VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 10025

Ceylon · 503 pages · 164 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_10025_0173 view scan ↗

English

To the same as before. the discontented, that they would otherwise treat them ill. While writing this, we received a letter from the Galle servants of the 5th of this month, which is excerpted alongside this, stating among other things that the servants hope and believe that the dispatch of the aforementioned commission will have the best effect, and that the discontented people will also return to their homes immediately after the presentation of their grievances, with the addition that the Dessave van Angelbeek has communicated that the discontented inhabitants are already gradually dispersing and that it appears they are growing weary, and will quietly come to reason of their own accord. Your High Excellencies may therefore have not the slightest anxiety over this occurrence. We commend Your High Excellencies and the interests of the Company to God's safe keeping, and remain with all respect and fidelity, underwritten: High Noble, Great Honorable, Widely Commanding Lord, Most Noble and Right Honorable Lords! Your High Excellencies' humble and very obedient servants, was signed: W. C. van de Graaff, M. P. Raket, C. Tilenius, B. L. van Zetter, and J. A. Vollenhove; in the margin: Colombo, 7 May 1790. In continuation of the report regarding the unpleasantries in the Matara Dessavony communicated in our respectful secret letter of the 7th of this month, we take the liberty most humbly to inform Your High Excellencies that our commissioners, the Dessave Fretz and Trade Bookkeeper Pamlant, have already been in conversation with the mutineers on several occasions, and that they give us hope that everything will soon be settled, provided that some of their requests are granted to the assembled people, as Your High Excellencies may see in greater detail from their letter of the 13th of this month, which we received yesterday and an accompanying copy of which is attached hereto. Having today received a report that our aforementioned commissioners have already returned to Matara, we have, so that Your High Excellencies may on this occasion receive some further reports in that regard, authorized them to give Your High Excellencies a brief report on the state of affairs and how far they have progressed with their commission to bring the people to tranquility. We commend Your High Excellencies and the interests of the Company to God's safe keeping, and remain with all respect and fidelity, underwritten and signed as before; in the margin: Colombo, 18 May Ao 1790. To We have the pleasure to inform Your High Excellencies by these presents that the disturbances which, as appeared from our respectful letter of 7 May, had arisen in the Matara Dessavony, have been settled. While this unrest still continued, quite some unrest also arose in two korles of this Dessavony, the Hapittigam and Alutkuru korle, and in the Hina korle there was a party of ill-disposed persons who would gladly have stirred up some unrest, but all these things were nevertheless quickly and without trouble set right again. On all such occasions, the Sinhalese are accustomed to complain about excessively heavy corvée labor, as is evident from the complaints made during the uprising under Governor Gollonesse and in that of the year 1757 during the time of Governor Schreuder. On this occasion these complaints have been repeated again, in addition to which, besides several specific matters, violent complaints were brought forward regarding the work in the cinnamon and other plantations, and that the people, with all these heavy burdens, were finally called to an expedition to Baddegirie in the Magampattu to build a dam there. All these complaints are discussed at length in the papers now being forwarded, and To the same as before. we only remark here that, in order to judge the validity of the complaints of the Matara inhabitants regarding excessively heavy corvée labor in general, one only needs to consider what work is required there, and how little the Company draws from the Matara Dessavony beyond the tithe on paddy and some other land products that are paid to the inhabitants. The principal part of it consists of some timber works that are delivered annually from the country. Working in the cinnamon and other plantations is certainly an innovation, and therefore the customary allowances have also been provided to those who have worked on them. That the people cannot be considered to be significantly burdened by this either can easily be understood when one compares the great number of inhabitants of the Matara Dessavony across whom this work was rotated with the number of people who have been employed thereon for some time. As for the expedition to Baddegirie, aside from the fact that it did not proceed, no strict orders were ever issued by the Dessave, just as it was never our intention that any inhabitants of the Matara Dessavony should be summoned to go there unless they were inclined to do so of their own accord. The Dessave had

Dutch transcription

Aan als vooren. de misnoegden, dat ze anders hun qualijke zouden behandeln Onder het schrijven deeses ontvangen we een brief van de Gaale „dienden van den 5:e deezer, die in extract hierneevens get, „dende onder anderen dat de bedienden hoopen, en meenen verlad te zijn, dat het zenden van voorsz: commissie de beste geonsai zal Een dat 't onvergenoegd volk ook in mediaat na 't sho „ner beswaaren, zig wel na hunne wooningen zullen bee met bijvoeging, dat de dessave van Angelbeek haven „deeld, dat reeds de misnoegde inwoonders allengskens d „ren en dat het toeschijnd dat ze moede worden, en gema „zaam van zelve wel tot reede zullen komen. Ruwe Woor Edelh: gelieven mitsdien over dit voorval geen de wiste ongerustheijd te hebben. Wij bevellen uwe Hoog Edelh: en de belangens der Maatschap Godes vijige hoede, en blijven met alle eerbied en trouwe (:onder „stond:/ Hoog Edele Groot Achtbaare Wijd Gebielend Heer, wel Edele Gestrenge Heeren.! uwer Hoog Edl: „aerdanige en zeer gehoorzaeme Dienaaren /:was geteekend W: C: van de Graaff, M: P: Raket, C: Tilenius, /: Reim B: L: van Zetter, en J: A: vollenhove /: in margin Kolombo den 7.:en Maij 1740. Ten vervolge van het berigt noopens de onaang „naam heeden in de Matureesche Des Cavonijonth gegeeven bij onzen eerbiedigen secreeten brief den 7:e deezer, neemen wij de vrijheijd uwen hoog Edelheeden needaigst te bedeelen, dat onze gecom= „mitteerdens, de Dessave Fretz en Negotie boekhou„ „der Pamlant, reeds een en ander maal met de muijtelingen in gesprek zijn geweest, en dat ze ons hoop geeven, dat zij alles spoedig zal schikken, mits aan het te zaamen gerotte volk eenige hun„ „net verzoeken worden toegestaan, gelijk uwe hoog Edelh: dat nader zien kunnen bij hunnen brief van den 13:e deezer, die we gisteren hebben ont= „vangen, en in kopij hierneevens gaat. hebpen wijl we heeden berigt ontvangen, dat voormelde onse gecommitteerdens reeds te Mature zijn terug gekeerd, hebben we op dat uwe Hoog Edelheeden met deeze geleegendheijd nog toekomen eenige ver= „dere berigten dien aangaande, hun geautoriseerd, om aan uwe hoog Edelheeden een kort verslag te doen van de staat der zaaken em hoe verre ze gevorderd zijn, met hunne kommissie om het volk tot rust te brengen. Wij beveelen uw Hoog Edelheeden en de belan= „gens der maat Rchaffij in Godes vijlige hoede, en blijven met alle eerbied en trouwe /:onder= „stond:/ en /:geteekend:/ als vooren /:in margine:/ Kolombo den 18. Maij Ao: 1790 — Aan T: V: We hebben het genoegen uw Hoog Edelheeden soor de „zen te bedeelen, dat de onlusten die blijken mz eerbiedigen van den 7: maij in de Matureesche Disp„ „vonij waaren ontstaan zijn gesteld. Middelerwijl dat deeze onrust nog voortduurde isa in twee korls van deeze Dessavonij de Hapittigame Alloetkoerkorl, ook vrij wat onrust ontstaan, z zijn er in de Hina korl een partij quaadwillige p„ „zireest, die gaarne wat onrust zoude gestookt hebben dog alle deeze dingen zijn nog alspoedig en zonder omslag weeder te regt gebragt. T: L: Bij alle zulke geleegentheeden zijn de zingalasen gewoon te klaegen over te Zwaare 's Heeren dienst zoo als dat blijkt uit de klagte onder anderen se in den opstand ten zijde van den Heer Gouverneur Gollonesse en in die van het Jaar 1757: ten lijde va den Heer Gouverneur Schreuder. Ter dee zep g „gentheijden zijn deeze klagte weeder herhaald „bij behalven nog deeze en geene bezonderheeden t „maal gekoomen zijn, hevige klagten over het w in de kanneel en andere plantagien en dat het volk bij alle deeze swaare lasten eijndelijk nog „roepen was tot een togt na Baddegirie in de Maj „pattoe om daar een dam aanteleggen. §:3: van alle deeze klagte word in het breede gesp bij de papieren die tans daarvan overgaan, en Aan als vooren. merken daar over hier alleen aan, dat om te be= „oordeelen de gegrondheijd der klagten vande Ma= „tureesche ingezeetenen over te swaare's Heeren diensten in 't algemeene, men alleen heeft te bedenken waadaar te verrigten valt, en hoe weijnig de komp: buijten de geregtigheijd der Nelie en eenige andere Lands produkten, die aande ingezeetenen betaald worden, uijt de Matureesche Dessavonij trekt. Het hoofdzaakelijke daar van bestaat in eenige weijni „ge hout werken, die Jaarlijks uijt 't land geleeverd wor= §: 4: Het werken in de kanneel en andere plantagien is zeekerlijk een nieuwigheijd, en zijn ook daarom daar voor aande geene die daaraan gewerkt hebben de gewoone mainctementos verstrekt. Dat het volk ook hiermeede niet kan g'agt worden merkelijk te zijn bezwaard, valt ligt te bedenken, als men de groote meenigte der ingezeetenen van de Matureesche Dessaronij, waarover dit werk heeft geroulleerd, vergelijkt teegens het getal dek luijden die daar aan zeedert eenigen tijd zijn geamploijeerd. §: 5: Tot de togt na Baddagirie, behalven dat ze geen voortgang gehad heeft, zijn nimmer eenige stellige beveelen door den Dessave uijt gevaardigt zoo als het ook nimmer onze intentie geweest is dat eenige in= „gezeetenen van de Matureesche Dessaronij zoude worden geroepen om naa derwaards te gaan, ten zijze uit zig zelve daartoe geneigt waeren. Den Dessare had= „den. merken „de

NL-HaNA_1.04.02_10025_0175 view scan ↗

English

that he only gave notice to the native chiefs that it was his intention to go in person to Reedegirie in the Magampattoe to lay out something else there, and that it would be pleasing to him if each of them could procure some people inclined to that end. That these native chiefs would also have employed any means of constraint to that effect nowhere appears. It does not even appear anywhere that the inhabitants, however much they complained with great vehemence about this journey, provided a single proof that anyone was forced into it against his will. This could therefore also be no motive to come to an insurrection. § 6. Generally, when the common people are genuinely dissatisfied, one perceives some traces of it beforehand, but on this occasion nothing of the sort was heard, or at least nothing came to our knowledge. We had no reason to think otherwise than that in the Dessavony of Mature the inhabitants were contented and satisfied. The harvest was uncommonly successful, and the people, especially of the Girrewaij, who in former years had been in rather distressed circumstances, now lived in a kind of abundance. § 7. Yet no people is ever completely satisfied. Under the most just government one always finds discontented persons who, according to their way of thinking, believe they are wronged; and when there are ill-disposed persons who stir up the people, these generally find only too much acceptance among the common folk, as experience throughout all times has shown and has also been proven in this instance. § 8. Among the leaders of the people there have particularly made themselves known a certain Don Simon arraetje, his brother named Don Konstantijn, and a certain Madoegodde Appoe, who also confess that they were the instigators of the people. The father of the first two was, in the Sinhalese war from the year 1761 to 1765, likewise a prominent leader of the disturbances of that time, for which he was subsequently granted a village in the Dessavonie of Sappirgam by the late King of Kandy, which his descendants still possess today. The aforesaid two brothers are very bold and enterprising fellows, and Maddoegodde Apoe, also a very bold lad, is a long-known malefactor who, for his misdeeds, had to be punished more than once. § 9. That the aim of these people and of others who agreed with them in stirring up this revolt was mainly to raise themselves to posts of honor, to which, on account of their particular relations, they could otherwise have no prospects, became subsequently most clearly evident. § 10. Our Commissioners, the Dessave of Colombo and the Trade Bookkeeper Samlant, after they had heard the complaints of the inhabitants, published a mandate in the country, which is included among the annexes of this letter and has been approved by us. One seemed to have reason to expect that the rebellious would have been satisfied with the reasonable arrangements made therein and thereby brought to a standstill, or that they would at least have quickly stated the further reasons for their dissatisfaction upon the express invitation made in this mandate, that if there were this or that matter in which, in the people's opinion, some provision still needed to be made, they could state it, with the assurance that proper attention would be paid to it; yet they did neither the one nor the other. § 11. Notwithstanding the publication of this mandate, and that our aforesaid Commissioners had thereby, by virtue of the power conferred upon them by us, granted an obliteration of the offense without any exception or condition, provided that everyone henceforth conducted himself as befits good and obedient inhabitants, the unrest nevertheless continued. § 12. One seemed now to have done everything that could in any way serve to satisfy the inhabitants; yet the restless crowd did not calm down and appeared unwilling to state what more they intended. § 13. We therefore did not see in what manner our aforesaid Commissioners could proceed further in a proper way to bring the rebellious to rest by gentle means. § 14. Because of the unrest that had meanwhile also arisen in the Dessavony of Colombo, of which mention was made above, the presence of the Dessave of Colombo was necessary on this side, and since the gentlemen of the military commission were now on the point of departing for Trincomalee, and that consequently the presence of Commander Sluijsken at Galle could be spared for a short time, we wrote to him to cross over in person to Mature to see if this might perhaps bring about some change for the better; but notwithstanding all well-meaning efforts also exerted by him, everything remained for a long time in great uncertainty. § 15. Probably Don Simon arraetje and those who agreed with him did not dare to come forward immediately with what they intended for themselves. This would have unmasked them too soon to the people. It was therefore in their interest to let the unrest continue for the present. § 16. To this one may perhaps attribute the fact that Don Simon arraetje, who on account of the aforesaid village in the King's country that was formerly granted to his father has some relations in Kandy, seeing that he and his associates otherwise played the game

Dutch transcription

„de alleen de inlandsche Hoofden kennis gegeven dat het zijn voornoemen was in perzoon, naa Reede „girie in de Magampattoe te gaan, om daar ander aanteleggen, en dat het hem welgevallig zijn zoude, n „een elk hunner eenig volk daartoe geneigt kond bezorgen: Dat ook deeze inlandse hoofden daar toe „nige middelen van Contrainte zoude hebben te rerk gesteld, blijkt nergens- Het blijkt zelfs nergens hit de ingezeekenen, hoe zeek te zig ook over deeze togt met veel hevigheid hebben bezwaard, een enkeldh „wijs hebben opgegeeven, dat iemand daartoe teegen zijn wil is genoodzaaket. Dit konde dues ook gen „tief zijn om tot een opstand te koomen. I: 6: Doorgans bespeurd. men bij het gemeen, wanneer werkelijk misnoegd is, daarvan vooraf eenige spor dog ter deezer geleegendheid heeft men daarvan vernoomen, ten minsten is daarvan niets tot on kennis gekoomen. Wij hadden geen reden om anders te denken, dan dat in de Matureesche Dessavonij de ingezeetenen verf „noegd en wel te vreeden waeren. Den oogst was ongemeen wel geslaagt, en het volk inzonderheijd van de Girrewaij, dat eertijds ver „de Jaaren in vrij kommerlijke omstandigheede geweest was, leefde nu in een zoort van overvlaed S: 7: Geheel te vreeden is nogtans nooijt geen volk. de regtmaatigste Regeering vind men altoos m „noegden, die naar hunne wijze van denken „nen te zijn verongelijkt;, en wanneer 'er kwaelijk gevinden zijn, die het volk opruijen, vinden dee ze door „gans niet dan te veel ingang bij het gemeen, zoo als„ dat door alle tijden heen de bevinding heeft getoond, en ook in deeze geleegentheijd gebleeken is. I: 8: Onder de aanvoerders van het volk hebben zig voor= „naementlijk bekend gemaakt, eenen Don Simon anraetje, zijn broeder genaamd Don konstantijn en eenen Madoegodde Appol die ook bekennen, dat zij de opstookers van het volk geweest zijn. De vader vande twee eerste was in den Zingaleeschen oorlog van 't Jaar 1768: tot 1765: insgelijks een voor= „naam aanvoerder der beroertens van dien tijd, waarvoor hem naaderhand, door den laatst overlee„ „dene Randiasche Koning geschonken is een dorp, in de Dessavonie van Sappirgam dat zijne naa koome¬ „lingen nog heden ten daege bezitten. De voorsz: twee broeders zijn bij de stoute en onderneemende gaster, en Maddoegodde Apoe ook een zeer stoute knaap, is een van ouds bekende kwaaddoender, die om zijne misdaeden meer dan eens heeft moeten worden ge= „straft. §: 9: Dat het oogmerk deezer luijden en meek andere die met hun eens waeren, in 't verwekken van dee= „zen opstand, hoofdzaekelijk geweest is, om zig te doen verheffen, tot posten van eere, waartoe: ze uijt hoofde van hunne bezondere retatien, anderzints geene uit= „zigten konden hebben, is naderhand op 't duidelijkste ge„ bleeken §: 10: onze Commissarissen de Dessive van Kolombo Tatb: de Negotie Tjoekhouder Samlant deel en, naadw de klagten der ingesteetenen hadden aangehoord, int land, publiceeren een mandaat ola die onder de bijke „gen deezes overgaat; en door ons is geapprobeert, Men scheen met gronds te moogen verwagten, an weder hoorigen in de reedelijke schikkingen daar gemaakt, zouden hebben genoegen genoomenen daardoor tot stilstand zijn gebragt, of dat ze ten minsten de verdere reedenen van hun misnoegen spoedig zouden hebben opgegeeven op de expressent „noodiging bij deeze mandaat gedaan, dat zwis deeze of geene dingen zijn mogten, waarin naar 'T volks meening nog eenige voorziening diende te worden gedaan, ze dat konden opgeeven, met toe ki dat daarop behoorlijk zoude worden gelet, ze deerz nog het een nog 't ander. §: 11: Niet teegenstaande de publicatie van deeze Ma en dat voorsz: onze Commissarissen daar bij tuij „de vande magt door ons op hun geconforeerd gegeev hadden uitwissing van misdaad, zonder eenigen „zondering of bepaaling, mids dat een elk zig vor gedroeg, zoo als dat goede en gehoorzaeme ingeza „tene betaamt, bleef nogtans de onrust voort duuren I: 12: Menschoen nu alles te hebben gedaan, wat eenigh strekken konde om de ingezeetene genoegen te gun de onrustige hoop kwam nogtans tot geen bedaelen on „bleeken. zig ook niet te willen verklaeren wat ze verder be= 5: 13: We zaegen dus niet op wat wijze voorsz: onze Commis„ „sarissen verder op eene betaemelijke wijze konden te werk stellen, om de weeder hoorigen door zagte mid= „delen tot rust te brengen. 5: 14: om de onrust ook in de kolombosche Dessavonij mitde„ „lerwijl ontstaan, waar van hier boven gesprooken is, was de presentie vanden kolomboschen Dessave aan deeze kant noodig, en wijl de Heeren van de militaire Commissie nu op hun vertrek stonden naa frincono= „maele, en dat midsdien de presentie van den Comman „deur sluijsken te Gale voor een korten tijd konde wor= „den gemist, schreeven we hem aanom zelve eens over te slappen naa Mature, of dit zomtijds eenige vevan= „deringen ten goede mogte kunnen voortbrengen, dog niet teegenstaande alle welmeenende poogingen ook door hem aangewend, bleef alles nog een tijd lang in groote onzeekerheijd. §: 15. Waarschijnlijk dorsten Don Simon arraetje en die het met hem eens waeren niet aanstonds uit„ „koomen met 't geen ze voor hun zelve beoogden. Dit zoude hun te vroeg bij het volk hebben gedemas= „keerd. Het: was dus van hun belang, om de onrust voor eerst te doen voortduuren. 5: 16: Hier aan mag men het misschien toeschrijven, dat Don Simon arraetje, die uit hoofde van het voorsz: dorf in 's konings land dat aan zijn vader eertijds geschonken is, eenige relaatien in Candia heeft, ziende dat hij inde zijnen buijten dien het „geerde. spel

NL-HaNA_1.04.02_10025_0177 view scan ↗

English

could no longer master the game, availed himself of these relations to lead the people into the delusion that he could work wonders there. Section 17: He, or at least some emissaries of his, have actually been to Kandy twice, and although they were rejected there already on the first journey, they nevertheless undertook the second expedition to keep the people aligned with their interests by making them believe that they were favorably received there, in order to accomplish their objectives in the meantime. Section 18: Whether the wickedness of this man and that of his faction went so far that they made attempts to bring the Company into trouble with the Court, we cannot say. We can even hardly think so, because the Company's inhabitants, and especially the Chiefs, still retain a great impression of the misfortunes they brought upon themselves at that time, and of the contempt that the Chiefs in general had to endure from the arrogant Kandians, who at that time looked down upon them all as a heap of vile people who could bear no comparison with them. Section 19: Whatever the case may be, this is certain: as soon as Don Simon Aratchie and those of his faction realized that the Court of Kandy did not take up their cause, they immediately became more manageable. It is probable that they had fairly great prospects of high promotions, but now they were satisfied with less, and as soon as a promise was made to them that they would be elevated to some offices, as among others Don Simon Aratchie to Mohandiram and Chief of the Kandebadde Pattu, they changed their tune remarkably. Section 20: Commander Sluijsken had meanwhile received some points on which the signers requested redress, and now finding the affairs to be in such terms that he could, with hope of good success, have a further mandate proclaimed, he did so; and upon the proclamation of this mandate the inhabitants returned to peace, and the principal Chiefs, who were thereupon sent to the Korales, were ordered to guard against all further disorders, and to ensure that the Company's services are again performed properly. Section 21: The proceedings of our Commissioners, the Senior Merchant Fretz and the Merchant Samlant, are circumstantially described in a document which they, according to the orders received from us, delivered to Commander Sluijsken, with various annexes which, as well as this document itself, are transmitted herewith in copy, and to which we request permission to refer here in order to avoid too great prolixity. Section 22: What has since been performed by Commander Sluijsken is described very prolixly in his secret report, which, alongside two letters received at the same time, namely one of 21 July and one of 5 August, is inserted in our secret resolutions of 12, 16, and 21 of this month, to which and to our resolutions taken thereon we likewise take the liberty to refer here; and we only note here that we have caused the Senior Merchants Rasto and Van Angelbeek to exchange offices, appointing the former as Disava of Matara and the latter as acting Chief Administrator of Colombo, not because anything appeared to us in the conduct of Disava Van Angelbeek that should have advised this transfer, but solely out of consideration that the principal leaders of the uprising might sometimes have a secret fear that their past and excessive outrages, although forgiven, would be less forgotten by a Disava under whose eyes they were committed than by a new Disava to whom their persons are less known and who was not an eyewitness thereof. Section 23: In the aforementioned letter of the 5th of this month, Commander Sluijsken states not only that very many native Chiefs appear to him, if not proven completely guilty, at least to lie under the strongest suspicion, but also that in his opinion the most cautious and strongest measures must be taken against them. How far these thoughts are grounded we cannot yet determine for the present; apart from what appears of this in some documents bound behind the report of Commander Sluijsken, no evidence thereof appears, other than that these accused Chiefs, especially in the beginning, seem to have acquitted themselves of their duty with quite little zeal. Section 24: This is certainly somewhat questionable; yet on the other hand it is difficult to imagine what could have moved these Chiefs to such criminal steps as are charged against them in the aforementioned documents behind the report of Commander Sluijsken. These accused Chiefs are from the first families in the Company's territory; they are all, especially Tennekoon, people of great wealth, of whom one can hardly think that they would have ventured themselves in such an imprudent manner. Section 25: Since it is nevertheless possible, and in case they should be guilty, they ought to be removed from the Matara Disavoni as soon as possible, we have, concerning this and concerning the gathering of the further necessary evidence, written on the 17th of this month to Commander Sluijsken the letter which is transmitted in copy among the annexes, to which and to the answer received thereto on the 20th of this month, which

