Caliatour wood - - 2170. 4. —. 16. pieces iron cannon- Counts — f 39833: 6: 8. Further 1. small parcel with various samples 11: 15. —. 39845: 1: 8. 39845. 18. f 514364. —. 8. or for the whole cargo f 60873: 8: 8: We recommend Your Right Honourable, Highly Respected, very Illustrious and esteemed Persons, the state, splendor, and prosperity of Their very eminent Company, and the bringer of this, to whom we wish a prosperous and happy Voyage to the Netherlands. packs and chests packs and chests packs and chests
Dutch transcription
21 van het verbruijkte op zijne herwaards reijsse alhier behoorlijk is gesuppleerd ge„ „worden. Brandvol van de alhier gebrande gepermitteerde p kisten. —. Verklaaring van den schipper Hendrik Mul„ „der, weegens het verstrekte aan zijnen bodem voor de t'huijs Reijze. En factuur van de Lijwaaten op deese en voor Iaa„ „rige Patriasche Eijsschen zoo hier, als op de Respective Factorijen ingezameld, mits„ „gaaders in brenger deeses afgelaaden: bestaen„ „de in de volgende Lijwaaten: en goederen als. Voor Amsterdam voor Zeeland. Te zaamen. pakken en pakken pakkenen kisten. en kisten kisten. gunees gemeen Run - - - - „ 79. —. ƒ 276. 8. —. 36. —. ƒ12898. 6. - 15:— ƒ4859. 14. -. gunees gemeen Ruw na een sadraspatnams monster- „ 21. —. „ 8647. 18. 8. 14. –. „ 5825. 11. - 35:–. „ 14473. 9. 8. gunees fijn gebleekt - - „ 58. —. „ 3612. 14. 8. 31. —. „ 20218. 2. — 89. –.„ 56830. 16. 8. gunees geb:t 'sComp:s oude soort „13: —„ 5494. 7. 8. 3. —„ 1645. 9. - 14. –„7139. 16. 8. gunees gemeen gebleekt „ 265. — „ 9396. 14. 8. 130. — „ 49562. 16. 8. 395. —. ƒ48949. 11. -. le guns. gemeen gebl:t na een ms - 7. pakken en kisten. Voor Amsterdam voor Zeeland Te Zaamen. gunees gemeen gebl:t na een coedeloers monster. -. „ 38. —. „ 1761: 2. —. 21. . — „ 980. 13. —. 59. —. 149. 5. gunees bruijn blaau. . „ 15. —„ 7610. 13. —. 9. — — „ 4634. 1. 8. 24.„ 124. 14. 8 gunees bruijn blaau na een sadratp:s monster - „ 6. —. „ 3421.2. —. 2. –. — „ 165. 7. 8. 8. – 4506: 9. 8 gunees bleek blaauw - „ 2. —. „ 981. 5. 8. 3. -. - „ 1475. -. 8. 5. 2456: 6.- gunees bleek blaauw na een sadrasp n monster - „ 1. –. „ 490. 13. —. —. –. –. — —. —. — —. 1. —. 490. 12. gunees gebleekt de g:' taal „ 26. —. „ 13764. 14. —. 16. —„ 8726. 13. 8. 42. — 249. 7. 8. Salempoeries gem: riw - „ 18. — „ 5363. —. 8. 9. — „ 266: 13. —. 27. 824.13. 8. „ase Salempoeris gem: gebl. „ 40. — 47606:12. —. 66: — „ 234:3. 8. 206. 70947. 5 8: 1306 Salempoeries gem: gebl:t Noot na een Sactrasp:r monster - „18. —. „ 6830. 13. 8. 9. —. —„ 3470. 3. —. 27. - 10300: 16. 8.— Salempoeries bruijn bl:—„ 5. —. „ 2316. — —. 3. „ — „ 1439. 14. —. 8. „ 3755: 14. —. Salempoeries fijn gebleekt „ 3. —. „ 1820. 3. —. 9. —„5468.4„ 8„ 12. „ 7288:12:8:— salempoeris gebleekt de 18. Poentzang —. 10. —. 4936. 19. - „ 10. —. „ 4936. 19. —. Baftas gemeen gebl. t — „ 6. — „ 2174. 16. —. 2. — „ 738. 9. —. 8. —. 2913. 5. - Sadresp:r monster- - - - „ 44. —. ƒ10693. 4. — pakken en pakken en kisten. kisten —. 18. — —. ƒ 7966:4. 8. 62: ƒ 2659: 8: 8: Baftas. 23 Voor Zeeland. Voor Amsterdam. Te Zaamen. E pakkenen paken en pakken en kisten. 59. 8. 8. Baftas Bruijn blaeuw „ 1. ƒ476. 8. 8. —. —. ƒ —. —. —. — 8 –. ƒ. 476. 8. 8. Bethilles fijne breede bebleekte paliacats - - „ 1. — „ 2010. 12. —. —. 2. —„ 4021. 4. 8. 3. –. „ 6031. 16. 8. .8. Bethilles fijne breede gebleekte „ 5. –„ 5315. 16. 8. —. 3. „ 3292. 5. 8. 8. —. „ 8608. 2. -. d Bethilles fijne smalle gebleekte - - - - „ 1. „ 558. 13. —. —. 1. „ 587. 4. -. 2. -. „ 1145. 17. -. Bethilles grove brede „ 2. „ 1579. 15. —. — —. —. —. 2. —. „ 1579. 15. -. gebleekte Bethilles ternatanes - „ 3. „2028. 17. — — 1. „ 882. 6. 8. 4. –. „ 2611. 3. 8. Bethilles ijle gebl: Indi„ . 13. 8:' „ 6: „ 3234. 4. 8. —. 2. „1084. 18. 8. 8. -. „4319. 3. -. „ase zoort 7. 15: 8: Bethilles Sestergantij „ 10. „9801. 7. 8. — 5. „ 4900. 14. -. 15. –. „ 14702. 1. 8. Bethilles alegia — - „ 4. „ 3040. 16. — — 3. „ 2280. 12. -. 7. –. „ 5321. 8. -. _. o Calewaphoe – „ 5. „ 4335. –. –. –. 4. „ 3468. –. -. 9. —„7803. -. -. —. otisaals gebl: —„ — „ —. —. —. — 1. „ 578. 18. 8. 1. — „ 578. 18. 8. _. o gebl: met Bloemen- „ 1. „ 1062. 7. -. —. 2. „ 2124. 14. -. 3. —„ 3187. 1. -. 812:8: —. —. zonder —. „ 5. „ 3967. 7. 8. —. 8. „ 793. 9. 8. 6. —.„4760. 17. -. Chitzen fijne geschie„ „ 16. „ 27669. 17. -. — 9. „ 17107. 1. 8. 25. – - „ 44776: 18. 8. „derde— Neusdoeken supra 3. „ 4343. 17. —. —. 2. „ 3601. 2. —. 5. — „7944: 19. -. fijn „ Roemaals sester gantij - „ 12. „ 14005. 15. 8. — 6. „7556. 15. 8. 18. -. „ 21562: 11. -. - Roemaals. kisten. kisten. 16. 8.— 14. —. 19. — .— Te Saamen. Voor Amsterdam. voor Zeeland „terkleeden Somma - - - Roemaals De Cista – – „ 2. — 207. 5. –. ƒ 2. „ 2246. 18. —. 4. –. 250. 3. -. Roemaals ordinaire —„ 1. „ 482. 9. —„ — „ —. —. -. 1. „ 482. 9. -. Roemaals geruijte diverse - „ 42: „ 3105. 12. — „ 15. „ 12441. 6. 8. 57. „ 43546: 18. 8. Roemaals —. Indiase Zoort „ 12. „ 1418. 10. 8. „ 9. —. 8488: 11. —. 21. — 19907. 1. 8. moeries fijn witte —„ —. „ —. —. —. „ 1. „ 1583. 5. 8. 1. „ 1583. 5. 8. chelassen geruijte diverze - „ 13. „ 8110. 12. „„ 4: „ 2833:9:8: 17. „ 11004. 1. 8. gingam onderbroeks geruijte - „ 1. „ 1183. 14. „ „ 3: „ 3551: 2. —. 4. „ 4734. 16. -. chitsen of Neusdoeken - - „ 1. „ 1612: 3. . 1 „ 1272:3. -. 2. „ 2884. 6. —. Cattoene gaaren fijne — „ 13. „ 23682. 19. -. 5„- 8990. 9. 8. 18. „ 32673. 8. 8. Teld - - - 926:— ƒ474518. 14. —. 463. —. ƒ254509. 8. —. 389. ƒ129028. 7. -. Tot onderlaag 30'000: lb: sappanhout bimas - - ƒ769. 9. —. 200000: „ Peeper swart geharpte - - „26901. 18. —. 100000: „ Coffrijboonen Iacatrace - - „ 9567. 12. —. 200000: „ Revier of Ballaststeenen „ 424. 3. 8. 62200: „ Calliatour hout - - „ 2170. 4. —. 16. p:s ijsere canons- ƒ39833:6:8. Teld — Nog 1. pakje met diverse mons„ „ 11:15.—. 39845:1:8. 39845. 18. ƒ514364. —. 8. of voor de gehele had ƒ60873: 8:8: Wij Recommandeeren uwer Hoog Edele Hoog Agtb:r seer Illustere en dierbaare Perzoonen, den staat luijster, en welvaart van Hoog Derzelver zeer aenzien, „lijke Compagnie, en brenger deeses, die wij eene voor„ „spoedige, en gelukkige Reijzze naar Neederland toe„ pakkenen kisten. pakken en kosten. pakken en kisten. „wenschen.
English
wishing, in the special protection of the Most High; while we remain with the deepest respect— Illustrious High-born Prince and Lord, Right Honourable Highly Esteemed Gentlemen, Your Illustrious High-born and your Right Honourable Highly Esteemed humblest and most dutiful servants, J. J. van Vlissingen D. D. Ortatck G. van Selmann De M. de Koning V. Spengler F. Hossel J. V. Simons W. Duijnevelt M. Stoffenberg In the Castle. Nagapatnam, the 15th of October, Anno 1778. Satria, To His Serene Highness and The High-born Prince and Lord Willem, by the grace of God Prince of Orange and Nassau, Hereditary Stadtholder, Captain and Admiral General of the United Netherlands, etc., etc., etc., Supreme Governor General and Supreme Director of the Noble East India Company. Together with The Right Honourable Highly Esteemed Gentlemen Directors, commissioned to the Assembly of the Seventeen for the Chamber of Middelburg in Zeeland. Illustrious High-born Prince and Lord, Right Honourable Highly Esteemed Gentlemen, Secret. Although, according to the constant custom of this coast, I have annually, upon rendering our general report to the Netherlands, taken the liberty to present to Your Serene Highness and Right Honourable Highly Esteemed Gentlemen with the greatest respect my separate duplicate advices written to Their Right Honours, the High Government of the Indies at Batavia, I now depart from that custom for this occasion by sending to Your Serene Highness and Right Honourable Highly Esteemed Gentlemen by the bearer hereof, being the return ship De Patriot, with the deepest veneration, my duplicate secret letters dispatched to Batavia under dates of 31 January and 25 September last, accompanied by a set of duplicate secret resolutions taken in the Council of Coromandel during the course of this year, to which I submit myself with all deference. Meanwhile, however, I take the liberty hereby to note that, among various other weighty reasons which seemed to require an expeditious transmission of the aforesaid papers, the taking possession by the English of the sea-place Nagore and the further lands which were purchased by us in the year 1773; against which, however, we have been able to do nothing other than merely to protest, although they have thereby utterly violated our lawful privileges, forms indeed the principal reason for the extraordinary dispatch of the aforesaid papers: since I have judged this matter weighty enough for that purpose. Moreover, the hostilities already begun on this coast between the English and the French have spurred me on all the more, and consequently I trust that Your Serene Highness and Right Honourable Highly Esteemed Gentlemen will please interpret this untimely dispatch of the aforesaid papers in the best light. While, in continuation of the matters treated in my aforesaid secret letter, I have the high honour hereby to note that the siege of Pondicherry is up to now being vigorously pursued on the part of the English, while the French continue to defend themselves very bravely, although their whole garrison consisted of only 5000 men, so that it remains very uncertain to which side the scale of victory will turn. Meanwhile, I have, both here and to the respective factories of the Company on this coast, framed or dispatched the necessary orders for the observance of the strictest neutrality between both nations, with which I trust that the Republic is up to now at peace, which will be dutifully observed both here and elsewhere, unless I should receive other orders regarding this, according to which I shall then conduct myself without deviation. Hoping meanwhile that all that has been performed by me and the Council, as well as described at length in my aforementioned secret letter and the accompanying resolutions, may be favourably approved by Your Serene Highness and Right Honourable Highly Esteemed Gentlemen. While I further take the liberty to commend Your Serene Highness and Right Honourable Highly Esteemed Gentlemen, together with the Company's weighty interests, to Heaven's solely safe care, and myself to Their precious benevolence, professing that I ever remain with the greatest veneration and the most complete high esteem, Illustrious High-born Prince and Lord, Right Honourable Highly Esteemed Gentlemen, Your Serene Highness's and Right Honourable Highly Esteemed Gentlemen's very humble and obedient servant, Nagapatnam, in the Castle of Your Serene Highness and Right Honourable Highly Esteemed Gentlemen, the 15th of October, Anno 1778. Vlissingen No. 4 Outgoing letters to the High Government from Coromandel, Anno 1778. Via Ceylon. Batavia. To His Right Honour, the Right Honourable Highly Esteemed, Far-Ruling Lord, Jeremias van Riemsdijk, Governor General, Together with The Honourable Gentlemen, Councillors of the Netherlands Indies. Right Honourable Highly Esteemed Far-Ruling Lord and Honourable Gentlemen, Duplicate. Secret. The affair of the Vizianagaram princes still seems to be in that same state as I had the honour to communicate to Your Right Honours in my separate letter of 15 October 1777; at least, I have up to now received no further news of it from the Bimilipatnam chiefs, and from this I conclude that that affair must still be undecided, as they would otherwise certainly have given me communication of it. The doubt mentioned in my aforementioned separate letter of 15 October, as to whether the Prince of Tanjore might not sometimes doubt the legitimacy of his restoration, since His Highness had up to that time given me no communication thereof, has finally disappeared, since on the 20th of this month I from
Dutch transcription
25 „wenschen, in de bijsondere Protexie des Aller„ „Hoogsten; Terwijl wij met het diepst ont„ „zag blijven— 2 Doorlugtige Hoog gebooren Vorst, en Heere. Hoog Edele Hoog Agtbaare Heeren Uw Doorlugtig Hoog gebooren, en uw Hoog Edele Hoog Agtbaare, onderdanigste, en Trouwschuldigste Dienaaren. J J=n lissingen D: D: Ortatck G Va Selmann De M=s Koning V. Spengl F # Hossel J:V: Simons W Duijnevelt In 'T. Casteel. Den 15. ' October. Ao 1778. Nagapatnam M: Stoffenberg Gn 8. 5. 8. 8. . —. 8. 8. 87. —. . .:: ƒ ƒ 62 24 Satria, Aan sin Doorlugtigste Hoogheijd, en Den Hoog gebooren Vorst en Heere Willem Bij der gratie Gods Prince van Orange en Nassauw, Erfstadhouder, Capitain, en Admiraal generaal der verEenigde Ne„ derlanden etc„a, etc„a etc„a, Opper Gouverneur Generaal en opper Bewindhebber van de Edele Oost Indische Maatschappij. Benevens, De Hoog Edele Hoog Agtbare Heeren Bewindhebberen, ter vergadering van seventhiene gecommit„ teerd ter kamer Middelburg in Zeeland Doorlugtige Hoog gebooren Vorst en Heere Hoog Edele Hoog Agtbare Heeren, Hoewel ik, volgens het Constant gebruijk Secreet, ter - ter deeser kuste Iaarelijks bij het doen van ons generaal verslag na Nederland, de vrijheijd genomen hebbe uwe Doorlugtige Hom„ heijd en Hoog Edele Hoog Agtbare met de meeste Eerbied aantebieden, mijne Copia appar„ te advisen aan Hunne Hoog Edelens, de Hooge Indiasche Regeering te Batavia geschreeven, wijke ik thans voor deeze reijze van die gewoonte af, door uwe Doorlugti„ ge Hoogheijd, en Hoog Edele Hoog Agt„ bare per brenger deezes, zijnde het Retour„ schip De Patriot met de diepste venera„ tie te laaten toekomen, mijne Copia secreete Letteren onder dato 31. ' Ianuarij en 25. Sep„ tember pass=o, na Batavia afgesonden, verkeld gaande van Een stel Copia Secreete Resolutien geduurende den loop van dit Iaar in Raade van Chormandel genoomen, waar aan ik mij met alle onderwerping gedraage. Inmiddens egter, neeme ik de vrijheijd bij deesen te noteeren, dat onder verscheijde andere 28 andere gewigtige reedenen, die een spoedige verzending van de voorschreeve papieren scheenen te requireeren, het in bezit neemen, door de Engelschen, van de Zeeplaats Na„ Oer, en de verdere Landen, die door ons in anno 1773 gekogt waaren; dog waar teegen wij niets anders hebben kunnen doen, als # slegts te protesteeren, schoon zij daar door onse wettige voorregten ten eene„ maal geschonden hebben, wel de voor naamste reeden uijtmaakt van de buij„ ten gewoone verzending der voorschreeve Papieren: alzoo ik deese zaak daar toe gewigtig genoeg g'oordeeld hebbe Boven dien, hebben de bereeds ter dee„ ser kuste begonnen vijandelijkheeden tusschen de Engelschen en de Franschen mij daar toe nog te meer aangeset, en gevolgelijk ver„ trouw ik dat uwe doorlugtige Hoogheijd en Hoog Edele Hoog Agtbare mij deeze buijten buijten tijdige afzending van de voorschree„ ve papieren ten besten zullen gelieven te duijden. Terwijl ik ten vervolge van het ver„ handelde bij mijne voorschreeve secreete missive, de hooge eere hebbe bij deezen te no„ teeren, dat het beleg van Pondicherij, tot nog toe van de zijde der Engelschen met kragt wordt voortgezet, terwijl de fran„ schen zig zeer dapper blijven defendeeren, schoon hunne gansche bezetting maar in 5000. man bestaan heeft, dus het zeer onzeker blift, aan welke zijde den Evenaar der overwinning zal over „ slaan Intusschen heb ik zoo hier, als na de respective factorijen van de Maatschap„ pij ter deeser kuste de noodige beveelen ge„ steld, of afgesonden, tot het observeeren van 31 van de stipste neutraliteijt, tusschen de beijde natien, waar meede ik vertrouw dat de Republick tot nog toe vreede heeft, het geen zoo hier als elders schuld pligtig„ lijk zal worden geobserveerd, ten zij ik dierweegens andere ordre mogt ontvangen, waar na ik mij als dan zonder afwijking zal gedraagen. Verhoopende inmiddens dat al het geen door mij en den Raad verrigt, mitsgaders bij mijne opgemelden secreete missive, en de nevens gaande Resolutien, breedvoerig be„ schreeven staat, door uwe Doorlugtige Hoogheijd, en Hoog Edele Hoog Agt„ bare gunstiglijk zal mogen worden goed„ gekeurd. Terwijl ik wijders de vrijheijd neeme uwe Doorlugtige Hoogheijd, en Hoog Edele Hoog Agtbare met en benevens sCom„ pagnies Zwaarwigtige belangens in S Hemels 's Hemels alleen vijlige hoede, en mij in Hoog Der zelver dierbaare benevolentie te beveelen, onder betuijging dat ik steeds. met de meeste veneratie, en de volkomenste hoog agting blijve Doorlugtige Hoog Geboren Vorst en Heere Hoog Edele Hoog Agtbare Heeren, Ode Doorlugtige Hoog heijd, en Hoog Edele Hoog Agtbarens, seer ootmoedi„ ge, en gehoodsame, Dienaar„ Nagapatnam In het Casteel van uwe Doorlugtige Hoogheijd, en Hoog Edele Hoog Agtbarens, Den 15. ' October A:o 1778 Hissingen 94 ovn bare Hoog N=o 4 afgaande brieven aan de Hooge Reg: Van Chormandel A=o 1778 Over Ceijlon ende mu Batavia Aan zijn Hoog Edelheijd Den Hoog Edele Groot Agtbare wijd gebiedende heere. Jeremias van Riemsdijk, Gouverneur Generaal. Beneevens. De Wel Edele Heeren Raaden van Nederlands India. „d„ Hoog Edele Groot Agtbaare wijd Gebiedende Heere en Wel Edele Heeren. De zaak van de Visianaga„ Copia Secreets ramsche ramsche Prinsen, Schijnd nog in die eijge staat te weesen, als ik de eere hadt bij mijnen apparten van den 15. october 1777. uwe Hoog Edelhee„ dens te Communiceeren, ten minsten ik heb daar van tot nog toe geen nadere tijding erlangd van de Bimilipatnamsche opperhoof„ „den, en hier uijt besluijt ik dat die affaire, nog ongedecideerd weesen moet, alzo zij mij anders daar van wel Communicatie zouden ge¬ geven hebben. De bedenking bij mijnen voorgewaagde apparte missive van den 15. october voorkomende, of den vorst van Tansjour niet Som„ tijds twijffelen mogt aan de wettig„ „heijd van zijne herstelling! alzoo, zijn Hoogheijd tot dien tijd toe mij 'er nog geen Communicatie van gegeeven had, is eijndelijk verdweenen nadien ik op den 20. deeser maand van
English
From the Prime Minister of His Highness, Sumha Rasoe Narahari Pandit alias Bajana, I have received two letters, handed to me by the prince's envoy Anaatsi Sandidaar. In the first letter, he demands in the name of the prince the overdue recognition fees and elephants that the Company owes to Tansjour, with the request that I send them thither, and under the promise that the receipt for them would then be sent here according to custom. And in the other, he communicates that the English Company, in consideration of the old friendship and keeping in view the good reputation, has restored the kingdom of Tansjour to the prince, and thus reinstated His Highness on his throne. That this news would be received with joy by everyone, and certainly by me as well, but that it had hitherto not pleased me, however much I had always been a friend of the prince, to congratulate His Highness on his restoration, which he finally requested, in the name of his prince, might still be done according to custom. I answered the aforementioned letters politely and in substance to the Prime Minister on the 25th of this month: That the envoy Anaatje Pandidaar had properly delivered his letters to me. That I could not express the joy I felt when from one of them was translated to me the communication he gave me, that the kingdom of Tanjour had been returned to the prince, and thus His Highness had been reinstated on his throne; that this joy was all the greater because, owing to the long delay of that desired communication, the thought had occurred to me whether something to the detriment of the friendship that has existed between His Highness and the Company might have occurred without my knowledge, but that this thought was now entirely removed by the receipt of this news, and thereby a new proof of His Highness's goodwill was given to me. That I therefore with the utmost cheerfulness congratulated the Prime Minister on the restoration of His Highness to the throne of his illustrious ancestors, and also wished from the heart that His Highness might be crowned with a long-lasting reign full of honor and splendor, for the best of His Highness's friends and subjects, and to the particular joy of myself, who had always sincerely wished for His Highness's prosperity. And in this manner, Right Honorable and Respected Sirs, I have tacitly and in the politest manner excused the requested congratulation, which otherwise, according to custom, must be carried out by two members of the Political Council. Whether this will be insisted upon further, time must tell, but I would nevertheless be reluctant to proceed with it without the special order and authorization of Your Excellencies. The reasons that move me thereto are these: 1) We already solemnly complimented the prince upon his accession to the throne in the year 1764, and consequently, it seems to me, a second congratulation can rightly be excused, and thereby considerable expenses can be saved. 2) I judge that one can no longer consider the prince as a sovereign, but that on the contrary one can with more right regard him as a vassal of the English Company, to whom he must pay 400000 pagodas annually in tribute, and viewing him in this light, I maintain, subject to Your Excellencies' wiser judgment, that it would by no means agree with the honor or interest of the Company to send an embassy to His Highness in the name and on behalf of the Dutch Company. Moreover, I have also been assured from good authority that in the contract concluded between the English Company and the prince of Tansjour upon his restoration, it was stipulated by the English in a separate article that the prince might not correspond with any foreign or European nations, nor enter into or conclude any alliances without the prior knowledge and consent of the English Company. And this deters me all the more from sending delegates to Tansjour, as nothing can be accomplished with the prince (who may not be spoken to by any foreigner except in the presence of the English Commandant there) in favor of our Company so long as the helm of government there is in British hands, or is moved according to their concepts. Nevertheless, as this matter is quite important, I request to receive Your Excellencies' positive orders on the same as soon as possible, according to which I shall behave in case the sending of delegates should be insisted upon further. With relation to the demanded overdue recognition fees and elephants, because no specific account or statement was enclosed with his letter as ought to have been the case, I wrote to the Prime Minister in civil terms that because the aforementioned account or statement had not been sent according to custom so that it could first be compared here with the accounts kept by the Company, my hands were as it were tied from complying with his request for the delivery of the same, and that I therefore requested him still to send that account, so that according to custom I might be able, upon receipt of the receipt from the hands of the envoy, to have delivered to him the due recognition fees and elephants according to the accounts found to be in agreement; however, to this I have received no answer up to now, yet I see
