Inventory 10306
Malabar · 618 pages · 114 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
means should be employed to that end. On the power of Jrevancoor alone, whatever one might say of it, not too much can be counted; yet, being supported and well led by another, his power is not to be rejected. And I even believe, if the Nabab saw that we take the preservation of Trevancoor to heart, he might well abandon his intention. Besides this, I believe that Jnevancoor, if he sees that we wish to help him effectively, would rather be helped by us than by the English, knowing very well that we do not seek supremacy over the native princes as much as the English do. Yet if one should go so far and wish to engage further with Jrevancoor, one ought beforehand to stipulate from him as a condition sine qua non, not only, as a matter of course, namely that everything done for his assistance should also be paid for by him, but also that he shall henceforth deliver to us in full the 5000 Candijlen of pepper which he must deliver to us according to contract, with the stipulation also that the Company shall deduct a certain quantity to be determined from the delivered pepper, without making any payment for it, for each Candijl that is delivered less than 5000. I would not have dared to communicate my thoughts in this manner to your High Nobilities, were it not that a closer alliance with Trevancoor appears to me to be nothing other than an acceleration of that which must soon happen anyway if we wish to retain the pepper we still obtain now and not bring ourselves into insignificance, since I have been further informed that the aim of the English is effectively to wrest the pepper from us, and indeed such that this is, among other things, a secret order of the English Directors, and that the Government of Bengal, under which the other subordinate administrations now fall, has sent a special order to the Government of Madras to make use of this juncture, and to that end to promise Grevancoor direct assistance if he should be attacked by the Nabab. And who knows whether Hyder Alijchan, who after all has secret and cunning spies everywhere, having caught wind of this, has therefore postponed his enterprise, and has now sought to engage us. If he thus leaves Jrevancoor undisturbed out of apprehension for the assistance of the English, who he knows presently have their hands full everywhere, then he would surely also show respect for our Company, and we would meanwhile oblige Grevancoor entirely to us, and undoubtedly obtain more pepper, merely for a single promise of assistance. In the instruction for the commissioners Suffin and Riberto, mention is made of an incident here in the roads with the Nabab's vessels. This incident actually occurred with three Portuguese Macao ships, named Sra DeLur, St. Secilia, and Na S=re de boa viage. The first two mentioned ships had arrived here on 2 and 12 February, and the last mentioned the day before and indeed only towards evening, when also from the north came into sight two two-masted grabs and six galwets, without anyone knowing whether this was a Maratha squadron or the fleet of Hyder Alij chan. Meanwhile, when it had already long been dark, two shots were heard falling in succession in the roads. In the morning it was seen that the two grabs and six galwets lay in the roads, flying the Nabab's flag. The Macao ship Na Sra de boa viage, while hoisting the Portuguese flag at sunrise, fired a shot with live ammunition, as was later understood to confirm the flag or to show that they were truly Portuguese; but the commander of the Nabab's fleet, understanding this differently, weighed anchor and sailed with the vessels under his command behind the Portuguese ship, drew up in order, and cannonaded heavily upon the Portuguese, who subsequently also let his cannon play upon the Nabab's vessels, in which he was followed by the other ships, St. Sicilia and Sra DeLur, although little by the latter, which separated itself from the others and, as much as the wind permitted, retreated towards the mouth of the river. Meanwhile, the reciprocal firing continued for some time until the Nabab's fleet fell back and, sailing back and forth a bit, anchored again in the ordinary roads, this attack having lasted from about half past six until circa eight o'clock, which affair I had to watch here without preventing it, because the roads here lie very far out of the range of our artillery, and there was also no Company ship in the roads at that time, which otherwise certainly would have prevented it. Towards noon, the second captain of the Portuguese ship Na Sra de boa viage, named Anthonij Louis Pereira (the first captain having remained on board, named Gonsalvo De Gerre), came ashore and gave the following account: That yesterday evening at eight o'clock, a fleet of two two-masted vessels and six galwets coming into the roads, and wishing to sail under the guns of the Portuguese ships Sra de Luz and St. Secilia, a shot with live ammunition had been fired by each of those two ships, in order to keep them out of the
Dutch transcription
sjens daar toe dienen in het werk gesteld teworden: op de magt van Jrevancoor alleen men mag 'er ook van zeggen wat men wil/ kan niet al te veel gecijfferd worden, dog door een andere ondersteund en wel aangevoerd wordende, dan is zijne magt, niet teverwerpen, en ik geloove zelvs, als de Nabab zag, dat wij ons het behoud van Trevancoor aln„ „trekken, hij mogelijk van zijn voornee„ „men wel afzien zoude, buijten des, zo geloove ik, dat Jnevancoor, als Hij ziet, dat wij hem effectiev willen helpen, liever van ons als van d' Engelse zoude willen geholpen worden, als zeer wel weetende, dat wij zo zeer niet na d' opperheerschappij over de inlandse vorsten staan, als de Engelse. Dog indien men zo verre mogt gaan en zig met Jrevancoor nader wilde inlaaten dan zoude men alvoorens ook van hem als een Conditie sine qua non, dienen te bedingen, niet alleen, als iets dat van zelvs spreekt, na„ „mendlijk, dat alles wat men ter zijner hulpe doet ook door hem zoude moeten betaald worden, maar ook, dat Hij ons voortaan vol uijt zal leeveren 152 leeveren de 5000. Candijlen peper die Hij ons volgens Contract leveren moet, met beding teffens dat de Comp: op de geleeverde peper zeekere te bepalene quantiteijt korten zal, zonder daar voor eenige betaalinge tedoen voor elk Candijl, dat 'er minder als 5000. geleeverd word Jk zoude mijne gedagten op die wijze uw Hoog Edelheedens niet hebben durven met „de deelen, indien het mij niet voorquam, dat een naauwere verbindinge. met Trevancoor niet anders is als eene verhaastinge van het geen tog eerlang zal moeten geschieden indien wij de peper, die wij nu nog krijgen, willen behouden en ons in geene klijnagtige willen brengen alzo ik nog nader g'informeert ben„ dat de toeleg der Engelsche effectiev is, om ons de peper afhandig temaken, en wel zodanig dat dit onder andere een secreete ordre van de Heeren Engelse Directeurs is, en dat de Regeering van Bengale waar onder nu de overige Mis nisteries subalterne zijn na de Regeering van Madras speciaal order gezonden heeft, om zig van dit tijdstip te bedienen, en daar toe Grevancoor directe hulpe te belooven als reken geval met s Nababs vaartuijgen hier ter rheede. als hij door den Nabab mogt aangevallen worden, en wie weet of stijder Alijchan die tog overal geheijme en listige spions heeft de lugt daar van niet gekreegen hebbende daarom zijne onderneeminge, nog uijtgesteld, en nu getragt heeft, ons te engageeren; indien Hij dus Jrevancoor ongestoord laat uijt be„ „dugtinge voor de hulp der Engelse, die Hij weet, dat tans overal de handen vol hebben, dan zoude hij immers, onze Comp: ook wel ontsien, en dan zoude, wij intussen Grevancoor ten eenemaal aan ons verpligten, en onge„ „twijffelt meer peper krijgen, alleen maar voor een enkelde belofte van hulp. Bij de jnstructie voor de gecommitteer„ „dens Suffin en Riberto word gemeld, van een geval hier ter rheede met 's Nababs vaartuij„ „gen dit geval is eijgentlijk geexteerd, met drie Portugeese Maccause scheepen, genaemt Sra DeLur, St. Secilia en Na S=re de boa viage, de twee eerst gem: scheepen waaren den 2. en 1.2. februarij en het laatst gem: 'sdaags bevoorens en zelfs eerst tegens den avond hier g'arri„ „veert, wanneer ook van de Noord in het gezigt quamen, twee twee mastie paalen en n en ses galwets, zonder dat men wist of dit een Marattas Esquader, of de vloot van Aijder Alij chan was, intussen hoorde me toen het reeds lange donker was, twee schoo„ „ten agter elkander op de rheede vallen; 'smorgens zag men dat de twee paalen en ses galwets ter rheede lagen, en 's Nababs vlagge voerden, het Maccauws schip N=a s=ra de boa viage, deed onder het opheijssen van de portugeese vlag, met rons opgang een schoot met scherp, zo als men naderhand verstond om de vlagge te versekeren of tetoonen dat zij waarlijk portugeesen waaren, dog het Hoofd van 's Nababs vloot zulx anders verstaande ligte het anker, en zeijlde met zijne onderhebbende vaartuijgen agter het por„ „tugees schip rangeerde zig in ordre en Cano„ „neerde hevig op den Portugees, die zijn canon vervolgens ook op de Nababse liet speelen, en daar in gevolgd wierd door de andere schee„ „per S=t Sicilia en Sra deLur, hoewel wijl „nig door het laatste, dat zig van de andere afzonderde, en zo veel de wind toeliet na de mond van de revier retireerde; Intusschen duurde 153 duurde het over en weer schieten nog wat tot dat 's Nababs vloot afdeijnsde en wat over en weer zeijlende, weder op de ordinaire rheede ankerde, hebbende deze attacque geduurt van omtrent half zeven tot circa agt uuren en welke affaire ik hier moest aanzien zonder dezelve te beletten, om dat derheede alhier heel verre buijten het bereijk van ons ge„ „schut legt, en 'er toen ook geen 's Comp:s schip op de rheede lag, die zulks anders zekerlijk wel zoude belet hebben. Jegent de middag quam de tweede Capi„ „tair van het Portugees schip, N=a s=ra deboa viage, in name Anthonij Louis Pereira /zijn„ „de de eerste Capitain aan boord gebleeven en genaamt Gonsalvo De Gerre Jaan de wal; en deed het volgende verhaal: Dat gisteren avond om agt uuren, een vloot van twee, twee maste vaartuijgen en zes galwets op de rheede komende, en onder a het geschut van de portugeeze scheepen s=ra de Luz en st Secilia willende zeijlen, van een ijder dier twee scheepen, een schoot met scherp was gedaan, om buijten het
English
to stay out of the range of their guns, as they believed them to be Marathas, whereupon those vessels also dropped anchor: that in the morning at sunrise, the pals and galwats having hoisted the Nabab's flag, Captain De Gerre of his ship Na Cra deboa viage also had a shot fired with live ammunition at sunrise while hoisting the Portuguese flag, yet not at the Nabab's vessels, but only to make it known that they were truly Portuguese; that thereupon, after a short delay, the Nabab's vessels set sail, and having come behind the ship Na Sra Deboa viage, fired with live ammunition upon it from all sides, so that several cannonballs went into and through the ship, and the fore-topmast was also disabled: That the Nabab's vessels coming within musket shot of the ship, Captain De Gerre had discharged the cannon at them, and shots were then exchanged back and forth, and also from the ship Sr De Luz until the Nabab's forces had abandoned the ship. After I was thus informed of the matter, I sent a person skilled in the Moorish language on board to the head of the Nabab's squadron, and had him inquire whose vessels they were? what the reason was for his coming here to this roadstead, and why he committed hostilities upon the same, and whether he had orders from his Master for that purpose? and since it had meanwhile also been seen that the galwats sailed up to some vessels arriving here or departing from here and brought them to the head of the squadron, I also had him addressed concerning this and warned that unpleasant consequences must arise from this, and that he remained responsible for it. The answer of this fleet commander was that the squadron under his command had been sent out by the Nabab Aijder Alij Chan to keep the pirates out of the fairway: that he had come here to the roadstead for water and firewood: that he had committed no hostilities here at the roadstead, but that the Portuguese had first fired upon him in the evening and in the morning, and he subsequently upon them: that he had no orders from his Master to commit acts of violence here at the roadstead, on the contrary, that his master would punish him for doing so, since he lived in friendship with the Dutch Company: That as for the seizing of arriving and departing vessels, he let them come to him to see if they also had passes from his Master, and he also sent one of his men ashore at the same time to explain further that he had had no intention whatsoever to cause anyone molestation on this roadstead; but that since the Portuguese had fired live ammunition at him both in the evening and in the morning, he had had to take satisfaction for it. I informed this envoy that the firing of the Portuguese had taken place in the evening to not come under their guns, and in the morning, upon hoisting the Portuguese flag, to assure them that they were truly Portuguese, and that I would absolutely not allow them to inspect the departing and arriving vessels, whereupon he answered that this strange custom was unknown to them, and that they had regarded that firing by the Portuguese as nothing other than a challenge or provocation, and likewise that the head of the fleet had not known that inspecting the vessels and inquiring after passes is insulting to us, but that since this displeased me, he would refrain from doing so here at the roadstead. Meanwhile the seizing of the vessels ceased, and the fleet departed two to three days later, yet still roved back and forth for about three days or actually until 18 February, when they sailed up to a vessel coming from the south, about one hour south of the roadstead, and towed the same, with its cargo, to the north: Two persons, having escaped from it with a small craft and arrived here ashore, related that the vessel belonged to Manapaar: that it was provided with a Dutch pass, and was laden with iron belonging to an inhabitant of Ansjenga, where it had taken on freight some iron to be delivered here to the Jewish merchant Samuel Abraham, and that the Nabab's forces had taken this vessel along under the pretext that their Master was very much in need of iron; that it would be brought to Calicut and paid for, just as that vessel was indeed brought there according to private reports received from Calicut; however, the army commander there refused to have anything to do with it, but let the head of the fleet know that he had to answer for this affair to the Nabab himself; meanwhile, the iron has indeed been reclaimed by the English Resident as belonging to English subjects, though as far as is known it has not yet been restored. The arrogance of the Nabab's forces goes far, for although their naval power is not equal to a single well-manned ship, they nevertheless wish to arrogate to themselves the mastery of the sea here just like the Marathas, and compel all traders sailing therein to take passes from them, just as all Bombadasses are already compelled to provide themselves with passes from Aijder Alijchan, except those of Muscetta, whose prince has complained about this to Aider Alijchan, announcing that he would recover the damage done to his subjects upon the ships of Aider Alijchan trading to Muscetta, with the result that they sail freely and unhindered. On 18 February last, the Nabab's vessels departed together to the North, and on the evening of the 19th, about one hour south of this city, two persons came ashore with a small craft, who, having been brought into the city by the native inhabitant and questioned, gave the following account. That that morning, far out at sea, two vessels of the Nabab had engaged in combat
Dutch transcription
het bereijk van hun geschut te blijven, alzo ze meenden dat het Marattas waa„ „ren, waarop die vaartuijgen ook het anker hebben laten vallen: dat 'smorgens met zond opgang de paalen en galwets 's Nababs vlag hebbende laaten waaijen, Capitain De Gerre van zijn schip Na Cra deboa viage ook met zons opgang, onder het opheijssen der portugeese vlagge een scherpe schoot had laten doen, dog niet op 's Nababs vaartuijgen, maar alleen om te kennen te geven, dat zij waarlijk portugeezen waaren; dat daarop, na een wijnig vertoevens, 's Nababs vaartuij„ „gen onder zeijl gegaan, en agter het schip N=a S=ra Deboa viage gekomen zijnde daarop, van alle kanten met scherp geschooten, zodanig dat verscheijde kogels in en door het schip waaren gegaan, en ook de voorstenge onbequaam geraakt was: Dat snababs vaartuijgen tot op een sna„ „phaan schoot bij het schip komende, Capi„ tain De Gerre het Canon op her had laten los branden, en toen over en weer geschooten was, en ook van het schip S=r De F 154. De Luz tot dat de Nababse het schip had„ „den verlaten. Na dat ik dus van de zaak ge-infor„ „meert was, zond ik een persoon, de Moorse taal kundig, na boord bij 't hoofd van 's Nababs Esqua„ „der, en liet hem afvragen, wiens vaartuijgen het waaren ? wat de reeden was van zijn komste hier ter deezer rheede, en waarom Hij op dezel„ „ve hostiliteijten pleegde en of Hij daar, toe ordre van zijnen Meester had. ? en dewijl men intusschen ook had gezien, dat de gal„ „wets sommige vaartuijgen hier na toe ko„ „mende of van hier gaande opzeijlden en bij„ „ ik het hoofd van het Esquader bragten, liet „ hem daar over ook onderhouden, en waarschouwen dat hier uijt onaangenaame gevolgen moesten ontstaan, en dat Hij daar voor verandwoor„ „delijk bleev. Het antwoord, van dezen vloot voogd was, dat het Esquader, onder hem staande, was uijtgezonden door den Nabab Aijder Alij Chan, om de Rovers uijt het vaarwater tehouden: dat hij hier ter rheede gekomen was om water en brandhout: dat hij geen Mostiliteijten Hostiliteijten hier ter rheede had gepleegt, maar dat de portugeezen des avonds en des morgens eerst op hem hadden geschooten en Hij vervolgens op hen: dat hij geen ordre had, van zijn Meester, om fijtelijkheeden hier ter rheede te pleegen, ter contrarie, dat zijn mees„ „ter hem daar over zoude straffen, dewijl met de hollandsche Comp: in vriendschap leefde Dat wat aanging het aanhaalen van de aan „komende en vertrekkende vaartuijgen, Wij dezelve bij zig liet komen, om tezien of ze ook pascen van zijnen Meester hadden, en Hij zond teffens mede aan de wal, een van de zijne om nader te verklaren, dat hij gants geene meening gehad heeft op deze rheede iemand molest aan te doen; maar dat dewijl de portugeesen zo 'savonds als smorgens met scherp op hem hadden geschooten, Hij daar van satisfactie had moeten neemen. Ik onderrigte dezen afgezondenen, d het schieten der portugeeren was geschied, sam om niet onder hun geschut tekomen, en smorgens smorgens, bij het opheijssen der portugeeze vlagge, om hen teverzekeren dat ze waarlijk Portu„ „geezen waaren en dat ik absolut niet zoude toestaan, dat zij de af en aankomende vaartuij„ „gen visiteerde, waar op Uij ten antwoord gaf, dat bij hun die vreemde manier on„ „bekend was, en dat zij dat schieten van de portugeezen niet anders als een uijtdagin„ „ge of terginge hadden aangemerkt, zo mede dat het hoofdder vloot niet geweeten had, dat het visiteeren der vaartuijgen en het ver„ „neemen na passen voor ons beledigende is, dog dat Hij dewijl mij dit mishaagde, daar van hier ter rheede zoude afzien. Jntusschen Cessecade het aanhaalen der vaartuijgen, en de vloot vertrok twee à drie dagen daarna, dog bleef ook nog wel drie dagen of eijgentlijk tot den 18. febr: over en weer swerven, wanneer dezelve een vaartuijg van de zuijd komende, om„ „trend een uur zuijdwaards van de rheede opzeijlden, en het zelve, met zijne lading na de noord sleepte: Twee persoonen met een kleen vaartuijgje daar van ontvlugt, en 155 en hier aan de wal gekomen, verhaalden, dat het vaartuijg tehuijs hoorde op Manapaar: dat het van een Hollandse pas voorzien, en beladen was, met ijzer, toebehoorende een inwoonder van Ansjenga, alwaar het op vragt, ingenomen had eenig ijzer om hier aan den Joods koop„ „man Samuel Abraham afgelevert tewerden en dat de Nababse dit vaartuijg hadden meede genomen, onder voorwendsel, dat hun Meester zeer verlegen was om ijzer; dat het op calicut gebragt en betaald zoude werden, gelijk dan ook dat vaartuijg volgens particu„ „liere ingekomen berigten van Calicut, daar aangebragt is; dog het leger hoofd aldaar, heeft daar mede niet willen tedoen hebben maar aan het toofd der vloot laten weeten„ dat Hij dit gedoente zelfs aan den Nabab moest verandwoorden; intusschen is door den Engelsche Resident het ijzer, als aan Engelse onderdanen toebehoorende, wel terug ge- eijscht, dog zo veel men weet nog niet ge¬ „restitueerd. Den Hoogmoed van de Nababse gaat verre, want schoon hunne magt, ter Zzeegering en 156. en niet bestand is tegen een enkeld wel bemand schip, zo willen zij zig egter het Meesterschap ter zee alhier even gelijk de Marattas, aanma„ „tigen, en alle daar in vaarende trafficanten verpligten, van thun pascen te neemen, gelijk dan ook alle Bombadassen reets verpligt zijn zig van pascen van Aijder Alijchan te voor„ „zien, behalven die van Muscetta, welks vorst daar over bij Aider Alijchan gedoleerd heeft, onder aankundiging, dat hij de schade zijne onderdanen toegebragt, op de scheepen van Aider Alijchan, te Muscetta ten handel vaarende, zoude verhaalen, met dat gevolg dat die vrij en onverhindert vaaren. Den 18. februarij J:o leeden vertrokken 't Nababs vaartuijgen gesamentlijk na de Noord, en den 19 'savonds quamen, omtrend een uur Zuijdwaards van deze stad met een klijn vaartuijgje aan land twee perzoonen welke door den Jnlander, in de stad gebragt, en ondervraagt zijnde, het volgende ver„ „haal deden. Dat dien morgen, diep zee twee vaar„ „tuijgen van den Nabab slaags waaren geraakt
English
engaged with two Portuguese frigates: that the Portuguese had taken one of the Nawab's vessels upon which they had been, and that they had thereupon taken flight with the small boat of that vessel and had come ashore here. Whether the Nawab's men truly engaged in battle on the open sea, and those people fled for that reason, or whether they independently had the inclination to leave the Nawab's service and found the opportunity to do so, could not be known with certainty. Yet it is well known that there were no Portuguese frigates hereabouts at that time. However, if they were engaged in battle, it was with an English ship equipped for war, destined from Bengal to Bombay to serve in the war against the Marathas, of which there was news that it had passed by here at that time; just as one subsequently heard that an English ship, having encountered a small fleet that came under its gunfire, in passing fired several shots at one of the two vessels and damaged it. Uncertainty regarding the Nawab's further intentions. 157. damaged it. Meanwhile, the favorable monsoon has passed this time without the Nawab advancing any further. One guesses at the reason for this: some believe that he wishes to await how matters between the English and the Marathas will turn out; others again that he, not yet being sufficiently secure of the Zamorin's realm, has not dared to take any further step out of fear that the malcontent Zamorin Nairs and inhabitants would join Travancore; then again, that he either spares the Company or has actually waited for our commissioners and flatters himself that he will lead us along on a string in order to subsequently achieve his aim with greater ease. But as for me, I dare not state anything of that nature for certain; nevertheless, it seems very necessary to me merely to keep him talking, which in any case can do no harm, but rather much good. Meanwhile, he has secured his recently made conquests fairly well; at least he has entrusted the old king of Colastrij What the commissioners at Seringapatam heard regarding the Portuguese. with the governance over the occupied realms of Cotteatte and Bargare, so that those lands are mostly governed in the former manner and the inhabitants thereof are not so very dissatisfied as those of the Zamorin's realm, who up to now are very agitated and repeatedly must be brought to quiet by force. Here I must also report, although it is almost unbelievable, namely, how both the commissioners being at Seringapatam heard from an English Doctor of Medicine from Bombay who had some business there, and from a French officer in the Nawab's service (though not the writer of the letters), that the General of Goa has indeed made an application to the Nawab through express envoys, namely for the Nawab's help and assistance of native troops, in the event that they might wish to take Cochin and Colombo (they had named those two places) back from the Dutch, noting that the Dutch, being very fortunate at that time, took everything away from the Portuguese The English and the Marathas 158. and left them virtually nothing of importance, and that the Nawab had flatly rejected this. If the English doctor had not also related this, I would rather think that the Nawab specifically ordered this to be told to our commissioners in order to incite the Company all the more to engage with him in such manner as we would gladly see. For the Nawab is so secret in all his doings that his prime ministers seldom know what is going on with him, and thus it is unthinkable that these two men would be able to know what goes on in the Nawab's cabinet. And therefore I believe most likely that they, having seen envoys from the Portuguese at Seringapatam, merely guessed at it as a consequence of a former rumor and the present boasting of the Portuguese in Goa. The English have driven the Marathas out of the fairway and kept them blockaded in the harbor of Geria, after they had first set fire to their so-called Admiral ship The recently concluded pepper account. and blown it into the air, besides having inflicted much more other damage upon the Maratha vessels. Meanwhile, the English still hold the island of Salsette in possession, are equipping themselves heavily at Bombay, and now that the matter has gone so far, are obtaining reinforcements of men and ammunition from Madras and elsewhere; I say now that the matter has gone so far, because it has been learned that the administration of Bombay took that step on its own authority without authorization from the Bengal government; yet Bassein, upon which the design also seems to have been directed, they have not yet captured. On the 12th of April last, the pepper account of Travancore was concluded. The chief pepper supplier did not come along this time, but the second and third suppliers, known under the name of pepper writers, assisted by the King's agent named Ananda Mallen, were sent for that purpose. I believe that the chief pepper supplier was intentionally not sent out of fear that I might speak too strongly about the meager pepper delivery of this year. I have the king 140
Dutch transcription