Dutch transcription

spel niet langer zouden kunnen meester blijven z van deeze relaetien heeft bedient, om het volk te brengen in den waan, dat Hij daar wonderen van konde. §: 17: Hij of ten minsten eenige afgezondenen van hemene zijne, zijn werkelijk tot twee maelen toe in kander geweest, en schoon ze reeds de eerste rijze daar zijn afp„ „weezen, hebben ze nogtans de tweede togt ondernomen om het volk in hunne belangens te houden met't zelve diets te maaken dat ze daar gunstig ontvangn waeren, ten einde intusschen hunne oogmerken te kennen voltooijen. 5: 18: of de boosheijd van deezen man en die van zijnen aar „hang, zoo verre gegaan is, dat ze poogingen zouden gede hebben, om de komp=e: met het Hof in onrust brengen, kunnen we niet zeggen. we kunnen het zelfs kwaalijk denken, wijl 'sComp=s ingezeetenen en inzonderheijd de Hooffden nog altoos een groote „druk behouden van de ongelukken, die ze zign „tijds daardoor hebben op den hals gehaald, en vand veragting die de Hoofden in het algemeen hebbe moeten ondergaan, van de hoogmoedige kandiaen die ter diertijd op hun alle needer zaegen als op hoop slegt volk, dat bij hun in geen vergelijk b „men kan. §19: wat ook hiervan zij, dit is zeeker, dat zoo dre h Simon arraetje en die van zijn aanhang ge J hebben, dat het Hoff van Kandia zig hunne Ja niet aantrok, aanstonds handelbaarder geworden zijn. Het is waarschijnlijk dat ze vrij groote uitsligten op hooge bevorderingen gehad hebben, dog nu lieten ze zig met minder vergenoegen, en zoo dra, hun toezeg= „ging gedaan is, dat ze tot eenige ampten zouden worden verheeven, gelijk onder anderen Don Simon arraetje tot Mlohandiram en Hoofd van de Kan= „de badde pattoe, veranderden te merkelijk van toon. §: 20. De Commandeur sluijs khen hadde middelerwijl, nog ingekreegen eenige pointen, waarin de ingeteekenen voorziening verzogten, en nu slij de zaeken bevond te weezen in die termen, dat Hij met hoope van goed succes een nader mand dat konde doen afkondigen, heeft hij het gedaan, en zijn op de afkondiging van deeze mandaat de ingezeetenen tot rust gekeerd, en de principaale Hoofden, die daarop naa de korls gezon„ „den zijn, zijn gelast om te zorgen teegens alle verdere desorders, en dat 'sComp:s diensten weederom naa behoo„ „ren worden verrigt. §: 21: De verrigtingen van onze Commissarissen de opper= „koopman Fretz ende koopman Samlant zijn om= „standig beschreeven bij een geschrift, dat de zelve vol= „gens de van ons ontfangene lastaan den komman= „deur sluijsken hebben ter hand gesteld, met verschijde bijlaegen die zoo wel als dit geschrift zelfs in Copij hiernevens overgaan, en aan welk een en ander wij verlof verzoeken, ons ter vermijding van al te groote wijdloopigheijd hier te moogen gedraagen. §: 22: Het zeedert verrigte door den Commandeur sluijsken net is is zeer wijdloopig beschreeven bij zijn geheijm ufo dat neevens twee brieven daarmeede tegelijk ontfa „gen als een van den 21: Julij, en een van den 5: Mo is geinsereerd bij onze secreete resolutien van den 12: 16: en 21: deezer, waar aan en aan onze daar genoomene resolutien we insgelijks de vrijheijd g „brueijken ons hier te gedraegen, en merken hie nog alleen aan, dat wede opperkooplieden Rasto en van Angelbeek van diensten hebben doen Cla „geeren, met de eerste te benoemen tot Dessave van Mature, en de tweede tot pl: Hoofd administrateu van kolombo, niet om dat ons in de verrigtingen van den Dessave van Angelbeek iets Zoude zijn voorgekoomen, dat deeze verplaetsing zoude hebben behooren aan te raaden, maar alleen uijt Consideratie dat de hoofdbelijders van den opstand, zom tijds een heimelijke vreeze konden hebben, dat hunne ve en verregaande baldaadigheeden schoon vergeeven minder zoude worden vergeeten bij een Dessave onder wiens oog te zijn gepleegd, dan by een nauw Dessave, by wien hunne perzoonen minder zijn ben „kend, en daar van geen oog getuijgen geweest is. §: 23. Bij den voorsz: brief van den 5: deeser, zegt den Commandeur sluijsken niet alleen dat zeer wele inlandsche Hoofden hem voorkoomen, indien niet volkoomen schuldig beweeken, ten weijnigsten onder de sterkste suspicie te leggen, maar ook dat naa zijne begrippen teegens dezelve de voorzigti „ste en sterkste maatreegelen moeten worden ge= „noomen. Hoe verre deeze gedagten gegrond zijn kunnen we voor het teegenswoordige nog niet bestemmen, Buij= „ten het geen dat daarvan voorkomt; bij eenige stukken die agter het rapport van de Comman= „deur sluijsken zijn ingebonden, koomen daar= „van geene blijken voor, dan alleen dat deeze daarbij beschuldigde Hoofden, zig vooral in den beginne met vrij wat wijnig ijver, van hun pligt schijnen te hebben geaquiteert. §: 24: Dit is zeekerlijk wat bedenkelijk, dog het is aan de andere kant niet wel te bedenken, wat deeze Hoofden zoude hebben kunnen beweegen tot zulke misdaedige stappen, als hun bij de voorsz: stukken agter het rapport van de Commandeur sluijsken te vinden, zijn ten laste gezegt. Deze beschuldigde Hoofden zijn van de eerste famieljes in 'sComp=s land= ze zijn alle inzonderheid Tinne koon, luijden van veel vermoogen, van welke men kwaalijk kan denken, dat ze zig op zoo een onvoorzigtige wijze zouden hebben gewaegt. §: 25: Wijl het nogtans moogelijk is, en dat in gevalle te mogten schuldig zijn, ze hoe eer zoo beeter uijt de Matureesche Dessavoni dienen te worden verwijdert hebben wij ^ over, en over het inwinne van de bewij= „zen die voorts noodig zijn, aan de kommandeur Sluijsken den 17: deezer geschreeven den brief die in Copij onder de bijlaegen overgaet, waar aan en aan het daarop ontfangene antwoord van den 20: deezer„ dat

NL-HaNA_1.04.02_10025_0179 view scan ↗

English

which likewise goes annexed in copy, to which we beg leave to refer, as also to a further letter written on the 24th of this month to Commander Sluijsken, which also lies annexed in copy. § 26 From the aforesaid letter of Commander Sluijsken of the 20th of this month, we cannot however pass over without remarking what was therein stated, that at Colombo, if one wishes to take into consideration what has been deposed, the root of all the evil would be found, which, if anything had to be done, one would certainly have to tackle first. We found this statement so mysterious that we have requested a further clear and straightforward explanation regarding it. That which is said is of too much importance for us not to have it clarified to the bottom. We shall, if necessary, hold Commander Sluijsken to doing this, and if we receive an answer from him in time, we shall communicate it at the foot of this, or otherwise in the very next letter. § 27 When the gatherings at Mature were still quite heated, we were informed that, as has already been noted here above, some of the Mature lesser chiefs had proceeded to Kandia, in order there, as is often customary on such occasions, to seek assistance. § 28 As soon as this became known, the first undersigned Governor caused the First Adigar of the realm to be spoken to about it, who holds the principal administration in Kandia in hands, and in his capacity as Dessave of the Three and Four Corles during the last 5 years has been the first envoy to Colombo. § 29 This man repeatedly assured the Governor that one could count on his goodwill, that he would see to it that nothing unfriendly occurred, and that he in particular would see to it that the people of Mature were sent back without the least hearing being given to them. § 30 We also had no reasons to distrust the honesty of this man. Of his goodwill towards the Company he has given evidence on more than one occasion. He has done this especially in the matter of the beaches, wherein many court dignitaries and among them principally the late Second Adigar of the realm have repeatedly shown themselves to think less peaceably and moderately than he. § 31 Meanwhile, a multitude of rumours spread here, as is commonly the case on such occasions. § 32 The lesser chiefs from the Mature Dessavony who had been to Kandia the first time, according to the reports we received thereof, spread upon their return among the people that they had been favourably received in Kandia, and that the Court was about to take up their cause, and although it subsequently became clear in the plainest manner that this had been mendaciously disseminated by them, it seemed at the time to make a great deal of impression. They had the boldness to send another delegation to pursue, as they pretended, their negotiations with the Court, and thereby kept the people in suspense. § 33 Hereto we received a report from Trinconomale that the Patawe Wannia, whose land borders on the Company's limits there, had caused some posts to be planted on the Company's ground, with the notification that the Company's limits extended only so far, and when he was asked the reason thereof, he described in his reply the Company's limits in such manner as they were before the war. § 34 A Kandian priest wrote an olah to an inhabitant of Nigombo, which the latter immediately handed over to us, in order to stir up the Nigombo people to rebellion; the same was drafted just as if he had been ordered thereto from Kandia, and from Silau we received a report that on the limits of the King's land one or two rest houses were being built, which shortly thereafter was followed by another report that a Kandian Dessave had arrived. § 35 Upon investigation it has since indeed been found that the last-mentioned reports were mere tales, and that he who was said to be a Dessave was nothing more than a Moorish servant of the Court sent to carry out some domestic commissions. § 36 The rest house of which the Silau reports speak was found to be a small abode that was erected for this man in the Seven Korles a few hours away from the Company's limit. § 37 Concerning the setting of some posts by the Patawie Wannier on the Company's territory, nothing else appeared than that this was an unauthorised act of this man, and that he had done this same thing once before some years ago, when the posts set by him were pulled out and thrown away, as was also done this time, without anything further occurring in that regard. Finally, regarding the writing of the aforesaid Kandian priest, nothing else appeared either than that it occurred without the knowledge of the Court. After the reports received thereof, the Court not only took this deed very amiss, but even had him fetched and brought pinioned to Kandia. § 38 But before we yet had that information, all these reports, and the fact that the Mature inhabitants, notwithstanding all efforts made and reasonable conduct, remained just as unmanageable, made us somewhat uncertain. § 39 We did not know to what we should attribute so much obstinacy, and thus began somewhat to incline towards the thought that the ringleaders of the unrest really expected support from Kandia, and that they could perhaps have engaged themselves so far with the Court that they were thereby

Dutch transcription

dat insgelijks in Copij hiernevens gaet, weverzu ons te moogen gedraegen, als meede aan nog een naa „deren brief den 24: deezer aan den Commandeur sluijsken geschreeven, die ook in Copij hiernevens lijt. §: 26: uijt de voorsz: brieff van den Commandeur suijke van den 20: deezer, kunnen we nogtans niet voorlij „te merken, het daarbij gezegde, dat te kolombe,n „dien men het gedeponeerde in aanmerking nae wil, zig de wortel van al het kwaade zoude bn „den, die men zoo 'er iets moest gedaen worden zi „kerlijk het eerste zoude en moeten aantasten we hebben dit zeggen zoo geheim zinnig gevonden dat we derweegens eene naadere duijdelijke ont „streekse verklaering gevraegd hebben. Die ze zal is van te veel gewigt, dan dat we die niet tot uit de „ grond zoude doen ophelderen. we zullen er nit dien, den Commandeur Sluijsken toe houden dat Hij dit doed, en zoo we nog tijdig genoeg antwerd van hem ontfangen, zullen we het aan den voetde „zes bedeelen, of anders bij den eerst volgenden brief §: 27: Toen de zaemenrottingen te Mature, nog vrij heeig waeren, wierden wij geinformeerd, dat zig zoo als dat reeds hierboven is aangemerkt, eenige vande Matureesche mindere Hoofden naa Kandia hadden begeeven om daar gelijk dat veel al bij zulke gela„ „gendheeden pleeg te geschieden, heul te zoeken. §: 28: Zoo dra dit bekend wierd, heeft de eerst ondergetakende Gouverneur daarover, den eersten Rijksalipar doen onderhouden, die het voornaeme bewind in kandia in handen heeft, en in zijne quali= „teit van Dessave van de drie en vier Corles geduu¬ „rende de Jongste 5: Jaeren als eerste afgezant te kolombo geweest is. §: 29: Deeze deed de Gouverneur bij herhaeling verzee= „keren, dat men op zijn welmeenendheid staat maaken konde, dat Hij zoude zorgen, dat 'er niets onvriendelijks voorviel, en dat Hij in 't bezonder zoude Zorgen dat het volk van Matuvre, zonder dat daar aan het minste gehoor wierde gegeeven, wierd terug gezonden. §: 80: We hadden ook geen redenen om de eerlijkheid van deezen Man te mistrouwen. van zijne welgezint= „heid teegens de komp=e: heeft hij in meer dan eene geleegentheid blijken gegeeven. Hij heeft dit inzonder= „heid gedaan in het stuk der stranden, waarin veele Hofsgrooten en onder dezelve voornaementlijk den overleeden tweeden Rijksadigaar te meermaelen ge= „toond hebben, minder vreedelievend en gemaatigd, dan Hij te denken. §: 31: Jntusschen versprijde, zig hier een meenigte gerugten, zoo als dat in zulke geleegentheeden gemeenlijk gaat„ §: 32: De mindere Hoofden uit de Matureesche Dessavonie die de eerste maal naa kandia geweest waeren, ver= „sprijden naar de berigten die we daarvan ontfingen, bij hun terug komst onder het volk, dat ze inkandia gunstig waeren ontfangen, en dat het Hof zig haar doen haar zaek stond aantetrekken, en schoon hetm „derhand op het duijdelijkst gebleeken is, dat nt leugenagtig door hun is verbreijd, scheen dat voordeen tijd heel veel indruk te maaken. Ze hadden de kn „heid om andermaal een bezending te doen mak om zoo als te voorgaven, hunne handelingen met stof te vervolgen, en hield hier door 't volk aan de p §: 33. Hierbij ontfingen we van Trinconomale berigt da de Patawe Warinia wiens land grenst aan 'sto limieten aldaar, eenige stokken hadde laeten sach op 's komp=s grond, met aanzegging, dat 's ko limieten tot zoo verre gingen, en toen hem de zuk daarvan wierde gevraegd, beschreef Hij bij zijn antin 's komp=s Cimieten zoodaanig; als te waeren voor de oo §34: Een kandiasche Priester schreet een vla aan een ig zeetene van Nigombo, die ze aanstonds aan ons overge om het Nigombose volk tot oproer te verwekken zelve was ingesteld even als of Hij uit kandia dan was gelast, en van Silau ontfingen we berigt, op de limieten van 's konings land een of twee rut „huijsen wierden gebouwd, dat kort daarna gevol„ wierd, van een ander berigt, dat 'er een kandias Dessave was aangekoomen. §: 35: Bij onderzoek is wel zeedert bevonden, dat de Ma berigten enkelde vertelsels geweest zijn, en dat die geene die gezegt wierd een Dessave te zijn, en hei geweest is een moors bediende van het Hof gezonden om eenige huijselijke bestellingen te doen. §: 36: 5 let rust huis waar van de Silaudesche berigten sprek„ is bevonden te weezen een klein verblijf, dat voor dee= „zen man is opgeslaegen in de zeeven korls eenige uuren verre van 'sComp=s limiet, §: 37: van het zetten van eenige stokken door de Patawie wannier op 's Comp=s gebied, is niets anders gebleeken, dan dat zulks geweest is een ongequalificeerd bedrijf van deezen man, en dat Hij dit zelfde nog eens gedaan heeft eenige Jaeren geleeden, toen de door hem gezette stokken zijn uitgetrokken en weggesmeeten, zo als het ook dit maal is gedaan, zonder dat daarover verder iets is voorgevallen. Eindelijk is van 't schrijven van voorsz: kandiasche Priester ook niets anders gebleeken, dan dat het is geschied buiten kennis van het Hof. Naa de berigten daarvan ontfangen, heeft het Hof deeze daad niet alleen zeer euvel opgenoomen, maar heeft hem zelfs doen ophaelen en gevleugeld brengen naa Kandia. §: 38: Dog voor dat we nog die onderrigtingen hadden, maak „ten alle deze berigten; en dat de Matureesche ingezee= „tenen niet teegenstaande alle aangewende poogingen en reedelijke handelwijze, even onhandelbaar bleeven, ons wat onzeeker. §: 39. we wisten niet waaraen we zoo veel hals starrig= „heid zouden toeschrijven, en begonden dus eeniger maa„ „ten te neijgen tot de gedagten dat de Hoofdbelijders van den onrust werkelijk ondersteuning uijt Kandia verwagten, en dat ze zig mitschien zoo verre met het stof konden hebben ingelaeten, dat ze daardoor wierden

NL-HaNA_1.04.02_10025_0181 view scan ↗

English

were deterred from listening to any proposal, however reasonable it might be. §: 40. Not that we distrusted the honesty of the first Adigaar, nor the sincerity of the emphatic assurance which he had repeatedly caused to be given to the first undersigned Governor; it appeared to us somewhat doubtful whether other Court grandees, who think less moderately than he, might not be able to raise a faction against him that could sometimes prove too strong for him. §: 41. Therefore, in order to obtain some certainty on this matter, we not only caused to be delivered through our party to the King's Dessave of the Three Corles the letter which is transmitted among the enclosures, and whereby Your High Mightinesses will see among other things that, on the basis of the treaty, we have demanded the rebellious inhabitants of the Company who might be in Kandia, but the first undersigned Governor has also written to the first Imperial Adigaar the letter which is likewise transmitted among the enclosures. §: 42. Contrary to the custom of the Court, we immediately received an answer thereto. Copies of these answers are transmitted among the enclosures. Before we even received these answers, order was already restored in the Matara Dessavony, which certainly would not have happened if Kandia had had a hand in it, so that one may rely all the more on the assurance appearing in these answers, that the Court has not meddled with the Company's restless inhabitants, and that the conduct of the Battawe Wannia took place without the knowledge and therefore without the order of the Court. The sending for the Kandian Priest mentioned above is further proof of this. This sort of people is so greatly revered in Kandia that they must commit quite severe offenses before anyone lays hands on them. §: 43. In the answer of the Dessave of the Three Korles, several matters appear that need to be answered, and we shall also do so. Never have we meddled with the King's disobedient subjects, nor to our knowledge is any of the King's Subjects guilty of rebellion in the Company's territory, except that for a great series of years two people have been residing in the Company's land who are said to be of distinguished descent; however, these persons fled because of family disputes and not because of any crimes against the King, at least this is not known to us. They have been reclaimed a few times, and it was then said that inquiries would be made about them. We care nothing for these people, but they would have to expect the greatest persecution from their family if we were to hand them over. §: 44. We have already noted in the beginning of this document that there was also quite some unrest in the Alutkuru Korle and in the Hapitigam Korle. Even the fishermen of Negombo, of old known as rowdy fellows, encouraged by the Matara disturbances, demanded in a very boisterous tone that they might again be placed under headmen from their own caste, which was abolished about 20 years ago for good reasons. A small unrest that occurred in the Gangaboda Pattu of the Galle Korle was quickly quelled. §: 45. To conclude this matter and for the better understanding of what is mentioned in the letter of the first Imperial Adigaar regarding the arrest of some of the Company's inhabitants from the Hina Korle, we briefly note here that although the Hina Korle, which is the largest and most populous Korle of the Colombo Dessavony, and with which in turbulent times one has formerly sometimes had quite a lot of trouble, remained at peace, there were nevertheless a few bold fellows from two or three villages situated close to the borders of the King's land, who, after having first committed some mischief, seized three or four inhabitants from the Korle known to be good and peaceable people, and brought them into a temple at [illegible]gamme in the Four Korles, from which, according to the custom of the Kandians, they could not be set at liberty again without an express order from the Court. As soon as this incident became known in Kandia, the necessary orders were given to release these people, as was done, according to a report of two aratchies, a copy of which is enclosed herewith. §: 46. To the present Principal Chief Administrator van Angelbeek we have granted, upon his request by an address which accompanies this in copy, further inspection and if necessary a copy of the aforementioned secret report of the Galle Commander Sluysken, in order to be able to explain himself further in writing thereon; and at his request we have also demanded from the retired Galle Commander Kraeyenhoff an unreserved declaration as to whether, during the time he was still in the administration of the Galle Commandment, any complaints had come before him against him, van Angelbeek, or any indications of irregularity in his administration of the Matara Dessavony; and this declaration likewise accompanies this in copy. §: 47. We further add hereto a copy report of the Colombo Dessave Fretz, serving to clarify several articles of the aforesaid secret report, wherein mention is made of the proceedings of him and of the Trade Bookkeeper Samlant as our commissioners for the Matara affairs. §: 48. In our letter written to our said Commissioners on the 21st of June, we have already expressed to them our satisfaction with their faithful and well-meaning conduct.

