VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 9719

Coromandel · 484 pages · 63 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_9719_0457 view scan ↗

English

356. The 28th of January 1786. That in the closed books of the ultimate of August 1781, their accounts were closed with ƒ 360. credit each, which have been credited to their respective accounts in the subsequent new books of 1781/82. That the account of the flag-watcher Hendrik De Costa, who was formerly also stationed there, has likewise been closed as above per proposal with ƒ 48. 8., namely: ƒ 44. for what was carried over from the closed books, and ƒ 4. 8. for a similar 1/3 share of pay earned in November; since he also drew his pay in September and October, as well as board money up to November, at Nagapatnam. While furthermore having the honor, with respect to the Resident Iopander and the bookkeepers Laurelius Willick and Gerrardus Herft, to report that the said officials, as has been informed, continuously ran in the pay books of this coast during the 14 months that they wandered about in the army of the Nabob Haider Ali Khan, because the paymaster was not authorized to write off their salaries. That after their return to Nagapatnam in the month of September 1781, they presented a petition to the Government, wherein they supplicated that they might be credited with their salaries and board money during their prisoner-of-war status, or else that such expenses might be reimbursed to them as they had inevitably been obliged to incur during their presence in that army. That the Government did not dispose of this request of theirs, but referred the assessment thereof with favorable recommendations to Their High Excellencies. That subsequently, Nagapatnam having been captured by the English, the signatory is unaware how Their High Excellencies have pleased to dispose of the supplications of the aforementioned Iopander and associates. Wherewith hoping to have complied with your Honorable's honored intention, I presume the honor to subscribe myself with deep respect, and it was undersigned: Honorable Sir and Sirs, your Honorable's humble and obedient servant, was signed: S. Drijnevelt, in the margin: Palliacatta the 28th of January 1786. Furthermore 358. Regarding the Danish ship Larwijk, to insert, Furthermore, the Governor had the received report recorded that the Danish ship Larwijk, sailing from the Ganges to Tranquebar, having on the 11th of January come too close to the bank lying before this place, and thus having fallen into distress, His Honor, at the request of Captain Warhof, had sent the boatswain Van Odijk on board, and had the same draw up a written report after his return to shore, so that, if the decision was made to insert it, it might in due time be of some service, to be inserted herein. The 28th of January 1786. To 359. Continued To the Honorable Willem Blaaukamer, Governor of the Coast of Coromandel and its dependencies, etc. etc. Honorable Sir, In observance of your Honorable's honored order to make a report concerning the Danish ship Laarwijk, coming from Bengal, commanded by Captain Washof, the humble signatory has the honor to submit this: That on the 11th of January the aforementioned ship passed the outer roadstead along the bank, with an ENE and E by N wind to the south, but owing to the high sea, and the current drawing toward the shore, the ship, being in the depth of 10 fathoms of water, fell onto the bank two small miles south of this place, into a depth of barely 6 fathoms; and since the anchor at first would take no ground in the sand, the ship drifted to 4 fathoms, a short mile from the shore. That afternoon, a mate of the ship came here to the Honorable commanding gentleman, To the Honorable Sir The 28th of January 1786. and 360. The 28th of January 1786. and requested assistance to bring the ship into deep water. Then I was ordered by the Honorable gentleman to go on board the ship, which took place that night. In the morning, when I came on board the ship, the wind and sea began to calm down somewhat, and I found the ship in the depth of 3 fathoms, a short mile from the shore, but the ship lay afloat, since she was laden no deeper than 17 feet. The flagpole bore NNW, the wind N by E, calm. To starboard, southward toward the shore, one also found 3 fathoms, and to port, northward toward the shore, 2½ fathoms of water; and ahead, around NNE, as well as eastward, one found on the bank in that direction depths of 3, 3½, 4, 4½, 5, 6, up to 7 fathoms, over which depth a kedge that was 500 fathoms long was laid out, on which the ship was warped to the last-mentioned depth of 7 fathoms, fine sand mixed with mud. The flagpole then bore NNW, 1½ miles from the shore. At one o'clock in the afternoon, a second kedge of 300 fathoms was run out NE by E into the depth of 11 fathoms, muddy ground, with which the ship was warped to the last-mentioned depth; then set sail at five o'clock with a NE by N wind, steering SE by S. At the depth of 15 fathoms, I sailed from the ship to the shore with the catamarans. On the 1st of January, the Dutch pilot had left the ship 361. The 28th of January 1786. Readmission of a Malay corporal into service, ship outside the Bengal banks. Hoping herewith to have complied with your Honorable's intention, I have the honor to sign this with all veneration, and it was undersigned: Honorable Sir, your Honorable's humble and obedient servant, was signed: H-s van Odijk, in the margin: Palliacatta the 13th of January 1786. Finally, it is resolved to readmit into service, for ordinary pay, the Corporal of the Eastern Military Moses of Batavia, who was taken prisoner of war at Trincomalee and has now come over here, and to let his pay take course from the day of his arrival, being the 15th of this month, on which he rendered his service. Thus done and decreed In the