geraakt, met twee portugeere freguatten: Dat de portugeezen een van 's Nababs vaar„ „tuijgen waar op zij waren geweest; hadden genomen, en dat ze daar op met het schuijtje van dat vaartuijg de vlugt hadden genomen en hier aan dewal waren gekomen. Of nu de Nababse wezendlijk diep zee slaags zijn geweest, en die menschen daarom, ontflugt zijn, dan wel datze buijten des gene„ „gendheijd gehad hebben 's Nababs dienst te ver„ „laten en daar toe gelegentheijd hebben gevonden, heeft men niet zeker kunnen weeten, dog wel weet men, dat 'er als toen geen Portugeere freguats hier omtrend waaren; dog indien zij slaags geweest zijn is het geweest, met een Engelsch schip, ten oorlog ge-equipeerd van Bengale na Bombaij gedestineerd, om te dienen in den oorlog tegens de Marattas was van men tijding had, dat het te dier tijd hier voor bij was gepasseert, gelijk men dan ook na „derhand gehoord heeft, dat een Engels schip e vlootje ontmoed hebbende, dat onder zijn ge„ „schut quam, empassant, op een van de twee paalen eenige schooten gedaan, en dezelve zelv beschadigt ver on zekerheijd van siababs verdere voorneemen. 157. beschadigt heeft De goede mousson is intusschen ditmaal verloopen, zonder dat de Nabab verder afgeko„ „men is, men gist na de reeden daar van zommige meenen, dat Hij wild afwagten hoe de zaaken tusschen de Engelschen en de Marattas zullen uijtvallen, andere weder dat Hij van het sammorijnse rijk nog niet genoeg verzekerd zijnde geen verdere stap heeft dur„ „ven doen, uijt bedugtinge dat de malcontente sammorijnse Nairossen en ingezetenen zig bij Jrevancoor zouden voegen, dan weer, dat blij of de Comp: onziet, of eijgentlijk gewagt heeft, na onze gecommitteerdens, en zig vlijd dat bij ons aan het lijntje krijgen zal om als dan na„ „derhand, met meerder gemak zijn oogmerk te berijken, dog ik voor mij durve niets van die natuur, voor zeker opgeven, egter komt het mij zeer noodzakelijk voor hem maar aan de praat tehouden, het geen in alle gevallen geen quaad maar veel eer goed kan doen; Hij heeft zig intusschen van zijne jongst ge„ „maakte conquesten tamelijk wel verzeekert ten minsten de oude koning van Colastrij heeft Wat de gecommitteerdens te seringapatnam nopens de portugeesen gehoort hebben. heeft bij het bestier over de ge-occupeerde Rij„ „ken van cotteatte en Bargare opgedragen gelijk dan ook die landen meest na den voorigen voet bestierd worden en de inwoonders daar van niet zo zeer onvergenoegd zijn als die van het sammorijnse dewelke tot als nog zeer gekre„ „veld en telkens met geweld tot stilstand moe„ „ten gebragt worden. Hier moet ik nog melden schoon heb bij na niet tegelooven is, namentlijk, hoe beij „de de gecommitteerdens te seringapatnam zijnde, van een Engels Doctor in de Medicine van Bombaij die daar iets tedoen had, en van een fransch officier in sNababs dienst (dog niet de schrijver der brieven:) hebben ge „hoort, dat de generaal van goa effectiev aan „zoek bij den Nabab heeft laten doen, door expresse zendelingen, namentlijk om 's Na hulp en bijstand van inlandse troupes, ingev het mogt gebeuren, datze Cochim en Colomb (die twee plaatsen haddenze genoemd/ van de Hollanders weder wilden afnemen NB: „wijl de Hollanders als te dier tijd zeer gelu „kig zijnde, den Portugeezen alles afgeiide en 2 De Engelsde en de Martettas 158. en genoegzaam niets van belang gelaten hebben en dat de Nabab zulx glad uijt van dehand gewezen had; indien de Engelse doctor, dit ook niet verhaald had, dan zoude ik veel eer denken, dat de Nabab speciaal gelast heeft om zulx aan onze gecommitteerdens tevertellen, om de Comp: des te meer aantezetten, zig met Htem te engageeren op die wijze als wij gaarne zoude zien, want de Nabab is in al zijn doen zo geheijm, dat zijn eerste bediendens zelden weeten wat 'er bij Hem omgaat, en dus is het niet te denken dat deze twee lie„ „den zouden kunnen weeten wat 'er in 't Cabinet van den Nabab omgaat, en daarom geloove ik voor het naaste, dat zij te sirin¬ „gapatnam, zendelingen van de portugeeren gezien hebbende daar na maar zullen ge„ „raden hebben, als een consequens van een voorig spargement en het tegenswoordig Groot spreeken, van de Portugeezen in Goa. De Engelse hebben de Marattas uijt het vaarwater gejaagd, en in de haven van Geria bezet gehouden, na dat zij alvoorens kun zo genaamd Admiraal schip in brand geschooten e de jongst gesloote pepen reekeninge. geschooten en in de lugt hebben doen sprin„ „gen behalven veel meer andere schaaden aan de Maratse vaartuijgen toegebragt: in„ tussen houden de Engelse het Eijland salsette nog in bezit rusten zig sterk toe op Bombaij en erlangen nu de zaak zo verre is van Madra en elders secours van volk en ammonutie ik zegge nu de zaak zo verre is, om dat men vernoomen heeft dat het Ministerie van Bom „baij die stap op eijge authoriteijt zonder qua „lificatie van de Bengaalse Regeering, gedaa heeft: dog Bassin waar op de toeleg ook schijp geweest te zijn hebben ze nog niet vermeestert; Den 12. ' April J:o leeden is de peper reek . „ninge van Jaevancoor geslooten, de Hoofd per „per leverancier is ditmaal niet mede gekomen maar de tweede en derde leveranciers bekend onder de naam van peper schrijvers ge-a „sisteert door 'sKonings Agent genaamt Ana „da Mallen zijn daar toe gezonden, ik ge„ loove dat de boofd peper leverancier expres niet afgezonden is uijt bedugting dat ik mogelijk over de magere peper leverantie van dit jaar testerk spreeken zoude, ik hebbe de kon 140
English
The King of Cranganore's visits in the city. I have nevertheless spoken with the aforementioned three persons more closely and seriously about this, but in a somewhat gentler manner than I am accustomed to doing, for the sake of the present circumstances; but they very politely requested me that I might not take it so ill, testifying that it had been entirely impossible for His Highness this time to deliver more pepper, with a firm promise that it would go better this year; upon which I dare not rely, however, all the less because this year we indeed had an excessive and prolonged drought, and because they made me such good promises, I have not reduced the ordinary gift substantially; last year it amounted to f 256. 16. –. and now f 199. 4. –., in order not to be too harsh. The new delivery is proceeding again in the meantime; under the date hereof between 3 and 400,000. lb. has been delivered. On March 24, the king of Cranganore paid a visit to me in the city for the first time; I spoke to him at length about his indolent The private trade. manner of governing and that he allows himself to be so misled by his ministers, which I experience daily when settling native complaints and other such things; at the same time I addressed him in a prudent manner about his recent conduct regarding the Samorin and the Nabab; he candidly confessed to me that in A:o 1766, out of fear of the Nabab, he promised an offering which he could not provide at the time, and therefore had to give last year: and because he is indeed a simple man, and the affairs of his kingdom are much neglected, of which he now seems to be convinced, I have persuaded him so far, as he is also doing at present, namely that he communicates everything that occurs with him to the Resident of Cranganore, and the effect thereof has been very good until now. The private trade on account of the Company has also been fairly successful this time; the time had already passed somewhat before I received Your Right Honorables' approval regarding it; The general trade I nevertheless immediately pursued the same with more earnestness: as soon as the yield thereof has been drawn up by the secunde, I will have the honor to dispatch it to Your Right Honorables; this I can already assure Your Right Honorables in advance, however, that what has been cleanly gained thereby for the Company far surpasses that of last year. In the general letter it is stated that the late arrival of the second ship disrupted trade so much that it would have had to come to a complete standstill if I had not found the opportunity to keep it going for some time through the authorization obtained from Your Right Honorables, by which I actually mean the sale of pepper, and the private trade on account of the Company, for everything was sold out, and thus it is natural that I would not have been able to accommodate the traders if I had not purchased goods privately, with which I can accommodate the foreign merchants and keep the trade lively for a time as well as with the sale of pepper, when the private sugar was also already sold out, and from which it appears that the sugar as well as the pepper is the lure to attract the traders hither and thus both of these articles are necessary to make the trade flourish here, and to dispose of the Company's bar copper and spices; this I have seen clearly this time, for as long as sugar was sold, spices were sold at the same time, but as soon as the Company's and private sugar from Zeeduijn was finished, I immediately saw a decrease in the sale of spices, which then would not have been fetched at all if I had not sold some pepper with it; but as soon as the Macao traders came here, and not daring to bring their sugar further because of the unrest in the North, sold the same to the Company, the sale of spices began to increase again, so that with that latter or Macao sugar, I disposed of the rest of the spices. When The Canarese Cristna Porboe. When I addressed Your Right Honorables in my respectful letter of January 1 about what occurred with Callaga Porboe and the reasons that moved me to send him away, I also demonstrated at the same time how a certain Canarese by the name of Crisna Porboe had collaborated closely in this business, and that I therefore intended to send him to Ceylon; but since then I have thought it best to send him further away from here, and take the liberty to send him over with the bearer hereof at the disposal of Your Right Honorables, with the request that he may at least not come hither for the present, as I fear that if what occurred between him and the servants of the King of Cochin should at times become known, this might cause me trouble; what is charged against him does not, according to the way of thinking among the natives, make him guilty to such a high degree as to have to undergo severe punishment for it; it is sufficient if he does not come here in the first years, and I trust that Your Right Honorables, also considering this as such, will there
Dutch transcription
de koning van Cranganoors visites in de stad. hebbe met voorsz: drie perzoonen egter eens nader en serieuslijk daar over gesprooken, dog op eene wat zagtere wijze als ik gewoon ben tedoen, om de wille van de tijds omstan„ „digheeden, dog zij verzogten mij zeer vrien„ „delijk dat ik dat tog zo qualijk niet mogt neemen, onder betuijging dat het zijn ho=t ditmaal volstrekt onmogelijk was geweest meer peper televeren, met kragtige belofte dat het ditjaar beter zoude gaan; waarop ik egter niet rekenen durve te minder wij dit jaar effectiev een excessive en lang„ „duurige droogte gehad hebben, en om dat ze mij zulke goede beloften deden heb„ „be ik het ordinair geschenk ook niet van belang vermindert; verleeden Jaar bedroeg het ƒ256. 16. –. en nu ƒ 199. 4. –. om niet al te hard te zijn; De nieuwe leverantie gaat intussen weder voort, onder dato dezes is 'er geleverd tusschen de 3. à 400'000. lb: Den 24. ' Maart heeft het koningje van Cranganoor voor de eerste maal bij mij in de stad een visite afgelegt; ik hebbe Hem omstandig onderhouten over zijn in„ „dolente 8 159 de particuliere Handel. dolente manier van regeeren en dat hij zig van zijn Ministers zo laat mislijden, het geen ik dagelijks ondervinde, bij het afdoen van inlandse klagten en diergelijke dingen meer, teffens hebbe ik hem op een voor zig, „tige wijze onderhouden, over zijn laatste gedrag omtrend den sammorijn en den Nabab; Hij heeft mij openhartig bekend, dat blij A:o 1766. uijt vreeze voor den Nabab een offerte beloofd heeft, die hij toen niet kon fourneeren, en daarom nu verleeden jaar heeft moeten geven: en dewijl bij effectiev een onnozel Man, is, en de zaken van zijn Rijk veel verwaarloosd worden, waar van bij nu overtuijd schijnt te zijn, zo hebbe ik hem zo verre gedisponeert, gelijk hij ook tans doet, namentlijk dat hij van alles wat bij hem voorvald, communicatiev gaat met den Resident van Cranganoor en het effect daar van is tot nog toe heel wel. De particuliere Negotie voor reekening van de Comp: is ditmaal ook tamelijk geluk de tijd was al wat verloopen eer ik uw Hoog Edelheedens goedkeuringe daar omtrent de al ontving de algemeene Handel ontving: ik hebbe dezelve egter ten eersten met meer ernst voortgezet: zo dra het rendement daar van door den secunde zal opgemaakt zijn, zal ik de eere hebben uw Hoog Edel„ „heedens het zelve toeteschikken: dit kan ik egter uw Hoog Edelheedens bij voorraad verzekeren, dat het geen daar meede zuijver voor de Comp: gewonnen is, verre dat van verleeden Jaar surpasseerd. Bij de algemeene briev word gezegt dat de laate aankomst van het tweede schip den handel zo zeer gederangeerd heeft dat dezelve ten eenemaal zoude hebben moeten stilstaan indien ik geen gelegentheid gevon„ „den had, dezelve nog eenigen tijd aan den gang tehouden door de erlangde qualificatie van uw Hoog Edelheedens, waarmeede ik eij„ „gentlijk meene den verkoop van peper, en de particuliere handel voor reekening van de Comp:, want alles was verkogt, en dus is het natuurlijk dat ik de handelaars niet zoude hebbe kunnen gerieven indien ik geen Goe„ „deren particulier hadde ingekogt, waarmede ik de vreemde kooplieden kan gerieven en den 160 den handel een tijd lang levendig houden zoo wel als met de verkoop van peper, toen de particuliere zuijker ook al verkogt was, en waar uijt blijkt dat zo wel de zuijker als de peper het lok-aas is om de handelaars hier na toe te trekken en dus beijde die artikels noodzakelijk zijn om den handel hier te doen bloeijen, en 'sComp:s staafkoper en specerijen tevertieren; dit hebbe ik dit maal duijdelijk gezien, want zo lange er zuijker verkogt wierd, wierden teffens specerijen verkogt, maar zo dra 'sComp:s en particuliere zuijker van Zeeduijn op wat, zag ik ten eersten verminderinge in den verkoop van Spe„ „cerijen, die toen in 't geheel niet zouden af„ „gehaald zijn geworden, indien ik niet wat peper daar bij verkogt had, maar zo dra de Maccauws vaarders hier quamen, en wegens de onlusten om de Noord hun zuijker niet verder durvende brengen, dezelve aan de Comp: verkogten, begon de verkoop van spe„ „cerijen weder toetenemen, zo dat ik met die laatste of Maccauwse zuijker, de rest van de spece„ „rijen aan den man geholpen hebbe. Toen Toen ik uw Hoog Edelheedens bij mijn de lanarijn Cristna porboe. Eerbiedige van den 1. ' Januarij onderhield over het voorgevallene met Callaga Porboe en de reeden die mij bewoogen hebben om hem te verzenden hebbe ik daarbij teffens aangetoond, hoe zeeker Cannarijn in naame Crisna porboe in dezen handel zeer meede gewerkt had, en dat ik daar om voornee„ „mens was hem na Ceilon te versenden: dog 't ze„ „dert hebbe besh. gedagt hem verder van hier te verzenden, en gebruijke de vrijmoedigheid Hem met brenger dezes overtezenden ter dispositie van uw Hoog Edelheedens met verzoek dat blij= ten minsten voor eerst niet herwaards komen mag, wijl ik bedugt ben, dat zo het voorgeval„ „lene tusschen hem en de Bediendens van de koning van Cochim zomtijds mogt rugtbaar worden mij dit aan moeijte helpen kon; het geen 'er tot zijn lasten is, maakt hem wel juijst naar de wijze van denken onder de inlanderen niet schuldig in zo een hoogen graad, om daar over swaare straffe temoeten ondergaan: het is genoeg als hij in d' eerste jaaren niet hier komt, en ik vertrouwe dat uw Hoog Edelhee„ „dens zulx ook zoodanig considereerende hem ginter
English
the fraud committed in the Trade books. 161 will please keep them there solely in custody for some time. The Secunde van de Graaff has delivered to me his further report in the case of Jzaaksz:, with the appendices belonging thereto, among which are also the authentic proofs that were required by Your High Nobilities and are to be found here, which papers I have the honor to present herewith to Your High Nobilities. As regards the shopkeepers' deficit in accountability demonstrated by van de Graaf from their own accounts and books, there is certainly no doubt about it, and as it thus appears that the shopkeepers, at least as far as these entries are concerned, acted together in this with Jzaaksz:, who arranged this for them in the Trade Books, this certainly also gives a strong presumption regarding other entries that are less proven. Concerning the entries of the petty cash indicated by van de Graaff: One cannot doubt that the Company was shortchanged by the cashiers, on account of all that they counted too little in the receipts and too much in the disbursements, at at least this is proven by all such sheets in which no forgery was committed, and from which it appears that the cashiers, according to the count made therewith, closed and accounted for their balance. As regards the debits that van de Graaf indicates were made from the year 1761 to the year 1766 inclusive to Ezechiel's account: One cannot deny that the Warehouse Master of that time lies under suspicion in this matter, and it is even incomprehensible how Jzaaksz: could have committed this fraud without his participation, unless the Cashier was also more or less involved therein, as one seems to have to deduce from the correspondence of Ezechiel's notes with the Cashier's monthly accounts; for although the proof for this is only derived from a Memorial, and such daily notes certainly do not have an equal credibility to a regular Trade Book, these notes nevertheless acquire, however simply they were kept, a high degree 162 degree of probability, due to the exact correspondence of the entries noted therein, both in the quantities and in prices of the goods, with the Cashier's monthly accounts; moreover, the aforesaid debits made are in themselves extremely suspicious, and that separate money sometimes came in for them may easily be a consequence solely of Jzaaksz:'s arrangements, without anything positive being able to be concluded therefrom as to the lawfulness of these debits. The discrepancies in the auction account probably arose, as van de Graaf indicates, solely through Jzaaksz:'s thefts without other help; on the other hand, it is indeed utterly impossible that Jzaaksz:'s false write-offs (for the amount of the goods that are still missing in the warehouse, beyond what was written off to Ezechiel's account and the auction account) could have had any real effect, if the cashiers or the warehouse masters had not agreed with him in this; but the dispute over this between these administrators cannot, on account of the defective defective papers, be decided, at least in so far that one can convince neither the one nor the other of it with completely certain proof; so that if, beyond the other entries of theirs, any recovery is still to be sought, such can only be by way of convincing those who, from visible documents, appear to have participated with Jzaaksz: in this fraud; yet how far the Cashiers lie under suspicion in this is uncertain; but since the corruptions and forgeries in the monthly accounts of the petty cash remained without consequence for the cashiers, this is perhaps one more reason to suspect them less therein than others. It likewise also appears to me that one cannot, solely from the proof that can be drawn from the deficits drawn up in their time according to the Trade books and the monthly accounts of the petty Cash, hold the Warehouse Masters to be fully proven accomplices of Jzaaksz:, 163 so as to demand compensation from them based thereon, unless it appears from elsewhere that they were effectively of one mind with Izaaksz: and thus guilty together with him. As regards further the management of the main cash; the demonstration that van de Graaf gives of it shows that the false entries and write-offs, so far as they can be traced, never had any actual effect, and as regards the uncertain entries that have their relation to the missing Cash accounts, the reasons upon which van de Graaf bases his opinion in this regard also appear acceptable to me. Of the remaining administrations he shows that no further confrontation can be made, and so I hope that he has given satisfaction to Your High Nobilities with this labor of his, and in so far as there was any possibility for it, will have fulfilled the objective more than has yet been fulfilled. A Secunde who diligently assists the Chief Commander here in the trade, as van de Graaff truly
Dutch transcription
de gepleegde fraude bij de Negotie boeken. 161 ginter eenelijk voor eenigen tijd in zeeker„ „heijd zullen gelieven tehouden. De secúnde van de Graaff, heeft mij zijn nad berigt in de zaak van Jzaaksz: overgegeven, met de daar toe behoorende bijlagen waar onder ook de authenticque bewijzen, die door uw Hoog Edelheedens gerequireerd en hier te vin „den zijn, welke papieren ik de eer hebbe uw Hoog Edelheedens hier nevens aantebieden. Wat aangaat de door van de Graaf aan „getoonde tekort verantwoordinge van de win„ „keliers uijt hunne eijge reekeningen en boeken„ daar over valt zekerlijk geen bedenkinge, en wi het dus blijkt, dat de winkeliers, ten minsten, zo veel deze posten aangaat, met Jzaaksz:, die dit voor hun bij de Negotie Boeken plooijde hier in hebben 't zamen gedaan, zo geeft dit zeker „lijk ook een groote presumptie, omtrend an„ „dere posten, die minder bewezen zijn. Betreffende de posten van de kleene kas door van de Graaff aangeweesen: Men ko niet twijffelen of de Comp: is door de cassiers verkort, wegens all' het geen zij in den ontvan te miss en in de uijtgaves teveel geteld hebben ten ten minsten dit bewijzen alle zulke vellen, waar in geen vervalsing is gepleegd, en waar van het blijkt, dat de cassiers volgens de daar bij Gedaane telling, blun restand afgeslooten en verantwoord hebben. Wat aangaat de belastingen, die van de Graaf aanwijsd, dat van het jaar 17 6/1 tot het 54 en jaar 17 6/6. ingeslooten op Ezechiels reekening ge„ „daan zijn: Men kan niet ontkennen, dat de Pakhuijsmeester van die tijd daar in onder verdenking legd, en het is zelfs niet te begaij„ „pen, hoe Jzaaksz: dit bedrog buijten zijn participatie zoude gepleegd hebben, in dien de Cassier, daar in niet, min of meer is gemengt geweest, gelijk men uijt de overeen„ „stemming van Ezechiels aanteekeningen met sCassiers maand reekeningen, schijnd temoeten opmaaken; want of wel het bewijs hier toe maar ontleend word, uijt een Memoriaal, en dat zulke dagelijkse aanteekeningen, zekerlijk niet hebben een gelijke geloofwaar„ „digheijd met een gewoone Negotie Boek, zo krijgen egter deze aanteekeningen hoe een„ „voudig ze ook gehouden zijn, een hooge graad 162 graad van waarschijnlijkheid, door de nette over een stemming, der daar bij genoteerde posten zo wel in de quantitijten, als in prijzen der goederen met 'sCassiers maand reekeningen, bo¬ „ven dien, zo zijn de voorsz: gedaane belastin„ „gen op zig zelve ten uijttersten verdagt, en dat daar voor zomtijds appart geld ingekomen is, kan ligtelijk een gevolg zijn alleen, van Jzaaksz: schikkingen, zonder dat daar uijt voor de wettigheid van deze belastingen, iets positievs te besluijten valt. De verschillen in de vendu reekening zijn waarschijnelijk ontstaan, zo als van de Graaf dat aanwijld door Jzaaksz: dieverijen allee zonder andere hulp, daar en tegen is het wel volstrekt onmogelijk, dat Jzaaksz: valse afscho vingen (voor het beloop der goederen, die in he pakhuijs, buijten het geen op 2 Zechiels reekening en de reekening van vendutie afgeschreven is, nog tekort komen/ eenig werkelijk gevolg kond gehad hebben, indien de cassiers of de pakhuijs „meesters het hier in met hem niet waaren eens geweest, dog het geschil hier over tusschen deze administrateurs kan mits de gebrek „kige „kige papieren niet worden beslist, ten minsten in zo verre dat men nog den een nog den an„ „deren met volkomen zeker bewijs daar van overtuijgen kan, zo dat indien 'er buijten de andere posten van thun nog eenig ver„ haal zal worden gezogt, zulks alleen zijn kan, bij wege van overtuijginge der geene, die uijt zigtbaare stukken, komen te blij„ „ken, dat zij met Jzaaksz: in dit bedrog heb„ „ben geparticipeerd: dog hoe verre de Cassiers hier in onder verdenkinge leggen, is onzeker; dan dewijl de verdervingen en vervalsingen in de maand-reekeningen van de kleene kas, voor de cassiers buijten gevolg gebleeven zijn, zo is zulks mogelijk wel een reede temeer, om hun daar in minder als andere te verdenken. Ook komt het mij insgelijks voor dat men de Pakhuijsmeesters eenelijk uijt het bewijs, dat men trekken kan, uijt de te kort komingen in hun tijd opgemaakt, volgens de Negotie boeken en de maandreekeningen van de klijne Cas, voor geen volkomen beweezene mede pligtige van Jzaaksz: houden 8 163 houden kan, om daar op van hun vergoedinge te vorderen, indien niet van elders blijkt dat zij effectiev met Izaaksz: eens gezind geweest en dus met hem tezamen schuldig zijn: Wat voorts de behandeling van de groote kas aangaat; de aanwijzing die van de Graaf daar van doet, toond aan, dat de valse in en afschrijvingen, zo verre ze nategaan zijn, nooit eenig dadelijk gevolg gehad hebben en wat de onzekere posten aangaat, die Haare relatie hebben, tot de ontbreekende Cassa reekeningen, de reeden waar op van de Graaf zijne meening derwegens Grond komen mij mede aanneemelijk voor Van de overige administratien toondsi aan dat 'er geen verdere confrontatie te doen vald, en dus hoope ik dat hij uw Hoog Edelheedens, met dezen zijnen arbeijd genoegen gegeven en voor zo verre daar toe maar eenige mogelijkheijd geweest is meer aan het oogmerk voldaan zal heb ben, als 'er nog aan voldaan is: Een secu de die den Hoofd gebieder hier in den ha „del naarstig assisteerd, gelijk van de Gaae waarlijk 8
English
truly does, has occupation enough with that alone, not to mention that he also finds his work as Head Administrator and Trade Bookkeeper, and since I assigned the aforesaid investigation to him and strongly encouraged him to do it, just as he also frequently had to buy out hours from it that are granted for rest, so I hope all the more that Your High Excellencies will be pleased with his work. In the meantime I have the high honor to remain with the greatest respect, undersigned, High Noble, Grand Honorable, Wide-ruling Lord, and Right Noble Lords! Your High Excellencies' very obedient and humble servant, was signed, A:n Moens. In margin: Cochim the 12th of May 1775. Lower: P: S: At the closing of this, the King of Jrevancoor has me requested for ten of the best copper drums: and since I had none here, I promised His Highness to request the same from Batavia, so I request that Your High Excellencies will please be so good as to send the aforesaid ten copper drums here: the lighter they are, the more he prefers them, and this is properly the reason why he desires the smallest sort, as the same have been made known in the general letter; I hope that there will be so many to spare over there, for with such conveniences one can still do him much pleasure, and it would vex me at present, if the Company could not provide him with the same, that he would then go and request those drums from the English; at least I have assured His Highness that if they are in stock at Batavia, Your High Excellencies will provide him with the same with all pleasure. Agrees, JDaminelous Clerk Separate Copy 164. Batavia To His High Excellency The High Noble, Grand Honorable Lord Petrus Albertus van der Parra Governor-General Together with The Right Noble Lords Councillors of Dutch India. High Noble, Grand Honorable, Wide-ruling Lord, Right Noble Lords! On the occasion that the ship De venus has arrived at Tutucorijn, and is to depart from there directly to Batavia in the latter part of this month, I have the honor to present to Your High Excellencies the duplicate of my last separate letter directed to Your High Excellencies. I have shown Your High Excellencies thereby the necessity that exists in my opinion to ensure that Jrevancoor, in his present embarrassment and uncertainty regarding Aijder Alijchan, does not engage himself with the English after all, and entirely abandon his trust or hope in us: so I have meanwhile encouraged Jrevancoor in a cautious manner and made him understand that it is never to be believed that the Nabab will attack him, as long as he knows that the Company is his friend, and that the latter therefore now depends only on himself, by making himself worthy of the Company's friendship through faithful compliance with that to which he has bound himself by contract, and among other things also principally through delivery of the contracted pepper; and so that his trust in the Company may increase all the more, and the English in the meantime would not talk him out of as much pepper as lately, 165. lately, so I have very specifically taken care that he, through his Agent who usually resides here to see and learn what is going on, as it were, entirely without my knowledge, came to know that our commissioners who recently visited the Nabab had clear orders to include him, together with the ruler of Cochin, in the friendship as the Company's friend and ally, and I know from close observation that he is exceptionally pleased with this, for although the commissioners indeed had no opportunity to speak of it, he still knows no better up to now than that it effectively took place; and thus this can work more trust in us with him than if I had let him know such directly, and which is also why, whenever he has me sounded out now and then, I expressly answer only simply that His Highness must only deliver pepper well, and for the rest just let me go my way; and as a result thereof I have the pleasure of being able to inform Your High Excellencies that I can notice from several circumstances that, however much the English are still strongly busy to bring Jrevancoor into their interests and achieve their aim, the King has nevertheless not yet let himself be persuaded, and I believe most likely that he is actually waiting and first wants to see what answer will come from Your High Excellencies, in order then to take his measures accordingly. I also informed Your High Excellencies recently that I had settled the annual account with Jrevancoor, but I forgot to mention therewith that he then again requested not 10, but only 7 pepper passes, ostensibly to show thereby that he does not intend to send much pepper to Cormandel, but would rather first provide the Company with as much as will be possible for him, which I then also simply went along with; but I believe most likely that he did not dare to ask for 10 passes out of apprehension that I would have refused him the same. With