Dutch transcription

wierden weederhouden om naa eenige voorslag en he reedelijk ook, te luijsteren. §:o 40. de mistrouwdende eerlijkheid vanden eersten E Adigaer wel niet, nog de opregtheid van de naadruste „lijke verzeekering, die Hij den eerst ondergeteken Gouverneur bij herhaaling hadden laeten doen het kwam ons eenigzints twijffelagtig voor of andere der Hofsgrooten die minder gemaatigd dan hij denken, een parthij teegens hem zouden kunne verwekken, die hem zontijds te sterk konderd §: 41. W„e hebben daarom ten eijnde op dit stuk was h „kerheijd te erlangen, niet alleen door onzen zii aan 's konings Dessave van de drie Corles doene „ven den brief, die onder de bijlaegen overgaet, en waarbij uwe Hoog Edelheeden onder anderen zullen zien, dat we uit hoofde van het tractaat hebben opgeeischt de weederhoorigen van 's komp:s ingezt „nen, die zig in kandia mogten bevinden, maar heeft ook den eerst ondergeteekende Gouverneur aan den eersten Rijks Adigaek geschreeven, den br die nog onder de bijlaegen overgaet. §: 42: Jeegens de gewoonte van het Hof, hebben we daar aanstonds antwoord ontfangen. van deeze ant „den gaan de copijen onder de bijlaegen over„ wij voor dat we nog deeze antwoorden ontfingen de rust in de Matureesche Dessavonij reeds wan „steld, het geen zeekerlijk niet zoude geschied indien Kandia daarin de hand gehad hade, seij men op de verzeekering, die bij deeze antwoorden voorkoomen, dat het Hof zig met 'sComp=s onrustige ingezeetenen niet heeft gemoeid, en dat het bedrijf van de Battawe Wannia is geschied buijten kennis en mids dien buijten last van het Hof, te meer staat te moogen maaken. Het laaten ophaelen vanden kandiaschen Priester hier boven gemeld, is daar vae een naader bewijs. Dit slag van volk, is in kandia zoo zeer ontzien, dat ze het al vrij wat erg verbruij„ „en moeten, voor dat men hen aan het lijf komt. S: B: Bij het antwoord van den Dessave der drie korls, koomen verscheijde dingen voor, die dienen te worden gereleveerd, ook zullen we dit doen. Nimmer heb„ „ben wij ons met 's konings ongehoorzaeme onder= „daenen bemoeit, en is onzes weetens ook niemand van 's konings Onderdaenen schuldig aan rebellie in 'sComp=s gebieds alleen bevinden zig zoedert een groote reeks van Jaeren in komp=s land, twee luijden die men zegt van voornaeme afkomst te zijn, dog deeze zijn om famillie twisten niet om eenige misdrijven teegens den koning gevlugt, ten minsten is dat bij ons niet bekend. Ze zijn een paek maelen gerecla= „meerd, en is doen gezegt, dat men zig naar hun zoude bevraegen. Aan deeze luijden legt ons wel niets geleegen, dog ze zoude de grootste vervolging van hunne familie te wagten hebben, zoo weze over„ „gaeven. §: pf: we hebben in het begin deezes, reeds aangemerkt, dat 'er in de Alloetkoerkorl, en in de Hupittigam. =korl korl ook vrij wat onrust, geweest is. zelfs hebben „de vissers van Nigombo, van ouds bekend voor H knaapen, aengemoedigd door de maturee sche ontlete op een zeer onttuijmigen toon gevraegt, dat z weederom mogten worden gesteld onder hoofd uit hun eigen geslagt, dat nu omtrent 20: Jpa geleeden om goede reedenen is afgeschaft. Een klijn oncust die er in de Gange baddepattoe van dle Ge Corl geweest is, is spoedig gestild. §: 45: Tot slot deezes en tot meerdere verstand van het bij den brief vanden eersten Rijks adigael vor van het arresteeren van eenige 's komp=s ingez „tenes, uit de Hina korl, merken we hier w kortelijk aan, dat schoon de Stina korl diedlen „ste en volkrijteste korl is, van de kolombosche Dessavoni, en waarmeede men voor heen in onr „lige tijden zomtijds al vrij wat te stellen geha heeft, in rust gebleeven is, 'er nogtans een pr stoute gasten van twee of drie dorpen, gelugen kort, op de limieten van 's konings land zijnen die naa dat ze eerst wat baldaadigheeden „den gepleegd, drie of vier ingezeetenen uijt de korl bekend voor goede en vreedzaeme mensche hebben opgevat, ingebragt in een tempel te „gamme, in de vier korle, waar uit ze, naade „woonte der kandiaenen, niet weederom konden worden op vrije voeten gesteld, buiten ex press van het Hof, zoodra dit voorval in kandia bekend geworden, zijn de noodige beveelen gu deeze menschen uit teleeveren zoo als geschied is blijkens een relaas van twee avraetjes, dat in Copij hiernevens gaet. 5: 46: Aan den p=le Hoofdadministrateur van Angelbeek hebben we op zijn verzoek bij een addres, dat in copia deezen verzeld, toegestaan, naadere visie en des noods copij van het hiervoor en vermeld geheim rapport van den Gaalsch Commandeur sluijsken, om zig daarop naader schriftelijk te kunnen verklaeren, en hebben we ook op zijn verzoek van den afge= „gaane Gaalsch Gezaghebber Kraeijenhoff gevor „derd eene gemoedelijke verklaering, of hem, geduu„ „rende dat hij nog in het bestiek was van 't Gaalsch Commandement, eenige klagten waeren voorgeko= „men teegen hem van Angelbeek, dan wel eenige blijken van ongereegeldheid in zijn be= Hier van de Matureesche Dessavonij, en deeze ver= „klaaring gaet meede in Copij hierneevens. §: 47: Nog voegen we hierbij een Copij berigt van den ko= „lomboschen Dessave fretz, dienende tot opheldering van verschijde artikulen van voorsz: geheim rapport, waerin van de verrigtingen van hem en vanden Ne= „gotie Boekhouder Samlant, als onze gecom= „mitteerdens tot de Matureesche zaaken gesprooken §: 48: Bij onze brief aan gem: onze Commissarissen den 21: Junij geschreeven, hebben we reeds aan dezelve be- „stuigt ons genoegen over derzelver getrouwe en wel= deeze meenende

NL-HaNA_1.04.02_10025_0183 view scan ↗

English

well-intentioned proceedings, nor has anything since occurred to us whereby they would have forfeited this our testimony in the fullest sense. Their aforesaid report is further proof that they have acted with great goodwill. We commend your High Mightinesses and the interests of the Company into God's safe keeping and remain with all respect and fidelity. Underneath was written and signed as before. In the margin Colombo the 21st of August 1790. Lower Postscript. After concluding this, we also received the secret separate missive, in copy here annexed, from Commander Sluijsken written on the 27th of this month, upon which we briefly remark for the present: 1. That Commander Sluijsken seems to have understood very contrary to our intention what we wrote regarding the three mudaliyars Tinnekoon, De Saram, and Goeneratne, in the letters of the 17th and 20th of this month. 2. That if one were to proceed upon such depositions as Commander Sluijsken lays down as the foundation of his opinion regarding the Maha Mudaliyar, no one henceforth would be assured of his honor or of his life. That Baredoewe Corlan of the Belligam Korle has been one of the greatest instigators, as Madoegodde Appu has stated according to the report of the secretary of Albedijk, cannot, whatever great and trusted friend he may otherwise have been to the Maha Mudaliyar, which is unknown to us, serve as any accusation against him. One would have to fear maintaining friendship with anyone, if the crimes of our friends could serve to declare us guilty. Madoegodde Appu does indeed say, according to the aforesaid report, that the Colombo Maha Mudaliyar had an understanding with the discontented people at Mature, but to give any credit to the tale of a man of such a stamp against someone who stands in good name and repute, it would at least have been necessary to ask him wherein that understanding consisted, in order to calculate the probability of the accusation therefrom. Madoegodde Appu ought also to have been asked what his accusation rests upon that the Maha Mudaliyar made use of Welligamme Unnanse for the aforesaid purpose, and how he knows that, for the exhortations of this priest to strengthen the gathering as much as possible and not to come to peace quickly, and that he had even dared to use the name of the Maha Mudaliyar for that purpose, is an act that rests solely on the charge of this priest, assuming that it is true. Commander Sluijsken even seems to feel the weakness of these To as before these accusations, since he says in his aforementioned letter of the 27th of this month, which, namely a secret correspondence between the aforesaid three Maturese mudaliyars with the Maha Mudaliyar, appears to me not to be good, if one can in any way suppose that the Maha Mudaliyar has had any part in the Maturese disturbances. 3. That if it be true that Madoegodde Appu seeks to incite a rebellion again, Commander Sluijsken would have done better to keep him in Galle, even if he showed some discontent with that, for he was appointed mohandiram of the Galle guard precisely for that reason, so that one would have a fair reason to keep him out of the Maturese Dissavony. Paragraph 1. We have had the honor to receive your High Mightinesses' most esteemed secret missives of 26 May, 18 June, and 13 August of the past year. Paragraph 2. Concerning the admission of foreign warships or armed troops, we shall conduct ourselves strictly according to your High Mightinesses' orders mentioned in the extract sent to us by your High Mightinesses via the ship Nederlandsch Welvaeren from the minutes of the resolutions in the Council of India on 26 November 1789 and the further documents that your High Mightinesses have sent us on that subject. By this same ship we also received on this subject a missive from the Gentlemen Majors of 29 April 1789, which we take the liberty to present here annexed in copy to your High Mightinesses. Paragraph 3. The necessity to provide ourselves with rice was so great, as we had the honor to bring to your High Mightinesses' attention in our respectful secret letter of 18 July 1789, that we therefore, in the hope that your High Mightinesses might be able to enable Cochin to pay some bills of exchange for us, thought we might take refuge in that, as we had no other means to save ourselves, and we hope that this demonstrated necessity may exonerate us from the charge that we would not seek to conduct ourselves dutifully according to the recommendations and orders sent to us by your High Mightinesses. Paragraph 4. On the occasion that the Surat ministers sent us 200 lasts of rice, they offered to us in their letter of 19 December 1789 to procure the rice from Surat that we might need.

Dutch transcription

„meenende verrigtingen, en is ons zeedert ook we voorgekoomen, waardoor ze deeze onze betuigen in den uitgestreksten zin zoude hebben verd Voorsz: hun rapport is eene naader blijk dat dez met groote welmeenentheid gehandeld hebben. Wij beveelen uwe Hoog Edelheeden ende belang der maetschappij in Godes veilige hoede en blijn met alle eerbied en trouwe. /:onderstond:/ en gete „kend:/ als vooren /:in margine:/ kolombo Dn Augustus 1790: /:laager P: S: J: Naa het afslu deezes, ontfangen we nog de in Copij hiernevense „de secreete aparte missive van den Commandur sluijsken geschreeven den 27: deezer, waarop mij voor het teegenwoordige alleen kortelijk aan „ken. 1: Dat de kommandeur sluijsken het door ons gesche „ne, nopens de drie modliaers Tinne koon de sa en Goeneratne, bij brieven van den 17: en 20: desse zeer teegen onze intentie schynt te hebben begref 2: Dat zoo men op zulke depositien, als de komme „deur sluijsken legd tot grondslag van zijne opin nopens den mahamodliaer, wilde aengaen, „mand voortaan verzeekerd zoude zijn van zij eer nog van zijn leeven. Dat Baredoewe Corlan van de Belligamkorle, een der grootste opraem „kers geweest is, zoo als madoegodde appoe heft „geeven, volgens 't berigt vanden sekretaris va „Albedijkl, kan, wat voor een groote en verto vriend hij voor het overige van den mahamodiaet kan geweest zijn, het geen ons onbekend is, dezen tot geen beschuldiging verstrekken. Alen zoude moe„ „ten vreezen met iemand vriendschap te onderhou„ „den, wanneer de misdrijven van onze vrienden zouden kunnen strekken om ons schuldig te verklaaren. Madoegoode appoe zegd wel, volgens 't voorsz: berigt, dat de kolombosche mahamodliaer te Mature een verstand houding met de misnoegde volken gehad had, dog om eenig geloof te geeven aan 't verhael van een man van zulk een stempel, teegens iemand, welke staat ter goeder naam en faam, waere't ten minsten noodig geweest om hem te vraagen, waarin die verstandhouding heeft bestaan, om de waarschijnlijkheid van de beschuldiging daaruit te kunnen bereekenen. Madoegodde appoe hadde ook wel behooren te wor= „den gevraegd, waarop utst zijne beschuldiging, dat de mahamooliaen zig van Welligamme Oennanse ten voorsch: einde heeft bediend, en hoe hij dat weet, want 't aanmaenen van deezen priester, om de zaemenrotting zoo veel moogelijk te versterken en niet spoedig tot rust te koomen, en dat hij zig zelfs daartoe vande naem vanden mahamodliaet had durven bedienen, is een bedrijf dat alleen staat ten laste van deezen priester, verondersteld dat 't waar is. De komman„ deur sluijsken schijnt zelfs de swakheid van deeze Aan als vooren deeze beschuldigingen te voelen, wijl hij bij zijn wo brief van den 27: deezer zegd, 't welk (: eene gebuuig „n correspondentie tusschen voorsz: drie Alatureesche m „„liaars met den Mahamodliaer:/: mij toeschijnt m „ goed te zijn, indien men eenigsints kan verondert „ dat de mahamodliaer eenig deel in de mattin „ onlusten gehad heeft. 3: Dat indien het waer zij, dat madoegodde afp wee der een opstand zoekt te verwekken, des „mandeur sluijsken beeter zoude gedaen hebben te Gale te houden, al was het ook dat hij daarm wat mis noegen liet blijken, want hij even daar tot mohandiram van de Gaalsche guarde is a „gesteld, op dat men een billijk motief zoude „ben, om hem uit de Matureesche Dessavoni houden. §: 1: Wij hebben de eer gehad te ontvangen u Hoog Edelh:s zeer geëerde secreete missives van 26. Maij, 18 Junij en 13 Augustus J:o Leeden. §: 2: Nopens de admissie van vreemde oorlog schup of gewaapende manschappen, zullen we onsst „lijk gedraegen, na uwer Hoog Edelheeden onder „meld bij het door uwe Hoog Edelheeden, wat schip Nederlandsch welvaeren, aan ons tag extrakt uijt de Notulen van 't geresolveerde in Raade van Jndie op den 26: 9ber: 1789. en de verdere stukken die uwe Hoog Edelheeden ons op dat onderwer„ hebben toegezonden. Met dit zelfde schip hebben we op dit onderwerp ook ontvangen eene missive vande Heeren Majores, van den 29: April 1789, die we de vrijheid neemen, in kopij uwen Hoog Edel= „heeden hier nevens aan te bieden. I: v: De noodzaekelijkheid om ons van rijst temoeten voorzien, was zoo groot, zoo als we de eere hadden, dat bij onzen eerbiediger sekreeten brief van den 18: Julij 1789. te brenger onder 't oog van uwe Hoog Edel= „heden, dat we daerom, in hoope dat uwe Hoog Edel= „heden koetsiem zouden kunnen in staet stellen, om eenige wissels voor ons te voldoen, dagten toe vlugt daer toe temoogen neemen, zoo we geene andere mid= „delen hadden om ons te resden, en we hoopen dat deeze aangewezene noodzaekelijkheid, ons zal moogen vrij spreeken, dat we ons niet pligt maatig zouden zoeken te gedraegen, naar de rekommandatien en orders, die ons door uwe Hoog Edelheden gezonden worden. §: 4. Jer geleegentheid dat de soeratse Ministers ons toezonden 200. lasten rijst, booden te ons bij hunne brief van den 19:' December 1789, aan, om de aijst, die we mogte noodig hebben, van soeratta aan ons te bezorgen. trad

NL-HaNA_1.04.02_10025_0185 view scan ↗

English

to deliver. We did not foresee that we would be able to obtain rice from Koetsiem, and therefore thought that we might make use of this offer. We hope that this explanation will absolve us before Your High Nobilities of having had the slightest intention to circumvent, in an indirect manner, the order of Your High Nobilities, whereby it was forbidden to us to draw bills on Coeratta. The suspicion under which we seem to have been brought before Your High Nobilities hereby, that we execute our projects with too much passion and haste, grieves us deeply. The necessity of having to push forward the cinnamon work if the Company is to have the required quantity of cinnamon in the long run, we have had the honor to bring to the attention of Your High Nobilities on several occasions. In this work, let it be said with deep respect, no passion or haste has driven us, but solely the great weight of the matter, which we consider to be of so much importance to the well-being of the Society that we believed we had to employ all possible means for it; and with all that, we have work enough to secure a moderate quantity of cinnamon. Section 5. The grains provided for other purposes, such as the planting of pepper and coffee, are inherently of little or no importance. We shall nevertheless let the very respected recommendation of Your High Nobilities serve as our dutiful guide and shall, in accordance therewith, handle the grains as sparingly as is at all possible. Section 6. Of the authorization from Your High Nobilities to use such means as may serve to provide ourselves with the absolutely necessary rice in case we could not obtain it in any other manner, even though they might not agree with the earlier orders of Your High Nobilities, we shall make use according to absolute necessity and possibility, although we do not think that much benefit can be drawn from it for this year. We hope, therefore, that the ministers of Soerakarta will be able to make it possible to provide us with some rice. Section 7. In accordance with the order of Your High Nobilities, we have had the contract with the English merchant Williams Hollings cancelled. If this could have remained in effect, the 30,000 Star Pagodas which we were to receive in the month of November would have been of great service to keep the linen trade going, and this would now, with the change in the disturbed English government in the Nabob's lands, have been doubly welcome. Section 8. We cannot yet determine with certainty whether we will be able to deliver the requested 400 bales of cinnamon for Batavia. If it is at all possible, we will do so. Section 9. We shall comply as far as possible with the recommendation of Your High Nobilities regarding the execution of the request by Lord Cornwallis, Governor-General in Bengal. Section 10. In continuation of our respectful secret letter of August 27 of last year, we have the honor to inform Your High Nobilities that continuously everything is peaceful in this Government, and that the Court of Kandia has recently, as a token of its goodwill, granted permission to peel cinnamon on the other side of the river of Maoje, belonging among the so-called forbidden places. Section 11. In accordance with our decisions taken by secret resolution of August 12 and 21 of last year, of which a copy was sent to Your High Nobilities along with our aforementioned secret letter, and further copies are dispatched herewith, we have written on December 17 last to the Gale Commander Sluijsken the separate letter which we have the honor to present herewith in copy to Your High Nobilities. We take the liberty to refer most respectfully thereto, and remark primarily from it: Section 12. That regarding his statement made in his separate letter of August 5, which is inserted in our aforementioned secret resolution of August 12, namely that it could easily happen that something was included in his secret report inserted in the aforementioned resolution that would not entirely satisfy a favorable consideration thereof, and that honor, duty, and the prestige of his public character require of him that he say at least something regarding his sensitivity concerning insults endured, slights, and misplaced mistrusted conceived against him: we have ordered the said Commander to declare himself further, clearly and directly: 1. Whom he has in mind, to whom or which persons it may be known that something included in this secret report of his would not entirely satisfy a favorable consideration thereof, and of which nevertheless honor, duty, and the prestige of his public character require that he say at least something concerning the insult endured; to

Dutch transcription

te bezorgen. we voorzaegen niet, dat we voor rijst van koetsiem zouden kunnen krijgen, en wede dus, dat we van deeze aanbieding gebruik mogt maaken. Deeze aanwijzing hoopen we, dat ons bij uwe Hoog Edelheeden zal wrijsp reeken, dat weken „ste intentie zouden gehad hebben, daer meede op een indirecte wijze te willen illudeeren de order van Hoog Edelheeden, waer bij het ons verbooden is, oms „sels op Coeratta te trekken De verdenking waa „den wij bij uwe Hoog Edelh: hier door schijnen to gebragt, dat we met te veel drift en verhaallig onze projecten uit voeren, doet ons heel leed. Dew „kelijkheid van 't kanneel werk te moeten doort zoo de komp: op den duur de nodige quantiteit „neel hebben zal, hebben we bij verscheijde geleepent „den, de eer gehad, te brengen onder 't oog van uw Hoog Edelheden. Jn dit werk heeft geendaift verhaasting, 't zij met diepe eerbied gezegt m alleen het groot geargt der zaek, ons bestiend, welk we denken te weezen van zoo veel belang„ het wel zijn der maatschappij, dat we gemen „ben, alle mogelijke middelen daer toe te werk moeten stellen, en met dat alles hebben w werk genoeg, een tamelijke hoeveelheid v kanneel tebezorgen. I: 5: De graanen tot andere eindens, als is het ae „ten van peeper en koffij verstrekt, zijn en „lijk van dien van wijnig of geen belang. We zullen „niet temin uwe Hoog Edeleden zeer geeerbiedigde aanbeveeling, ons tot schuldig narigt laaten ver= „strekken, en zullen over eenkomstig daer meede, zoo zuinig met de graanen omgaen, als dat eenigzints moogelijk is. I: C: Van uw Hoog Edelheeden qualifikatie, om inge= „val dat we ons van de volstrekt noodige rijst op geen andere wijze konden voorzien zoodanige mid„ „delen te moogen gebruiken, als daer toe kunnen strekken, schoon ze ook niet mogten strooken met uwer= Hoog Edelh: vroeger beveele, zullen we, nadat het volstrekt noodig en moogelijk is, gebruik maa= „ken, schoon we niet denken, dat daer van voor dit Jaar veel partij zal kunnen wierden getrokken. we hoopen dus, dat de soekatsche Ministers het zullen kunnen mogelijk maeken, om ons van wat rijst te voorzien. I: J: We hebben over een komstig met uwer Hoog Edelh: order, 't kontrakt met den Engelschen koopman Williams Hollings doen opzeggen, zoo dit hadde moogen stand houden, zouden de 30'000: sterre pa- „gooden, die we in de maand November stonden te ontvangen, van groote dienst geweest zijn, om den lijnwaat handel gaende te houden, en dit zoude tans met de verandering der in= „geroerde Engelsche Regeering in 's Nababs lan= „der „den, dubbeld wel gekoomen zijn. I: 8: We kunnen nog niet met zeekerheid bestemmen of wede gevraegde 400. baelen kanneel voor B „tavia zullen kunnen bezorgen. zoo het eenigzin moogelijk is zullen we het doen. §: 9: Aan uwer Hoog Edelheden rekommandatie „trent de uijt voering van het verzogte door Lord Cornwallis, Goeverneur Generael in Bengp zullen we na mogelijkheid voldoen. §: 10: sen vervolge van onzen eerbiedige secreete v van den 27: Augustus J:o Leeden, hebben we het geme om uwe Hoog Edelh: te bedeelen, dat bij w „duuring in dit Gouvernement alles e kust is en dat het Hof van kandia onlangs te blijk van desselfs welgezintheid heeft verlof gegen om kanneel te mogen schillen aande overkant de rivier van Maoje, gehoorende onder de ze „naemde verboode plaetsen. I: 11: Overeenkomstig onze genoomene besluijten bijf „creete resolutie van den 12. en 21. augusts Jos waer van Copije nevens onzen voorsz: secaaten uwen Hoog Edelh: zijn toegezonden, en nadere kopijen nevens dezen afgaen, hebben we aan deng „schen Commandeur Sluijsken den 17 xber: bat aan geschreeven, de afparte brief, die we de a hebben uwen Hoog Edelh: hiernevens in Cappia aan te beeden. Wij neemen de vrijheid ons daer aan eerbiedigst te gedragen, en merken daer uit hier bij hoofd zakelijk aan. §: 12: Dat we hem nopens zijne gedaene betuijging bij zijn aparte brief van den 5. augustus, die in voorsz: onze secreete resolutie van den 42 augusts g'insereerd is, dat namelijk het ligtelijk zou„ „de kunnen gebeuren, dat iets bij zijn geheim rap= „port, 't welk in de voorszr: resolutie is g'in= „sereerd, was ingenoomen, dat juist niet volkoo= „men aan een genoegelijke bedenking daer over zoude voldoen, en dat eer, pligt en 't aanzien van zijn publiek Caracter van hem vorderd, dat hij ten minste iets zegd wegens zijne gevoe„ „ligheid, wegens aangedaene hoon, klijnagtingen teegens hem verkeerde op gevatte mistrouwens: gem: Commandeur hebben gelast, om zig nader duijdelijk en regt streeks te verklaaren. 1: wie hij in toog heeft, aen wie ofde welke het welkende zijn, dat iets by dit zijn geheir rapport ingenoomen, Juist niet volkoomen aan eene genoegelijke bedenking daer over zoude voldoen, en waek van egter eer, pligt en 't aanzien van zijn publik Caracter vorderd, dat hij ten minsten iets zegd, wegens aangedaand hoon; aante

NL-HaNA_1.04.02_10025_0187 view scan ↗

English

became known to us that he had brought these reports from Kandia. Paragraph 17: That we have requested of the aforementioned Commander a further specification of the new obligations under which the natives have been brought, regarding which he maintains in his secret report that they ought to be discharged, and also what the rewards consist of to which they are entitled, and over the withholding of which they felt aggrieved. Paragraph 18: That we have ordered the aforementioned Commander to carry out a special survey of all the plantations established by the headmen in the Matara Dissavany as soon as circumstances permit, not only to see what measures are necessary for the future for the further promotion of this work, but also to ascertain whether the residents of the Matara Dissavany have as much reason as they claim to complain about the labor they have performed for the native headmen who had committed themselves to certain plantations; regarding which we note here in passing that Don Simon Aratchy, who was one of the loudest shouters against the accepting of such contracts, has since then, according to a private letter written by the Commander of Galle to the Governor on the 3rd of December last, an extract of which is attached hereto, now that he has achieved his purpose, undertaken before Commander Sluysken the establishment of several plantations, from which it clearly appears that these grievances were brought forward by him and other ill-disposed persons merely to achieve their ends. Paragraph 19: That we have furthermore ordered this investigation so that the validity of the residents' complaints might be examined, namely that their own lands and gardens have suffered as a result of these plantations. Paragraph 20: That we have additionally recommended to have investigated accurately the complaint cited in the aforementioned secret report, that in the garden of Kappoegamme four hundred and seventy persons were obliged to work while receiving only a single parra of paddy a month, whereas the former Dissava van Angelbeek has testified that no more than 30 persons have ever worked in this garden. Paragraph 21: That we have ordered Commander Sluysken to have an investigation made with all accuracy into the complaints of the residents regarding the seizing of their cattle when they entered the plantations, and especially also, regarding what appears in his secret report in this matter as a testimony of the free burgher Franchell, to demand of Franchell a statement under oath as to whether he ever received any cattle from the mentioned Dissava van Angelbeek, or through his intervention, whether for the service of the garden, the salt pans, his oil mill, or whatever else it might be, and that he must specifically state therein: 1. How he came by the cattle that were found in the said garden or in the oil mill, and which, according to the aforementioned secret report, were returned to the owners. 2. For what reason he appealed to the testimony of the Dissava van Angelbeek, claiming that the latter knew that he had duly paid for the aforementioned cattle, or had obtained them in a proper manner, insofar as it concerned him personally; whereas the said van Angelbeek testifies that he never meddled in helping him to cattle in any way, other than granting him permission, as to all other residents who requested it, to purchase some animals in the country for his business. Paragraph 22: That we have asked the opinion of Commander Sluysken whether it would not be feasible to grant to each of those in the Matara Dissavany who declare that they are not satisfied with the accommodation land they currently possess, for example, four parras of paddy for each month that they are employed by the Company according to their obligation, and that in return the accommodation lands with which they are dissatisfied be revoked for the Company; and whether this arrangement could not even be introduced throughout the entire Matara Dissavany. Paragraph 23: That we have also asked his opinion whether, in order to prevent all reasons for complaining about this in the future, it might not be feasible that henceforth only the obliged goy-naindes be used to cultivate the Company's lands, in the manner that they have been obliged of old and have always done until now, and that furthermore no others be used for this work except those who are inclined to do so of their own free will and on such terms as can best be agreed upon with them, just and in the same manner as is the custom among private individuals who have lands that they have cultivated by others. Paragraph 24: That we have likewise asked the opinion of the said Commander whether, in order to [illegible] the complaints