Dutch transcription

356. Den 28. Januarij 1786. Dat bij de afgelegde boeken van Ult=o aug=o 179/831. hunne Rekeningen zijn afgeslooten met ƒ 360. elk te goed, die in de daar van volgende nieuwe boeken van 17 7/82: bij derselver Rekeningen 1781 zijn bekend gesteld.. Dat de rekening van den mede aldaar bevorens bescheiden geweesen vlaggewachter Hendrik De Costa, ook als boven per voordracht is afgesloten met ƒ 48. 8. te weten: voor 't geen uit de afgelegde boeken is over„ gedraagen ƒ 44. en voor gelijke 3/d: gagie in November verdiend ƒ 4. 8: dewijle hij ook zijne gagie in 7ber vervolg„ en october mitsgaders kostgeld tot November. te Nagapatnam getrokken heeft. — Terwijl verder de eere heeft, ten aanzien van den Resident Iopander en de boekhouders Lau„ relius willick en Gerrardus Herft te berg„ ten, dat gem: bediendens /:gelijk geinformeerd is geworden :/ geduurende de 14. maanden, dat zij in het leger van den Nabab Haider Ali„ chan, hebben rondgesworven, steeds bij de zol„ dij Boeken van dese kust hebben voortgelopen, uit hoofde de zoldij houder tot de afschrijving van hunne gagien niet gequalificeerd geworden is. Dat zij na hunne te rug komst op Nagap=m in de maand september 1781. aan de Regeering heb„ ben gepresenteerd een Request, waar bij zij suppliceerden dat hun mogten werden goedge„ daan hunne gagien en kostgelden, geduurende hunne - 2 den 28. Januarij 1786. vervolg hunne krijgsgevangenschap, dan wel dat aan hun mogt werden voldaan zodanige kosten als zij onvermijdelijk geduurende hun aan„ weesen in dat leger hadden moeten maken, Dat de Regeering over dit hun versoek niet heeft disponeerd, maar de beoordeelinge ge van het zelve met forvorabele voor schrij„ vens heeft gerenvoijeerd aan Hun Hoog delheedens Dat vervolgens Nagapatnam door de Engelschen in genomen zijnde, den teekenaar en bewust is, hoedanig Hun Hoog Edel„ hedens over de supplicquen van voorm: Iopander C: S: hebben gelieven te disponeren. Waarmede verhoope aan uw wel Edele Agtbare geëerde Intentie voldaan te hebben, matige ik mij de Eere aan, met diepe respect te onderschrijven /e onderstond:/ wel Edele Agtb: Heer en Heeren, uw wel„ Edele Agtbaare, onderdanige en Schoor„ zame dienaar /:was geteekend:/ S: Dirij„ nevelt, /:In margine:/ Palliacat„ ta den 28. Januarij 1786. -. Voorts 358 gens het deensche schip Larwijk, insereeren, Voorts liet de heer Tesaghe bber ingekome gaport were„ aanteekenen dat het Deensche schip Larwijk, uit de Ganges na Tran„ quebaar stevende op den 11. Januarij alte na bij de voor deese plaats leggende bank, en dus in ongelegentheid geraakt zijnde, zijn Ed: op versoek van den Capitain warhof der Boots„ „man van odijk na boord hadde gezonden, en denzelve na zijn te nig komst aan de wal een schrifte„ lijk rapport doen formeeren om /: of het bestuit het zelve te in tijd en wijle van eenige dienst konde zijn :/ in desen geinsereerd te werden den 28. Januarij 1786. Aan 359 vervolg Blaaukamer Willem Gesaghebber der Custe Cormandel met den resorte van dien Etc: Etc: