Inventory 9695
Coromandel · 740 pages · 102 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
For Zeeland Written to Batavia Copy of the letter in January 1779. Ceres of Coromandel Original separate letter of the Governor alone to the 17 dated 15 January 1779 Folio 399 to 400 Copy of the same of the same and Council to the Gentlemen 17 dated 5 October 1778 with a postscript dated 22 October Folio 401 to 410. Ditto alone to the same dated 30 October Folio 411 to 412 Ditto Ditto Ditto ditto to the same dated 15 January 1779 413 to 447. Ditto Letter of the Ministers to the High Government dated 14 January Book 608 paragraph 20 Number 33. 399 Zeeland Patria To His Serene Highness, The High-born Prince and Lord Willem By the grace of God Prince of Orange and Nassau, Hereditary Stadtholder, Captain and Admiral General of the United Netherlands, etc., etc., etc., Supreme Governor General, and Supreme Director of the Noble East India Company Together with The High Noble, Right Honourable Lords Directors, Delegated to the Assembly of Seventeen for the Chamber Zeeland, Serene High-born Prince and Lord! High Noble, Right Honourable Lords, Since the departure of the Ceylon return ships Secret to 400 to Europe, with which, according to annual custom, the general report of what has been executed on this Coast during the financial year 1777/8 is respectfully presented to Your Serene Highness and Your High Noble Right Honourable Lordships, is near, I take the liberty to let this serve to accompany my separate advices of 5 and 30 October of the past year, as well as that of today, of which the first two have already been presented to Their High Nobilities, the Supreme Indian Government at Batavia, and the last is currently being presented, to whose contents I refer in the most respectful manner, as they all contain such a detailed description of affairs that it would be considered superfluous by Your Serene Highness and Your High Noble Right Honourable Lordships to make mention thereof again in this, the more so because, with the surrender of Pondicherry to the English, all hostilities on and along this Coast, as far as is known, have ceased. Wherefore Wherefore I take the respectful liberty to commend Your Serene Highness and Your High Noble Right Honourable Lordships, together with the weighty interests of the Company, to God's safe keeping, and myself to Your precious favour and protection, and to subscribe this with the most perfect high esteem and respect; as Serene High-born Prince and Lord, High Noble, Right Honourable Lords, Of Your Serene Highness and Your High Noble Right Honourable Lordships, entirely humble, obedient, and faithful servant, Nagapatnam In the Castle of Your Serene Highness and Your High Noble Right Honourable Lordships, the 15th of January 1779. J: Clisfingen 401 Zeeland. To His High Nobility The High Noble, Right Honourable, Far-ruling Lord Batavia Reynier de Klerk Governor General, and The Right Noble Lords Councillors of the Netherlands Indies, etc., etc., etc. High Noble, Right Honourable, Far-ruling Lord And Right Noble Lords! Via Ceylon we have had the distinct honour to receive Your High Nobilities' very venerable secret letter of 14 July last, which we, in order to relieve Your High Nobilities Secret copy as 402 as soon as possible of all anxiety regarding the matter of Cannagasawer Poelle, now take the liberty respectfully to answer. If the undersigned Governor, in his secret letter of 31 January last, described the former Manaarcoil Regent Cannagasawer Poelle as an old favourite and faithful servant of the Tanjore prince, we would, if our testimony were required in this regard, likewise not dare to declare anything else. At least his conduct, prior to the dethronement of his prince, well deserved such a favourable attestation. How he later acquitted himself, or upon the restoration of the prince in his Regency: of this we are not sufficiently informed to dare pass judgment thereon. But when we observe the usual manner of acting among the native Regents, we can 403 scarcely believe that he would have made himself guilty of embezzling the prince's revenues; rather, it seems to us, he would have applied himself to extortion, since generally speaking it is quite indifferent to the native princes, provided they only enjoy their annual revenues, how their subjects are treated. At least, we, no less than the undersigned Governor, have given no credence to that accusation, but regarded it as a fruit of the irreconcilable hatred that we know the Tanjore prime minister bears against him. And upon the aforementioned suppositions, the undersigned Governor in his secret letter of 31 January placed the aforementioned Manaarcoil Regent in such a favourable light. Which he hopes will soon be further confirmed. Yet, yet even if that, contrary to expectation, should not happen, he nevertheless requests Your High Nobilities never to believe that he intentionally, through an erroneous account, intended to mislead Your High Nobilities in any way in this matter. Meanwhile, this we acknowledge, we have had various difficulties with the Tanjore court over his departure to Jaffanapatnam; but whether all the hostilities that they have seen fit to put into action against us were committed with the prior knowledge of the prince, this we doubt with reason. At least, if the prince had given orders to that end, it is difficult to imagine that upon the first news he received of the arresting of the Porto Novo merchants, he would have given orders for their release, which nonetheless truly happened. And whether by the undersigned Governor,
Dutch transcription
voor Zeeland— Naar Batavia geschreeven Copia des Brievs in Januarij 1779. Ceres van Chormandel Orig. seorte Miss. van den Gour alleen aan de 17e. inde. 15 Jan. 1779 Fo. 399 a 400 Copie _o _o „ „ „ en Raad „ G d 7: „. 5 Octob 1778 met een P: S: ind.:o 22 Octob. : Fo. 401 a 410. do „ alleen „ „ „ 30 _. o _o „ 4. 11: 412 d. o. do do do „ _o „. „ . 15 Jan. 1779 413 „ 447. d. o Brief vande Mins. aan de H R indo. 14 Jan D. 608 § 20 No. 33. 399 Zeeland Patria Aan syn Doorlugtigste Hoogheijd, Den Hoog gebooren vorst, en Heere Willem Bij der gratie gods Prince van Orange en Nassauw, Erfstadhouder, Capitain en Admiraal ge„ neraal der ver Eenigde Nederlanden etc„a, etc:a dc„o opper Gouverneur Generaal, en opper bewindheb„ ber van de Edele Oost Indische Maatschappij Benevens De Hoog Edele Hoog Agtbare Heeren Bewindhebberen, Ter vergadering van Seventhienen gecommit„ teerd ter kamer Zeeland, Doorlugtige Hoog gebooren vorst en Heere! Hoog Edele Hoog Agtbare Heeren„ Nadien het vertrek der Ceijlonse rethourscheepen Secreet na E 400 na Europa, waar meede volgens Iaarlijkse ge„ woonte uwe Doorlugtige Hoogheijd, en Hoog Edele Hoog Agtbare het generaal verslag van het verrigte ter deeser Custe, geduurende het boekIaar van 177 7/8 Eerbiedig aangebooden word, na bij is, zoo neem ik de vrijheijd deese te doen. dienen tot geleijde van mijne apparte advijsen van den 5. en 30. ' October des gepasseerden Iaars, mitsgaders van die van heeden, welke twee Eerste Haar Hoog Edelens de Hooge India„ se Regeering te Batavia bereeds aangebooden zijn, en de laaste thans aangsbooden word, aan wel„ kers inhouden ik mij op het Eerbiedigst refereer„ als alle deselve behelsende zodanige omstandige beschrijving van zaaken, dat het door uwe Doorlugtige Hoogheijd en uw Hoog Edele Hoog Agtbare als overtollig zoude aangemerkt wor„ den, om daar van in deesen wederom aanhaaling te doen, te meer wijl met den overgang van Pon„ dicherij aan de Engelschen, alle vijandelijk heeden op en langs deese Cust, voor zoo verre bekend is, hebben opgehouden Waar Waarom ik de eerbiedige vrijheijd neem uwe Doorlugtige Hoogheijd, en Hoog Edele Hoog Agtbare, nevens de gewigtige belangens van de Maatschappij in Godes veijlige hoede, en mij in Hoog derselver dierbaare gunst en protec„ tie aante beveelen, en met de volmaakste hoog agting en Eerbied deese te onderschrijven; als Doorlugtige Hoog gebooren Vorst en Heere Hoog Edele Hoog Agtbare Heeren„ Over Doorlugtige Hoog„ heijd, en uw Hoog Edele Hoog Agtbare, gants oot„ moedige, gehoorsame, en Trouwschuldisge Dienaar. Nagapatnam # In het Casteel van # uwe Doorlugtige Hoogheijd, en uw Hoog Edele Hoog Agtbare den 15. ' Januarij 1779. J: Clisfingen 3 - E E 9 401 Zeeland. Aan zijn Hoog Edelheid Den Hoog Edelen Groot Agtbaaren Wijdgebiedenden Heere Batavia Reijnier de Klerk Gouverneur Generaal, en De Wel Edele Heeren Raaden van Nederlands Indie &a. &=a. &a Hoog Edele Groot Agtbaare Wijdgebiedende Heer En Wel Edele Heeren! Over Ceilon hebben wij de bijzondere eere gehadt te recopieeren uwer Hoog Edelhee„ dens zeer Gevenereerde secreete-missive van den 14. Julij Jongstleeden, die wij om uwe Hoog Edel„ Copia Secreet heedens 402 heeden zoo dra mogelijk alle ongeristheid te benee„ men; nopens de zaak van Cannagasawea Poelle thans de vrijheid neemen eerbiediglijk te beantwoor Heeft den andergeteekende Gouverneur bij zijne s¬ creete missive van den 31. Januarij Jongstleeden den geweesen Manaarcoilschen Regent Cannagasawer Poelle, als een ouden gunsteling en getrouwen Die„ naar van den Tansjourschen vorst beschreven, wij zouden wanneer van ons dierweegens getuigenis gevorderd wierd, ook niets anders durven verklaa ven. Ten minsten zijn gedrag, voor het detronee„ ven van zijnen vorst, heeft zulks een favorabele attestatie wel verdiend. Hoe hij zig naderhand g of bij de wederherstelling van den vorst in zijn Regentschap heeft gequeeten: hier van zijn wij niet genoeg geinformeerd, om er over te durven oor„ deelen Maas wanneer wij letten, op de gewoone wijze van handelen onder de Inlandsche Regenten kun„ nen den — 403 nen wij naauwelijks gelooven dat hij zig zouw schul„ dig gemaakt hebben aan ontvreemding van Ivorsten inkomsten, Eer dunkt het ons zou hij zig toegelegt hebben of knevelarijen alsoo het in het algemeen genoomen de Inlandsche vorsten wanneer zij slegts hunne Jaarlijksche revenuen genieten, vrij wat onverschillig is, hoe er met hunne onderdaa„ nen geleefd wordt Ten minsten, wij hebben zoo min als den ondergeteekende Gouverneur aan die beschuldiging gelooff geslaagen, Maar ze aangesien voor een vrugt van den onverzoenbaaren haat die wij weeten dat den Jans Jourschen Albeschik hem toedraagd- En op de voorschreeve suppositien heeftt den ondergeteekende Gouverneur bij zijnen secree„ te Missive van den 31. e Januarij den voorschree„ „ven Manaarcoilschen Regent in zulk een favorabel dagligt geplaatst. Het geen hij hooft, dat erlang nader zal worden bevestigd. Dog Schoon schoon dat egter, al eens tegen verwagting niet mogt gebeuren, versoekt hij even-wel Uwe Hoog Edelheedens, van nimmer te gelooven„ dat hij alwillens, door een verkeerd verhaal, voorneemens zou geweest zijn Hoogdezelve in deesen eenigzins te misleiden Ondertusschen, dit erkennen wij, hebben wij over zijn vertrek naar Jaffanapatnam ver„ scheide moeijelijk heeden met het Jansjoursche gte hoff gehadt; maar off al de hostiliteiten, die men goedgevonden heeft teegens ons in het werk te stellen, met voorkennis van den vorst ge„ p schied zijn, hier aan twijffelen wij met reeden. Ten minsten zoo de vorst daar toe ordre gegee„ ven hadt is het kwalijk te denken, dat hij op de eerste tijding die hij kreeg, van het arresteeren van de Portonovosche Kooplieden, last zou gegeeven hebben tot hun ontslag, het geen egter waarelijk geschied is plo En off door den ondergeteekende Gouverneur, _
English
Whether cause was given by us to the Tanjore ministers to act against us in such a manner as took place and is described in detail in the Governor's Secret Missive of 25 September, we gladly leave to the righteous judgment of Your Right Excellencies. Meanwhile, it grieves us greatly that the tidings received concerning it caused some anxiety to Your Right Excellencies, the more so because that anxiety was caused at a time when all differences here concerning Cannagasawea Poelle had already been settled. Were this not so, we would immediately obey their high orders by surrendering Cannagasawea Poelle to the Tanjore prince. Although this has never yet been done by any of the previous Governors, or demanded by any of the princes of Tanjore. But this having now fortunately become unnecessary through the return of Cannagasawea Poelle and his appearance at the court of the prince, we hope that Your Right Excellencies will be pleased to favorably pass over our conduct maintained in this matter, and described in detail in the Governor's aforementioned separate missive of 25 September and our secret Resolutions of this year, in consideration that in all of this the ancient usages have been observed. Meanwhile, we hope upon a following occasion to be in a position to fully inform Your Right Excellencies how far Cannagasawea Poelle has advanced at the Court of Tanjore with his reinstatement. It is already said that he has met the prince and that the latter declared he had not the least claim against him. Yet whether this be true requires further confirmation. More certain is that which the first signatory of this has learned on good authority, namely that Cannagasawea Poelle has taken on lease for 60,000 pagodas a year the lands situated in the Province of Kiwaloer, which were purchased by us in the year 1773 from the Tanjore prince for the account of the Company, but are now given by His Highness, along with the sea place Naoer, to the English Company. And it is further reported that for the aforementioned purpose he intends shortly to depart from Tanjore to Madras, in order to confirm further with Governor Rumbolt the contract provisionally entered into with the English Resident, William Petri, with respect to the lease of the aforesaid lands. Which, if it goes through, will again bring us into the absolute necessity of maintaining a constant friendship with Cannagasawea Poelle, because, having the aforesaid lands in lease, he must be considered as Regent of the same, and thus can do us much pleasure or grief, because the aforementioned lands enclose this City and the 32 villages of the Company in a crescent shape in such a manner that, without his consent, we would not be able to obtain the least supply of provisions, indeed even no surface water for our paddy fields or tanks in which the Company's linens must be washed. And consequently, whether Cannagasawea Poelle be restored by the prince of Tanjore to his former post of soubedhaar or not, we cannot possibly dispense with his friendship without prejudice to the Company, of which we trust that Your Right Excellencies will perceive the absolute necessity as clear as day; as also the benefit which the Company now has to expect from his gratitude for the protection lately granted to him at Jaffanapatnam. That the tax introduced here upon the houses of the inhabitants of this City was stated by them to be the principal cause of their departure, as Your Right Excellencies had been informed indirectly, is a truth which they will find described in detail in the Governor's Separate Missive just quoted. But we hope that Your Right Excellencies will at the same time see from it that this was merely a pure pretext to cover their evil design, which extended so far that they sought to withdraw all authority over them from us. For if the aforesaid tax, which was framed very moderately, were to be considered the principal reason for their departure, they surely would have returned as soon as the same was withdrawn. Yet this still required a good deal of trouble. And above all this, it is in our opinion further and completely evident that their departure cannot be attributed to the Tax Edict published here, if one merely considers for a single moment that among the departed inhabitants were also found the villagers who live in the villages and the fishermen who live along the shores. For these, after all, had nothing to do with a tax levied on the houses of the inhabitants of this city; and yet they were among the first who departed, having surely been incited thereto by some ill-intentioned inhabitants, among whom were several of the principal persons, who were already pregnant with rather extensive projects. But we shall in this respect refer with all reverence to the Governor's separate Missive and our secret Resolutions sent with the Veldhoen; from which we trust that Your Right Excellencies will see with satisfaction that in this matter action was taken with the very utmost moderation. And
Dutch transcription
of door ons aan de Jans Joursche Ministers oor„ zaak gegeeven is, om zodanig tegen ons te agee„ ren als geschied en omstandig beschreeven is bij 's Gouverneurs Secreete Missive van den 25. ' Sep„ tember, laaten wij gaarne over aan het regt„ vaardig oordeel van uwe Hoog Edelhee„ den Middelerwijlen smert het ons zeer, dat de daar van ingekoome tijding eenige ongerust„ heid bij uw Hoog Edelheeden heeft verwekt gehadt te meer daar die ongerustheid ver„ oorzaakt geworden is in een tijd, dat hier alle verschillen over Cannagasawea Poelle al verevend waren. was dit zoo niet, wij zouden immedi„ „aat Hoog der zelver ordre obidieeren, door Cannagasawea Poelle aan den Jans Jour„ „schen vorst over te geeven. Schoon dit nog nimmer door een van de voorige Gouverneurs geschied, off door een der vorsten van Jans„ Jour perle 404 405 Jour gevorderd is.— Maar dit nu Gelukkiglijk door de te rug Komst van Cannagasawea Poelle, en zijn ver g schijning aan het hoff van den vorst, onnodig geworden zijnde, hoopen wij dat uwe Hoog Edelheeden, ons gedrag in deeze zaak ge„ houden, en omstandig bij s Gouverneurs voor melde apparte missive van den 25. September en onze secreete Resolutien van dit Jaar beschreeven staande Gunstig zullen gelieven te passeeren, uit overweeging dat in allen dee„ ze de oude usantie Geobserveerd zijn —. Intusschen hoopen wij bij een volgende gelegendheid in staat te weezen uwe Hoog Edelens volkoomen te informeeren, hoe verre 100 Cannagasawea Poelle aan het Hoff van JansJour met zijne herstelling zal gevorderd weezen; Reeds zegd men zou hij den vorst ontmoet en deese verklaard heb„ ben, geen de minste pretentie of hem te heb „ben E 14 406 ben. Dog off dit waar zij vereischt nader Confirmatie 1 vaster gaat het, het geen den eers„ sten teekenaar deezes van goederhand verno„ „men heeft namentlijk dat Cannagasawea Poelle de Landen in de Provintie Kiwaloer geleegen, die door ons in Anno 1773. voor Reeke„ ning van de Compagnie van den Jansjoursche„ vorst gekogt waaren, dog thans door zijn Hoog„ heid neevens de zeeplaats Naoer aan de Engelsche Compagnie geschonken zijn, in Pagt zou Genoomen hebben voor 60000: pago„ den in het Jaar En men debiteerd er bij, dat hij ten voorschreeven einde van meening is, om Eerstdaags van Jans Jour naar Madras te vertreken, om het met den Engelschen Resident. William Petri provisioneel aangegaan Contract, met opzigt tot de pagt van de voorsz: Landen, met den heer Gou„ verneur Rumbolt nader te bevestigen. Het geen, zoo het doorgaat, ons weeder in de abso„ lute lute noodsakelijkheid brengen zal, om met Cannagasawea Poelle, eene bestendige vriendschap te onderhouden, uit hoofde hij de voorsz: Landen in pagt hebbende, als Regent van deselve moet worden geconsidereerd, pe en dus ons veel plaijsier of verdriet kan aan„ doen, om reeden de voorschreeve Landen deese Stad en de 32. Dorpen van de Compagnie half maans gewijse zodanig komen in te sluiten dat wij zonder zijne bewilliging, geen de min ste toevoer van leevensmiddelen, Ja zelfs geen opperwater voor onse Nelij velden, off Tanken, waar in Compagnies Lijwaaten moeten gewassen worden, zouden kunnen Gemagtig worden. En gevolgelijk kunnen wij het zij Cannagasawea Poelle, door den vorst van Tansjour weederom in zijn voorige post van soubedhaar hersteld worde of niet, zijne vriendschap onmoogelijk ontbee„ ren, buiten benadeelig van de maatschap„ pij 3 407 pij, waar van wij vertrouwen dat uwe Hoog Edelheedens de volstrekte noodzaakelijk„ heid, middagklaar ontdeken zullen; Gelijk meede het nut dat de Compagnie nu van zijne erkentenis te wagten heeft, voor de Jongst aan hem verleende protectie op Pr Jaffanapatnam Dat de alhier ingevoerde belasting over de huijzen van de Ingeseetenen dee„ zer Stad door hun voor de voornaam¬ ste oorzaak van haare uitwijking was opgegeeven, Gelijk men aan uwe Hoog„ Edelheedens van ter zijde hadt geinfor„ meerd is een waarheijd die Hoog dezel„ ven omstandig zullen beschreeven vin„ den bij 's Gouverneurs Apparte Missive zoo eeven aangehaald. Maar wij hoo¬ pen dat uwe Hoog Edelheedens plo daar uit teffens zullen zien dat dit maar maar een louter voorwendzel geweest zij„ om hun boos operzet te bedeken, het geen zig zoo ver heeft uitgestrekt, dat zij gezogt hebben ons alle gezag over hun te onttrekken. want was de voorschree„ ve belasting die zeer gematigd was in gerigt, voor de voornaamste Reeden van hunne uitwijking te houden! Zouden zij zeekerlijk zoo dra dezelve was ingetrou ken, wel weeder te rug gekeerd zijn. Dog dit heeft nog vrij wat moeite gekost En boven dit alles Consteerd onzes bedun„ kens nog nader en volkoomen, dat hunne uitwijking niet kan worden toegeschreeven aan het alhier Gepubliceerde Placcaat van belasting, als men slegts maar voor enkeldoog„ blik Considereert, dat zig onder de uit„ geweeke Inwooners ook bevonden heb„ 408 ben de Dorpelingen, die in de Dorpen en de 15 de Visschers die langs de standen woo„ nen. want deese hadden immers met Eene belasting op de huisen van de Inwoon ners deeser stad gelegt, niets uitstaande! en egter waren zij onder de Eerste die uit„ weeken zeekerlijk daar toe opgeruit zijnde door eenige Kwalijk geintentioneerde inwooners, waar onder verscheijde van de voornaamste waaren, die al van vrij opvoerige projecten zwanger gingen. Dan wij zullen ons ten dee„ sen opzigten met alle Reverentie gedra¬ gen aan 's Gouverneurs apparte Mis„ sive en onze secreete Resolutien, met het Veld hoen versonden; waar uit wij vertrouwen, dat Uwe Hoog Edelheedens met genoegen zullen zien, dat in deeze zaak met de aller uitterste moderatie gehandeld is En
English
And this we shall henceforth observe regarding all matters of importance, according to Your High Excellencies' desires, by never taking recourse to strict measures except in the very utmost necessity. Meanwhile, we hope that our resolute resolution taken with regard to the craftsmen will be regarded and approved as a consequence of the very utmost necessity, since otherwise, by revoking the privilege granted to them, we would lose all our authority over the Malabars, and the aforesaid craftsmen would moreover depart. With which we remain, with the very utmost respect and the deepest reverence, Was signed underneath: Right Honourable, highly esteemed, widely ruling Lord and Honourable Gentlemen! Your High Excellencies' humble and obedient servant, was signed: R. van Vlissingen, P. J. Dormieux, J. C. G. Hazelman, M. Wm. Koning, A. Mossel, Wm. Duijnevelt, J. D. Simons, J. Appengh, and M. Stoffenberg. In the margin: Nagapatnam, in the Castle, the 5th of October Anno 1778. Lower down: P.S. The 22nd of October 1778. Before the closing of this, we receive certain tidings that Pondicherry surrendered by capitulation to the English on Sunday the 18th of this month, after a siege of nearly two months, so that we cannot fail to dutifully communicate this momentous news to Your High Excellencies by this present letter. What the articles of the agreement actually consist of is as yet unknown to us, but this we hope to impart to Your High Excellencies on a further occasion. Meanwhile, it is reported here that the French, who at the surrender of Pondicherry consisted of only 500 Europeans, are to be conveyed to the Islands with English ships. Agrees, M. Stoffenberg, Notary. Checked. Secret 151 Zeeland Batavia Copy To His High Excellency, The Right Honourable, highly esteemed, widely ruling Lord, Reijnier De Klerk, Governor-General, together with The Honourable Gentlemen, Councillors of the Dutch Indies. Right Honourable, highly esteemed, widely ruling Lord and Honourable Gentlemen! By the secret letter written by myself and the Council under date of the 5th of this month to Your High Excellencies, we gave communication to Your High Excellencies, in a postscript of the 22nd following thereafter, of the surrender of Pondicherry to the English. Now, as a continuation of that momentous event, I take the liberty to most respectfully present to Your High Excellencies, enclosed herewith, an authentic copy of the capitulation upon which that city was surrendered, which I hope will not be displeasing to Your High Excellencies. Having no matters of importance besides this to impart to Your High Excellencies, I take the liberty to call myself with the greatest respect and high esteem. Was signed underneath: Right Honourable, highly esteemed, widely ruling Lord and Honourable Gentlemen, Your High Excellencies' humble and obedient servant, was signed: R. van Vlissingen. In the margin: Nagapatnam, in the Castle, the 30th of October 1778. Agrees. W. Vlissingen Zeeland Batavia Copy Secret To His High Excellency, The Right Honourable, highly esteemed, widely ruling Lord, Reinier De Klerk, Governor-General, together with The Honourable Gentlemen, Councillors of the Dutch Indies. Right Honourable, highly esteemed, widely ruling Lord and Honourable Gentlemen! On this occasion, I have the honour to very reverently present to Your High Excellencies my duplicate secret letters of the 25th of September and 30th of October 1778, as well as the duplicate of the secret letter written previously to Your High Excellencies by myself and the Council on the 5th. Since the dispatch of my first-mentioned letters of the 25th of September, the chiefs of Bimilipatnam have communicated nothing further to me regarding the Bimilipatnam Princes, on which account I persist in the pleasant expectation that the Company's trade and commerce there will not be caused the least hindrance, either by the Princes or by the English. Regarding the settlement of the dispute over the pearl fishery, I can as yet report nothing further to Your High Excellencies than I have had the honour to do in my aforementioned separate letters of the 25th of September of the past year, as that affair has since remained at that point. However, I have recently been informed from the side that a certain favourite of the Nabob, being provided with a letter from His Excellency, is said to be on the way to come hither to enter again into negotiations with me concerning that momentous matter; if this happens, as I hope, I shall not fail to impart what occurs therein to Your High Excellencies with all possible speed. With regard to the reduced price of the Japanese bar copper, I had the honour to note in my humble letters of the 25th of September 1778 that I was expecting a further and satisfactory report from the chiefs of Bimilipatnam and Jaggernaikpoeram, in order to be able to judge from that to what extent the price reduction granted by Your High Excellencies would answer the purpose intended thereby, and whether it would be necessary to proceed to a further price reduction. Since then, I have received the aforesaid reports. That of Bimilipatnam under date of the 15th of November contains principally: That they, the chiefs, having received no cause from the letter of this Government of the 17th of April prior, to