Dutch transcription

ons bekend wierde, dat hij deeze berigten uit Kandia gebragt had. I: 17: Dat ove van voorm: Commandeur nader aanweijzing hebben, gevraagd van de nieuwe v „pligtinge, waer onder de inlanderen zijn ge „bragt, waer van hij bij zijn geheim Rassort „tineerd, dat ze zouden dienen te worden ontslag„ en ook waer in bestaen de belooningen, waerto ge wethigd zijn, en over welke onthouding zijde hade bezwaard. §: 18: Dat wE meerm: Commandeur hebben gelast me speciaale opneem van alle de door de hoofden ged aanplantingen in de materesche Dessavonij te bo doen, zodra de omstandigheeden het zullen kunnen ge niet alleen om te kunnen zien, wat maatregelen is voor den aanstaende notig zyn, ter verdere bevorde van dit werk, maar ook ter ontwaaring offe „zeetenen vande Matureesche Dessaronij; zoo groot „denen hebben, als ze voorgeeven om zig te beklaagen on den arbeid, die ze gedaen hebben voor de inlandsche poo die zig tot eenige aanplantingen hadden verbonden, waeromtrent we hier in het voorbij gaan aanm „ke dat Don Simon Araatje die een der gwt schreeuwers geweest is overbiergelijke aanneeming brief dar zig zeedert volgens een partikuliere Commandeur van Gale aan den Gouverneur geschreeven E den 3. xber: Jongsleeden, waer van een Extracht hier „nevens gaet, nu dat wij zijn oogmerk berijkt heeft, bij den Commandeur sluijsken heeft op zig genoomen het doen van verscheide aanplantingen waer uitklaar= „lijk blijkt, dat deeze bezwaarnissen door hem en andere kwaadwillige allee zijn in het midden gebragt om hunne oogmerken te berijken. §:o 19. Dat we dit onderzoek voorts hebben bevoolen ten inde daerbij zoude worden nagegaende gegrondheid vander ingezeetene klagten, dat hunne eijge landerije, en tuinen bij deeze aanplantingen zijn komen te leijden. §: 28: Dat we daer bij nog hebben aanbevoolen, om exact te laaten onderzoeken de bij 't voorsz: geheim Rap= „port aangehaelde klagte, dat is de thuin van kappoegam„ „me vierhonderd zeventig koffen, onder 't genot slegts van een enkelde parra nelij 'smaands, hebben moeten arbeijden, wijl de geweezene Dessare van Angelbeek heeft betuigd, dat in deeze tuijn nooit meer dan 30. koppen hebben gewerkt. §: 21: Dat we den Commandeur sluijsken gelast hebben, om met alle naeuwkeurigheid te laaten onderzoeken na de klagten der ingezeetenen, over 't op vatten hunnen koebeesten; wanneer ze in de plantagien quamen, en speciaalijk ook, om nopens 't gen deezen aangaende bij zijn ge= „heim Comman „heim rapport, als eene betuijging van den vrij hem „man Franchell voorkomt van Franchell: te waar eene verklaaring onder eede, of hij immer van den get: Dessara van Angelbeek, of door des zelfs i „ling, eenige krebeesten ontvangen heeft, het zij dienste van de tuijn, Jall arme, zijne olijme of wat anders het ook zoude moogen zijn, end hij daer bij speciaal zal moeten opgeeven. 1: Hoe hij gekoomen is aan de koebeesten, die in de wo tuijn of in de olij moole gevonden zijn, en die vol 't voorsz: geheim rapport, aan de eijgenaers zijnt „rug gegeeven. 2. om wat reeden hij zig op het getuijgenis van den Dessave van Angelbeek beroepen heeft, dat deeze zoude weeten, dat hij de voorsz: kolbeesten behoorlig hadde betaeld, of daer aan op eene betamelijke wijl zoo reple hem perzoneel aangaet, gekoome wijl gem: van Angelbeek betuigd, zig nim te hebben bemoeid, met hem of eeniger hande wijze aan koebeesten te helpen, dan met aan gelijk aan alle andere Jngezeetenen, die daar verzogt hebben verlof te geeven om eenige beestej 't land te mogen inkoopen tot zijn bedrijf. §: 22: Dat we de consideratie van den Commandeard sluijsken hebben gevraagd, of 't niet zoude t „nen aangaen, om aan een elk der geenen in de Mattwreeshe Dessavonij, die verklaaren niet te vreeden te zijn met 't accomodessen, dat ze tans be„ „zitten, toete leggen by voorbeeld vier paraas nelij voor elke maand, dat ze volgens hunne verplig= „ting bij de Comp: worden g'employjeerd, en dat daer en teege de accomodessaris waermeede ze niet te vreeden zijn, voorde Comp: worden ingetrokken; en of zelfs deeze schikking niet door de geheele Mate „resche Dessavonij konde worden en gevoerd. §: 23: Dat we ook deszelfs Consideratien hebben gevraagd, of't, om in 't vervolg te voorkoomen alle redenen van klaegen daer over, niet zoude kunnen aan= „gaen, dat voortaen alleen de verpligte gooij=-naindes wierden gebruikt, tot het beaarbeijden van 's Comp=s Landen, op die voet als se dat van ouds verpligt zijn, en tot nog toe altoos hebben gedaen, en dat voorts geene andere tot dit werk worden gebruikt, den zulke die geneijgd zijn dat uit vrije wil, en zo als men zig daer over met hun best ver= „staen kan, te doen, even en zodanig, als dat de gewoonte is onder particulieren, die eenige Landen hebben die ze door andere laeten bewerken. §: 24: Dat we insgelijks, de consideratie van gem: Commandeur hebben gevraegd, of het om de klagten ija

NL-HaNA_1.04.02_10025_0189 view scan ↗

English

complaints of the vidaans and majoraals in the Maturese Dessavony to cut off all at once whether it would not be better, in order to relieve them for the future from supplying pehindoes and addekols, and that in return for the Company the mohandiram which they enjoy be revoked, to be farmed out either separately or under the usual duties, and in order to pay in money for all servants travelling in the Company's service, to whom up to now adoekols and pahindoes have been provided according to the custom of the country, the value thereof. Paragraph 25: We have not yet received an answer to our letter from the Commander Sluijsken, although it was already promised to us by the secret letter from Galle of the 2nd of this month. Paragraph 26: The inquiry that we intended to conduct regarding the suspicions of the Galle Commander Sluijske against the Maturese native chiefs has not yet been able to make any progress. For this reason, the inquiry regarding what he, according to the explanation in his letter of the 27th of August last, alleged to the charge of the Mahamodliaar of the Governor's Gate, has also remained suspended until now, because these inquiries simultaneously Paragraph 27: From his aforesaid separate letter of the 27th of August, which we had the honour to send to Your High Mightinesses alongside our aforesaid secret letter, it appears, as we have already briefly indicated in our said secret letter, that notwithstanding our notification by letter of the 7th prior thereto, to examine Madoegodde Appoe further regarding his accusation against the native chiefs, he having now been appointed as Mohandiram of the Galle Guard upon the Commander's proposal, he had then already returned a few days before to the Maturese Dessavony, and that Don Simon Arraetje, who has likewise been a great troublemaker, as appears from our aforesaid respectful report, had likewise gone back to Mature a few days before. With these two in particular, the inquiry into how far the suspicions of Commander Sluijken against the aforementioned native chiefs are well-founded ought to have begun. Paragraph 28: From the question of Commander Sluijsken, in the aforementioned letter of the 27th of August, whether we approved of his having them return to make statements, we could only think that Maboegodde Appoe, as well as Don Simon Arraetje, who is mentioned with him in this letter in the same breath, must have obtained permission from Commander Sluijsken to be allowed to return to Mature. Paragraph 29: We could not reconcile this with what Commander Sluijsken had written to us in his earlier letter about the necessity of removing Madoegodde Appoe from the Maturese Dessavony, and on account of which necessity the Commander himself had judged that, in order to satisfy him, he should be appointed Mohandiram of the Galle Guard. Nevertheless, we found it precarious to recall both him and Don Simon Arraetje immediately, in fear that it might inspire sinister thoughts in these two notorious troublemakers if, after having received permission to go to Mature, as we thought, they were now immediately recalled. Paragraph 30: Whether Madoegodde Appoe left quietly, or how this happened, has not been communicated to us clearly enough from Galle to be able to report it to Your High Mightinesses, but it is certain that no sooner had he returned to the Maturese Dessavony than he sought to cause unrest anew, in which, however, he failed. Paragraph 31: Upon further reports, we have been informed regarding him that after his departure from Galle, the Commander wrote to him the ola, a copy of which is enclosed herewith, and that Commander Sluijske only on the 28th of August wrote about this to the Dessave of Mature the letter which also accompanies this as copy number 3, stating in substance that the Dessave Raket should have him called to him, and that if he did not come, such means should be employed against him as should be deemed most suitable to seize his person. Paragraph 32: As soon as, in consequence of this writing, active means were employed by the Dessave, who up to this point seems to have been ignorant of the Commander's intention, to get him into hands again, he escaped and went off to the King's country. He since passed through Roeanelle on the 19th of September, taking the road to Kandia, and returned there on the 25th or 26th, saying, according to the incoming report, that he intended to go to Sattergam; if he may indeed have actually been in Kandia, it is evident that he cannot have stayed there long. Paragraph 33: Since then he has had the audacity to come into the Maturese Dessavony again, where he stayed for several days, and sought anew to make attempts at conspiracies, which nevertheless, like the previous time, failed him, because to

Dutch transcription

„klagten van de vidaens en Majoraals in de „tu reesche Dessavonij op een mael aftesnijken niet beeter meere, om hun voor den aanstand te ontslaen van het opbrengen van pehindoes en addekols, en dat daer en teegen voor de Comp: „den ingetrokken de holandiram, die ze geniet om te worden verpagt het zij afzonderlijke, da wel onder de gewoone pregten, en om daere ti den alle dienaeren, die in 'sComp:s diensten reijzen aan dewelke tot hier toe naer 'slants gesch adoekols en pahindoes verstrekt zijn, het b daer van te betaelen in geld. §: 25: We hebben van den Commandeur sluijsken op o onze brief nog geen antwoord ontvangen, schoornt ons reeds belooft is bij gaalsche secreeten brief den 2e dezer. §: 26: Het onderzoek dat we voorgenoomen hebben te doen, nopens de verdenkingen van de galsche Com „mandeer sluijske, tegen de Matureesche in lant hoofden, heeft tot nog geen voortgang kunnen Hierom is ook tot nog toe uitgesteld gebleeven onderzoek, nopens het geen hij volgens de exfl „tie bij zijn brief van den 27: aug:s J: L: , te laste den Mlahamodliaer van 's Gouverneure porte garanceerd, om dat die onderzoeken, glijk tijt §: 27: Bij zijn voorsz: aparte brief van den 27: Augustus, die we de eer gehad hebben uwen Hoog edelheeden nevens onsen voorsz: secreeten brief te zenden, blijkt, zoo als we dat reeds bij gem: onsen secreeten brief kortelijk hebben aange= „weesen, dat niet tegenstaende onse aanschrijving bij brief van den 7: daar te vooren, om Madoegodde afpoe, nu op 'scommandeurs voorbragt, aangesteld tot Mo= „handiram van de gaalsche guarde nader tehooren op zijne beschuldiging tegen de inlandsche hoofden, hij toen reets een paar dagen geleeden na de Mlatureesche Dessavonij was terug gekeerd, en dat ook Don Simon Arraetje, die meede een groote oproekmaaken geweest is, zoo als dat uit onsen voorschr: eerbiedigen blijkt, insgelijks een pack daegen te vooren na Ma= „ture was terug gegaen. Met deeze twee inzon= „derheid zoude 't onderzoek, in hoe verre de verde= „kingen vanden Commandeur sluijken tegens de voorm: inlandsche hoofden gegrond zijn, hebben moe= „ten beginnen. §: 28: Uijt de vraag van den Commandeur sluijsken, bij voorm: brief van den 27: augustus, of we goedvonden dat hij ze zoude laeten terug koomen, om verklaaringen telaeten doen, dagten we niet anders, dan dat Maboegodde appoe, zoo wel, als Don Simon Arraetje, die met hem bij deezen brief als ij eenen adem genoemd word, „den moeten van der Commandeurse sluijsken verlops habde gera „gen; om na Mature temoogen terug gaen. §: 29. We konden dit wel niet, overeenbrengen met het gende Commandeur Cluijsten, ons bij zijne vroeger bin hadde geschreeven, over de noodzaekelijkheid, om M doe godde afsoe uit de Maticreesje Dessavonij teb en uit hoofde van welke noodzaeke lijkheid hij „mandeur zelve hadde geoordeeld, dat hij om hem te voldoen tot Mohandiram van de Gaalschepe „de moest worden aangesteld. Niet te min vonden n het bedenkelijk, om zoo wel hem, als don simon Arvaetsse, nu aanstonds te laeten terug roeken, in't bedugting dat het deeze twee bekende kwaar „doenders erge gedagten mogte inspireeren, wanneer ze na verlop te hebben ontfangen om na Matur te gaan, gelijk we dagten, nu aanstonds wierten te geroepen. §: 30. op Madoe goede appoe stil is weggegae, dan w hoe dit geschied zij, is ons niet duijdelijk genoeg Gale bedeeld, om dat uwen hoog Edelheeden te kunnen wrigten, dog vast gaet het, dat hij zoo bra niet in d Matureesche Dessavonij was terug gekoomen, of heeft op nieuw onrust zoeken te stigten, het gea hem echter is mislukt. §31: Bij nadere berigten is ons wegens hem bedeeld, a na zijn vertrek van Gale, de Commandeur aen hem heeft geschreeven de ola, die hier nevens is copij legd, en dat de Commandeur sluijske eerst der 28: augustus daer over aan den Dessare van Mature geschreeven heeft de brief, die nog 3 Copij hiernevens gaet, houdende hoofd zaekelijk, dat de Dessare Raket hem moeste laeten bij zig roepen, en dat zoo hij niet kwam, tegen hem moest worden tewerk gesteld zoda= „nige middelen, als bekwaemst zouden worden ge= „oordeeld, om zig van zijn perzoon meester temaeken §: 32: zoodra er ingevolge van dit schrijven door de Dessave die tot hier toe van 's kommandeurs intentie schijnt onkundig te zijn geweest, daedelijke middelen zyjn te werk gesteld, om hem weder in handen te krijgen, is hij het ontsnapten getrokken na 's konings land. Hij is zedert op den 19:' September te Roeanelle ge= „passeerd, de weg op gaende na kandia, en is den 25: of 26. daar terug gekoomen, zeggende, volgens 't inge¬ „koomen berigt, dat hij voorneemens was te gaen na Sattergam, zoo hij ook werkelijk in kandia mogte geweest zijn, is het blijkbaar, dat hij daer niet lang ken hebben vertoefd. §: 33: zeedert heeft hij de stoutheid gehad om weder in de Matureesche Dessavonij te koomen, daar hij zig ver= „scheide dagen heeft op gehouden, en op nieuw aanslaegen heeft zoeke te maaken tot zamenrottingen, die hem nogtand gelyk de voorgaende keer zijn mislustt, wijl aan

NL-HaNA_1.04.02_10025_0191 view scan ↗

English

because he was unable to find anyone willing to harness themselves to his cause anew, and although a few commandos were sent by the Dessave Raket to fall upon him, he has once again slipped away into the king's land. Madoegodde appoe was on this occasion accompanied by a Badewotka arraetje, who is an inhabitant of the Matara Dessavony, and six others who presented themselves as Kandians, of whom one claimed to be a king's modliaar, according to the report of the Galle servants in their letter of the 5th of this month, a copy of which is attached hereto. Therein the servants made mention not only of the arrangements communicated to them by the Dessave Raket, as having been employed by him to catch these troublemakers, and of the further proposals he made to them for that purpose, but also of the answer they sent to the said Dessave. However, since this reply was framed in such a way that it could bring the said Dessave into notable embarrassment and, in particular, might have given cause for rashness, which on this occasion could have dragged ruinous consequences in its wake, we have pointed this out to the servants in our secret letter of the 8th thereof, which also accompanies this in copy. According to a subsequent secret letter from Galle of the 7th of this month, which likewise goes herewith in copy, the aforementioned Kandian modliaar was found to be an inhabitant of Mature who fled to Kandia several years ago because of a committed theft, and now gave himself out to be a king's modliaar. Section 25. We do not think that Madoegodde appoe will be in any state to do the least further harm; nevertheless, it would have been desirable that Commander Sluijsken had not allowed him to depart from Gale, or that, if he made off quietly, speedier and more efficacious means could have been employed to overtake him than appears to have been done, and that at least now, for the second time, sufficient care could have been taken to get him into hands. We will have it investigated further where this fell short and inform your High Excellencies. Section 36. In the address of the retired Galle resident Kraijenhoff, which was submitted by him in response to the appeal made against him by the former Matara Dessave van Angelbeek concerning his conduct maintained in the Matara Dessavony, and of which we sent a copy to your High Excellencies together with our secret letter of the 27th of August last, the said Kraijenhoff has among other things advanced that the uprisings in the Matara Dessavony, besides the causes specially mentioned in the aforementioned address, could further attribute their other circumstances to many, yet mostly accidental and strongly contributing causes, concerning which he did not judge himself authorized to declare, because neither the request of the aforementioned Angelbeek nor our resolution stated or indicated anything about them. We therefore, and in order not to neglect anything that could give any light on the cause and progress of the Matara disturbances, requested a further declaration from him by resolution of the 21st of September, and he has submitted in response the address that still accompanies this in copy under the letters, to which we humbly request to refer briefly. Section 37. The chief of Tutukorijn has given notice by secret letter of the 6th of September that the English Government at Madras had made itself master of the entire kingdom of Karnatika and placed itself in full possession thereof. The new English regent, Mr. Benjamin Torin, gave notice to him by letter of the 2nd of September that the Government of Madras, by order of the General Government in Bengal, had judged it necessary to introduce the administration of the English Company into the lands of the Nabab, and that he had been appointed superintendent of all the revenues, etc., and that the agent of the Nabab had already declared on the 30th of August that, by the measures of the Government of Madras, he no longer considered himself authorized to meddle in any affairs concerning the Nabab, requesting our orders as to how he should conduct himself during this change of government, and whether affairs concerning the Nabab should henceforth be dealt with through the English government. Section 38. We deliberated on this in our meeting of the 10th of September. Chief Mekern had already noted that, after the manner in which the English government was introduced into the Nabab's lands, it will in any case amount to the same in its consequences as if they had completely appropriated the lands to themselves, although otherwise the description of Mr. Torin signifies much less; and one seemed the less permitted to doubt this, as the Nabab's agent had already declared on the 30th of August that he, by the measures of the English government

Dutch transcription

wijl hij niemand heeft kunnen vinden, die hem op nieuw heeft willen aanspannen, en is hi dat door den Dessave Raket een paer klijke „mandos gezonden zijn om hem op tevallen, het„ „dermaal weder ontslipt naar 's konings lan„ I: H: Madoegodde afpoe was bij deeze geleegendheed verzeld: van eenen Badewotka arraetje, die een „gezeetene van de Mattireesche Dessavonij is, v nog ses die zig uitgaven voor kandianen, en waw een zig: uitgaf voor een konings modliaed, 't berigt van de Gaalsche bedienden bij hunn, hoo „ten brief van den 5. deezer, die in Copij hiernevensp en waerbij de bedienden niet alleen melding van van de schikkingen die de Dessave Raket hun had bedeeld, door hem te zijn te werk gesteld om deeze roervinken te knippen, en van de voorstell die hij ten dien einde verder aan hun had, gedaen, ook van 't antwoord dat ze daer op aangemelde „save hadden gezonden; dan wijl dit antwoord z „nig was ingerigt, dat het gemelden Dessave merkelijke verleegentheid konde brengen, m „derheid aanleijding konde gegeeven hebben tot bu „teloosheid, die ter deezer geleegentheid verdervel gevolgen konde hebben na zig gesleept, hebben wedrt bedienden aan geweezen bij onzen secreeten brief „ den 8: daer vaandie meede deeszen 1n Costa ven volgens eene nadere gaalsche secreete brief van den 7:' deezer die insgelijks hiernevens in copij gaet, was de voorschr: kandiasche modlraen bevonden te zijn een inwooned van Mature, die voor eenige Caeren over een gepleegde dieffs tal na kandia gevlugt is, en zig nu uitgaf: voor een konings modliaer. §: 25. we denken wel niet, dat Madoegodde appoe instaet zal zyn om 't minste kwaad verder te doen niet te min waare het wel te wenschen geweest, dat de Commandeur sluijsken hem niet van Gale hadde laeten vertrekken, of dat zoo hij zig stil heeft wegge= „pakt, er spoediger en meer efficacieuse middelen hadde kunnen worden tewerk gesteld, om hem te ag= „terhaalen, als blijkt te zijn geschied, en dat ten minsten nu voor de tweede maal toerijken der zorge hadde kunnen worden gedrage, om hem i handen te krijgen. waer aan dit heeft gehaaperd, zullen we nader laa= „te onderzoeken en uwen hoog edelheden bedeelen. §: 36. Bij 't addres van den afgegaanen gaalsch gezaghebber kraijenhoff 't welk door hem is ingediend op 't beroep door den gew: matiereesche Dessave van Angel= „beek op hem gedaan, wegens zijn gehouden gedrag in de Matureesche Dessavonie, en waer van we Copij aan uwe hoog edelheden hebben gezonden, nevens onse secreeten brief van den 27: augutstus J: Leeden volgens F /:o Leeden heeft gemelde kraijenhoff onder ander„ „avanceert, dat de opschuldingen inde Matursse Dessavonie, behalven de bij voorsz: addies special genoemde aanlijdingen, verders hunne andere „standigheeden aan veele, dog meest toevallige, en zeer meede werkende oorzoeken konden toegeschre worden over welke hy zig niet bevoegd oordeelde bij leverklaaren, om dat 't verzoek van voorm Angelbeek, nog ons besluit, niets daer vaar „stelden of aanduijden we hebben daerom en ten einse niets te verzuimen het geen eenige op heldering de oorzaek en voortgang der Mattireesche onluste „de geeven bij resolutie van den 21. September aen mes verklaring van hem gevraagt, en heeft hij w op gediend 't addaes, dat nog in Copij onder de bo gaet, en waer aan wij verzoeken ons kort teiff h nedrig te mogen refereeren. §: 37: Het opperhoofd van Tutukorijn heeft bij secret van den 6. Zeptember kennis gegeven, dat het Enge Gouvernement te Madras zig van het geh rijk van karnatika had meester geween en in het volle bezit daer van gesteld: de nieuwe Engelsche regent de heer Benjam Torin aan hem bij brief van den 2. September kennis gegeeven dat 't Goevernement van M „dras uit last van 't generaele Goevernement in Bengalen het noodzaekelijk had g'oordeeld, om in de Landen van den Nabab de administraatsie van de Engelsche kompenie inte voeren, en dat hij be= „noemd was tot superintendent van alle de revenuen enz: en dat de agent van den Nabab reets den 30. alig:s had verklaerd dat hij „ door de maat= „regelen van 't Goevernement van Madras, zig niet meer bevoegd achte, om zig in eenige zaaken den Nabab betreffende in te laeten verzoekende onze bevelen hoe hij zig bij deeze verandering van Regeering zoude gedraegen, en op de zaeken den Nabab betreeffende voortaan zoud en behandeld wor= „den met de Engelsche Regeering. §: 38: Wij hebben hier over i onze vergadering van den 10. Septemb: geraadpleegd. T' opperhoofd: Me= „kern had reeds aangemerkt, dat na de weize waerop de Engelsche Regeering in 's Nababs lan „den is ingevoerd, het in allen gevalle op het zelve zal uitkomen in de gevolgen, als of ze zig de landen vol= „komen hadden toegeeigent, schoon anders de beschrij= „ving van den heer Torin veel minder betekent, en hier aan scheen men te minder te mogen twijffelen, wijl 'se Nababs agent reets den 30. aug=s verklaerd had, dat hij door de maatregelen van het Engelsche Goe= vernement