Wel Edele Agtbaa„ re Heer, In observantie van uwel Ed: Agtb: geeerde ordre om berigt te doen, wegens het deensche schip Laar„ wijk, komende van Bengalen, gecommandeerd door Captijn washof, heeft den needrige teeke„ naar de Eere desen te dienen: Dat den 11. Jann: 't voorm: schip de buijten reede langs de bank passeerde, met een O: N: O: en Ot N: wind na de zuijd, dog door de hooge zee, en de stroom na de wal trekkende, 't schip op de diepte van 10- vadem water zijnde, verviel 't schip twee klijne wijle bezuide deeze plaats op de bank, op de diepte van schaars 6: vadem„ en vermits 't anker ten eerste in 't zand geen grond wilde vatten, is 't schip tot 4. vadem ge„ „dreeven, een klijne mijl van de wal, dien agtermiddag quam hier bij den wel Ed: Agtb: gebiedende hiere, een stuurman van 't schip, Aan den Wel Edele Agtbaare Heer den 28. Januarij 1786. en 360 den 28. Januarij 1786. en versogt om hulp, om 't schip in de diepte te brengen, toen ben ik door den welEd: agtb: heere geordonneerd, om na boord van 't schip te gaan, welke dan snagts is geschied, smor„ gens doen ik aan boord van 't schip ben geko„ men, begon de wind en zee wat stil te wor„ den, en bevond 't schip op de diepte van 3. Vadem een klijne mijl van de wal, dog het schip lag vlot, vermits 't niet dieper dan 17. voeten gelaaden was, pijlde de vlaggestok N. N: W: de wind N. t0: stil, aan stuurboord Zuijd„ waards na de wal, vond men ook 3. vadem en aan bakboord zeide noordelijk na de wal 2½. vervolg vadem water en voorwaards om de N: N:O: wel zoo oostelijk vond men op de bank, op die streek 3. 3½. 4. ½. 5. 6. tot 7. vadem diep, over welke diepte een werp dat 500 vadem lang was, is ge„ set, waar over 't schip is gewonden, tot op laast gem: diepte van 7. vaden fijn Land met slik gemengt, pijlde doen de vlagge stok N. N. W: 1½. mijl van de wal; om een uur smiddags, een tweede werp van 300. vadem N: O. CO. uitgebragt tot in de diepte van s1. vadem slik grond, waarmeede 't schip op laast gem: diepte is geworden, maakte doen zeijl, te vijf uure met een N: O. t N: wind, steevende Z: O:t Z: op de diepte van 15. vadem ben ik van het schip met de slengen na wal gevaaren. Den 1. Januarij had de Hollandsche loos het schip a„ ƒ 361 den 28. Januarij 1786. readmissie van een ma leijdse Corporaal in dienst, schip buijten de Bengaalsche banken verlaaten Hiermeede verhoopende aan uwel Edele Agtb: intentie voldaan te hebben, zoo hebbe de Eere, deeze met alle veneratie te onderteekenen /:onderstond:/ wel Edele Agtb: Heer, UwelEd: Agtb: onderdanige en Gehoorsame dienaar /:was geteekend:/ H=s van Odijk /:In margin/ Palliacatta den 13. Januarij 1786. Eijndelijk is nog verstaan den op Trin„ conomale krijgsgevangen geraakte, en nu herwaarts overgekoomene Corporaal van de Oostersche Militairen Moses van Batavia voor gewoone be„ solding in dienst. te readmitteeren, en zijne gagie Cours te laaten nee„ men van den dag zijner aankomst zijnde den 15. deser, dat zijn dienst gepresteerd heeft. Aldus Gedaan en Gearresteerd In't

