Inventory 10309
Malabar · 876 pages · 139 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
Anno 1778: and ƒ1003:1. –. in sales value more than the preceding year, as appears from the following memorandum: Purchase value. Sales value. In the month of January from Batavia sent various gift goods for the King of Travancore: ƒ 1391: 15. 8. ƒ 1391. 15. 8. January from Batavia various gift goods sent for the King of Cochin: ƒ 1152: –. – ƒ 1152. –. — February used for packing: ƒ 23. 17. 8. ƒ 23. 7. 8. March presented to the prime state minister of the King of Travancore to the amount of: ƒ 195. 12. – ƒ 195. 12. — April and May bought and presented to the envoys of the King of Travancore who came here for the settlement of the pepper accounts: ƒ 290. 5. – ƒ 506. 6. -. August presented to the King of Travancore spice oil: ƒ 18. 15. 8. ƒ 160. –. - Money: ƒ3072: 5. 8. ƒ 3429. 11. — Credited from Batavia in favor of this: ƒ 1743. 17. 8. ƒ 1743. 17. 8. Remainder: ƒ 1328. 8. — ƒ 1685. 13. 8. Last year was presented to the amount of: ƒ4385. –. 8. ƒ4583:4:8. And brought in favor from Batavia: ƒ 3900. 12. – ƒ 3900. 12. — The remainder: ƒ 484. 8. 8. ƒ 682. 12. 8. Thus more: ƒ 843. 19. 8. ƒ 1003. 1. —. Regarding the article of Ships and Vessels, it has already been said here before that the ship De Concordia arrived here from Batavia on 5 November of the past year, while we are still awaiting the ship Mentor. Arrival of the ship Concordia from Batavia. And that of the ship Ceres on 9 December thereafter from Ceylon. Departure of Ceres for Porca and for Colombo. 9 exiles who arrived from Batavia with the Concordia transferred. The ship Ceres arrived in the roads here on 9 December thereafter from Colombo, to take in a cargo of 900000 lb of pepper, which quantity the Ceylon ministers demanded, and which vessel we had take in the cargo at Porca and with that caused to return to Ceylon on the first of this month. We caused to be transferred to this ship 9 exiles, brought over from Batavia with the Concordia for Ceylon, according to the received copy of the ordinance, the remaining 5 having died on the voyage hither. The master of this vessel, Johan Alexander von Schkopp, having made a request for a voyol rope and an anchor, submitting two private statements from the ship's officers, from which it appeared that upon inspection on 14 November last their voyol mooring rope was found unserviceable, and on the 25th thereafter, upon heaving in the mooring anchor, it was noticed that the shank of the same had broken clean off, we therefore in our session of 19 December last approved that a voyol rope of 21 inches and an anchor of 3560 lb be supplied for the benefit of the aforementioned ship, and notice thereof be given to the Ceylon ministers, enclosing the aforementioned ship statements, as was also done. The master of Ceres requested an anchor and a rope and had them supplied. The company of Lucas Cramer and partners in Bengal sent hither their snow named De Triton, with orders and authority to the Jewish merchant David Rhabbij to sell the same with all rigging, sails, and gear; of this we were informed, and at the same time that the same was still in good condition, and tight and strong, and could still be used for a long time without considerable repairs, except that the sails were somewhat old and a few small items were lacking; and since we had at present no other vessel at hand here than the smalschip De Verwagting, and a second such vessel, as was generally present here previously in peaceful times with two vessels, is especially needed now; A snow named De Triton sent here for sale. The same was inspected by special commissioners and found suitable as a cruiser. so we considered this opportunity very favorable to make use of it in this emergency, and had the vessel inspected and examined by special commissioners, the Master of Equipage Van Blankenberg and the overseer of the shipyard Paulus Kip, who then also found the same tight and strong and suitable to be used as a vessel of force or cruiser and to be mounted with 18 cannons of 4 lb and 6 of 2 lb; their incoming report in this regard served in our meeting of 25 May of the past year, when it was taken into consideration by us how experience during the previous passed good monsoon has sufficiently shown that in these critical circumstances of the times such a vessel is still very much needed here, both to be able to place two sloops or vessels at the corner of Aycotta, and to prevent the enemy from breaking through on that side and undertaking anything against Vypin, since the Nabob's fleet in the previous early monsoon had already arrived at Calicut a full two days before the arrival of the pepper ship from Ceylon, and would certainly have undertaken something had the ship from Ceylon not arrived shortly thereafter, as the fleet retired northwards again soon afterward. Necessity of having such a vessel of force here. That it could often happen that the Nabob's fleet would be in the fairway earlier before a ship from
Dutch transcription
A:o 1778: en ƒ1003:1. –. uijtkoops meerder, als het Jaar bevoorens, blijkens de onder „volgende memorie inkoops uijtkoopt in demaand Ianuarij van Batavia gesondene diverse schenkagie goederen voor den koning van Fre„ vancoor - - - - - - - - - - - ƒ 1391: 15. 8. ƒ 1391. 15. 8. Ianuarij van Batavia diverse schenkagie goederen gesonden voor den koning van . . februarij tot afpacken verbruikt - - -„ Maart aan den eerste staat minister van den koning van Trevancoor verschonken tot - - „ 195. 12. – „ 195. 12. — .April en Meij aan de zendelingen van den koning van Trevancoor die tot het sluijten der Peper reek: hier gekoo„ „men ingekogt en verschonken - - - - „ 290. 5. – „ 506. 6. -. Augustus aan den koning van Jrevan„ „cour verschonken specerij olie - - - - „ 18. 15. 8. „ 160. –. - Geld - - - ƒ3072: 5. 8. ƒ 3429. 11. — over van Batavia ten voordeele deeses aangerekent „ 1743. 17. 8. „ 1743. 17. 8. va ƒ 1328. 8. — ƒ 1685. 13. 8. vergangen Jaar is verschonken tot ƒ4385. - 8. ƒ4583:4:8. En van Batavia ten faveur gebragt „ 3900. 12 – „ 3900. 12. — T rest ƒ 484. 8. 8. ƒ 682. 12. 8. dus Meerder - ƒ 843. 19. 8. 1003. 1. —. Nopens het articul van Scheepen en Vaartuijgen is 23. 17 8. „ 23. 7. 8. Cochim - - - - - - - - - - - „ 1152: –. – „ 1152. –. — hier d„o d„o na 184 Arrivement van tot schip Concordia Batavia. En dat van 't schip Ceres op den 9. xber daar aan van Ceilon. vertrek van Ceres na Porca en na Colomko. van Batavia met de Concordia aangekomen overgevaren. hier vooren reets gesegt, dat het schip De Concordia op den 5: November op den 5. 9ber j:o leeden van pass„o van Batavia hier aangekoomen is, ziende wij het schip Mentor als nog te gemoet. Ceres is den 9: Decem„ Het Schip van Colombo „ber daar aan, hier ter rheede gekoomen, ten inneem van een lading, ofte 900000: lb: peper, welke quantiteijt de Ceilonse mi„ „nisters g'Eijscht en wij dien boodem te Porca hebben laaten inneemen en daar meede op den eersten deeser na Ceilon doen terug keeren wij hebben op dit schip doen overgaan Daar mede zijn 9. bannelingen 9: bannelingen, met d' Concordia van Batavia, voor Ceilon, blijkens ontfangen Copia ordonnantie, overgebragt, zijnde de overige 5: op reijs na herwaards overleeden, Den schipper van deesen boodem Johan 17.8. 5. 12. — 17. 8. den schipper van Ceres heeft een anker en een touw versogt en verstrekt gekregen. Johan Alexander van Schkopp„ versoek gedaan hebbende om een vijger touw en een anker onder overlegging van twee onderhandse verklaringen van de scheeps officieren, waar bij bleek, dat bij visitatie op den 14: November J:o leeden hun vijger thuij-touw, onbequaam bevon¬ „den, en den 25: daar aan, bij het inwenden van het thuij anker, ontwaard is, dat de schagt van het selve dwars afgebrooken was, zoo hebben wij ter onser sitting van den 19: xber: Jongst leeden, goedgevonden een vijger touw van 21: d=m, en een anker van 3560: lb: ten behoeve van voorschreeven schip, te laaten verstrecken en daar van aan de Ceilonse ministers kennisse te geeven, onder toesendinge der voorm: scheeps verklaringen, zoo als ook is geschied. De sociteijt van Lucas Cramer C: S: in 185 een snauw gen:t de Triton hier ten verkoop gesonder. De socteit in Bengale heeft in Bengale heeft na herwaards ge„ „sonden derselver Snaauw De Trilon, met ordre en qualificatie aan den Joodskoop„ „man David Rhabbij, om deselve met zeijl en treijl, of alle toebehooren, te verkoo„ „pen, hier van wierd men g'informeert, en ook teffens dat het zelve nog in een goeden staat, en hegt en sterk was, en nog lang gebruikt konde werden, zonder merkelijke reparatie, excepto dat de zeijlen wat oud, en een en ander kleenigheeden manqueerden, en dewijl men hier thans geen ander vaartuijg aan handen had, dan het smalschip De verwagting, en een tweede diergelijk vaartuijg, gelijk hier bevoorens in vreedige tijden door „gaans twee vaartuijgen geweest zijn, in„ „zonderheijd thans zeer benodigt is; zoo hebben van deselve is door Expresse gecom„ „mitteerdens bevigtigt en bekwaam bevonden. tot een kruijser. hebben wij dese gelegentheijd zeer favora „ble g'oordeelt, om daar van in dese ver„ „legentheijd gebruijk te maaken, en het vaartuijg door expresse gecommitteer„ „dens, den Equipagie opsiender van Blankenberg en opsiender der scheeps Timmerwerff Paulus Kip, laaten besigtigen en examineeren, die dan ook het selve hegt en sterk hebben bevonden en bequaam om tot een koper of kruijsser gebruijkt en met 18: kanons van 4: lb:, en 6: van 2: lb:, gemonteert te kunnen werden; hun derweegens ingekoomen be„ „rigt heeft gedient in onse bij eenkomst van den 25: maij anno pass„o, wanneer bij ons in overweeginge is genomen, hoe de ondervinding in de voorige gepasseer„ „de goede mousson genoegsaam geleert heeft, dat in deese Triticque tijds om„ „standig Noodzakelijkheid om al zulk der martitng hier te hebben. 186 „standigheeden zodanigen vaartuijg hier nog zeer benodigt, zoo om twee Chialou„ „pen, of vaartuijgen op de hoek van Aijcotta te kunnen plaatsen, en te beletten, dat de vijand aan dien kant niet doorbreeke en op Baijpin iets onderneemen, vermits 's Nababs vloot in de voorige vroeg mousson, wel twee dagen voor de komste van het Peper schip van Ceilon, bereets op Calicut was g'arriveert en zeekerlijk het een of ander zoude hebben ondernoomen, was het schip van Ceilon niet kort daar op aangekomen, alsoo de vloot. kort daar aan weder noordwaards retireerde. Dat het meermalen zoude kunnen erteeren, dat 's Nadabs vloot vroeger in het vaarwater was eer een schip van
English
condition of the narrow vessel De verwagting. arrives from Ceilon or Batavia and that the narrow vessel De verwagting alone is not capable of preventing them from passing around the point and attempting something against Baijpin or Aijcotta. That besides this, the narrow vessel De verwagting, having also sailed for some years, and here only since anno 1771, is also no longer as sufficient as one might wish, and therefore, consideration really had to be given soon to another sufficient vessel, all the sooner because under present circumstances, such events might easily occur that one could be compelled to send off a vessel with dispatches to Batavia or Ceilon, and if one in such a case The snow bought for the Honorable Company for 10000 Rops And placed upon it as commander the boatswain Zeeberg who previously was a mate with the Company could still employ the said narrow vessel for that purpose, one would nonetheless thereby be deprived of the only sailing vessel that one has on hand here. For all of which reasons, and also because one had knowledge that this vessel was to be obtained for a fair price, namely for 10000 ropias, according to obtained authorization, though not for less, we have thus approved and decreed at the said meeting of 25 Maij to purchase this vessel with rigging and gear, or all its appurtenances, for the Company, if it can be had for the said sum of 10000 rops and absolutely no less; furthermore to accept the mate Sweeris Zeeberg, sailing upon it as commander, into the Company's service as 187 as boatswain and thus let him retain the command over the said vessel; so that after much speaking and bargaining back and forth with the said Jewish and Company's merchant David Rhabbij, the vessel and appurtenances have been acquired in ownership for the Honorable Company for the said sum, and this keel has been repaired of some small defects and provided with some necessities, being renamed De Nehellennia, and this snow renamed De Nehellennia has already departed for Aijcotta at the end of October anno passao to be stationed there on guard, alongside The narrow vessel De verwagting which, along with the lesser vessels belonging here at home, was inspected and surveyed by specially appointed commissioners according to annual custom; The narrow vessel De verwagting, defects repaired which cost ƒ4067. 12 from Nagapatnam has been signed back to the Mallabaar and from there detached to Cochim 188 the defects found upon it are only ordinary and of no consequence, as appears from the report inserted into the Resolution of 9 Julij anno passao, and when we decided to have those defects repaired, which, along with and besides the ordinary provision of equipment goods and other necessities, cost ƒ4067:12. –, as appears from the specification accompanying this. The correspondence with the western offices has been properly The provision to the military maintained, and regarding which we bring to the knowledge of Your High Noblenesses that the eastern Company and some European military men and artillerymen sent to our assistance from Nagapatnam in anno 1776 arrived here along with arrived without closed pay accounts, and therefore, not having been able to be debited here for the pay received, the provisions supplied to them were charged to the Government of Nagapatnam in order to be debited against their pay accounts there; that the Nagapatnam officials, believing that these wages should not be charged to their government, but should be charged to Mallabaar, as having been provided to the military personnel being here in the service of the same, have charged back the said charged, provided pay to Mallabaar by invoice of the last of Augustus 1777 to the amount of ƒ4586:8:—; and at the same time also sent the closed pay could not be accepted because the recipients were debited for it at Nagapatnam accounts of the said military men and artillerymen, with a request in their letter attached thereto, dated 26 Januarij 1778, to debit them here, each for their share, for the said sum, as well as for a sum of ƒ564. 14. 8 provided to some wives of the said military men at Nagapatnam; which request we were very inclined to comply with, wherefore the invoices of back-charging and account were delivered here to the trade officials to act thereon as appropriate, and who issued extracts from those invoices to the pay bookkeeper to make the debit in the pay books, who, however, presented a written report on the matter, stating that he could not debit the aforementioned military men and artillerymen for the said sums, since they were already debited for those received wages and the provisions to their wives in the pay accounts closed at Nagapatnam, and thus could not be debited twice for them; which report was placed into the hands of the chief administrator and trade bookkeeper Reinier van Harn, to serve as a written report on how and in what manner this matter could best be settled; whereupon the said chief administrator, in a report, together with that of the pay bookkeeper and the 189 Nagapatnam
Dutch transcription
gesteldheijd van het smalschip De verwagting. van Ceilon ofte Batavia aankomt en dat het smalschip De verwagting alleen niet bestand is, om te beletten dat deselve niet om den hoek heen pas„ „seeren, en op Baijpin of Aijcotta iets tenteeren. Dat buijten des het smalschap De verwagting ook al eenige Jaaren gevaa„ „ren hebbende, en hier alleen zedert anno 1771:, ook zoo suffiçant niet meer is als men wel wenschte, en derhalven, tog op een ander suffiçant vaartuijg wel haast moest werden gedagt, te eerder„ om dat in dese tijds omstandigheeden, ligt zodanige zaaken kunnen voor„ „vallen, dat men genoodzaakt zoude kunnen zijn, een vaartuijg met advisen na Batavia of Ceilon aftesenden, en zoo men in zodanigen geval daar toe De snauw voor d' E: Comp:e gekogt voor 10000: Rop„s En daar op geplaatst als gesag„ hebber den boodsman Zeeberg die be„ voorens bij de Comp: stuurman is geweest toe het gem: smalschip nog zoude kun „nen emploijeeren, men egter daar door ontrieft zoude werden van het eenigste zeijl vaartuijg dat men hier aan han„ „den heeft om alle welke redenen, en ook om dat men kennisse had, dat dit vaartuijg voor een Civile Prijs, en wel voor 10000: ropias, volgens erlangde qualificatie dog ook niet voor minder tebekomen was zoo hebben wij ter gem: bij eenkomste van den 25: Maij goedge„ „vonden en g'arresteerd, dit vaartuijg met zeijl en treil, of al zijn toebehooren, voor de Compagnie inte koopen, indien het voor gem: somma van 10'000: rop=s en absoluit niet minder te krijgen zij; voorts den, daar op als gesaghebber vaarende, stuurman Sweeris Zee„ „berg in 'sComp„s dienst aan teneemen als 187 als boodsman en hem zodanig het Com„ „mando op gemelde boodem te laaten houden invoegen men dan na veel over en wee„ „der spreekens en dingen, met gem: Joods en 'sComp„s koopman David Rhabbij, het vaartuijg en toebehooren voor d' E: Comp: in eijgendom heeft verkreegen, voor de ge„ „melde somma, en is dien kiel van eenige kleene gebreeken verholpen en van eenige benodigtheeden voorsien / zijn „de hernaamt De Nehellennia:/ en die siaiuw hern=t de Schillema en reets met het laast van october anno pass=o na Nijcotta vertrocken om daar op Brandwagt te leggen, nevens Het smalschip De verwagting dat met de mindere hier thuijs hoo„ „rende vaartuijgen na Jaarlijkse ge„ „bruijk door expresse gecommitteerdens is Het smalschip de verwagting, gebreeken, verholpen die gekost hebben ƒ4067. 12: van Nagapatnam is na de mallabaar weder terug getekend van daar na Cochim gedetacheert 188 is bezigtigt en gevisiteert; de gebreeken daar en de vaartuijgen zijn van hunne aan bevonden, zijn maar ordinair en van geen belang, blijkens het rapport ter Resolutie van den 9: Julij anno pass=o g'insereert, en wanneer wij beslooten hebben, die gebreeken te laaten repareeren, welke, met en benevens de ordinaire verstrekkinge van Equipagie goederen en andere benodigtheeden, gekost hebben ƒ 4067:12. –. blijkens specificatie desen versellende De Correspondentie met de westersche Comptoiren is behoor„ het verstrekte aan de militoire „ lijk onderhouden en waaromtrend wij uw Hoog Edelheedens ter kennisse brengen, dat de in anno 1776: ons van Nagapatnam ter assistentie toege„ „sonde oosterse Comp: en eenige Europeese militairen en arthilleristen hier aangekomen nevens aangekomen zijn, zonder afgeslooten zoldij Reekeningen en derhalven voor het genot aan gagie alhier niet hebbende kunnen werden belast het verstrekte aan deselve het Gouvernement Naga„ „patnam is aangereekent om daar op hunne zoldij reekeningen belast te werden; dat de Nagapatnamse bedien„ „dens vermeenende, dat dese zoldijen niet ten laste van hun gouverne„ „ment; maar ten lasten van malla„ „baar behoorende, als verstrekt aan de militairen, ten dienste van het zelve, hier zijnde, de gem: aange„ „rekende verstrekte gagie, hebben te rug gereekent na Mallabaar bij factura van ultimo Augustus 1777: ten bedrage van ƒ4586:8:—; en ook ter zelver tijd gesonden de afgeslooten soldij heeft niet kunnen werden inge„ noomen om dat de genieters daar voor op Nagapatnam zijn belast soldij reekeningen van gemelde militai „ren en arthilleristen, met versoek bij hun daar nevens gevoegde missive gedateert 26: Januarij 1778:, om de „selve hier, ider voor hun aandeel, voor de gem: somma te belasten, als ook nog voor een somma van ƒ564. 14. 8. aan eenige vrouwen van gemelte militairen te Nagapatnam ver„ „strekt; aan welk versoek wij zeer genegen waaren te voldoen, waarom de facaturas van te rug en aanreeke„ „ninge hier aan de negotie bedien„ „dens zijn afgegeven om daar meede te handelen na behooren, en welke uijt die facturas Extract aan den soldij boekhouder hebben afgegeven om de belastinge bij de zoldij boeken te doen dog die daar op gedient heeft, van een een schriftelijk berigt, behelsende, dat hij de voormelde militairen en arthil „leristen voor de gem: sommas niet konde belasten, vermits deselve reets voor die genootene gagies en het ver„ „strekte aan derselver vrouwen, bij de te Nagapatnam afgeslooten soldij reekeningen waaren belast, en dus niet tweemaal daar voor konden werden gedebiteert; welk berigt ge„ „steld is in handen van den hoofd „administrateur en Negotie boek„ „houder Reinier van Harn, om te dienen van schriftelijk berigt, hoe en in welker voegen deese zaak best haar beslag soude kunnen er„ „langen; waar op gem: Hoofdadminis„ „trateur bij een berigt, benevens dat van de Zoldij boekhouder en Naga„ 189 „patnamse
English