NL-HaNA_1.04.02_10025_0193 view scan ↗

English

government no longer deemed itself authorized to engage in any matters with us; since also the regent of the Nabab immediately after the transfer of the lands had been placed under arrest, and since by publication on behalf of the English Government, of which a copy has since been sent to us, it had been made known throughout the entire country that the Government of Madras had judged it necessary to take over the lands of the Carnatic against the [illegible]. §: 39. We thought, however, that we must have greater certainty regarding the posture into which affairs had been brought by this, particularly whether the English Company should henceforth be regarded as Nabab of the Carnatic, and whether this arrangement was only provisional or whether the intention thereof was to make it permanent. We therefore decided to recommend to the Chief Mekern, who is acquainted with the new English Regent, Mr. Torin, to pay a visit to the said Mr. Torin at Tirunelveli and to confer with him orally on all these matters; and if he found matters subsequently suitable to be able to deal with him officially, such that we no longer have to deal with the Nabab, at least that for the present we must consider the English Company as the de facto Lord of the Principality of Madura, and paramount Lord of the Marava lands, then to begin conferring with him concerning the inspection of the pearl banks and concerning the chank diving. We further left it to the Chief Mekern, if he deemed the opportunity suitable, to give Mr. Torin immediately full disclosure of our rights and privileges on the Madura and Marava coasts and of our transactions with the Nabab concluded in the contracts with Messrs. Dott and Buchanan, adding that in the latest treaty great sacrifices were made in order to avoid the threatening language which Mr. Buchanan, in his negotiations with us by order of his master, employed, and that it was trusted that through the reasonable arrangements of the English Government affairs could be restored to the state in which they formerly were; with further instructions that as long as any doubts might remain that affairs might later return to their previous posture, it must be very carefully avoided that any just reasons be given to the Nabab to complain later about our actions. Company F: 10. 2 §: 40. The Chief Mekern has further informed us in his letter of the 3rd of this month that, in fulfillment of our purpose, he had paid a visit to Tirunelveli, and that he had considered this all the more necessary because the Nabab's agent had privately informed him that the Nabab had sent an embassy to the English Governor General in Bengal, whereupon everything might easily be reversed and the Nabab maintained in the Government of his lands; that he had had an interview with the Nabab's agent and asked him directly whether he, on behalf of the Nabab, would proceed with us to the leasing of the chank diving and the inspection of the pearl banks, but that he had replied that in his letter of the 2nd of August he had clearly stated that he would enter into no further transaction of business, and that to the question whether any orders had been given to him by the Nabab, he answered no, that ministerially he had not the least orders from the Nabab, but that he had made publicly known at the [illegible] of Madras that the English Government had devised a plan to take over the administration of the lands, that he had seen the same carried into execution and heard that it was published that all inhabitants henceforth had to obey the English Company, that he thought he could not nor was permitted to oppose these measures, and thus further declared that he deemed himself unauthorized to enter into any measures with us on behalf of the Nabab. §: 41. The Chief Mekern further informed in the said letter that he had also had an interview with the new Superintendent, Mr. Torin, and requested from him some explanation of his letter in which he had stated that the Government of Madras had introduced the English administration into the Nabab's lands, and to declare himself on these two questions: 1. Whether the English Company now considered itself to be full Master of the Kingdom of the Carnatic, and if not, whether, in the second place, Mr. Torin could show him proof from the Nabab whereby he consented to the administration of the English Company over his lands; and that Mr. Torin thereupon had declared frankly that they had placed themselves in possession of his Lands against the will of the Nabab, and that they had even had to use force in some places, but that this had not occurred with the

Dutch transcription

„vernement zig niet meer bevoegd agte, om zn eenige zaeken met ons in te laeten; wijl ook ve „regent van den Nabab straks na de overgang„ de landen was in arrest genoomen, en wijl bij publicaatsie van wegens het Engelsche Goekerna waer van ons sederd een afschrift is toegezonden door het geheele land was bekend gemaekt, dat de„ „geering van Madras het noodzaekelijk gesorde had om d' landen van karnatika tegen de genort na zig te neemen. §: 39. We meenden egter meerder verzekering te met hebben van den plooij waer in de zaeken hier door wan gebragt, inzonderheid of men de Engelsche kompe voor den aanstaende zoude moeten aanzien als Nababa karnatika, en of deeze schikking alleen was pron „neel dan of het voorneemen daer van ware, om bestendig te doen zyn. wij hebben derhalven beslao 't opperhoofd Mekern, die met den nieuwen Engelschen Regent den Heer Jorin bekend aan te beveelen om bij gemelden Heer Torin aen visite te Tirne velli af te leggen, en denzelven alle deeze zaeken mondeling te onderhouden, en „dien hij de zaeken daerna geschikt vond om hem officieel te kunnen handelen, zo dat we den Nabab niet meer te doen hebben, ten min dat we voor het tegenwoordige de Engelis kompenie moeten houden als Heer met derdaed van het vorstendom Madure, en opperleenheer van de Marruasche landen, als dan te beginnen met hem te onderhouden over de visitaatsie van de paerlban„ „ken en overde sjankoosduijkerij wij hebben voorts aen 't opperhoofd Alekern overgelaeten, om indien hij de gelegendheid daer toe geschikt agte, nu al aanstonds aan den Heer Godin opening te geeven van onze regten en voorregten op de Madureesche en Mar„ „ruascihe kusten en van onze handelingen met den Nabab, bij de kontracten met de Heeren Dot en Jucka nan geslooten, met bij voeging dat bij het laaste traktaet, groote sacrifices gedaen zijn, om te ontwijken de dreigende taal, waer van de Heer Bucka= „nan zig bij zijne handelingen met ons op last van zijn meester heeft bedient, en dat men vertrouwde dat door de reedelijke schikkinge van het Engelsche Goever= „nement de zaeken weder zouden kunnen gebragt wor= „den in den staet, waerin dezelve eertijds waren, met verderen last dat zolange er eenige twijffelingen over blijven mogten, dat de zaeken na deezen weder zouden kunnen komen in den voorigen plooij, zeer voorzigtig moest worden vermijt dat aan den Nabab geen billijke rederen wierden gegeeven, om zig na deeze over onze handelingen te kunnen beklaegen. Komp F: 10. 2 §: 40. 't opperhoofd Alekirn heeft ons hier op bij s brief van den 3:e deezer nader bedeeld, dat hij te „doening aan ons oogmerk eene visite te sitne ve had afgelegt, en dat hij dit te nodiger had geeo wijl 's Nababs agent hem in het partekullen kennis gegeven, dat de Nabab een ambassade aand Engel schen Heer Gouverneur Generael i Bon„ had gezonden, waerop ligtelijk alles omgekeen de Nabab in de Regeering van zijne llanden hou zoude kunnen worden: dat hij een onderhoud m Nababs agent had gehad en denzelven dire tet „vraegd of hij van wlegen den Nabab met ons treden tot de verpagting van de Pjankoos den ende visitaatsie van de paarlbanken maar daarop had geantwoord, dat hij bij zijn brief den 2daugs: zig riets buijdelijk verklaerd dat hij in geene behandeling van zaeke mee treeden, en dat hij op de vraege, of hem dra ordres van den Nabab waren gegeven, geantwo neen, dat hij ministerieel geen de minste on van den Nabab had, maardat hij bij den van Madras publiek had zig bekend m dat het Engelsche Goevernement mit beraemd stad, om de administraatsie va landen na zig te neemen, dat hij dezelve had zier ter uit voer brengen, en gehoord, dat 'er gepubliseerd was, dat alle ingezeetenen voortaen de Engelsche kompenie moesten gehoorzaemen, dat hij meende, zig teegen deer= „ze maatregulen niet te konnen, nog te mogen ver= „zetten, en dus nader verklaerde, zig onbevoegd te agten, om met ons in eenige maat regulen van weegen, den Nabab te treeden. §: 41: Topperhoofd Mekern heeft bij den gemelden brief nader be= „deeld, dat hij ook met den nieuwen Suiperintendant den heer Jarin een onderhoud had gehad, en dezelven verzogt eenige verklaering van zijn brief waer bij hij bedeeld had dat het Goevernement van Madras in 's Nabobs lande de Engelsch administraatste had gein= „troduceerd, en aan zig te verklaaren op deeze twee vraegen. 1: of de Engelsche kompenie tans zig reekende volleedig Meester te weezen van het Rijk van karnatika, en zoo neen, of dan in de tweede plaets de Heer Jorin aan hem konde vertoonen een bewijs van den Na= „bab, waer bij hij bewilligde in de administraatsie van de Engelsche kompenie over zijne landen, en dat de Heer Jorin daer op vrij uit had verklaerd dat zij teegens den wil van den Nabab zig in de possessie van zijne Landen hadden gesteld, en dat zij zelfs op sommige plaetsen geweld hadden moeten gebruiken, dat dit echter niet geschied was met het

NL-HaNA_1.04.02_10025_0195 view scan ↗

English

the intention to deprive the Nabob of his lands, nor to arrogate sovereignty over them, but solely to secure the revenues for the satisfaction of the capital, for the payment of which the Nabob had bound himself, and in which obligation he had fallen into arrears from time to time. That furthermore, the Nabob had until now given no order to his servants in the country to make delivery and transfer to the English, but that this order would probably arrive in a few days; that if the Nabob should remain entirely obstinate in such a case, more detailed orders would be given by the government, according to which they would have to conduct themselves under all circumstances as soon as the answer from Bengal should arrive concerning the embassy which the Nabob had sent to Lord Cornwallis. § 42. Since the inspection of the pearl banks and the leasing of the chank diving could not be postponed past the end of this month without utter disadvantage, resident Mekern requested our further orders, and specifically whether, in case the affairs between the English Company and the Nabob might remain until the end of October in the same state in which they were, the English will have to be invited to the inspection of the pearl bank and to the diving of the chanks, or whether we shall allow the inspection of the pearl banks and the diving of the chanks to proceed alone and without the intervention of the English or of the Nabob. § 43. We have considered this in our meeting of the 9th of this month. 1: That the Nabob has long since been brought by the English into such subjection that the English are effectively masters of the Nabob's lands, and have left nothing more to the Nabob than the administration of his lands, in which he has nevertheless been so restricted that he has been unable to negotiate any matters of importance with us except through the intervention of the English, just as the latest treaty was also concluded under the mediation of the English Governor of Madras; and that there consequently seems to be less objection to entering into dealings with the English, since the Nabob is under the absolute necessity of having to submit to the arrangements made by them in his lands. 2: That the English, who are now in full possession and administration of the Nabob's lands, are the ones to whom we will have to address ourselves upon encountering differences in our dispersed possessions on the Madura coast to claim our privileges, and that we can do this with little propriety without at the same time allowing them, as representing the Nabob, to enjoy the rights that the Nabob has in our territories. 3: That it is not likely that the embassy of the Nabob to Lord Cornwallis will take effect, since General Meadows, who is considered to be the acting cause of the change brought about in the government, has now been elevated to Governor General, and that even if it is supposed that the Nabob effects his restoration in Europe, one will nevertheless, even in this uncertain case, have to deal with the English for a considerable time. § 44. We have therefore resolved to write to resident Mekern to ask the English superintendent for the arrangements that seem most suitable, even if only provisional, so that both the leasing of the chank diving and the inspection of the pearl banks may proceed to mutual satisfaction. We have the honor to enclose herewith the copies of the exchanged letters, from which Your Right Excellencies will further see that this change of government gives a great prospect that all the vexations that took place under the Nabob's government will cease at once, and our privileges will be maintained; but that our right to the exclusive trade, through our continuous lack of money, is in great danger of being lost, since proposals were already made some years ago by the English Company, and attempts were also made, to establish a trading post at Kayalpatnam, the failure of which must be attributed to the contracts made with Messrs. Dot and Buchanan. Resident Mekern has therefore strongly urged for a continuous supply of money as, in his opinion, the only means to maintain us in that right, and although his views on this matter to us

Dutch transcription

het oogmerk om den Nabab van zijne Lande berooven, nog om zig de soevereingheit daer om aantemaatigen, maer alleen om zig te verzeeken van de inkomsten tot voldoening van de kapit „le, tot welker voldoening den Nabeil zig wor had, en in welke verbinte nis bij van tijd tot agterlijk was gebleeven. Dat voorts den Nat tot nu toe geen ordre had gegeven aan zyn dienaeren, in het land om aan de Engelschen na en transport te doen, maar dat deeke order „moedelijk in weinige dagen zoude koomen dat zoo den Nabal geheel mogt halsterrig bla i zulk geval, omstandiger ordres van 't „vernement zouden worden gegeven, waerna zig in alle omstandigheeden zouden moeten bet zoo dra het antwoord van Bengale zoude gekoomen op de ambassade die den Nababa Lord Cornwallis had gezonden. §: 42. Wijl nu de visilaatste van de paarlbank ende verpagting van de TJankoos duijkerigj in het laast van deeze maand zonder u nadeel konde worden uitgesteld, heeft top „hoofd Alekern onze nadere ordres gew en bepaeldelijk, of indie de zaeken tusschen Engelsche kompenie en den Nubab, tot laast van oktober in denzelve staet waerin te waren mogten blijven, de Engel„ „schen zullen moeten worden genodigd tot de visitaat= „sie van de paaalbank en tot de duijkerij van de Pjankoos, dan wel of wij en de visitaatsie der paarlbanken en de duikery der sjankoos alleen en zonder tusschen komst van de Engelschen of van den Nabeb zullen laeten geschieden. §: 13. Wij hebben hier op in onze vergadering van den 9. dezer overwoogen. 1: Dat de Nabub reets lange door de Engelschen tot zulk een onderwerping is gebragt dat de En= „gelschen in effekte meester zijn van 's Nababs landen, en aan den Nabab niets meer hebben overgelaeten als de abministraatsie zijner landen waerin hij egter zodanig is bepaald geweest, dat hij met ons geen zaeken van aanbelang heeft kunnen verhandelen als met tusschenkomst van Engelschen, gelijk ook het laaste traktaet onder de mediaatsie van den Engelschen Goeverneur van Madras is geslooten, en dat er derhalven te minder zwarigheid schijnt te weezen, om ons met de Engelschen in te laeten, wijl de Nabab in de volkstrekte noodzaekelijkheid is, om zig te moeten onderwerpen aan de schikkon= „gen, die door hen in zijne landen worden ge „maekt. T 2: Dat 2: Dat de Engelschen die tans in de volledige „sessie en administraatsie van 's Nababs ta zig bevinden, de geene zijn waer bij wij ons zullen moeten adresseeren bij ontmoetingen m verschillen in onze verspaerde bezittinge op de Madureesche kust emooste previdesieg te d „meeren, en dat wy dit met weijnig graakt „de kunnen doer zonder te gelijker tijd hen als ver „gende den Nabab te doen jouisseeren van der „ten, die de Nabab i onze teractoiren heeft, 3: Dat 't niet waerschijnlijk is dat de Amb „de van den Nabab aan Lord Cornwallis zal uitwerken, wijl de Heer Generael M die voor de werkende oorzaek wordt geh van de gemachte verandering in de Regavri tanis tot Goeverneur Generael is verhe en dat schoon men ook veronderstelt, dat Nabab in Europa zijne herstelling bewert men echter zelfs i dit onzeker geval geruimen tijd met de Engelsche, zal te d hebben. §: 14: wij hebben hierom beslooten 't opperhoofd o aan te schrijven om van den Engelschen sup „tendent te vraagen de schikkingen die het bekwaemst voorkoomen, als waere maar alleen provisioneel, op dat beiden de verhag„ „ting. van de Sjankoosduijkerij en de visitaatsie van de paarlbanken tot wederzeids genoegen geschieden kan wij hebben de eer de kopijen van de gewisselde brieven hier nevens aan te bieden, waer uit uw Hoog Edelheeden verder zullen zien dat deze verandering van Regeering een groot vooruit zigt geeft, dat alle kwellingen die on= „der de Nababs Regeering hebben plaets gehad, op eenmael zullen op houden, en wijn onze pre= „vilesien gehand haefd, maar dat ons regt tot den exclusiven handel door onze ged uure Zaeme geldeloosheid en groot gevaer is, om verlooren te gaen, alzo bij de Engelsche kompenie voor eenige jaeren reets voorslaegen gedaen en ook proeven geno= „men zijn, om een handel kantoor te kail= „patnam op te rigten, waer van de agter blij= „ving moet worden toegeschreeven aan de kon= „trakten die met de Heeren Dot en Buckanan gemaekt zijn 'T opperhoofd Mekern heeft hier om kragtig aangedrongen, om eene gedeure„ „zamen voorraed van geld als na zijn gedag= „te het eenige middel omons in die regt te main„ „tineeren, en hoe wel zijne begrippen in dit stuk ons

NL-HaNA_1.04.02_10025_0197 view scan ↗

English

have appeared to us entirely well-founded, we find ourselves, to our regret, unable to comply with them. Paragraph 45: However, in order to employ all means within our power, we have resolved to authorize the Resident at Tuticorin to negotiate money, if it is to be obtained, at the interest rate of one percent per month, according to our needs, and likewise to make attempts to obtain money from the English upon bills of exchange on the Netherlands, on terms as favorable as can be stipulated here. Paragraph 46: Your High Excellencies will furthermore see from the letter of the 3rd instant that we ordered the directors of the bank at Madras to be notified that the commission assigned to the English merchant William Hollings to provide some money into the said bank on behalf of this Government has been canceled by us again, and that the directors therefore must not accept any money from the said Hollings, but that the Chief Mekern has reported to us that this money would currently come in extraordinarily well, and meanwhile had postponed the recommended notification until our further orders. We have approved this because of the good intention with which it was done, but at the same time ordered that the said notification be issued as soon as possible. Paragraph 47: The Jaffnapatnam servants informed us by their letter of 12 April that, upon the request of the Pulicat ministers to be assisted with 12 artillerymen and some ammunition goods due to the fear of an invasion by the troops of Tipu Sultan into the Carnatic lands, they had resolved to comply with that request; which we approved, as it was not a matter of great importance. Paragraph 48: But since then, the said servants informed us by their letter of 29 May that, upon the further request of the Pulicat ministers for a relief force of 50 European and 50 native soldiers, together with their officers and weapons, they had further resolved to send thither 32 European and 78 native soldiers. Since this was entirely inconvenient—our garrisons being already noticeably weakened by sending men to Batavia and Cochin—and as the servants wrote in addition that they had also resolved to call the burghers to arms to reinforce their own garrison, we disapproved their resolution to send the aforesaid relief force, with orders at the same time not to send any men from their garrison without our special permission. However, when this order of ours arrived in Jaffnapatnam, the aforesaid military forces had already departed, and we thus had to acquiesce in it as a matter already done. We have requested the ministers at Pulicat to send these troops back to Jaffnapatnam as soon as they could spare them, but the ministers answered us by letter of 21 July that the state of affairs on the Coromandel Coast made reinforcements for Pulicat necessary, and since then they have written to us by letter of the 29th that they will send the dispatched troops back to Jaffnapatnam directly as soon as they no longer need them there. We commend Your High Excellencies and the interests of the Company to God's safe keeping and remain with all respect and fidelity. Understood and signed as before. In the margin: Colombo, the [illegible] October Anno 1790. F. I. Papo, Sworn Clerk. Agrees. O. Ad. Lootman Batavia. To His High Excellency, The High Noble, Highly Respected, Widely Ruling Lord, Mr. Willem Arnold Alting, Governor General on behalf of the State of the Free United Netherlands and the General Dutch Chartered East India Company, and The Right Honorable, Severe Lords Councillors of the Dutch Indies. High Noble, Highly Respected, Widely Ruling Lord, and Right Honorable, Severe Lords! The ship De Schelde sailed past here the day before yesterday towards Galle, and we avail ourselves of this opportunity to present to Your High Excellencies the duplicates of our common and secret letters of 27 January and the 7th instant, the originals of which will be conveyed with the ship Vredenburg. We have ordered the servants at Galle to have shipped in De Schelde the coir that Vredenburg might perhaps not have been able to take in, and to dispatch this ship with it at the earliest opportunity.