NL-HaNA_1.04.02_9719_0463 view scan ↗

English

In Fort Geldria at Sadras on the date aforesaid: Signed: As before; Except: M. Stoffenberg Monday the 6th of February 1786. In the morning at ten o'clock. Council of Policy Meeting All Present except The titular Merchant and Warehouse Master Martinus Stoffenberg, On a mission to Nagapatnam. Initially, the Administrator gave notice that on the 3rd of this month another three deserters arrived from Madras, namely: Andries Schever, Sergeant. According to the English account, from Padler in Prussia, but according to his own testimony, from Maastricht, although he himself admitted that upon entering into service under the English, he had registered himself as a Prussian; Cornelis Croon, Soldier. According to the English account, from Amsterdam, but according to himself, from Texel; Jan Janssen, Soldier. According to the English list, from Amsterdam, but according to himself, from The Hague; which three persons had already been announced as having deserted by the Governor of Madraspatnam, Davidson, in his letter to the Administrator of the 2nd, with the request that, should they arrive here, as His Honour considered probable since two of them were Dutchmen, to have the same secured. But to which, in a reply of the 4th, it had been answered that two of them, being native-born Netherlanders, fell under the same terms regarding those nationals mentioned in his previous writing (and of which mention was made in the Resolution of the 28th past), notifying Mr. Davidson that although Andries Schever was indeed listed on the English list as a Prussian subject, he nonetheless maintained that he was born in Maastricht. On that point, the Administrator also gave notice that Mr. Davidson, upon His Honour's refusal to surrender the national persons mentioned under the 28th of January, had requested that, because the Cartel had been misplaced by the English, he might have a copy from here; to which request His Honour had complied, as it was an agreement of a national character and applying equally to both parties, with the notification that although no specific mention was made therein of the non-surrender of each other's national persons, such must certainly be deemed by mutual consent as a matter that spoke for itself, because the surrender of the same to another nation involves an absurdity; for which reason the English Ministry also never surrenders born subjects of His Britannic Majesty to other nations from which they may have deserted. That His Honour had not yet received any answer to this; but that in the meantime he was surprised that the offered Saxon had not been collected. Proposing that, if no further claim is made on the part of the English for Lodewijk Caill and Andries Schever (the surrender of national Dutchmen having to remain absolutely refused), to detain them all, and to take them into the service of the Honourable Company as soldiers at 12 guilders, letting their pay commence from the day they arrived here. Having noticed among the papers of Sadras an entry for a bill of exchange of 3500 Madras Three-image Pagodas drawn by Mr. Macpherson on Messrs. James Henry Casamaijor and Charles Oakeley on behalf of the former Government of Nagapatnam, and that the receipt of that sum had been entrusted by the Government of this coast to the then Chief of Sadraspatnam, De Neijs, it appeared to His Honour from the letters of the latter that he had sent the copy of that bill of exchange to Madras, but that nothing more could be traced about it among those papers. But since hostilities began on this coast at that time and Sadras was captured first, it was quite possible that the matter had no further consequence. The Administrator had therefore written a letter to Mr. Charles Oakeley to obtain further information regarding this, in order to present the matter to the Council with some foundation, stating that he had received a reply from the said Mr. Oakeley, substantially containing: "That he found in his correspondence that such a bill of exchange had indeed been drawn, but never presented for acceptance; that in a letter to the aforementioned Chief De Neijs of the 3rd of June 1781, he had indicated his intention to pay it against a proper receipt, but that the war having broken out, that matter remained without further consequence until the arrival of the said Macpherson himself at Madras in September of that same year, when he questioned him about the nature of that draft, at the same time informing him of his correspondence with"