Dutch transcription
En dit zullen wij voortaan naar Hoog derzelver begeerte omtrend alle zaaken van importantie observeeren, door nimmer dan in den aller uittersten nood recours te neemen tot Strenge Midde„ len—. Ondertusschen hoopen wij dat onze Cordaate Resolutie met opzigt tot de Ambagtslieden Genoomen; als een gevolg de aller uitterste noodzaakelijkheijd zal worden aangezien en geapprobeert, wijl wij anders door het weeder intrekken van het aan hun geaccordeerde privi¬ legie, al ons gezag over de Malla„ baaren verliesen, en de voorsz: ambagts„ lieden booven dien uitwijken zou„ den Waar meede met de aller uitterste Eerbied en het diefste ontzag blijven 409 /:onderstond:/ 1. 17 /:onderstond:/ Hoog Edele Groot Agtbaare wijdgebiedende Heer en Wel Edele Heeren! uw Hoog Edelheedens ondaanige en gehoorsaame Dienaar /:was geteekend:/ R=r van Vlissingen P„s J„o Dor„ mieux J„n C„t G„l Hazelman, M:s Wm Koning A Mossel W„m Duij„ nevelt, J„n D„e Simons. J„n Ap„ pengh, en M„s Stoffenberg, /:in margine:/ Nagapatnam In 'T Casteel den 5:e october Anno 1778. /:lager:/ P: S: Den 22. october 1778. voor het sluiten deeses erlangen wij zeekere tijding, dat Pondechirij op sondag den 18. e deezer bij Capitulatie is overgegaan aan den Engel„ schen, na een beleg van bij na twee maanden, dus wij niet kunnen nalaaten uw Hoog Edel„ heeden van dit gewigtige nieuws nog bij dee„ deesen Schuldplugtig Communicatie te geeven; waar waar in de articulen van het accoord eigentlijk bestaan, is ons tot nog toe onbekend, dog dit hoopen wij uwe Hoog Edelens bij een nadere Gelegend heid te bedeelen. Ondertusschen debiteerd men hier dat de Fran schen /: die bij het overgaan van Conde Cherij maer in 500: Europpeeschen bestaan hebben:/ met Engel„ sche scheepen na de Eilanden staan gebragt te worden 410 Accordeerd M: Stosfenberg feb is 11 Notaris nagesien Secreet 151 Zeeland Aan zijn Hoog Edelheijd Den Hoog Edele Groot Agtbare Wijd Gebiedende Heere Reijnier De Klerk, Generaal, - Gouverneur Beneevens De Wel Edele Heeren Raaden van Nederlands India. Hoog Edele Groot Agtbaare wijd Ge„ =bliedende Heere, en Wel Edele Heeren! Bij den Secreete brief door Batavia Copia mij 19 412 mij en den Raad onder dato 5:e dee„ „ser aan uwe Hoog Edelheedens geschreeven, hebben wij postscriptum van den 22=e daar aan volgende, aan Hoog Dezelve Communica„ tie gegeeven van het overgaan van Londicherij aan de En„ „gelschen - Thans neeme ik ten ver„ van die gewigtige gebeur„ volge tenis de vrijheijd Uwe Hoog Edelheedens onder geleijde dee„ zes aller Eerbiedigst aantebie„ „den een Egt afschrift van de Capitulatie waar op die Stad is overgegeeven, die ik hoope dat Hoog Dezelve niet onaange„ „naam weezen zal. Buijten dit geen Zaa„ ken van gewigt aan Uwe Hoog Edelheedens 24 Edelheedens te bedeelen hebbende, neeme ik de vrijheijd mij met de meeste Eerbied, en hoog agting te noemen. /:onderstond:/ Hoog Edele„ Groot Agtbare wijd Gebiedende Heere en el Edele Heeren, Uuwe Hoog Edelheedens onderdanige en Gehoorsaame Dienaar /:was„ geteekend:/ R: van Vlissingen, /:in margine:/ Nagapatnam In't Casteel den 30=e October 1778. — Accorpeerd. W: V assingen ƒ Zeeland. Batavia Aan zijn Hoog Edelheijd Den Hoog Edele Groot Agtbaare Wijd gebiedende heere Reinier De Kerk, Gouverneur Generaal Beneevens De Wel Edele Heeren Raaden Nederlands India. van Edele 1009 Groot Agtbaare Wijd Gebiedende Heere en Wel Edele Heeren Ik heb bij deeze geleegendheijd 23. 413 Copia Secreet de ƒ de Een Uwe Hoog Edelhedens zeer reverentelijk aan tebieden mijne Duplicaat Secreete brieven van den 25=e September en 30. ' october 1778., gelijk meede het dubbeld van de Secreete brief, door mij en den Raad op den 5. be„ „voorens aan Uwe Hoog Edel„ heedens geschreeven. Seedert het afzenden van mijne eerst gemelde Letteren van den 25=e September, hebben de Bimilipatnamsche opperhoof„ „den aan mij niets naders be„ „deeld, met betrekking tot de Bimilipatnamsche Lrinçen, wesweegen ik verseere in die aan„ genaame verwagting, dat 'sComp:s zeet en handel aldaar, geen de. „ 23 414 de minste hindernissen werdt toe„ „gebragt, 't zij door de Princen, of door de Engelschen Nopens de afdoening van het verschil over de Laarlvis„ scherij kan ik aan uwe Hoog„ „Edelheedens voor als nog niets naders berigten, dan ik de Eere gehad hebbe te doen bij mijne voorgewaagde apparte Letteren van den 25. September Anno pass:o, alzoo die affaire daar bij Seedert verbleeven is. Dan egter ben ik onlangs van ter zijde g'informeerd ge„ „worden, dat zeeker gunsteling van den Nabab, met een brief van zijn Excellentie voorzien zijnde, op weg zoude weezen, om om herwaards te komen, om met mij weder over die gewigtige zaak in onderhandeling te treeden; zoo dit gebeurt /:gelijk ik hoopeg zal ik niet manqueeren, om het daar bij voorgevallene met alle mogelijke spoed aan Uwe Hoog Edelheedens te bedee„ „len. Met betrekking tot den verminderden prijs van Staafkoper het Iapansch, had ik de eer, bij mijnen nee„ „drigen Letteren van den 25 sep„ „tember 1778. te noteeren, dat ik van de Bimilipatnam„ „sche en Daggernaijkpoeram„ „sche opperhoofden een nader en voldoende 415 voldoende berigt verwagte, om daar uijt te kunnen oordeelen, in hoe verre de door Uwe Hoog„ „ Edelheedens g'accordeerde prijs vermindering zou beantwoorden aan het Oogmerk, dat daar meede is bedoeld geworden, en of het noodsakelijk zoude weezen tot een nader prijs vermindering over tegaan Seedert heb ik de voor„ „schreeve berigten ontfangen. Dat van Bimilipatnam onder„ dato 15. ' november behelst hoofdzakelijk. Dat zij opperhoofden uijt den brief deeser Regeering van den 17:e april bevoorens, geen aan„ leijding gekreegen hebbende, om te
English
to come hither in order to enter into negotiations with me again concerning that important matter; if this happens, as I highly hope, I shall not fail to inform Your High Nobilities of whatever occurs therein with all possible speed. With regard to the reduced price of Japanese bar copper, I had the honor to note in my humble letter of 25 September 1778 that I was awaiting a further and sufficient report from the chiefs of Bimilipatnam and Iaggernaijkpoeram, in order to be able to judge from it to what extent the price reduction granted by Your High Nobilities would answer the purpose intended thereby, and whether it would be necessary to proceed to a further price reduction. Since then, I have received the aforesaid reports. That of Bimilipatnam, dated 15 November, contains mainly: That they, the chiefs, having received no reason from the letter of this Government dated 17 April prior to suppose that any observations were expected from them concerning that price reduction, had merely confined themselves to the general report of affairs dispatched under the date of 25 June last, since they had communicated therein that they would execute what had been ordered as bound; that since then they had also sold all the copper in stock, and had entered it as such in the return of the last day of June at the price of 97 New Nagapatnam pagodas per bhaar of 480 lb; but that subsequently, as soon as the war between England and France had broken out, the sale thereof was not very considerable, and thereafter had come to a total standstill, despite all the efforts they continuously made to promote it. Furthermore, they state with respect to the reasons for this general standstill in trade, that it is principally to be attributed: 1) To the departure of the Visianagaram princes and nearly all the petty regents from that and the Genjam district to Madras, especially as most copper traders had also gone in their numerous retinue, whereby that mineral was at present, or in November, little used inland there and was not in demand; And 2) In addition, to the march of all the English sepoys to the south, whereby the circulation of the dabboes there was so small that instead of 48, up to 54 to 56 were exchanged per rupee throughout the whole country, whereby a bhaar of copper came to cost only from 88 to 91 1/4 New Nagapatnam pagodas; thus the coppersmiths still present found it far more advantageous to exchange the dabboes and work them up than to purchase copper for that purpose, of which there was also still a great quantity at Visiagapatnam that remained unsold because of the aforesaid obstacles; and that it therefore appeared to them that no change in that respect was to be expected other than by the return of the absent rajahs and regents, who however were expected shortly, at which time they reckoned that the trade there in Japanese bar copper would again take a favorable turn. On the other hand, the Iaggernaijkpoeram report, dispatched under the date of 20 November, contains the following: That the merchants, who were annually accustomed to purchase a good quantity of copper, had declared to them that they knew no outlet for it, nor could dispose of it, as long as such a quantity of European and Japanese bar copper continued to be imported to the nearby English factory of Mazulipatnam, both from Madras and elsewhere. Concerning which the chiefs subsequently express their astonishment as to how the importers of the Japanese bar copper to Mazulipatnam could find their account in it, since they had to dispose of it there for considerably less than the Company's price, and in addition had to pay 5 percent in duties, not counting the expenses of transport and conveyance thither. However weighty and acceptable the reasons adduced by the chiefs for their small sales may be, I have nevertheless not judged them of such weight as to make use of the authority which Your High Nobilities granted to me by secret missive of 31 December 1777, to proceed to a further price reduction if I judged it necessary; for I firmly suppose that a further price reduction would in the future be detrimental to the Company's trade in that mineral, the more so since the Bimilipatnam chiefs flatter themselves with a speedy change for the better as soon as their rajahs and inhabitants return. Likewise, with respect to Iaggernaijkpoeram, I believe I may suppose that the sale there of Japanese bar copper will indeed increase again as soon as the stock thereof at Mazulipatnam shall be sold, and no new supply of that mineral is made from Ceylon and elsewhere. I would sooner consider myself assured of a good result if the price of copper henceforth, both here and at the factories of Sadraspatnam and Palleacatta, were made equal to that of the northern factories, as this, it appears to me, would direct the demand of
Dutch transcription
om herwaards te komen, om met mij weder over die gewigtige zoo in onderhandeling te Zreeden, zoo dit gebeurt /:gelijk ik hoog zal ik niet manqueeren, om he daar bij voorgevallene met al„ mogelijke spoed aan Uwe Hoog Edelheedens te bede„ „len. Met betrekking tot den verminderden prijs van Staafkoper Iapans het had ik de eer, bij mijnen nee „drigen Letteren van den 25 tember 1778. te noteeren, dat ik van de Bimilipatna „sche en Iaggernaijkpoerai „sche opperhoofden een nader er voldoende N 415 voldoende berigt verwagte, om daar uijt te kunnen oordeelen, in hoe verre de door Uwe Hoog„ „ Edelheedens g'accordeerde prijs vermindering zou beantwoorden aan het Oogmerk, dat daar meede is bedoeld geworden, en of het noodsakelijk zoude weezen tot een nader prijs vermindering over tegaan Seedert heb ik de voor„ „schreeve berigten ontfangen. Dat van Bimilipatnam onder„ dato 15. ' november behelst hoofdzakelijk. Dat zij opperhoofden uijt den brief deeser Regeering van den 17:e april bevoorens, geen aan„ leijding gekreegen hebbende, om te te veronderstellen, dat men wee„ „gens die prijs vermindering eenige bedenkingen van haar verwag „ten, zij zig eenlijk bepaald hadden tot het algemeen ver slag van zaaken, onder dato 25. Iunij laastleeden afgegaan alzoo zij daar bij bedeeld had„ „den, dat zij het aanbevoolene na gehoudenis zouden vol„ Dat zij seedert „brengen; ook al het in voorraad zijn„ ƒ „de kooper verkogt, en bij het Rendement van ult:o Iunij als zoodanig hadden opge„ bragt voor de prijs van 97. Nieuwe Nagapatnamse pagoo„ „den de bhaar van 480. lb:, dog dat 1 29 4:16 dat vervolgens, of 2o0 dra den oorlog tusschen Engeland en vrankrijk ontstaan was, den verthier daar van niet zeer aanmerkelijk, en wijders in het geheel stil gestaan hadt, onaan„ „gezien alle pogingen, die zij tot bevordering van dien onop„ „houdelijk aanwenden Voorts zeggen zij, met opzigt tot de reedenen van deezen Generaalen Stilstand in den handel, dat die voor„ namentlijk toeteschrijven is. Aan het vertrek der vi„ Sianagaramsche Princen, en meest alle de kleene Regen„ „ten uijt dat, en het Genjams district na Madras, voor al ge¬ 900„ dog 417 al daar de meeste handelaars in kooper onder hun Zalrijk gevolg meede gegaan waaren, waar door dat mineraal, thans of in November, aldaar te lan„ „de weijnig gebruijkt wierd, en om niet gewild was: En. 2) Aan den optogt daar en boven van alle de Engelsche Sipaijs naar de Zuijd, waar door de Sleet in de dabboe„ sen aldaar zoo gering was, dat er in plaats van 48. tot wel 54. â 56. per ropij, door het gansche Land verwisseld wierden, waar door een bhaar koper maar van 88. , tot op 91. ¼. Nieuwe Nagapatnamsche Pagooden te staan kwam, dus de nog aan 3/. 31 aan weezende koperslagers het vrij voordeeliger vonden, de dabboe„ sen in te wisselen, en die te verwerken, als daar toe koper intekoopen, waar van ook nog een meenigte te visiaga¬ patnam was, dat om de voor„ „gemelde beletkelen onverkogt bleef leggen, en dat het haar derhalven toescheen, dat 'er ten dien opzigte geen verandering te wagten was, dan door de te rugt komst van de uijtlan„ „dige Radjes en Regenten, dog welke eerst daags verwagt wier„ „den, wanneer zij staat maak„ „ten, dat den handel aldaar in het Iapansch Staafko„ „pen weeder een voordeeligen „keer zoude neemen. Daar en tegen behelst het Jaggernaijkp=s 418 Iaggernaijkpoeramsche berigt onder dato 20. november afge„ zonden, het volgende. Dat de kooplieden, die Iaarlijks gewoon waaren een goede quantiteijt koper aante slaan, aan hun betuijgd hadde dat zij met het zelve geen uijtweg wisten, of het van de hand konden, zetten, zoo lang 'er bij Continuatie zoo veel Enopasch en Iapansch Staafkoper op het na bij gelee„ „gen Engelsch Comptoir Ma„ Zulipatnam wierd aange„ „bragt, zoo van Madras als elders. Waar omtrent de Oper„ hoofden vervolgens hunne vervondering 33 verwondering betuijgen, hoe of de aanbrengers van 't het Iapansch Staatkooper op Mazulipat„ „nam 'er hun reekening bij vinden konden, wijl zij het zelve al„ daar voor vrij minder, als Compagnies prijs van de hand moesten zetten, en daar en bo„ „ven, nog 5. percent aan pagt betaalen, ongereekend de ongel„ „den bij Transport en vervoer na derwaarts. Hoe gewigtig en aanneeme„ „lijk ook de reedenen zijn door de opperhoofden voor haaren geringen vertier bijgebragt, heb ik ze egter nog niet van dat gewigt g'oordeeld, om gebruijk te maaken van de qualificatie die :. die Uwe Hoog Edelheedens aan mij verleend hebben bij Secreete Missive van den 31=e December 1777. , om zoo ik het noodig oordeelde, tot een ver„ prijs vermindering over„ „dere „tegaan, want ik vastelijk ver„ onderstel, dat eene verdere prijs vermindering in het vervolg nadeelig zou weszen voor den handel van de Compagnie 419 in dat mineraal, te meer daar de Bimilipatnamsche opperhoofden zig flatteeren met een spoedige verandering ten goede, zoo dra haare Radjes en inwooners te rug keeren. tot Ook meen ik met opzigt Iaggernaijkpoeram te „ „ 35 te mogen veronderstellen, dat den vertier aldaar in Iapansch staafkoper wel weeder ver„ meerderen zal, zoo dra den voorraad die daar van op Mazulipatnam is, zal ver„ „kogt weesen, en er geen nieuwen aanvoer meer van dat mine„ „raal van Ceijlon en elders ge„ Schied. Eerder zou ik mij van een goeden uijtslag verzokerd houden bij aldien de prijs van het kooper voortaan, zoo hier als op de Comptoiren Sadraspatnam en Pallea„ „catta, met die van de Noor„ „der factorijen egual gesteld wierde, alzoo dit zoo het mij voorkomt, den trek van
English
of that mineral within the country, especially as long as the price of copper at Madras was still kept at up to 96 to 98 new Nagapatnam pagodas per bhaare, as the letters successively received from Sadraspatnam and Palleacatta demonstrate. And therefore I respectfully take the liberty to respectfully propose to Your High Nobilities the introduction of this price reduction from 100 down to 97 new Nagapatnam pagodas for the bhaare of Japanese bar copper at all the offices of the Company along this coast, as a suitable means to increase the sales thereof, at the same time urgently requesting to honor me in this regard as soon as possible with Your High Nobilities' positive orders. With regard to the outstanding disputes with the Tanjore Court, I have already, in my separate respectful letter of the 25th of September of the past year, as I trust, reported in detail to Your High Nobilities on all that has been transacted between myself and the Regent of that Court during the course of the year 1778. And respectfully added in conclusion that on the 5th of September past we had decided to leave unanswered a certain letter written by the Regent in reply to my letter of the 9th of July, because its contents were far too unfair and unreasonable to write any reply to, but that on the other hand I had orally informed the envoy of the Tanjore Court that I very much doubted whether that answer of the Regent had indeed been composed with the foreknowledge of the prince, and that consequently I would also not answer it before I was reliably informed of this. This silence on our part has also finally produced what I intended with it, namely, it forced the Regent to have to give orders to the ordinary envoy of the Tanjore Court to submit the following questions and proposals to me in his name. Firstly: Why the tribute elephants and money that the Company owed to the prince were not delivered, since the receipt from the prince for the latter had long since been handed over to me. Secondly: That the prince desired that, according to ancient custom, the elephants due to His Highness from the Company should be selected by the prince's cornacs on Jaffanapatnam and collected from there. And thirdly: That the prince required once more that commissioners should be sent from here to congratulate His Highness on his restoration to the throne. As soon as the aforementioned envoy had carried out with me the commission given to him by his Court, I seized this opportunity to answer the Regent in writing regarding the aforementioned three points as follows. First: That 18 elephants, together with four, including the then current year, instead of three years of tribute money, were in readiness for His Highness, as soon as it would please the prince to accept also the eight stranded ones, and thus 26 elephants, in the account, in order thereby to settle the entire overdue tribute of nine years, to within one elephant. Second: That for the time being I could not resolve to grant free passage to Jaffanapatnam to the prince's cornacs to select the tribute elephants there for His Highness, as I had to adhere in that matter to what was contracted. Third: That when His Highness succeeded to the throne of his ancestors in the year 1764, he was not only sincerely congratulated by commissioned members of this Government in the name and on behalf of the Dutch Company, but also that I had done this recently, namely by letter of the 25th of January 1778, in the most cordial and sincere manner, as soon as I had been informed by him, the Regent, of the prince's restoration. And with this written answer the said envoy departed directly for Tanjore, where upon his arrival he indeed delivered my letter to the Regent, but in his oral report of the conference held with him regarding the aforementioned affair, he did not convey my intention literally, but with some alteration, according to the constant custom among the Malabars and other native nations, as it had been set down in my aforementioned letter, to the Regent, who in turn answered me in substance the following: That he had duly received my letter of the 8th of October and understood its contents. That the envoy had orally informed him of everything that I had told him, namely: That, to increase the friendship between the prince and the Dutch Company as it had been in former days, I would gladly deliver the tribute money for three years upon the receipt that had previously been sent, along with two more years of tribute money in advance. That since the tribute elephants had already been brought to Nagapatnam, His Highness should therefore also accept them, except for those that did not have good marks or had defects in their eyes. That the prince had to accept five of the eight stranded elephants into the account, because three of them had perished, and that a receipt ought to be provided for the reception of the animals. That henceforth, according to ancient custom, the elephants could be selected and collected from Jaffanapatnam by the prince's cornacs and mahaldhars. And that I furthermore, with the prince, as in old times, been
Dutch transcription
420 van dat mineraal binnen 's Lands zoude doen vermeerderen, voor al zoo lang de prijs van het ko„ „per te Madras nog gehouden wierdt tot op 96. â 98. Nieuwe Nagapatnamse pagooden voor de bhaar, gelijk de Successive van Sadraspatnam en Pal„ „leacatta ontfangen wordende brieven aantoonen. En derhalven neem ik de Eerbiediglijk de vrijheijd, de intro„ „ductie deesen prijs vermindering van 100. , tot op 97. nieuwe Na„ „gapatnamsche pagooden voor de bhaar Iapansch Staafkoper, op alle de Comptoiren van de Compagnie ter deezer kuste Uwe Hoog Edelheedens eerbiedig te proponeeren 3 proponeeren, als een geschikt mid„ „del tot vermeerdering van den aftrek in het zelve, met instantie teffens, om mij dierwegens zoo dra mogelijk met Hoog Derzelven positive ordres te honoreeren Ik heb met betrekking tot de uijtstaande verschillen met het Tansjoursche Hof bereeds bij mijn apparte Eerbiedig schrij„ vens van den 25. ' Septtember anno pass:o, aan Uwe Hoog„ Edelheedens, zoo ik vertrouw, in het breede verslag gedaan van al het geene tusschen mij den Albeschik van dat Hof, geduurende den loop van het Iaar 1778 is verhandeld gewor„ „den. Eenen tot slot Eerbiedig bij gevoegd, dat wij op den 5=e' September 421 September pass.o beslooten hadden, zekere brief, die door den Al„ „beschik was geschreeven, in ant„ woord op mijne brief van den 9' Julij onbeantwoord te laaten uijt hoofde desselfs inhoud al te onbillijk en onredelijk was, om 'er iets op te rescribeeren, dog dat ik daar en teegen aan den zendeling van het Ians„ Toursche Hof,„ mondeling te ken„ nen had gegeeven, dat ik zeer twijfelde of dat antwoord van den Albeschik, wel met voor„ kennis van den vorst zodanig was ingerigt geworden, mitsg=s dat ik dien volgende ook op het zelve niet eerden zoude antwoorden, voor ik daar van in het zeekere was g'informeerd. Dit stilzijgen van onse 39 422 onse zijde, heeft ook eijndelijk uijt„ gewerkt, het geen ik 'er meede be„ „doeld heb, Namentlijk heeft den Albeschik genoodzaakt, aan den Ordinairen zendeling van het Tansjoursche Hof last te moeten geeven, om uijt zijnen naam aan mij te doen, de vol„ „gende vraagen en voorstellen. Eerstelijk: Waarom de recog„ nitie Elifanten en penningen, die de Compagnie aan den vorst schuldig was, niet wierden af„ gegeeven, daar de quitantie van den vorst weegens het laaste al lang aan mij was overgehan„ „digd Ten Zweeden: Dat den vorst begeerde, dat na volgens de oude usantie, de Elifanten, die zijn Hoogheijd van de Compagnie Competeerden Competeerden, door & vorstens Cor„ nas op Iaffenapatnam zou„ „den werden uijtgekipt, en van daar afgehaald. En ten derden: Dat de vorst nogmaals requireerde, dat van hier gecommitteerdens zouden gesonden worden, om zijn Hoog „heijd te feliciteeren met zijne herstelling op den Throon. Zoo dra, den voor zendeling, de aan hem schreeve gegeeven last van zijn Hof bij mij hadt uijtgevoerd, Capteerde ik deese occasie om aan den Albeschik, op de voorschreeve drie poincten het ondervol„ gende in geschrift te antwoor„ „den. Primo: Dat 'er 18. Stuks Elifanten 44 Elifanten, beneevens vier /:waar onder het toen loopende Iaar meede gereekend was:/ in Steede van drie Iaaren recognitie penningen voor zijn Hoogheijd in gereedheijd waaren, zoo dra het de vorst maar zou„ „de behaagen, om teffens de agt gestrande, en dus 26. Elifanten in reekening te accepteeren, ten eijnde daar meede het gansche agterstallige tribut van Negen Iaaren, tot op een Elifant na te verEvenen. Dat ik voor als Secundo: nog niet kon besluijten om een vrije passagie naar Iaffena„ patnam te verleenen aan de Cornax van den Vorst, om al„ „daar de recognitie Elifanten Hoogheijd uijt= voor zijn =tezoeken 423 te zoeken, alzoo ik mij in die Laar houden moeste, aan het gecon„ tracteerde Tertio: Dat zijn Hoogheijd in den Jaare 1764. , wanneer denzelven op den Throon zijnen voorvaderen succedeerde, door gecommitteerde Leeden uijt deeze Regeering, uijt naam ende van weegens de Hollandsche Compagnie niet alleen welmee„ „nend was gefeliciteerd geworden, maar ookt dat ik dit nog Iongst, of bij brief van den 25=e Ianuarij 1778. , op de allerhartelijkste en welmeenendste wijze gedaan had, zoodra ik maar door hem Albeschik van 's vor„ sten herstelling was g'informeerd geworden. En 6 13 En met dit schriftelijk ant„ woord vertrok gedagte zendeling direct na Tansjour, alwaar hij bij zijne aankomst mijnen brief aan den Albeschik wel bestelde, maar bij zijn monde„ „ling verslag van de met hem gehoude Conferentie over de voor„ „schreeve affaire, heeft hij niet letterlijk maar met eenige ver„ „andering /:na volgens de Constan„ „te gewoonte onder de Malla„ „baaren, en andere Inlandsche Natien:/ mijne intentie, zoo als die bij mijnen opgem: brief was ter needer gesteld, aan den Albeschik te kennen gegeven, die mij hier op wederom in substantie geantwoord heeft, het volgende. Dat hij mijnen brief van den 424 den 8:' october, wel ontfangen, en derzelver inhoud verstaan hadt Dat den zendeling aan hem alles mondeling hadt te kennen gegeeven, wat ik hem gezegd hadt, namentlijk: Dat ik tot accresseering van de vriendschap tusschen den vorst en de Hollandse Compagnie, ge„ lijk die in vroeger dagen geweest was, gaarne de recognitie pennin„ Iaaren, op de qui¬ gen voor drie „tantie, welke bevoorens gezonden Iaaren was, met nog twee aan recognitie penningen voor uijt wilde afgeeven. Dat nadien de recognitie Eliphanten bereeds op Naga„ patnam gebragt waaren, zijne Hoogheijd 425 Hoogheijd dus ook deselve diende te accepteeren, behalven die, welke geen goede teekens, of gebrek aan hunne oogen hadden. Dat de vorst van de agt gestrande Elifanten vijf stuks in reekening accepteeren moest, door dien drie derzelve neder„ „gezakt waaren, mitsgaders dat men weegens den ontvangst der beesten quitantie diende te besorgen. Dat voortaan de Elifan„ ten, volgens oude uzantie door de Cornar en Mahal„ „dhaars van den vorst konden uijtgekipt en van Iaffena„ patnam afgehaald worden En dat ik voorts met de vorst, gelijk in oude Lijden, geweest
