Inventory 10017
Ceylon · 750 pages · 243 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
The gold and silver which the ship den Arend brought for Coromandel we are now sending from Trincomalee with one of our sloops forwarded to Paleakatta. To receive Your Right Honorables' very respected collective and separate letters of 2 and 26 June, the answering of which we, under your favorable approval, will postpone until a direct opportunity presents itself. That which was recommended therein will serve for our dutiful guidance, while we further humbly thank Your Right Honorables for the grains and other goods sent to us therewith. The ship den Arend departed yesterday for Galle in order to be put in condition there for the homeward voyage, and according to Your Right Honorables' recommendation, we will also employ as return vessels the ships designated for that purpose by Your Right Honorables, the Zaanstroom and Westduin, alongside one of the ships expected from the Netherlands. We commend Your Right Honorables and the interests of the Company to God's safe keeping and remain with all respect and fidelity. Underneath was written: Right Honorable, Grandly Esteemed, Wide-Commanding Lord, Honorable, Steadfast Lords, Your Right Honorables' humble and very obedient servants. Was signed: W. J. van de Graaff, P. Sluysken, M. P. Raket, C: Tilenus, J. Reintous, B. L. van Zitter, A. Jamlant, J. A. Vollenhove. In the margin: Colombo, 28 August 1789. To the same as before. Paragraph 1. After our respectful letters of 18 July and 28 August last, of which the duplicates accompany this, were dispatched to Paleakatta, the ship de Zaanstroom arrived here in the roads on the 1st of this month, and brought to us therewith Your Right Honorables' very respected letter of 10 July past. Paragraph 2. Now we take the liberty to reply to Your Right Honorables' venerated letters successively received, dated 17 and 28 April, 2 and 26 June, and 10 July aforesaid. Paragraph 3. In the future, we will leave the choice to the captains of chartered ships to provide themselves with the necessary cordage from private individuals or to take it from the Company, and in the latter case have them asked what calibers they desire. Paragraph 4. The sending of ships to the opposite coast to collect textiles has also been done frequently in the past; among many other examples are that of the ship Woestduijn sent to the opposite coast in the year 1772 to take in the textile bales of Tuticorin, Punnaikayal, and Manapad to transfer them to Galle; in the year 1773 the ship Oud Haarlem; in the year 1775 the ship Nieuw Rhoon; and many other ships in various subsequent years. Paragraph 5. All ships and vessels that must go from here to Galle must, from the end of May to sometimes late in October, according to how the west winds continue to blow, cross over to the opposite coast to be able to get windward of the headland of Barberyn, and this can thus take place without inconvenience. Besides this, the sloops that we subsequently need for transferring the cinnamon and other necessary shipments, if we used them in the southwest monsoon for trips to Galle, would have to remain lying there without being usable for anything more until late October or the beginning of November. Paragraph 6. We will take the order regarding the packet boats for our dutiful guidance, and because we had not yet received the letter templates promised therewith, we have provisionally, for private letters sent from this Government by sea to places situated in the Indies, stipulated the same postage that was set upon them by Your Right Honorables in the resolution sent to us of 14 April last, namely five Indian stuivers for each single-sheet letter, and proportionally for larger ones; but now that we have received a set of stamps and templates with the ship Tuin Trincomalee, we will make the necessary further arrangements regarding letters for the Netherlands and the Indies. Paragraph 7. Although no packet boat has arrived here yet, we have decided that if the first one we expect arrives in time for it, to dispatch the same at the end of this month. Provisionally, for the future, we have set the departure dates of these vessels at mid-May and the end of August, of which notice has been given, according to Your Right Honorables' order, to the gentlemen Ministers at Cochin. Paragraph 8. Likewise, we will make use of the aforesaid vessels as much as possible to accommodate the Cape Government with what is requested from there, and ask the Ministers there to send to us therewith, if it can be done, the things that we request from there. Paragraph 9. We will, if possible, see to it that the captains of chartered ships are obliged to deliver their rice cargoes to the pier where the cargo vessels usually unload, and have also given the necessary orders to that effect to the servants at the subordinate offices. Paragraph 10. Henceforth we will send the gold and silver that we receive for Coromandel, Hooghly, and Surat to Paleakatta with one of our sloops; if it should appear hereafter that any change must be made in this, we will do so and have the honor to inform Your Right Honorables in due time.
Dutch transcription
't goud en silver, wat 't schip den Arend voor„ Kormandel aangebragt zenden we tans van Trin= onser sloepen na Palea= geschikt. t: te ontfangen, uwer Hoog Edelheede zeer gerespecteerde gemeene en sehr Missives van den 2 . en 26' Junij, welk beantwoording we onder gunstig wel men, tot eene directie geleegentheid z uijt stellen Het daar bij aanbevoolene Konomale om met een zullen we ons tot schuldig naaicht Katta tewoorden vord ten strekken terwijl wij uwen Hoo Edelheeden voorts nedrig bedanken, voor de graanen en andere goederen ons daar meede toegezonden t: schip den Arend is gisteren na Galer trokken, om aldaar tot de t' huijs v te worden in staat gesteld en we zullen volgens uwer Hoog Edelheden aanbev „ling, nog tot retourbodems emploije de door uwe Hoog Edelh: daar toe be stemde scheepen de saanstroom en Wa duin, nevens een van de verwagt wor de scheepen uit Nederland Wij beveelen uwe Hoog Edelh: en de bu „gen der Maatschappij in Godes veilige hoede en blijven met alle eerbied en §. 1. Naa dat onse eerbiedige brieven van den 18:' Julij en 28. ' aug:s Jzeeden waar van de duplicaaten deesen versellen, na Palleakat„ „ta waeren afgevaardigd, is den 1. deezer 't schip de zaanstroom alhier ter rheede gearriveerd, en daar meede ons toegebragt uwer hoog Edelheeden zeer gerespecteerde Missive van den 10:' Julij bevoorens. 3. 2. Ians gebruijken we de vrijheijd te ant„ woorden op uwer Hoog Edelh: sucsescive ontvangene Gevenereerde brieven de datis 17. trouwe /:onderstond :/ Hoog Edele Groot Achtb: wijd gebiedende Heer wel Edele Gestaenge Heeren uwer Hoog Edelheedens onderdanige en zeer ge„ hoor zaeme dienaaren /:was geteekend:/ w: J: van de Graaff, P: sluijsken, M: P: Rakel, C: Tilenus, J: Rein„ „tous, B: L: van Zitter, A: Jamlant, J: A: vollenhove, /:in margine:/ kolombo den 28. ' augustus 1789. — Aan als vooren. trouwe en 28. april 2. en 26. Junij en 10 voormeld. I. 3: we zullen in den aanstaande, aan de „pers van ingehuurde scheepen in hun keusen laaten, om zich van het benode touwerk bij particulieren te voorsien dan wel het van de Comp: te neemen en in 't laaste geval hen doen vraag van welke Calibers zij 't begeeren. I. 4. Het zenden van scheepen na de overwal tot het afhalen van lijwaaten is ook voor deezen te meermalen gedaan zoo onder veele andere voorbeelden die van zijn in het Jaar 1772: het schip woestduijn gesonden na de overwal„ in te neemen de Lijwaat pakken va Jutukorijn Ponnekail en Mannapa om die overtebrengen na Gale in hetJa 1773. het schip oud Haarlem in het Ja 1775. het schip nieuw Rhoon en veele andere scheepen in verscheijde hier aan volgende Jaaren. 3. 5: Alle scheepen en vaartuijgen, die van na Gale moeten, moeten van het laatst van Maij tot somtijds laat in october, naar dat de weste winden blijven doar staan, na de overwal oversteeken om boven de hoek van Berberij te kunnen geraaken en kan dit dus zonder on„ „gelegentheijd geschieden. Boven dien zoude de sloepen die we vervolgens nodig hebben tot het overbrengen van de kanneel en andere noodwendige bestellingen wan„ neer weeze in de Z: w: mousson ge„ bruikten tot togten naer Gale daar moeten blijven leggen, zonder dat ze tot iets meer te gebruijken zijn tot in het laatst van october of het begin van November I. E. wij zullen de order nopens de pakket booten tot ons schuldig narigt neemen en wijl we, de daar bij toegesegde formaaten voor de brieven toen nog niet hadden ontvangen, hebben we bij provisie voor de particuliere brieven, die van dit Gouvernement over zee na plaatsen in Jndia geleegen, worden gezonden na bepaald bepaald het zelfd part geld dat door Hoog Edelh: daar op gesteld is bij de ons toegezondene resol: van den 14:' Apri zeeden te weeten vijf Jndische stuijv voor elke brief van een vel, en voor grooter naar advenant doch nu w met 't schip Tain Conomale een stel stempels en formaaten hebben. ontvan „gen, zullen we nopens de brieven voor Nederland en de Jndien nader de nodige schikkingen maaken. 3. 7. schoon hier nog geen paket boot aangek „men is, hebben we beslooten, om indien de eerste die we te verwagt hebben daa toe nog tijdig genoeg aan komt deselv met het laatst van deeze maand te depecheeren Bij voorraad hebben weo den aanstaande de vertrek dagen das vaartuijgen bepaald op medio Maijer ultimo aug:s waar van volgens uw Hoog Edelh: order kenmnis gegeeven aan de heeren Ministers te koetsiem schippers van ingehuur„ §. g. We zullen de de scheepen des mogelijk zien te ver „plichten om hunne rijstlaadingen te leeveren aan 't zeehoofd daar de las„ vaartuijgen gewoonlijk lossen en hebben ook daar toe nodige order gegeeven; aen de bedienden op de onderhoorige kantooren §. 10. Voortaan zullen we 't goud en zilver dat we voor kormandel ontvangen, met een van onse sloepen na derwaards zenden Hougli, soeratta en Paleakatta zoo het na deese mogte blijken dat daer in eenige verandering moet worden gemaakt, zullen we dat doen en de eere hebben tot uwe Hoog Edelh: in der tijd te bedeelen § 8. Insgelijks zullen we van voorm: vaartuijgen ons zoo veel mogelijk bedienen, om 't Caabsche Gouvernement te gerieven met het geen van daar g'eischt word en de Ministers aldaar versoeken, om ons daar meede, zoo het geschieden kan„ te senden de dingen die we van daer eisschen Hougli, gelijk
English
as we have already done with five chests of gold and silver received by the ship De Arend, according to our respectful letter of 28 August last. § 11. When the orphanage was used as a barracks, we had seven companies of the Luxembourg regiment in garrison here; in contrast, we have retained only four companies of the Meuron regiment here. Yet it was not so much this consideration, but rather because in the old ammunition house there is no space to store iron cannon and the cannonballs, which lie in the open air and thereby suffer very great damage, that made us take the liberty of proposing to Your High Nobilities to use the orphanage as an ammunition house. And the further proposals made on that occasion were made solely in order to be able to do this in such a manner that the one could compensate for the other. § 12. The payroll clerks have declared that they urgently require the four additional clerks assigned to them in order to manage the pay books, which are required for the chambers of the southern and northern quarters more than previously. We submit herewith to Your High Nobilities a copy of the petition submitted by them in this regard, and most humbly request Your High Nobilities' highly esteemed decision thereon, as well as regarding the additional clerks assigned at the same time to the Political Secretariat and to the Trade Office here, according to what was communicated in our respectful letter of 17 October past, § 55. § 13. In our respectful letter of 29 December 1787, No. 31, we dutifully informed Your High Nobilities that we had contracted for 7000 bags of rice from Messrs. Mercier and de Bonvous at 5 rupees per last of 62 ½ pounds. § 14. We have earnestly instructed the officials, both on this island and on the opposite coast, to make every possible effort toward the complete fulfillment of Your High Nobilities' requisition for ray skins; however, we strongly doubt whether the full requisition can be met, since the catch of this fish, according to the reports received, is not very large. § 15. Your High Nobilities' recommendation to refer to the Court of Justice all petitions containing complaints regarding judgments that are not subject to appeal will serve as our guide for the future. However, we humbly request that Your High Nobilities be so good as to instruct us whether this referral must occur simply and without any qualification, or whether we may, in doing so, annul such sentences when they appear inequitable to us, and authorize the Court of Justice to admit the parties to a rehearing. We ask this question all the more because we fear that a simple referral to the Court of Justice will be of no benefit to the complaining party, because the Court of Justice, as long as its final sentence remains in force, will have to adhere to the rule that the power of a judge ceases with the pronouncement of the sentence. § 16. We have, by our resolution of 26 August last—which is transmitted in extract among the appendices and to which we beg leave to refer—ordered the chosen Commander of Galle, Sluijsken, while providing him with an extract from Your High Nobilities' aforementioned letter of 17 April, to fulfill the intention of Your High Nobilities as soon as it can be done. § 17. Likewise, we have recommended to the Dissave Faetsz, with the provision of an extract from Your High Nobilities' aforementioned letter, to explain himself specifically on every article of the aforementioned report of Commander Sluijsken; and when he has complied with this recommendation of Your Nobilities, we shall submit a further report thereof to Your High Nobilities. § 18. The servants confirmed by Your High Nobilities in their obtained offices and nominated to the Netherlands for the acquisition of the corresponding qualities, both humbly offer their dutiful gratitude for this. § 19. Due to the departure of the Minister Saafman to Batavia, we had to call the Minister Meijer to the Dutch congregation here, particularly because the churches and native schools, which according to the distribution thereof were entrusted to the care of the former, could not remain unattended; and as two of our ministers are already very aged, we hope that Your High Nobilities will favorably see fit to provide Paleakatta with a minister in another manner, and that the Minister Meier may remain on Ceilon, toward which he also seems more inclined. § 20. We have requested from Jaffenapatnam a statement of the provisions made to the Wannia Nella Naatja, who has since died, and her family, and of what has already been received in reduction thereof from the revenues of her lands; and we shall have the honor of presenting the same to Your High Nobilities on a future occasion. In the meantime, the possessions of these people are amply sufficient to satisfy the Company therefrom. § 21. Strictly speaking, the French certainly ought to have taken upon themselves the damage caused to the ship De Pallas; but they then had the mastery at Trinconomale and usually paid little heed even to the most reasonable representations, especially a party of young officers. One may rightly reckon these things among those injustices that one sometimes
Dutch transcription
gelijk we dat reets gedaan hebben met vijf kisten goud en zilver on „fangen met het schip De Arend volg onsen eerbiedigen brief van den 28.:' aug J zeeden. 3. 11. Toen het weeshuijs tot een Caserneis gebruikt hadden we hier seven Com van het regiment van Luxemburg guarnisoen, daer en teegen hebben we alleen vier Comp: van het oegiment Meuron hier aangehouden dan niet zeer deeze konsideraatsie dan wel om dat er in het oude ammonitie huijs geen plaats is tot het bergen van eizer kanon en de kogels, die in de op „lugt leggen, en daar door zeer veel scha lijden, heeft ons de vrijheid doen gebruik uw Hoog Edelh: het voorstel te doen, het weeshuijs tot een ammonietsie hui te gebruiken en de verdere voorstellen te dier gelegentheid gedaan zijn alleen geschied om dit te kunnen doen op een wijze, dat het eene het ander na ge konde goed maaken §. 12. De zoldij bedienden hebben verklaard, de aen hun toegevoegde vier meerdere schribenten hoogstnoodig te hebben om de zoldij boeken die voor de kameren van het zuijder in noorder quartier, meer dan bevoorens gerequireerd zijn, te kunnen bezorgen wij bieden Copij van het door hun derwee„ „gens ingediend addres, uwen Hoog Edelh: hier neevens aan, en verzoeken zeer nedrig uwer Hoog Edelh: zeer g'eerde dispositie daar op, zoo wel, als omtrent de ter zelver tijd, aan de secretarij van Politie en aan het Negotie Cantoor alhier toegevoegde meerdere schribenten, vol„ „gens het bedeelde bij onzen eerbiedigen van den 17. ' october pass=o §. 55. — §. 13. Bij onzen eerbiedigen van den 29:' xber: 1787. N: 31. hebben wij uwen Hoog Edelh: schuldplichtig bedeeld, dat we 7000. zakken rijst van de Heeren Mercier en de Bonvous hadden konde gecontracteerd gecontracteerd tegens 5. ropijen de ponden 62. ½ ad:s het last. §14. Wij hebben den bedienden zoo ten deele Eijlande als aan de overwal ernst gerecommandeert om alle mogen poogingen aantewenden tot de Compta voldoening van uwer Hoog Edelh: eise van roggevellen dan we twijffelen zeer of de volle eisch zal kunnen worden voldaan, wijl de vangst deezen vise volgens de ingekoomene berichten, met heel groot valt. §. 15. Uwer Hoog Edelh: aanbeveeling, om al addressen inhoudende klagten omtrent vonnissen, die niet appellabel zijn, aen de Justitie te renvoijeeren, zullen wed voor den aenstaende tot naricht la strekken, doch we verzoeken nedrig, do uwe Hoog Edelh: zoo goed gelieven te zy van ons te willen onderrigten of dit renvoij eenvoudig en zonder eenige bepa „ling moet geschieden dan wel of we daar bij diergelijke sententien wannee ze ons onbollijk voorkoomen moog vernietigen en den Raad van Iustietsie authoriseeren, om parthijen in raau- actie te moogen admitteeren. we doen deeze vrage te meer, wijl we vreesen, dat een eenvoudig renvooij na de Justitie de klagende parthij geen nut zal doen, om dat de Justitie, zoo lang haere diffi„ nitive sententie in kragt blijft, zig zal moeten houden aan den regel dat de macht van een rechten ophoud met de pronunciatie van de sententie §. 16. We hebben der geEligeerd Gaalsch Commandeur sluijsken, onder afgave van Extrakt uit uwer Hoog Edelh: voorschreeve missive van den 17. ' april bij onse resolutie van den 26:' aug:s Jzeeder die in Extrakt onder de bijlaagen over gaat en waar aan we verzoeken ons te moogen gedraagen gelast om aan de intentie van uwe Hoog Edelh: zoo spoedig het geschieden kan te voldoen §. 17. Insgelijks hebben we aan den Dessave Faetsz onder opgave van Extrakt uit voorsz: uwer Hoog Edelh: missive, aanbevoolen, om zich speciaal te verklaeren op ieder artikel van 't voormelde bericht, van de vernietigen Commandeur Commandeur sluijsken, en zullen zoo daa bij de aan deeze uwer Edelheeden aanbeveelen zullen hebben daan uwen Hoog Edelh: daar van nader verslag doen. §. 18. De door uwe Hoogedelh: in hunne ver „gene ampten bevestigde, en ter verkryg van de daar toe staande qualiteiten Nederland voorgedraagene Dienaaren beide daar voor hunne verschuldigde dankerkentenis nedrig aan §. 19 Mits het vertrek van den Predikant saf man na Batavia hebben we den Predik Meijer in de Nederduijtsche gemeente al moeten beroepen, inzonderheid om dat kerken en inlandsche schoolen die volgen de verdeeling daar van aan de zarg den Eerstgenoemden toevertrouwd wa niet onvoorzien konden blijven: en ook twee van onze predikanten ree hoog bejaard zijn hoopen we dat uwe Hoog Edelh gunstig zullen goed vinden om Paleakatta op eene ander wijze van een Predikant te voorzien en de Predikant Meier mag op Ceilon blijven, waar toe hij ook meer schijnt te inklineeren §. 20. Wij. hebben van Jaffenapatnam gerequireerd, eene opgaeve van de gedaene verstrek„ kingen aan 't wannetje Nella Naatja die zedert overleeden is, en haere familie en van het geen reets in mindering, daer van uit de inkomsten haarer Landerijen is ingekoomen, en zullen we de eere hebben, dezelve uwen Hoog Edelh: bij eene volgende geleegentheid aantebieden ondertusschen zijn de bezittingen deezer luiden ruijm toerijkend om de kompe„ nie daar uit te voldoen. § 21 stuikt gesprooken hadden, de fransen zoeker lijk de schaade aan 't schip de Pallas toegebragt ten hunnen lasten behooren te neemen dog ze hadden toen het meester„ „schap te TrinConomale en stoorden zig veel al wijnig zelfs aan de redelijkste vertoogen in zondheid een partij Jonge officie „ven. Men mag die dingen met regt stellen op reekening van die ongelijken die men de zomtijds
English