Dutch transcription

ons alle zints gegrond zijn voorgekoomen, z „vinden wij tot ons leetwee zen ons buite staat daer aan te voldoen. §: 45: wij hebben egter om alle middelen 't werk de „len die in ons vermogen zijn, beslooten de Cedi te Cutu korijn te qualificeeren, om indien te bekoomen is geld te negootsieren tegen den in „trest van een percent 's maands, na mats dit zullen nodig hebben, en om insgelijks prij te doen om bij de Engelschen geld op assil naatsie Nederland te bekomen, zo voordeelig als Hie bedingen is, §: 46. Uw Hoog Edelheeden zullen voorts bij den J brief van den 3. dezer zien, dat wegelast he om aan de direkteuren van de bank te M kennis te geeven, dat de kommissie die me den Engelsche koopman william Hollings ha opgedraegen, om in gem: bank te bezorpe eenig geld ten behoeve van dit Goevern „ment, van ons weder is opgezegt, en t direkteurs, mits dien geen geld van gewaen Htollings moeten accepteeren, maar dat t „hoofd Mekern aan ons heeft &epront dit geld tans ongemaen wel zoude te §: 47: De caffenasche bedienden gaven ons bij hunnen brief van den 12.' April kennis dat ze op 't ver= „zoek van de Paleacatsche ministers, om wegens de bedugting voor een inval van de troupen van Jipoe Pultan in de karnatikasche landen, te worden geassisteerd met 12. artilleriesten en eenige ammo= „nitie goederen, hadden beslooten aan dat verzoek te voldoen; het geen we omdat tot geen zaek van veel belang was hebben gepasseert. §: 48: Dog zedert bedeelen ons gem: bedienden bij hunne brief van den 29. ' Maij, datze op 't nader verzoek van de paleakatsche ministers, om een secours van 50. Europeesche en 50. oostersche militairen, benee= „vens hunne officieren en wapenen, nog hadden beslooten, derwaerds tezenden 32. Europeesche en 78. oostersche militairen; dan wijl dit; daar onze gar= „nizoenen reeds door 't zenden van volk na Bata= „via en Koetsiem merkelijk verswakt zijn, gants ongeleegen quam, en de bedienden ons komen, en intusschen tot onze nadere ordre de aanbevolene aanschrijving hadt uitgestelt. wij hebben dit om 't goede oogmerk waermede het ge= „schied is wel gepasseerd, maet tevens bevolen, om de gem: aanschaijving ten alder eersten te laeten geschieden. komen daer daer bij schreeven, dat ze teffens hadde beslonden de burgerij in de wapens te brengen, tot versterken van hun eigen garnizoen, hebben we hun besluit, f 't zenden van voorsz: secours gedisapprobeerd, mt last teffens, om geene manschappen, zond ons speciaal verloff; uit hun garnizoen te „zenden: dog toen deeze onze order te Jaffenapatna aankwam, waeren de voorsz: militaire reeds oa vertrokken, en hebben we dus daer in, als i eene ras gedaane zaek, wel moeten berusten. we hebben g de ministers te Paleacatta verzogt, om zoo dn dit volk konden missen, het ten eersten na Jasse „patnam terug tezende, maar de ministers hebb ons geant woord bij brieve van den 21. Julij A de toestand van zaeken ter kuste kormandelijk versterking voor Paleacatta nootzaekelijk en zedert hebben te ons bij brieve van den 29 geschreeven, dat ze de gezondene manschappen, s ze die aldaer niet meer nodig hebbe, direck na Jaffanapatinam zullen terug zenden. wij beveelen uwe Hoog Edelheeden en de belangen Maatschappij e Godes veilige hoede en blijven alle eerbied en trouwe. /:onderstond:/en /: get als vooren. /:in margine:/ Kolombo den oktober A=o 1790: F: I: Papo Gestw: klerk. Accordeert. O: Ad: Lootman A S S. Batavia Aan zijn hoog Edelheid Den Hoog Edelen Groot Agtb: wijd Gebiedende Heer M:r Willem Arnold Alting wagens den staal der vrije vereenigde Nederlanden en de Generaele nederlandsche g'octroijeerde oost: Indische kompence Gouverneur Generaal En D Wel Edele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlandsch Jndie. Hoog Edele Groot Agtbaare Wijd Gebiedende Heer, en Wel Edele Gestrenge Heeren! 'T schip de schelde is eergisteren hier voor bij ge„ „zijld na Gale, en wij bedienen ons van deese geleegentheid, om uw en hoog Edelheden aante„ „bieden de duplicaaten van onse gemeene en secreete brieven van den 27. Januarij en 7. deeser, waar van 't origineel met 't schip vraedenburg overgaan Den bedienden te Gale hebben we aangeschreeven, om in de schelde te doen afscheepen de Kaijer die vreedenburg somtijds niet mogte hebben kunnen inneemen, en daar meede dit schip ten eersten 8x

NL-HaNA_1.04.02_10025_0201 view scan ↗

English

Section 3. To the same as before. Section: 3. 5. 2. to dispatch first. We commend your High Nobilities and the interests of the Company to God's safe keeping and remain with all respect and fidelity /:below was written:/ High Noble, Right Honourable, Widely Commanding Lord and Well Noble, Strict Sirs, Your High Nobilities' humble and very obedient servants /:was signed:/ W: J: van de Graaff, M: P: Raket, C. Schi[illegible], J: Rentous, B: L: van Zitter, and J: vollenhove /:in the margin:/ Kolombo, 9 May 1790. After the dispatch of our respectful letter of yesterday, the head of the Ceylon military, Colonel Johan Philip Christiaan Filenius, submitted to us a petition addressed to your High Nobilities, in which, owing to the increasingly declining state of his health and his advancing years, as well as the situation of his private affairs in Europe, he requests that he may be granted permission to repatriate from here in his aforementioned capacity as Colonel, and with such wages and baggage as your High Nobilities will favorably be pleased to grant, with one of the forthcoming Ceylon return ships, or otherwise with the following return consignments, according to what the state of his declining health and particular affairs in Europe will permit. We take the liberty of supporting the aforementioned request of Colonel Filenius with our humble recommendation, given the validity of the reasons stated in his petition, and accordingly very respectfully request your High Nobilities that it may be favorably granted by your High Nobilities as is just. We commend your High Nobilities and the interests of the Company to God's safe keeping and remain with all respect and fidelity, /:below was written:/ High Noble, Right Honourable, Widely Commanding Lord and Well Noble, Strict Sirs, Your High Nobilities' humble and very obedient servants /:was signed:/ W: J: van de Graaff, M: P: Raket, C: S: Tilenius, J: Reintous, B: L: van Zitter, and J: A: vollenhove /in the margin/ 51. To the same as before. To the same as before. The ships Vredenburg and De Schelde departed from Gale on the 23rd of this month, and with them we had the honor to dispatch to your High Nobilities our respectful letters of 27 January, 7, 9, and 10 of this month. On the 21st of this month, the ship Demerarie arrived at Gale from here to provide itself with water, and the same is therefore the bearer of this letter. With this ship, the Gentlemen Administrators of Cochin have sent back the following goods, which had been brought there from Batavia without an invoice for Souratta, namely: 5 hawsers 2 white lines 1 roll of gray canvas 350 Singalese or teak planks 8 capstan bars 4 Tinkang planks, and 1/4 last of rye. Since these goods were useful for our housekeeping, we have had them unloaded and received at Gale, and we humbly request your High Nobilities that the invoice thereof may be transmitted to us. To the former Captain of the private ship De Oranjezaal, Hazeman, who already arrived here yesterday, we have granted upon his request permission to travel over to Batavia on the ship Demerarie, together with the remaining crew of the said vessel, consisting of 2 mates and 27 European and native sailors, without cost to the Company. /:in the margin:/ Kolombo, 10 May 1791. We commend your High Nobilities and the interests of the Company to God's safe keeping and remain with all respect and fidelity /:below was written:/ High Noble, Right Honourable, Widely Commanding Lord! Well Noble, Strict Sirs, Your High Nobilities' humble and very obedient servants /:was signed:/ W: J: van de Graaff, M: P: Raket, J: Reintous, B: L: van Zitter, and J: A: vollenhove /in the margin:/ Kolombo, 27 May, Anno 1790. In an allocation of our requisition for this year received from the Netherlands, we found noted that the supply of the 80 barrels of pork requested by us was excused on account of the large stock thereof in Batavia. We therefore take the liberty, by this letter which we dispatch via the Coromandel Coast, most humbly to request your High Nobilities that eighty barrels of pork may be sent to us as soon as it can be done, in fulfillment of the requisition accompanying this, as we have no stock thereof for the forthcoming return ships. We also take the liberty of presenting herewith to your High Nobilities the duplicate of our respectful letter of 27 May last, dispatched with the ship Demerari, which commenced the journey from Gale to Batavia on the 1st of this month. Geelvink We

Dutch transcription

§3. Aan als Vooren §: 3. 5. 2. eersten te depecheeren. Wij beveelen uw Hoog Edelheeden en de be der maatschappij in gode veilige hoede „ven met alle eerbied en trouwe /:onderd Hoog Edele groot Agtbaare wijd gebr Heer en wel Edele Gestrenge Heeren, d Hoog Edelheeden onderdanige en zeer hoorsame dienaeren /:was geteekend: van de Graaff M: P: Raket C. Schi I: Rentous; B: L: van Zilter en I. vollenhove /:in margine:/ kolom 9 Maij 1790: Na het afvaardigen van onsen eerbied van gisteren, heeft het hoofd der Ceil ons militien de Colonel Johan Philip Chris„ Filenius, aan ons overgelegd een requi„ uwe hoog Edelheeden gedeviceerd waar bi wegens de meer en meer afneemende zijner gezondheid en zijne toeneemend Jaeren, zoo wel als om den toestand zijne „ticulieren aangeleegend heeden in Europa, doet dat hem vrijheid mag gegeven worden, om van hier in voormelde zijne qualiteit van Colonel, en met zodanige gagie en bagagie als uwe Hoog Edelheeden gunstig zullen gelieven toetestaen, te mogen repatriee„ „ren, met een der eerst aanstaende Ceilonsche retour scheepen, dan wel met de volgende retour bezen„ „dingen naar dat de staat zijner afneemende ge„ „zondheid, en bezondere aangeleegendheeden in Europa dat zullen toelaeten. We niemen de vrijmoedigheid het voorschreeven ver„ „zoek van kolonel Flanius, om de gegrondheid der motiven in zijn request vermeld met onse nedrige voordragt te ondersteunen, en uw hoog Edelheeden mits dien zeer eerbiedig te verzoeken, dat het voor uw hoog Edelheeden gunstig mag worden toegestaan zo als 't regt wij beveelen uw hoog Edelheeden en de belangend der maatschappij in godes vijligen hoedo en blyven met alle eerbied en trouwe, /:onderstond:/ Hoog Edele groot Agtb: wijd gebiedende Heer en wel- Edele gestr: Heeren, uwer Hoog Edelheedens onderdanige en zeer gehoorsaeme dienaeren /:was getekend:/ W: S: van de graaff M: P: Haket, C: S: Tilenius T: Reintous B: L: van Litter en I: A: vollenhove / in margine/ 51. doet Aan als vooren. Aan als Vooren De scheepen Vredenburg en de schelde zijn den 23:' deser van Gale vertrokken, in hebben we d meede de eene gehad aan uwe Hoog Edelh: aff „digen, onze eerbiedige brieven van den 27. Janu 7. 9. en 10. dezer Den 21. deeser is het schip Demerarie van hi te gale aangekomen, om zig van water te v en is het zelve dus de brenger dezes Met dit schip hebben de Heeren Kootsiemsr „ters de volgende goederen te rug gezonden, die van via zonder aanreekening voor Souratta aldaar aangebragt namelijk. 5: trossen 2: witte Lijnen 1: rol grauw doek 350. singesche of Jatij planken 8. windboom balkjes 4: tinkansche planken en ¼: last rogge Wij hebben deeze goederen, wijl ze in onzeh „ding te pas quamen, op gale doen ligten en a „den, en wij verzoeken uwe Hoog Edelh: nedu ons de aanreekening daar van mag worden Aan den gew: Capitain van het partikulier de orangezaal Hazeman, die gisterenal is aangekomen, hebben we op zijn verzoek „staan, om met de overgebleevene Equipagie „den. margine:/ Kolombo den 10. Maij 1791 gem: bodem, bestaande in 2. stuurlieden, en 27. Europeesche en Jnlandsche mattroosen, per het schip Demerarie na Batavia te mogen overvaaren, buijten laste van de Compt: wij beveelen uwe Hoog Edelheeden en de belangens der maatschappij in godes veilige hoede en blijven met alle eerbied en trouwe /:onderstond:/ Hoog Edele groot Agtb: wijd Gebiedenden Heer! Wel Edele Gestrenge Heeren, uwer Hoog Edelheeden onderdanige in zeer gehoorzaeme Dienaeren /:was geteekend:/ W: I: van de Graaff M: P: Raket J: Reintous B: L: van Letter en I: A: vollenhove /in margine:/ kolombo Den 27 ' Maij A o 1790. — Bij eene uit Nederland ontfangene verdeeling van onzen eysch voor dit jaar, hebben we aangeteekend gevonden, dat de voldoening van de door ons ge-eijschte 80: vaten spek, ge-excuseerd is wegens den groot in voorraad daar van te Batavia. We neemen dier„ „halven de vrijheid uwe Hoog Edelheeden door deesen die we over de kust kormandel afzenden, nedrigst te verzoeken dat ons tagentig vaten spek, zoo spoe„ „dig het geschieden kan, mogen worden toegezonden, in voldoening van den hiernevens gaanden Eijsch, wijl we daar van geen voorraad hebben voor de aan„ Wij neemen nog de vrijheid uwe Hoog Edelheden hiernevens aantebieden, 't duplikaat van onzen eerbiedigen brief van den 27' Maij Jongstleeden, afgezonden met het schip Demerari, dat den 1 deezer van gale de rijze na Batavia heeft aan„ „staande retourscheepen „getreeden. Gelvink wij S S. „

NL-HaNA_1.04.02_10025_0203 view scan ↗

English

To as before Section 1. Section 2. Section 4. We commend Your High Excellencies and the interests of the Company to God's safe protection, and remain with all respect and fidelity, under Your High Noble Great Honorable wide-ruling Command, Noble Severe Sirs, Your High Excellencies' humble and most obedient servants, signed: W. I. van de Graaff, M. P. Ha..., I. Reintous, B. L. van Zitter, I. A. Vollen... In the margin: Colombo the 8th of June 1790. The state's frigates Zephir and de Havik departed on June 13 from Galle for Trincomalee, and called en passant at Batticaloa, where the Gentlemen of the military commission stayed for only a day. As these frigates are to set sail shortly for Pulicat and, as we are informed, from there to Batavia, we take the liberty of dispatching them with this to Your High Excellencies. We take the liberty to send herewith under separate register our correspondence held with the aforesaid Gentlemen of the military commission, together with various memoranda received from their Honors, and the papers relating thereto. The plans belonging thereto are being copied, and will be sent to Your High Excellencies by a following opportunity. As these are all military matters, and as we preferred not to deliberate on them in the absence of the head of the Company's militia on Ceylon, Colonel Filenius, who has been very ill for a long time, we have until now had to postpone the taking of our resolutions thereon. We shall begin our deliberation thereon as soon as the head of the militia has recovered, and shall then have the honor to render a full report of everything to Your High Excellencies. Only in the meantime, out of consideration that according to the arrangements which the aforementioned Gentlemen deem necessary, more native troops are needed on Ceylon, as we also fully agree with their Honors, we have resolved provisionally to enlist from among our Moors another four companies of sepoys, and one company of free Javanese, which, like all other native companies, we shall have commanded by European officers. Among other things, Your High Excellencies will find in a memorandum from the aforesaid Gentlemen of the military commission dated 14 May last, that they judge it necessary that a court martial be established on Ceylon to judge all matters that are purely military. However, although we are convinced of the utility and necessity of such a court martial, and for that reason ourselves made the proposal for introducing a court martial to Your High Excellencies in our secret letter of 27 July 1782, we have nevertheless, because Your High Excellencies were pleased to reject it at that time, not wished to proceed now with the execution of the proposal of the Gentlemen of the military commission without having received Your High Excellencies' further approval thereon, which we most humbly request. Section 3. Section 5. Section 7. Section 6. Also, the aforementioned Gentlemen of the military commission have proposed in the aforesaid memorandum, for reasons stated therein, to equalize the salaries of the officers of the national militia, both of the infantry and of the artillery, with those of the officers of the Regiment de Meuron. Fully convinced that in particular our subaltern officers can by no means subsist decently on their pay, we have already on several occasions taken the liberty to represent this to Your High Excellencies; and now that the Gentlemen of the military commission were of the same opinion regarding this, we would have found no difficulty in immediately executing their proposal, pursuant to the authorization granted to us by the Honorable High Respected Directors in their highly esteemed letter of 5 February 1789, had we not in the meantime received from their Honorable High Respected the express order to place the emoluments of the officers of the Regiment van Meuron on the same footing as the emoluments of the national officers, as Your High Excellencies will be pleased to see from their letter of 3 December 1789, which is transmitted in copy under the annexes hereto. Of these and of some other orders appearing therein relating to the said regiment, we have given notice to the commander of the same, Colonel de Meuron, who thereupon wrote on the 16th of this month to the first-undersigned Governor the letter which also accompanies this in copy. However much we were persuaded of the meager subsistence of our national officers, and that the reduction of the emoluments of the officers of the Regiment van Meuron would cause considerable dissatisfaction among them, we nevertheless, on account of the aforesaid very positive order of the Gentlemen Directors, had to decide provisionally, and until Your High Excellencies shall have decided on the aforesaid proposal of the Gentlemen of the military commission with respect to the national officers, to make the following arrangements regarding the aforesaid regiment, namely: 1. That the emoluments of the Colonel, Lieutenant Colonel, Major, and the Captains shall for the present remain on the footing as they have been enjoyed by them until now, because they are either less or nearly as much as the emoluments of the national officers of those ranks; but that, on the other hand, the emoluments of the Captain-Lieutenants, the Lieutenants, the Sub-Lieutenants, Ensigns, and Surgeon's Mates shall be reduced and made equal to those of the national officers of the same ranks.

Dutch transcription

Aan als Vooren 5 1. 52. §4. Wij beveelen Uwe Hoog Edelheeden en de „gen der maatschappij in godes vijlige en blijven met alle eerbied en trouwe /: onder Hoog Edele Groot Agtb: wijd gebiedende Hu Edele Gestrenge Heeren. uwel Hoog Edelh onderdanige en zeer gehoorsaeme Dienaeren geteekend. / W: I: van de Graaff, M: P: Ha „ I: Reintous B: L: van Zitter I: A: Vollen /:in margine:/ Kolombo den 8. Junij 1790 slands fregatten Zephia en de Havik, zyn 13:' Junij Hol: van Gale na Trinkonomaale trokken, en hebben en passant Baticalor „gegierd, alwaar de Heeren van de militair „missie zig slegts een dag hebben opgehouden wijl deese fregatten eerst-daags na Palea en zoo w' geinformeerd zijn, van daar na staan te steevenen, nemen wa de vrijheid de daarmeede aan uwe Hoog Edelh: aftevaarde We gebruijken de vryheid hiernevens onder appart register te zenden, onse korrespor met de voorsz: Heeren van de Militaire missie gehouden, met en beneevens verschuld morien van hun Ed=e ontvangen, en de da specteerende papieren. De plans daar to hoorende worden gekopieerd, en zullen u Edelh: bij eene volgende gelegendheid wel gezonden. Wijl het alle militaire zaaken zijn, en dat wa daar over liefst niet hebben willen delibereeren in het afzijn van het hoofd van 'sComp:s militie op Ceilon den Kolonel Filenius die een tijd lang zeer krank geweest is, hebben we het neemen van onze besluijten daar op, tot hier toe nog moe„ „ten laaten uit gesteld. we zullen onze delibera„ tie daar over beginnen, zo dra het hoofd van de militie zal zyn hersteld, en zullen als dan de eere hebben, uw Hoog Edelh: van alles een volkomen verslag te doen. Alleen hebben we intusschen uit consideratie dat er volgens de inrigtingen die de voorn: Heeren nodig agten, meer inlandsche troupen op ceilon nodig zijn, gelijk wij dat met hun Edelens ook op het volkomenst eens zijn beslooten, bij provi„ „sie uit onze mooren te doen aanwaren nog vier Comp:s sipaijen, en een Comp: vrije Javanen, die we„ gelijk ook alle overige inlandsche Comp:, door Europee„ „sche officieren zullen doon kommandeeren. onder anderen zullen uwe Hoog Edelh: bij eene Me„ „morie van voorsz: Heere van de militaire Commissie de dato 14. Maij I:o l:, vinden, dat dezelven noodza„ kelijk oordeelen, dat op Ceilon een krijgsraad word opgerigt om alle zaaken welke piere militair zijn te beoordeelen dan schoon we van de nuttigheid en noodzaakelijkheid van een diergelijk krijsraad overtuijgd zijn, en daarom ook zelve bij onzen secreeten brief van den 27' Julij 1782. tot het 1 invoeren van een krijgsraad aan uw Hoog Edelh: het voorstel hebben gedaan, hebben we nogtans, om„ dat uwe Hoog Edelh: het toenmaels hebben gelieven Wij aftekenten. §3. 55 57 §. 6 aftekeuren, nu tot de uitvoering van de voor„ positie van de heeren van de militaire Commi„ willen treeden, zonder daar op te hebben ritke Edelheeden nader goedvinden, het welk wij nedrigst verzoeken. ook hebben meerm. heeren van de militaire Con bij voorsz: memorie om reedenen daar bij ge geproponeerd, om de appoinktementen van de van de Nationaele militie, zoo van de infant van de artellerij, egaal te stellen met die van „cueren van 't regiment de meuron. volkomen „kerd, dat inzonderheid onse subalterne officie hun tractement onmogelijk op eene ordentelij kunnen bestaan, hebben we reeds een en ander de vrijheid genoomen om dat aan uwe H te vertoonen, en nu dat de heeren van de „taire Commissie daar omtrend van het 2 gevoelen waaren, zouden we geen zwarigh „vonden hebben, om derzelver voorstel, ingevol qualificatie, door de Wel Edele Hoog Agtb: bewindhebberen daar toe aan ons gegeven, bij derzelver zeer g'eerde missive van den 5. febr 1789:, dadelijk te executeeren, indien we intusj hun wel Edele Hoog Agtb: niet hadden ont„ de uitdrukkelijke order, om de emolumenten officieren van het regiment van Meuron te stellen op den voet van de Emolumenten van tionaale officieren, zoo als dat uwe Hoog zullen gelieven te zien bij hoogst derzelver van den 3. december 1789, die in Copia onder laagen deeses overgaat van deeze en van eenige andere orders, die daar bij betrekkelijk tot gem: regiment voorkoomen, hebben we kennis gegeven aan den Commandant van het zelve, de Connel de Meuron, die daar op aan den eerst ondergeteekenden gouverneur dan 16. 1 deezer heeft geschreeven den brief die meede in Copia dezen verzeld. Hoe zeer we gepersuadeerd waaren van het bekrompen be„ „staan van onse nationaale officieren, en dat de ver= „mindering van de emolumenten, van de officieren van het regiment van meuron, bij deezen eene merke„ „lijke onvergenoegdheid zoude verwekken, hebben we nogtans uijt hoofde van de voorsz: zeer stellige onder van de Heeren majores moeten besluijten, om bij provisie en tot dat uwe hoog Edelh: op het voorsz voorstel van de Heeren van de militaire Commissie„ ten aanzien van de Nationaale officieren zullen hebben gedisponeerd omtrend het voorsz: regiment te maaken de volgende schikkingen namelijk. 1. / Dat de emolumenten van den Kolonel, luijtenant Colonel, majoor en de Capitains voor eerst zullen blijven op dien voet, zoo als die door hun tot nog toe zijn genooten, om dat dezelve of minder of na genoeg zoo veel bedraagen, als de emolumen„ „ten van de nationaale officieren van die graaden, dog dat daar en teegen de emolumenten van de Capitain luijtenants ^ de luijtenants, de sousluij„ „tenants, vaandrigs en aide Chirurgijns, zullen worden gereduceerd en egaal gesteld met die van de Nationaale officieren van dezelfde van graaden

NL-HaNA_1.04.02_10025_0205 view scan ↗

English

ranks, and that the rations of wine etcetera, whenever these cannot be provided in kind due to a shortage, shall be paid to them in cash, at the customary selling prices; likewise that to the lieutenants, second lieutenants, and ensigns, by virtue of the 10th article of the Capitulation, the same freeworker money shall be paid from the Company's treasury as is received by the national subaltern officers. 2: That whereas according to the organization of the regiment each Company has a captain-lieutenant and a lieutenant, and the captain-lieutenants in this government perform no duties of subalterns, in accordance with the request of Colonel de Meuron, it will be proposed to the Lords Major that it may be agreed with the Colonel Proprietor of the said regiment to abolish the captain-lieutenants of the other nine companies, with the exception of one captain-lieutenant who must command the first company, and in return to grant to the regiment twenty second lieutenants with the allowances of ensigns, and likewise to let the quartermasters retain the emoluments of lieutenants for the reasons given by Colonel de Meuron in his aforesaid letter, all of which amounts to slightly less than the allowances of the nine captain-lieutenants. 3: That in the meantime the second lieutenants and the secretaries who are presently in service shall retain the salaries they currently enjoy, reduced to the level of the national officers of those ranks; and that in order to compensate for these expenses, no approval will be given for the appointment of new captain-lieutenants until the decision of the Lords Major has been received regarding the proposal mentioned above in article two, nor to any second lieutenants except at sergeants' salaries, and likewise not to fill the three vacant secretary positions except on the condition that they must serve for the time being without any salary on behalf of the Company. 4: That according to the aforesaid order of the Lords Major, for the non-commissioned officers and soldiers who die in the future, pay shall no longer be credited to the regiment except only for the month in which they die; but that nevertheless there shall be communicated to the Lords Major the remark of Colonel de Meuron, namely that two months of pay are credited for the deceased to the regiments in the service of the State, and that the Company itself even granted three months to the regiment of Wurttemberg. 5: That the increase in pay shall take effect on 26 December 1788 for the soldiers who had completed their term of service before that time, but for which Colonel de Meuron claimed an improvement under that date, and for the soldiers who have completed their term of service since then, from the day that the lists thereof were submitted. Furthermore, considering that according to the proposal of the Gentlemen of the Military Commission in their aforesaid memorandum the freeworker money of the national soldiers may henceforth no longer be paid to the officers, but shall serve such purposes as are prescribed in this memorandum, we have resolved to have the amount that the national officers have had from this up to now paid to them provisionally from the Company's treasury, until Your High Nobilities shall have decided on the proposal made in the aforementioned memorandum to increase their emoluments. The packet boat Maria Louisa departed from Galle for the Cape of Good Hope on 27 May, and we take the liberty of presenting to Your High Nobilities herewith copies of the letters and papers which were dispatched with it from here and from Galle to the Netherlands and the Cape. Section 10. With this vessel were dispatched to the Cape of Good Hope 50 packs of linens and 2 hawser cables, which had to be left behind at Galle among other goods upon the departure of the return ships due to a lack of space. Section 11. On 21 July of the current year the ship de Gouverneur Generaal Mossel, and the following day the ship de Unie, arrived in the roadstead of Bonne Esperance. The first sailed from Texel on 18 January, arrived at the Cape on 29 April, and departed from there again on 29 May; and the latter, for the Chamber of Zeeland, likewise sailed on 18 January, arrived at the Cape on 29 April, and departed from there on 29 May. Section 12. We take the liberty of presenting to Your High Nobilities herewith copies of the letters that we received with them from the Netherlands and from the Cape; while, for lack of the necessary reports for that purpose, we had to postpone the customary report concerning the crews of these ships until a further opportunity. Section 13. With the ship de Gouverneur Generaal Mossel: 1st