English
would live. Furthermore, the Albeschik informed me that, having made the aforesaid proposal known to His Highness, the prince had answered him: That the account of the emissary was contrary to the contents of my letter, but if I were to write in a subsequent letter such as the emissary had stated verbally, His Highness would then look into it. And since I could fully conclude from this answer that by writing such a letter the dispute between us and Tansjour concerning the acceptance of the elephants would be mediated, I made not the slightest difficulty about writing the proposed letter to the Albeschik. Wherein I proposed such points as had been given by him, under the assurance that through his cooperation they would be accepted by the prince, just as all this is described in detail in the Secret Resolution of the 21st of November last, to which I respectfully refer. Upon this I did receive, some days later, the requested receipts and the customary gifts for the Company, but the answer from the Albeschik that was attached to it I found somewhat different from what had been proposed and expected by me, for it mainly contained: That, in addition to the receipt that had been sent previously for the recognition money for three years, I had requested yet another for the money that is advanced for two years. That this article having been made known by him, the Albeschik, to the prince, he had received the answer that, since His Highness was in want of money, His Highness would be very pleased if the advance of yet another year were added to the two previous ones, and thus the recognition money for three years could be given in advance. That he, the Albeschik, in the hope that so small a request would indeed be granted, sent to me, in addition to the receipt already sent previously for three expired years of recognition money, yet another one ratified with the prince's seal, likewise for three years, running up to the book year 17 7/81 inclusive, with a request at the same time to send him the amount of the aforesaid receipt, or 30,000 pardauws. Furthermore, he informed me that the emissary had been ordered by the prince to hand over to me a receipt for 23 elephants, and at the same time requested not only that those animals might be received at the borders of the prince's land by His Highness's own people, but finally added that for the collection of the remaining elephants, according to custom, he would send the Mahaldaars and Cornax of the prince here. I also communicated the contents of the aforesaid letter to the Council on the 21st of November last, demonstrating the necessity of coming to a final decision in this matter, all the more so since the prince offered to accept 5 of the 8 stranded elephants in deduction. Whereupon, having taken the aforesaid matter into mature deliberation, we noted on the points that were desired by the prince: 1) That one could with not the least right demand that the prince accept all eight of the stranded elephants in deduction, since the three animals that perished from among them were already half-drowned before they were brought ashore. 2) That there was not the least danger for the Company in making an advance of three years of recognition money to the prince of Tansjour upon a full receipt, since this advance was made to the lawful prince of the land, to whom the Company was bound to pay the aforesaid contribution, all the more so since the first year is to expire in the coming month of May. And 3) That one could easily allow His Highness, as he absolutely insisted upon it, to be permitted henceforth, as had been customary of old, to send his Cornax again to Daffenapatnam, to select there annually for His Highness the three recognition elephants due to him, as through such a permission on the part of Tansjour that danger was not to be feared which one would indeed have had to fear with the Nabob; and even more so because Your High Noble Excellencies yourselves had been pleased to grant authorization for this to the undersigned Governor by Secret Letter of the 5th of May 1776. And consequently, for the reasons just cited, we unanimously saw fit to consent to all of them, as is further noted in the aforesaid Resolution. Whereupon since then, under receipt of the promised receipts, there followed the delivery of 30,000 pardauws in recognition money, and the 18 head of recognition elephants that were at hand here: as can be seen in more detail in our Secret Resolution of the 27th of November following, to which, in order to avoid prolixity, I respectfully refer, trusting that Your High Noble Excellencies will
Dutch transcription
geweest was leeven zoude. Voorts gaf mij den Albeschik Communicatie, dat hij van de voorschreeve propositie kennis aan zijn Hoogheijd hebbende gegeeven, de vorst aan hem ge„ antwoord hadt. Dat het verhaal van den zendeling strijdig was met den inhoud van mijnen brief, dog wanneer ik bij een nadene brief zodanig kwam te schrij„ ven, als den zendeling mon„ „deling gezegd hadde, zijn Hoog „heijd zulks als dan zoude zien. En nadien ik uijt dit antwoord volkoomen besluij¬ ten konde, dat door het schrij„ ven van zodanig een brief het - 2 47 426 het different tusschen ons en Tansjour over het accepteeren der Elifanten zou bemiddeld weesen, maakte ik ook geen de minste zwarigheijd om de geproponeerde brief aan den Albeschik te schrijven. Waar in ik voorstelde, zoo„ danige poincten, als door hem opgegeeven waaren, onder ver„ „seekering, dat die door zijne meede„ werking, dat die daar zijne bij den vorst zoude worden g'ac„ „cepteerd, gelijk dit een en ander breedvoerig beschreeven staat bij secreete t Resolutie van den 21. no„ vember Iongstleeden, waar aan ik mij met Eerbied gedraage. Hier op ontving ik wel eenige dagen naderhand, de gerequipeerde quitantien en de gewoone geschen„ „ken voor de Compagnie, maar het antwoord van den Albeschik dat 'er was bij gevoegd, vond ik eenigzins andsers, als door mij geproponeerd 427 geproponeerd en verwagt was, want het hoofdzakelijk behelsde, Dat ik buiten de quitantie die bevooren gezonden was, weegens de recognitie penningen voor drie Iaaren, nog een andere begeerd hadt van de penningen, die voor twee Jaaren worden voor uijt verstrekt. Dat dit articul door hem Albeschik aan den vorst te kennen gegeeven zijnde, hij daar op ten andwoord gekreegen hadt, dat dewijl zijn Hooogheijd om geld ver„ leegen was, Hoog Dezelve zeer Content zoude weezen, indien de voor uijt verstrekking van nog een Jaar bij de twee voorige gevoegd, en dus de recognitie penni gen voor drie Jaaren voor uijt konden gegeeven worden. Dat hij Albeschik, in hoop dat zoo een gering verzoek wel zoude worden g'accordeerd, mij toezond 19 428 toezond buijten, de bevoorens bereeds gezondene quitantie voor drie g'ex„ pireerde Iaaren recognitie ennin„ gen, nog een dito met 's vorsten Zegel bekragtigd meede voor drie Iaaren loopende tot het boekjaar 17 7/81. inclusive, met ver„ „soek teffens, om het bedragen van de voorsz: quitantie of 30'000 pardaums hem te willen toezen„ den. voorts gaf hij mij narigt dat door den vorst aan den zen„ „deling g'ordonneerd geworden was, om aan mij een quitantie van 23. Eliphanten te overhandigen, en verzogt teffens niet alleen, dat die beesten op de Limiten van 's vorsten Land door zijn hoog„ „heijds eijgen volk mogten woor„ den ontvangen, maar voegde er eijndelijk bij, dat hij tot den afhaal van de overige Elifan„ ten volgens gebruijk, de Mahal„ „daars en Cornar van den vorst dit heen zoude zenden Ik Ik heb van den inhoud van voorm: Missive almeede op den 21. november pass:o, Communicatie aan den Raad gegeeven, onder verthoo„ ning der noodzaakelijkheijd, om in deeze zaak tot een finaal besluijt te komen, te meer, daar de vorst aanbood 5. van de gestrande 8: Elifanten in mindering te accepteeren waar op de voorsz: zaak in rijpe deliberatie hebbende genoo„ men, op de poincten, die door den vorst wierden begeerd, aan„ „merkten. Dat men met geen het min„ „ste regt den vorst vergen konde om al de Agt gestrande Elifanten in mindering te accepteeren; alzoo de drie daar van gecreveerde beesten bereeds half verdronken waren, eer zij aan de wal gebragt wier„ den. 2) Dat 'er geen het minste gevaar voor de Maatschappij ressideerde, in 8. 51 in, eene vooruijt verstrekking van drie Iaaren recognitie penningen aan den vorst van Tansjour te doen op eene volleedige quitantie alzoo die vooruijtverstrekking ge„ „schiede aan den wettigen vorst van het Land, aan wien de Maatschappij gehouden was, de voorschreeve Contributie op te bren„ gen, te meer nog daar het eerste Daar in de aanstaande maand Maij staat te expireeren En 31: Dat men aan zijn Hoog„ „heijd, wijl hij daar volstrekt op staan bleef, ligt toe kon staan, om voortaan gelijk van ouds was gebruijkelijk geweest, weeder zijne Cornax. naar Daffenap=m. te mogen zenden, om daar Iaar„ „lijks voor zijn Hoogheijd uijt„ te kippen de hem Competeerende drie recognitie Elifanten, alzoo er door een diergelijke vergunning van de zijde van Tansjour, dat gevaar niet te dugten was, het geen men wel bij den Nabab zoude te 429 430 te vreezen gehad hebben; en nog te meer wijl uwe Hoog Edelheedens zelve, daar toe aan den onderge¬ „teekende Gouverneur qualificatie hadden gelieven te verleenen bij Secreete Missive van den 5. Maij 1776. En vervolgens vonden wij, om de zoo, even aangehaalde reede„ nen, unanimiter goed, in alle de„ „zelve te bewilligen, gelijk nader bij de voorsz: Resolutie is aan„ geteekend. waar op 't seedert onder ont„ „fangst der beloofde quitantien ge„ volgd is de afgave van 30'000 pardauws aan recognitie penn:, en de hier aan handen geweest zijnde 18. Stuks recognitie Eli„ „fanten: gelijk nader te beoogen is, bij onze Secreete Resolutie van den 27. november daar aan volgende, waar aan ik mij ter vermijding van lang wijligheij met eerbied gedrage in vertro wen, dat uwe Hoog Edelheeden zig
English
will graciously please to conform to the aforementioned Resolution, as thereby the aforesaid dispute has been settled and, as I hope, still somewhat in favor of the Company. And since 7 pieces are now still lacking for the complete payment of our overdue recognition elephants, including those of this current financial year, the Council and I decided on the aforesaid 27 November to request those 7 animals from Ceylon, as has since been done, with a request not only to the Ministers to deliver them this year, but also to provide the necessary information to Jaffanapatnam regarding the upcoming annual arrival of the Prince's Mahaldaars and Cornar to collect the recognition elephants due. Which I likewise hope will be approved by Your High Nobilities, together with and alongside the arrangement made by us on the aforesaid day regarding the writing off of the aforesaid 23 pieces of accepted elephants and 30,000 pardaus of recognition money in the local trade books. Which entry, in order to maintain complete continuity in that matter, was also dealt with secretly, although properly belonging to the ordinary Resolutions. The former Manaan Coil Subahdar, Cannagasawea Poele, as I am informed, after a 2½ month stay at Madras, has departed from there for Combagonam to await the arrival of the Governor of Madraspatnam, Mr. Rumbolt, with whom it is said he will arrive at Naoer and subsequently travel to Tanjour to greet the King, by whom he would, to all appearances on that occasion, be restored to his former Subahdarship. Meanwhile, with regard to leasing the lands located in the province of Kiwaloer, which presently belongs to the English Company, he could not succeed as I thought, since another native appeared as tenant of Naoer and that region, having for the lease of the latter land alone promised 65,000 pagodas in the year, whereupon he also became the tenant, yet already puts into effect all the means that greed can possibly suggest to him in order to raise this considerable lease payment for the Madraspatnam Government. Although to our letter of 14 May 1778 sent to the Nawab Machometh Alichan, with the appendices belonging thereto, we have up to now received no answer, much less any satisfaction regarding the defense of the Palicatte Chief Tadama against the unreasonable complaints of the Havildar there, I have nevertheless learned from private reports that His Excellency had already had several inquiries made concerning that matter; thus I still look forward to the expected satisfaction. Since the surrender of Pondicherry to the English, of which I most respectfully gave notice to Your High Nobilities in my humble dispatches of 22 and 30 October, nothing has occurred here on the coast that would merit any communication, except that here in the roads on 2 October there appeared two French war frigates named L'Amphitrite and Juno, being commanded by the King's Captains Monsieur Lonzaijer and Boileau, whom, at their request, we supplied with water and firewood, whereupon, after a stay of several days, they departed from here again. Yet because upon their appearance I was apprehensive of a visit from English ships, I immediately gave the necessary orders for the security and protection of the roads, providing to that end that very same day to the master of the return ship De Patriot (who had to go aboard immediately) the necessary orders in writing as to how he should conduct himself at night in the event of an unexpected hostile incident, for the protection of the rights of the roads. In an encounter by day, we from the shore would certainly have taught the attacker to show somewhat more respect for a neutral roadstead and nation. At least I would have had forceful fire directed at the attacker, whether it had been a French or an English ship. And with this the Council fully conformed by Resolution of 5 October, of which I hope that what is noted therein will likewise meet with Your High Nobilities' approval. Furthermore, I hope that the decisions made by me and the Council on the aforesaid day, regarding certain objections raised by the Palicatte and Sadraspatnam Chiefs against securing the Company's territory and roads, which we had ordered them to do, as well as regarding the granting of protection to the English and French, will also be favorably approved by Your High Nobilities. That the French have for a long time sought to enter into and conclude important alliances with the princes of this country is a well-known fact. The correspondence conducted by Mr. de Bellecombe with Hyder Naik, of which I spoke in my previous separate dispatch of 25 September last, fully convinced me of this. But that they had already succeeded as far as they truly have was unknown to me. A few days ago, however, there was secretly delivered to me an extract from a certain letter by the Chevalier Lubin, Ambassador on behalf of the King of France at the Court of Ponna, dated 13 September 1778.
Dutch transcription
33 431 zig goedgunstiglijk zullen gelieven te Conformeeren met de voorm: Resolutie, alzoo daar door de voor¬ „schreeve Zwist zaak is uijt de wae„ reld geholpen, en zoo ik hoop nog al eenigsins ten faveure van de Compagnie. En dewijl 'er nu nog aan de Compleete voldoening van onze agterstallige Recognitie Elifan„ „ten met die van dit loopende boekjaar 'er onder gereekend, 7 stux komen te manqueeren, heb ik en den Raad op den voorsz: 27. November beslooten, om die 7. beesten van Ceijlon te vraagen, gelijk seedert geschied is, met verzoek niet alleen aan de Mi„ „nisters om die in dit Iaar te voldoen, maar ook om na Iaffenapatnam het noodige narigt te geeven, van de aan„ staande Iaarlijksche overkomst van de Mahaldaars en Cornar van den vorst, ter afhaal van de verschuldigde Recognitie Eli„ fanten Het Het geen ik almeede hoope, dat door Uwe Hoog Edelheedens zal worden goed gekeurd, met en be„ neevens de schikking door ons ten voorsz: dage gemaakt, omtrend het afschrijven van de voorsz: 23. stuks g'accepteerde Elifan„ ten en 30'000 pardauws recog„ nitie penningen bij de Negotie boe„ „ken alhier. welke post, om eene volkome aan een Schakeling in die zaak te betragten, ook Secreet behan„ „deld is, Schoon eijgentlijk tot de gemeene Resolutien behoorende. Den geweesen Manaan Coilschen Soubedhaar Canna„ gasawea poele, is zoo als ik ben g'informeerd, na een 2½. maandig verblijf op Madras, van daar naar Combagonam vertrokken om aldaar aftewagten de komst van den heer Madraspatnams Gouverneur Rumbolt, waar meede men zegd, dat hij op Na¬ ver komen, en vervolgens na Tansjour zal rijzen, om den Koning 55 55 432 koning te begroeten, door wien hij naar alle apparentie bij die gelee„ „gendheijd, in zijn voorig Soube„ „dhaarschap zou worden hersteld. Ondertusschen heeft hij met opzigt tot het in pagt neemen der Landen in de Provintie Kiwaloer geleegen die thans de Engelsche Compagnie toebehoord, niet kunnen slaagen, gelijk ik gedagt heb, alzoo zig een ander Inlander als pagter van Na„ oer en die Landtstreek opgedaan hebbende, voor de pagt van het laast gemelde Land, alleen beloofd heeft ƒ65000. pagooden in het Daar waar op hij ook Pagter geworden is, dog bereeds alle mid„ „delen, die hem de Schraapzugt maar aan de hand kunnen gee„ ven, in het werk steld, om deeze aanzienlijke pagtschap aan de Madraspatnamsche Regeering op te brengen. Hoe wel wij op onzen brief van den 14. Maij 1778. aan den Nabab Machometh Alichan„ met 433 met de daar toe behoorende bijlaa„ „gen afgezonden, tot nog toe geen„ antwoord, veel min eenige Patis„ factie erlangd hebben, op de ver„ „antwoording van het Pallea„ opperhoofd Tadama Cats teegens de onreedelijke klagten van den Haweldhaar aldaar, heb ik egter uijt particuliere na„ „rigten verstaan, dat zijn Excel„ lentie bereeds omtrend die zaak verscheijde enquesten hadt laaten doen; dus ik nog de verkogte Sa¬ „tisfactie te gemoed zie. Sedert het overgaan van Pondicherij aan de Engelsche, waar van ik bij mijne needrige„ advisen van den 22:' en 30:e octo„ „ber aan Uwe Hoog Edelhee„ „dens aller Eerbiedigst kennis gaf„ is alhier ter kuste niets voorge„ vallen, het geen eenige Communi„ „catie zoude meriteeren, behal„ ven, dat alhier op den 2. october ter rheede verscheenen zijn, twee Fransche Oorlogs fregatten genaamd L: Amphitrie, en 434 genaamd uno, wordende gecomman„ „deerd door 'S konings Capitains Monsieur Lonzaijer, en Boi„ lean, die wij, op haar verzoek van water en brandhout hebben laaten voorzien, wanneer zij na eenige dagen verblijfs weeder van hier zijn vertrokken. Dog wijl ik op hunne ver„ schijning voor een visite van Engelssche scheepen bedugt was, stelde ik immediaat de noodige ordre tot beveijliging en beschen„ „ming der Rheede, geevende ten dien eijnde, nog dien zelfden dag den schipper van het re„ „thour schip De Patriot (:die immediaat na boord moest:) de noodige ordre in scriptis, hoe hij zig des nagts bij een onver¬ „hoopt vijandelijk voor val zou hebben te gedraagen, tot be„ scherming van het regt der Rheede„ Bij een rencontre overdag zouden wij van de wal den aan„ vallen 10/. valler wel geleerd hebben, wat meer„ „den respect te betoonen voor, een neutraale Rhee en Natie Ten minsten ik zou op den aan„ „vallen, het zij het een Fransch of Engelsch schip geweest was, met kragt hebben laaten vuu„ „ren. En hiermeede heeft zig den Raad volkomen geconformeerd bij Resolutie van den 5. october, waar van ik hoope, dat het daar bij genoteerde almeede weezen zal van Hoog derzelven goed„ keuringe voorts hoop ik, dat de besluijten, die door mij en den Raad ten voorsz: dage genoomen zijn, op eenige bedenkingen door de Pal„ Sadraspatnam„ leacatsche en Opperhoofden gemaakt, tee„ sche gens het bevijligen van Compagnies grond gebied en Rheede, het geen wij hun gelast hadden, gelijk meede nopens het verleenen van 10./ 9 435 van protectie aan Engelsche en Franschen almeede door uwe Hoog Edelheedens gunstig zullen werden g'approbeerd. Dat de Franschen Seedert langen tijd getragt hebben, gewigtige alliancien aantegaan en te sluij„ ten met de vorsten van dit Land, is een bekende zaak. De Correspon„ „dtentie door de heer de Bellecombe met Heijder Naijk, gehouden, en waar van ik bij mijnen voorigen aparte Missive van den 25 7ber: pass=o gesprooken heb, overtuijgde mij hier van volkoomen. Dog dat zij daar in bereeds zoo ver ge„ reusseerd waren als zij waarlijk zijn, was aan mij onbekend. voor eenige dagen egter, wierdt mij in secretesse ter hand gesteld, een Extract uijt zeekere Missive door den heer S:k Lubin ambassadeur van weegen den koning van vrankrijk aan het sHof van fonna in dato 13. September 1778
English
436. 1778. written from Daman to Mr. De Briancourt, agent of the French at Souratta, from which I believe I have seen with astonishment the close alliance that must exist between the court of Paris and Ponna. At least the Ambassador seems to have quite some influence there, as the Grand Council of the Barrabaijs, of which the said Minister is also a member, have had a certain chief leader of an uprising named Morbadda, whom they would have condemned to perpetual imprisonment, put to death as soon as the said Minister, in the name of His Majesty of France, demanded his death and that of his adherents, as being the only 61 437 sufficient satisfaction that could be given to His Majesty for the crime committed against him in the person of his dearly beloved ally Mahaderao. The turn that the said Minister played on that occasion is certainly somewhat uncommon, yet nevertheless fully proves the great power that he has at Court. Furthermore, the said Minister writes to his aforementioned friend that the fine project (an expression used by him) which the English were said to have forged to lead eleven battalions overland from Bengal to Souratta and from there to Pona, had fallen through at the surprise attack on the city of Calpi located in the Province of Sironge on the Bengal border, 11 since they had been defeated by Gorin Bundela (a general of the Marattijs) who had marched against them with 40,800 men upon the first news of their invasion, in which battle they left 2,000 dead on the battlefield and subsequently retreated into Calpi (which city was said to have been blockaded since then by the said general, for which blockade, besides his army, another 15,000 horsemen had departed from Pona, so in all likelihood the remainder of the English troops who were in Calpi and would amount to around 6,000 men would have to surrender their weapons or die of hunger. Which, if it is true, 11 63 438 would be a most lamentable condition for the aforementioned troops. He writes further that the Nana (a Maratha Prince) was said to have informed him that Haijder Naijk was dead, but that he could nevertheless not yet believe it with any certainty, because Haider Naijk had occasionally spread such a rumor himself to discover the thoughts of his subjects, generals, and neighbors regarding the succession that he had intended for his son Tipon Sahib. Yet he continues in this manner: "if that news is true, then there is undoubtedly a tear in the cloth, for the power thereof cannot avoid being divided, and thus Monctoun Sahib will certainly retain the Mysore 439 territory; Abrahim Saib the Barahamal, and Magdanna the Courboulour territory; Ali Radja will make himself independent at Cananoor; the King of Trevancour will establish the succession of the Samorin at Calicout; the Portuguese will restore the King of Zoude to the possession of his realm; Mahometh Ali will want Caroer and Dindigal back, and the Marattijs will plunder everywhere and take possession of Sira and the Canara territory, as well as the Province of Maras, besides putting the remainder under contribution. I (so he continues further) would not be surprised 63 if the English at Bombaij attempted to take possession of Mangaloor, either because they have long yearned for that place, or because they believe that that harbor could serve us (namely the French) as a place of support on the Mallabaar." Thus far goes the extract delivered into my hands, of which I have wished to treat rather extensively here because of the weighty news that is reported in it. Whether it is entirely to be credited, especially with respect to the English, is somewhat doubtful, as there will certainly be a little partiality involved. Yet his thoughts with respect to the division of the realm of Haijder Naijk, if he might truly be dead, 440 as the rumor has also circulated here, do not appear improbable to me. At least I expect a general disruption of his rule, for it is built upon violence and tyranny, and seems only able to be maintained by the great awe in which he manages to keep his subjects. Furthermore, I offer Your High Nobles two translated Malabar petitions, presented to me by the chief and lesser painters of Nagapatnam as well as Wellepalium on behalf of the merchant, titular Mint Master, and Adigaar here, Willem Duijnevelt. From the contents of those two papers Your High Nobles will, I trust, 12 64 441 find fully proven that I have not unjustly held Company merchant Tieroemenij Chittij for the chief author, indeed the sole instigator of the recent unrest that arose here among the Malabars. And since our aforementioned inhabitants, under the leadership of such a prominent rebel, have trodden all respect underfoot and violated the truth in a punishable manner by daring to accuse nearly everyone who held any authority or administration in the city with the foulest slanders, the merchant, titular Mint Master, and Adigaar here, Willem Duijnevelt aforesaid, for the defense of his honor and good name