Dutch transcription
waarlijk doet, heeft daarmede alleen occu¬ „patie genoeg, geswijge dat blij als Hoofd admi„ „nistrateur en Negotie Boekhouder almede zijn werk vind, en vermits ik hem voorsz: onderzoek opgedragen, en daar toe sterk aangemoedigt hebbe, gelijk hij dan ook daar in menigmaal uuren heeft moeten uijtkoopen, die voor de rust gegund zijn, zo hoope ik des te meer, dat uw Hoog Edelheedens in zijn werk genoegen zullen neemen. Inmiddels hebbe de hooge eere met demeeste eerbied te verblijven /:onderstond:/ Hoog Edele, Groot Agtbaare, wijdgebiedende Heere, en Wel Edele Heeren! uw Hoog Edelheedens zeer gehoorzame en onderda„ „nige Dienaar /:was getekend:/ A:n Moens„ /:in margine:/ Cochim den 12. ' Maij 1775. /lager:/ P: S: Bij het sluijten dezes laat mij de koning van Jrevancoor verzoeken om Thien van de beste kopere Grommels: en dewijl ik 'er hier geene had, zo hebbe ik zijn Ho:t beloofd, dezelve van Batavia te zullen eijsschen, dus ver„ „zoeke dat uw Hoog Edelheedens zo Goed ge„ „lieven „lieven te zijn om voorsz: thien kopere Trom„ „mels dit heen tezenden: hoe ligter ze zijn hoe liever hij ze heeft, en dit is eijgentlijk de reeden waarom blij de klijnste zoort begeert, gelijk dezelve zodanig bij de gemeene briev bekend gesteld zijn, ik hoope dat 'er ginter zo veel te missen zullen zijn, want met dier„ gelijke gerieflijkheeden kan men hem nog al veel plaijzier doen, en het zoude mij thans spijten, indien de Comp: hem dezelve niet kon bezorgen, dat hij dan die trommels van de En„ „gelse zoude gaan verzoeken, ten minsten ik hebbe zijn blo:t verzekerd dat als ze te Bata„ „via in voorraad zijn uw Hoog Edelheedens hem dezelve met alle plaijzier zullen bezorgen accordeert JDaminelous Clerce Copia Apar 164. Batavia Aan zijn Hoog Edelheijd Den Hoog Edelen, Groot Agtbaaren Heer Petrus Albertus van der Parra Gouverneur Generaal Benevens De wel Edele Heeren Raaden van Nederlands Jndia. Hoog Edele Groot Agtbaare Wijdgebiedende Heer wel Edele Heeren! Bij gelegentheijd het schip De venus te Tutucorijn aangekomen, van daar in het laatste van deze maand direct na Batavia staat te vertrekken En vertrekken, hebbe de eere uw Hoog Edelheedens aantebieden het Dupp:t van mijnen laatsten apar„ „ten aan uw Hoog Edelheedens gerigt. Jk hebbe uw Hoog Edelheedens daar bij ver„ „toond de noodzakelijkheid die 'er is na mijne gedagten om tezorgen dat Jrevancoor in zijne tegenswoordig verlegentheijd en onzekerheijd no„ „pens Aijder Alijchan zig tog niet met de Engelse engageere, en zijn vertrouwen of hoope op ons ten eenemaal late vaaren: dus hebbe ik intussen frevancoor op eene voorzigtige wijze moet in 't lijf gesprooken en doen begrijpen dat het nimmer te gelooven is, dat de Nabab hem overvallen zal; zo lange hij weet, dat de Comp: zijn vriend is, en dat dit laatste derhalven nu van hem zelven maar afhang met zig 'sComp:s vriendschap waardig temaken door getrouwe nakominge van het geen, waar toe bij zig bij contract verbonden heeft, en onder andere ook voornamentlijk door led „verantie van de gecontracteerde peper, en op dat zijn vertrouwen op de Comp: des temeer moge aangroeijen „ de Engelse hem intussche zo veel peper niet zouden afpraaten als laatst 165. laatst, zo hebben wel speciaal gezoagd, dat Hij door zijn Agent die hier doorgaans zig ophoud om te zien en te verneemen, wat 'er omgaat, quanswijs, even al buijten mijn kennisse teweeten is gekomen, dat onze gecommitteerdens die onlangs bij den Na„ „bab geweest zijn, duijdelijke last gehad hebben, om hem benevens den Cochimer als 'sComp:s vriend en bondgenoot in de vriendschap in te sluijten, en ik weet van na bij, dat Hij daarmeede bijzonder in zijn schik is, want schoon de gecommit„ „teerdens wel geen gelegendheijd gehad hebben om daar van tespreeken, zo weet Hij tot nog toe niet beter, of het is effectiev geschied; en dus kan dit bij hem meer vertrouwen op ons uijt werken, als of ik hem zulks direct had laten weeten, en waarom ik ook wanneer hij mij nu en dan laat polsen, expres maar eenvoudig antwoorde, dat zijn Ho: maar braav peper leveren, en voor de rest mij, mijn gang maar moet laten gaan, en ik hebbe als een gevolg daar van het genoegen uw Hoog Edelheedens temogen n temogen bedeelen, dat ik uijt verschijde omstan„ „digheeden kan bemerken dat hoe zeer de Engelse tot als nog sterk bezig zijn, om fre„ „vancoor in hunne belangens tebrengen en hun oogmerk te berijken, de koning zig egter nog niet heeft laten overhalen en ik geloove voor het naaste, dat hlij eijgentlijk wagt en eerst zien wild, wat antwoord van uw Hoog Edelheedens komen zal om dan zijne maatregulen daar na te neemen. Ook bedeelde ik uw Hoog Edelheedens laatst, dat ik met Grevancoor de jaarlijkse reekening geslooten had, dog ik hebbe daar bij vergeeten te melden dat hij toen weder geen 10. maar alleen 7. peper passen verzogt heeft quanswijs om daarmeede te toonen, dat Hij niet voorneemens is veel peper na Corman „del te verzenden, maar liever eerst aand Comp: zo veel bezorgen wild, als htem zal mogelijk zijn, het geen ik mij dan ook maar hebbe laten aanleunen; dog ik gelood voor het naaste dat hij om geen 10. passen heeft durven vragen uijt bedugtinge, dat ik hem dezelve zoude gewijgerd hebben Bij
English
By that same letter, I made mention of a vessel south of this river that was said to have been taken by the Nabab's fleet, and that I lodged a complaint about this with the Nabab. Since then, the Chief of Jallicherij, because the cargo belonged to the English at Ansjenga, has also lodged a complaint about it with the Nabab, and now I am informed that the said vessel and goods have been released without retaining the slightest thing; however, it is not known whether the admiral was reprimanded for his conduct, which I also do not believe. In my Separate of the 10th of October of last year, I reported that the Cochin ruler had received a piece of land from the Nabab, which previously belonged to him, but had since been taken away by the Zamorin. However, since then, or rather when the transfer was to take place, the Cochin ruler, seeing that the territory was not ceded completely but only in part, refused to accept that part and thus made no further application to the Nabab for it, so that His Highness has received little for his two lakh rupees. Recently I received from the Nabab a letter in French addressed to the Governor of Nagapatnam, but superscribed to me, of which a copy is attached hereto, and its translation reads as follows: To Mister van Vlissingen, Governor on behalf of the Dutch Company at Nagapatnam. Sir! I have received the letter which your honor wrote to me in Persian, dated the 26th day of the month Zilkat 1188 [1774], through your vakil (agent), who duly handed it to me. The sincerity with which you have written to me makes me presume that our friendship will be of longer duration. In the past year, on the 18th day of the month Zilkat 1187, I sent to you Madi Alikan to negotiate with you in my name, who upon his return spoke of you to me with high praise, in which I have been further confirmed by your letter. The various matters that were negotiated, spoken, and done on both sides in the meetings you held with him, I have no doubt, are all very well remembered by you. The letter that you sent to me with the aforesaid Madialikan was likewise duly handed to me, and in reply to the same, I had written to you to send to me the Dubash Herli Poulle and Merbacker, your Persian writer, as well as another person, to reside with me as your Ambassador; and instead of those men, you have sent me the Brahmin Narsingue, with whom you wrote me your last letter. In the past year, a man had come to me from Lianour, likewise named Narsingue, presenting himself as your agent and as sent by you; but I discovered his deception, which is why I took no notice either of what he presented to me on your behalf, or of what I told him in reply. I am convinced that you take no more notice of him than I do. Through this my letter you will perceive how very simple and just my intentions are regarding the alliance and friendship that I desire to exist between your Honorable Company and me, as well as with you in particular; and if this friendship happens to be lasting, as I do not doubt in the least, it will certainly be an advantage for your Company, and the true means to prevent our enemies from undertaking anything unlawful against either of us, as Machmet Alichan and the English have done with regard to your factory of Naour situated in the kingdom of Tanjore, by taking possession of it without any sufficient reasons and out of pure malice, contrary to all the laws of war, which, I declare, has caused me a sensible grief. Your Company, having many possessions and war supplies, and very much power spread over a great number of factories in the Indies; can it not take back, or put itself in a position to take back, this settlement? Its negligence on that matter is a riddle to me that certainly causes me much trouble; the reason that has prevented your Company from taking revenge on Machmet Alikan is perhaps that it was not allied with any princes of this country who could grant it help and assistance. You will perhaps be informed of the extraordinary favor that Divine Providence has granted me by making me victorious over the English and the Marattas, with whom I have had a long and cruel war, whereby I have secured a well-established peace for my states, after having filled my enemies with terror and dread of the power of my arms, and brought them so far that they no longer disturb me. (was signed:) The Nabab Hyder Alikan Bader. (in the margin stood:) The 19th day of the month Rabissani in the year of the Hegira 1189. I therefore immediately sent this letter to Coromandel; and I think that the Nabab must have written to both of us at that same time, and that those two letters were mistakenly enclosed in the wrong envelopes, so that I may in the same way receive a letter from Mr. van Vlissingen, which will certainly serve in reply to one that I wrote to him after the return of the Commissioners, to communicate the dispatch of his letter and presents to Batavia. From the aforesaid letter to Mr. van Vlissingen, it clearly appears with what earnestness and zeal he seeks to strengthen himself through us, as if he foresees that something will happen to him, unless his far-reaching designs alone incite him to this. I have obtained from a certain native an account concerning the Marattas and the English, which, although simple and even somewhat
Dutch transcription
Bij die zelvde brico, hebbe meldinge ge„ „maakt van een vaartuijg dat bezuijden deze revier door 's Nababs vloot zoude genomen zijn, en dat ik daar over bij den Nabab gedoleerd hebbe: 'tze„ 166. . „dert heeft de Chef van Jallicherij, om dat de ladin„ „ge aan de Engelse te Ansjenga toebehoorde bij de Nabab daar over ook gedoleerd en nu ben ik onderrigt, dat gem: vaartuijg en goederen zonder het geringste aantehouden gelargeerd zijn, dog het is niet bekend of de zee voogd over zijn bedrijf gecorrigeerd is, het geen ik ook niet geloove, Bij mijne Aparte van den 10. ' october J:o leeden hebbe gemeld dat de Cochimer een stuk grond van den Nabab gekreegen had, het geen hem bevoorens toebehoord heeft, maar 't zedert door den sammorijn afgenomen is; dog 't zedert of eijgentlijk wanneer de afgave zoude geschieden heeft de Cochimer ziende dat ttens die landstreek, niet ten eenemaal maar voor een gedeelte afgestaan wierd, dat gedeelte niet willen accepteeren en dus geen instantie meer bij den Nabab daarom gedaan, zo dat zijn Ho:t voor zijne twee lak ropijen wijnig gekree„ gen „gen heeft. Dezer dagen erlangde ik van den Nabab een briev in 't frans aan den Heer Gouverneur van Nagapatnam gerigt, dog aan mij gesupmr „schibeerd, waar van de copia hier nevens gaat en dies vertalinge aldus luijd. Aan Mijn Heer van Vlissingen Gouverneur van wegens de Holland „se Comp: te Nagapatnam. Mijn Heer! Jk heb ontvangen de briev, die vrold: mij geschreeven heeft in het persiaans gedateerd den 26. ' dag van de maand zilkat 1188. ƒ1774 door uw waguille (zaakbezorger) die ze mij behoorlijk heeft inhandigt: De opregtheijd, waarmede gij mij hebt geschreeven, doet mij vermoeden dat onze vriendschap van langer duur zijn zal. In het jongst gepasseerde Jaare den 18 de dag van de maand Zilkat 1187 had ik uw gezonden Madi Alikan om in mijn naam met uw te handelen, die met zijn 167 zijn terug komst mij van uw met veel lof heeft gesprooken, en waar in ik door uw briev nader ben bevestigt. De verschijde zaken die van weerszijden verhandelt, gesprooken en gedaan zijn in de zamenkomsten die gij met hem gehouden hebt, twijffel ik niet, of staan vw alle tezamen zeer wel voor. Debriev die gij mij gezonden hebt, met voorsz: Madiali„ „kan is mij insgelijks wel inhandigt, en in antwoord van dezelve, had ik uw geschreeven om bij mij tezenden Dobasie Herli Poulle en Merbacker uw persiaanse schrijver, mits„ „gaders nog iemand, om bij mij te resideeren, als uw Ambassadeur, en in steede van die menschen, hebt gij mij gezonden de Brami„ „nees Narsingue met wien gij mij uw laatste briev hebt geschreeven. Jn het jongst verleeden Jaar, was van Lianour bij mij gekomen een man, insgelijks Narsingue genaamt, zig uijtgeevende voor uw: zaak bezorger en als door uw gezonden, maar ik heb zijn bedoog ontdekt, waarom ik dan ook geen werk ge„ „maakt heb, zo min van het geen Hij mij uwent wegen heeft aangedient als het geen ik ik hem in antwoord heb geregt. Jk ben overtuijgt, dat gij geen meer werk van hem maakt, dan ik doe. Door deze mijn briev zulk gij ontwaaren hoe zeer mijn inzigten een voudig en regt„ „matig zijn in de verbintenis en vriendschap die ik wil, dat bestaat tusschen uw Hono¬ „rable Comp: en mij, als ook met uw in het bijzonder, en zo deze vriendschap, komt bestendig te zijn, gelijk geenzints twijffelen zal het zekerlijk voor uw Comp: een voor„ „deel zijn, en het waare middel om onze vijanden te beletten, van iets onregtmatigs tegens een van ons te onderneemen, zo als Machmet Alichan en de Engelsen gedaan hebben, met betrekking tot uw Comptoir van Naour gelegen in het ko„ „ningrijk van Jansjour, door zig zouden eenige voldoende redenen en enkel uijt quaadaardigheid daar van meester te„ „maken tegens alle regten van den oor„ log, het geen mij ik betuijge het, een gevoelige droefheid heeft gedaan. uw Comp: hebbende veele bezittingen en oorlogs 168. oorlogs behoeftens, en zeer veel magt ver„ „spreijd op een groote menigte van Comp„ „toiren in Jndiën; kan die niet te rug neemen, of zig in staat stellen om terug teneemen deze volkplanting ? Haare nalaatigheijd op dat stuk, is mij een raad„ sel, dat zekerlijk mij veel moeijte maakt; de reden die uw Comp: belet heeft om wraek teneemen van Machmet Alikan, is mis„ „schier, datze niet ge-alieert was met eenige vorsten van dit land die haar konden hulp en bijstand verleenen. Gij zult misschien zijn onderrigt, van de uijtsteekende gunst die de goddelijke voor„ zienigheijd mij heeft gegunt, met mij over„ „winnaar temaken, over de Engelsen en de Marattas met dewelke ik een lange en wreede oorlog heb gehad, waar door ik aan mijne staten een wel gevestigde vreede heb bezorgt, na mijne vijanden te hebben vervult, met schrik en vreeze voor de kragt van mijne wapenen, en ze zo verre gebragt heb, datze mij niet meer ontrusten /:was getekend:/ De Nabab bleden Alikan Bader ter /:ter zijde stond:/ Den 19. ' dag van de maand Rabissame in het jaar der vlugt 1189. Dus hebbe deze briev ten eersten na Cormandel gezonden; en ik denke dat de Na„ „bab tedier zelver tijd aan ons bijde zal geschree „ven hebben, en dat die twee brieven abusi„ „velijk verkeerd gecouverteerd zullen zijn, zo dat ik mogelijk van de Heer van Vlissin „gen: op dezelfde wijze een briev erlangen zal, die zekerlijk in antwoord zal dienen op een die ik hem na de terug komste va de Gecommitteerdens geschreeven hebbe, ter communicatie van de verzendinge van zijn briev en geschenken na Batavia. Uijt de voorsz: briev aan den Heer van vlissingen, blijkt duijdelijk met welken ernst en ijver Hij zig door ons zoekt sterk temaken even als of hij vooruijtziet, dat dens iets zal overkomen, ten waare dat zijne verregaande desseijnen alleen Hem daa toe aanzetten. Ik hebbe van zeker Jnlander een zelv erlangd, nopens de Manattas en de Engelsch het welke schoon eenvoudig en zelvs eenig „sints
English
since, resembling a small history, which however follows here verbatim below, just as I obtained it. Previously, the Marattas were ruled by a woman named Rana; since then the government has changed; the Brahmins removed Rana and brought several grandees into the government to rule the Marattas. Among the aforesaid grandees there was one named Mahadarauw, general over the military force; this Mahadarauw, being an astute man, undertook to set himself up as king, but was repeatedly thwarted in his intention by his uncle Ragaboij, also one of the grandees of the realm, whereupon Mahadarauw, through his military power, apprehended this Ragaboij, and subsequently had himself appointed as king. Mahadarauw, being very ill on his deathbed and wishing to have as his successor his son, who was still very young and could not assume the government, had Ragaboij come to him from prison, at which point Mahadarauw, with tears in his eyes, made known his intention to Ragaboij, with the request to help his son to the crown after his death, which Ragaboij promised and also fulfilled, by respecting the deceased’s son as a young prince, etc. However, at a certain time while these two were directing the affairs of government in peace and tranquility, the wife of the deceased Mahadarauw wrote in a letter to her son the following passage: I advise your Honor for the best not to engage yourself with Ragaboij, but to employ all means to do away with the said Ragaboij, as being a man who has done your father every injury; which letter accidentally fell into the hands of Ragaboij. Ragaboij, having become very dismayed after reading this letter, resolved at once to have this prince put to death, as having nothing but bad consequences to expect, for which purpose he employed several Jemadars there, who promised him to carry this out, as indeed occurred as follows: The young prince, knowing nothing of this, went on a certain day with Ragaboij to a pagoda situated not far from Poena, and having retired there to rest a little because of fatigue, was warned by one of his old servants that he must seek to flee, as he would otherwise be put to death by several Jemadars who were in front of his dwelling with drawn sabers for that purpose. Upon this news he took refuge with Ragaboij, who lived next to him, embraced him and begged him for help; however, no sooner was he with Ragaboij than he saw 4 Jemadars behind him with drawn sabers. Ragaboij, then being touched with compassion, although he had nevertheless concocted this plot, requested the said Jemadars to pardon the young prince and did what he could; but the Jemadars did not listen, and tore the young prince away from Ragaboij and hacked him to pieces. This event caused great terror among the populace; however, after some time the populace consulted together to take revenge against Ragaboij for the loss of the repeatedly mentioned young prince, upon which news Ragaboij had other troops assembled to resist that populace, but not having been able to gather such a large force, he fled to the English: and this is the one whom the English now wish to place upon the throne. From Suratta I have been informed that the purpose of the English is to actually place the pretender Ragaboij upon the crown in the city of Poena, the residence of the Marattas, which, if successful and enduring, would add much credit and power to the English, and they would then again have the opportunity to use the Marattas to carry out their designs and objectives. I have also been informed that a rumor was circulating that the Portuguese might join the other party, to which, however, I cannot yet give credence, but much rather to the further information, namely that on the side of Souratta there is already a general high cost of provisions, and the country round about is being miserably devastated, to such an extent that a place named Poelpara belonging to an English broker, to the value of easily two lakh rupees, has been burned, and that the hostilities of the contending parties of the Marattas increase more and more daily; and however great the undertaking of the English may be, it appears to me from several circumstances that the English flatter themselves and have great hopes that they will succeed in their objective, although they at the same time understand very well that the matter must be decided quickly, as in the contrary case they will not be able to sustain that game any longer. Meanwhile the last return ship is still deliberately tarrying at Bombaij, in order to await the outcome of affairs to bring communication thereof to England; however, the ship will not tarry longer than the month of July. It is fully known that the ministers of Bombaij have taken Salsette, and thus have engaged with the Marattas on their own accord, at least without authorization from the Bengal government, under which the English establishments are now subordinate, and as I cannot understand how that ministry has dared to take such a weighty step on private authority, I have taken the liberty to inform myself precisely about it from several quarters, and have finally been enlightened in that regard, namely that at Bombaij an order is said to exist in a letter from an earlier time, when Bombaij was not yet under Bengal, in which the Bombaij ministry is indeed recommended to seek as few troubles as possible with the Marattas, but that if there should ever be an opportunity to gain possession of Salsette, that opportunity must not be neglected, and now it is said that the one party of the Marattas named Ragoboij
Dutch transcription
169 „sints. na een historietje gelijkenende, egter hier onder bewoordelijk volgd, zo als ik het zelve erlangd hebbe. Bevoorens zijn de Marattas beheerft gewor„ „den, door een vrouw met name Rana tzedert is de Regeeringe verandert; de Bramineeren hebben Rand weggedaan, en eenige groote in de Regeeringe gebragt, om de Marattas te regeeren. onder voorsz: grooten is een geweest, met name Mahadarauw generaal over de Mi„ litaire magt: dezen Makadarauw een schran„ „der man zijnde, onder nai, om zig zel„ „ven tot koning optewerpen, dog wierd telkens door zijnen oom Ragaboij, ook een van de Rijksgrooten, in zijn voorneemen gedwars„ „boomd, waar op Mahadarauw door zijn Militaire magt dezen Ragaboij, apprehendeer„ „de vervolgens zig zelven tot koning liet aanstellen. Mahadarauw zeer ziek op zijn dood bedde zijnde /:engaarne tot zijn opvolger willende hebben zijn zoon, die nog zeer jong was en geen Regeering aanvaaren kon:/ liet liet Ragaboij uijt de gevangenis bij Hem komen, als wanneer Mahadarauw met traanen in de oogens Ragaboij zijne intenti tekennen gaf, met verzoek om na zijn dood„ zijn zoon tog tot de kroon te helpen, het geen Ragaboij beloofde en ook naquam, met des overledens zoon, als Jonge Prins te respe „teeren etc=a Dog op zekere tijd terwijl deze twee, de Regeerings zaaken in rust en vreede dirigeerden schreef de vrouw van den over„ „ledenen Mahadarauw bij een briev aan Haar Zoon, de ondervolgende periode: Ik raad vE: ten besten, om zig met Ragaboij niet te engageeren, maar alle middelen in 't werk testellen, om gem: Ragaboij van kant te helpen, als zijnde een Man die UE: vader alle torten heeft aangedaan welke briev. per ongeluk in handen van Ragaboij geraakte. Ragaboij na lectura dezer briev zelr ontsteld geworden zijnde, resolveerde ten eersten, om dezen prins om het leven te laten brengen, als niet anders dan qua gevolgen 170 gevolgen te verwagten hebbende, waar toe Hij emploijeerde eenige Jemedaaas aldaar, die htem beloofden zulks ter uijtvoer te zullen brengen, gelijk dan ook geschiet is als volgd: de jonge Prins nergens van wetende ging op zekeren dag met Ragaboij na een pagood„ die niet verre van Poena lag, en daar weg „gens vermoeidheid zig wat tot rusten begeeven hebbende, wierd door een van zijne oude die„ „naars gewaarschouwd, dat hij moest zoeken te vlugten, alzo hij anders om het leven zoude gebragt worden, door eenige Jemidaars die ten dien eijnde met bloote zabels voor zijn wooning waaren: op dit gerugt nam blij zijn toevlugt, bij Ragaboij, die daar naast woonde, omhelt de en bad Htens om hulpe; dog zo dra was blij niet bij Ragaboij of hij zag agter hem 4. Jemidaars net bloot zabels Ragaboij toen met medelijden aan„ „gedaan wordende, schoon Hij egter dit spel gesmeed had, verzogte gem: Jemedaars, om verschooning, voor den jongen vorsten, en deed wat Wij doen kon; dog de Jemedaars gaven geen gehoor maar rukten de Jonge Jonge prins van Ragabaij weg en hakten hem aan stukken. Dit geval veroorzaakte veel schrik onder de gemeente; Edog! nu eenigen tijd raadslaagd de gemeente tesamen, om zig tegen Ragaboij te wreeken, over het verlies van meerm: Jong Prins, op welk gerugt Ragjaboij ander volk liet verzamelen, om tegen die gemeente te„ „staan, maar zodanigen groote magt niet hebbende kunnen bij een brengen nam Hij de wijk na de Engelsen: En deze is het wien de Engelse tans op den troon willen brengen. uijt suratta is mij berigt, dat het oogmerk der Engelse is, om den pretendent Ragaboij in de stad Poena de Residentie plaats van de Marattas effectiev op den Croon testellen het welk gelukkende en van duur zijnde den Engelsen veel Credit en pouvoir zoude bijzetten, en wanneer zij dan weder gele„ gentheijd zoude hebben om de Marattas tot het uijtvoeren Hunner ontwerpen en oogmerken te gebruijken: ook is mij bedeeld, hoe 'er een gerugt liep dat de Portugeesen zig mogelijk zouden zouden voegen bij de andere partij waar aan ik egter nog geen geloof kan slaan, maar veel eer aan het verdere bedeelde, namentlijk dat er reeds aan de kant van souratta een algemee„ „ne duurte in de levensmiddelen is, en 't land daar omstreeks elendig verwoest word, in zo ver„ „re, dat 'er een plaats genaamd Poelpara toebe„ „hoorende aan een Engelse makelaar ter waarde wel van twee lak rop:s verbrand is, en dat de hostiliteijten van de twistende partijen der Marattas, dagelijks meer en meer toenee„ „men; En hoe groot de onderneeming der Engelse ook moge zijn, zo schijnd het mij uijt verschij¬ „de omstandigheeden toe, dat de Engelse zig vlijen en groote hoope hebben, dat zij in Hun oogmerk reuzeeren zullen, schoon zij teffens zeer wel begrijpen, dat zig de zaak spoedig moet decideeren, dewijl zij in contrarie geval niet in staat zijn om dat spel langer uijttehouden: intusschen legt het laatste re„ „tourschip nogte Bombaij, expres zo lange over, om tewagten na den uijtslag van zaken ten eijnde de communicatie daar van na Enge„ „land tebrengen; dog langer als de maand Julij 171 Julij zal het schip niet overleggen. Het is ten vollen bekend, dat de Mi„ „nisters van Bombaij salsette weggenomen hebben, en dus met de Marattas aan den gang geraakt zijn, op hun eijgen houtje ten minsten zonder qualificatie van de Bengaalsche Regeeringe, waar onder nu de Engelse Etablissementen subalterne zijn, en dewijl ik niet kan begrijpen hoe dat Mi„ „nisterie eene zo gewigte stap prive authori„ „tate heeft durven doen, zo hebbe de liefhebben gehad mij derweegens over verschijde boegen naauwkeurig te informeeren, en ben eijn „delijk daar omtrend ge-elucideert, namentlij dat 'er te Bombaij een order zoude leggen bij een briev van vroeger tijd, toen Bombaij nog niet onder Bengale stond, waar bij het Bombaijse Ministerie wel gerecomman „deert word, om met de Marattas minme moeijelijkheeden te zoeken, maar dat als egter eens gelegentheijd mogt zijn om sal k magtig te worden, die gelegentheid dan ii mag verzuijmd worden, en nu zegt men dat de eene partij van de Marattes gen=t Ragoboij