missive from Nagapatnam relating hereto, inserted into our Resolution of 30 April, made it known that nothing can be written off under pay in the trade books that cannot be entered into the pay books; and having deliberated hereupon on the day just mentioned, we took into consideration that the deducted sum cannot well be written off on any other account in the trade books than pay, and that it cannot be entered thereon because the recipients in Nagapatnam have already been debited for it, and that thereby the request of the Nagapatnam ministers cannot be fulfilled. That it is also difficult to reconcile that the Nagapatnam ministry does not wish to charge those sums to their office, and yet have caused the said soldiers and artillerymen to be debited in their pay books for the receipt of those sums, since it must likely result therefrom that their pay books do not agree with the trade books, as debits have been made in the former for which no disbursement from the cash office there took place, and for which they also would accept no charge, and which thus could not immediately be brought to the debit of pay in the trade books; and written again to Nagapatnam about it and therefore found good to make the foregoing known to the Nagapatnam ministers, and to debit back thither the credited and deducted sums, pointing out that this matter cannot be brought to a proper conclusion unless the ministers take the said sums to the charge of Nagapatnam, or else send hither corrected pay accounts, or such on which the sums disbursed here and deducted from there are not charged, though the latter could likely not take place, because their pay books must already have been closed and sent off, and therefore the former should take place; but with all this still writing that the recharging and deducting only takes place because the pay accounts in Nagapatnam are closed in such a manner that the said sums cannot be entered into the books here, that one would otherwise be very willing to take them to the charge of Mallabaar, that since also the wages after ultimo August 1777 disbursed here to the aforementioned detached persons were already charged to some of their accounts there, those wages could also not be entered here and must be charged to Nagapatnam, unless corrected pay accounts were sent to us; or else that they could indicate to us another way by which both these wages and those of the previous that those sums would be settled there, and they had not known that the debit on account had occurred there previous financial year could be entered in a convenient manner, all of which was then pointed out to the said ministers by missive from here of 9 May of the past year, and to which they, by letter of 24 July following, and received an answer from there that wrote in reply that the ministers, upon sending the closed pay accounts and deducting the wages disbursed here, had supposed that those men had not been debited for it on their pay accounts in Nagapatnam, as in that case they would neither have deducted nor charged those sums, and much less would have requested to debit them for that receipt; that, this debit having occurred there erroneously by the pay clerks, they, with the transmission of some corrected pay accounts to remove the difficulties raised by us, would have the deducted f 5171 settled there under prior-year charges and expenses, though in their view this should have been done at Cochim; for the rest having sent us corrected pay accounts of the wages disbursed here after ultimo August 1777 to the said detached persons, and deducted on that account f 389: 4:, which, along with all further disbursements made and still to be made to those detached persons, remain to the charge of Mallabaar, now that they run in the books here; we resumed the aforementioned Nagapatnam missive at our session of 7 October, and herewith considered this matter concluded, without expressing ourselves further on the argument of the Coromandel ministers as to how the deducted wages could have been borne here. The Ceylon ministry has detained at Manaar a two-masted vessel loaded with pepper and cardamom without a pass The Ceylon ministers made known to us by missive of 12 June that a two-masted vessel without a pass had arrived at Manaar, laden with pepper and cardamom etc., according to the statement of the Nakhoda belonging to a Moorish merchant at Cranganoor (though this must likely be Cannanoor) by the name of Alipie, departed from Calicoet and bound for Madrast, which vessel the ministers had ordered detained at Manaar until further notice, requesting us to report to them as soon as possible whether we have any claim to the vessel
Dutch transcription
„patnamse missive, hier toe betrekke„ „lijk, in onse Resolutie van den 30: April, g'insereert, heeft te ken„ „nen gegeven, dat niets ten lasten van zoldijen bij de negotie boeken kan werden afgeschreeven, wat niet bij de zoldij boeken kan werden inge„ „nomen, en hier op ten even gemelden daage gedelibereert hebbende, is bij ons in aanmerkinge genomen, dat de terug gereekende somma, niet wel op eenige andere reekening bij de negotie boeken kan werden afge„te„ „schreeven, als op zoldijen; en dat het daar op niet kan werden gebragt, om dat reets de genieters te Naga„ „patnam daar voor zijn belast, en daar door niet aan het versoek der Nagapatnamse ministers kan kan werden voldaan Dat het ook niet wel is over een te brengen dat het Nagapatnams mini „terie die sommas, niet ten lasten van hun Comptoir wil neemen, en egter de gemelde militairen en arthilleristen„ voor het genot van die sommas bij hunne zoldij boeken hebben laaten belasten, dewijl daar uijt waarschijne „lijk veroorzaakt moest werden, dat derselver zoldij boeken niet met de negotie boeken accordeeren, alsoo bij de eerste belastingen zijn gedaan, waar van' geene verstrekkinge uijt kassa aldaar is geschied, en waar van de„ „selver ook geene aanreekeninge wilden accepteeren, en die, dus niet bij de nego„ „tie boeken ten lasten van Zoldijen aansteend konden werden gebragt; en 190 daar over weder na Nagapat„ nam geschreeven en derhalven goedgevonden het vooren„ „staande de Nagapatnamse ministers te kennen te geeven, en de aan, en te rug gerekende sommas weeder derwaards aantereekenen, onder vertooninge, dat dese zaak tot geen behoorlijk eijnde te brengen zij, of ze ministers dienen de gem: som„ „mas ten laste van Nagapatnam te neemen, ofte ook verbeterde zoldij Reekeningen, of zodanige, waar op de hier verstrekte, en van daar te rug „gereekende sommas niet zijn belast, herwaards te zenden, dog dat dit laaste„ denkelijk, niet zoude kunnen geschieden, om dat derselver soldij boeken reets geslooten en versonden moesten zijn, en derhalven het eerste plaats vinden; dog bij dit alles nog aante schrijven, dat de weder aanreekeninge en terug reeks„ „ninge „ninge alleen geschied, om dat de zoldij Rekeninge te Nagapatnam zodanig afgeslooten zijn, dat de gesegde som„ „mas hier niet bij de boeken kunnen werden ingenoomen, dat men anders heel bereijdwillig zoude zijn, die ten laste van Mallabaar teneemen, dat vermits ook de gagies na ultimo Au„ „gustus 1777:, hier verstrekt aan de voormelte gedetacheerdens, al op sommi„ „ge derselver reekeningen aldaar waren belast, ook die gagies hier niet zouden kunnen werden ingenoomen, en Nagapatnam moeten aangereekent werden, ten waare ons verbeterde zoldij Reekeningen wierden toegesonden; dan wel dat deselve ons zouden kunnen aanwijsen, een anderen weg, waar door zoo wel deese gagies, als de van het voorige ver dat was die sommen aldaar zouden werden vereffent en ze niet geweeten dat de belasting op reek: aldaar was geschied voorige boekjaar, op een gevoeglijke wijse konden werden ingenoomen, al het welke dan gemelde ministers bij missive van hier van den 9: Maij A:o pass=o is vertoond, en waar op deselve bij briev van den 24: Julij daar aan, in antwoord en van daar antwoord enlangt dat hebben geschreeven, dat ze ministers bij des oversending van de afgesloote zoldij reekeningen, en te rug reekening der hier verstrekte gagie, hadden gesup„ „poneert, dat die menschen daar voor te Nagapatnam niet waaren be„ „last op hunne zoldij Reekeningen, alsoo ze in dat gevall, die sommas nog te rug nog aangereekent, en te minder zouden versogt hebben, hun voor dat genot te belasten; dat die belasting daar abusivelijk geschied Zijnde, door de zoldij bediendens, ze om met oversending van eenige verbe„ „terde Zoldij Reek„ om de door ons g'opperde swarighee„ „den weg teneemen, de terug gerekende ƒ 5171: daar zouden laaten vereffenen op voorjarige lasten en ongelden, dog na hun begrip dit op Cochim had dienen te geschieden; voor 't overige ons hebbende toegesonden verbeterde soldij Reekenings van de na ult=o Augustus 1777: hier verstrekte gagie aan gem: getacheerdens, en derwegens te rug gerekent ƒ389: 4:, welke, benevens alle verdere verstrekkingen gedaan en nog te doen, aan die gedetacheerdens ten lasten van mallabaar blijven, nu deselve hier bij de boeken loopen; wij hebben ter onser sitting van den 7: octo„ „ber, de voorm: Nagapatnamse missive geresumeert en hier meede dese zaak voor afgedaan gehouden, zonder ons over der & het Ceilons ministerie heeftelicu„ mastig vaartuijg dat sonder pas met peper en Cardamom beladen op Manaar wat aangehouden 192 der Cormandelse ministers sustenue, hoedanig de terug gereekende gagies hier hadden kunnen werden gedraagen, verder uijttelaaten De Ceilonse ministers hebben ons bij „datie verkogt omtrend een twee missive van den 12: Junij, te kennen te gegeven, dat Manaar een twee mastig vaartuijg zonder pas was aangekomen, beladen met Peper en Cardamom ensz: volgens opgave van den Nachoda, toebehoorende aan een moors koopman te Cranganoor /:dog dat waarschijnelijk Cannanoor moet zijn:/ in name Alipie, afgevaaren van Calicoet en gedestineert na Madrast, welk vaartuijg ze mi„ „nisters tot nader ordre te Manaar hadden laaten aanhouden, ons versoe„ „kende hen ten spoedigsten te willen melden, of wij eenige pretentie op wan„ tuijg
English
Report has been received that the same belongs to an inhabitant of Tallicherij and it is judged that no claim should be made upon it. vessel, crew or cargo, after which the ministers would arrange their further dispositions. Upon this we made inquiries regarding this vessel and its owner, and found that the vessel belongs to the Moor Alipie, or properly named Comben Alipie, presently an inhabitant of Tallicherij, native of Combin in Canara, though having departed from there many years ago and come with his family to Sallicherij under English protection, so that the pepper and cardamom were certainly purchased to the north, namely at Cananoor or Calicut. All this was taken into deliberation in our meeting of the 9th of July last, noting that the owner of the vessel has no connection to us or to this establishment, and that one could therefore not well form a claim on that vessel, crew, or cargo, although in earlier times the transport of pepper was guarded against here by having vessels cruise along the coast as a right that the Portuguese established, in whose time no other European nation was yet settled on this Coast; but which has now not occurred for many years and also cannot be done without difficult consequences, because the European nations settled here on the Coast claim that pepper may be freely transported by them and their subjects from places where they can obtain it outside our establishment, and that the sea must be free for them. For which reason we have thought fit The Ceylon ministers have requested that no paddy be sent thither. to send the above in reply to the Ceylon ministers, and for the rest left it to them to act further regarding the aforementioned vessel and cargo as they shall judge proper. For the rest, the Ceylon ministry has made a request to us that in the future no paddy should be sent to them from here unless they expressly request it; and the first undersigned also has a separate letter from the Honorable Governor of Ceylon, Mr. Falck, stating that they on that island are currently provided with a sufficient quantity of rice, so much so that there is almost no storage space left, so that this year, or this good monsoon, we will not need to purchase nor send any grains for Ceylon. A private Dutch ship has called here. Native traders sailing from here to Coromandel will only be granted permission to steer for Nagapatnam. Regarding the free navigation and trade: We bring to the notice of Your High Excellencies that, besides the previously mentioned snow De Triton, only the ship De Klerk, under the Dutch flag, commanded by Captain Johan Gordon, arrived here from Bombaij on the 19th of September last, and departed the following day for Batavia. In accordance with Your High Excellencies' revered order, in the passes granted here on the Coast to European and native traders who wish to steer for Coromandel, it will be specifically made known that such traders A list of the foreign ships and vessels that have called here is forwarded. Acts of violence by a certain Englishman, Carjosen, taking 1000 piculs of tin from a vessel bound for Batavia. are permitted to steer for Nagapatnam. Regarding the foreign ships and vessels that have called here, a list is forwarded among the annexes, in which it is recorded from where they came and where they departed to, to which we respectfully refer. Among the annexes of Your High Excellencies' aforementioned letter, there was also an extract from the minutes of what was discussed and resolved in the Council of India on the 8th of December 1777, annexed with a copy of a report given by the Chinese Sang Ingko at Malacca, containing that by the captain of an English ship Parks. It is judged that no complaint can well be made from here to the English ministry about it. named Parks, 1000 piculs of tin were taken by force and without any payment from the vessel of the juragan Maas Braham, which was destined for Batavia; on which account the ministers to the west of India were ordered thereby, together with the Malacca ministers, to lodge complaints with the heads of the English settlements to obtain compensation for damages. We have therefore reflected on how best to put this into effect, and it appeared to us that these complaints could be made with good effect to no others than the governments at Bombaij, Bengale, or Madrast; and we considered that, as far as Bengale and Madrast are concerned, the Company's ministers Request for further orders regarding this. at Bengale and Nagapatnam have the best opportunity for this. And as far as Bombaij is concerned, that since the Sourat ministers—as appears from the received copy of the letter written thither from Batavia—are particularly instructed to complain to the English government at Bombaij on this account to obtain recovery of damages, it would not be very proper for us also to address them on the matter without knowing what effect the complaints of the Sourat ministers have had; to which is also added that we have virtually no correspondence with the Bombaij ministry, at least not such as the Sourat ministers have. Therefore, we have thought that we ought to do nothing in this matter until further orders. Meanwhile, we shall inform ourselves as much as possible as to where this Englishman [illegible].
Dutch transcription
men heeft een berigt dat het selve toebehoord aan een inwoonder van Tallicherij en oordeelt daar op geen pretentie te hebben. „tuijg, Equipagie of lading vermeenden te hebben, waar na ze ministers hunne verdere disposities zouden schikken. Wij hebben ons hier op g'informeert na dit vaartuijg en dies eijgenaar, en be„ „vonden, dat het vaartuijg behoort, den moor Alipie of eijgentlijk genaamt Comben Alipie thans inwoonder te Tallicherij geboortig van Combin in Canara, dog voor lange Jaaren van daar geweeken en met zijne fami„ „lie op Sallicherij onder Engelsche protes gekomen, zoo dat de Peper en Carda„ „moin zeekerlijk om de noord, en wel te Cananoor of Calicut, is ingekogt, dit een en ander is in onse bij eenkomste van den 9: Julij J:o leeden, in deliberatie en in opmerkinge genoomen, dat den eijgenaar van het vaartuijg geene be„ „trekkinge heeft tot ons, of dit Etablis„ „sement 193. „sement men derhalven niet wel pretentie op dat vaartuijg, Equipagie of lading 11 zoude kunnen formeeren, schoon hier in vroegere tijden tegen den vervoer van peper gewaakt is, met vaartuijgen langs W de kust te doen kruijssen als een regt dat de Portugeesen, in welker tijd nog geene andere Europeese natie op deese Cust geseeten was, g'effent hebben dog het welk nu al veele Jaaren niet meer is geschied, en ook zonder moeijelijke gevolgen niet kan werden gedaan; door dien de Europeese natien, hier ter Custe geseeten, pretendeeren, dat de Peper door hen, en hunne onderdanen, van plaatsen alwaar ze deselve buijten ons Etablisse„ „ment krijgen kunnen, voij mag wer„ 18 „den vervoert en de zee, voor hen vrij moet zijn, waaromme wij dan goedgevonden hebben de Ceilonse ministers hebben versogt geen Nelij derwaards tesenden hebben de Ceilonse ministers het vooren„ „staande in antwoord te laaten toekomen en voor het overige aan deselve overge„ „laaten, om verder omtrend het voorm: vaartuijg en lading te handelen zodanig als deselve ullen oordeelen te behooren. voor 't overige heeft het Ceilons ministerie ons versoek gedaan, dat in het vervolg hem geen Nelij van hier mag werden toegesonden, wanneer zij daarom niet expresselijk versoeken, en de eerst„ „geteekende heeft ook apart aanschrij„ „vens van den Edelen heer Ceijlons Gouver„ „neur Falck, dat ze thans daar ten eijlande van een genoegsame quanti„ „teijt rijst voorsien zijn, in zoo verre dat er bij na geen bergplaats meer is, zoo dat wij dit Jaar, ofte deese goede mousson, geene graanen voor Ceilon zullen na Een particulier hollands schip weest. de inlandse trafiquanten van hier naar Cormandel vaarende zal alleen permissie verleent werden na Nagapatnam te steevenen 194 zullen behoeven op te doen nog versen„ „den Noopens De vrijvaart en Handel, Gen=t de klerk is hier aangebrengen wij ter kennisse van uw Hoog Edelheedens, dat buijten de voorwaards vermelte snaauw De Triton hier eenelijk met hollandse vlagge aange„ „koomen is, het schip De klerk, gevoert bij Capitain Johan Gordon, op den 19: 7ber: passato van Bombaij hier aangekoomen en 'sdaags daar aan na Batavia vertrocken Volgens uw Hoog Edelheedens gevenereerde ordre, zal bij de hier ter Custe verleent werdende pascen aan Europeese en inlandse traffiquanten, die na Cormandel willen stevenen, speci„ „aal bekent gesteld werden; dat zodanige handelaars ti„ een lijst van de vreemde scheepen en vaartuijgen hier aangeweest gaat over. geweld pleeging van zeeker engels„ „man Carjosen het neemen van 1000: picols thin uijt een vaartuijg na Batavia willende handelaars gepermitteerd word naar Nagapatnam te stevenen De vreemde Scheepen en vaartuijgen hier aangeweest zijnde komt een lijste onder de bijlaagen over, waar bij aangeteekend staat, van waar deselve gekomen, en waar na toe vertrocken zijn, waar aan wij ons, in eerbied, ge„ „draagen. Onder de bijlaagen van uw Hoog Edelheedens meermelte missive, ook te vinden geweest zijnde, een Extract uijt de notulen van het gebesoigneerde en geresolveerde in raade van India op den 8: December 1777:, annex een Copia relaas, door den Chinees Sang Jngko te Malacca gegeven, behelsende dat door den Capitain van een Engelsch schip van Parks. men oordeelt daar over van hier niet wel bij het Engels ministerie te kunnen doleeren. schip in naame Carks (uijt het, na Batavia gedestineert, vaartuijg van den Iuragan Maas Braham met geweld geligt, en zonder eenige betaling naar zig genoomen zijn 1000: picols tin; en weshalven de ministers om de west van Jndia daar bij g'ordon„ „neert werden nevens de Mallaccase ministers, bij de hoofden der Engelsche Comptoiren te doleeren, ter erlanging, van schavergoeding; zoo hebben wij onse gedagten laaten gaan, hoe dit best werkstellig temaaken, en ons kwam voor, dat die klagten bij geene andere, als bij de regeringen te Bombaij, Ben„ „gale of Madrast, met een goed effect zouden kunnen werden gedaan, en wij considereerden, dat wat Bengale en Madrast aanbelangd, 'sComp„s ministers 8 195 versoek om nader ordre daarom ministers te Bengale en Nagapatnam daar toe de beste gelegentheijd hebben, en Wat Bombaij aangaat, dat, de souratse ministers; blijkens on „fangen Copia missive van Batavia derwaards geschreeven, bij zonderlijk gelast zijn, bij de Engelse regering te Bombaij derweegens te doleeren, ter erlanging van scha-verhaling, het niet wel voeglijk zoude zijn, dat wij ons ook daar over aan hen addresseerden zonder teweeten van wat uijtwerking der souratse ministers dolle„ „antien zijn geweest, waar bij ook komt, dat wij genoegsaam geen Correspondentie met het Bombaijse ministerie hebben, ten minsten niet, zoo als de souratse ministers, derhalven wij vermeent hebben, hier in niets temoeten doen, tot nader ordre; intusschen zullen wij, ons, zoo veel mogelijk, informeeren waar deesen Engelsen trend.