Dutch transcription
436. 1778. uijt Daman gesz:, aan de heer De Briancourt, agent der Franschen te Souratta waar uijt ik met verwondering meen gezien te hebben de naam alliantie die 'er tusschen de hove van Parijs en Ponna resideeren moet. Ten minsten den heer Am„ „bassadeur, schijnd 'er vrij wat ingressie te hebben, alzoo den grooten Raad van de Bar„ rabaijs, waar van gemelde Mi„ nister teffens Lidsis, zeekeren hoofd belijden van een opstand Morbadda genaamd, die zij tot een eeuwig gevangenis zou„ „den gecondemneerd hebben, ter dood hebben laaten brengen, zoo dra gemelden Ministers uijt naam van zijn Majesteijt van vrank rijk zijnen dood en die van des„ selfs aanhang eischte, als de eenig„ ste 61 43.7 ste voldoende satisfactie zijnde, die men aan zijn Majesteijt geeven kon voor de misdaat aan hem begaan, in den Persoon van zijnen, zeer beminde g'alli„ „eerde Mahaderao; De tour, die gemelde Mi„ nister bij die geleegendheijd speeld, is zeeker wat omgemeen, dog bewijst egter niet te min vol„ „koomen het groot vermoogen, dat hij aan het Hof heeft. voorts schrijft gemelde Minister zijnen voorsz: vriend, dat het Schoon Project (: een uijtdrukking door hem gebruijkt:) het geen de Engelsche zouden gesmeed gehad hebben, om Elf Bat„ tallions over land van Benga„ le en naar Souratta en van daar na Pona te voeren, bij het overrompelen van de stad Calpi in de Provincie Sironge op de Bengaalsche Grenze gelee„ „gen 11 gen, gebleeven was; alzoo zij see„ „dert door Gorin Bundela /: een veldheer van de Marrattijs:/ die hun op de eerste Lijding van haaren in val met 40800 man was tegengetrokken, geslagen waren, bij welke bataille zij 2000. dooden op het slag veld gelaaten en zig vervol„ gens in Calpi gerestireerd hadden (welke stad door gemelde veld „heer seedert zou geblockend zijn, tot welke blokkade, buij¬ ten zijn armé nog 15000. Ruij„ ters van Pona vertrokken waaren, dus naar alle waar„ schijnlijkheijd, het overschot der Engelsche Lioupes, die zig in Calpi bevonden en omtrend nog 6000. man zouden bedraa„ „gen hun geweer zoude moeten estrekken, of van honger Ster„ Het geen zoo het waar „ven. is, 11 63 438 is, een allerbeklaaglijksten toestand zou weezen voor de voorsz: trou„ pes. Vervolgens schrijft hij, dat de Nana /: een Marattijs Prins:/ hem zou gemeld hebben, dat Haijder Naijk dood was, dog dat hij het egter tot nog toe met geen zeekerheijd geloven kon, uijt hoofde Haider Naijk wel eens zelfs zoo een gerugt verspreijd hadt, om de gedagten van zijne onderdanen, Generaals en Buuren te ontdtekken, aan¬ „gaande de successie, die hij zijnen zoon Tipon Sahib ge„ proueerd hadt. Dog vervolgd egter in deeser voegen„ zoo da't „nieuws waar is, zoo is 'er zonder „twijffel, een Scheur in het Laaken, „want derzelven Mogentheijd „kan niet voorbij om verdeeld „te worden en dus zal zeekerlijk „ Monctoun Sahib het Mais„ Soursche 439 Abrahim Soursche behouden; „Saib de Barahamal, en Mag„ „danna het Cour bouloursche: Ali„ Radja zal zig op Cananoor „ indepent maaken; De koning „ van Trevancour zal op Ca„ „licout, de Erfvolging van den Samorin instellen. De Por„ „tugeezen zullen de koning Zoude herstellen in de van „bezitting van zijn Rijk. Ma„ „hometh Ali zal Caroer „en Dindigal, weerom wil„ „len hebben, en de Marattijs „zullen over al stroopen en „bezit neemen van Sira en „ het Canarasche, mitsg:s de Provincie van Marasnee„ „vens het restant onder Contribu„ „tie stellen Ik (:dus vervolgd hij verde „zou niet verwonderst staan, Zoo 63 „zoo de Engelschen te Bombaij „bezit tragten te neemen van man„ „galoor, het zij uijt hoofde „zij al lang na die plaats ver„ „langd hebben, of om dat zij ge„ „looven, dat die Haren ons /: na„ „melijk de Franschen :/ tot een plaats van ondersteuning op de Mallabaar zou kunnen die„ „nen. Dus verregaat het aan mij ter hand gestelde, Extract waar van ik in deeze wel wat breedvoerig heb willen handelen om het gewigtig nieuws, dat 'er bij gemeld vwordt. of het alle„ „zins te accrediteeren is, voor al met opzigt tot de Engelschen valt wat twijffel agtig, alzoo er zeekerlijk wel een winigje partijdigheijd zal onderloopen Dog zijne gedagten met opzigt tot de verdeeling van het Rijk van Haijder Naijk, zoo die waarlijk dood mogte weezen. 440 weezen, gelijk hier ook het gerugt geloopen heeft, komen mij niet onwaarschijnlijk voor ten minsten ik verwagt een Generaale Scheuring van zijn heerschappij, want die op geweld en Tirranij gebouwd is, en maar alleen door het groote ontzag, waar in hij zijne onder„ daanen weet te houden, schijnd te kunnen staande gehouden worden Wijders biede ik Uwe Hoog Edelheedens aan, twee Trans¬ „laat Mallabaarse Requesten, door de hoofden - en mindere schilders zoo van Nagapat„ nam als Wellepalium aan mij gepresenteerd door weegen van den koopman titulair Muntmeester en Adigaar al„ „hier Willem Duijnevelt. Uijt den inhoud van die beijde papieren zullen uwe Hoog „Edelheedens zoo ik vertrouw, volkoomen 12 12 64 441 volkoomen beweezen vinden, dat ik Compagnies koopman Tie„ „roemenij Chittij niet ten onreg„ „ten gehouden heb voor den hoofd auteur, La den eenigste bewerker van het Iongste op„ roer, dat alhier onder de Mal„ „labaaren ontstaan is. En nadien, onze voorsz: Inwooners, onder het beleijt van zulk een voornaam Rebel, alle ontzag met voeten getrec„ „den, en de waarheijd op eene Strafwaardige wijze verkragt hebben, door genoegzaam een ieder, die maar eenig gezag of bewind in de stad woerde, met de vuijlaardigste lasteringen te durren accuseeren, zoo heeft den koopman tit: Muntmeester en Adigaar alhier Willem Duijnevelt voorm: tot verdee„ „diging van zijne Een goede naam
English
name and reputation on the 31st of December (apart from a certain vindication previously handed over to me by him) presented in the Political Council the accompanying Deduction with the annexes appended thereto. From this writing it will, as I trust, appear to Your High Nobilities most evidently in what a malicious and unjust manner they have dared to accuse the merchant Duijnevelt of having enriched himself with the revenues of their temples or pagodas; for upon inspecting the accounts of the pagodas by the principal Malabars of this city, which was done upon my special order, and among whom were simultaneously six of his greatest accusers, it was discovered, to the shame of such villains, that the adigar Duijnevelt, instead of having enriched himself from the revenues of their pagodas, is upon the closing of the accounts still entitled to par 70. 3/4 and Pardauws 44. 3 1/20 for monies advanced for them beforehand. And since their other accusations regarding the administration of their pagodas during his adigarship are of no better quality, as the contrary is proved by the documents, the merchant Duijnevelt aforesaid requested of me and the Council in his aforesaid Deduction that he might obtain a conspicuous satisfaction, for the restoration of his injured honor and dignity, above all from the Company's merchant Tieroemenij Chittij, as the chief instigator of the rebellion and the calumnious accusations against him and others arising therefrom. Which is further demonstrated by him in his writing as clear as day. However much I and the Council were inclined to provide him ipso facto with the most conspicuous satisfaction, we have, in consideration that we have already complained to Your High Nobilities concerning the merchant Tieroemenie Chittij and his adherents and requested satisfaction for the injury he has done to us in general, thought fit to refer his request in this regard likewise in the most respectful manner to Your High Nobilities; as I presently have the honor to do. For it is intolerable for an honest man to suffer such an insult. And herewith I request Your High Nobilities at the same time to consider that he is a member of the Council of Policy who has attended the meeting with honor for so many years, and has grown practically gray in the service of the Company. Which makes the aforesaid accusation fall all the more bitterly upon him, the more so as he has endeavored during his adigarship to reform all abuses that had crept into the administration of their pagodas from time to time, and to place everything upon a much more orderly footing. Besides the aforesaid Deduction, I send herewith for the consideration of Your High Nobilities all the vindications which I have required from various servants regarding the accusations brought against them by our rebellious inhabitants, which will convince Your High Nobilities all the more of the evil intent they had forged, namely, to make themselves virtually independent of all laws, ancient traditions, and customs. With the general dispatch that departs today, I and the Council present to Your High Nobilities the petition of the renter Soendra Dhakoer. We assure Your High Nobilities thereby of the truth of the statements adduced by the petitioner to prove his innocence and to show to whom his loss must properly be attributed. These are, as the petitioner has rightly remarked, our rebellious inhabitants, or rather in the first place the ringleaders of the rebellion. And since it is nothing more than right and equitable that someone who causes damage should also make good that damage, I take the liberty with respect to submit to Your High Nobilities, both in my own name and in that of the Council, the following humble proposals and requests, for the indemnification of the poor petitioner and the Company: 1. To graciously remit to the renter Soendra Dhakoer his heavy loss suffered on his leases in 1777/8 up to the amount of Pagodas 3913 7/8. 2. To impose half of that amount, or pagodas 1956 7/16, as compensation upon the six Company merchants here, since they were not only informed of the intended exodus of the inhabitants, but also supported them with money. 3. To have the other half of the aforesaid amount discharged and paid by the Company's Shroff, and the principal ringleaders of the rebellion, detailed in the Secret Resolution of the 31st of December past and the Deduction of the merchant Duijnevelt aforesaid, and that in equal shares. 4. But, on the other hand, to graciously excuse from the payment of their share in the first-mentioned half the merchants Ramalinga Poele and Tatavie Rama Naijker, as these two are the only ones who have frankly declared to me, and have given written proof thereof, that on the part of Tieroemenij Chittij not only was much money collected in the city and sent to the mutineers, but also that he had approached them to supply funds, though nothing had been given by them. And fifthly, to have the amount or share of both the said merchants likewise borne by Tieroemenie
Dutch transcription
naam en Reputatie op den 31:e December (: buijten zeekere ven„ „andwoording door hem bevoo„ rens aan mij overgegeeven:) in Raade van Politie gepresenteerd, de neevensgaande Deductie met de bijlaagen daar aan g'annexeerd. Uijt dit schriftuur zal gelijk ik vertrouw aan Uwe Hoog Edelheedens ten evidend „sten Consteeren, op welk een quaadaardige en onregtvaardi¬ „ge wijze zijden koopman Duijnevelt hebben durven be„ schuldigen van zig met de voor „deelen van hunne Tempels of Lagooden verrijkt te heb„ „ben; want bij het nazien van de Reekeningen der pa„ gooden door de voornaamste Mallabaaren deeser Stad, het ƒ 69 het geen op mijne speciaale ordre is geschied, en waar onder tex„ fens zes van zijne grootste beschuldigers geweest zijn, heeft men tot beschaaming van zoo„ „daanige booswigten ontwaard, dat aan den adigaar Duij„ „nevelt in plaatse van zig verrijkt te hebben, uijt de In„ „komsten hunner Pagooden nog bij slot van reekening Com„ „peteerd, par 70. ¾. en Pardauws 44. 3 1/20. , weegens voor hun voor uijt geschooten gelden En nadien hunne andere ac„ cusatien met opzigt tot het bestieren van haare pagooden, geduurende zijn Adigaarschap van geen beter allooi zijn; al„ zoo het tegendeel met de stuk„ ken beweezen wordt dat den koopman Duijnevelt voor„ „noemd bij zijne voorsz: Deduc„ „tie aan mij en den Raad ven„ zogt, om eene eclattante Sa„ tisfactie 442 137 tisfactie te moogen erlangen, ter herstelling van zijne geschonde Eer en waardigheijd, voor al van Compagnies Koopman Tie¬ roemenij Chittij, als den hoofd„ „belegger van het oproeren de daar uijt voortgesprooten Ca¬ lumnieuse accusatien tegen hem Het geen verder en andere: door hem bij zijn geschrift mid„ „dagklaar beweeken wordt. Dan hoe zeen ik en den Raad ook geneegen geweest zijn, om aan hem ips of acto de eclat¬ tanste Satisfactie te bezorgen, hebben wij uijt aanmerking dat wij over den koopman Tieroemenie Chittij en zijnen aanhang bereeds bij Uwe Hoog Edelheedens geklaagd en om Satisfactie verzogt hebben, over de leesie, die hij ons in het Gene„ raal heeft aangedaan, goedge„ vonden 13/. 443 vonden zijn versoek dierweegens aan Uwe Hoog Edelheedens almeede op het aller Eerbiedigste te ren voijeeren; gelijk ik thans de Eere hebte te doen. Sant het voor een Eerlijk man onverdraagbaar is zoda„ nig een hoon te lijden. En hier bij versoek ik H Hoog Dezel„ ve teffens te overweegen, dat hij een Lid van Poditie is, die zoo veel Iaaren lang, de ver„ gadering met Eere bijgewoond, en in den dienst der Maatschap„ wij genoegsaam grijs geworden is. Het geen hem de voorsz: beschul„ „diging des te bitterden doet vallen, te meer daar hij getragt heeft om geduurende zijn Adigaarschap alle misbruijken, die er van zijd, tot tijd in het bestier van hun„ ne pagooden waaren ingesloo„ „pen, te verbeeteren, en alles op een vrij geschikter voet te brengen. Behalven 444 Dehalven de voorschree¬ ve Deductie zende ik hier nee„ vens tot speculatie van Uwe Hoog Edelheedens alle de ver„ antwoordingen; die ik van di„ verse, Dienaaren gerequireerd heb op de Leegen hun ingebragte be„ schuldigingen door onse oproe„ „rige Inwooners, die Hoog De„ zelve des te meerder zullen overtuijgen van het boos voornee„ „men, het geen zij gesmeed had„ „den, namentlijk, om zig genoeg„ „zaam onafhangkelijk te maa„ „ken van alle wetten, oude her„ „koomens en gebruijken Bij de gemeene Missive die heeden afgaat, biede ik en den Raad twe Hoog Edel„ „heedens aan, het Request van den Pagter Soendra Dha„ Koer. Wij verzeekeren Hoog deselve dezelve daar bij, van de waarheijd der positien, door den supp:t bij „gebragt, tot bewijs van zijne onschuld en aanthooning, aan wien, zijn, verlies eijgentlijk moet worden toegeschreeven. Dit zijn, gelijk den Sup„ pliant, met regt heeft aange„ „merkt onze opvoerige Inwoo„ „ners. of wel in de eerste plaats de belhaamels van het oproer En nadien het niet meer dan regt en billijk is, dat iemand die schade doet, ook die Scha„ „de vergoed; zoo neem ik met Eerbied de vrijheijd, Uwe Hoog Edelheedens zoo uijt naam van mij zelfs, als van den Raadt, de ondervolgende needrige voorstellen en ver„ „zoeken te doen, tot schaade„ loosstelling van den armen Supp:t en de Maatschappij. 9 9 445 14:/. Om den Sagter Voendra Dhakoer goedgunstiglijk te remitteeren zijn geleeden zwaar verlies op zijne pagten in 177 7/8. tot Pagooden 3913 7/8. om de helft van dat bedraa„ gen of pa/o 1956 7/16. , ter vergoe„ „ding opteleggen aan de Zes Compagnies kooplieden alhier, alsoo zij niet alleen van de voorgenome uijtwijking der Inwooners g'informeerd zijn geweest, maar hun ook met geld ondersteund hebben. 3) om de andere helft van het voorsz: bedraagen te laaten voldoen en betaalen door Com„ Saraf, en de voor„ pagnies naamste belhamels van het op„ roer, nader bij Secreete Reso„ lutie van den 31. December pass=o en de Deductie van den koop¬ mans 14/. 446 man Duijnevelt voormeld, en zulks in eguale portien. 4 Dog daar en teegen weeder van de betaaling van hun aan„ deel in de eerst gem: helft goed„ gunstiglijk te excuseeren de koop„ „lieden Ramalinga Poele en Latavie Rama Naij„ ker, alzoo deeze twee de ee„ „nigste zijn, die aan mij rond„ „bonstig verklaard, mitsgaders er een Schriftelijk bewijs van gegeeven hebben, dat door wege¬ van Sieroemenij Chittij, niet alleen veel geld in de stad bij een verzameld en de muijte„ „lingen toegezonden wierdt maar ook dat hij hun almeede tot het fieeren van penningen aangesprooken, dog door hun niets gegeeven was. En ten 5. / om het montant of aandeel van de beijde gemelde kooplieden almeede door Tieroemenie 73
English
Tieroemenie Chittij, being the greatest instigator of the rebellion, to be made to satisfy this. In which proposals I request Your High Excellencies to agree, as it is all too well proven that the farmer's loss is to be attributed to nothing other than the recent general departure of our inhabitants, of which the aforementioned persons are the primary cause. Meanwhile, in compliance with the recently received order, I have the honor hereby to insert a short summary of the personnel stationed here and the available cannons, mortars, muskets, cutlasses, ammunition of war, gunpowder, and vessels, drawn up according to the model received for that purpose; the one and the other consisting of the following: 447 the following At this trading post there are presently in existence the following servants: Of the civil administration down to first assistants inclusive: total heads, including Europeans, native Christians, Topasses, Moors, and Sepoys. Ecclesiastical: 5 Medical: 1 Artillery: 37 Trades: 1 Seafaring: 138 Military: 1068 Various serving: 35 Totaling: 1312 According to the latest determination: 891 Or now more: 421 38 metal cannons 18 mortars 209 iron cannons 1408 muskets 1406 cutlasses 19818 pieces of shot 3220 bombs 3545 hand grenades 46644 musket balls 75069¼ lb gunpowder And the following vessels; namely: 2 barques, the Liefde and the Eendragt 2 sloops, the Loo and the Walvisch 1 lanchang, the Goede Verwagting 1 dhoni, the Johanna Maria 1 punt or ferry Therewith, praying for Heaven's precious blessing upon Your High Excellencies' illustrious persons and the Company's true interest, I have the honor to remain with the utmost respect and high esteem. Below stood: High Honorable, Highly Esteemed, Far-Commanding Lord and Right Honorable Sirs, Your High Excellencies' very humble and obedient servant. Was signed: R. van Vlissingen In the margin: Nagapatnam, in the Castle, the 15th of January 1779. Agreed. J. Vlissingen 608 Batavia To His High Excellency, the High Honorable, Highly Esteemed, Far-Commanding Lord, Reijnier de Klerk, Governor-General, together with the Right Honorable Lords Councilors of the Dutch Indies, etc., etc., etc. High Honorable, Highly Esteemed, Far-Commanding Lord and Right Honorable Sirs! It causes us the utmost regret that the sloop the Walvisch was unable to continue its voyage from here to Jaggernaijkpatnam quickly enough 609 to deliver to the ship the Veldhoen, before its departure for Batavia, our multiple letters of the 25th of September last, with the trade and other papers belonging thereto, especially since the provisional report made therein, principally that which is described in the Governor's separate dispatch, indeed required to be brought somewhat sooner before Your High Excellencies, as containing matters of importance. Yet, since we dispatched the aforementioned vessel for this purpose quickly enough, namely on the 26th of September, to Northern Coromandel, we trust that Your High Excellencies will please attribute the delay of the aforementioned papers not 813 to a dispatch sent too late, but rather to an unusually early onset of the northern monsoon, which, at least by comparison with other years, broke through half a month too early. Due to this, not only was this small vessel very severely delayed in the continuation of its voyage, but a severe storm, which overtook the aforementioned vessel on the 14th of October near the point of Narsapoor, contributed no less to the late arrival of the aforementioned small vessel at Jaggernaijkpoeram, where, however, according to the officials' reports of the 21st of October, it arrived on the 18th of that month, and thus only one day 610 after the departure of the Veldhoen; which redoubles the grief we feel over our papers being left behind, especially since, upon dispatching the aforementioned vessel, according to examples of earlier years, we firmly counted upon it completing its voyage at the latest in ten days. At least the ship the Veldhoen, which departed from here for Jaggernaijkpatnam on the 16th of September, and consequently only eleven days earlier than the sloop the Walvisch, made its voyage, according to the report of the chiefs by letter of the 24th following, within seven days and nights, whereas the Walvisch, due to headwinds as well as storms, took fully twenty-two days and nights to reach that post. 835 From where this small vessel is expected back any day now, after first having been repaired in the river of Coringa from the heavy leak it sustained on its recent voyage. Meanwhile, the chiefs have sent hither by the dhoni the Jonge Peeter our aforementioned original papers, most humbly dedicated to Your High Excellencies, which we now have the high honor respectfully to offer alongside this via Ceylon, in the hope that they may be brought to the capital of the Indies so opportunely that they may yet be fully acted upon by Your High Excellencies before the departure of the ships hither. We trust this especially, since we, alongside our
Dutch transcription
Tieroemenie Chittij als den grootsten stookebrand van het opproer zijnde, te laaten voldoen. In welke propositien ik uw Hoog Edelheedens versoeke toe testemmen, alzoo het al te wel beweesen is, dat des Pagters ver„ lies nergens anders aan als aan de Iongste Generaale uijtwij„ „king van onze Inwoonders is toeteschrijven waar van de voor¬ schreeve perzoonen de voornaam ste oorzaak zijn. Inmiddens heb ik ter vol„ „doening aan de Iongst gere„ cipieerde ordre de Eer bij deese te insereeren, Een korte sterkte van de alhier bescheijde Manschap pen en aan handen zijnde Ca„ „nons, Mortieren, snaphaanen, houwers, ammonitie, van oor„ log, kruijt en vaartuijgen, op¬ „gemaakt na het daar van ontfangen Model; bestaande het een en ander in als volgd vlingelandt ƒ 447 volgd se kin metz: Op dit Comptoir zijn opheeden in weezen de volgende Dienaaren H=r der koppen waaron Inland Maho„ te zamen Europee„deren Sipaaijs Van De Politie tot P:o adsistenten Inclusive - - - „ kerkelijke - - - - Geneeskunde - - „ Anthillerij - - - - 37. Ambagten - - - - „ diverse dienst doende Tesaamen bedragende Volgens de laaste bepaaling Of nu Meerder 421. 1 38. Metaale Canons Morliers. 18. 209. ijzere Canons 1408. Snaphaanen. 1406. houwers 19818. p s Scherp. 3220. „ Bommen. 3545. „ handgranaaten 46. 644. „ snapphaan kogels. 75069¼. lb: kruijt En d' volgende vaarttuijgen; als 2. Barcquen d' Liefde en d' Eendragt 2. Chialoup, 't Loo, en d' walvisch. /. 1. Lantjallang de Goede verwagting 1. Thonij d' Johanna Maria. 1. schouw of overhaal. „ Zeevaart - - - „ 138. 103. 1312. 891. 4. 30. „ Militie - - - - 1068 225 225. 618 49 Trepassen waar „sen 5. 1. - 1. 7 35. 2. 3. - 2. 2. 4. 5. B Daarmeede onder toebidding van S Hemels Dierbaare Zegen over uwer Hoog Edelheedens Al„ lustre Persoonen en 'sComp:s waar belang, ik mij de Eere geeve, van met de volkomen¬ ste Eerbied en hoog agting te blijven. /:onderstond:/ HHoog Ede„ „le Groot Agtbaare wijd„ Gebiedende Heere en Wel Edele Heeren uw Hoog Edelhee„ „dens zeer onderdanige en Gehoor„ „saame dienaar /:was geteekend/ R: van Vlissingen /:/in margine/ Nagapatnam In't Casteel den 15. Januarij 1779. Acgordeerd. J: Clissingen ƒ ƒ9. 608 Batavia Aan zijn Hoog Edelheijd Den Hoog Edelen Groot Agtbaaren Wijdgebiedende Heere Reijnier de Klerk, Gouverneur Generaal Beneevens De wel Edele Heeren Raaden van Nederlands India, Etc=a Etc=a Etc=a Hoog Edele Groot Agtbaare wijdgebiedende Heere en Wel Edele Heeren! Het doet ons ten uittersten leet, dat de sloep de walvisch zijne reize van hier naar Jagger¬ naijkp=m niet spoedig genoeg heeft kunnen voor Letten 609 voortzelten, om aan het Schip 't veldhoem zijn vertrek na Batavia af te geven onze me ge letteren van den 25. ' 7ber: Jongstleden, mt de daar bij behoorende Negotie en andere pas ren, voor al wijl het daarbij gedaan worden „de provisioneel verslag, principaal dat, heb welk bij 's Gouverneurs aparte missive bee„ „schreeven staat, wel vereijscht hadt, wat eerder gebragt te worden onder het ho„ van uwe Hoog Edelhedens als zaaken van belang bevattende. — Dan dewijl wij hier toe, het voorschree „ve vaartuijg spoedig genoeg, of op den 26: Fo naar Noorder chormandel hebben gedepechit vertrouwen wij dat uwe Hoog Edelheeden het agter uit blijven van de voorsz: papieren, niet aan n 813. aan eene te laate afzending, maar wel aan eene buijten gewoone vroege door braake van de noorder mousson zullen gelieven te attribueeren die ten minsten bij vergelijkinge tegens andere Iaaren, een halve maand te vroeg is door gebrooken - Hier door is niet alleen dit kieltje zeer sterk opgehouden in het voortzetten zijner reize maar een zwaar onweer, het geen het voorsz: vaartuig„ op den 14. 8ber:, bij de hoek van Narsapoer heeft beloopen, heeft niet minder het zijne gecontribueerd, tot de laate aankomst van het voorsz: kieltje op Iaggernaijk„ poeram alwaar het egter, volgens der be„ diendens advisen van den 21. october, op den 18. ' van die maand en dus maar een dag an 610 na het vertrek van het veldhoen is gearriveerd: het geen de Smerte, die wij over het agter uit zeijlen van onse Papieren ge voelen, verdubbeld voor al, daar wij, bij he depecheeren van het voorsz vaartuijg, volgen voorbeelden van vroeger Jaaren, vastelijk staat maakten, dat het zijne reize uitterli in thien dagen zou volbrengen. Ten mins het schip 't veldhoen, die op den 16. September, en gevolgelijk maar elfdaagen vroeger, als de sloep de Walvisch van hier naar Jaggernaijk p=m vertrokken is heeft zijne reijze, volgens het geadviseerde door de op perhoofden bij brief van den 24. daar aan volg de binnen de zeven Etmaalen gedaan, daar de w visch, zoo door tegen winden als stormen wel ze etmaalen doende geweest is, om dat Comptoir 1s 3 83 5. te berijken. van waar dit kieltje /: na alvoo„ „vens in de revier van Coringe hersteld te zijn, van de zwaare lekkasie, die hij op zijne Iongste reijze gekreegen heeft:) Eerst„ daags terug word verwagt; Ondertussch: hebben de opperh: perde Thonij de Jonge Peeter herwaards gezonden, onse voorsz origineele papieren, aan Uwe Hoog Edelheedens aller onderdanigst gede¬ diceerd, die wij thans de hooge eere hebben, ne„ „vens deesen over Ceilon hoog dezelve vererinte„ lijk aan te bieden, in hope dat die zoo vroeg„ tijdig op Indiasch hoofdplaatsche zullen moogen worden aangebragt, dat daar over door uwe Hoog Edelheedens nog volleedig zal kunnen worden gebesoigneerd voor het vertrek der scheepen na herwaarts. —. Voor al vertrouwen wij dit, daar wij nevens anse