does best to endure for a time, in order to avoid greater displeasure. Section 22: The comparisons that we instructed the examiner Berghuijs to make between the provisions of naval equipage goods supplied to the barques and sloops belonging here during the five financial years before the latest war, or from the year 1775/6 to 1779/80, and similar provisions made under the administration of the present Equipagemeester Andringa during the same five financial years, or from 1781/2 to 1786/7, have been completed and are transmitted as copies among the appendices. Section 23: From the report submitted therewith by the said examiner, inserted into our resolution of July 7, an extract of which accompanies this, it appears that no excesses were committed in the ordinary annual provisions, but that they were made in accordance with the existing regulations for them, and that the increase in these provisions in the last five financial years arose from accidental causes, primarily consisting of the following: 1. That spare sails were supplied to the vessels that made voyages to Trincomalee and Cochin, which in the first five years only occurred in the case of two single-masted sloops on the voyage to Trincomalee, which according to the circumstances of those times were sufficient to supply this place. 2. That the vessels which had lost virtually everything in the hurricane of the month of April 1786 had to be provided anew with sails, anchors, cordage, etc. 3. That equipage goods were more expensive in the last five years than in the first five years. 4. That in the last five years more vessels were hauled onto and off the shore, and also of a larger charter, than in the first five years, and 5. That more anchors and cordage were supplied in place of unserviceable ones than in the first five financial years. Section 24: To this is added that in the first five years we had no more than one two-masted vessel, namely the barque De Falck, whereas in the last five financial years we had five two-masted vessels, namely the barques Liefde, De Jonge Willem, Arnoldina, and De Gustaaff during all that time, Canneeltuin for two years, and De Heroesting in the last year. Section 25: And it appears from all these indications that, although the provisions necessarily turned out larger due to accidental causes, they nevertheless remained, in ordinary matters, within the limits prescribed for each vessel. Section 26: Upon the complaint of the skippers of the chartered ships concerning the poor condition of the cables used to moor their ships in the Bay of Galle, the Equipagemeester Abo submitted a petition, which was inserted into our resolution of April 24 last, an extract of which is enclosed among the appendices to this. Section 27: He states therein, in particular, that he took over the aforesaid cables privately from the former Equipagemeester De Sille and entered them into his books for the Company as newly made, because there was no stock of them, and further acknowledges having had them cut down to forward springs of 100 fathoms and aft springs of 75 fathoms in length, because of the confinement of the bay for mooring so many ships on longer cables, as he feared that the cables, if used in their laid length, would come to lie on the other and become damaged, whereby the ships would have run into danger of accidents. The cut-off pieces were taken in again to the benefit of the Company, and although these cables had been used before, they had nevertheless, according to the testimony of the said Equipagemeester, not become old thereby, nor worn out beforehand. He says further that the aforesaid skippers, without the least objection, had let their ships be moored therewith, just as most had weathered the bad weather with heavy squalls without anything breaking. Section 28: We did indeed order the officials at Galle to investigate more closely how far the assertions of the aforementioned Abo agreed with the findings, but owing to the departure of the aforesaid chartered ships, and as the cables themselves had already become unserviceable through long use, that could not be done otherwise than through a further explanation from Abo himself, and he declared himself unable to provide any more clarification than he had done in his aforesaid petition. Section 29: Upon the report given thereof by the officials in their letter of March 27, and stating that the Equipagemeester Abo had requested that all these cables, even though placed on the expense accounts of the five chartered ships, might be left to his account, we decided, by our aforementioned resolution, to have him sign a notarial deed, as was done, that in case the shipowners of the aforesaid
Dutch transcription
best doet voor een tijd te verdraan om grooter ongenoegen te ontgaen § 22: De vergelijkingen, die we den visitatee Berghuijs hebben opgelegd te doen, schen de verstrekkingen van Equipag„ goederen, gedaan aan de alhier t hoorende Barken en sloepen, geduur de vijf boekjaaren voor den Jongste oorlog, of van A. o 177 5/6. tot 17 3/80. tusschen diergelijke verstrekkingen gedaan zijn onder de administratie van den presenten Equipagie meester Andringa, in gelijke vijf boekjaaren of van 178 1/3: tot 1786/7 zijn veets gekoomen en gaan copieelijk onderde bij laegen over. §. 23. Bij 't daarnevens ingediend bericht door gemelden visitateur, g' insereer in onze resolutie van den 7. ' July dat in extrakt deezen verseld blij het, dat in de gewoone Jaarlijksch verstrekkingen geene excessen bega zijn, maar dat ze gedaan zijn Con form de daar van leggende reglementen en dat de meerderheid deezer ver„ strekkingen, in de laatste vijf boek„ „jaaren, zijn ontstaan uijt toevallige oorzaeken, voor naamelijk hier in be„ staande '1. dat er zijlen ter waerloo zijn ver„ strekt aan de vaartuijgen, die tochten na Trinkonomale, en koetsiem gedaan hebben, 't gunt in de eerste vijf Jaaren alleen heeft plaats gehad omtrent twee eenmastige sloepen, op de rijs na Trin Konomale die na den omslag van die tijden genoeg waren om deeze plaats te voorzien 2. Dat de vaartuijgen, die in den orcaan van de maand april 1786. , genoeg„ zaem alles hadden verlooren, op nieu van zijlen, ankers, touwerk &=a hebben moeten worden voorzien 3. Dat de Equipagie goederen in de vijf laat„ „ste Jaaren duurder zijn geweest, dan zijn in in de vijf eerste Jaaren. 4. Dat in de laaste vijf Jaeren, meerd vaartuijgen zijn op en van de wal gehaald, en ook van grooter Charte dan in de vijf eerste Jaaren, en 5. Dat er meer ankers en touwerk steede van onbekwaame zijn verstrek dan in de vijf eerste boekjaaren §. 24. Hier bij komt nog, dat we in de eerst vijf Jaeren niet meer dan een tweema vaartuijg hebben gehad, naamelijk de Baak de Falck, daar we in de vyf tan boekjaaren vijf twee mast vaartuijgen hebben gehad, namelijk de Barken Liefde, de Jonge willem Arnolden de Gustaaff geduurende al dien tijd Canneel tuin twee Jaaren, en de Heroed „ting in het laatste Jaar. § 25. En blijkt uit alle deeze aanwijzingen ba schoon ook de verstrekkingen door toevol „lige oorzaeke hebben moeten grooter vall ze nog tans in gewoone zaaken zijn g „bleeven binnen de bepaaling voor elk vaart §. 27. Hij zegd daar bij de voorsch: touwen van den gew: Equipagiemeester De sille particulier overgenoomen, en voor de Comp: als aangemaakt bij zijne boeken ingenoomen te hebben, om dat 'er geen voorraad van was, en bekend voorts dezelven te hebben laaten kappen tot voor en tot agter springen van 100 lan springen van 75. vademstde weegens de beknoptheid van de baaij, om zoo veele scheepen voor langer touwen te leggen, wijl hij bevreesd was dat de touwen wanneer ze met haare geslaagene §. 26. op de klagte van de schippers der inge„ huuade scheepen, weegens de slegte ge„ steldheid van de -touwen, die tot het ver„ tuijen hunner scheepen in de Baaij van Gale zijn verbruijkt, heeft de Equipa„ „giemeester Abo ingediend een addaes„ dat g'insereerd is bij onse resolutie van den 24.:' april JLeeden, waar van extrakt onder de bijlaegen deezes over„ in het bezonder lengte gaat. lengte gebruijkt wierden, op den and zouden koomen, te leggen en beschadigd worden, waar door de scheepen voor onge „ken zouden gevaar geloopen, hebben- afgeko stukken zijn weder ten voordeele de Comp: ingenoomen, en schoon deele touwen te vooren waaren gebruijkt ge weest, waaren dezelve nogtans volge betuiging van gem: Equipagiemeester daar door niet oud geworden, noc vooren versleeten hij zegt wid dat ook voorsch: schippers, zonder de minste teegenspraak, hunne scheepen daar hadden laaten vast leggen zo als ook de meeste het slegt weder met swo „ve buijen, hadden doorgestaan zonder breeken. §. 28 Wij hebben den bedienden te Gale wel gelast, om nader te onderzoeken zoo verre de voorgewes van voorm Steende een Abo met de bevinding over maar mits het vertrek van de voorsz: ingehuurde scheepen en wijl ook de touwen gebruik, reets zelve door 't langduurig onbekwaam geworden waren, konde dat niet anders geschieden, dan door eene verdere explicatie van hem Abo zelve en deeze verklaerde geene meerdere op heldering te kunnen geeven, dan hij bij zijn voorsz: addres had gedaan. §. 29. Op der bedienden daar van gegeeven be„ „richt, bij hunnen brief van den 27:e maart, en dat de Equipagiemeester Abo had verzogt, dat hem alle deeze touwen, schoon ook op de onkostree„ keningen van de vijf ingehuurde scheepen gesteld, voor zijne reeke„ ming gelaaten mogten„ worden: hebben we bij voorm: onse resol: beslooten secretarieele om door hem eene acte te laaten teekenen, gelijk geschied is, dat ingevalle de Rheeders van maar voorsz
English
aforesaid five ships might refuse to pay the amount for these questionable ropes, he will then take that to his own account and reimburse the Company. Paragraph 30. We have nonetheless instructed the said Master of the Equipage that henceforth, in such cases as this, where he says he was forced to use ropes of shorter length than is customary, he should not act arbitrarily without having given prior notice of the reasons for it and having requested permission for it. Paragraph 31. We shall await the promised sloop through Your High Noble's kindness, and we take the liberty to assure Your High Noble that our sloops never remain idle, but sail continually back and forth to provide the subordinate offices with necessities, and to fetch from there whatever has been made ready for this main place. That the vessel De Liefde needed a major repair was not caused by letting it lie idle for a long time, but by sailing for a long time, as we mentioned in our respectful letter of 26 January, and it must be a copyist's error if it says lying idle for a long time instead of sailing for a long time, for which we humbly beg pardon in such case. Paragraph 32. We will henceforth strictly observe the order to let the return ships depart on the designated sailing days, even if some returns that are still expected must remain behind. Paragraph 33. From the enclosed report of the retired head of the Mahabadde Samlant, Your High Noble will see that all our stock of cinnamon was dispatched with our return ships, and that consequently none of it was at hand upon the departure of the ship Berkhout. The cinnamon which was fulfilled on Your High Noble's order with the ships Hinloopen and Phenecier was delivered only after the departure of Berkhout. Paragraph 34. We will endeavor, as far as possible, to comply with Your High Noble's order to send the cinnamon to Batavia so timely that it can be there by the early spring. Paragraph 35. The 4,260 bundles of coir that we had shipped aboard the ship Zeeland were requested by us from Galle for our own needs. The servants sent us salted coir with the ship De Gouverneur Generaal de Klerk, which is not customarily used here. The ship Zeeland lay in the roadstead here at the same time, and because our Master of the Equipage believed he could estimate that this vessel, taking in the said coir, could nevertheless accommodate what he was to load at Cochin for Batavia, this made us decide to have the same transshipped into it in order to be transported with it to Batavia. Paragraph 36. We have requested further clarification from the Galle servants regarding the discrepancies that appear concerning the received linens between the report of the Master of the Equipage Abo and the accounting of the captain-lieutenant of the ship Berkhout, Van Stek, and we will have the honor of reporting on this to Your High Noble on a following occasion. Paragraph 37. We have ordered both the Colombo Dessave and the servants at the subordinate offices to provide two pieces as samples of the various kinds of timber found in each district, and we will send them to Your High Noble as soon as they are brought together, with the description of their quality, usage, and prices. Paragraph 38. That the purchases of goods brought from outside sometimes turn out somewhat expensive comes from the difference that exists between gold and silver specie and copper money. Those who purchase these things, for which copper coin does not always serve, calculate their prices accordingly upon the sale thereof, as is very natural, and we can therefore not bargain so closely for such goods brought from outside and, for lack of stock, sometimes needing to be purchased for the administration, as the timber of last year, as could be done if we could pay with silver or gold specie, and because of this, these purchases of timber have run somewhat high. Paragraph 39. Because the Ceylonese inhabitants can generally sell their arrack at reasonably good prices, and having to follow this market it turns out harmless to the Company to use Batavia arrack for the provisions in the administration, we will, in accordance with Your High Noble's very honored recommendation, adjust our requisitions accordingly to promote the sale of Batavia arrack. The gardens that are leased for arrack we will also lease again for cash instead of arrack as soon as the lease period expires. The Company will nonetheless suffer no loss thereby, because this arrack, in so far as it is not needed, can always be sold for more than the amount of money that these gardens usually fetch. Paragraph 40. Your High Noble's order to distinguish the forest cinnamon from the garden cinnamon has been carried out as closely as possible regarding the parcel sent with the last three return ships, to the amount of 4,181 bales. Paragraph 41. The marking of the bales does not take place bale by bale as soon as the cinnamon is packed, but only some time afterward, sometimes even the next day after the bales have been put into double gunnies, and it would thus not easily be kept without confusion if one had the aforesaid distinctions put on the packaging.
Dutch transcription
voorsz: vijf scheepen mogten wijgeren, bedraagen deezer questieuse touwen betaalen hij als dan dat voor zijn reekening neemen en aan de Comp restitueeren zal. §. 30. Wij hebben niet temin gemelden Equipi „meester gerecommandeert, om voorta in zulke gevallen als deezen, dat hy zegd genoodzaakt te zijn geweest, om touwen van mindere lengte, dan gewo geschiet „lijk temoeten gebruijken, niet willeken te werk te gaan, zonder van de reeden van dien voor af kennis gegeeven, en da toe verlof gevraagd te hebben. § 31. De toegezegde sloep zullen we door uw Hoog Edelh: goedheid verwagten, en zo neemen de vrijheid hoogst de zelven te vr „zeekeren, dat onse sloepen nimmer blijven leggen, maar geduurig af ena „vaaren, om de onderhoorige Cantoore met benodigdheden te voorzien, en van daar aftehaalen het geen voor deeze hoofd plaats in gereedheid is. Dat de Capitaele repara Baak de Liefde eene tie nodig had, is niet door het lang laa„ ten leggen, maar door het lang vaaren veroorzaakt, gelijk we dat bij onzen eerbiedigen van den 26. Januarij hebben vermeld, en het moet een Copieea fout zijn, indien er voor lang vaaren, lang leggen staat, waar over wij in zulk geval nedrig om verschooning vraagen §. 32. Wij zullen de order, om de retour scheepen op de bepaalde zijldaagen te laaten verstrekken, voortaan stipt observeeren, al moesten ook eenige retouren, die nog te wagten zijn, agter uit blijven. §. 33. Uit het onder de bijlaegen overgaande bericht van het afgegaene hoofd der Mahabadde samlant, zullen uwe Hoog Edelh: zien, dat al onze voorraad van kanneel met onse retour scheepen was verzonden, en dat er mits dien niets daar van aanhanden is geweest, bij het vertrek van het schip Berkhout de Canneel, Baak die die met de scheepen Hinloopen en Phenecier, op uwer Hoog Edelh is voldaan, is eerst naa het vertrek van Berkhout geleeverd. §. 34. We zullen aan uwer Hoog Edelh: beveeling, om de Canneel zoo tijde na Batavia te verzenden, dat te het vroege voor Jaar aldaar kan zijn na mogelijkheid tragten te voldoen §. 35: De 4260. bossen kaijer, die we in het schip Zeeland hebben doen afscheepen, waeren door ons van Gale gevraagt v ons eijgen, benoodigtheid. De bediende zenden ons gezoute kaijer met het schip de Gouverneur Generaal de Kl die men hier niet gewoon is te gebruk Het schip Zeeland lag ter zelver tijd hier op de reede, en wijl onzen Equisi giemeester meende te kunnen gissen dat deeze boodem gem: Kaijer inneemende des onaangezien zoude kunnen bergen, heb geen hij te koetsiem voor Batavia laeden, mno deed ons dit besluijten dezelve daar in te doen overscheepen ten eijnde daar meede te worden vervoert na Batavia §. 36. Wij hebben van de Gaalsche bedienden nadere opheldering gevraagd, noopens de verschillen, die weegens de gewordene lijwaaten voorkoomen tusschen het bericht van den Equipagiemeester Abo, en de verantwoording van den Capitain luijte nant van het schip Berkhout, van stek en zullen de eere hebben uwe Hoog Edelh: bij een volgende geleegentheid der„ weegens bericht te doen. §. 37. Wij hebben zoo wel den kolomboschen Desseve, als de bedienden op de onder„ hoorige kantooren gelast, om van de verschillende zoorten van houtwerken die in elks distrikt vallen, twee stuks tot monsters te bezorgen, en zullen zoo dra ze bij den anderen zijn gebragt ze uwe Hoog Edelh: toezenden, met de beschrijving van derzelver qualiteijd emploij en prijzen. §. 38. Dat de in koopen van dingen die van buijten worden aangebragt zomtijds wat duur vallen deed komt komt van het verschil, dat, en is tusse de goude en zilvere speetsien en het ko„ geld zulke die deeze dingen in koopen waar toe de kopere munt niet altijd d kan, maaken bij verkoop daer van, hierop gelijk dat zeer natuurlijk is hunne res ming en we kunnen dus zulke dingen die van buijten worden aangebragt en mits gebrek aan voorraad, zomtijds voor de huijs houden moeten worden ingekogt, gelijk voor leeden Jaar de houtwerken, niet zoo naauw bed „gen, als men zoude kunnen doen, zoo we met zilver of goude speetsien konde betaalen, en hier door zijn deeze inkoopen der houtwerken wat hoog geloopen §. 39. Wijl de Ceilonsche ingezeetenen hunne ar„ aak doorgaans teegens reedelijke goede prijzen kunnen verkoopen, en men deeze markt moetende volgen, het voor de komp: onschaadelijk uijt komt tot de verstrekkingen, in de huijshou„ „ding, Bataviase arrak te gebruij„ „ken zullen we volgens uwe Hoog Edelh: zeer g'eerde aanbeveeling, ter bevordering van t debet van de Bataviasche arrak, onze §. 41. Het beschrijven der baalen geschiet niet bael voor baal, zoo dra de kanneel ge pakt is maar eerst wat daar na, zelfs zomtijds eerst des anderen daags na dat de baalen in dubbelde goenies ge„ stooken zijn, en zoude het dus niet wel buijten verwarring te houden zijn zoo men de voorsz: distinksien op de ambalagie deed zetten. § 1/40. uwer Hoog Edelh: order, om de bosch kan„ neel van de tuin kanneel te distin„ gueeren, is omtrend de partij, die met de drie laaste retour scheepen verzonden is ten bedraage van 4181: Balen zoo na moogelijk volbragt De tuinen die eisschen daar na inrigten voor arrak verpagt zijn, zullen we ook zoo dra de pagt tijd uit is, weeder in steede van voor arrak voor kontant verpagten, De komp: zal nogtans daer bij geen schaade hebben, wijl deeze arrak voor zoo verre ze niet noodig is, altoos voor meer kan worden verkogt, dan be„ draagd het geld, dat deeze thunnen door„ gaans doen. eijsschen 5. 42
English
Section 42. Furthermore, it has occurred to us that it might be convenient if these details were known only to the Company, and therefore a list has been made of the names of the plants that are ordinarily placed in the cinnamon bales, indicating therein which numbers are jungle cinnamon and which numbers are garden cinnamon. Section 43. This list has been sent to the Netherlands, a copy of which is enclosed herewith, and we also have the honor to send herewith a similar specification of the cinnamon that was sent to Batavia with the Phenecier and Hinlopen. We hope that this will fulfill the purpose. Section 44. We must nevertheless recall here, as we already had the honor to show in our letter of January 31, 1788, that under what is reported as jungle cinnamon harvested in the Company's territory, presumably much cinnamon was peeled in the gardens or cleared lands, because between these there is no difference other than the mere name. Section 45. However much this is watched over, it is not possible to prevent the peelers from the neighboring jungles from sometimes taking some cinnamon from the gardens or cleared lands. Section 46. The specification requested by Your High Mightinesses of the areca trees planted since 1773 is now transmitted among the appendices, and we take the liberty to inform Your High Mightinesses in that regard that it is not possible to provide an accurate showing of the number of trees planted in each year, because the survey was done annually of all planted trees that were in existence at the time of the survey, and not of the number planted specifically in the last year, while in the meantime a considerable portion of the earlier plantings had perished. Also, the survey in Colombo was always done of the Company's and private plantations mixed together, until, upon the proposal of the Dessave Fretz, according to what was noted in our letter of January 31, 1788, you authorized him henceforth to have only the Company's plantations surveyed. Section 47. The difference between the Company's plantations and those of private individuals consists, as is understandable, in this: that the former were made by the natives for their own benefit, and the latter on behalf of the Company. Section 48. The activities of private individuals are indeed of no great importance and consist primarily in having planted a few small trees here and there in the gardens, which they would neglect, however easily anyone could do this with little effort, if they were not constantly admonished to do so. The nuts that come from these, insofar as they do not consume them themselves, they deliver to the Company for the customary rate of three rixdollars the amunam. Section 49. The plantations of the Company were made by the inhabitants, upon whom this was imposed in turns by virtue of their services. Section 50. The Company's plantations in the Galle Korle in the Matara Dessavony, as well as the plantations that were formerly established in the Colombo Dessavony, have consequently cost nothing else, except that in Matara a slight advance of money, to the amount of f 32:9. –. –, was given to the commissioners who took the annual survey. Section 51. From these plantations the Company could already have enjoyed great benefits if that work had been undertaken and pursued with true zeal. But everything that people do for nothing and without any reward is generally done reluctantly. To this is added, and this is even worse, that the native chiefs, under whose supervision it takes place, and upon whom the land regents must for the greater part rely—since the latter, as we have repeatedly shown to the authorities, have no time to observe this themselves—generally, a few good ones excepted, care very little about it. They think, which is not so very unreasonable for people of this stamp, who for the most part have no other pursuits than to live as easily as possible, that in proportion as things succeed, new duties will be imposed upon them; they therefore generally manage only so that there are no excessively great reasons to be dismissed. And one is all the less willing to resort to this because one already knows beforehand that those placed in their stead will be just as great. Section 52. To this it is to be attributed that the Company, up to now, besides the cinnamon, has obtained so little from this beautiful country, which, so to speak, can produce everything that the Indies yield. Section 53.