English
who have been promoted. Death of the Secretary of Police Schutz where the English Captain has gone or remains, and we request to be furnished with Your High Excellencies' honored orders as to whether we shall arrest this Englishman, should he happen to come here. Expression of thanks of the servants The servants, the Major and head of the militia here, Christiaan Constantin Wohlfarth, express their utmost gratitude to Your High Excellencies for Your High Excellencies having been pleased to honor him with the aforementioned quality, as do all others who have been favored by Your High Excellencies with any advancement. Appointment of the First Clerk of Police and Secretary of Justice Dannichen as Secretary of Police. He has for many years also performed the work at the secretariat to satisfaction due to the indisposition of the aforementioned Schutz. The junior merchant and Secretary of Police Abraham Rudolff Schutz died on the first of October of the past year, and since his vacated post needed to be filled again with a person who possesses the requisite competence for it, we have, on the day thereafter, being 2 October, appointed in his place as secretary and member of our council, subject to the honored approval of Your High Excellencies, the bookkeeper and First Clerk of Police and Secretary of Justice Johan Andries Dannichen, as one who in every respect deserved to advance, since he has satisfactorily performed the aforementioned duties for long years, and due to the frequent indisposition of the deceased Secretary, for about ten years now, having performed mostly the work at the Secretariat, and has given good satisfaction therein; we most humbly request that Your High Excellencies may be pleased to crown this provisional appointment with Your honored approval, for which he most humbly petitions Your High Excellencies in an accompanying request; In his place, the sworn clerk Poolvliet appointed as First Clerk of Police and Secretary of Justice. In his place, on the same day, we have caused the bookkeeper and sworn clerk of Police and Justice Adriaan Poolvliet to step forward as first sworn Clerk of Police and Secretary of Justice. Since the incompetence of the Cranganore Resident Wolff has been established, the junior merchant Cellarius, who has the required competence and gives satisfaction in the service, is appointed. The Resident of Cranganore Dirk Wolff, having been found entirely unsuitable and incompetent, but rather a dangerous person to be stationed there as chief, and considering that in this critical state of affairs, in which Cranganore is of the utmost importance, it was improper to let him continue there any longer, we have, pursuant to our Resolution of 25 May last, for the reasons further mentioned therein, deemed it the requirement of our duty to have him come here from there, and, subject to the approval or further order of Your High Excellencies, to appoint as chief of Cranganore the junior merchant Johan Adam Cellarius, who was here without employment, being a person of competence and good sentiments who, since his arrival here, has applied himself to reading the Company's papers to gain knowledge of the Company's affairs and interests, and for which reason he has also been employed many times, as well as other senior servants, and is used in commissions to investigate matters that occur in the country among the Malabars, and even among the Malabar grandees, and since he has been in Cranganore, has shown that he handles matters with knowledge and understanding; we request that Your High Excellencies be pleased to consider this, and the necessity that exists in these present circumstances for a competent and vigilant person to be at Cranganore, and favorably approve our arrangement made in that regard. Due to the indisposition of Captain van Berskij and the departure of Captain van Drieberg to Ceylon, the Ceylon Company was left without a Captain. Likewise also the Company of the aforementioned Captain Leever. The Captain of one of the Ceylon military companies present here, by name Christiaan Emanuel van Berskij, having been at Colombo for a long time due to his years, frail physical condition, and continuous illnesses, and not having been able to remain with his Company stationed here, the Governor of Ceylon, Falck, was requested to allow Captain van Drieberg, Commandant of Chilauw, who had no fixed company, to come here in the meantime, who then also came hither; however, he could not properly be kept here any longer because, being Commandant of Chilauw as aforesaid, and the Candians then causing disturbances there, he was absolutely necessary at his own post, and therefore had to return to Ceylon again. Likewise, Captain Adrianus Cornelis Leever, suffering from a lingering illness in a second Company of Ceylon soldiers, was also afflicted with a lingering illness and even for some time incapacitated, so much so that he began to waste away and did not seem able to recover, wherefore, at his urgent request, he was permitted to depart by the overland route to Ceylon, so that only one Captain from Ceylon remained here, namely Frankena with his Company, and one Captain Lieutenant of our garrison, namely Fredrik van den Busch. With the approval of the Governor of Ceylon, two Captain Lieutenants were appointed: the Lieutenants Bohl and Guinot. The first undersigned, having corresponded on this matter with the Governor of Ceylon and received word of the impossibility at that time of sending two other Captains from Ceylon here,
Dutch transcription
die bevondert zijn. overlijden van den secretaris van politie Schutz Engelsen Capitain is gebleeven of zig onthoud, en wij versoeken, met uw Hoog Edelheedens g'eerde ordre temoogen werden g'munieert, of wij deesen Engels „man, zoo hij bij gevall hier mogt koomen zullen arresteeren. van De Dienaaren betuijgt Dankbetuiging der dienaaren zijn uijtterste dankbaarheijd aan uw Hoog Edelheedens de Majoor en hoofd der militie alhier Christiaan Constantin Wohlfarth, voor dat uw Hoog Edelheedens hem met de gem: qualiteijt hebben gelieven te ver„ „eeren, gelijk ook doen alle andere, die door uw Hoog Edelheedens met eenig advancement zijn begunstigt. Den ondercoopman en secretaris van Politie Abraham Rudolff Schutz & aan wat politie en secretaris van Justitie Dainiehen tot secretartie van potitie. dienste ook door indispositie van gem: schutz het werk ten serreta„ „rije te genoegen waargenomen Schutz is den Eersten October A:o pap overleeden, en dewijl desselfs vacant geraakte plaats weeder diende te„ werden vervult, met een persoon die daar toe de vereijschte bekwaam„ „heijd bezit, zoo hebben wij 's daags daar aan, of den 2: october, in desselfs plaats als secretaris en lid onser vergadering op de g'eerde approbatie van uw Hoog aanstelling van den EersteClerq van Edelheedens p=l aangesteld, den boek„ „houder en Eerste Clerq van Politie en secretaris van Justitie Johan An„ „dries Dannichen, als denwelken allesints meriteerde om op te treeden alsoo denselven de gem: diensten al lang Jaaren, en mits de menigvuldige indispon „sitie van den overleeden Secretaris genoeg denselven heft veele Jaaren lang gem: „ saam nu al thien Jaaren lang, ook meest het werk ter Secretarije waar 196 „genomen in vlie en Th in zijn plaats den gesw: Clerq pool„ in semetaris van Justitie aange„ steld. daar de onbequaamheijd van den Crangenoorsen Resident Wolff is, onderCoopman Cellaruus. „genoomen, en daar in goed genoegen gegeven heeft, wij versoeken ootmoedigst, dat uw Hoog Edelheedens deese provi„ „sioneele aanstellinge met derselver g'eerde goedkeuringe gelieven te bekroo„ „nen, waarom denselven bij een hier nevens leggend request uw Hoog Edel„ „heedens op het nedrigst is versoekende; „vlied tot eerste Clerq van politie in desselfs plaats hebben wij ten selven dage, weder als eerst geswoore Clerq van politie en secretaris van Justitie laaten optreeden den boekhouder en geswvore klerk van Politie en Justitie Adriaan Poolvliet. De Resident van Cranganoor Dirk Wolff, in het geheel niet geschikt nog bequaam, maar een dangereus bevonden aldaar als opperhoofd gesteed den zijnde, om in dese Creticque tijds gesteldheijd, waar in Cranganoor van de uijtterste aangelegent„ Ao pap „ waar die de vereijschte bekwaamheijd heeft en genoegen in den dienst geeft aangelegentheijd is, hem langer, daar te laaten continueeren, zoo hebben wij ingevolge onse Resolutie van den 25: Maij J:o Leeden, om de daar bij verder vermelte redenen het noodigen van onsen pligt g'oordeelt om hem van daar dit heen te laaten koomen, en op appro„ „batie of nader ordre van uw Hoog Edel„ „heedens tot opperhoofd van Crangas„ „noor aantestellen, den hier buijtenem„ plooij zijnde ondercoopman Johan Adam Cellarius, als zijnde een per„ „soon van kundigheijd en goede senti„ „menten die zig zeedert zijn komst alhier toegelegt heeft, op lectura van 's Comp„s papieren ter bekoming van llb kennisse van sComp„s zaaken en be„ „langens en waarom hij ook al veel malen zoo wel als andere oude diena„ „ren gebruikt is, en word in Commissies tot 197 B van i door indispositie van Capitain van Berskij en vertrek van Capitain van drieberg naceilon wat die Ceilonde Comp: sonder Capitain. tot het onderzoeken van zaaken die in het land onder de mallabaaren, en selfs onder de mallabaarse grooten voorvallen, en zedert dat hij te Crang:n geweest is, getoont heeft, dat hij met kennisse en verstand de zaaken behan„ „delt; wij verzoeken dat uw Hoog Edelheedens dit, en de noodzakelijk„ „heijd die er is, dat in dese tijds omstan„ „digheeden een bequaam en vigilant persoon te Cranganoor zij, gelieven te Considereeren en onse gemaakte „schikkinge daar omtrend gunstiglijk te approbeeren De Capitain van een der hier zijnde Ceilonse Compagniën militairen, in name Christiaan Emanuel van Berskij, mits zijne Jaaren, kaduke lichams gesteldheijd, en geduu¬ „rige te Insgelijks ook de Comp: van Capitain van gem: Leever. rige ziektens al een langen tijd te Colom„ „bo geweest zijnde, en niet bij zijne Comp: die hier legd, hebbende kunnen blijven, is de heer Ceilons gouverneur Falck versogt den Capitain van Drieberg Commandant van Chilauw, als geen vaste Companie hebbende, zoo lang dit heen telaaten koomen, die dan ook herwaards is gekoomen; dog niet wel voeglijk langer hier heeft kun„ „nen werden aangehouden om dat hij als voorsegd, Commandant van Chi„ lauw zijnde, en de Candianen daar toen bewegingen maakten, hij op zijne eijgene post absolut noodzakelijk was, daar omme weder terug na Ceilon heeft moeten keeren. Insgelijks was ook den Capitain Leever door de kwijnende ziekte van een tweede Companie Ceilonse 198 militairen met met goedvinden van den Ceilons Gouverneur twee Capitain Luijte„ nanto aangesteld de Luitenant Bohl en Guinot militairen in name Adrianus Cor„ „nelis Leever aan een kwijnende, ziekte laboreerende en selfs eenigen tijd impo„ „tent geweest, in zoo verre, dat hij begon uijtteteeren en niet scheen tot zijn verhaal te kunnen koomen, waarom dan, op zijn instantig versoek, hem gepermitteerd is over den landweg na Ceilon temoogen vertrecken zoo dat er hier maar een Capitain van Ceilon bleef, teweeten Frankena met zijne Comp: en een Capitain Luitenant van ons guarnisoen na„ mentlijk Fredrik van den Busch. De Eerstgeteekende hier over met den heer Ceilonse Gouverneur gecorres„ „pondeert en berigt erlangd hebbende, van de onmogelijkheijd om toen ter tijd twee andere Capitains van Ceilon hier
English
to be obtained here, and since it was judged necessary that the companies have captains with them, and that if captain lieutenants were placed over them, they could nevertheless always step in on Ceylon in the event of a vacancy for a captain; we therefore, at our session of 9 July last, provisionally appointed a captain lieutenant over each company, namely over the company of Captain van Berskij, the senior of all the Ceylon lieutenants and first lieutenant in the company of Frankena, Johan Christoffel Bohl; and over the company of Captain Leever, the first lieutenant of that company, Ettienne Guinot, who recently during the storming of Chettua, according to the commendable testimony given about him in the report Establishment of a company of grenadiers of the commandant, acquitted himself so well, and was also very dangerously wounded, but is now recovered again; and we most humbly request that these appointments may be confirmed by Your High Nobilities, and each be favored with a commission of captain lieutenant, for which they also humbly request in their accompanying petitions. The grenadiers, who previously consisted here of only 24 heads, forming the so-called bodyguard here, were successively increased in the month of July last to 71 heads in the first instance from the Ceylon companies; with those whose contracted time was up, and who were otherwise not inclined to re-enlist, unless they were drawn into the Cochin The same has been made proficient in both the infantry and artillery service garrison, whereupon their pay accounts were requested from Ceylon, and sent here. This company engaged voluntarily, indeed with great willingness, to learn daily, outside the days they have guard duty, what an artilleryman needs to know, solely for a free new uniform and the promise that if, in case of need, they must be used on the rampart or in the field with the artillery, they will also earn double pay for that time, or as long as they might be used. That company is now very well advanced in firing cannons and throwing bombs, which suits us very well, because the Cochin artillerymen, through death as well as Appointed over it as captain lieutenant is Lieutenant Stip, who besides knowledge of the artillery also possesses that of fortification engineering otherwise with sick and disabled, currently consist of only 5 bombardiers, 10 gunners, and 11 assistants. Upon the enlargement and establishment of this company of grenadiers, Lieutenant Stipp was placed over it, who has knowledge of the artillery and even of fortification engineering, and is thus of general usefulness here; since then, this corps has increased noticeably further, and is now already 96 heads strong, most of those who have transferred from the Ceylon companies to this garrison upon the expiration of their time having made a request to be placed with the grenadiers, so that every day the main guard can be manned solely with grenadiers, which gives prestige, both to the native and to the foreigners who pass through here. And this company, if it is only maintained in the state in which it is now, being diligently drilled at set times and in turn both in the manual of arms and in the artillery, properly fired annually, as well as shooting and throwing at the target and barrel with cannons and mortars, can be of double use. And since a lieutenant alone is too low and minor a rank for that company, the aforementioned Lieutenant Stip was provisionally appointed as captain lieutenant over that company at our aforementioned session of 9 July past, while other subaltern officers from the garrison were placed with it, provided that he, Stipp, shall also further instruct the company and all new arrivals, Usefulness of this company. Said Stip is a person of merit and maintain them through continuous drill in what an artilleryman must know, both on the ramparts and in the field, and furthermore that he, Stipp, will keep an eye on the fortifications, and give notice at the slightest decay in order that they may be kept in repair; he has the requisite competence and fitness for all these duties, and is an officer who acquitted himself so commendably, not only during the storming of Chettua but also in the action of 3 March last, that the commandant of the expedition recorded this openly, with regard to Chettua in his report, and with regard to the action of 3 March in his letter, wherefore we respectfully request Your High Nobilities to be pleased to confirm him as Appointment of the ensign Hofman to lieutenant captain lieutenant, as he also most humbly insists upon in his accompanying petition. Upon the provisional appointment on 9 July past of the aforementioned Bohl and Guinot as captain lieutenants, no lieutenants were provisionally promoted in their places at that time, because it was then the bad monsoon, and thus there was no hurry, but since the Ceylon companies must have their officers complete in the good monsoon, we on 19 December past appointed, in place of the aforementioned provisional Captain Lieutenant Bohl, in the company of Captain Frankena, as provisional lieutenant, the one who arrived here these days from Colombo
Dutch transcription
hier te bekoomen, en dewijl men oordeel„ „de dat het noodzaakelijk was, dat de Companien Capitains bij hun hebben en dat als men Capitain Luijtenants daar over stelde, deselve tog altoos op Ceilon bij vacature van een Capitain kunnen invallen; zoo hebben wij, ter onser sitting van den 9: Julij Jongst leeden, over ider Companie een Capitain Luijtenant p„l aangestild, als over de Comp: van Capitain van Berskij, den oudsten van alle de Ceilonse Luitenants„ en premier Luitenant bij de Companie van Frankena, Johan Christoffel Bohl; en over de Comp: van Capitain Leever, den Prumier Luitenant van die Companie, Ettienne Guinot, die laast bij de storm van Chettua, blijkens het loffelijk getuijgenis bij het rapport 199 oprigting van een Comp: grona„ diens rapport van den Commandant nopens hem gegeven zig zoo wel gequeeten heeft, en teffens zeer gevaarlijk gequest, dog thans weder hersteld is; en wij versoe„ „ken nedrigst dat dese aanstellinge door uw Hoog Edelheedens mag bevestigt, en deselve begunstigt werden ider met een acte van Capitain Luitenant, waarom deselve bij hun overkomende requesten meede ootmoedig versoeken De granadiers, die hier bevoorens maar bestaan hebben uijt 24: koppen, de soo ge„ „naamde lijfwagt hier uijtmakende, waren in de maand Julij J:o leeden successive al tot 71: koppen primo plan g'augmen„ „teert uijt de Ceilonse Companien; met de zulke wier verbonden tijd uijt was, en die anders niet genegen waren, zig weder te verbinden, ten zij ze in het Cochims guarnisoen „ deselve is zoo wel tot de militie als arthillerij dienst bekwaam gemaakt guarnisoen getrocken wierden, wanneer derselver soldij Reek„g van Ceilon versogt, en dit heen gesonden zijn, dese Comp is vrijwillig Ja net veel genegentheijd g'engageert, om buijten de dagen, datz de wagt hebben, dagelijks te leeren het geen een arthillerist dient teweeten, eenlijk voor een vrije nieuwe monte„ „ringe en belofte, dat als ze in las van nood op de wal of in 't veld bij de arthillerije moeten gebruikt werden, dan ook voor dien tijd, of zoo lange ze mogten gebruikt werden, dubbelde gagie te zullen winnen. Die Companie is thans zeer wel gevordert in het schieten met Canon en het werpen van bommen, het geen ons zeer wel komt, om dat de Cochimse arthilleristen zoo door versterf als ander„ van vestin 200 daan over is als Capitain Luijte„ nant aangesteld den Luitenant stip, die nevens de kundigheid van de Anthillenie ook die van de vestings bouwkunde bezit andersints met zieke en gebrekkige thans maar bestaan uijt 5: bombardiers 10. Canoniers en 11: handlangers. Bij het vermeerderen en aanleggen van dese Comp: granadiers, heeft men over deselve gesteld den Luitenant stipp, die kennisse van de arthillerie en zelfs van de vesting bouwkunde heeft, en dus hier van een algemeene nut is; zeedert is dit Corps nog merke„ „lijk vermeerdert, en thans reets- 96: koppen sterk, hebbende de meeste van de geene die van de Ceilonse Companien, bij expiratie van tijd, tot dit guarnisoen zijn overgegaan, versoek gedaan, om bij de granadiers geplaatst te werden, zoo dat alle dagen de hoofdwagt alleen met granadiers beset kan worden, dat aansien geeft, zoo voor den inlander als voor de vreem„ vreemdelingen, die hier passeeren en kan deese Comp: zoo ze maar slegts in die staat werd onderhouden waar in ze thans is, op gesette tijden en om beurt zoo in den wapenhandel als in de arthillerije vlijtig g'excerceert worden Jaarlijks behoorlijk afvuurd, zoo meede met Canons en mortiers na de schijf en ton schiet en werpt, van een dubbeld nut zijn, en dewijl een Luitenant alleen voor die Compagnie te weijnig en te gering Caracter is, zoo is, ter onser voormelte sitting van den 9: Julij passato den voorm: Luitenand stip p„r als Capitain Luijte„ „nant over die Compagnie aangesteld, terwijl er bij deselve uijt het guarnisoen andere subalterne officieren geplaatst zijn, mits hij stipp dan ook de Comp:, en alle nieuwe aankoomende, verder aanleere ete nuttigheijd van deese Comp: gem: stip is een persoon van merites aanleere, en door geduurige excercitie onder„ „houde in het geen een arthillerist, zoo op de wallen als in het veld weeten moet, mitsga„ „ders dat hij stipp, daar en booven, het oog zal houden op de vesting werken, en bij het minste verval, kennisse geven om in staat gehouden tewerden; denselven heeft tot alle deese verrigtingen de vereijschte be„ „quaam en geschiktheijd, en is een officier die zig niet alleen bij de storm voor Chettua maar ook bij de actie van den 3: Maart laastleeden, zig zoo loffelijk gedraagen heeft, dat de Commandant van de Expe„ „ditie zulx, met betrekkinge tot Chettua„ bij zijn rapport, en met betrekkinge tot de actie van den 3. Maart, bij zijn brief opentlijk te nedergesteld heeft, waarom wij dan uw Hoog Edelhee„ „dens eerbiedig versoeken, denselven als 201 Capitain aanstelling van den vaandrig en Hofman tot Luijtenonk. Capitain Luitenant tewillen bevestigen, zoo als hij bij zijn overkomend request, daarom ook op het ootmoedigste is insteerende Bij de provisioneele aanstellinge op den 9: Julij A:o pass„o van voornd: Bohl en Guinot als Capitain Luijte„ „nants, heeft men te dier tijd geene Luijte „nants in derselver plaatsen P=l laaten optreeden, om dat het toen quaade mousson, en er dus geen haast bij was, dog in de goede mousson de Ceilonse Companien hunne officieren Compleet dienende te hebben, zoo hebben wij op December A„o pass„o in steede den 19: van voormelde p„l Capitain Luijtenant Bohl, bij de Comp: van Capitain Fran„ „kena, tot p„lo Luijtenant aangesteld, den deser daagen van Colombo alhier aan„ gekoomen