Dutch transcription
33 van den Albeschik van zijn Hoogheijd Sumha Rasoe Narahari Pan„ „dit /:alias Bajana :/ ontvangen het, twee brieven, mij door S vorsten Zendeling Anaatsi Sandidaar overhandigt ƒ Bij den Eersten brief vorderd hij uijt naam van den vorst de Ag„ terstallige Recognitie penningen en Eliphanten die de Compagnie aan Tans„ „jour schuldig is, met versoek aan mij van die derwaarts te zenden, en onder belofte dat als dan de quitantie van dies ontvangst dit heen zoudel„ gesonden worden na gewoonte En bij den anderen Communiceerd denselven, dat de Engelsche Compagnie uijt aanmerking van de oude vriend„ „schap, en het oog houdende op de goeden faam het Rijk van Tansjour aan den vorst gegeeven; en dus zijn Hoogheijd weederom op zijnen Troon hersteld hadden. „sal. Dat deeze tijding door een iegelijk en dus ook zeekerlijk door mij, met blijdschap zoude vernomen geweest zijn, dog dat het mij egter, hoe zeer ik althoos een vriend van den vorst geweest was, tot nog toe niet behaagd hadt, zijne Hoogheijd met ddes„ selfs herstelling te laten vergelukken, het geen hij eijndelijk uijt naam van zij„ „nen vorst als nog verzogt, dat mogt geschieden volgens usantie Ik het de voorschreeve brie¬ ven den 25. ' deeser, den Albeschik beleefde„ „lijk, en in substantie g'antwoord Dat den Zendeling Anaatje Pandidaar mij zijne brieven wel besorgd had. Dat ik niet kon uijtdrukken de vreugde, die ik gevoelde, toen mij uijt een derzelve wierd vertaalt, de Communicatie, die hij mij gaf, dat het Rijk van Tanjour weeder aan den vorst gegeven, en dus zijn Hoog„ heijd op zijnen troon hersteld geworden was 2 2 31 was; dat die vreugde des te grooten was, dewijl ik door het lang agterblij„ ven van die gewenschte Communicatie, in het denkbeeld geraakt was, of 'er iets ten nadeele van de gesubsisteerd hebbende vriendschap, tusschen zijn Hoog „heijd en de Compagnie, buijten mijn weeten mogt weezen voorgevallen, dog dat die gedagte nu door het ontvangen van deese tijding ten eenemaal weg„ genoomen, en mij daar door teffens Een nieuwe blijk van zijn Hoogheids welmeenendheid gegeven was. Dat ik derhalven met de uijtterste blijmoedigheijd den heer Albeschik feliciteerde met de herstel„ „ling van zijne Hoogheijd op den troon van zijne roemrugtige voorvaderen, mitsgaders van harten wenschten, dat zijn Hoogheijd mogt bekroond won„ den met een lang duurige Regeering vol van Eer en luijsten, ten besten van zijn Hoogheijds vrienden en onderdanen, en ttot bijzondere vreugde lijk O 2 v vreugde van mij, die steeds met opregtheijd zijn Hoogheijds voor„ Spoed gewenscht hadt En op deese wijse Hoog Edele Groot agtbaare heeren, heb ik stil„ Swijgend, en op de beleefdste manier g' Excuseerd, de gerequireerde felicitatie die anders, volgens usantie geschieden moet door twee Leeden van den Politicquen Raad. Of hier op nog nader zal aangedrongen worden, moet de tijd leeren, dog ik zou er egter ongaarne toe overgaan, buijten speciale last en qualificatie van uwe Hoog Edelheeden: De reedenen die mij daar toe moveeren zijn deese Wij hebben den vorst bij zijne komst tot den Troon in den Iaare 1764. bereeds plegtiglijk gecomplimenteerd ge„ „had, en gevolgelijk dunkt mij, kan een tweede felicitatie met regt g'Excuseer„ en daar door vrij wat ongelden uijtgewonnen worden 2) Oordeel ik, dat men den vorst niet 31 niet meer als Souverain kan Consideree„ „ren, maar dat men daar en teegen hem met meerder regt houden kan voor een Leen man van de Engelsche Compagnie, aan wien hij Jaarlijks 400000. - pagooden aan Contributie opbren„ „gen moet, en hem in dit ligt beschou„ „wende, Sustineere ik, met onderwen„ „ping aan Uwer Hoog Edelheedens wijzer oordeel, dat het geenzints met de Een of het belang van de Maat„ schappij zoude over een Stemmen, aan zijne Hoogheijd uijt naam, en van weegen de holllandse Compagnie een bezending te doen. Ook is mij daar en boven nog van goeden hand verseekerd dat en bij het Contract, het geen tusschen de Engelsche Compag„ „nie, en den vorst van Tansjour bij zijne herstelling geslooten is, bij een apart articul door de Engelschen zoude bedongen weesen, dat den vorst met geen vreemde of Euro„ „peesche natien zoude mogen Corres„ pondeeren et E tie pondeeren, of eenigen alliantien aan„ „gaan of sluijten buijten voorken„ „nis en toestemming van de Engelsche Maatschappij. En dit wederhoud mij des te meer van het zenden van ge„ committeerdens, na Tansjour, alsoo en bij den vorst (: die door geen vreem„ deling mag gesprooken worden anders, als in presentie van den Engelschen Commandant aldaar:/ niets ten faveur van onse Maatschappij zal uijt„ tewerken weezen, zoo lang het zoek den Regeering ginden in den britten han„ „den is, of na hunne begrippen bewoo„ gen word. Dog even wel versoek ik, wijl dit poinct vrij wat gewigtig is, op het zelve ten spoedigste te mo„ gen Erlangen Uwer Hoog Edel„ „heedens positive ordres, waar na ik mij, ingeval 'er naden op het zen„ „den van gecommitteerdens mogt wor„ „den aangedrongen zal, gedraagen. Met relatie tot de g'Eijschte agterstallige Recognitie- penningen en. 41 Elifanten, heb ik om reeden en bij zijnen brief geen Specifique Reeke„ „ning of opgave bij was, gelijk had be„ hooren te weezen, den Albeschik in Civile termen geschreeven dat dewijl de voorschreeve Reekening of opgave¬ niet gezonden was na gewoonte, om voor af alhier met de Reekeningen, die bij de Compagnie gehouden zijn gecon„ fronteert te kunnen worden, mij daar door als 't waare de handen gebonden waaren om aan zijn versoek tot af„ „gave van deselven te kunnen voldoen, en dat ik derhalven verzogt, om die Reekening als nog te zenden, op dat ik volgens gewoonte in staat mogt weesen om onder ontvangst der quitantie uijt handen van den zen„ „deling, weeder aan hem af te kunnen laaten geeven de verschuldigde Recog„ „nitie penningen en Eliphanten, vol„ „gens de accoord bevonden wordende ree„ „keningen; dog hier op heb ik tot nog toe geen andwoort ontfangen, egter zie ik en het 37 schte
English
the same shortly, at which time, if his account agrees with ours, I shall cause to be delivered to the envoy of the prince the debit of the Company to Tansjour on account of unpaid recognition monies and elephants, in the trust that your High Nobilities will be pleased to approve that disbursement. Meanwhile, for some days now, a notable change has occurred among the local officials of the Tansjour prince, which I have considered necessary to communicate hereby to Your High Nobilities. The chief minister of His Highness, having for several years conceived a mortal hatred against the prince's old favorite and faithful servant Cannagasowea Poele, Regent of Manaacoil, has finally, by accusing him of infidelity, managed to bring it so far with His Highness that the aforementioned Regent has fallen into disgrace and been stripped of his regency. The latter, who almost always resided at Naoer, whence he came daily to his friends here in the city, seeing from afar the storm cloud approaching from which his ruin was about to be born, retired hither and requested my protection. However, in order not to embroil myself with the prince, I refused him my protection, but nevertheless left him the liberty to take such care for his safety as he should deem necessary. And thereupon he departed quietly by sea to the south one or two days later with a chialeng which he had caused to come hither from Naoer, and it is reported that he has retired to Iaffanapatnam. If this is true, I hope that protection will be granted to him there, as he is a great statesman who bears an exceptionally good heart toward the Company, and from whom we have enjoyed important services. Above all, I wish this for the good of the Company itself, since I firmly suppose that within a few months he will again be restored to his former authority, toward which his friends, who have great influence at Court, are already working, as I am told. Above all, the Mother of the prince is working forcefully in this, as she is exceedingly fond of this old servant of state who has served his prince faithfully for so many years. And should this happen, the Company could derive very great advantage from his gratitude, whereas otherwise, if he were extradited, it would have to fear his extreme hatred, which could bring us especially great prejudice here. This consideration also made me resolve to let him go here in the city to his friends wherever and whenever he wished. Which I hope that Your High Nobilities, for the aforementioned reasons, will be pleased to approve, since we are not bound or obligated by any contract to deny Tansjour subjects residence in this city or our villages. However, the chief minister of Tansjour seems to have understood it differently; at least, on the 24th of this month, and thus the day after Cannegasawea Poele had departed, I received a letter from him in which he wrote to me that the head inspector and the inhabitants of Manaarcoil, together with the Regent Cannagasowea Poele, having committed roguery and thereupon run away, had taken their refuge to Nagapatnam, requesting that I cause the aforementioned Regent, head inspector, and inhabitants who had hidden themselves in the Company's villages to be apprehended and sent to the borders to be handed over to his people. A request entirely unusual and unheard of, and thus, instead of complying with it—for this could not happen without injury to the honor of our nation, and the contracts concluded with the former princes also do not demand such—I caused all inhabitants and subjects of Jansjoo to be announced by beat of the drum for three consecutive days, both in the city and in our villages, to leave this city and the Company's villages immediately and betake themselves again to their dwellings in the king's land, which they have already done for the greatest part. And of this I subsequently gave communication to the aforementioned chief minister by letter of the 29th of this month, stating that I expected His Highness would be satisfied therewith, as being all that I could put into effect in that respect. And with this, I hope Your High Nobilities will also be pleased to be satisfied. But if, however, further writings should arrive from the side of the prince concerning this affair, I shall have the honor to communicate it to Your High Nobilities on a next occasion, along with everything further that shall come to my ears regarding Canagasawea Poele, and furthermore what might relate to the present government of Tansjour, which, contrary to the maxims of that old servant of state, is seeking to ruin itself through extortions. With the Nawab Machometh Alichan, I have not yet been able to negotiate concerning the pearl fishery on the Aripo banks, but I hope nevertheless within a few days to tie together again the broken thread of that negotiation, when I shall attempt to bring that matter to a good conclusion. Having no other matters to communicate that require secrecy, I wish upon the illustrious persons of Your High Nobilities, the State, Prosperity, and Luster of our Company Heaven's bountiful blessing; while I remain with the utmost respect and high esteem, was signed: High Noble, Great Honorable, Widely Commanding Lords and Well Noble Lords,
Dutch transcription
het zelve eerstdaags te gemoet, wanneer ik zoo zijne Reekening met de onze over een stemd, aan den Zendeling van den vorst zal laaten afgeeven, het debet van de Compagnie aan Tansjour„ weegens onvoldaane recognitie pennin„ „gen en Elifanten, in vertrouwen dat uw Hoog Edelheeden die afgaave wel zullen gelieven te approbeeren Middelerwijl is 'er Seedert eenige dagen een merkelijk verandering voorge„ vallen onder de Plaatsdienaaren, van den Tansjourschen vorst, het geen ik noodig g'agt hebbe Uwe Hoog Edelheedens bij deesen te moeten bedeelen. Den Albeschik van zijn Hoogheijd Zeedert verscheijde Jaaren Een doodelijken haat opgevat hebben „de teegens 's vorsten ouden gunsteling en getrouwen dienaar Cannagasa¬ wea Poele, Regent van Manaa „coil, heeft het eijndelijk door hem van ontrouw te beschuldigen, bij zij Hoogheijd 3 53 Hoogheijd zoo ver weeten te bren„ gen, dat den voorschreeven Regent in ongenade gevallen, en van zijn Regent„ „schap beroofd geworden is. Deese die meest althoos op Naoer woonde, van waar hij dagelijks bij zijne vrien„ „den hier in de Stad kwam, de on„ weerswolk, waar uijt zijn bederf stond gebooren te worden, van verre„ ziende aankomen, retireerde zig her„ „waards, en verzogt mijne protectie, dog ik hebbe om mij niet met den vorst te brouilleeren hem mijne be„ scherming geweijgerd gehad, maar hem egter vrijheijd gelaaten om zodanige zorg voor zijne vijligheid te dida„ „gen, als hij noodig zoude oordeelen: En hier op is hij een of twee dagen na„ derhand met een Chialeng, die hij van Naoer herwaarts had laaten koomen, in stilte over zee naar de Zuijd ven„ „trocken, en men debiteerd dat hij zig Iaffanapatnam heeft gere„ naar zoo dit waar 's, hoop ik tireerd. dat aldaar aan hem protectie zal worden anne een n in he heijd worden verleend, alsoo hij een groot staatsman is, die de Maatschappij een bijsonder goed hart toedraagd, en waar van wij gewigtige dien„ Voor al wensche „sten genoten hebben. ik dit ten besten van de Maatschappij zelve, nadien ik vastelijk veronder„ „stel, dat hij binnen weijnige maan„ „den weederom in zijn voorig gezag zal worden hersteld, waar toe be„ „reeds /:zoo mij gezegt is:/ door zijne vrienden, die veel vermoogen aan het Hof hebben gewerkt word; voor al werkt hier in met kragt de Moeder van den vorst, die deesen ouden Staats dienaar, welke zijnen vorst zoo veel Jaaren lang ge¬ trouw gediend heeft bijsonden wel zetten mag:, En dit gebeurende zou de Maatsschappij zeer veel voordeel kunnen trekken, van zijne Erkentenis, daan ze anders; wanneer hij wierd uijtgeleeverd, zijne uijtersten haat„ te dugten hadt, het geen ons alhier bijzonder. 45 bijzonder veel nadeel zou kunnen toebrengen. Ook heeft deeze over„ weeging mij doen besluijten om hem hier in de stad bij zijne vrienden te laaten gaan, waar en wanneer hij wilde Het geen ik verhoop dat Uwe Hoog Edelheedens, om de voorschreeve reedenen wel zullen gelieven goed te keuren, nadien wij door geen Een Contract gehouden of verbonden zijn, om aan de onderdaa„ nen van Tansjour verblijf in deese stad of onse dorpen te ontzetggen Egter Schijnt den Albeschik van Tansjour het dusdanig begree„ „pen te hebben, ten minsten ik heb op den 24. hujus, en dus daags na dat Cannegasawea Poele vertrocken was, van hem Een brief ontvangen, waar in hij mij schreef dat den hoofd-visiadoor, en de Jnwoon„ „ders van Manaarcoil neevens den Regent Cannagasawea Poele, Schelmerijen gepleegd hebbende; en che en daar op weggeloopen weezende, hun toevlugt na Nagapatnam genoomen hadden, met versoek dat Regent, Hoofd¬ ik den voorschreeven visiadoor en Inwoonders, die zig in, Compagnies dorpen verscholen had„ den, zoude laaten opvatten, en op de Limiten zenden, om aan zijn volk overgeleeverd te worden. Een versoek ten eenemaal on„ „gewoon en ongehoord, en dus heb ik in steede van daar aan te voldoen /: want dit kon buijten krenking van de eer onser natie niet geschie„ „den, En de geslootene Contracten met de voorige vorsten komen zulks ook niet te vorderen :/ drie dagen agter elkanderen, zoo in de Stad, als op onse dorpen, alle Inwoo„ ners en onderdaanen van JanSjoo bij bekkenslag laaten aankundigen, om deese stad en Compagnies dor„ „pen ten eersten te verlaaten, en zig weederom naar haare woonplaats in 44. in 's konings land te begeeven, het geen zij bereeds voor het grootste gedeelte gedaan hebben. En hier van heb ik vervolgens den voorschree„ „ven Albeschik Communicatie gegee„ ven bij brief van den 29=e deeser onder betuijging dat ik verwagt dat zijn Hoogheijd daarmeede genoe„ „gen neemen zoude, als alles zijnde wat ik ten dien opsigten hadt kun„ nen in het werk stellen En hiermeede hoope ik Zullen uwe Hoog Edelheedens ook genoe„ „gen gelieven te neemen: edog zoo 'er egter van de zijde van den vorst weegens deeze affaire nader schrij„ „vens inkomen mogt, zal ik de eere hebben het bij eene volgende geleegend„ „heijd uwe Hoog Edelheeden te bedee„ „len, met al het geen mij verder zal ten ooren koomen van Canagasawea Poele, En voorts wat betrecking mogte hebben tot de teegenwoordige Regeering van Tansjour, die zig zelven tegen 6 . - tegen de maximes van dien ouden staatsdienaar aan, door Knewelaarijen zoeken in den grond te booren Met den Nabab Macho„ meth Alichan, heb ik tot nog toe niet kunnen handelen over de Paarl visscherij op de Aripoesche banken, dog ik hoop egter binnen wijnige dagen den afgebrooken daad dier onderhandeling, weederom aan een te knoopen, wanneer ik tragten zal, die zaak tot een goed eijnde te brengen. Anders geen zaaken die Se„ „cretessen verEisschen, te bedeelen wee„ „sende, wensche ik over de illustre per„ „soonen van uw Hoog Edelheedens, den Staat, Welvaard en Luisten van onse Maatschappij 'S Hemels milden zeegen; terwijl ik met de uitterste Eerbied en hoog agting blijve /:onderstond:/ Hoog Edele Groot Agtbaare wijd Gebiedende Heere, ue en WelEdele heeren Hoo9
English
43 Per the ship Veldthoen Your High Right Honours' very humble and obedient servant /:was signed:/ R: van Vlissingen /:in the margin:/ Nagapatnam in the Castle the 31st of January 1778. — Batavia To his High Right Honour The High Noble Great Honourable Far-Ruling Lord Reinier de Klerk, Governor-General Together with The Right Noble Lords Councillors of the Netherlands Indies etc. High Noble Great Honourable Far-Ruling and Right Noble Lords Both via Ceylon with the ship Alkemade, and directly with the Patrijs and the Veldthoen, I have, on the 26th of March, 7th of June, and 5th of August last, had the high honour to receive Your High Right Honours' most revered secret dispatches of the 31st of December 1777, 24th of April, and 15th of May of this year, which I shall now dutifully answer. Yet, since the departure of my last respectful letter of the 31st of January last, very many matters of importance have occurred, both here and elsewhere, which all ought to be brought to the most honoured notice of Your High Right Honours, I shall, in order to observe good order in this, with the favourable pleasure of Your Honours, append to each article of response such matters of communication as relate thereto, in order thereby not only to avoid a duplicate report of affairs, 31 but also to promote a fitting coherence. And proceeding herewith to the response, I note in the first place that, according to the order of Your High Right Honours, no further application shall be made by me to the Bimilipatnam merchants to follow the Company to Jaggernaikpoeram in case of evacuation, for this would only be fruitless, and moreover also unnecessary, because the Jaggernaikpoeram merchants will always be capable, if necessary, of providing us with as many Bimilipatnam linens as we desire. Regarding the affair of the Vizianagaram Princes, of which Your High Right Honours await the outcome, I can, in continuation of what was advised in my separate letter of the 15th of October 1777, report nothing else than that, according to what was communicated by the Bimilipatnam chiefs in a private letter of the 27th of March, that matter is not yet settled, although the Prince Sitteram Raz and the Duan Jagganadoe Raz have already arrived at Madras long ago for that purpose; and it was firmly expected with the arrival of the new Governor that all disputes would be settled. Yet although that affair is still unsettled, the English nevertheless remain in possession of the castle at Vizianagaram, according to the further information from the servants, who at the same time reported that the Prince Viziaram Raz, who has stayed for some time at Boni, had now recently marched up to the mountains with the English garrisons of Chicacole and Anakapalle, in order to bring back to subjection some rebellious Rajas, 33 who, by plundering and burning the surrounding villages, not only inflicted very much harm on the poor inhabitants, but also caused a complete halt to the collection of linens, as the weaving villages lay in or about the reach of the marauding parties. In which we hope that this Prince may succeed as well as the chiefs in their conceived expectation that, by the termination of those troubles, they will soon be placed in a position to supply me with a full report of the manner in which the affairs of the Vizianagaram Princes would be settled, which I shall not fail immediately to communicate to Your High Right Honours. Meanwhile, the servants declare in their above-mentioned letter of the 27th, that they continually enjoy an undisturbed possession of all old privileges, and that their state there was now much calmer and safer than under the sole rule of the Rajas. And as I, through such a sincere declaration on the part of the chiefs, have become fully reassured and certain that we have no harm to expect for the Company's interests from the dispute that has arisen between the English Company and the Vizianagaram Princes, I have also, hoping for a favourable interpretation, deemed it unnecessary to make any representations regarding this to the Ministry at Madras, especially in consideration of the slight effect that we constantly enjoy from such remonstrances. Regarding the lease of Bimilipatnam and its dependencies, 35 of which the three-year term was to expire on the ultimo of May last, the chiefs, under their covering letter of the 27th of December 1777 /:which we did not receive until the first of March:/ sent hither an original letter, with its translation, written to them by the Prince Viziaram Raz, with the answer to the same to His Highness. And although it appeared from the contents of the Prince's letter that this ruler intended to keep the village of Bimilipatnam with its dependencies under his own control henceforth, and thus no longer to lease it to the Company, the said chiefs nevertheless indicated in their letter just quoted that, since the English took possession of the Castle of Vizianagaram,