Dutch transcription

362 In't fort Teldria te Zal„ liacatta de dato voorsz: /:was geteekend:/ Als vooren; /: Excepter:/ M. Stoffenberg Maandag den 6. februarij 1736. 8 Smorgens te tien ualan„ Vergadering van Politie Alle Present dimpto. Ven tit: Coopman en Pakhuijsmeester Martinus Stoffenberg, In Commissie na Nagapatnam, Aanvarkelijk gaf den Heer Gesaghebber aankomst van 3. dese„ teur Communicatie, dat op den 3. Courant wede„ rom drie deserteur van Madras zijn den 28. Januarij 1786. aan 363 den 6 februarij 1786 wat den Gouverneur van Ma„ aras weegens haar versog heeft. aangekomen met naame Andries Schever Sergeant. volgens der Engelschen opgave van Padler in Pruijssen, dog volgens zijn eijge getuijgenis van Maastricht, schoon hij zelve bekende dat hij bij zijn dienst nemen onder de Engelschen zig voor een Pruijs hadde opgegeeven Cornelis Croon Soldaat. volgens de Er„ gelschen opgave van Amsterdam, dog volgens hem zelfs van Tixcel, Jan Ianssen soldaat. Na der En„ gelschen Lijst van Amsterdam, dog vol„ „gens hem uit 's Gravenhage:— welke drie persoonen door den Heer Madras„ patnams Gouverneur Davidson bij zijn brief 364 den 6. februarij 1786. „brief aan den gezaghebber van den 2=e reets. geannoucieerd waaren, als gedeserteerd, met versoek om, mogte zij alhier komen, gelijk zijn Edele probabel stelde, wijl twee van hen hollanders waaren deselve te laten secureeren: Dog waar op bij rescriptie antword daar op, van den 4. geantwoord hadde, dat twee hunner gebooren Nederlanders zijnde in de zelve termen vielen van die nationalen „vermeld bij zijn voorige schrijven /: en van welke ter Resolutie van den 28. pass:o is melding gemaakt :/ onder kennis geeving aan den heer Davidson, dat schoon Engelische Andries Schever, bij de lijst wel opgegeeven was als een Pruijsscherse onderdaan, hij egter staande hield uit Maastricht. 365 den 6. febr: 1786. neur om een Copij van het Castel torsending der zelve Maastricht geboortig te zijn, versoek door gem: Gouwt„ De Heer gesaghebber gaf op dat poinct nog kennis, dat de heer Davidson op zijn Ed: resus om de nationale per„ soonen, vermeld onder den 28 Ianuarij uit te leveren, versogt hadde, om, wijl het Cartel bij de Engelschen verlegd was, een Copij van hier te mogen hebben; aan 2 welk versoek zijn Ed: hadde voldaan, als een Nationale en tot beijde een gelijke betrekking hebbende, overeen komst met notificatie, dat schoon 'er geen bij zondere nientie gemaakt ware de niet overlevering van weder zijdsche nationale persoonen, zulks zeekerlijk met onderlinge toestemming gecen„ seerd moest werden als een zaak die van zelfs 366 den 6. februarij 1786. der 3. deserteurs niet afgehaald werdt, neeming van 2. de serteurs, zelfs sprak, wijl de overgave