VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 10017

Ceylon · 750 pages · 243 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_10017_0410 view scan ↗

English

Anno 1789 to further establish the Company, and to make the customary request to peel cinnamon in the King's territory, all in accordance with the resolution of March 3 of this year, I departed on Wednesday, March 4, from the castle of Colombo under the highly favorable escort of Your Right Honorable and of the gentlemen members of the Council, along with some other gentlemen of distinction, as far as Pasnaklegam. Having respectfully taken leave of Your Right Honorable there, I continued my journey with the scribe of this Embassy, the assistant Abraham Ambrosius Thonson, in the company of the Senior Merchant and Dessave of the Colombo Lands, Mr. Dietrich Thomas Fretz, and the Junior Merchant Anthonij Pieter Hageman, escorted by a detachment of European military from the Dutch Battalion, which was commanded by Ensign Ernst Christiaan Haase. In the evening at around 6 o'clock, I arrived at Hangewelle. Thursday, the 5th, in the morning at about 6 o'clock, I departed from there in the company of the aforementioned gentlemen and arrived around 1 o'clock at Awissawella. After the meal, the escort to the river was given to me with the customary ceremonial, from where I immediately crossed over by a katteponel behind the royal letter, and on the shore in the King's territory I was received by the Mohottiar of the Three Korles and the Korales of the Degegama, the Pannamal, and the Attoeloegam Korles. After the firing of the three customary volleys, both by the aforementioned detachment and by the guard of the Embassy, the latter standing on the King's territory, the scribe and I were conducted by the said Mohottiar and Korales to the resthouse at Sitawaka. There, in front of the letter-house, I took the letter with the tray from the letter-bearer and placed it inside. Next, the scribe and I were shown our sleeping quarters, after which they withdrew following a brief exchange of compliments. Around 6 o'clock in the evening, the aforementioned Mohottiar confidentially informed our First Interpreter Mudaliyar that he had just learned secretly that the Dessave of the Three and Four Korles, together with some other court grandees, were to depart yesterday evening from the Court for my further escort, and that those gentlemen could therefore be here late the day after tomorrow in the evening. In my respectful dispatch of today's date, I have reported this matter to Your Right Honorable. Friday, the 6th, in the afternoon, the last piece of the presents was brought here, and they were all found to be in good condition. Because of the low water in the river, these goods, which had been dispatched from Colombo by paddies, could not be brought further than just above Hangewelle. Dessave Fretz was informed of this yesterday at Awissawella, and His Honor immediately gave orders that they should be transported hither by katteponels. Of my own goods, I only received what was necessary this forenoon in the aforementioned manner. Saturday, the 7th, at noon, the last piece of my and my retinue's baggage was brought here. Around 7 o'clock in the evening, the Mohottiar who is here sent me some small items as a present and at the same time asked permission to come and visit me. I had him thanked for what was sent, adding that I would gladly await his visit. Shortly thereafter he appeared and was received by the scribe inside the front door of the resthouse. He proceeded directly to inspect the letter, and afterwards he came to me, and I received him in the resthouse. As usual, he first inquired after my health, and this having been answered appropriately, he said that he would depart this very evening for Roeanelle to receive the Dessave of the Three and Four Korles, and that although he had not yet received written notification of the Dessave's departure from Kandy, His Honor was nevertheless expected at Roeanelle by tomorrow evening at the latest. I assured him of my pleasure at the Dessave's speedy arrival for my further escort. Thereupon he took leave and departed. A moment later, I sent off with two of my appoos the presents which this Mohottiar customarily receives here from ambassadors. Sunday, the 8th, at noon, the Mohottiar who departed yesterday informed me from Roeanelle that the above-mentioned Dessave and some other grandees would arrive there this evening without fail. In the letter sent today, I communicated to Your Right Honorable what occurred yesterday. Monday, the 9th, in the evening at half past four, the Dessave of the Three and Four Korles sent me word of His Honor's arrival, adding that His Honor, together with the other court grandees, having refreshed themselves, would come to meet me. I returned the answer that this message was very agreeable to me and that I would await those gentlemen. Around 6 o'clock, I received a further message from them that they were on their way, and I replied that I was ready to come to meet them. I then stepped out of the resthouse, but walking past the devil's tree and proceeding a few steps further, I saw nothing of them yet, so I remained standing there and sent word of my approach. Thereupon they came nearer and sent word to me to advance as well; and since I could then see them, I went forward slowly and met them at the usual place of reception. We welcomed one another, and I served them with rosewater according to custom. Besides the Dessave of the Three and Four Korles, Silimetalauwe Ralehami, I found the following courtiers present there for my reception, namely: The Nanajekarea Mohottiar Kahadewe Ralehami Koerwe Mohottiar Kahadewe Ralehami Ratterale of Hewahette Galegodde Ralehami

Dutch transcription

Anno 1789 komp:s meer en meer te vestigen, en om hel woon verzoek te doen tot het schillen an neel in skonings land, alles convormn sn tie van den 3e. Maart dezes Jaers n k trok op Woensdag Den 4=e maart uijt het kasteel van klom onder Hoog gunstig uijtgeleijden van uwel Groot Achtb: in van de Heeren leeden van tie, nevens eenige verdere Heeren van diste tie tot aan het Pasnaklegam, alwaarva uwel Edele Groot Achtb: eerbiedig afsche noomen hebbende, vervolgde ik mijne rel met den scrieba dezer Ambassade den ass Abraham Ambrosius Thonson, onderge de van den opperkoopman en dessavider t Combosche ommelanden de Heer Dietrich Thomas Fretz en den onderkoopman thonij Pieter Hageman geexcorteerd, d een detachement Europeesche Milit uijt 't hollands Battaljon, het welk kommandeert wierd door den Vaandrag Ernst christiaan Haase s avonds circa 6 uuren arriveerde ik te Hangewelle. Donderdag den 5 des morgens omtrend 6 uuren vertrok ik van daar in geselschap van ze voornoemde Heeren en kwam teegen 1 uu¬ ren op awisuwelle Na den eeten, wierd mij met het gewoon ceremonieel het uijtgele„ de gedaan tot aan de rivier, van waar ik mete„ een katteponel agter den koninglijken brief Overvoer en wierd aan den oever in S' Konings land onvangen door de Mohotiaar van de t drie korles en de koraals van de Degegamen de Pannamal en de Attoeloegam korle Na„ het doen van de drie gewoone Charges, zoo door het voormeld: detachement als door de vo Kommando van de Ambassade, de laatste ig„ op 's konings gebied staande, wierd ik en den scrieba door genoemde Mohotiaaren ko„ vaals tot aan het rusthuis te sitava kage„ leid. Ik nam aldaar voor het brieve huis„ Je den brief met de schotel van de brieve drager en stelde den zelven daar in, vervol„ gens wierd mij en den acrieba onze slaap vertrekken Ern vertrekken aan geweezen, waar na kem een klein kompliment, over en weeder trokken om streeks, 6 uuren desavond liet voormelten Moholiaar aan onze eersten Tolk Modliaar in vertrouwen weeten, dat hij effen te vooren onder de haer vernomen had, dat den dessave der drieen vier korles nevens eenige verdere Ht of sypnn ten, gesteven avond van 't Hoff ter mijner vo dere geleiding stonden te vertrekken, en dat die Heeren dus overmoogen avond laat alher kunnen weezen Bij mijne eerbiedige van hedigen datum heb ik uwel Edele Groot Achtbaare van dit een en ander verslag gedaan. Vrijdag den 6 namiddags, is het laatste stuk van de ge schenken alhier aangebragd, en Ze zijn alle wel gesteld bevonden weegens het laagwaar in de rivier konden deze goederen, diemt Fadies van kolombo afgezonden waaren niet verder dan effen boven Hangewelle ge bragd worden. De Heer dessave Fretz. heeft gisteren op awis awelle daar van h nisse gekregen en zijn E heeft daadelijk or„ dre gesteld, dat ze met katteponels na her„ waards zouden getransporteerd worden. Ik heb van mijne goederen alleen het noodzaake„ lijke heeden voormiddag op voornoemde weize bekoomen. Zaterdag den 7 op den middag is het laatste stuk van mijn en gevolgs Goed alhier aangebragd. omtrend 7 uuren 's avonds zond mij de al„ hier zijnde Mohotiaar eenige kleinigheeden tot presend en lied tevens belet vraagen mij te koomen bezoeken Ik lied hem voor het gezondene bedanken, met bijvoeging dat ik hem gaarne zoude afwagten kort hier op is hij ver„ scheenen en wierd door den scrieba binnen de voordeur van het Rusthuis gerecipieerd Hij begaf zig direkt om den brief te bezig„ tigen en vervolgens kwam hij bij mij en ik ontving hem in het Rusthuijs, als na gewoonte voor af vroeg hij na mijne wel¬ stand en dat na vereisch beantwoord zijn„ de, zijde hij, dat hij heden avond nog na Roeahelle zoude vertrekken, om de des„ save der drie en vier korles te ontvangen en dat schoon hij tot nog geen aanschrijving had van nisse E L 2 L van des dessaves vertrek van Kandia, hij Edele egter uijtterlijk morgens avond op R anelle verwagtende was Ik betuijgde hem verblijd te zijn over des dessaves spoedige kom ter mijner verdere geleiding Hier op nam hij afscheid en vertrok. Een oogenblik da na Zondik met twee mijner appoes de geschenken af, die hij Moholiaar gewoon„ lijk van de ambassadeurs alhier ontvangs Sondags den 8. 's middags, lied mij de op gisteren vertr kene Mohotiaar van Roeanelle weeten dat de bovengem: dessave en eenige verder grandes, heden avond aldaar zonder vout zouden aankoomen. Bij den heden afgegaanen brief heb ik un Edele Groot Achtbaare het op gisteren voorgevallen gekommuniseert. Maandag den 9 des avonds om halff vijff uuren liedde de save der drie en vier korles mij kennisse ven van zijn E=s aankomst; met bijvoeging dat zijn E nevens de verdere Hofsgrooten zich verschoond hebbende, mij zouden koo„ men ontmoeten. Ik lied andwoorden, da mij die boodschap zeer aangenaam was en dat ik die Heeren zoude afwagten Omtrend 6 uuren kroeg ik van hun een na¬ dere boodschap, dat ze op weg waaren en ik lied daar op zeggen, dat ik gereed was hun te gemoed te koomen. Ik ging daar op uijt het Rusthuijs, dog bij de duijvels boom en voorts eenige treeden verder gaande, vernam ik nog niets van hun, dus bleef ik aldaar staan en lied van mijne aannaadering kennis gee¬ ven: daar op kwaamen te naader en lieten mij zeggen ook te avanseeren, en wijl ik hun toen konde zien, zoo ging ik lang„ zaam voord en ontmoete hun op de ordinaire receptie plaats wij verwelkomden malkan„ deren en ik bediende hun na gewoonte met roosewaater. Ik vond aldaar behalvens de Dessave der drie en vier korles Silimetalauwe Ralehami, nog de volgende hoovelingen tot mijne reseptie, teweeten. De Nanajekarea Moholiaar Hahade„ We Ralehamij Koerwe Mohotiaar Kahadewe Raleha¬ mie Ratterale van Hewahette Galegodde Ralehamie De omtrend E L ƒ ƒ

NL-HaNA_1.04.02_10017_0413 view scan ↗

English

The Mohandiram Doelwawe Wielbagedere and Smadoele Having had as their retinue 8 tusked elephants 1 large banner 20 small ditto 48 men with pikes 40 ditto with muskets 10 grasshoppers 2 bows and arrows 2 drummers with wooden drums 2 trumpeters with silver trumpets and several tamblinjeros and horn-blowers. I and the scribe escorted these gentlemen to the resthouse, and having arrived before the letter-house, the letter was inspected, and standing there the customary compliments began. The Disawa said initially that his Honour and the other commissioners were sent by the Great Court to receive the embassy and to escort it to Attapittij. That His Royal Majesty had ordered him, upon meeting me, to inquire how Your Right Honourable Noble was at the time of my departure from Colombo, how the gentlemen members of the Council of Policy were, and how I and the scribe were; whether the proper honours had been rendered to the letter and the presents since my arrival in His Majesty's country, and whether the necessary provisions had been supplied to the embassy. I answered these questions and further said that I had been sent by Your Right Honourable Noble as ordinary ambassador, to deliver a letter to His Royal Majesty together with the precious presents mentioned therein, and that upon my departure I was charged, on meeting the gentlemen courtiers, to inquire after the well-being of His Royal Majesty, after that of the gentlemen of the Great Court, and also how the gentlemen present were doing. These questions having been answered according to custom by the Disawa, these compliments came to an end, and subsequently the royal music was performed with the aforementioned instruments. After the conclusion of this music, I invited those gentlemen to come and take a seat in my lodgings, which they kindly accepted. My resthouse had already been prepared to receive them. This visit was very brief, as the Disawa, for himself and the other courtiers, requested, being fatigued from the journey, to go to their lodgings. I and the scribe gave them the customary escort as far as under the devil's tree, where we, again with our respective attendants, wished each other a good night. Tuesday the 10th, I had the honour to communicate to Your Right Honourable Noble the arrival of the Disawa of the Three and Four Korales and the other commissioners yesterday evening, for my escort to Attapittij. In the morning around 8 o'clock, the Disawa came inside the front door of the resthouse to have the presents carried away; around half past twelve his Honour informed me that the presents had been carried off, and at the same time to say that it would be well if the letter and I followed. I accepted this, and the letter was carried out with the customary ceremonies under the usual salute of 10 grasshopper shots by one of the letter-bearers in front, and I followed it, escorting the Disawa up to the tree where I had left him yesterday evening. We there wished each other a good journey. I set out on the journey when the music before the letter could no longer be heard, and arrived in the evening at half past four at Roeanelle. Wednesday the 11th, at 1 o'clock in the afternoon, I set out again on the journey and arrived in the evening around 6 o'clock at Idelmapane. The letter was placed in the small house according to custom, and at 7 o'clock the royal music was performed in honour of the same. A few hours after my arrival here, the Disawa sent me and the scribe, according to custom in this resthouse, some presents consisting of betel, jaggery sugar, and many kinds of native pastries. Thursday the 12th, I departed at half past one in the afternoon and arrived in the evening at 5 o'clock at Attapittij. Friday the 13th, I informed Your Right Honourable Noble of my arrival yesterday evening at Attapittij. In the morning the Manajekarea Mohottiar and three more of the commissioners came to inspect the letter and presents, and in the afternoon the Disawa of the Three and Four Korales informed me that the further commissioners for my escort to Ganaroewe would be here tomorrow evening, and that I could thus continue the journey tomorrow afternoon. I and the scribe received today from the Disawa another batch of presents of betel, jaggery sugar, etc. Saturday the 14th, in the forenoon past 10 o'clock, the Disawa asked permission to pay me a visit after inspecting the letter and presents. The preparations were made in the resthouse for the reception of him and the other courtiers, and upon receiving the message that they were arriving, I and the scribe, with the retinue we had with us, went as far as under the tree before the resthouse. The customary compliments usual in such encounters having been observed on both sides, we served those gentlemen with rose water; subsequently, escorted by us, they entered our resthouse and sat down. The discourse held was about indifferent matters, which lasted about a short hour, and just before taking leave the Disawa said that the new commissioned courtiers from Kandy would be here this evening to escort the embassy further to Ganaroewe. We again gave them an escort to the place of reception, where, having served them with rose water according to custom, we parted. In the evening around half past six, the Disawa informed me that the expected courtiers from Kandy had arrived on the other side of the river and that he was ready to go receive them. I and the scribe went with our retinue to meet the Disawa and the other courtiers under the tree before the resthouse. Subsequently we went together to the river and saw the new courtiers cross over, consisting of: The Maha Mohottiar Leuke Ralehamie, and Mohandiram Miwattoeveen Lihemewatte Ralehamie Having had as their retinue 13 banners 18 men with muskets 24 ditto with pikes 1 bow and arrow ditto with broadswords and [illegible]

Dutch transcription

De Mohandiram Doelwawe Wielbagedere „n A Smadoele Hebbende tot Statie bij zich gehad 8 getande Eliphanten 1 groote vaandels 20 kleine d=o 48 koppen met pieken do 40 „ geweeren 10 Sprinkhanen 2 Pijlboogen 2 tamboirs met houte trommels 2 trompetters met zilvere trompel en eenige tamblinjeros en blazen Ik en den Scrieba geleiden deeze heeren het Rusthuis en voor het brieve huijs gekoomen zijnde wierd den brief beze en aldaar staande naamren de gewoon plimenten een begin De Dessair Zeide aanvankelyk, d zijn E: en de verdere gekommitteerd door 't groote Hoff gezonden waar om de ambasade te recipieeren en tot Attapittij te gelijden. Dat zijn k: M: gelast had, mij bij ontmoetingte vraagen hoe uwel Edele Groot Achtbaere zich bij mijn vertrek van kolombo bevond, hoe de Hee„ ren leeden van politie zich en hoe ik en de scrieba ons bevinden, of aan den brief en geschenken zee„ dert mijne bevinding in zijne M: land, de behoor„ lijke eerbewijzingen toegebragd en aan de Amba„ Sade de noodige verstrekkingen gedaan waaren Ik beandwoorde deeze vraagen en zeide voorts dat ik door uwel Edele Groot Achtb: als gewoon gezant gezonden was, ter overbrenging van eenen brief aan zijne k: M: nevens de daar bij vermelde kostbaere geschenken, en dat ik met mijn vertrek was belast bij ontmoeting van de Heeren Hofsgrooten te verneemen na den welstand van zijne k: M: na die der Hee„ ven van Het groote Hoff en ook hoe de prezente Heeren zich bevinden Deese vraagen na ge„ woonte door de dessave beandwoord zijnde nam deese komplimenten een eijnde en vervolgens wierd de koninglijke muziek, met voorengenoem de instrumenten gehouden. Na het afloopen van deeze muziek, nodegde ik die Heeren in mijn logies te koomen plaats neemen do do neemen, welke zijnvriendelijk aannee Mijn Rusthuis was reeds om ze te ont in gereedheit gebragt Deese visite was zen alzoo de dessave voor Zich en de verdere Hoor verzogten, als van de reijse vermoeid zijnde hunne logementen te gaan. Ik en den Schri gaaven hun het gewoon uijtgeleide tot onder duijvels boom, alwaar wij hun weder met vo ter bedienden en malkanderen een goede nagt to Dingsdag den 10 had ik de eer Uwel Edele Groot Natta te kommuniseeren de komste van den d teerden op gisteren avond, ter mijner opleijding Attapittij. Des morgens omtrend 8 uuren kwam de zi ve binnen de voordeur van het rusthus de geschenken te laaten wegdraagen om ha twaalff lied zijn E. mij bekend maaken, dat geschenken weg gebragd waaren en tevens zeggen, dat het goed zoude zijn wanneer den brief en ik volgde: Ik accepteerde dit onde brief wierd met de gewoone Ceremonien on der het gewoon saluut van 10 Sprink schooten, door een der brieve dragers op hetb Den brief wierd na den gebruijke in het huijs„ je gezet en om 7 uuren wierd de koninglij ke muziek ter eere van den zelven gehouden. reisch en, arriveerde des avonds Cirka 6 uuren op Idelmapane. Een paar Uuren na mijne aankomst alhier, zond de Dessave mij en den schrieba volgens gebruijk in dit rusthuis eenige geschenken bestaende in beetel Iagersuijker en veele zoorten van inlandse gebakken: onderdag den 12 vertrok ik om 41 uuren des middags en kwam des avonds te 5 uuren op Attapittij Vrijdag Den 13:' gaf ik uwel Edele Groot Achtbaare kennisse van mijne arrieve gisteren avond op Attapittij Des morgens kwam de Manajekarea Moho„ ve der drie en vier korles en de vordere gekem Woensdag den 11 des middags te 1 uuren ging ik weeder op voor Uijtgedraagen en ik volgde denzelven leidende de Dessave tot aan de boom waar ik hem gisteren avond verlaaten heb. wij wens„ ten aldaar malkanderen eene goede reise Ik begaf mij op reisch, toen de muziek voor den Brief niet meer konde gehoord worden en kwam des avonds om half vijf uuren op Roe„ anell. liaar tiaar en nog drie van de gekommitteerde den Brief en geschenken te bezigtigen en be de middag lied mij de dessave der drie en korles weeten, dat denadere gekommt den tot mijner opleiding naar Ganaroewe, n gen avond alhier zullen weesen en ik dus w morgen middag de velse kon voortsetten Ik en den scrieba ontvingen heeden van oor Dessave weeder een partij geschenken van bet Jager Zuijker EtC: Saturdag den 14 des voormiddags over 10 uuren, hied den despe belet vraagen, om na bezigtiging van den br en geschenken bij mij een bezoek te koomene gen. Den toestel wierd tot de receptie van hem de overige Hofsgrooten in het Rusthuis gemak en op de ontvangene boodschap dat ze aankwaam begaf ik mij ende Schrieba met de bij onshelb de statie tot onder de boom voor het rusthuis gewoone komplimenten bij diergelijke ontmo tingen gebruijkelijk, weeder seids waargenom zijnde, bedienden wij die heeren met Roosewaeter vervolgens begaaven zij zig door ons geleideer dende binnen ons rusthuis en gingen zitten wet gevoerd diskoers was over onverschillinge zaaken, dat omtrend een klijn uurtje daard 1 Pijkboog en effen voor het afscheid neemen zeide de Dessave, dat de nieuwe gekommitteerde Hoovelingen van kandia, heden avond alhier zul„ len weesen, om de ambasade verder tot Gannevou„ we te geleiden we gaaven hun weder het uijtgeleig„ de tot op de plaats der reseptie, alwaar we hun na den gebruijke met Roosewaater bediend heb„ bende, verlieten Des avonds omtrend half zeven uuren liet mij de dessave weeten, dat de verwagd wordende Hofsgrooten van kandia, aan de over zeide van de rivier waaren aangekoomen en dat Wij ge„ reed was hun te gaan recipieeren. Ik en den scrieba gingen met onse Staatie den Dessave ende verdere Hofsgrooten onder de boom voor het en rusthuis ontmoeten. Vervolgens gingen wij gezaementlijk na de rivier en zaagen de nieuwe Hofsgrooten overkoomen, bestaande in: De Maha Moholiaar Leuke Ralehamie, en „ Mohandiram Miwattoeveen Lihemewatte Ralehamie Hebbende tot statie bij zich gehad 13 vaandels 18 koppen met geweeren 24 pieken houwers en „ „

NL-HaNA_1.04.02_10017_0416 view scan ↗

English

We welcomed these newly commissioned courtiers and served them with rosewater according to custom. Furthermore, I and the writer escorted the Dessave and the Maha Mohotiaur to the letter pavilion in our resthouse, where they viewed the letter, and the customary complimentary expressions were delivered by the Maha Mohottiaan, which proceeded just as at Sitavaka during the first meeting with the Dessave of the Three and Four Korles. The royal music was then heard in honor of the letter, and when it had finished, I asked those gentlemen whether they would not prefer to come and sit in my lodgings. They excused themselves, saying that it was already late and, the gentlemen who had arrived being fatigued from the journey, they preferred to go to their lodgings, and also because they had to be ready early tomorrow morning to make the necessary arrangements for dispatching the presents. Upon this, I paid my compliments and, together with the writer, escorted them as far as the tree before the house and left them there after they had been served with rosewater. Sunday the 15th. I reported to Your Right Honourable the meeting yesterday evening with the additional court commissioners, who had arrived to escort me as far as Gannerouwe, and that today I would continue the journey over the difficult mountain Balane. In the morning at 9 o'clock, the Dessave, the Maha Moholiaar, and three more of the other commissioners came before the resthouse and immediately made a start with the dispatch of the gift goods. At 12 o'clock, the Dessave sent word that the presents had already been carried off and that it would be well if the letter and I followed. Hereupon, I went outside the resthouse with the writer to meet those gentlemen, and we led them to the letter pavilion. The letter was taken up with the customary ceremonial and we set out on the journey. We passed the difficult mountain Ballane with very favorable weather and arrived in the evening at 6 o'clock at Walwagodde. Around half past seven o'clock, the royal music was heard in honor of the letter, and subsequently we received some presents of betel, etc., from the Dessave. Monday the 16th. In the afternoon at one o'clock, the presents had been carried away, and I departed behind the letter. At 5 o'clock, I was close to Gannerouwe. I had to wait at the ordinary place until it began to grow dark. Towards half past six o'clock, the letter was taken up, and at the same time I was requested to approach. At the usual place, I was received by the Dessave of the Three and Four Korles, together with the other courtiers who had come to meet me at Sitavaka and Attapittij, and we proceeded slowly to the tree before the resthouse. Having arrived at this height, it was dark, and I found the following gentlemen arranged in a row there for my reception, namely: The Second Imperial Adigaar Doembre Ralehamie, The Attepattoe Moholiaar Rattepolle Ralehamie, The Ratterale of Oedoenoeve Kattekoemboere Ralehamie, From the Harisiapattoe Noegewelle Ralehamie, Ditto Oedoepalle [illegible] Ralehamie, Of the Great Dispensary Poeswelle Ralehamie, Ditto Wattoepalle Ralehamie, The Mohandiram Kobbekadoewe Ralehamie, Having with them as state retinue: 30 whips, 4 grasshoppers, 8 large banners, 20 small ditto, 60 Sepoys with sabres and shields, 107 men with muskets, and 30 pikes. After the welcoming and the serving of rosewater, the Second Imperial Adigaar escorted me to the letter pavilion in the resthouse, where the letter was viewed and secured under a salute of 15 shots from grasshoppers. Hereupon, the customary compliments commenced under the mandapa standing before the letter pavilion, and these proceeded in almost the very same words as at Sitavaka and Attapittij on the occasions when I met the Dessave of the Three and Four Korles and the Maha Moholiaar. The Lord Adigaar said subsequently that because it had already grown late and His Honour also still had to be at court, he intended to depart, but before his departure, he brought me into an apartment which he said had been prepared as my bedroom, and coming outside, he also pointed out the room for the writer. We escorted His Honour and the other gentlemen as far as the stairs by the river, where [illegible]