English
our humble letter of 22 October, have taken the liberty to offer Your High Nobilities via Ceylon the duplicates of our aforesaid general and secret letters of 25 September, which we firmly assume will have been delivered long before the arrival of this letter, and possibly shortly after the arrival of the Veldhoen at Batavia. At least we heartily wish this to be so, as it would cause us sensible sorrow if this unfortunate accident might have aroused any fear on our account with Your High Nobilities. Meanwhile, the same is extremely painful to us, as we did not lose a moment's time in preparing the aforesaid letters and papers; and this, we hope, Your High Nobilities will kindly believe upon our assurance, being sufficiently persuaded, as we trust, of our activity in this matter, and consequently also most favorably acquitting us of all responsibility concerning it. On 15 October last, we had the particular fortune to receive via Ceylon Your High Nobilities' very venerated missive of 18 August 1778. And in the same it pleased Your High Nobilities to order us to amply report, both to your honored selves and to the High Noble and Right Honorable lords superiors in the Netherlands at the very first opportunity: 1. What indeed was the reason for the difference discovered in the Netherlands between the alloy of the Pagodas and the gold sent out for that purpose. 2. Whether gold of 15 carats was absolutely required for the minting of fanums, whereas it had been found in the Netherlands that this coinage contained no more than 7 carats, 18 grains. 3. Why gold of 18 carats, 5½ grains was used here in the month of August 1775 for the minting of fanums, although gold of 15 carats had already been received with the ship De Both. In order to better comply with the aforesaid order, we resolved by the resolution of the aforementioned 15 October to require the merchant and mint master here, Willem Duijneveld, and the junior merchant and assayer, Pieter Willem Geeke, to provide us with an ample and accurate report in writing regarding the prescribed three points. They complied with this on 31 December very circumstantially and to our complete satisfaction, on which account we take the liberty to present to Your High Nobilities their aforesaid report herewith. And we trust that Your High Nobilities will likewise be satisfied with the reasons adduced by them in answering the three proposed questions. And we also hope that the Gentlemen Masters, to whom we now, pursuant to the order, offer an authentic copy of the aforesaid report, will also kindly agree with the aforesaid reasons. Meanwhile, according to the desire of Your High Nobilities and the lords superiors, we have ordered the mint master Duijneveld to note henceforth in the mint returns not only the monetary value of the gold and the other materials used for the minting of specie, but also, besides the value of the metals serving as alloy, the quantity of each of them, together with a specific demonstration of the charges incurred in the minting; which will henceforth be promptly observed here. Having duty-bound brought this beforehand to the honored knowledge of Your High Nobilities, we proceed again, according to annual custom, to give a general account of all our transactions on this coast in the master's service during the course of the recently expired book year 1777/8, in so far as we made no mention thereof in our aforementioned general missive of 25 September; in the hope that the matters described therein may be favorably approved or kindly passed over by Your High Nobilities, out of consideration that we have cared in everything, as much as was possible for us, for the Company's true interest. Yet before we proceed to our general description, we take the liberty, according to current practice, to insert herewith the extracts sent to us from the general missives from the homeland of 8 and 17 October 1777 written by the Gentlemen Masters in the Netherlands to Your High Nobilities, with our respectful reply to the same placed in the margin, with which we heartily wish that Your High Nobilities and the High Noble and Right Honorable Gentlemen Seventeen will kindly agree, reading as follows: Extract from the missive written by the assembly of the Gentlemen Seventeen within Middelburg in Zeeland to the Governor General and the Councilors of the Dutch Indies at Batavia under date of 8 October 1777. Paragraph 312: Proceeding herewith to the matter of Coromandel, we have with astonishment Elucidation, desired by your High Noble and Right Honorable, on what grounds we base our assertion that the more the requisitions for textiles are reduced
Dutch transcription
611 onse nedrige Letteren van den 22 8ber:, de vrijheijd hebben genomen, uwe Hoog Edel„ heedens over Ceijlon aan te bieden, de dupli„ caaten van onse voorsz gemeene en secru„ te brieven van den 25. September, die wij vastelijk veronderstellen, dat reeds lange voor paresse deezes, en mogelijk wel kort na de aankomst van het veldhoen„ op Batavia zullen weesen aangebragt Ten minsten wij wenschen dit van har„ ten, alsoo het ons sensibel zoude smerten soo dit ongelukkig toeval, eenige vreese onzen„ „tweegen bij uwe Hoog Edelheedens mogt verwekt hebben — Ondertusschen is het zelve voor ons ten uijtersten v 81 4 uijttersten gevoelig, alzoo wij tot het ver„ „vaardigen van de voorsz brieven en pa„ „pieren geen ogenblik tijd verzuijmd, hebben en dit hoopen wij zullen uwe Hoog Edelhee„ „dens op onse verzeekering gaarne gelie„ ven te gelooven, als van onse activiteit in deezen, zoo wij vertrouwen, genoegsaam gepersuadeerd zijnde, en ons dienvolgende ook van alle verantwoording daar omtrent aller gunstigst vrij spreeken. — Op den 15. 8ber: Jongstleeden, hadden wij het bijzonder geluk, over Ceijlon te re„ cipieeren uwer hoog Edelheedens zeer ge„ venereerde missive van den 18. aug:s 1778. En bij den selven behaagde het uwe hoog 3 Edelheedens 612 Edelheedens, ons te gelasten, om zoo wel aan hoog dezelven als aan de hoog Edele hoog Agtbaare heeren superieuren in neederland bij de aller„ eerste gelegendheijd ampel te berigten. 1. / wat tog de reeden was van het in Nederland ontdekte verschil tus„ schen het allooij der Pagooden en het daar toe uitgesonden Goud. —. 2. ) of 'er tot het slaan van fanums absolut vereischt wierd. Goud van 15. Carraaten daar men in neederland be„ vonden hadt dat die munt niet meer„ der inhieldt als 7. Carraat, 18. –. grijn, gn 3. /. Waarom alhier in de maand augustus 1775. goud van 18. Carraat 5½. grijn ver„ bruijkt geworden was tot het slaan van m 84 9. 613 van fanums daar men nogthans met het schip de Both bereeds bekoomen hadt goud van 15. Carraat! Wij hebben, om aan de voorsz ordre des te beter te kunnen voldoen, bij besluijt van den 15:' october voormeld, goedgevanden den koopman en muntmeester alhier Willem Duijneveld, en den onderkoop„ „man en Essaijeur Pieter willem Geeke te demandeeren, om nopens de voor„ schreeve drie poincten, aan ons te dienen van een ampel en naauwkeurig Rapport in Scriptis-. Hier aan hebben zij op den 31. Decem„ ber zeer omstandig en tot volkomen genoegen genoegen genoegen van ons voldaan, weswegens wij de vrijheijd neemen hun voorschreeve Be„ rigt, uwe Hoog Edelheedens bij de„ zen aan te bieden en vertrouwen, dat hoog dezelve al meede genoegen zullen nee„ men in de reedenen, door hun bij gebragt ter beantwoording van de drie voorgestel„ de vraagen, En wij hoopen ook, dat de Heeren Majoores, aan wien wij thans, inge„ volge de ordre een Copia authenticq van het voorsz: berigt aanbieden, zig meede zullen gelieven te conformeeren, met de voorsz reede„ nen. — Middelerwijl hebben wij, na de begeer te van uwe Hoog Edelheedens en de heeren supperieuren, den muntmeester Duijnereld gelast, om voortaan bij de muntsrendementen ted 89 14 614 te noteeren, niet alleen het bedragen in gelde van het goud en de andere materiaalen, die tot het slaan van specien worden gebruijkt, maar ook behalvende waarde der metaalen, die tot toe„ zet dienen de quantiteijd van ieder derselven, met en benevens een specificque aantooning van de ongelden, die bij de vermunting vallen; het geen voortaen alhier prompt zal worden geob„ serveerd—. Dit voor af schuldpligtiglijk gebragt hebbende ter g'eerde kennisse van uwe hoog Edelheedens, gaan wij na Iaarlijksche gewoonte weder over, tot het doen van een generaal verslag van alle onze verwigtingen ter deeser kuste in 'Smeesters dienst, ge„ duurende den loop van het Iongst geexpireerde boekjaar 177 7/8. voor Zoo ver wij daar van geen mentie gemaakt hebben bij onsen voorgewagde gemeene missive van den 25. 7ber: in hoope, t m 615 dat de zaaken, die daar bij staan beschreeven te wande door uwe hoog Edelheedens quntig mogen van de de geapprobierd of toegenegentlijk gepasseerd uit consideratie, dat wij in alles, zoo veel ons maar me gelijk geweest is, voor 'scompagnies waarbelangen intrest gezorgd hebben. Dog eer wij tot onse generaale beschrijving overgaan neemen wij volgens het inpractijk zijnde ge„ bruijk, de vrijheijd bij deesen te insereeren, de ons toegesonden Extracten uijt de generaal patriasche missives van den 8. en 17' 8ber: 1771 8dor de heeren Majoores in Nederland aan uwe hoog Edelheedens geschreeven, met ons eerbie„ dig antwoord op dezelve in margine gestad„ waarmeede wij van harten wenschen dat uwwe hoog Edelheedens en de hog Edele hoog Agtb: heern Seventhienen gunstig zullen gelieven te conformee„ „ren, luijdende dezelve als volgd. Extract 91 13. Extract uijt 616 op dedoor uw hog Edele hog Aagt: begeerd dat hoe meerder de eijsschen van Lijwaaten ver„ de missive geschreeven door de vergadering der heeren seventhienen, binnen Middelburg in Zeeland aan den Gou„ „verneur Generaal en de raaden van Neder„ lands Indien te Batavia in dato jiii 8. october 1777. §312 hiermeede over„ gaande tot de materie van. Chormandel, Elucidatie, op wat gronden wij onse sustenue hebben wij met verwon„ minders. dernij
English
reduction would be, the less a complete fulfillment of the same was to be expected, which we were able to state as a certain truth in our respectful marginal reply to the extract of your Right Honorable Right Venerable Esteemed missive of 8 October 1774, we have no other reasons to provide than that which has been respectfully set down by us in our humble Provisional Answer to the demand for returns for the year 1778, addressed 11 November 1776, to which we in that regard most submissively refer, merely adding here that everything successively noted by us in this regard was principally based on the successive complaints of the Portonovosche and Nagapatnam merchants, of whom the latter were indeed the foremost, but constantly also the most deficient in fulfilling the delivery of cloths assigned to them. — seen from the marginal reply of the ministers to our missive of 8 October 1774 that, with respect to the main article of this office, the collection of the cloths, they maintain that the more the demands are reduced, the less a complete fulfillment of the same is to be expected, and that such a reduction was the cause of the fact that in 1771/2 there were 165 packages lacking from the fulfillment of the demand. 15. 2 92 617 Experience, however, seems directly to contradict that contention, for having examined the comparative representations of the ministers regarding the cloths that have successively been demanded for the years 1771 and following up to and including 1774, with that which has been fulfilled upon those demands, we believe to have found proof therein that in proportion as the demands were greater, the deficit delivered upon the same also proportionally amounted to more. 618 To this end, it can serve as an example, among others, that, as the ministers themselves have shown in their missive of the tenth of January 1775, on the demand of 1773, to the amount of 3011 packages, 93 packages less were collected than on that of 1774, amounting to 2650½ packages, not to mention now what has already been said at the head of our last-decreed demand for 17. 95 for returns on this subject. The ministers will therefore have to elucidate to us on what grounds they were able to regard the aforesaid contention in the said marginal reply as a certain truth. — §313. We desire this elucidation all the more because, if the additionally alleged claim holds true that with the reduction of the demands the merchants can no longer make as much profit on the Company's delivery as before, and for that reason take to producing private cloths, then the reasons advanced by the ministers regarding the small collection for 1775, which they attribute to prolonged droughts, disturbances in the country, and vexatious 97 19. While, regarding the difference remarked by your Right Honorable Right Venerable in the successive statements made of the past collection of cloths, we take the liberty respectfully to refer to that which was submissively noted by us in the margin of the extract of your Right Honorable Right Venerable very honored missive dated 30 October 1776, whereby, as we trust, we have clearly demonstrated the origin of those differences, and which demonstration we then hope will be considered satisfactory by your Right Honorable Right Venerable. 620 Although whether this is the exact determination of the difference is not at all certain to us, since the § 314. according to the missive of 15 January 1776, the last-mentioned collection amounted to no more than 2137 packages, or 311 packages less than were received in the previous financial year 1773/4. — treatments by the English. — collection. collection of the just-mentioned financial year is stated by the ministers in the aforesaid missive as having consisted of 2448 packages, whereas the same is recorded in their dispatches of 10 January 1775 with a quantity of 2539½ packages. — We have had to remark a similar contradiction in our missive of 30 October 1776 in 621. 99 in the ministers' reports, not only with respect to the collection of 1772/3, but also in regard to that of 1771/2. — The last-mentioned was stated in their dispatches of 1772 at 2596 packages, and after that the deficit of 11½ packages had been calculated in comparison with 1771/2, but according to the writing of 1774 the aforesaid collection of 1771/2 would indeed have amounted to: have amounted to 2622 packages. — If now this last statement were the correct one, one might have assumed that, since the ministers speak of that collection once again in their repeatedly mentioned marginal reply, they would consequently have corrected the error made in the reports of 1772, yet on the contrary we find in that reply the
Dutch transcription
„minderheijd werden, hoe minder eene Compleete voldoening derselve zoude te wagten weesen, bij onse eerbiedige marginaale beantwoording op het extract uwer hoog Edele hoog Agtb: hoog g'eerde missive van den 8. 8ber: 1774. hebben kunnen ter needer stellen als een zekere waarheijd, hebben wij geen andere reedenen te suppediteeren als het geen door ons eerbiedig ter needer gesteld is, bij onse nedrige Provisioneel Antwoord op den eijsch van rethouren voor den Iaare 1778. , geadresteerd 11. 9ber: 1776., waar aan wij ons in zoo venre op het submist gedraagen, Eenlijk hier nog byvoegende, dat al het geene successive door ons ten deezen reguarde aangemerkt gewor„ den is, principaal geguond is geweest op de successive klagten der Portonovosche en Nagap=te kooplieden, en waar van de laaste wel de voornaemste, dog steeds ook het ge„ brekkigste geweest zijn in 't voldoen vande aan haar ter Leverandie opgedraagene Lij„ waaten. — „dering gesien uijt het mar„ „ginaal antwoord der mi„ nisters op onse missive van den 8. 8ber: 1774. dat zij met opsigt tot het hoofd= Articul van dit Comp„ toir den inzaam der Lij„ „waaten sustineeren, dat, hoe meer de Eijsschen vermindert worden, deste wijniger een Compleete voldoening der zelve te wag„ ten is, en dat zoodanige een vermindering oorzaak is ge„ „weest, dat erin 177½. aan de voldoening van den Eijsch 165. pakk: hebben ontbrooken De 15. 2 92 617 De ondervinding dog Schijnt die Sustenu, direct teegen„ te spreeken, want na„ gegaan hebbende de Com„ parative vertoogen der ministers van de Lijwaa„ ten, die voor de Iaaren 1771. en volgende tot 1774. ingeslooten Successivelijk zijn geischt met het geen op die Eijsschen voldaan is, meenen wij daar in bewijzen te hebben gevon„ „den, dat na mate de Eisschen grooter zijn ge„ „weest het te min geleverde op dezelve ook in evenreedigheijd meerder. 618 meerder heeft bedragen Hier van kan onder an„ „dere tot een voorbeeld die„ nen, dat, zoo als de ministers zelve hebben aangetoond bij hunne missive van thienden Januarij 1775. op den eijsch van 1773. , ten bedragen van 3011. pak ken, 93. Pakken minder zijn ingezameld, dan op die van 1774. , groot 2650½. Pakken, om thans niet te herhaalen, het geen bij het hoofd van onzen laast gearresteerden Eijsch van 17. 95 van retouren op dit Su„ het reeds is gezegd. De ministers zullen ons derhalven moeten elu„ „sideeren op wat gronden zij de voorschreeve sus„ tenu, bij gedagte mar„ ginale beantwoording hebben kunnen aanmer„ ken als een zeekere waar„ „heijd. — §313. De Elucidatie verlangen wij te meer, om dat zoo doorgaat het teffens geallegeerde, dat bij het verminderen dn 619 der Eisschen, de koop„ lieden zoo veel winst niet meer op 's Comp:s Leverancie kunnen doen als bevoorens, en uijt dien hoofde zig begee„ ven tot het aanmaa„ ken van Particuliere lijwaaten, als dan van wijnig gewigt zijnde, woor de ministers bijgebragte reedenen, wegens den ge„ ringen inzaam voor 1775. , dien zij toeschri „ven aan langduurige droogtens onlusten van het land, en vexatoire in 97 19. Terwijl wij omtrent het door uw hoog 620 Edele Hoog agtb: geremarqueerde dit„ terent in de successive gedaane opga„ ven van den afgeloopen Insaam van lijwaaten, de vrijheijd neemen, ons eerbiedig te gedraagen, aan het door ons submis genoteerde in margine van het Extract uwer hoog Edele hoog Agtb: zeer te Eevene missive in dato 30. october 1776, waar bij, zo als wij vertrouwen duijdelijk den oorspronk dier differenten gedemonstreerd heb„ ben, en welke demonstratie wij dan Agtb: voor voldoende zal worden hoopen, dat bij uw hoog Edele hoog ce A egter dit de juiste bepaaling zij van het verschil, is bij ons gantsch niet zeeker, aangezien den § 314. volgens de mis„ sive van 15. Ianua„ rij 1776. heeft laats„ gemelde inzaam niet meer bedragen, dan 2137. len Pakken, off 311 minder dan er in het voorige boekjaar 171/¾. zijn ingekoomen. — behandelingen der En„ gelschen. — inzaam. aangemerkt inzaam van het even„ gemelde boekjaar, door de ministers bij voorsz missive word opgegee„ „ven; als bestaan heb„ bende in 2448. pakken daar dezelve in hunne adviesen van 10. Ia„ nuarij 1775. bekend staat, met een quanti„ teijt van 2539½ pak„ ken. —. Wij hebben bij onse missive van 30 Octo„ ber 1776. een dergelij„ ke strijdigheijd in — 621. 99 in der ministers berigten moeten remarqueeren, niet slegts met opzigt tot den inzaam van 177 2/3. maar ook ten aanzien van die van 177½. —. Laastgemelde was bij hunne adviesen van 1772. opgegeeven met 2596. pakken, en daar na had men bereekend de minderheijd van 11½. pak„ ken, in vergelijking van 177½. maar volgens het schrijven van 1774. Zou voorsz insaam van 177½. wel: wel hebben bedragen 2622. pakken. —. Indien nu deese laats„ te opgaave de regte was, zou men hebben mogen onderstellen, dat vermits de ministers bij meergemelde hun mar„ ginaal antwoord van dien inzaam andermaal spreeken zij mits dien het bij de berigten van 1772. begaane abuijs ver„ beterd zouden hebben, dog wij vinden in te„ gendeel bij dat antwoord. de
English
104 622. the aforesaid calculation of a comparative shortfall of 11½ bales was repeated once again, and thereby confirmed the ministers' statements of 1772. Section 315. We are displeased, due to a lack of the necessary clarity in the letters from this office, at having to occupy ourselves with these trifles, and we are no less dismayed by another sign of great inaccuracy that the aforementioned marginal response made us observe. We cannot fail to express the sorrow we feel over the displeasure conveyed by Your Noble High Honourables, not only regarding the lack of the necessary clarity in the letters from this office, but also that the linens shipped from this coast by the ship De Ionge Lieve were not found to be so improved in Europe as we had flattered ourselves in the set-down marginal response to their High Honourable Extract letter of 8 October 1714. We are willing to confess our fault in both these cases and on that account to beg forgiveness from Your Noble High Honourables, with the promise that with respect to the first we shall, as far as possible for us, strive for greater clarity, and with assurance regarding the latter that the erroneous expectation with which we flattered ourselves regarding the improvement of the linens compared to the previous year did not occur deliberately, but on the contrary with such firm confidence in the resorting of the linens devised and already introduced for that purpose, that we had no reason to doubt that an improvement in them must follow from it. 623 In the same, it is overlooked that the ministers flattered themselves on good grounds that the finding of the linens sent to the Netherlands in 1773 from this office with the ship De Ionge Lieve would have brought us greater satisfaction than 103 25. those which were shipped off in the previous year with Alkemade, because then the general resorting of the linens collected at the respective factories had not yet been introduced, whereas nevertheless in their response to our letter of 5 October 1772 it was expressly stated that the ministers hoped that the effect of the aforementioned resorting would already have been perceived in the cargo of the aforementioned vessel Alkemade. 624 Meanwhile, the ministers have already seen from our demand for returns dated 15 October 1714 that several defects were also discovered in the linens from the cargo of De Ionge Lieve, further pointed out by us in the aforementioned demand. Section 316. With respect to the linens brought last year with the ship De Bodt, referring to what was set down in the demand for returns dated 11 November 1776 and the further amplification of it dated 23 December 1776, we expect for the rest from the ministers' vigilance that they will constantly apply all that is in their power to prevent that through With the respectful provisional response to the demand for returns dated 11 November and the amplification of 23 September 1716, we hope that Your Noble High Honourables will be satisfied; while we shall meanwhile be vigilant and constantly apply all that is in our power to prevent that through lack of zeal or disguised dealings of the respective chief officers of the outer offices, the Company's requisitions are fulfilled either not at all or only poorly, and at the same time take care that a manifest improvement in the linens may henceforth be perceived by Your Noble High Honourables, to which end we constantly make the necessary exhortations, and do not let it rest at mere threats, but indeed punish by equitable means those who make themselves guilty of negligence in the acceptance of the linens, of which we cite with the utmost respect as an example what was elaborately set down in our resolution of 31 December last, from which it is evident that in the resorting performed here of the linens still received after the departure of the return ship De Patriat and remaining here, because of their coarseness and thinness of weave, out of a lot of 42 bales of ordinary bleached Guineas of Sadraspatnam weave of the second sort, 7 bales fell to the third sort; that out of a number of 26 bales of Jaggenaikpatnam weave, 3 bales of ordinary unbleached Guineas, 2 ditto ditto bleached ditto 9 Caal from the second to the third sort, and 3 bales of bleached Guineas Company's old sort from the first to the third, as well as 1 bale of ditto Guineas from the second to the third sort, and 8 bales of ordinary unbleached Salempores also fell from the second to the third sort; that out of the 100 bales received from Bimlipatnam: 5 bales of ordinary unbleached Guineas, and [illegible] bales of ordinary unbleached Salempores were accepted for the third sort instead of for the second.