Dutch transcription
43 P„r het Schip veldthoen Hoog Edelheedens zeer onderdanige en Gehoorsaame dienaar /:was getee„ „kend:/ R: van vlissingen /:in mar gine:/ Nagapatnam In't Casteel den 31=e Januarij 1718. — Batavia Aan zijn Hoog Edelheijd Den Hoog Edele Groot Agtb: wijd Gebiedende heere Reinier de Klerk, Gouverneur Generaal Beneevens. De Wel Edele heeren Raaden van Nederlands India &r Hoog Edele Groot Agtbaare wijd Gebie„ steen, en „dende Wel Edele Heeren Do over Ceijlon met het schip Alkemade arijen goed re, Alkemade, als direct met de Pa„ „trict en het veldthoen, heb ik op den 26. ' Maart, 7. Iunij, en 5. aug:s Iongstleeden, de hooge eere gehad te recipieeren uw Hoog Edelheedens zeer gevenereerde Secreete missives, van den 31:e december 1777. 24. april, en 15. Meij deeses Iaars, welke ik thans schuldpligtiglijk zal beantwoorden Dog wijl 'er Seedert het af„ „gaan van mijnen laasten eerbiedi„ „gen van den 31:e Januarij laast„ „leeden zeer veel zaaken van ge„ wigt, zoo hier als elders zijn ge„ die alle ter hoogst g'eerde ken„ „beurd van Uwe Hoog Edelheeden „nisse dienen gebragt te worden, zal ik, om in desen een goede ordre te observeeren, met gunstig believen van Hoog de„ zelven bij elk articul van rescriptie, zodanige zaaken van Communica„ tie voegen, als daar toe betrekking hebben, ten eijnde hier door niet alleen een dubbeld verslag van zaaken te menageeren 31 menageeren, maar ook eene gepaste aan een schakeling te bevorderen En hiermeede ter rescriptie tree„ „dende, noteere ik in de eerste plaatse dat door mij na de ordre van Uwe Hoog Edelheeden geen aanzoek meer zal worden gedaan bij de Bimi„ „lipatnamsche kooplieden, om inge„ val van opbraake, de Compagnie naar Iaggernaijkpoeram te vol„ „gen, want dit tog maar vrugte„ „loos, en buijten dien ook onnoodig zou weesen, wijl de Iaggernaik„ poeramsche kooplieden, des noods altoos in staat zullen zijn, om ons zoo veel Bimilipatnamse Lywaaten te besorgen, als wij begee„ ren. Aangaande de zaak van de visianaganamsche Princen, waar van uwe Hoog Edel„ heeden den uijtslag te gemoet zien, kan ik ten vervolge van het geadvi„ „seerde bij mijnen aparten van den 15. oc„ „tober 1777., niets anders melden, als dat volgens van 15. volgens het gecommuniceerde, door de Bimilipatnamsche opperhoofden, bij een particulieren brief, van den 27:e Maart, die zaak nog niet beslist is, Schoon den Prins Titta Rama Pagganadoe Rasoe en den Duan Rasoe, bereeds ten dien eijnde, voor lange op Madras zijn aangekoomen; en men met de komst van den nieuwen Gouverneur vast verwagt hadt, dat alle verschillen zouden worden af„ „gedaan. Dog Schoon die zaak nog onafgedaan is blijven egter de Engelschen in het bezit van het Casteel te vi„ Sianagaram, volgens het verdere bedeelde door de Bediendens, welke teffens gemeld hebben, dat den Prin vi„ Sia Rama Rasoe, die zig eenigen Boni heeft opgehouden, nu tijd te onlangs met de Engelsche bezettingen van Piccacol,/ en Annaka Pillij na het gebergte was opgetrokken, om weeder tot onder werping te brengen eenige opvoerige Radjas die 33 die door het plunderen en branden den omleggende dorpen, niet alleen zeen veel nadeel toebragten aan de ar„ me ingezeetenen, maar ook eene geheele stremming veroorsaakten aan den inzaam van lijwaaten, al„ zoo de weef dorpen in of omtrent het bereijk van de rovende partijen lagen. Waar in wij hoopen, dat dien Prins, zoo wel slaagen mag, als de opperhoofden in haare opgevatte ver„ wagting, dat zij door het eijndigen„ dien onlusten, haast in staat zul„ „len worden gesteld om aan mij een volleedig verslag te Suppeditee„ ren van de manier waar op de zaaken der visianagaramsche prin„ „cen zouden worden afgedaan, het geen ik niet manqueeren zal Uwe Hoog Edelheedens immediaat te be„ „deellen. Ondertusschen betuijgen de Bediendens bij haaren opge„ voorsz: melden de 27 0 adoe en; en nog gelschen vi„ k melden brief, dat zij bij aanhouding een ongestoord genot hebben van all oude voorregten, en dat haaren zeel ginder thans veel gerusten en vij „liger, was als onder de alleen hee „sching der Radjas En dewijl ik door zulk sinceere betuiging, van de eene zijde der opperhoofden, volkoo„ „men gerust gesteld, en verzeekerd geworden ben, dat wij uijt het dit „ferent, tusschen de Engelsche Compagni en de visianagardmsche Princen gereezen, geen nadeel voor Compagnie belangens te wagten hebben, heb ik ook in hoope op een gunstige weldui „ding, het onnodig g'agt, daar omtrent eenige representatien te doen bij het Ministerium te Madras, voor al uijt Consideratie van het gering ef fect, het geen wij steepts van dier„ gelijke remonstratien genieten opens de pagt van Bi„ „milipatnam en dies onderhoorigheeden waar D „ 35 waar van het drie Iaarig termijn, onder ult=o Maij Iongstleeden moest expireeren, zonden de opperhoof„ „den, onder haare geleijde Letteren van, den 27:e December 1777. /:die wij eerst primo Maart ontvingen:/ her„ waards over een origineele brief, met dies Translaat, door, den Prins Visia Ramarasoe aan haar geschreeven, met het andwoord op den zelven aan zijn Hoog„ heid En Schoon uijt den inhoud van 'T Princen brief kwam te blij„ ken, dat dien vorst van meening was, het dorp Bimilipatnam met dies onderhoorigheeden voor„ taan onder zig te houden en dus niet meer aan de Maatschappij te verpagten, gaven egter de gemel„ de opperhoofden bij haaren zoo even aangehaalden brief te ken„ nen, dat, seedert de Engelschen het Casteel van Visianagaram in be„ Dit
English
had taken possession, and all the military forces that had formerly been taken into service by the Rajas had been disbanded, not only was peace in those lands completely restored for the public benefit, but also to the Company, in particular, had been assured an undisturbed enjoyment of all its privileges. They, for that reason, also flattered themselves that if the Government here should see fit to renew the lease of that district once again, the Raja, notwithstanding his present reluctance, could in time be persuaded to such reasonable conditions as might be deemed necessary to indemnify the Company with regard to the lease; further citing that, in the event the renewal of the lease should be considered needless for the interest of the Company, or else that the Raja, against all probability, might make difficulties about relinquishing the lease under an advantageous stipulation, nevertheless, as matters were now situated, the Company's seat and trade would remain entirely protected from all encroachments and acts of violence that had formerly been practiced there so frequently by the Princes and their servants, since his power would henceforth remain of so little consequence that they would be incapable of committing any public injustice. Concerning the contents of the aforementioned letters, upon which the Bimilipatnam chiefs had requested the approval of myself and the Council, I held a meeting on 19 March of this year, when it was decided to write the following to the chiefs: That since it had appeared to us from the servants' reports that the re-leasing of Bimilipatnam was now no longer strictly necessary for our seat, trade, and collection there, because the English, who now held the administration of Visianagaram in hands, had assured them that our Company there would continue to possess an undisturbed enjoyment of all its privileges, the chiefs were indeed authorized, if an opportunity should present itself to them, to renew the lease of Bimilipatnam with its dependencies once again for the period of three years, but no longer, provided it was on reasonable conditions and for a lower price than had been stipulated in the previous contract, to proceed thereto at that time. Yet if there should be no possibility of this, we also understood to leave them the liberty, based upon the aforementioned assurance of our safe seat, trade, and collection there, to surrender the leased lands back to the prince on 1 June last, and to desist altogether from entering into a new contract with His Highness; further instructing that, as time was too short to correspond further about this with the chiefs, we left the handling of that entire affair, with the interest of the Company included therein, entirely and completely to their good direction and loyalty, provided they merely communicated the outcome of this matter hither as soon as possible. By which orders I expected nothing else than to receive the report of a complete settlement of this affair. Yet instead of this, the chiefs, by letter of 24 June, which I received on 23 July, gave me a detailed account of the request that had been made to them on behalf of the Visianagaram Prince Visia Rama Rasoe, both concerning the renewal of the lease of Bimilipatnam and for a monetary loan of 300,000 Ropijen at the interest of 2 percent per month, on the condition not only that His Highness would allow the contracted lease monies, which had been estimated by the Prince at 15,000 Ropijen a year, or at 75,000 Ropijen for five years, to serve in reduction of this capital, but also with an offer on the Raja's part that after the expiration of the aforementioned lease period the remaining capital would be promptly paid by him, or otherwise that Bimilipatnam and its dependencies would remain under the administration of the Company as an amicable pledge until that debt was paid; and finally, if the Company in addition to all this still desired sureties to prevent losses, His Highness offered thereto the Madraspatnam Government or one of the principal Saukaars on this coast; further citing some other matters relating to this, among which principally belongs the draft contract that had already been drawn up by them on the conditions mentioned above, yet fortunately has remained unsigned, and the reasons that prevented this signing, namely the return of certain bond documents executed by the merchants on behalf of the princes, upon which the servants very justly insisted. The contents of this letter having been discussed on 27 July in the Council of Policy and all that could be adduced both for and against the re-leasing of Bimilipatnam having been attentively weighed in the present critical circumstances on this coast, especially since the war in Europe between England and France having broken out, it was very probable that within a few days the theater of war between both nations on this coast might be opened, we thought proper to write to the Bimilipatnam chiefs in reply to the aforementioned letter: That we, in the present precarious time, had found the condition of the Visianagaram Princes to be such that it was rather advisable not to contract with Their Highnesses than to do so.
Dutch transcription
zit genoomen, en al het krijgs volk dat wel eer door de Radjas in dienst genoomen was, was afgedankt geworden, niet alleen de rust in die landen ten nutte van het algemeen geheel hersteld, maar ook aan de Maatschappij, in't bijzonden, was ven„ „zeekerd geworden, een ongestoord ge„ „not van alle derzelven voorregten, zij uijt dien hoofde zig ook vleiden dat wanneer de Regeering alhier zou kunnen goedvinden, de pagt van dat district weeder te vernieuwen, den Radja, niet teegenstaande zijne presente ingetagendheijd, in den tijd wel te beweezen zou weezen tot zo„ „danige reedelijke voorwaardens, als noodig mogten worden g'agt, om de Compagnie ten aanzien van de schadeloos te stellen, onder pagt, aanhaaling verder, dat bij aldien de hernieuwing van de pagt voor het belang van de Maatschappij noode„ „loos mogt g'oordeelt worden, dan wel 3 wel dat den Radja teegen alle ap„ „parentie aan, eens zwarigheijd maaken mogt, de pagt onder een voordeeligen beding aftestaan, dat egter, zoo als de zaaken thans gesteld waaren den Leet en handel van de Compagnie ge„ „heel bevijligt zouden blijven, voor allen inbreuk en geweldenarijen, die wel eer, zoo dikwerf aldaar geoet„ „fend waaren van de zijde den Princen en hunne Bediendens: nadien des„ selfs magt voortaan van zoo wijnig aanmerking zou blijven, dat zij on„ vermogend zouden weezen tot het pleegen van eenig openbaar ongelijk Over den tinhoud van de voor„ schreeve brieven, waar op de Bimi„ „lipatnamsche opperhoofden het goed„ „vinden van mij en den Raad verzogt hadden, hield ik besoigne op den 19:e Maart deeses Iaars, wanneer er besloo„ „ten wierdt de opperhoofden het onder„ volgende aan te schrijven Dat dewijl aan ons, uijt den den bediendens berigten gebleeken was, dat het weeder in pagt neemen van Bi„ „milipatnam, thans niet meer vol„ „strekt noodzaakelijk was voor onzen zeet, handel, en inzaam aldaar alzo de Engelschen, die thans het be„ Hier van visianagaram in handen hadden, aan haar hadden verzee¬ „kerd, dat onze Maatschappij aldaar zou blijven bezitten een ongestoord genot van alle haare voorregten, men de opperhoofden wel qualificeer„ „den, om wanneer aan haar gelee„ „gendheid mogt voorkomen, om de„ pagt van Bimilipatnam met dies onderhoorigheeden weederom voor den tijd van drie Jaaren, maa langer niet, te kunnen vernieuwen mits op reedelijker voorwaardens en voor minder prijs als 'er bij het voo rige Contract was bedongen geweest daartoe, als dan, over te gaan Dog zoo hier toe geen mo gelijkheijd weezen mogt, verstonden wij wij teffens om aan hun op fundament van de voorgewaagde verzeekering, van onzen vijligen zeet, handel en inzaam aldaar, de vrijheid te laaten om de in pagt hebbende Landen op den 1e: Junij Jongstleeden, weeder aan de vorst over te geeven, en van het aangaan van een nieuw Contract met zijn Hoogheid in het geheel aftezien; onder aanschrijving verder dat, wijl de tijd te kort was, om daar over met de opperhoofden nader te kunnen Correspondeeren, wij de behandeling dier geheele affaire met het daan bij ingeslooten belang van de Maatschappij, geheel en af aan hunne goede Directie en trouwe overlieten; mits zij den uijtslag deeser zaak slegts ten spoedigsten dit heen bedeelden Door welke ordres ik niet anders verwagte dan het verslag van eene volkoome afdoening deesen affaire te zullen bekomen. Dog Dog insteede van dit, gaven de opperhooffden, bij brief van den 24. Iunij, die ik op den 23=e Iulij ontvangen heb, aan mij een omstandig verhaal van het aanzoek, dat van weegen den visianagaramschen Prins visia„ Rama Rasoe aan hun gedaan was, zoo weegens het vernieuwen van de pagt van Bimilipatnam, als om eene geld leening van 300000. Ropion teegens den interest van 2. percento 'smaands, op Conditie niet alleen dat zijn Hoogheijd in mindering van dit Capitaal zou laaten dienen de gecon„ tracteerd wordende pagt penningen die door den Prins op 15000: Rospijen, in het Iaar, of op 75000. Ropijen voor vijf Iaaren begroot geworden waaren, maar ook met aanbieding 's Radjas zijde, dat na het er„ van pireeren van den voorschreeven pagt: „tijd het resteerende Capitaal door hum prompt zou worden voldaan, of an¬ „ders dat Bimilipatnam en dies onderhoorigheeden 61 onderhoorigheeden, zoo lang als een pand der minne onden het beheer van de Com„ „pagnie zou blijven, tot die schuld voldaan was, en eindelijk zoo de Compagnie boven dit alles nog borgen begeerde tot voorkoming van Schaa„ „de, zijn Hoogheid daar toe aan bood de Madraspatnamsche Regeering of een van de voornaamste Saukaars ter deeser kuste, onder aan„ „haaling verder van eenige andere zaaken hier toe betrekking hebbende, waar onder principaal behoord het Concept - Contract, dat door hun op de voorwaarts vermelde Conditien bereeds was ontworpen, dog geluk„ „kiglijk nog ongeteekend gebleeven is, en de reedenen die deeze teeke„ „ning hebben belet, namentlijk de te rug gave van zeekere verbandschrif„ „tten, door de Kooplieden, ten behoeven van de vorsten gepasseerd, waar op de Bediendens met zeer veel regt gestaan hebben. Over un Over de inhoud, van deezen missiven op den 27: Iuli in Raade van poli„ „tie gebesoigneerd en aandagtig overwoo„ „gen zijnde al het geen zoo voor„ als teegen het weeder in pagt nee„ „men van Bimilipatnam kon won„ den bijgebragt, in de presente hachelijke tijds omstandigheeden ter deeser Custe, voor al daar den oorlog in Europa Frankrijk tusschen Engeland en ontstooken weesende, het zeen waar„ schijnlijk was dat mogelijk binnen wijnig daagen, het Toneel des kruje tusschen de beijde Natien, ter deesen Custe, zou kunnen geopend worden, vonden wij goed, de Bimilipatnam sche opperhoofden in antwoord op den voorschreeven missive aan te schrijven. Dat wij in den presenten hoghe„ lijken tijd, den toestand van de visia„ „nagaramsche Princen zodanig gecon„ situeerd hadden bevonden, dat het Raadsaam wat met hun„ eerder „ne Hoogheedens niet, als al te Con„ tracteeren
English
to negotiate. That however, since the chiefs were confident that a rather advantageous contract could now be entered into with the Prince Visia Rama Rasoe, just as the previous one had been, because he had already offered to cede Bimilipatnam and subordinate villages anew to the Company for the period of five years and 15000 Ropijen annually, one would, if necessity absolutely required taking Bimilipatnam etc. into lease again, certainly persist with what had been written to them in that regard by secret missive of the 23rd of March prior. But because this advantageous offer on the part of the Radja intended nothing other than thereby to induce the Company to assist Their Highnesses with a money loan loan of 300,000 Ropijen, at the interest of 1/2 per Cent monthly, we were meanwhile very glad that due to an intervening dispute over the Sanados of the merchants, no provisional contract had been concluded, since we would never have approved it on such a footing. And that consequently the chiefs were recommended, if they should enter into negotiations once again with the Princes concerning the retaking into lease of Bimilipatnam, to give not the slightest hearing any longer to requests of that nature, but on the contrary to reject them flatly, even if one were to offer them ever so much security and the most favorable conditions. And this resolution was principally taken on account of the the bad state of the Princes, and the uncertain outcome of the present war between England and France. For if the latter should once gain the upper hand on this coast, they will by no means fail to attack the Visianagarams territory as enemies, since those princes can at present be regarded as nothing other than vassals of the English Company. Furthermore, we resolved duly to qualify the chiefs, upon entering into an advantageous contract, provided that the return of the Sanados of the merchants was stipulated beforehand, to be permitted to proceed to an advance disbursement to the princes of the entire amount of the whole lease for three years, out of consideration that we judged to be fully secured for that sum by the the lands to be taken into lease. And herewith, having communicated to Your High Nobilities, as briefly as possible for me, everything that had any principal relation to the affair, I hope that this conduct may earn the favorable approval of Your High Nobilities; while in the meantime I take the liberty, regarding everything that further relates to this matter, to refer respectfully to the contents of our Secret Resolution of the 27th of July past, wherein everything stands circumstantially described. Only noting further for communication that on the 20th of June last, according to the order, surrender was made by the servants of the lands that had been in lease. No less than Your High Nobilities, I long for the settlement of the dispute with the Nabab over the pearl fishery, but for the present I can report or hope nothing favorable favorable about it, because I do not have the least prospect of coming to an agreement with the Nabab about it, as long as His Highness remains surrounded by a swarm of Malabar Brahmins who seldom aim at anything other than their own advantage, even if it is with the setting aside of the interest of their principals, if it lies enclosed therein. For hereby my efforts meet with all too strong opposition and obstacles, which have no other aim than a rich reward for the trouble which they pretend would have to be applied by the ministers and other courtiers of the Nabab in order to dispose His Highness to a favorable agreement with the Company. Of which, not to speak of other occurrences, the case recently experienced by me can serve as a complete proof. A certain Brahmin named Iaggapah, a man of a shrewd judgment, and known to most natives of this city as a favorite of the Nabab, had been charged by His Excellency with the commission to collect from the Land Regent of the Oedearpaliuins district a sum of circa 100000 pagodas, which he, according to an agreement, had to pay to the Nabab for the lands that had previously been taken from him by His Excellency, but were now restored again. And coming in passing to this city to visit some of his near relatives who reside here, he came on that occasion according to the custom of the country to meet me. The interpreter Wengadasselam Naijker, being acquainted with him, proposed to me before he came inside to speak myself with that Brahmin about the dispute over the pearl fishery, since he already had been able to notice from him, so he said, that this was actually the principal reason for his coming to this city and to me. As soon as this Brahmin had come to me hereupon, having scarcely sat down, he gave a detailed description of the commission with which His Excellency the Nabab had charged him; at the same time not failing to boast greatly of the favor in which he, as well as his father-in-law, stood with the Nabab; further offering me at the same time that if he could be of any service to me with His Highness, that he would employ his person and abilities thereto. I, knowing what he meant by this compliment, answered directly that I gladly wished to see settled the dispute between the Nabab and the Company