Dutch transcription

Wij verwelkomden dese nieuwe gekommitt de Hoovelingen in bediende hun volgens gebruijk met roosewaaten: voorts geleede ik en de schre de Dessave ende Maha Mohotiaur na helb ve huijsje in ons rusthuis, alwaar zij den brief bezigtigden en de gewoone komplima uijtdrukkingen wierden door de Maha A tiaan waargenoomen, dewelken even als te st vake bij de eerste ontmoeting van den despoed drie en vier korles, afliepen.. De koninglijke nausiek wierd toen ter eene van den brief gehoort en toen ze afgeloopen w vroeg ik die Heeren of ze niet verkooken in mijn logies te koomen zitten zij verex kullen den zig, met te zeggen, dat het reeds last was en de aangekoomene Heeren van de lei vermoeid zijnde liever verkoosen na hunne logimenten te gaan en ook om dat zij morgen ogtend vroegtijdig moesten gereed zijn, om vo de afzending der geschenken de nodige ord te stellen. Ik maakte hier op mijn kom pliment en gaf nevens de schriebahun het uijtgelijde tot aan de boom voor het h huis en verlieten hun aldaar, na dat de met roosewaater zijn bedient geworden Sondag den 15. bedeldge ik uwel Edele Groot Achtb: de ont¬ moeting gisteren avond van de nadere Hofs gekommitteerden, die tot mijne gelrijding tot Gannerouwe, aangekoomen waaren en dat ik heden nog de reise over den moeijelijken berg Balane zoude vervolgen Des morgens te 9 uuren kwam de dessave, de Maha Moholiaar en nog drie van de ove¬ rige gekommitteerdens voor het Rust„ huijs en maakten dadelijk een, begin met de de afzinding der schenkagie goederen. om 12 uuren liedde dessave weeten dat de geschenken reeds weggebragd waaren en dat het goed zoude zijn, zoo den brief en ik volgde. Ik begaf mij hier op nevens de schrieba buijten het rusthuis, ter ontmor„ ling van die Heeren en we lieden ze na het brieve huijsje Den brief wierd met het gewoon Ceremonieel opgenoomen en we gingen op reis wij passeerden den moeijelij ken berg Ballane met Leer gunstig weeren arriveerden des avonds om 6 uul ven te walwagodde. Omtrend half acht uuren wierd de koning lijk L & £ lijk musiek ter eere van den brief geha en vervolgens ontvingen we van den des eeniege prezenten van betel Edl: Maandag den 16 Smiddags om een uur, waarende gela ken weg gedragen en ik vertrok agter den bro om 5 uuren was ik digd bij Gannerouwe, J moest mij op de ordinaire plaats ophouden tot dat het begon donker te worden Tegn half zeven uuren wierd den brief opgenom en ik wierd te geleiker teid versogd naade koomen op de gewoone plaats wierdik ont vangen door den Dessave der drieen voorki les nevens de verdere Hoovelingen, die mij sitavaka en Attapittij te gemoed gekoomen zijn en te betragten mij langzaam voorts naast de boom voor het rusthuis. Op deese hoogte gekoomen Zijnde was het het ker en ik vond aldaar de volgende heeren t mijne receptie in een zij geschaard, teweete De Tweede Rijksadigaar Doembre Ralecharm „ Attepattoe Moholiaar Rattepolle Kalemo „ Ratterale van oedoenoeve Kattekoembr a mie van de Hare Siapattoe Noegewelle do Oedoepalle Webfende tot statie bij zich gehad Zweepen ^ Sprinkhaanen groote vaandels 20 klijne d=o 60 Sipahis, met Zabels en schilten 107 koppen met geweeren en - „ pieken 30 Na de welkomming en toediening met roosewaater, beide den tweeden Rijksadigaar mij na het brieve huijsje in het rusthuijs, alwaar den brief bezigtigt en geborgen Wierd onder een saluit van 15 Schooten uijt Spinkhaar Hier op naamende gewoone komplimenten een begin onder de mandoe voor het brieve huijsje staande, en dezelver liepen bij na met dezelfde bewoordingen af, als te sitavakaen Atta„ pittij, bij geleegenheeden ik de dessave der Drie en vier kor„ les en de Maha Moholiaar ontmoetere De Heer Adigaar Zeide vervolgens, dat wijl het reedslaat geworden was en zijn E: ook nog aan het Hoff moeste wee„ sen, voorneemens te zijn van te vertrekken, dog voor zijn weg„ gaan bragd Wij mij in een vertrek, welk hij zeide tot mijn saapkaamer te zijn klaar gemaakt en buijten koomende weeshij ook de kamer voor de Schrieba. We geleieden zijn E: en de verdere Heeren tot aan de trap bij de rivie„ Van 't groot despens Poeswelle Ralehamie d=o Wattoepalle De Mohandiram Hobbekadoewe Ralehamie Ralehamie alwaar do _o

NL-HaNA_1.04.02_10017_0418 view scan ↗

English

where the Lord Adigaar made known to me that the courtiers were commissioned to remain on guard near the ambassadors, namely: The Attepattoe Mohottiaar Pattepolle Ralehamy, the Ratteraale of Oedoenoere Kattekombre Ralehamy, the Haresiepattoe Noegewelle ditto, Oedipalle ditto ditto, Wattoepalle ditto ditto, the Mohandiram Kabbekadoewe Ralehamie, and of the Great Dispensary Joeswelle Ralehamy. I paid my compliments for this, went back, and stood for a moment near the first in rank of the commissioned courtiers on guard, while the Adigaar and the other court dignitaries took their leave of each other, and with him we went again to the [illegible]. Evening having fallen, the royal music was played in honor of the letter, and this being finished, the aforementioned Attepattoe Mohottiaar, as head of the commission, made known that by order of His Majesty some pastry and other refreshments had been brought from the Great Dispensary for me and the Schrieba, and he requested permission to have the items brought inside. We accepted it and showed our pleasure in that regard, with the request to convey our humble thanks to His Royal Majesty for what was granted. The courtiers on guard thereupon took their leave of us, and we escorted them again outside the rest-house, up to the place where they usually part from us. Tuesday the 17th, I dispatched a letter to Your Right Honorable, to give notice of my arrival yesterday evening at Gannorouwa. In that letter I also communicated to Your Right Honorable that, according to the rumors, I would have the first audience on the 19th of this month, and that the court dignitaries who had successively met me thus far had brought up nothing concerning the Honorable Company and the Court. In the morning at 10 o'clock, the courtiers on guard gave notice that the Waddene Toealkoekare Mohottiaar named Denegamoewe Ralehamie and the Mohandiram Walangodde Ralehamie of the Court had arrived on the other side of the river, and that they were ready to go and receive those gentlemen. Upon that message, I proceeded along with the Schrieba as far as the tree in front of our rest-house, and from there we went together to the steps of the river and welcomed both aforementioned gentlemen there. According to custom, they were served with rose water, and we then escorted them to the letter pavilion, where they viewed the letter. Subsequently, those gentlemen made known that they were commissioned by the Court to come and inquire after the welfare of myself and the Schrieba, and also whether we had been treated according to custom after our arrival at Gannorouwa, etc. I answered the various matters as required; upon my invitation, the gentlemen came to sit with us in the rest-house. The discourse was simple, and after about an hour they departed. We brought them back to the steps, and having served them with rose water, we left them, and accompanied our commissioned guards back up to the tree near the rest-house, and left them there as well. In the evening around 7 o'clock, the Mohottiaar and one more of the courtiers on guard came into the rest-house, and according to custom, in our presence, had the music heard in honor of the royal letter. Wednesday the 18th, the Mohottiaar and three more of the courtiers on guard, having been received by me and the Schrieba, came to the rest-house to view the letter and gifts, and also to inquire after our welfare. In the evening, music was played as usual. Thursday the 19th, nothing else occurred other than the viewing of the letter and presents in the forenoon, and the customary music in the evening. Friday the 20th, in the morning at 8 o'clock, the courtiers on guard gave notice that the Mohandirams Miewattoere and Maijwelle Ralehamies of the Court had arrived on the other side of the river, and that they were ready with me and the Schrieba to go and receive the arrived gentlemen. Upon that message, we proceeded to meet them and brought them before the letter pavilion. The letter having been viewed, the first in the commission observed the customary compliments, adding that they had been ordered by His Royal Majesty to tell me that, if no hindrances should occur at the Court, I would then be escorted to the audience this evening; and thereupon they departed. In the afternoon at 4 o'clock, the following commissioners arrived to escort me to the audience, to wit: The Dessave of Matele, Ereuwewelle Ralehamy, Padikare Mohottiaar Wattarantenne Ralehamy, and Mohandiram Lihiniwatte Ralehamie. Having with them for their state retinue: 10 grasshoppers 16 men with muskets 12 pikes 2 large banners 18 small ditto. After viewing the letter and concluding the customary compliments that are observed on this occasion, the gentlemen commissioners requested permission to have the presents carried away; and at 5 o'clock I departed with them from the rest-house, and was immediately ferried across the river, from where I and the Schrieba

Dutch transcription

alwaar de Heer Adigaar mijte kennen gesdaldel Hovelingen gekommitteerd waaren, om bij de Ambrs te blijven wagt houden, als De Attepatoe Moholiaar Pattepolle Ralcham „ Ratteraale van oedoenoere katte kombre Ralekon _o „ de Haresige pattoe Noegewelle d=o „ „ Mohandiram kabbekadoewe Ralehamie oedipalle do do Wattoepalle van 't groot dispens Joeswelle ale - Ik maakte daar voor mijn komplimenten ginge Ja rug en bleef bij de eerste in rang van de gekommet de wagdhebbende Hovelingen een oogenblik staan, t de adigaar en de verdere Hoffsgrooten van den ander laakten en met hem gingen wij weder na het ruk Den avond ingevallen Zijnde, wierd de koninglijke siek ter eere van den brief gehoudenen deeze afgeh zijnde, gaf voorm: Attepattoe Mohotiaur alha in de kommissie te kennen, dat ter ordre van Lijne M: uijt het groot dispens eenig gebak on ander snaperingen voor mij en den Schrieba aangebrag waaren en hij verzogte het een en ander te laale binnen brengen Wij accepteerd en het en lieten onse genoegen derwege blijken, met versoek zijne k: M: voor het toegelan Des morgens te 10 uuren lieten de wagd hebbende hoovelingen weeten, dat de waddene Toealkoekare Mohdliaar genaamt De negamoewe Ralchamie en de Mohandiram Walangodde Kalehamie van 't Hof aan de over Zeide van de rivier aange¬ koomen waren, en dat ze gereed zijn die weeren te gaan rece„ pieeren. Ik begaf mij nevens de Schrieba op die boodschap tot aan de boom voor ons rusthuis en van daar gingen we gezamentlijk na de trap van de rivier en verwelkomden al„ daar voor noemde beide Heeren Na den gebruijke wierden ze met roosewaater bedienden vervolgens geleiden we hun na het brieve huijsje, alwaar ze den brief bezaagen. onzen nedrigen dank afteleggen De wagd hebbende Hovelingen naamen hier op van ons afscheid en wij gelei„ den hun weder buijten het rusthuis, tot op de plaats daar ze gewoonlijk van ons scheiden dingsdag den 17 lied ik een brieff aan uwel Edele Groot Achtb: afgaan, om kennis van mijne arrieve gisterin avond op Jan nerouwe te geeven Ik heb uwel E„ dele Groot Achtb: bij die brief tevens gekomuni seerd dit ik volgens de gerugten op den 19 affen: zo de Eerste audientie zoude hebben en dat tot dus verrede meij successive ontmoete Hofsgrooten, niets aangaande DE: Comp: en het woff ter spraa„ gebragt hebben. Vervolgens „ „ „ do do do - en vervolgens maakten die Weeren bekend dat de doo het de kommitteerd waaren, om na de welstand van mij en de seh te koomen verneemen en ook of mij na onzen aankomst te Janavoewe naar gewoonte Zijn behandelt Etc: Ik beander de het een en ander na vereischen op mijne nodging zijn Heeren met ons in het Rusthuis gaan zitten. Het Diskoers was invoudig en na een uur omtrend vertrekt Ze. we bragten haar weeder tot aan de trapen hun met bo sewaater bedient hebbende, verlieten wij ze, en gebieden on wagd hebbende gekommitteerden te rug, tot bij de boom m het rusthuis en verlieten hun meede aldaar. Des avonds omtrend 7 uuren kwam de Mohotiaar en nog eren van de wagd hebbende Woovelingen in het Rusthuis en tubb volgens gebruijk in onse teegenwoordighad de musickter re van den Koninglijken briefhooren Woensdag den 18 kwam de Mohotiaar en nog drie van de wagd hebbende h velingen, door mij en den Schrieba gerecipieerd ijnd aa het rusthuis, ter bezigtiging van den briefen geleken en ook om na onzen welstand te verneemen Met den avond wierd na gewoonte gemusiseerd Donderdag den 19 viel niets anders voor dan de bezigtiging van den brief en geschenken des voormiddags, en des avond de gewoone meus Vrydag den 20 des morgens te 8 uuren, lieten de wagt hebbende hoveling weeten, dat de Mohandirams Miewattoere en Maij Ralehamis van 't Hoff an de over Zeide van de Rivier aange¬ koomen waaren en dat ze gereed zijn met mij en de schrie„ bade aangekoomene Wieren te gaan recepieeren We begaaven ons op die boodschap om hun te ontmoeten en bragten hun voor het brieve huijsje Den brief bezigtigd zijnde, nam de eerste in kommissie de gewoone komplimenten waar„ met bijvoeging, dat ze door zijne k m: gelast waaren my te leggen, dat zoo er geene verhinderingen aan 't Hoffmog„ ten voorkoomen, ik dan heeden avond tot de audientie zoude geleid worden en hier op vertrokken ze„ Des agtermiddags te 4 uuren zijn de volgende gekommitteerden aangekoomen, om mij tot de Audcentie te geleiden, teweeten De Dessave van Matele Ereuw Welle Ralehamij Padikare Moholiaar Wattarantenne ralehamij en Mohandiram Lihiniwatte talehamie Hebbende tot statie bij zich gehad 10 Sprinkhaanen 16 koppen met geweeren 12. - „. . . „. Pieken 2 groote vaandelsen 18 klijne do Na bezigtiging van den brief en aflooping van de gewoo„ ne komplimenten, die bij deeze geleegenheid worden in agt genoomen, verzogten de heeren gekommitteerden vrij„ heid om de geschenken te laaten wegdragen en om 5 uuren vertrok ik met hun uijt het rusthuis, en wierd dadelijk de rivier overgezet, van waar ik en den Schrieba ralehamis

NL-HaNA_1.04.02_10017_0420 view scan ↗

English

writer in our palanquins proceeding to Kandy. Arriving at the well-known mandapa in the Udunuwara area at about five o'clock, I arrived there and a moment later noticed the whip-bearers, indicating that the second court adigar was going to court. I had to wait there for a good hour until the commissioners who had escorted me from Ganehowa sent word to approach closer. I immediately met them and they brought me under a tree, where I was detained for a little while until the second court adigar arrived, accompanied by several dignitaries, with whom, after exchanging the customary compliments, I was conducted to the palace. There I found the first court adigar lined up with all the other courtiers, whom I greeted in the usual manner. Subsequently, the first court adigar, together with the disava of the Three Korales, went inside the palace to announce my arrival. Shortly thereafter they came outside again, and on the order of His Royal Majesty I was brought to the forecourt of the palace. I took the letter upon my head and walked under the canopy carried by the letter bearers up to the audience hall. This canopy was removed here, and the first court adigar instructed me and the writer that we had to kneel after the curtains were opened. We did this on one knee at the place where we stood, then inside the audience hall for the second time, and at the end of the carpet for the third time. The writer remained kneeling there, and I, standing up, approached the throne with the letter upon my head, having to kneel once more on a velvet cushion that lay before the King's feet. His Royal Majesty took the letter from the silver dish, and immediately the disava of the Three and Four Korales relieved me of it, whereupon I stood up, removed my hat, stepped back a little, and made my compliment. After this, I was taken by the arm on either side by the second court adigar and the disava of the Three and Four Korales and led backward to the end of the carpet, where I was told to kneel again. This kneeling lasted quite a long time, and upon His Royal Majesty's permission to sit at my ease, I had to request permission to do so once more, and having obtained it, I seated myself on the carpet, but with my legs turned backward; the writer sat with me and in the same manner. His Royal Majesty had the first court adigar ask me the customary annual questions, and I had our mudaliyar and first interpreter answer them according to custom. Furthermore, His Royal Majesty had me asked whether I had anything to propose. I requested permission to do so, and this being granted, I said that I had been charged by Your Right Honourable charged to assure His Royal Majesty in the most solemn manner of Your Right Honourable's sincere sentiments of friendship and alliance, and that Your Right Honourable, representing the Noble and Illustrious Company in Ceylon, is very inclined and ready to give His Royal Majesty continuously all possible tokens of its highest goodwill toward His Royal Majesty, and furthermore heartily wishes that the fortunate reign of His Royal Majesty may continue for a series of years to the happiness and prosperity of the renowned Kandyan empire and its faithful subjects. Furthermore, I made the usual proposal regarding the peeling of cinnamon in the designated places in the King's lands, pursuant to the third article of my instructions, but received the answer that a decision regarding this would be given to me later. Upon this, I requested permission to present the costly presents received by me from Your Right Honourable and brought along. His Majesty said that it was well, and I thus received permission to have the presents brought inside. I went backward with the writer out of the hall, kneeling each time at the very same places where we had done so upon entering, which each time lasted as long as it took for the court dignitaries to perform their acts of homage by falling to the ground nine times. In the forecourt, I remained standing with the court dignitaries, and we had the presents brought inside. Here, I handed over the keys to the spice chests to the second adigar. I took this opportunity to tell the second court adigar politely yet emphatically that the Honourable Company had suffered great losses anno passato because the cinnamon peelers had been hindered in their work for a considerable time; that after so many tokens of friendship which Your Right Honourable had shown to the Court from time to time since the beginning of his reign, and is still willing to show continuously, such hindrances ought not to have followed, but rather an accommodation regarding the peeling of cinnamon, even beyond the Balane Mountain; that he, the Lord Adigar, would find mention made of this my grievance in the letter I had just had the pleasure of presenting to His Royal Majesty. He interrupted me immediately upon this and said something regarding the presents that were being carried past, but I told our mudaliyar to repeatedly mention the aforementioned

Dutch transcription

schrieba in onse pallenkeinsna kandia voortrede aan de bekende mandoe in de oedenoer staat omtrondt ven kwam ik aldaar aan, en wierd een oogenblik daar n de Zweep slaagers gewaar, dat den tweeden Rijke, digaan Hoffging. Ik moest mij aldaar een groot uur gphouden dat de gekommitteerd en die mij van gane houw afgeh hadden lieten waarschouwen, nader te koomen Ik vond hun ook aanstons en te bragten mij tot omderd boom en aldaar wierd ik een wanig opgehouden til dee Tweede Rijks adigaar aan kwam, verzeld van nogenge grooten, met de welken ik na het maaken der gewoone komp menten, tot voor het paleis gebragt wierd alwaar in de Kin ste Rijks adigaar nevens alle de verdere Hovelingen inewel geschaard vond, die ik na de gewoone wijze groetede vervolge ging den eersten Rijks. adigaar nevens de dessave der drie maant les binnen het Paleis, om van mijne komste kenniste geon Kort daar na kwamen ze weeder buijten en ik wierdop m van zijne k: M: op het voorplan van het paleis getragten ik den brief op het Hoofd nam en tot voor de Nudientich onder het verhemelte, dat door de brieve dragers gedraag wierd, ging. Dit verhemelte wierd hier weggenoome en de Eerste Rijks-adigaar waarschouwdemijen den da dat wr na het openen der gordijnen moete kneelen. W deeden dit met een knie op de plaats daarwe stonden, vervolgens binnen de Nudientie zua oordetwede m en aan het end van het tapijt, voor de derde maat, d' schm: bablees daar knielende en ik opstaande naderde den toon met den brief op het hoof en moest op eene fluweele kussen, die voor de voeten des koningslag, wederom knielen zijne k: M: nam den brief uijt de zilvere schotelen aanstons ontlastede mij den dessave van de drieen vier korles van dezelve, waar op ik onder het opstaan mijn hoed afnam en een weinig te rug treedende, mijn kom„ pliment maakte, waar na ik door den tweed en rijks„ adigaar en den Dessave der drie en vier korles aan„ weers zeiden bij den armgenoomen en agterwaards ge„ leidwierd, tot aan het end van het alkatief en daar wierd mij gezegt van weeder te knielen Deese knieling duurde reedelijk langen op zijne k: M: verlof om op mijn gemak te mogen zitten, moest ik daar toe nog eens verlof verzoeken, en dat verkreegen heb„ bende plaatste ik mij op de alkatief, dog met de beenen agterwaards de schriebaging met mij en op dezelfde weize zitten. zijne k: M: liet mij door den Eersten Rijks adigaar, de Jaarlijk se gewoone vraagen doen en ik lietze door onzen Modliaar en eersten tolk na den reegel beandwoorden. Voorts liet zijne k: M: mij vraagen of ikiels voor te stellen had Ik verzogte g a of om dat te moogen, doen, en zulks toe gestaan Zijnde, Zeide ik door uwel Edele Groot Achtb: te Zijn belast belast geworden, zijne k: M: op deplegtigste wijfti Seekeren van uwel Edele groot Achtbaare en baare gevoelens van vrindschap en bondgenoods en dat uwel Edele Groot Achtbaere Eepresenten de Edele Doorluchtige Kompenie op ceilon Zeer genam en bereid vaardig is aan Zijne K: M: bij voorde alle moogelijke blijken van hoogst desselvs goed gezindheid omtrend zijne k: M: te geeven en voor h overige hartelijk wenscht, dat de gelukkige Regemn van zijne k: M: een reeks van Jaaren tot geluk en wel„ vaart van het beroemd kandiasch rijk en dees getrouwen derdaanen, kontinueeren mooge Voorts deed ik het gewoon voorstel tot het schillen van kam in de bepaalde plaatsen in 's konings land, in gevolge het 3 artikel van mijne Instruktie, dog bekwam danwig andwoord, dat het bescheid derweegen aan mij nadera toud gegeeven worden. Hier op Verzogt ik verlof de door mij van uw Ed got Achtb: ontvangene en aan gebragte kostelijke geleken ken te moogen intrageeren zijne M Zeide dat het wel was en ik bekwam dus verlof: de geschenken te laaste binnen brengen. Ik ging met de schrieba agterwaards buijten de Zaal, dog telkens knielende op die zelfde plaatzen, daar w binnen koomende Zulx gedaan hebben in het welk telkens zoo lange duurde, tot dat de Hofsgrooten hunne eerbewijzingen door negen maalen op de grond te vallen, verrigt had den: op het voorplein bleefik met de Hoofsgrooten staan en we Laagende geschenken binnen brengen Ik gaf hier de Hleutels van de specerij kisten aan den tweeden adigaar over. Ik nam hier de geleegenheid waar den Tweeden Rijks¬ adigaar beleefd, dog nadrukkelijk te zeggen, dat d'E: Comp: in anno passato groote schaade geleeden had, door dien de kanee„ schillerseen gerúimen tijd in hun werk zijn gehinderd geworden Dat op zoo veele blijken van vriendschap die uwel Edele Groot Achtbaere aan het Hoff Zeedert Hoogst desselvs Regeen ringe van teid tot teid beweezen had, en nog bij voorldun ring gaarne beweezen wil dier gelijke hindernissen niet had behooren te volgen, maar wel eene Schikkelijkheid omtrend het schillen van de kaneel, zelfs boven de Berg Balanc Dat hij Heer Adigaar bij den brief dien ik zoo even het genoegen had zijne k: M: aante bieden van dit mijn bezwaar zal mentie gemaakt vinden Wij viel hier op aanstonds inde reeden en zeide iets aan„ gaande de geschenken die voor bij gedraagen wierden doch ik zeide aan onzen Modliaar, om voormelte telkens mijne