English
Ragaboij had promised Salsetta to the English, and that the Bombay Ministry, on the basis of that order and also to forestall the Portuguese, took the resolution to take Salsette away. Meanwhile, I have the high honor to remain with the greatest respect, beneath stood: Right Honorable, Highly Esteemed, Far-Ruling Lord and Well-Born Sirs! Your Right Honors' obedient and humble servant, was signed: A:n Moens, in margin: Cochim the 13th of July A:o 1773. Agrees J ainicheur Clerk 172. Batavia To His Right Honor The Right Honorable Highly Esteemed Lord Petrus Albertus van der Parra Governor General Along with The Well-Born Lords Councilors of the Netherlands Indies Right Honorable Highly Esteemed Far-Ruling Lord And Well-Born Sirs! My last separate letter to Your Right Honors was of the 13th of July last, and since, or rather on the 6th of August thereafter, I have had the honor to receive Your Right Honors' The inner side of the outer moat of the city very respected missive of the 16th of December of last year, in reply to mine of the 18th of June prior. I thank Your Right Honors very much that, although the aforementioned letter of mine of the 18th of June only arrived there after the departure of the Malabar and Ceylon ships, Your Right Honors were nevertheless so kind as to dispose thereof immediately, and to qualify me for fortifying the inner side of the outer moat of this city, according to the design sent over of it. It is a pity that the aforementioned letters were on the way for so long, for although, according to what was noted in my separate letters of the 18th of June 1774 and the 10th of February 1775, I had already had a start made on it in advance, I nevertheless did not dare to make such haste with it as I would otherwise. Thus, upon the receipt of Your Right Honors' aforementioned qualification, I immediately had the further materials brought together from all sides, in order to be able to proceed with the work speedily and without hindrance, and I do not doubt that it will be finished next year; I would have wished to have been able to contract the work 173. out, because one then does not need to exercise that double supervision in such a manner and can suffice with having careful attention paid that the materials used for it are good, and that the work is made firm and strong according to the plan; but since work had already been done on it in advance before the qualification was obtained, I have allowed the completion of the rest to continue on that footing as it was begun; and I can assure Your Right Honors that a meticulous supervision is maintained over it: the construction of it is done by the overseer of the Artillery van Asbeek, along with the overseer of the armory van Eijk, assisted by the Surveyor de Graaf; the latter actually to ensure that everything is performed according to the plan made thereof by him; besides this, I have assigned the closer supervision thereof to the Head Administrator, and ordered him to go and inspect the work each time, which he also does, as well as I: as soon as it shall be finished, then I will present to Your Right Honors how much it costs, while offering a distinct specification of The remaining part of the curtain along Sloterdijk. everything that was consumed and spent on it; which I will also do for the raising of the parapets and the deepening of the city moats still in hand, and I hope that Your Right Honors will rest assured that on my part, I use all possible supervision and economy, to which I am not only bound according to my duty, but am also more and more encouraged by the trust and the gracious manner of thinking which Your Right Honors are pleased to have in and for me. It is then also on account of this that, in hope of favorable interpretation, I have also put the last defect of this city in hand. I mean by this what was already noted by me in a separate letter of the 10th of February of this year, namely, the remaining part of the curtain along Sloterdijk, extending from the river gate up against the bastion Stroomburg: I promised then to let my thoughts dwell on it further; but since that part of the curtain, which consisted only of a single wall, was truly all too untenable, and it was thus very necessary, the doubling of the same, by making another inner wall, and the filling of the same with earth, whereby then not only the bastions Overijssel and Stroomburg have a proper communication with each other, but also that wall is no longer exposed to being shot down from the other side of Baijpin, whereby the city would then lie open on that side, since the river there is no more than 110 rods wide; and since the Surveyor De Graaf has constructed the other work of Sloterdijk, or rather the bastion Overijssel and the curtain from there up to the river gate, I spoke with him about for how much he could undertake this work, provided that the wall is also placed on piles and on a frame, just like the other part towards Overijssel, and on those same conditions; whereupon he accepted the same for 7000 rupees, which sum, proportioned to the other work, is very modest, so that I assigned the same to him for that amount, with which he then also began immediately, and has already progressed very far; This 174.
Dutch transcription
Ragaboij salsetta aan de Engelse zoude be„ loofd hebben, en dat het Ministerie van Bombaij op fundament van die order en om teffens de portugeesen in de voorbaat te zijn, de resolutie genomen hebben om salsette wegteneemen. Jnmiddels hebbe de hooge eere met de meeste eerbied te verblijven /:onderstond:/ Hoog Edele, Groot Agtbaare, wijdgebie„ „dende Heer En wel Edele Heeren! uw Hoog Edelheedens gehoorzame In en onderdanige dienaar /was getekend:/ A=n Moens /:in margine:/ Cochim den 13. ' Julij A:o 1773. accordeert J ainicheur Cleren „ - 172. Batavia Aan Zijn Hoog Edelheijd Den Hoog Edelen Groot Agtbaaren Heer Petrus Albertus van der Parra Gouverneur Generaal Benevens De Wel Edele Heeren Raaden van Nederlands India Hoog Edele Groot Agtbaare Wijd- Gebiedende Heer En Wel Edele Heeren! Zijn laatste aparte aan uw Hoog Edel„ „heedens was van den 13:' Julij J:o leeden, en zedert of eijgentlijk den 6:' Augustus daar aan, hebbe d' eer gehad te ontvangen, uw Hoog Edelheedens zeer de binnen zijde van de voorgragt den stad zeer gerespecteerde missive van den 16:' Decem „ber des verleeden Jaars, in antwoord op de mijne van den 18:' Junij bevoorens. Ik bedanke uw Hoog Edelheedens wel zeer dat schoon voorsz: mijn briev van den 18:' Junij maar eerst ginter gekomen is, na het vertrak der Mallabaarse en Ceijlonse scheepen, vw Hoog Edelheedens egter zo goed zijn geweest ten eersten daar op te disponeeren, en mij te qualificeeren tot het fortificeeren vande binnen zijde der voorgragt dezer stad, vol„ „gens het daar van overgezondene ontwerp Jammer, dat voorsz: brieven zo lange zijn onder weege geweest, want schoon ik volgens het genoteerde bij mijne aparte brieven van den 18:' Junij 1774: en den 10:' feb: 1775: al in voorraad, daarmeede hadde laaten beginnen, zo duavde ik egter daarmeede dien spoed niet maaken als wel anders. Dus hebbe op den ontvangst van uw Hoog Edelheedens voorsz: qualificatie, ten eersten van alle kanten, de verdere materialen laten bij een brengen, om met het werk spoedig en onver „hindert te kunnen voortvaaren, en ik twijffele niet, of het zal aanstaande Jaar wel ge „solveerd zijn; Jk hadde wel gewenscht, det werk 173 werk te hebben kunnen aanbesteeden, om dat men dan die dubbelde toezigt, zoo niet be„ „hoevd te gebruijken en volstaan kan, met wel telaten letten, dat de daar toegebruijkt wordende materialen goed zijn, en dat het werk hegt en sterk volgens het plan, ge„ „maakt worde; dog dewijl voor de erlangde qualificatie al in voorraad daar aan gewerkt was, zo hebbe de absolveeringe van het verdere, opdien voet als 'er meede begonnen was, laten vervolgen; en ik kan uw Hoog Edelheedens verze„ „keren, dat 'er een nauwkeurig toezigt opge„ „houden word: de Exstructie van het zelve ge„ „schied, door den opziender van de Arthillerij van Asbeek, benevens de opziender van de wapenkamer van Eijk, ge-assisteerd, door den Landmeeter de Graaf; de laatste eijgent„ „lijk om teletten, dat alles, na het door hem gemaakte plan daarvan, verrigt word; buijten des, zo hebbe ik den Hoofd-administra„ „teur, denadere toezigt daarover opgedraagen, en gelast, om telkens na het werk te gaan zien, het geen wij ook doet, zo wel als ik: zo dra het ge-absolveert zal zijn, dan zal ik uw Hoog Edelheedens opgeeven hoe veel het kost onder aanbiedinge van eene destincte specificatie van Het overige gedeelte van de gordijn langs slo„ „terdijk. van alles, wat 'er toe verbruijkt, en uijtgegeven is; het geen ik ook doen zal, van de nog onder handen zijnde verhooginge der borst weeringe en uijt diepinge der stads gragten, en ik hoope dat uw Hoog Edelheedens zig zullen verzekert houden, dat ik aan mijne zijde, alle moge„ „lijk toezigt en zuijnigheijd gebruijke, waar toe ik niet alleen volgens mijn pligt gehou „den ben, maar ook meer en meer aange„ „moedigt worde, door het vertrouwen en de gratieuze wijze van denken, die uw Hoog Edelheedens op -en voor mij gelieven te hebben Het is dan ook, uijt hoofde van dien„ dat ik in hoop van welduijdinge, het laatste manquement aan deeze stad, ook onder handen gegeven hebbe. Ik bedoele hiermeede, het door mij reets genoteerde, bij aparte briev, van den 10:' febr: dezes Jaars, namentlijk, het overw gedeelte van de Gordijn langs sloterdijk, strek „kende van de revierpoort, tot tegen de punt stroomburg: Jk beloofde, toen mijne geso „ten daar over nader tezullen laten gaan; dan dewijl, dat gedeelte van die gordijn, de alleen maar in een enkelde muur bestond, waarlijk al te onbestaanbaar, en het dus zee nood zakelijk noodzakelijk was, de verdubbelinge van dezelve, door het maaken van nog een binnen muur, en het vullen, van dezelve, met aarde waar door dan niet alleen de punten overijssel en stroomburg, een behoorlijke Communicatie met elkander hebben, maar ook die muur niet meer ge-exponeert is, om van de over„ „kant van Baijpin om verre geschooten te „kunnen worden, waar door destad, aan die zijde dan open zoude leggen, alzo de revier daar niet meer dan 110: roeden breed is; en dewijl de Landmeeter De Graaf, het andere werk van sloterdijk of eijgentlijk depunt overijssel en de Gordijn van daar tot aan de revierpoort ge=extrueerd heeft, zo hebbe ik hem onderhouden voor hoe veel wij dit werk wel konde aanneemen, mits dat de muur ook oppaalen, en op een raam gebragt werde, even gelijk het andere, gedeelte, na Overijssel, en op die zelvde Conditie; waarop hij het zelve aangenoomen heeft voor 7000:- rop:s, welke somma geproportio„ „neerd na het ander werk, zeer modicq is zodat ik hem het zelve daarvoor opgedragen hebbe, waarmeede hij dan ook ten eersten be„ „gonnen heeft, en al zeer verre gevordert is; Dit t gegeven onder 174.
English
The Portuguese. I will have this work examined by the same commissioners who examined his previous work, and the same supervision that was kept over it will also be maintained here. As for what might be brewing between the Portuguese and the Nabab Aider Alijchan, concerning which Your High Nobilities specifically recommend me, among other things, to be attentive; I spare no effort to get to the truth of the matter, but have heard nothing of importance regarding it other than what was communicated to Your High Nobilities in mine of 12 May last; namely, what our commissioners Saffin and Riberto heard at Siringapatnam from an English doctor and a Frenchman there; except that I have since been informed that emissaries from the Portuguese and the Nabab are continually going back and forth, and that Bishop Noronha, who had since met with the Nabab at Barssaloor or Mangaloon, was recently at Siringapatnam on a major commission with the Nabab, and also that the Nabab had formed some claims on the side of Goa against a subordinate prince under Goa, almost in the same manner as he did last year with the kings of Cochim and Cranganoor. Which latter is not improbable, as it accords with the nature of the Nabab, who seeks in every way only to obtain money, just as he, although currently seeking our alliance with such earnestness, nevertheless in recent days has again approached the kings of Cochim and Cranganoor for a second contribution, with the warning that if money was not promptly forthcoming, it would be collected in an unpleasant manner. Regarding the king of Cochim, who is still corresponding heavily with the Nabab about this, I have feigned ignorance, but regarding the petty king of Cranganoor, I have tried to prevent various things, and most especially to keep the Nabab's people out of the Cranganoor territory. The petty king of Cranganoor was so alarmed that out of anxiety he came to the city with the intention of seeking a safe refuge somewhere, so that with great effort I got him back to his little realm in all haste, and gave it the appearance as if he had come to speak with me. Meanwhile, the Governor of Calicoet tries in every way to get a foothold in the Cranganoor territory; for although the Nabab acts as if he knows nothing about it, his Governor appears to have orders to push forward as long as the Nabab is uncertain whether we will engage ourselves with him, and possibly to subtly compel us to enter into the proposed engagement with him. For in the month of August I received another polite letter from the Nabab in French; of which the translation, along with my answer to it, reads as follows: From the Nabab. The letter that Your Honour wrote to me with your hircarrah has been delivered to me. I am pleased to see that Your Honour, as well as Messrs. Saffin and Riberto, enjoyed perfect health. I wish Your Honour and all our friends the continuation thereof. It is also very agreeable to me that Your Honour informs me that the letter I wrote to Your Honour and the gift goods sent have been received by Your Honour. Your Honour also writes to me that the letter and the box of presents that I sent to Your Honour for Mr. van der Parra were to depart within two to three days, counted from the date of Your Honour's letter, with a ship that lay anchored in the Cochim roads. I long with the utmost joy that the same may arrive safely and properly into His Honour's hands, so that the settlement of our affairs may not be delayed. If the articles of the treaty that I have proposed to conclude with your Honorable Company, and of which I sent Your Honour a copy, find favor and are accepted with the Gentlemen Ambassadors of your Company, as I hope with the help and grace of God, and as Your Honour gives me to understand, then between your Honorable Company and me, I repeat it once more, Sir, an unbreakable friendship shall exist forever, and this is what I most sincerely desire for the happiness of your people and of me. Since I rest assured that Your Honour will have done his best to send off, as promptly as was possible for Your Honour, the letter that I wrote to Batavia, I believe it unnecessary to request Your Honour to act in the same manner with the answer when it comes into Your Honour's hands, being assured that Your Honour is a true and faithful lover of his fatherland, the more so because this will increase and augment a friendship that is newly arising. As regards what Your Honour writes to me concerning the elephants, I say to that, Sir, that four are enough for me, two tusked and two untusked, of 8 to 8½ Cobidos long and 7 to 8 Cobidos high, young and strong, and of the price of eight to nine thousand rupees. As soon as I shall be informed that they have been brought to Nagapatnam, I will send people thither to pay for them and bring them here. I have also learned of the great trouble Your Honour has taken to procure craftsmen for me for the building of ships, and that Your Honour had them handed over to the captain of a small vessel that had gone expressly to Cochim to take them into my service. I express to Your Honour my thanks on that account. I
Dutch transcription
De Portugeezen Dit werk zal ik door dezelvde gecommitteer¬ „dens doen Examineeren, die zijn voorig werk ge-examineerd hebben, en dezelfde toezigt, die daar op gehouden is, word hier ook opgehouden; Wat nu betoeft het geen in til zoude zijn tusschen de Portugeezen en de Nabab: Aider Alijchan, waaromtrend uw Hoog Edelheedens mij onder andere, ook speciaal recomman„ „deeren, attent te zijn; Jk laate niets onbekoop„ om agter het waare, daar van te komen, dog hebbe derweegens, niets van belang anders vernoomen, als het geen bij de mijne vanden 12:' Meij J:o leeden uw Hoog Edelheed:s bedeelt is namentlijk, wat onze gecommitteerdens saffin ende Riberto te Siringapatnam, van een Engelsche Doctor en een Fransman daar gehoort hadden; behalven dat, mij zeedert berigt is, dat 'er telkens zendelingen van de portugeezen en de Nabab over en weder gaan, en dat de Bisschop Noumha, zedert bij den Nabab te Barssaloor of Mangaloon ontmoet had, nu onlangs te sirmgapat„ „nam, met een groote bij den Nabab in Com„ „missie geweest is, zomeede, dat de Nabab aan de zijde van Goa, ook eenige pretensies had geformeert, op een onder Goa subalterne vors bij 175. 's Nababs nieuwe of tweede pretensie op Den koning van Cochim en Cranganoor bij na omtrend, op die wijze, als hij verleeden Jaar met de koningen van Cochim en Cranga „noor gedaan heeft; welk laatste niet on„ „waarschijnlijk is, als over een komende, met den aart van den Nabab, die op allerleij wijze, maar tragt aan geld tekomen, gelijk Wij, schoon thans onze alliantie, met zoveel ernst zoekende, evenwel dezen dagen, alweder de koningen van Cochim en Oranganoor, om een tweede contributie heeft aangesprooken onder waarschouwinge, dat als 'er niet scheelijk geld quam, het zelve dan op een onaangenaa„ „me wijze zoude afgehaald worden. Omtrend de koning van Cochim, die daar over met den Nabab nog sterk Correspondeert hebbe mij ignorant gehouden, dog omtrend het koningje van Cranganoor, hebbe het een en ander tragten voortekomen, en wel voor„ „namentlijk, om 's Nababs volk uijt het Cranganoorse te houden Het koningje van Cranganoor was zo geallarmeerd, dat Hij uijt benauwtheijd na de stad quam, met intentie om ergens een goed heen komen tezoeken, zodat ik hem met veel moeijte, in allerhaast weder na zijn rijkje gekreegen, en het de naam gegeven hebbe, als Heer als of wij gekomen was, om met mij tespreeken, intusschen probeend de Gouverneur van Calicoer op allerlijwijze, om maar voet in het Cran„ „ganoorse te krijgen; want schoon de Nabab zig houd, als of tij nergens van weet, zo schijnt zijn Gouverneur order te hebben, om het maarte pousseeren, zolange de Nabab in 't onzeeker is, of wij ons met hem engageeren zullen, en mogelijk wel, om ons ongevoelig te noodzaaken met hem het voorgeslagene engagement aantegaan Want inde maand Augustus zo kreeg ik nog een beleevde briev vanden Nabab in het Fransch; waar van de Translatie met mijn antwoord daar op, aldus luijd van den Nabab De briev die vwel Edele mij geschreeven heet „ met desselfs alcara, is aan mij besteld. Jk „ ben verhurgt tezien, dat uwel Edele zo wel als „ de Heeren Saffin ende Riberto eene volmaakte „ gezondheijd genooten. Jk wensch uwel Edele en „ aan alle onze vrienden de voort duuring „ daarvan. Het is mij ook zeer aangenaam „ dat uwel Edele mij meld dat de briev die ik „ aan uwel Edele heb geschreeven en de ge„ „zondene present goederen bij uwel Edele zijn ontfangen 176. ontfangen: uwel Edele schrijfd mij ook, dat de „ „ briev en de Doos met presenten, die ik aan vwel Edele heb gezonden voor Mijn Heer van der Parra „ binnen twee à drie dagen, gerekent van de dagtekening van uwel Edele missive, stonden „ aftegaan; met een schip dat op de cochimse „ „ rheede g'ankert lag. Jk verlange met „ d' uijtterste vreugde, dat dezelve behouden „ en rigtig zijn Edele mogen inhanden komen, „ opdat d' afdoening onzer zaaken niet „ worde uijtgesteld „ zo d'artikelen van het Tractaat dat ik „ voorgeslagen heb, te sluijten met iw: Honorable Comp: en waar van ik vwel Edele een afschrift „ „ heb gezonden, met de Heeren Ambassadeurs van „ vw Comp: plaats vinden en aangenoomen worden „ gelijk ik hoop met de hulp en genade Gods, „ en gelijk uwel Edele het mij te verstaan geeft „ dan zal en tusschen in Honorable Comp=e „ en mij /: ik herhaale het nogmaals Mijn „ Heer :/ eene onverbreekelijke vriendschap voor „ altoos bestaan, en dit is het geen ik op „ de opregtste wijze verlang tot geluk van „ va en van mij. „ wijl ik mij verzekert houde dat vwel „ Edele zijn best zal hebben gedaan omzo spoedig als het uwel Edele is mogelijk geweest „ „ aftezenden, de briev die ik na Batavia „ heb pr. ba n heeft heb geschreeven, geloov ik onnoodig te zijn uwel Edele te verzoeken om met het ant„ „ „„woond wanneer het zelve uwel Edele inhande „ komt op dezelvde wijze te willen handelen „ verzeekert zijnde, dat uwel Edele een waar „ en trouw beminnaar zijner vaderlands „ is, temeer, om dat hier door zal toenee„ „„men en vermeerderen eene vriendschap die eerst opkomt. „ wat aangaat het geene vwel Ed:e mij „ „ schrijft rakende de Eliphanten. Jk zegge „ daarop Mijn Heer! dat ik aan vier genoeg „ heb, twee getande en twee ongetande van „ 8: à 8½ Cobidos lang, en 7: â 8: Cobidos „ hoog, Jong en sterk en van de prijs van „ agt à negen duijzent ropijen, zodra als „ ik zal zijn onderrigt, datze te Nagapat„ „ „nam zijn aangebragt zal ik volk der„ „„woorts zenden, om ze te betalen en hier na „ toe tebrengen. „. Jk heb ook vernoomen, de veele moeijte„ „ die uwel Edele gehad heeft, om mij te bezor„ „„gen Ambagtslieden tot het aanbouwen van „ scheepen, en dat uwel Ed:e ze heeft doen overgeve„ „ aan de Capitain van een klijn vaartuijg dat Expres na Cochim was gegaan, om ze „ in mijn dienst teneemen. Jk betuijge vwel Edele derweegens mijne dank zeggingen „ Jk „
English
177. I have also news of their arrival at Calicoet, with my deputy Nabab of the aforementioned place. By an article of the treaty it was stated that we shall grant each other help and assistance, and I hereby request Your Honour to please provide me, with the consent of Your Governor General, two hundred infantrymen, and also if possible, one hundred cavalrymen, who are well trained, with their officers and a commander for each of the two corps. I shall pay the salary to the aforementioned officers and commander according to what My Lord vanden Parra or Your Honour, My Lord, will inform me. Your Honour's missive of the 1st of July, which I received, showed me a negligence of the one who served me as secretary, and also of him who was charged with delivering the letter to Your Honour. I request Your Honour to send it to Nagapatnam and to write to the Lord of Vlissingen, that he send to Your Honour the letter he received, which was written to Your Honour. Continue to give me your news and to write to me as often as Your Honour can, upon all favorable opportunities that present themselves, and especially on this occasion. In the margin: the 19th day of the month Jemadilavoul! To The Nabab. The letter which Your Highness has again done me the honor to write was delivered to me by the Governor of Calicoet Cheerder Chan. As I recently informed Your Highness that I would send Your Highness's letter and presents to the Lord Governor General Van der Parra in Batavia, with a ship that was then lying ready to sail in our roadstead, so now I have the pleasure of being able to inform Your Highness that the aforementioned letter and presents departed with that ship shortly thereafter, and I hope that the aforementioned vessel will have arrived safely in Batavia, so that in due time a desired answer may come; and Your Highness may rest assured that as soon as the answer arrives, I will forward it to Your Highness at the earliest possible opportunity, at which time I will also be able to give Your Highness an answer to your request for European military forces. Furthermore, it will always be heartily agreeable to me whenever I may do Your Highness any favor in particular, and especially whenever I on my part can contribute anything that may serve to increase and ensure the durability of the friendship that subsists between Your Highness and the Dutch Company. I shall also immediately request the Lord Governor of Ceylon to send to Nagapatnam four such elephants as Your Highness requests of me, and as soon as I receive word that they have arrived there, I will have the honor to inform Your Highness thereof immediately. Your Highness's letter for the Governor of Coromandel I have already long since sent to the Lord of Vlissingen, and I daily await from His Honour the letter that is addressed to me. Messrs. Saffin and De Riberto have also informed me that Your Highness would like to have two long guns that are solid and good; I have had people look for such here in vain; therefore I wrote to Ceylon for two such guns, and obtained from there two such pieces as I have the honor to offer Your Highness on this occasion, in the hope that they may be to Your Highness's satisfaction. And since I am very inclined to maintain mutual correspondence, I will let no opportunity pass to contribute my part thereto. While with the most complete feelings of high esteem I have the honor to be. From which letter of the Nabab one would indeed have to conclude that he knows nothing at all of the attempts that are again being made against the petty King of Cranganoor; but this is his manner of doing, and also the manner of most native rulers, who usually just let their ministers push ahead, and according to how the matter turns out, then throw the blame on those ministers, which is then called by them a misunderstanding; and it will appear below that the Nabab seeks to postpone his answer to my complaint made since then about the demanding of money from the Cranganoor district as long as possible, whereas otherwise for some time he has been much readier than before to answer my letters, as it subsequently also appeared from a letter of the Governor of Calicoet that he indeed had orders from the Nabab to demand money from the Cranganoor district. The aforementioned movements actually began with the change of the Calicoet ministry, since the former governor named Srinivasa Rao, who was a heathen, was recently replaced by one Charder Chan, being a Turk, a man of a harsh disposition. This new governor had no sooner arrived in Calicoet than he let the King of Cranganoor know by an ola through Aijderoos Coettij to send two regidors to Calicoet in order to treat concerning some Cranganoor matters. The King, who had given me notice thereof, excused himself under the pretext that, standing under the Company, he had no freedom to enter into negotiations with anyone concerning matters affecting his country. Meanwhile the well-known Aijderoos Coettij began with the inhabitants of the Cranganoor and Paponetty districts.