Dutch transcription

graaden, en dat de randzoenen van wijnb ett=a, wanneer die bij gebrek niet in natui kunnen worden verstrekt, Contant aan hun worden betaald, teegens de gewoone verkoops„ „zen; zomeede dat aan de luijtenants, sous „nants en vaandrigs uit kragte van het 10=e van de Capitulatie 't zelfde vrijwerkers geld 'sComp:s kas zal worden voldaen als genieten nationaale subalterne officieren. 2: Dat wijl volgens de Constructie van het ment elk EComp: een Capitain luitenant m luijtenant heeft, en de Capitain luijtenan dit gouvernement geen dienst van Subalt doen, volgens het verzoek van den Colonelde Meuron, aan de Heeren Majores zal worde gesteld, dat met den Colonel Proprietaris w regiment, mag worden overeengekoomen om „halven een Capitain luijtenant, die de eerst„ moet Commandeeren, de Capitain luijtenants overige negen Companien afteschaffen, en daar teegen aan het regiment toetestaan twe sous luijtenants met de appoinktemen van vaandregs en insgelijks aan de veer te rissen om redenen door den Colonel de M bij voorsch: zyn brief gegeeven te laaten houden de emolumenten van luijtenant dit een en ander nog iets minder bed dan de appoinktementen van de negen luijtenants 3/ Dat intusschen de sous luijtenants en de secretaris die tans in functie zijn zullen behouden de tracte„ „menten die ze tans genieten, gereduceerd op den voet der nationaale officieren van die graaden; en dat om deeze onkosten te compenseeren geen agrement zal worden gegeven tot het aan„ stellen van nieuwe kapitein Luitenants tot dat nopens het voorstel, hier boven bij artikul twee vermeld, zal zijn ontfangen de dispositie van de heeren majores en ook aan geene sous Luitenants dan op sergeants tractementen, zomede de drie vacante secretaris plaatsen niet te vervullen dan onder voorwaarde, dat ze voor eerst zullen moeten dienen zonder eenig tractement van wee„ „gen de Comp: 4 Dat volgens de voorsz: order van de Heeren ma„ „jores, voor de onderofficieren en soldaaten, die in 't vervolg sterven, aan het regiment niet meer gagie zal worden goed gedaan, dan alleen voor de maand in welken zij sterven; dog dat niet te min aan de Heeren majores zal worden gecom„ „municeerd, de aanmerking van den Colonel de Meuren, dat namentlijk aan de regimenten in dienst van den staat twee maanden gagie worden goedgedaan voor de overleedenen, en dat de Comp:e zelfs er drie maenden vergund aan het regiment van Wurtenburg. 5, Dat de verhooging van gagie, zal ingaan met den 26. december 1788. voor de soldaaten, die voor dien 58. 59. dien tijd hun verband, hebben uitgebuend gelad, ma dat de Colonel de Meuron onder dien datum v verbeetering heeft gereclameerd, en voor de sch „ten, die zedert hun verband hebben uitgediend met den dag dat daar van de lijsten zijn ingeh men Voorts hebben we, uit aanmerking dat 't v „werkers geld van de nationaale soldaaten „gens het voorstel van de Heeren van de mitt Commissie, bij derselver voorsz: memorie vanr „taan niet meer aan de officieren mag worden verstrekt, maar strekken zal tot zulke eindens, bij deese memorie zijn voorgeschreeven, beslooten het bedraegen, dat de nationaale officieren daar tot nog toe gehad hebben, bij provisie en tot d uw: Hoog Edelh: zullen hebben gedisponeerd op voorstel, bij meerm: memorie gedaen ter vermeende van hunne emolumenten, aan hun uit sComp:s Ca„ laaten verstrekken. De paket boot Maria Louija is den 27. Maij 1 Gale na de caab de goede Hoop vertrokken, en wi neemen de vrijheid uwen Hoog Edelh: hierneven aantebieden Copijen van de brieven en papieren daar meede van hier en van Gale, na Nederl en de Caab zijn afgezonden. §. 10. Met dit vaartuijg zijn na de Caab de go hoop verzonden 50. pakken lijwaaten 2. vijger touwen, die bij vertrek van de retourscheepen, mits gebrek aan rui onder meerder te Gale hebben moeten agter blijven. §11. Den 21. Julij J:o Z: is 't schip de Gouverneur Generaal Mosser en sdaags daar aan 't schip de unie ter Bonnekaelsche rheede gearriveerd 'T eerste in den 18 Januarij uit texel gezeild, den 29. April aan de Caab gekoomen, en den 29:' Maij weder van daar vertrokken, en 't laatste is voor de kamer Zeeland, meede den 18 Januarij uitgezeijld, den 29. ' April aan de Caab ge„ arriveerd, en den 29. ' Maij van daar ver„ trokken. § 12. We neemen de vrijheid uwe Hoog Edelh: hier nevens aan te bieden Copijen van de brieven„ die we daarmeede uit Nederland en van de Caab hebben ontfangen; ter wijl we 't gewoon verslag nopens de equie pagie van de ze scheepen, bij gebrek 5 van de daar toe nodige berigten, moens ten uitstellen tot eene nadere geleegend„ heid. § 13. Met 't schip de Gouverneur Generaal onder Mossel 1o

NL-HaNA_1.04.02_10025_0207 view scan ↗

English

500 bars have been brought by the Mossel, and with the Unie No. 1099. 7. 11. 1/4 in coarse gold of 18 carats 5 1/2 grains for the linen trade; and the Honorable Most Respected Gentlemen Seventeen have written to us that our requisition for cash will be fulfilled by your High Nobles. Section 14. Concerning the cargo discharged here from the aforesaid packet boat, we have decided by our resolution of 17 May last, which is included in extract among the annexes, taking the liberty to note from it here that we have accepted for the Company 36 hoed of smithing coal found in excess of the consignment delivered, and that in contrast, pending further disposition by the Gentlemen Mayors, we have charged the pay accounts of the officers of this vessel for 6 round shot for which they failed to account, because the reasons given by Captain Steffers in the certificate attached hereto in copy did not appear to us to be of such a nature as to permit us, for our part, to decide otherwise. Section 15. The house of the resident at Trincomalee was uninhabitable for some time. It has since been repaired, but both before and after that time, the late resident Van Senden enjoyed the usual merchant house rent of 6 rixdollars per month. We have consulted the Trincomalee servants about this, who reported to us that the resident maintained the said house in exchange for this, and that on the same basis the commander of the militia, who also occupies a Company house, monthly enjoyed the house rent stipulated for his rank, in accordance with an arrangement that formerly also existed here in Colombo before the Company houses usually inhabited by the senior qualified servants were sold. Section 16. The resident Van Senden incurred many extraordinary expenses during his administration due to the continuous arrival of foreigners. It is also easy to understand that the head of the militia, according to his rank and position, may occasionally have had to incur some extraordinary expenses, and it is on these grounds that we take the liberty of requesting your High Nobles that the house rents paid may be favorably approved by Your High Nobles. It will probably even be more advantageous for the Company that all daily repairs to the residence of the resident be carried out by the chief of Trincomalee who inhabits it, rather than having these things constantly done at the Company's expense. We therefore take the liberty of submitting to your High Nobles an offer made by Lieutenant Colonel Van D[illegible] to have all daily repairs to his dwelling house done for his own private account, receiving nothing for it beyond 6 rixdollars per month, provided that all major repairs shall remain for the account of the Company. Section 17. Pursuant to your High Nobles' favorable qualification in your esteemed letter of 26 June of the past year, concerning the granting of a bonus to the chief surgeon at Tuticorin for curing venereal diseases in proportion to what is granted to the chief surgeons of Colombo, Galle, and Trincomalee, we have, upon the advice of the Tuticorin servants that the chief surgeon there may well be placed on an equal footing in this respect with the chief surgeon of Galle, because besides the sick from the native and Batavian ships, usually many sailors from the Ceylon sloops who must sail the Madura coast throughout the entire year have to be treated, of whom certainly half are infected with venereal diseases, granted the Tuticorin chief surgeon a bonus for this of one hundred rixdollars per year. Section 18. Upon the request of the Gentlemen Ministers at Cochin to be assisted with two subaltern artillery officers, we have, since one of our artillery officers is already detached at Cochin and no more can be spared from our garrison without inconvenience, upon the nomination of the Major and head of the Ceylon artillery, appointed the second lieutenant in the Regiment de Meuron, Joseph Brea[illegible], and the naval second lieutenant Carel Michael Hellertsen, who remained at Cochin due to the unfitness of the ship Zeeland and have since arrived here, in accordance with their request submitted to that effect, as extraordinary lieutenants in the artillery, and we take the liberty humbly to request your High Nobles that they may be confirmed as such, their petitions being transmitted for that purpose among the annexes hereto. Section 19. The bookkeeper and trade transfer agent at Jaffnapatnam, Louis Maartensz, who has served the Company since 1796 and has already held his aforesaid post for 21 years, having submitted a request that, owing to his increasing years and weakness of sight, he may be discharged from his aforesaid office while retaining his rank and salary, we have granted the requested discharge, and have appointed in his place as trade transfer agent at Jaffnapatnam the bookkeeper Johannes Philippus Kroon. However, regarding the request of the aforesaid Maartensz to be allowed to retain his salary, which we have meanwhile ordered to be written off, we take the liberty, upon his repeated insistence, humbly to submit it to your High Nobles, not only in consideration of [illegible]

Dutch transcription

Mossel zijn aangebragt 500 BB:, en met de unie N 1099. 7. 11. ¼. aan hae goud van 18 Car: 5½. grijnen tot den Eijn „waat handel; en hebben de wel Edele Hoog Achtb: Heeren Zeventienen onsv „geschreeven dat onze Eijsch van Conti „ten daar uwe Hoog Edelh: zal worden „daan. § 14 Op de alhier uitgeleverde lading van vor paket bood hebben we gedisponeerd b onze resolutie van den 17. Maij J:o L: in extrakt onder de bijlaagen gaat neemen de vrijheid daar uit hier te tenoteeren dat we voor de Comp: hebb daar inneemen 36. hoed smeekoolen op de aangebragte partij meerder te „vonden is, en dat we daar en teegen tot nadere dispositie van de Heeren Jores, de Zoldij reekeningen van de ove „heeden van dit vaartuijg hebben doen lasten voor 6. rondscherpen, die ze min der hebben verantwoord, wijl de reden die de Capitain steffers daar voor 't Certificaat 't welk in Copij dezen ver„ „zeld heeft gegeeven, ons zijn voorgekoomen niet teweezen van dien aart, om zoo veel ons aangaat, daar op anders te disponeeren § 15. Het Huis van het opperhoofd te Trinkoro„ male is een tijd lang onbewoonbaare ge„ „weest. Het is zeedert gerepareert, dog zoo wel voor als na dien tijd, heeft wijlen het opperhoofd van senden genooten de gewoone koopmans huijshuur van 6. rd:s smaands we hebben hierover de Trinko„ „nomaalsche bediendens onderhouden die ons daar op hebben berigt dat 't opperhoofd daar voor gem: wooning heeft onderhou„ den, en dat op den zelfden voet ook de Commandant van de Militie, die meede een Comp: wooning heeft de bepaalde huijshuur voor zijne qualiteit, maan„ „delijks genooten heeft na eene schikking die ook hier te kolombo eer tids heeft plaats gehad voor dat 'skomp:s Huijzen die door de eerste gekwalificeerde die„ „naaren pleegen te worden bewoond ver„ 't kogt „kogt zijn. § 16. Het opperhoofd van sende heeft geduurende zijn bestier door het gestraading aankom van vreemdelingen veele buiten gewoone ongelden gehad ook is het ligt te begrijpe dat het hoofd van de Militie na maate van zijne kwaleteid en betrekking mogelyks nu en dan wat buijten gewon ongelden heeft moeten doen, en het is dit dien hoofden dat we de vrijheid neem uwe Hoog Edelh: te verzoeken, dat da betaalde huijshuuren door Hoogst De zel gunstig mogen worden gepasseert H „denkelijk zal het zelfs voorde kom beetere reekening geeven dat alle de „gelijkse reparatien aan de wooning het opperhoofd gedaan worden door d chef van Trinkonomaele, die de ze bewoond, dat die dingen steeds voor skomp: reekening geschied en we„ men dierhalve de vryheid uw Hoog Edelh: voor te draagen eene aan bie door de Luijtenant kolonel vand gedaan om alle dagelijkse reparatien aan zijn woonhuijs te laaten doen voor zijne bei„ zondere reekening, niets daar voor ge„ nietende 6. rd:s 'smaands, en niets dat alle kapitaale reparatien zullen blijven voor reekening van de komp: § 17. In gevolge uwer Hoog Edelh: gunstige qua„ lificaetie bij zeer g'eerde Missive van den 26. Junij A:o passato, over aan den oppermeester te Tatucorijn een douceur Ch toe te leggen voor 't Cureeren van onreine stiekten naar evenriedigheid van het toe„ „gelegde aan de oppermeesters van kolombo, t gale en Trinconomaele, hebben we op 't advies van de Tutukorijnsche bedien„ „den, dat de oppermeester aldaar in dit op zigt met den oppermeester van Gale wel mogte gelijk gesteld worden, om dat er behalven de zieken van de bhaar„ se en Bataviasche scheepen, doorgaens veele Mattroosen van de Ceclonsche sloepen, die 't geheele Jaar door op de Madureesche kust vooren moeten gedaan worden worden behandeld, waar van wel de helf met onreine ziekten besmet zijn aan Tutu corijnschen oppermeester daar voor douceer van een hondert rd:s sjaar „gelegd. § 18. Op 't verzoek van de Heeren Ministe koetsiem, om met twee subaltern „ficieren van de artillerij te wordeng sisteerd, hebben we, wijl reeds een van artillerij officieren te koetsiem ge cheerd is, en 'er geene meer zonder geleegendheid uit onze garne zoen gemest worden, op de voordragt van Majoor en hoofd van de Ceilonsche tilliti, den sous luijtenand bij 't ment van Meuron Jozeph Brea# den sous luijtenant ter zee Carel hael Hellertsen, die mits in disp van 't schip Zeeland te koetsien „bleeven en zeedert alhier aan ge is volgens hun daar toe gedaan zoek aangesteld als extra ordina luijtenants bij de artillerij en namen de vrijheid uwe Hoog Edelh: nedrig te verzoeken, dat ze als zodanig moogen worden bevestigd, gaande ten dien eijnde hunne re„ questen onder de Bijlaagen deses over. § 19. De boekhouder en Negotie overdrager te Jaffenapatnam Louis Maartensz: die zee„ „dert 1796. de Comp: gediend en reeds 21. Jaa„ „ven zijne voorsz: functie bekleed heeft, verzoek gedaan hebbende om mits zijne toeneemende Jaaren en swakheid van gezigt, behoudens qualiteit en gagie, van zijn voorsz: ampt te mogen worden ont„ „slaagen, hebben we in 't verzogte ontslag bewilligd, en in zijn plaets tot negotie overdrager te Jaffenapatnam aangesteld den boekhouder Johannes Philippus kroon, dog het verzoek van voorsz: Maartensz om zijne gagie, die we in„ „tusschen hebben laaten afschrijven te moogen behouden, neemen we de vrijheid, op zijne herhaalde instentie aan uwe Hoog Edelh: nederigst voortedraagen, niet alleen uit aanmerking van smaends neemen lang

NL-HaNA_1.04.02_10025_0210 view scan ↗

English

long years of service, but also because in his laborious office he has had no other income than salary and board money, and thus has not been in a position to be able to save anything for his old age. § 20. To fill the vacant officer positions in the Colombo garrison, we have, on the proposal of the Colonel and head of the Ceylon Militia Tilenius, promoted to ensigns the sergeants Hendrik Christiaan Mollij, Udo Brandt, Johan Georg Froom, Pieter van der Straaten, and Jakob Mijer, whom we hereby most humbly propose to Your High Excellencies for confirmation. Their petitions are also attached among the appendices of this document. § 21. The bookkeeper and sworn clerk of the Court of Justice here, Robbertus Henricus Leembruggen, has applied to us to be excused from the payment of forty-one rixdollars, which have been charged from Batavia for the certificate concerning his confirmation as consumption bookkeeper of Mature, since this office was abolished shortly after his appointment thereto and before he had assumed it. And as this is a reasonable request, we take the liberty of most humbly proposing the same to Your High Excellencies, and at the same time to request authorization to have the aforementioned amount of 41 rixdollars credited back to there. § 22. We respectfully request permission to be allowed on this occasion to point out to Your High Excellencies that it is very inconvenient for those who are employed in bookkeeper offices in this Government to have to pay so much money for their certificates, since these offices, two or three excepted, have no or very little income; and since for such bookkeeper offices no certificates were previously sent from Batavia, but such has occurred for two or three years past, we use the liberty respectfully to request that the bookkeepers in this Government may, for the future, through Your High Excellencies' goodness, remain exempted therefrom. § 23. Upon the request of the merchant and first visitateur Berghuijs to be discharged from the Company's service with retention of his rank on account of his advanced years and sickly condition, we, regretting having to grant his dismissal, have provisionally appointed in his place as first visitateur the junior merchant Assuerus Issendorp, who previously served here as trade transferrer and gives good satisfaction therein, as well as being expected to do so as merchant, and we shall take the liberty to propose him further most humbly to Your High Excellencies. § 24. The merchant and first warehouse master Johannes Reintous has requested our intercession with Your High Excellencies to be favored in his present office with the status and salary of senior merchant. He has been in the Company's service since the year 1747, and since the year 1750 stationed in this Government, where during the last twenty-seven years he has been employed in various important offices. His many years of residence here and his diligence regarding the interests of this Government have enabled him to acquire that experience and skill which make him a useful servant of the Company, and we cannot deny him the testimony that in all the offices he has held and in all the tasks entrusted to him, he has acquitted himself with great zeal and to satisfaction. We therefore take the humble liberty of presenting his petition to Your High Excellencies herewith, with the respectful request that it may favorably please Your High Excellencies to recommend him in the most favorable manner to the Right Honorable Gentlemen Seventeen, for the attainment of the status and salary of senior merchant, after the example of the former Director General Moens and of the Councillor Ordinary van Angelbeek, both of whom, while they were in merchant offices here, were promoted to senior merchants. We commend Your High Excellencies and the interests of the Company to God's safe keeping and remain with all respect and fidelity, Right Honorable, Highly Esteemed, Widely Governing, Noble, Honorable Sirs, Your High Excellencies' humble and very obedient servants. Was signed: W. J. van de Graaff, C. van Angelbeek, J. P. C. Tilenius, D. F. F., Johannes Rijntous, B. L. van [illegible]. In the margin: Colombo, the 27th [illegible] 1790. Lower: P.S. Upon the request of the gentlemen of the Military Commission, we have lent to their honors the apprentice at the Land Surveying, Pieter [illegible], to serve the Commission as long as their honors shall find it necessary, and we have granted him, for as long as he has served the Commission in this Government, a bonus of twelve rixdollars a month; his closed pay account is also forwarded among the appendices of this document. § 1. With the arrival of the ships Nederlands Welvaaren, Berkhout, and the Leviathan, we had the honor to receive Your High Excellencies' most respected dispatches of 9 October 1789, 26 May, 18 June, 13 and 31 August of this year, to which we take the liberty herewith humbly to reply. § 2. We have ordered the servants at Gale not only to have security given by the former equipage master there, Abo, for the amount of the ropes used by him for the mooring of the five chartered ships that departed from there for the Netherlands in the year 1788, but also to inform us, after a careful investigation, of whatever may serve regarding the remarks made by Your High Excellencies in respect of the aforementioned ropes, and as soon as we receive this report, we shall [illegible].