NL-HaNA_1.04.02_10017_0422 view scan ↗

English

to repeat my statements in the most earnest manner. As soon as the Modliaar began, the Adigaar said that, regarding my request concerning the cinnamon peeling, I would receive an answer at the second audience, and that in the meantime he would also get to read the royal letter. I replied briefly to that, saying that it was well. Under the circumstances, I found it advisable to hold this conversation with the said Adigaar, because he is the principal one who will seek to put everything into operation to have the matter of the cinnamon answered by the Court as unfavorably as possible; to all appearances, it had also struck him. A moment after this he left me and stepped back a little to refresh himself, as he was visibly powerless on account of his illness and weakness. The Dessave of Oedepalate, Anganmoewe Calehamie, then addressed me, and that very briefly, as he only asked what post I held. I told him that I was a Negotie Bookkeeper at Colombo. Hereupon the Dessave of the Three and Four Korles came out of the palace and asked how I fared. I answered that compliment; otherwise no one spoke any further. As soon as the gifts had passed, the second Adigaar came and brought me, along with the Schrieba, into the palace for the second time, and we knelt again in the manner mentioned before, until we received permission to sit with our legs folded backward. His Royal Majesty then had it asked whether I had forgotten to present anything, to which having answered no, I received permission to return to my rest house. We left the palace, kneeling at the aforementioned places. Hereupon the gentlemen Adigaars and the other courtiers brought me and the Schrieba back to the forecourt, and they handed us over to the Grand Dispensier in order to be led by him to the banquet hall; and having consumed something there, we were brought down the stairs of that hall again by the aforementioned Grand Dispensier. Not far from me, I found the second Adigaar of the Realm and the other court grandees, who escorted me to the place where I had been received. I expressed here my thanks for all the honors and courtesies enjoyed and commended myself to the continued well-meaning friendship of the gentlemen; and having taken my leave, I departed back to Gannoruwe under the escort of the Madanayake Moholiaan Kahadewe Calehamie and the Mohandirams Doelwewe and Wattegiddere Calehamie, where I arrived at 2 o'clock in the morning. I must still note here in conclusion that the old First Adigaar, having led me into the palace and before the first curtain, had removed himself from there, because he was not capable, as I believe, of falling to the earth in such a difficult manner as is observed at the Court; but when the conversation was about to begin, the old man came quietly into the audience hall and to the last elevation, where I, beside the second Adigaar, the Dessaves, and both interpreters of the embassy, found ourselves, to conduct the speaking. This went very poorly, and had not the Dessave of the Three and Four Korles stood behind him, and next to the interpreters placed himself to help him each time with what he had to say, this Adigaar would not have been strong enough for his office, for the first interpreter Modliaar assured me after the audience that he had found the old man on that occasion to be of very bad memory. Saturday the 21st, I had the honor to inform your Right Honorable regarding the completed audience, and that according to the rumors I would be led on the 23rd to the second or final audience. In the evening at 5 o'clock, the Wadana Tuwakkukara Mohottiar Denegamoewe Calehamie and the Mohandiram of Doelwewe of the Court came to me and inquired in the name of His Royal Majesty after my well-being; at my request, these courtiers sat down for a short time. Sunday the 22nd in the evening at 6 o'clock, the courtiers on guard came to inquire after my and the Schrieba's well-being. Monday the 23rd in the forenoon, around 10 o'clock, two chiefs over the Lascarins came to inform me that this evening would be the second or farewell audience, and that the necessary appointed courtiers would arrive for my escort. At 4 o'clock in the afternoon, the courtiers on guard let me know that the Dessave of Oedepalate, Anganmoewe Calehamie, and two Mohandirams of the Court had arrived on the other side of the river, and that they were ready to go with me and the Schrieba to receive the arrived gentlemen. We set out on that message to meet them and then escorted them to the rest house, where the Dessave announced that his Honor and the other arrived gentlemen were ordered by His Royal Majesty to escort me this evening to the second or farewell audience. We departed immediately from the rest house, and around 5 o'clock I was escorted.

Dutch transcription

mijne gezegdens nog eens op het ervensligste te haalen zoo dra de Modliaarbegon, zeide de Adigaar, dat ik op mijn versoek wegens het ka schillen, bij de tweede aud ientie andwoord zoude langen en dat hij intusschen ook den koning ken brief zoude te leesen kreigen. Ik Zeid daar op kortelijk dat het wel was. Ik vond na de omstandigheeden raadzaam dit ge met gemelten adigaar te houden, om dat hij dee naamste is, die alles zal Zoeken in het werk te k len om 't stuk van de kaneel, zoo onvoordeelig moogelijk door het Hoff te doen beandwoorden aad het scheen, heeft het hem ook getroffen. Een oogenblik hier na verliet hij mij en gingeen be tje agterwaards om zich te verkwilken alzoo hij weegens zijne ziekte en zwakheid Zigtban magteloos was. De dessave van oedepalate Anganmoewr Calehanie pon vervolgens aan en dat zeer kort, alzoo hij maar vroeg wal voor een dienstwaarnam. Ik zeide hem, dat ik Me gootie Boekhouder op kolombo was Hier op kwam den dessave der drie en vier korles uijt het palei en vroeg hoe ik voer Ik beandwoorde dat komplinenten voor het overige sprak niemand meer. zoo drade geschenken voor bij waaren, kwam den tweed en Adigaar aan, en bragt mij nevens den Schrieba voor de tweedemaal binnen 't palers en wij knielden weder op de vooren gemelde wijze, tot dat wij verlof kreegen, om met de beenen agterwaards te moogen gaan zitten zijne k: M: liet toen vraagen, of ik ook ietsvergeeten had voorte dragen, het welk ik met neen beandwoord hebbende, verlof bekwam om na mijn rusthuis te moogen terugkeeren. we gingen knielende op de voorengenoemde plaatsen, het paleis uijt Hier op wierd ik en den schrieba door de heeren Adivjaars ende verdere hovelingen weeder op het voorplein gebragt en ze gaaven ons over aan den groot Dispensier ten eijnde door hem Banketzaal geleid te worden, en aldaar wat genut„ tigd hebbende, wierden we weeder door voornoemde groot Dispensier de trappen van die Zaal afgebragt. Ik vond niet verre van mij den tweeden Rijks adigaa en de verdere Hofsgrooten die mij het uijtgeleide gaven tot op de plaats daar ik ontvangen ben geworden Ik betuijgde hier mijnen dank voor alle genoote eereen be„ leefdheeden en rekommandeerde mij in der heeren kontinueerende welmeenende Vriendschap, en na af„ scheid genoomen te hebben vertrek ik na Jannarouwe terug, onder geleide van de Manajakare Moholi„ aan kahadewe Calehamie en de Mohandirams Doel„ Wewe en Wattegiddere, Zalchamie alwaar ik des morgen adigaar om om 2 uuren aankwam. Ik moet nog tot besluijt hier ter nederstellen dat den ouden Eersten Adigaar, mij binnen het paleisen voor„ eerste gordijn geleid hebbende, zich van daar wegge maakt had, om dat hij niet in staat was zoo ik m en op zoo eene moeijelijke weise, als dataan het geobserveerd word op de aarde te vallen, doch toen het gesprek zoude beginnen, kwamden ouden han Sagjes binnen de audientie Zaal en op de laatte all tief, daar ik nevens de tweede adigaan de dessavel me beide tolken van de ambusade ons bevonden, om het woord te voeren. Dit ging zeer gebrekkig en Landen Dessave der drie en vier korles niet agter hem, en naet de tolken zich geplaats had om hem telkens tehelpen in het geen hij zeggen moest zouden deezen adiegant dit zijn beroep niet sterk genoeg geweest zijn want de eerste tolk modliaar heeft mij nade audientiem zeekerd, dat hij den ouden man bij die geleegenheir gants slegd van memorie gevonden had„ Saterdag den 21 had ik de eer uwel Edele Groot Achtb: kennsteg„ ven van de afgeloopene Audientie en datik ong de gerugten op den 23 tot de tweede oflaatse audientie zoud geleid worden. Des avonds om 5 uuren kwaamen de wadden Taalsh Mohotiaar Denegamoewe Calehamie ende Mohandi van Doelwerve van het Hoff bij mij en vernaamen uijt naam van zijne K: M: na mijne welstand op mijn verzoek zijn deeze Hoovelingen een korten teid gaan zitten. Sondag Den 22 des avonds om 6 uuren kwaamen de wagthebbende Hoovelingen na mijn en schriebas welstand verneemen. Maandag den 23 des voormiddags omtrend 10 uuren, kwaamen, twee Hoofden over de Laskorijns mij bekend maaken dat heeden avond de tweede of afscheids audientie zoude zijn en dat tot mijne geleiding de noodige gekommitteer„ de Hoovelingen zoude aankoomen. om 4 uuren des agtermiddags lieten de wagd hebbende Hoovelin„ gen mij weeten, dat de Dessave van Oedepalate Angan„ moene talehamie en twee Mohanderams van het Hoff aan de overzeide van de rivier aangekoomen waaren en dat ze gereed zijn met mij en de schriba de aangekoomene Heeren te gaan recepieeren. We begaaven ons op die boodschap om hun te ontmoeten en ge„ leiden hun vervolgens na het rusthuis, alwaar de Dessave„ bekend maakte, dat zijn E: en de verdire afgekoomene Weeven door zijne k: M: gelast zijn, mij heeden avond tot de tweede of afscheids audientie te geleiden. we vertrok„ ken daadelijk van het rusthuis en omtrend 5 uuren wierd ik Maholiaan

NL-HaNA_1.04.02_10017_0424 view scan ↗

English

I was ferried across the river, from where I and the [illegible] as when going to the first audience, proceeded in our palanquins to the well-known mandapa in Yatinuwara. I arrived there at about 7 o'clock, and again around 8 o'clock I was made aware by the cracking of whips that the Second Adigar was going to the Court, and it appeared to me that the First Adigar had also arrived at the palace after I was already in the mandapa. I had to remain there until 9 o'clock, until I was summoned to the audience, and I entered the palace with the same ceremonies as at the first audience. When I was kneeling at the end of the carpet, I received permission to sit cross-legged. His Royal Majesty then inquired after my health and whether I had received proper respect as well as the customary maintenance since my last appearance before the Throne. I answered these customary questions appropriately. I then had our Mudaliyar and Interpreter ask the First Adigar for an answer to the request made at the first audience to peel cinnamon in His Majesty's lands. The Lord Adigar answered that this would be given to me after the audience. His Royal Majesty then let it be known that His Royal Majesty, in the letter received from Your Right Honourable, had found certain expressions over which His Majesty had been pleased, and that upon arriving in Colombo I should make this known to Your Right Honourable. I gave the usual answer to this, namely that I would carry this out with great attentiveness. After that, His Royal Majesty asked whether I was inclined to return to Colombo again. I answered thereto that I was ready and prepared to return with His Majesty's permission. Then, upon His Majesty's order, I was presented with the customary gifts in the scribary. On this occasion, both of our Interpreters also received their customary gifts from the King. Having expressed thanks for this and for all further honors and care enjoyed during this embassy of mine in His Royal Majesty's lands, and for the favorably received permission for the return journey, we stepped backward, kneeling at the customary places, out of the audience hall. Subsequently, the detachment of the embassy, consisting of 1 corporal and 6 privates, was called before the audience hall and before the first curtain, where they, kneeling and upon their heads, received the customary gifts of linen. After this, the letter-carriers were called, who, just like the detachment, received their gifts of linen. This took place in our presence and that of all the assembled courtiers. Both Adigars and the Dissave of the Three Korales then went into the Audience Hall, and coming outside, the First Adigar informed me that His Royal Majesty had granted permission to peel cinnamon as far as the Balane mountain, but that the cinnamon peelers must be strictly forbidden from going further than the appointed places, as for some years now they have been venturing up to the top of that mountain. The Second Adigar immediately added that if the cinnamon peelers should happen to violate this order, a change might then occur regarding the permission granted by His Royal Majesty. I answered the First Adigar that the cinnamon peelers are forbidden to go beyond the determined places and that this order was renewed in anno passato. With this, this matter was concluded. The First Adigar further said that our schoolmasters harass the inhabitants so much by arresting and accusing them whenever they go to their temples, stating that he, the Adigar, knows very well that the schoolmasters cause these troubles of their own accord, without having been explicitly commanded so strictly to do so. He requested that the schoolmasters might be restrained in this regard. I answered that upon arriving in Colombo I would inform Your Right Honourable thereof. The Adigar said that that was very good. Hereupon I left the place beside the audience hall where these conversations occurred and was brought to the inner courtyard and from there by the Grand Dispenser into the banquet hall, and I remained there until the remaining retinue of the embassy again received the gifts of linen according to custom. The Grand Dispenser subsequently led me down to the front or inner courtyard of the palace, from where I was escorted outside the palace by the Lords Adigars and other Court dignitaries, and subsequently as far as the well-known devil's tree. Here I requested that my humble thanks be conveyed once again to His Royal Majesty for all the kindnesses His Royal Majesty was pleased to show me, and at the same time I took my leave of all the courtiers and departed back to Gannoruwa under the escort of the Wadana Tuccu-coucani Mudaliyar.

Dutch transcription

ik de rivier overgezet, van waar ik en de schrieken oom het gaan tot de eerste audientie, in onse pallen kansom gingen tot aan de bekende mandoe inde oedenor tr omtrend 7 uuren arriveerde ik aldaar en wierd weeder omstreeks 8 uuren door de Zweep slaagen gewaard den Tweeden Rijks adigaar na 't Hoff gingen maa de mij, dat de eerste Rijks-adigaar ook in't pale gekoomen was, na dat ik in de mandoemij reedsb vond. Tot 9 uuren moest ik mij aldaar ophouden, t dat ik ter audientie geroepen wierden ik kwam in paleis met de zelfde Cerimonien als bij de Eerste audientie Toen ik aan het end van 't lapeid knielen de Was, bekwam ik verlof met de beenen a Cormen te moogen zitten, zijne k: M: vroeg toen na mijn welstand en of ikb behoorlijk respekt, zoo wel als het gewoon onder houd bekoomen had, zedert mijne laatste verschijnd voor den Throon Ik beandwoorde deese gewoone vraagen na vereisch lied vervolgens door onsen Modliaar en Tolkaan den Eersten Rijks adigaar vraagen om antwoord gem bij de eerste audientie gedaan verzoek, om in zijne N landen kaneel te schillen De Heer Adigaarande de dat mij dat nu de audientie zoude gegeeven worden Zijnc k, Me lied Zich vervolgens hooren dat zijne k M. bij den ontvangen brief van uwel Edele Groot Achtb: eenige uitdrukkingen gevonden had, waar over zijne M: verblijd geworden is, en dat ik dat op kolombo komen„ de uwel Edele Groot Achtb: moest bekend maaken. Ik gaf daar op het gewoon andwoord, namentlijk dat ik dat met veel aandagt zoude volbrengen: Daar na vroeg zijne k: M: of ik geneegen was weeder na ko„ lombo te rug te keeren. 'Tkand woorde daar toe beveid„ vaardig te zijn, om met zijne M: verlof te retour„ neeren Toen wierd ik in den schrieba op zijne M: bevel met de ordinaire geschenken beschonken. onse beide Tolken bekwaamen bij deese geleegenheid hunne gewoone geschenken van den koning meede Hier voor en voor alle verdere genootene eere en verzorging gedeu„ vende deese mijne Ambassade, in Zijne k: M: landen en voor het gunstig bekoomen verlof tot de terug reijse bedankt hebbende, gingen wij ru gwaards en op de gewoone plaat sen knielende, uijt de agdientie zaal. Vervolgens wierd de kommando van de ambasade bestaande in t korporaal en 6 gemeenen voor de audientie Zaal en voor de eerste gardijn geroepen, alwaar ze ge„ knield en op hunne hoofdende gewoone geschen¬ zijne ken ken van Lijwaaten ontvingen, Hier na wierdende brieve dragers geroepen, de welken even als helken mando hunne geschenken van Lijwaaten bekonnen Dit geschiede in onse en des gezamentlijk wooelinge tegenwoordigheid. De beide Rijks adigaar en de dessave der drien vin h les gingen voorts in de Audientie Zaal en bugten koomende, maakt de eerste adigaar mij bekend dat zijne k M verlof gegeeven had, om tot aan den boor Ballane te moogen kaneelschillen, dog dat de kam schillers strikt Verbooden moesten worden, om niet verder dan tot de bepaalde plaatsen te koomen terwijl zij nu zeedert eenige Jaaren zich tot bov ven die berg begeeven. De tweede Adigaar volgden stonds daar bij dat zoo de kaneel schillers dees oppref bin mogten koomen te overtreeden, dat dan omtrent hetgegeven o door zijne k: Meene verandering zal kunnen koomen Ikantwoorde den eersten adigaar, dat de kaneel schilled verbod hebben om niet verder dan tot de behaalde plaat ten da optehouden en dat die ordre in annopassato vernieuw worden is Wier meede was dit stuk afgeloopen. De eerste Adigaar Zeide voorts, dat onse schoolmeesters de ingezeetenen zoo lastig vallen, met haar te arresteeren en aan te klaagen, wanneer ze zich in hunne tempels be„ geeven, met bewoeging, dat hij adigaar zeer wel weet dat de schoolmeesters deze moeijenissen uijt hun eijgen toebrengen, zonder daar toe Juijst zoo sterk te zijn aanbevoolen. Wij versogd dat de schoolmeesters daar omtrend mogten worden bepaald 'skandwoorde dat ik op kolom bo koomende uwel Edele Groot Achtb derweegens zoude kennis „geeven. De Adigaar zeide dat dat zeer goed was. Hier op verlied ik de plaats bezeiden de audientei Zaal, daar deese gesprekken voorvielen en wierd op het binnen pleinen van daar door den groot dispensier en de ban ketzaal gebragd en ik bleef aldaar zoo lange vertoeven„ tot dat het overig gevolg van de Ambasade de geschr ken van lijwaaten volgens gewoonte ditmaal wee„ der ontvingen De groot dispendier leide mij vervolgens om laag, op de voor of binnen plein van 't paleis, van waar ik door de hee„ ven Adigaars en verdere Hofsgrooten buijten het paleis„ en vervolgens tot bij de bekende duivels boom uit¬ geleid wierd. Wier verzogd ik mijnen nedrigen dank nogmaals aan zij„ ne K: M: te willen verzeekeren voor alle de goed„ heeden die zijne K: M: mij heeft gelieven aante„ doen en naam tevens mijn afscheid van de geza„ mendlijke Hovelingen en Vertrokna Jan navoe¬ we te rug, onder geleiding van de waddene Tockkkoekan Moholiaar

NL-HaNA_1.04.02_10017_0426 view scan ↗

English

Mohottiar named Denegammoewe Ealechum and two Mohandirams, where I arrived at night around [illegible] hours. Regarding the matter of the Beaches, not a single word was asked anywhere, so the content of Article of my Instruction has remained unexecuted. Tuesday the 24th in the forenoon, I had the honor to inform Your Honorable Grand and Respectable Worships of the concluded farewell audience, and that this return journey would begin this afternoon, and that I, leaving from there on Saturday the 28th in the morning, would arrive in the afternoon at Awrisawelle. Around 12 o'clock, the courtiers on guard announced that the second Royal Adigaar had arrived at the river in order to arrange matters for my departure. At 3 o'clock, His Honor arrived on this side of the river. The courtiers on guard informed me of this, and I went with them to meet the Adigaar, and after the offering of rosewater, I conducted His Honor to the rest house. There, he made known that he had been ordered by His Royal Majesty to escort me out. Shortly thereafter, we left the rest house, and the Adigaar, alongside the courtiers on guard, gave me the escort to the place where I had been received upon my arrival, and I departed from there in company of the Attoeputtoe Mohottiar Pattepolle Talehamie and two Mohandirams, and arrived around 7 o'clock at Walwagodde. A moment before my departure from Ganneroewe, the Disava of Matale, in the name of His Royal Majesty, sent a European soldier to me, with the announcement that he, having deserted from Trincomalee, had been intercepted and brought in by the Kandyans. I had this detainee taken over by the command of the embassy, and sent word to the Disava that I would take him along with me and, upon arriving in Colombo, inform Your Honorable Grand and Most Respectable Worships of the matter. This detainee states that he is named Pieter Hemelsalig of Droeveen, Roman Catholic of religion, having a wife and children in Trincomalee. That in Trincomalee he was a soldier in the company of the Lord Colonel of Drieberg, and since the 12th of October of the past year had attended to the mess pantry there. That on the 1st of January of this year, he was falsely accused by his servant of having stolen 69 lb: from the chest of this servant, and that he, out of grief because he had been unjustly denounced as a thief, and also to prevent misfortunes, being on that occasion somewhat drunk, had departed from Trincomalee with the intention of coming to Colombo. That, not knowing the way, he arrived that same evening at a lascarin post in the Kandyan territory, and that the lascarins brought him to the Disava of Matale after they had detained him for 15 days. That through persistent requests to this Disava he was sent to me, and that it was never his intention to go into the Kandyan country; he therefore seeks a merciful punishment for his offense. Wednesday the 25th around noon I set out on the journey and arrived around [illegible] hours at Attapittij. Thursday the 26th I departed at noon and arrived in the evening at Belmapane. Friday the 27th I arrived in the evening at Roeanelle. Saturday the 28th I arrived in the afternoon around 11 o'clock at Sitawaka, and tarried there a good hour until the delegated courtiers had changed their clothes, and then we crossed the river together. We were received there by the Chief Captain and Disava of the Colombo Countryside, the Lord Dietrich Thomas Fretz, and the Junior Merchant Anthonij Pieter Hageman. These gentlemen brought us to the rest house in Awisawoelle, where the Attoeputtoe Mohottiar offered the compliments customary on this occasion, which were answered as usual by our Disava. We took our places together for a short half hour, and subsequently the aforementioned delegates were given an escort to the river by us, the Lord Disava Fretz at the head, and we remained standing there until they had crossed over. In the afternoon past 2 o'clock we set out on the journey and arrived in the evening at 8 o'clock at Hangewelle. Sunday the 29th in the morning we left that rest house and arrived in the forenoon at Ampatle and in the afternoon at Colombo. With the heartfelt wish that this mission of mine may have been accomplished to the satisfaction of Your Honorable Grand and Most Respectable Worships, I have the high honor to subscribe myself with all respect, Right Honorable, Valiant, Grand, and Most Respectable, High and Mighty Lord, Your Honorable Grand and Most Respectable Worships' Most Obedient Servant, was signed: A. Samlant in the margin: Colombo, the 30th of March 1789. Sijbrands Akkerbeekt Clerk Examined P. v. Geyzel No. 38. By supreme order of the Right Honorable, Grand, and Most Respectable Lord Governor, I have the honor to inform Your Honor that at Mannar on the 8th of this month, there arrived from the Coromandel Coast certain persons for the Great Court of His Royal Majesty of Kandy, accompanied by some Nayakkars, who have also brought along a camel and a stallion. Wherewith, after friendly greetings, I remain with all respect, underneath: signed: D. T. Fretsz Your Honor's Humble Servant in the margin: Hulfstdorp, the 17th of January 1789. Corns. Johannisz, Sworn Clerk To the Lord Disava of the Three and Four Korales. Agrees Examined Clerk Pursuant to the supreme order of the Right Honorable, Grand, and Most Respectable Lord Governor, I inform Your Honor that the Lord Ambassador of the Illustrious Company is to depart from here on the 4th of March for the Great Court of His Illustrious Royal Majesty of Kandy. I further have the honor to be with all respect, underneath: Your Honor's signed: D. T. Feretsz Humble Servant in the margin: Hulfstdorp, the 24th of February 1789. Agrees To the Lord Disava of the Three and Four Korales. Corns. Johannisz, Sworn Clerk