Dutch transcription
63 tracteeren Dat egter wijl zij opperhoof „den vertrouwden dat 'er thans met den Prins visia Rama Rasoe„ een vrij voordeeligen Contract zou„ kunnen worden aangegaan, als het voorige geweest was, door dien hij reeds aangebooden hadt om Bimi„ lipatnam en onderhoorige dorgen op nieuw aan de Compagnie voor den tijd van vijf Iaaren en 15000. Ro„ „pijen sjaars af te staan, men zoo de noodzakelijkheid het absolut vorderde, om Bimilipatnam ensz: weeder in pagt te moeten nee„ men, wel persisteeren wilde bij het geen hun dierweegens aangeschreeven was bij Secreete missive van den 23=e Maart bevoorens. O Maar wijl deeze voordeelige aanbieding vand zijde van den Radja niets anders bedoelde, als om daar„ door de Maatschappij te beweegen om hunne Hoogheeden met eene geld leening leening van 300'000. Ropijen, tegen den intrest van ½ p„r C:o 'smaands, te assisteeren, wij in middens zeer verblijd waaren dat door een tusschen beijde gekomen verschil, over de Sa„ nados der kooplieden geen provi„ „sioneel Contract, was gesloten gewor„ „den, alzoo wij het mimmen op zoo„ „danig een voet zouden hebben geap„ „probeerd, En dat men gevolgelijk de opperhoofden recommandeerden, om zoo zij nog eens met de Princen mogten in onderhandeling treeden ooer het weeder in vpagt neemen van Bimilipatnam, geen het min„ „ste gehoor meer te geeven aan aan„ zoeken van die natuim, maar die daar en teegen glad van de hand te wijzen, schoon men aan haar nog zoo veel Securiteijt en de favorabelste voorwaardens mogt Aanbieden. En is deese Resolutie prin„ cipaal genoomen, uijt hoofden van den 63 den Slegten Staat den Princen, en den onzeekeren uijtslag van den presenten oorlog tusschen Engeland en Frankrijk want zoo de laaste eens de overhand ten deeser kuste mogten krijgen, zullen zij geenzins nalaaten het visiana„ garams gebied vijandelijk Aan te grij„ „pen, alzoo die vorsten, thans niet anders kunnen worden Aangezien, dan voor vasallen van d' Engelsche Compagnie. Wijders, beslooten wij, de opper„ hoofden regten te qualificeeren, om bij het aangaan van een voordeelig Contract, mits daar bij voor af be„ dongen wierdt, de terug gave, van de Sanados der kooplieden, te moogen overgaan tot eene voor uijt ver„ „strekking aan de princen van het geheel bedraagen van de gansche pagt voor drie Iaaren, uijt Consi„ deratie wij oordeelden voor die Som volkoomen gesecureerd te weezen, door de. n de in pagt te neemene landen. En hiermeede, al het geen, tot de affaire eenige voornaame relatie hadt, zo kort mij mogelijk, aan Uwe Hoog Edelheeden bedeeld hebbende, hoope ik dat deeze behandeling de gunstige ap„ probatie van UweE Hoog Edelheedens zal moogen verdienen: terwijl ik onde tusschen de vrijheid neem, om mij, omhre al het geen tot deeze zaak verder betrekking heeft Eerbiediglijk te refere ren aan den inhoud van onze Secret Resolutie van den 27 Iulij passato waar bij alles omstandig beschreeven sta Noteerende eenelijk nog maar tot Com¬ municatie, dat door de Bediende op den 20. Iunij Iongstleeden, na de ordre overgaaf gedaan is van de in pagt geweest zijnde Landen. Niet minder als Uwe Hoog Edelheeden verlang ik na de afdoenin van het verschil met den Nabab over de paarl visscherij, maar ik kan er voor het teegenwoordige niets voordeeligs 67 voordeeligs van melden of hoopen, wijl ik geen het minste uijtzigt heb omdaan over met den Nabab tot een verge„ lijk te koomen, zoo lang zijn Hoog „heid omringd blijft van een Zwverm Mal„ labaarsche Bramineesen die zelden iets anders als hun eigen voordeel betragten, al is het ook met te rug stelling van het belang hunnen principaalen, zoo het daar in opgeslooten legd want hier door ontmoeten mijne pogingen al te sterke tegenkantigen en hinderpaalen, die niets anders ten doelwit hebben, dan een rijke beloning, voor de moeijte, die zij voorgeeven dat door de Ministers en andere hovelingen van den Nabab zoude moeten worden aangewendt om zijn Hoogheid tot een favorabele overeenkomste met de Compagnie te disponeeren. Waar van om van andere ge„ beurtenissen niet te spreeken, hett Iongst bij mij g'exteerde geval tot een volkoomen bewijs dienen kan. Zeker Bramine genaamd Daggapak Iaggapah, een man van een Schranden oordeel, en bij de meeste inlanders deezen stad bekend voor een gunsteling van den Nabab, was door zijn Excellentie de Commissie opgedraagen om van den Land Regent van het oedearpali„ „uins district in te vorderen eene Somma van Circum Circa 100000. pagoo„ den, die hij volgens een overeenkomst, aan den Nabab betaalen moest, voor de Landen, die hem bevoorens door zijn Excellentie afgenoomen, maar nu weeder gerestitueerd waaren, en passant in deeze Stad koomende, om eenige van zijne naast bestaande, die hider woonagtig zijn, te bezoeken, kwam mij bij die geleegendheid vol„ gens 'slands gebruijk tontmoeten Den Tolk Wengadasselam Naijker, met hem bekend zijnde sloeg mij voor, een hij binnen kwam, om zelfs met dien Bramine over het verschil van de Paarl„ „visscherij te spreeken, alzoo hij be„ reeds van hem /:zoo hij zijde:) hadt kunnen. 68 kunnen bemerken dat dit eigentlijk de voornaamste reeden van zijne komst in deese Stad, en bij mij was. Bramine Zoo dia Hien hier op bij mij gekoomen was, deed hij, naauwlijks gezeten weezende, den breedvoerige beschrijving van de Commissie waarmeede zijn Excel„ tentie den Nabab hem gechangeerd hadt; teffens niet verzuijmende breed op te geeven van de gunst waar in hij, zo wel als zijn Schoon vaden bij den Nabab stonden; mij wijders met eenen aanbiedende, om wanneer hij mij, van eenige dienst bij zijn Hoogheid weezen kon, dat hij v daar toe zijn perzoon en vermoo„ „gens zoude emploijeeren. Ik weetende, wat hij met dit Compliment meenden, antwoor„ „den en direct op, dat ik gaarne wenschte verevend te zien het verschil tusschen den Nabab en de Compagnie
English
Company concerning the pearl fishery. And hardly had I said this, or he declared his willingness to be of service to me in this matter, as soon as his affairs at Oedearpalium should be concluded, and he should have returned to Madras. Thereupon, I provisionally thanked him for his offer, and further gave him to understand that the Company was well disposed to enter into and conclude a contract with the Nabab concerning the dispute about the pearl fishery, provided it were done under such terms as described in the draft for a treaty sent to me by your High Nobilities. Thereupon I read to him the aforesaid points, of which he desired a copy, which I caused to be delivered into his hands the following day. Whereupon he then departed, making at his taking leave the strongest assurances in the world to me that he would not return without bringing with him the contract concluded with the Nabab, drawn up according to the aforesaid draft, signed and validated with the prince's seal, to deliver it into my hands. And upon this assurance I truly flattered myself with that pleasant prospect, that I would finally have the satisfaction of settling that dispute to the contentment of Your High Nobilities. But that I had rejoiced too soon became apparent shortly from a letter written to me from Madras by the aforesaid Brahmin on the 17th of January of this year; as he therein, to my particular vexation, made known that, in accordance with the commission entrusted by me to him, he had caused the copy or the draft of a treaty to be offered to His Highness the Nabab by means of the First Minister Ausamachan Bahadur and the chief servant Ambodij Poondij Atengadas selain, who had taken it upon themselves to bring the matter to an agreement, but that he had written to the Company's interpreter that which this servant would make known to me; and which verbatim consisted of the following: That he had agreed with the aforementioned persons according to the content of that paper, but that they desired that 10 to 12000 pagodas be paid to them for expenses, and that in addition to this there should also be given as a present to the named chief servant Ambodi, who is also a Brahmin, some lands from which he could have an annual income of 300 pagodas. I had him answered to this by a note dated 6th February last, that I thanked him for the trouble already taken, of which I had very high expectations, but that it could not succeed on such conditions as he had conveyed to me by means of the interpreter, because the concluding of a contract with the Nabab concerning the pearl fishery must not be regarded as an advantage for the Company, from which it promised itself many treasures, but rather as a renewal of friendship with the Nabab, who could derive his advantage therefrom, of which His Highness had now for a long time remained frustrated; and that for this reason I could not burden the Company or charge to its account any expenses that had to be incurred in that regard, unless one could limit those expenses to 3 to 4000 Ropias, in which case I would see to getting them paid. Yet upon this, by a further note of the 3rd of March, I received as an answer that I should send one or two servants to Madras, when he would see what he could do, as that which I had mentioned was a trifle for the expenses. And upon this I have had to suspend these negotiations once again, as I have not the least authority to make any expenditure for that. This also constitutes the reason that I have sent none of my servants thither, as they on such occasions, under all kinds of pretexts, also know very well how to look after their own interests, and are just as little to be trusted in that matter as the Nabab's favourites. At the least, such a servant cannot travel thither without incurring extraordinary costs, principally when he is obliged to meet the Nabab rather frequently, if only to lightly extract some gifts from his purse thereby in a polite manner. And consequently I request Your High Nobilities in the most humble manner to further honor me with Your High Nobilities' absolute orders as to how I am to conduct myself in this commission for the future. Meanwhile I thank Your High Nobilities in the most respectful manner for the favorable approval which Your High Nobilities have been pleased to give to the proposal made by me to reduce the selling price of Japanese bar copper at Jaggernaikpoeram and Bimilipatnam only, from 100 to 97 New Nagapatnam pagodas. And I am no less obliged to Your High Nobilities for the authority simultaneously given to me to proceed, in addition, to a small price reduction without awaiting Your High Nobilities' further orders in that regard, whenever I might judge that the trade would thereby increase considerably. We have given notice of this price reduction to the chiefs of the two aforementioned factories, by a note dated 17th April last, citing the reason or the objective that was intended thereby, so that since that time the copper at the aforesaid offices has been sold for 97, instead of the previously determined price of 100 New Nagapatnam pagodas.
Dutch transcription
Compagnie over de paart visscherij. En naauwlijks hadt ik dit gezegt, of hij gaf zijne bereijdwilligheid te kennen om mij in deezen van dienst te weezen, zoodra zijne zaaken tot oedearpalium afgedaan, en hij na Madras te rug gekeerd zoude weezen Ik bedankte hem hier op bij provisie voor zijne aan¬ „bieding, en gaf aan denzelven al ver„ „den te kennen, dat de Compagnie wel geneegen was, om over het ver„ schil omtrent de paarl visscherij met den Nabab een Contract aan E E te gaan en te sluijken, mits het geschieden onder zodanig beding, als bij het door uwe Hoog Edel„ „heeden mij toegezonden ontwerp tot een verdrag beschreeven, stonden Hier op las ik hem de voorschreeve poinc ten voor, waar van hij een afschrift begeerden, dat ik hem daags daar aan deed ter hand stellen. Waarmeede vertrokken, doende hij vervolgens bij 71 bij het afscheijd neemen, aan mij de kragtigste verzeekeringen des werelds, dat hij niet te rug keeren zoude, zon„ „den, dat hij het met den Nabab gesloo„ „ten Contract, na het voorschreeve ontwerp ingerigt, geteekend en met svor„ „sten zegel bekragtigd, meede bragt, om het mij ter hand te stellen En op deelze verzeekering vleijde ik mij waarelijk met dat aangenaam voor uitzigt, dat ik eindelijk de Satisfactie hebben zou„ fente van die twist zaak, tot Contement Hoog Edelheeden te van Uwe verevenen. Maar dat ik mij te vroeg verheugd hadde, bleek haast. uijt een brief door voorschreeve Bramine op den 17=e Januarij deeses Iaars uijt Madras aan mij geschree„ ven; alzoo hij daar bij tot mijn bij„ zonder ergernis te kennen gaf, dat hij ingevolge de Commissie door mij hem opge„ „draagen, het afschrift, of het ontwerp van. 3 van een verdrag; aan zijn Hoogheid den Nabab hadt laaten aanbieden door wege van den Eersten Minister Ausa„ machan Bahadur en hoofd bedien„ „den Ambodij Poondij Atengadas selain die op zig genomen hadden om de zaak tot een vergelijk te brengen, dog dat hij aan Compagnies Tholk geschreeven 6 hadt, dat geene, het welk mij dien Bediende zou te kennen geeven: en het geen woordelijk bestaan heeft int het volgende: Dat hij met de voornoemde per„ Booren volgens den inhoud van dat „papier over een gekoomen was, „maar dat zij begeerden dat aan „haar zoú worden betaald 10. â „ 12000. pagooden voor ongelden, en „dat boven dien nog aan den ge„ „noemden hoofd- bedienden Ambodi„ „dat meede een Bramine is tot „geschenk, dienden te worden gegee„ „ven eenige landen waar van hij Iaarlijks 300. pagooden inkomsten hebben 0 „hebben konde. Ikliet hem hier op bij een briefje gedateerd, 6:e februarij Jongstlee„ „den antwoorden, dat ik hem bedankte voor de reeds aangewende moeijte waar van ik eene zeer goede ver„ „wagting hadt, dog dat die niet zou kunnen slagen, op zoodanige Conditien, als hij mij door weege van den Tolk hadt doen te wee¬ ten komen, want dat het sluij„ ten van een Contract met den Nabab over de paarlvisserij niet moest worden aangemerkt als een voordeel voor de Compagnie, waar van ze zig veel schatten beloofde, maar wel als een vernieuwing van vriendschap met den Nabab, die daar uijt zijn voordeel trekken kon, waar van zijn Hoogheid nu Seedert lange was gefrustreerd ge„ „bleeven, en dat ik oversulx de Compag„ „nie niet belasten of in reekening brengen kon eenige ongelden, die daar omtrent moesten worden gedaan, ten zij men die ongelden ongelden diedaar omtrent meesten van„ den gae Aan zijn van die valee konde bepaalen op 3. â 4000. Ropias, wanneer ik zoude zien om deselve voldaan te krijgen. Dog ik kreeg hier op, bij een nader briefje van den 3. Maart tot andwoord, dat ik een â twee bediendens zenden moest naar Ma„ „dras, wanneer hij zou zien, wat hij doen kon, alzoo het geen ik ge„ meld hadde, een bagatel was, voor de on„ „gelden En hier op heb ik deeze onder„ handeling weederom moeten staaken, alzoo ik geen de minste qualificatie heb, om daar voor eenige Spendatie ook maakt dit de reeden te doen. uijt dat ik geen mijnen Bediendens derwaarts gezonden heb, alzo die bij diergelijke geleegendheeden, onder al„ lerhande voorwendsels ook zeer wel haare reekening weeten te maaken, en even zo min in dat stuk te betrou wen 13 „wen zijn als 's Nababs gunstelingen ten minsten kan zulx een bedienden niet derwaarts rijzen, zonder buijten gewoone onkosten te doen, principaal wanneer hij genoodsaakt wordt wat dikwils den Nabab te ontmoeten al was het slegts om hem daar door op een polite wijze wat zigt gif„ „ten uijt de beurs te ligten. En dien volgende versoek ik uwe Hoog Edelheedens op het aller demoedigste, om mij met Hoogden„ selver absolute beveelen nader te ho¬ noreeren, hoedanig ik mij, in die Com¬ missie voor het vervolg van tijdt te gedraagen hebben Ondertusschen bedanke ik uwe Hoog Edelheeden op het allen eerbie„ „digste voor de gunstige approbatie, die Hoog dezelve wel hebben gelieven te geeven, dan de door mij gedaane propositie om den verkoops-prijs van het Iapansch Staafkooper op Iaggernaikpoeram en Bimili„ patnam patnam alleen, van 100. op 97. Nieu„ we Nagapatnamse pagooden te ver„ minderen. En ik ben Uwer Hoog Edel„ „heedens niet mierder verpligt, voor de teffens aan mij gegeeven qualificatie, om boven dien nog tot een klijne prijs vermindering te mogen overgaan, zonder Hoog derzelver nadere be„ veelen daar omtrent afte wag„ „ten, wanneer ik oordeelen mogt dat daar door den verthier sterk zou vermeerderen. Wij hebben van deeze prijs ver¬ aan de opperhoofden van mindering ƒ voormelde Factorijen ken„ de twee „nis gegeeven, bij een briefje gesdateerd 17=e april Iongstleeden, onder aanhaa„ „ling van de reeden, of het oog„ „merk, dat daarmeede wierdt be„ „doeld, dus ook seedert die tijd, het kooper op de voorsz: Comptoiren is verkogt geworden voor 97. –. , in steede van de bevoorens bepaalde prijs van 100. Nieuwe Nagapat„ namsche 6
English
77 napatnam pagodas for the bahar of 480 lb. But what influence this reduction in the sale price has had on the vent of the Japanese bar copper at Bimilipatnam, I cannot share up to now, as the chiefs there have thus far neglected to make any report thereof, which they have subsequently been further ordered to do. But those of Jaggenaikpoeram say in their letter of 27 June that, pursuant to the received order, they had made a beginning with reducing the sale price of that mineral by 3 pagodas, and thus setting it at 97 New Nagapatnam pagodas for the bahar, which they hoped would somewhat favor the vent. However, since this answer is too general to make any calculation upon, I expect to receive from them shortly a satisfactory report thereof, as also from Bimilipatnam, in order to be able to conclude from their advices how far this price reduction answers the objective intended thereby, and whether it is therefore necessary to proceed to a further price reduction or not, especially now that the English and French are at war with each other, seeing that they will now have little opportunity to cause any prejudice to our Japanese copper trade through the importation of European copper. In the meantime, however, I consider myself obliged respectfully to thank Your High Mightinesses for the prompt answering of my humble letters of 31 January of this year, and for the favorable approval of the conduct observed by me both with respect to the strange request made in the name of the Tanjore Court by the Albeschik to me, as well as regarding the Manaan Coil soubedar, Cannagasawea Poele, and the other subjects of his district, who had retired into our villages. While, in continuation of this affair, I now take the liberty respectfully to note that, concerning the request of the Albeschik, I have received no further reply to my rescription of 25 January, and so that matter remained thereat. And although I had also flattered myself that the Tanjore Court would have taken complete satisfaction with what had been done by me with respect to Cannagasawea Poele and the other inhabitants of the Tanjore lands, about which I expounded at length to the Albeschik by letter of 29 January, that Minister, contrary to my expectation, was able only a few days thereafter to see fit to have all the passages from the Prince's land to the Company's territory so closed and occupied by Tanjore subjects, that even to letters that had to go to the South or North, or indeed came from there, no passage to or from this city was granted. Yet, however unreasonable this conduct already was, considering that in the matter of the absconded inhabitants I had acted according to custom and was obliged to nothing else, it by no means stopped there; for on the 4 February following thereupon, notice was given to me from Naoer on behalf of the Porto Novo merchants, who had departed that morning from here for Porto Novo, that they had been arrested by the people of the new Naoer Regent named Chinappa Poele, and were about to be transported inland to Triwaloer. 81 An act that was too excessive to be passed over in silence: and therefore I addressed myself on that very afternoon by a letter concerning this to the Albeschik, not only demanding the aforesaid traders from him in the most vigorous terms, but also placing the consequences that were to arise from such conduct directly to his account and responsibility. To this, that Minister did not answer me before 18 February, when with very many circumlocutions he sought to shift the aforesaid violent act from his shoulders, by alleging, among other things, that the borg of Cannagasawea Poele and his brothers (who had been chastised by the Prince's people) had caused the aforesaid merchants to be arrested and delivered to the Regent of Naoer, for the reason that Cannagasawea Poele remained under the protection of the Dutch Company and at least had not returned. But how manifestly false this allegation of the Albeschik was, the conduct of the Prince of Tanjore showed: for His Highness at that very moment sent an order directly to the Naoer Regent to let the arrested Porto Novo merchants go on their way, which certainly would not have happened had they been able to detain them with the least semblance of right. Thus those merchants, without suffering any further prejudice, returned here on the very day on which I received the letter of the Albeschik, and departed the day thereafter for Porto Novo. And herewith I could now consider this matter completely communicated, had not at the same time something else happened, which, however minor, was nevertheless of consequence, and therefore ought to be brought to the full knowledge of Your High Mightinesses. When I obtained information of the arresting of the Porto Novo merchants, I directly dispatched a detachment of armed sepoys to the borders that separate the territory of Naoer and the lands of the Company, to see whether the aforesaid merchants might not still be intercepted and brought back; but this failed, because the Porto Novo merchants, just before the arrival of the detachment, had passed our borders under an escort of English Company sepoys and were conveyed to Triwaloer. At this time, however, there resided