Dutch transcription
§. 42. Boovendien is het ons voorgekoomen het misschien kan konvenent weezen deeze bezonderheeden alleen bij de kon bekent zijn en is daarom een lijst maakt van de nomineas der plant die ordinair in de kanneel baalen den gelegd, en daar bij aangeweezen Nommers zijn bosc en welke ) Nmmers welke tzijn tuin kanneel §. 43. Deeze lijst is naa Nederland verzond waar van een kopij hier neevens gaat en een gelijke aanwijzing hebben wed eere hier nevens te zenden vande han neel, die met de Phenecier en Hin „lopen na Batavia is gezonden we hoopen dat dit aan het oogmerk voldoen. §. 44. We moeten nogtans hier bij hermnne gelijk we dat reeds de eere hebben gehu bij onzen brief van den 31. ' Januarij 1788. te vertoonen, dat onder het geen voor bos kanneel geschied in komp: gebied, word op gegeeven vermoedelyk veel kanneel is geschilt in de thuijnen of schoongemaakte gron„ „den, want tusschen deze is geen onderscheid dan de enkelde naam §45 Atoe zeer ook daar op word gepast, is het niet doen„ lijk te beletten, dat de schillers uijt de naast geleegene bassen, niet somteids wat kanneel uijd de tuijnen af schoon gemaakte gronden beschaaren. §46: de door uwe Hoogedelh: gerekwireerde aan wijzung„ van de aan geplante arreeks boomen zeedert 177/ /3. gaan tans onder de bijlaagen over, en wij neemen de vrecheid uwen hoog Edelh: daar omtrend te in formeeren, dat 't niet mogelijk is eene accuraate aantoning te doen van 't getal der boomen in elk jaar aangepland, om dat de op neem Jaar„ lijks is gedaan van alle aangeplante boomen, die bij den op neem in weesen waaren en niet wan het aan geplante getal in 't Laaste Jaar in het besonder terwijl er intusschen van de vroegere aan plantingen, meer een goede partij waaren uijt ge„ gaan ook is de opneem te kolombo alteid ge„„ schied, van 's komp:s en partikuliere plantagi„ „en door malkanderen, tot dat ue op 't voorstel van den dessave Fretz:, volgens het genoteek„ „de bij onzen brief aan den 31. Januarij 1788. hem hebben gekwalificeerd voortaan alleen de komp: plantagien te doen op neemen de 347 § 47. Het onderscheid tussen de Comp: plantagie van particulieren, bestaan zoo als dat lijk is hier in, dat de eene door de in tot hunne eijgen behoeve zijn gedaan dere voor reek van de komp: § 48. De verrigtingen van particulieren zijn in da belang en bepaaler jrig geen groot voornamentlijk in hier en daar tuinen eenige boomjes aangeplanden en d zouden te niet doen, hoe zeer ook een elk dat met kleine moeite doen kan, zoo de daar toe gestaadig wierden vermaand. De die hier van koomen voor zoo verre zo zelve gebruijken, leeveren za voor de gewoone van drie bo:s de ammonam, aan de komp: § 49: De plantagie van de komp: zijn gedaan ingesetenen, die uijt hoofde hunner vers gen dat deurtelings is opgelegd. 950. De komp:s plantagie in de gale korle in turesche dessavonij, zoo meede de plantagi voor heenen in de kolombose dessavonij zijn „gelegd, hebben mitsdien niets anders gekost dat te Mature eene geringe verstrekking onderhand, ten bedrage van ƒ32:9. –. – is. ged aan de gekommitteerdens die Jaarlijks de hebben op genoomen §51. van deeze plantagien zouden de Comp: ree §52: Hier aan is het toeteschrijven dat de komp:;, tot nog toe beuten. —. de kanneel, zoo wijnig heeft van dit schoone land, dat om zoo te spreeken alles voor brengen kan wat de inbias geven groote voordeelen hebben kunnen genieten, zoo dat werk met wen waare aangelast en door gezet, dog al„ les wat de menschen om niet en zonder eenige belooning doen, geschied door gaans schoor voetend „de. hier hij komt en dit is nog slimmer, dat de inlandse Hoofden, onder wiens toezigt het geschied, en waar op de landregenten dat voor 't grootere gedeelte moeten laaten aankomen wijl z deeze, zoo als we dat de overheid gebruikt heb„ ben te meermaalen aan betoonen, geen tyd hebben om dat zelve gaade te slaan doorgaans, enkelde goede uijtgesondert, zig daar aan wij„ nig laaten geleegen leggen te denken, zoo als, dat ook zoo heel onfernuttig niet is van menschen van dezen stempel die merendeels geen andere drukwerken heb„ ben, dan om zoo gemakkelijk te leven als dat vallen kan, dat na mate dat de dingen weeslagen, hun nieu„ „we verrigtingen zullen worden opgelegt te maaken het dus doorgaans alleen zo dat er geen atte groote reeden zijn om te worden of gesegt, en hier toe komt men te minder gaarne om dat men reeds voor afweet, dat die men in hunne plaats steld; enen zoo groote 3. 53 denken
English
Section 47. The distinction between the Company's plantations and those of private individuals consists naturally in this: that the former were made by the inhabitants for their own use, and the latter for the account of the Company. Section 48. The activities of private individuals are of no great importance in this regard and are mainly limited to planting a few trees here and there in their gardens, and they would even neglect this, however easily anyone can do so in his own holding with little effort, if they were not constantly exhorted to do so. The fruits that come from this, insofar as they do not consume them themselves, they deliver to the Company for the usual payment of three rixdollars per amunam. Section 49. The plantations of the Company were made by the inhabitants, upon whom this was imposed in turns by virtue of their obligations. Section 50. The Company's plantation in the Galle Korale in the Matara Disavany, as well as the plantations that were formerly established in the Colombo Disavany, have consequently cost nothing more than a small provision underhand made at Matara, to the amount of f32:9.-.-, to the commissioners who annually surveyed the trees. Section 51. The Company could long since have enjoyed great advantages from these plantations, if that work had been undertaken and pursued with zeal; but everything that people do for nothing and without any reward is generally done reluctantly. In addition to this—and this is even worse—the native Headmen, under whose supervision it takes place and upon whom the land regents must for the most part rely, because the latter, as we have repeatedly observed, have no time to observe this themselves, generally, a few good ones excepted, care very little about it. They think, as is not so unintelligent for people of this stamp who mostly have no other care than to live as easily as possible, that as things succeed, new tasks will be imposed on them. They therefore generally act only so that there are no excessively great reasons to dismiss them; and one is all the less willing to proceed to this because one knows beforehand that those placed in their stead think likewise. Section 52. It is to be attributed to this that the Company, up to now, besides cinnamon, has obtained so little from this beautiful country, which, so to speak, can produce everything that the Indies yield. Section 53. This consideration moved the first-undersigned Governor, while the late Disava Belling made proposals, to authorize him to give some provision of rice or paddy to the servants whom he employed for the advancement of this plantation. Pursuant to this, since the financial year 1786/1787, 825 parras of paddy have been issued to them, which cost f326.14.- at purchase price; and although these operations are still too recent to see the fruits thereof right now, we hope it will soon appear that this expenditure was well invested. Section 54. The profit on the areca nut from the plantations has consequently been of no significance until now. However, we note in reply to Your High Excellencies' question that not all areca nut yields an equal profit. The entire selling price of the areca nut from the Company's plantations can almost be considered pure profit because of the low costs incurred on it; but regarding the areca nut from private gardens, the profit varies. For the areca nut that comes in from Galle, Matara, and from some korales of the Colombo Disavany, the inhabitants are obliged to deliver it for 12 schellings per amunam of 24,000 nuts, and it consequently yields more profit than the areca nut gathered in the remaining Korales of the Colombo Disavany, because for this the owners are paid 3 rixdollars for each amunam of 30,000 nuts. Section 55. On the aforementioned Colombo return there are also mentioned some gardens, established by the late Disava Belling for his own account, and on which Disava Fretz has since had work continued. These gardens, alongside some other plantations made by Disava Belling, were offered to the Company by his heirs, and, according to our resolutions of 24 October and 19 May last, which accompany this in extract, we had them appraised by a special commission, which estimated that which was done there by Disava Belling at 461 rixdollars and 42 stivers. However, the heirs have not yet declared whether they wish to surrender them for that amount; and if not, we shall cause them to reimburse the Company for the improvements that Disava Fretz had made to them for the Company's account, which have likewise been appraised. Section 56.
Dutch transcription
§ 47. Het onderscheid tussen de Comp: plantagien en die van particulieren, bestaan zoo als dat natur „lijk is hier in, dat de eene door de ingeseeteng tot hunne eijgen behoeve zijn gedaan, ende dere voor reek van de komp: § 48. De verrigtingen van particulieren zijn in deesen va belang en bepaaler nig geen groot voornamentlijk in hier en daar in hunn tuinen eenige boomjes aangeplanden en dit zelfs zouden te niet doen, hoe zeer ook een elk in 't zijn dat met kleine moeite doen kan, zoo ze niet daar toe gestaadig wierden vermaand. De vrugten die hier van koomen voor zoo verre zo die niet zelve gebruijken, leeveren za voor de gewoone betaald van drie b:s de ammonam, aan de komp: § 49: De plantagien van de komp: zijn gedaan door de ingesetenen, die uijt hoofde hunner verpligtin„ gen dat deurtelings is opgelegd. 950. De komp:s plantagie in de gale korle in de ma turesche dessavonij, zoo meede de plantagien, d voor heenen in de kolombose dessavonij zijn aan„ „gelegd, hebben mitsdien niets anders gekost, dan dat te Mature eene geringe verstrekking van onderhand, ten bedrage van ƒ32:9. –. – is. gedaan aan de gekommitteerdens die Jaarlijks de boom hebben op genoomen §51. van deeze plantagien zouden de Comp: reeds lang §52: Hier aan is het toeteschrijven dat de komp:;, tot nog toe beiter. —. de kanneel, zoo wijnig heeft van dit schoone land, dat om zoo te spreeken alles voor brengen kan wat de inbias geven groote voordeelen hebben kunnen genieten, zoo dat werk met iven waare aangelast en door gezet, dog al„ les wat de menschen om niet en zonder eenige belooning doen, geschied door gaans schoor voetend „de. hier hij komt en dit is nog slimmer, dat de inlandse Hoofden, onder wiens toezigt het geschied, en waar op de landregenten dat voor 't grootene gedeelte moeten laaten aankomen wijl deeze, zoo als we dat de overheid gebruijkt heb„ ben te meermaalen aan beloonen, geen tyd hebben om dat zelve gaade te slaan doorgaans, enkelde goede uijtgesondert, zig daar aan mij nig laaten geleegen leggen te denken, zoo als, dat ook zoo heel onfernuftig niet is van menschen van dezen stempel die merendeels geen andere drukwerken heb„ ben, dan om zoo gemakkelijk te leven als dat vallen kan, dat na mate dat de dingen weeslagen, hun nieu„ „we verrigtingen zullen worden opgelegt te maaken het dus doorgaans alleen zo dat er geen atte groote reeden zijn om te worden of gesegt, en hier toe komt men te minder gaarne om dat men reeds voor afweet, dat die men in hunne plaats steld; even zoo denken groote 9. 53 § 53. Deeze overweeging heeft den eerst ondergeteek: gan verneur, wijle den dessave belling op zijn voortsde doen kwalificeeren, om aan de dienstelingen, die hij tot het voortsetten deezer plantagie te werke stelde eenige verstrekking van reist af neli te noo„ gen doen, en hier op is zedert 't boek Jaar 178/7. aan de zelven verstrekt 825. parras neli die inkoops ha „ten of 326. 14. —. en schoon deeze verrigtingen nog te vers zijn, om daar van nu reeds de vrugten te zien, hoopen we dat het spoedig blijken zal, dat dazz uijtgave wel besteeds is § 54. De winst op de arreek van de aan plantingen is mits die tot dus verre van geen belang geweest, eehten noteeren we op uwer Hoog Edelh: vrag dat alle de arreek geen gelijke winst geeft dag „heele verkoops preis van de arreek uijt Comp: plantagien, kan men bij na als vieel gewonnen aan merken om de geringe kosten die Jaar aan gedaan worden, maar omtrend de arreek uijt de particuliere tuijnen, is de winst verschillen„ „de de arrek die te gale, mature en uijt eenig korles van de kalombosche des savonij in komt, sijn de ingeseetenen ver„ pligt te Leeveren voor 12: schelling de ammonans van 26000 nooten, en geeft mits dien meerder winst dan de arreek, die in de overige Cor„ „les van de kalombosche Dessavonij word ingesameld, wijl hier voor aan de eijgenaars word betaald 3 rd:s voor elke ammonam aan 30000. nooten § 55. op de voorsch: Colombosche aanwijzing staan ook vermeld eenige tuijnen, door wijlen den Dessave Belling voor eygene reek: aangelegd; en waar op de dessave Freth: het zedert heeft laaten voort„ werken deese tuijnen, neevens eenige andere door den dessave Belling gedaane aanplantingen zijn door desselfs erfgenaamen aan de Comp: ge„ presenteerd en wij hebben ze, volgens onze resolu„ „tien van den 24 8ber: en 19 maij Jol: die in Extract deezen verzellen, door eene expresse Commis„ sie doen taxeeren, die 't welk, door den Dessave Van Belling daar gedaan, heeft geschat op d:s 461: 42— dog de Erfgenaamen hebben zig nog niet ver„ klaard, of zij ze daar voor willen afstaan en zo niet, sullen me de verbeeteringen, die de Dessave Fretz: voor komp:s reekening daar aan heeft laaten doen, en insgelijks getaxeerd zijn door hun aan de komp: doen restitueeren de §56.
English
Section 56. The reduction granted to the Trinkonomale leases of the book year 1784/5 amounted to rd:s 76. The agreed reduction for the same leaseholder for the year 1785/6 amounted to rd:s 531. - . - Section 57. Regarding the low delivery of cardamom in the year 1785/86, and regarding the decrease in sappanwood, we have requested a report from the Gale servants and shall have the honor of sending this to Your High Nobilities in due course, together with the demanded statement on the further yield of the cotton plantations, which we have requisitioned from the Manaar chief. Section 58. The chank shells, which were dived for the account of the Company on the Madura coast in the book year 1785/6, were gauged at Tutukorijn using the molds customary there, and were brought hither with one of our sloops and thus placed in the Company's warehouse. Later, upon delivery to the Captain Lieutenant of the local burghery Johannes Wilhelmus van Cuijlenburg, who had purchased them, they were regauged with the Colombo molds, and it was actually then that the great difference in the sorts was discovered, of which we informed Your High Nobilities in our respectful letter of 26 January of this year. A further investigation was not possible for us, because by that time... Section 59. We have instructed the aforesaid van Cuijlenburg to declare under solemn affirmation: 1. Whether the aforesaid chank shells were sold by him to the Englishman who received them here, on the condition that they would be delivered according to their different sorts, as one appears bound to suppose, since otherwise the regauging here would not have been necessary; 2. If so, into how many different sorts the delivery was contracted to be made, and according to which molds; 3. At what prices each sort was sold by him, or at least how the prices of the sorts below the first mold were calculated relative to the chank shells of the first mold; and 4. Whether the payment was made according to the regauging that took place here, without taking into account the gauging performed at Tutukorijn, such that he, by virtue of the differences found between the gauging done at Tutukorijn and the regauging here, drew no advantage whatsoever in any respect, but in good faith received his payment solely according to the contracted price for each sort as they were found here upon regauging. Section 60. His answer has not yet been received, which we shall have the honor of sending to Your High Nobilities on a subsequent occasion; and we only note here that when we were informed of the aforesaid difference, the Englishman who had taken over these chank shells, as we are informed, from the aforementioned van Cuijlenburg, had already departed with them. We have furthermore made known to the said van Cuijlenburg by our resolution taken for this purpose that the making of this declaration under oath shall nevertheless make no change in the right to dispose of this matter subsequently, as Your High Nobilities shall in time deem appropriate. Section 61. We shall, just as we have already instructed the servants at Tutukorijn, henceforth regulate ourselves in accordance with Your High Nobilities' recommendation regarding the Tutukorijn chank shells, according to the molds that have hitherto been used there. Section 62. The Ceylon cowries have truly cost the Company nothing, even though they are accounted for at two stuivers the pound according to Dutch weight, since these two stuivers were credited to the Company here at the same time by having them entered in the books to the benefit of the revenue account; and that furthermore nothing was paid on the Company's account for the diving of the sent cowries, we communicated to Your High Nobilities in our respectful letter of 26 January of this year, Section 25. Section 63. We have requested a report from the Jaffnapatnam servants as to why the chay roots there have yielded no more than 2½ stuivers the pound, whereas private individuals, as in the case of the Manaar chief von Ranzow, can pay 5 stuivers for them, with the prospect of still making a profit thereon; and when this report arrives, we shall have the honor of rendering a further account thereof to Your High Nobilities. Section 64. The inconvenience of transporting so coarse a currency as the dudu coins are, and the impossibility of having struck in advance such a large quantity of them that all the subordinate offices can be provided from here for a whole year during the sailing season, have prompted having them minted at Jaffnapatnam and Gale as well; and for the same reason we have been compelled this time to have a parcel of dudu coins struck at Trinkonomale as well. Section 65. We have already, by the ship de Phenecier, offered two of the rupees that were struck here in the year 1787 to Your High Nobilities as samples, and are not in a position to give Your High Nobilities any further report regarding them than we have already successively done in our letters of 4 July 1787, 26 January, and 24 April of this year; namely, that from one pound of silver, 50 rupees are struck, so that consequently each rupee weighs 1/50 pound; and that the silver is of 10 pence fineness, for the calculation of the weight in stuivers is entirely unfamiliar to us, and we can therefore not provide it. Section 66.
Dutch transcription
§: 56. De aflang, die vergund is aan den Trinkomomaalsche pagten van het boek Jaar 17 8/5, heeft bedraagen ad:o 76= de geaccordeerde afslag aan gelijken pagter van 't „jaar 178 6/5, bedroeg rd:s 531. –. — § 57. Nopens de geringe Leeverantie van Cardamom in 't ba 178 5/80, en noopens de vermindering van Sappanboet ne hebben we berigt gevraagd van de gaalsche bedienden zullen de eere hebben, uwen hoog Ed: heed: dat nadea te toekoomen, nevens de gevorderde opgave van den ren uijtslag der Cattoenplantagien, die me van 't m opperhoofd hebben gerequireerd §: 58. De Sjankosen, die in 't boekjaar 178 6/. op de macla kust; voor reekening van de Comp: zijn opgedooken te Tutukorijn met de aldaar gebruijkelijk mo gemald, en met een onser sloepen herwaarts ge „den en zodaanig in 'skomp: pakhuijs opgelegd. „dert zijn ze, bij de afleevering aan den Capitain E „nant der burgerij alhier Johannes Wilhelmus Cuijlenburg die had gekogt naagemald met de „bose mallen, en toen is het eijgentlijk, dat het g verschil in de zoorten is ontdekt, waar van we w Hoog Edelh: hebben kennis gegeeven bij onsen eer digen van den 26. Januarij deeses Jaars een verder zoek was voor ons niet mogelijk, om dat toen we § 59. We hebben meerm: van Cuijlenburg op gelegd om onderpresen „tatie van eede te berichten 1. op voorsch: sjankosen aan den Engelschaman die ze hier ontfan„ gen heeft, door hem verkogt zijn op kondictie, dat ze zouden geleeverd worden na haare differente zoorten, gelijk men scheint te moeten onderstellen wijl anders de hermalling hier niet nodig zoude geweest zijn 2. zoo Ja, in hoe veele differente zoorten de leeverantie is bedongen te doen en naar welke mallen 3. Tegens welke prijsen elke zoort door hem is verkogt, op ten minsten hoe de prijsen van de zoorten, beneeden de eerste maal, zijn gereekend, relatief tot de sjanko„ „sen van de eerste mal een 4. of de betaaling gedaan is na de hermalling die hier is ge„ „schied, zonder eenig opzicht te neemen op de malling te Fu„ tukorijn gedaan, zoo, dat hij uijt hoofde van den bevon„ dene verschillen, tusschen de gedaane malling te Tuluko„ „zijn en de hermalling hier, in geen opzicht eenig voor„ deel getrokken heeft, maar ten goeder trou zijne betaa„ ling heeft ontfangen, alleen na den bedongeren prijs van elke zoort, zo als ze hier bij hermalling bevonden zijn §60. zijn antwoord is nog niet in gekoomen dat we bij een volgende gelegentheid de eers zullen hebben uw: H: Ed: te zenden, en noteeren hier nog alleen, dat we gem: g'informeerd wierden van 't voorsch: verschil, de engelsch man, die chenloosen deese rezekere zoo me bericht zijn van voorm: van Cuijlenburg had overgenomen reets daar meede vertrokken was. g'informeerd van van Cuijlenburg bij onse hier toe genomene resoluuite bekend, gemaakt, dat het doen dezen verklaaring eede nogtans geen verandering zal maken inde om niet daar over vervolgens te disponeeren, zoo H: H: Edelh: dat in der teid zullen bevinden te be §61. We zullen gelijk we dat reets den bedienden te Pu zijn hebben aanbevoolen ons voortaan volgens ruwer Edelh: aanbeveeling, omtrend de Puterkorijn scho op sen reguleeren naar de mallen daar tot nog toe bruijkt geweest §62. De Ceilonsche Cauries hebben de Comp: werkelijk niet kost, schoon ze teegens Twee stuijs t lb: na nederl aangereekend zijn, wijl deese Twee stuijvers hier ter gelijker teid aan de Comp: goedgedaan zijn, door „ze aan reekening, ten voordeele der reek: van in „sten bij de boeken te doen inneemen, en dat voord opduijking van de gezondene kauris, niets Comps reekening is betaald, hebben we rwen hoog Edelheeden bedeeld bij onsen eerbiedigen van den 26p nuarij deezes Jaars § 25. §63 we hebben van de Jaffenasche bedienden bericht ge „vraagd, hoe 't komt, dat de zaaijwortelen aldaar niet meer hebben op gebragt dan 2½ stuij:s 't lb: daar particulieren, gelijk in 't geval van van mannaarsche opperhoofd van 't mairnaarsche opperhoofd van Ranzou, daar voor 5 sluij:s kunnen geeven, met het voor uijtzigt om daar op nog te winnen, en wanneer dit bericht inkomt zullen we de eere hebben, uwen Hoog Edelheeden daar van nader verslag te doen §64. De ongemakkelijkheid van 't transporteeren van een zoo grove munt, als de doedoes zijn en de onmogelijk heid om daar van, een zoo groote quantiiteis in voor raad te laaten aan slaan dat alle de onderhoorige Cantooren daar mede van hier, in den voorbaaren tijd, voor een geheel Jaar kunnen worden voorzien, hebben aan Leiding gegeven om ze ook te Jaffana en gale te doen munten, en we zijn om dezelfde reeden genood zaakt geweest om ditmaal insgelijks te Trinkonomale een paatij doedoes te laaten aanslaan §65. Wij hebben reets met 't schip de phenecier Twee van de ropijen, die in 't jaar 1787. hier geslagen zijn, uwen Hoog Edelh: tot monsters aangebooden, en zijn niet in staat om uwen Hoog Edelh: daar omtrend eenig verder berigt te geeven dan me reets successive gedaan hebben, bij onsen brieven van den 4. Julij 1787. , 26. Januarij en 24. april deezes Jaars, naamelijk dat van een lb: zilver zijn geslaagen 50. ropeijen, dat mits„ dien elk ropij 1/50: lb weegt; en dat 't zilver is van 10:' penningen, want de bereekening van 't gewigt in stuij:s, is ons geheel onbekend, en kulnen me dat, daarom niet opgeeven man naar f 66
English
§66. Furthermore, we take the liberty, regarding these rupees, to remind Your Right Honourables of what we stated in our aforementioned letter of 4 July 1787, that they were minted solely for the convenience of the public, and without any prospect of profit for the Company, which suffered no loss thereby, since for every rupee provided by the mint master, it paid him stuivers, and again issued the rupee at the same price. §67. We take the liberty of sending herewith to Your Honourables an extract from our resolution, containing our decision on the reports of the Galle Commander Sluijsken of 13 February 1788 and 19 March last, regarding his notions as to how the calculation and accounting of the coin species on the Madura coast ought to have taken place, and on the report of the Madura servants of 1 December 1788, demonstrating how the coin species on the Madura coast have been calculated and accounted for; of all which papers we have already had the honour to send copies to Your Right Honourables with our respectful letters of 5 June 1788 and 20 January of this year. §68. To avoid excessive verbosity, we request permission to refer to our aforementioned resolution, and observe therefrom only: §69. That it cannot be accepted that, for example, the Tuticorin gold Company's pagodas, while they stand in relation to the milled silver ducatoons as 66 to 83, would to those same silver ducatoons stand only as 66 to 74¼. §70. This directly contradicts those self-evident truths, the veracity of which is manifest of itself without requiring proof: that one and the same thing cannot simultaneously be and not be. §71. What we have said above regarding the relation of the pagodas to the silver milled ducatoons also applies in the fullest sense with respect to the Dutch guilders; the pagodas cannot, at the very same time that they stand to the Dutch guilders as 20 to 83, stand to the same guilders as 20 to 74¼. §72. Yet one would have to admit such a visible contradiction, running directly counter to the aforementioned fundamental rule—namely, that one and the same thing cannot simultaneously be and not be—if one were to follow the Galle Commander Sluijsken, assuming the possibility that 66 gold pagodas, at the very time they are equal to 83 milled ducatoons, would be equal to only 74¼ such ducatoons. §73. In this manner they are used, in the very same calculation, now according to the one and then again according to the other valuation. §74. The first thing to be examined in this matter is the actual value of a gold Company's pagoda. §75. That the Company's pagodas, even without the monthly pay of the mint servants and the maintenance of the mint, virtually cost the Company 83 Dutch stuivers, when the gold is calculated at guilders per mark fine, is proven by the mint yields. §76. That they likewise cost nearly as much when calculated according to the charged price, burdened with the agio, appears from a report of the examiner, which is included among the annexes. Those minted from gold brought out by the ship De Gouverneur Generaal De Klerk cost, according to this report, even more. §77. That it is the intention of Your Right Honourables' highly respected order, given by circular dispatch of 8 January 1768, and by a resolution subsequently passed by Your Right Honourables on the 15th of the same month, that the pagodas and other coin species, as well as the goods purchased with them, must be entered into the books according to this actual Dutch value, the Madura servants demonstrate with great clarity in their aforementioned report. This has been done, and thereby these highly respected orders issued by Your Right Honourables have been complied with. §78. Likewise, compliance has been made with the intention of Your Right Honourables' order in the aforementioned resolution of 15 January 1768, that notwithstanding the introduction of the Dutch money, the exchange rate of the coin species among the public, or the current value thereof, had to be maintained on the footing as it was at that time, without the least alteration. §79. That the exchange rate of the pagodas, relative to the goods purchased with them, has remained in the strictest sense unchanged and exactly as it was before the introduction of Dutch money, is evident from the fact that after the introduction of Dutch money, just as many pagodas, and no more, were spent for the same sorts of goods as were spent for them before Dutch money was introduced into the books. The accountings made both before and after that time are incontrovertible proof thereof. §80. That the Dutch coin species issued on the Madura coast instead of pagodas were issued and accounted for to the Company according to their Dutch value at which they were charged, is demonstrated.