English
to commanding sergeant. Ensign Hendrik Heer has been provisionally appointed, and in place of the provisional Captain Lieutenant Guinot to provisional Lieutenant in the company of Captain Leever, the ensign of the said company, Christoffel Hofman, and in his place to commanding sergeant in the aforementioned company, the under-adjutant Johan Fredrik Berger, of which provisional appointments we likewise request that they may be confirmed by Your High Nobilities, as the mentioned persons humbly insist upon in their accompanying petitions; there being, in place of the ensign Heer who was appointed provisional Lieutenant, no other ensign or commanding sergeant appointed in his place, because the first-signatory was informed by the Governor of Ceylon that this was not necessary, because one had to step in to take his place in Colombo. The ensign Pieter Smith, of our garrison, passed away on the 31st of December of the past year, in whose place we have appointed no non-commissioned officer, but have let step in Jacob Klinkhamer, who was recently promoted to ensign by Your High Nobilities. The pensioned servants here on the Coast, consisting of a total of 26 heads as shown by the accompanying list, renew their request for the continued enjoyment of their pension. Included under the said number are the quartermaster Adriaan van Schaik of Utrecht, the corporal Nicolaas Adriaans of Middelburg, the handymen Fredrik Willem Wilberg of Kleeff and Cornelis Jansz of Middelsteijn, and the soldiers Ian Jurgen Riem of Nagel, Simon Getton of Brussels, and Daniel Pas of Bern, who, as appears from our Resolutions of the 15th of April, 16th and 25th of May, as well as the 9th of July and 2nd of December of the past year, have been placed among the retired servants on account of their long years of service, advanced age, and physical infirmities; as also the jailer Isaak Rijke of Amsterdam was granted a pension at our session of the 11th of March past, but who passed away shortly thereafter. As it has appeared to us from an Extract from the Resolutions taken by the assembly of the Gentlemen Seventeen within Middelburg in Zeeland on Wednesday the 15th of October 1777, that the aforementioned Gentlemen 17 have seen fit to waive the requisitioning of goods from here directly out of the Netherlands, we have not sent any requisition to the Netherlands this year, but will request what is needed from Your High Nobilities in our usual annual requisition, which will follow with one of the ships. Noting here, meanwhile, that we have not received with the requisitions and the circular letter the memorandum of the most conspicuous items of differences in consumption and stock, as noted in Europe in our requisition of necessities for the year 1776, from the Gentlemen Majores, nor the circular Patria letter of the 12th of November 1776 relating thereto. And as regards the Extract sent to us by Your High Nobilities from the Patria general letter of the 12th of November 1776, containing the devised arrangements and established orders with respect to artillery matters, it has appeared to us that the same does not relate to this office, but only to Batavia, Ceylon, and the Cape of Good Hope; yet, in accordance with the much-honored order contained in the Extract from the general Resolutions of the Castle of Batavia, taken in the Council of the Indies on the 19th of December 1777, upon the dispatch of our latest advices in this year, and further annually, a brief summary will be drawn up and sent to Your High Nobilities in a separate letter, showing the general number of servants at this office compared with the latest regulation, while also stating the brass and iron cannon on hand, the supply of muskets, and so forth, all according to the received model. The bombara skippers who last year undertook to bring some assortments of cloth, after the Surat samples shown to them, as a trial, have not yet arrived here, but have let us know through one of their servants who arrived with another bombara that they are to come here shortly and will bring along some of the promised cloths as samples. Wherewith we give ourselves the high honor of calling ourselves, with the utmost respect and high esteem, High Noble, Mighty, Wide-Ruling Lord and Well-Noble Lords, Your High Nobilities' humble and obedient servants. Was signed: A. Moens, R. van Aarn, C. C. Wohlfarth, I. C. Saffin, J. L. van Spall, C. G. Seijffer, A. C. S. Vernede, W. van Haeften, and I. A. Daimichen. In the margin: Cochin, the 5th of January 1779. Agrees: J. A. Dannicken, Sworn Secretary J. Schemering
Dutch transcription
tot Commandeerende sergeant 202 gekomen vaandrig Hendrik Heer en in steede van den p„l Capitain Luijte„ „nant Guinot tot p„l Luijtenant bij. de Comp: van Capitain Leever, den vaandrig van Gemd: Compagnie, Christoffel Hofman en in deese zijn plaats tot Commandeerende serge„ „ant bij voorsz: Comp:, den onder adju„ en van den onderadJudant berger, dant Johan Fredrik Berger. welke p„l aanstellingen wij meede ver„ „soeken dat door uw Hoog Edelhee„ „dens mogen werden bevistigt, gelijk de gemelde persoonen daarom ootmoedig insteeren bij derselver overkomende requesten; zijnde in steede van den p„l tot Luijtenant aangestelden vaan„ „drig Heer geen ander vaandrig of Com„ „mandeerend zergeant in zijn plaats aangesteld, om dat den eerstgeteekende van overlijden van den vaandrig Smit 't getal der gegagieerdens die verder gyunt versoeken van den heer Cilons gouverneur g'infor¬ „meert was dat zulx niet behoefde, om dat er een te Colombo in zijn plaats moest invallen. Den vaandrig Pieter Smith, van ons guarnisoen is den 31. xber: J:o L: overleeden, in welkers plaatse wij geen onder officier aangesteld, maar in hebben laaten vallen, den Jongst door uw Hoog Edelheedens tot vaandrig bevorderden Jacob Klinkhamer De Gegagieerdens hier ter Custe, bestaande in een getal van 26: koppen uijtwijsens overkomende Lijste, vernieuwen hun versoek, om het verder genot der Rustgagie, onder ge„ „meld getal zijn begreepen den quar„ „tiermeester Adriaan van Schaik, van daar onder zijn seven persoonen die Jongst gegagieerd zijn. de cipier rijke is ook g'gagieerd dog kort daar na overigeden. van Utrecht, den Corporaal Nicolaas Adriaans van Middelburg, de hand„ „langers Fredrik Willem wilberg van Kleeffen Cornelis Jansz van Middelsteijn, en de zoldaaten Ian Jurgen Riem van Nagel, Simon Getton van Brussel en Daniel pas van Bern, welke, blijkens onse Resoluties van den 15: April, 16: en 25: Maij mitsgaders 9. Julij en 2: December A:o pass=o, om de wille van hunne langjaarige diensten, hooge Jaaren, en lichaams gebreeken, onder de rustende dienaaren gesteld zijn, ge„ „lijk ook den Cipiea Isaak Rijke van Amsterdam, ter onser sitting van den 11: Maart pass„o rust gagie is toegelegt, dog die weijnig tijd daar na is komen te overlijden Bij nen zal geen goederen direct uijt Nederlande Eijsschen de memorie nopens de verschillen van de heeren majores den 12: 9ber: 176: zijn niet ontvangen Bij een Extract uijt de Resolutien, door de vergadering der heeren seven„ „thienen binnen Middelburgin Zeeland genomen op Woensdag den 15: october 1777: ons gebleeken zijnde, dat de gem: heeren 17: hebben goedgevonden te excuseeren het eijsschen van goederen van hier uijt Nederland, hebben wij dit Jaar geenen Eyjsch na Nederland gesonden„ maar zullen het benodigde van uw Hoog Edelheedens requireeren, bij onsen gewonen Jaarlijksen Eijsch, die met een der scheepen volgen zal Intusschen hier noteerende, dat wij bij de Eijsschn en de Circulaire missive de memorie van de meest en het oog loopende posten, der verschillen in den verthier en voorraad, bij onsen Eijsch van benodigtheeden, voor den Jaare 1776: in Europa ontwaard, van de heeren 203. Majores D d'ordre omtrend het oversenden van het getal der dienaaren; met een vergelijking tegen de bepaling een quantiteijt der arthillerij in wapengoederen zal nagekomen werden majores niet hebben ontvangen, en ook niet de Circulaire Patriase missive van den 12: November 1776: hier toe betrekkelijk: En wat aangaat het ons door uw Hoog Edelheedens toegesonden Extract uijt de Patriase generaale missive van den 12: November 1776: vervatten„ „de de beraamde schikkingen, en ge„ „stelde ordres, met opsigt tot de arthille= „rij zaaken, zoo is ons daar bij gebleeken dat het selve geen betrekking heeft tot dit Comptoir, maar alleen tot Bata„ „via, Ceilon en Cabo de goede Hoop; zullende volgens veel g'eerde ordre vervat bij Extract uijt de generaale Resolutien des Casteels Batavia, genoomen in raade van India op den 19. decem„ „ber 1777; bij het afgaan onser laatste advisen 8 noomen hebben eenige sorteringe van kleeden te brengen zijn hier nog niet aangekoomen, maar hier tebrengen advisen, in dit Jaar, en voorts Jaar„ „lijks geformeert, en bij een aparte brief aan uw Hoog Edelheedens toegesonden werden, een korte tesamen trekking van het generaal getal der dienaaren ten deesen Comptoir met een vergelijkinge van deselve teegens de Jongste bepaling, onder opgave teffens van het aan handen zijnde metaal en ijser Canon den voorraad van snap„ „haanen en wesmeer, alles na het ontvangen model. De bombadas vaarders, die voorleeden de bombaras vaarders die aongesjaar, aangenoomen hebben eenige sorteringen kleeden, na de, aan hen Haar eerstdaags eenige monster vertoonde, souratse monsters meede te brengen tot een proef, zijn hier nog niet aangekoomen; maar hebben door een hunner dienaaren die met 204 een Nagezien een ander bombada is aangekoomen laaten weeten dat ze eerlang dit heen staan te koomen en de beloofde kleeden eenige tot monster meede zullen brengen Waarmeede ons de hooge eere geven van met de uijtterste Eerbied en hoog agting tenoemen /:onderstond:/ Hoog Edele Groot Achtbaare wijd„ „gebiedende Heer en Wel Edele Heeren Uw Hoog Edelheedens onderdanige en gehoorsame Dienaaren /:was Getver:/ A: Moens, R: van Aarn, C: C: wohl„ farth, I: C: Saffin, J: L: van spall C: G: Seijffer, A: C: S: vernede W: van Haeften en I: A: Daimichen /:in margife:/ Cochi den 5: Januarij 1779: Accordeert J: A Dannicken W. Secreds J: Schemering „ 4.
English
1 Copy of a separate letter written by the Right Honourable Governor and Director of this coast of Mallabaar, Adriaan Moens, to Their High Mightinesses on 26 February of the year 1778, to which belong the following annexes: Letter A: Report of the Commander of the Militia of this coast, Christiaan Constantin Wohlfarth, dated 27 January 1778. Letter D: Report of the Military Captain Diderich Carel von Driberg, dated 28 January 1778. Letter C: Secret Resolutions taken in the Council of Mallabaar under dates of 2 and 8 January 1778. 2 Copy of a separate letter written by the said Right Honourable Governor and Director together with the Council under date of 26 February 1778 to the said Their High Mightinesses in Batavia. Register of the Secret Papers to be found in this bundle: No. 3 No. 4 Copy of a separate letter written by and to the same as above on 24 April 1778. No. 5 Copy of a separate letter written by and to the same as above under date of 30 April 1778. No. 6 Copy of a separate letter likewise written by and to the same as above and dated 9 May 1778. No. 7 Copy of a separate letter written by the said Right Honourable Governor and Director of this coast, Adriaan Moens, to Their High Mightinesses under today's date. A: Extract from a letter written by Mr. Bolts to the said Right Honourable Governor and Director of this coast under date of 7 November 1778. B: Return of the private trade conducted on account of the Honourable Company in the financial year 1777/8. Cochim, 5 January in the year 1779. No. 3 Copy of a separate letter written by the above-mentioned Right Honourable Governor and Director to Their High Mightinesses in Batavia on 10 March 1778. Copy Separate Batavia To His High Mightiness, the Right Honourable Lord Reijnier De Klerk, Governor-General, together with the Honourable Lords Councillors of the Netherlands Indies. Right Honourable, Most Respected, Broadly-commanding Lord and Honourable Lords. My last separate letter to Your High Mightinesses was of 2 January last, of which the duplicate is enclosed herewith, and shortly thereafter, or that evening, I had the honour to receive Your High Mightinesses' very respected separate letter of 30 September last. No. 1 The King of Trevancoor, as well as his Minister, has not yet come down, but since Your High Mightinesses' letter and gifts have been delivered to His Highness, His Highness has let me know that he will see to arranging his affairs in such a way that his Minister can come to me in the next few days, and from what I hear from the side, it would now be in earnest. In my said last letter of 2 January, I had the honour to report to Your High Mightinesses that such a fine opportunity presented itself, and that the time was right to drive the enemy from our possessions and retake Fort Chettua; and since the Nabab still does not seem willing to reach an understanding, much less enter into peace negotiations, but on the contrary treats the Company with contempt and does not even deign to answer Your High Mightinesses or me, just as if he intends to remain in peaceful possession of our fortress and land without contest, I dared not abandon my intention, but found myself obliged to at least test to what extent we might succeed, in order to show the Nabab that he will not continue to possess Chettua so easily, and that we do not fear him as much as he may perhaps imagine. I adhered to that intention all the more because too long an inactivity might sometimes arouse too many unfavourable sentiments among the natives regarding us; besides, the expedition was arranged in such a manner that if we were unable to take the fort, we would in any case merely be in the same position we were in before the expedition, namely in a good state of defence at Cranganoor and at Aijkotta, while in the meantime the Nabab would still remain in uncertainty as to what we might yet do in the future, and thus might perhaps resolve to enter into negotiations and choose peace. Thus the expedition proceeded, and when it was seen that it was impossible to take the fort, and that the Nabab began to send relief from all sides and sought to encircle our army from behind, the siege had to be raised, and the troops were made to return to the camp before Cranganoor. I had entrusted this expedition to Commander Wohlfarth and provided him with the necessary instructions. The same was undertaken from Cranganoor on 8 January: the enemy in the palace of the petty King of Cranganoor, which was strongly palisaded with coconut trees, initially wanted to maintain their ground there, but after some exchanges of fire and a few cannon shots from
Dutch transcription
1 Copia Aparte Briev door den welEdele Groot Agtb: Heer Gouverneur en Directeur deser kuste Mallabaar Adriaan Mloens aan Haar Hoog Edelheedens gesch: op den 26 februarij Ao 1778: waar toegehooren de ondervolgende bij„ „lagen als LA: Rapport van den Commandant der Mi„ „litie deser kuste Christiaan Con„ „stantin Wohlfarth gedateert 27 Januarij 1778. DRapport van den Capitain militair Diderich Carel von Driberg gedateert. . 28 Januarij 1778; 6: Secreete Resoluties genomen in Raade van Mallabaar onder datis 2:' en 8 Januarij 1778 3 2. Copia Aparte brief door gem: wel Edelen groot agtb: Heer Gouverneur en Directeur Nevens den Raad onder dato 26 febr: 1778 aan welm: Haar Hoog Edelheedens te batavia geschreeven Register der Secreete Papie„ „ren in dese Bondel te vinden: No3 N=o 4 Copia Aparte brief door en aan als even Geschree„ „ven op den 24. April 1778; N=o 5 Copia Aparte briev door en aan als vooren geschreeven onder dato 30 April 1778; N=o 6 Copia Aparte briev insgelijks door en aan als boven gesch:t en gedateert 9 Meij 1778; N=o 7. Copia Aparte brief door gem: wel Edele groot agtb: Heer Gouverneur en Directeur deser kuste, Adriaan Moens aan haar hoog Edelheedens gesch: onder hedigen A: Extract uijt een brief: door de Heer Boltf aan welm: welEd: groot Achtb: Heer Gouverneur en Directeur deser kuste gesch: onder dato 7 November 1778: B: Rendement van den, voor Reek van DE: Comp: gedreven, particulieren Handel in 't boekJaar 177 7/8. Cochim Den 5 Januarij Ao 1779 No 3 Copia Aparte brief door boven gem: wel Edelen groot Agtb: Heer Gouverneur en Directeur aan Haar Hoog Edelhee„ „dens te Batavia gesch: op den 10 Maart 1778 dato Copia Apart Batavia Aan zijn Hoog Edelheijd Den Hoog Edelen Groot Agtbaaren Heer Reijnier De Klerk Gouverneur Generaal Benevens De Wel Edele Heeren Raaden van Nederlands India Hoog Edele Groot Agtbaare Wijd-gebiedende Heer, en Wel Edele Heeren. Mijn laatste apparte aan uw Hoog Edelheedens was van den 2:' Januarij J:o leeden, waarvan het Duplicaat hier nevens legd, en kort daarop, of 's avonds daar aan, hebbe de eere gehad te ont„ „vangen uw Hoog Edelheedens zeer Gerespecteerde aparte van den 30:' 7ber: J:o leeden N=o 1 De koning van Trevancoor, zo min als zijn Minister, is nog niet afgekomen, dog 't zedert uw Hoog Edelheedens briev en geschenken aan zijn Ho:t bezorgd zijnde, zo heeft zijn Ho:t mij laten weeten, dat hij zijne zaken zodanig zal zien te schik„ „ken, dat zijn Minister, eerst daags bij mij kan ko„ „men, en zo als ik van ter zijde hoore, zoude het nu meenens werk zijn. Bij gem: mijn laatste van den 2:' Janu: hadde de eere vwHoog temelden, dat 'er zig eene zoschoone gele„ „gentheijd opdeed, en dat de tijd gebooren was, om den vijand uijt onze bezittingen te Jagen en het fort Chettua te herneemen; En dewijl de Nabab tog, tot als nog niet aan de hand, veel min tot een vreede handelinge schijnd tewillen komen maar integendeel de Comp: veragtelijk behandelt, en zig zelfs net eens verwaardigt uw Hoog Edelheed:s of mij te antwoorden, even als of hij zo maar goed schiks, een geruste bezitter van ons fortres en Land meend te blijven, zo hebbe van mijn voor„ „neemen niet durven afzien, maar mij verpligt gevonden, om ten minsten te beproeven, in hoe verre we zouden kunnen reuseeren, ten eijnde den Nabab tedoen zien, dat Hij Chettua zogemakke„ „lijk niet zal blijven bezitten, en dat we hem zo niet schroomen, als hij zig mogelijk wel inbeelt; ik ben bij dat voorneemen des temeer gebleeven, om om dat eene te langduurige werkeloosheijd, zom„ „tijds teveel nadeelige gevoelens bij den Jnlander, nopens ons zoude verwekken; behalven, dat de Expe„ „ditie zodanig ingerigt was, datwe het fort niet kunnende krijgen, in allen gevalle, dan weder maar dezelfde zouden zijn, diewe voor de Expeditie waaren, namentlijk, in een goede staat van defentie te Cranganoor en te Aijkotta, terwijl intusschen. de Nabab, dan als nog in't onzekere zoude blijven, wat we in 't vervolg nog doen zullen, en wij dus moge„ lijk resolveeren zoude, om in onderhandelinge te„ „komen en den vreede te verkiezen: Dus heeft de Expeditie zijn voortgang gehad, en toen men zag, dat het onmogelijk was, het fort te krijgen, en dat de Nabab van alle kanten se„ „cours begon tezenden, en ons leger zogt van agteren „laten te omcingelen, zo heeft men het beleg moeten„ opbreeken, en de troupes weder in het Camp voor Cranganoor doen komen. Deeze Expeditie hadde ik den Commandant wohlfarth opgedragen, en aan hem de noodige Instructie verleend Dezelve is den 8e: Januarij van Cranganoor onder¬ „nomen: de vijand in het paleijs van het Cranga„ „noorse koningje, dat sterk met klapperboomen bepaggerd was, wilde zig eerst daar sontineeren dog na eenige Changes en een paar kanon schooten van 8
English