Dutch transcription

Moholiaar genaamd Denegammoewe Ealechum twee mohandivams, alwaar ik des nagdsom u aan kwam Aangaande het stuk van de Stranden heeft men nig gens een woord gevraagd, dus is den inhoud wan Art: Van mijne Instruktie, ongevoerd gebleuven Dingsdag den 24 des voormiddags had ik doeer uwel Edele Grote Wa van de afgeloopene afscheids audientie kenniste ge en dat dete rug reise heden agtermiddag zoude wn en ik dus Saturdag den 28 des morgens van han le Vertrekkende, des middags op awrisawelle oude m koomen. om 12 uuren lieten de wagdhebbend Hovelingen wito dat den tweeden Rijks adigaar bij de rivier aamp men was ten eynde ordre te stellen tot mijn vertak om 3 uuren kwam zijn E: aan deese kand van de lan De wagdhebbende hoovelingen lieten mij daar van kennis geeven en ik ging met hun den Aigan te gemoet en na toediening van roosewaater gelu ik zijn E: na het rusthuis. Aldaar maakte, hij kend, van door zijne k: M: te zijn gelast, mij het uij geleide te geeven Kort daar na gingen we uijt het rusthuis on den Waar digaar nevens de wagd hebbende hoovelingen graen mij het uijtgelijde tot de plaats, waar ik bij mijn e komste gerecipieerd geword en ben en ik vertrek Deesen arrestand Leyd genaamd te zijn Pieter Hemel, salig van Droeveen Rooms van religie hebbende op Trinkonomaale vrouwen kinderen. Dat hij op Trinkonomaale soldaat onder de kompenie van de heer overste van Drieberg geweest is en zeedert den 12 oktober Anno Passato de Schafbas„ serij aldaar waargenoomen had. Dat hij den 1:' Januarij deses Jaars door zijn knegd leugenag„ tig was beschuldigd, dat hij uijt de kist van deezen knegd lb: 69 zoude getoolen hebben en dat hij uijt droefheijt, om dat hij onschuldig tot een dief uijtgemaakt was en ook tot voorkooming van ongelukken, als zijn„ de bij die geleegenheid wat bedronken geweest, van daar in geselschap van de Attoeputtoe Mahotiaar Pattepolle Talehamie en twee Mohandirams en kwam omstreeks 7 uuren te walwagodde Een oogenblik voor mijn vertrek van Janneroewe zond de dessave van matele, uijt naam van Zijne K Me bij mij, een Europeesche zoldaat met aanzegging dat hij van Trinkonomaale gedisserteerd zijnde door de kandianen was opgeval en aangebragt Ikliedde zen avrestand door de kommando van de Ambas„ sade overnemen en den Dessave laaten zeggen dat ik hem zoude meede neemen en op kolombo koomende uwel Edele Groot Achtb: van de zaak kennis geeven. Trin konomaale daar Trinkonomaale was weggegaan, met voornaemm kolombo te koomen Dat hij de weg niet weetende, dien zelfden avond tend ven aan een laskoryjns post in het kandiaschep was en dat de Paskorijns hem bij de desave van tele gebragd hadden, na dat ze hem 15 daagen ad aangehouden Dat hij door aanhoudend verzoeken bij desen Lessen bij mij gezonden was en dat zijne intentie noijt weest is, zig na het kandiasche te begeeven soekt dierhalven eene genaedige straffe, voor zin nelh Woensdag den 25 Ging ik tegende middag op reis en arriveerd oms wieren te Attapittij Donderdag den 26 vertrok ik des middags en arriveerde desaven te Belmapane. Vrijdag den 27 arriveerd ik des avonds op Roeanelle Zaturdag den 28 kwam ik des middags omstreeks 11 uuren p tavaka en vertoefde aldaar een groot uwt tot da gekommitteerde Hovelingen zich verkleed h en voer vervolgens gezamentlijk de rivier over we wierden aldaar ontvangen door den operh man en Dessave der kolombose ommelande de Heer Dietrich Thomas, Fretz on den m Koopman Anthonij Pieter Hageman Deek Mun Brugten ons in 't rusthuis te Awisawoelle, alwaar de Attograttoe Moholiaar de Komplimenten b dese geleegenheid gebruijkelijk waarnam die door on„ sen Dessave na gewoonte beandwoord wierd. Wij naamen gezamentlijk een klijn half uurtjeplaats in vervolgens wierden voornoemde gekommitteerden door ons, de Heer Dessave Feretz aan het hoofd, het uijt„ geleide tot aan de rivier gegeeven en we bleeven al¬ daar staan, tot dat ze overgevaaren waaren. Des middas over 2 uuren gingen we op reis en kwamen des avonds te 8 uuren op Hangewelle sondag den 29 des morgens verlieten wij dat rusthuis en kwamen des voormiddags op Ampatle en des agtermiddags op kolombo. Met hartelijken wensch, dat deese mijne kommissie na genoegen van uwel Edele Groot Achtb: mag vol„ bragd zijn, heb ik de hooge eere, mij met alle Eerbied te onderschreeven /:onderstond:/ wel Edele Gestrenge Groot Achtb: Hoog Gebied ende Heer uwer wel Edelens Groot Achtbaere Zeer Gehoor¬ zaamen Dienaar /:was getekend:/ A: Samlant /:in margine:/ kolombo Den 30 Maart 1789 Sijbrands Akkerbeekt dese Sliklerk Nagezien P„ Vo Gdijzel N„o 38. On hoogbeval van den Wel Ed: Groot: Achtb: Heer. Gouverneur heb ik de Eere UwelEd: bekend te maken dat te Mannaar op den 8 deezer maand van de Kust Kormandel aengekoomen zijn, Thinessen voort t Groote tlot van Z: K: M: van Kandia, verseld. van eenige naikers, die ook teffens een Kameel en een hengstpaard hebben meede gebragt. Waar meede na vriendelijke groetenis met alle achting blijven /:Onderstond: getekkend D: J: Fretsz: UwEd: DW: Dienaar /:n margiene /: Hulfts„ „dorp den 17 Jannuarij 1789. Corns. Johann=sz de gezieklerk Aan Den Heer Dessaven der Drie en vier Korls. Accordeert Nagezien tlerk In gevolgen hoogbevel van den Wel Ed: Groot Actb Heer Gouverneur macke UwEd: bekend, dat den Heer Ambassadeur van de Doorluchtige komp„ op den 4 Maart van hier na 't Groote Hof van zijn VeamBijkde R: M: van Randia, staet te vertrekken. Ik heb voorts de Eere met alle achting te zijn /:onderstond:/ UwelEdele. „getekent D: J: Feretsz: D W:r Dienaat /: in margiene:/ Hulftsdorp den 24=e Februarij 1789. . Accordeert Aan den Heer Dessave der drie en vier Korls. Corns:s Johanns: Ie gezeeklert

NL-HaNA_1.04.02_10017_0435 view scan ↗

English

Examined Secretariat Kandy It is by high order of the Right Honourable Lord Governor that I hereby have the honour to maintain correspondence with Your Honour concerning the following matters of importance, consisting herein: That for a long series of years, annually 40 peeling tents have been on the other side of the river Maha Oya, in the villages to be named below, from where the cinnamon peelers peeled cinnamon up to the mountain Balane, without having been hindered therein; only since some time have they been driven back to this side of the river Maha Oya, under notification that they are not permitted to have any peeling tents or residences on the other side of Maha Oya. The Right Honourable Lord Governor cannot think otherwise than that this is the doing of some petty lesser headmen in those regions. The peeling tents were placed as follows: The Kosroepa peeling tents: To the Lord Dissava of the Three and Four Korales Which carry over: 2: at Mahakeheelwelle, peeling tents: 5 at Mipittije: 1 at Anwarantenne: 1 at Tambeoette: 1 Algamme: 1 Keriminmegammene: 1 Still here and there, of which the names cannot now be given: [illegible] Total peeling tents: 40. Ganneterime: 2 Maka de wore: 1 Perimadolle: 1 Williwattoere: 3 Kettelgodde: 3 Bakkoelwelle: 1 Keheelpannele: 5 Dejanwolle: 3 [illegible] 6. to: [illegible] Pattadenije: 1 Sellewe: 1 Besides these, the cinnamon peelers who peeled in the Sele Dolospattoe in the following peeling tents were driven downwards 10 to 12 days ago by the arachchi and lascarins of the gravet Matale Padewalte Kadewet, namely from Madoere, Miepettije, Ballewatwolle, Kenhoremboewe, Bamberegakande, Dinoeaane and Bokkawolle. Agreed. Your Honour will easily understand yourself that such doings tend to the considerable detriment of the king's cinnamon service; also the Right Honourable Lord Governor, on account of the good understanding between His Royal Majesty and the Illustrious Company which has risen to a high summit, holds himself fully assured that Your Honour will have the goodness to provide for this soon, so that the cinnamon peelers may unhindered pitch their peeling tents at the aforementioned places in the Four Korales and in the Cheledolle Ospattoe and peel cinnamon there undisturbed. It will therefore be very good if Your Honour, at an auspicious hour, would please make the aforesaid matters known to His Royal Majesty and bring about that it may please His Royal Majesty, for the aforementioned purpose, to issue such orders as are consistent with His Royal Majesty's renowned justice. I have further the honour to be with all respect, Was signed: Your Honour's humble servant, D. I. Fretz. In the margin: Hulftsdorp, 14 July 1789. By transport 2. Cornelis Johannes Idé, sworn clerk. Examined Secretariat Kandy A few days ago, in the Hapitigam Korale, in the village Kattedeniawe, situated next to the 7 Korales on the river Maha Oya, and indeed near the lascarins' guard post, was found a tied-up ola, with a small ola slip tied to it, on which was written that this ola had to be delivered unopened to the Right Honourable Lord Governor; just as I, having received it as such, immediately handed it over to the aforementioned Lord Governor; subsequently the Right Honourable Lord Governor, having understood the contents of that ola, handed it over to us with instructions to send it to Your Honour, as it might occasionally be of use that His Royal Majesty of Kandy were informed of the contents of that ola. I therefore have the honour to present the said ola to Your Honour herewith, notifying that the Right Honourable Lord Governor has further instructed me to request Your Honour to please give notice thereof at an auspicious hour to His Royal Majesty, as His Honour has also given orders to investigate here whether anything further can be discovered To the Lord Dissava of the Three and Four Korales concerning the writer of the ola, as well as regarding the contents thereof, and that if anything further is learned about it, notice thereof will immediately be given to Your Honour. Having herewith complied with the received order from the Right Honourable Lord Governor, I furthermore have the honour, after multiple friendly greetings, to be with all respect, Was signed: D. F. Fretz. In the margin: Hulftsdorp, 2 August 1789. Agreed. Cornelis Johannes Idé, sworn clerk. Examined Secretariat Kandy To the Dissava of the Three and Four Korales In Your Honour's letter in reply to mine of 14 July, I find it cited that the cinnamon peelers were not forbidden to peel cinnamon at the usual places and pitch their tents there, but that they had gone outside the usual places to peel in the five lands named Rattepaha, and that for that reason it was said to them not to do so, with the addition that, to demonstrate this, two messengers could be sent along with some cinnamon peelers. The headmen of the cinnamon peelers have testified that they have not been in those places at all, nor peeled cinnamon, but as has been customary from ancient times, they wanted to set up their tents on the other side of the branch of the Maha Oya below the mountain in order to peel cinnamon, but that they were driven from there [illegible] they have also reported that [illegible] on this side of the aforementioned permitted place on the front side of Maha Oya is large, seven miles in length and in breadth in some places a while and in other places somewhat less. The Right Honourable Lord Governor is upon Your Honour's

Dutch transcription

Nagezien serk Kandia Hlet is op hoogbevel van den wel Edele Groot Achtb: Heer Gouverneur dat ik bij deezen de eere hebbe uwel Edele over de ondervolgende zaken van aan„ „geleegendheid te onderhouden hier in bestaande Dat zedert een groote reeks, van jaaren, jaarlijks 40: schilttenten aan de overkant van de revier Ma„ „haije zijn geweest, in de hier onder te noemene dorpen, van waar de kanneel schillers tot aan de berg Ballane kanneel geschilt hebben, zonder dat zij daar in verhindert zijn geworden; dan alleen zedert eenigen tijd zijn dezelve aan deeze zeide van de rivier Mahaeije te rug gejaagt, on„ „der aankundiging om geene schiltlenten of verbleef plaatzen aan de overkant van Ma„ haeije te mogen hebben. De wel Edele Groot Achtb: Heer gouverneur kan niet anders den„ „ken dan dat dit is het bedrijf van eenige kleine mindere hoofden in die kontrijen. De schiltententen zijn geplaatst geweest als volgt. De kosroepe schiltenten- Aan den Heer Dessave der Drie en vier Korles Die Transporteere. .2: te Mahakeheelwelle schillenten 5. „ Mipittije. . . . . . „ „ Anwarantenne. . . . . „ „ Tambeoette. Algamme - . . . . „ 1. Keriminmegammene - - - - „ 1. Nog hier en daar waar van de namen nu niet kunnen op geeven wor„ min Geld schiltenten 40. –. ganneterime - - - - „ 2. „ Maka de wore - - - - . . „ 1. „ Perimadolle. . . . . . „ 1. williwat toere - - - - - - „ 3. Kettel godde - - - - - - „ 3. Bak koelwelle - - - - . „ 1. „ Keheelpannele - - - - „ 5. „ Dejanwolle. . . . . „ 3. „den 6. à- - Patta denije - - - - - „ 1. „ Sellewe - - - - - - - „ 1. Boven dien zijn de kanneel schillers, die in den s „le dollospattoe, in de ondervolgende schiltenten dan geschilt hebben voor 10: â 12. dagen door den „raatje en lascorijns van de gravet Maatelep „dewalte Kadewet na beneden verjaagt, namen van Madoere, Miepettije, ballewatwolle, ken horemboewe, bambere gakande, dinoe aane in Bokkawolle. Accordeerd Uwel Edele zal zelfs ligtelijk kunnen begrijpen, dat zulke gedoentens strekken tot merkelijk nadeel van 's konings kanneel dienst ook houd de wel Ed: groot achtb: Heer gouverneur uijt hoofde van de goede verstandhouding tusschen Z: K: M: en de doorluchtige komp:s die tot een hogen top gireezen is, zig volkoomen ver„ „zekert dat uwel Ed: de goedheid zal hebben om spoedig daar in te voorzien, op dat de kanneel schillers onverhinderd gunne schilten ten kunnen opslaan op de hier vooren gemelde plaatzen in de vier koals en in de Cheledolle ospattoe en daar gerust kanneel kunnen schillen Het zal dierhalven zeer goed zijn; wanneer uwel Ed: de voorsz: zaken bij een goed uur aan Z: k: M: geliefd bekend te maken en te be„ „werken dat het Z: K: M: ten einde voorsz: mo„ „ge behagen, om zodanige orders te stellen als met Z: K: M: Roemruchtige rechtvaardig„ heid overeenkomen. Jk heb voorts de eere met alle respect te zijn /:onderstond:/ uw Edele DW: Dienaar /:was getekend:/ D: I: Fretz /:in margine:/ Hulftsdorp den 14. Julij 1789 P:r Transport 2. Corn:s: Johanns: Idé uwelEd: gezeekeert „ - - - - - „ 1. 1. 1. Nagezien =sterk: Kandia Voor weinige dagen is in de Hapitigamkorl, in het dorp katte deniawe, geleegen naast der 7. korls aan de rivier Mahaoije, en wel bij de lascorijns wagt post, gevonden een toegebondene ola, met een kleine suippertje ola daar aan gebonden, waar op geschree„ „ven stond, Dat die ola aan den wel Ed: groot Achtb: Heer gouverneur ongeopent moeste bezorgt worden gelijk ik dan ook denzelven zodanig ontvangen hebbende, ten eersten aan wel gemelden Heer gouver„ „neur hebbe overhandigt, vervolgens heeft den wel Ed: groot Achtb: Heer gouverneur na den inhoud dier ola verstaan te hebben, wij denzelven overgegeven met last, om hem aan uw Ed: te zenden, wijl het somwijlen zijne, nuttigheid hebben konde dat zijne K: M: van kandia van den inhoud dier ola gein„ „formeerd wierde Jk heb dus de eere uwel Ed: gemelde ola hiernevens aante presenteeren, onder te kennen geeving. Dat den wel Ed: groot Achtbaren Heer gouverneur mij nog verder gelast heeft om uwel Edele te verzoeken, om daar van bij een goed uur aan Z: K: M: te willen kennis geven, gelijk ook dat hoogst zijn wel Ed: ordres gesteld zijn heeft om alhier te onderzoeken of men iets nader kan ontdek Aan den Heer Dessave der drie en Vier korls ken „ken nopens, den schrijver der ola, zoo wel als wa den inhoud daar van en dat zoo daa iets v der vernomen word, daar van on wet zon a kennis aan uwel Ed: zal worden gegeeven. Hier meede voldaan hebbende aan de ontvangene ordre van den wel Ed: groot Achtb: Heer goun „neur, zoo heb ik voorts, de eere na vael malig vriendelijk groeten, met alle achting te zijn /:was geteekend:/ D: F: Fretz /:in margine Hulftsdorp den 2. ' aug:s 1789. Accordeert. Corn:s: Johanns: Zae gezaklerk Nagezien Sterk: Kandia Aan de Dessave van de drie en vier korls Bij uwel Edele brief in andwoord van de mijne van den 14. julij vind ik aangehaald, dat aan de Can„ „neel schillers niet verbooden is om op de gewoone plaatzen kanneel te schillen en daar hunne tent op te slaan, maar dat ze buijten de gewoone plaatzen in de vijf landen genaamt Rattepaha zijn gaan schillen, en dat daar om aan hun „mets bijwoeging dat om gezegd was dat niet te moeten doen „ zulks aan „tewijzen twee bootschappers nevens eenige kan„ „neel schillers konde worden gezonden De hoofden van de kanneel schillers, hebben betuijgd dat ze in het geheel op die plaatzen niet ge„ „weest zijn, nog kanneel, geschild hebben, maar zoo als van ouds gebruijkelijk geweest is, aan„ de overkant van de spruijt Mahaoije beneeden de berg om kanneel te schillen, hunne tenten hebben willen op zetten, dog dat ze van daar tot Bruijt Zin verja t ze hebben nog berigt dat wonn: aan deeze kant van de voormelde „ gepermitteerde plaat aan de voorzijde van Mahaoije groot is, in de lengte zeven mijlen en in de briete op zommige plaatzen een wijl en op andere plaatzen wat minder De wel Edele groot achtb: Heer gouverneur is op uwel Ed:

NL-HaNA_1.04.02_10017_0440 view scan ↗

English

Your Honor's letter stating that the cinnamon peelers are not forbidden to go and peel in the usual places caused great joy, and he has ordered me to request Your Honor that Your Honor, accordingly, also please ensure that the cinnamon peelers are not prevented from setting up their peeling tents at the aforesaid usual place on the other side of the Mahaoije brook and peeling cinnamon without any hindrance. And because it is necessary that the inhabitants there are informed of this so that the cinnamon peelers can work there unhindered, I am further ordered by the well-mentioned Lord Governor to request Your Honor to have notice given to the mentioned inhabitants thereof through people expressly sent there by Your Honor. Two credible persons, alongside some Headmen of the cinnamon peelers, are now crossing over in order to point out more precisely the aforesaid permitted places on the other side of the Mahaoije brook, as well as to investigate whether any cinnamon peelers went to peel on Rattepahe, and to bring across those who made themselves guilty thereof in order to receive their punishment. was signed D. I. Fretz in the margin Colombo the 12th August 1789. Agrees. Corn. Johannes Idé sworn clerk Examined Sterk Kandia To the Lord Dessave of Sapsergam and Three Korles. The Right Honourable Lord Governor has ordered me to answer Your Honor's latest well-received letter ola regarding the stay of the Naikers at Mellelwerve. That upon receipt of Your Honor's earlier letter ola dealing with the then-imminent departure of the Naikers via Jaffnapatnam to the other shore, the necessary orders were at once sent to Jaffna; that subsequently, by a letter of 24 December from Manaar, report was received that the Wannia of Noegere had made known by an ola that a perieje swaanie and some lesser swannies, and some lesser servants alongside their retinue had arrived there from Kandia to travel further via Mannaar to the other shore, and that thereupon, assuming that those mentioned swannies were the same Naikers who, according to Your Honor's earlier letter ola, were about to depart via Jaffna, instructions were at once written to Mannaar to care for those Naikers according to custom, while today the aforesaid aforesaid letter is also further repeated; and that if everything done in this matter in the Mannaar district is not as complete, and especially not as prompt as occurred previously, this is to be attributed to the long-lasting drought, which has caused no grains to be able to grow, so that there is not only a lack of sustenance, but also of straw for thatching houses, and even of drinking water, through which many inhabitants have gone elsewhere and especially to the Noegere wannie, wherefore the head of Mannaar has also requested the Wannia of Noegeri to please order the Mannaar inhabitants to go to their dwelling places in the Mannaar district in order to build the necessary rest houses for the Naikers, because people were lacking for this. Your Honor thus sees from all this that the necessary orders have been issued, and that the officials will comply with them as best as possible. I remain further, after very friendly and repeated greetings, with all respect, underneath stood Your Honor's Humble Servant, D. I. Fretz in the margin Colombo the 10th October 1789. Agrees Corns. Johannsz Idé sworn clerk Examined Sterk. Brief detail of the remarkable occurrences in the Madura, Marawa, and Travancore realms in the year 1789, respectfully dedicated to the Right Honourable Lord Willem Jacob van de Graaf, Ordinary Councillor of the Dutch East Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon and the Coast of Madura, alongside the Council, by Martinus Mekern, Senior Merchant and Chief, and the Council at Tutucorin. Right Honourable, High Commanding Lord, We have the honour to briefly report to Your Right Honourable, according to annual custom, on what has occurred since the closing of our respectful compendium of the ult. August last past, in the Madura as well as Marawa and Travancore realms. Making a beginning with The Realm of Madura and its lowlands still stand under the administration of the Nabob Mahomed Ali Khan and of His Highness's Country Regent at Tirunelveli, Edward Khan, since the closing of our respectful compendium of the ult. August past, in which we had the honour to report that we, regarding the arrest of six proas and four kannekappels of the merchants of Punnaikayal by the Manigaars of Kayalpatnam and Authoor, complained to the Country Regent of Tirunelveli as well as to Mr. Buchanan, the Nabob's Agent, by letter of the 22nd of that month, and under protest against this act as a violation of the privileges of the Company, requested that these people might be released and the Manigaars punished for their insolence. The merchants of Punnaikayal, who also had no more money at hand to continue the trade, strictly forbade their curatores at Authoor to let anything whatsoever be done for them until their kannekappels should be released, which had the consequence that the Manigaar, noticing that this tended to decrease his income because no more linens were brought and thus also no tolls were paid, released the four kannekappels from their arrest. But the six proas, which had been brought back from Authoor to Kayalpatnam, were still kept under arrest and mistreated, and because we received no answer to our aforesaid letters, we wrote once again to the Country Regent on 9 September and requested the release of the mentioned proas and that the Manigaars might be exemplarily punished. Since then, the same, by an antedated letter of 7 September, which we only received on the 14th thereof Geelvinck