Dutch transcription
177. „ Ik heb ook tijding van hunne aankomst „ te Calicoet, bij mijn onder Nabab van gem: „ plaats „ Bij een artikel van het tractaat werd „ gezegt, dat we malkanderen zullen hulp „ en bijstand verleenen, en ik verzoek „ uwel Edele bij desen om mij met toestem„ „ „ming van Uw Gouverneur Generaal te „ „willen bezorgen, twee hondert Man Jn„ „„fanterie, en ook zo het mogelijk is, een „ hondert Man Cavallerij, die wel geoeffend „ zijn, met hunne officieren en een „ Commandant, voor elk van de twee „ Corps, Het Tractement aan gem: officie„ „„ren en Commandant zal ik betaalen „ volgens het geene Mijn Heer vanden parra „ of uwel Edele Mijn Heer, mij bedeellen zal „ Uwel Edele missive van den 1:' Julij die „ ik ontfangen heb, heeft mij doen zien „ eene onagtzaamheijd van de geene, die „ mij als secretaris heeft gedient, en ook „ van hem, die belast geweest is, om aan „ uwel Edele de brief te bezorgen. „ Jk verzoek uwel Edele dezelve tezenden „ na Nagapatnam en aan de Heer van „ vlissingen te schrijven, dat Hij aan uwel Edele „zend de brief die hij ontfangen heeft, en „ welke aan uwel Edele was geschreeven. Continueert zi zijn 178. Continueert met mij zo dikwils als „ uwel Edele het kan, van vw nouvelles tegeven „ en mij teschrijven; bij alle gunstige gele„ „„gentheeden, die zig opdoen, en voor al bij „ deze occasie /:in margine:/ den 19=den dag „ van de maan Jemadilavoul! Aan Den Nabab. Debriev die vw tto:t mij weder de eer aan„ „„gedaan heeft te schrijven is mij door den Gou„ „„neur van Calicoet Cheerder Chan bezorgd: Gelijk ik ^ vwttot. laatst kennis gaf, dat „ „ ik vwto=ts briev en geschenken aan den Heer „ Gouverneur Generaal van der Laara „ na Batavia zoude zenden, met een schip, „ dat toen ter onzer rheede zeijl vaardig „ lag, zo hebbe nu het genoegen irotto:t te„ „„mogen bedeelen, dat gem: briev en gescheenken „ met dat schip ook kort daar na, zijn „ afgegaan, en ik hoope, dat gem: bodem „ voorspoedig te Batavia zal zijn ge-arri„ „„veert, opdat ter behoorlijke tijd, een „ gewenscht antwoord komen mag; en vrokst „. gelieve zig verzekert te houden, dat zo „ daa het antwoord komt, ik uw Ho:t het „ zelve bij de eerste mogelijke gelegentheijd „ zal doen toekomen, als wanneer ik „ dan ook uwHto:t antwoord zal konnen geven „ op desselfs verzoek om Europeeze Militairen voorts „. voorts zal het mij altoos van Harten aange„ „„naam zijn, wanneer ik vwtto=t in 't par„ „„ticulier eenig plaijzier zal mogen doen, „ en allen bijzonderst, wanneer ik aan mijne „ zijde, iets zal kunnen toebrengen, het geen „ strekken kan, tot vermeerdering en duur„ „„zaamheijd van de vriendschap, die tusschen „ vwo Ho:t ende Hollandse Comp:e subsisteerd Ik zal ook ten eersten aanden Heer „ „ Gouverneur van Ceilon verzoeken, om „ zodanige vier Eliphanten na Nagapatnam „ tebezorgen; als vn Ho:t van mij verzoekt, „ en zodra ik tijding erlange, dat dezelve „ daar ge-arriveerd zijn, zal ik de eere „ hebben viettot, daar van ten eersten „ kennisse tegeven VW Ho=ts briev voor den Gouverneur van „ „ Cormandel, hebbe ik reeds lange aan den „ Heer van vlissingen gezonden, en ik ver„ „ „wagte dagelijks van zijn Edele de briev die „ aan mij gerigt is. „ De Heeren Saffin en De Riberto hebben „ mij ook onderrigt dat vwHo:r gaarne twee „ lange geweiren wilde hebben, die masier „ en goed zijn; ik hebbe hier, na de zulke „ te vergeefs laten omzien; dus hebbe na „ Ceijlon om twee zulke geweiren geschreeven, „ en van daar zodanige twee stuks erlangt als naan„ bezo d ou„ Heer 179 „ als ik de eer hebbe vnto t bij deze gelegent „„heijd aantebieden, inhoope dat dezelve „ na 1w Ho=ts genoegen mogen zijn. En ver„ „„mits ik zeer geneegen ben om d' onder„ „„linge Correspondentie te onderhouden „ zo zal ik geene gelegentheijd laten voor „ bij gaan om het mijne daar toe te contribueeren „ Terwijl ik met de volmaakste gevoelens van hoog agtinge d' eer hebbe tezijn. Uijt welk briev van den Nabab men immers zoude moeten besluijten, dat wij in 't geheel niet weet van de tentament, die weer op het koningje van Cranganoor gedaan worden; dog dit is zijn manier van doen, en ook de manier van de meeste Jnlandse vorsten, die doorgaans Hunne Ministers maar laten doortasten, en na maate de zaak uijtvalt, de schuld dan op die Ministers werpen het geen dan bij Hin genoemd word een mis verstand; en het zal hier onder blijken dat de Nabab zijn antwoord op mijne zedert gedaane dole¬ antie over het vorderen van geld uijt het Cranganoorse zoekt te verschuijven, zolam maar mogelijk is, daar wij anders 't zee „dert eenigen tijd vrij gereeder als bevoorens is is geweest, om mijne brieven te beantwoor„ „den, gelijk het dan ook naderhand uijt een briev van den Gouverneur van Calicoet gebleeken is, dat tij wel deegelijk onder van den Nabab heeft gehad, om geld uijt het Cranganoorse te eijsschen. Voorsz: beweeginge begonnen eijgendlijk bij de veranderinge van het Calicoetje Mini„ „sterie, alzo de voorige Gouverneur gen=t Srimwasa Raijer, die een Hijden was, onlangs vervangen is door eenen Charder Chan, zijnde een Tark, een Man van een harden in borst. Deze nieuwe Gouverneur wat zo dra niet te Calicoet gekomen, of tij liet den koning van Cranganoor met een ola door Aijderoos Coetlij weeten, om twee Ragiadoors na Calicoet tezenden, ten eijnde over eenige Cranganoorse zaken te handelen. De Koning, die mij daarvan kennisse gegeven had, excuseerde zig onder voorgeeven dat hij onder de Comp: staande, geen vrijheijd had, om met iemand overzaken zijn land, aan„ „gaande, in onderhandeling te treeden 3ntusschen begon de bekende Aijderoos Coettij zig met de ingezetenen van het Cranganoorse, Paponetijse gelegent zelve „ n meeste da bev
English
to meddle with Paponettij and Chettua, and to write to the Residents of the aforementioned places concerning various domestic matters. I ordered the Residents to let him know, once and for all, that he had no business meddling in such things, and that they also expected no letters from him regarding matters of that nature. At the end of August, when the annual paddy lease takes place at Paponettij, unsigned olas were found hung up here and there, wherein the inhabitants were warned not to lease anything, with the addition that they would be well protected by the Nabab's government; however, I had the pleasure that the lease fetched fully 2000 parras of paddy and 2300 Cochim fanums more than anno passato. Meanwhile, news came from all sides that Hijderoos Coeltij had received a commission to demand 50000 rupees from the Cochim territory and 25000 rupees from the Cranganoor territory, and that he would be assisted therein with a detachment of armed men. This also agreed with a written ola sent by two Cochim Ministers, who were on a mission at Calicoet on behalf of their King, to the King of Cochim, and which came into my hands. The Kinglet of Cranganoor also received word of this, and it was on that occasion that he, as mentioned hereinbefore, left his little realm and came hither. Until then, I had acted as though I paid no attention to all those disseminated rumors, and merely considered Aijderoos Coettij as a subject who does not deserve to be noticed. But since Aijderoos Coettij was also employed during the troubles that occurred last year in the Cranganoor territory, and most of the inhabitants on that side became very alarmed, I wrote on 21 September to the Governor of Calicoet as follows: I am informed that your Honour has reportedly given authorization to Aijderoos Coettij to enter the realm of Cranganoor with armed men and to place the same under tribute. I at first did not disturb myself over those rumors, believing that they were merely the fabrications of Aijderoos Coettij, because I cannot believe that your Honour would do such a thing; but because I hear these disseminated rumors more and more from various sides, I have deemed it necessary to address your Honour about this and to inform you, namely, that the little kingdom of Cranganoor has not the least connection to the realm of the Samorin, but that this little realm of Cranganoor has already since the year 1717 been ceded to the Honorable Netherlands Company by a lawful treaty, and has since resorted under the Honorable Company in rest and peace, so that the same cannot be placed under tribute with the least right or reason, although your Honour's predecessor did make the little King of Cranganoor pay a sum of money. But I must at the same time inform your Honour that when our envoys recently were with the Nabab to negotiate affairs, we specifically complained about this, and received there the most solemn promise that the little King of Cranganoor would no longer be molested in any manner whatsoever, so that we can depend upon that with confidence; just as this little King has since been left in rest and peace, until recently, when Aijderoos Coettij has made various attempts to make this little King send envoys and settle matters, for which we, however, neither could nor were permitted to authorize the frequently mentioned little King. Having then brought this to your Honour's knowledge in advance, I request that you be pleased to inform me whether Aijderoos Coettij holds the aforementioned authorization from your Honour, so that I may take my measures accordingly, and your Honour cannot afterwards say that it was a misunderstanding and happened without your Honour's order or prior knowledge. And because such could be of great consequences, I request at the same time to be allowed to know, in case your Honour should have such an intention, whether your Honour has express orders for this from the Nabab, your Master, or whether it is at the instigation of the frequently mentioned Aijderoos Coettij, a person very ill-disposed toward the Company, and whose pursuit has long been to disturb the friendship between your Master and the Honorable Company, and why it could easily happen that this Aijderoos Coettij has misled your Honour and made you believe many falsehoods, solely to get into your Honour's favor and to force himself into a kind of authority, and thus play a role that is entirely no good, thinking that if evil consequences ever come of it, he can always take flight and wait for a change of times or a revolution of affairs. I do not know whether your Honour has knowledge of what was recently negotiated between our envoys and the Nabab; but I do know well that if your Honour causes new troubles to the King of Cranganoor, such is directly contrary to the given word of your Master, with whom we presently have negotiations of great importance. I request a speedy reply to the foregoing and, after offering my services, commend your Honour to God's protection. As soon as this letter had been dispatched, there arrived a letter from the said Governor, with a request for some more carpenters and smiths, accompanied by a French letter written to me by the Nabab, likewise still very polite and just as if he knew nothing of the Cranganoor affair; the translation of which reads as follows:
Dutch transcription
180 Laponettijse, en Chettuase te bemoeijen, en aande Residenten van voorsz: plaatsen over deeze en geene huijshoudelijke zaken te schrijven Jk gelaste de Residenten, om Item eens voor al, telaten weeten, dat wij zig met zulke dingen niet te bemoeijen had, en zij ook gee„ brieven overzaaken van die natuur van hem verwagten. de In 't laatst van Augustus wanneer de Jaar „lijkse Nelij verpagting te Paponettij geschied vond men hier en daar, ongetekende olassen opgehangen, waarbij de ingezetenen gewaar„ „schouwt wierden, om niets te pagten, met bijvoeginge, datze door's Nababs Regeering wel zouden geprotegeerd worden, dog ik had het genoegen dat de verpagtinge wel 2000:— parras Nelij en 2300:- Cochimse fanums meer gehaalt heeft als anno pass=o Intusschen quam 'er van alle kanten tij dinge dat Hijderoos Coeltij Commissie gekra „gen had, om rop:s 50000:- uijt het Cochimse en 25000: rop:s uijt het Cranganoorse te vorden en dat hij daar toe met een parthij gewapen voek ge-assisteerd zoude worden, dit quam ook over een met een schriftelijk ola door twee Cochimse Ministers (:die van weegens Htem Hun koning te Calicoet in Commissie waaren:/ aan den koning van Cochim geschreeven, en in mijn handen gekomen; Hier van kreeg het koningse van Oranganoor ook de weet, en bij die gelegentheijd was het, dat Hij, gelijk hier vooren gemeld is, zijn rijkje ver„ „liet en dit heen quam. Tot dus lange hadde ik mij gehouden, als of ik mij aan alle die spargementen niet stoonde, en Aijderoos Coettij maar aanmerkte als een subject, die niet verdient, dat men notitie van Item neemd. Dan dewijl bij de moeijelijkheeden, die 'er verleeden Jaar in het Cranganoorse ge-exteerd zijn, Aijderoos Coettij ook gebruijkt is, en de meeste ingezetenen aan die zijde, zeer ge-allaameert wierden, zo schreef ik den 21:' septemb: aan den Gouverneur van Calicoet als volgd Mij word berigt dat uwEdele aan Aijde„ „. roos Coettij qualificatie zoude gegeven hebben, „ om met gewapend volk in het Rijkje „ van Cranganoor tekomen en het zelve „ onder contributie te stellen; Jk hebbe „ mij eerst aan die gerugten niet gestoort „ in begrip dat het maar uijt strooijsels van aande z en Jaar en 9 g had 20 h tij weegens 181 van Aijderoos Coettij waaren, om dat ik niet kan gelooven, dat uwEd:e zo een zaak zoude doen; dog om dat ik die spargementen hoe langer hoe meer van verscheijde kanten„ „ hoore; zo hebbe ik nodig ge-oordeelt, vi „ Edele daar over te onderhouden, en te in„ „„formeeren, namendlijk, dat het Cranga„ „. „noors koningrijkje geen deminste be„ „„trekkinge heeft tot de sammorijnse Rijk maar dat dit Cranganoors rijkje, reeds zedert den Jaare 1717: aan d' E Nederland Comp:e bij een wettig tractaat is afge„ „staan, en ook zedert in rust en vreede onder d' E Comp:e heeft gezorteerd, zo dat het het zelve met geen het minste „ regt of reedenen onder contributie kan gesteld worden, schoon uw Edeles Anteces„ seur het Caanganoors koningje wel een somma gelds heeft doen betaalen, dog ik moet uwEdele teffens informeeren, dat wij, bij gelegentheijd onze zendelingen „ onlangs tot het verhandelen van zaaken „ bij den Nabab geweest zijn, daar over „ wel speciaal gedoleerd, en daar, op de plegtigste belofte bekomen hebben, dat het Cranganoons koningje op geener hande wijze meer zoude gemolesteerd worden, dat wij daar gerust staat op kunnen mak gelijk „ „ „ „ „ „ „ „ „ „ „ „ „ gelijk dan ook dit koningje zedert in rust „ en vreede is gelaten, tot nu kortelings, dat „ Aijderoos Coettij verscheijde tentamens heeft gedaan, om dit koningje zendelingen te doen zenden en zaaken te reguleeren, waar toe „ „ wij egter meermeld koningje niet hebben „ kunnen nog mogen qualificeeren Dit uwEdele dan voor af ter kennisse „ gebragt hebbende, zo verzoeke mij tewillen berigten of Aijderoos Coettij van uwEd: voorsz: qualificatie heeft, op dat ik daar na mijne maatregulen zoude kunnen neemen, en uwEd: naderhand niet zoude kunnen zeggen dat het een mis verstand geweest en buijten „ uwEd: order of voorweeten geschied is. En om dat zulks van groote gevolgen „ zoude kunnen zijn, zo verzoeke teffens te mogen weeten, ingevalle uwEd: zo een voor„ „„neemen mogt hebben, of uwEd: daar toe ex„ „presse ordres vanden Nabab, uien Meester heeft, dan of het is op de instigatie van meermelde Aijderoos Coettij, een perzoon zeer quaad ge-intentioneerd ten opzigte „ van de Comp: en wiens zoeken al lang is geweest, om de vriendschap tusschen vwven „ Meester ende Ecomp: testooren en waarom „ het ligtelijk zoude kunnen gebeuren, dat „ deze Aijderoos Coettij uwEd: misleijd, en veele onwaarheden dat g ente anten „ „ „ „ „ „ „ „ „ „ „ „ „ gen in ren, . 182. onwaarheeden wijs gemaakt heeft, eenlijk, om in uwEd:s gunst te geraaken, en zig in een zoort van gezag intedringen, en dus een rol te speelen, die gants niet goet is, den„ „ „kende dat als en eens quade gevolgen van komen, wij dan altoos de vlugt neemen en op veranderinge van tijden of omwentelingen van zaken wagten kan Ik weet niet of vwEd: kennisse heeft van het onlangs verhandelde tusschen onzesend „lingen en den Nabab; maar ik weet wel dat indien uwEd: den koning van Cranganoor nieuwe moeijelijkheeden aandoet, zulks vlak strijdig is tegen het gegeven woord van viven meester, met wien wij thans onder„ „handelingen hebben van veel gewigt „ Ik verzoeke op het voorenstaande een spoedig antwoord en beveele uwEd: na aan„ „bieding van mijn dienst, Gode ter bewarni zo als deeze brief afgegaan was, kwam een briev van gem: Gouverneur, met verzoek om nog wat Timmerlieden en smeeden, zonwee ten geleijde, van een franse briev door de Nad aan mij geschreeven insgelijks nog zeer beleefd en even eens als of hij niets wist van't Cranganoorse; waarvan de vertalinge aldus luijd „ „ „ Ik „ „ „ „ „ „ „ „ „
English
I have received the letter which your Honour wrote to me on the 24th of August, and the news of your Honour's good health. I pray the Lord that he may grant your Honour the continuance thereof to your satisfaction and complete happiness. As regards the article concerning the Europeans whom I requested your Honour in my last letter to be pleased to send me; it is certain, and I know very well, that it does not depend on your Honour alone to send them to me; yet I have written it to your Honour solely so that your Honour might take the trouble to inform Mr. van der Parra thereof, and I therefore in no way attribute it to any unwillingness on your side; on the contrary, the esteem I had for your Honour, Sir, has increased through this proof of prudence that your Honour shows me, and if your Honour had done this deed on your own authority, the same would not have been so agreeable to me as when your Honour shall be qualified to do so by the consent of the Lord Governor-General. I therefore repeat, Sir, my request to be pleased to give notice of this negotiation to Batavia, and upon the reply thereto, to be pleased to send me 400 men of Infantry and Cavalry, and 100 persons skilled in the Artillery, with an officer of distinction, capable of holding command. I find nothing in this that could hinder the fulfillment of my desires, and all that I foresee cannot turn out otherwise than for the best, both for your Honour and for me; their payment, as I have already informed your Honour, shall be made on my account. Concerning the Elephants, I must inform your Honour that I have sent to Nagapatnam a person named Girperam with cash to negotiate the cost of the same, or rather to purchase them for the ordinary prices at which they are customarily sold. I have about 500 Elephants of the ordinary kind, and therefore I request that care be taken that those given to me may be in all respects of the first sort; I shall not look at the price. Along with your Honour's latest dispatch, I have received two flintlocks, mentioned in the said letter. I offer your Honour my thanks for them and inform your Honour that at the Sarkar, some thousand muskets of that sort are to be found. I therefore request your Honour to be pleased to provide me, upon the arrival of your ships from Europe, with two others, such as I formerly received once from your Honour when your Honour sent me an embassy at the time I was in Calicoet, of heavy calibre and of the lightest kind, to serve for hunting. As soon as the 4 or 500 European men whom I have requested of your Honour are sent to me, only then shall I consider as certain the friendship that I am establishing with your Honour and your Honourable Company; and you may then at the same time be assured and convinced that from that time forth my power has begun, and that all the produce of my country shall be given to you in preference over all other European nations. Continue to enjoy the complete happiness that I wish your Honour, as also to maintain a constant correspondence of letters and transactions with me. In the margin: the 19th of the month Rajab in the Year of the Hegira 1189. This letter, however speculative it appeared to me, I left for the present unanswered, in order to see what answer would meanwhile arrive from the Governor of Calicoet; but this remained away all too long; whereupon I answered on the 5th of October as follows. The Governor of Calicoet, Sardar Khan, has delivered to me the letter which Your Highness did me the honour to write on the 19th of the month Rajab. The expected reply from Batavia I shall have the honour to forward to Your Highness as soon as it shall have arrived, and it will always afford me particular satisfaction if I can contribute anything from my side to render the friendship and trust between Your Highness and the Dutch Nation enduring and unbreakable. Your Highness may be assured that the Ceylon Elephants which are to be delivered to Your Highness's agent, whether at Nagapatnam or Nagore, will be among the best and most considerable that the Company currently has in stock on Ceylon, and I hope therefore that they will in all respects fulfill the purpose for which Your Highness asks for them. The flintlocks which I sent to Your Highness, however much they were the best then at hand on Ceylon, were certainly not of such beauty as I would gladly have procured for Your Highness if I had been able to obtain them. I have [illegible] ordered
Dutch transcription
Jk heb ontvangen de briev die uwel Edele den 24:' august mij geschreeven heeft, en de tijding van uwelEdele welstand. Jk bidde den Heere, dat wij uwel Ed:e wil verleenen „ d' aanhoudentheijd daarvan tot uw genoe„ „gen en volkomen geluk. „ Wat betreft het artikel van Europeezen „ die ik uwel Ede bij mijn laatste heb verzogt, „ mij tewillen zenden; het is zeker en ik „ weet zeer wel, dat het van uwel Edele alleen „ niet afhangt, om ze mij tezenden; dog ik „ heb het aan vwel Ed: eenelijk gesz: op dat uwelEd: zig de moeijte geven mogt om daar van Mijn Heer van der parra te onderrigten en ik schrijve het dus geenzints „ toe, aan eene onwilligheijd van iwe zijden, „ ter Contrarie de agting die ik voor vwelEd: „ hadde, mijn Heer! is vermeerdert door „ dit bewijs van voorzigtigheijd, dat uwel Ed: „ mij doet zien, en indien vwel Ed: deeze daad „ op eijgen authoriteijd had gedaan, zoude „ dezelve mij zo aangenaam niet geweest zijn als wanneer uwel Ed: gequalificeert zal worden tot 't doen daar van door toe„ stemming van Mijn Heer Gouverneur Generaal: Jk hirhaale dierhalven Mijn „ Heer! mijn verzoek om van deeze onder„ „handeling na Batavia tewillen kennis „ geeven eenlijk zig k,— een den„ van en is telingen heeft van o sende oor van w een „ „ „ „ „ „ „ „ „ 183 „ geeven en op het antwoord daarop mij tewie„ „„len zenden 400: Man Jnfanterie en Cavallerie, „ en 100. koppen bequaam tot d' Arthillerije, met „ een officier van distinctie, in staat om het gezag tevoeren: Jk vinde hier in niets dat de vervulling van mijne verlangen zoude kunnen hinderen, en alles wat ik voor zie, kan niet „ dan ten besten uijt vallen, zowel voor vuEd: als voor mij; Hunne betaaling zal gelijk ik „ „ uwelEd: het reeds heb bedeelt, voor mijne „ reekening geschieden. omtrend d' Eliphanten moet ik uwel Ed. e melden, dat ik na Nagapatnam heb gezonden „ een perzoon genaamt Girperam met Contante „ om over het kostende van dezelve te handelen „ oflierra ze te kopen voor d' ordinaire paijsze als men gewent is, vand' hand tezetten. „ „ 7k. heb omtrend 500: Eliphanten van d' ordinaa zoort en daarom verzoeke ik tewillen zorgen dat die mij gegeven worden mogen zijn, in alle „ opzigte vand' eerste zoort, ik zal na de prijs „ niet zien. Jk heb nevens uwel Ed: Jongste „missive ontfangen twee snaphaanen, ver„ „„melt bij gem: briev. Jk doe uwel Ed:e der wee„ „„gens mijne dankzegginge en bedeele iwelhd. dat bij de cercaa, wel duijzend geweeren van „ die zoort tevinden zijn; Jk verzoeke uwelEd:e „ dierhalven om mij bij aankompt van vw scheepen „ „ „ „ scheepen uijt Europa, twee andere tewillen „ bezorgen zodanig als ik van tevooren eens van uwel Ed: ontvangen heb toen uwel Ed: mij een gezandschap zoud ten tijde dat ik te lalicoet was sterk van Caliber en van de „ ligtste zoort, om voor de Jagt te kunnen „ dienen. „ zodra als mij worden gezonden de 4: of „ 500: Man Europeezen die ik uwel Ed: heb „ versogt, dan zal ik eerst voor zeker houden „ de vriendschap die ik kom temaaken, met uwel Ed „ en iw Honorable Comp:, en gij kunt dan te „ gelijk verzekert en overtuijgt zijn, dat van „ dien tijd af begonnen heeft, mijn vermogen „ en dat alle de voortbrengsels van mijn „ land, aan uw zullen worden gegeven bij „ voorkeur boven alle andere Europeeze Natien. „ continueert tegenieten het volkomen geluk „ dat ik uwelEd: toewensche, gelijk ook „ niet te onderhouden eene geduurige Corres„ „„pondentie van brieven en handelingen met „ mij /:in margine:/ den 19: van de maand „ Rajape in het Jaar der vlugt 1189: Deze briev hoe speculatief ze mij ook voor„ „kwam, liet ik voor eerst onbe-antwoord, om tezien wat antwoord intusschen van den Gouverneur van Calicoet zoude komen: dog dit bleedal te de „ „ zonden v 184 te lange uijt; waar op ik den 5: october antwoorde als volgd. De Gouverneur van Calicoet charder Chan „ heeft mij toegezonden de brief die Uw to:t mij den 9:' van de maan, Rajape d' eere aangedaan heeft te schrijven. Het verwagt wordend ant¬ „ „„woord van Batavia zal ik d'eene hebben vi Ho t toe te zenden, zo dra het zal gekomen „ zijn, en het zal mij altoos tot eene bijzondere „ voldoening verstrekken als ik van mijne „ zijde iets kan toebrengen om de vrundschap en „ het vertrouwen tusschen vis Ho:t ende Holland„ „sche Natie bestendigen onverbreekelijk tedoen zijn; vi Hot. kan verzeekert zijn dat de Ceiloup Eliphanten, die aan vw to=ts zaak bezorger „ „ 'tzij te Nagapatnam ofte Naoer staan te „ worden geleeverd, zullen zijn van de beste en aanzienelijkste die de Comp tans op Ceilon „ in voorraad heeft, en ik hoope dus datze „ „ in allen deele zullen voldoen aan't oogmerk „ waar toe uw to:t ze vraagt. De snaphaanen die ik vwttot gezonden hebbe, „ zijn hoe zeer ook de beste die toen op Ceilon aan „ handen waaren, zekerlijk niet vande fraaijheijd bezorgd als ik ze vwtto=t gaarne zoude hebben Jk Eek „ indien ik ze had kunnen bekomen; „ „ „ last