of 8 lb, immediately took flight to Paponettij, but when our army arrived there, the enemy had already abandoned the stockade there as well and taken flight to the fort Chettua. In the stockaded palace of the little king of Cranganoor, parts of olas and notes were found, consisting of letters of correspondence between the Commanders of Calicoet, Pananij, Chawacattij, Chettua, and Paponettij, mostly amounting to warnings to one another that the Dutch would march out, that everyone must be on his guard, and also that if the Dutch should indeed come, they should simply retreat from the Cranganoor and Paponettij districts to Chettua; and the notes consisted of accounts of their expenses and disbursements, also reports from their spies, whom they have everywhere, including here and at Cranganoor and at Aijcotta, and by which they always know what movements are being made by us, such as the shipment of cannons and ammunition goods; the training of pack and draft oxen, etc., so that they certainly expected us. When our army marched out from Cranganoor, I also ordered the ship De Indiaan, with our small vessel, and the Ceylon sloops that were here, to sail northward between Calicoet and Pananij, in order to alarm the enemy and leave them in uncertainty as to whether our fleet fleet would make a landing north of Chettua. On the evening of the 10th, our army, with the ammunition, baggage, and everything belonging to it, arrived before Chettua, and immediately enclosed the fort so closely that no way out for relief remained, except only the river, against which the fort is situated, and across which the enemy managed to bring men inside at night repeatedly, as the river in that area is fordable at low tide, so that those who wished to be in the fort entered the water at night like water dogs and even went under water repeatedly, which, however much the river on both sides of the fort was occupied by us and fired upon, could not be prevented; but the crossing to Poelicarro was entirely prevented him. However, once our army had approached before Chettua, more men immediately entered Chettua from the opposite side from Chawacattij, so that with those who had also retreated to Chettua from the Cranganoor and Paponettij districts, there were already many men in the fort at that time. During the siege, it was observed that there were several Europeans in it who directed the artillery and shot very well, and as often as Commandant Wohlfarth went to the trenches, so often they managed to observe him; once they managed to bring the cannonballs almost to his feet up to three times in succession after one another; and once a bar-shot, quite close, and it has become apparent to us in hindsight that the Nabob is particularly concerned about that fort, as he has for some time intentionally kept the families of the Commandant and the other officers with him and warned them that if the fort, under whatever circumstance, should surrender, he would then have the families decapitated: so that in the fort they had to risk the very utmost. The fort caught fire repeatedly, but it was incomprehensible how quickly they managed to extinguish the fire each time; our bombs and incendiary balls, meanwhile, killed a great many of the enemy in the fort: Captain von Drieberg, who lay entrenched so close under the fort that we could hear the enemy speak, continually heard a terrible groaning and constant consternation, and the fort on the landward side is miserably battered, even shot to pieces in several places; as I, besides three more 3 lb cannons to sweep the river and a mortar to be able to throw even more bombs, had also sent two more 12 lb cannons afterward, merely to damage the fort as much as possible. Meanwhile, Meanwhile, more and more relief arrived daily, both from the Zamorin and Colastry territories and from the other tributary kingdoms of Adij Ragia, Cotteatte, and Caddatenadoe, and it is even believed that the Paliat Achan also had to keep men in readiness from his northern district, but that, in order to conceal this from us, he dressed them in such clothes as the Nabob's troops wear, so as not to be recognized as his Nairs. During the siege, Commandant Wohlfarth received successive reports, and I also from all sides, indeed even from the Travancore ministers, who had their spies around and near Chawacattij (even the Paliat Achan also let me know, as it were in secret, everything agreeing with the collective reports), that even more relief with artillery was arriving, and that it even intended to cross over the river of Inemaka, somewhat eastward so as not to be discovered by us. The river of Inemaka is actually situated about two hours south of Chettua, on the other side of the river, and forms the boundary of the southern part of the Zamorin kingdom (now governed by the Nabob) and the northern end of the Cochin kingdom. The object of the crossing of the Nabob's troops over
Dutch transcription
van 8: lb: , afgewagt te hebben, nam onmiddelijk de vlugt na Paponettij, maar ons leger daar ko„ „mende, zo had de vijand de pagger van daar, ook al verlaten en na 't fort Chettua de vlugt genomen. Jn het bepaggende paleijs van het Cranganoorse koningje, zijn gedeeltens van olassen en aanteeke „ningen gevonden, bestaande in Correspondentie brieven tusschen de Commandanten van Calicoet, Pa„ „nanij, Chawacattij, chettua en Laponettij, komende meest uijt op waarschouwingen aan elkander, dat de Hollanders zouden optrekken, dat een ider op zijn hoede moet zijn, en ook dat als de Hollanders in der daat mogten komen, datze dan uijt het Cranganoorse en Paponettijse, maar moesten retireeren na Chettua: en de aantekeningen bestonden in reekeningen van hunne verteeringen en uijtgaves, ook rapporten van Hunne spions, dieze over al, ook hier en te Caanga„ „noor ente Aijcotta hebben, en waar door ze altoos weeten, welke mouvementen bij ons gemaakt wor„ „den, gelijk de afscheep van kanons en ammo„ „nitie goederen; het aanleeren vandraag en trek„ „ossen etc:a, zodatze ons zekerlijk verwagt hebben. soen ons Leger van Cranganoor uijtrukte, liet ik ook het schip de Jndiaan, met ons smalschip, en de Ceijlonse Chialoupen, die hier waaren, noordwaarts opzeijlen tusschen Calicoet en Pananij, om den vijand te alarmeeren, en in 't onzeekere tedoen zijn, of onze vloot vloot met een landinge benoorden Chettua zoude doen. Den 10:' 'savonds is ons leger met de ammomtie, Bagagie en alles wat daar toe behoorde, voor Chettua gekomen, en heeft het fort ten eersten zo nauw ingesloo„ „ten, dat 'er geen uijtweg tot secours over was, als eenlijk, derevier, tegen dewelke het fort gelegen is, en over welke de vijand, des nagts telkens volk wist binnen tekrijgen, alzo de revier daaromstreeks, bij laagwater, door waadbaar is, zodat de geene, die in't fort wilden weezen, des snagts als waterhouden tewater en zelfs telkens, onder water zig begaven, het geen, hoe zeer ook de Revier aan beijde de zijden van het fort door ons bezet was en beschooten wierd, niet belet kon worden; dog de overtogt op Poeli„ „carro, is hem ten eenemaal belet. Dog een ons Leger voor Chettua genadert was, is 'er aanstonds van de overkant uijt Chawacattij nog volk in Chettua gekomen, zodat met de geene die uijt het Cranganoerse en Laponettijse ook naar Chettua geretireerd waaren, in het fort toen al veel volk was. Geduurende het Beleg, heeft men gezien, dat er verscheijde Europeezen in waaren, die het Canon dirigeerden en zeer wel schooten, en zo dikmaals de Commandant wohlfarth na de Franchees ging, zo dikmaals hem wisten waar„ „teneemen; eens hebben ze tot driemaalen agter elkander elkander; de kogels genoegzaam tot voor zijn voeten weeten tebrengen, en eens een knuppel„ „kogel, alvrij nabij, en het is ons van agteren gebleeken, dat den Nabab zig bijzonder aandat fort gelegen laat leggen, alzo hij al over eenigen tijd, de families van den Commandant en de verdere officieren expres bij zig gehouden en gewaarschouwd heeft, indien het fort, in welk geval ook, mogt overgaan, dat Hij de families dan zoude doen de Capiteeren: zodatze in het fort het alleruijtterste moesten wagen. Het poot is eens en andermaal in de brand geweest, dog het was onbegrijpelijk, hoe schielijk ze, telkens den brand wisten te blussen, onze bommen en brand kogels, hebben intusschen zeer veel volk van den vijand in het fort om hals gebragt: Capitain von Drieberg, die zo nabij, onder het fort geretrancheert lag, dat wij de vijand kon hooren spreeken, heeft bij Con„ „tinuatie een ijzelijk gekerm en gestadige Con„ „sternatie gehoort, en het fort is aande Landzijde elendig toegetakeld, Jazelts op verscheijde plaatsen aanstukken geschooten; alzo ik, behalven nog drie 3: lb om de revier te bestuijken en een mortier om nog meer bommen tekunnen werpen, ook nog twee 12: lb=ens nagezonden had, om maar het fort zo veel te beschadigen als mogelijk was. Intusschen 10 Intusschen quam 'er dagelijks meer en meer fe„ „cours aan, zo uijt het Sammorijnse en Colastrijse als uijt de andere tributaire Rijken van Adij Ragia„ Cotteatte en Caddatenadoe, en men meend zelfs dat de Paljetter uijt zijn noordelijk district ook volk heeft moeten in gereedheijd houden, dog dat wij„ om zulks voor ons te verbergen, dezelve in zodanige kleederen gestooken heeft, als 's Nababs volk draagd, om niet voor zijne Nairossen erkend teworden staande het Beleg, kreeg den Commandant Wohlbarth successive berigten, en ik ook van alle kan „ten, Jazelfs van de Trevancoorse Ministers, die Hunne spions om en bij Chawacattij hadden (zelfs liet de Paljetter mij ook quazij in secretesse weeten alles over eenkomstig met de gezamentlijke be„ „rigten) dat 'er nog al meer secours met geschut aanquam, en dat het zelfs, wat oostwaards om door ons niet ontdekt teworden, over de revier van Jnemaka wilde gaan De Revier van Jnemaka legt eijgentlijk om„ „trend twee uuren bezuijden Chettua, aande over„ „kant van derevier, en maakt de Grensscheijding uijt van het Zuijdelijke gedeelte van het Cammorijnje Rijk (nu door den Nabab beheert) en het noor„ „delijke eijnde van het Cochimse rijk Het oogmerk der overtogt van 's Nababs troupes over
English
across Jnemaka was actually to cross the river south of Poelicarro and north of Cranganoor, where there are three different places that can be forded, and thus to catch us between two fires. Direct news also arrived from Calicut that people were continually being gathered from across the country, and that forces were also on their way from the north; and since then, 17 vessels with troops have indeed been dispatched by Adij Ragia of Cannanoor to Calicout. The crossing over the river of Jnemaka would have been very disadvantageous and dangerous for us, at least more disadvantageous and dangerous than the relief force itself; for Poelicarro was so well garrisoned that no enemy could cross there, and no troops could cross over the river of Chettua either, because it was also very well secured on two sides, so that no troops could cross it except by night, and even then could only slip into the fort in small groups. Which fort is so small that, besides the garrison that lay within it, not many more could be accommodated inside, while they would certainly have refrained from risking a sortie on account of the favorable disposition in which our army lay. Thus, I immediately summoned the Paliath Achan, properly speaking the First Minister of State of the King of Cochin, to come to me in person. I spoke with him distantly, in an indirect manner, about his Nairs, and subsequently directly about the crossing of the Nabob's troops over the river of Jnemaka and through the territory of his king, and I demanded to know from him plainly whether he would grant those troops passage, under warning that I would regard such an act as conduct publicly contrary to the alliance in which he currently stands with the Company and Travancore. The former he flatly denied, but admitted that he had recently had to provide some troops against the Zamorin's Nairs from his northern lands, since the Nabob is currently the actual possessor of those northern lands, and his king is now merely a vassal thereof, who governs the same for and on behalf of the Nabob and must pay annually in lease or contribution, which words of lease and contribution he repeatedly interchanged, one hundred thousand rupees. However, he declared at the same time that if he were ordered by the Nabob to provide troops to act against the Company, he would absolutely not do so, even if he had to abandon his northern lands and let the Nabob do as he pleased with them, and then content himself with his southern lands. But regarding the other matter, he declared frankly that he could absolutely not prevent the passage of the Nabob's troops, partly because he does not possess sufficient power to do so, and partly because the Nabob regards that land as his own and permits no artillery in it, and that this land, at the slightest resistance, would run the risk of falling back into those troubles in which it was last year. He also admitted that, out of fear that the Nabob's troops passing through that district would commit many depredations and acts of violence, he had already warned the inhabitants to take precautions. I could not prove to the Paliath Achan that he held his Nairs in readiness to assist the Nabob, but when I properly consider his interests and circumstances, it seems to me more and more that his situation is as was recently communicated to Your High Excellencies by secret letter of 28 August. Meanwhile, the inhabitants who had joined us between Cranganoor and Chettua also began to retreat in whole bands, and even fled as far as Aycotta, of which the Commandant stationed at Aycotta gave me notice. A certain Roman Catholic priest, of whom I have mentioned more, at least in the beginning of my separate letter of 18 June 1774, and through whom I can still learn much, was staying at that time near a Roman Catholic church situated about an hour north of the lines of Travancore in the northern district of Cochin. He also sent word to warn me that the inhabitants from that district were moving southwards with bag and baggage toward the lines of Travancore because the Nabob's troops were about to cross over Jnemaka, and at the same time secretly informed me that he had also heard that Nairs of the King of Cochin in sepoy dress were about to be joined with them. Commandant Wohlfarth at Chettua, also receiving report of everything at first hand, had initially attempted to force the fort to surrender by a heavy cannonade and bombardment, so as not to risk an assault except as a last resort; but the enemy, relying on their relief force, continued to endure the fire so stubbornly that Wohlfarth, foreseeing that since he could not take the fort immediately, he would no longer be able to maintain his position there, nor could he be further supplied with provisions and ammunition if the Nabob's auxiliary troops were to cross between Cranganoor and Chettua, on the 15th early in the morning between
Dutch transcription
over Jnemaka was eijgentlijk, om bezuijden Poelicarro en benoonden Cranganoor, over de Revier te komen, alwaar drie onderschijdene plaatzen zijn, die men doorwaaden kan, en om ons dus tusschen twee vuuren te krijgen: van Calicut quam ook directe tijdinge, dat 'er bij Continuatie over alvolk uijt het land verzameld wierd, en dat 'er van de Noord ook volk op weg was; en 't zedert zijn er ook werkelijk 17: vaartuij„ „gen met volk van Adij Ragia van Cannanoor na Calicout afgezonden. Het overkomen over de revier van Jnemaka zoude zeer nadeelig en gevaarlijk voor ons geweest zijn, ten minsten nadeeliger en gevaarlijker dan het secours opzig zelfs; want Poelicarro was zo wel voorzien, dat daar geen vijand kon overkomen, en over de revier van Chettua kon ook geen volk overkomen, om dat die van twee zijden ook zeer wel bezet was, zodat geen volk daar overkon, als alleen des nagts, dat dan nog maar in stiete binnen het fort kon slippen, welk fort zo klijn is, dat 'er behalven de bezettinge, die 'er inlag, al niet veel meer in kon geborgen worden, terwijlze zig wel zouden gewagt hebben, om een uijtval tewaagen, uijt hoofde van de goede dispositie, waar in ons leger lag; dus liet ik den Paljetter obeijgent„ lijk 11 „lijk den Eersten staads Minister van den koning van Cochim ten eersten in perzoon bij mij komen. Ik onderhield hem van verre, op eene in„ „directe wijze over zijne Nairossen, en vervol„ „gens direct over de overtogt van 's Nababs troupes over de revier van Jnemaka, en door het Land van zijn koning, en ik begeerde van hem regt uijt teweeten, of Hij die troupes passagie zoude verleenen, onder waarschouwinge, dat ik zulks zoude aanmerken, als een gedrag, publicq strijdig tegen de alliantie, waar in hij met de Comp:e en Jrevancoor tans staat; het eerste ontkende Hij glad uijt, maar bekende, dat hij laatst wel wat volk had moeten geeven, tegen de sammorijnse Nacrossen, uijt zijn noordelijke landen, dewijl de Nabab, tans van die Noordelijke landen, een dadelijke bezitter, en zijn koning nu maar een leen- Heer daarvan is, die hetzelve voor en van weegens den Nabab bestierd en aan Pagt of con„ „tributie (welke woorden van pagt en Contributie, hij telkens door elkander verwisselde '/ Jaarlijks, Een lak ropias moet opbrengen, dog Hij betuijgde teffens, dat als htem door de Nabab geordonneert wierd, volk tegeven, om tegen de Comp: te ageeren, hij zulks absolut niet doen zoude, alzoude wij ook zijne noordelijke Landen verlaten, en den Nabab daarmeede laten omspringen, en zig dan met zijn gent„ zijn zuijdelijke Landen vergenoegen; dog op het andere betuijgde Hij regt uijt, dat wij de doortogt van 's Na„ „babs volk absolut niet beletten kon, deels, om dat wij geen magt genoeg daartoe heeft, en ander„ „deels, omdat de Nabab dat land aanmerkt, als zijn eijgen, en in het zelve ook geen geschut permitteerd, en dat dit land bij deminste tegen„ „stand, gevaar zoude loopen in die moeijelijkheeden weder tevallen, waar in het zelve verleeden Jaar geweest is; Wij bekende ook, dat hij uijt bedug„ „ting dat 's Nababs troupes dat landschap passeerende veel stroperijen en baldadigheeden zouden oeffenen, de inwoonders ook al gewaarschouwd had, om zig in agt teneemen. Jk kon den Paljetter niet bewijzen, dat wij zijne Nairossen tot hulp vanden Nabab gereed hield, maar als ik zijn belang en omstandigheeden regt inzie, daen schijnd het mij hoe langer hoe meer toe, dat het met hem geleegen is, gelijk uw Hoog Edelheedens laatst bij secreete briev van den 28:' Augustus bedeeld is. Intusschen begonden de ingezetenen, die ons tusschen Cranganoor en Chettua toegevallen waaren, ook al met heele troupen, te retiveeren, en namen zelfs de vlugt tot op Aijcotta, waar van de Commandant, die te Aijcotta lag, mij kennisse gad zeker Rooms Priester, waarvan ik wel meer ten 12 ten minsten in't begin van mijne apparte van den 18:' Junij 1774: gemeld hebbe, en door wien ik nog alveel kan teweete krijgen, hield zig tedien tijd op, bij een roomse kerk, leggende omtrend een uur benoorden de linie van Trevancoor in het noordelijke district van Cochim; deeze liet mij ook waarschouwen, dat de ingezetenen uijt dat dis„ „trict met pak en zak, zuijdwaards quamen af„ „zakken na 's Trevancoors Linie, omdat 's Nababs volk, over Jnemaka stond tekomen, en liet mij teffens in secretesse weeten, dat hij ook gehoord had, dat 'er Nainossen van den koning van Cochim in sipaijs gewaad bij stonden gevoegt teworden. De Commandant wohlbarth te Chettua ook van alles, en als uijt d' eerste en naaste hand, berigt krijgende, had eerst getragt, het fort door een sterke Canonade en Bombandement, tot de overgave tedwingen, om niet, als bij het uijtterste, een storm tewaagen, maar de vijand, steunende, op zijn secours, bleef zo hardnekkig, het vuur uijt„ „houden, dat wohlfarth (voor uijt ziende dat wij het bort nu niet aanstonds kunnende krijgen, het daar niet langer zoude kunnen goedmaken, en ook niet meer van Provisie en Ammonitie zoude kunnen voorzien worden, wanneer 's Nababs hulp troupen tusschen Cranganoor en Chettua mogten overgekomen zijn/ den 15: 'smorgens vroeg tusschen
English
between half past three and four o'clock, undertook the storm, since, having mastered the fort, the measures against the arrived relief force of the enemy would then still be found, even if, out of necessity, the decision would have to be reached to simply blow up Chettua and level it to the ground. This storm began with good success: Lieutenant Guinot was already at the gate with 50 Europeans, but at the very moment when the matter had to be decided, he was shamefully abandoned by the native troops, even by that renowned Ceylon company of Captain Moendoe and Kepping, who I know were so brave in the Ceylonese war, and yet now did not want to fight, much less push through, no matter what effort was made to that end; so that Lieutenant Guinot, who in the meantime had lost a piece from the upper part of his skull due to a heavy blow, was repulsed, whereby, although ladders had already been placed against the wall, the escalade and the further objective were entirely frustrated. The enemy defended themselves in this attack, to our astonishment, in every possible manner, even with heavy stones that they had on the ramparts, and with boiling water thrown down from the top of the wall, and fired with the most dangerous grapeshot that can be conceived of, such as nails, chopped iron, chopped bullets, sharp stones, and from small arms also with chopped bullets, bullets wrapped with iron wire, and oblong pieces of iron. In this affair we suffered 19 dead, namely 5 Europeans, 4 Malays, and 10 sepais, but on the contrary more wounded, namely 27 Europeans, 28 Orientals, and 19 sipais, mostly wounded in the legs, of which the first group no more than three have died so far, among whom Ensign Blindouw, who received a piece of iron through his gorget into his chest, where the piece of iron remained stuck, while Lieutenant Guinot has already happily and virtually recovered. Captain von Drieberg was on that occasion lightly wounded in the belly; Lieutenant Stip is also lightly wounded. Commandant Wohlfaath testifies that Captain von Drieberg, under whose command the attack took place, displayed all the conduct and bravery that one can demand and expect, and that he, together with Lieutenants Guinot and Stip, remained steadfast and undaunted in the heaviest of the fire; and that a sergeant named Louis van Mander and a captain of arms named Johan Fredrik Andre, upon the wounding of Guinot and Blindouw, immediately stepped forward, took up the command, and kept holding those posts as long as was in any way possible, for whom, in today's outgoing general letter, the commissions of ensigns are respectfully requested; likewise, that all our European troops who were present in that action behaved well. Of the wounded, both of the Orientals and of the sipaijs, none have died yet. The captains of the native troops, especially those who had previously conducted themselves so well on Ceylon, having been confronted with the cowardly behavior of their men, and having now seen that these are not timid Sinhalese who are quite easily chased out of a stockade, but that the Nabab's soldiers are fellows who, having grown up as if in the fire, dare to look the enemy in the eye, excused themselves by saying that their men are no longer what they used to be, and that through mortality, old age, or otherwise they have been filled up with men of lesser valor. It appeared, therefore, that if we absolutely wanted to have Chettua, our Europeans alone would have to do it; who, for the sake of Chettua, could not and should not be risked in a second storm, the less so as the dismay in our army was great; while in the meantime the relief force of the Nabab began to grow more and more, and to approach so close that it even began to fire with cannon upon our posts; and that another relief force was already standing ready to cross over in order to surprise our army from behind. So that, considering all this, I conferred about this with Commandant Wohlfarth, and subsequently gave orders to lift the siege in good time and in the best manner, and to return with the army to the camp before Cranganoor; as he then also, after first having dispatched all the wounded down to the last man, lifted the siege and returned with the army in good order to the camp before Cranganoor, having dispatched and brought along 8 bronze three-pounder pieces, a howitzer, and a mortar; but the heavy cannon, since during the aforementioned attack all the coolies had already run away and the draft oxen had to be used for the aforementioned light cannon and the ammunition carts, where, moreover, the native militia also had to lend a hand because the roads are extraordinarily sandy, could not be carried away; and thus remained behind two cannons of 12 lb, two of 8 lb, and three of 6 lb, among which one that had been left at Paponettij, which