Dutch transcription

lang jaarigen dienst maar ook om dat in zijne laboreuse bediening geen ander „koomen dan gagie en kostgeld gehad heeft dus niet in de geleegendheid is geweest, i iets te kunnen opleggen voor zijnen ouden de §20. Tot vervulling van de mankeerende ciers plaatszen in 't kolombosch garnis hebben we op de voordragt van den Collom en hoofd der Ceilonsche Militie Tilenius vaandrigs bevorderd de sergeanten drik Christiaan Mollij, udo Brandt Johan Georg froom, Pieter van der straaten en Jakob Mijer, die we mits uwe Hoog Edelh: door deezen ter bevestig nedrigst voorstellen Hunne requesten meede onder de Bylaagen deezes gevo § 21. De boekhouder en gezwoore klerk Raad van Justitie alhier Robberts ricus Leembruggen, heeft aan ons gedaan, om te moogen worden geexcus van de betaeling van een en veertig die van Batavia zijn aangereek voor het bewijs wegens zijne bevestig als consumtie boekhouder van Mature, wijl dit ampt kort na zijne aanstelling daar toe, en voor dat hij het zelve had aanvaard, is ingetrokken, en wijl dit een billijk verzoek is neemen we de vrijheid het zelve uwer Hoog Edelh: nedrigst voor„ te draagen, en teffens qualificatie te verzoe„ ken, om het voorsz: bedraagen van 41. rd.:s, na derwaards te moogen laaten terug reekenen § 22. We verzoeken eerbiedig verlof, uwe Hoog Edelh ter deezer geleegendheid te moogen ver„ „toonen, dat 't voor die geenen, die in boek„ houders bedeeningen in dit Gouvernament worden g'emploijeerd, zeer ongeleegen is, om zoo veel gelds voor hunne bewij= „zen te moeten betaelen, wijl deeze bedie„ „ningen twee à drie uitgezondert, geen of zeer weinig in koomen hebben; en vermits voor diergelijke boekhouders bedieningen, voor dezen geene Bewijzen van Batavia zijn gezonden, maar zulx zeedert twee à drie Jaaren herwaards geschied, gebruijken we de vrijheid eerbiedig te verzoeken, dat als de de boekhouders in die gouvernements voor den aanstaande, door uwen Hoog Edele goedheid daar van mogen blijven. § 23. Op het verzoek van den koopman en een visitateur Berghuijs, om wegens zijn hooge Jaaren en ziekelijken toestand, de „dens rang uit 's Comp:s dienst te moog worden ontslaagen, hebben we hem schi om gaarne zijne demissie moeten g en hebben we in zijn plaats ter pre tot eerste visitateur aangesteld den der koopman Assuerus Issendorp, te vooren alhier negotie overdraager g is zoo wet daar in genoegen geeft gelijk koopman en ook verwagten zullen vryheid neemen ten uwe Hoog Edelh der nedrig voorte draagen: § 24. De koopman en eerste pakhuijsmees Johannes Reintous heeft onze vor „vens aan uwe Hoog Edelh: verzogt, op zijne perzente bediening te wor begunstigd met de qualiteit en gagie opperkoopman Hij is zeedert A:o 174 sComp:s dienst, en zeedert het Jaar 1750. in dit Gouvernement bescheijden daar hij geduurende de laatste zeven en twintig Jaaren in verschij„ „de gewigtige bedieningen is g'emploijeerd zijn veel Jaarig aan weezen alhier, in zijne oppli„ „katie op de belangens van dit Gouvernement hebben hem die ondervending en ervarend„ „heid doen verkrijgen, welke hem tot een nut„ „tig dienaar van de Compenie maaken, en we kunnen hem het getuijgenis niet weijgeren, dat hij in alle de Bedieningen die hij heeft bekleed, en in alle de verrigtingen die hem zijn opgedragen, zig met veel iever en tot genoegen heeft gekweeten we neemen derhalven de nedrige vrijheid zijn request uwe Hoog Edelh: hier nevens aante bieden, met eerbiedig verzoek dat het uwe Hoog Edelh: gunstig behaagen mag hem aan de wel Edele Hoog Achtbaare Heeren 17. nen op het taforabelst voortedraagen, ter verkrijging van de qualiteit en gagie van opperkoopman naar het voorbeeld van den heer oud Zi„ rekteur Generaal Moens en van den Comp: heer Aan als vooren heer Raad ordinair van Angelbeek, de bijde terwijl hun Edelens alhier in koopm bedieningen waaren, tot opperkooplieden zijn vorderd. Wij beveelen uw Hoog Edelheeden en de belang maalschappij en Godes veilige hoede en blijven met alle eerbieden trouwe /:onder Hoog Edele Groot Achtb: wijd Gebiedende wel Edele Gestrenge Heeren. ! uwer Hoog E onderdanige en zeer gehoorzaame Dien /:was getekend:/ W: J: van de Graaff,C Angelbeek, J: P C: Tilenius, D: F: F Johannes, Rijntous, B: L: van te /:in margiene:/ kolombo den 27. ' aan 1790. /:lager:/ P: S: op het verzoek va Hteeren van de Militaire Commissie ben we aan hun Edelens geleend den a keling bij de Landmeeterij Pieter om zoo lang hun Edelens het noo zullen vinden dezelven inde Commis dienste te staan, en hebben we hem lang hij in dit Gouvernemente bij Commissie heeft gediend een douce §1. Met de aankomste van de scheepen Neederlands wel vaaren, Berkhout en de Leviathan, heb„ ben we de eere gehad te ontfangen uwer Hoog Edelh: zeer g'eerbiedigde missives van den 9. ' 8ber: 1789. 26. Maij, 18. Junij, 13. en 31. aug:s deses Jaars, waar op we de vrijheid ge„ „bruijken hier bij nedrig te antwoorden. § 2 Wij hebben den bedienden te Gale gelast, oom niet alleen door den gew: Equipagie meester aldaar Abo Cautie te laaten stellen voor 't bedragen der touwen die door hem zijn ge„ „bruijkt tot 't vertuijen van de vijf gehuur„ „de scheepen, welke in 't Jaar 1788. van daer na Nederland zijn vertrokken waar ook om na een naukeurig onderzoek„ ons te berigten het geen dienen kan op de aan markingen door uwe Hoog Edelh: ten opzigte van gem: touwen gemaakt, en zoodra we dit berigt ontvangen, zullen twaelf rd.s smaands toegelegd zijne afgesloo„ tene soldij reekening gaat, meede onder de bylaagen dezes over. twaelf we

NL-HaNA_1.04.02_10025_0213 view scan ↗

English

we shall dispose of them according to the findings of the case. § 3. In our respectful letter of 11 January 1784, written to the Galle servants and of which a copy has already been sent to Your Right Honourable under our regular annual papers with the ship Vreedeburg, it was shown that the coir we requested from them was demanded for Colombo. Coir is used here in the household and it was thus a mistake of the Galle servants, who know very well that we here use salted coir as little as they do there, that they sent us this salted coir in fulfillment of our aforementioned letter. But since that could now not be undone, we placed it on the ship Zeeland, which was sent back via Batavia at the request of the Gentlemen Cochin Ministers for transshipment. This ship had room to spare for it, as everything we had on hand for that government had already been sent thither with the ship De Batavier, which had gone to fetch pepper, and with the Cochin small-craft De Verwagting, so that the ship Zeeland had nothing else to take in here for Cochin than five crates of chamois leather, which were also sent with it. § 4. Although the complaint of the crew of Chinese of the ship Het Slot ter Hoge against Captain Hartig appeared to us to be an instigation of the mandoor, the evidence was nevertheless not of such a nature that we could convict him of it, much less punish him for it, and a closer investigation could also not be made without detaining the ship afterwards, as we have had the honour to report to Your Right Honourable in our respectful letter of 16 September 1789. We let the matter rest all the more because this crew of Chinese, as well as Captain Hartig himself, had to go to Batavia, and there was thus an opportunity, if Your Right Honourable deemed it necessary, to have the matter investigated further there. The aforementioned mandoor was not detained here. He made himself absent upon the departure of the ship, and although he was apprehended afterwards, he has since managed to escape again; without anything more having been heard of him since, as appears from the report of the Master of the Equipage, which is annexed hereto. Upon apprehension, he will, in accordance with Your Right Honourable's respected order, be sent under arrest to Batavia. § 5. The three anchors of the State's squadron that were sent with the ship Hinloopen to Batavia, were accounted for thither as serviceable, because from the report of the provisionally Chief Administrator Van Angelbeek, which is annexed in copy, it nowhere appeared that they were unserviceable. The captain of the ship De Pollux, who brought them from Trincomalee to this place, made no remarks upon them when receiving them at Trincomalee, nor did the captain of the ship Hinloopen when they were dispatched here into that ship, as appears from the accompanying original Report, in which Captain De Freijn has signed for the receipt of these anchors; and the Master of the Equipage Andringa says in a report, which is annexed in original, that neither at the receipt nor at the dispatch of the said anchors could it be discovered that there were any defects in them. We could all the less have any suspicion that these anchors would be unserviceable, as the State's warships have reportedly ridden on them in the bay of Oostenburg. § 6. Concerning the maneuvers with the flag that were made last year from the Galle flagpole when the ship Hinloopen came sailing thither, a proper inquiry was made at the same time upon the complaint of Captain De Frijn. These incorrect maneuvers arose from the fact that the said Master of the Equipage Abo did not consider the signal made by Captain De Freijen, to show that he had a pilot on board, to be sufficient, because two shots had not been fired therewith, which according to his report ought to have taken place; and he therefore sent another pilot on board, and as a token thereof ordered the flag on the flagpole to be hoisted inverted, which maneuver was not done quickly enough, and from which it resulted that the flag, which was already right, was first lowered to half-mast and then hauled down completely, before it was hoisted inverted again according to Abo's order. The said Master of the Equipage Abo excused himself with the declaration that the flag-watchers, who were youths of 15 to 16 years, had not been able to perform this maneuver quickly enough. § 7. In order to prevent such imprudence in the future, as appears from our resolution of 25 June 1789, we ordered the Galle Master of the Equipage to establish better orders in a matter of so much importance, and thereby to ensure that in the future no other persons are employed as flag-watchers than such upon whose attentiveness and skill in what they have to perform reliance can be placed, as he, the Master of the Equipage, will otherwise be held responsible for all evil consequences that might arise from incorrect signals or signals not made at the proper time. We take the liberty to present herewith in copy to Your Right Honourable the documents that have come in concerning that case and which were sent to us by the Galle servants alongside their letters of 13 April and 7 May 1789. § 8. If the deserted sailors of the bark

Dutch transcription

we daar op naar bevinding van zaak disponeeren. § 3. Bij onzen eerbiedigen van den 11. ' Januarij 1784, geschreeven aan de Gaalsche bedien en waar van reeds Copij onder onze ge Jaarlijksche papieren met 't schip vreed burg aan uw Hoog Edelh: gezonden is, de dat de kaijer, die we van hun gevra hebben, voor kolombo g'eischt is getoo kaijer word hier in de huijshouding gebruijkt en het was dus een vergiss van de Gaalsche bedienden, die zeer weeten, dat we hier zoo weijnig, als daar gezoute kaijer gebruijken, dat ons deze gezoute kaijer, in voldoen van voorsz: onzen brief, gezonden, hebb dan wijl dat nu niet was te herdoe deeden we dezelve in 't schip Zeeland op verzoek der Heeren koetstemsche w nisters wierd terug gezonden voor via overscheepen. Dit schip hadde de toe ruimte te over, zijnde alles, we voor dat gouvernement aan hadden, reeds met 't schip de Batavier, dat peper was gaan haalen, en met 't koetsiems smalschip de verwagting, na derwaards verzonden, zoo dat 't schip Zeeland hier niet anders voor koetsiem had inte neemen dat vijf kassen met zeemleer, die ook daar meede zijn verzonden. §4. Schoon ons de klagte van de ploeg Cienee„ sen van het schip het slot ter Hoge, teegen den Capitain Hartig, voorkwam te zijn een opgestookt werk van de mandoor, waaren de bewijzen egter niet van dien aart, dat we hem daar van overtuijgen, veel minder daar over straffen konden, en een naukeuriger onder zoek konde ook niet worden gedaan, zonder het schip daar na opte houden, zoo als we de eere heb„ ben gehad uwe Hoog Edelh: dat te berigten, bij onzen eerbiedigen van den 16. 7ber: 1789 we lieten het te meer daar bij be„ rusten om dat deze ploeg Chineesen, zoo wel als Capitain Hartig zelve, na Batavia moesten gaan, en er dus ge„ hadden „leegendheid „leegendheid was om indien uwe Hoog Ed dat nodig oordeelden, de zaak aldaar der te doen onderzoeken. De voorsz: man door is alhier niet aangehouden Hij heeft zig bij 't vertrek van 't schip absent maakt, en schoon hij naderhand is vat, heeft hij het zedert weer weeten te ontkomen; zonder dat men nader iets meer van hem heeft vernomen, als dat blijkt uit 't berigt van de Equipagiemeester, dat hier nevens ge Bij agterhaaling zal hij ingevolgen Hoog Edelh: g'eerde ordre, in arrest gezonden na Batavia. § 5. De drie ankers van slands esquader, de met 't schip Hinloopen na Batavia verzonden zijn na derwaards voor „quaam aangereekend, om dat 't berigt van den p:l hoofdadministr van Angelbeek, dat in kopij he „vens gaat nergens gebleeken is, di onbequaam waare; De kapitain schip de Pollug, die dezelve § 6. Nopens de Maneuvres met de vlag die in't voorleeden jaar zijn gedaan van de Gaalsche vlaggestok, toen het schip Hinloopen aldaar quam aanzeilen, is ter zelver tijd, op de Trinkonomale na herwaards heeft gebragt, heeft bij ontvang dezelve op Trinkonomaele, daar op niets aangemerkt en dit heeft ook niet gedaen, de kapitain van het schip Hinloopen, dog dezelve hier in dat schip wierden afgescheept zoo als dat blijkt bij 't nevens gaande origineel Rapport, waar bij de kapitein de Freijn voor den ontvang dee„ zer ankers heeft geteekend; en de Equipa„ „giemeester Andringa zegt bij een berigt, dat in origine hier nevens gaat, dat men bij den ontvang, nog bij den afscheep van gem: Ankers, niet had kunnen ontdekken, dat daar aan eenige gebreeken zijn geweest wij konden te minder eenig vermoeden hebben dat deeze ankers onbequaam zoude zijn wijl slands oorlogs scheepen in de baaij van oostenburg daar voor verluid hebben gelee„ Trinkor klagte gen. klagte van den kapitain De frijn behoor onderzoek gedaan deeze verkeerde ma vees zijn daar uit ontstaan dat de gem „zen Equipagiemeester Abo, het gedaan sein door kapitein de freijen, ten blijk dat hij een loots aanboord had; niet geagt voor voldoende, om dat daar niet waaren gedaan twee schooten die w zijn berigt hadde moeten geschieden, en hij daar om een ander laats na boor gezonden, en ten blijke daar van belast de vlag aan de vlaggestok verkeerd of seijsen, welke maneuwer, niet schielijk noeg is gedaan, en is daar uit voort vloeijd, dat de vlag, die reeds regt ma eerst ter halver stok gestrecken en ver gens geheel neer gehaeld schoon, voor de volgens Abos order, weder verkeerd opg sen wierd. De gew: Equipagiemeester Abo heeft zig over verschoond met de betuiging vlaggewagters die Jongelingen waar van 15. â 16. Jaaren deese man en ver spoedig genoeg hadden kunnen doen. § 7. wij hebben ter voorkooming van diergelijke onvoorzigtigheeden in den aanstaande blijkens onze resolutie van den 25. Junij 1789. de Gaalschen Equipagiemeester aan bevoolen, om in een zaak van zoo veel aangelee„ gendheid beter orders te stellen, en daar bij te zorgen, dat in den aanstaande geene an„ „dere luijden tot vlaggewagters worden g'em„ ploijeerd, dan zulken, op wien oplettendheid en kunde, in 't geen zee te verrigten hebben staat kan worden gemaakt, wijl hij Equi„ pagiemeester anders aanspreekelijk wor„ den gehouden voor alle quade gevolgen, die uit verkeerde of niet ter behoorlijker tijd ge„ daane feinen mogten spruijten. De stukken die over dat geval zijn ingekoomen, en door de Gaalsche bedienden, nevens hunne brieven van den 13. april en 7. Maij 1789: aan ons zijn toegezonden, neemen we de vrijheid uwen hoog Edelh: hier nevens in Copia aan„ te bieden. § 8. Zoo de gedeserteerde Mattroosen van de bark spoedig de

NL-HaNA_1.04.02_10025_0216 view scan ↗

English

De Liefde believed they had been ill-treated by their boatswain, they ought to have complained about it, which did not happen; but even if it were true that they were not well treated by the boatswain, of which, however, no evidence has ever come before us, this could, in our humble view, in no respect authorize so formal a desertion as that of which they have made themselves guilty. They not only sought at Madras to enter English service, but they also sold there the boat they had stolen from the Company; and if the lack of men had not brought Mr. Tadama to the necessity of completing with these men the so greatly weakened crew of the ship lying in service at Paliakatta, it would, in our opinion, have been much more regular if His Honour, in order to prevent such insolence for the future, had sent these men back to Ceilon with their complaints. Section 9. As soon as the bark De Liefde returns from Trinkonomale, we shall have the crew sailing upon it questioned, in so far as they were assigned to it at the time the aforesaid desertion occurred; and we shall have the honour to send the reports that come in from this to Your Right Honourable Excellencies. If it should appear from these that the boatswain who had authority on the bark really wronged these people, we shall, according to the findings, have him punished. Section 10. From a report by the Master of the Equipage Andringa, a copy of which is included among the annexes, it appears that the watch shots which are entered in the gunpowder account of the ship De Pheenecier as having been fired in the Kolombo roadstead were indeed fired on the occasion when the Portuguese ship Madrogade lay here in the roadstead, but that no powder from the Company was issued for that purpose, because it was entirely outside observation here. Regarding the watch shots which this ship fired in the bay of Gale, we have requested a report from the servants there and shall report thereon to Your Right Honourable Excellencies on a future occasion. In the meantime, we have caused the order to be renewed to reimburse the ships for the powder that they fire for watch shots in the Ceylonese ports. Section 11. According to the recommendation of Your Right Honourable Excellencies, compensation has been paid to the Kolombo Master of the Equipage Andringa and to the former Gale Master of the Equipage Abo, to the first f 707. 12. and to the second f 157. 17. for the equipage goods which, according to the reports received by Your Right Honourable Excellencies, they were said to have charged too much to the account of the Cul, Het Slot ter Hooge, and the Gouverneur-Generaal De Klerk. Section 12. The two chests of cloves, Nos. 48 and 56, which were received from the cargo of the ship Hinloopen with a shortfall of 43 1/4 lb, were delivered out here in good condition, but upon opening they were found not to be full, but with a cavity in the spice, as now further appears from a report included among the annexes from the Provisional Head Administrator Van Angelbeek, and from two accompanying reports from the deputed Judicial Members who assisted at the opening of the aforesaid chests, in which, regarding the omission of these circumstances in their first report, they say that in that respect they followed the usual method of drawing up certificates of spices, without noting anything further therein than the quantity or weight of the spices; against which, however, we shall issue the necessary orders for the future. Section 13. According to the aforementioned report of the Provisional Head Administrator Van Angelbeek, the 8 leaguers for which the officers of the ship Hinloopen are charged here were delivered by their pantry in fewer leaguers of arrack than accounted for by them, as further appears from the report of the ordinary commissioners, the original of which is enclosed herewith and also signed by Captain De Freijn. We hardly understand how Captain De Freijn has dared to complain about a disposition that rests on his own signature. Section 14. The Master of the Equipage Andringa clearly demonstrates in his aforementioned report that the allegation of the officers of the ship De Phenecier—that the small boat with which the chest of opium for Gale was taken on board lay alongside the pier for four days—is completely beside the truth, and that the chest in which the opium was kept had been brought on board open, which the aforementioned must have accepted tacitly, without giving notice thereof to the Head Administrator or the Master of the Equipage here. Section 15. According to the Gale resolution of 29 April 1789, the officers of the ship Hinloopen, of the 50 leaguers of arrack api for which they had to account according to the bill of lading, first delivered 48 leaguers of arrack, and subsequently another 388 cans of arrack, without it appearing whether a cask was also delivered with this latter quantity; and since the officers therefore still had to account for 2 leaguers, we pointed this out to the servants in our letter of 29 May 1789, with orders that if the ship's officers were not charged for them, to charge the same to their account to Batavia. It appears that the Gale trade servants observed this order of ours without any further investigation, since the servants now report to us that the aforesaid ship's officers had the full number of 50 leaguers.

Dutch transcription

de liefde meende door hunnen bootsman kwalijk te zijn behandelt hadden ze de daar over behooren te beklaagen, het geen is geschied, dog zoo het ook mogte wa zijn, dat zij door den Bootsman niet zijn behandelt, waar van ons nogtans „mer eenige blijken zijn voorgekoomen „de dit, naar ons nedrig inzien, in ge op zigte autoriseeren een zoo formeele desertsie, als waar aan ze zig hebbe schuldig gemaakt, zo hebben niet alle te Madras gezogt om in Engelschen dienst te gaan, maar ze hebben doar d verkogt de schuijt die ze van de kom gestoolen hadden en zoo niet gebrik volk den heer Tadama hadde gebra in de noodzaekelijkheid, om met d volk te kompleteeren de zoo zeer kwakte equipagie van het ter diest te paliakatta geleegen schip waar naar ons begrip, veel regulieerder weest, in dien zijn E:, ter voorkooms van diergelijke stoutigheeden voor den aan„ staande dit volk met hunne klagte hadde terug gezonden naar Ceilon. § 9. zoo dra de bark de liefde van Trinkonoma„ le terug komt, zullen wede daar op vaeren„ de manschappen, voor zoo verre te ten tijde dat de voorsz: desertsie gebruij is, daar op zijn beschijden geweest, doen on„ der vraagen, en de berigten die daar van inkoomen zullen we de eer hebben aan uw lb E: W: te zenden zoo daar uit mogte koo„ men te blijken dat de Bootsman die op de Bark het gezag gehad heeft zig teegens deese menschen werkelijk heeft vergreepen zullen we hem na bevinding van zaaken doen staaffen. § 10. Bij een berigt van den Equipagiemeester Andringa dat in Copij onder de bijlaagen gaat blijkt dat de wagtschooten die bij de kruijt reekening van 't schip de Pheenecier zijn opgebragt als gedaan op de kolombosche rheede werkelijk zijn gedaan ter geleegendheid dat 't portugeesche van schip schip Madrogade hier ter rheede leg dog dan daar toe geen kruijt van de wel is vers om dat die onder hier geheel buijten obser tie was Nopens de wagtschooten, die dit schip ende baaij van Gale gedaan heeft ben we berigt van de bedienden aldaar ge vraagd en zullen uwen Hoog Edelh: daar bij eene volgende geleegendheid verslagt In tusschen hebben we doen vernieuwen de ordre om aan de scheepen 't kruit te ver „ken, dat ze tot wagtschooten in de Ca „sche havens verschieten; §. I1. Volgens uwer Hoog Edelh: aanbeveeling aan den kolomboschen Equipagiemeester Andringa en aan de geweezen Gaalschi Equipagiemeester abo ter vergoeding afgelegd, aan den eersten ƒ 707. 12. en aa den tweeden ƒ157. 17. voor de Equipagie goederen, die ze volgens de bij uw Hoo Edelh ingekomene berigten te veel zou hebben opgebragt ten laste van de Cul het slot ter hooge en de gouverne generaal de klerk. § 12. De twee kisten met nagulen N=o 48. en 56. die uit de lading van 't schip Hinloopen met eene minderheid van 43¼ lb: zijn ontfangen zijn alhier wel geconditioneerd uitgelee„ „verd doch bij de opening zijn ze bevonden niet vol te weeten maar met eene hollig„ heid in de specerij, gelijk dat nu nader blijkt bij een onder de Bijlaagen overgaan„ de berigt van den p:l hoofd administrateur van Angelbeek, en bij twee daarnevens gevoegde berigten van gecommitteerde Justitieele Leeden, die bij de opening van de voorsz: kisten hebben geassisteerd, en waar bij ze over 't verkrrijgen van deeze omstandigheeden bij hun eerste rap„ port, zeggen, dat ze daar omtrend de gewoone manier van inrrigtinge van Certificatie van specerijen opgevolgd hebben zonder daar bij iets verders aan„ te merken dan de quantiteid of 't gewigt der specerijen, waar tegen we nogtans de noodige beveelen voor den aanstaande generaal zullen zullen stellen. § 13. Volgens evengem: berigt van den p:ls hoofd adm strateur van Angelbeek, zijn de 8. leggen den, waar voor de overheede van 't schip V loopen alhier zijn belast, door hunte min despens geleeverd aan door hun verantwoor arraks leggers, gelijk dat nader blijkt 't rapport van de ordinaire gecommitt dens, 't welk in origine hier nevens ge en door den Capitain de Freijn meede on teekend is we begrijpen kwalijk hoe zig kapitein de freijn heeft dirven beklaeg over een disposietie die op zijn eigen „dertekening. § 19. De equipagiemeester Andringa toon bij zijn hiervooren vermeld berigt die lijk aan, dat de voorgave van de heeden van 't schip de Phenecier, als de gammel, waarmeede 't kasje amphioen voor Gale na boord was ge vier dagen op zijde van 't zeehoofd he geleegen, geheel bezijden de waarheid het kasje waaren den amphioen is geweest, open aan boord was gebragt, gelijk gem: stilswijgende moeten accepteerd, zonder daar van aan den hoofdadministrateur of Equipagiemeester alhier kennis te geeven. § 15 Volgens de Gaalsche resolutie van den 29:' April 1789. hebben de overheeden van 't schip Hinloopen van de 50. leggers arrak api, die ze volgens 't Cognoissement moesten verantwoorde eerst geleeverd 48: leggers arrak, en vervolgens nog 388. kannen adrak, zonder dat 't daar bij bleek, of met deeze laatste quan„ titeit ook een Cust was geleeverd; en wijl dus de overheeden nog 2. leggers moesten ver„ antwoorden hebben we dit den bedienden aan„ geweezen bij onzen brief van den 29. ' May 1789. met last om zoo de scheeps overheeden daar voor niet mogten zijn belast, dezelve ten hunnen laste na Batavia aan tereekenen. het scheint dat de Gaalsche Negotie bedien„ den deeze onze order, zonder eenig verder onderzoek hebben geobserveerd wijl de be„ diende ons nu berigten, dat voorm: scheeps overheeden 't volle getal van 50. leggers geweest hebben

← previousnext →