English
ordered for another and better kind when our outbound ships arrive, and as soon as I receive them, I shall have the honor of sending the same to you. Rumors have circulated here for some time, undoubtedly spread by one Aijderoos Coettij, namely that by authorization of Your Highness's Governor at Calicoet, for and on behalf of Your Highness, he was to come and collect money by force from the petty king of Cranganoer. The same Aijderoos Coettij has also repeatedly interfered in the Company's affairs, both by letters and messages, of which I have obtained several such olas. By virtue of the friendship and negotiations existing between Your Highness and the Company, I am well assured that all these rumors are untrue. However, because Aijderoos Coettij has long sought to sow bad seed and thereby play his role of self-interest, and I was simultaneously apprehensive that we might at times have made the new Governor of Calicoet believe untruths in the beginning of his administration; indeed, because I was also apprehensive that, even though those parchments might have been issued without the knowledge of Your Highness's Governor and solely from the quiver of Aijderoos Coettij, such could nevertheless create bad [illegible] impressions among the common people, I have found myself obliged to confer in detail with Your Highness's Governor about this and at the same time inform him that the petty king of Cranganoor is a vassal of the Dutch Company, and that Your Highness had given assurances to my commissioners that the aforementioned petty king would henceforth no longer be disturbed, so that Your Highness's Governor might know how improper in itself, and how unpleasant it would be to Your Highness, to cause molestation to that petty king. However, just after that letter had departed for Calicoet, I received precisely Your Highness's aforesaid letter, together with a short letter from the Governor of Calicoet accompanying Your Highness's letter, with an added request for some more carpenters and blacksmiths for building ships for Your Highness at Calicoet. And as I did not doubt that the Governor of Calicoet would immediately reply to my letter, I postponed answering Your Highness's letter for a few days. However, since the reply from Calicoet could already have been here by now and yet has not arrived, I did not wish to detain the aforementioned letter bearers any longer, but let them depart today with my answer to Your Highness. Wherefore I find myself obliged to notify Your Highness of this, with a friendly request that Your Highness may be pleased to give orders that the aforesaid rumors be effectively halted. Meanwhile, I wholeheartedly wish that Your Highness's reign may always be prosperous, and especially that Your Highness may be blessed with constant health. Furthermore, I have the honor to be, with the most perfect high esteem. After the Nabab's letter had already been dispatched for half a month, I only received the following reply on October 21 from the Governor of Calicoet to my writing of September 21 prior: On the 12th instant, thank God, I find myself reasonably healthy, and I hope that this will be delivered to Your in good well-being. I have seen from Your ola that Chandra Raijer last year demanded some money from the land of Cranganoor, which is under Your protection, and that Your, on the occasion when the commissioners were sent to Patna, complained about this to the Nabab. However, before I had the answer to that ola prepared, the bearer thereof departed from here without speaking a word. I received orders from the Nabab to demand the money from Cranganoor, wherefore I sent two persons thither, but I did not detach any horsemen or armed men for that purpose. However, if Your has a letter from the Nabab in which it is made known not to demand any money from Cranganoor, and that the collection of last year was not made on any just foundation, I request Your to let me see the same, or if the Nabab had written any letter addressed to me, please send it here, whereupon I shall conduct myself accordingly; but apart from those two matters, I cannot know from mere writing by Your what I shall answer to it. I request once more, if any orders should have arrived in that regard, to let me have them. So that from the long delay, and also from a private report obtained, I saw that the Governor had first sent my letter to the Nabab in order to know what answer
Dutch transcription
last gegeeven tot andere en betere zoort, als onze uijtkomende scheepen arriveeren, en zal zodra ik ze ontfange de eene hebben „ vreke:t dezelve toetezenden. Hier hebben eenigen tijd lang gerugten geloopen ongetwijffeld uijtgestrooijd door eenen Aijde„ „ „roos Coettij, namendlijk dat hij op authorisatie „ van vw Ho=ts Gouverneur te Calicoet voor en van „ weegens vwttot, geld van het koningje van Cran„ „ganoer met geweld zoude komen afhaalen ook heeft diezelfde Aijderoos Coettij eens en andermaal zo door brieven als boodschappen zig met sComp:s zaken bemoeijd, waar van ik „ „ verscheijde zulke olassen inhanden gekreegen hebbe „ Jkben uijt hoofde van de vriendschap en d' onder„ „ handelinge die 'er tusschen vrotto:t ende Comp:s plaats heeft, wel verzeekert dat alle die gerugten onwaar zijn, dog om dat Aijderoos „ „ Coettij al lange getragt heefd quaad zaat te zaaijen en daaronder zijn vol van eijge belang te „ speelen, en ik teffens bedugt was dat wij zom„ „tijds den nieuwen Gouverneur van Calicoet „ „ in den beginne van zijn bestier, onwaarheeden „ mogt wijs gemaakt hebben, Ja om dat ik „ teffens bedugt was, dat schoon die ppargementen „ al eens buijten weeten van vwlto=ts Gouver„ „ „neur en alleen uijt de koker van Aijderoos Coettij mogten gekomen zijn, zulx egter quade „ „ „ „ indrukzels de Chan mij gedaan g d heb geko men ondere chpen oup ger be t de be te en Ceilon ze op voo „ „ „ „ „ ben 185 indrukzels zoude kunnen verwekken bij „ het gemeen, zo hebbe ik mij verpligt ge„ „vonden va Ho=ts Gouverneur daar over omstan„ „dig te onder houden en teffens informeeren dat het koningje van Cranganoor een vassaal vand' Hollandse Comp: is, en dat vw Hot: aan mijne gecommitteerdens verzekeringe gedaan had, dat gem: koningje voortaan „ niet meer zoude ontrupt worden op dat „ vntto=ts Gouverneur zoude kunnen weeten „ hoe ongeaijmt het in zig zelfs, en hoe onaan „„genaam het vw Ho:t zouden zijn; dat koningje „ molest aantedoen, dog effen nadat die briev na Calicoet was afgegaan, ontving ik Juijs „ voorsz: vrotto=ts briev benevens een briefje van „ den Gouverneur van Calicoet ten geleijde van vi Ho=ts briev met bijgevoegd verzoek, om „ nog eenige timmerlieden en smeeden tot het „ „ maaken van scheepen voor vetto:t te Calicoet endewijl ik niet twijffeld of de Gouverneur „ van Calicoet zoude op mijn briev ten eersten ,zo hebbe ik de be-antwoor„ „ ge-antwoord hebben „dinge van vw Ho=ts briev eenige dagen uijtge„ „„steld, dog dewijl het antwoord van Calicoet nu hier alkon zijn en egter niet gekomen is „ „ zo hebbe ik gem brieve brengers niet langer „ willen aanhouden, maar laate dezelve heeden met mijn antwoord aan Uwtto:t vertrekken en „ waarom „ „ waarom ik mij dan verpligt vinde versto:t hier van kennisse tegeeven, met vrieendelijk ver„ „ „„zoek dat vwsto:t ordre gelieve te stellen dat voorsz „ uijt strooijzels met 'er daad gestuijt werden Intusschen wensche ik van staaten dat vw„ „Hoogh:ts Regeeringe altoos gelukkig mag zijn „ en inzonderheijd dat uw Hoogh. t mag gezeegend „ „ worden met een bestendige gezondheijd, voorts „ hebbe ik d'eere van met de volmaaktste hoog „ agting te zijn. Na dat 's Nababs briev al een halve maand weg was, kreeg ik den 21:' october eerst het ondervolgend antwoord van den Gouverneur van Calicoet op mijn schrijvens van den 21:' 7ber bevoorens. Den 12:' Courant bevinde ik mij God dank „ „ reedelijk gezond en verhoope dat deze vw--- in een Goeden welstand zal besteld worden. „ Jk heb uijt va - - - ola gezien dat Chandra „ „ Raijer uijt het land van Cranganoor dat „ onder Vw: - - - - bescherming is anno „ pass:o eenig geld had afgevordert en dat „ Vw. . . . bij gelegentheijd toen de gecom„ „mitteerdens na totna gezonden waaren daer over bij den Nabab had gedoleert, dog eer ik het antwoord op die ola had in „ stan„ dat inge aan dat eten w op en onaan„ briev twoor„ „ „ 186. in gereedheijd gebragt, is de brenger van dien „ zonder een woord te spreeken van hier ver„ „ „trocken: Jk heb ordre van den Nabab gekreegen om het geld van Crangemoor „ tevorderen, daarom heb ik twee perzoo„ „„nen naar derwaarts gezonden, maar ik heb daar toe geen ruijters nog gewor„ „„pend volk gedetacheert, dog zo vio-- een briev van den Nabab heeft, waar bij bekent gesteld is, om geen geld uijt het Cranganoorse tevorderen, en dat de „ invordering van verleeden Jaar op geen „ regtvaardige fondament geschied was; „ verzoeke vis. - - mij dezelve telaten „ zien, of zo den Nabab eenige briev had geschreven die aan mij gerigt was gelieve „ die dit heen tezenden; wanneer ik mij „ daar na gedragen zal, maar buijten die „ „ twee zaaken kan ik op blood schrijven van vw - - - . niet weeten wat ik daar „ „ op antwoorden zal ik verzoeke nogmaals zo dierweegen eenige ordres mogte geko„ „ „ „men zijn mij dezelve telaten toekomen Zo dat ik uijt het lang agter blijven en ook uijt een erlangd particulier berigt, zag dat die Gouverneur mijn briev eerst na den Nabab gezonden had, om teweeten wat „ „ antwoord „
English
answer should be sent to me; but from the Nabab I received no answer at all, showing that he was merely seeking to postpone the matter in order to see what letters might come from Batavia in the meantime. Thus, receiving no answer from the Nabab, and yet wishing to have an answer before the arrival of the Batavia ship, I attempted this once more and dispatched the following letters to the Nabab and the Governor of Calicoet. To the Nabab: My last letter which I had the honor of writing to Your Highness was dated the 5th of last month, in which I informed Your Highness of the reasons that moved me to communicate with Your Highness's Governor at Calicoet concerning the king of Cranganoor. By virtue of the assurance which Your Highness gave to my envoys on this subject, I am entirely confident that Your Highness will not have failed to make provision for this through further orders. However, since I have nevertheless received a letter from Your Highness's Governor at Calicoet in which he says that he has received orders from Your Highness in this regard which I cannot reconcile with this, I cannot refrain from informing Your Highness further thereof. The said Governor even asks me in his letter whether I can show him any other written order from Your Highness, but I have answered him that I believed no other proof was needed for this than Your Highness's given word. I have found an opportunity to obtain a hunting gun, which I take the liberty to present to Your Highness herewith, in the hope that it will not be displeasing to Your Highness. If I can obtain longer guns of such kind, I shall have the honor of sending them to Your Highness. I have the honor to be with the most perfect esteem. To the Governor of Calicoet: I have received Your Honor's last letter along with the small box containing the two guns. Your Honor asks me for written proof from the Nabab not to demand money from Cranganoor; I have no other proof than the verbal assurance from the Nabab to my envoys, and that is as good as the best document, because the words of a prince spoken to envoys are, throughout the entire world, just as credible as his seal. And I am certain that if I had had the opportunity last year to enter into correspondence with His Highness early enough regarding the exaction of money from Cranganoor, His Highness would then also have prevented it, since His Highness, living in friendship with the Company, will not permit its subjects to be molested as soon as His Highness knows that they are subjects of the Company. Therefore, I continue to rely upon the Nabab's word and the friendship that exists between His Highness and the Company, concerning which I am now writing further to His Highness in the accompanying letter, which I request that Your Honor please send immediately to His Highness along with the accompanying musket. If there should be anything here of service to Your Honor, please inform me. Yet, notwithstanding that it was now all too clear that they wanted to extract some money from Cranganoor again, I have nevertheless been able to observe that they have proceeded no further with it since I wrote about it to the Governor of Calicoet and the Nabab, just as Aijderoos Coettij has also kept somewhat quieter since then, although the aforesaid Governor answered me nothing regarding this Aijderoos; and thus it is beyond doubt that this matter will remain in statu quo until the Nabab has obtained an answer from Batavia. Now, as regards the King of Trevancoor with respect to the Nabab: shortly after the dispatch of my last letter of July 13th, it was heard that the Nabab was preparing heavily for an enterprise in this direction; that a detachment of his troops had arrived in Coimbatoer, a small kingdom in the Mysore area situated around Palcatcherij, and remained encamped there, and that the Nabab himself was assembling an army of fully 30,000 men at Cheringapatnam. The King of Trevancoor, as troubled as he was perplexed by this, and being uncertain about us, turned to the English and requested their aid; which, as far as I have been able to ascertain, was immediately promised to him in case he should be attacked by Hijder Alij Chan. The King, however, seeks to dissemble this and does not yet wish it to be known that he is so far engaged with the English, attributing the poor pepper delivery, which then also began to cease, again to a poor harvest. Yet the cause thereof is undoubtedly his closer engagement with the English. A corps of 500 sepoys under a European English officer also came to encamp near Calicoilang at that time, and the Resident informed me that His Trevancoor Highness had taken this corps into his pay from the Nabab Machomet Alij, although the Trevancoor servants whom I have had secretly sounded on this matter allege that this corps was recruited gradually for the King himself by the aforementioned officer in order to make use of it when the occasion arose. Regarding the pepper, I communicated with His Highness and he delivered very little. Immediately, when the opportunity arose, 50,000 rupees were requested in a letter that departed on August 30th and was of this content: Your Highness's last two olas have been received by me, and according to the contents of the one, I have the aforementioned Moor who had stolen slaves
Dutch transcription
antwoord wij aan mij zenden moest; dog van den Nabab kreeg ik in het geheel geen antwoord, ten blijke dat hij het zelve maar zogt uijttestellen, om tezien wat schrijvens intusschen van Batavia mogt komen, zo dat ik geen antwoord van den Nabab erlangende, en egter voor de komste van het Bataviase schip, gaarne antwoord willende hebben, zulks nog eens beproevde end' ondervolgende brieven aan den Nabab en den Gouverneur van Calicoet liet afgaan. Aan Den Nabab Mijn laatste briev die ik d' eer gehad hebbe aan uw Hoogh.d te schrijven is geweest „ van den 5: der gepasseerde maand waarbij „ ik uw to:t informeerde vande reedenen die mij bewoogen hadden om vielfo:ts Gouverneur „ te Coelicoet te onderhouden over de koning van Cranganoor. Jk ben uijt hoofde van de verzeekering die vw Ho:t op dit subject „ aan mijne afgezondene gegeeven heeft volkomen gerust dat vwlfo t niet zal „ „ hebben nagelaten door nadere beveelen daar in tevoorzien, dog dewijl ik egter zedert een briev van vietto=ts Gouverneur te „ Calicoet ontfangen hebbe, waar bij hij zegd „ „ in van ver„ dien n zoo„ maar m og vie w aar uit gewa¬ g elaten had gelieve uijten die a chrijven 187. in dit opzigt van vwHo=ts beveelen te hebben ontfangen die ik hiermeede niet Combi„ „„neeren kan, zo mag ik niet afzijn vn Ho:t daar van nader kennis tegeeven gem: Gouverneur vraagt mij zelvs bij zijn briev of ik hem ander schriftelijk bevie „ van uw Hoogh.:t toonen kan, dog ik heb Hen „ g'antwoord dat ik geen andere bewijzen „ daar toe meende nodig te zijn dan vw Ho=e „ gegeven woond. Jk hebbe occagien gevonden een Jagt ge„ „ „„weer te bekomen. dat ik de vrijheijd gebruijk „ viettot hier neevens aantebieden, in hoope „ dat het uwtto:t niet onaangenaam zijn zal. zo ik langer geweeren van diergelijk „ „ zoort krijgen kan, zal ik d'eere hebben „ vo sto:t dezelve toetezenden. Ik heb d' eere van met de volmaaktste „ agting tezijn. „ Aan Den Gouverneur van Calicoet Ik hebbe vwEd: laatste briev benevens „ het kasje met de twee geweiren ontvangen. „. UEd: vraagt mij na een schriftelijk „ bewijs van den Nabab om geen geld uijt „ het Cranganoorse te vorderen; ik hebbe geen ander bewijs als de mondelinge verzeke„ „„ringe vanden Nabab aan mijne zendeling „ en „ „ „ en dat is zo goed als het beste geschrift om dat dewoorden van een vorst tegen Afgezonden gesprooken, de geheele wereld „ door al zo geloofbaar zijn als zijn zegul „ en ik ben verzekerd, dat indien ik „ verleede Jaar gelegentheijd had gehad, „ om over de afvorderinge van geld uijt „ het Cranganoorse met zijn He:t vroeg ge„ „ „noeg in Correspondentie te geraaken, zijn Ho:t toen zulks ook wel zouden „ belet hebben, alzo zijn Ho:t met de Comp: „ in vriendschap levende geen onderdaanen zal laten molesteeren, zodra zijn hoogh:t „ maar weet, dat het onderdaanen vande „ Comp: zijn; en derhalven blijve ik als nog vertrouwen op 's Nababs woord, ende vriendschap die er tusschen zijn Ho:t ende Comp: is, waar over ik tans aan zijn Ho:t nader schrijve, bij de nevensgaande „ brief, dewelke verzoeke dat uw Ed:e „ met het nevensgaande snaphaan ten eersten aan zijn Ho:t gelieve te zenden „ Indien 'er hier iets van uwEd: dienst „ mogt zijn, verzoeke mij zulks optegeven. Dog niet tegenstaande het nu maar al te duijdelijk bleek dat men uijt het Cranga„ „noorse weder wat geld wilde haalen, zo „ hebbe bij bevee Hem bruijk gelijk ktfte coet van en ik geen reke„ deling zende v n „ „ „ Trevancoor 188. word verleegen. hebbe egter kunnen bemerken, dat daar meede niet verder voortgegaan is; zedert ik daar over aan den Gouverneur van Calicoet en den Nabab geschreeven hebbe, gelijk Aijderoos Coettij ook zedert zig wat stilden gehouden heeft, schoon voorsz: Gouverneur mij nopens dezen Aijderoos niets geantwoord heeft; en dus is het buijten twijffel dat dit tentanen in statuquo zal blijven tot dat de Nabab antwoord van Batavia zal erlangt hebben wat nu de koning van Trevancoor betrekkelijk tot de Nabab, aangaat: zo hoorde men kort na het afgaan van mijnen laat„ „sten van den 13:' Julij, dat de Nabab zig sterk prepareerde, tot een onderneeming naar deezen kant; dat een detachement zijn troupen te coimbatoen, een koningrijkje in het Maisoerse, om en bij palcatcherij geleegen, was aangekoomen en daar geleegert bleef, en dat de Nabab selve te Cheringapat„ „nam een leeger van wel 30000: man in gereedheijd bragt Den koning van Trevancoor hier over zo ongerust als verleegen, en nopens ons in't onzeker zijnde, wende zig tot de Engelse, en verzogt hunne hulpe; die zo veel ik hebbe kunnen en peper peper gelevert. kunnen navorschen, hem ten eersten wierd toegesegt, ingeval hij door Hijder alij Chan mogt werden aangetast; de koning zoekt dit egter te ontvijnzen en wild nog niet weeten, dat hij zo verre met de Engelschen g'engageerd is; schrijvende de slegte peper leverantie die ook toen begon optehouden, weder toe, aanslegt gewas; dog de oorzaak daarvan is ongetwijffeld zijn nader engagement met de Engelschen, een Corps van 500: sipaijs, onder een Europees Engels officier kwam ook te dier tijd bij Calicoilang zig leegeren, en de Resident bedeelde, mij, dat zijn Trevancoorse Hoogh:t dit Corps vanden Nabab Machomet Alij had overgenoomen in zijne zoldij, schoon de frevancoorse bediendens die ik daar over onder de hand hebbe laaten polsen, voorgeeven dat dit Corps door voorm: officier van langzamer„ „hand voor den koning selfs is aangeworven, om bij gelegentheijd gebruijk daarvan temaaken. Nopens de peper onderhielde ik zijn Ho=t in heeft maar weijnig ten eersten bij gelegentheijd bij om 50000:- rop:s verzogt welke brief den 30:' aug:s afging en van dezen inhoud was. vwolo=ts twee laatste olas zijn bij mijn ont„ „„fangen, en volgens den inhoud der eene hebbe „. ik de bewuste moor die slaven gestoolen had, ten meede ƒ daar den den opens en tamen Nabab hebben coor zo hoorde laat¬ en en zig zijn an kje tcherij gaprt„ man over in't en hebben ngelse o en gelegert ben heeft
English
189 immediately handed over to Ananda Mallen; and although there are presently few ropijen in stock here, I shall nevertheless, at your Highness's request mentioned in the other letter, immediately have ropias exchanged for ducats or other gold currency, in the hope that I shall within a short time obtain the required 50000: rop:s in exchange, in order on my part to give your Highness as much satisfaction in all things as is possible; however, I would wish that your Highness on his part would also always be so willing to satisfy the Company, regarding which I, to my regret, experience more and more the contrary, and that concerning the most important article of the contract, I mean the pepper, about which I have now already so often complained in vain; just as I must now again utter my utmost complaint about the meager pepper delivery of this year, directly contrary to your Highness's so solemn promise that not a single corl of pepper would leave your Highness's country before the contracted quantity had first been delivered to the Company, although Ananda Mallen made all kinds of excuses and objections to me on your Highness's behalf about it, and has again made me believe that the poor crop is the cause of that meager pepper delivery, with which they have now held me off for several years in succession, just as if I did not know where your Highness's pepper goes, indeed as if I did not know that, even had it been a poor crop, there would still remain twice as much pepper as the Company must have. Meanwhile, it is enough for me that I have continuously spoken to your Highness about it, and especially have recently warned and advised so seriously to nevertheless fulfill the contract in this respect, and no longer to fail therein, as such cannot have a good outcome, and thus your Highness will not be able to cast the blame upon me that I have not warned and advised your Highness sincerely as a friend to give the Company more satisfaction in this respect; and as I know that your Highness in particular has much affection for me, I find myself obliged to advise your Highness once again in the most friendly manner not to remain in default regarding the pepper any longer; and thus I hope that your Highness will still give orders that the deficient pepper be delivered, 190. so that I might still quickly notify Batavia thereof. Whereupon on the 21: September the following answer arrived. We have received, read, and understood the contents of your letter; it was very pleasing and agreeable to us that you had handed over the Moor in question, who had stolen slaves, to Ananda Mallen; we expect that you, according to our request made, will also be pleased to provide the sum of 50000: — ropias to Ananda Mallen under proper receipt. We do our utmost to deliver the agreed pepper annually to the Honorable Company, but the crop failure and drought that occurred this year will surely be well known to you, wherefore it grieves us greatly that you come to write to us in such a manner on that matter. We were accustomed to take 10: pepper passes annually and to have the pepper transported by the merchants on them, but through crop failure and fear that the Honorable Company would not get enough pepper, we have not demanded so many passes, as you know very well. We hope that you will have the goodness to give true information regarding this matter to the High Government at Batavia, and at the same time use your utmost efforts to make the friendship between the kingdom and the Honorable Company grow and increase. We have written de novo to our Ragiadoors and ordered them to pay close attention to the smuggling of pepper and to ensure that this year all the pepper is delivered to the Company. You are completely convinced of our conduct, that we have never been negligent in matters concerning the Honorable Company. Whatever I did, and however I spoke about it repeatedly with his agent Ananda Mallen, everything was in vain, and amounted to impossibility and the poor crop; the king even had me informed orally through Ananda Mallen, among other things, how I could possibly doubt the king's willingness when His Highness presently needs the Company's assistance so greatly, and requests that I should therefore 191 believe that it has not been possible for the king to deliver more pepper; and although I demonstrated to him that, however poor the crop had been, his Highness could nevertheless have delivered much more pepper to the Company than has been delivered, if only the pepper did not pass through any other channel, he nevertheless remained by his statement. Meanwhile, I had received report that a quantity of as much as 80,000: say eighty thousand pounds of pepper, which was intended and brought to be delivered at Porca, had secretly been transported southwards again, and that also since that time the delivery had ceased and no more pepper had been brought toward Porca or Calicoilan, about which I also spoke to Ananda Mallen, but he denied it; undoubtedly the English, in his embarrassment, will have made him understand that he has no assistance to expect from the Company's side, and meanwhile, under promise of their help, are gradually trying to obtain as much pepper as possible. It grieves me very much, meanwhile, that I regarding the article of the pepper am so unfortunate