derselve aan een andere natie een absurditeit involveerd: waarom ook het Engelsch Ministerie nimmer geboren onderdanen van zijn Groot Britannische Majesteit uitle„ verd aan andere natien van welke zij mogten gedeserteerd zijn. Dat zijn Ed: vervonrdering ens, dat een hier op nog geen antwoord hadde ontfan„ „gen; dog dat ondertusschen verwonderd was dat men den aangebodene sax niet liet afhaalen. Proponeerende, om wanneer van wegen de propositie ter in dienst Engelschen geen nader reclame van Lodewijk Caill en Andries Scherer gedaan word (:de overlevering van nationale Hollanders absolut moetende geweijgerd blijven :/ hen alle aan te houden, en als Solaaaten 367. den 6. februarij 1786. wat bij de papieren van Sadra weg:s een wissel van 3500. pag: ontwaard is, soldaaten met ƒ12. in dienst der Ed: Comp:e te neemen en hunne gagien te laten in¬ gaan van den dag dat hier zijn aan„ gekomen. Bij de papieren van Sadras den Heer gesaghebber te vooren gekomen zijnde Een post van een wissel van 3500 Mad: Drie„ beeldige pagoden door den Heer Mack„ pherson getrokken op de heeren James Henrij Casemaijer en Charles Oakeleij ten behoeve van het gew: Gouvernememt van Nagapatnam, en dat den ontfangst van dat bedragen door de Regeering deezer kust was opgedragen aan het toenma„ lig opperhoofd van Sadraspatnam De Neijs 368 den 6. febr: 1786. dierwegens bekomen antwoord daar op Neijs zo was zijn Ed: uit de brieven van laast gem: gebleken, dat hij de Copij van die wissel na Madras hadde gesonden, maar dat bij die papieren daar omtrend niets meer was op te speuren: Dan dat dewijl de vijandelijkheeden in die tijd op deese kust zijn begonnen en sadras het eerst is weggenomen, zoo het wel mogelijk was, dat die zaak geen verder gevolg heeft gehad: De heer gedaane informatie Gesaghebber hadde daarom Een brief aan den heer Charles Oakelij geschre„ ven om daaromtrend nader informatie te bekomen, om met eenige grond de zaak in den Raad voor tedragen, zeggende dat antwoord van gedagte Heer oakelij hadde ontfangen; substancielijk behel„ soude a„ - 369 vervolg sende: " Dat hij bij zijne Correspondentie vond, „dat zodanige wissel wel was getrok„ „ken, maar nimmer ter acceptatie ge„ „presenteerd; dat hij bij een brief aan „ bovengem: opperhoofd De Neijs van den „ 3. Iunij 1781. zijn intentie hadde te betalen te„ „kennen gegeeven, om die te V „gen een behoorlijke quitantie, maar „dat de oorlog uitgebroken zijnde, „die zaak zonder verder gevolg is „gebleeven, tot de aankomst van verheir „ Mackpherson zelfs te Madras „ in september van dat zelfe Iaar, wan„ „neer hij denselven over de natuur van „ die trekking ondervroeg, hem teffens ken„ „onis geevende van zijne Correspondentie den 6. februarij 1786. met