Dutch transcription
104 622. wij kunnen niet af zijn onse smer„ de voorsz bereekening van een Comparative min„ derheijd van 11½. Pak„ „ken nogmaals herhaald, en daar door bevestigd der ministers opgaven van 1772. —. § 315. Het verdrict ons wegens gebrek van de noodige klaarheijd in de brieven van dit Comptoir, met deeze klijnigheeden ons te moeten bezig houden, en wij zijn niet min„ der ontstigt over een te, die wij gevoelen te betuijgen, over het door uw hoog Edele hoog agtb: bedeeld ongenoegen, niet alleen over het gebrek van de noodige klaarheijd in de brieven van dit Comptoir, maar ook over dat de lijwaaten per het schip De Ionge Lieve van deese cust versonden niet zoodanig verbeterd in Europa zyn bevonden geworden, als wij ons bij het ter neder gestelde marginaal antwoord, op hoog der„ selver Extract missive van den 8. october 1714. , wel hadden geflat„ teerd; wij willen gaarne in deese beij„ de gevallen onse schuld bekennen en uijt dien hoofde van uw hoog lle Edele Hoog Agtb: om vergiffenis smee„ ken, met belofte dat wij ten opsigte van het Eerste zoo veel ons mogelijk is, andere. l de 623 de meerdere duijdelijkheijd betragten andere blijk van groo„ zullen en met verseekering omtrent het laaste, dat, dat abusive voor uijtzigt, ve onnaauw keijrigheijd, waarmeede wij ons, in opzigte der ver„ betering der Lijwaaten, in vergelijk van die het voornoemde mar„ het voorige Iaar, geflatteerd hebben gehad, niet gepremitteerd is geschied, maar ginaal antwoord ons in teegendeel met een zodanig vast vertrouwen op de tot dat eijnde be„ heeft doen opmerken. —. raamd, en bereijds ingevoerde hersor„ teering der Lijwaaten dat wij geen de redenen hadden om te twijffelen of eene verbetering in deselve, moeste daar op volgen. — Bij het zelve word ge„ passeerd dat de minis„ ters op goede gronden zig flatteerden dat de bevinding der lijwaa„ „ten in 1773. van dit Comp„ „toir met het schip de Ionge lieve naar Ne„ derland verzonden, aan ons meerder genoegen zoude hebben toegebragt, dan: 103 25. dan die in het voorige Iaar met Alkemade waaren afgescheept alsoo toen de generaale her„ sorteering van de lijwaa„ ten op de respective fac„ torijen ingezameld nog niet was ingevoerd, daar nogthans bij hun and„ „woord op onse missive van 5. october 1772. uijtdruk„ kelijk is gezegd, dat zij ministers hoopten dat men het effect van voorm: hersorteering aan de lading van voor„ noemde bodem Alkemade reeds. 624 reeds zou hebben bespeurd Intusschen hebben de ministers uijt onsen Eisch van retouren, geda„ teerd 15. october 1714. reeds gesien, dat ook aan de lijwaaten uit de la„ ding van de Ionge Lieve verscheijde ge„ breeken ontdekt zijn door ons bij voormelde Eisch nader aange„ weesen. — § 316. met opzigt tot de lijwaaten in den antwoord, op den Eijsch van rethouren de dato 11 9ber:, en ampliatie van den 23. 7ber: 1716. , hoopen wij met het Eerbiedig provisioneel dat. voor. 27: dat uw hoog Edele Hoog Agtb: genoe„ tweede tot derde zoort gevallen zijn. — 5. pakken guinees gemeen ruw, En — „ Salemp:s gem: ruw in steede van vóór tweede voor derde soort aangenomen geworden zijn— voorleeden Iaare met het gen zullen neemen; terwijl wij In„ schip de Bodt aange„ middens waakzaam zullen zijn, en steeds alles wat in ons vermorgen is aanweyden bragt, ons gedraagende tot voorkoominge dat door ijverloosheijd of „ter verklaarde handelingen den respective opper„ aan het „ nedergestelde hoofden van de buijten Comptoiren, 'sComp:s petitien of in het geheel niet of slegts bij den eisch van re„ getrekkig voldaan worden, En teffens zorge dragen, dat eene blijkbaare verbetering touren, de dato 11: No„ in de Lijwaaten voortaan door uw hoog Edele hoog Agtb: bespeurd worden mag, waar toe vember 1776. en de wij steeds de nodige adhortatien doen, en het bij gene bedreijgingen laaten berusten, maar nadere Ampliatie van wel die geene door billijke middelen te staffen, die zig aan vragtzaamheijd in de acceptatie der dien gedateerd 23. decbr: Lijwaaten komen schuldig te maaken, waarvan wij op het aller Eerbiedigst tot een voorbeeld aan„ halen, het breedvoerig ter needer gestelde bij onze resolutie van den 31. december Iongst verweeken, waar uijt Consteerd, dat bij de alhier gedaane herforteening van de nog na het vertrek van het retourschip de Verwagten wij voor het Patriat ontfangene, en alhier overgebleevene lij waaten, om derselver grof en ijlheijd van geweet, uijt „ van een parthij van 42. pakken guinees gemeen gebleekt Sadras overige „ der ministers waak„ patnams gewees van tweede zoort 7. Pakken tot derde zoort gevallen zijn. — Dat uijt een aantal van 26=. pakcken Iagg: zijnate zaamheijd, dat zij steeds 3. pakken guinees gemeen ruw 2. d:o d:o gebleekt d. 9. Caal van tweede tot derde al wat in hun vermoogen zoort En, 3. pakken guinees gebleekt Comp:s oude zoort van Eerste tot deude mitsgaders. is zullen aanwenden, p 1. pak dito guinees van tweede tot derde zoort, En 8. pakk: salempoeris gemeen ruw almeede van Dat uijt de van binilkp: ontfangene 100. pakk zijn: tot voorkominge, dat 1776. door 125 . ƒ
English
...our attention shall remain constantly fixed on private trade, of all which bales the value charged in excess of what was found here has been imposed on the chiefs of that factory as compensation. Just as, besides the aforementioned cloths, upon resortment one bale of betilles allegias with small checks, No. 712, collected at Jaggernaikpoeram, was found to be of such poor weave and color that it had to be entirely rejected and sold at public auction, whereby it lost ƒ149. 14. or 19 5/8 percent on its purchase cost; which loss, along with a 25 percent advance calculated on the entire amount of that bale, amounting together to ƒ336. 19., has been imposed on the Jaggernaikpoeram chiefs for reimbursement. Meanwhile, we hope that this course of action of ours to obtain good cloths may receive the much-desired approval of Your Right Honorable Worships. Section 317. We trust that Your Honors will keep your attention fixed on this matter, so that the greater liberty granted to private trade gives no cause for practices contrary to the interests of the Company, nor that through lack of zeal or wrongful actions of the respective chiefs of the outer offices the Company's orders are either not fulfilled at all or only defectively, while at the same time private merchants find the opportunity to obtain the cloths they desire. With regard to the arrears of all the Company merchants on this Coast, we take the liberty to bring most respectfully to the notice of Your Right Honorable Worships that of their total amount, for which they remained indebted as of the last of August 1777 up to ƒ76,025:4:—, only a small amount of ƒ3,506: 13:— was paid off in the last-ended financial year; so that as of the last of August 1778 they still amount to ƒ72,518:11:—, in which the Jaggernaikpoeram merchants participate for ƒ12,996: 8:—, those of Palicol for ƒ8,573: 8:—, and those of Porto Novo for ƒ50,948: 15:—; thus, as stated above, the general debt remains as large as ƒ72,518: 11:—. Section 318. The collection of the arrears of the merchants also being a matter of importance, concerning which we have been able to express our particular satisfaction for some years past, it is presently extremely unpleasant for us to see that the joint debts of the merchants—those of Porto Novo alone excepted, as no report of them had yet been received—were increased as of the last of August 1715 by a sum of ƒ12,850: 6, having, according to what was noted in the ministers' letter to Your Honors of 15 January 1716, increased to an amount of ƒ63,312:17:8... This slight reduction of the arrears in this past trading year was caused by the fact that the merchants at Jaggernaikpoeram paid off nothing, and those at Palicol only ƒ341:10:8. For the former, the chiefs give as reason that this reduction could not yet take effect because it had to be paid out of the freight monies of the cloths sent on recognition to Batavia by those merchants in the past year and in this year; thus the settlement of those arrears would take place as soon as they had received the necessary information of their sale at the main seat of the Indies. And regarding the latter, nothing is noted by those chiefs in their letters for our information, concerning which we shall address them very shortly on the matter. Yet meanwhile we believe that what was stated by the Jaggernaikpoeram chiefs clearly confirms what we took the liberty to state respectfully regarding the poor condition of those merchants in the marginal reply to the extract of Your Right Honorable Worships' esteemed missive of 30 October 1716. Meanwhile, for Your Right Honorable Worships' clarification, we note very respectfully regarding the remark made by Your Right Honorable Worships concerning the discrepancies found by Your Honors to reside in the successive statements submitted of the general debts of the delinquent Company merchants: That in the sent summary of the debts drawn up as of the last of August 1714, the merchants at the office of Jaggernaikpoeram, Palicol, and Sadraspatnam were still in arrears for ƒ50,458: 4:— [illegible], namely: Jaggernaikpoeram: ƒ34,372: 6:— Palicol: ƒ11,931: 2: 8 Sadraspatnam: ƒ4,154: 11: 8 That in the summary which was drawn up as of the last of August 1715, for the debts of the year 1714 there was stated ƒ50,462: 11: 8, in which Jaggernaikpoeram participated for: ƒ34,376: 16:— Palicol: ƒ11,931: 2: 8 Sadraspatnam: ƒ4,154: 13:— Thus as of the last of August 1715 there was reported in excess ƒ4: 11: 8, which constitutes the first difference, and therefore was also the cause that a discrepancy had to be found in what was noted in our respectful missive of 15 January 1716 in comparison to the previous year, as at that time there was taken for the arrears of 1714: ƒ50,462: 11: 8, to which add the increase of the Palicol debts in the year 1715 to ƒ12,850: 6:—, amounting to a total of ƒ63,312: 17: 8, which...
Dutch transcription
„zullende onse aandagt steeds ge„ heijd aan den particulieren handel van alle welke fardeelen de meerder aangereekende dan alhier bevonden waarde, de opperhoofden van die factorije ter vergoeding is opgelegd geworden. — zo als buijten de voorsz llijwaaten bij herfortie„ ring Een pak bethilles Allegia met kleene ruijten N:o 712. te Iaggernayk p=m inge„ sameld, zodanig slegt van geweef en Colour bevonden is, dat men het zelve ten eenemaal heeft moeten uijtschieten en per vendutie laa„ ten verkoopen, wanneer het zelve op dies Inkoops kostende verlooren heeft ƒ149. 14. of 19 5/8. per Cento, welk verlies de Pag„ gemaijkp=de opperhoofden, nevens 25. per„ Certo advans bereekend op het gansch bedragen van dat pak, of te samen ƒ336. 19: ter vergoeding is opgelegd geworden, Intusschen hoopen wij dat deeze onse handelwijze ter Erlanging van deugdsaa„ me kleeden, de zoo zeer te disibereerene goedkeure van uw hoog Edele Hoog Agtbaare zal mogen wegdragen. vestigd blijven dat de verleende wij„ geen aanleijding komt te geeven, § 317. Wij vertrouwen dan ook dat UE: haer aandagt op dit stuk door ieverloosheijd of ver„ keerde handelingen van die respective opperhoof„ den der buijten Comptoi„ „ren 's Compagnies pe„ titien of in het geheel niet of slegts gebrek„ kig voldaan worden, terwijl ter zelver tijd de Particulieren negotian„ ten geleegenheijd vinden, om te bekomen de Lij„ waaten, die zij begeeren 625 strijdig gevestigt 29 10 strijdig met de belangens van de Comp:e:—. gevestigt zul„ „len houden op dat door de meerdere vrij„ „heijd, die aan den Particiqi lieren handel is verleend gee „ne aanleij„ ding worde „ gegeven tot praktijken strij„ „dig met de belangens der maatschappij „ De Ten aansien van de agterstallen der ge„ zamentlijke Comp:s kooplieden ter dee„ ser Custe, neemen wij de vryheijd uw hoog Edele hoog Agtb: op het eerbie„ digst ter kennisse te brengen, dat van dies geheel bedraagen, &t ## dt gezel krngen het welk deselve onder ulti„ mo aug=. 1777 tot ƒ76025:4. – zijn debet gebleeven, in het Iongst gepasseerde boekjaar, maar is afgelegd geworden een kleen montant van ƒ3506: 13. —. dus deselve onder ult:o aug:s 1778. nog komen te bedragen ƒ72518:11–. waarin de Jaggernaijkp=lso voor „12996. 8. –. „ Palicolse voor. „ 8573. 8. —. ende Portonovose voor - - „50948. 15. —. komen te participeeren, blijvende dus als boven gesegd de generaale Schuld nog groot - . . . . . - ƒ72518. 11. —:—— Deese geringe vermindering der ag„ „terstallen en dit afgeloopen handel„ jaar, is veroorsaakt door dien, de M handelaars te Iaggernaijk =m niets en die te Palicol maar ƒ341:10:8. afgelegd hebben. van de eerste geeven de opperhoofden voor reeden; dat dies vermindering voor als nog geen gevolg konde hebben, alsoo zulks geschieden moeste uijt de vragt penningen, der 318 De in„ palming der agterstallen van de Koop„ lieden, mee„ „de een zaak van aan gelee„ „genheijd zijn„ de, waar over wij Zee„ dert eenige Iaaren ons bij zonder genoe„ „gen hebben kunnen betuij¬ door gen 8 489 31. gen is het ons door die marchandeurs in anno Passata en in dit Jaar na Batavia op recog„ tegenwoordig „nitie gezondene lijwaaten; dus de ver„ eevening van dat agterstal zijn beslag . zoude vinden, zo dra ze van dies verkoop Een uijterste on„ ter Indiase hoofdplaatse het nodige „ aangenaam te narigt bekoomen hadden En van de laaste word door die zien dat de ge„ opperhoofden bij hunne brieven niets ter onser narigt genoteerd, waar over „zamentlijke wij hun eerst daegs op het sericust on„ derhouden zullen. — Schulden der Dog intusschen vermeenen wij, dat met het verklaarde door de Iaggerweijkp:r kooplieden /:die opperhoofden niet onduijdelijk bevestigd den word, het geen wij van ^ soberen toestand van Portono„ Vierhandelaare bij het marginaal ant„ 626 woord op het extract uwer hoog Edele vo alleen uijt hoog Agtb: gevenereerde missive van den 30. 8ber: 1716. de vrijheijd genomen gezonderd, als hebben, eerbiedig ter needer te stellen Inmiddens noteeren wij zeer eerbiedig waar van nog op het door uw hoog Edele hoog Agtb: gere„ „marqueerde nopens de differenten die door geen verslag hoog dezelve bevonden zijn, te resideeren in de successive gedaane opgaaven der was ingekomen:/ generaale Schulden van de agterstallige Comp:s handelaaren tot uw hoog Ed: hoog agtb: elucidatie. — Dat bij de afgesondene samentrekking onder ultimo den. Augs „ „ der Schulden onder ultimo augustus 1714. geformeerd de Cooplieden ten Comp„ toire Iaggernaijk p=m Palicol en Sadraspatnam nog ten agteren stonden. ƒ50458 als Iaggernaij R:pr=m ƒ 34372:6::-. Palicol. . . „ 11931:2: 8: Sadrasp=m. . . . „ 4154. 1. 8. 4154. 11. 8. Dat bij de Samentrekking welke onder ultimo aug=o 1715. opgemaakt geworden is voor de schulden van A:o 1714. gesteld zijn. . . . ƒ50462:1:8: waarin Jaggernaijk p=r voor ƒ 34376:16: Palicol. . . „. „ 11931: 2: 8: Sadrasp=m. . . . „ „ 4154. 13: —. Participeerden dus onder ultimo aug:s 1715./ meerder opgegeeven is. . . . ƒ 4: 11: 8. het welk het eerste verschil uijt„ „maakt, en dus ook de oorzaak was, dat er een different bevonden moeste worden in het genoteerde bij onsen eerbiedige missive van den 15. Jannuarij 1716. in ver„ „gelyking tegens het voorige Iaar, alsoo te dier tijd voor de ag„ „terspallen van 177¾ genomen -ƒ50462. 11. 8: waar bij voege de vermeende„ ring der Palicolse Schulds in zijn. . . . . . anno 177 2/8 tot. . . . . . „ 12850: 6: —. Augustus 1715. met een Zom„ „ma van ƒ12850: 6. zijn vermeer„ „derd, als heb„ „bende uijtwij„ „zens het geno„ teerde bij der ministers mis„ „sive aan uE van 15. Ia„ ppC. „nuarij bedragen een montant van ƒ 63312:17:8, welke De. laast :
English
5½ A R. V 33. While we, having received the settlements of the Porto-Novo merchants after the dispatch of our papers to Europe, formed an amended summary and sent it to Batavia, wherein the arrears of that office, after deducting ƒ4273: 11:8 instead of ƒ4273. 4: —, which makes a difference of two stuivers and eight penningen, which had been paid off by the merchants under the date of ultimate August 1775, still amounted to a sum of ƒ61226: 17: 8; or in total, as noted in the letter to Batavia of 30 April 1776, ƒ124534:15. For further clarification of this difference, it serves respectfully to state that for the Porto-Novo debts of the year 1774 were posted ƒ65560: 7:, to which is to be added ƒ63312: 17:8. But in the summary of August 1775, ƒ65500: 9: 8; the same under ultimate August 1775. The latter-mentioned sum yields a small difference with the statement of the status of the debts in the previous year, as the same, calculated according to that statement, ought to amount to somewhat more. That he arrives at the aforementioned difference of 2 stuivers and eight penningen. And further, that when the said reduction of ƒ4273. 11: 8 was deducted from the aforementioned increase of ƒ12855: 6:, there would have remained for the increase no more than ƒ8576. 14: 8, which was demonstrated in an amended summary formed and sent to Batavia. We shall meanwhile, in order to prevent such differences, most strongly recommend to the heads of the factorie with arrears to take care that such differences are no longer found in their papers, while we meanwhile humbly beg your Right Honourable Worships' pardon for the same. 319. But we mention this only in passing, and find of more consequence what was noted in your advices to us of 30 April 1776: that the arrears of the merchants at the closing of the books of 1774/5 amounted in total to ƒ124539. 15. —. And to be able to reconcile this with the above-mentioned, we would have to assume that in that sum of ƒ124539. 15 the debts of the Porto-Novo merchants are also included; but if one sets for the amount of those debts what they amounted to under ultimate August 1774, being a sum of ƒ65500: 7, and increases it by the above-mentioned sum of ƒ63312. 17. 8, then one will still be left with a difference of ƒ2573: 9; while on the other hand, in case Your Honour was able to gather from a further letter of the ministers the amount of the Porto-Novo debts under ultimate August 1775, and those debts were found to be reduced by the aforementioned sum of ƒ4273. 4 in comparison with the previous year, then Your Honour could not have reported, as was nevertheless done according to the ministers' statement, that the merchants' debts sub dato ultimate August 1775 were increased by ƒ12850. 6, because Your Honour on that footing would very improperly have included them in the general summary of the arrears of the Porto-Novo, but not in the comparison of what the merchants' debts under ultimate August 1775 amounted to more than the year before. We shall await the necessary elucidation from Your Honour in this regard, and meanwhile conjecture that it will have been from the ministers' advices of 28 January 1776, from which it appeared to Your Honour that the collective arrears, since the first of September until 23 November 1775, had fallen to an amount of ƒ111976; which advices, during the drafting of this, had not yet been received by us. And we dare assure the same highly that we are applying all our best efforts toward a speedy liquidation of the old arrears. Paragraph 326. A further collection now remains strongly recommended to the care of the ministers; and since the ill-considered advance payments to the Palicol merchants contributed very much to the aforementioned increase which appeared in those debts under ultimate August 1775, it meets with our approval that the requisite measures have been taken by the ministers to keep the Company as much as possible out of harm's way, while the necessary vigilance shall constantly be exercised concerning the merchants and the moneys credited to them, and the chiefs who act rashly therein, or in any other way fail to observe their duty to that end, must be efficaciously reprimanded. We hope that Your Right Honourable Worships, upon the safe arrival of the return ship De Wakkerheijd, which departed from here in the year 1777, with its considerable cargo of ƒ870248: 9: 8, will have observed that what was posited by us regarding the cargo of the ship De Bodt, namely that the same was caused by a lack of fine linens, was not unfounded, since the difference of the one cargo against the other constitutes a substantial amount of ƒ103337: 6. And which proposition, as we respectfully maintain, that still further. Paragraph 321. The return ship De Bodt having brought in the past year a cargo of only ƒ766911: 3: 8, and thus rather far below the fixed standard of 9 tons of treasure, was likewise to be wished otherwise.