Dutch transcription

uwel Ed: aanschrijven, dat aan de kanneel schillers niet verboden is, om op de gewoone plaatzen te gaan schillen, zeer verblijd geworden, en heeft mij gelast uwEd: te verzoeken dat uw Ed: mits dien ook gelieve te zorgen, dat de kanneel schillers niet worden belet, om op voorsz: gewoone plaats aan de overzijde van de spruijt Mahaoije, hunne schiltenten te zetten en zonder eenige verhindering kanneel te schillen En wijl het nodig. zij dat de inwoonders aldaar hier van worden onderrigt ten einde de kanneel schillers daar onverhinderd werken kunnen, ben ik door wel gem: Heer gouverneur nog gelast, uw Ed: te verzoeken, om aan gem: inwoonderen daar van door Expues door uwEd: daar toegezondene luijden te doen kennis geven. Twee geloofbaare perzoonen nevens eenige Hoofden van de kanneel schillers gaantans over, ten einde nader aantewijzen de voorsz: gepermitteerde plaat „zen aan de overzijde van de spruiten Mahaoije als meede om natispeuren of eenige kanneel schil„ „lers op Rattepahe zijn gaan schillen, en die zig daar aan schuldig gemaakt hebben, dit heen over„ „te brengen ten einde hunne straffe te erlangen /:was geteekend:/ D: I: Fretz /:in margine:/ Kolom„ bo den 12: aug:s 1789. Accordeert. Corn Johann:s Idé gezw: klerk Nagezien Slerk Kandia Aan den Heer Dessave van Sapsergam en Drie Korls. De wel Edele groot achtb: Heer gouverneur heeft mij gelast, om uwEd: op deszelfs jongste wel ontvangene brief ola, nopens het vertoeven der Naikers te Mellelwerve te andwoorden Dat op den ontvangst van uw Edele vroegere briefola„ handelende van het toen op handen geweest zijnde vertrek der Naikers over Japfanapatnam na de overwall, ten eersten de noodige ordre na Japna Dat vervolg:d bij een brief van den 24. xber: van Manaar berijlt ontfange is afgezonden is; Dat de wannia van Noegere bij een ola had te kennen gegeeven, dat 'er een perieje swaanie en nog eenige mindere swannies, en nog eenige win¬ dere sorivies nevens hun gevolg aldaar van kan„ „dia waren aangekoomen om verder over Mannaar na de overwal te reizen en dat daar op, in veron„ „derstelling dat die genoemde swaiies die zelfde Nai„ „kers zouden zijn, die volgens uwEd: vroegere brief ola over Jassena stonden te vertrekken, ten eersten na Mannaar is aangeschreeven om voor die Naikers na gewoonte te zorgen, terwijl ook heeden voormeld voormeld aanschrijven nog nader herhaalt zij, en dat zoo ook alles wat in het Mannaarse hier in gedaan word, niet zoo volleedig, en inzonderheid niet zoo spoedig als wel bevoorens geschied, zulks toete„ „schrijven is, aan de lang duurende droogte, die veroorzaakt heeft, dat 'er geen graanen hebben konnen groeijen, zoo dat 'er niet alleen gebrek is, aan levens onderhoud, maar ook aan stroo tot het dekken der huijzen, en zelfs aan drinkwa„ „ter, waar door veele inwoonders na elders en inzonderheid na de Noegere wannie zijn gegaan alwaar om ook het opperhoofd van Mannaar de wannia van de Noegeri verzogt heeft om de mannaarse inwoonders te willen ordonneeren om na hunne woonplaatzen, in het mannaarse te gaan, ten einde de nodige rusthuijzen voor de Naikers te maken weil daar toe volk mankeerte Uw Ed: ziet dus uijt het een en ander dat de nodige ordres zijn gestelt, en waar aan de bediendens best mogelijk zullen voldoen. jk blijve voorts na zeer vriendelijk en val malig groete met alle achting /:onderstond:/ uwEd: Dw:r Dienaar, D: I: Faetz /: in margine:/ Kolombo den 10: oc „ber: 1789. Accordeert Corns: Johannsz Idé gezwv: klerk Nagezien =Sterk. Horte detail van de aanmerke„ lijkse gebeurtenissen in de Maduresche Mariassche en Trevankouasche Rij„ ken in 't Jaar 1789. voorgevallen in eerbied opgedraagen aan den wel„ Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Gragp Raad ordinair van Nederlands Indien, Gouverneur en Directeur van 't Eijland Ceilon en de Kuste Maduae Nevens den raad, door Martinus Mekern opperkoopman en opperhoofd en den Raad te Tutukorijn WelEdele Groot Achtb: Hoog Gebiedende Heer Wij hebben de vea uwel Ed: Groot Agtb: volgs: Jaarlijks gebruik hier bij kortelijk verslag te¬ doen van het voorgevallene Cedeat het afsluijten van ons eerbiedig Kompendium van ult:o augs: C: L: zo in de Maduaeesche als Maaruas¬ No. 39 sche sche en Taevankoeasche rijken. Een begin makende met Het Rijk van Madure en desselfs beneeden landen staan nog onder de bestiering van den Nabab Machmed Alichan en van zijn Hoogheijds Landaigent te Tirnevelli Edwardchan sedert het afsluijten van ons eerbiedig Kompendium van ult:o aug:s /:Leeden, waar bij wij de eer gehad hebben te melden, dat we over het arresteeren van ses Parauws en vier kannekappels van de koop¬ lieden van ponnekail door de Manni„ gaeas van Kuilpatnam en Atoex aen den Landregent van Pirnevelli zo wel als aan den Heer Buchanan 's Nubabs Agent bij brieve van den 22: diea mand geklaagd en onder protest over dit bedrijf als een schending voor de voorrechten van de Komp:e versocht hadden dat deese menschen mochten gelaageerd en de Mani„ gaars over hunne stondheid gestaaft worden, hebben de kooplieden van ponne¬ Kail die ook geen geld meer aen han¬ den hadden om den handel voorttesetten aen hunne Ruratooren te Mtoea Volffackt verbooden om voor hun niets hoegenoemd te laaten verrigten tot zo lange hunne kanne„ kappels zouden ontslagen weesen, 't geen van dat gevolg geweest is, dat de Manigaar be„ meakende dat zulx strekten tot vermindering van zijn inkomen door dien 'er geene lijnwae¬ ten meer aengebragt en dus ook geene tollen betaald wierden de vier kan„ nekapels uijt hun arrest heeft ont„ slaen dog de ses paaruws die van Atoek weder na Kailpatnam waaren overgebragt, wierden nog in drrst gehouden en mishandeld, en wijl we op onse voorm. brieven geen antwoord kreegen hebben we aen den Landregent den 9:' september nog eens geschreeven en versocht om de ont¬ slaging van de gemelde parruas en dat de Manigaars voorbeeldelijk mogten gestraft worden, sedert heeft deselve bij een g'antedateerden brief van den 7. September, die we eerst den 14 ' daer „den aen Geelvinck

NL-HaNA_1.04.02_10017_0445 view scan ↗

English

have received reported that the Manigaar of Alwa had set the arrested kannekappels and Paravas at liberty again, but we had received word to the contrary that the Paravas, having been handed over by the Manigaar of Alwa to the one of Kailpatnam, had been brought by him to Kailpatnam and were still kept prisoner there. We therefore on the 17th thereafter once again requested the Land Regent to comply with our request made beforehand by letter of the 9th, but seeing no answer to this, we again gave notice thereof to Mr Buchanan, demonstrating that the violence committed against the mentioned Paravas was a violation of our privileges and of the latest treaty, which reaffirmed our privileges anew. Mr Buchanan answered that it was only with reluctance that he would oppose the Nabob's Faujdar, the Land Regent, in the collection of revenues, regarding which he has the right to do in the Nabob's lands whatever he sees fit, but that if we believed this to conflict with our trade, it were to be wished that this be provided for by some means, and that the delay thereof was only to be blamed on us, since we had not ratified the treaty, and furthermore that he wished not to be troubled any more with any complaints until he saw that what had already been stipulated in the contract was ratified, and that he did not want to take part in our disputes. Shortly thereafter we received report from Ponnekail that the six Paravas were finally set at liberty, after they were forced by the Manigaar to pay twenty chakrams and sign a receipt that they would pay another forty chakrams after their release, and that the Manigaar of Kailpatnam had sent a warning to the Ponnekail converts to ensure that this money was paid, with the threat that he would otherwise send out a dhoni to seize the fishermen's dhonis at sea, and place guards on the beach to seize the fish they catch. We also gave notice of this to the Land Regent and requested him to have the 20 chakrams extorted by force returned along with the receipt of 40 chakrams, and to punish the Manigaar of Kailpatnam exemplarily; and since the fishermen of Ponnekail, who are bitterly poor people, did not dare go to sea despite it being a good fishing season, out of fear of the threats of the Manigaar, we have meanwhile not only stationed our cruising dhoni off Ponnekail to protect the fishermen's dhonis, but also sent thither a detachment of sepoys consisting of 1 sergeant, 1 corporal and 12 privates to protect the village from further acts of violence. Notwithstanding that Mr Buchanan had declared he wanted nothing to do with our disputes, we nevertheless, in accordance with the recommendations of their High Excellencies in the extract letter dated 2 June last year written to Colombo, gave notice of this matter again to Mr Buchanan, requesting his influence in order to do us justice, adding that in article 12 of the treaty it was stipulated that until the ratification the stipulated articles would have their force and value, and that the Nabob drawing the benefit thereof on his part, the same could not in fairness be denied to the Company. This Mr Buchanan fully conceded, but he added that in the mentioned article nothing is said that this concerned him, from which we thus had to conclude that we could not address Mr Buchanan further with any success. Since then the Land Regent, following our complaint about the Manigaar of Kailpatnam, made an inquiry into the matter, and informed us through one of our servants that since their tribute money had been reduced in 1779 by sixty chakrams by the Manigaar Pitje to the Chetti, the Paravas of Ponnekail had given an annual gift to the Manigaars for it, and that because they had not paid this now, the present Manigaar had demanded the old duty as it was determined before the year 1779 again, adding that the inhabitants had to give the Manigaar either the renewed duty with the gift, or the old duty. We were always apprehensive that the country's government would not recognize the reduction made by a Manigaar who was not authorized to do so, but since a careful investigation has shown that the Paravas, since the reduction of their tribute, have paid no present to the Manigaars for it, and since these people are currently so very impoverished that they can absolutely no longer pay the regular tribute money, we had it demonstrated to the Land Regent that the Paravas of Ponnekail were still very heavily burdened now, that it is only with the greatest difficulty that the reduced tribute monies are collected, and that these needy people, if more were demanded from them, would simply have to leave the village, since they are otherwise more heavily burdened than any other inhabitants of this coast, and that they would already have left the village if

Dutch transcription

ren hebben ontvangen gemeld dat de Manigaaa van Aloea de gearresteerde kannekapels en parauassen weder op de vrije voeten gesteld had, maar we had„ den daer en teegen berigt dat de Paaruas door de Manigaea van Atoer aen die van Kailpatnam overgegeeven zijnde die ze hen na Kailpatnam had laeten brengen en aldaar nog gevanngen hieldt. wij versochten derhalven op den 17. ' daer aen andermaal den Landae¬ gent om den ons versoek bij brief van den 9' tevooren gedaan te willen voldoen dog hier op geen antwoord ziende vol¬ gen geven wo hier van op nieuw ken¬ nis aen den Heer Buchanau met vertooning dat het geweld aen de gemelde parauas gepleegd een schending was van onse previligien en van het laeste traktaat, 't welk onse priveligien op nieuw heeft bevestigd. De Heer Buchanan ant„ woorde dat hij niet dan met weersien zig zoude versetten tegen / Nababs Fausdaar/ den landregent:/ in het invorderen van de revenien, waer omtrent hij regt heeft om in 's Nababs landen te doen het geen hij goedvind, maar dat indien wij meen„ den dit tee strijden met onsen handel het te wenschen waere dat daar in door een middel voorsien word, en dat 't uijtstel daer van alleen aen ons te wijlen was, wijl wij het tractant niet geartificeerd hadden en voorts dat hij wenschte met meer las„ tig te worden gevallen met eenige klagten tot dat hij zag dat was geratificeerd 't geen reets bij het kontrakt was gestipu leerd, en dat hij geen deel wilde hebben in onse dusputen kort daar na kreegen we berigt van Ponnekail dat de ses parruas eijndelijk op vrije voeten gesteld waaren, na dat zo door den Mani„ gaar gedwongen waeren om twintig sjak¬ keroms te betaalen en een bewijs te Hee„ kenen dat ze na hunne ontslaging nog andere veertig Tjakkeroms zouden betaelen en dat de Manigaar van Kailpatnam S den S aen F aen de ponnekailsche doapelingen had laeten waarschouwen, om te zorgen, dat dit geld betaeld wierd met bedrijging dat hij anders een tonie zoude uit¬ senden om de visschers tonies en zee wegteneemen, en welk aen strand stel„ len om de vis die ze vangen wegtenee„ men wij gaven hier van ook kennis aen den Landregent en verzogten hem om de door geweld afgeperste 20. sjak„ Kerons in 't bewijs van 40: Tjakkeroms te laaten te vrugge geeven en om den Mani„ gaan van Kailpatnam voorbeeldelijk te straffen en vermits de visschers van Ponnekail, die bitter arme menschen zijn schoon een goede vistyd niet dorften na zee gaen, uit bedugting voor de bedrijging van de Manigaer hebben we intusschen niet alleen onse Kruijs„ tonie voor Ponnekail geplaats om de visschers tonies te bevijligen maar ook een delachement sipahis bestaan¬ den in 1. Zergant 1. Korporaal en 12. gemeene na derwaards gezonden om het dorp voor verdere geweldenerijen te bewaa¬ ren Niet tegenstaande de Heer Bur¬ hanan verklaerd had met onse dus„ piten niet te willen te doen hebben gaven wij echter overeenkomstig het aanbevoole„ ne door hun Hoog Edelh: bij Extrakt missive de dato 2. Junij J:o L: na Ko„ lombo geschreeven aen den Heer Bucha„ nan van dit geval teffens op nieuw Kennis versoekende om zijn influencie ten einde ons recht te doen met bijvoe„ ging dat bij 't traktaat artikel 12: bedongen was, dat tot de ratifikaatsie, de bedongene artikelen hunne Kragt en waerde zouden hebben en dat de Na„ bab van zijne zijde daer van 't genot trekkende, het zelve met geen billijk„ heijd aen de Kompanie konde gewij¬ gerd worden Dit heeft de Heer Bir„ chanan volkomen toegestaen maer hij voegde 'en bij dat bij het gem: artikel niets gemeld wordt, dat hem dit aen¬ gemeene geing ging, waar uit we dus besluijten moesten dat we ons met geen vrugt verdrr bij den Heer Buchanan zouden kunnen advres¬ seeden sedert heeft de Landaegent op onse klagte over de Manigaar van Ril„ patnam daar na onderzoek gedaan en door een van onse bedienden ons laeten kennis geeven dat de Paaruas van Ponnekril zedert dat hunne tribut penningen en 1779 door den Manigaar Pitje aen de Chittij met Testig sjak„ kenons verminderd waeren daer voor Jaarlijks een geschenk aen de Mani¬ gaars gegeeven hadden en dat wijl ze dit nu niet hadden betaald de teegen¬ woordige Manigaaa weder de oude geregtigheijd zo als deselve voor 't Jaer 1719 bepaald was, had ingevor¬ derd met bijvoeging dat de inwooners of de vernieuwde geregtigheijd met het geschenk of de oude geregtigheijd aan den Manigaaa moesten geeven wij waeren altoos bedugt dat de lands aegee¬ ring de gemaakte vermindering door een Manigaaa, die daar toe niet geaegtigd was, niet zoude willen erkennen maer wijl bij een nauwkeurig ondersoek ge„ bleeken is, dat de parruassen zediat de vermindering van hun tribut, daar voor geen present aen de Manigaars hebben opgebragt en wijl deese menschen tans zo Leer verarmt zijn dat ze de gewoone tribut penningen volstrekt niet meer kunnen opbrengen, hebben we aen den Landregent laeten vertoonen dat de Paaruas van SonneKail nu nog zeer belast waeren dat het niet dan met de grootste moeijte is, dat de verminderde tribut penn: te bin„ nen koomen en dat deeze behoeftige meen„ schen, insien van hen meer gevorderd wierd, alleen het dorp zouden moesten verlaaten, vermits ze buijten des zwaer„ der belast zijn als eenige andere inge¬ zeetenen van deeze kust, en dat ze ook reets het dorp zouden hebben verlaaten ring in dien

NL-HaNA_1.04.02_10017_0448 view scan ↗

English

if the Company had not incurred greater expenses to protect the village and people, with the request therefore to order the Manigaars to be content with the reduced tribute moneys that have been paid since 1779 and to return the money and the bond that they have taken by force. The Country Regent merely informed us in this regard by letter of 8 November, of which we have had the honor to offer the copy to your Honorable Grand Right Venerables in our respectful letter of the 19th thereof, that he had strictly ordered the Manigaar of Kailpatnam not to molest the Parruas of Ponnekail, but to conduct himself toward them according to ancient custom, so that the extorted money and the promissory note have not been returned to the Parauas up to now. To our letter of 15 August of the past year, in which, according to our respectful compendium of the ultimate of August, we asked the Country Regent for the settlement of his remaining debt or for proper security for it on the paddy crop or other revenues of the country, he answered by letter of 7 September that the payment would take place from the country's revenues, but this not having happened, we further urged him by letter of the 12th of this month for the restitution of his remaining debt, still amounting to 4244 Company pagodas and 10 and a half Madurese fanams, adding that if the payment did not follow within eight days, we would be forced to address ourselves to the Nabob on that account, but he has answered nothing to this point up to now. In order to attend the inspection of the pearl banks along this coast on behalf of the Nabob, five dhonis arrived here on 25 October, of which three were Moorish dhonis from Kailpatnam and the other two belonging to the Parruas of Wierandepatnam, who had been forced with blows by the Manigaar of Kailpatnam to come hither with their dhonis. We complained about this to Mr. Buchanan as well as to the Country Regent, and from the first-mentioned received the reply that he found it strange that we complained that the Nabob made use of dhonis belonging to people who live in his own villages; but without letting ourselves into this too deeply, we further demonstrated to Mr. Buchanan that Wierandepatnam has from all times been possessed and governed by the Company, which up to now draws some small revenues from it; that from of old the seat of the Parauas had been there, which was transferred by us to Tuticorin; and that neither the Parruas of Wierandepatnam nor of any other place have ever paid any other obligation to the Nabob than the customary tributes. In the meantime, the Parauas of the Wierandepatnam dhonis ran away, and the three Moorish dhonis likewise returned to Kailpatnam without giving us notice. On 10 November we received an answer from the Country Regent in which he declared that he did not have the dhonis of the Parruas of Wierandepatnam as inhabitants of the Aramane even without dhonis; but Mr. Buchanan, to whom we had further clearly pointed out, among other things, in a letter of 1 November the reasons why we felt aggrieved about the violent pressing of the two Parrua dhonis, upon his arrival here on 11 November declared roundly that such was contrary to the customs and privileges of the Company, and requested of us four dhonis in order to assist at the inspection of the pearl banks for the account of the Nabob, which we also provided to him, and the inspection thereupon commenced on 4 December with four dhonis of the Company and four dhonis of the Aramane. Since all the pearl banks were inspected last year, we did not deem it necessary to have those banks inspected again this year on which nothing was found last year, and only had examined the seven banks that were found covered with oysters last year, with which work was already finished on the 13th of this month, the same being found occupied again with oysters of four, three, and two years. We thereupon demonstrated to the Moor Abdul Kaver Tarby, who was charged with the commission of the inspection on behalf of the Nabob, that as far as the Company is concerned, the inspection could be considered finished for this year, but that if the Nabob's servants deemed it necessary to inspect any other banks, it would take place if they would only please specify them. He said that he would write to Mr. Buchanan about it and requested in the meantime to inspect the large bank Tolaiyvenpaar, since the weather for it was still favorable at present. This would have already taken place, but in the meantime, on the evening of the 14th of this month, two Moors arrived with a letter from Mr. Buchanan, containing that the said Moors were qualified to attend the management of the inspection of the pearl banks on behalf of the Nabob instead of the previous commissioner. Since then, at the desire of Mr. Buchanan, some banks between here and Ponnekail have been further inspected.

Dutch transcription

indien de Kompenie niet grooter kosten gedaan had, om het doop en volk te be„ waeren met verzoek derhalven om de Mani„ gaars te belasten te vreeden te zijn met de verminderde tribut penn: die zedert 1779 betaalde zijn en te rugge te greven, het geld en de obligaatiie die ze met ge¬ weld hebben afgenoomen De Landre„ gent heeft ons hier op bij brief van den 8. November waar van we 't afschrift de eer gehad hebben uw welEd: Groot Achtb: aentebieden, bij onsen eerbiedigen van den 19. daar aan enkel bedeeld, dat hij de Manigaar van Kailpatnam scherpelijk had aenbevoolen om de paa„ ruas van Ponnekail niet te maces„ teeren, maar zig omtrent hun te gedraegen volgens het oud gebruijk zo dat het afgedwongen geld en het schuld bewys tot nu toe aen de Parauas niet zijn te rugge gegeeven op onsen brief van den 15. aug:s J:o Leeden waar bij wij vol„ gens ons eerbiedig kompendium van ult:o aug:o den Landregent om de voldoening van zijn restant schuld of om behoorlijke Gecuriteijt daer voor gevrangd hebben op 't nelie gewas of andere, inkomsten van 't land heeft bij brief van den 7. september geantwoord dat de voldoening uitslaands inkomsten zoude geschieden maar dit niet geschiet zijnde hebben we hem bij brief van den 12. deeser nader aenge„ maend om de restitientsie van zijn restant schuld nog groot kompanies pagooden 4244. en 10. '½. Madureesche fa„ nums met bijvoeging dat we indien de betaeling binnen agt dagen niet volgde genoodzaakt zouden weezen ons derwee„ gen bij den Nabab te addresseeren, dog hij heeft op deese post tot nu toe niets geantwoord Om de visitaatsie der paaalbanken langs deese kust van wegen den Nabab bij te woonen zijn den 25. october hier vijf tonies aangekoomen, daer van drie Moor¬ sche tonies van Kailpatnam en de ove„ rige twee gehoorende aen de Parruas vaen ulto Wieaan degpatieur wierandepatnam die door den Manigaar van Kailpatuam door slaagen gedwoor¬ gen waeren met hunne tonies na her¬ waards te komen wij hebben hier over aen de Heer Bricka¬ nan 1 zo wel als aan den Landregent geklaagd en van de eerste genoemde tot antwoord bekoomen dat hij het vreemd vondt, dat we ons beklaeyden, dat de Nabab gebruijk maekte van tonies gehoorende aen menschen die in zijn eijgene dorpen woonen, maer zonder ons hier op heel diep en te laaten, heb„ ben we den Heer Buchanan nader vertoond, dat wieaandepatnam van alle tijden is beseeten en geregeerd ge„ weest door de kompe: die er tot nu toe eenige kleine revenuen van trekt dat daer van ouds geweest is de zel¬ tel van de Parauas die door ons is overgebragt na Tutukorijn, en dat nog de parruas van wiaandepat„ nam noch van eenig ander plaets ooijt eenig ander verpligting als de gewoone tributen aen den Nabab hebben opgebragt intusschen zijnde parauas van de wirandipatnamsche tonies weg„ geloopen, en de drie moorsche tonies zijn meede zonder ons kennis te geeven na Kailpatnam te rug gekeerd Den 10 November ontvingen wij antwoord van den Landregens waer bij hij ver¬ klaerde, dat hij de tonies van de paa¬ kuas van wirandepatnum als inwoo„ neas van de Armane zelfs geen to¬ nies had dog de Heer Buchanan aan wien wij nader bij brief van den 1. November onder anderen duijdelijk hebben aengeweesen de reedenen waarom wij ons beswaard hadden over het ge„ weldadig pressen van de twee paaru¬ assen tonies heeft bij zijne aankomst alhier op den 11. November rond uit verklaerd dat zulx strijdig was met de gebruiken ende previligie, van de Kompanie en van ons versogt om vier ooijt F tonies tonies ten einde bij de visitaetsie die Paarlbanken voor reekening van den Nabab te assisteeren die we aen deselve ook hebben besorgd, en de visitaelsie is daer op den 4. December met vier to„ nies van de Compenie en vier tonies van de Armane begonnen. Wijl om het voorleeden Jaar alle de paarl„ banken gevisiteerd zijn hebben wij niet nodig geoordeeld om in dit Jaaa die ban„ ken waar op in 't voorleeden Jaar niets gevonden is, weder te laeten visiteeren en maer alloen laaten examineeren de Le„ ven banken die in 't voorleeden Jaar met oesters zijn beoet bevonden waar meede men reets den 13 deeser gedaen werk gekreegen heeft zijnde deselve weder beset bevonden met oesters voen vier, drie en twee Jaaren wij hebben daer op aen de Moor Anduel Kaver taarbij, die belast was met de kom„ missie van de visitantsie van wegen de Nabab vertoond, dat voor zo verre de Kompanie betreft de visitaet„ sie voor dit Jaar voor ge-eijndigd koro¬ de worden gehouden, maer dat indien sNababs bedienden het nodig oordeelen om nog eenige andere banken te besea¬ ken, het zoude geschieden indien zij dezelve maerden geliefden op te geeven t Hij zeijde dat hy daer over aen den Heer Buchanan zouden schrijven en versocht om intusschen de groote Bank Tolaijvenpaak te besoeken, wijl het weder daer toe tans nog gun¬ stig was Dit zoude reets geschiedt zijn maer middelerwijle kwamen den 14. deezer des avonds twee Mooren met een brief van den Heer Buchanan, be¬ hebbende dat de gemelde Mooren gequali¬ fireerd waeren, om insteede van den voo¬ rigen kommissiant de bestiering van de visitaetsie der paaalbanken van wegen den Nabab bij te woonen sedert zijn op de begeerte van de Heer Bucha¬ naer eenige banken tusschen hier en Pon¬ verde nikail