NL-HaNA_1.04.02_9719_0471 view scan ↗

English

370 the 6th of February 1786. with De Neijs, and was informed that "Mr. Mackpherson, to the best of his "recollection, when he granted the bill of exchange, "had received no money, but only "a bond to be paid after "advice was received that the bill of exchange was "settled in the Indies. That when /:said "Mr. Oakelij:/ this /:as he believes:/ "is the state of the matter, it appeared to him "that no payment had been made on either side; "concluding his letter "with an indication that Mr. "Mackpherson is presently Governor- "General of Bengal, who he "does not doubt will readily give further "elucidation, should one deem it necessary "to ask for it. Continuation the 6th of February 1786. Decision to write to the Right Honourable Governor in Bengal regarding this matter Reading of a petition of the collective servants of this Coast What the same contains, Whereupon it was resolved to write concerning this to His Honour at the first opportunity. After this, the Director had read aloud a petition presented to His Honour on behalf of the collective servants stationed on this Coast, addressed to Their High Mightinesses, containing their humble request that they might, by the same, for reasons alleged in the text according to the strict truth, be exempt from the stipulated recognition duty of 20 per cent on the linens, should they, upon times improving in the future, send any to Batavia; 372. the 6th of February 1786. To offer the petition to Their High Mightinesses. or else such moderation herein as might afford them some relief and give hope of repairing their ruined state in time. Which petition was unanimously agreed to be presented in the most favourable manner alongside the outgoing dispatch, and to be inserted here. To His High Mightiness The High, Noble, Right Honourable, Widely Governing Lord Mr Willem Arnold Alting Governor-General Together with The Right Honourable Lords Councillors of the Dutch Indies Etc., Etc., Etc. High, Noble, Right Honourable, Widely Governing Lord, and Right Honourable Lords. Show with deep veneration, the collective Company servants on this Coast, Insertion of the same that 373 the 6th of February 1786 that through the most ruinous war and the calamities arising from it, they find themselves in the most deplorable circumstances, seeing that for over four years, each one in particular, deprived of his employment and without being able to earn the least, they had to manage very scantily with the meager subsistence which the English were pleased to grant them for a time during their captivity; and through their continual wandering about had to consume almost their entire possessions. That in addition, several of them, through the capture of the ship Canaar in the bay of Trinkonomale, and through the conquest of that place, lost very substantial sums of money, amounting alone from the mail office of the aforementioned vessel to an exorbitant capital of Rd:s 96000: without counting what was also privately sent in that bottom for the coast residents. In this loss the Armenian merchants residing both in Nagapatnam and in Madras indeed had to participate, however Continuation 374 the 6th of February 1786. Continuation however many, yea most of them, were so fortunate as to be allowed to recover a portion of their lost funds, whereas the petitioners have not been able to regain anything of theirs. The humble petitioners will not detain Your High Mightinesses' venerated attention with the dreadful tale of the most terrible famine, and the most frightful consequences thereof, in which most of the humble petitioners had to partake, but only advance this to give Your High Mightinesses merely an outline of the distressing condition in which they still find themselves. In hope and good expectation that Your High Mightinesses will be pleased to look upon the humble petitioners' suffered losses and endured hardships and miseries with an eye of compassion, they also take the liberty to address Your High Mightinesses with the humble plea that it may graciously please the same to exempt them from the stipulated recognition duty of 20 per cent on the linens which, when times become better and more advantageous, they might happen in the future to send 375 from here to Batavia; or else to make such a moderation in that regard whereby the petitioners might at least enjoy some relief, and have hope of repairing their ruined affairs in time /:was written beneath:/ Which doing Etc. Etc. Thus done and resolved in the Fort Geldria at Palliacatta on the date aforesaid. /:was signed:/ As before /:Except:/ Stoffenberg. — the 6th of February 1786. Agrees. AA:Masz E: G Clercq Collated J V: Meshusius GSielinck No. 6