Dutch transcription
§66. Voorts neemen wij de vreiheid, noopens deeze ropen uwen Hoog Edelh:n te herinneren het geen mij gen hebben bij voorsz: onsen brief van 4.:' Julij 1787, D zijn geslaagen alleen tot gerief van de gemeinte, en eenig voor uijt zigt van winst voor de Comp:, die daar hij geen schade geleeden heeft wijl ze voor een ropij, die de munten heeft geleeverd, aan hem stuijvers heeft betaald, en weder de ropij voor den zelfden prijs heeft uijtgegeeven §67: Wij gebruijken de vreiheid hiernevens aan uwe hoog „heeden te zenden een Extrakt uijt onze resol: van de houdende onse dispositie op de berigten van den gaa kommandeur Sluijsken van den 13:' febru: 1788. den 19. ' maart J:L:, noopens zijne begrippen, daanig de bereekening en verantwoording de geld speetsien op de maduresche kust hadde hoorn te geschieden, en op 't berigt der madura schee bediendens van den 1' december: 1788. aan wijzende hoedaanig de geld spetien op de madul sche kust zijn bereekend en verantwoord alle we papieren me bereeds de eere gehad hebben uwe hoog edelh: bij onse eerbiedige brieven van den 5: Ju 1788 in den 20. ' Januarij deeses Jaars kopie toete zenden §71. Het geen we hier boven gezegt hebben van de relatie der pagooden tot de zilvere gekartelde ducatonsbee„ staat ook in den volsten zin met- betrekking tot de hol„ landsche guldens de pagooden kunnen ter zelver tijd, dat ze staan tot de hollandsche guldens als tot 20: tot, 83. , niet tot dezelve guldens staan als 20. tot 74.¼ §: 72. zulk een zigtbaare streidigheid, regtstreeks aan lopende teegens de voorsch: grond regel, dat nament„ lijk een en dezelfde zaak ter zelver tijd niet kan zijn en niet zijn zoude men nogtans moeten ad„ mitteeren, indien men den gaals kommandeur sluijsken, § 69. dat het niet kan aangaan dat bij voorbeeld de Iu„ lukoreijnsche goude sComp: pagooden, ten zelver tijd dat ze staan tot de gekaatelde zilvere ducatons als 66. tot 83. , tot die zelfde zilvere ducatons, maar zouden staan als 66: tot 74.¼. §70. dit loopt rechtdraads aan tegens die kundighe„ den, waar van de waarheid zig door zig zelve daet kunnen zouden dat het noodig zij tie te betoogen een en dezelfde zaak kan ten zelfen tijd niet zijn en niet zijn §60: dre versoeken ten vermijding van al te groote weidlcopig„ heid verlof, ons aan voorscho: onze resal: te mogen ge draagen, en merken daar uijt alleen aan S 68. de de moogelijkheid ver onderstellende, dat 66. goude den, ter zelver teid dat ze gelijk staan aan 83. kartelde dukatons, maar zoude gelijk staan met zulke ducatons §73. op deese wijse wordense, in de zelfde bereeken lings, dan eens volgens de eene en daar wederom volg andere evalurtie gebezigt §74. Het Eerste wat in dezen te onderzoeken staat, is de kelijke waarde van een goude komp:s pagoad §75. Dat de komp:s pagooden, zelfs zonder de in zuldij At munts bediend:s en het onderhoud van de munt, op kleinigheid na werkelijk aan de komp: kosten 83 st nederlands, wanneer het goud gereekend wordog guld:s het maak fijn, bewijzen de munts rendement §77. Dat ze dat insgelijks na genoeg tersten, wanneer het gereekend word na de aangereekende prijs, beswaart de agio blijkt bij een bericht van den visitateur, dat de bijlaagen overgaat. Die welke geslaagen zijn goud, dat met schip de gouverneur Generaal de klerk is uijtgebragt kasten blijkens dit berigt zelfs meer §77. Dat toe intentie is van uwe Hoogedelh:s zeerg order, gegeeven bij Circulaire missie van den 8 „arrij 1768. en bij een zeedert bij uwe hoog edelhee genoomen Resol: van den 15 dezelven maand, de pagooden en andere geldspectien zoo wel, als dege deren die daar voor ingekogt worden bij slomps boek §00. Dat de hollandsde geldspetien op de maduresche kust uijtgegeeven insteede van pagaaden, uijtgegeeven en aan de komp: verantwoord zijn volgens derzelver neder„ landse waarde waarmede ze zijn aangereekend, wijzen §79. Dat de koers der pagooden, relatief tot de goederen die daar voor ingekogt zijn, in den striksten zin onge „handert gebleeven is en even zodaanig als die was voor de introductie van 't nederlands geld, blijkt daar uijt, dat na de introductie van het nederlands geld, het even zoo veel pagooden, en niet meer zijn uijtge„ geeven voor de zelfde zoorten van goederen, als daar voor uijtgegeeven zijn voor dat het nederlands geld bij de boeken is g'introduceerd. De aanreekening zoo voor als na dien tijd gedaan, zijn daar van on„ teegenzeggelijke bewijsen §78. Insgelijks is voldaan aan de intentie: van uwe Hoog edelheeden order bij de voorschn: Resolutie van den 15„' Januarij 1768. , dat niet tegenstaande de intro„ ductie van het nederlands: geld, egter de koers der geld, speetsien, onder de gemeente, ofde Courante waar de van dien, moeste worden gelaaten op den voet, gelijk ze ten dier tijd was, zonder de minste verande„ na deese merkelijke nederlandse waarde moeten worden inge noomen, wijzen de maduresche bedienden bij voorschr: hun berigt met groote duidelijkheis aan. Dit is geschied, en is mits dien daar door voldaan aan deese door uwe Hoogedel„ leeden gestelde zeer g'eerde beveelen na de ling
English
the Madura servants in their report of document [illegible] on these species have therefore not cost the Company [more] than they have cost Her Noble [illegible], instead of which they have been issued. § 81. By issuing these species according to their Netherlands value instead of pagodas, the [Company] is consequently not disadvantaged. The Company demands no more, and it can, be it said with respect, neither [claim] nor expect in a country where we have no command over the species, and where the same are accepted as current, not according to the rate that has been assigned to them at the Company's establishments, but solely according to their intrinsic actual value. § 82. When therefore the pagoda costs the Company 83 Dutch stivers, it is in the strictest sense all the same, and it makes not the slightest alteration or change in the state of its expenditures, whether payment is made with pagodas in specie or instead of the same with other coin species, which cost Her Noble [illegible] just as much and no more. § 83. And when, as at present, gold is expensive, so that pagodas come to cost the Company higher than 83 Dutch stivers, the issuing of other species according to their Netherlands value instead of pagodas turns out, in proportion to this lesser or greater dearness, even more advantageous. § 85. That the rate of the pagodas, relative to the goods, has remained unchanged, is evident from the above. The rate thereof relative to other species, or to speak better, the rate of these money species relative to the pagodas, [illegible]. § 86. A report from the secretary van Zitter with the demonstration annexed thereto, drawn from the incoming Tuticorin letters from the year 1757 to 1763, inserted with our resolution of the 14th of this month, indicates these successive rises and falls. § 87. Herewith are compiled 47 Tuticorin reports regarding the relative rate of the money species, and it appears therefrom among others that according to the average calculation, at that time in the exchange among the public on the Madura coast, were equal: 18 19/1000 Dutch ducats to 23 13/168 new Nagapatnam pagodas 16 1/1000 ducatons to 12 3/8 ditto ditto 18 1/100 Surat rupees to 5 1/152 ditto ditto § 88. On the Madura coast, as the servants demonstrate in their aforementioned report, the money species mentioned in the said Tuticorin report were issued. The coin of the country has indeed never been so fixed that it would not have varied more or less from time to time, according to whether one species was sought after above another for a time, as is the case throughout the Indies and even in Europe, although rarely with such large differences as here in this country, with all money species that are not the coin of the country. § 85. This variation, however, has never amounted to so much that it would not most clearly appear that at all times heed has been given to the actual and intrinsic value of these money species relative to the actual and intrinsic value of the pagodas. instead of Company's pagodas, issued by them, accounted for to the Company as follows: 10 1/40 Dutch ducats for 23 1/16 Company's pagodas 18 19/100 ducatons for 14 3/13 ditto 18 1/70 rupees for 5 19/166 ditto § 89. It thus appears that the aforesaid money species were issued by the [servants] on the Madura coast and accounted for against the value that they generally had on the Madura coast, especially in the years mentioned above; the ducatons were even issued considerably higher. § 90. From the aforesaid demonstration drawn from the Tuticorin letters, it further appears that a 1/120 part of a ducat reckoned at 20 schellings as they formerly did at the Company's establishments, a 1/80 part of a ducaton at 13 schellings, and a 1/30 part of a rupee were not held there to be of equal value, which is too visible to require a special demonstration here. § 91. The resolutions taken by Your High Noblenesses of 26 September and 8 October 1743 also rest thereon; according to the same, the [good] and current pagodas on Ceylon might be received on bills of exchange to the Netherlands without agio at 90 heavy stivers in order to be as much as possible on an equal footing with the ducaton of 72 stivers, and on the other hand the rupees were set at 30 stivers with a discount of 9 percent. § 92. The remitters of money by exchange to the Netherlands consequently had to lose 6 stivers on the ducatons, which circulate among the public for 78 stivers, and a discount of 9 percent on the rupees of 30 stivers, whereas on the other hand the pagodas were accepted for 90 stivers money for money. § 93. With regard to the difference in value between a 1/90 part of a pagoda and a 1/30 part of a rupee, one finds among many other documents that demonstrate this, that the Madura servants by Colombo letter of 20 May 1760 were ordered not to accept the rupees on the Madura coast higher than at 27 stivers, that is 90 rupees for 27 pagodas; and it is pointed out in this letter in that regard that, since four rupees on the Madura coast were, but for one fanam, equal to a new Nagapatnam pagoda, the merchants therefore still gained considerably when in active trade 3 1/3 rupees were accepted from them instead of a Nagapatnam pagoda. § 94. How the rate of these money species, as also of Spanish dollars and other coins current in the Indies, is at present among the public, the Madura servants demonstrate at the end of their aforesaid report, among others from the Madras Courier, in which the relative rate of the money species circulating in these regions is made known from time to time for the information of the public, and it appears therefrom that the calculation and accounting of the money species made on the Madura coast, and other species [illegible]
Dutch transcription
de maduresche bedienden bij hun berigt van stuk tb: aan deeze speetien hebben mits dien aan de komp: niet„ gekost, dan aan haar Edele kaude gekost hebben de den, insteede van dewelke te uijt gegeeven zijn §. 81. Door 't uijtgeeven deezer spetien na derzelver nederla waarde insteede van pagooden, is dien volgens de niet benadeeld. meer veagt de komp: niet en kan dezelve, het zij met eerbied gezegd, ook gen noch verwagten in een land daar roe over spetien niets te gebieden hebben, en daar dezelve naar den koers die op komp:s Pablissementen da aan gegeeven is, maar alleen volgens derzelve mendigen werkelijke waarde, gangbaar zijn aang §82. wanneer dus de pagoode de komp: met 83 stu nederlands kosten, is 't in den striksten zynde om 't even en maakt het in den staat haarer uijt „vens geen de minste alteratie op verandering,of met pagooden in spetie betaald dan wel insteede de zelve met andere muntspetien, die Haar Edele even zoo veel en niet meer kosten §. 83. En wanneer gelijk tans 't goud duur is, zoo dat pagooden de komp: hooger dan 83. stuij:s nederlan koomen te staan, komt het uijtgeeven van andere speetsien na derselver nederlandse waarde insteed pagooden na maate van deese mindere of ma re duurte zelfs voordeeliger uijt §85. Dat de koers der pagooden, relatief tot de goederen verandert gebleeven is, is uijt het boovenstaande „baar. De koers daar van relatief tot andere speetsien of om beeter te spreeken de koerst zer geld spetien relatief tot de pagooden, mijs men worden §86. Een berigt van den sekretaris van Zitter met de daar aan g'annexeerd aanwijzing, getrokken uijt de aankoomende Tutukorijnse brieven van den Jaar 1757. tot 1763. g'insereerd bij onse resolutie van den 14. deeser wijst deese successive rijsingen en daalingen aan §87. Iaar bij zijn te zaamen getrokken 47. Tutukorijnse be„ rigter noopens de relative koers der geldspetien, en blijkt daar uijt onder anderen dat naar de gemiddel„ „de bereekening, ten dier tijd in den koers onder de ge„ meente op de maduresche kust gelijk stonden 18. 19/1000. Holl:s ducaaten met 23 13/168. nieuwe Nagap:s pagood en - - - „ 12. 3/8. - do d–o- - - 16. 1/1000 ducatons- 18. 1/100. suratse Ropijen „ 5. 1/152. do — do - - §. 88. Op de maduresche kust, zoo als de bedienden dat bij voorscr: hun bericht aanwijsen, zijn de geld spetien bij gem: Tutukorijns berigt vermeld uijtgegeeven de munt van 't Land zijn is wel nimmer zoo gefireerd ge„ weest, dat ze niet nu en dan min of meer zoude hebben gevarieerd, na mate dat de eene spetie booven de ande„ re voor een tijd gezogt wierd, zoo als dat door geheel in dien en zelfs in Europa schoon zeldsaam met zoo groote verschillen als hier te Lande plaats heeft met alle geld spetien niet zijnde de munt van 't Land §85. Deeze variatie heeft nogtans nimmer zoo veel be„ draagen dat 't niet ten duijdelijksten zoude blijken dat men ten allen tijden, heeft agt gegeeven op de wer„ kelijke en inwendige waarde deezen geld spetie rela„ tief tot de werkelijk en inwendige waarde van de pagooden in . instede van komp:s pagooden, door hun uijtgegeec aan de komp: verantwoord als volgt. 10 1/40. Holl: ducaten voor 23. 1/16 komp.:s pagooden 18 19/100. ducatons - - - „ 14. 3/13 „ do 18 1/70. ropijen. . . . „ 5. 19/166. - „ do §. 89. Het blijkt dus dat de voorsz geld spetien door de „den op de madureesche kust zijn uijt gegeeven en antwoord teegens de waarde die ze door g'ans op de duresche kust gehad hebben, spetiaal in de hier boven geweesene Jaaren de ducatons zijn zelfs merkelijk „gen uijtgegeeven § 90. uijt de voorsz: uijt de tutukorijnse briefen getrokken wijzing, blijkt voorts dat 1/120. gedeelte van een du gereekend tot D0: schelling gelijk ze eerteids op Comp:s etablissen deden 1/0. gedeelte van een ducaton â 13. schelling en /30. gedeelte een ropij aldaar voor geen gelijke waardige deelen gehouden zijn te zigtbaar is om hier een bizondere aan wijsing nodig te heb §. 91. De bij uw Hoog Edelh: genoomene besluijten, van den 26:' Septembr 8. October 1743. rusten ook daar op volgens dezelve mogten des en gangbaare pagooden op Ceilon worden ontfangen op miss nederland zonder opgeld teegens 90. swaare stuij:s om zoo veel lijk gelijkstandig te zijn met de dukaton van 72. stuij: en ten daar en teegen de ropijen worden gesteld tegens 30. stuijvers een rabat van 9. p:ls C„ §92. De Letters van geld op wissel naderland moesten mitsdi de dukatons, die voor 78 stuij:s onder de gemeente roud leeren verliesen 6 stuijvers en op de ropijen van 30. st vers een rabat van 9: p:r C:o waar en tegende pagoo wierden g'accepteerd voor 90. stuijvers geld om geld om geld„ §93. Met betrekking tot het verschil in waarde ths schen 1/90 gedeelte van een pagoode en 1/30. gedralte van een Ropij vind men onder veel § 94. stoe de koers dezer geld spetien gelijk ook der spaanse matten en ander munten in indien gangbaar tans onder gemeente is wijzen de Maduresche bediendens agter voorsz: hun berigt aan onder anderen uit de Madras hoerier, waar bij de relatieve koers der in deeze gewesten roulleerende geldspecttien, van teid tot teid, tot narigt van het pu„ bliek word bekend gemaakt en blijkt daer uijt dat de op de Madurese kust gedaene bereekening en verantwoording der geld andere stukken die dat aanwijzen, dat de Maduaesche bediendens bij Kolombosche brief van den 20. ' Maij 1760 zijn gelast om de ropijen op de Maduresche kust niet hooger aanteneemen dan teegens 27. stuij„ vers dat is 90. ropijen voor 27. pagooden en word daar omtrend bij deezen brief aangeweezen, dat wijl vier ropijen op de Maduresche kust op een fanum na maer gelijk stonden met een nieuwe Nagapat„ namse pagood, de koopluijden er mits dien nog merkelijk bij wonnen wanneer men van hun in den activen handel 3 1/3. copij ac„ cepteerde in steede van een Nagapatnamse pagood. andere specisien
English
species according to their Dutch and real value in agreement therewith. Section 95. Upon the introduction of the Dutch money, it also immediately appeared, in reducing the coin species to their Dutch or real value, that whereas the ducatoon had to be reduced by 17 1/2 percent to be brought to the Dutch value, the pagoda for the same purpose only had to be reduced by 7 9/11 percent. Section 96. It appeared therefore that the value of 1/90 part of a pagoda did not equal the value of 1/80 part of a ducatoon, for then the pagodas as well as the ducatoons would have had to be reduced by 17 1/2 percent. Section 97. The Indian value for which the Dutch coin species are current among the public at the Company's establishments in the Indies is certainly not grounded in the intrinsic and real value thereof. Section 98. The ducats, which formerly were current among the public at 120 stuijvers Indian and since, without however having been changed in alloy, have been set at 132 stuijvers Indian, are thereby now above their Dutch value, calculated at f 5. 5. —, fully 25 percent, and the ducatoons, which formerly passed for 78 stuijvers Indian and since have been set at 80 stuijvers Indian, are on the other hand not more than fully 21 percent above the same. Section 99. This was overlooked in the instruction on how the coin species on the Madura Coast ought to have been calculated and accounted for, and from this arose the mistake of assuming as equal parts, and consequently operating through one another on parts so unequal in value, as among others are 1/90 part of a pagoda, which differs from its real value by only fully 8 percent, and 1/80 part of a ducatoon, which stands fully 21 percent above its real and intrinsic value. Section 100. If in Ceylon the Surat rupee had been given as the standard coin, which in Indian money stands 25 percent above the Dutch value at which it is entered and traded in the books, and one were to calculate the expended coin species on the Madura Coast according to those same principles, that would again produce an entirely different calculation. Section 101. One could perform the same operation on the pagodas in specie. One could, for example, say that 80 pagodas are equal according to their Dutch value to 83 ducatoons; by multiplying these ducatoons by 80 into stuijvers, and dividing these stuijvers again by 90 into pagodas, one would produce fully 73 pagodas; but anyone can easily see that such a manner of calculating cannot be admitted, and that one cannot increase one's wealth in that manner. Section 102. We would do an injustice to the enlightened judgment of your High Nobilities if we used more arguments here to demonstrate that a pagoda, which is worth 83 stuijvers Dutch, relative to the ducatoons is worth 100 3/33 stuijvers Indian, or to speak in other words, that 80 pagodas must not be calculated to equal 90 ducatoons, but with 100 23/33 ducatoons. Section 103. With these brief demonstrations, which according to our humble view rest on incontrovertible grounds, we hope that the calculation of the Visitator-General Domis, sent to us by your High Nobilities with the letter of 15 April 1788, as well as the further instruction on the calculation of the coin species which we received alongside your High Nobilities' letter of 12 Aug: 1788, may also be considered answered. Section 104. Concerning the clarifications requested in this last document, the Visitator provides the necessary directions in his report, which is transmitted among the enclosures, to which we take the liberty to refer. Section 105. We further hope that these our humble demonstrations may serve as proof that the Madura servants, in calculating and accounting for the coin species, have conducted themselves dutifully and in accordance with the standing orders. Section 106. In accordance therewith, the servants were among others written to verbatim from here by letter of 6 September 1773.