Dutch transcription
tusschen half vier en vier uuren, den storm on„ „dernam, dewijl Hij het fort vermeestert hebbende, de maat regulen tegen het afgekomen secours van den vijand, zig dan nog wel vinden zouden, al was het ook, dat men uijt hoofde van noodzake„ „lijkheijd, tot het besluijt zoude hebben moeten ko„ „men, om Chettua dan maar tedoen springen, en tot den grond te slegten Deze storm begon met een goed succes: de Lieutenant Guinot, was reeds met 50: Europeezen aan de poort, maar hij wierd indat tijdstip waar in de zaak moest gedecideert worden, schandelijk verlaten door de inlandse troupen, zelfs door die berugte Ceilonse Comp: van Capitain Moendoe en kepping, die ik weet, dat in den Ceilonsen oorlog, zobraav zijn geweest, en egter nu niet vegten, veel min doordringen wilden, wat moeijte men ook daar toe gedaan heeft, zodat de Luijte„ „nant Guinot, die intusschen een stuk uijt het bovenste gedeelte, van zijn haassen pan door een swaare rouw verlooren had, gerepouseert wierd en waar door schoon 'en al laddens aan de muur gezet waaren, de escalade, en het verder oogmerk ten eenemaal verijdelt wierd: de vijand heeft zig in die attacque, tot verwonderinge, op allerleij wijze geweerd, zelfs met swaare steenen, die ze opde wallen hadden, en met ziedend water van 13 van boven de muur na beneden gesmeeten, met het allergevaarlijkste schroot geschooten, dat 'er kan bedagt worden, als met spijkers, gekapt ijzer, ge¬ „kapte kogels, scheape steenen, en uijt het klijn geweer„ ook met gekapte kogels, kogels met ijzer draat omvlogten en langwerpige stukjes ijzer Jn deze affaire, hebben wij gekregen 19: dooden teweeten 5: Europeezen, 4: Maleijers en 10: sepais, dog integendeel, meer gekwetsten teweeten 27: Europeezen 28: oostenlingen en 19: sipais, meest in de beenen gequest, van welke eerste, tot nog toe niet meer als drie overleeden zijn, waar onder de vaandrig Blindouw, die een stuk ijzer door zijn ringkraag tot in de borst gekreegen heeft, alwaar het stuk ijzer is blijven zitten, terwijl de Luijtenand guinot reeds zo goed als gelukkig hersteld is: Capitain von Drieberg is bij die gelegentheijd, ligt gequest aan de buijk, de Luijtenant stip is ook ligt gequetst: de Commandant wohlfaath betuijgd dat Capitain von Drieberg, onder wiens Commando de attacque geschied is, alle beleijd en bravoure ge„ „toond heeft, die men kan vergen en verwagten, en dat hij benevens de Luijtenants Guinot en stip in het heeffte van het vuur, standvastig en onver„ „schrokken zijn gebleeven, en dat een zergeant gen=t Louis van Mander, en een Capitain des armes, gen:t Johan fredrik Andre, bij het quetsen van Guinot en en Blindouw, aanstonds toegesprongen, het Com„ „mando opgevat en zolange het maar eenigzints mogelijk was, die posten hebben blijven houden, voor welke, bij de heeden afgaande gemeene brief, eer„ „biedig de actens van vaandrigs verzogt worden, zomeede, dat alle onze Europeeze troupes, die bij die actie geweest zijn, zig wel gedragen hebben; van de geblesseerden, zo van de oosterlingen, als van de sipaijs zijn 'er nog geene overleeden: de Capitains van de inlandse troupes inzonderheijd die bevoo„ „vens op Ceilon zig zoure gedragen hadden, het latieus gedaag van Hun volk voorgehouden zijnde, en nu gezien hebbende, dat het hier geen vreesagtige Chingaleezen zijn, die nog al ligt uijt een pagger teverjagen zijn, maar dat 's Nababs zoldaten, kerels zijn, die als in het vuur groot geworden zijnde, Waar vijand onder de oogen durven zien, hebben zig verschoont niet tezeggen dat hun volk niet meer is, het geen het geweest is, datze door sterfte, ouderdom of andersints gecompleteerd zijn, met volk van minder valleur Het bleek derhalven, dat als we Chettua ab„ „solut wilden hebben, het onze Europeezen alleen zouden moeten doen; die om dewille van Chettua aan geen tweede storm konden nog mogten gewaagd worden, teminder de verslagentheijd, in ons leger groot 14 groot was; terwijl intusschen het secours van den Nabab meer en meer begon aante groeijen, en zo verre te naderen, dat het zelvs almet Canon op onze posten begon te vuuren; en dat een ander secours om ons leger van agteren te overvallen al klaarstond, om overtekomen: zo dat ik uijt aanmerking, van het een en ander, hier over den Commandant wohlfarth onderhield, en vervolgens order gaf, om het beleg nog intijds en op de beste wijze optebreeken, en met het Leger weder na 't Camp. voor Cranganoor tekomen, gelijk Hij dan ook na egter eerst, alle de gekwetste tot de laatste man toe, afgezonden te hebben, het beleg heeft opge„ „brooken, en met het leger in goede order in het Camp voor Cranganoor geretourneert is, hebbende afgezonden en meede gebragt 8: metale stukjes van drie pond, een Haubits en een mortier, dog het swaar Canon heeft, vermits onder de gem: attacque reets alle coelijs waaren weggeloopen, en de trekossen gebruijkt moesten werden, voor gem: ligt Canon en de Ammonitie haaren, waarbij egter nog de Jnlandse Militie ook moest hand aan't werk slaan, alzo de wegen ongemeen zandig zijn, niet meede kunnen werden afgevoert; en zijn dus agter gebleeven twee Canons van 12: lb:, twee van 8: lb en drie van 6: lb:, waar onder een dat te Paponettij gelaten. was, die
English
which are all spiked and buried deep under the earth, along with a howitzer and a mortar; however, a brass three-pound cannon accidentally fell into the river while being loaded into a vessel and could not be recovered. Meanwhile, apart from the aforementioned loss, we are once again in the state we were in before this expedition, and the Nabab, who thought that he could just unconcernedly remain in possession of what he took from us, will have seen that the Company does not spare him and that we thus maintain our claim on Chettua and that region. Thereby he will perhaps have to gain more respect for the Company, become more tractable, and on account of uncertainty about what we will do next, will now much more easily come to a peace negotiation than before; while in the meantime, during the siege, a great many of his people were killed and the fort, from the outside and possibly even more so from the inside, has been so miserably battered that it will cost him quite a lot to bring it back to the state in which it was. Then, although our army has withdrawn again to the camp before Cranganoor, our advance post nevertheless now lies in the palace of the petty king of Cranganoor, about 3¼ hours north of the fort of Cranganoor, by which we now keep that region in check, and the enemy remains under the impression that we are effectively about to march out again. I do this intentionally, merely to make him resolve to come to terms somewhat, for by occupying the little kingdom of Cranganoor I risk nothing, or at least very little, because the palace, having previously been stockaded by the enemy, is still somewhat strong; besides, even if we were unable to sustain that post—although it can always be supported by us—we can always let our detachment, consisting only of native troops, return to our entrenchment. For the rest, I refer to the report of Commandant Wolfarth, and another belonging to it from Captain von Drieberg, which are enclosed herewith. I have now done everything that was in my power to restore the injured honor of the Company. I am convinced that there was no lack of what was necessary for the expedition; everything that the Commandant demanded was fully provided. I am also convinced that there was no lack of leadership on the part of the Commandant and the other officers, but it seems as though the Company has no luck at Chettua. The construction of that fort and the further affairs that the Company has had on account of that fort, I dug up from the ground last year as far as time permitted me, and set down the main substance thereof in our secret resolution of 5 March; and I now see in hindsight that if I had risked our troops last year, when the Nabab's troops were actually stockaded everywhere between Cranganoor and Chettua and lay in ambushes and had artillery with them, most of our men would perhaps have walked into a trap. Now matters had changed their appearance entirely; the Nabab was currently really occupied with the Marhettas; not even 400 men were in the palace of the king of Cranganoor, Paponetty, and the fort of Chettua together. From all sides I had managed to gather heavy draft and pack oxen, which were of very great service to us on the march; the coolies were now also not so fearful, for we still obtained many of them; the petty king of Cranganoor, Prince Cartamana, and the Payencherry Nayars also had several of their Nayars march along; several native Christians also took up arms voluntarily, and a company of 150 was also present, along with a party of Chegos and 100 Cochin Moors with shield and sword. It is true that the said Nayars and Christians, whose own interest also prompted them to drive the Nabab out of the region and have a peaceful seat here, are not exactly bellicose people, yet they nevertheless enlarged the troop, and one less and the other more, they still came in handy; and nevertheless we were not able to retake the fort of Chettua, as we have now seen that the Nabab, despite his hands being full with the Marhettas to the north, has made such dispositions in his conquered southern lands that at the slightest enterprise of ours, he immediately has a heap of auxiliary troops at hand, and that he can always reinforce Chettua from the opposite side, as well as that he has full disposal over the land of the Cochin king north of Cranganoor, and if not even over the Nayars of that land; so that I now see confirmed by experience what I had only assumed in previous letters and the aforementioned resolution of 5 March with respect to our northern possessions. Meanwhile everyone whose advice I have taken on this understands, along with me, that this enterprise
Dutch transcription
15 die alle vernageld, en diep onder de aarde begra„ „ven zijn, benevens een Haubits en een Mortier; dog een metaal canon van drie pond is bij het inladen in een vaartuijg per ongeluk in de revier gevallen en niet weder te bekomen geweest. Intusschen zijn wij, behalven het voorgeschreevene verlies, weder in dien staat, waar in wij geweest zijn, voor deeze Expeditie, en den Nabab, die gedagt heeft, dat hij het van ons genomene, zo maar onbekreund zoude kunnen blijven bezitten, zal gezien hebben, dat de comp: hem niet ontziet en dat wedus onze pretensie op Chettua en die landstreek staande houden, waardoor hij moge„ „lijk meer agting voor de Comp: zal moeten krijgen, handelbaarder worden, en uijt hoofde van onzekerheijd, wat we verder doen zullen nu wel ligter, tot een vreede handelinge komen zal als bevoorens; terwijl intusschen geduurende het beleg, zeer veel van zijn volk gesneuveld „en mogelijk van binnen en ook het fort, van buijten „ nog meer, zo elendig gehavend is, dat het htem alvrij wat zal kosten, om het tebrengen, indien staat waar in het geweest is. Dan schoon ons leger weder naar het Camp voor cranganoor getrokken is, zo legt onse voor„ „post egter nu in het Paleijs van het koningje van Cranganoor omtrent 3¼ uur benoorden het het fort Cranganoor, waar door w' nu dat land„ „schap in bedwang hebben, ende vijand in ver„ „beelding blijft, dat w' effectief weder staan op„ „tetrekken, het geen ik expres doe, om hem maar te doen resolveeren, eenigzints bijtekomen, want met het occupeeren van het Cranganoorse Rijkje, waage ik niets, ten minsten zeer weij„ „nig, om dat het Paleijs door de vijand bevoo„ „vens ompaggert zijnde, nog al eenigzints sterk is, behalven dat wij die post al eens niet kunnende soutineeren, schoon dezelve altoos door ons kan gesecundeerd worden, ons Deta „chement (bestaande maar uijt inlandse trou„ „pes/ dan altoos maar naar ons Retranche„ „ment kunnen laaten keeren. voor het overige refereere mij aan het Rap„ „port van den Commandant wolfarth, en nog een ander daar toe behoorende van Capitain von Drieberg, dewelke hier neevens gaan Ik hebbe nu alles gedaan, wat in mijn vermogen is geweest, om de geschonde eer van de comp: te herstellen; ik ben overtuijgt, dat het niet gemanqueert heeft, aan het nodige tot de Expeditie; alwat de Commandant geeijscht heeft, is ten vollen bezorgd: ook ben ik overtuijgd, dat het aan het beleijd van den Commandant en verdere officieren ook niet gemanqueerd heeft maar 16. maar het schijnt, als of de Comp: geen geluk bij chettua heeft; de opbouw van dat fort en de ver„ „dere affaires, die de Comp: om dewille van dat fort gehad heeft, hebbe ik verleeden Jaar, zoveel mij de tijd toegelaten heeft, uijt den grond opgedolven, en het Hoofd zakelijke daarvan, bij onze secreete Resolutie van den 5:' maart ter nedergestelt, en ik zie nu van agteren, dat indien ik verlee„ „den Jaar, toen 's Nababs troupes werkelijk tusschen Cranganoor en Chettua zig over al ver „paggerd, en in hinderlagen gelegt en geschut bij rig hadden, onze troupes gewaagt had, mogelijk ons meeste volk, in de kaart zoude gevloogen zijn: nu waaren de zaaken geheel van gedaante verandert; de Nabab was tans werkelijk geoo„ „cupeert met de Marhettas, nog geen 400: man bevond zig in het paleijs van den koning van Cran„ „ganoor, Paponettij en het bort Chetuua tesamen ik hadde van alle kanten swaare trek-en draag„ ossen weeten bij een te krijgen, die ons in den optogt van zeer veel dienst geweest zijn; de Coelijs waaren nu ook zo bevreest niet, want wij hebben er nog veele bekomen; het koningje van Cran„ „ganoor, pains Cartamana en de Paijencherij Nairos hebben ook verscheijde van hunne Nairossen meede laaten optrekken; verscheijde inlandse Christenen hebben vrijwillig ook wapens genomen ,en een Comp: Comp: van 150: is ook meede geweest benevens. een parthij Chegossen en 100: Cochimse mooren met schild en zwaart; het is waar, dat gem: Nairos en Chris„ „tenen, welker eijge belang meede bragt, om den Nabab, uijt de landstreek te verdrijven, en een geruste zeet alhier te hebben, wel Juijst geen bellense menschen zijn, dog ze hebben egter den troup vergroot en zijn de eene min en de andere meer, tog nog tepas gekomen, en evenwel hebben we het fort Chettua niet konnen herneemen, alzo we nu gezien hebben, dat de Nabab, ongeagt zijne vol„ „handigheijd met de Marhettas om de Noord, in zijne overheerde zuijdelijke landen zodanige dispositie gemaakt heeft, dat wij, bij deminste onderneeming van ons, aanstonds een hoope hulp„ „troupen bij de hand heeft, en dat hij Chettua van de overkant altoos tegemoet kan komen, zo meede dat hij over het land van den Cochimsen koning benoorden Cranganoor, en zo niet zelfs over de Naerossen van dat Land volkomene dispositie heeft; zodat ik nu bij ondervindinge bewaarheijd zie, het geen ik bij voorige brieven en voorsz: resolutie van den 5:' maart, nog maar voor ondersteld had, met betrekkinge tot onze noordse bezittingen Jntusschen begrijpt ider, wiens advis ik hier over ingenomen hebbe, met mij, dat deeze onder„ „neeminge
English
taking was necessary, that we give no offense when we merely and without more attempt to retake what has been so unjustly taken from us, especially under such favorable circumstances as we have now been in compared to last year, and that this was the only means to bring him to a negotiation with us, and why I still maintain my posture and make movements; just as if the Company will never tolerate its property being simply taken away by whoever lusts after it; and I also flatter myself that this affair will indeed give rise to some change and, as I hope, give the Nabab cause to enter into one negotiation or another, the more so because the Zamorin Nairs, although secretly encouraged and supported enough by me, have not dared to act decisively, yet still continue to agitate and more or less unrest the country on that side. As soon as I therefore have the opportunity to enter into negotiations with the Nabab, I shall leave nothing unattempted to work for peace and make an end of the matter in the best manner, according to conscience and the state of affairs, pursuant to the qualification granted to me by Your High Excellencies. It seems to me that I could indeed quickly make peace with him peace for some time, if I only wished to assure him that we will leave Travancore at his disposal, and I shall indeed make good use of that as an argument when I speak with the King of Travancore or his Minister, to make him contribute to the maintenance of a portion of our native troops, or make us be delivered so much more Pepper, proportioned to our present war expenses, although I am confident that he will turn a deaf ear to that, and on the contrary point to the auxiliary troops which he still maintains and pays in service at Aycotta, but I must frankly confess, as I see it, that I must not press this further than the utmost extremity can bear, and that I would never, at least not for the present, consider it advisable to let Travancore slip away (now that we are already openly united with him to resist the Nabab's further passage with joined hands), for if we do this, and we let the Nabab pass Cranganore and Aycotta as if unnoticed, then Travancore is lost before he receives help from the Nabab Mahomed Alij, and I for my part still greatly mistrust the English, suspecting that they might even mislead Travancore in that regard; for if the Nabab is Master of Travancore and the southern part of the Cochin realm, then his friendship with us will soon be at an end, and he can then make it hot enough for us here, in which case the English with Mahomet Alij might possibly play a role which they have long burned to do, namely, to become entirely master of Travancore and its Pepper, as I have already indicated in my separate letter of the 2nd of January of the past year; so that I judge it to be of the utmost necessity not to alienate Travancore from us, but to remain most closely allied with him, and I am all the more strengthened in this opinion because through secret paths and channels, indeed even now through a Travancore servant, I have further information that the English are very jealous that we currently remain so closely allied with Travancore, and that they leave nothing unattempted to weaken the good trust that Travancore has in us. In the general letter that is dispatched today, the reason is given why the ship de Jonge Lieve has been detained here until now; but the particular reason that existed for this, I have the honor to impart more closely to Your High Excellencies in this my separate letter. When the ship arrived, the storming of Chettua had been ventured the day before and had failed: so it occurred to my mind whether the Nabab might not perhaps resolve, out of reprisal, to gather all his vessels that he has, and with all his power at sea make our roadstead unsafe here, by the time the second fleet with Bombards might arrive here from the North; and therefore I resolved all the more to detain that vessel for the time being, so that I might then be in a position, with the three ships and available chaloups, not only to guard Aycotta, but also to confront his fleet itself, or else to make him abandon such an enterprise, since he after all has his spies everywhere around here and can know how many ships and vessels are at hand here. Since then, however, having heard nothing of the sort, I have deemed it unnecessary to detain the ship any longer. Meanwhile I have the high honor to remain with the greatest respect. Underneath stood: High Noble, Right Honorable, Widely Commanding Lord, and Well-born Lords! Your High Excellencies' obedient and humble servant. Was signed: Warehouse signed: A:n Moens, in the margin: Cochin the 26th of February 1778; lower: P.S. Herewith I have the honor to offer Your High Excellencies copies of the secret Resolutions of the 2nd and 8th of January, in the latter of which the Instruction for Commander Wohlfarth is inserted. Agrees A Daminchen First Secretary Twilight
Dutch transcription