Dutch transcription
5½ A R. V 33. Terwijl wij, na de de„ pechie van onse papieren na Europa de afreeke„ ningen der portonovrse kooplieden ontvangen hebbende, eene verbe„ tende sonnentrekking ee„ formeerd; en na Bata„ „ria gesonden hebben, wanneerd agterstallen van dat Comptoir, na af„ trek van ƒ4273: 11:8: in„ steede„ „4273. 4: —. dat een verschil van twee stuij„ vers en agt penningen uijt maakt:/ die door de koop„ lieden afgelegd waren onder ultimo Augustus 1775. nog beliepen een montant van. . . . . . . . . ƒ61226: 17: 8: of in het geheel, zo als bij brief na Batavia van den 30. . April 1776. ge„ noteerd staat. . . . . - ƒ124534:15. Tot nadere opheldering van dit verschil, diend Eerbiedig; dat voor de Por„ tonorose Schulden van A:o 177/4. gesteld Lijn geworden - - - - ƒ 65560: 7: komen te addeeren - - ƒ63312: 17:8: Dog bij de samentrek„ king van aug=- 1715. . . „ 65500: 9: 8: Deselve onder ulto augustus 1775. laast genoem„ de Som een kleijn ver„ schil uijtlee„ „vert met de opgave van den Staat der Schulden in het voo„ rige Iaar alzoo dezel„ ve na die opgave ge„ reekend, iets meer zou moe„ ten belopen — Dat. Dan Dat hij voorm: verschil van 2 st:s en agt penningen komt aantekomen En voorts, dat wanneer van de voor„ melde vermeerdering. - ƒ12855: 6: de gesegde verminde„ ving van. . .. -„ 4273. 11: 8: afgetrokken Was, voor de vermeendering ¶zoude zijn overgegleven als ƒ8576.14. 8. hetwelk bij een geformeerde niet meerder ^ verbeterde Samen„ trekking die na Batavia gesonden gedemonstreerd geworden is. Wij zullen intusschen tot voorkoo„ ming van diergelijke differenten, de opperhoofden der agterstallige fac„ torijen, op het kragtigste aanbevee„ len; om zorge te draagen, dat 2 diergelijke differenten niet meer in hunne Papieren gevonden worden, ^ over dezelve Terwijl wij inmiddens ^ van Uw Hoog Edele hoog Agtbaare ootmoedig om Excuus vraagen 319. Dan wij haalen zulks alleen in het voor„ bij gaan aan„ en vinden van meer re flexie het ge„ „noteerde bij UwE: advie„ „sen aan ons van 30=e April 1716. dat de agterstallen der 13 35. 443 627 der kooplie„ „den bij het sluijten der„ boeken van 177 2/5. in het geheel heb„ „ben bedragen ƒ 124539. 15. —. En dit met het bovenge„ „melde te kun„ nen overeen„ brengen zou„ den. zouden wij moeten on„ der stellen dat onder die Som van ƒ124539. 15. die schulden der Portona„ vosche kooplie„ den meede zijn begreepen maar zoo men voor het bedragen van die Schulden steld het geen de 445 37. dezelve onder ult=o aug. 1714. hebben beloopen zijnde een somma van ƒ 65500: 7. en de hier bovengemelde Som van ƒ 63312. 17. 8. daarmee„ de vermeerderd, dan zal men nog blijven houden een verschil van ƒ as73: 9; terwijl aan den anderen kant, ingeval UE: uijt een nader Schrijvens der ministers hebben kun„ nen opmaaken het bedra„ gen der Portonovosche Schulden onder Ult=o aug=s 1775. , en die schul„ den bevonden zijn met de. 628 de voormelde zom van ƒ4273. 4. , in vergelijking van het voorige Iaar te weezen vermindert, als dan door UE: niet hadt kunnen worden overgegee¬ ven, zoo als nogtans is gedaan der ministers op„ gave, dat der kooplieden Schulden sub dato ult=o aug=s 1715. met ƒ 12850. 6. waaren vermeer¬ dert, dewijl UE: op dien voet zeer oneigen in de ge„ „neraalen samentrekking van de agterstallen der Portonovosche wel Zouden hebben. 142 39. 629 hebben meede gereekend, dog niet bij de vergelij„ king van het geen der kooplieden Schuldens, on„ der ult=o Aug=s 1715. meer„ der hebben bedragen, dan het jaar te vooren. — Wij zullen hier omtrent van uE de nodige elu„ cidatie verwagten, en gissen immeeders, dat het uijt der ministers advij„ zen van 28. Jannuarij 1716. zal zijn geweest waar uijt aan UE: is gebleeken, dat de geza„ mentlijke agterstallen, Zeedert. En hoog dezelve versekeren durren, dat wij alle onse beste pogingen aanwend en tot eene spoedige lequidatie der oude agterstallen. — Zeedert primo Zeptember, tot den 23. November 1775. gedaald zijn op een bedraa„ „gen van ƒ111976. dan wel„ ke adviesen onder het con„ cipieeren deezes, bij ons nog niet zijn ontvan„ gen — § 326. Een verdere inpalming blijft nu der ministers zorge ten slerkte aanbevoolen, en daar tot het voorschreeve accres 't geen onder ult=o aug=s 1775. Zig in die Schul„ den heeft vertoond, zeer veel. 41. 449 630 veel hebben gecontribu„ eerd, de onberaade voor uijtverstrekkingen aan de Palicolse kooplieden is het van onse goedkeu„ ring dat door de minis„ ters de vereijschte maat„ „regelen zijn genomen, om de Compagnie zoo veel moogelijk buijten schade te houden, zul„ lende steeds omtrend de kooplieden, en de gelden die aan hun worden gecrediteerd, de noodige toeligt gebruijkt, en lle de opperhoofden, die daarin min Wij hoopen dat uw hoog Edele tory § 321. Het Retourschip Agtb: bij behoude aankomt van het in anno 1777. van hier ver„ de Bodt in den voorlee„ trokkene Retourschip de wak„ den jaare een Cargaloen kerheijd aan derselver aan Siene„ lijke lading van ƒ870248: 9:8: hebbende aangebragt van zullen b'oogd hebben, dat het door ons geposeerde, omtrent de gela„ maar ƒ766911:3: 8:, en dus ding van het schip De Both namentlijk dat het selve veroorsaakt vrij ver beneeden de was door gebrek aan fijne Lijwaaten, niet ongegrond geweest is, wijl het diffe„ bepaaling van 9: Ton„ vent van de eene lading tegens den anderen, een aansienlijk bedra„ nen schats was zulks gen van ƒ 103337:6 komt uijt te maaken. — meede wel anders te war„ En welke positie soo als wij „schen geweest Eerbiedig sustineeren dat nog daarin onbezonnen te werk gaan, of op eenige andere manier, ten dien eijnde hunne pligt niet betrag„ ten, efficacieuselijk gecor„ rigeerd moeten worden. nader. Het:
English
demonstrated. This is further confirmed when one reflects that the cargo of the return ship De Patriat, which departed from here in October 1718, again amounted to no more than ƒ760873:8:8 due to a lack of fine linens. And thus, when compared to the cargo of the ship De Wakkerheijd, it turns out to yield almost the same shortfall of ƒ101375:1:-, as did the cargo of the ship De Both in comparison with the cargo of the ship De Wakkerheijd. As this, according to the ministers' writing, was caused by a lack of fine linens, we hope in a subsequent return cargo to see the effect of their assurances that in the future they will ensure as much as possible that this requirement is better met. Section 322. However, the ministers seem to raise difficulties about bringing the cargo fully up to 9 tons, unless they are permitted, in order to gain space, to provide the direct return ships with 200000 lb of stones for ballast instead of 100000 lb, and in contrast only a single layer, or 100000 lb, instead of a double layer, or 200000 lb, of coffee beans. We trust, therefore, that this proposal will have been duly considered by your Honors, and that it was simultaneously considered whether the loss of profit that would have to be sustained by transporting 100000 lb less of coffee could be compensated by the greater delivery of linens; your Honors will already have learned from the heading of our latest demand of returns that we await your Honors' considerations on that proposal. Section 323. Meanwhile, we have found well-founded the reasons alleged by the ministers to demonstrate the impossibility of sending a second return ship hither at a convenient time, and we therefore make no difficulty in acquiescing in those reasons. Section 324. The authorization that your Honors have granted to the ministers to spend up to ƒ14 per 100 lb for the saltpeter that might be brought in by English or private ships appeared to us quite generous, considering that the authorization your Honors gave to the Bengal ministers for a similar purchase was limited to ƒ12 per 100 lb; and at present we see no reason why, if that saltpeter had to be sent to Batavia, so much more should be spent for it here than in Bengal. Section 325. We have noted as appropriate and prudent the interpretation given by the Governor of Vlissingen to your Honors' order to demand directly from Europe in the future the necessary equipment goods and domestic necessities which, after proper deliberation, one would think necessary for an entire year, as well as all European trade goods that could be retailed here with some profit, in order to be received with the ship coming out for Bengal. He very well understood that this order could only take effect once we had agreed to the proposal made to us by your Honors on that subject, but that as long as one was not informed of this, one had to continue sending the demands to Batavia according to the annual custom. Section 326. At some other offices, a similar order has already been put into execution, and the matter has thereby been disrupted; it would therefore have been far better if your Honors had suspended your letters until we had declared ourselves definitively on the proposals and plans that were to form the basis of your Honors' aforesaid orders, and without the adoption of which that order cannot be sustainable. Section 327. The officers of the ships Vreedelust and De Boot having been declared blameless for the unusually long voyages of those ships after a judicial inquiry that the ministers caused to be carried out, we trust that your Honors will also, on your part, have had the documents examined which were used for the aforesaid inquiry, so that we may thereby have complete certainty that a watchful eye is kept on the conduct of the ship officers. Section 328. Among the items found to be short upon the respective deliveries of their cargoes by the said ship officers are 535 lb of Japanese bar copper from the ship Vreedelust, and 162 lb of the same metal from the ship De Both, for the buyout amounts of which lots the ship officers were charged on their accounts; we can be satisfied with those charges as having been done according to order. We believe, however, that regarding shortfalls of such articles, one should not be content merely with procuring the necessary compensation for all the damage to the Company, but that it should as far as possible be investigated from what source these shortfalls originate, since it is not a matter of indifference to know whether they must sometimes be attributed to improper and punishable practices that took place during shipment, to which one might be tempted by the great profits that can be made with those commodities. The
Dutch transcription
12 43. aangetoond. kerheijd voorwaards eerbiedig is nadere bevestigd word als men Het zelve volgens der reflecteerd dat de Lading van het in 8ber: 1718: van hier vertrok„ ministers schrijven kene retourschip de Patriat, door gebrek aan fijne lijwaxten wede„ veroorzaakt zijnde door rom niet meer sommeerd dan ƒ760873:/8:8: En dus bij na dezelfde gebrek van fijne minderheijd van ƒ101375: 1: inte„ gen overstelling van de Lading 631 lijwaaten hoopen wij van het schip de wakkerheijd bij een volgend retour komt uijt te Leeveren, als omtrend de lading van het schip De het effect te bespeuren Both in vergelijking van de lading van het schip de wak„ van hunne verzeeke„ ringen om in het vervolg zoo veel mo„ gelijk te zullen zor„ gen, dat aan die be„ paaling beter vol„ daan worde — § 322. om egter de lading volkome ap. 1 op 9. Ton te bren„ gen schijnen de ministers Zwaarig„ heijd te maken, ten zij aan hun werde gepermitteerd, om tot winninge van rúijm¬ te in plaats van 100000 lb: 200000 lb Steenen tot ballast en daarin „teegen maar eene enkele laag, off s00 000 lb: in steede van een dubbelde, off 200000 lb: e koffie boonen, de directe retourscheepen meede te geeven. — Wij 123 45. 632 Wij vertrouwen derhalven, dat die propositie door UE: behoorlijk zal zijn over„ e wogen, en daar bij teffens geconsidereerd, of de winstderring, die men door een minder vervoer na van 100000 lb: hoffie zou moeten ondergaan door den meerderen aan„ breng van Lijwaaten zou kunnen worden vergoed, zullende UE: uijt het hoofd van on„ Den Iongsten Eisch van retouren reeds heb„ ben vernomen, dat wij uE: UE: Consideratien op dat voorstel verwag„ „ten. — §323. Inmiddels zijn bij ons gegrond bevonden de reedenen door de Ministers ge„ allegeerd, ten betooge van de onmogelijk„ heijd om op een Con„ venabelen tijd, een tweede retour schip her„ waards te zenden en wij maaken dus ook geene Zwarigheijd, om in die reedenen te berusten 125 47. 633 berusten. — §. 324. De qualifi„ catie, die UE: de mi„ nisters hebben ver„ leend, om voor de sal„ Pieter, die door Engelse of Particuliere Schee„ pen mogt worden aangebragt, tot ƒ 14. de 100 lb te mogen be„ Steeden, is ons vrij ruijm= voorgekoomen, gecon„ sidereerd de qualifi„ catie, die uE aan de Bengalee ministers tot een gelijken in„ koop: „koop hebben gegeeven Zig tot ƒ12. de 100 lb: bepaald, en wij al„ thans geen reeden zien, om zoo die salpeeter naar Batavia zou moeten worden gezon„ den, in dat geval voor dezelve alhier zoo veel meer dan op Bengale te besteeden § 325. Als gepast en voorzigtig hebben wij aangemerkt, de interpretatie die door den gouverneur van Vlissingen. / 49. 127 634 vlissingen is gegeven aan uw E: order, om in het vervolg de benoo„ digde Equipagie goede„ ven, en huijzelijke nood„ wendigheeden, die men na een goed overleg mee„ nen zoude, voor een geheel Iaar noodig te hebben, mitsgaders al„ le Europeese handel waaren, die hier met eenige winsten te de„ biteeren zouden zijn, direct uijt Europa te vorderen, ten eijnde, met het voor Benga„ le uijtkomende schip te 635 te worden ontvangen Hij heeft zeer wel begreepen dat die ordre e dan eerst effect konde sorteeren, wanneer wij het voorstel door uE op dat sujct aan ons ge„ daan, zouden hebben ge„ agrëeerd, dog dat zoo lange men hier van niet was geinformeerd, voortgegaan moest wor„ den met de Eijsschen, volgens. Iaarlijkse ge„ Bata„ woonte naar via te zenden op 51. § 326. op sommi„ ge andere Comptoiren heeft men een soort„ gelijke ordre bereids tot executie gelegd, en de zaak is daar door ge„ bragt, buijten haar geheel, het zoude der„ halven vrij beter zijn geweest dat door uw E: met derselver aanschrij vens was gesupercedeerd, tot dat wij ons finaal hadden verklaard over de propositien en plans die den grond van voorsz UWE: ordres moesten. 129 636 moesten uijtmaken, en zon„ der het arresteeren van welke die order geene be„ standbaarheijd kan hebben.— § 327. De overhee„ den van de Scheepen vreedelust en de Boot na een geregtelijk on„ verzoek, 't geen de mi„ nisters hebben doen in het werk stellen, on„ „schuldig verklaard zijn de aan de buijten gewoo„ ne lange voijagien dier scheepen, vertrouwen wij 131 53. wij, dat UE: ook van haaren kant zullen hebben laaten exa„ mineeren de stukken, waarvan men tot het voorsz: onderzoek zig bediend heeft, op dat wij daar door volkoomen Zee„ kerheijd mogen heb„ ben, dat op het ge„ drag der scheeps over„ heeden een wakend oog gehouden word § 328. onder de Artikelen, die gemelde: 637 gemelde Scheeps=over„ bij de respective heeden uijtleeveringen haa¬ ver laadingen te kort zijn gekomen, gevonden worden de 535 lb Iapansche Staafkooper van het schip vreeden„ lust, en 162 lb van het zelfde metaal uijt het schip de Both, voor het uijtkoops bedragen, van welke parthijen men de scheeps over„ heeden op haare reeke„ ningen 55. „ningen heeft doen be„ lasten kunnen wij ons die belastingen, als na de order zijnde ge„ „daan, laaten welge„ „vallen. — Wij meenen egter; dat men omtrent te kortko„ „mingen van soortgelij„ ke articulen, zig niet behoort te vergenoegen met enkel aan de alle Maatschappij te be„ zorgen de noodige scha vergoeding, maar dat zoo veel doenlijk behoort te 135 638 te worden nagegaan waaruijt die te kortko„ mingen haaren oor„ spronk hebben, alzoo het niet onverschillig is te weeten, of dezelve somtijds moeten worden toegeschreeven aan ver„ „keerde en strafwaardi„ ge practijken, die bij den afscheep hebben plaats gehad waartoe men zou kunnen verleid weezen, door de groote winsten, de„ welke met die koopman„ „schappen te behalen zijn —. De
English
The necessity of this latter part of our remark may become more apparent from what has been treated hereinbefore under the subject of Japan. Section 329. The reason given by the Jaggernaikpoeram servants for the great loss, amounting to 25247 lb, which was found to be short here in the Netherlands on the pepper brought by the ship Alkemade in 1773, is not very satisfactory. For that pepper had to be continually reworked in the ship and transshipped into a sloop is not unusual, and therefore cannot contain the cause why the underweight on the pepper of that ship amounted to so much more than that of the ships previously returned via Jaggernaikpoeram. We therefore do not see that the ministers could have declared the aforesaid reason acceptable on good grounds, as was nevertheless done by them. However, the past being unable to be undone, we shall pass it over as a settled matter, in the expectation that they will never neglect anything that can serve to promote good order and proper administration, both at the main office and at the subordinate factories on this coast, having, for reasons moving us thereto, lifted again the assessment that was charged on the account of the officers of the ship Alkemade in the matter of the aforesaid underweight. We venture to assure Your Right Honorables in the most respectful manner that nothing shall be neglected by us that can serve to promote good order and proper administration, both at this main place and at the subordinate factories of this Government, and we take the liberty of offering our respectful gratitude to the same for the favorable discharge of the officers of the ship Alkemade on account of the assessment imposed upon them for 25247 pounds of pepper found to be short in Europe. Section 330. We have thought fit to make no small remark upon the sending of two newly built sloops or barks to this Government with instructions that, in case those vessels were not needed there, they should then be forwarded to Ceylon. Yet from these instructions it appears undeniably that you have been in complete uncertainty whether the said vessels could be of use to the ministers. That no request had been made to you for them by those of Ceylon either, we believe we may conclude from the fact that, the ministers having offered the Ceylon Government another vessel that was better suited for that Government than for Coromandel, the very said government made no use of that offer. It therefore appears to us in every way questionable whether there was sufficient reason to have those vessels built, and since in the matter of construction, a good and thrifty deliberation is of the utmost importance for the Company, we will gladly be informed by you to what end the building of the aforementioned vessels was undertaken, and upon what foundation you resolved to send those vessels to this Government. Section 331. The account of the repairs and provisions for the vessels belonging to this Government in the financial year 1774/1775 amounting to f 23762:12:8 and the rebuilding to f 8003:15:8, or together f 25545:9:-, or amounting to f 6970:10:8 more than in the previous year, the ministers have given no other reason for this than that this was caused by the general rebuilding that had to be done to the vessels. However, that reason being far too general, the ministers will in future have to provide a more specific indication. We shall yearly follow the recommendation given to us by Your Right Honorables, namely to provide in the future a specific indication of the true causes that have acted upon the greater or lesser expenditures in comparison with previous years, whereupon we already insert hereby a respectful demonstration of what the provisions and rebuilding in the most recently expired financial year of 1775/1776, compared to that of 1774/1775, have amounted to more and less to the debit of the sloops and vessels belonging to this Coast: The provisions in the financial year 1775/1776 amount to f 17541:18:8, and the rebuilding f 2163:3:8, or together f 20334:15:8. Against which the provisions in 1774/1775 amount to: Equipage goods, etc., at Ceylon: f 767:3:8 And those here on this Coast: f 14572:12:- Or together: f 15378:15:- And the rebuilding: f 6400:17:- Or together: f 26740:12:8. Taking the financial years subtracted from each other, the provisions for the last year amount to f 2797:17:- less, and the rebuilding f 2539:15:8. Thus in the latest year f 1145:3:8 less. Originating from the following: The provisions of equipage goods, etc., in Ceylon amounted in 1775/1776 to f 2163:3:8, and here on this Coast f 15378:15:-, or together f 17541:18:8.
Dutch transcription
13 133 57 57. Wij durven uw hoog Edele Hoog De noodzaakelijkheijd van dit laatste gedeel„ te onzer aanmerking, kan nader blijken uijt het geen hier vooren, onder de materij van ee Iappan is verhandeld.- § 329. Niet zeer Agtb: op het eerbiedigst verassuree„ ven, dat niets door ons verzuijmd zal voldoende is de reeden worden, dat strekken kan tot bevor„ dering van de goede ordre en een ge„ die de Iaggernaijk„ schikte huijshouding zoo ter deeser hoofdplaats, als op de subalterne poeramse bediendens factorijen van dit Gouvernement en neemen de vrijheijd, hoog desel„ hebben gegeeven van de ve onse eerbiedige dankbaarheijd te offereeren, voor de gunstige onthef„ groote spillagie die ting der overheeden van het schip tot een bedragen van Alkemade, weegens de hun opgelegde belasting van 25247. 25247. lb: alhier in Ne„ ponden peeper in Europa aan derland is gevallen op minder. de. minderheijd bevonden. 639 de peeper met het schip Alkemade in 1773. aangebragt. —. Immers dat die peeper in het Schip geduurig hadt moeten verwerkt, en in een Chaloup over„ „gescheept worden, is niet buijten gewoon; en kan dus niet bevatten de oor„ „saak, waarom het onder „wigt op de peeper van dat schip zoo veel meer heeft bedraagen, dan dat der bevoorens over Jaggernaijk p=m geretour¬ neerde. 132 59. „neerde Scheepen— Wij zien derhalven niet, dat de ministers de voorsz reeden op goede gronden voor aanneemelijk hebben kunnen verklaaren, zoo als nogtans door hun is gedaan Dan het voorledene niet te herdoen zijn„ „de, zullen wij het zel„ ve als een gedaane zaak passeeren, in verwagting, dat door hun nimmer. —. 640 nimmer zal worden verzuijmd het geen strek¬ ken kan tot bevordering van de goede order, en een geschikte huijshouding, zoo aan het hoofd als de subalterne Comp„ toiren op deeze kust, zijnde, door ons om ree„ denen daartoe movee„ rende, weder opgehee„ ven de belasting die ter zaake van het meer„ melde onderwigt, op de reekening der over„ heeden van het Schip Alkemade is gesteld ge 9 139 61. geweest. — §330. van niet wij„ „nig opmerking hebben wij goedgevonden het zenden van twee nieuw aangebouwde Chaloupen of Bar„ ken naar dit Gouver„ nement met aanschrij„ vens om ingeval die vaartuijgen aldaar niet noodig waaren, se als dan naer Ceij„ lon voort te schikken uit dit aanschrijvens dog: 6 641 dog blijkt onteegen zegge„ lijk, dat uE: in een vol„ slage onseekerheijd zijn ge„ lle gemelde vaar„ weest, of f tuigen aan de ministers konden te pas koomen.- Dat ook door die van Ceij„ lon, om dezelve bij uE geen versoek was gedaen, meenen wij te kunnen besluijten daar uit, dat de ministers aan de Ceilouse Regeering, een ander vaartuijg, 't geen voor dat Gouvernement beter dan voor Chorman„ del 63. „del geschikt was, aange„ booden hebbende, wel„ gemelde regeering van dat aanbodt geen ge„ bruijk heeft gemaakt Het komt ons dus al„ zins bedenkelijk voor, of er tot het doen aan„ timmeren van die vaar„ tuijgen, eene genoegsaame reeden zij geweest, en vermits in het stuk van den aanbouw, een goed, en menageus overleg voor de maat„ schappij is van de uijterste im 149 importantie, zullen wij gaarn door uE: geinfor„ „meerd worden, tot wat eijnde de aantimme„ ring van voorm: vaar„ tuigen is gedaan, en op wat fundament uE: hebben beslooten die vaartuijgen naar dit Gouvernement te zenden 642 Wij zullen Iaarlijks agtervolgen §. 331. De reekening van de aanbeveeling door uw hoog Edele hoog Agtb: aan ons gegee„ de reparatien en verstrek„ vens namentlijk om in 't vervolg eene bepaalde aanwijzing te doen kingen aan de in dit gou„ king van de waarde oorzaaken die op de vernement 't huijs hooren„ meerdere of mindere uijtgaven in vergelijking van voorige Iaar gewerkt hebben, waaro de vaartuijgen in het boek„ wij bij deesen bereeds eene Eerbiedige jaar 171 2/5. ƒ23762:12:8: demonstratie komen te insereeren van o 183 65. en de vertimmering. timmering „ 8003. 15: 8. of te saamen. „25545. 9: —. of te samen. . ƒ20334: 15: 8: En hier ter Custe 15378: 15. —. of te saamen - - - ƒ7541. 18. 8. Bij de boek jaaren van elkan deelen gedetrakeerd, komt voor de verstrekking van het Laaste Jaar minder, 2797: 17. —. te Ceijlon . . . ƒ 2163: 3: 8: „ 6400. 17. -. of te samen. . . . . ƒ26740. 12. 8. vraagt - - - - - ƒ 2539. 15. 8. van het geene de verstrekking of ƒ6970. 10. 8: meer„ en vertimmering in het Iongst afgeloopen boekjaar van 177 5/8: der hebbende bedragen, en vergelijking van daat van dan in het voorige, 171 2/7. meerder en minder, ten laste der Chialoupen en vaartuijgen, ter hebben de ministers deeser Custe thuijs hoorende koomen te bedraagen daar van geene andere De verstrekking van 177 7. de Be„ reeden gegeeven, als dat zulks veroorzaakt was door de generaale vertimmering, die aan de vaartuijgen had moeten worden gedaan Dan die reeden veel te algemeen zijnde zullen de ministers in het vervolg een bepaalder aanwijzing n Dus in het Iongste jaar minder ƒ 1145. 3. 8. Oorspronkelijk uijt het volgen„ de De venstrekking van Equi„ pagie goederen &=a te Ceijlon be„ Waar en teegen de verstuek„ gou„ king in 17 12/3. bedraagd, als. dmagd in 177½. - - - ƒ767. 3. 8. En die ter deeser Custe - - - 1457212: —:— De verstrekking in het boekjaar 177 5/8. be„ draagd ƒ17541. 18. 8. ende ver„ moeten. t Ten
English