Dutch transcription
speetsien naar der zelver Nederla en werkelijke waarde daar meed over eenkomst §. 95. Bij de introductie van 't Neederla geld bleek het ook aanstonds, bij reduceeren der geld speetsien tot derzelv Nederlandse of werkelijke waard dat daar de dukaton moest worden minderd met 172: pC=to om te worde gebragt op de Nederlandsche waar de pagood ten zelven einde alleen moet worden vermindert met 79.p Pro §. 96. Het bleik du dat de waarde van /90 deelte van een pagood met gelijk stond met de waarde van 80. gedeelte van dukaton, want dan hadden de Pagor zoo wel als de dukatons met 172:p moeten worden vermindert. I. 97. De indische waarde waar voor de Hol sche geld speetsien op skomp: Etabli„ menten in Indien onder de gemeente g „baar zijn, is zeekerlijk niet gegrond in de inwvendige en werkelijke waard daar van §98. De Dukaten die eertijds onder de gemeen gangbaar waaren teegens 120. stuijvers indias en zedert zonder nogtans in als te zijn verandert op 132 stuijvers indias gesteld zijn staan daar door nu booven haere Nederlandse waarde gereekend teegens ƒ 5. 5. — ruim 25. prC=o ende du„ katons die eerteids 78: stuijvers indias deeden en zeedert op 80. stuijvers indias gesteld zijn, daar en tegen niet meer dan ruim 21. pC=o booven dezelve §: 99. Dit is bij de aanwijzing hoe men de geldspeetsien op de Madureesche kust hadden behooren te bereekenen en verant woorden, over het hoofd gezien, en is hier uit de vergissing ontstaan van voor gelijke deelen aanteneemen en mits dien door malkanderen te bewerken zoo onge„ „lijke deelen in waarde, als onder anderen zijn 1/90. gedeelte van een pagood dat van zijne werkelijke waerde maar ruim 8. pc=s verschilt en 1/30. gedeelte van een dukaton dat ruim 21. prC=o staat boven zijne werkelijke en inwendige waerde §. 100. Jndien Ceilon de souratse ropij tot stand penning gegeeven waaren die Jndias geld staat 25. pC=to booven de Nederlandse waerde waarmeede ze bij de boeken word ingenoomen en verhandeld, en men na na die zelfde beginzelen de uitgega geld speetsien op de Maduaesche Kust „de bereekenen zoude dat weeder een ge andere reekeening uitbrengen §. 101. Men zoude op de pagooden in speets¬ de zelfde operatie kunnen doen Men zoude bij voorbeeld kunnen zeggen pagooden staan na derzelven Nederla se waerde gelijk met 83: dukatons m deeze dukatons te miltipliceeren me 80. tot stuijvers en deeze stuijvers we oom te deelen met 90: tot pagooden zo zoude men ruim 73: pagooden uitbren dog een elk ziet ligt dat zulk eene wijze van reekenen niet kan aangaan en dat men op die wijze zijn rijkdommen niet vermeerderen kan. §. 102. We zouden aan het verligte oog van uwe Hoog Edelh: te kort doen, indien we hier meer orgumenten gebruijkt, om aantewi zen dat een pagood, die 83: stuijvers Nu„ „derlands waerd is, relatief tot de duk tons waerdig is 100 3/33: stuijv:s indias, of om met andere woorden te spreeken dat 80. pagooden niet moeten gereekend worden gelijk te staan met 90. Dukatons, maer § 105. We hoopen voorts, dat deze onze nedrige aanwijzingen mogen strekken ten blijke dat de Maduresche bediendens zig, in het bereekenen en verantwoorden der geld speetsien, pligt magtig en overeenkomstig met de leggende ordres hebben bestiert §. 106. Over eenkomstig daar meede is den bedienden onder anderen bij brief van den 6: September 1773: van hier woordelijk aangeschreeven met 100 23/33. dukatons § 103 Met deeze korte aanwijzingen, die naar ons nedrig inzien rusten op onweeder spraekelijke gronden, hoopen we dat ook voor beantwoord mag worden gehou„ „den de bereekening van den Heer visita„ teur Generaal Domis, ons door uwe Hoog Edelh: gezonden bij brief van den 15 april 1788. als meede de naedere aanwijzing over de bereekening der geld spetien die we ontfangen hebben nevens uwe Hoog Edelh: brief van den 12. Aug: 1788: 3. 104. Noopens de ophelderingen, die bij dit laatste stuk gevraagt worden, doed de visitateur bij zijn berigt, dat onder de bijlaegen over„ gaat, de nodige aanwijzingen, waar aen we de vrijheid gebruijken ons te gedraa„ met wij gen
English
We send with the bearer of this a chest with rupees to be issued in trade, if such can take place without loss, namely eighty-three rupees for twenty-four pagodas. Section 107. They were also written to from here by letter of 5 April 1774: You must inform us how many ducatoons and rupees could be issued there in the linen trade, and at what rate each specie is calculated at the present exchange rate according to the booklet. Section 108. They replied to this on 18 April of the same year: Gold ducats and silver rupees can well be issued here according to the present exchange rate in the specie booklet, thus eighty-three ducats for one hundred and five pagodas, and eighty-three Surat rupees for twenty-four pagodas. Of ducats we could well spend twenty thousand pieces on that footing, and of rupees fifty thousand, but silver ducatoons would not sell so well. Section 109. We have nevertheless, since Your High Nobilities strictly ordered it and thus in dutiful compliance thereof, written to the servants to provide the bail ordered by Your High Nobilities in Your esteemed letter of 2 June past. Section 110. In response to this, we received a letter from them of the 10th of this month, in which they refer, among other things, to the aforementioned Colombo letter of 5 April 1774. Section 111. We request to be permitted to refer to that and only note from it: Section 112. That the servants point out therein that since the aforementioned directive, for lack of pagodas, rupees and other currency species have been sent from Colombo, all of which have been issued according to their Dutch value. Section 113. That these expenditures have invariably been approved, even by the examiner of the trade books, who approved the trade books up to the year 1782 without any remark, in which year Tuticorin was broken up. Section 114. For this reason and on account of what the servants allege in their aforementioned letter, they have requested us to be excused from providing the imposed bail. And we deemed, in view of the reasons with which this request is supported and in view of all that is alleged above, that the immediate posting of bail should be postponed until we have received Your High Nobilities' reply to this, which we hope Your High Nobilities will favorably indulge. Section 115. For all these reasons, we also hope that Your High Nobilities will favorably indulge that we have deemed it necessary to postpone, for the time being until we have received Your High Nobilities' further pleasure on this, making any change on the Madura coast in calculating the currency species according to their Dutch value. Section 116. One can make a mistake in good faith, and that should not be interpreted to anyone's disadvantage. Section 117. One should, when one's opinion deviates so far from general notions, nevertheless somewhat distrust it. Section 118. Commander Sluijsken should all the more have done so, since he himself paid 102 stuivers Indian for each pagoda, or the value of 102 ducatoons for 83 pagodas, for the linens he had manufactured on the Madura coast, as appears from his reply to the report of the Madura servants and what was recorded in our resolution of the 14th of this month; on the Madura coast the Company only paid 100 2/33 ducatoons for 83 pagodas. Section 119. Commander Sluijsken, who consequently had such special reasons to doubt his own assertions, should therefore not have treated those matters in such a decisive manner as happened, giving cause that not only the Madura servants were brought into great suspicion with Your High Nobilities as if they had shamefully embezzled the Company's property, but also ourselves, and also the previous administration under which the calculation of the currency species was done just as it still happens now, into suspicion with Your High Nobilities.
Dutch transcription
Wij zenden met brenger deezes kist met ropijen om in den handel worden uitgegeeven, indien zulks zou verlies kan geschieden, te weeten drieen tachtig ropijen teegen vier en twinti pagooden §. 107. zoo is hun ook bij brief van den 5. ' Apri 1774. van hier aangeschreeven UE: moeten ons opgeeven hoe veel drg du katons en ropijen aldaar in den bi waat handel zouden uitte geeven zijn voor hoeveel ieder spectsie bereekend den teegenswoordigen koers bij het N. 108. Dezelve hebben daar op den 18. April de zelven Jaars geantwoord. Goude ducaaten en zelvere ropigen kun hier wel uitgegeeven worden, naar den t „genswoordigen koers bij het speelsie boekje dus drie en taggentig duca voor een honderd vijf pagooden, drie en taggentig souratsche ropijen voor vier en twintig pagooden van ducaaten zouden we op dien voet wil twintig duijzend stuks, en van de „pijen wel vijftig Duijzend kunnen Hteeden dog zilvere ducatons zouden zoo wel niet van de hand gaan §. 109. Wij hebben niet te min, wijl uwe Hoog edelheeden het stellig gelast hebben en mits dien in schuldige voldoening daar van de bediendens aangeschreeven, om te stellen de Borgtogt, door uwe Hoog edelheeden bevoolen bij Hoogst Derzelven zeer g'eerde brief van den 2. Junij Jzeeden §. 110. Hier op hebben we van hun ontfangen een brief van den 10. ' deezer, waar bij ze zig onder anderen beroepen op voorsz: Kolombose brief van den 5. April 1819. §. II1. We verzoeken ons daar aan te moogen gedraagen en merken daar uit alleen aen; §. 112. Dat de bediendens daar bij aanwijzen, dat zeedert het voorsz: aanschrijven, bij gebrek van pagooden, van kolombo gezonden zijn ropigen en andere geld speetsien, die alle uitgegeeven zijn volgens derzelver Ne„ derlandse waerde. §. 113. Dat deeze uitgaavens onveranderlijk zijn goedgekeurd, zelfs door de visita„ teur van de Negotie boeken, die de Negotie boeken tot het Jaar 1782. zonder eenige aanmerking hebben geapprobeerd, in welk Jaar Tutukooijn opgebrooken is §S: 109 S. 114. boekje. §. 114. Hierom en om het geen de bediendens der bij voorsz: hun brief alegeeren ben dezelve ons verzogt, om te moo blijven verschoont van de oplegde borg en we hebben gemeent uit hoofde de reedenen waar meede dit verzo is bekleed, en uit hoofde van al t hier booven g'aligeerde, het daadelijk borgstellen te moeten uitgesteld laat tot dat we hier op het antwoord zullen uwe Hoog Edelheeden hebben ontfangen, geen we hoopen dat uwe Hoog Edelheed gunstig zullen inschikken §. 115. Om alle deeze reedenen hoopen we tee vens dat uwe Hoog Edelheeden gunstig zullen inschikken, dat we gemeend heb het te moeten uitstellen, om voor eerst tot dat we hier op uwer Hoog edelhe naader goedvinden zullen hebben ontvangen op de Madirreesche kust eenige verand ring te doen maaken, in het bereekenen der geld speetsien na der zelver Nederlan se waerde. §: 116. Men kan zig ter goeder trouwe vergissen en dat behoort niemand ten kwaaden te worden uitgelegd. § 117. Men dient zijn opinie, wanneer ze zoo verre afwijkt van de algemeene be„ grippen, nogtans wat te mistrouwen § 118. Dat had de kommandeur sluijsken te meer behooren te doen, wijl hij zelve 102. stuijvers indias voor elke pagood, of de waerde van 102. Ducatons voor 83. pagoo den betaald heeft voor de Lijwaeten die hij op de Madureesche kust heeft laaten, aanmaaken blijkens zijn antwoord of het bericht der Madureesch bediendens, en het aangeteekende bij onze resol: van den 14: deezer de komp: heeft, op de madureesche kust voor 83. pagooden maer 100. 2/33. ducaton betaald. § 119. De kommandeur sluijsken, die mits dien zulke bezondere reedenen had, om aan zijn eigen stellen te twijffelen, hadde daerom die dingen niet behooren te behandelen op zoo een beslissende voet, als is geschied en aan„ leiding gegeeven heeft, dat niet alleen de Maduaeesche bediendens bij uwe Hoog Eelheeden in groote verdenking zijn gebragt als hadden deeze zig op een schandelijke wijze vergreepen aan komp: goed maar ook ons zelve en ook het voorig bestier waer onder de bereekening der geld speetsien is gedaan even en zoodanig, als nu nog ge¬ doen in ver„ „schied, bij uwe Hoog edelheeden 5. 117 denking
English
fall under suspicion as if scandalous practices were being tolerated here. Paragraph 120. It grieves us very much that we have had to occupy the attention of your High Excellencies for so long with this matter. For our own part, we regret the time that we have had to spend on this, and should your High Excellencies also find that we have been more detailed in this than was perhaps necessary, we request a favorable indulgence for this. Paragraph 121. We would not have been so extensive were it not to clear the honor and good name of the Madurese servants from the suspicions that have arisen against them, and also to clear ourselves of the reservations that might have arisen against us as a result. Paragraph 122. The first-undersigned Governor has taken great pains to set right the former Chief Administrator and elected Galle Commander Sluijsken in his conceived notions as soon as he had read his report of 13 February 1788, trying if possible to make him understand that it does not matter whether a pagoda is divided into 90 parts—if one should prefer this division—or into fewer or more parts, as long as one merely agrees on its actual value relative to other coin species. He hoped that, by looking into the matter somewhat more deeply, he would easily have understood that it cannot be acceptable that a piece of money, at the very same time that it is worth 83 Dutch stuivers, should be worth no more than 90 such parts, of which 80 parts make a ducaton. Paragraph 123. But since he saw that nothing could help, this moved him to bring the aforementioned report of the Chief Administrator before the eyes of your High Excellencies—however much he had recognized from the beginning the erroneous notions upon which it rested—especially since it was requested therein that this might be done if the Governor did not agree with it. Paragraph 124. In conclusion of this, we take the liberty merely to note from our aforementioned resolution that regarding the request of the Madurese servants for satisfaction over the insult which they consider to have been inflicted upon them and upon the trade servants by the elected Galle Commander Sluijsken in the report of 13 February 1788, we have decided humbly to defer the decision and verdict thereon to your High Excellencies, as we take the liberty of doing by this present letter. Paragraph 125. The documents mentioned herein form a separate register among the appendices. Number 126. Commander Sluijsken, at the meeting of the 14th of this month, regarding some remarks that were said to occur in the reply of the Tuticorin servants and which His Honor considered to be improperly formulated, requested that the judgment thereon might be left to your High Excellencies. Which parts of that reply His Honor had in mind, he has not indicated. And as he today submitted in the aforementioned meeting a written address for the further explanation of his given answers and request made, which has been inserted into our resolution of today, we take the liberty to offer an extract of this our resolution to your High Excellencies herewith. Paragraph 127. That we had paid out from the Company's treasury to the Junior Merchant and former Resident at Manappar, Keunman, the 2000 pagodas which were spent by him on the renewal of the Company's buildings at Manappar, occurred in accordance with the condition on which he took upon himself the repair of these buildings according to our resolution of 14 June 1785, which was further confirmed by resolution of 31 May 1787. We could not obligate the Junior Merchant Augier, who replaced him as the first Resident of Manappar and who excused himself from reimbursing these 2000 pagodas on grounds of his inability, because he was placed in that post as someone expressly sent out to be employed at a linen-producing factory, and we consequently could not impose this condition upon him. We have nevertheless now further written to the servants at Tuticorin to persuade him to it if possible. Paragraph 128. In accordance with your High Excellencies' recommendation, we shall cause Captain de Bellon to restore to the Company the interest that has been credited to him for more than one year. Paragraph 129. The ship de Leviathan, which we sent to Cochin in the latter part of the year 1787, brought from there 812000 lb of pepper and 1977 bags of saltpeter, and by the ship de Negootsie the ministers sent us in December 1787 236 lasts of rice and 500 bags of saltpeter. But because the ministers, after the departure of these ships, had gathered another 1049 bags of saltpeter for us, which had to be here in time to serve as dunnage.
Dutch transcription
verdenking koomen als wierden hier schandelijke bedrijven getoloreert § 120. Het doet ons heel leed, dat we de aandagt uwe Hoog Edelh: dus lange met deeze zaak hebben moeten beezig houden vor ons zelve beklagen wa den tijd, die we dezen hebben moeten besteeden en zoo ook uwe Hoogedelheeden mogten bevinden, dat in deezen omstandiger geweest zijn da misschien waere noodig geweest, verzoek we daar voor een gunstige inschikking §. 121: we zouden met zoo breedvoerig geweest zijn waere het niet om de eere en goede n van de Madureesche bedienden te zuijveren van de teegens hun opgekoomene bedenk „gen, en ook ons zelve te zuiveren van de bedenkingen, die daar uit teegens ons zouden kunnen hebben ontstaan §. 122: De eerst ondergeteekende Gouverneur heeft zig veel moeijte gegeeven, om den geweezen Hoofd administrateur en g'eli„ geerd Gaals kommandeur sluijsken, zo daa hij zijn bericht van den 13. ' febr: 1788 geleezen had, van zijne opgevatte begrippen te regt te brengen, met hem waere 't mog „lijk te doen begrijpen, dat het er niet op aan komt, of een pagood word gedeeld in 90. deelen, /: zoo men ook deeze indeeling mogte prefereeren :/ dan wel in mindere af meer deelen, als men het maer alleen eens is noopens der zelver werkelijke waerde relatief tot andere munt spetien hoopende dat wij de zaak wat dieper in„ ziende, ligtelijk zoude hebben begreepen dat het niet kan aangaan dat een stuk geld, te gelijken teid dat het 83: stuijvers Nederlands waerd is, niet meer zoude waer„ dig zijn dan 90. zulke deelen, waar van 80. deelen en dukaton maeken §. 123. Dan wijl Hij zag dat niets konde helpen, heeft hem dit bewoogen het gem: bericht van den Hoofdadministrateur hoe zeer wij ook de verkeerde begrippen, waar op het ruste van de beginne af heeft ingezien te brengen onder het oog van uwe Hoog Edelh:, in zon„ „derheid wijl daar bij verzogt is, dat dit mogte geschieden, indien de Gouverneur daer meede niet instemde. § 124. Wij gebruijken de vrijheid tot slot deezes, uit voorsz: onze rezolutie nog alleen aante merken, dat we nopens het verzoek der Madureesche bediendens, om voldoening over den roon die ze agten dat aan hun en aan de Negotie bedienden, door den geëligeerde Gaals kommandeur sluijsken bij het bericht van den 13: febr: 1788. is aangedaen, beslooten hebben, de decisie en uijtspraak daer over aan uwe Hoog Edelheeden needrig te defereeren, zoo als we de vriheid gebruiken van dat te doen door deeze eens 3. 125 §125. De in deezen vermelde stukken een apparte register onder de bijl N. 126. De kommandeur sluijsken heeft ter ve dering van den 14. deezer nopens eeni aanmerkingen, die bij beantwoording de Jutukorijnsche bedienden zoude voor men, en zijn E: meind, onbehoorlijk te gesteld, verzogt, dat 't oordeel, daar mogte worden overgelaten aan uwe Hoog heeden op welke gedeeltens van die beant woording zijn E: 't oog heeft, hij niet aangeweezen en wijl dezelve op heden tot nadere verklaering van desselfs g geevene antwoorden en gedaan verzoek in voorsz: vergadering heeft ingediende schriftelijk addres dat g'insereerdis onze resolutie van heden, neemen wij de vrijheid een extract van deeze onze rese tie uwen Hoogedelheeden hiernevens aant §. 127. Dat we aan den onderkoopman en gew: en Resident te Mannapaar keunmannuij sComp: cas hebben laaten uitkeeren de 2000: pagooden, die door hem zijn veronkostigd tot de vernieuwing van sComp: gebouwen te Mannapaar, is geschied ingevolge de Conditie waar op hij de herstelling deeze gebouwen heeft op zig genoomen volgens onse re van den 14.:' Junij 1785. , die nog nader bekrag„ tigd is bij resolutie van den 31: ' maij 1787. den onderkoopman Augier, die hem als eersten Resident van Mannapaar heeft vervangen en zig uit hoofde van zijn onvermoogen van het vergoeden van deeze 2000: pagooden heeft verschoond, kouden we daar toe niet verplichten, om dat hij als expres uijtgezon den, om een lijwaat geevend Cantoor te worden g'emploijeerd, in dien post gesteld is en we hem mitsdien deze kondietsie niet konden opleggen wij hebben niet te min nu nader den Bedienden te Jutu Kooijn aangeschree„ ven, om hem is 't doenlijk daer toe te per suadeeren. § 128. Wij zullen volgens uwer Hoog edelheeden aan beveeling door den Capitein de Bellon aan de Comp: doen restitueeren de intrest, die aan hem meer dan voor een Jaar zijn goed gedaan. §. 129. 'T schip de Leviathan, dat we in het laatst van 't Jaar 1787. na Koetsiem hebben gezonden, heeft van daar aangebragt 812000: lb: peper en 1977: zakken salpeter en met 't schip de Negootsie hebben de Ministers ons in xber: 1787: toegezonden 236: Lasten rijst en 500. zakken salpeeter, doch wijl de ministers, naa 't vertrek van deeze scheepen nog 1049: zakken salpee„ ter voor ons hadden opgedaan, die hier tijdig moesten weezen om te dienen tot van onderlaag over bieden.