„neeminge noodzakelijk is geweest, dat wij niet offendeeren, wanneer wij eenlijk en zonder meer tragten te herneemen, het geen ons zo onregt vaardig afgenomen is, voor al in zulke gunstige om„ „standigheeden, waar in wij nu in vergelijk van verleede Jaar geweest zijn, en dat zulks het eenigste middel was, om htem tot een onderhandelinge met ons tedoen komen, en waarom ik mij als nog in postuur houde en mouvementen maake; even als of de Comp: het in den Eeuwigheijd niet gedoogen zal, Haar goed, zo maar telaten wegneemen, door de geene, die 'er maar beluft op is; en ik vlije mij ook, dat deeze affaire, wel eenige verande„ „ringe baaren en zo ik hoope, de Nabab aanlei„ „ding geven zal, om tot de eene of andere onder„ „handeling tekomen, temeer de sammorijnse Nairosse„ schoon door mij onder de hand genoeg aangemoedigt en ondersteund, niet hebben durven doortasten, even„ „wel nog al blijven woelen, en het land aan die kant min of meer ontrusten zodra ik dus maar gelegentheijd hebbe, om met de Nabab in onderhandeling tekomen, zal ik niets onbezogt laten, om volgens uw Hoog Edelheedens aan mij verleende qualificatie, op de beste wijze, na gemoede en bevind van zaken, den vreede te bewerken, en een eijnde van de zaak temaaken Het komt mij voor, dat ik wel schielijk met hem vreede vreede /:voor eenigen tijd:/ zoude kunnen maaken, indien ik hem maar wilde verzekeren, dat we Jrevancoor, aan zijn dispositie zullen laten, en ik zal; dat ook wel degelijk gebruijken, als een argument, wanneer ik met den koning van frevancoor, of zijn Minister spreeke, om htem te soen participeeren in het onderhoud van een gedeelte onzer inlandse troupes, of ons zo veel meer Peper tedoen leveren, geproportioneert na onze tegenswoordige oorlogs ongelden, schoon ik mij verzekert houde, dat hij aan dat oor, doof zal zijn, en integendeel poincteeren, op de hulp troupes die Hij op Aijcotta tot nog toe in dienst houd en betaalt, maar ik moet regt uijt bekennen zo als het bij mij zit, dat ik dit niet sterken moet trekken, als eenlijk, het uijtterste veelen kan, en dat ik nimmer, ten minsten voor als nog niet geraaden zoude vinden, om Trevancoor (nu we reeds met item opentlijk vereenigd zijn, om gezamentlijker hand 's Nababs verderen doortogt tegen tegaan) telaten slippen, want doen wij dit, en laten wij de Nabab, Cranga„ „noor en Aijcotta quazij ongemerkt passeeren, dan is Trevancoor weg, eer Hij van de Nabab Mahomed Alij secours kruijgt, en ik voor mij, wantrouwe de Engelsche als nog zeer, datze zelfs daaromtrend Trevancoor ook zouden mis„ „lijden 18 „lijden; want indien de Nabab Meester is van het Trevancoorse en het zuijdelijke gedeelte van het Cochimse rijk, dan zal zijn vriendschap, met ons gaauw uijt zijn, en hij kan het ons dan hier heet genoeg maken, als wanneer de Engelschen met Mahomet Alij mogelijk een rol zouden speelen, waar ze lange opgevlamt hebben, nament„ lijk, om ten eenemaal van Trevancoor en zijn Peper meester teworden, gelijk ik reeds bij mijne apparte van den 2=de Januarij J:o leeden al gegift hebbe; zodat ik het van de uijtterste nood zakelijkheijd oordeele, Trevancoor van ons niet tedoen verwijderen, maar met hem, op het allernauwste verbonden te blijven, en ik worde in dit gevoelen des temeer gesterkt, om dat ik door geheijme weegen en Canaalen, Jazelfs nu door een Trevancoors bediende, nader kennis draage dat de Engelse zeer Jalours zijn, dat wij met Trevancoor tans zo nauw verbonden blijven, en datze niets onbezogt laten, om het goed ver„ „trouwen, dat Trevancoor op ons heeft, tedoen verflaauwen Bij de gemeene brief die heeden afgaat word reeden gegeven, waarom het schip de Jonge Lieve hier tot dus lange is aangehouden; maar de bij „zondere reden die daar toe is geweest, hebbe ik de eere uw Hoog Edelheedens bij dezen mijne aparte nader nader te bedeelen. Joen het schip arriveerde, was destorm op Chettua„ den dag bevoorens gewaagd en mislukt: zo viel mij in gedagten, of den Nabab niet zomtijds zoude rezolveeren om uijt represaille alle zijne vaar „tuijgen die hij maar heeft, bij elkander te krijgen, en met alzijn magt ter zee hier onze Rheede onvijlig maken, tegen dat de tweede vloot met Bombarassen van de Noord dit heen mogt komen en daarom resolveerde ik des temeer, om dien bodem voor eerst nog wat aantehouden, op dat ik dan instaat zoude kunnen zijn, met de drie scheepen en aanhanden zijnde Chialoupen, niet alleen Aijcotta te bewaaren, maar ook zijn vloot, zelfs eens onder de oogen tezien, dan wel om htem van zo een onderneeminge tedoen af „zien, dewijl hij tog hier omstreeks, over al zijn spions heeft, en weeten kan, hoeveel schee„ „pen en vaartuijgen hier aan de hand zijn Dan dewijl ik 't zedert niets daarvan ver„ „nomen hebbe, zo hebbe ik niet nodig g'oor „deelt, het schip nu langer aante houden Jnmiddels hebbe de Hooge eere met de meeste Eerbied te verblijven. /:onderstond:/ Hoog Edele Groot Agtbaare, wijd gebiedende Heer, en wel Edele Heeren! Uw Hoog Edelheedens ge„ „hoorzaame en onderdaanige dienaar /was getekend:/ 19 Magezijn getekend:/ A:n Moens, /:in margine :/ Cochim den 26:' febr: 1778: /:lager:/ P: S: Hier nevens hebbe d' eer uw Hoog Edelheedens aantebieden Copias vande secreete Rezolutien van den 2:' en 8:' Janu:, bij welke laatste de Jnstructie voor den Commandant wohlfarth ge-insereert is Accordeerd A Daminchen Pr. Secret„s Schemering
English
Lord Adriaan Moens, and High Commanding Lord. The Letter A. Right Honorable, Highly Esteemed Extraordinary Councilor of the Dutch Indies, as well as Governor and Director of the Malabar Coast Right Honorable, Highly Esteemed, and High Commanding Lord. To Your Right Honorable, Highly Esteemed, I offer in deepest respect my most humble report of the expedition which Your Honor entrusted to me. Apart from this report, I refer to my letters wherein, to the best of my knowledge, I have neglected nothing in reporting on everything that could have had any bearing on the expedition. To my utmost chagrin, the same has not turned out as the objective of Your Right Honorable was, and as my instructions contained contained; but may Your Right Honorable, Highly Esteemed, be pleased to permit me to state here once again in brief the reasons for it, although they are known to Your Honor. On the 10th of January, toward evening at 5 o'clock, Chettua was enclosed, summoned on the 11th, and after a refusal of an answer, bombarded. On the 12th, a reinforcement appeared already on the opposite side of Chawacattij, about 5 to 600 infantrymen and 40 to 50 horsemen, who sought to cross the river, but seeing the impossibility, were out of sight again the next day. I knew for certain that the garrison of Chettua was well over 300 men strong. I received reliable reports that fully 1000 infantrymen and 200 cavalrymen were on the march and had arrived near Pananij. Besides this, I knew that the troops of the Nabab would be reinforced by the tributary princes, and especially in a secret manner with 2000 troops of the Paljetter, under the disguised clothing of sepoys of Hyder Ali; all reports finally agreed agreed on this, that the above-mentioned 1000 infantry and 200 cavalry would march progressively eastward and gather near Inamaka; that both along the way and at the said place itself, the said 2000 men of the Paljetter would join this corps of the Nabab, and under the name of Hyder Ali would force the crossing over the river and cut off all our supply and reinforcement of provisions and ammunition across the river and over the land road, subsequently fall upon our rear, or at least in a forced march block the main passages, while the reinforcements on the opposite side of Chavacattij, which had been augmented with native Moors to 1000 men, together with the garrison of Chettua, would keep us occupied from the front. And to send me reinforcements in men was impossible for Your Right Honorable. To this was added yet another discovery: namely, that with all our caution, we nevertheless could not prevent provisions and ammunition as well as individual soldiers from being brought into Chettua at night with small manchuas. Upon these reports, something had to be resolved. My intention was firmly set on making it so distressing for Chettua by a heavy bombardment that the commander would have to surrender or flee; and although it was not possible to prevent the reinforcement of ammunition, provisions, and men on a small scale, yet at least to ensure that no support of importance nor crossing over the river could take place at Chavacattij and Poelicaart, and for that, after the measures taken, I could, humanly speaking, vouch. Opposite Imamaka I had only an observation post of fully 100 Chegos and Nairs, as I could no longer spare any Europeans, Javanese, or sepoys. The method of forcing Chettua by encirclement and bombardment was indeed slow, but safe, and does not risk the lives of so many men as directly with an assault, which I would always choose only in the utmost necessity or upon a good opportunity. But my decision now had to change on account of all the reported intelligence. We were already at the foot of the glacis; through the bombardment the walls were very ruined, and the merlons had partly entirely, partly for a portion, fallen away. I knew that the garrison had little provisions, little ammunition, and many dead and wounded, and that the gate remained open at night for the troops of the garrison, who lay in the covered way, or rather at the foot of the wall; and the enemy began to make retrenchments from within and a palisade on the outside. Now there was no better course than an assault. I made the decision on this with von Drieberg, and all necessary measures that we could take according to our humble knowledge were taken, and everything needed for the advance and for the attack in detail was arranged. Captain von Drieberg was to command the assault, make himself master of the so-called covered way, lodge himself therein, attack the gate, and have ladders brought forward and risk an assault, or otherwise only hold the covered way. For For this enterprise, von Drieberg was reinforced by Lieutenant Guinot, who had to move with his detachment from his post on the river to von Drieberg, and was therefore relieved from my post by Captain Leever, with the remainder of his company, and 50 Javanese and 50 sepoys of Mangalore. I also sent an officer, 20 jaegers, and 60 sepoys to von Drieberg, and I myself remained with the remainder of the company of jaegers, half the company of the sepoys of Mangalore, and half the sepoy company of Cannanore under arms to defend Poelicarro, or if necessary, also to support von Drieberg. At 4 o'clock in the morning the assault began, and in the twinkling of an eye Guinot was already at the gate, which had to be passed stooping. Guinot was wounded; the brave Sergeant van Mandern took over the command, and was supported by the captain of arms, Andre; Lieutenant Stippen and Ensign Sechhusen had already placed 3 storming ladders very well. But alas! Of our Javanese and sepoys were
Dutch transcription
Heer Adriaan Moens, en Hoog Gebiedende Heer. Den La A. Wel Edel Groot Achtbaare Raad Extra ordinair van Nederlands Jndia, mitsgaders Gouverneur en directeur der kuste mallabaar Wel Edele, Groot Achtbaare, en Hoog Gebiedende Heer. VWel Edelen Groot Achtbaaren biede ik in diepste eerbied mijn nedrigste rapport aan, van de Expeditie welke Hoog deselve mijn opgedraagen, buijten deese rapport beroep ik mijn op mijne brieven waarinne ik mijns weetens niets versuijmt hebbe, van alles verslag te doen wat maar eenige betrecking tot de Expeditie heeft kunnen hebben. Dezelve is tot mijn uiterste Chagrin niet zoo uijtgevallen; als het oogmerk van uwel Edlen Groot Achtbaaren was, en mijne instructie behelste behelste; maar uwel Edelen Groot Achtbaaren gelieven mijn te permitteeren, hier bij nogmaal in het kort de reeden daar van aan te voeren, schoon ze hoog deselve bekent zijn. Den 10: Januarij wierd tegen avond om 5: uur Chettua ingeslooten, de 11:e opgeijscht en na een weij„ gerud antwoord beschooten, den 12: vertoonde zig al een succuas aan de overkant van Chawacattij omtrend 5 â 600. man infanterie en 40: â 50. ruijters welke zoekten over het rivier te koomen, maar de onmogelijkheijd ziende, 'sandern dags weder uijt gesigt waaren- Jk urst vast dat het guarnisoen van Chettua ruijm 300: man sterk was Jk kreeg secure na„ „rigt dat er groote 1000: man infanterie en 200: man Cavallerie in aantogjt en bij Pananij arri„ „veert waaren, buijten dien wiste ik, dat er de trouppen van de Nabab door de Tributaire prin„ „cen, en voor al op eene geheijme weijze met 2000: man troupen van den Paljetter zouden versterkt wor „den, onder de masqueerte kleeding van Sipaijs alle van Nijder Alij; narigten kwaamen eijndelijk daarin daarin overeen, dat er de boven gem: 1000. man invanterie en 200. man Cavallerie successive oostwaards opmarcheeren en zig bij Jnamaka vergadern zouden, dat zoo wel onderwegs als Na gemelde plaatse zelfs gemelte 2000: man van den Paljetter zig bij dit korps van den Nabab zouden vervoegen, en onder den naam van Aijder, Alij de passage over het rivier zouden forceeren en ons alle toevoer en succuas aan provisie en ammunitie over het rivier en over den land„ „weg afsneijden, vervolgens in den rug vallen of wenigstens in een rukmarsch de voornaam„ „ste passagien beletten, terwijl de succours aan de overkant van Chavacattij, die tot 1000: man met Landsmooren augmenteerd was, benevens het guarnisoen van Chettua, ons van vooren zoude te doen geeven, en mijn succuers aan volk te zenden was uwel Edlen Groot Achtb: onmogelijk, hier toe kwam nog eene ontdekking dat wij, namentlijk met alle onse voorsigtigheijd even wel niet beletten konten, dat er niet bij nagt met kleene mansjouws zoo wel Provisie en ammunitie als enkelde militairen in Chettua kouten E konten ingebragt worden. Op deese narigten moeste iets resolveerd worde mijn voorneemen was vast om het Chettua door eenhievig bombardement zoo benaumt te maaken dat zig de Commandant zoude moeten over geeven of vlugten, en schoon het niet mogelijk was, om den succurs van ammunitie, provisie en volk in hleenen te beletten, dog wenigstens daar voor te wa„ „ken dat er geen ondersteuning van belang nog over„ „gang over het rivier bij Chavacattij en Poelicaart korte geschieden, en daar over konde ik, na de genomene maatregulen, menschlijker wijze ge„ „sprooken, in staan, Jmamaka tegen over had ik alleen maar een adverteer posten, van groote 100: Chegossen en Nairos, terwijl ik geene Europeesen, Javanen of sipaijs meer missen konte, de wijse, om met insluijting en bombardement Chettua te dwingen, Was wel lang weijlig, maar secuur„ en er het leeven van zoo veele menschen niet aan risqueert, als direct met een storm, dien ik altoos maar in uijterste noodzakelijkheijd, of bij goede gelegentheijd zoude verkiesen. maar mijn besluijt moeste nu veranderen, om de wille van alle alle de vermeld te narigten, wij waaren reets tot aan den voet van 't Glacis, door het bom„ „bardement waaren de muuren zeer ruijneerd, en de merlons deels heel, deels voor een gedeelte, afgevallen. Jk wist dat het guarnisoen wenig Provisie, wenig ammunitie en veel doode en ge„ „quetschte hadde, en dat er de poort 'snagts open bleef voor de trouppen van 't guarnisoen, die in den bedekten weg, of veel meer aan den voet der muur lagen en de vijand begon van binnen afsuij= „dingen, en buijten eene verpallisaderung te maaken, Nu was er niets beeter op als een storm, knam hier over met von Driberg het besluijt, en alle noodige maatregels, welke wij na onse geringe kennisse konten neemen, wierden ge„ „noomen en alles wat tot aanrukken en tot de attaque en detaille nodig was, beraamd; Capitain von Drieberg zoude den storm commandeeren, sig meester van de soo genaamde bedekte weg maaken, zig daar in logeeren; de poort attaquee„ t Ladders laten aanbrengen, en een Storm „ren, en onder dese gelegentheijd ook de storm wagen anders alleen den bedekte weg souteneeren. Tot Tot deese onderneeming was von Driberg versterkt door den Luitenand Guinof, die zig van zijnin„ post aan het rivier met zijn detachement bij von Driberg moeste trecken, en dierhalven door Capitain Leever, met de rest van desselfs kompagnie, en 50. Javanen en 50: sipais van mangaloor, van mijn post afgelost wierd: ook zoud ik nog een officier, 20. Jaagers en 60. Sipais aan von Driberg en ik zelfs bleef met den restant der kompagnie Jaagers, de halve Com„ ^ van manguloor en de halve siplaise „pagnie van desipaisch & Compagnie van Cana„ „noor onder het geweer om Poelicarro te defendeeren, of Inoods zijnde, ook von Driberg te ondersteunen. Smorgens 4: uur begon de storm, en in een ommezien was Guinot reets aan de poort, welke men gebukt moeste passeeren. Guinot wierd gequetst, de braave sergeant van mandern vatte het Commando op, en wierd door den Capitain d'armes, Andre, ondersteunt; de Luitenant Stippen vaandrig sechhusen, bragten reets 3: storm ladders zeer wel aan. maar Aelaas! van onse Javanen en sipais Waaren
English
there were only very few who followed the Europeans, all the others threw themselves onto the ground, and neither kind words, nor blows, cuts and thrusts, were able to bring these cowardly troops so far as to merely stand up, let alone advance and storm; consequently the assault was lost. von Driberg held the covered way until it was broad daylight; van Mandern and others maintained their post until past 6 o'clock, and stip his post to the right of the gate until even later, but it would have been irresponsible to want to maintain the covered way or stay standing even longer under the wall (for it is no real covered way), only because the number of dead and wounded Europeans would have been greatly increased and yet nothing further would have been accomplished, as the natives were so fearful and consternated. von Driberg thus withdrew in the best order back to the nearest battery, and likewise thereafter van mandern, and finally the Lieutenant stip. After this unfortunate incident, nothing else remained now but first to calm the men, to reward the bravest, just as your Right Honorable Sir also magnanimously rewarded van Mandern and others with the rank of ensign, and to remove the consternation among the others and encourage them; for the rest, to await the confirmation of the above-mentioned reports. These were also confirmed from all sides by your Right Honorable Sir himself, and I received the high order to raise the siege and return with the army to Cranganoor, where I arrived on the 19th of this month. All my remaining actions will appear in more detail from the following journal, and I can boldly testify before God and the whole world that I have done whatever I could according to all my ability. I must not fail, however, to assure your Right Honorable Sir that all officers did their duty, but that especially Captain von driberg, who actually commanded the siege, did everything that one can ever expect from a capable and brave man. After him, from the infantry, Lieutenants Geinot and stip distinguished themselves particularly, the latter mainly through his untiring zeal in being day and night in the most dangerous places, constructing the batteries, and in other undertakings on the advance and retreat; the Lieutenants of the artillery Cheeret and krause, and among the gunner's assistants Pieter Elstendorp, who never wanted to be relieved, fired several good shots, and dismounted two cannons in the fort; of the native troops, the Eastern Captains Moendoe and kepping, the Sepoy Captain Chec Mira, Ensign Leij of Captain Moendoe, and Ensign seckhusen of Captain Machomet chan distinguished themselves. Although my conscience acquits me of committed mistakes, although through this report I lay my conduct before the eyes of your Right Honorable Sir, although I am convinced of the same noble way of thinking, although I am willing to submit this report to the entire military and critical world for examination, although I may appeal to all officers and soldiers, this nevertheless does not take away from the fact that I am distressed by this failed enterprise and shall always grieve over it. Journal from 4 to 19 Janu: 1778: The 4 Janu: I departed for Cranganoor and took over the command. The 5, 6, and 7th were spent putting in order and preparing everything that was most necessary for the march, and could still best be transported. The 8 Janu: in the morning already by three o'clock everything that was to march was successively set in motion, and principally the vanguard under the command of Captain van drieberg, consisting of: the company of Berskij: 65 men: of Leever. the Eastern Comp: of Moendoe. ditto Kepping. the Sepoy Comp: of Machomet Chan. the Sepoy Company of Checslira. 150 Chegossen. This vanguard was again divided, and consisted of: An advance guard under the command of Lieutenant Guinot. A corps under the command of Captain von Drieberg. A rearguard under the command of Lieutenant Bonssimon. The vanguard was provided with: three 3-pounder cannons, two 8-pounder ditto, two howitzers of 4: 5: pulled by cattle and coolies, and some ammunition carts, pulled only by coolies. It became fully 6 o'clock before the vanguard was properly on the march. Lieutenant stip was detached from the vanguard with 50 Javanese of Moendoe and 100 Chegossen, to try by a detour to get behind the palace of the king of Cranganoor and cut off the retreat of the garrison. At 7 o'clock the Corps was on the march, consisting of: the company of Jaagers, ditto ditto of Oesoep Javanese, ditto ditto of Jsmael Mangaloor Sepoys, A party of Nairos, with three 3-pounder cannons and one mortar of 6 inches, with the ammunition carts. Directly following the corps at the same time came the rearguard, under the command of Captain Leever, which consisted of: A small advance guard of 12 Jaagers, 10 Javanese and 10 Sepoys. A corps formed of 50 men of Captain Leever's company, 100 Christians and A rearguard of 12 Europeans.