At Ceylon - . . . . ƒ 12. 4. in the last expired book-year amounting the same at Ceylon to ƒ 1692. 15. The two book-years deducted from each other, there results for the year amounts. as has been shown above, and therefore this deficit to a lesser supply of Equipage goods etc. will satisfy the Right Honourable. While the rebuilding in Anno 1717/8 amounted, as or together - - ƒ 6400. 17: or in total - - ƒ 2003 10:8. from which it appears that the expenditure on the Company's Shallops and vessels in anno 171 1/3 was less than in the previous book- here on the Coast. . . . . . . 6310 15. 8. additional rebuilding in the last expired book-year ƒ 602. 13. 8. here on the Coast - - - 6383: 13:— we hope meanwhile, that this foregoing humble demonstration will satisfy the highly esteemed intention of your Right Honourable. With regard to the item of Cash 643 The ample Section 332. supply of Cash, which was found here in 1772, being attributed by the ministers to the reduction of the European and Indian Demands for the Year 1773, with the addition that we can assure your Right Honourable that we proceed with the utmost accuracy and economy concerning the drawing up of our Demands of gold and silver, and after the Year 1771 have asked for no more than what we absolutely needed to serve for the collection of the ordered returns, as your Right Honourable will be pleased to ascertain from the following demonstration, which we take the liberty respectfully to subjoin below. In anno 1772 the remainder across the entire Coast amounted to a considerable sum of 22½ ton, to which is to be attributed —. -ƒ 1195. 3. 8. they had to give an account of the true causes that operated on the greater or lesser expenses in comparison with previous Years. — Which. they they could not have counted upon when making the Demand for the Year 1771, this reason has appeared to us almost incomprehensible; as not grasping what connection a petition for gold for 1771, which must have been made at least already in 1770, can have with a Demand for Linens for 1773, which was received on the Coromandel at the earliest in the month of September of 145 67. due to the greatness of which in that Year no more than fully 6½ ton was requested; while the consignment from here both to Europe, Batavia and Ceylon in 1771/2 had amounted to fully 17 ton. In anno 1772/3 the consignment amounted to 4¾ ton and the Demand - - - - - - - - 10¾ ton In anno 1773/4 the consignment, including what was sent directly from here to the Cape, amounted to 12½ ton, and the Demand . . . . . . 8. –. ton In anno 1774/5 the consignment was 14¼ ton, and the Demand . . . . 5. 8. - ton In Anno 1775/6 the consignment was 10½ ton, and the Demand . . . . 7½ ton In Anno 1776/7 the consignment was 13 ton, and the Demand - - - 11 - ton In Anno 1777/8 the consignment was 12 ton of species, and the Demand . . . . . 8. –. ton While in the currently running book-year of 1778/9, although we have assisted the ministers of Ceylon with a ton, we have in the Demand for Anno 1779 asked for no more than - . . 7. - ton. We flatter ourselves that this successive petition made by us will be considered by your Right Honourable as moderately arranged, and our conduct in this crowned with your most favourable approval. 644 the Year 1772, and thus about a Year after the bringing in of the gold requested by the ministers of Your Honour for 1771. For we had to suppose that the annual petitions for Cash at the respective Offices are made with a foresight to let the specie demanded therein 144 69. serve for the collection of the required returns, both for the Netherlands and the Indies, of which the Demands are sent off to the ministers at the same time as the cash that has been requested by them; on that footing we have then also re-examined the specific returns of the contracted and delivered linens for the Years 1770, 1771/2 and 1772/3, as 645 they are inserted in the ministers' successive letters, and from this has appeared to us most clearly the groundlessness of their assertion that a reduction in the Demand for Linens for 1773 was the cause of the ample supply of Cash which was held at these Offices in 1772. We therefore continue to attribute that 71. 119 supply to an erroneous calculation of the necessary funds, and expect that the ministers, in answering our remarks, will henceforth avail themselves of more solid reasons than has been done by them in this matter, as it would not be difficult for us to prove this more fully, if we did not choose to let it rest with the reflections made by us. Pursuant to your Right Honourable's most esteemed approval, we shall let the new Nagapatnam Pagodas currently being minted remain at the content of 18 Carats 5½ grains, and at the same time, as far as possibility allows, be vigilant both against the transport of that coin specie elsewhere, to prevent the melting down of the same into Portonovo Pagodas. Section 333. We have found better grounded, with regard to the mint and minting, the ministers' Considerations against a lowering of the content of the Nagapatnam Pagoda. — We may therefore well permit that the same provisionally remain at the present content of 18 646 Carats 73. 15 Carats 5½ grains, in the confidence that the ministers, according to their promise, will be vigilant against the transport of that coin specie elsewhere, in order to prevent as much as possible the disadvantage that would be brought upon the Company by the melting down of those Pagodas into Portonovo ones. of 15 1
Dutch transcription
Te Ceijlon - . . . . ƒ 12. 4. in het Jongst afgeloopen boekj aan bedraagd der selve Te Cuijlon ƒ 1692. 15. De twee boekijaaren van elkanderen gedecorteerd, komt voor de jaar bedraagd. zo als vooren aangetoond is, en oversulks deese minderheid aan een minder verstrekking van Equipagie goederen &.:a hoog Agtb: voldoen zal Terwijl de vertimmering in A:o 1717/e bedraagen, heeft, als ofr te saamen - - ƒ 6400. 17: of in 't geheel - - ƒ2003 10:8. waar uijt Consteerd dat het bekostigde aan Comp:s Chialoups en vaartuijgen in anno 171 1/3. minden dan in het voorige boek„ hier ter Custe. . . . . . . „6310 15. 8. meerdere vertimmering in het jongst afgeloopen boekjaaen „ ƒ602.13. 8. hier ter Custe - - - „6383: 13:— wij hoopen intusschen, dat deese voorenstaande nedrie gede„ demonstratie, aan de hovg g'eerde intentie van uw hoog Edele Met betreking tot het antikel van Contanten 643 De ruijme § 332. kunnen wij uw hoog Edele Hoog Agt„ voorraad van Contan„ baare verseekeren dat wij omtrent het inrigten van onse Eijsschen van ten, welke alhier in goud en zilver met de uijterste ac„ curatesse en zuynigheijd te werk gaan 1772. bevonden is, door en na den Iaare 1771. niet meer ge„ „vraagd hebben, aan wij absolut noo„ de ministers toegesz: dig hadden om te dienen tot den in saam van de genordende retou„ zijnde aan de vermin„ ren zoo als het uw hoog Edele hoog Agtb: behagen zal te Consteeren dering der Europeesche uijt de ondervolgende demonstra„ tie, die wij de vrijheijd neemen, en Indiasche Eisschen in eerbied hier onder te laaten voor den Iaare 1773. , volgen In anno 1772. bedroegt het ues„ onder bijvoeging, dat tant over de geheele Cust een aan„ sienelijke somma van 22½. than om te attribueeren is —. -ƒ1195. 3. 8. moeten doen van de waare oorzaaken, die lle op de meerdere of min„ dere uijtgaven in verge „lijking van voorige Iaa„ ven gewerkt hebben. — welken. zij . 145 67. „steije welkens grootheijd in dat Iaar niet meer dan ruijm 6. ½. thon zijn gevraagd, geworden; terwijl de versending van hier zo na Europa, Batavia als Ceijlon in &:a 177½. bedragen hadde 17. thon ruijm. In anno 17 2/3. bedroeg de vercend=s 4¾ tun en den Eijsch - - - - - - - - 10¾. „ In anno 177¾. bedroegd versending daar onder gereekend, het van hier direct versondene na de Caab 12½. thon, En den eijsch. . . . .. . 8. –. „ in anno 177 2/. de versending 14¼. thon, En den eijsch. . . . 5. 8. - „ In A:o 177 5/6 de versending 10. ½. ton, En den eijsch. In A. o 177 2/3 de versending 138. thon, En den eijsch - - - „ 11 - „ In A:o 177 12/3. de versending 12. thon f=s, en den eijsch. . . . . 8. –. „ Terwijl wij in het thans loopende boekjaar van 171 /9. Schoon wij de ministers van Ceijlon geadsisteerd heb„ „ben met een thon, bij den Eijsch voor A:o 1719. net meergevraagd hebben dan - . . 7. -„ wij flattheren ons dat deese onse successive gedaane petitie bij uw hoog Edele Hoog Agtb: als matig in„ gerigt geconsideneerd, en onse behande„ ling in deese met hoog derselver gun zij daarop bij het doen van den Eijsch voor den Iaare 1711, niet hadden kunnen reekenen, is ons die reeden bij na onbe„ grijpelijk voorgekoo„ men; als niet vatten„ „de wat gemeenschap een petitie van goud voor 1771. die ten mins„ ten reeds in 1778. moet zijn gedaan, kan hebben met een Eijsch van Lijwaaten voor 1773. die op zijn vroegst in de maand Zeptbr: „ „: 7½ „stige greokeure bekroond worden zullen. 644 Zeptbr: van het Iaar 1772. op Chorman„ „del is ontvangen, en dus omtrend een Iaar na den aanbreng van het goud door de minis„ terl van UE: voor 171 gevraagd. Immers moesten wij onderstellen, dat de jaar„ lijksche petitien van Contanten op de res„ pective Comptoiren worden gedaan met een vooruijtzigt, om de daar bij gevorderde specien. 144 69. specien te laaten dienen tot inzaameling van de gevorderde retouren, zoo voor Nederland als indien, waar van de Eijschen aan de minu„ ters worden afgezonden te gelijk met de con„ tanten, die door hun zijn gevraagd, op dien voet hebben wij dan ook andermaal nage„ gaan de specifique op„ =gaaven van de aanbe„ steede en geleeverde lij„ waaten voor de Iaaren 1717. , 171½ en 177 1/3., Zoo als. 645 als die in der ministers successive brieven zijn g'insereerd en hier uijt is ons ten klaarsten ge„ bleeken, de ongegrond„ heijd van hun voorgee„ ven, dat een verminde„ ring in den Eijsch van Lijwaaten voor 1773. , de oorzaak zoude zijn geweest van de ruijmen voorraad van Contan„ ten, welke men in 1172. ten deezen Comptoiren heeft gehad. Wij blijven derhalven dien. 71. 119 dien voorraad als nog toeschrijven aan eene verkeerde bereeke„ ning van de noodige gelden, en verwagten, dat de ministers in het beantwoorden on„ zer remarques zig voort aan zullen be„ dienen van Solider reedenen als in deese door hun is gedaan, zoo als het ons niet moeijelijk zou zijn, zulks nader te bewijzen, indien wij niet verkoosen bij de door ons gemaakte reflexien Ingevolge uwer hoog Edele hoog Agt„ baare zeergeeerde goedkeure zullen wij de thans gemunt wordende nieuwe Nagapatnamse Pag: laaten blijven op 't geheelte van 18. Carraat 5½. gr: en teffens zoo veel als de mogelijkheijd het maar immers toe„ laat waakzaam zijn, zoo tegen het vervoeren van die munt specie na elders tot voorkooming van het smel„ ten deselve tot Portonovose Pagorden Wij mogen dienvolgen„ de wel lijden, dat de„ zelve bij provisie blij„ ven op het teegenwoor„ dige gehalte van 18. F 333. Gegronder heb„ „ben wij met opzigt tot de munt en mun„ terijen bevonden der ministers Consideratien tegen een verlaging van het gehalde der Nagap=le Pagood. — reflexien het te laaten berusten 646 Carraat 73. 15 Carraat 5½. grijn in vertrouwen, dat de ministers volgens hunne belofte, waak„ zullen zijn zaam tegen het vervoeren dier munt= specie naar elders, ten eijn„ „de zoo veel doen„ lijk voor te koomen het nadeel, 't geen door het versmel„ ten dier Pagooden tot Portonooosche aan de maatschap„ pij zoude worden toegebracht. van 15 1
English
Section 334. Regarding the new Nagapatnam and three-swami pagodas, as well as the fanams and rupees, sent to us, which are said to have been minted on this Coast, we have had some of them assayed by two sworn assayers, who have given us a report thereof, of which the Amsterdam Chamber will send a copy to Your Honors as well as to the ministers of Coromandel. From that report Your Honors will see that the three-swami pagoda was found to be of the fineness of 20 carats 7 1/4 grains, the Nagapatnam of 18 carats 5 1/4 grains, and the fanams of 7 carats 1 53/648 grain. In order to be able to supply Your High Mightinesses, upon your own request, with sufficient elucidation regarding the differences found in Europe between the alloy of the pagodas and fanams and the gold sent thither from the Netherlands for that purpose, as well as whether gold of 15 carats is absolutely required for the minting of fanams, or whether gold of a lower alloy could serve for that purpose, we have, by Resolution of 15 October 1778, charged the answering of those points to the titular merchant and mintmaster here, Willem Duyneveld, and the junior merchant and assayer P. W. Heeke, in order to serve us with their written report. In dutiful compliance with which order, they presented to us in the meeting of 21 December last an extensive document, in which they allege: Firstly, with respect to the pagodas, that since the gold required for the minting of both three-swami and new Nagapatnam pagodas has been sent hither directly from Europe, after it had been brought to the fineness of 20 carats 8 1/2 grains and 18 carats 5 1/2 grains, nothing else has been done with it here than simply melting it, then casting it into ingots and granulating it, after which it was minted into the aforementioned coin species. That for this reason, they can testify in good conscience that they are unable to trace or state to what the differing finenesses of 1 1/4 grains in the first and 1 1/4 grains in the second coin species, discovered and found in Europe upon re-assaying, must be attributed, unless to the ignorance of the smelters, the poor quality of the melting crucibles, charcoal, and suchlike, concerning which they have provided a somewhat more detailed demonstration in the continuation of their report; while in the meantime they requested, for their discharge, to be permitted to make this observation, consisting in this: That the dispatch of the three-swami pagodas requested by Your High Right Honourables was demanded from here from the Jaggernaikpur chiefs, not only because the return ship in the year of the dispatch of that coin species was dispatched directly to Europe from that factory, but also because at that time that sort of pagoda was not in stock here in the cash reserve, since that coin species serves solely for the north, or specifically for the investments at the company's factory at Palicol, and therefore, having been minted, is immediately sent to Palicol upon the first occurring opportunity; and thus a slight error could well have taken place in the aforementioned dispatch to Europe, namely by sending Masulipatnam three-swami pagodas instead of Nagapatnam ones, which could very easily have occurred because at Masulipatnam as well as at Madras similar sorts of pagodas are minted, which have one and the same stamp and appearance, and circulate much more heavily in the north than the Nagapatnam ones; in which contention they were all the more reinforced because all Nagapatnam three-swami pagodas, from time to time, as soon as they are issued into trade, although of one and the same alloy as those of the English stamp (notwithstanding that they cannot well be distinguished from one another except only by those who handle them daily and deal with them, and are practiced by experience in the knowledge of coin species, especially the money changers and other money traders), are melted down here, so that no others remain.
Dutch transcription
647 Om aan uw hoog Agtb: op hoog derselver be„ § 334. van de aan ons ge„ geerte, voldoende Elucidatie te kunnen suffediteeren omtrend de verschillen die in Europa bevonden zijn, zoudene nieuwe tusschen het alloij van pag: en fanums en het Nagapatnamsche daar toe uijt nederland gesondene goud, mitsg:s of er tot het slaan van fanums absolut goud en driebeeldige pa„ van 15. Carnaat word vereijscht dan af daar toe goud van minder alloij zoude kunnen gooden mitsgaders dienen, hebben wij bij Resolutie van den 15. 8ber: 1778. de beantwoording van die princten fanums en ropijen opgedraagen aan den Coopman tit=r en muntmeest=r alhier W=m Duijneveld en den ondercoopman en Escaijeur welke ter deezer Cus„ P: W: heeke ten eijnde, ons te dienen van haar berigt ins criptes, Aanwelk bevel zij schuldpligtig voldaan, en aan te zijn gemunt, heb„ ons in vergadering op den 21. xber: Iongst verweeke overge„ geeven hebben een ampel schrifftur, waar bij zij komen te „ben wij er eenige doen allegueere P=r met op zigt tot de pagooden dat 't zeedert het goud essaijeeren door twee zo tot de vermunting van drie beeldige, als nieuwe Na„ gapatnamse pagerden, noodig direct uijt Europa, na beëedigde essaijeurs dat het op het gehalte van 20. C:t 8 1/. grijn, en 18. C=t 5½. gr: gebragt was, herwaards gesonden geworden is, die daarvan aan ons men alhier daar meede niets anders gedaan heeft dan het zelve direct te smelten, voorts tot blok„ hebben gegeven een jes gegoten en gegruijst zijnde in voorsz specie is vermunt geworden. — berigt, waar van de Dat zij uijt dien hoofde nagemoede betuijgen kunnen niet te kunnen nagaan of opgeeven, Kaamer Amsterdam waar van de verschillende gehaltens van 1¼ gr: in de eerste en 1¼. grijn en de tweede gem: in Europa zoo aan UE:, als bij na, of over Essaijeering ontdekt en bevonde toegeschreeven moeten werden, ten zij aan de„ de ministers van vnrkunde der vermelters de slegtheijd der Smelt Chor„ 75. zien, dat de van het gehalte 648 7¼. grijn, de ge Na„ van 20. Carraat van 18. Carraat Smetkroesen, houtskoolen, en wees meer waar omtrend zij de verzouden hebben, in het vervolg van haar berigt wat breedvoeriger demonstratie an, termijt zij intissche verzogten, ter haaren decharge, deese bedenking te mogen maaken hier in bestaande: Dat de oversending van de door uw hoog Edele h: Agtb: gerequireerde driebeeldige pag: van hier aan de Iaggernaijksd=r: opper hoofden gedemandeerd geworden is, niet alleen, om het retour schip in 't Iaar van de versending dier munt specie van dat Comptoir direct na Europa is gedepecheerd geworden, maar ook om, dat te dier rijd die zoort van pag:, alhier in de Cas niet in voorraad geweest zijn dewijl die munt specie als alleen voor de noord of wel speciaal voor den insaam ten Comp:e Palicol dienen moet, dierhalven gemunt weesende, ten eerste, bij voorkomende geleegenheijd na Pagg: versonden worden; en dus in de voorsz: oversending na Europa wel een gering abuijs zoude hebben kunnen plaats gehad, te weeten door in steede van Nagap=n mazulip:n drie beeldige pag: te versinden, het geen zeer ligt plaats zoude hebben kunnen gehad dewijl te mazuliss=m zoo wel als te Madras p=m gelijk Zoortige pag: gemunt worden, die een en desel„ ve stempel en gedaan te hebben, en om de noord veel sterken roulleeren, aan de Nagap=te: in welke sustenu zij soo veel te meer versterkt wierden om dat alle Nagabatnamse drie beeldige perg: van tijd tot tijd, zodra ze in den handel Uijtgegeeven zijn, schoon van een en het selfde „ gapatnamsche allooij als die der Engelsen stempel /:niet tegenstaande deselve niet wel van de onder scheij„ den kunnen werden dan alleen door die deselve da„ gelijx behandelen en daar meede omgaan, door de onderwinding g'oeffend zijn in de kennisse der munt specien, insonderheijd de wisselaars mn andere geld handelaars:/ hier munt worden, om geen fanums van 7. Car„ 5¼. grijn en de good maar is bevonden te zijn driebeeldige Pa„ Uijt dat be„ rigt zullen UE: afschrift zal zenden. — Chormandel een andere. raat 1 53
English
other reason than to make the same acceptable in the country whither they are sent and issued for trade, as well as to avoid the issuer having to be under the necessity of paying any agio upon them, which must otherwise occur, in view of the fact that the English have the predominant power in that country and will have all trade conducted in no other coin than their own, although the same is held higher in credit by the native more out of habit than for any other reason, and is regarded and deemed as the heavy standard coin, especially among the stubborn common people, both in the countryside and in the outlying villages. That this restamped coin, thus circulating at the same time as the others in receipt and issue, could very easily have caused the abusive shipment assumed previously. That regarding their conduct and the minting of the gold into that specie, they respectfully appeal to the assays which they are required, after smelting from the mass together with the assays of each batch separately taken before the smelting, to bring over of each minted lot, sealed together, into the great money chest for safekeeping. That they are furthermore prepared, in addition to the oath taken upon the acceptance of their respective offices, to clear themselves with a further oath of faithful conduct, and that specifically in this respect concerning the deficiency found in the alloy of the N. N. pagodas and fanums, to which the aforesaid discovered deficiency might also principally be imputed: the previously cited ignorance of the smelters, defective smelting crucibles, and weak charcoal in this country, whereby it is frequently caused that the species in the fire cannot These purities all differ more or less from the alloy of the Gold which for some years has been sent from here for the minting of the Pagodas, and which alloy we, according to Your Honour's and the ministers' reports, have hitherto believed, in gold. raat 10. grains converted. that. 77. Pagodas, while that of 15. Carats after be stirred, and thus sometimes, and especially in rainy weather, are not sufficiently melted or properly mixed with one another; which they would not easily have had to fear if using European smelting crucibles and having a supply of more competent and skilled persons than the natives here with whom they carry out the work. That it is true that the Assayer, in taking the sample from the mass, should have discovered if any difference existed; but this might easily be excused, if one would favourably deign to consider that the Assay balance and weights had for some time been in such bad condition that the best assayer could not possibly have assayed therewith so accurately down to 1/8 and 1/4 grains. Yet since, through the favourable foresight of Their Honours, they had now, or rather recently, been provided with a better Assay balance and its proper accessories, they also hoped that no differences of that nature 649 would occur any more. Secondly: with regard to the fanum minting, that in the minting of the 15-carat gold into that coin specie, before the gold was melted, they prepared the requisite mattam of 8. pennings, being silver mixed with fine refined Japan bar-copper; that for this mass of pure silver at 11. pennings 20 grains, it is required for 100 mattam: 47 marks 6 ounces 15/4 grains of refined Japan copper, and for silver of a lower alloy pro rata. That these minerals, smelted together and cast into small balls, pieces, or lumps upon cow dung pressed flat on the ground to a thickness of about three fingers, and having been cleaned, cleared of dirt, and assayed, were mixed with the gold. that stood precisely equal to that of the prescribed Three-Image and Nagapatnam also required was for the Fanums. Your Honour writes. We cannot therefore not. That. be. 5.
Dutch transcription
andere reeden, dan omdezelve in het land, waar na tre, en tot den handel verzonden mitsg:s uijtgegeeven worden, aanneemelijken te maaken en teffens om te vermijden dat den uijtgeever niet in de noodzaakelijkheijd, behoefte zijn om er eenige opgeld op te moeten bietaa„ len, het geen anders geschieden moet, uijt hoofde de Engelsen aldaar in het land de praedomi„ neerende magt hebben, alle handel in geen willen andere dan in haar eijgen munt ^ gedreeven hebben, Schoon deselve eerder uijt gewoonte dan om eeni„ ge andere reedenen bij den inlander hooger in eridit is, en als het sware voor den stand penn: geagt en gehouden wordt, insonderheijd bij het eijgen zining gemeen, zo ten platten lande als in de weesdorpen. — Dat deese herstempelde munt, dus in den ontvang en uijtgeeve met de andere te gelijk vouleerende de daar door voorwaards veronderstelde abusive versending zeer ligt zoude kunnen gebeurd weezen — Dat zij sig omtrend haare behandeling en de vermun„ ting van het goud tot die specie eerbiedig beroe„ pen op de proefjes, die zij gehouden zijn na de smel„ ting uijt de massa met en beneevens de proefjes van ijder staat appart voor de versmelting genomen van elke vermunte parthij ijder bij den an„ deren verzegeld in de groote geld Cassa ter be„ waaring over te brengen. Dat zij voorts berijd zijn, om behalven den Eed bij den aanvaarding haarer respective diensten gepresteerd, zig met eenen naderen eed van trou„ Twe behandeling te zuijvers, en dat zoo wel ten deesen opzigte alleen belange van de bevondene minderheijd in het allooij van de N: N: pag: en fanums aan welke de voorsz: ontdekte minderheijd ook wel voornamentlijk g„ imputeerd zoude kunnen werden de hier vooren bereeds aangehaalde onkunde der Smetters gebrekkige smetters gebrekkige Smeltkroesen en kragtetorse houts kool en hier te lande waardoor veel maals veroorzaakt word dat de species die in het vuur zijn niet Deeze gehaltens verschillen alle min of meer met het alloij van het Goud, 't geen zee„ dert eenige Iaaren tot het slaan der Pagorden van hier is gezonden, en welk alooij wij volgens UE: en der ministers be„ rigten tot hier toe hebben gemeend, aan goud.— raat 10. grijn omgevoerd. dat. 77. Pagooden, ter„ wijl dat van 15. Carraten na parthije op de grond omt: drie vingere dite plat gedrukte koemust gegooten, mitsgaders schoongemaakt en van„ vuijlighand gezuijverd mitsgs. ge essaijeerd zijnde met het goud vermengd werden. omgeroend kunnen worden en dus somtijds en inson„ dat Preeciselijk derheijd bij regenagtigweer, niet genoeg gesmolten of na behooren met den andere vermengd zijn, waar gelijk stond met voor zij bij het gebruijk van Europeese Smettkroese en in voorraad zijnde bequamer en kundigen menschen dat van voor„ dan de inlanders alhier zijn waarmeede zij het werk verrigten investen niet ligt te vreesen hadden schreeve driebeel„ Dat het welwaar is dat den Essaijeur bij het neemen van de proef, uijt de massa zoude moeten ontdekken, zo er eenige different plaats „ dige en Naga„ hadde dog het geen ligt te voorschoonen zoude patnamsche weezen, wanneer men gunstig geliefde te conti„ dereeren dat de Essaij balans en gewigt en 't zeed.t eenige teijd zoo slegt waaren gesteld geweest, dat de boste essaijeur onmogelijk zoo accuraat op op 1/8 en ¼. gr: na, daarmeede zoude hebben kunnen Essaijeeren. —. Dog dewijl zij door de gunstige voor zorg van haar h: Ed: nu of wel Iongst met een peter Essaij balans en het geen en bij behoord, voor zien waren geworden zij ook hoopten, dat er geen differenten van die natuur 649 meerder zouden te vooren koomen vens vereijscht Secundo: met betrekking tot de fanum munterij dat zij bij vermuuting van het goud van 15 carrat tot die munt wierd voor de specie alvoorens het goud gesmolten werd, het daartoe be„ nodigende mattam van 8. penn: zynde zilver met fijn gera„ Fanums — fineerde staafkoopen Iapans vermengd, in gereedheijd bren„ ^Vereijscht word voor 100. ma: gen dat tot dies massa thaar zilver aan 11. penn: 20 gr: marcq 47. .6 15/4. gerafineerd Japons koop en en voor zilver van mind en alloij norata — —. Dat deese bij de minaraalen te samen gesmolten en tot kleene bolletjes, stukken if brokken in de daartoe in verscheijde Uw E: Schrij„ Wij kunnen derhalven niet Dat be. 5