NL-HaNA_1.04.02_10017_0451 view scan ↗

English

Nekail, where a few oysters were found last year, was inspected without anything being found there this time, so that the inspection may now be regarded as concluded, although while concluding this we await a good opportunity to still visit the large bank Tolaijreipaar off Tuticorin. After we, as mentioned herebefore, had provided four tonies at the request of Mr. Buchanan to assist in the inspection on account of the Nabab, two adikars from Tirunelveli arrived at Manapaar desiring, on behalf of the Regent of the land, two tonies from the Paravas there, or else as much money as was necessary to maintain two other tonies; and upon the refusal of the Paravas to comply with this demand as a novelty, they forbade them from going to sea to fish, and furthermore brought two Paravas here. We complained both to the Regent and to Mr. Buchanan about this new infringement of our rights and requested the latter to see to it that this act was redressed and that such acts of violence might not occur again. The Regent replied to this that he knew nothing of what had happened and that he had sent people to bring the adikars to him under arrest, and Mr. Buchanan moreover had a promise made to us that he would attend to our complaints. On the 15th of this month, two serwegars and a sipahi arrived in Manapaar on behalf of the Moor Aude Kader of Kulasekharapatnam to summon the Company merchant Sodellemaden. Upon the residents' inquiry after the reason for this summons, they stated that since the Manigaar of Kulasekharapatnam had been brought to Tirunelveli before the Regent because of overdue lease monies, the aforementioned Moor Aude Kader, as surety for the Manigaarship, had already caused several members of the Manigaar's family at Kulasekharapatnam to be placed in custody in order to send them to Tirunelveli along with the merchant Todellemadon, whom he came to fetch. But upon the response of the residents that they could not let this merchant go, who personally owed nothing to the Aramana, because the Company's trade would thereby be obstructed, but that if there were proof that Sodellemaden privately owed anything to the Aramana they would then ensure that the debt was paid, the emissaries of Aude Kader returned to Kulasekharapatnam without causing any further trouble. But because the residents of Manapaar feared that people would come down again to seize Godellemaden, who had been taken under protection inside the lodge, and other merchants over the aforementioned debt of the Manigaar of Kulasekharapatnam, they requested from us a detachment of military men in order to protect the merchants against violent acts. However, because the merchant Sodellemaden, as the brother's son of the Manigaar, was liable according to the laws of the land for his uncle's debts, and because the servants of the Nabab exempt no one from this law without permission from the Nabab, and furthermore since it has come to our knowledge that the late merchant Allegappa Chetti, who was the father of the present merchant Sodellemaden, had several times been obliged to pay money for the debts of his brothers Pandaram and Pitcha to the Chetti, and that it was therefore nothing new that Sodellemaden was now held liable for the debts of Pandaram and Pitcha to that Chetti, since according to the custom of the land he could inherit from them and thus also had to pay for them, we have written to Manapaar not to push the matter of the merchant Sodellemaden any further, as we could not protect him under these circumstances against the persecution of the native government until matters with the Nabab are completely settled, with orders to tell Podillemaden that he must hide outside Manapaar for a time until matters with Pitcha and Pandaram Chetti are arranged, as we could grant him no protection in this matter. However, to protect the village against other acts of violence that might be undertaken, we have, at the request of the residents, sent for some time to Manapaar a detachment of sipahis consisting of: 1 Sergeant 1 Corporal 12 Privates. In the land of Marawa, no change has occurred, the same being still governed, according to what was cited in our humble Compendium, by the Raja Vijaya Raghunatha Setupati Katta Tevar. In reply to our letters of 22 August, whereby we informed the Tevar and his prime minister that, according to their request, we would send a respectable official to Kilakarai to settle the pending disputes with the Tevar court if it suited them to also send someone for that purpose

Dutch transcription

Nekail leggende waar op in 't voorlee¬ den Jaar eenige wijnige oosters waaren gevonden besogt zonder dat daar op op dit maal iets gevonden is, zo dat de visitatie tans voor afgeloopen kan worden gehouden schoon men onder het sluijten deesen naar een goede geleegen„ heijd wacht om noch de groote bank Tolaijreipaar voor Tulu korijn te gaan besoeken. Na dat we zoo als hier vooren is aan¬ gehault op het versoek van den Heer Buchanan vier tonies besorgd had¬ den om voor reek: van den Nabab bij de visitaatsie te assisteeren waaren en twee adikarls van Tianwvellie te Bampaar gekoomen begeerende uit naam van den Landaegent van de parauas aldaar twee tonies dan wel zo veel geld als 'ir nodig was om twee andere tonies te onderhouden en op de Wijgering der Parauas om aen deezen eisch als een nieuwigheijd te voldoen verbooden zo hen na zee te gaan visschen en hebben voorts twee paaruws na her„ waards meede gebragt, wij hebben, zo aen den Landregent als aan den Heer Bu„ chanan over deese nieuwe inbreuk van onse rechten geklaagd en aen de laast ge„ noemde versocht om te bewerken dat dee¬ se daad hersteld wierd, en dat diergelijke geweldenarijen niet meer mogten voorko¬ men. De Landaegent heeft hier op ge„ antwoord dat hem van het voorgeval„ lene niets bekend was en dat hij volk had afgesonden om de Adikares gevangen bij hem te brengen en de Heer Bucha¬ nan heeft ons daar bij toezegging laeten doen dat hij op onse klagten zoude letten Den 15. deezer Kwamen binnen Manapaar twee serwegaren en een sipahi uit naam van de Moor Aude Kader van Kole¬ segaepatnam om den Kompenus Koop¬ man Sodellemaden te roepen: Leggen„ de op de vrage der residenten na den reede verboden van van dit op ontbod, dat de Manigana van Kollenagaepatnam wegens agter stallige pagt penn: na Tirnevelli bij den Landregent gebragt zijnde voormelde Moor Aude Rader als borg voor het Manigaanschap reets verscheijde van de familie van den Maniquaa te Kollescqrepatnam had slaeten in ver¬ seekering brengen om nevens den koop¬ man Todellemadon wien Le Kwoom haelen naer Pirnevelli op te zenden maer op het andwoord der residenten, dat ze deesen Koopman die ook in eijgene perzoon aen de Armane mits schuldig was niet konden laeten gaen om dat 's Comp:s handel daar door zoude ge„ staemd werden, dog dat ze indien en bewijzen waeren, dat sodellemaden in zijn partikulier aen de Armane iet schuldig was als dan zouden zorge¬ dat de schuld voldaen wierd, zijnde afgezondene van Aude Kader naar Kollescgrepatnam te rug gekeerld, zonder eenige verdere moeijelijkheeden aanterechten. Maar wijl de residenten van Manapaaa bedugt, waeren dat 'er weder volk zoude afkomen oms Godellemaden, die binnen de losie in bescherming genoomen was en andere kooplieden over voorme: schuld van den Manigaaa van Kollesegrepatnum op te vatten, versochten ze ons om een detachement Militairen ten einde de kooplieden tegen geweldardige bedrijven te beschermen. Doch daek de Koopman sodellemaden als Broeders soon van den Manigaar naar 'slands wetten voor de schulden van zijn oom aenspaecke„ lijk was en om dat 's Nababe bedien„ den van deese wet niemand uitsluijten buijten toestemming van den Nabab mitsgaders wijl ons zedert daar bij is ter kennis gekomen dat de overlee¬ dene Koopman Allegappa Sittij die de vader is geweest van de presente koopman sodellemaden meermaals Zonder ge geld heeft moeten betaalen voor schulden van zijn broeders pandaaan en Pietje aen de Sittij en dat het dus niets nieuw was dat sodellemaden tans wierd aen gesphrooken voor schulden van pandan en pietje aen die sittij daar hij volgens 'slands wijse van hen konde erve, en dus ook voor hen moest betaelen zo hebben we na Manapaar aangeschaek ven om de zaak van den Koopman sodellemaden niet verder te pous„ seeren wijl we hem in deesen omstand niet konden beschermen tegen de ver„ volging van de Jnlandsche regeering tot zo lange de zaaken met den Nabab volleedig zouden zijn ge„ schikt, met last om Podillemaden aente seggen dat hij zig voor een tijd buijten manapaar moest verberge tot dat de zaaken met Pietje aend en Pandaaan sittij zouden geaarae geerd weesen, alsoo we hem in deese zaak geen bescherming konden verleenen om het dorp echter tegen andere gewel„ denaaijen die men onderneemen mochte te beschermen, hebben we op 't versoek der residenten voor eenige tijd na Mana¬ paar gesonden een detachement sipahis bestaande in 1: Zergeant 1. Korporaal 12. gemeenen. In het land van Marrua is geen verande¬ ring voorgevallen, wordende het zelve volgens het aangehaalde bij ons eerbiedig Kompendium nog bestier door den radja„ wiseje regoenaden sedrepaddie Katta Teuvea In antwoord op onse brieven van den 22 aug:s waar bij wedew Jeuver en zijn eerste mi„ nister hebben, kennis gegeeven, dat we vol„ gens hun versoek een fatsoerdelijke be„ ampte na Kilkare zouden zenden om„ de zweevende geschillen met het Teu„ versch Hoff aftedoen zo daa het hun geleegen kwam om ten dien einde meede E iemand

NL-HaNA_1.04.02_10017_0454 view scan ↗

English

to send someone to Kilkare, having replied to the same by letters of the 8th of September last that they had so much to do at court with the affairs of the Caka /:Nabab:/, that they had no opportunity to enter into negotiations at Kilkare with an envoy of ours, but that they would take this into consideration in the coming month of January, as Your Noble Great Right Honourable will have observed from the copies of the said letters which we had the honour to present to the same alongside our humble letter of the 6th of October last, from which it clearly appeared that the Teuver and his minister intend nothing other than to keep matters pending without providing us with any resolution; we therefore take the liberty to leave it to Your Noble Great Right Honourable what we should further do regarding this matter, since all efforts made by us to settle the disputes with the Teuver himself had turned out to be fruitless, and since Mr. Buchanan had declared that he absolutely did not want to interfere with anything other than what concerned the fisheries; further, with dutiful representation, that the Tranquebar merchant Verwijk still continues to stay at Tondi and proceeds to collect linen and transport it to Tranquebar, and that the merchants at Kilkare persistently request compensation for the toll which they had to pay over and above that which was validated for them and charged on the linens, being 1 23/32 pagodas on every 100 pieces, to which a favourable promise had already been made to them in Your Noble Great Right Honourable's missive of the 8th of January last, on which we still respectfully await Your Noble Great Right Honourable's esteemed decision upon the closing of this letter. In the kingdom of Travancore, wherein our factory at Cape Comorin is located, we continue to enjoy unhindered freedom of trade and peaceful habitation. We have the honour to remain with all respect and fidelity, /:was written below:/ Noble Great Right Honourable, High Commanding Lord, Your Noble Great Right Honourable's humble and faithful servants, /:was signed:/ M: Mekean, A: van der Wall, D: V: D: Driesen, and F: Dammann. /:in the margin:/ Tuticorin, the 31st of December 1759. Agreed. We have had the honour to receive Your Noble Great Right Honourable's letters of the 23rd of December last, in reply to which we kindly request Your Noble Great Right Honourable that the gold brought for this coast with the ship d' Gouverneur Falck may be received by one of our sloops, De Herstelling, or De Zeerob, currently overwintering at Jaffanapatnam. No. 40: Ceylon To the Noble, Honourable, Valiant, Wise, Prudent, Very Discreet Lord, Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the said Island, on the Coast of Madura, Inchiado, etc., etc., etc., together with the Council at Colombo. Hijbrands First Clerk J: V: Hinde Checked. To the same as before. And whereas Your Noble Great Right Honourable requires of us to be informed what, in the future in such cases, would be the safest way of remittance hither, it appears to us that this could be done with an available Company's sloop, or else with a cruising dhoni, either via Jaffanapatnam or through the Mannar Narrows, as has been customary before, however always deferring ourselves in this to the wiser judgment of Your Noble Great Right Honourable. The lack of funds for expenditure in collecting linens for the Honourable Company obliges us to request Your Noble Great Right Honourable that the six used bars of the gold intended for our coast may be replenished, for otherwise, as what has been sent is already so small, we run the risk of getting into troubles disadvantageous to the master's interests, due to the penniless condition in which we already find ourselves. We have the honour to remain with all respect, /:was written below:/ Noble, Honourable, Valiant, Wise, Prudent, Very Discreet: Your Noble Great Right Honourable's humble and obedient servants, /:was signed:/ N:s Padam, M:r Stoffenberg, I: D: Simons, B: Brouwer, F:n W:m Bloeme, and I: S: Raaff. /:in the margin:/ Pulicat, in Castle Geldria, the 22nd of November 1788. The ship Straalen, Captain Masson, destined from Europe for Bengal and departed from the Cape on the 22nd of July last, has, through missing the Ganges, arrived at Bimilipatnam on the 29th of October. We have received, through private reports, the very unpleasant news that the aforementioned ship was overtaken there by a heavy storm on the 24th of the month of November, and after the loss of three anchors and the cutting of the cable, whereby the fourth anchor remained in the seabed, fled from the Bimilipatnam roadstead to Trincomalee, according to the order of the master, who, together with his chief surgeon and some crew members, were ashore. The said Captain had arrived at Jagannathapuram and was in agreement with a certain person to hire a private vessel there to proceed likewise to Trincomalee. We considered it our duty to inform Their High Mightinesses of this occurrence, and therefore request that it may favorably please Your Noble Great Right Honourable to dispatch our accompanying respectful letters toward Batavia at the first opportunity. With all due high esteem we have the honour to remain, /:was written below:/ and /:signed:/ as before. /:in the margin:/ Pulicat, in Castle Geldria, the 11th of December 1788. To To

Dutch transcription

iemand na Kilkare te senden, hebben¬ dezelven bij brieven van den 8' Septem¬ ber: J: L: g'antwoord dat ze met de zaeken van den Ceakaa /:Nabab:/ zo voel aen het hoff te doen hadden, dat ze geen gelegenheid hadden, om met een zendeling van ons te Kilkare en on¬ derhandeling te treeden, maar dat ze dit in de maand Januarij aanstaend in bedenking zouden nemen zo als uwelEd: Groot Achtb: dit zal be„ oogd hebben uit de kopijen van gem: bae ven die wij de eer gehad hebben nevens onsen onderdanigen van den 6: october C:L: Hoogst deselve aentebieden waar uit duijdelijk bleek dat de Teuver en zijn minister niet anders voorhebben als on de zaeken daalende te houden zonder ons eenige afdoening te besorgen wij ne men dus daar bij de vrijheijd aen uw welEdele groot Achtb: over te laeten, wat we verdre omtrent deese zaek zoude doen, daer alle aengewende pogingen van ons on de geschillen met den Tes„ ver zelve afte doen vrugtetoos waeren afgeloopen, en daar de Heer Buchana verklaerd had zig volstrekt met niets anders te willen bemoeijen als het geen de visscherijen betaef met plicht schuldige vertoning voorts dat de Tran„ kebaarsche koopman verwijk zig nog te Tondi blijft ophouden en voort„ gaat lijnwaat in te samelen en na garin„ kebaar te vervoeren en dat de Rooplie¬ den te Kilkare bij aenhoudendheijd ver„ soeken om vergoeding van den Pol, die zij hebben moeten betaelen boven de tot die hen gevalideerd en op de lijnwaeten be„ last wordt, zijnde 1. 23/32: pagooden op elke 100 stukken waer toe hen bij uwelEd: Groot Achtb: missive van den 8. Jann: J:L: reets gunstige toesegging gedaen was, waer op wij uwelEd: Groot agtb: g'eerde disposietsie onder het sluijten dee¬ ses nog eerbiedig verwagten In 't rijk van Trevankoor waer in van ons e N:o 40: Ceijlon Aan den Wel Edelen Groot Agtbaaren Heer onse faktorij aen de Kaapkommorijn legt genieten we bij voortgang eene onverhinderde handel vrijheijd en vreed¬ zaeme inwooning Wij hebben de eer met alle eerbied en trouwe te blijven /:onderstond:/ wel Edele Groot Achtb: Hoog Gebiedende Heer, uwer welEdele Groot Achtb: onder dieni¬ ge en getrouwe Dienaaren /:was getee„ Kend:/ M: Mekean, A: van der wall D: V: D: Driesen en F: Dammann /:en margine:/ gutukorijn de 31:' December 1759. Accordeerd Wij hebben de eer gehad te moogen ontvangen, uwel„ Edele Groot agtbaarens letteren van den 23: xber: I:o Leeden, in descriptie van welke wij uwel Edele Groot agtb: vriendelijk verzoeken, het, voor deese kuste, aengebragte goud met het schip d' God„ verneur Falck te moogen ontvangen met een onzer Chialoupen De Herstelling, of de zeerob„ zig tans ter overwintering op Jaffenapatnam bevindende: Edele Erntfeste, Manhafte, Wijse, voorsienige Zeer Diskreete Colombo. Willem Jacob van de Graaff Raad ordinair van Nederlands India, Gouverneur en direkteur des gemelden Eijlands ter Custe Madu„ re Inchiado Ha: Va: va: Neevens den Raad. Hijbrands EijKlerk J: V: HSinde Nagezien En Te En terwijl UwelEd: Groot agtb: van ons vereijsceh Aan als vooren. onderrigt te worden, hoedaenig in de aenstaende in diergelijke gevallen den veijligsten weg van her„ waerds overzending zoude weezen, zoo komt het ons voor, dat dit zoude kunnen geschiede met een aen handen zijnde Comp:s Chialoup, dan wel met een kruijsthonij, het zij over Jap„ tenapatnam, dan wel door Mannaars Eng zoo als bevoorens gebruijkelijk is geweest, ons egter altoos in deeze aan het wijzer oordeel van uwel Edele Groot Agtb: gedefereerd houdend Het gebrek aen fondsen ter aenbesteeding in inzaem van Lijwaaten voor de E: Comp:e verpligt ons uwelEdele Groot Agtb: te verzoeken, dat de zes gebruijkte staeven, van het voor onse kust bestemde goud, moogen werden gesuppleerd, want wij anders, daer het gezondene alreets zoo gering is, gevaer loopen, om in beslommering voor 'smeesters belangen nadeelig, te zullen geraeken, door den geldeloosen toestand, daer wij ons alreets in bevinden. Wij hebben de Eed met alle Eerbied te verblijven. /:onderstond:/ Edele, Erntfeste, Manhafte, wijze, voorzienige zeer Diskreete: Uwel„ Edele Groot Agtbaarens onderdaenige en gehoorzaame dienaeren /:was geteekend:/ N:s Padam M:r Stoffenberg, I: D: Simons, B: Brouwer, F:n W:m bloe„ me, en I: S: Raaff, /:in margine:/ Palliacatta in 't Cas„ teel Geldria den 22: November 1788. T: schip Straalen Capitain Masson uijt Euro„ pa na Bengale bestemd en den 22: Iulij pass:o van de Caab vertrokken, is door miszeijling van de ganges op Bimilipatnam den 29: octo„ bed, aangekoomen, steede ontvangen, bij particuliere berigten de zeer onaengenaame tijding, dat het voorsz: schip op den 24: van de maand November aldaer door eene swaare storm beloopen, en na verlies van drie ankers en het kappen van het touw, waer door het vierde anker in de grond is gebleeven, van de Bimilisi reede, volgens ordre van den schip heer die neevens zijn opperchirurgijn, en eenige man„ schappen aen de wal waeren, na Trinconomale gevlugt. Gemelde Capitain was op Iaggernaik poeram aengekoomen en in accoord met een zeeker perzoon, om een particulier vaartuijg aldaar inte huuren, om daar meede na Trinconomale overtegaan. Wij hebbe het onze pligt geagt Hunne Hoog Edel„ heeden van dit geval te moeten kennis geeven, en verzoekke dienthalve, dat het uwel Ed: Groot Agtb: gunstig behaegen mag onze neevens gaande Eerbiedig letteren met eerste geleegendheid Battavia waarts te doen afgaan. Met alle schuldige Hoog agting hebben wij de Eer te noemen. /:onderstond:/ en /:geteekend:/ als vooren /:in„ maagiene:/ Palliacatta in 't Casteel Geldaia den 11: december 1788: Aan Aan

NL-HaNA_1.04.02_10017_0457 view scan ↗

English

To the same as before. To the same as before. To the same as before. We have the honor to let this serve to accompany 7 small boxes, in which our usual annual papers for Europe and Batavia are packed, which we humbly request may be dispatched according to their addresses. And we further let this accompany our copy advices to the Noble High and Honorable Lords Directors in the Netherlands, and Their High Nobilities, dated 10 March, 20 and 29 October, as well as 11 December of the past year. Along with two packets for Cochin and Surat, which we kindly request you to forward. After respectful greetings, we have the honor to be able to call ourselves. Was signed: as before. In the margin: Palliacatta in Castle Geldria, 14 March 1789. Lower: P.S. We also most respectfully offer Your Right Honorable Nobilities a letter from the orphan masters here, to those of Colombo, flying seal. We take the liberty to let this serve to accompany the annexed requisition, with the very kind request to be accommodated with this. Wherewith we have the honor to call ourselves. Was signed: as before. In the margin: Palliacatta in Castle Geldria, 14 March 1789. We have the honor to inform Your Right Honorable Nobilities that our bark De Tecrob arrived here safely on the 16th of this month, having received therewith six bars of gold weighing ma: tr: 120: - and 4848 Porto Novo pagodas, of the 17 bars that were brought for this coast with the ship De Gouverneur Falck. We express to Your Right Honorable Nobilities our humble thanks for the remittance of this gold and money, yet nevertheless respectfully take the liberty to note that we, pursuant to Your Right Honorable Nobilities' highly honored missive of 14 January of the current year, had flattered ourselves that only 5 bars had been used for minting into pagodas at Tuticorin, and that we, pursuant to the highly honored orders of Your Right Honorable Nobilities to the servants there, were to obtain the remaining 12 bars, and the minted pagodas, in so far as they had not been disbursed. In view of our great necessities, we looked forward to this relief with longing, and made our arrangements accordingly; the lesser amount received thus puts us somewhat in a bind, which we take the liberty to make known to Your Right Honorable Nobilities, in the hope that you will be pleased to accommodate us with the deficient amount upon a plentiful relief. We likewise offer Your Right Honorable Nobilities a copy of a petition submitted today in our assembly by the chief surgeon of this castle, Pancratius Harringa Mepper; we have well considered the contents thereof, and believe that it appears therefrom with complete certainty that the short delivery has its origin in the difference between Dutch and English weight. For which reason we also take the liberty to charge the reckoned amount of 7 pagodas 17 fanams 5 cash to Colombo, firmly trusting that Your Right Honorable Nobilities will judge this case just as we do. After wishing you prosperity, we have the honor to remain with great respect. Was signed: as before. In the margin: Palliacatta in Castle Geldria, 23 March 1789. We have had the honor to inform Your Right Honorable Nobilities, by our secret missive of the 24th of this month, of a certain interloper who had shown himself in the Ganges under the Dutch flag; since then we have been honored with advice from Bengal, by letter from the Right Honorable Lord Director and Council, under date of 10 March, that the vessel in question has since been taken possession of there without offering the slightest resistance. We find it necessary to give notice of this to Your Right Honorable Nobilities. While for the rest we have the honor to call ourselves with all high esteem. Was signed: as before. In the margin: Palliacatta in Castle Geldria, 29 March 1789. To the same as before. We let this serve to accompany a packet for Your Right Honorable Nobilities brought today from Batavia with the Honorable Company's ship Horssen. Captain Gas, commanding it, had orders to deliver the same in sailing past Galle, Batticaloa, or Trincomalee. We have the honor to send to Your Right Honorable Nobilities herewith: An invoice of various linens, and red upper leather, etc., sent from here to Jaffna in the past year with the sloops De Heerob and De Herstelling, to the amount of ƒ790. 2. 8. Two debit memoranda on account of supplies to 39 heads of Easterners who departed for Jaffna with the aforementioned sloop De Herstelling, item what was delivered and supplied to the Reverend Preacher Meijer during his presence here, together amounting to ƒ1905. 1. –, as well as the allowance enjoyed by the said Reverend for the month of September of the past year, to the amount of ƒ99. –. –. A credit memorandum of ƒ116. 19. -. or 25 pagodas 23 fanams 54 cash, enclosed an account of proceeds of 229 ¼ lb. indigo reject, sold here by public auction. We request that these papers may be dealt with according to the orders. While for the rest we have the honor to remain with high esteem. Was signed: as before. In the margin: Palliacatta in Castle Geldria, 10 June in the year 1789. To The