Dutch transcription
189 „ ten eersten aan Ananda Mallen afgegeven; „ en schoon er thans hier weijnig ropijen in voorraad zijn, zo zal ik egter op vuwHo=ts ver„ „ „roek, bij d' ander briev vermeld, ten eersten ropias laten opwisselen, tegen ducaten of andere goud geld, in hoop dat ik binnen korte„ de gerequireerde 50000: rop:s zal ingewisseld „ krijgen, om vitto=t van mijne zijde zo veel „ mogelijk zij in alles genoegen tegeeven; dog „ ik wenschte wel dat uw Hot van zijne zijde „ ook altoos zo gereed wilde zijn om de comp: „ genoegen tegeeven waarvan ik tot mijn leedweezen hoe langer hoe meer het Con„ „ trarie ondervinde, en dat wel omtrend „ „ het aangelegenste articul van het contract „ ik meene de peper, waar over ik nu „ al zo meenigmaal te vergeevs gedoleert hebbe; gelijk ik mij nu alweeder ten „ „ uijttersten moet beklagen, over de geringe peper leverantie dezes Jaars, vlak strijdig tegen vwotto=ts zo duure gedaane belofte dat 'er geen Corl peper uijt vwtto=ts land zoude gaan, voor dat de gecontracteerde quantiteijd eerst aande Comp: zou gelee„ „„ verd zijn geworden, schoon Ananda Malle „ mij van weegens vilfot allerleij excusen „ en excepties daar over gemaakt en mij „ willen „ alweeder heeft doen gelooven dat het slegt „ „ „ „ gewas „ „ „ „ „ gewas d' oorzaak van die geringe peper „ leverantie is, waarmeede men mij nu al eenige Jaaren agter elkander heeft op„ „ „. gehouden, even als of ik niet wist, waar „ irotto=ts peper blijfd, Ja als of ik niet wist, dat, alwas het een slegt gewas geweest, er dan nog wel eens zo veel „ peper overschiet als de comp hebben moet. „ „ het is mij intusschen genoeg, dat ik uwtto t „ daar over telkens onderhouden, en voor„ „„namendlijk nog onlangs zo serieuslijk „ gewaarschouwd en geraaden hebbe, om „ tog ten dezen opzigte aan het Contract „ tevoldoen, en niet meer daar aan telaten manqueeren, alzo zulx van geen goed „gevolg kan zijn, en dus zal vrtto=t „ deschuld op mij niet kunnen werpen „ dat ik vwtto:t niet als een vriend op„ „ „regtelijk gewaarschouwd en geraden hebbe „ om de comp: in dit opzigt meer genoegen „ tegeeven; endewijl ik weet dat uw Ho=t „ in het particulier veel genegentheijd voor mij heeft, zo vinde ik mij verpligt „ vwtto. t nogmaals op de vriendelijkste „ wijze teraden, om tog omtrend de peper „ niet langer meer in gebreeke te blijven; „ en dus hoope ik dat vittet als nog onder „ zal geeven dat de manqueerende Leper „ voldaan sseld omp: d ert geringe strijdig k land de gelee¬ „ 190. voldaan werde, op dat ik nog schielijk na Batavia daar van zoude kunnen kennis geeven. Waarop den 21: september het onder„ „volgende antwoord kwam. Vw. - - . briev hebben wij ontfangen geleezen en dies inhoud verstaan :/ is ons zeer liev en aangenaam geweest dat vi. -. de bewuste Moor die slaven gestoolen had aan Ananda Mallen had overgegeven; wij „ verwagten dat vi - - - - volgens ons gedaan „ verzoek de somma van 50000: — ropias „ onder behoorlijke quitantie ook aan „ Ananda Mallen zal gelieven te verstrc„ „„ken. wij doen ons uijtterste best om de be„ „ „„dongene peper Jaarlijks aan d' Ecomp: „ teleeveren, maar het misgewas en droogte dat van dit Jaar geweest is, zal 1w. wel bekent weezen, daarom smert het „ ons zeer dat uw - - - - over die materie zodanig aan ons komt te schrijven. wij „ plagten Jaarlijks 10: peper pascen tenee„ „„men en daar op door de kooplieden de pepe „ telaten vervoeren. maar door mis gewas, en vreese dat d' Ecomp: geen peper genog „ zoude krijgen, hebben wij zo veel pascen niet „ „ „ „ „ „ „ niet g'eijscht, gelijk uw. . zulks zeer „ wel weet, wij verhoopen dat vw - - - - . de goedheijd zal gelieve te hebben een waare „ informatie van deeze zaak aan d' Hooge „ Regeering te Batavia tedoen, en teffens „ desselfs uijtterste poogingen aantewenden om de vriendschap tusschen het rijk en d' Ecomp: tedoen aangroeijen en „ toeneemen. wij hebben de novo aan onse Ragiadoors geschreeven en g'ordon„ „ „„neert om op de sluijkerije van de peper wel te passen en te bezorgen dat van dit „ Jaar alle de peper aande Comp: geleverd „ word. Uw. . . . is volkomen overtuijgd „ „ van ons gedrag dat wij nooit nalatig „ zijn geweest in zaaken die d' EComp: „ aangaan „ Wat ik ook deed, en hoe ik met zijn Agent Ananda Mallen daar over eens en ander„ „maal sprak, alles was te vergeefs, en quam uijt, op d' onmogelijkheijd en het slegt gewas; de koning liet mij zelvs mondeling door Ananda Mallen onder andere voorhouden, hoe ik tog aan 's ko„ „nings gewilligheijd kan twijffelen daar zijn Hoogh:t tans Comp:s hulpe zo zeer nodig heeft, en verzoekt, dat ik derhalven diende k en onder„ gen onr wij gedaan pias a ve strec„ be„ Ecomp: en 120 1 gewas was, peper tenee„ terie het droogte ƒ „ „ 191 diende te gelooven dat het de koning niet moogelijk is geweest, meer peper teleeveren en schoon ik hem vertoonde, dat al wa het gewas nog zo slegt geweest; zijn Hot egter aande Comp:e veel meer peper had kunnen leeveren, als 'er geleeverd is, in„ „dien de peper maar door geen andere canaal passeerd; zo bleev wij bij zijn gezegde; intusschen hadde berigt er langd dat 'er een quantiteijd wel van 80'000: zegge taghentig duijzend ponden peper die geschikt en aangebragt was, om te Ponca teleeveren; in stilte weder Zuijdwaards vervoerd, en dat ook 't zedert dien tijd, de leverantie opgehouden, en geen peper meer na de kant van Porca of Calicailan aangebragt was, waar over ik Ananda Mallen ook onderhield, dog wij ontkende zulks: ongetwijffeld zullen de Engelschen hen in zijn verlegentheijd hebben doen beguijpen dat hij geen Hulp van 'sComp:s zijde tewagter heeft, en intusschen onder belofte van hunne hulp, gaande weg maar zo veel peper zoeken magtig teworden, als mogelijk is. Het bedroevd mij intusschen zeer, dat ik omtrend het artikue van de peper zo ongelukkig
English
unfortunate I am, and that Travancore has delivered so very little at present, at a time when everyone would have thought that we would have given the Company at least now more satisfaction in that regard than usual; for until now his delivery, both at Porca, Calicoilan, and Cranganoor, consists of only a little more than 800000, say eight hundred thousand pounds; yet I hope that Your High Nobilities will remain convinced that it is not due to a lack of attention on my part regarding that article, but that I use all human diligence in this respect that can be employed according to the circumstances of the times. On 23 October that same minister, who had previously visited me on his trip to the king's northern frontier places, came to me again, partly to inquire whether any news had yet arrived from Batavia, and partly to probe me again as to how we would conduct ourselves if the Nabab were to advance against him; on which occasion I further demonstrated to him that it is unthinkable that the Nabab will attack His Highness as long as he knows that the Company is His Highness's friend, and that the latter depends solely on His Highness through the fulfillment of the contract and especially through the delivery of the pepper contracted therein, on which occasion I brought forward all further arguments that were relevant to the matter, not only in general, but especially in the present circumstances of the times; but he took exception just as much to the crop failure, and when I pointed out to him how fully 80000 lb of pepper that lay ready to be delivered at Porca had been transported southward again, and that I knew very well where the king's pepper remained, he denied everything with a stiff upper lip, assuring that these were incorrect reports, so that, merely to part from me on good terms, he finally promised to have inquiries made in the king's land whether here or there some more pepper might still be found in small parcels, though I make not the slightest count on this, seeing very well how the wind blows. Leaving, he said he would call again upon his return from the north, which however he has not done. All this I have felt obliged to impart to Your High Nobilities via Ceylon, in case there might still be an opportunity from there to be dispatched to Your High Nobilities; while in the meantime I long very much for Your High Nobilities' honored reply to my separate dispatches, especially to that of 12 May, since the Nabab repeatedly inquires whether any Batavian ships have arrived yet, so that he, who is of a suspicious nature, may not think that I am merely seeking to delay him, of which suspicion I will otherwise have work enough to divert, if he should receive a dilatory answer, which however I shall endeavor to arrange as favorably as possible. In the meantime I have the high honor to remain with the greatest respect, below was written, High Noble, Right Honorable, Wide-Ruling Lord, and Noble Lords! Your High Nobilities' very obedient and humble servant, was signed, A. Moens. In margin, Cochin, 18 November Anno 1775. Lower, P.S. In the past month of October news was received here from the north that the present ruler of Persia, named Kirim Chan, had invaded the lands of Bassoura with a considerable force, and that the ruler of Masquette has therefore sent all his and other private ships and vessels with armed men to Bassoura for assistance: which war would be very detrimental to trade here, as one then has few Masquette bombards to expect here this year, which otherwise fetch quite a lot of sugar and especially spices, in particular cloves; however, there is also news at the same time that Turkish troops are said to have arrived at Bassoura as well to drive Kirimchan from there. I have further forgotten to mention in this that, on account of the critical circumstances of the times, I have requested Ceylon for another military company, if they can be spared there, all the more because the recently arrived company of Captain Berschij has already been greatly reduced by the discharges of those who have completed their term of service. On 23 October the king of Cochin passed away and was immediately succeeded by the crown prince, who gave me notice thereof in the customary manner; when the days of mourning are over, I shall, on an auspicious day, which is usually determined for this from the king's side, send a commission of congratulation to His Highness, according to old custom here. Agrees. J. Sannicken Separate 194 Receipt of a separate dispatch of 16 December 1774 Batavia To His High Nobility, The High Noble, Right Honorable Lord Petrus Albertus van der Parra, Governor General, Together with The Noble Lords Councilors of the Dutch Indies. High Noble, Right Honorable, Wide-Ruling Lord, Noble Lords! With the original of the enclosed duplicate sent to Your High Nobilities via Ceylon, I had the honor to inform Your High Nobilities etc.
Dutch transcription
ongelukkig ben, en dat Trevancoor Juijst tans zo weijnig geleeverd heeft, in een tijd waar in een ieder zoude gedagt hebben, dat wij de Comp: daaromtrend ten minsten nu meer als anders genoegen zouden gege„ „ven hebben; want tot nog toe bestaat zijne leverantie zo te Porca als Calicoi„ „lan en Cranganoor maar in iets meer als 80'0'000:- zegge agtmaal hondert duijzent ponden; egter hoope dat uw Hoog Edelheedens zig wel zullen overtuijgd houden dat het niet aan mijne attentie omtrend dat articul manqueerd, maar dat ik ten dezen opzigte alle menschelijke industrie gebruijke die nade tijds omstandigheeden kunnen ge„ „bruijkt worden. Den 23:' october is diezelvde minister die laatst in zijnen visite na 's konings noordse toontier plaatsen bij mij geweest was, weder bij mij gekomen, deels om te verneemen of 'er nog geen tijding van Batavia gekomen was, en anderdeels, om mij weder te poesen hoe wij ons gedragen zouden als de Nabab op htem mogt afkomen; bij welke gelegentheijd ik hem nader vertoonde, dat het niet te denken is, dat de 192. de Nabab zijn Ho:t overvallen zal zolange wij weet dat de Comp: zijn Ho=ts vriend is, en dat dit laatste alleen van zijn Ho=t afhangt door de naarkoming van het Contract en voornamendlijk door de leverantie van de daarbij gecontracteerde peper, bij welke gelegentheijd ik alle verdere argumin„ „ten bijbragt, die niet alleen in het alge„ „meen, maar inzonderheijd in de tegens„ „woordige tijds omstandigheeden, ter zaak dienden; dog hij exipieerde even zeer, op het misgewas, en als ik hem vertoonde, hoe en wel 80'000:- lb peper dieklaar lag om te Ponca geleeverd te worden, weder ruijd„ „waards vervoert was, en ik zeer wel wist waar 's konings peper bleev, zo ontkende Wij het een en ander met stijve kaaken, onder verzeekeringe dat het verkeerde in„ „formaties waaren, zo dat hij om maar goed schiks van mij wegtekomen, eijndelijk beloofde in 's konings land te zullen laten verneemen of 'er net hier of daar nog wat peper bij klijne parthijtjes tevinden mogt zijn, dog waarop ik geen de min„ „ste reekeninge maake, als wel siende„ hoe het Laken geschooren is: Heengaande zeijde zeijde wij, met zijn terug komste van de noond nog eens tezullen aankomen, het geen Hij egter niet gedaan heeft. Dit een en ander hebbe mij verpligt ge„ „vonden uw Hoog Edelheedens over ceilon te be „deelen of 'er ook van daar nog gelegentheijd mogt zijn, om aan uw Hoog Edelheedens af„ „gezonden teworden; Jerwijl intusschen zeer verlange na uw Hoog Edelheedens ge-eerde res„ „criptie op mijne aparte missiven inzonder„ „heijd op die van den 12:' Meij, alzo den Nabab telkens laat verneemen of 'er nog geen Ba„ „taviase scheepen gekomen zijn, op dat wij die van een wantrouwigen raad is, niet moge denken, dat ik hem maar zoeke op„ „tehouden, van welk wantrouwen ik buijten des werks genoeg zal hebben, teen te diver „teeren, wanneer hij een dilaijeerend ant „woord mogt erlangen, het geen ik egter zo veel mogelijk, in een goede plooij zal tragten teschikken. Inmiddels hebbe de Hooge eere met de meeste eerbied te verblijven /:onderstond:/ Hoog Edele Groot Agtb:, wijd gebiedende Heer, en wel Edele Heeren! uw Hoog Edel„ heedens zeer Gehoorzaame en onder „danige „ 193 „danige Dienaar /:was getekent) A:n Moens /:in margine:/ Cochim den 18:' Novemb=r A:o 1775: /:lager:/ P: S: Jn de gepasseerde maand october heeft men hier tijdinge van de noord erlangd, dat de tegenswoordige vorst van Persien genaamt Kirim Chan; met een aanzienelijke magt in de landen van Bas„ „soura was gevallen, en dat de vorst van Masquette daarom alle zijne en andere particuliere scheepen en vaartuijgen met gewapende manschappen na Bassoura tot assistentie gezonden heeft: welken oorlog voor den Handel alhier zeer nadeelig zoude zijn, alzo men dan dit Jaar weijnig Masquetse Bombarassen hier tewagten heeft, die anders nog al veel zuijker en voor al specerijen inzonderheijd Nagelen afhaalen, egter is teffens tijdinge dat 'er te Bassoura ook Turkse troupe zoude gekomen zijn om Kirimchan van daar te verdrijven. Hebbe in dezen nog vergeeten temelden dat ik uijt Hoofde vande Caiticque tijds omsten„ „digheeden, van Ceilon om nog een Comp: Mili„ „taire verzogt hebbe, indienze daar kunnen gemist worden, temeer de laatst overgeko„ „mene Comp:e van Cap:n Berschij reeds zeer vermindert vermindert is, door de verloffens die hunne tijd hebben uijtgedient Den 23:' 2ber: is de koning van Cochim overleeden en door den kroon Prins onmiddelijk Gesuccedeert, die mij daar van opde gewoone wijze heeft laten kennis geven; als de rouw„ „dagen voorbij zijn, zal ik zijn Ho:t op een goede dag, die doorgaans van 'skonings zijde daar toe bepaalt word, een Commissie van filicitatie na zijn Ho:t zenden, na oud gebruijk alhier Accordeerd. J Sannicken ACClerde Apart 194: & ontvangst van een aparte missive van den 16: xber: 1774: Batavia Aan Zijn Hoog Edelheijd, Den Hoog Edelen, Groot Achtbaaren Heer Petrus Albertus van der Parra, Gouverneur Generaal. Benevens De wel Edele Heeren Raaden van Nederlands Jndia. Hoog Edele, Groot Achtbaare„ Wijdgebiedende Heer. Wel Edele Heeren! Bij het origineel van 't inleggend duplicaat over Cijlon aan uw Hoog Edelheedens verzonden, hebbe de eere gehad uw Hoog Edelheedens ter kennisse te en C:
English
further receipt of a separate letter of the 20th September 1775: To bring to the Nabob Hyder Ali Khan the receipt of Your High Nobilities' highly respected separate missive of the 16th December 1774, of which the duplicate has also since reached me. Meanwhile, with the safe arrival of the ships Zeeduyn and Amsterdam, I have also had the honor to receive in duplicate Your High Nobilities' honored separate missive dated the 20th September of the past year, from which it has appeared to me, among other things, that Your High Nobilities have been pleased to approve my conduct regarding the Nabob Hyder Ali Khan, and to order me to dispatch commissioners to the same, if such should not yet have happened. By my humble letter of the 12th May of the past year, sent in original per the ship De Princes van Orange, and in duplicate to Ceylon in order to be addressed from there with the ship De Venus, I respectfully brought to Your High Nobilities' knowledge that this mission had proceeded, and that the Junior Merchant and Warehouse Master Saffin and the Chettuvaye Resident Riberto had been to Seringapatnam to the Nabob, communicating what had been negotiated and the request the Nabob made for an offensive and defensive alliance. Appearance of some Zamorin Nayars in the Cranganore region By my last of the 18th November past, I informed Your High Nobilities how the Nabob's Governor once again wanted to place the small kingdom of Cranganore under tribute, that I had written to the Nabob about this and made representations against it; to this I have as yet received no answer, but I did receive assurance from the Governor at Calicut that the answer from the Nabob is due to arrive soon; from which I believe I must further suppose that he is first waiting for the answer from Your High Nobilities, all the more because the Governor of Calicut is not yet proceeding with the intended tribute, nor does he declare whether he will desist from it or not; but because of the uncertainty whether I shall still receive the letter for the Nabob in time via Ceylon, or whether it might fail to arrive until the coming year, I have deemed it best to inform the Nabob by a letter that the ship with which his letter was sent had not yet arrived at Batavia upon the departure of the latest arrived ships. Previously it was reported to me that the roaming Zamorin Nayars were gathering together again from the woods in the mountains, and had recently killed about 500 of the Nabob's people. At the very same time, there also unexpectedly appeared in the Cranganore region a troop of some Zamorin Nayars who had acted against the Nabob's people, under a chief who led them, with the intention of hiding themselves there; but as I was apprehensive that the Nabob's people would come to search for them there, I saw to it, in order to prevent all troubles, that they left the Cranganore region again at the very earliest without further delay. Advance of the Nabob to the North. Shortly thereafter, news arrived that the Nabob with his troops had marched northwards from Seringapatnam to capture some lands there in order to add them to his other possessions, and that he undertook this expressly at this time to profit in the meantime from the circumstances in which the Marathas find themselves, who, although as will further appear below, do have a cessation of arms, yet cannot well oppose him now, but must still keep their force together as long as peace with the English has not been concluded; and that he therefore postponed the supposed attack on Travancore to see how the war between the English and the Marathas will turn out; a similar report I also received through the Jew Isaac Surion, who was then at Calicut; and around that same time the King of Cochin let me know that he had received news from his spies that the Nabob, with 10,000 horsemen and 20,000 foot soldiers, had not only marched against a certain Regent of Bellaly named Coerumbatje, being a very rich Regent belonging under the Maratha Chief Government, wherefore she is also called a Maratha Princess, but had also already conquered that kingdom. Victory of the same over a Maratha Regent Receipt of a letter from the Nabob which was wrongly enveloped Meanwhile, everything on this side has remained in tolerable quiet; the Zamorin Nayars, having learned of the march to the north of the Nabob, did emerge again from the woods and attacked the Nabob's people; but upon the received news of the Nabob's victory, over which victory was fired at Calicut, they retired again into the woods, probably to await a better circumstance of time to undertake something for their restoration. In mine of the 13th July of the past year, I mentioned a letter from the Nabob addressed to me, which by mistake, inserted into a wrong envelope, had been sent to Nagapatnam to the Lord of Vlissingen, whereas on the contrary I had found in my envelope a letter written by the Nabob to the said Lord of Vlissingen, and
Dutch transcription