Dutch transcription
77 namsche pagooden voor de bhaar van 480. lb: Dog wat invloed deese di„ munitie in den uitkoops prijs op den vertier van het Japansch Staaf-koper te Bimilipatnam gehad heeft, kan ik tot nog toe niet bedeelen, alzoo de opperhoofden al„ „daar voor als nog verzuymd hebben, daar van eenig verslag te doen, het geen hun dien volgende nader is ge„ „last geworden dog die van Daggen„ „naikpoeram Leggen bij hunnen brief van den 27 Iunij dat z' ingevolge de ontvangen ordre, een begin gemaakt hadden met den uitkoops-prijs van dat mineraal met 3. pagos den te verminderen, en dus op 97. Nieuwe Nagapatnamsche pagooden voor d' bhaar te stellen, het geen zij hoopten dat den vertier wat zou favori„ „seeren Dog wijl dit andwoord, wat te algemeen is, om daar op eenige ree„ kening te kunnen maken, verwagt ik van hun in het kort daar van een een voldoenden berigt te ontvangen gelijk meede van Bimilipatnam: ten einde uijt hunne advisen te kun„ nen besluijten hoe ver deeze prijs ven„ „mindering, aan het oogmerk dat en meede bedoeld wordt beandwoord, en of het derhalven noodzaakelijk is tot een nadere prijs vermindering over te gaan of niet! inzonderheid nu de Engelschen en franschen met elkanderen in oorlog zijn, gemerkt die nu wijnig geleegendheid zullen hebben om door den aanvoer van Euro„ Iapanschen pas koopen, onzen koopen handel eenig nadeel toe te brengen. Dog inmiddens agte ik mij ver„ „pligt uwer Hoog Edelheeden, reveren„ telijk te bedanken, voor het spoedig beantwoorden van mijne onderdanige Let„ teren van den 31=e Januarij deeses Jaar en voor de gunstige goedkeuring, van het door mij gehouden gedrag zoo met opzigt tot het vreend verzoek, wij naam van het Tansjoursche Hoff„ door door den Albeschik aan mij gedaan, als met betrekking tot den Manaan Coilschen, Soubedhaan Cannagasawea poele, en de verdere onderdaanen van zijn district, die zig hadden geretireerd in onze don„ pen. Terwijl ik ten vervolge van deese affaire thans de vrijheid neeme Een„ „biediglijk te noteeren, dat ik aan„ „gaande het verzoek van den Albeschik, op mijne rescriptie van den 25. Janua„ „rij geen weeder antwoord ontvangen. hebbe, dus die zaak daar bij gebleeven En Schoon ik mij ook geflatteerd hadt, dat het Tansjoursche hof„ volkomen genoegen zou genomen hebben, met het geen door mij verrigt was met opsigt tot Cannagasawea Poele en de verdere inwooners den Ians„ joursche Landen, waar over ik den Albeschik bereedvoerig onderhouden heb bij brief van den 29=e Januarij, heeft dien Minister Contrarie mijne verwagting maar wijnig dagen daar no„ kunnen. „ d kunnen goed vinden alle de passagien uijt vorsten Land, na het territoir van de Compagnie, zodanig te laaten sluij„ Tansjoursche „ten en bezetten, door onderdanen, dat zelfs aan brieven die na de Zuijd of Noord moesten, dan wel van daar kwaamen, geen passage van of na deeze Stad wierd verleend. Dog hoe onreedelijk dit ge„ „drag reeds was, geconsidereerd, door mij, in de zaak van de uijtgeweeke inwooners, na gewoonte gehandeld, en ik tot niets anders verpligt was, bleef het 'er egter geensints bij als zoo op den februarij daar dan volgende, aan 4=o mij, uijt naam van de Portono¬ rose kooplieden, welke dien morgen van hier na Portonovo vertrokken waa „ren, van Naoer kennis gegeeven wierdt, dat zij door het volk van den Nieuwen Nroeyschen Regent in naame Chinappa Poele, g'arresteerd waaren en landwaarts in na Triwaloer stonden vervoerd te worden. Een 81 Een daat die al te verregaande was om met stil zwijgen te kunnen worden gepasseerd: en derhalven heb ik mij nog dien eijgen agtermiddag, bij een brief daar over geaddresseerd aan den albe„ schik, de voorschreeve handelaaren niet alleen van hem op het krag„ „tigste reclameerende, maar ook de gevolgen die uijt zulk een gedrag stonden gebooren te worden direct voor zijn Reekening en verant„ „woordig laatende Hier op heeft mij dien Mi„ „nister niet voor den 18. februarij geantwoord: wanneer hij met zeer veel omweegen tragte de voorschree„ „ve geweldige daad van zijnen hals te schuijven, door onder anderen voor te geeven, dat den Bong van Canna„ gasawea poele, en zijne broeders (:die door het volk van den vorst ge„ kastijd geworden waaren:/ de voor„ schreeve Kooplieden hadden laa„ ten arresteeren en aan den Regent van van Waoer overgeeven, om reeden Cannagasawea Poele, onder de pro„ tectie van de hollandse Compagnie verbleeven, ten minsten niet te rug gekomen was. Maar hoe blijkbaan valser dit voorgeeven van den Albeschik was, toonde het gedrag van den vorst van Tansjour: alzo zijn Hoogheijd, op dat eige ogenblik direct aan den Naverschen Regent ordre afzond, om de g'arresteerde Portono„ vose kooplieden, hunnes weegs te laaten, passeeren, het geen zeeker„ lijk niet zou gebeurd zijn, hadden, zij hun maar met de minste schijn van regt kunnen aanhouden. Dus die Marchandeurs, zonder verder eenig nadeel te lijden, op den eigen dag, waar op ik de brief van den Albeschik ontving; alhier terug kwamen, en 's daags daar aan na portonovo vertrokken zijn En hiermeede zou ik nu deese 83 deese zaak voor volkoomen, gecom„ municeerd kunnen houden, was en teffens niet iets anders gebeurt, dat hoe gering ook egter van gevolg ge„ weest is, en daar om ten g'eelde ken„ nisse van uwe Hoog Edelheedens diend gebragt te worden. Tolen ik van het arresteeren den PPortonovose kooplieden narigt erlangde, zond ik direct een Commando gewaapende Sipaaijs af, tot de li¬ „miten, die het territoir van Na„ „oer en de landen van de Compagnie van een scheijden, om te bezien of de voorschreeve kooplieden nog niet te onderscheppen en te rug te bren„ „gen waaren: dog dit mislukten, wijl de Portonovosche kooplieden, even voor de aankomst van het Commando, onder een bedekking van Engelsche Compagnies Lipaaijs, onke limiten gepasseerd, en na Triwa„ „loer verhoerd waaren. Op deezen tijd egter onthielden zig C
English
were in that vicinity, and principally in the Company's villages of Moetan and Wadde Coedij, several armed sepoys, who claimed to be in the pay of the English Company; and of these, an officer and four privates, who had committed diverse hostilities against the inhabitants there, were seized by the detachment sent from here. And because it is nowhere permitted to enter the territory of another with armed force, and much less so to commit violence, I had them transferred in military arrest to the castle, where they remained seated until I received tidings that the Porto Novo merchants had been released; whereupon I also immediately sent them, together with their weapons, to Tansjour, communicating by letter of 18 February to the Colonel Commandant of the English troops there, by name Matt:s Horne, that they were the ones who had committed many acts of mischief against the inhabitants in the Company's villages. To this, the said Commandant replied by letter of the 21st that, following an investigation into the matter, he would have that officer and sepoys punished, and consequently requested me to send over to him the people who had been wronged by them. However, since there were several women among them, of whom it could hardly be demanded that they travel from here to Tansjour, which lies a good three days' journey inland, I thought it best to have a deposition regarding the aforesaid acts of violence executed by those people before the First Sworn Clerk Bronsveld, which I sent to His Honour under my covering letter, trusting that he would be satisfied with this. Yet while this and that were taking place, some English troops advanced up to our borders; of which I was even informed by a short letter written by a certain Eduard Wilhe, who called himself a Lieutenant in the service of the English Company. For he thereby made known that he had been ordered by the Commanding Officer of the English troops at Tansjour to inform the Commandant of the Dutch troops at Nagapatnam upon his arrival at the borders which divide the possessions of the Prince of Tansjour and those of the Dutch Company, that he was instructed not to molest or disturb the Dutch or any of the peoples belonging to them, but that he had only been sent for the protection of the Raja's lands. To this letter, which was addressed to the Commandant of Nagapatnam, I briefly replied that I indeed gave thanks for the communication provided, but nevertheless could not refrain from expressing my astonishment at his arrival at our borders, to be sure with armed troops in the pay of the English Company, and thus belonging to allies of our Republic, in order thereby, as he himself stated, to protect the lands of the Prince of Tansjour, just as if they had been hostiley attacked; and that I therefore also expected of him that he would strictly observe the orders given to him by the Commandant of Tansjour, and would take care that the English Company's troops, of which he professed to be a Lieutenant, would not come to commit any hostilities in our villages or against the inhabitants thereof. And from these transactions it will, as I trust, be most evidently apparent to Your High Noblenesses that the occupation of our borders and the blocking of the roads that run from the Tansjour lands to this city and villages, were executed by troops in English pay upon the orders of the ruler. Above all this, their sepoys stationed at the sea-port of Topotorre have had the insolence violently to arrest vessels coming from Ceylon and elsewhere that ended up drifting there due to contrary winds. When I first received tidings of this, I could hardly believe it, but I was soon fully assured of it by the master of the Company's sloop De Papegaaij, who, returning to me from Jaffanapatnam, reported that when he passed Topotorre on his voyage hither, he was hailed from a chialeng in which there were at least 24 armed sepoys, demanding that he should shorten sail and wait for them, as they wished to come aboard him to search his sloop. And although the master did not trouble himself with that shouting, but on the contrary continued his voyage, I nevertheless considered this matter, being contrary to the freedom and law of the sea, of too great importance to pass over in silence. I therefore had a formal deposition executed by him and the other crew members before the First Clerk Bronsveld under offer of oath, and sent the same with its translation under my covering letter of 14 March to the aforementioned Commandant of the English troops in Tansjour, with a friendly request to His Honour to issue the necessary orders against these and similar outrages at sea—which directly conflicted with the treaties and alliances entered into and concluded between the Crown of Great Britain and the Republic—so that they might no longer take place in the future; further mentioning that I would otherwise, upon finding the contrary, see myself under the necessity of addressing myself on this account to the Government at Madraspatnam.
Dutch transcription
zig daar om Streeks en wel princi„ „paal in Compagnies dorpen Moetan en wadde coedij, verscheijde gewa„ pende Sipnaijs, die voorgaven, in besolding van de Engelse Compagnie te staan en van dezelve, zijn door het van hier afgezonden Com„ „mando, opgevat een officier en vier gemeene, die aldaar, diverse hostili„ „teijten gepleegd hadden aan de in wooners. En ik heb hun, wijl het nergens gepermitteerd wordt, dat men gewapenderhand op het Territoir van een ander komt, en veel min nog, dat men 'en geweld pleegd, in mi„ „litain arrest laaten overbrengen binnen het Casteel waar zij zoo lang gezeeten hebben, tot ik tijding kweeg dat de Portonovosche kooplieden gelargeerd geworden waa¬ ren: wanneer ik hun ook immedi¬ aat, neevens derzelven wapenen naar Tansjour gezonden heb, on„ der Communicatie, bij brief van den 18 18:e februarij, aan den Collonel Comman„ dant van de Engelsche Troupes aldaar, in naame Matt:s Horne, dat zij die geene waaren, die in Compagnies dorpen veele baldadigheeden hadden gedaan aan de inwooners. Hier op heeft gemelden Commandant, bij brief van den 21. daar aan geant„ woord, dat hij dien officier en Sipaais na bevinding van zaaken zoulaa„ ten Straffen, en mij dien volgende verzogt, van aan hem over tezen„ „den de menschen die door hun be„ leedigd waren. Maar wijl zig hier onder ven„ scheijde vrouwen bevonden, die het kwa¬ „lijk te vergen was, om van hier na Tansjour, dat wel drie daagen rijzens in het land legt, te gaan vond ik goed, van de voorschreeve geweldenarijen, door die menschen, een verklaring te laaten passeeren voor den Eersten geswooren klerk Bronsveld, die ik, onder mijne gelegde in geleijde letteren zijn Ed: toesend, in vertrouwen dat hij zig daar meede zou voldaan houden. Dog in midden dat dit een en ander passeerende, rukten eenige Engelse troupen, tot voor onze Li„ „miten: waar van ik zelfs g'infor¬ „meerd wierd door een briefje van zeekeren Eduard Wilhe die zig noemende Luitenant in dienst van d' Engelsche Compagnie geschreeven want hij daar bij te kennen geeft, dat hem door den Comman¬ „deerende officier van de Engelse troupes op Tansjour was g'ordon„ neerd geworden, om aan den Com¬ mandant van de hollandsche Krou„ „pes te Nagapatnam, bij zijne aan„ komst op de Limiten, dewelke scheijden de bezittingen van den vorst van Tansjour en die van de hol„ landsche Comp:e, te berigten, dat hem aanbevoolen was niet te molesteeren of te ontrusten de hollanders of eenige den 87 der volkeren haar toebehoorende maar dat hij alleenlijk was gezon„ „den tot beschutting van des Radjas Landen Op welk briefje, het geen aan Commandant van Nagapat„ den nam gerigt was, heb ik kortelijk g'andwoord, dat ik wel bedankte voor de gegeven Communicatie, dog egter niet voor bij kon„ mijne ver„ 4 wondering te betuijgen over zijn aan„ „komst o onze Limiten, zeekerlijk met gewopende troupes in soldij-staan„ „de van de Engelsche Compagnie, en dus toebehoorende aan bond genooten van onze Republik om daar meede, zoo hij zelfs te kennen gaf, te beschermen de landen van den vorst van Tansjour, even als of die vijandelijk aangetast waren, en dat ik den„ „halven ook van hem verwagte, dat hij de ordres door den Comman„ „dant van Tansjour aan hem gegeeven stiptelijk observeeren en Zorg d 0 ren 3 zorg draagen zou, dat de Engelsche Compagnies troupes, waar van hij zijde Luytenant te weezen, geen hosti„ „titeijten in onze dorpen, of aan den zelven inwooners kwamen te pleegen En uijt dit verhandelden zal, gelijk ik vertrouw, aan Uwe Hoog Edelheedens ten evidensten blijken, dat het bezetten van onze limiten, en het stoppen der weegen, die uijt de Tansjoursche Landen Stad en dorpen, loopen, na deeze op ordre van den albeschik, is ter uijtvoer gebragt door troupes in Engelsche Soldij-staande. Doven dit alles, hebben hun„ Sipaaijs, die op de Zeeplaats Io„ ne „potorre geposteerd stonden, de bru„ „taliteijt gehad van vaartuijgen, die van Ceilon en elders koomende, door Contrarie wind, aldaar ver¬ vallen raakten, geweldadiglijk te arresteeren Toen 83 soen ik hier van, eerst tijding kreeg, kon ik het nauwlijks geloo„ ven, maar haast wierd ik en volkomen van verzeekerd, door den gesaghebber van Comp:s Sloep de Papegaaij, die mij van Iaf„ fanapatnam te rug komende rap„ porteerde, dat wanneer hij op zijne herwaarts reijze Toppotorre pas„ „seerde, hem, uijt een Chialeng, waar in ten minsten 24. gewaapende Si„ paaijs waren, was toegeroepen ge„ worden, dat hij zou hebben zeil te minderen, en hun inwagten, wijl zij Aan zijn boord wilde komen om zijn sloep te visiteeren En schoon den gesaghebber zig aan dat geroep niet gestoord, maar zijne rijze daar en teegen„ voortgezet heeft, vond ik egter deese zaak als strijdig teegens de vrijheid en het regt der zee van veel belang, om die stilzwij„ te Ik liet en „gende te passeeren derhalven derhalven door hem en de verdere sche pelingen, voor den Eersten klerk Bronveld acte van passeeren, onder presentatie van Eede, en zond dezelve met dies Translaat, on„ „der mijne geleijde Letteren van den 14. ' Maart aan den meermelden Commandant der Engelsche troupes in Tansjoun, met vriendelijk verzoek aan zijn Edele, om tee„ gen die en soortgelijk baldadig „heeden ten zee, welke direct Streeden, tegen de Tractaten en Alliantien, tusschen de kroon van Groot- Brittanjen en de Re„ „publicq aangegaan en gesloten, de noodige ordre te stellen, ten einde die in het vervolg geen plaats meer mogten hebben, onder aan„ haaling verder dat ik anders bij bevinding van het teegendeel, mij in de noodzaakelijkheid zou ge bragt zien om mij dierweegens aan de Regeering te Madraspatn te
English
to address. With how much right I was to expect an answer to such a letter, it nevertheless failed to appear; on which account I judged that I ought no longer to delay informing the Madraspatnam Government of what had occurred here. Thereupon, on 26 March, I communicated everything described hereinbefore to the Council of Policy here, which, upon the proposal also made by me to that end, approved communicating the events treated hereinbefore to the Madraspatnam Government, with the request not only to provide the Company with sufficient satisfaction regarding the aforementioned irregular actions by ordering the commander of their troops in Tanjore immediately to recall the Sepoys who had taken up position around this city, but also to induce the Prince of Tanjore to cease his unreasonable proceedings with respect to us, by letting us and our residents once again enjoy the undisturbed possession of the privileges that so justly belong to us: And pursuant to this resolution, we wrote on 28 March to the Madraspatnam Government in such fitting terms as is mentioned in our Secret Resolution of the 26th preceding: to which I refer for the sake of brevity. However just it would have been to provide us with the requested satisfaction, we nevertheless derived little to nothing from it. On the contrary, the English Ministry found itself very offended by the arrest of the aforementioned five natives; having certainly been stirred up to this by the Commander of Tanjore, who had seen fit to complain about it. At least they complained about it very seriously by missive of 25 March, calling the apprehension and arrest of the repeatedly mentioned Subahdar and four Sepoys, among other things, an act of hostility and violence, on which account they saw fit to protest against me regarding the consequences that might arise therefrom. Yet with how much justice this was done, I will gladly leave to the righteous judgment of Your High Nobilities, their aforementioned missive and the answer from me and the Council being inserted in the Secret Resolution of 3 April. And I trust that Your High Nobilities, from our Secret Resolution of the 27th of that month, will also be fully convinced of the injustice done to me by the Governor and Council of Madraspatnam: for in their missive of the 15th preceding, they not only dare to accuse me publicly of being the sole cause of the dispute between us and Tanjore arising over the escape of Cannagasabai Pillai, but in addition, they have also pleased to call my conduct violent, both with respect to the Sepoys who were here and in relation to the correspondence maintained between me and the Commander of Tanjore. A name that I do not know ever to have deserved; as Your High Nobilities may please see further from the letters exchanged between me and the said Commander, of which, in order to clear myself of such a blemish, I take the liberty of presenting Your High Nobilities with authenticated copies. For the rest, with respect to this whole affair, I refer to what was noted in the Secret Resolution of 27 April aforementioned. Meanwhile, Your High Nobilities will have already seen from our Secret Resolution of 3 April that, in order the sooner to compel the court of Tanjore to open the borders, we saw fit to give a detailed report of the aforementioned hostile conduct of the Tanjore Ministers to the Governor and Council of Ceylon, with the request to cause to be arrested and seized, in all their ports or bays, all vessels belonging to subjects of the Principality of Tanjore, both those that were already lying there and those that might enter thereafter, and to keep the same arrested until the Prince of Tanjore or his Ministers should have given orders for the release of the Company's linens, which were then also detained, or at least their transport prevented, and the opening of their borders, as also happened since, by Secret missive of 4 April following. Yet because between this writing and mid-June, affairs in the Tanjore realm changed very much in appearance with respect to us, as we could observe daily from the transport of paddy and other edible goods to this city; thus, seeing that the Tanjore Ministers had come to their senses, possibly out of fear of the approaching return of Cannagasabai Pillai, who returned here a few days later from Jaffnapatnam, we communicated this on 17 June last to the Ceylon Government, with the urgent request to withdraw again the requested and possibly already imposed arrest on the Tanjore vessels, as subsequently happened, and since then our borders have also become entirely open, so that our subjects again carry on trade in the Tanjore realm as before. Concerning the matter of the outstanding recognition monies and elephants, I had the honor to communicate to Your High Nobilities by my humble separate letter of 31 January of this year that