Dutch transcription

Aan als vooren. Aan als vooren. Aan als vooren. Wij hebben de eere deese te laaten dienen ten geleide van 7. kasjes, waar in onze gewoone Iaarlijkse papie ren voor Europa en Battavia zijn afgepakt wel„ ke wij needrige verzoekken, dat volgens hunne addaessen moogen verzonden worden. En laeten deeze nog verzellen onse Copia advijsen aen de Edele Hoog Agtb: Heeren Majores in Neder„ land, en Haar Hoog Edelheedens de dates 10: maart 20: en 29: october, mitsgaders 11: December des gepas„ seerden Jaers. Benevens twee Paquetten voor Cochin en Souratta, welke wij vriendelijk verzoekken adres te verleenen. Wij hebben de Eere ons na Eerbiedige sallutatien te moogen noemen. /:onderstond:/ en /:geteekend:/ als vooren /:in maagiene:/ Palliacatta in 't Casteel Gel„ dria den 14: maart 1789. /:Lager:/ P: S: Nog bieden wij uwelEd: Groot Agtb: eerbidigst aen een brief van weesmeesteren alhier, aen die van Colom„ bo, onder Cachet voland. Wij neemen de vrijheid, deese te laeten dienen ten gelei„ de van neevens leggend Eijschje, met zeer vrie„ delijk verzoek om hiermeede te moogen werden geriefd. Waarmeede wij de eere hebbe te noemen. /:on„ derstond:/ en /:geteekend:/ als vooren /:in maagiene:) Palliacatta in 't Casteel Geldrier den 14: maart Wij hebben de Eer uwel Ed: Groot Agtb: kennisse te geeven, dat onze Bark De Tecrob den 16: dee„ zer alhier behouden is aengekoomen, hebbende daer meede ontvangen zes staven goud weegende ma: tr: 120: - en Porton:s pagooden 4848. —, van de 17. staeven die voor deeze kust waeren aengebragt met het schip de Gouveaneur Falck. Wij betuijgen uwelEd: Groot Agtb: onze nedrige bank voor de overmaaking van dit goud en geld, dog nee„ men Egter eerbiedig de vrijheid aen temerken, dat wij ons, ingevolge uwel Edele Groot Agtb: zeer geeer„ de missive van den 14: Ianuarij A:o Currintij hadden geflatteerd, dat er maar 5: staeve waaren ge„ bruijkt tot het vermunten op Tutucorijn tot Pa= gooden, en dat wij ingevolgen de zeer geEerde ordres van uwel Edele Groot Agtb: aen de bediendens al„ daer, de overige 12: staaten, en de gemunte Pa„ gooden, in zoo verre die niet uijt gegeeven waeren, stonden te erlangen. Ingezien onze groote benoodigdheeden, hebben wij dit ont„ zet met verlangen te gemoet gezien, en onse aaran„ „gementen daar na genoomen; het minder ontvangene brengt ons dus een weinig in 't naauw, 't welk wij de vrijheid neemen Uwel Edele Groot Agtb: te ken„ nen te geeven, in hoope, dat Hoogst dezelve ons bij een ruijm ontzet, nog met het deficieerende zullen gelieven te gerieven. Wij bieden uwel Edele Groot Agtb: teffens aen, een afschrift van een request door den opper chirurgijn deezes kasteels Pancratius Harringa Mepper heeden in onse vergadering ingediend; wij hebben den inhoud van dien wel overwoogen, en meenen kennisse dat 1789. Wij hebben de eer Uwel Edele Groot Agtb: hierneevens te Aan als vooren dat daar uijt met volkoomen zeekerheid blijkt Aan als vooren dat het min uijtgeleeverde sijn overspronk heeft uijt het verschil tusschen het Hollands en Engelsch gewigt. Waarom wij ook de vrijheid neemen het aengeree„ kende bedraegen van pagooden 7: 17. 5. Colombo aantereekenen, vastelijk vertrouwende dat uwel Edele Groot Agtb: eeven als wij over dit geval zullen oordeelen. Naar Heijlbeeden, hebben wij de eere met veel ont„ zag te verblijven. /:onderstond:/ en /geteekend:/ als vooren. /:in maagiene:/ Palliacatta In 't Casteel Geldaia den 23: Maart 1789. Wij hebben de eer gehad Uwel Edele Groot Agtb: bij onze secreete Missive van den 24: deezer kennis te geeven, van seekere Lorrendraijer, die zig in de Ganges onder Hollandsch vlag hadde laeten zien 't zeedert zijn wij vereerd geworden met advijs van Bengalen, bij brief van den wel Ede„ le groot Agtb: Heer Direkteur en raad, sub dato 10: maart, dat het scheepje in questi„ 't zeedert zonder de minste teegenstand te bieden, aldaer in bezit genoomen is. Wij vinden noodig uwel Edele Groot Agtb: hier van kennis te geeven. Terwijl wij voor 't overige de eer hebben met alle hoog agting tenoemen. /:onderstond:/ en /:geteekend:/ als vooren /: in maagiene Palliacatta in 't Casteel Geldria den 29: Maart 1789. Aan als vooren. Wij laeten deezen dienen ten geleide van een pakket voor uwel Ed: Groot Agtb: met sE: Comp:s schip Hors„ sen van Batavia heeden aengebaagt. Den daer op Commandeerende Cap:tn Gas heeft or„ der gehad om het zelve in het voor bij zeilen op Gale, Baticaloa, of Trenconomale aftegeeven. zenden. Een factuur van diverse Lijwaeten, en Rood overleer etc:, in het gepasseerde Jaar met de Chialoupen De Heerob en De Herstelling van hier over Iaffe„ na toegezonden, ten bedraegen van ƒ790. 2. 8: Twee memories ten lasten weegens verstrekkingen aen 39: koppen oosterlingen met voornoemde Chialoup De verstelling na Japtena vertrokken, Jtem het af„ gelangde en verstrekte aen den Eerw: Heer predi„ kant Meijer, bij zijn aenweezen alhier te zaemen ten beloope van ƒ1905:1. –. als meede het genootene door welmelde zijn Eerw: voor de maend sep„ tember a:o passato ten bedraegen van ƒ99. –. –. Eene Memorie ten goede van ƒ 116. 19. -. of. p a go 25. 23. 54. , bijgelegt een rendement van van 229. ¼. lb: indigo uijt„ schot, alhier per publique vendutie verkogt. Wij verzoeke dat met deese papieren na de oader mag werden gehandelt. Terwijl wij voor het overige de Eer hebben met hoog agting tederblijven. /:onderstond:/ en /:getee„ kend:/ als vooren /:in maagiene:/ Palliacatta jn het Casteel Geldria den 10:' Junij A=o 1789. Aan Den

NL-HaNA_1.04.02_10017_0459 view scan ↗

English

The aforementioned Captain declares that, having arrived at the latitude of those places, he made the proper signals in order to draw out the small vessels to which he was ordered to deliver it, and that despite the efforts he made for that purpose, as no answering signal was made at the aforementioned places, nor any vessels came out, he continued his voyage, having moreover been well obliged to do so by the stormy weather he encountered there. With which we have the honor to remain, was signed as before, in the margin, Palliacatta in Castle Geldria, the 22nd of June 1789. To the same as above. We respectfully inform Your Right Honorable Worships by this that nine men, having deserted with the boat of the sloop De Liefde from Trinconomale, landed on Madaas and, pursuant to the Cartel existing between us and the English, were sent hither by them under military escort, whom we have placed aboard the Company's ship Horssen lying here in the roads, in order to be transported therewith to Batavia, together with a copy of the aforesaid Cartel, for the honored disposition of Their High Excellencies. We have the honor with respect to be, was signed as before, in the margin, Palliacatta in Castle Geldria, the 29th of July 1789. Lower, P.S., For Your Right Honorable Worships' esteemed perusal we attach hereto a copy of the aforesaid Cartel. We have the honor to inform Your Right Honorable Worships of the receipt of your letters of the 10th of February, 21st of March, and 9th of April last past, and to thank you kindly for the communication provided that the Company's ship Straalen had already departed from the Bay of Gale on the 20th of December of the past year and had sailed for Bengal, whither Captain Masson had likewise undertaken his voyage. We also express our thanks for forwarding our letter to the High Government at Batavia with the ship Berkhout that departed thither. The packet from Souratta brought to your parts with the aforementioned vessel has safely arrived, as has the Batavia letter packet by the ship Hinlopen. The packet received from Your Right Honorable Worships for Bengal met with a speedy dispatch; we have also learned with much pleasure that the small chests with papers for the Netherlands and Batavia, as well as the packets for Cochim and Souratta from here, have arrived safely, while we likewise express our thanks to Your Right Honorable Worships for that kind notification. With Your Right Honorable Worships' missive of the 9th of April, we received a Bengal packet, as well as a petition addressed to us from the bookkeeper and pay-transfer officer Bronsveld stationed here. The request made therein to be allowed, on account of his sickly condition, to remain in Your Right Honorable Worships' Government, is of such a nature that we could by no means consent thereto, on the grounds that it incontrovertibly shows that he thereby intends nothing other than to lead his creditors up the garden path, if not formally to defraud them, among whom principally belongs the local Orphan Chamber for a sum of p:r r:o 5357/1 and for sequestration funds, which two items well amount to a considerable sum of 9894. 1/16 pagodas. For this reason, we request Your Right Honorable Worships, in case the said servant cannot provide secure guarantors for the payment of the mentioned debts, to send him hither in one secure way or another at Your Right Honorable Worships' pleasure, in order to settle his affairs before the Court of Justice, for his so-called incurable illness is only a pretext. With which we have the honor to remain, was signed as before, in the margin, Palliacatta in Castle Geldria, the 8th of August, the year 1789. With the arrival of the bark De Jonge Willem Arnold, we had the honor to receive Your Right Honorable Worships' most honored letters of the 28th of August last past, alongside the five chests with uncoined gold and silver mentioned therein, received by the ship Den Arend from Batavia for this Coast; humbly thanking Your Right Honorable Worships for the sending thereof, we shall forward the letter sent to us, addressed to Their High Excellencies the Noble High Indian Government at Batavia, thither by the ship Horssen, and act properly with the received invoice amounting to ƒ278. 13. Successively we have had the honor to receive Your Right Honorable Worships' highly esteemed letters of the 26th and 28th of August, as well as the 4th, 23rd, and 27th of September last past. To the Sub-Lieutenant Johannes De Wit, who had been stationed on the ship Horssen and remained behind here due to illness, we have granted permission to proceed to Your Right Honorable Worships' Government, in order to request passage further from there. We have the honor to be with all high esteem, was signed as before, in the margin, Palliacatta in Castle Geldria, the 21st of October 1789. While we otherwise have the honor, by the bearer of this, to convey to Your Right Honorable Worships: 3 small chests with red sealing wax, 1 package with 100 pieces of wax cloths, and 4 packages with 500 pieces of drum and 500 pieces of goat skins, and we request that the enclosed memorandum amounting to ƒ2155. 9. be acted upon properly. Wherewith, wishing this small vessel a prosperous voyage, for the rest we have the honor to remain with all high esteem, was signed as before, in the margin, Palliacatta in Castle Geldria, the 28th of September 1789.

Dutch transcription

Den Captn voormeld betuijgd op de hoogte van die Aan als Vooren. plaetsen gekoomen zijnde, behoorlijke seinen ge„ daen te hebben om daer door uijttelokken de kleine vaertuijgen aen welke hij gelast was, het aftegee„ ven, en dat niet teegenstaende de moeijte die hij daertoe aengewend heeft op voorm: plaetsen geen Contra seijn gedaen werdende, nog ook geen vaertuij„ gen na buijten koom„de, zijne reijse vervolgd had, daertoe buijten dien nog wel verpligt geweest zijn, de, door het onstuijnig weer dat aldaer had aangetroffen. Waarmeede de eere hebben te verblijven /:onderstond: e /:geteekend:/ als vooren /: in maagiene:/ Palliacat„ ta in 't Casteel Geldria den 22:' Iunij 1789. Aan als booven. Wij geeven UwelEd: Groot Agtb: bij deezen eer„ biedig kennisse, dat neegen manschappen, met de schuijt van de Chialoup De Liefde van Trincono„ male gedezerteerd zijnde, dezelve op madaas aen„ geland, en volgens het Cartel dat tusschen ons; en de Engelschen subsisteerd, door hun herwaarts onder escorte van militairen overgezonden zijn, en welke wij geplaetst hebben op het alhier ter rheede leggen„ de sComp:s schip Horssen, om daer meede na Batavia, neevens Copia van voorsz: Caatel, ge„ transporteerd te werden, ter geëerde dispositie Hunner Hoog Edelheedens Wij hebben de eede met rigting te zijn /:onder„ stond:/ en /:geteekend:/ als vooren /:in margiene:/ Pal„ liacatta in 't Casteel Geldria den 29: Iulij 1789. /:Lager :/ P: S:„ Uwel Edele groot agtb: geeerde spre„ culatie voegen wij nevens deeze Copia voorschr: Cartel Wij hebben de eer uwel Edele Groot Agtb: kennis te geeven van den ontvangst van derzelver letteren van den 10: februarij, 21: Maart, en 9: April Io Leeden: En vriendelijk te danken voor de gedaene communica„ tie, dat 'sComp=s schip Straalen reets den 20: december A:o p:o uijt de Caeij van Gale vertrokken en na Bengalen was gezeild, werwaerts Capi„ tai Masson almeede zijne reijse ondernoomen had. Wij betuijgen ook onse dank voor de overschik„ king van onse brief aen de hooge regeering te Batavia met het na derwaerts vertrokken schip Berkhout. Het Paket van Souratta met eevengem: boodem â Costij aengebragt is, wel aengekoomen, gelijk meede het Battavias Brief paket per het schip Hinlopen. Het van uwelEd: Groot agtb: ontvangene paket voor Bengalen heeft een spoedige verzending gehad, ook heb„ ben met veel genoegen vernoomen, dat de kasjes met papie„ ren voor Nederland en Battavia, beneevens de paketten voor Cochim, en souratta van hier wel geworden waeren, ter„ wijl wij uwel Ed: Groot Agtb: voor die geneegene kennis geeving, onse dank almeede betuijgen. Met uwel Ed: Groot Agtb: missive van den 9: April, heb„ ben wij ontvangen een Bengaals pakket; beneevens een request van den alhier bescheidene boekhouder en soldij overdraeger Bronsveld, aen ons ingerigt. Het verzoek daer inne gedaen om weegens zijne ziekelijke omstandigheeden, in uwel Ed: Groot agtb: Aan Gouvernement 1 Aan als vooren. Aan als vooren. gouvernement te moogen verblijven, is van die natuur„ dat wij geenzints daer inne hebben kunnen bewilligen, uijt hoofden het onteegen zeggelijk aentoont, dat hij daer meede niets anders bedoelt, dan zijne Coe„ diteuren, waer onder principael behoord, de wees„ kamer alhier, voor een somma van p:r r:o 5357/1 en voor sequestratie penningen, welke twee pas„ „ten wel beloopen een aenzienlijk montant van pa„ gooden 9894. 1/16. , om den thuijn te leiden, zoo niet formeel te dupeeren. Om deeze reeden verzoeken wij uwelEd: Groot Agtb:, om bij aldien gemelde dienaer voor de betaeling der gementioneerde schulden geene secure borgen kan stellen, den zelve, op een of ande„ „re verzeekerde wijze na welgevallen van uwelEd: Groot Agtb: herwaerds over tezenden ten einde zijne zaeken voor de Raad van Ius„ titie te koomen afdoen, want zijne zoogenaem de ongeneesbaere ziekte, eenlijk een voorwendzel Waarmeede de eere hebben te verblijven. /:onderstond en /:geteekend:/ als vooren /: in margiene:/ Palli catta in 't Casteel Geldria den 8: Augustus A:o 174 Met de aaawe van de baak de Jonge Willem Ar„ nold, hebben wij de eene gehad te ontvangen UwelEdele Groot Agtb: zeer geeerde Letteren van den 28: Augustus Jo Leeden, neevens de daer bij vermelde vijf kisten met bhaar goud en zil„ ver, per het schip Den Arend van Batavia Aan als vooren. voor deeze Custe ontvangen, voor welkers toezending wij uwel Edele Groot Agtb: needaigst bedankende, zullen wij de ons toegezondene brief aen Hunne Hoog Edelhede Na Een anderen hebben wij de eere gehad te ontvangen Uwel Edele Groot agtb:s zeer geagte letteren van den 26: en 28: Augustus, item 4: 23. en 27. september laestleeden; Den sousluijtenant Iohannes De Wit, bescheiden ge„ weest op het schip Horssen, en door siekte alhier agtergebleeven, hebben wij toegestaen, om tot uw welEd=: Groot Agtb: gouvernement over te gaen, ten einde aldaer een passagie verder te verzoeken. Wij hebben de eer met alle hoog agting te zijn. /:on„ derstond:/ en /:geteekend:/ als vooren /:inmargiene:/ Palliacatta In 't Casteel Geldria den 21: October 1789. de Edele Hooge Indiasche Regeering te Bata„ via gedeficeerd, per het schip Horsen der„ waerds overzenden, en met de ontvangene fac„ tuur groot ƒ278. 13. na behooren handelen. Terwijl wij overigens de eede hebben, per brenger deezes uwel Edele Groot Agtb: te doen toe„ koomen. 3. kistjes met rood zegel lack, 1. Pak. met 100: Peesen waxdoeken, en 4. Pakken met 500: p:s Trom en 500. Peesen Bok„ ke vellen, en verzoeken met de inleggende Memorie groot ƒ2155. 9. na behooren te laeten handelen. Waarmeede wij dit kieltje een gelukkige reize toe wenschende, voor 't ovedige de eede hebben, met alle hoog agting te verblijven /:onderstond:/ en /:geteekend:/ als vooren /:in„ maagiene:/ Palliacatta In 't Casteel Gel„ dria den 28 September 1789. de is.

NL-HaNA_1.04.02_10017_0461 view scan ↗

English

and initially express our humble thanks for the notification made to the bookkeeper Bronsveld, that he must depart hither upon our summons. Likewise, we offer Your Noble Great Right Honourable our gratitude, both for the notice given of the appointed departure dates of the packet boat to the Cape of Good Hope, and for the two European cases forwarded and brought by the bark ship Trinkonomale, together with a letter from the Cape Ministers; with the received storage rent accounted for regarding the five chests of gold and silver brought for the Coast with the ship den Arend, proper action shall be taken. The two packets forwarded to us, superscribed to Their High Noblenesses the Noble High Indian Government, we have forwarded on the 19th of October last via the ship Hoosen to Batavia, and the letters for the ministers in Bengal forthwith via Madraspatnam. Furthermore, we have the honour to bring to Your Noble Great Right Honourable's respected notice that through the English Ministry at Madras, according to the Cartel subsisting between the two nations, there have been delivered to us a quartermaster and five sailors, named Ian Simon Dam, Iohannes Valler, Hendrik Kok, Jens Pietersz, Ian Fabrie, and Ionas Wieholm, who, according to their confession, having been stationed at the beacon Sensuaa, deserted with a boat from Caits to Cuddalore, and were transported from there to Madras. We have likewise placed these crew members on the ship Horsen, and sent them to Batavia at the disposal of Their High Noblenesses. And whereas we are very much at a loss for vessels here on the Coast, being unable to manage well with only the two sloops on hand, we therefore very kindly request Your Noble Great Right Honourable to cause the two dhonis built for this Coast to reach us in the coming spring, which we eagerly await in order to provide our trading posts with necessities, and in turn to transport the ready return goods from there. We attach hereto the duplicates of our letters of the 8th of August and 28th of September last, and request a kind forwarding of the enclosed letter for the Cochin Ministers. While for the rest we have the honour, after dutiful greetings, to remain with all high esteem. Signed as before. In the margin: Palliacatta In Castle Geldria the 11th of November 1789. Agreed Sijbrands First Clerk Examined J. V. Woutersz No. 41 Coromandel To The Honourable Mr. Nicolaas Tadama, provisional Senior Merchant and Commander in the government there, together with the Council, Palleakatta. Honourable Sir and Special Good Friends. We had the honour to receive Your Honours' dispatch of the 10th, 19th, and 30th of October last, together with the two bales of rough sailcloth and one bale of red upper leather mentioned in the first, and the 28 bales of blankets for Batavia and 12 ditto for the Cape mentioned in the second. We kindly thank Your Honours for the delivery of the first two, and have sent the two last-mentioned to Galle to be forwarded on occasion. The received letter for the Noble High Indian Government at Batavia we shall dispatch at the first opportunity, and the letter for the Gentlemen Ministers at the Cape we have sent together with our letter to Galle to be dispatched with the ship de Gouverneur Falck.

Dutch transcription

en betuijgen aenvankelijk onse humble dank voor de gedaene denkundiging aen den boek„ houder Bronsveld, dat hij dit heen ver„ toekken moet op onse oproeping. Desgelijks offereeren wij UwelEd Groot agtb: onse dankbaerheid, zoo wel voor het gegeven nadigt van de bepaelde ver„ taekdaegen van de pakket bood na de Caab de goede Hoop, als voor de over„ gezondene twee Europeesche kasjes per het baars schip Trinkonomale aen„ gebragt, neevens een brief van de Caabseke Ministers; zullende met de ontvangene pakhuur van aenreekening van de met het schip den Arend voor de Custe aen„ gebragte vijf kisten goud en zilver, na behooren gehandelt worden. De aen ons toegezondene twee paketten aen Haar Hoog Edelheeden de Edele Hooge Jn„ diasche Regeering gesupperseribeerd, hebben wij op den 19: october L: L: per het schip Hoosen na Batavia, en de brieven voor de ministers in Bengale, ten eersten over Madraspatnam voortgeschikt. Voorts hebben wij de eere uwelEd:e groot Agt„ baare nogter ge-eerde kennisse te brengen, dat door het Engelsch Ministerij te Ma„ dras aen ons volgens het tusschen de beide natien subsisteerend Cartel zijn uijtgelee„ verd, een quartiermeester en vijf mattroosen Wij voegen hier bij de duplikaeten onser let„ teren van den 8: augustus en 28: september: J:o Leeden, en verzoeken aen de inleggende brief voor de Cochimse Ministers eene vriendelijke voortporting. Terwijl wij voor het overige de eere hebben, na ge„ dienstige groete met alle hoog agting te zijn. /:on„ in naemen Ian Simon Dam, Iohannes valler, Hendrik Kok, Jens Pietersz:, Ian Fabrie, en Ionas Wieholm, die volgens haere bekentenisse op de Baak Sensuaa be„ scheiden geweest zijnde, met een Pol van Caits na Coedeloer gedrost, en van daer na Madras getransporteerd zijn. Wij hebben die man„ schappen meede op het schip Horsen ge„ plaetst, en ter dispositie van Haar Hoog Edelheeden na Batavia gezonden En nadien wij hier ter Custe zeer verleegen zijn om vaertuijgen, als kunnende alleen met de twee aenhanden zijnde Chialoupen het niet wel stellen, zoo verzoeken wij uwel Ed:e Groot Agtb: zeer vriendelijk, om„ de twee voor deeze Custe aengebouwde to„ nijs ons in het aenstaende voorjaer te doen geworden, waer na wij zeer verlangen om onse Comptoiren van het nodige te voorzien, en weeder de gereede retouren van daer over te bre„ in der stond: gen /:onderstond:/ en /:geteekend:/ als vooren. /:in„ maagiene:/ Palliacatta In 't Casteel Geldria den 11: November 1789. Accordeert Sijbrands VEgklerk Nagezien J„: V„ Woutersz: N:o: 41 Kormandel Aan Den E: Heer Nicolaas Tadama. P: opperkoopman en ge„ zaghebber in het gou„ vernement aldaer Nevens den Raad. Palleakatta. E: Heer en Bijzondere Goede Vrienden. Wij hebben de eere gehad te ontvangen UwEdelens missive van den 10: 19: en 30: October J:oL:, nevens de bij de eerste vermelde twee pakken huw Zijldoek en een pak rood overleer en bij de tweede vermel„ „de 28: pakken dekens voor Batavia en 12: d:o voor de Caab. Wij bedanken uwEdelens vriendelijk voor de bezor„ ging van de twee eerste en hebben de twee laestgemel„ „de na Gale gezonden om bij gelegendheid teworden verzonden. De ontvangene brief voor de Edele Hooge Jndiasche regeering te Batavia zullen we bij eerste gelegend„ heid afzenden en de brief voor de Heeren Ministers aen de Caab hebben we nevens onzen brief na Ga„ „le gezonden om met het schip de gouverneur Falck teworden afgezonden. De te ƒ

NL-HaNA_1.04.02_10017_0464 view scan ↗

English

We shall send your Honors the requested two bales of cinnamon at the earliest opportunity. We hereby present to your Honors our requisition of necessities for the year 1790, and kindly request you to be so good as to fulfill it. While writing this, we received your Honors' missive of 22 November of last year. Because, since our letter of 23 September 1788, we were forced by lack of money to have five bars of the gold mentioned therein minted into pagodas, we have ordered the Tuticorin servants to send as much of this gold as has not been minted, as well as the pagodas struck from it, with a proper accounting to Jaffnapatnam; and the servants there were ordered to transmit both to your Honors, in accordance with your request, by one of the sloops, the Herstelling or the Zeerop. And because those sloops could depart before the receipt of the gold, we sent the aforementioned Jaffna servants a copy of your letter, with orders to consider whether in such case it could be ventured without apprehension to send the gold by a cruising vessel according to your Honors' proposal; if not, to do so in such other manner as they shall judge can take place with the greatest safety. For the rest, after friendly greetings, we remain, Honorable Sir and particular good friends, your Honors' willing friend and servants, was signed, W. J. van de Graaff, P.r Sluijsken, G. E. Holst, B. L. van Zitter, A. Samlant. In the margin: Colombo, 14 January anno 1789. To the same as before. We have had the honor to receive your Honors' missive of 11 December of the past year. The ship Straalen already departed from Galle on the 26th of the said month to proceed on its voyage to Bengal, and we have therefore written to the Trincomalee servants to tell the captain of that vessel, Massou, to return as soon as possible, in order to reach his assigned vessel with the men he has with him. The received letter for the Honorable High Government of the Indies we shall forward to Batavia with the ship Berkhout. We hereby forward to your Honors a letter packet received for your Honors from Surat with the very same said ship, and add thereto the duplicate of our letter of 14 January of last year, and the duplicate of our requisition of necessities for this year. For the rest, after friendly greetings, we remain, was signed as before. In the margin: Colombo, 10 February 1789. Below: P.S. We request a safe forwarding of the enclosed packet for Bengal. To the same as before. The enclosed packet having been received for your Honors with the ship Hinloop from Batavia, we have the honor to present the same to your Honors herewith, and remain for the rest, after friendly greetings, was signed as before. In the margin: Colombo, 21 March anno 1789. To the same as before. We have had the honor to receive your Honors' missives of 14 March last. The small cases received therewith for the Fatherland and Batavia, and the packets for Cochin and Surat, we shall forward at the earliest opportunity, and try to fulfill the received requisition. We hereby present to your Honors a packet received from Bengal for your Honors, and a petition addressed to your Honors presented to us by the bookkeeper and pay-transfer clerk there, Johannes Abraham Bronveld, with the request that the same might be presented to your Honors. For the rest, after greetings, we remain, was signed as before. In the margin: Colombo, 9 April anno 1789. To the same as before. We have the honor to present to your Honors herewith a packet received from Cochin for your Honors, and remain otherwise, after friendly greetings, was signed as before. In the margin: Colombo, 4 June anno 1789. To the same as before. We have had the honor to receive your Honors' missive of 10 June last, and shall cause the invoice and memoranda received therewith to be dealt with according to custom. Meanwhile, we hereby present to your Honors a letter packet to the Gentlemen Ministers in Bengal, for which we kindly request delivery. For the rest, after friendly greetings, we remain, was signed as before. In the margin: Colombo, 15 July anno 1789. Below: P.S. We also present to your Honors herewith a letter under flying seal from the Court of Justice of this castle, addressed to the court there. To the same as before. We have had the honor to receive your Honors' esteemed letter of 22 July last, alongside the Batavian packets mentioned therein. We thank your Honors for the good conveyance thereof, and kindly request the enclosed