English
dunnage for the return ships, have employed the same for that purpose, the French snow Notre Dame de Tout Les Biens, against the freight of half a rupee. According to Your Right Honorable recommendation, we have requested the Cochin ministers that, if they had to send the return cargo per Patria in the near future with private vessels, they should stipulate the transport thereof directly to Gale. §. 130. That we have resiled from our first decision, whereby the damaged sails in the Gale equipment warehouse were charged to the master of equipment Abo for reimbursement at cost price, and have allowed him to suffice with paying for them at purchase price, took place upon the representation of the Gale officials, and upon the further declaration of the said master of equipment that these sails, despite all his precautions, had become damaged; we resolved to do this all the sooner because it appeared that white ants were indeed present on some scaffoldings, and it was consequently to be attributed more to an unforeseen accident than to any negligence. §. 131. We have instructed the head administrator to note henceforward the profit in percent in a separate column when making the requisition for cash. §. 132. Hereinbefore we have already noted how it came about that we sent a parcel of coir via Cochin to Batavia, but it was not our intention to request our entire requirement of timber from Cochin in the future without Your Right Honorable's authorization. That we asked the ministers whether they could supply us with it was done out of a pure regard for the Company's benefit, in order, if the Malabar timber could be obtained more cheaply, to make the proposal to Your Right Honorable to be permitted to request our requirements from Cochin at that time, as we have communicated in our letter of 26 January of this year, §. 290. §. 133. The minister Johan Engelbert Angonis, who was stationed at Jaffnapatnam, passed away there on 18 May 1788. §: 134. We have recommended the Tuticorin officials, in matters undertaken along that coast to the detriment of the Company's rights, to address themselves, in accordance with Your Right Honorable's recommendation, to the Nabob's agent, Mr. Buchanan; we hope that all such attempts by the native government will largely cease once the ratifications are exchanged, and we are likewise awaiting Your Right Honorable's reply to our secret letter of 29 April. §. 135. Regarding the mission to the Teuver, we can as yet report nothing of substance to Your Right Honorable. The Punnaikayal resident Franken, who went to Kilkare for that purpose, had to return fruitlessly because the English colonel, who on behalf of the Nabob commands the garrison at Ramanathapuram where the Teuver maintains his residence, raised difficulties about permitting such a mission without permission from the Nabob. Since then, at the request of the Teuver, we have sent a native official to him, but he too returned without having accomplished anything, because the Teuver, or rather his chancellor, pretended to wish to make certain proposals that could only be disclosed to a council member of Tuticorin, and consequently requested that such a person be sent to Kilkare, whither the Teuver would also send someone on his behalf to treat about the matters there in person, as appears from the report of the aforementioned native official, which is attached in copy among the appendices. We have since caused the Teuver to be asked when it would be convenient for him that we send someone to Kilkare in accordance with his desire, and we are still awaiting an answer to this. §. 136. We have requested from the Matara officials a specific account of the costs incurred on the excavation in the Giruwais; regarding the utility and benefit that is to accrue to the Company from that excavation, we have largely given Your Right Honorable a provisional report in our letter of 10 May last, and shall do so further in more detail. §. 137. To the five kannekappels, who were appointed upon the abolition of the land kannekappel at Batticaloa, a salary of 10 schellingen per month has been assigned. §. 138. The fief and allodial immovable properties of the deceased Wannia of Karwitte and Nadene have been confiscated for the Company, because he had no surviving brothers, who alone, according to the custom of the land, can inherit such properties. §: 139.
Dutch transcription
onderlaag voor de retourscheepen, hebben dezelven daar toe g'emploijeerd, de fran„ snaau Notre dame de tout Les bin tegens de vragt van een halve ropij dez wij hebben volgens uwer Hoog Edelheed aanbeveeling, de koetsiemsche Minister verzogt, om indien ze de retouren pr Patria, in den aanstaande met part ve vaartuijgen moesten zenden, t transport daar van direct na Gale te bedingen §. 130. Dat we hebben geresilieerd van ons eerst besluijt, waer bij de beschadigde zijlen het Gaalsch equipagie Pakhuijs, den Eg pagie meester Abo ter vergoeding teegen uijtkoops prijs zijn opgelegd, en hem ben laaten volstaan met dezelve in koop te voldoen, is geschied op den voordrag den Gaalsche bedienden, en op de nadere betuijging van gem Equipagiemeester, dat deeze zijlen, in weerwil van alle zijne voorzorgen, beschadigd waaren geraak ttien toe hebben we eerder geresolveerd,om dat het gebleeken is, dat de witte mien werkelijk aan eenige stellingen zijn geweest en het mits dien meer dan een onvoor zien ongeluk, dan aan eenige verwaet loozing was toeteschrijven §. 132. Hier vooren hebben we reets genoteerd, hoe het is te pas gekoomen, dat we een parthij Caijer over koetsiem na Batavia hebben gezonden, doch het is onze intentie niet geweest, om zonder uwer Hoog edelheeden qualificatie onze geheele benodigdheijd van Houtwerken voortaan van koetsiem te vraegen Dat we de Ministers hebben gevraagd, of ze ons daar meede konden voorzien, is uijt eene zuijvere betragting van sComp: voor deel geschied, om zoo de Mallabaarsche houten beter koop te bekoomen waeren, uwen Hoog Edelh: het voorstel te doen, van als dan onze benodigdheid van koetsiem te mogen vraagen zoo als we dat bedeeld hebben bij onsen brief van den 26. ' Januarij deezes Jaars 5. 290. §. 133. De Predikant Johan Engelbert Angonis, die te Jaffenapatnam bescheijden was, is den 18:' Maij 1788 aldaar overleeden §: 134. Wij hebben de Tutukorijnsche bedienden gerecom„ „mandeerd om in zaaken die daar ter kuste ten nadeele van de rechten van de Comp: worden ondernoomen, zich naar uwer Hoog edelh: aanbeveeling te addresseeren aan 'T Nababs Agent, de Heer Buchanan we hoopen § 131: We hebben den hoofdadministrateur aanbe„ voolen om voortaan bij den eisch van Contan„ „ten, de winst in p=rC=o in eene aparte Colom te noteeren. §. 131 dat dat alle diergelijke tentamen van Inlandsche regeering voor het groot zullen ophouden, als de ratificatien zullen uijtgewisseld, en we wagten daer meede naar 't antwoord van uwe Hoog edelheed op onsen secreeten brief van den 29:' April 7 §. 135. Van de besending aan den teuver kunnen uwen Hoog Edelh: tot nog toe niets zaak lijks melden De Ponnecailsche resident Franken, die daer toe na Kilkare is ge den, heeft vrugteloos moeten te rug keer om dat de engelsche Colonel, die van we den Nabab, 't bevel heeft over de bezal te Rammenadewaram, alwaar de teus sijne residentie houd, swarigheid heeft ge maakt, buijten verlof van den Nabab, een zodanige besending toetelaaten 'T seder hebben we, op 't verzoek van den tenver„ een inlandsche bediende aan hem geson den, maar ook deeze is onverrigten saak te ruggekeerd, wijl de teuwer op liever zijn kancellier, voor gaf eenige propositien te willen doen, die niet dan aan een Raadslid van Tutu korijn kon 9. ' openbaard worden, en mits dien ver „zogte, sodanig een perzoon na Kilkare te senden, waar heenen de teuver ook iemand zijnentweegen zoude zenden, om daar selve over de zaaken te hande len, blijkens 't rappart van voorm: inland„ „sche bediende, dat in Copij onder de bijlaegen is gevoegd wij hebben sedert den teuwver laeten vraegen, wanneer 't hem soude gelee„ gen koomen, dat we iemand volgens zijn verlangen, na Kilkaae senden, en wij ver„ wagten daar nog antwoord op. §. 136. Wij hebben van de matureesche bedienden eene specifique reekening gevraagd van de gedaane kosten aan de doorgraaving in de giarewais van 't nut en voordeel, 't welk uit die doorgraaving voor de Comp: staet te proflueeren hebben we veels uwen Hoog Edelh: voorlopig bericht gedaan bij onsen brief van den 10. ' maij Jzeeden en zullen dat nog nader in breder doen. § 137. Aan de vijf kannekappels, die bij de af„ schaffing van den Lands kannekappel te Battikaloa sijn aangesteld, is eene be„ selding toegelegd van 10. schell: smaands. §. 138. De leen en eijgene vaste goederen van den overleeden wannia van karwitte en nadene, sijn voor de Comp:e ingetrokken om dat hij geene broeders in leeven had, die alleen volgens slands gebruijk diergelijke goederen kunnen erven. iemand §: 139
English
A. 139. The medals for the natives who have distinguished themselves in the cultivation of cinnamon are not yet completed; we can therefore not yet state the weight or the cost thereof. The large gold ones, with the chain, will most likely cost between 50 and [illegible] pagodas, and the small and silver-gilt ones proportionally. Section 140. Regarding the provision of clothing to the hospitals in Jaffenapatnam, Tutukorijn, Mature, Kalpettij, Battikaloa, and Mannaar, we shall conduct ourselves in accordance with what was prescribed in Your High Noblenesses' dispatch of 26 June last, and we shall likewise grant the chief surgeon at Tutukorijn a small gratuity for curing foul diseases. Section 141. The extract sent to us by Your High Noblenesses from the heading of the Dutch requisition of returns, we have forwarded in copy to the Tutukorijn servants, with the recommendation to exercise all attention during the collection of linens, in order to continuously give the Gentlemen Principals the same satisfaction as They express regarding the good condition in which the linens were brought up to the year 1780. Section 142. We have emphatically recommended to the servants at Gale and Tutukorijn, while sending them an extract from Your High Noblenesses' dispatch of 10 July, to exercise all possible precaution against all abuses in the shipment of linens, and especially that they are packed dry and well and do not become wet during shipment, under penalty of compensation by whoever is responsible. Section 143. We shall dutifully comply with Your High Noblenesses' order by extract from the minutes of 9 October 1788 to arrange the presentation of profits and losses henceforth as is practiced on Timor, according to the extract of the Timor dispatch of 28 September 1785 sent to us along with it, as far as can be done in such an extensive household as this government. Section 144. Gun carriages are manufactured here locally; if it should nevertheless become necessary after this to request them from Batavia, we shall comply with what was prescribed in the report of the Honorable Major of Artillery Pillon, sent to us along with an extract from the minutes of 14 November 1788. Section 145. According to what was recommended by extract from the minutes of 11 December 1788, we shall order both the chief administrator here and the servants at the subordinate comptoirs to have the emptied full and half arak leagers delivered to the cooperage shop to be properly received and accounted for, and when the quantity thereof exceeds what is needed in the household, to have them broken down into staves and returned to Batavia. Section 146. To satisfy what was required by extract from the minutes of 16 December 1788, we have requested a report from the Chief Administrator and the trade servants of this Government as to whether they can provide copies of all the trade books sent annually to Batavia for transmission to the Amsterdam Chamber, with orders to present their objections if the contrary is the case, and at the same time to specify how many clerks they will need for that purpose in the former case beyond the permitted number. Section 147. We have also, according to what was recommended by extract from the minutes of 9 January of this year, renewed the order to transmit, with each ship and smaller vessel departing from there to Batavia, just as has been done until now, three expense accounts, and to have recorded, separately from the ship expenses, everything that must be booked to the debit or credit of ship wages. Section 148. We shall duly have observed in the government the order given by extract from the minutes of 20 January 1789, to use henceforth no more than one-third of powder, calculated according to the weight of the caliber, for salutes and signal shots, both at water and on land. Section 149. We shall also take for our guidance the order given to the ship officers by an extract from the minutes of the same aforesaid date, that upon receipt of linens that have become wet or damp between shipboard and the shore, not to accept them, but to ship them directly back to the shore. Section 150. Likewise we shall have observed the order
Dutch transcription
A. 139. De medaljes voor de inlandsche welke in de aanplanting van kanne hebben uijtgemunt zijn nog niet verv digt we kunnen mitsdien het gewig het kostende daar van nog niet opge de groote goude zullen met de Thell naastdenkelijk op tusschen de 50 en pagoden koomen te staan, en de klijne de zilvere vergulde na rato §. 140. Noopens de verstrekking van kleeding aan de Hospitaalen te Jaffenapatnam Tutukorijn mature, Kalpettij, Battikal en Mannaar sullen wij ons rigten na het voorgeschreevene bij uwer Hoog Edelh: missive van den 26:' Junij Jzeeden, en zulle wij insgelijks aan den oppermeester te Putukorijn een klijn douceur toeleggen v 't kureeren van onreijne siekten. §. 141. Tons door uwe Hoog Edelheeden toegeton ne extrakt, uit het hoofd van den net landsche eijsch van retouren hebben wij in Copia toegezonden aan de Tutukorijnsche dienden, met recommandatie, om alle attens bij den inzaam van Lijwaaten te gebruijk ten eijnde bij voorduuring, daer omtrend aen de Heeren majores 't selfde genoegen te ku „nen geeven, dat hoogst dezelve daer bij betui „gen over de goede gesteldheid, waer in de Lijwaeten tot in het Jaer 1780. zijn gebragt §. 144. Affuiten worden hier zelve aangemaakt inge„ valle het nogtans na deeze mogte noo„ dig zijn, dat er van Batavia gevraagt wierden zullen we naerkoomen 't voor„ geschreevene bij het berigt van den E. majoor der aatillerie Pillon, ons §: 142: Wij hebben den bedienden te Gale en Tutuko, zijn, onder toezending van extrakt uit uwer Hoog Edelh: missive van den 10. ' Julij, nadrukkelijk gerekommandeerd, om alle mogelijke voorsoogen te gebruijken teegen alle abuijsen bij den afscheep van Lijwaeten en inzonderheijd dat ze droog en wel wor„ den ingepakt en bij den afscheep niet nat worden, sub peene van vergoeding door dien 't incumbeerd. § 143. Wij zullen uwer Hoog Edelh: order bij ex„ trakt uijt de natulen van den 9. ' october 1788. om de vertooning der winsten en lasten voortaan interigten soodanig als dat op Timor in practijk is, volgens 't ons daar nevens toegezondene extrakt Timorsche missive van den 28. ' 7ber: 1785. soo veel 't in zooreet w# in zoo een om„ slagtige huijshouding, als dit gouverne„ ment, geschieden kan, schuldpligtig naer„ koomen. weest nevens weest. nevens een Extrakt uijt de Natul van den 14. 9ber: 1788. toegezonden. §. 145. volgens het aanbevoolene bij extrakt de notulen van den 11:' december 1788 soo wel de hoofdadministrateur all als de bedienden op de onderhoorige tooven gelasten om de leedig vallende en halve araaks leggers in de kuijt winkel te laeten afgeeven om behoorl ingenoomen en verantwoord te worden den wanneer de quantiteijt daer van meerder bedraagt, als in de huijshout noodig is, dezelve te doen schooven en Batavia te rug te zenden §. 146. We hebben ter voldoening aan t geregen reerde bij Extrakt uit de notulen van den 16: December 1788. van den Hoofd ministrateur en de negotie bedienden dezes Gouvernements berigt gevraagt of ze van alle de negotie boeken die Ja lijks na Batavia worden gezonden, af „schriften kunnen bezorgen ter verzending aan de kamer Amsterdam, met last om in contrarie gevallen; hunne beho „ven daer teegen in tebrengen, en teffens op te geeven, hoeveel pennisten zij in het § 148. De ordre gegeeven bij extrakt uit de notulen van 20: Januarij 1789, om tot de salut en seinschooten, zo te water als te land, voortaen niet meer te gebruijken dan een derde kruit gereekent tot de swaarte van 't Caliber sullen wij in het gouvernement behoorlijk doen na koomen. §. 149. Ook zullen we tot ons narigt neemen de order, gegeeven aan de scheepsoverheeden bij een Extrakt uit de Notulen van even gem: da„ tum om bij ontvangst van Lijwaeten die tusschen scheeps boord en de wal, nat of vogtig geworden zijn, dezelve niet te ont„ „vangen, maar direct weder naer de wel afte scheepen. §. 150. Insgelijks sullen we doen observeeren de §147. ook hebben we volgens 't aanbevoolene bij extrakt uijt de notulen van den 9: ' Januarij dezes Jaars, gerenoveert de ordre, om met ieder daer na Batavia vertrekkende scheepen en mindere vaartuijgen even en zodanig als dat tot nog toe geschied drie onkostreekeningen over te zenden, en om afgezondert van de scheeps onkosten, te doen noteeren, al het geen ten lasten of voordeelen van scheepssoldijen geboekt moet eerste geval, boven 't gepermitteerd getal daer toe wel nodig zullen eerste ordre hebben. worden.
English
order contained in the extract from the Minutes of the 27th of January of this year, regarding the firing of shots at the muster, furthermore to have verified by declarations the salute and signal shots, as well as the clearing of the guns on the vessels. § 151. Furthermore, we shall take for our guidance the Extract sent to us from the Minutes of the 24th of April of this year, containing Your Right Honourables' disposition on the Gunpowder accounts of various ships. § 152. The order given by Extract from the minutes of the 16th of June of this year, to have the ship's authorities, upon receipt of sugar, set aside two Canassers for determining the tare, and according to the tare thereof account for the loaded quantity, we shall duly observe here. § 153. We shall dutifully comply with Your Right Honourables' recommendation by Extract from the minutes of the 19th of July of this year, to have the pay books checked each time against the orders enacted against unlimited payments of monthly wages to servants whose accounts are encumbered by monthly notes and transport certificates, having been properly observed. § 154. With respect to the ships and vessels, we refer, concerning the reasons that caused us to detain there until now the ship de Gouverneur Generaal De klerk, which was sent to Trin Conomaale in the month of June last, to our secret letter of the 10th of May. These reasons no longer existing at present, we have ordered the Trin Conomaale servants to dispatch the same to Batavia as soon as the ship 't Slot ter Hooge arrives there, and thus this our respectful address will also be brought to Your Right Honourables with it. § 155. To this ship, because of the uncertainty as to when it might commence the voyage thither, we have, at the request of its chief surgeon, caused such medicines to be supplied as are mentioned in our resolution of the 5th of June last, which is transmitted in Extract among the appendices. § 156. Also, upon a requisition submitted by Captain Jacobsen, some equipage goods have been supplied to the same, as deemed necessary by the Galle Master Attendant Abo for making the voyage via Trin Conomaele to Batavia, pursuant to the Galle resolution of the 8th of June, which, together with the appendices belonging thereto, accompanies this in copy and was approved by us at the session of the 25th following. § 157. The assistant Albert Hendrik Giessler, discharged from Bengal to Europe, mentioned in our respectful letter of the 2nd of April last, having made a request to us to be allowed to go to Batavia in order to undertake his voyage home from there with the pleasure of Your Right Honourables, we have permitted him to cross over thither with the bearer of this, but with pay written off, and provided that during the voyage he remains without expense to the Company. § 158. We have also ordered the servants at Trin Conomale to grant transport to Batavia with this vessel to the Captain Lieutenant Jan Gerrit Daels and the Second Lieutenant Lourens Holland, who were stationed at the Beacon of Chinsura. Their pay accounts, as well as that of the aforementioned Giessler, we have not received from Bengal. § 159. The ship 't Slot ter Hooge departed thither on the 13th of this month with One Hundred lasts of rice and other necessities for TrinConomale, in order subsequently to continue the return voyage from there to Batavia. § 160. The chief mandor of the gang of Chinese on this ship has complained to our Master Attendant Andringa about Captain Hartig, alleging that he had mistreated him and caused the Chinese to suffer want, as appears from his petition, which is transmitted among the appendices. § 161. Captain Hartig has defended himself against this in an address directed to the first-signed Governor, which likewise accompanies this, and in which he demonstrates with great probability that the complaint of the chief mandor is false, and the said Captain, in order to prove his assertions, has submitted a declaration from the senior and junior officers of his ship, which also accompanies this. § 162. It appears from this declaration that the Chinese were always well treated, and this is further confirmed by a report which