Dutch transcription
te addresseeren. Met hoe veel regt, ik op zodanig schrijven, antwoord ver„ wagten moest bleef het zelve egter terug; weshalven ik oordeelden niet langen te mogen tardeeren om de Madraspattwamsche Regee„ „ring kenniste geeven van het geen alhier was voorgevallen. Hier op heb ik, den 26: Maart, van al het geen hier vooren beschree„ ven staat Communicatie gegeeven aan den Raad van Politie alhier, die op de door mij daar toe teffens gedaane propositie goed„ „vond van de hier voor verhan„ „delde gebeurtenisse Communicatie te geeven aan de Madraspatnam„ „sche Regeering, met versoek, niet alleen om de Maatschappij, wee„ „gens de voorgewaagde irrigulaire bedrijven eene voldoende satisfac„ tie te bezorgen door den Comman„ dant van haare troupes in Jans„ Tour te gelasten van immeriaat de 31 de rondsom deeze Stad post gevat„ hebbende Sipadijs te rug te ontbie„ „den, maar ook den vorst van Tansjour te beweegen, om zijne onree„ delijke proceduures, ten onzen opzig„ te te staaken, door aan ons en onze ingezeetenen weeden te laaten genieten het ongestoord genot van de voorregten, die ons zoo billijk Com„ „peteeren: En ingevolge van dit besluit hebben wij opten 28. Maart aan de Madraspatnamsche Regeering ge„ schreeven in zodanige gepaste termen als bij onze Secreete Resolutie van den 26. bevoorens is vermeld: waar aan ik mij kortheijds halve gedraage. Hoe billijk het was geweest om aan ons de verzogte satisfac „tie te bezorgen, hebben wij 'er egter wijnig niets van getrokken. Inteegendeel vond het En„ „gelsch Ministterie zig zeer geraakt, over het arresteeren van de opgemelde vijf 178 93 13 vijf inlanders; hier toe zeekerlijk opgeruimd zijnde door den Commandant van Tansjour, die daar over hadt kunnen goedvinden te klagen. Ten minsten zij hebben daar over seer ernstig gedoleerd bij missive van den 25. Maart het opvatten en arresteeren van den meengemelden Soubedhaar en vier Sipaijs, on¬ „der anderen, noemende een daat van hostititeijt en violentie, waar om zij goed vonden tegen mij te pro„ testeeren weegens de gevolgen die daar uijt zoude kunnen ontstaan Dog met hoe veel regt dit geschied zij, wil ik gaarne overlaaten, aan het regtmaatig oordeel van Uwe Hoog Edelheedens zijnde haaren voorschreeven missive, en het ant„ „woord van mij en den Raad ge„ „insereerd, bij Secreete Resolutie van den 3. April. En ik vertrouw dat Uwe Hoog Edelheeden, uijt onze Secreete Resolutie F Resolutie van den 27=e dier maand, ook volkoomen zullen worden overtuijgd van het ongelijk dat mij door den Gouverneur en Raad van Madraspatnam is aangedaan: want zij mij bij hunnen missive van den 15. bevoorens, niet alleen publicq beschuldigen durven, als de eenigste oorzaak te weezen, van hett different tusschen ons en Tans„ jour gereeken over het ontvlugten van Cannagasawea poele, maar boven dien, nog mijn gedrag zoo met opzigt tot de alhier geweest zijnde Sipaaijs, als met relatie tot de Correspondentie tusschen mij en den Commandant van Jansjour gehouden, geweldaadig hebben gelieven te noemen. Een naam die ik niet weet roit verdiend te hebben; gelijk Uwe Hoog Edelheeden, nader gelieven te zien, uijt de tusschen mij en den gemelden Commandant gewisselde brieven brieven, waar van ik, om mij zelven van zulk een blaam te zuijveren, de vrijheijd neem uwer Hoog Edel„ „heeden, g'authentiseerde afschriften aan tebieden Voor het overige refereere ik mij met opzigt tot deese geheele affaire, aan het aangeteekende bij Secreete Resolutie van den 27.' April voornoemd. Ondertusschen zullen uwe Hoog Edelheedens uijt onze Secreete Resolutie van den 3. ' april bereeds gezien hebben, dat wij, om het hoff van Tansjour des te eerder tot het openen der Limiten te nood„ zaaken, goedgevonden hebben van het opgemelde vijandelijk gedrag den Tansjodrsche Ministers, een omstan„ „dig berigt te geeven aan den heer Gouverneur en Raad van Ceilon, met verzoek om in alle haare havenen of baaijen, te willen laaten arresteeren en in beslag neemen, alle vaarthuigen 3 # vaarthuijgen aan onderdaanen van het vorstendom Tansjour toebe„ „hoorende, het zij zoo wel die, welke er bereedslagen, als de geene die 'er na„= „derhand inkoomen mogten, mits„ „gaders dezelve zoo lang g'arresteerd te laaten tot den vorst van Tans„ „jour of zijne Ministers ordre zoude gegeeven hebben tot largatie van Com„ pagnies Lijwaaten, die toen ook wier„ „den aangehouden, of ten minsten den afvoer er van belet, en het openen van haare Limiten, gelijk ook see„ dert geschied is, bij Secreete missive van den 4. april daar aan vol„ „gende. 1 Edog wijl tusschen dit schrij„ ren, en medio Iuni, de zaaken in het Tansjoursche rijk ten onsen opsigte zeer veel van gedaan te venanderen, gelijk wij dagelijks uijt den afvoer van nelij en andere Ed„ „baare waaren na deze stad kon„ „den bespeuren; zoo gaven wij ziend dat dat de Tansjoursche Ministers tot inkeer gekoomen waaren, mogelijk uijt vreeze voor de aannaderende te rugkomst van Cannagasawea poele, die wijnig dagen daar na van Iaffanapatnam alhier is te rug gekoomen, op den 17:e Junij Iongstleeden daar van Communicatie aan de Ceijlonsche Regeering, met instantie om het verzogte en mo„ gelijk bereeds gelegde arrest op de Tansjoursche vaarthuijgen weeder in te trekken, gelijk vervolgens ge„ schied is, en Seedert zijn ook onze Limiten ten eenemaal open geraakt dus onze onderdaanen weeder ge„ lijk van te vooren handel drij¬ „ven in het Tansjoursche Rijk Aangaande de zaak van de agterstallige Recognitie penningen en Elisanten had ik de Een tin Hoog Edelheedens bij mijne onderda„ nige aparte letteren van den 31=e Januarij deeses Iaars te Communiceeren dat
English
that I, upon the request of the Albeschik of the Court of Tansjour for payment of the tribute money and elephants which the Company owed to his Highness, had answered by missive of the 25th of January that, because no specific account or statement had been sent by him for how many years the prince demanded the overdue tribute money and elephants, my hands were thereby, as it were, tied, which was why I could not comply with his request for the delivery. Upon this, the Albeschik, alongside his letter of the 19th of February, transmitted a specific account of the years for which his prince claimed the outstanding tribute money and elephants, which after exact examination was found to agree with the Company's account, so that the prince's claim of 9 years of overdue elephants, or from Anno 1769/70 onward, and of three years of outstanding tribute money, or from Anno 1775/6 onward, is equitable. And I might perhaps have resolved at that time upon their delivery, but because the then conduct of the Court of Tansjour completely conflicted with the privileges and prerogatives that had been granted to the Company by the former and the present prince, and whereby the Company could, as it were, be considered released from fulfilling its annual obligation, since it was promised not only for our seat here, but also for the prerogatives conferred upon us, I raised objections to complying with it: and I brought these considerations of mine into the council on the 26th of February, when it was resolved to withhold the aforesaid tribute money and elephants for as long until the Court of Tansjour changed its conduct with respect to us, of which I informed the prince's envoy in order to notify the Albeschik of it. However, because our whole stock of elephants consisted of only 18 head, whereby we were unable to fully satisfy our overdue contingent, we requested, by letter of the 24th previously, the Ceylon ministers to dispatch at once the 9 aliasses still lacking from the full number of 27 head, with three more head, being one tusked and two aliasses for the tribute of this year: for which they immediately sent orders to Jaffna. And pursuant to this order, the Jaffanapatnam ministers communicated to us by missive of the 13th of June that our cornax had selected 12 head of tribute elephants, which were sent hither in two vessels; nevertheless, those animals having been dispatched from Caits in a hired vessel, it had the misfortune in the night of the 17th of June of stranding not far from Tripondi, and thus on the territory of the prince of Tansjour. No sooner did I receive news of this unfortunate occurrence than I sent, on the afternoon of the 18th of June, directly thither our master attendant Hartman, alongside two chialengen with men and provided with everything necessary, to attempt whether it was still possible to bring the aforesaid 12 head of elephants alive ashore, and from there onto the Company's territory. The former succeeded partially, as from the twelve they got eight head alive ashore, but the latter not at all, because the animals brought ashore were detained by the prince's havildar, without his desiring to release them upon the strong instances of the master attendant. Thus I was thereby compelled to give notice to the Albeschik of Tansjour of the aforesaid occurrence, as was circumstantially done by me by letter of the 19th of July, wherein at the same time, on the foundation of the right of free salvage which was granted to the Company by the Naik of Tansjour Estriamatoe Atchita wisia Ragoed Naik in anno 1658, I deemed it proper to reclaim the aforesaid 8 head of elephants, adding however this fair proposal: that if His Highness might be unwilling to deliver up the aforesaid elephants, to then accept them in reduction of the 27 head which the Company owed to the prince for overdue tribute up to the year 1777/8; and in order to persuade His Highness all the sooner to that acceptance, I further offered that if the prince would agree to this, I would also cause to follow the 18 head of elephants that were on hand here, alongside three years of overdue tribute money, whereby only one elephant would be lacking from the fulfillment of the entire tribute, which would be delivered in the following year: as all this is further described at length in the secret resolution of the 10th of July. With how much right I might have expected a prompt and likewise acceptable answer to such fair proposals, I nevertheless did not receive a rescript from that ill-disposed Albeschik before the 27th of July, which principally contained: That when the vessel in which the elephants of the Company were came from Jaffanapatnam, the same was wrecked; that eight of those animals had come ashore on the boundaries of the prince, and three of them had perished, but the remaining five head had been obtained in the lands of His Highness. That the regent of that district had sent the said elephants to the prince, because they His Highness
Dutch transcription
dat ik op het verzoek van den A„ „beschik van het Tansjoursche Hof om voldoening van de recognitie penningen en Elifanten welke de Compagnie aan zijn Hoogheid Schu „dig was, bij missive van den 25. Ja nuarij g'antwoord hadt, dat de¬ wijl door hem geen specificque reekening of opgave gezonden was voor hoe veel Jaaren de vorst de verschuldigde recognitie pennin gen en Elifanten Eyschte, mij daar door de handen, als het ware ge„ „bonden waren, waarom ik ook aan zijn versoek tot de afgave niet kon voldoen. Hier op heeft den Albeschik neevens zijnen brief van den 19=e fe„ „bruarij overgezonden Een specifi„ „que Reekening van de Iaaren, waar voor zijnen vorst de ten agteren staande recognitie penni gen en Elifanten vorderde, die na exohte examinatie; met Compagnies Reekening Reekening bevonden is te accordeeren, dus 's vorsten pretensie van 9. Jaa„ „ren agterstallige Elifanten, of van Anno 17 6/70. af, en van drie Iaaren ten agteren staande recognitie penningen of van Anno 177 5/6. billijk zij. En ik zou ook mogelijk op dien tijd, tot dies afgave besloten hebben, maar wijl het toenmalig gedrag van het Jansjoursche Hof, ten eenemaal streed met de pri„ vilegien en voorregten, die door de voorige en den tegenwoordigen vorst, aan de Compagnie waaren verleend, en waar door de Maat„ schappij als het ware kon g'agt worden ontslagen te weezen van de voldoening haaren Jaarelijk„ sche verpligting, alzoo die niet alleen voor onzen zeet alhier, maar ook voor de aan ons op„ „gedraagen voorregten, is beloofd geworden, maakte ik zwarigheid daar daar aan te voldoen: en ik bragt deeze mijne bedenkingen op den 26 februarij in vergadering, wanneer men resolveerde, de voorsz: recog„ nitie penningen en Elifanten zo# lang aan te houden, tot het Ians Doursche, hoff ten onzen opsigte van gedrag veranderde, waar van ik I vorsten zendeling kennis gaf, om er den Albesch ik van te verwittigen Edog wijl onzen ganschen voorraat van Elifanten maar in 18. Stuks bestond, waar door wij buijten staat waaren ons agterstallig Contingent volkomen te voldoen, verkogten wij, bij brief van den 24. bevooren, de Ceijlonse Ministers, om de aan het volle getal van 27. Stuks nog ontbree„ „kende 9. Aliassen met nog drie stuks als een getande, en twee Allias„ „sen voor de recognitie van dit Iaar, ten eersten te voldoen: waar toe dezelve 101 dezelve immediaat ordre naar Jaf„ fna Zonden. En ingevolge van deeze ordre, gaaven de Iaffanapatnamsche Ministers bij missive van den 13=e Iunij aan ons Communicatie, dat onze Cornar 12. Stuks recognitie Eli„ fanten hadden uijtgekipt, die in twee vaarthuijgen herwaarts ge„ zonden wierden, niet tegenstaan„ de die beesten in een afgehuurd vaarthuijg van Caits zijn af gezonden, dat in de nagt van den 17:e Iunij het ongeluk heeft gehad, van niet verre van Tri„ pondi, en dus op het gebied van den vorst van Tansjour te Stran„ „den. zoo dra kreeg ik van dit ongelukkig geval geen tijding, of ik zond des 'Smiddags van den 18. Iunij, direct derwaarts, onzen Equipagemeester Hartman, nee¬ vens ttwee Chialengen met volk en. en van al het noodige voorzien om te probeeren of het nog moge „lijk was, de voorsz: 12. Stukks Elifanten, levendig aan de wal, en vandaar op Compagnies gebied te brengen Het eerste gelukte gedeelte„ „lijk, alsoo zij en van de twaalf agt stuks leevendig aan de wal kreegen, maar het laasten in het geheel niet, nadien de aan strand gebragte, beesten door 'S vorsten hawveldhaar, wierden aangehou„ „den, zonder dat hij ze begeerde te largeeren, op de sterke intan„ tien van den Equipagiemeester Dus ik hier door genood¬ saakt, wierd, den Albeschik van Tansjour van de voorschreeve gebeurtens kennis te geeven, zoo als door mij omstandig gedaan is bij brief van den 19. Julij waar bij ik teffens op fundament van het regt van vrij Strand het geen 10 03 geen door den Naik van Tansjour„ Estriamatoe Atchita wisia Ragoed Naik in anno 1658. aan de Compagnie is verleend geworden, goedvond, de voorschreeve 8. stux Elifanten te reclameeren, onder bij voeging egter van deeze billijke voorslag, dat zoo zijn Hoogheid ongenoegen mogte weezen de voor¬ schreeve Elifanten uijt te leeveren, die dan te accepteeren in mindering van de 27. Stux, die de Comp:e voor agterstallige recognitie, tot den Jaare 1777/8. aan den vorst schul„ „dig was, en om zijn Hoogheid tot dies acceptatie des te eerder over te haalen bood ik alverder aan, dat zoo den vorst daar in wilde toestemmen, ik ook zou laaten volgens de 18. Stuks Elifanten die hier aan handen waren, nee„ ven drie Iaaren agterstallige recognitie penningen, waar door aan„ de voldoening van het gansch tri„ „but nog maar een Elifant zouman„ queeren ie 6 queeren, die in het volgende Iaar zou geleeverd worden: zoo als dit een en ander, verder breedvoerig beschree¬ ven staat bij secreete Resolutie van den 10e Julij. Met hoe veel regt ik op zoo„ danige billijke voorslaagen, een Spoe¬ dig en teffens een aannemelijk ant„ „woord mogt verwagten, ontving ik egter van dien kwalijk gezinden al„ „beschik niet voor den 27. ' Iulij re„ scriptie: welke ten principalen beheldde Dat wanneer het vaartuijg daar de Elifanten van de Comp:e in wa„ „ren van Iaffanapatnam kwam, het zelve gebrooken was, dat agt van die beesten op de Limiten van den vorst ten hougekoomen zijnde, en drie van gecreveerd, dog de overige vijf stuks in de Landen van zijn Hoog heid gekreegen waaren. Dat de Regent van die Land„ „Streek, gemelde Elifanten, aan den vorst hadt gezonden, om dat ze zijn Hoog„ heid
English
[illegible] belonged. That I had written to him that 18 elephants had been brought here for the prince, and that he therefore should order the emissary Annaatje Candidaan to receive the same, provided that a receipt was granted for them according to custom, for 26 ditto, since among the aforementioned 18 pieces must also be counted the eight elephants that had arrived on the prince's borders from the shipwrecked vessel, of which three have perished. However, that of those eight elephants, three having perished again, the remaining five would never be credited to the Company. But because this answer was too unfair and too unreasonable to write anything back in reply, I let it pass in silence, but on the other hand gave the ordinary emissary of the court to understand verbally that I very much doubted whether that answer had indeed been drafted with the prior knowledge of the prince, and that I therefore would not send an answer before I was reliably informed of this. Matters have remained thus since then, without any further application being made by the court. I also deemed it unnecessary to engage in a further war of words over this matter with the aforementioned Albeschik, who since the year 1773 has shown that he is entirely ill-disposed toward the Company; rather, I prefer to await another convenient opportunity for the settlement of that matter, especially since I have been informed from other quarters that the often mentioned Albeschik, on account of overdue revenues from the prince's lands, has not only fallen into disfavor with the court, but is even said to have been placed under civil arrest. Besides this, the former Manaar Coil subadar Cannegasawia Poele, who departed for the Tanjore court with a letter of recommendation signed by the Governor of Madraspatnam, Mr. Rombolt, has assured me that he will settle this dispute to my satisfaction and to the greatest benefit of the Company, on which I believe I may rely. And consequently, I also live in the pleasant expectation that Your High Excellencies will be pleased to approve of my conduct in this matter. I also trust that from what has been discussed above, it will have become fully apparent to Your High Excellencies what kind of obstinate Malabars we must constantly wrangle with at the Tanjore court. People truly deaf to the most reasonable representations, even though founded on cauls and parwannas granted to the Company by the previous princes of that realm, and confirmed by the present prince upon his accession to the throne. And from this Your High Excellencies will also easily be able to deduce that such a proposal, namely to charge the seven elephants that perished here to the prince's account, would find no hearing at all at that court. The more so, as they would immediately appeal to a certain caul, of which the date and the year are unknown to me, in which it is said to be substantially described that the recognition elephants must be brought to Chikel and delivered there to the servants of the prince; while those that have perished in the meantime must remain not on the account of His Highness, but on that of the Company; just as is likewise cited in the Secret Memorandum left to me by the Ordinary Councilor Pieter Haksteen, of blessed memory. The consideration of this has therefore also caused me to hesitate to make the just cited proposition, especially since I expect nothing from it other than an even greater estrangement from that court; and consequently, I have rather refrained from it, holding myself assured that my motives will be considered of such weight by Your High Excellencies that you will also be pleased to approve my conduct in this matter. Yet before and until I leave the realm of Tanjore and its lands by proceeding to discuss other matters, I find myself obliged to give communication to Your High Excellencies of a matter of the utmost gravity that occurred recently in our neighborhood, and in which our Company has been so particularly prejudiced. In the beginning of the month of April, a rumor circulated here that the Prince of Tanjore had ceded to the English Company, in full ownership, the coastal place Naoer, situated close to this city. Astonished by such weighty news, I had a careful investigation made into the truth thereof, which was only too well confirmed. For on 13 April, it was reported to me by several Malabars, who had been eyewitnesses to it, that the day before, or on 12 April, two English gentlemen, accompanied by a detachment of armed sepoys, had arrived at Naoer from Tanjore, and that several English flags had been planted by them both on the borders, along the river, and inland. Of this weighty event I gave notice to the Council the following day, or on 14 April, and I remarked on that occasion that the cession of Naoer to the English Company on the one hand directly conflicted with the promises of assurance given by the late Prince of Tanjore, the Lord Maharaja Rajasrie Pretapa Singaje Raasja Sahib, by letter of 25 March 1750 to the then Governor of Nagapatnam, Mr. Librecht Koopeman, since the prince had thereby solemnly promised and assured that the divan's village [illegible]