Dutch transcription

De gevraegde twee baelen kanneel zullen we uw Ede„ „lens bij gelegendheid toezenden. Wij bieden uw Edelens hiernevens aen onzen Eijsch van benodigtheden voor den Jaere 1790. en ver„Aan als vooren. „zoeken vriendelijk dezelve te willen voldoen. Onder het schrijven deezes ontvangen we uw Edelens missive van den 22: November J:oZ: wijl we Le„ deat ons schrijvens van den 23: september 1788. door geld gebrek genoodzaekt zijn geweest omn vijf staeven van het daerbij vermeld goud telaeten ver„ munten tot pagooden, hebben we de Tutukorijnsche bedienden gelast om zoo veel van dit goud als niet vermunt is, zowel als de daer van geslergene pagooden zijn, met een behoorlijke aenreekening te„ „zenden na Jaffenapatnam, en de bediendens aldaer ge last om het een en ander aen uw Edelens, over eenkom „stig derzelver verzoek, met een der sloepen de Herstelling of de zeer op overtezenden, en wijl die sloepen voor de ontfangst van het goud konden vertrekken hebben we de Japfenase be„ dienden voorm: uwed brief in kopij toegezonden met last om in overweging teneemen of het in zulken ge val zonder bedugting kan worden gewaegd om het goud met een kruijstonie na uwEd: voorstel verzenden, zoo niet, dat te doen op zulke andere wijze als ze zullen oordeelen met de meeste vijle heid te kunnen geschieden. wij blijven voor 't overige na vriendelijke groete /:onderstond:/ E: Heer en Bijzondere goede vr „den! UwelEdelens Dienstwillige vriend en Die naeren /:was geteekend:/ W: J: van de Graaff, Wij hebben de eere gehad te ontvangen uw Edelens mis„ „sive van den 11: xber: p:ao schip straalen is reeds den 26: van gem: maend van Gale vertrokken om zijne rijze na Ben„ „gale te vervorderen en wij hebben derhalven den Tain Conomalsche bedienden aengeschreeven, om den Capitein van dien bodem Massou aenteseg„ gen, om hoe eer zoo beeter terug tegden, ten eijnde met zijne bijhebbende manschappen op zijn bescheijden bodem te geraeken. De ontvangene brief voor de Edele Hooge Jn„ diasche regeering zullen we met 't schip Berkhout na Batavia voortschikken Wij laeten UE: hier nevens toekomen een brief paket, met even gem: schip van Souratta voor UE: ontvangen en voegen daer nog bij 't duplikaet van onsen brief van den 14: Januarij J:oZ: en 't duplikaet van onsen eisch van benodigtheeden voor dit Jaer. Wij blijven voor 't overige na vriendelijke groete /:onderstond:/ en /:geteekend:/ als vooren /:in margine:/ kolombo den 10: febr: 1789. /:Lager:/ P: s: aen het ingeslooten paket voor Bengale verzoeken wij eene Cekure voortschikking. P:r Sluijsken, G: E: Holst, B: L: van Zitter A: Samlant /:in margine:/ kolembo den 14. Januarij Ao 1789. Pr Aan als vooren. Aan als vooren. Het ingeslooten pakel met het schip Hinloop Aan als vooren. van Batavia voor uw Edelens ontvangen zijn„ „de, hebben we de eere het zelve uwEdelens hiernee„ vens aantebieden en blijven voor het overige na vriendelijke groete. /:onderstond:/ en /geteekend.) als vooren /:In maagiene:/ kolombo den 21:e Maart Ao 1789. Wij hebben de eere gehad te ontvangen uwEde„ lens missives van den 14: Maart Iongstleeden, De daarneevens ontvangene kasjes voor het vaderland en Batavia en de paketten voor Cochim en Souratta zullen we bij gelegent„ heid voortschikken en den ontvangen Eijsch taag„ ten te voldoen. We bieden uw Edelens hierneevens aen een pa„ ket van Bengale voor uwEdelens ont„ vangen en een request aan uwEdelelens ge„ rigt, door den boekhouder en zoldij overdaal„ ger aldaer Johannes Abraham Bron Aan als vooren. veld aan ons gepresenteerd, met verzoek dat hetzelve aen uw Edelens mogte worden aengebooden wij blijven voor het overige na groete. /:onder stond:/ en /:geteekend:/ als vooren /:in margie„ no / kolombo den 9: April A:o 1789. We hebben de eer gehad te ontvangen uw Edelens missive van den 10: Iunij Iongstleeden, en zullen met de daarmede ontvangene faktuur en Me„ mories na den gebruijke doen handelen, intusschen bieden we uw Edelens hierneevens aan een brief paket aan de Heeren Ministers in Bengale, waar voor we vriendelijk addaesse verzoeken Wij blijven voor het overige na vriendelijke, groete /:onderstond:/ en /:geteekend:/ als vooren /:in mar„ „giene:/ kolombo den 15: Iulij Ao 1789. /:Lager:/ P: S: Nog bieden wij UEd:s hier neevens aan, een brief on„ der Cachet volant van den raad van Justitie deezes kasteels, aan de geregte aldaer gerigt. Wij hebben de eer gehad te ontvangen uwEdelens g'agte letteren van den 22: Iulij Jongstleeden neevens de daer bij vermelde Bataviasche paketten. we bedanken Uw Edelens voor de goede bezor„ ging daer van en verzoeken vriendelijk het Wij hebben de eer uw Edelens hierneevens aantebieden een paket van Cochim voor uw Edelens ontvangen en blijven overigens na vriendelijke groete. /:onderstond:) en /:geteekend :/ als vooren. /: in maagine:) kolombo den 4. Junij Ao 1789. Aan ingeslooten Aan als vooren.

NL-HaNA_1.04.02_10017_0466 view scan ↗

English

to be so kind as to dispatch the enclosed packet with the ship Hoossen to the Noble High Indian Government at Batavia. For the rest, after friendly greetings, we remain. Subscribed and signed as before. In the margin: Kolombo, 18 July 1789. Lower down: P.S. We also present to Your Honors herewith the duplicate of our latest of the 15th of this month. The Noble High Indian Government has informed us of the decision of the Gentlemen Masters to employ packet boats for the reciprocal conveyance of letters, with orders to inform Your Honors of the appointed departure time of the packet boat that is designated to make two voyages from Ceilon to the Cape of Good Hope between the month of February and the month of November, in order that Your Honors may send your papers for the motherland to Ceilon in time. The packet boat designated for Ceilon has not yet arrived here, and we can therefore not determine with certainty when the same can be dispatched; however, it serves meanwhile for Your Honors' information that if this vessel should arrive here during this or the coming month, we shall then have it make the first voyage to the Cape by the end of next month. In the uncertainty of whether Your Honors are already provided with the plan regarding the employment of the packet boats, we enclose a copy thereof herewith, and as soon as we have determined the fixed sailing days of the Ceylon packet boat for the future, we shall give Your Honors further notice thereof. We request you to kindly forward the enclosed letter for the Gentlemen Ministers in Bengale at the first opportunity. For the rest, after friendly greetings, we remain. Subscribed and signed as before. In the margin: Kolombo, 5 August 1789. Lower down: P.S. We also convey to Your Honors herewith our duplicate letter of 18 July last. The bookkeepers Johannes Abraham Bronsveld and Fredrik Hendrik Leembruggen have presented us with a petition, of which we offer Your Honors a copy herewith. We have no objection to it as far as the bookkeeper Leembruggen is concerned, and if Your Honors should also consent to the request of the bookkeeper Bronsveld, we request you to kindly send us his closed pay account. We shall then likewise send Your Honors the pay account of Leembruggen, whom we have meanwhile permitted to depart thither for a short trip. For the rest, after friendly greetings, we remain. Subscribed and signed as before. In the margin: Kolombo, 26 August 1789. The Noble High Indian Government has sent us with the ship den Arend, as appears from the accompanying extract from their highly esteemed letter of 26 June last, five chests of bar gold and silver for further forwarding to Your Honors, and we now have the honor to present the same to Your Honors via Trinconomale with the sloop de Jonge Willem Arnold, and send enclosed herewith the invoice received thereof and the impressions of the seals with which the aforementioned chests are sealed. We subsequently request that the aforementioned sloop be sent back again. For the rest, after friendly greetings, we remain. Subscribed and signed as before. In the margin: Kolombo, 28 August 1789. Lower down: P.S. If the ship Houssen should not yet have departed upon receipt of this, we request Your Honors to kindly send the enclosed letter with it to the Noble High Indian Government at Batavia. We add hereto an invoice of today amounting to 278 florins and 13 stuivers. We have had the honor to receive Your Honors' esteemed letter of 29 July last, and offer friendly thanks for the information communicated therein regarding the deserted crewmen of our vessel de Liefde. According to the promise in our letter of 5 August last, we now inform Your Honors that we have determined the departure days of the packet boat to the Cape of Good Hope for the future to be mid-May and the end of August. We present to Your Honors herewith a letter packet received from Batavia for Your Honors with the ship de Zaanstroom, and a letter for the ministers at Houghly, which we request to be forwarded thither as quickly as possible.

Dutch transcription

ingeslooten paket met het schip Hoossen aen de Edele Hooge Jndiasche regeering te Ba„ tavia te willen afzenden. wij blijven voor het overige na vriendelijke groete. /:onderstond:/ en /:geteekend:/ als voor /:in margiene:/ kolombo den 18: Iulij 1789. /:La ged:/ P: C: Nog bieden we uw Edelens hiernee„ vens aen het duplikaet onzer laetsten van den 15: deezer. De Edele Hooge Indische regeering heeft ons kennis gegeeven van 't besluijt van de„ Heeren meesters, om tot 't over en weder brengen van brieven, paquet booten te emplo„ eeren, met last om den uwelEdelens te in„ formeeren, van den bepaalden vertrek tijd de paquet boot, die bestemd is om van de maand februarij tot de maand noves bed, twee togten van Ceilon na de Caab de goede Hoop te doen ten einde uwel Edelen derzelver papieren voor 't vaderland, in tijds naer Ceilon „ kunnen zenden. De voor Ceilon bestemde paquet boot is hier nog niet, aengekoomen, en we Aan als vooren. kunnen dus niet voor vast bepaalen, wanneer de zee„ ve kan gedepecheerd worden; dog dient intusschen tot uwel Edelens narigt, dat zoo dit vaar„ tuijg in deeze of de aanstaande maand hier mogte aankoomen, wij als dan 't zelve met 't laaste van de aanstaande maand, de eerste togt na de Caab zullen laaten doen. In de onzeekerheid of uwel Edelens reeds voor„ zien zijn van 't plan, nopens 't emploij der paquet booten, voegen wij daar van een afschrift hierneevens, en zoo dra wij de vaste Zijldaagen van de Cijlonsche paquetboot voor den aan„ staande zullen hebben gerequireerd, zullen wij Uwel Edelens daar van nader kennis geeven Den inleggende brief voor de Heeren Ministers in Bengale verzoeken we bij eerste geleegent„ heid te willen voortzenden. Wij blijven voor het overige na vriendelijke groete. /: onderstond:/ en /:geteekend:/ als vooren /:in margiene:/ kolombo den 5:e Augustus A:o 1789. /:Lager:/ P: C: onzen duplicaat ten letteren van den 18. Julij J: L: laaten wij uwelEdelens bij deezen meede toekoomen. De boekhouders Johannes Abraham Bronsveld en Fredrik Hendrik Leembrug Aan als vooren. kunnen gen voorm: sloep verzoeken we vervolgens weder terug Aan als vooren. gen hebben ons een request gepresenteerd, waerva we Uw Edelens hierneevens kopij aenbieden, we heb„ teegen „ben er niets zoo veel de boekhouder Leembruggen aangaat, en wanneer uwEdelens ook mogte be„ willigen in het verzoek van de boekhouder Brond„ veld, verzoeken we gemelden ons te willen zenden zijn afgesloote soldij reekening. we zullen uw Edeleens dan insgelijks toezenden de zoldijreekening van Leembruggen die we intusschen hebben gepermit„ „teerd na derwaerds voor een springtogt te ver„ trekken. Wij blijven voor 't overige na vriendelijke good Aan als vooren. „te. /:onderstond:/ en geteekend:/ als vooren. /= in margiene:/ kolombo den 26: aug:s 1789. De Edele Hooge Jndiaschese regeering heeft ons met het schip den Arend; blijkens neevens gaende Extrakt uijt hoogst derzelver ge eerde missive van den 26: Iunij Jongstleeden toegezonden vijf kisten met bhaer goud en zilver ter verdere bezorging aen uw Edelen en wel hebben de eere dezelve uw Edelens tans aentebieden over Tainconomale met de sloep de Jonge willem Arnold, en zenden hier ingeslooten de daer van ontvangene fak„ „tuur en de afdrukzels van de zeegels waer„ meede voormelde kisten verzegeld zijn. De te zenden. wij blijven voor het overige na vriendelijke groete. /:onderstond:/ en /: geteekend:/ als vooren /: in maa„ giene:/ kolombo den 28: aug:s 1789. /:Lager:/ P: S: zoo het schip Houssen bij ontfangst deezes nog niet mogte vertrokken zijn, ver„ „zoeken we uw Edelens den inleggende brief daer„ meede te willen afzenden aen de Edele Hooge Indiasche regeering te Batavia. we voegen hier bij een faktuur van heeden groot ƒ 278:13. Wij hebben de eer gehad te ontvangen uwel Edelens geagte letteren van den 29: Iulij J:o Z:, en bedanken vriendelijk voor 't daer bij bedeelde, noopens de gedecerteerde manschappen van onze baak de liefde volgens belofte bij onzen brief van den 5: aug:s J: Z:, geeven wij uwel Edelens tans bedigt, dat we de vertrek daegen van de paket boot na de Caab der goede Hoop, voor den aenstaen„ de hebben bepaeld op medio maij en ult:o au„ gustus. Wij bieden uwel Edelens hier neevens aen een brief paket, met 't schip de zaanstroom voor uwel Edelens van Batavia ontvangen, en een brief voor de ministers te Houglij, die we ver„ zoeken zoo spoedig het geschieden kan derwaerds voorm: te 5

NL-HaNA_1.04.02_10017_0468 view scan ↗

English

To the same as before. to be forwarded. In addition, the said ministers are informed of the arrival at Galle of the ship Spaarne, which sailed for Bengal, and the 34 chests of silver ingots brought along with it for the Bengal Direction, of which prompt notice will presumably be of great service to Your Honors in taking corresponding measures. For the rest, after friendly greetings, we remain. Subscribed and signed: as before. In the margin: Colombo, the 4th of September 1789. We had the honor to receive Your Honors' esteemed letter of the 8th of August last, and we thank Your Honors for the proper dispatch of our letters to Bengal. Bookkeeper Bronsveld has been notified that he has been summoned by Your Honors and must depart. With the bark ship Trinconomale, two small boxes from the fatherland and a letter from the Cape of Good Hope were brought for Your Honors; the latter we offer to Your Honors enclosed herewith, alongside a duplicate invoice of the account of the five chests of gold and silver brought for Your Honors with the ship den Arend, which were sent to Your Honors via Trinconomale with the sloop den Jongen Willem Arnold, and the duplicate of our latest letter of the 4th of this month. The aforementioned two small boxes will be sent to Your Honors by the Jaffna servants. For the rest, after friendly greetings, we remain. Subscribed and signed: as before. In the margin: Colombo, the 23rd of December 1789. The Noble Supreme Government of the Indies has instructed us by dispatch of the 17th of April last to make an arrangement for maintaining regular correspondence with the remaining stations to the west of India. We offer Your Honors herewith a letter addressed to the Gentlemen Ministers in Bengal, with the friendly request to provide it with an address: For the rest, after friendly greetings, we remain. Subscribed and signed: as before. In the margin: Colombo, the 27th of December 1789. We have the honor to offer Your Honors herewith a packet of letters received here yesterday from Batavia for Your Honors with the ship Huijsduijnen. With the said ship, a chest of bar gold of 15 carats was also brought for Your Honors' government, which we shall forward to Your Honors via Jaffna as soon as possible. For the rest, after friendly greetings, we remain. Subscribed and signed: as before. In the margin: Colombo, the 28th of October 1789. We have therefore resolved at the session of the 16th of October last, as appears from the enclosed extract of our resolution, to send a letter to Your Honors every three months, beginning at the end of coming December, whether there is something to communicate of which it is of any importance that Your Honors be promptly informed or not, since it can also sometimes be useful for the western stations to know from one another that nothing has occurred. These letters of ours will be dispatched via Tuticorin with the English posts, addressed only to the Gentlemen Chiefs and sealed with the private seal of the first-signed Governor, and the letters for Surat will be addressed to Cochin with the request to the Gentlemen Ministers there to forward them along the shortest and most convenient route, either via Bombay or directly to Surat. We kindly request Your Honors to consider whether Your Honors, in order to satisfy the aforementioned intention of Their High Excellencies, might likewise approve sending a letter to this government every three months in the manner described above. Since we have received instructions with the ship Trinconomale determining the departure days of the packet boats, we offer Your Honors a copy thereof herewith, communicating at the same time that we have accordingly decided to dispatch the Ceylon packet boat on the 1st of May and the 1st of October. And since it may be of use to those who choose to send their private letters from there via Ceylon to know the arrangements we have made in this regard for this government, we also append hereto a copy of the plan adopted for that purpose in our aforementioned Resolution. For the rest, after friendly greetings, we remain. Subscribed and signed: as before. In the margin: Colombo, the 3rd of November 1789. Lower down: P.S. We also offer Your Honors herewith the duplicates of our letters of the 23rd of December and the 28th of October last, and a letter for the Gentlemen Ministers in Bengal, which we request you to forward at the first opportunity. The Jaffna servants have been ordered to send the gold chest received from Batavia for Your Honors and mentioned in our letter of the 28th of October last to Your Honors in the best possible manner. The account thereof received from Batavia we offer to Your Honors herewith. For the rest, after friendly greetings, we remain. Subscribed and signed: as before. In the margin: Colombo, the 5th of November 1789.

Dutch transcription

Aan als vooren. te willen voortschikken. Daar bij word aan gem: ministers bedeelt de aankomst te gale van het voor Bengale uijtgekoomene schip Spaarne en het daer mede voor de Bengaalse direksie uijtgebragte 34: kisten met zilver aen staeve, waer van de spoedige kennis UEdelens in het neemen van dezelve maetregeten naestdenke, Aan als vooren. lijk van veel dienst zijn zal. Wij blijven voor 't overige na vriendelijke groete. /:onderstond:/ en geteekend:/ als voor /:in margiene:/ kolombo den 4: September 1789. Wij hebben de eere gehad te ontvangen Uw Edelens geagte missive van den 8: Aug:s Iongstleeden, Aan als vooren. en bedanken uwEdelens voor de goede bezorging on„ zer brieven naer Bengale. De boekhouder Bronsveld is aengekundigt dat hij door uwEdelens opgeroepen is en vertrekken moet. Met het baars schip Trinconomale zijn voor Uw Ed lens aengebragt twee kasjes uijt het vaderland en een brief van de Caab de goede Hoop, de laaste bieden we uw Edelens hier ingeslooten aen, neeven een duplikaet faktuur van aenreekening van de met het schip den Arend voor UwEdelens aen „ Aan als vooren. gebragte vijf kisten met goud en zilver, die met de sloep den Jongen Willem Arnold over Trin„ conomale aen uEdelens zijn gezonden, en het De Edele Hooge indische regeering heeft ons bij missive van den 17: April J:o leeden aengeschreeven om eene schikking temaeken ter onderhouding van eene gereegelde Correspondentie met de overige kantooren om de west van Indië. Wij bieden Uw Edelens hierneevens aen een brief ge„ digt aen de Heeren ministers in Bengale, met vriendelijk verzoek daar aen addresse te willen ver„ leenen: Wij blijven voor 't: overige na vriendelijke groete 7: Onderstond:/ en /:geteekend:/ als vooren /:in maagine„ Kolombo den 27: xber: 1789. Wij hebben de eer uw wel Ed:s hierneevens aen te bieden een brief paket met het schip Huijsduijnen van Batavia voor uw welEd:s gistra alhier ontvangen. Met gemeld schip is ook voor uw„ welEd:e gouvernement aengebragt een kist met bhaar goud van 15: karaeten, die we uw welEd:s over Jaffena ten eersten zullen toezenden. Wij blijven voor het overige na vriendelijke groe„ te /:onderstond:/ en /:geteekend:/ als vooren /:inmaagiene:/ kolombo den 28: october 1789. duplikaet onzer laetste van den 4: deezer: De voormelde twee kasjes zullen UE: door de Jaf„ fenase bediendens worden toegezonden Wij blijven voor het overige na vriendelijke groete. /:onderstond:/ en /:geteekend:/ als vooren /:in margine:/ kolombo den 23: xber: 1789. duplikaet We e We hebben daarom ter sessie van den 16: october I:o Leeden blijkens ingeslooten extrakt onzer reso„ lutie, beslooten, om, alle drie maenden, te beginnen met ultimo December aenstaende aen uw welEd:s een brief te laeten afgaen het zij dat er iets te bedeelen zij waer van het van eenig belang is, dat uw wel Ed:s daer van spoedig zijn geinformeerd, of niet, wijl het ook zelfs somtijds zijne nuttigheid voor de westensche kantooren hebben kan on„ derling van malkanderen teweeten, dat er niets voorgevallen is. Deeze onze brieven zullen worden afgezonden over Tutukorijn met de Engelsche posten beschree„ ven alleen aen de Heeren Hoofdgebieders en ver„ zegeld met 't partikulier Cachet van den eerst ondergeteekenden gouverneur en zullen de brieven voor souratta worden geaddresseerd na koetsiem met verzoek aen de Heeren Mi„ nisters aldaer om dezelve langs de kortsten van als vooren en bekwaemsten weg voorttezenden, 't zij over Bombaij dan wel direkt na souratta. Wij verzoeken uw welEd:s vriendelijk in beden king te willen neemen, of uw wel Ed:s ter voldoening aen de voorschreeve intentie van Hunne Hoog Edelheeden niet insgelijks zou„ den kunnen goedvinden, invoegen voorschreeve alle drie maenden een brief aen dit gouver„ nement telaeten afgaen. vermits we met het schip Trinkonomale een aenwijzing hebben ontvangen, bepaelende, de vertrekdaegen van de saket booten bieden wij uw wel Ed:s een afschrift daer van hier„ neevens den, met Communikaatie teffens dat we overeenkomstig daer meede hebben be„ slooten de Ceilonsche paket boot op den 1: Maij en 1: october te depecheeren. En wijl het den geenen, die hunne partikuliere brieven van daer over Ceilon verkiesen te zen„ den, van nut kan zijn teweeten de schekkingen, dit we daer vnen omtrend voor dit gouvea„ nement hebbe gemaekt, voegen wij nog hier bij een afschrift van het projekt daer toe bij voorschr: onze Resolutie gearresteerd. Wij blijven voor het overige na vriendelijke groe„ te /:onderstond:/ en /:geteekend/ als vooren /:inmargiene:/ Kolombo den 3: 9ber: 1789. /:lager:/ P: S: Wij bieden uwwelEd:s hiernee„ vens nog aen de duplikaeten onzer brieven van den 23: xber: en 28. october J:o Leeden en een brief voor de Heeren Ministers in Bengale, die we„ verzoeken bij gelegentheid te willen voort„ zenden.. De goudkist voor uwwel Ed:s van Batavia ontvangen en vermeld bij onsen brief van den 28: october J:o Leeden zijn de Iaffenasche be„ dienden gelast, om op de best mogelijkste wijse den uw welEd:s overtezenden. De van Batavia ontvangene aenreekening daer van bieden we uw wel Ed:s hierneevens aen. Wij blijven voor het overige na vriendelijke groete. /:onderstond:/ en /:geteekend:/ als vooren /:inmargiene:/ kolombo den 5: Novem„ ber 1789. dat Aan

← previousnext →