nadere ontvangst van een aparte briev van den 20: 7ber: 1775: Den Nabab Heijder AlijChan te brengen, den ontvangst van Hoogst Derzelver zeer Gerespecteerde aparte missive van den 16:=de December 1774; waar van het duplicaat mij 't zedert ook ge= „ worden is. Jntusschen hebbe met het behoude arrivement van de scheepen Zeeduijn en Amsterdam ook de eer gehad twee voudig te ontvangen uw Hoog Edelheedens gen= „nereerde aparte missive in dato 20: 7ber: anno passato, waar bij mij onder anderen is gebleeken, dat uw Hoog Edelheedens hebben gelieven goed te keuren mijn gehou= „den gedrag omtrend den Nabab. Heijder Alijchan, en mij te gelasten, de afzen „ding van gecommitteerdens aan den zelven; indien zulx nog niet mogt zijn geschied. Bij mijne nedrige van den 12: Meij anno passato„ per het schip De Princes van orange in origi= „neel, en in duplicaat na Cijlon verzonden, om van daar met het schip De venus addresse te er= „langen, hebbe uw Hoog Edelheedens in eerbied ter kennisse gebragt, dat die bezendinge voortgang gehad heeft, en dat de onderkoopman en Pakhuijs „meester saffin en Chettuase Resident De perschijnin rijnse Riberto, na seringapatnam bij den Nabab zijn ganoors geweest; onder bedeelinge van het verhandelde, en het aanzoek dat de Nabab tot een of- en defensive alliantie gedaan heeft. Bij 195. verschijning van eenige sammo„ rijnse Nairossen in het Caan= ganoorse Bij mijn laatste van den 18: November passato, hebbe ik uw Hoog Edelheedens bedeelt, hoe s Nababs Gouverneur het Cranganoors Rijkje andermaal heeft willen onder Contributie stellen, dat ik daar over aan den Nabab geschreeven en daar tegen ver= „toogen gedaan had; ik hebbe daar op tot nog toe geen antwoord, maar wel van den Gouverneur te Calicut„ verzekering bekomen, dat het antwoord, van den Nabab haast staat tekomen; waar uijt ik meene nader temoeten veronderstellen, dat Mij eerst na het antwoord van uw Hoog Edelheedens wagt, te meer om dat de gouverneur van Calicut met de voorgenome Contributie, nog niet voortgaat, en zig ook niet declareerd, of Hij daar van zal afzien dan niet; dog om de onzekerheijd, of ik de briev voor den Nabab nog wel tijdig over Cijlon zal ontvangen, dan wel dat die mogt uijtblijven tot het aanstaande Jaar, zoo hebbe best g'oordeelt, den Nabab, bij een briev kennisse te geven, dat het schip waarmeede zijn briev verzonden is, bij het vertrek der Jongst gekomen scheepen nog niet te Batavia was g'arriveerd Bevoorens wierd mij berigt, dat de swervende sammorijnse Nairossen zig weder uijt de bossen in 't gebergte bij een verzamelden, en laatst wel omtrend 500: van seNababs volk afgemaakt hadden. je dier zelver tijd vertoonde zig ook in 't Cran= gemoorse lver zeer zen- uijs— zijn opmarsch van den Nabab na de Noord. 196 „ganoorse op 't onverwagts een troup van eenige sam= „ morijnse Nairos, die tegens '1 Nabab volk ge-ageerd hadden, onder een Hoofd, die Hun aanvoerde, met in= „tentie, om zig daar te verschuijlen; Dan dewijl ik be= „dugt was, dat 's Nababs volk, Hun daar zoude ko= „ men opzoeken; zo hebbe, om alle moeijelijkheeden voor tekomen, gezorgd, datze ten aller eersten zon= „der verder vertoeven, weder het Cranganoorse verlieten. kort daar op quam er tijdinge, dat de Nabab met zijne troupes van seringapatnam noordwaarts opgetrokken was, tot het inneemen van eenige landen aldaar, om die bij zijne andere bezittingen te voegen, en dat Hij zulks toen expres ondernam, om intusschen te profiteeren van de omstandigheeden, waar in de Marhettas zijn, die schoon gelijk hier onder nader blijken zal, wel stilstand van wapens hebben, Htem egter nu niet wel kunnen tegen gaan, maar Hunne magt nog bij een moeten houden, zo lang de vreede met de Engelsche nog niet ge= „troffen is; en dat Mij dus den vermeenden aanval den op Trevancoor nog uijtstelden, om te zien, hoe de oorlog van de Engelschen en de Marhettas zal uijtvallen; een diergelijk berigt kreeg ik ook, door den Jood Jzaak Surion, die zig toen te Calicout bevond; en omtrend die zelfde tijd liet de koning van overwi opeen ontv govn 8 verwinning van den zelven „p een Marattase Regentesse ontvangst van een briev van val den Nabab die verkeert gecouverteerd was van Cochim mij weeten, dat Wij van zijn spions tijdin= „ge gekreegen had, dat de Nabab met 10000: ruijters en 20'000: man voetvolk niet alleen opgetrokken was, tegen zekere Regentesse van Bellalij genaamt Coe= „roembatje, zijnde een zeer Rijke Regentesse, be= „hoorende onder de Marhettase Hoofd Reegeringe, waarom zij ook wel genoemd word een Marhettase vorstinne, maar ook dat Rijk reeds veroverd had. Jntusschen is aan dezen kant nog alles in tame= „lijke rust gebleeven, de sammorijnse Nairos den optogt na het noorden van den Nabab vernomen hebbende, quamen weder wel uijt te bosschen ten voorschijn en besprongen het volk van den Nabab; dog op de bekomen tijding van 's Nababs overwin= „ning, waar over te Calicoet victorie geschoo= „ten wierd, retireerden zij weder in de bosschen, waarschijnelijk om een betere tijds omstandigheid aftewagten, om iets ter hunne herstellinge te onderneemen. Bij den mijnen van den 13: Julij anno passato hebbe gemeld van een briev, van den Nabab aan mij Gerigt, die per abuijs, in een verkeart Couvert ge= „stooken, na Nagapatnam aan de Heer van vlis= „singen was verzonden, waar en tegen ik een briev door den Nabab aan Gem: Heer van vlis= „singen geschreeven in mijn Couvert had gevonden, en g sam am¬ be= Ko= n zon= ab waarts gen in , heeden, gaan, den. de
English
Travancore's fear of the Nabab. 197. and that I had therefore sent that letter to Nagapatnam; recently I received from His Honour the Nabab's letter addressed to me, which is enclosed herewith in copy; it now seems to me that its contents are addressed as much to the Lord of Vlissingen as to me, and that this letter was deliberately wrongly enveloped in order to let the Lord of Vlissingen know in an indirect manner what he has proposed to Your High Nobilities; he also seems thereby, in an arrogant tone, to indicate clearly enough that the proposed engagement must be entered into if the friendship with the Company is to endure; the duplicate mentioned therein, I think the Lord of Vlissingen will have forwarded to Your High Nobilities, as I did not receive it alongside the letter. Meanwhile, Travancore is still very fearful of a visit from the Nabab, and is preparing for a sound defence; yet he seems to place great trust in the promised assistance of the English and the Nabab Mahomet Alij, but whatever may come of this, or however matters may run, I shall, in accordance with Your High Nobilities' esteemed orders, continue to observe a strict neutrality, so long as I am not forced by the ruin of one of the parties to join the strongest. Letters and presents to the kings of Travancore and Cochin delivered. The letters and presents received for the kings of Travancore and Cochin, I have had delivered to Their Highnesses, and I thank you for the copies of the letters sent to me, the contents of which I shall use for my guidance. The former has not yet let me know anything; so that I do not know whether His Majesty will insist on a further assurance of assistance, which he might perhaps not do any further now, since he has promises of assistance from the English and the Nabab Mahomet Alij, in case he should be attacked by Aider Alijchan, unless we should renew his requests at the instigation of the English, who nevertheless do not fail to make His Highness believe that he must not rely on the Company in case of need; if he should thus persist again, I shall likewise try to answer in the most convenient manner, according to the nature of his request and as the circumstances of the time require, but whether our pepper supply will not undergo further reduction is greatly questionable; it is indeed not firmly known to me that His Highness has promised more pepper to the English for the promised assistance, but I have been assured through various channels that the English have highly sought to avail themselves of this opportunity to become masters of more pepper, after having sought it for so long: the meager delivery of this year, and the fact that it stopped precisely when the negotiation took place between His Highness and the English, gives cause to suspect that His Highness has had the pepper delivered to them which otherwise would still have been brought to our scales. Price increase of the pepper. 198. This engagement of Travancore with the English gives little hope for a larger delivery; and I also doubt whether the price increase of the pepper under such restrictions as Your High Nobilities have been pleased to authorize me for, will have much effect for the present. Travancore has already made such advantageous arrangements regarding his pepper that he will not want to make any significant change in it for an increase to 80 ropias the candyl, provided that another one million pounds are delivered for 65 ropias according to contract, and one million pounds for the first-mentioned price; for the pepper which His Majesty sells to the Coast merchants and at Colletje, or indeed privately to the English at Ansjenga, he gets much higher prices, and will therefore not reduce those sales; for the contract pepper that the English obtain at Ansjenga, no more than 80 ropias the candyl is indeed paid, yet His Highness will not be able to reduce that supply at present, but will likely have to increase it, in order not to forfeit the promised assistance. The lowest price for which Travancore parts with the pepper to anyone besides us is thus 80 ropias the candyl, so that, subject to correction, I think one cannot for the present flatter oneself with any hope that the offer of 80 ropias under the aforesaid condition will find any acceptance with His Highness; at least not that we would thereby significantly increase the collection; besides, it is even questionable whether this might not have some detrimental influence on Travancore regarding the deliveries still being made according to the contract, and thus, with Your High Nobilities' permission, I shall for the present not yet make use of the aforementioned esteemed authorization, but keep the same secret until a favourable opportunity for it may present itself, and meanwhile
Dutch transcription
Grevancoors bedugting voor den Nabab 197 en dat ik daarom, die briev na Nagapatnam gezon had; dezer dagen hebbe van zijn E: ontvangen s Nal briev aan mij gerigt, dewelke in Copia hier neven „ge; het schijnt mij nu toe, dat dien inhoud zo wel den Heer van vlissingen, als aan mij is gerigt, dat die briev voor bedagtelijk, verkeert is gecouven„ „teerd, om den Heer van vlissingen op een indirecte wijze te doen weeten, wat Hij aan uw Hoog Edel „heedens heeft voorgeslagen; Wij schijnd ook daar bij op een hoogmoedigen trand, niet onduijdelijk te kennen te geeven, dat in het voorgeslagen en gagt „ment diend getreeden tewerden, zo de vriendschap met de Comp: zal bestendig zijn; de duplicaat, bin die daar in word vermeld, denke ik, dat de Heer van vlissingen aan uw Hoog Edelheedens zal hebben toegezonden, alzo ik dezelve nevens de briev niet ontvangen hebbe. Trevancoor is intusschen nog zeer bedugt m een visite van den Nabab, en prepareert zig tot een goede defensie; dog schijnt veel vertrou„ „wen op de beloofde assistentie der Engelschen en den Nabab Mahomet Alij testellen, dog wat hier ook van komen mag, of hoe de zaken, ook mogen lo „pen, ik zal volgens uw Hoog Edelheedens G'an „de ordre, een stipte neutraliteijd blijven observeeren zo lange niet door den ondergang van een der sp bezorg thijen 8 brieven en geschenken aan den koningen van wel revancoor en Cochim bezorgd „thijen genoodzaakt werde, mij bij de sterkste tevoegen. De ontvangene brieven en presenten voor de koningen van Trevancoor en Cochim, hebbe ik aan Hun Hoogheedens laten bestellen, en bedanke voor de afschriften der brieven aan mij gezonden, welkers inhouden tot mijne narigt zal laten dienen. De Eerste heeft mij nog niets laaten weeten; zo dat ik niet weet, of zijn Mo:t op eene nadere verzeekeringe van assistentie zal aandringen, het geen Hij mogelijk nu niet verder doen zal, dewijl Hij van de Engelschen, en den Nabab Maho= „ met Alij beloften heeft, van assistentie, indien Hij door Aider Alijchan mogt werden g'attacqueert, ten waare wij zijne aanzoeken weder mogt hervatten, op de instigatie der Engelse, die tog niet manquee= „ren zijn Hoogheid te doen gelooven, dat Hij op de Comp: in Cas van nood, geen staat maken moet, indien Wij dus weder mogt aanhouden, zal ik item na maate van zijn aanzoek en na dat de tijds om= „standigheeden vereijsschen, op de gevoegelijkste wijze tragten te antwoorden, maar of onze pe= „ per leverantie geene verdere verminderinge zal ondergaan, heeft grootelijks zijn bedenken; mij is wel niet vast bekent, dat zijn Hoogheid de Engelschen voor de beloofde assistentie meerder peper gezon Nale ven en e 8 prijs verhooginge van de peper 198. peper heeft toegezegt, dog dit is mij door versch „de Canaalen verzekerd, dat de Engelse op hooge„ „der zig van deze gelegentheijd hebben tragten te be „nen, om meester van meerder peper teworden, na ze al zo lang getragt hebben: de geringeelen „rantie van dit Jaar, en dat die Juijst ophield, toen de onderhandeling geschiede, tusschen zijn Hoogheid en de Engelschen geeft aanleiding om te vermoeden dat zijn Ho:t de peper, die bij ons anders nog zoude zijn ter schaale gebragt, aan hen heeft laten leveren. Dit engagement van Trevancoor met de En„ „gelschen, geeft wijnig hoope, tot eene grooter leve „rantie; en ik twijffele ook, of de prijs verhooging van de peper onder zodanige restrictien, als waar toe uw Hoog Edelheedens mij hebben gelieven te qualificeeren, voor eerst van veel uijtwerking zijn zal. Trevancoort heeft reets zodanige voor stem voor da „lige schikkingen, omtrent zijne peper Gemaakt„ dat Hij daar in geen verandering van belang zal willen maaken, om eene verhooginge tot 80: rop: 'tCandijl, mits dan nog een milioen ponden voor 65: ropias volgens Contract, en een milioen pon= „den voor eerstgemelde prijs te leveren; voor de pe „ per die zijn Mo:t aan de Cust kooplieden en te Colletje 6 Colletje, of wel in het particulier, aan de Engelschen te Ansjenga verkoopt, krijgt Hij vrij hooger prij= „zen, en zal daarom dien verkoop niet verminderen; voor de Contract peper die de Engelschen te Anssen „ga bekomen, word wel niet meer als 80: rop:s het Candijl betaald, dog die leverantie zal zijn Ho:t thans niet kunnen verminderen, maar denkelijk, moe= „ten vermeerderen, om niet te missen de beloofde assistentie. De minste prijs, waar voor Trevancoor aan imand buijten ons de peper afstaat, is dus 80: rop:s het Candijl, zo dat ik onder verbeteringe denke„ dat men zig voor als nog met Geen hoope kan vlijen, dat het aanbod van 80: Ropias onder voormelde Conditie eenigen ingang bij zijn Ho:t zal vinden; ten minsten niet, dat wij daar door den Jnsaam merkelijk zouden vergrooten; behalven dat het zelfs zijn bedenkinge heeft, of dit bij Trevancoor niet wel van eenigen nadeeligen invloed zoude kunnen zijn, op de nog gedaan werdende leverantie volgens het Contract, en dus zal ik met uw Hoog Edelhee= „dens believen van voorsz: g'eerde qualificatie, voor eerst nog geen gebruijk maaken, dog dezelve geheijm houden, tot dat zig eene Gunstige gele= „gentheijd daar toe mogt op doen, en intusschen buijten en heid zoude En leve hooging waar evoord em zal kt„ voor dee 8
English
The samples of the Surat goods are expected. The equipage goods have been requested from the Gentlemen Masters, but no European trade goods. List of prices of all goods sold to be sent annually to the Netherlands. Answered patriotic memorial. Return of the private trade of the last financial year. The share of the King of Cochin in the toll of the import and export duties here. The wages due to some easterners have been paid off. The English and the Marathas. outside Trevancoor and Cranganoor to endeavor to purchase as much pepper for 100 rop:s as is in any way possible, and I could wish that I were able to give Your Right Excellencies a favorable report concerning that purchase even now, which, however, to my regret I cannot yet do with any certainty, since the unrest in the north still continues, so that for the present I have no well-founded prospect of increasing the pepper collection, at least not so much that a special arrangement could therefore be made by Your Right Excellencies for China or Europe; I shall, however, do everything that is in my power. From Souratta I look forward to the samples of all kinds of goods that the Company purchases in that directorship, with the true purchase prices and costs calculated therewith; I hope only to receive the same so early that I may still, in this navigable season, speak about them with the merchants and test what quantity, at what price, and in what time of the year they can or will deliver those goods, of which I shall then respectfully make report on a further occasion. In fulfillment of Your Right Excellencies' venerated order, the equipage goods needed here have been requested via Ceilon from the Gentlemen Masters in Europe, as well as all household necessities for a full year, except European trade goods, which currently cannot be disposed of here at any acceptable profits, enclosing a specific statement of all the European merchandise that has been sold here within the ten years, wherein is demonstrated for what reason no acceptable profits are presently to be made on European trade goods, namely, because the same have been brought in abundance by the English and French in the two past years and sold along this coast. Furthermore, there will also be sent annually to the Netherlands a list of the prices of all those goods as they are sold, citing the quantity; while among the annexes to the general letter Your Right Excellencies are offered the copies of the demands for equipage goods and necessities sent off to the Netherlands. Furthermore, I shall make the contents of the memorial concerning the manner in which commerce from the Netherlands to the western offices in India, and back from there, could be directed to the greater utility and advantage of the Company, along with the marginal replies, serve for my guidance. Herewith I have the honor to present to Your Right Excellencies the return of the trade goods bought and resold for the account of the Company in the financial year 1774/5, from which it appears that the Company has made a net profit thereon of a sum of rap:s 23348:—, which I hope will be pleasing to Your Right Excellencies. As soon as the King of Cochim has arrived here at his staff and has been congratulated on his elevation to the crown, I shall confer with His Highness regarding the cession of his portion of the import and export duties for an annually fixed sum, by way of a present, and then inform Your Right Excellencies what likelihood there is of succeeding therein. The wages due to the eastern military stationed here have been paid off to them according to the list sent, except ƒ 37: 4:— to the soldier Karim Paggerman, since the same was sent from here to Batavia as incurable with the ship the Princes van Orange at the end of April 1775. Concerning the war between the English and the Marhattas, of which mention was made in my previous separate letter of the 13th of July, I have received news here that the English have since marched with their army and with that of the pretender to the Maratha throne, Ragaboij, toward Loena, to conquer the said residence place of the realm and to place him, Ragaboij, in the government; that in that advance they clashed up to two times with the Maratha army of the ministerial party, and that many men fell on both sides; that the intention to conquer Loena was not carried out, as the English say, because the Maratha ministerial party addressed the English government in Bengal and requested and obtained from the same a truce of 6 months to negotiate for peace; yet as others maintain, the loss suffered by the English in the two aforesaid attacks compelled them to retreat and to enter into an armistice; however that may be, this much is certain, that the English army, with that of the pretender Ragaboij, did not arrive before Loena, but, after having engaged twice with each other, retreated to Brootchia, and arrived there with fully a third fewer men than there were at the start of the march, and that shortly thereafter
Dutch transcription
de monsters der suratse goederen worden verwagt 199 de Equipagie goederen zijn van de Heeren Majones verzogt, „whaaren. buijten Trevancoor en Cranganoor zo veel peper tragten inte kopen tegens 100: rop:s als maar eenig„ „sints mogelijk is, en ik wenschte wel, dat ik uw Hoog Edelheedens van nu af, al een voordeelig berijg omtrent dien inkoop kon geven, het geen ik egter tot mijn leedweezen nog met geene zekerheijd doen kan, alzo de onlusten om de Noord nog Continueeren, zo dat ik voor als nog geen gegrond vooruijt sigt hebben om den peper insaam te vergrooten, ten minsten„ niet zo veel, dat eene bijzondere schikking bij uw Hoog Edelheedens voor China of Europa daarom zal kunnen werden gemaakt; egter zal ik alles doen, wat maar in mijn vermogen is. van souratta zie ik tegemoed de monsters van oederen alle soorten van Goederen, die de Comp: in die di= „ rectie inkoopt met de waare inkoops prijsen en ongelden daar bij gerekent; ik hoope deselve maer zo vroeg te mogen ontvangen, dat ik nog in dee= „„zen vaarbaaren tijd, met de barkiers daar over kan spreeken en beproeven, hoedanigen quantiteit„ tegens wat prijs, en inwelken tijd van het Jaar zij die goederen kunnen of willen bezorgen, waar van ik dan bij een nader gelegentheijd eerbiedig verslag zal doen. Jn voldoening van uw Hoog Edelheedens ge= dog geen Europische handel„ venereerde ordre, zijn de hier benodigde Equipagie goederen be an Memori van prijzen van alle verkogte rederen Jaarlijks na Nederland. beantwoorde patriese Memorie goederen over Ceilon van de Heeren Meesteren in Euro= „pa verzogt als meede alle Huijslijke noodwendig= „heeden voor een rond Jaar behalven Europische Han= „delwharen, die thans hier met geene aanneemelijke advancen kunnen werden gedebiteert, onder toesen= „ding van een specifiquen staat van alle de Europi= „sche koopmanschappen die binnen de thien Jaaren alhier vertiert zijn, en waar bij aangetoond is, om wat reeden op de Europische Handelwhaaren thans geene aanneemelijke advancen te behaalen zijn, namentlijk, om dat dezelve door de Engelsche en Fransche in de twee 7:o Jaaren in overvloed aan= „gebragt en langs deze Cust verkogt zijn. wijders zal 'er ook Jaarlijks na Nederland worden bezorgd een Notitie der prijzen van alle die goederen zo als deselve verkogt worden, met aanhaaling van de quantiteijt; terwijl onder de bijlagen van de Gemeene briev uw Hoog Edelhee= „dens worden aangebooden de Copijen van de Eijsschen van Equipagie Goederen en benodigtheeden na Nederland afgezonden. voorts zal ik den inhoud der memorie betref= „fende de wijze, hoe de Commercie uijt Nederland naar de westersche Comptoiren in Jndia, en van daar terug zoude kunnen werden gedirigeert tot meerder nut en voordeel van de maatschappij ij met di= waar dig bied Rendement van de particuliere Handel van 't laatste boekjaar het deel van den cochimsen koning in den tol van de in en uijtgaande regten alhier 200. de te goed hebbende gagie aan eenige oosterlingen is afbetaald de Engelsche en de Marhettas met de marginale beantwoording tot mijne naagjt doen strekken. Hier nevens hebbe de eere uw Hoog Edelheedens aantebieden het Rendement van de in het boek Jaar 17 2/5: voor Reekening van de Compagnie ingekogt en weder verkogte Handelwhaaren, waar uijt Con= „steert, dat de Comp: daar bij zuijver gewonnen heeft een somma van rap:s 23348:—. het geen ik hoope uw Hoog Edelheedens wel gevallig zal tevooren komen. zo dra De koning van Cochim hier aan zijn staf gekomen en gecomplimenteerd zal zijn, met zijne verheffinge tot de Groon, zal ik zijn Hoogh:t onder „houden over het afstaan van desselfs portie aan de in en uijtgaande regten, voor een Jaarlijkse vast gestelde som, bij weege van een present; en uw Hoog Edelheedens als dan bedeelen, wat apparentie er is, om daar in te slaagen. De te goed hebbende Gagie der alhier bescheijde= „ne oosterse militairen, is volgens gezondene No= „titie aan haarlieden afbetaald Excepto ƒ 37: 4:—. aan den soldaat karim paggerman, alzo den selven ultimo April 1775: met het schip de prin= „ces van orange als incurabel van hier na Batavia gezond n Aangaande den oorlog tusschen de Engelschen en de Marhattas, waar van bij mijn voorige aparte van 8 van den 13: Julij is gewagt, hebbe hier tijdinge erlangd dat de Engelschen 't zedert met hun leeger en met dat van den pretendent van de Marhattase Throon Ragaboij na Loena opgetrokken zijn, om de Gem: Re= „sidentie plaats van het Rijk te vermeesteren en hem Ragaboij, in de Regeeringe testellen; datze in dien opmarsch, tot twee keeren met het Mar= „hatase leger van de Ministeriale parthij slaags zijn geweest, en dat daar bij over en weer veel volk is gebleeven; dat het oogmerk om Loena te vermees= „teren niet is ter uijtvoer gebragt, zo als de Engelsche zeggen, om dat de Marhattase Ministeriale Par= „thij, zig aan de Engelsche Regeering te Bengale g'addresseert en van deselve verzogt en verkree= „gen had een stilstand van 6: maanden, om over de vreede te handelen; dog zo als andere willen, zoude het geleede verlies der Engelschen in de twee voorsz: attacques hen genoodzaakt hebben te retireeren en een stilstand van wapenen aantegaan; hoe het dat nu ook hiermeede zijn mag, dit is zeker het Engels leger, met dat van den pretendent Raga= „boij niet tot voor Loena gekomen, maar na met elkander tweemaal slaags geweest te zijn, na Brootchia Geretireerd, en aldaar wel met een derde minder manschappen aangekomen is, als er bij den optogt is geweest, en dat kort daar na narigt in 8