Dutch transcription
ordre vervat bij extract uit de Notule den 27.' Januarij deezes Jaars, nopen doen van schooten bij de monstering voorts door verklaaringen doen veri aen de salut en sein schooten, nevens afblaasen der stukken op de vaartuijg §. 151. Voorts zullen we tot ons narigt neem 't ons toegesonden Extrakt uit de Nota van den 24. april deezes Jaers, houden uwer Hoog Edelh dispositie op de Kruij reekeningen van verscheijde scheepen § 152. De ordre gegeeven bij Extract uit de notu van den 16e Junij deezes Jacrs, om doo de scheeps overheeden, bij ontvangst suijker, twee Cannassers tot het maake der taara te laaten afzonderen, en volg de taara derzelve de ingelaaden quantit te doen verantwoorden zullen we hier d abserveeren §: 153. Wij zullen meer Hoog Edelh: aanbeveeling bij Extrakt uit de notulen van den 19:' J deezes Jaars, om de soldij boeken telken te laaten nazien, op de ordres teegens ongelimiteerde afbetaalingen van maan gelden gesteld, aan dienaaren, welkers keningen, weegens maand cedullen en ta „porten, beswaard zijn behoorlijk zijn agt genoomen, schuldpligtig nakoomen §. 156. ook zijn aan 't zelve, op een ingediende eijsch door den capitain Jacobsen eenig equipagie goederen, als door den Gaalschen 5. 154. Met opsigt tot de scheepen en vaartuijgen, refereeren wij ons nopens de reedenen, die voortgebragt hebben dat we 't schip de Gouverneur Generaal De klerk 't welk in de maend Junij Jzeeden na Trin Conomaale gezonden is, aldaar tot dus lange hebben doen ver„ toeven, aan onze secreeten brief van den 10. ' Maij Deeze reedenen tans niet meer bestaande, hebben we de Trin Conomaalse bedienden gelast om zoo dra 't schip 't slot ter Hooge aldaar aankomt, het selve na Batavia te depecheeren, en sal dus daar meede deeze onze eerbiedige uwen Hoog Edelh: worden toegebragt § 155. Aan dit schip hebben we, om de onzee„ =kerheijd wanneer 't de rijse na derwaerts soude kunnen aantreeden, op 't verzoek van dies oppermeester, sodanige medikae „menten laaten verstrekken, als vermeld zijn bij onse retol: van den 5. ' Junij JL: die in Extrakt onder de bijlaagen over gaat. 5 159. Equipagimeester Equipagiemeester Abo, tot het doen rijse over Trin Conomaele na Batav noodzakelijk gekeurd, verstrekt, hens Gaalsche rctol: van den 8' Jun die nevens de daer toe gehoorende laagen, copieelijk hierneevens gaat door ons geapprobeerd is ter sessie va den 25 daar aen §: 157: De van Bengale na Europa verloste sistent Albert Hendrik Giessler vermeld: bij onsen eerbiedigen van den april JLeeden, aan ons versoek gedaan hebbende na Batavia te moogen gaan om met believen van uwe Hoog edelhe zijne te huijs rijze van daer te ondern men, zoo hebben we hem toegestaan, met brenger deezes derwaards te mooge overvaeren, dog met afgeschreevene gie, en mits geduurende de rijze vende buijten laste van de Comp: §. 158. Ook hebben we den bedienden te Trin Conom gelast, om met deezen bodem transport na Batavia te verleenen aan den Capi „tain Luijtenant Jan Gerrit Daels en den sous Luijtenant d' Lourens Holland die op de Baak de Chinsuaa bescheijd zijn geweest hunne soldij reekeningen wo die van voorm: Giessler, hebben we van Bengale niet ontfangen F. 159 'T Schip 't slot ter Hooge is den 13e . dezer met Een Honderd lasten rijst en andere benodigtheeden voor TrinConomale, na derwaards vertrokken; om van daar ver volgens de terug aijze na Batavia voort te setten. § 160. De oppermandoor van de ploeg Chineesen op dit schip heeft bij onsen equipagie„ meester Andringd geklaagd over den Capitain Hartig, als of hij hem qualijk hadde gehandelt en de Chineezen gebrek had laaten leijden, blijkens zijn request, dat onder de bijlaegen overgaat 161. De Capitain Waatig heeft zig daar teegen verantwoord, bij een addres aan den eerst geteekenden Gouverneur gerigt, dat insge„ lijks hiernevens gaat, en waer bij hij met veel waarschijnlijkheid aantoond dat de klagte van den opperman door valsch is, en heeft gem: Capitain om zijne positien te bewijsen; overgelegd eene verklaaring van de opper en onder officieren van zijn schip, die mede deezen verzeld. §. 162. 3 blijkt bij deeze verklaering, dat de Chineesen steets wel behandeld zijn, en zulks consteerd nog nader uit één die berigt 5
English
Because the southwest monsoon is already so far advanced this year, we have written to the servants at Gale to request a written report from the Master of Equipage Abo, the Captains of the ships den Arend and Spaarne, and the former Bengal upper merchant who came out again with the last-mentioned ship: 1: whether, in their opinion, it can be undertaken with peace of mind to allow the ship Spaarne, as soon as it shall have been repaired of the defects present thereon, to proceed on its further voyage to Bengale; 2: if not, then to state clearly and distinctly the reasons thereof, indicating at the same time until how long the ship, in their view, ought to remain lying, in order to be able to let it proceed to Bengale with peace of mind. Section 168. This report has not yet come in, and as soon as we receive it, we shall take such disposition regarding the ship 'T Spaaren as we shall find to be most convenient for the service of the Company. Section 169. The Amsterdam ship Trin Conomale, destined for this Government, arrived on the 2nd of this month at the roads of Ponnecail, and on the 9th thereof here. It sailed on the 28th of February from Texel with 328 heads, and on the 25th of May arrived at the Cape of Good Hope with 327 heads; from there it departed again on the 19th of June with 358 heads, and en route had 17 deaths, so that it arrived at Ponnecail with 341 heads, among whom are the junior merchant Pieter Isaak van Tijlingen, 5 passengers, 99 soldiers for our battalion, and 49 recruits for the regiment de Meuron. Among the national soldiers are 4 officers, namely the Captain Johan Fredrik van Stoube, the Lieutenants Salomon Dobberich and Louis Esscher, and the Ensign Wilhelm Faedrik Hendrik Gosewijn Baron van Marcken; and among those for the regiment of Meuron are two officers, namely the Major Gregorius Marak and the Captain-Lieutenant Louis Bernaad. Section 170. The brief strength of these men and the copies of the letters received with this vessel from the Netherlands and from the Cape, we take the liberty to present to Your High Nobilities herewith, but the further customary reports concerning this vessel shall follow later. Only, we report herewith that among other things four chests of gold were brought along for this Government, weighing 104 marks troy of 18 carats 5 1/2 grains. Section 171. Concerning the Colombo cargo of the ship de Gouverneur Generaal de Klerk delivered at Gale, the servants disposed by their resolution of the 28th of January of this year, which is included in copy among the appendices, and was approved by our resolution of the 3rd of March following, which accompanies this in extract. Only, we made this alteration to the disposition of the Gale servants, that to the ship's officers, on the nails that they transported to Gale and on which the servants had allowed no spillage, the customary spillage should be validated, and that that which the officers had accounted for less beyond that, should be charged to their account at cost price. Section 172. By our resolution of the 9th of March of this year, we disposed of the Gale cargo of this ship delivered here, and we take the liberty to refer humbly to the extract from the said resolution that accompanies this. We only note therefrom that because the officers, on a consignment of hard bread brought from Gale, accounted for 1404 lb less, we validated 12 percent spillage to them thereon, and caused the remainder to be charged to their pay account; and that we likewise imposed upon them for reimbursement the bar iron and whole leaguer hoops delivered short by them, after deduction of the customary spillage, as well as the lesser yield than the cost price of 124 lb of iron delivered here in broken pieces and sold by public auction, because the master of the smiths declared it unusable in the Company's service. Also imposed upon them for reimbursement were 12 1/6 hoeds of blacksmith coal, which they accounted for short beyond the stipulated spillage. Section 173. According to the Gale bill of lading, the officers here should still have accounted for 2150 straw mats, 120 Semarang slab pieces, and 30 Semarang planks, which, when this ship was to be made ready
Dutch transcription
om dat de zuijdweste mousson reeds dit Jaar soo verre gevordert is, hebb we den bedienden te Gale aangeschre om van den Equipagiemeester Abo, de Capitains van de scheepen den Arend spaarne, en den gew: Bengaalsch opper die met laatst gem: schip weder uijt koomen is, een schriftelijk berigt te vraagen. 1: of 't naar hun in zien met gerustheijd kan worden ondernoomen om 't schip ne, soo daa't van de daer aan zijnde gebreeken zal zijn versteld, de verde voortrijze na Bengale te laaten aantrec 2: zoo neen, om als dan duijdelijk en „tinktelijk op tegeeven de reedenen van dien met aanwijzing teevens, tot hoe lang 't schip naar hun inzien, zoude behoor te blijven leggen, om 't met gerustheijd na Bengale te kunnen laeten verstrekken §168. Dit berigt is nog niet ingekoomen, en daa we 't ontvangen, zullen we omtrend 't schip 'T spaaren sodanige dispositie„ neemen, als we met den dienst van de Comp 't meest te convenieeren zullen bevinden §. 169. 'T voor dit Gouvernement bestemde amster damsch schip Trin Conomale, is den 2. deezer ter- ponnecailsche reede, in den 9. ' daer §. 170. De korte sterkte deezer manschappen en de Copijen van de Brieven met deezen bodem uit nederland en van de Caab ont vangen, neemen we de vrijheid uwen aan alhier, g'aariveerd 'T selve is den 28:' februarij uit taxel gezijld met 328: koppen, en den 25. ' maij aan de Caap de goede Hoop g'arriveerd met 327. koppen van daar is 't weder den 19. ' Junij vertrokken met 358: koppen; en heeft onder weegen gehad 17.' dooden, zoo dat 't te Ponne„ cail is aangekoomen met 341: koppen waar onder de onderkoopman Pieter Isaak van Tijlingen, 5. passagies, 99: militairen voor ons bataljon, en 49: recanten voor 't regiment de Meuron onder de nationaale militairen bevinden sig 4. officieren, namelijk de Capitain Johan fredrik van stoube de luijte„ nants Salomon Dobberich, en Louis Esscher, en de vaandrig wilhelm fae„ drik Hendrik Gosewijn Baron van Marcken, en onder die voor 't regi „ment van Meuron zijn twee officieren namelijk de majoor Gregorius, Marak en de kapitein Luijtenant Louis Ber naad. aan Hoog Hoog Edelheeden hierneevens, aan tebien dog de verder gewoone berigten nopen dien bodem sullen nader volgen. Eeneli melden wij hier bij, dat daer meede anderen zijn aangebragt vier kisten g voor dit Gouvernement, weegende 104 maaken trois van 18. karr:s 5. ½. grijn F 171. Over de te Gale uijtgeleverde solombo lading van het schip de Gouverneu Geieraal de Klerk hebben de bedien gedisponeerd bij hunne resolutie van 28e. Januarij dezes Jaars die in Capi onder de bijloegen gaat, en geapprobeer is bij onze resol: van den 3=e Maart daar aan, die in extract deezen verzeld Eenelijk hebben wij daer bij, in de dispost van de Gaalsche bedienden, deeze altenatie gemaakt dat aan de scheeps overheede op de spijkers, die zee na Gale hebben overgevoert, en waar op de bediende geene spillagie hadden goed gedaan, de gewoone spillagie soude worden gevali deerd, en dat 't geen de overheeden boven dien hadden minder verantwoord, hun teegens uitkoops prijs op reek: soude gesteld worden. §: 172. Bij onze resolutie van den 9. Maart deezes Jaars hebben we gedisponeert §173. volgens 't Gaals Cognoissement, hadden de overheeden hier nog moeten verantwoor„ den 2150. stroomatten 120. salmarangs schaal stukken en 30. salmarangs plan ken, die toen dit schip soude gereed gemaekt op de alhier uitgeleeverde Gaalsche laading van dit schip, en wij gebruiken de vrijheid, om ons nedrig te referee ven aan 't extrakt uit gem: resolutie dat deezen verseld. Alleen noteeren wij daar uit, dat wijl de overheeden op een van Gale aan gebragte partij haad brood, 1404: lb: hebben minder verantwoord wij hun daar op 12: pC=o spillagie hebben gevalideert, en de rest op hun soldij reekening doen belasten; en dat we hun insgelijks ter vergoeding hebben opgelegt de door hun minder geleeverde staaf eijzen en heele leggers banden, na aftrek„ van de gewoone spillagie, zoo meede 't minder rendement dan 't uitkoops kosten de van 124. lb: eijzer, alhier aan stukken ^ en den en „ geleeverd en per publieke vendutie verkogt, om dat de baas der smeeden 't voor onbruijkbaer in sComp: dienst heeft verklaard. ook zijn hun ter vergoeding op gelegd 12 1/6. hoeden smeekoolen, die te boven de bepaalde spillagie hebben minder ver„ antwoord. worden
English
become a return vessel instead of the ship the Batavia, which had served for the preservation of the cargo and the dunnage in the hold; but because they did not prove by a ship's declaration that the things had been taken off board again and employed on the ship the Batavier when it, having returned from Cochin in good time, was loaded for the voyage home, we requested further information on this matter from Gale. §. 174. In response, the officials have sent us a statement from the Master of the Equippage Abo, stating that the straw mats had for the greatest part remained on board this ship itself for protection in the hold, to keep the loaded coir, the sand, and the smithing coals separated from each other, and that some of it had indeed been transshipped into the ship the Batavia, though it could not differ by more than a couple of hundred pieces. Regarding the slab pieces and planks, the said Master of the Equippage testified that the situation with them was precisely as the ship's officers had maintained, because the bulkhead had already been set up, athwart the hold and 5 feet high, and that consequently dunnage planks had remained on board, although he could not state the quantity thereof. §. 175. Because straw mats become unserviceable through use, and are therefore never accounted for but always written off, we decided by resolution of 31 March last, of which an extract accompanies this, to have the aforesaid 2150 straw mats written off; but regarding the slab pieces and planks, we deemed it necessary to demand further and more satisfactory information from Gale. §. 176. But because the Master of the Equippage Abo could give us no further elucidation on that matter, and it has also appeared to us from the received reports that there is somewhat too liberal a practice in supplying planks for dunnage for the return ships, we, because the ship's officers could not be further held accountable for it on account of the abovementioned ship's declaration, decided at the session of 7 July last, as appears from the accompanying extracts from our resolution, to have the aforesaid pieces and planks reimbursed by the person through whose neglect they may not have been charged to the expense account of the ship the Batavier. §. 177. At the same time, as appears from the said resolution, we made the necessary arrangements to prevent such errors as well as excessively liberal distributions in the future, and we shall furthermore make a regulation regarding the planks that in ordinary circumstances may be supplied to each return ship for dunnage. §. 178. Regarding the Cochin cargo delivered at Gale from this vessel, the officials disposed of it by their resolution of 11 June last, which accompanies this in copy. The same was approved by us at the session of the 16th thereafter; and because there is nothing particular to note thereon, we take the liberty of humbly referring to the said Gale resolution. §. 179. Regarding the Galle cargo of the ship the Gouverneur Generaal de Klerk delivered at Trincomalee, we have received no report up to now, and we have therefore ordered the officials there provisionally to provide a preliminary report thereof to Your Right Excellencies. §. 180. The finding of the Batavia cargo delivered here from the ship 't Slot ter Hooge is inserted in our resolution of the 13th of this month, which accompanies this in extract, and to which we humbly request permission to refer. We nevertheless note therefrom that the officers delivered two barrels of the freight beer empty here more than he received at Batavia. Up to now, no wastage allowance has been granted here on the freight beer, nor has any compensation been made by the ship's officers in the case of a deficiency; but because it could happen in the future that the holder of the beer or other goods arriving on freight might come to complain about it when great shortages or defects are discovered therein, we humbly request Your Right Excellencies to furnish us with orders as to how we shall have to act in such cases. §. 181. Among the unserviceable goods at the aforesaid finding
Dutch transcription
worden tot een retour bodem in steede 't schip de Bataviea, daer aan waeren strekt tot preservatie der lading en nierings in 't ruijm, dog wijl ze niet scheeps verklaaring beweezen, dat den dingen weder van boord waeren gehaad en op 't schip de Batavier g'emploij toen 't zelve nog tijdig van koetsien rug gekoomen zijnde, tot de t' huijs wierd belaaden, hebben we daar omtrend nader berigt van Gale gevraagd §. 174. Hier op hebben de bedienden ons gezonden eene opgave van den Equipagiemeester Abo, houdende, dat de stoomatten 't grootste gedeelte binnen boord van dit schip selve waren gebleeven, tot beschee„ ming in 't ruijm, om de ingelaadene Kaijer, 't sant en de smeedkoolen van malkanderen te houden, en dat er wel iet van was overgescheept in het schip de Bataviea, dog dat het niet meer, dan een paar honderd stux kan differeeren noopens de schaal stukken en planken betuijgde gem: equipagiemeester, dat t daar meede net sodanig geleegen was als de scheeps overheeden hadden voorgegeeven, wijl 't waterschot reets gezet was geweest, dwars over in het §. 176. Dan wijl de equipagiemeester Abo ons daar omtrend geene verdere elucidatie heeft kunnen geeven en 't ons teffens uit de ontvangene berigten is voorgekoomen, dat in 't verstrekken van planken tot garniering voor de retourscheepen, wat ruijm gehandeld word hebben we om dat de scheeps overheden, uit hoofde van de hier vooren vermelde scheeps verklaring daar over niet verder kouden aangeproo„ ken worden, ter sessie van den 7. ' Julij 7Z; blijkens nevens gaande extracten uit ruijm en 5. voeten hoog en dat er mits dien garnierings planken aan boord waaren gebleeven, hoe wel hij de quanti„ teid daar van niet konde opgeeven. § 175. wijl de stroomatten door 't gebruijk on bequaam worden, en daarom nimmer verantwoord maar altijd afgeschree„ ven worden, hebben we bij retol: van den 31. Maart Jzeeden waar van Ex„ tract deezen verzeld, beslooten om de voorsz: 2150. stoomatten te laeten afschrijven, dog nopens de schaal stukken en planken hebben we nodig geoordeelt nader en voldoender berigt van Gale te vorderen ruijm onze onze resolutie beslooten, de voorsz: stukken en planken te laaten vergoed door den geenen door wiens versuy dezelve op de onkostreekening schip de Batavier niet mogten zijn §. 177. Wij hebben ter selver tijd blijkens gem: de noodige schikking gemaakt, om daar lijke erreuren, zoo wel als ruijme ver kengen voor den aanstaande te voorkom en sullen voorts eene bepaaling maake van de planken, die in gewoone geleege heeden aan elk retour schip tot garnie ring moogen verstrekt worden. §. 178. Over de te Gale uitgeleeverde koetsiemph lading van deezen bodem hebben de bed „den gedisponeerd bij hunne resolutie van de 11. Junij JZ: die in Copij deezen verzeld Dezelve is door ons ter sessie van den 16 daar aan geapprobeerd; en wijl daar op niets bij zonders aantemaaken valt,n men wij de vrijheid ons aan gem: gaa sche resolutie nedrig te refereeren. §. 179. van de te JainConomale uitgeleverd gaalsche laading van het schip de Gou verneur Generaal de klerk hebben we tot nog toe geen berigt ontvangen en wij hebben daar om den bedienden aldaar gelast, bij provisie daar van een voorloopig verslag aan uwe Hoog edelheeden te doen. §. 180. De bevinding van de alhier uitgeleeverde Bataviasche lading van 't schip, 't slot ter Hooge, is g'insereerd in onze resolutie van den 13:' deezer, die in Ex„ „trakt deezen verzeld, en waar aan wij vealof verzoeken ons nedrig te mogen gedraagen wij noteeren nogtens daer uit dat de overheeden twee vaten van het vragt bier, alhier meerder leedig heeft uitgeleeverd, dan hij te Batavia heeft ontfangen. Tot nog toe is alhier op 't vragt bier eene spillagie goed gedaan nog ook bij te kort kooming eenige vergoeding door de scheeps overheeden ge„ schied; maar wijl 't in den aanstaende soude kunnen gebeuren dat de houder van 't bier of andere goederen, die op vragt uitkoomen, wanneer daar aen groote minderheeden of defecten wor „den ontdekt daer over komen klaagen, verzoeken wij uwe Hoog Edelh: nedrig ons niet order te willen munieeren, hol wij in sulke gevallen sullen hebben te handelen §: 181: onder de onbequaame goederen bij voorsz: aldaer bevinding last.