Dutch transcription
heid toekwamen Dat ik aan hem geschreeven hadt, dat hier 18. Elifanten voor den vorst aangebragt waren, en dat hij dierhalven aan den zendeling An„ naatje Candidaan, ordre zouden moest om dezelve te ontvangen, mits daar voor volgens gebruijk een qui tantie wierd verleend, van 26. ditos, alzoo onder de voorsz: 18. Stuks ook moesten gereekend worden, de agt Eli„ fanten die uijt het verongelukte vaarthuijg op 's vorsten Limiten ge„ komen waren, en waar van drie gecreveerd zijn. Dog dat van die agt Eli„ fanten drie weeder getakt zijnde, de resteerende vijf de Compagnie nooijt zouden worden ten goede gebragt. Maar wijl dit antwoord, „ te onbillijk en te onreedelijk was, om en weeder iets op te rescribeeren, heb ik het stilswijgende gepasseerd, dog daar„ „en tegen aan den ordinairen zendeling van u e van het Hof, mondeling te kennen ge„ geven, dat ik ir zeer aan twijffelden of dat antwoord wel met voorken „nis van den vorst zodanig wasing „rigt, en dat ik het derhalven niet senden zou beantwoorden voor dat ik daar van in het zeeker was ge „formeerd. Waar bij het Sedert gebleeven zonden dat 'er van het Hof eenig na aanzoek is gedaan. Ook agte ik het onnoodig om mij over deese zaak, met den vo noemden Albeschik, die seedert ann 1773. getoond heeft, dat hij de Compagn gansch ongeneegen is, in een verder per „nen strijd in te laaten: lieven wil ik tot afdoening van die zaak, een andere bekwame geleegendheid afwa „ten, voor al daar ik van ter zijde g'informeerd ben, dat den meerma genoemden Albeschik, over agten „stallige inkomsten van 's vorsten Landen, niet alleen in ongunst van het 10— het Hof geraakt, maar zelfs ook civiel zou gearresteerd zijn. Boven dien heeft den geweezen Manaar Coilschen Soubedhaar Canne„ gasawia poele, die met een brief van recommandatie, door den heer Madras„ „patnamsch Gouverneur Rombolt onderteekend, naar het Tansjoursche hof vertrokken is, mij verzeekerd, dat hij dit different ten mijnen ge„ noegen en ten meesten voordeele van de Compagnie zal verevenen. waar op ik meen te moogen staat maaken. En dien volgende leef ik ook in die aangenaame verwagting, dat Uwe Hooog Edelheeden mijn gedrag in deezen wel zullen gelieven goed te Keuren. Ook vertrouw ik dat uijt het voorwaards verhandelde aan Uwe Hoog Edelheeden, volkoomen zal gebleeken weezen, met wat voor halstarrige Mallabaaren wij aan het Tansjoursche. ge¬ dn 5 Tansjoursche Hof geduurig haspelen waarelijk doot moeten. Menschen voor de billijkste vertoogen, schoon gegrond op Cauls en Parwannas, door vorsten van dat rijk de voorige aan de Compagnie verleend, en door den tegenwoordigen vorst bij zijne komst, tot den Throon bevestigd En hier uijt zullen uwe Hoog „Edelheeden ook ligt kunnen nagaan dat zodanig een voorslag, om na„ mentlijk de alhier gecreveerde zeven„ Elifanten ten lasten van den vorst te brengen, in het geheel geen gehoor bij datt Hof zou vinden. Temeer, daar zij zig di„ rect beroepen zouden, op zeekere caul waar van de datum en't Jaar # mij onbekend is, bij welke in substo tie beschreeven zoude staan„ da „de recognitie Elifanten op Chikel ge „bragt en aldaar aan de bediendens „van den vorst moeten worden g „trageerd; terwijl de in tusschen neder getakte 103 „getakte, niet voor reekening van zijn „dHoogheid, maar voor die van de „Compagnie blijven moeten; zoo als in„ „gelijks bij de Secreete Memorie door de heer Raad ordinair Pieter Haksteen /:L: M:, mij nagelaten, aangehaalt staat. De overweeging hier van heeft mij derhalven ook swaarigheid doen maken, om de zo even geciteerde pro„ positie te doen, voor al wijl ik daar uit niets anders, als maar grooter verwijdering met dat Hof te gemoet zie: en dien volgende heb ik 'er lieven van afgezien, als mij verzeekerd houdende, dat mijne motiven, bij uwe Hoog Edelheeden van zoo veel ge„ „wigt, zullen worden geconsidereerd, dat hoog dezelve mijn gedrag in dee„ zen, ook zullen gelieven te approbee„ „ren. Dog voor en al een ik van het Rijk van Tansjour en derzelver lan„ „den afstappen, door mij, tot het verhandelen Een Mo verhandelen van andere zaaken te begeeven, vinde ik mij verpligt aan„ Uuwe Hoog Edelheeden Communicatie te geeven van een zaak van het aller uijtterste gewigt onlangs in onze nabuurschap voorgevallen, en waar in onze Maatschappij zoo bij zonder benadeeld is. In het begin van de maand april, liep hier een gerugt, dat de vorst van Tansjour, aan de En„ „gelsche Comp: in volkomen eijgendom hadt afgestaan de digt bij deeze Stad geleegen zee plaats Naver Ik verwonderd van zulk een gewig „tige tijding, liet na de waarheid daar van een naauwkeurig onder zoek doen, dat maar al te wel geconfirmeerd. wierdt. Want op den 13 april, wid aan mij door verscheijde Malla baaren, die 'er oog getuijgen van ge„ meest waaren, gerapporteerd, dat 'Sdaags te vooren, of op den 12e: apr twee „ 111 twee Engelse heeren, verzeld van een Commando gewopende Cipaaijs, van Tansjour op Naoen, waren aangeko„ „men, en dat door haar eenige En„ gelse vlaggen zoo op de Limiten, als langs de revier en landwaarts in, geplant geworden waaren van deeze gewigtige gebeur„ 5 tenis, gaf ik 'I daags daar aan of op den 14. april aan den Raad ken„ „nis, en ik remarqueerde bij die gelee„ „gendheid, dat den afstand van Vaoer aan de Engelsche Comp: aan de eene zijde regtstreeks aanliep teegens de belof„ „ten van verzeekering door den over„ „leeden vorst van Tansjour den heer Maharaasja Rajasrie Pretapa Singaje Raasja Sa„ „hib bij missive van den 25 Maart 1750. aan den toenmaligen Gouverneur van Nagapatnam M:r Librecht Koopeman gegeven, alzoo den vorst daar bij tplegtiglijk hadt be„ „loofd en verseekerd dat 's duans dorp a an wid
English
the village of Naoer would never be sold or alienated, but if it should happen that they wished to sell or alienate it, this would be done to no one else than the Dutch Company; all the more so, since those promises had been affirmed and confirmed by the present ruler of Tansjour, the lord Tolaja Radja, upon his accession to the throne in the year 1764. And also, on the other hand, it entirely annulled and overthrew the principal article in the contract concluded at Crager on the 23rd of November 1773 between the Souba of Carnatica, the lord Machomet Alichan, and the Company: because by that contract it was stipulated on our side and promised by the Souba that his Highness's own flag would always fly over the seaside place of Naoer and Topotorre, belonging under Tansjour. And in consideration of the infringement committed on the Company's lawful privileges on the part of the English by taking possession of Naoer, I further proposed to the Council solemnly to protest to the Madraspatnam Government against the taking possession of Naoer or the planting of the English flag there, in the name and on behalf of their High Mightinesses, the lords States General of the free United Netherlands, the High Noble, Highly Honorable Lords Directors of our Company, and Your High Nobilities; to which it was not only resolved with unanimous votes, but we also decided at the same time to dispatch copies of this protest to the ruler and the Souba of Carnatica, with an earnest request to both rulers to maintain our Company and restore it to its privileges. Subsequently, upon my further proposal, we resolved to observe, in the letter with which the protest would be presented to the Madraspatnam Government: That when in the year 1773 we had lawfully purchased the seaside place of Naoer and several other lands from the ruler of Tansjour, according to the deeds of purchase granted to us by his Highness, that same place and lands were reclaimed from us again by his Excellency the Nabab Machometh Alichan (after he had overpowered the city of Tansjour) by force and with the support of the English Company's troops, under the pretext that the Tanjour ruler, being a tributary of the Nabab, had no power to alienate or sell any of his places; and that thereupon, to avoid disputes, that seaside place and the other purchased lands were transferred by us to his Excellency the Nabab. That, this matter having thus occurred, we now found it particularly strange that this assertion of the ruler's incapacity and powerlessness to sell his lands and seaside places to the Dutch Company, upon which they then insisted so strongly, had been forgotten so quickly; and we therefore had to wonder greatly that the ruler of Tansjour, who according to the view of the former Madraspatnam Government and the Nabab then had not the slightest power to surrender his lands to the Dutch Company, had now acquired so much power to cede the seaside place of Naoer to the English Company. All of this is described in detail in the Secret Resolution of the aforementioned 14th of April, to which I take the liberty respectfully to refer, in the hope that the conduct maintained by myself and the Council in this weighty matter may be approved. To this protest, the Madraspatnam Government replied by missive of the 15th of May, without paying any regard to our remark just cited, attempting thereby, as far as possible, to invalidate the legitimacy of our protest through far-fetched remarks and deductions, which were principally founded on our cession of Naoer in the year 1783, which they are pleased to call a lawful purchase; as will abundantly appear to Your High Nobilities from our Secret Resolution of the 26th of May, in which their letter is inserted. However, because the right of the Company was too lawful to be harmed by chicanery, we resolved on the 16th of June not only to refute forcefully the remarks made against it by the Madraspatnam Government, but also further to demonstrate the right of possession which belongs to our Company, in the first place, above all other European nations, regarding Naoer, should it ever be alienated from the realm of Tansjour, whether by virtue of the firman of the ruler or the alliance of the Souba. And how well we succeeded in this, our draft missive prepared for that purpose, which is likewise inserted in the Resolution of the 16th of June, will have the honor to show Your High Nobilities. And with this the important matter rested, without our having obtained the least satisfaction. On the contrary, the Council of Madras saw fit to leave our aforementioned letter unanswered; which was also followed by the Nabab and the ruler of Tansjour, certainly at the instigation of the English gentlemen. Who finally had communication given to me through a certain William Letrie, that he had been stationed at Naoer as chief on behalf of the English East India Company; as Your High Nobilities will be pleased to observe further in our Secret Resolution of the 27th of July, in which that letter [illegible]
Dutch transcription
dorp Waoer nooijt zou worden ven„ kogt, of veralieneerd, dog zoo het kwam te gebeuren dat men het wilde verkopen of veralieneeren het aan niemand anders zouge„ „schieden als aan de hollandsche Comp: te meer nog, daar die belof„ len, door den presenten vorst van Tansjour, den heer Tolaja Radja„ bij zijne komst tot den Throon in den Iaare 1764. was g'affirmeerd en bevestigd geworden. En ook aan den anderen kant ten eenemaal vernietigde en om verre wierp het voornaamste Articul in het Contract tusschen den Souba van Carnatica den heer Machomet Alichan en de Comp:e op den 23. no„ vember 1773. tot Crager gesloten: dewijl bij dat Contract van onze 2 „de bedongen en door den Souba be„ loofd geworden, was, dat op de onder Tansjour gehoorende Zeeplaats Naoer en Topotorre altoos z Hoogheids 113 Hoogheids eige vlag zou waaijen. En uijt overweeging van den in¬ „breuk, die en van de zijde der En„ gelschen, door het in bezit neemen van Naoer, op Compagnies wettige vron„ regten gedaan was proponeerde ik wijders aan den Raad, om tot main„ te nu van onze privilegien, teegens inbezit neemen van Naoen of het planten aldaar van de Engelsche het vlag plegtiglijk te protesteeren bij de Magraspatnamsche Regeering, uijt naam en van weegen, haar Hoog Mogende, de heeren Staaten Generaal der vrije vereenigde Neder¬ landen; de Hoog Edele Hoog Agtbare Heeren Bewindhebberen van onze Maat„ schappij, en Uwe Hoog Edelheedens, niet alleen met unanime waar toe stemmen besloten wierd, maar wij arresteerden teffens van dit protest afschriften aftezenden aan den vorst en den Souba van Carnatica, met ernstig versoek aan beijde de vorsten v a meerd heid vorsten om onze Compagnie te maint neeren, en te herstellen in haare voor regten vervolgens besloten wij, op mijne verdere voorstelling, om bij de brief waarmeede het protest de Madraspatnamsche Regeering zou aangebooden worden te reman„ „queeren. Dat toen wij in den Jaar 1773, de zeeplaats Naoen en meer andere landen van den vorst van Tansjour wettig gekogt hadden, volgens de daar van door zijn Hoogheid aan ons verleende koop „brieven, die zelfde plaats en lan„ „den door zijn Excellentie den Na„ „bab Machometh Alichan (:na dat hij de Stad Tansjour over meesterdt hadt:/ met geweld en ondersteuning van Engelsche Compagnies troupes weeder van ons gereclameerd geworden zijn, quasie onder pretext dat den Tanjourschen vorst als een tri„ butair 113 butair van den Nabab zijnde, geen magt hadt om eenige van zine plaat„ sen te vervreemden of verkoopen, en dat daar op, die zee plaats, en de verdere gekogte landen, tot vermijding van differenten, door ons, werden aan zijn Exceltentie den Na„ „bab, waren overgedraagen geworden: Dat deeze zaak dus gepas„ seerd zijnde, wij het thans bij zon„ der vreemd vonden, dat die sus¬ tenu, van 's vorsten onmagt en kragteloosheid, om zijne Landen en Zeeplaatsen aan d' hollandsche Compagnie te kunnen verkoopen, en waar op men toen zoo sterk stond zoo haast vergeeten was, en wij ons dus zeer moesten ven„ wonderen, dat den vorst van Tans„ jour, die toen volgens het gevoe„ „len, van de voorige Madras„ „patnamsche Regeering en den Nabab, geen de minste magt hadt om zijne Landen aan d hollandse Comp:e te int een an„ ing te kunnen afstaan, thans zoo veel magt gekreegen hadt om de Zee„ plaats wager aan de Engelsche Maat„ schappij te kunnen Cedeeren. Gelijk dit een en ander breedvoerig beschree„ ven staat bij Secreete Resolutie van den voorgewaagden 14. april waar aan ik de vrijheid neem mij eerbiedig te refereeren in hoope dat het gedrag door mij en den Raad in deese gewigtige zaak gehouden, zal mogen worden goed gekeurd Op dit Protest, heeft de Madraspatnamsche Regeering, zon„ „den eenige reflectie op onze zoo even geciteerde remarque te slaan, bij mis„ „sive van den 15. Maij geantwoord. Trag„ „tende daar door, wat het mogelijk de wettigheid van ons protest door ver gesogte remarques en gevolg„ trekkingen, die principaal gefuin„ „deerd waaren op onsen afstand van Naoer in Anno 1783. die zij een wettigen koop gelieven te noemen kragteloos 117 kragteloos te maaken, zoo als aan Uwe Hoog Edelheedens ten over„ vloeden zal blijken, uijt onse Se„ Resolutie van den 26. Maij creete waar bij haaren brief g'insereerd is. Dog wijl het regt van de Maat„ schappij al te wettig was, om door Chicanes benadeeld te kunnen wor„ „den, beslooten wij op den 16. Iunij de daar tegen gemaakte remarques van de Wadraspatnamsche Re„ geering, niet alleen met kragt te weederleggen, maar teffens nog nader aan te toonen het regt van pos„ „sessie, dat onze Maatschappij, in de eerste plaats, boven alle andere Europeesche Natien, op Naoen Competeerd, zoo het ooijt van het rijk van Tansjour mogt worden vervreemd, het zij uijt hoofde van het firman van den vorst of de Aliancie van den Souba. En hoedanig wij daar in ge¬ slaagd. veel slaagd zijn, zal onze daar toe ont„ „worpen missive, die almeede bij de Resolutie van den 16. Iunij is gein„ „sereerd, de eere hebben Uwe Hoog Edel„ „heedens te vertoonen. En hier bij is deeze importante zaak gebleeven, zonder dat wij de minste satisfactie erlangd hebben. Inteegendeel heeft den Raad van Madras goedgevonden onzen voorschree„ „ven brief onbeantwoord te laaten; het geen ook nagevolgd geworden is door den Nabab en den vorst van Jans„ „jour, zeekerlijk op instigatie van de hee„ „ren Engelschen. Die mij eijndelijk, door eenen William Letrie, Communicatie hebben laaten geeven, dat hij als op„ perhoofd van weegen de Engelsche oost- Indische Compagnie op Naoer geplaats was: zoo als uw Hoog„ Edelheedens nader gelieven te bero„ „gen, bij onze Secreete Resolutie van den 27=e Iulij, waar bij dien brief niet
English
is not only inserted, but at the same time are noted the reasons that have moved us to take no further actions concerning this matter, however detrimental that may also be in the course of time for our seat and collection here. Furthermore, I take the liberty to communicate to Your High Nobles that the Nabab Machometh Alichan, by missive of 9 March, has complained very strongly about the chief of Palliacatta Nicolaas Tadama, accusing him and his servants of unjust treatments that were allegedly inflicted by them upon the inhabitants of Palliacatta contrary to ancient customs. The aforementioned letter of his was furthermore accompanied by a copy of a missive from the havildar Hoesen Ali, dated 3 March, and from the inhabitants of Palliacatta, of the 9th of the same month, serving to confirm the aforementioned complaints. I presented the aforementioned letter and its enclosures to the assembly on 3 April, whereupon we decided to order the chief Tadama to account for himself satisfactorily in response to this. He has since done this in a very satisfactory manner, and to the particular pleasure of myself and the Council, wherefore we decided in our session of 14 May to present his defense, translated into the Persian language, together with the attached enclosures, to the Nabab alongside our covering letter, in which we also thought fit to cite such reasons as we deemed necessary for the preservation of the Company's privileges, and for the obtaining of an equitable satisfaction from the havildar on account of his unjust accusations, just as all this is described in more detail in the aforementioned secret resolution of 14 May last, to which I respectfully refer for the sake of brevity. Yet upon this writing we have thus far not been able to obtain the least answer from the Nabab, although his malicious havildar in the meantime does not fail to play his reprehensible role at Palleacatta by causing the chief Tadama all the grief that is possible for him. And to this one may well largely attribute the poor result that our collection again encounters there, as he leaves nothing untried to hinder its progress, whether by plaguing now the merchants and then again the weavers with all kinds of far-fetched pretexts. Regarding the complete information demanded by Your High Nobles in the highly esteemed secret missive of 15 May concerning a certain matter that was mentioned in some letters intercepted at Batavia written to the so-called Prince Pretender to the Candian Throne (though the principal content of which was described in a certain report by the Malay translator, of which Your High Nobles had the kindness to send me a copy), I now have the special honor to note, in dutiful compliance with Your Nobles' highly venerated order: That after I had received as an answer to my respectful letters of 15 October 1774 inquiring how I should behave regarding the person of Appaija Naijken, by the highly esteemed missive of 2 May 1775, "that whether the said Appaija Naijker remained here or departed, I should merely leave this unremarked, while he could go his way without expense to the Company," I have also no longer concerned myself with him at all, although I was meanwhile indeed told that he had quietly proceeded from here to Madras, until I received from the Sadraspatnam chief, the merchant Blaaukamer, under covering letter of 21 November 1777, an extract from an unsigned Madraspatnam letter, in which this Appaija Waijker was spoken of, just as if he was about to cause some damage to the Dutch Company. Yet this affair being still too obscure to me, I could not see so much danger in it as the unknown Madraspatnam letter writer seemed to intend thereby, as Your High Nobles may observe from my letter of 29 November. But by a second letter from the chief Blaaukamer, dated 2 December 1777, accompanied by a copy of a letter written to him by the correspondent of the merchant Blaaukamer, I received a detailed report of how and in what manner the affairs of Appaija Naijken stood at Madras; which did not appear so improbable to me as before, and thus I began to view that matter as more or less dangerous, as my letter to the chief Blaaukamer of 6 December 1777 also shows. Yet I was subsequently again brought into uncertainty as to what I should believe of this matter or not, when I received a third letter, dated 8 December, from the honorable Blaaukamer, as it not only contained the account of the meeting he had had at Tripaloen with the person who, besides the aforementioned Appaija Naijken, was to play the principal role in that so-called dangerous expedition so disadvantageous to us, but at the same time contained a detailed description of the time and place when and where the same was to be carried out; since I, as little as the chief Blaaukamer, could understand why that gentleman, who was to hold the chief command in that expedition, if that plot were true, revealed the same to those against whom it was most undertaken, seeing that the execution could thereby be prevented or made difficult for him.