Dutch transcription

370 den 6. februarij 1786. met De Neijs, en geinformeerd wierd, dat „de heer Mackpherson na zijn beste „onthoud, toen hij de wissel verleende, „geen geld hadde ontfangen, maar alleen „een obligatie om betaald te werden na „bekomen advies, dat de wissel in In„ „dien voldaan was. Dat wanneer /:zegd Leg „de hier Oakelij. / dit /:gelijk hij geloofd:/ „de staat der zaake zij, het hem Voorknam, „dat 'er van weder zijde geene betaling „geschied was; besluitende zijn brief „ met een aanduijding dat de Heer ding „ Mackpherson thans Gouverneur „ Generaal van Bengalen is, die hij „ niet twijffeld of zal geredelijk verder twijff „ Elucidatie geeven, wanneer men nodig „ oordeeld die te vraagen. Waer 6 vervolg den 6. februarij 1786. besluit dierw' aan den Erg: gouv, te Bengale te schrij„ ven leesing van een regulest der gesamentlijke die„ naaren deeser Custe wat het zelve behelst, waar op beslooten is om dient wegen aan zijn Edelheid bij eerste occagie te schrijven Dier na liet den Heer Gesaghebber opleesen een aan zijn Ed: uit name van de gezamentlijke Dienaaren ter deeser kuste bescheijden, overgegeeven Request aan Haar Hoog Edelhee„ dens, inhoudende hun nedrig versoek om door Hoog Dezelve, om reeden in textu„ na de strikte waarheid geallegeerd, te moogen gelibereerd worden van de be„ paalde recognitie van 20. per Cento op de lijwaaten, zo zij bij betering van tijden in den volgtijd eenige na Batavia mogten 372. den 6. februarij 1786. N: H: Ed: aan te bieden. mogten zenden; dan wel zodanige moderatie hier in, als hen eenig Sou„ . . laas zoude kunnen doen genieten, en hope geeven om hunne vervallen staat door den tijd te herstellen. welk supplicq een paarig verstaan besluijt dat suplicq is nevens afte gaan schrijven op het aller favorabelst aan te bieden, en hier te Insereeren Aan zijn Hoog Edelheid Den Hoog Edelen Groot Agtbaaren wijdgebiedenden Heer M=r Willem Arnold Alting Gouverneur Generaal Benevens De wel Edele Heeren Raaden van Nederlands India Eti, Etc: Etc: Hoog Edele Groot Agtb: wijd gebiedende Heer, en wel Edele Heeren. E ƒ seeven met diepe veneratie te kennen, de Ge„ G zaamentlijke Comps Dienaaren te deeser kuste, Insertie van het zelve dat 373 den 6. februarij 1786 dat zij door den aller ruineusten oorlog, en de daar uit ontstaane rampen, in de deplora„ belste omstandigheeden zijn verseerende, aange„ zien zij ruim vier Iaaren, een ieder in 't bij„ zonder, van zijn emplooij verstooken, en zon„ der het minste te kunnen gewinnen, zig met het gering onderhoud, het welk de Engelschen hun in de krijgsgevangenschap een tijd lang hebben gelieven toe te voe„ gen; gantsch bekrompen hebben moeten geneeren, en door hun gedhuurig omswerven bij na hunne geheele bezittingen hebben moeten verteeren Dat daar en boven verscheidene van hen door het weg neemen van het schip Ca„ naar in de baaij van Trinkonomale, en door het veroveren van die plaats zeer aanzienlijke zommen gelds hebben ver„ looven, Bedraagende deselve alleen van 't post Comptoir van voorm: bodem een ex or„ bitant Capitaal van Rd:s 96000: zon„ der te reekenen, het welk nog parti„ culier in dien kiel voor de kustelingen was afgestooken In dit verlies hebben wel de Armenische kooplieden, zoo te Nagapatnam als te Madras woonagtig, moeten participeeren, egter vervolg 374 den 6. februarij 1786. vervolg egter zijn er veele Ia de meeste van hen zoo gelukkig geweest, een gedeelte van Hunne verloorene gelden weeder te moogen recou„ vreeren, waar en teegen de supplianten niets van het haare hebben moogen te rug er„ langen- De needrige verthooners zullen Uw: Hoog Edelheedens gevenereerde attentie niet ophouden met het akelig verhaal der onzaggelijkste horgersnood, en de aller„ iselijkste gevolgen van dien, waar inne de meeste der onderdanige Supplianten hebben moeten „deelen, maar avanceeren dit eenlijk, om uw: Hoog Edelheedens stegts een schets te geeven van de nijpende toestand, waar inne zij zig als nog bevinden. . In hoope en goede verwagting, dat uw Hoog Edelheedens der nedrige Supplianten hunne geleedene schadens en uijtgestaane ongemakken en Elenden met een oog van ontferming zullen gelieven te beschouwen; zoo neemen ze dan ook de vrijmoedigheid zig tot uw Hoog Edelheedens te wenden, met demoedig beede, dat hoogst dezelve gra„ tieuselijk moge behaagen, hen te libereeren van de bepaalde recognitie van 20 pr C=o op de Lijwaaten, zij wanneer de tijden bee„ „die ter en voordeeliger werden, in den volg tijd van v 6 375 van hier na Batavia mogten komen te zen„ den; dan wel daar omtrend eene zodanige modteratie te maaken, waar door de sup„ plianten ten minsten eenig Soulaas zouden kunnen genieten, en hoope heb„ ben om Hunne vervallene Zaaken door den tijd te herstellen /:onderstond:/ T welk Doende Etc: Etc„ - Aldus Dedaan en Searres teerd In't fort Feldria Te Palliacatta de dato voorsz: /:was geteekend:/ Als vooren /: Excepto:/ Stoffenberg. — 6: den 6. februarij 1786. Accordeert. AA:Masz E: G Clercq - 1 Gecallationeert J V: Meshusius GSielinck No. 6

← previous