English
finding, were found 1 speaking trumpet, 2 tin speaking trumpets and 1 whole water cask, which have been in use for no longer than 3 months, and because it cannot be assumed on any reasonable grounds that they could have become unfit in such a short time without some accident, we have recommended the Chief Administrator in future, in similar cases, to inquire into the causes whereby such goods have become unfit, and to make mention thereof in the finding. Paragraph 182 We have also ordered the Chief Administrator henceforth to have all goods brought ashore from the ships as requiring repair repaired at once and delivered back on board; and if that at times cannot be done owing to shortness of time, to likewise make mention thereof in the findings. Paragraph 183 Furthermore, with regard to financial matters, we have the honor to present to Your High Noblenesses among the annexes a memorandum of seven drafts which we have taken the liberty of drawing upon Your High Noblenesses, and which memorandum, pending further orders, we insert below. Memorandum Paragraph 184 We hope that Your High Noblenesses will please not hold it against us that this drawing has turned out somewhat large; we have only agreed to this out of consideration that the remitters of these funds could not have them transferred in any other way, and because we also receive from them for this nothing other than paper money, at least for the greatest part, and therefore could also stipulate payment in the same, we thought that we needed to make the less difficulty in granting this assignment. We commend Your High Noblenesses and the interests of the Company into God's safe keeping, and remain with all respect and fidelity. Below was written: High Noble, Right Honorable, our commanding Lord, Right Noble, Steadfast Lords, Your High Noblenesses' humble and very obedient servants. Was signed: W. J. van de Graaff, P. Sluijsken, M. P. Raket, D. T. Foelz, J. Reintous, B. L. van Zitter and A. Samlant. In the margin: Colombo the 16th September 1789. To: Postscript. On the bearer of this, being the ship 't Slot ter Hooge, we have placed from our garrison, under the command of the Captain of infantry Grave de Bonneval, 65 European military personnel, consisting of 2 ensigns, 3 sergeants, 1 capitain des armes, corporals, 1 drummer and soldiers, to sail therewith to Batavia, and we herewith present to Your High Noblenesses their pay accounts. Paragraph 2 The Trincomalee servants have been ordered to add thereto another 99 European military personnel, namely 1 lieutenant, 2 sergeants, 3 corporals, 1 fifer, 1 drummer and 91 soldiers, and to deliver to Your High Noblenesses alongside this the provisional pay accounts of the same, while the formal accounts are to be delivered from here later, once we have received the muster roll of these men from Trincomalee. Paragraph 3 We have also recommended the servants to send a company of sepoys to Batavia with this ship, but in case the bearer of this should not be able to accommodate so many people without inconvenience, we have thereby written to the servants to place the sepoys, in such case, on the ship the Governor General de Klerk, as before. Paragraph 4 Six months' rations have been issued to the bearer of this for all the European military personnel who are sailing over with it; we hope that these will be sufficient, also for the sepoys if they should cross over with it. Paragraph 5 At the request of the chief surgeon Weitzel, we have had the necessary medicines for six months issued to him for the benefit of the aforementioned European military personnel, as appears from the catalogue that will be presented to Your High Noblenesses by the Trincomalee servants; and such medicines have also been sent to Trincomalee to be delivered to him for the benefit of the sepoys, as appears from the enclosed copy report of the apothecary Straasburg. Paragraph 6 Because Captain Kuhn is ill, we have entrusted the execution of Your High Noblenesses' highly respected order, given by missive of the 2nd of June past, paragraph 94, to
Dutch transcription
bevinding verm:, worden gevonden /, roeper, 2. blikke roepers en 1. heele legger, die niet langer dan 3.' maand zijn in gebruck geweest, en wijl met geen draagelijke reden kan ond„ stellen, dat ze buijten eenig toeval in zoo korten tijd had-den kunnen on quaam worden hebben we den Hoofd ministrateur aanbevoolen, om in den aanstaande in dergelijke gevallen, z te informeeren na de oorzaaken, w door zodanige goederen onbequaam zijn geworden, en daar van aanwyl te doen bij de bevinding. § 182 ook hebben wij den Hoofd administrateu gelast om voortaan alle goederen die als reparatie vereijsschende, van de scheepen worden aan de wal gebragt ten eersten te laaten repareeren en weder aan boord bezorgen; en om soo dat somtijds, mits kortijd des tijds, niet geschieden kan, als dan daer van ins lijks bij de bevindingen aanwijzing te doen. §. 183 Voorts hebben wij de eer, met betrekken tot de Geldzaaken, uwen Hoog Edelh: onder de bijlaagen aantebieden, eene /:insertie:/ §184. Wij hoopen dat uwe Hoog Edelh: 't ons ten goede sullen gelieven te houden, dat deeze trekking wat ruijm is uijtgevallen we zijn daar toe alleen getreeden, uit Considera„ tie dat de tellens deezer gelden, dezelve op geene andere wijze konden overgemaakt krijgen en wijl wij ook daar voor van hun niet anders, ten minsten voor 't grootste gedeelte ontvangen dan papiere geld, en mits dien de voldoening ook daar in konden bedingen hebben we gemeent, dat we te minder swaarigheijd in het verlee„ nen deezer assignatie behoefden te maeken wij beveelen uwe Hoog Edelheeden in de belangen der maatschappij in Godes veilige hoede en blijve met alle eerbied en trouwe /:onderstond:/ Hoog Edele Groot Achtb: wyj gebiedende Heer wel Edele Gestaenge Heeren uwer Hoog Edelheedens onderdanige en zeer Gehoorzaame Dienaaren /: was getee„ kend:/ w: J: van de Graaff, P: sluijsken, M: P: Rahet, D: T: Foelz;, J: Reintous, B: L: van zitter en A: Samlant. /:in margine:/ Kolom„ „bo den 16. 7ber: 1789. memorie van seven assignatien, die wij de vrijheid gebruijkt hebben op uwe Hoog Edelh: betrekken, en welke memorie wij nader ordre hier onder insereeren memorie Aan P. S. op brenger deezes zijnde 't schip 't slat ter Hooge, hebben we onder Commando van den Capitain van de infonterij van Grave de Bonneval, uit ons quaam geplaats 65. europeesche militairen, best de in 2. vaandrigs, 3. sergeants 1. Capil des armes, Corporaals 1. tamboer en 1 soldaten om daar meede na Bataviaan tevaaren, en wij bieden uwe Hoog Edelh: hunne soldij reekeningen hier nevens aen 3. 2. De TainConomaalse bedienden zijn gela om nog daer bij te voegen 99. Europeese militairen, naamelijk 1. luijtenant 2 sergeants, 3. Corporaals, 1. fluiten 1. ta boek en 91: soldaaten, en daar neevens aan uwe Hoog Edelh: te bezorgen provis oneele soldij reekeningen van dezelven terwijl de formeele reekeningen nader van hier staan bezorgd te worden, wan neer we de naam lijst deezer mansch „pen van TainConoinale sullen hebben ontvangen I. 3. Ook hebben we den bedienden aan bevoolen, met dit schip eene Comp: sipais na Batavia te zenden, dog of brenger daz zomtijds soo veel volk niet sonder onge„ mak mogte kunnen bergen, hebben we daar bij den bedienden aangeschreeven om in sulk geval de supais op 't schip Aan als vooren de Gouverneur Generaal de klerk te plaatsen §. 4. Aan brenger deezes zijn ses maenden randsoenen verstrekt, voor alle de Europeesche militairen die daer meede overvaaren wij hoopen dat die toerij kende sullen zijn, ook voor de sipais„ indien dezelve daar meede mogte over¬ gaan. §: 5. op 't versoek van den oppermeester weit„ zel hebben we aan hem ten behoeve van de voorsz: Europeesche militaioen de nodige medikamenten voor ses maanden laaten verstrekken, blijkens 't Cathalogus dat door de TamCono„ maalsche bedienden uwen Hoog Edelh: zal worden aangebooden, en zijn nog na Trinconomaale gezonden sodanige me„ dikamenten, om aan hem te worden afgegeeven ten behoeve van de sipais, als blijkt bij 't ingeslooten Copij Rap„ „port van den apothecar Straasburg. §. 6. Wijl de kapitein kuhn ziek is, hebben we de uitvoering van uwe Hoog Edelheeden zeer gerespecteerde last gegeeven bij missive van den 2. Junij J zeeden §: 94. aanbevoolen aan
English
to the senior Lieutenant of the act, Erhard, to whom we have caused a copy to be delivered of the report of the said Captain Kuhn dated 22 January last, which we had the honour of sending to Your Nobilities alongside our respectful letter of the 26th following. Section 7. The further report of the said Lieutenant Erhard, which is included among the annexes hereto, had not yet arrived when our respectful letter of the 16th of this month was dispatched. He indicates therein that the matter took place precisely as Captain Kuhn stated in his aforementioned report, namely that during the regular inspection of the powder magazine, which takes place twice a week by an artillery officer, at the inspection immediately preceding the inspection that took place in the presence of two judicial members, everything in the stolen cellar was found to be in order. Section 8. That according to custom and practice, all martavans and casks in which gunpowder is stored are known by their numbers, along with the gunpowder contained therein, the quantity of the powder stored therein being indicated on the martavans and casks. Section 9. That because it appeared that the lock of the powder magazine had been forced, a report was made thereof, and that thereupon the judicial commission was appointed, in whose presence the same was subsequently opened. Section 10. That it was then found that some spilled powder lay near one of the martavans, and that this martavan was also defectively tied up. Section 11. That this gave cause to open this martavan, which was then found to be more than half empty, and that furthermore upon re-measurement it was found that there were 250 lb of gunpowder less in it than there ought to have been according to the ammunition logbook. Section 12. The Galle servants have presented to us, by a letter of the 10th of this month, a proposal from the Disava van Angelbeek regarding the Magampattoo, detailed at length in a letter written by the said Disava to the Galle Commander Kraijenhoff on 31 August last, along with his annexed report and several documents pertaining thereto. We take the liberty of sending copies of all these papers herewith. Section 13. This pattoo is a part of the southernmost shores of this island, which were ceded to the Company in the year 1766 at the Kandyan peace. It begins to the west at the river Waluwe, the old boundary limit of the Company's possessions on that side, and ends to the east at the river Koube Kanoije, where the Batticaloa district begins. Section 14. It extends from west to east for nearly 20 hours in length and is of varying width, from two, 5 to 8 hours, according to the survey made of it shortly after the peace, and its entire area is nearly 100 square hours. For greater clarity, we take the liberty of sending herewith a copy of the map made thereof shortly after the aforementioned peace. This land is intersected by five good rivers, the aforementioned rivers the Waluwe and Kombehanoy—which latter lies a little further east than the map reaches and is therefore not drawn upon it—included. By repairing the dams located in these rivers and the dams formerly constructed to retain the swollen river water, a large part of which are still in fairly good condition, the Disava van Angelbeek indicates that 5446 amunams, which can be calculated at nearly 5000 morgens, can be sown. Section 15. We have deliberated upon this landscape in our meeting today, and it appeared to us that with so good a work, the sooner it is begun, the better. We decided all the sooner to do so by our Resolution, a copy of which is annexed hereto, because the means indicated by the Disava van Angelbeek in his report to improve this good land will, in time, provide the Company with a great deal of grain without expense to the Company, besides yielding many other useful benefits. Section 16. For the execution of this plan, the Disava van Angelbeek necessarily requires some assistance; at his proposal, we have therefore resolved to appoint the sergeant and postholder of Tangale mentioned in his report, Hendrik Brinkman, as Resident of the Magampattoo, in order to govern that landscape under the higher supervision of the Disava of Matara. Section 17. We have hereby resolved, because the rank of sergeant was too low, to have him transferred to bookkeeper, which only makes a difference of 6 guilders per month in wages. Section 18. Regarding the further request of the Disava to grant the said Brinkman the title and rank of junior merchant, we have resolved to present this to Your Nobilities in the most favorable manner, as we take the liberty of doing hereby. Section 19. We make this humble request with all the more confidence, not only because it is indeed necessary that those who hold command over the natives have a respectable rank, but also because this Brinkman is a man who, as the Disava van Angelbeek indicates in his report, is indeed suited for higher ends than the low station in which he has remained until now. Section 20. As appears from his conduct, he has all the necessary abilities to be of great service to the Disava in the execution of his plan for the improvement of the Magampattoo, and thereby to help realize this plan within a few years to such an extent that in time it may become one of the most profitable parts of Ceylon. Section 21. It is easy to understand that someone engaged in an undertaking such as this has a great deal of traveling and moving about to do if he is to be of use and oversee everything in person. For this reason, the Disava van Angelbeek proposes in his aforementioned report to grant the said Brinkman an allowance of 80 rixdollars per month for the first five years, and we have also consented to this, as this expenditure will likewise remain free of new charges to the Company; which we hope, as well as the other decisions taken in this matter, will meet with Your Nobilities' approval.
Dutch transcription
aan den oudste Luijtenant van de acte Erhard aan wien we een kopij hebbe laaten afgeeven van het berigt van gem te kapitein kuhn van den 22.:' Janu Jzeeden, dat we de eere gehad hebben Hoog Edelheeden nevens onzen eer van den 26:' daar aan toe te zenden §. 7. Het nader berigt van gem: Luijtenant Erhaad dat onder de bijlaagen deezes gaat, was nog niet ingekomen bij het af vaardigen van onze eerbiedige van de 16:' dezer Hij weijst daer bij aan, dat zaak zig even zoo heeft toegedraagen als de kapitain kuhn bij voorsz: zijn rigt heeft opgegeeven, namentlijk dat bij de gewoone visitatie der kruijd kelde die twee maal ter week geschied door officier van de artillerie, bij de visitatie die onmiddelijk heeft voorgegaan de visitatie die in presentie van twee Justi eele Leeden geschied is, alles in de bestoo ne kelder wel bevonden was. §. 8. Dat na stijl een gebruik alle martevaare en vaeten waar in buskruijt geborgen is bij hunne nomin: met het buskruijt dat daar in is, bekend staan op de martevanen en vaaten de hoeveelheijd §. 11. Dat dit aanleiding gegeven heeft deeze martevaan te openen, die toen bevonden is meer dan half leedig te zijn, en dat voorts bij nameeting bevonden is dat daar in 250. lb: bus kruijt minder waaren dan daar in zijn moeste volgens het ammo„ rutie randboek. S: 12: De Gaalse bediendens hebben ons bij een brief van den 10. ' dezer voorgedraagen en voorstel van den dessave van Angel„ beek noopens de Magampattoe, in het breede vermeld bij een brief door gem: Dessave geschreeven aan den Gaals gezag hebber kraijenhoff den 31:' aug:s Jleeden en zijn daarneevens gevoegd berigt met verscheijde stukken daar toe gehoorende. Alle deeze papieren neemen we de vrijheid in kopij hier nevens te zenden van het kruijd daar in geborgen §: 9. Dat wijl het bleek dat het slot van de kruijtkelder geforseerd was, daar van Rap„ part gedaan is en dat daar op benoemt is de Justitieele kommissie in wiens pre„ sentie dezelve vervolgens is g'opend. §. 10. Dat toen bevonden is dat bij een der magte vanen eenig gestort kruijt lag en dat ook deeze maatevaan gebrekkig was toege„ van § 13 bonden 't veele andere nuttige zijn bielden buijten §. 13. Deeze pattoe is een gedeelte van de lijkste stranden van dit Eijland, die in Jaar 1766: bij de kandiasche vreede aan komp: zijn afgestaan Dezelve begin ten westen aan de revier de waluwe oude limiet schijdting van 's komp: be tingen aan dien kant, en eijndigd ten aan de revier koube kanoije daer het Batikalose begint §. 14. Dezelve strekt zig van het westen naar oosten na genoeg 20. uuren uit en lengte is van verschillende breete van tweet 5. â 8. uuren volgens de meeting die da van gedaan is kort na de vreede en den geheelen inhoud, daar van na genoe 100. vier kante uuren Ter meerdere duijdelijkheid gebruijken we de vrijheid een kopij van de haar die koot na de voorsz: vreede daar van gemaakt is hiernevens te zenden Dit land is doorsneeden door vijf goede res „ven, de voorsz: revieren de waluwe en kombehanoy welke laetste een weijn oostelijker legt dan de kaart rijkt en mits dien daer op niet geteekend is meede gereekend. Door het herstellen van de dommen die in deeze revieren leggen en de dammen die eertijds gelegdt om het opgeschrifte revier waeter te behouden en welke een groot gedeelte nog in een tamelijke goeden staat zijn, wijst de dessave van Angelbeek aan dat 5446. amm: die men na ge„ noeg op 5000. morgens reekenen kan bezaaijt kunnen worden. §. 15. We hebben over dit landschap in onze vergadering op heeden gedelibereerd in het is ons voorgekoomen dat met een zoo goed werk hoe eer zoo beeter dient te worden begonnen we hebben te eerder daar toe beslooten bij onze Rezolutie die in kopij hiernevens gaat, wijl de middelen die de dessave van An„ gelbeek bij zijn berigt aanwijst om dit goede land te verbeeteren, dat door Prodoeter geeven van den tijd voor de komp: zeer veel graanen buijtent laste van de komp: §. 16 Tot de uitvoering van dit plan heeft de dessave van Angelbeek noodwendig eenige hulp noodig op zijn voorstel hebben we mits dien beslooten om de bij zijn berigt vermelde sergeant in posthouder van Tangale Hen„ drik Brinkman aan testellen om tot tot Resident van de Magampa om onder het hooger op zigt van Dessave van Mature dat landscha te bestieren §. 17. We hebben hier bij beslooten wijl de ka liteijd van sergeant te gering was„ hem te laaten overschrijven tot boekhoud het geen alleen een onderscheid maak van 6. guld:s 'smaands aan gagie 3. 18 Het verder verzoek van den Dessewven aan gem: Brinkman daar bij te geeven de titel en rang van onderkoop man hebben we beslooten aan nwe Edelheeden op het gunstigst voor tedaa „gen gelijk we de vrijheid gebruijken van dat te doen door deezen §. 19. We doen dit nedrig verzoek net te meer vrijmoedigheid; niet alleen wij het in der daad noodig zij dat die geene die over de inlanderen het gebied voer een betaamelijke kwaliteid hebben„ maar ook wijl deeze Brinkman een Man is, gelijk de dessave van An gelbeek dat bij zijn berigt aanwijstn der daat geschikt tot hoogere eijndent dan de laage staat waar in Hij tot hier toe gebleeven is. § 20 Hij heeft zoo als dat uit zijne ver„ rigten blijkt alle de noodige ge„ schiktheeden om den Dessave in de uitvoering van zijn plan tot verbee„ tering van de Magampattoe van groo„ „te dienst te kunnen zijn, en om mits dien dit plan in korte Jaaren zoo ver te helpen vealiceeren, dat het door den tijd hen worden een van de voorde ligste stukken van Ceilon 5. 21. Het is ligt te begrijpen, dat iemand in een uitvoering als deeze, veel te rijzen en te trekken heeft zal hij van nut zijn en aldes onder zijn oog doen verrigten Hierom steld de dessa„ „ve van Angelbeek bij voorsz: zijn berigt voor om aan gem: Brinkman voor de eerste vijf Jaaren Een toelaage te geeven van 80. rd. s 'smaands, en we hebben ook hier in bewilligt wijl ook deeze uijtgaven zal blijven buijten nieuwe laste van komp:s, het geen we hoopen dat zoo wel als de ove¬ „rige besluijten in dezen genoomen bij dan uwe
English
be favorably approved by Your High Nobilities. Section 22. From the aforementioned map it appears that the landscape on the west side has a much greater width than would strictly speaking belong to the Company according to the treaty, but this is found almost everywhere regarding the ceded lands, because for the most part the boundary divisions were not measured, and the particular districts bordering them were brought entirely under the Company's obedience. The Candians have never made any remarks against this. Section 23. The first undersigned Governor, in accordance with the intention of the Lords Directors expressed in their dispatch of 23 November 1785, and in compliance with the order of Your High Nobilities by extract from the minutes of 14 August 1786, has today produced in our meeting a certificate from the Chief Bookkeeper of the East India Company at the Amsterdam Chamber, Willem Hendrik Nolthenius, dated 30 September 1788, showing that His Honour is known in the grand capital stock ledger of the said Company to hold a share amounting to a capital sum of six thousand guilders. Furthermore, he produced an extract of a dispatch authenticated by the notary S. G. Gouda, written by a certain G. H. Wachter from Rotterdam on 22 September 1788 to his agent Pieter Beuk, showing that despite all efforts made for him at the Rotterdam Chamber, from which he sailed, no shares could be procured. In addition, His Honour has provided the written declaration concerning the unencumbered ownership of the said shares, which we have the honour to present herewith to Your High Nobilities together with the copies of the two aforementioned proofs. Section 24. In order to provide the detachment of European military personnel currently crossing over with the necessary officers, we have, subject to the esteemed approval of Your High Nobilities, promoted the Sergeants Roch Heij and Meldert Trouw to Ensigns, and we humbly request that they may be favorably confirmed in that capacity by Your High Nobilities. The first-named is now crossing over with the bearer of this letter. Section 25. The former titular naval lieutenant in the service of the State, August Carl Fredrik, Count of Ranzouw, who arrived here last year from Batavia as a passenger on the ship Batavia, has requested the first undersigned Governor, by a petition included among the annexes, to be taken into service as a bookkeeper and that he may additionally, on account of the rank he held in the service of the State, be granted the rank of junior merchant. But because we did not consider ourselves competent to decide upon this request of his, we take the liberty of bringing it before the eyes of Your High Nobilities and requesting your supreme decision thereon. Section 26. In accordance with the recommendation of Your High Nobilities to the first undersigned Governor in your separate dispatch of 12 August last, we have abolished the service of deputy fiscal here; however, the Fiscal Vollenhoven has requested of us to be allowed to address Your High Nobilities for the retention of his deputy, as he does by an address which we take the liberty of offering to Your High Nobilities among the annexes hereto. We cannot deny that the reasons adduced by the said Fiscal to demonstrate the necessity of such an official are not unfounded. We commend Your High Nobilities and the interests of the Company to God's safe keeping, and remain with all respect and fidelity, underwritten, High Noble, Grandly Honorable, Highly Authoritative Sir, Right Honorable, Respected Sirs, Your High Nobilities' humble and very obedient servants, signed, W. J. van de Graaff, P. Sluijtken, M. P. Raket, D. F. Foetz, J. Reintous, B. L. van Zitter, A. Samlant, and J. A. Vollenhove, in the margin Colombo, 19 September 1789. Section 1. We take the liberty, in accordance with custom, to report to Your High Nobilities by this our separate letter on the debit and credit current accounts of this Government as of the end of August 1788. Section 2. By our resolution of the 14th of this month, which is transmitted in extract among the annexes, we have decided upon
Dutch transcription
uwe Hoog Edelheeden gunstig worden goed gekeurd. § 22. Uit de voorsz: haart blijkt dat landschap aan de west kant, en vel grooten breete heeft dan de komp strikt gesprooken volgens het trak taat zoude toekoomen, dog dit vind men bij na over al omtrend de afge staane staanden wijl meerendeels da limiet schijdingen niet gemeeten zijn de bezondere distrikten aan ze uit„ koomende, geheel onder skomp: gehoo zaamheid genoomen zijn De handran hebben daar teegen nimmer eenige aan merkingen gemaakt. § 23. De eerst ondergeteekende gouverneur heeft, over eenkomstig de intentie van de Heeren majores bij hoogst der zel ver missive van den 23 ' 9ber: 1785: en ter voldoening aan uwer Hoog Edelh: order bij extract uit de notulen van den 14. ' aug:s 1786. , heeden in onze verga„ dering geproduceerd, een bewijs van den opperboekhouder van de oostindische Comp: ter kamer amsterdam wil„ „lem Hendrik Nolthenius, ged: 30. §. 24. Om 't thans overgaande detachement Euro„ „peesche militairen, van de nodige officieren te voorzien, hebben we de sergeanten Roch Heij en Meldert Trouw op uwer Hoog Edelh: g'eerde approbatie, tot vaandrigs bevordert, en wij verzoeken nedrig, dat ze door uwe Hoog Edelheeden gunstiglijk 7ber: 1788. , ten blijke dat zijn Edele bij 't groot Capitaal boek der actien van dezelve Comp:, bekend staat te participeeren een somma van ses Duijzend guldens capitaal en heeft dezelve daar bij nog geproduceerd een door den notaris S: G: Gouda geautentiseerd extract missive, door eenen G: H: wachter uit Rotterdam den 22. 7ber: 1788. geschreeven, aan desselfs Commissaint Pieter Beuk, ten blijke dat voor den zelven na alle aangewen de moeite, bij de kamer Rotterdam, waer voor den zelven is uitgevaeren, geene actien hebben kunnen worden opgedaan voorts heeft zijn Edele, nopens den onbeswaarden eijgendom aan gem:, actien, gedaan de schrif„ telijke verklaering, die wij de eere hebben met de Copijen van voorsz: twee bewijzen, uwen Hoog Edelheeden hier neevens aante„ Hber in bieden Aan als in die qualiteit moogen worden bevestigd. De eerst genoemde gaat tans met brenger deezes over §. 25. De gew: titulaia luijtenaat ter zee slands dienst August Carl fredrik Graave van Ranzouw, die voorleeden Jaar met het schip de Batavia als Passagier van Batavia alhier is aangekoomen, heeft bij een request dat onder de bijlaagen overgaat, den eerst ondergeteekende Gouverneur verzogt om als boekhouder in dienst aange D: men te worden en dat hem daer bij uit hoofde van de qualiteit die hij in slands dienst heeft gehad, mag worden toegevoegd de rang van onderkoopman dan wijl wij ons niet bevoegt hebben gevonden, om over deeze zijne instantig te disponeeren, neemen we de vrijheid die te brengen onder 't oog van uwe Hoog Edelh: en daar op hoogst der zelver d'ispo„ sitie teverzoeken. §. 26. Wij hebben over eenkomstig uwer Hoog Edelh: aanbeveeling aan den eerst ondergeteekenden Gouverneur bij Hoogst derzelver aparte missive van den 12. ' aug:s paC:o den dienst van adjunct fiscaal alhier ingetrokken, dog de fiscaal vollenhoven heeft ons ver„ zogt, zig ter behoud van zijn adjunct aen uwe Hoog Edelh: te moogen addresseeren, ge„ lijk hij doet bij een addres die wij de vrij„ heijd neemen uwe Hoog Edelh: onder de bijlaagen deezes aantebieden wij kunnen niet ontkennen dat de reedenen, die gem: fis„ „caal bij brengt, om de noodzakelijkheid van een zodanige bediende te betoogen niet ongefondeert zijn. Wij beveelen uwe Hoog Edelheeden en de be langens der Maatschappij in Godes veij„ lige toede en blijven met alle eerbied en trou„ „we /:onderstond:/ Hoog Edele Groot Achtb: wijdgebiedende Heer wel Edele Gestr: Heeren uwer Hoog Edelheeden onderdanige en zeer Gehoorzaeme Dienaeren /:was geteekend:/ w: J: van de Graaff, P: sluijtken, M: P: Rahet, D: F: Foetz, J: Reintous, B: L: van Zitter, A: Samlant en J: A: vollen„ hove /:in margine kolombo den 19.:' 7ber 1789. — vooren §. 1. Wij neemen de vrijheid uwen Hoog Edelh: volgens gebruik bij deezen onzen af zonder„ „lijken brief verslag te doen, van de debet en Credit loopende reekeningen deezes Gou„ „vernements onder ult:o aug: s 1788. §. 2. Bij onzen Rezolutie van den 14. ' deser, die in extract onder de bijlaagen overgaat, hebben we van gedisponeerd