Dutch transcription
9 11 niet alleen g'insereerd is, maar teffens genoteerd zijn de reedenen die ons be„ moogen hebben over deeze zaak, geen verdere movementen te maaken, hoe nadeelig die ook in het vervolg van tijd voor onzen zeet en inzaam al„ „hier weezen kan. Wijders neeme ik de vrijheid Uwe Hoog Edelheedens te communiceeren, dat den Nabab Machometh Alichan, bij missive van den 9=e Maart, zeer Sterk gedoleerd heeft over het opper„ „hoofd van Palliacatta Nicolaas Tadama, hem en zijne Bediendens beschuldigende, van onregt vaardige behandelingen, die door hun de Palliacattasche inwooners zouden weezen aan gedaan Contrarie de al oude gewoontens. Gaande Zij„ voorschreeven brief nog ven¬ „nen „zeld door een Copia missive van den haweldhaan Hoesen Ali, sub dato 3. Maart, en van de inwooners Palliacatta, van den 9: ' dito, van dienende t„ 6 - dienende tot bevestiging der voor„ schreeve klagten Ik heb den opgemelden brief, en zijne bijlaagen, op den 3. ' april in vergadering geproduceerd, wan„ neen wij beslooten het opperhoofd Iadama te gelasten van zig daar op satisfactoir te verantwoorden Dit heeft hij seedert op eene zeer voldoende wijze, en tot bijzonder genoegen van mij en den Raad gedaan, weshalven, wij ter onzen Sessie van den 14. Meij beslooten, zijne verantwoording, in de Levsiaan„ sche taale overgebragt, Cum an„ „neze bij lagen, den Nabab aan tebie„ „den, neevens onze gelijde letteren waar bij wij teffens goed vonden te Citeeren, zodanige reedenen, als wij noodsake„ lijk oordeelde tot behoud van Com„ pagnies voorregten, en ter erlanging van een billijke satisfactie van den haweldhaar weegens zijn onregt„ vaardige beschuldigingen, gelijk dit een. - 121 een en ander nader beschreeven staat bij voorm: Secreete Resolutie van den 14. Meij pass„o waar aan ik mij kortheijds halve met Eerbied refe„ heere. Dog wij hebben op dit schrij„ „ven, tot nog toe geen het minste antwoord mogen erlangen van den Nabab Schoon zijnen kwaad aan„ „digen haweldhaar ondertusschen niet na laat zijn laakbaaren Rol te Speelen op Palleacatta door het opperhoofd Iadama alle ver„ „driet aan te doen, dat hem maar mogelijk is. En hier aan mag men wil voor een groot gedeeltte toe„ schrijven den slegten uijtslag die onzen inzaam daar weer ontmoet alzo hij niets onbezogt laat om den voortgang daar van tegen te houden, het zij door dan eens de kooplieden, en dan weer de weevers, door allerleij vergezogte voor wend¬ „sels te plaagen. Aangaande A n an¬ 6 dit Aangaande de door Uwe Hoog„ Edelheedens bij hoog g'Eerde Secreete missive van den 15. Maij, gevorderde wolleedige informatie, mopens zeker zaak, waar van melding gemaakt was, bij eenige op Batavia onderschepte brieven aan den zoo genaamden prins Pretendent tot den Candiaschen Throon geschreeven (dog welker voor naamsten inhoud beschreeven stond bij zeekere berigt van den Maleijtsch Translateur, waar van uwe Hoog Edelens, de goedheid hebben gehad, mij Copie toetesenden, heb ik thans ter schuldige voldoening aan Hoo„ derselven zeer gevenereerde ordre de bij zondere Eer te noteeren Dat na ik, op mijne waar bij eerbiedige letteren van den 15. octo: „ber 1774. gedaan, hoedanig ik mij om trent de perzoon van Appaija Naijken, zoude hebben te gedraag bij hoog g'eerde missive van den 2 Maij 123 Maij 1775. , tot antwoord bekoomen had „dat het zij gedagte Appaija Naij„ „ker alhier beleef of vertrok, ik zulks „maar ongeremarqueerd laaten moest, „ter wijl hij buijten kosten van de „Compagnie zijns weegs konde gaan; heb ik mij ook niets meer aan hem laaten geleegen leggen, Schoon mij intusschen wel verhaald wierd, dat hij zig, in stilte, van hier, na Ma„ dras begeeven hadt, tot ik, van het Sadraspatnams opperhoofd den koopman Blaaukamer, onder geleijde Letteren van den 21. November 1777. , een Extract ontving, uijt, een ongeteekende Madras„ patnamsche brief, waar in van deezen Appaija Waijker gesprooken wierd, even een als of thij de holland„ sche Compagnie eenige Schaade stond toe te brengen. Dog deeze affaire mij nog te duijsten zijnde, konde ik daar in zoo veel gevaar niet zien, als den 009 re pte den onbekende Madraspatnamschen brieven schrijven daar meede scheen te bedoeten, gelijk uw Hoog Edelens gelieven te beoogen, uijt mijnen brief van den 29=e November Maar bij een tweede brief van het opperhoofd Blaaukamer, de dato 2:e december 1777. , verseld van een Copia brief, door den Correspondent van den Koopman Blaaukamer aan hem geschreeven, ontring ik een omstandig berigt hoe en op welk een wijze de zaaken van Appaija Naijken op Madras Stonden; het geen mij niet zoo onwaarschijn„ lijk voorkwam als van te vro„ „ren, en dus begon ik die zaak min of meer gevaarlijk aan te zien, ge„ lijk mijn brief, aan het opper„ „hoofd Blaaukamer van den 6 December 1777. ook aantoond Dog ik wierd vervolgens we „derom in het onzeekere gebragt, wat ik van deeze zaak gelooven zou - 125 of niet toen ik een derde brief, in dato 8=e December van de E: Blaauka„ mer ontving, alzoo die niet alleen, behelsde het verhaal van de ont„ moeting die hij te Tripaloen hadt gehadt, met den Perzoon, die neevens den voornoemden Appaija Naijken, in die zoo genaamde gevaarlijke en voor om zoo nadeelige expe„ ditie den voornaamsten vol zou Speelen, maar teffens behelsde eene omstandige beschrijving, van de tijd en plaats, wanneer en waar dezelve stond ter uijt voer ge„ bragt te worden; alzoo ik, zoo min als het opperhoofd Blaau„ „kamer begrijpen kon, waar om dien heer, die het hoofd-Comman¬ do in die expeditie voeren moest, zoo dien toeleg waar was de„ zelve ontdekte, aan die geene waar tegen te meest werden ondernomen. nadien hem daar door de Executie kon worden belet, of moeijelijk gemaakt schen ch len brief en C
English
made: at least a brave and sensible officer, it seemed to me, would keep silent about it; and a traitor would first set his price on what he would draw for his treason. But I found not the least appearance of that, and this made me doubt whether I should believe it or not. However, I decided, in case there might be some truth to it, not to be left empty-handed, to place his wife, mother, and child under the custody of the chief vizier, until such time as I should be further and reliably informed of the truth or untruth of this rumored affair, as my letter to Sadras of December 21 shows. And this is all that I can report to Your Right Noblenesses concerning the state of this affair. Which dissipated into smoke very early on, as has become fully evident to me from a translated letter written from Madras to the Company's Interpreter on December 11, and from a letter from the Honorable Blaaukamer dated December 19 thereafter, since in both it was stated with certainty that nothing detrimental to the Dutch Company was to be expected from the rumored dangerous project. And no sooner was I fully assured of this, than I let the wife, mother, and child of Appaija Naijken go their way again; who to this day remain in this city and with their family. Thus it will fully appear to Your Right Noblenesses from all of this that we have nothing to fear from a bugbear. And this has also constituted the reason that I made no mention of this in my report letters of January 31 of this year: for I was already assured of the falsehood of that rumor then. Meanwhile, however, I take the liberty herewith to present to Your Right Noblenesses in a separate bundle the extracts and copies of the previously cited letters, accompanied by those which I have exchanged on the matter with the Governor of Ceylon, Mr. Falck, which, as I trust, will further confirm Your Right Noblenesses in the thought I hold, that no danger is to be feared for our Company through this channel. Concerning the proposition stated by the Bengal Ministers in their letter to the Netherlands of January 10 of this year: That although the Japan copper was sold in that Directorate with an advance of only 180 per cent, the sale of it over there would nevertheless be more profitable for the Company than here on the coast. Upon the favorable concession obtained for that purpose, toward the refutation of this sentiment, I take the liberty briefly to note the following: It appears to me, Right Noble Sirs! that this proposition of the Bengal Ministers contains nothing other than a defense regarding the lower profits obtained there on the Japan bar copper, in comparison against the greater profit that this mineral yields annually on this coast. And this they attempt to argue by stating: Firstly: That the difference in money here on the coast compared to that of Bengal amounts to nearly 4 percent; and Secondly: That here the copper, as if it were sold, is furnished to the merchants in advance provision on piece-goods, which would not take place in Bengal; adding thereto, at the same time, that, as was said, the merchants on this coast would lose 15 percent upon the sale of the copper. Yet, on the first point I respectfully observe that the proposition of the Bengal Ministers that a difference in the calculation of money exists between Bengal and this coast is true; but I cannot, however, give my assent to the determination made by them of that difference at only 4 percent; which I believe to be a clerical error, since from the calculation made in anno 1768 upon the reduction of the specie of money from Indian to Dutch money, it is very easily demonstrated that this difference amounts to as much as 14 percent to the disadvantage of the Bengal profit account, as I take the liberty most respectfully to demonstrate to Your Right Noblenesses in the following demonstration: Pagodas 1000 reduce to 4800 guilders Indian money, and equal 3047¾ Sicca rupees, which in Dutch money according to the intrinsic value come to amount to f 3809. 10. 4/21. Against which the aforementioned 1000 pagodas according to their intrinsic content are worth f 4500. Which, being deducted from one another, shows the difference of f 690: 9: 17/21, or well over 14 percent. And with regard to the second point, before I proceed to the refutation of what is posited therein, I must express my astonishment at how the Ministers, on such a weak ground as that of hearsay, could report to the Gentlemen Majors as truth that our merchants would lose as much as 15 percent upon the sale of the copper accepted by them from the Company, since that matter is completely devoid of all truth, and can never be proven. And now proceeding to the refutation itself, I reiterate with respect that what was just posited by the Bengal Ministers can never be satisfactorily demonstrated by them, since the advance provision of merchandise on the delivery of piece-goods no more takes place on this Coast than in Bengal, except in isolated instances when the merchants request it of their own accord: for the same, as I recall, has been strictly forbidden by Your Right Noblenesses across all the piece-goods-providing offices. At least I find among other orders from their High
Dutch transcription
gemaakt:, Ten minsten een braat en verstandig officier dagt mij zou er van zwijgen; en een verraden, wel eerst prijs maaken, wat hij voor zijn verraad trekken zou¬ Dog ik vond daar van geen de minste schijn, en dit deed mij twijffelen of ik vergeloof aan slaan Zou of niet. Egter besloot ik, om wanneer er iets van waar mogte weezen, niet agter het net te visschen zijn vrouw moeder, en kind on¬ „derbewaring van den hoofd visia„ door te stellen, tot tijd en wijle ik nader en Secuur onderrigt zou weezen van de waar of tonwaar „heid deezer gespangeerd werdende affaire, gelijk mijn brief, na Sa„ „dras, van den 21. December aan toond. En dit is alles wat ik Uwe Hoog Edelheeden melden kan va den toestand deeser affaire. Die 124 Die al vroeg in rook verdeer„ „nen is, zoo als mij uijt een Trans„ laat-brief op den 11:e december uijt Madras aan Compagnies Tolk geschreeven, en uijt een brief van d' E: Blaaukamer, op den 19:e daar aan gedateerd, volkomen gebleeken is, alzoo in beide met verzeekering wierdt gemeld, dat van het gespargeerde gevaarlijk project niets nadeeligs voor„ de hollandsche Maatsschappij te wagten was. En zo dra was ik hier van niet volkomen geassueerd, of ik liet de vrouw, moeder en het kind van Appaija Naijken weederom haare weegs gaan; die zig tot nog toe in deeze stad en bijhaar familie ophouden. Dus Uwe Hoog Edelhee„ den uijt dit een en ander, volko„ men blijken zal, dat wij voor bullebak niets te weezen dien hebben aan een ne hebben. En dit heeft ook de reeden uijtgemaakt, dat ik hier van geen mentie gemaakt, dat ik hier van geen mentie gemaakt heb bij mijne apporte letteren van den 31:e Ia„ nuari deees Iaars: want ik toen al van de valsheid van dat gerugt verzeekerd, was Ondertusschen neem ik egter bij deezen de vrijheid, Uwe Hoog„ Edelheeden in een aparte bondel aan tebieden, de Extracten en Copias, der voorwaarts geciteerde brieven, verzeld van die welke ik daar over gewisseld heb, met den heer Ceijlons Gouverneur Falck, die, zoo ik vertrouw Uwe Hoog Edelhee¬ „dens nader zullen bevestigen, in de gedagten die ik heb, dat 'er door dit Canaal geen gevaar voor onse Maatschap pij te dugten is. Concerneerende de Stelling van de Bengaalsche Ministers bij 123 bij hunnen brief na Nederland van den 10e: Januarij deses Jaars, opge¬ „geven. Dat Schoon het Ia„ pans koopen in die Directie maar met een avansch van 180. perC:to verkogt wierd, den vertier daar van ginder, nog tans profitabelen voor de Maatsschappij, zou wee„ zen als hier ter kuste. Neeme ik, op de daartoe erlang¬ „de gunstige Concessie, tot wederleg„ „ging van dit gevoelen, de vrij„ „heijd het ondervolgende korte„ lijk te noteeren Het Schijnd mij toe Hoog Edele heeren! dat deeze Stel„ ling der Bengaalsche Ministers, niets anders bevat, dan, een ver„ dediging, weegens de ginder behaald wordende mindere winsten op het Staafkoper Iapans, bij vergelij„ king, teegens de meerdere winst dat dit mineraal Iaarelijks ten deesen. en „ dat ti ing deesen kuste komt af te werpen. En dit tragten zij te beweeren door te stellen. Primo. Dat het onderscheijd van het geld hier ter kuste met dat van Bengale na genoeg komt op 4. percent; en Ten Tweeden: Dat hier het koo„ „per, als ware het verkogt, de kooplieden bij vooruijt verstrekking op Lijwaaten gefourneerd wordt dat in Bengalen geen plaats zoude hebben: daar teffens bij voe„ „gende, dat, zoo als gesegd wierd. de kooplieden ter deeser kuste bij verkoop op het kooper 15. percentos verliezen zouden. Dog, op het eerste merke ik eerbiedig aan, dat de Stelling der Bengaalse Ministers, dat er een different in de bereeking van het geld tusschen Bengalen en deeze kuste plaats heeft 131 heeft, waar zij Maan ik kan egter mijn toestemming niet geeven dan de door haar gemaakte bepaaling van dat different op maar 4. per„ cent; dat ik geloof een schrijff fout„ te weezen, alzoo uijt de in anno 1768. gemaakte bereekening bij de redictie der geld specisen van Indiasch tot Nederlandsch geld, zeer faciel te demonstreeren is, dat dit different ten nadeele van de Bengaalsche winst reekening wel 14. percent bedraagd, zoo als ik de vrijheid neem uwer Hoog Edel„ heedens allen eerbiedigst aan te toonen bij de ondervolgende de„ monstratie Pagooden 1000. –. reduceeren 4800. e guldens Indiasch geld, en staan gelijk met 3047¾. Sicca ropij welke aan Nederlandsch geld volgens de intrinsique waarde komen n te na koo„ uit ter koomen te bedragen waar en teegen de voor„ „melde 1000. pagoden vol„ „gens haar inthinsicq ge„ halte waardig zijn - - - „ 4500. —. T welk van elkande¬ „ren gedetraheerd zijnde aantoond het verschil van of 14. percent ruijm. En ten aanzien van het tweede moet ik, voor ik tot wederleg„ ging van het daar bij geposeerde ovenga, mijne verwondering be„ tuijgen, hoe de Ministers op zulk een Zwakke grond, als die van hooren zeggen aan d' heeren Ma¬ jores voor waarheijd hebben kun¬ „nen opgeeven, dat onze kooplie„ „den wel 15. percent zouden ver„ „liezen, bij verkoop van het door haar van de Compagnie ge„ accepteerde koper, alzoo die zaak ƒ 690: 9:/2 -. ƒ3809. 10. /4. ten. 453 133 10. /21. ten eenemaal van alle waarheijd ontbloot is, en nimmer beweezen worden kan. En als nu tot de wederleg„ ging zelve treedende, herzegge ik met eerbied, dat het zoo even ge„ poseerde door de Bengaalsche Ministers, nooit voldoende door haar kan worden aangetoond, alzoo de vooruijt verstrekking van Koopmanschappen op leve„ „rancie van Lijwaaten even zoo min ter deezer Custe als in Ben„ „galen meer plaats heeft, excepto enkelde voorvallen, wanneer de kooplieden uijt eijge beweeging daar om versoek doen: want het zelve, zoo mij voorstaat door uwe Hoog Edelheedens fi„ „naal verbooden geworden is over alle de Liwaat geevende Comptoi¬ ren. Ten minsten ik vinde daar onder meer andere ordres bij hoog derselver - 9. 1/21. k
English
their letters dated 31 March 1763, 14 March and 23 May 1766, such strict orders for the abolition of that abuse, that I cannot think that one of our chiefs would have the boldness to dare to act against it. And that it has never occurred at this main office during my administration, I can assure Your High Noblenesses; I have also never received the least complaints in that regard from the merchants of the subordinate factories, who, if such had occurred against their mind and will, would certainly not have failed to complain to me about it in private. Moreover, such a proceeding, running counter to the order of Your High Noblenesses, would immediately have caught my eye, because in such a case the chiefs of Sadraspatnam and Palleacatta would not need to make annual demands for cash. And on the other hand, those of Iaggernaijkpoeram would not be able to support themselves without the assistance of cash; whereas now, on the contrary, with a large turnover of merchandise, the balance of their large treasury grows to as much as 160 to 180,000 pagodas; whereby I was compelled just in the past year to lift successively from there a considerable sum of 80,000 pagodas, which were brought hither in sealed chests because I did not judge them safe enough there. Above all this, Bimilipatnam is successively supported from Iaggernaijkpoeram with cash, whether rupees or new Nagapatnam pagodas, for making their purchases, as can be proven from the incoming letters. Yet I trust that what has already been stated will be considered sufficient to refute what the Bengal ministers have advanced, and that Your High Noblenesses will also clearly see from this that the profit of 180 percent, which with 14 percent for the difference in the specie makes only 194 percent, can in no way bear comparison with the profit obtained on this coast from Japanese bar copper: which is set by the Bengal ministers at merely 212 percent; whereas the actual advances in the four most recently concluded financial years have risen from 230 to 236 percent, and now even after the latest decrease in the retail price will still yield a profit of 220 7/16. And therefore, in the hope that Your High Noblenesses will please pardon my verbosity in this matter, I shall proceed to discuss other affairs. The heavy expenses that the Company has to bear here, especially in maintaining its fortifications, have long made us contemplate a means whereby the Company could somewhat be aided in this pressing burden without burdening the community too much. And for this purpose it seemed to me no more suitable means could be devised than the levying of a moderate tax on the inhabitants of this city, assessed upon their houses. Accordingly, on the 26th of March I made a proposal to levy annually once from all the inhabitants of this city six stuivers or 1½ fanum for each square rod that their houses, dwellings, or gardens should occupy in their circumference, in order subsequently to obtain from this money the necessary costs for cleaning the city and repairing its walls. Whereto further, for such weighty reasons as are described in the general Resolution of that day, it was decided with unanimous votes, without anyone raising or indicating the slightest difficulty against it. Thus I had not the slightest thought that this tax would stir up a general revolt among the inhabitants. Which nevertheless occurred, to the astonishment of myself and everyone. For no sooner was the issued notice of this tax published and posted, than all the inhabitants departed from this city, without giving me the slightest knowledge of the reason that incited them to such rebellious conduct; as all this is described more fully in the Secret Resolution of the 27th of April. However rebellious and punishable such an act was, I nevertheless chose to take the gentle path with them, and therefore had them asked on the 15th of April the reason that had incited them to such rebellious conduct. To this they gave a dilatory answer, which was prolonged still further from day to day, so that with the utmost impatience I had to wait until the 29th of April for their so-called points of grievance, which were then finally handed to me. Among a hundred trivial matters, they finally came forward with three so-called main points of grievance regarding which they desired redress. Namely, in the first place, they felt aggrieved by a notice of the 5th of April 1777, whereby for weighty reasons it had been decreed that all book debts or money loans on olas and other private writings must be claimed at the latest within the period of two years on pain of default. And secondly: they complained about the edict of this government of the 26th of March, whereby the aforementioned general tax was introduced over all the houses of this
Dutch transcription
derselver brieven sub dato 31. Ma„ 1763. 14: Maart en 23. Maij 1766. zodanige Strikte bevelen tot afschaffing van dat misbruijk, da ik niet kan denken dat een van on opperhoofden, de hardiesse zou durv hebben, van daar tegen te handelen En dat het op dit hoofd Comptoir geduurende mijn bestier, nooijt ge„ schied is, kan ik uwe Hoog Edel„ „heeden verzeekeren, ook heb ik die weegens, nooijt de minste, klagten ontvangen, van de kooplieden dat onderhoorige Factorijen, die wa neer zulks tegens haaren zin en wil geschiede, zekerlijk niet zou„ den nagelaten hebben daar over aan mij in het particulier te kla gen Boven dien, zou zodanig eene, tegen de ordre van Uwe Hoog Edelheeden aanloopende behandelin mij alschielijk in het oog zijn ge„ loopen, door dien in zulk een geval de 135 de Opperhoofden van Sadras„ patnam en Palleacatta geen Iaarelijksche Eisschen behoefden te doen van Contanten. En daar en teegen zouden die van zaggen„ naijkpoeram zig niet kunnen bedruijpen zonder assistentie van Contanten: daar nu integendeel bij een groot vertier van koop„ manschappen het restant van hun groote kas wel tot 160 â 180'000 pagooden aangroeid; waar door ik nog in anno passato ge„ noodsaakt geweest ben Succes„ „sive van daar te ligten en aan„ zienlijke somme van 80'000 pa„ gooden die in verzegelde kisten herwaarts overgebragt zijn om dat ik ze ginden niet vijlig genoeg oordeelde Boven dit alles wordt Bimilipatnam, Successive van Iaggernaijkpoeram ondersteund met Contanten, het zij ropias, of nieuwe. Ma„ 1766. tot van du on ik g Een 6 - nieuwe Nagapatnamsche pagooden, tot het doen van haaren inzaam, gelijk uijt de aankomende brieven kan beweezen worden. Dog ik vertrouw dat het bereeds geposeerde voldoende zal g'agt worden tot wederlegging van het geen de Bengaalsche Ministers hebben geavanceerd, mits„ gaders dat uwe Hoog Edelheeden daar uijt teffens duijdelijk zullen zien, dat de winst van 180. per„ cent die met 14. percent voor het different den geld Specie maar 194. percent uijtmaakt, nog in geen Comparatie komen kan, bij de winst die ter deezer kuste op het Iapansch Staafkoper werdt, behaald: welke door de Bengaalse Ministers Slegts op 212. percent is gesteld; daar de eigentlijke advancen in de Jongst affgelegde vier Boekjaaren van 230. tot 236. percent gereesen zijn, mitsg=s nu 137 nu nog, na de Iongste deminutie van den uijtkoops prijs een winst van 220. 7/16. zal afwerpen. En derhalven zal ik in hoo¬ „pe dat uwe Hoog Edelheeden mijne wijdloopigheijd in dezen zullen gelieven te pardonneeren, tot het verhandelen van andere zaaken overgaan. De Zwaare ongelden die de Comp:e hier te draagen heeft, voor al in het onderhouden van haare fortificatie werken, hebben wij al lang doen bedagt weezen om een middel uijtte denken waar door de Maatschappij eenigsins kon wor„ „den te gemoet gekomen in deesen drukkende last post, zonder dat het de gemeente te veel bezwaarde En hier toe dagt mij kon geen ge¬ schikten middel worden uijtge„ dagt dan het heffen eenen maatige belasting van de inwooners deeser stad, bij omslag over haare huijsen Dien volgenden den Dien volgende, deed ik op den 26:e Maart propositie, om van alle de inwooners deeser Stad Daar lijks eens te heffen zes Stuijvers of 1½ fanum voor ieder quadraad roede die haare huijsen, woonin¬ gen of tuijnen in haaren omtrek zouden beslaan, om uijt dit geld vervolgens te vinden de noodige kosten tot het Schoonhouden van de Stad, en het repareeren van haare muuren Waar toe wijders om zoodanige gewigtige reedenen, als bij de gemee¬ ne Resolutie van dien dag be„ schreeven staan, met ungnime stemmen wierdt beslooten, zonder dat door iemand de minste Zwa„ righeijd daar tegen wierdt geop¬ of te kennen gegeeven ptert Dus ik geen de minste gedagten hadt, dat die belasting, een generaalen opstand verwekken zou onder de ingezeetenen. Het 139 239 Het geen egter tot verbaazing van mij en een ieder gebeurt is. want zodra was het inge„ stelde Biljet van deeze betasting niet gepubliceerd en g'affigeerd, of al de inwooners weeken deese Stad uijt, zonder aan mij de minste kennis te geeven van de reeden die hun tot zulk een opvoerig gedrag aanzette; gelijk dit een en ander na„ „der beschreeven staat bij Secreete Resolutie van den 27:e april. Hoe opvoerig en Strafbaan zulk een daad was, verkoos ik egter met hun den zagten weg in te slaan, en derhalven liet ik haar op den 15. april afvraagen, de rec„ „den die hun tot zulk een oproe„ rig gedrag hadt aangezet. Hier op gaven zij een uijt¬ stellend andwoord, het geen vandag tot dag nog al meer verlengd wierd, dus ik met het uijterste ongeduld, tot den 29. april heb moeten wag„ ten d en - ten na hunne zoo genaamde poincten van bezwaar, die mij toen eijndelijk wierden ter hand gesteld onder honderd beuzel agtige zaaken, kwamen zij eyndelijk te voorschijn, met drie zoogenaamde hoofd poincten van bezwaan waar„ omtrend zij redres begeerden. zij vonden zig namentlijk in de eerste plaats beswaard, over een Bitjet van den 5. april 1777. waar bij om gewigtige reedenen g'arresteerd geworden was dat alle Boek Schulden of geld lee„ ningen op olas en andere onderhand„ „sche geschriften uijterlijk binnen den tijd van twee Iaaren moesten sub panc van worden ingevorderd verstek En ten Tweeden: Klaagden zij Placcaat deeser Regee„ over het ring van den 26. Maart, waar bij de opgemelde Generaale belasting was ingevoerd, over alle de huijzzen deessen