Dutch transcription
waaren maar zeer wenige die den Europeesen volgten, alle de anderen smeeten sig op de grond en nog goede woorden, nog slaagen, houwen en stecken, was niet vermogend deese Lafhartige trouppen zoo verre te brengen, sig maar op te rigten, laat staan te ovanceeren en te stormen, gevolglijk was de storm verlooren, von Driberg hield den bedekten weg, tot het volkomen dog was„ van Mandern en andre mainteneert en haare post tot over 6: uuren, en stip zijne post regter-hand van de poort, tot nog laater, maar 't zoude onverantwoordelijk geweest zijn, om den bedekten weg te willen maintineeren of veel meer onder de muur willen staan blijven /:want 't is geen regte bedekte weg:/ alleen om dat er het getal van dode en gekwetschte Europee„ „sen zeer zouden vermeerdert en dog niets verder zijn uijtgevoert worden, dat de Jnlanders zoo bang en Consterneerd waaren: von Driberg trok zig alsoo in beste ordre weder in de naaste Batterie en zoo vervolgens van mandern, en eijndelijk de Luijtenand stip. Na Na dit ongelukkig voorvall was alsoo nu niets meer op, als eerst het volk te doen bedaren, de dappersten te beloonen, gelijk uwel Edelen Groot Achtbaare ook op een edelenoe„ „dige weijse van Mandern, en andre, met den Titul van vaandrigs beloont heeft, en de Conster„ „natie onder de andere weg te neemen, en ze moed in te spreeken, overigens de Confirmatie van de booven gemeldte narigten aftewagten. Deese wierden ook van alle kanten bij uwel Edelen Groot Achtbaaren zelfs Confirmeerd. en ik ontfing de hooge ordo om het beleg op te bree„ het „ken en weder met leger na Cranganoor te komen gelijk ik ook op den 19: deeser arriveerde. alle mijne overige verrigtingen, zullen uijt het volgende dag verhaal nader blijken, en ik kan vrijmoedig voor God in de geheele wereld betuijgen„ dat ik gedaan hebbe, wat ik na al mijn ver„ „moogen hebben doen kunnen. Ik moet hier bij egter ook niet nalaaten; uwel Edelen Groot Achtbaaren te verzekern, dat alle officiers haare pligt betragt hebben. maar dat voornamentlijk, Capitain von driberg die die effectiee de belegering Commandeert heeft, alles gedaan heeft, wat men van een kundig en braav man ooit pretendeeren kan. Na hem hebben sig bijsonders signaliseert, van de infanterie, de Luijtenants Geinot en stip, deese laatste voornamentlijk door zijn onver„ „moeite ijver, dag en Nagt op de gevaarlijkste plaatsen te zijn, de batterien aan te leggen en andere onder„ „neemingen in den heen en te rukmarsch de suijte„ „nand van de arthillerij Cheeret en krause, en onder de handlangers Pieter Elstendorp, die zig nooijt heeft willen laaten afloosen en verscheijdene goede schooten gedaan en twee kanons in 't fort demon„ „teert heeft: van de inlandse trouppen hebben zig distinqueert de oosterse Capitains Moendoe„ en kepping, de Sipais Capitain Chec Mira, de vaandrig Leij van Capitain Moendoe en de vaandrig seckhusen van Capitain Machomet „chan Schoon mijn geweeten mijn vrijspreekt van begaane misslagen. schoon ik mijn gehouden gedrag hier door dit rapport voor uwel Edele Groot Achtbaaren oogen legge, schoon ik van Hoog deselve Edele dendung-wijse overtuijgt ben, schoon ik ik dit rapport voor de geheele kreijs- en oordeels kundige weereld, wil tot ondersoek voorleggen. schoon ik mijn op alle officiers en Zoldaaten mag beroepen, zoo neemt dit dog niet weg, dat ik over dese mislukte onderneming aangedaan ben en mijn altoos daar over zal chagrineeren. Dag Verhaal van 4: tot 19:' Janu: 1778: Den 4: Janu: vertrock ik na Cranganoor en overnam het Commando Den 5: 6: en 7:den wierden toegebragt met het in ordre bringen en ge„ „reedmaaken van alles, wat hoogstnoodig tot den op„ „togt, en nog best mogelijkst te transporteeren was Den 8: Janu: smorgens allreets om drie uur wierd alles suc„ „cessive in beweging gebragt wat marcheeren zoude; en voornamentlijk de avant guarde onder Commando van den heer Capitain: van drieberg bestaande uijt. de kompagnie van Berskij: 65: man: van Leever. de oosterse Comp: van Moendoe. _o _=o Kepping de Sipais Comp:e van Machomet Chan de de Sipais Compagnie van Checslira 150. Chegossen. Deese avant guarde was weder verdeelt, en be„ „stond uijt. Een avand Guarde onder Commando van Luijtinand Guinot Uijt een korps onder Commando van Capitain von: Drieberg uijt een arrier Guaade onder Commando van Luijtenand Bonssimon De avond guarde was voorsien met drie 3: ponder kan ons twee 8. Ponden d=o twee Haubitzers van 4: 5: getrocken door Beesten en Koelies. En eenige ammunitie karren, alleen getrocken, door Coelies. T wierd volkomen 6: uur, eerder de avand guarde regt in marsch was. De Luitenand stip wierd met 50: Javanen van Moendoe en 100: Chegossen van de avand guarde gedetacheert, om door een omweg te sien agter agter het Paleijs van den koning van Cran„ „ganoor te komen en de retirade van de besetting aftesnijden. Om 7: uuren was het Corps in Marsch, bestaan „de uijt de kompagnie Jaagers d„o d„o d„o van Oesoep Javanen „ „ Jsmael Mangaloor sippaisen Een partij Nairossen, met drie drie ponder kanons en Een mortier van 6: duijm Met de ammunitie kaaren. direct op het korps volgte te gelijker tijd de arrien guarde, onder Commando van den heer Capit: Leever welke bestond uijt. Een kleene avand Guarde van 12: Jaagers. 10: Javanen en 10. Sipais. Uijt een korps formeert van 50: man van Capitains Leevers Compagnie 100: Christanten en Een agter hoede van 12: Europeesen „
English
12 Europeans 50 Chegossen carrying along 1 six-pounder cannon. At eight o'clock a side patrol came near the Palace of the King of Cranganoor, upon which the troops of the Nabab fired. I must note here that the palace of the King of Cranganoor was enclosed with driven coconut tree trunks, filled in behind with earth, and with 4 small bastions; judging by the rows inside and by the fires that were still burning, a strong garrison must have been stationed there, which must have been at least more than 200 men, which seems all the more probable to me because 2 killiadaars had been inside, one who was then still actually Commandant at Chettua, and another who later commanded in besieged Chettua. As soon as, as I have reported, the side patrol took fire, Lieutenant Guinot advanced rapidly, and in a short time the entire vanguard was close at hand. Captain von Driberg had the Commandant summoned to surrender, which was answered with No. Thereupon von Driberg had him summoned a second time to abandon the redoubt, to which they gave in answer that their Commandant was at Paponettij and that they expected a 4 hours delay, but von Drieberg let them know that no delay would be granted, that they might leave peacefully, or that he would compel them to do so, which they answered with the waving of sabers and the shout: just come here! Captain von Drieberg made these three summonses with good deliberation, partly to give no reason to claim that one had directly attacked the troops of the Nabab in a hostile manner, and partly to be able to let his vanguard and cannons march up so much better. Upon this last mentioned answer, von Driberg ordered fire to be given with the cannon, and a portion of the infantry charged in ranks at the parapet, which had such an effect that everyone of the enemy inside threw themselves to the ground, and after a little resistance fled head over heels and in several crowds, leaving behind ammunition and wounded. The march was continued after this, but the further we came, the more difficult the roads became, namely narrow, sandy, and heavily overgrown with brushwood. The day before the departure, due to a lack of sufficient coolies to drag cannons and ammunition, I had quietly inquired whether the Moors with shield and sword would not be inclined, for generous payment, to drag cannons, which they accepted after some objections, and I had 50 men selected from among them for this purpose. In like manner I also engaged 80 nairos; with these men, the coolies, and the good help of the artillerymen, we brought our artillery and ammunition along the way this day, though not without dreadful effort, by clearing away brushwood, widening the roads, and many other difficulties besides. Virtually none of the enemy appeared, and the stockades of Coddormatoddo and Beltamana were deserted; these two were very strong and large, and completely obstructed the ordinary passage. Around 2 o'clock in the afternoon I received a note from Lieutenant Stip, wherein he informed me that he had taken post at Paponettij; at 5 o'clock I arrived at Paponettij myself in order to establish beforehand the necessary orders concerning the encamping and placing of the troops and pickets, but due to the badness of the roads it was fully 10 o'clock before the rearguard marched in. On the 9th of January, Lieutenant Boissemont was ordered to remain at Paponettij with a detachment of 60 heads strong, a 6 lb cannon, together with the necessary artillerymen, ammunition, and provisions. The stockade at Paponettij, constructed by the troops of the Nabab, encloses the private house of the former Resident Breekpot and is fairly strong. Lieutenant Stip was again detached ahead of the vanguard with 50 Javanese of Moendoe and 100 Chegossen to reconnoiter; and if he found an advantageous place for a camp, to take post. Before we began our march, I also had rice distributed among all companies and also among the coolies from the provisions that had been brought the evening before with 2 or 3 manchuas; we finally got on the march, but it was even more difficult than yesterday, partly because of the bad roads, partly because the men were exhausted from the day before; everyone therefore had to relieve one another in hauling, and the Europeans hauled as well as the coolies, Moors, Nairos, etc. I received a report from Stip that he had taken post at the bazaar of Ballepatoe, and it was also my intention to march to that place, but it was impossible; the men were exhausted, and the evening overtook us; I therefore had them camp according to our marching order, near the pagoda of Bollpittoe. That same evening I sent another order to Stip at Bullapattoe, that the following morning, after 2 cannon shots, beyond the ordinary morning gun, had been fired, he was to march ahead with the entire company of Moendoe and 150 Chegossen as a reconnaissance detachment up to the creek not far from Chettua, and there post himself in the most advantageous position on this or on the other side, but otherwise not engage in any affair, and rather fall back upon the vanguard. On the 10th of January towards 6 o'clock everything was already on the march, but as all the coolies, and largely also the Nairos, were absent, the soldiers, the Moors with shield and sword, and all who were still available had to be employed in hauling. On the way, the Paijencheros did bring in a party of coolies, but they were starved and miserable people.
Dutch transcription
12. Europeesen 50. Chegossen. meede hebbende 1. Zes ponder kanon. Om Acht uur kwaam een zeijde patroille„ omtrend het Paleijs van den koning van Cran„ „ganoor op dewelke de trouppen van den Nabab vuur gaven. Ik moet hier bij aanmerken, dat het palijs van den koning van Cranganoor omslooten was metingeheijte klapperboomen, agter opgevult met aarde en met 4: kleene punten: na de rutten van binnen te reeken, en na de vuurs welke nog branden, moeste al een sterke besetting daarin gelegen hebben die althans sterken als 200: mannen moeste geweest zijn, welks mijn soo veel te waarscheijnlijkers voor komt, om dat er daar 2: killiadaars sig binnen hadden bevonden, een die toen nog wesentlijk Commandant te Chettua was, en een ander die naderhand in het belegte Chettua, Com„ „mandeerde. zoo doo, gelijk ik gemeld hebbe, de zijden patroille vriua vuur kreegen, rutcte den Luitenand Guinot schielijk aan, en in weijnig tijd was de heele avand Guarde digte bij Capitain von Driberg liet den Commandant opeijschen, welks met Neem b'antwoord wierd, hier op deed von driberg hem voor 't tweede maal opeijsschen om de schans te verlaaten, waar op ze in antwoord gaaven, dat hun Commandant zig te Paponettij bevonden dat ze 4: uur uijtstel verwagten, maar von Drieberg liet hun weeten, dat er geen uijtstel plaats vond, dat ze in goeden mogten verhuijsen, of dat hij te zouden daar toe ¶ het swaaijen van sabels, en noodzaaken, welks ze net, het geroep: komt maar hier ! b'antwoorden. Capitain von Drieberg deed met goeden voorbedagt deese drie opeijschingen, deels om geene reeden te geeven, als of men de trou„ „pen van den Nabab direct vijandlijk hadde overvallen, deels, om zoo veel te beeter zijne avond Guarde en kanons te kunnen laten opmarscheeren. Op dit laatst gemelde antwoord, liet von Driberg vuur vuur met de Canon geeven en een gedeelte der infan= „terie chargeerte met rotten op 't parapet, welks van die uijtwerking was, dat zig alles van t vijand binnen op den grond smeet en na eenige weijnige tegenstand over hals en kop en in verscheijde hoopen en vlugt naamen met agterlaating van am„ „munitie en gekwetschte. De marsch wierd hier op vervolgt, maar hoe verder wij quaamen, hoe moeijlijker de weegen wier„ „den, namentlijk nauw, sandig en sterk met Boscagie begroeijt. Ik hadde den dag voor den uijtmarsch wegens gebrek aan genoegsame koelies, tot trekken van Canons en ammunitie, onder de hand laaten verneemen of de mooren met schild en swaard niet zouden genegen weesen om teegen een gene„ rense betaling Canons te trecken, welks ze na eenige swarigheeden accepteerden, en ik liet daar toe van hun 50: man uijtsoeken. op gelijke wijse engageerde ik ook 80: nairos, met dese menschen de koelies en goede hulp der arthilleristen, bragten wij onse arthillerie en en ammunitie deeser dag over weg, egter niet zonder ijselijke moeite, met weg houwen van Boscagie, verbreeden der weegen en veele andere moeijelijkheeden meer. van den vijand vertoonte zig genoegsaam niemand, en de paggers van Coddormatoddo en Beltamana, waaren verlaaten, deese twee waaren zeer sterk en groot en belettende ordinaire passagie volkomen. Omtrend 2: uuren in de nademiddag ontfing„ ik een briefje van den Luijtenand Stip, waar„ innen deselve mijn meedte dat hij te Paponettij post gevat hadde; om 5: uuren aarwveerde ik zelfs te Paponettij, om voor uijt de noodige ordres te stellen, weegens het legern en plaatzen der troup„ „pen en brandwagten, maar door de slegtheijd der wegen wierd het volkomen 10: uur eerder de arrier Guarde inrukte. Den 9: Janu: wierd de Luijtenand Boissemont Comman„ „deert om te Paponettij met een Commando van groote 60: koppen, een kanon van 6: lb: bene„ „vens de noodige arthilleristen, ammunitie en provisie te blijven. de De pagger te Saponettij, door de troupen van den Nabab aangelegt, omsluijt het Particuliere huijs van den Gewesenen Resident Breekpot en is tamelijk sterk De Luitenand stip wierd met 50: Javanen van Moendoe en 100. Chegossen weder voor de avand guarde voor uijt gedetacheert, om te recognosceeren; en zoo hij eene voordeelige plaats tot een leger vond, post te vatten. Ik liet nog, eerder wij op marsch gingen, onder alle Compagnien en ook onder de Coelies rijst uijtdeelen van de eijme Provisie die 'savonds te vooren met 2: of 3: mansjouws was aangebragt, wij quaamen eijndelijk in marsch, maar hij was nog moeijelijker als gistern, deels weegen de slegte weegen, diels wijl 't volk van den dog van te vooren afgemat was; alles moeste dierhalven malkandern met trekken aflossen, en de Europeesen trocken zoo wel, als de koelies, mooren, Nairossen &=a Jk ontving van stip rapport dat hij op den bazaar van ballepatoe post gevat hadde, en het was ook mijne intentie om tot daar heen te marcheeren, dan dan het was onmogelijk, het volk was af, en den avond overviel ons, ik liet dierhalven soo Campee „ren als onse marsch ordre was, bij de Pagood Boll „pittoe. Denzelfden avond zond ik nog een ordre aan stip na Bullapattoe, dat hij 'sandern morgens naa dat er 2: kanon schooten, buijten den ordinaire dag schoot, zouden gevallen zijn, met de geheele Compagnie van Moendoe en 150: Chegossen vooruijt moeste marcheeren als een recognoisceer kommand tot aan de spruijt niet verre van Chettua en daar op de voordeeligste plaats aan dese, of aan de over„ „kant, zig posteeren maar zig overigens in geene affaire inlaaten, en zig liever weder op de avant „guarde teruk trekken. Den 10: Jann: tegens 6: uur was reets alles in marsch, maar da alle Coelies, en grooten deels ook de Nairos „sen absent waaren, soo moesten de militairen de mooren met schild en swaard, en alles wat maar nog korte, emploijeert worden aan 't trekken Onderweegs bragten wel de Paijencheros een partij koelies bij, maar uijtgehougerte en elende menschen
English
people whom one could not, without being inhumane, look upon with anything other than pity. The roads now became better, namely in width, but increasingly sandy and thus just as difficult as yesterday and the day before yesterday, especially as today was excessively hot, and yet it was most urgent to make a forced march, all the way to Chettua, as I had good intelligence that troops had been detached from Chawacattij to Chettua for reinforcement. After many difficulties we were, around 4 o'clock in the afternoon, still one hour from Chettua. I had already received intelligence from Stip that he had taken up position before Chettua; I therefore rode ahead on horseback with Captain von Driberg and the orderlies to observe the situation, leaving orders behind to hasten the advance somewhat. I found Stip well-positioned, against whose posts the enemy had already fired some cannon shots, which they resumed upon my arrival. I sent orders back that the advance guard and the jaegers with the sepoys of Mangaloor had to hasten to march up, and that furthermore the ammunition wagons with the cannons and mortar of the corps had to advance under cover of the rearguard. Beyond my expectation, the advance guard of von Driebergen of the corps of jaegers with Mangaloor were close by and marched up in a short time. Immediately following this, Lieutenant Guinot was detached to take up a position on the right, on the height by the riverside near the lime kilns. Lieutenant Stip took up a position on the left with Moendoe, in a battery thrown up by the enemy near the seashore towards the gate. Lieutenant Eichler was directly detached to Poelicarro with 30 jaegers, 30 Javanese, and 50 sepoys. The posts for throwing up the first batteries were designated, and Captain von Driberg quartered himself with his main corps in a line or trench thrown up by the enemy last year between the resident's garden and the fort. I marched with my corps to Poelicarro, and around 8 o'clock in the evening the rearguard had already arrived safely with everything. Captain von Drieberg had Europeans work on the first batteries this night, and this night there were: shot dead, 1 common Javanese; wounded, 2 Chegosses. On 11 January in the morning, the fort was summoned. The commander requested a 4-day delay to be able to write to Calicut, but he was granted no more time than until 12 o'clock, when the bombardment began. As far as the essential occurrences during the siege are concerned, I refer to the enclosed report made to me by von Drieberg. Poelicarro was occupied from the height along the river, where Lieutenant Guinot lay, to far below the passage, in such a manner that it was impossible for anything to pass, and at Koddemoke lay an outpost of Chegosses and Nairs, in order to be able to know what was happening around Inamaka. My army formed almost a square: the jaegers on the front line along the river; behind me Captain Leever, with the largest part of his company, 50 Javanese of Papa Salja, and 100 Christians, for communication between me and von Driberg, for which purpose a passage or path had also been cut from my front to the left around the church before Chettua. On my right flank encamped the sepoys of Cananoor, and on my left flank the sepoys of Mangaloor. Daily I made the inspection of the line before Chettua. On 12 January, a relief force of about 500 men with 40 to 50 horses appeared on the other side of Chawacattij; they made all kinds of movements and a part moved eastward towards my front, but on 13 January this corps was out of sight again. The bombardment continued until the 14th, when for the above-mentioned reasons I resolved upon the assault on the so-called covered way, or rather the thrown-up line of the enemy, and at the same time had preparations made for a general assault. For this purpose, I gave a general plan to von Driberg, in which I had expressly appointed the Lieutenants Guinot and Stip as the officers in whom, in such an undertaking, I placed my greatest confidence; the first was to command the division on the left, and the second the 2nd division on the right, and Captain von Driberg was to support the undertaking. In the evening I had Lieutenant Guinot with his detachment relieved by Captain Leever with another detachment, thereby reinforcing von Driberg; I also sent another officer, 25 jaegers, and 60 sepoys. However, at midday the commander of the fort was asked once more whether he wished to surrender the fort or await the extreme, but his answer was: I cannot, I shall serve my prince faithfully; be faithful to your masters as well. The firing and bombardment from our side was very heavy this night. On 15 January at 4 o'clock in the morning, our attack took place; everything went as desired, notwithstanding that the enemy produced a considerable fire, but not once did they lie down.
Dutch transcription
menschen, die men zonder onmenscht te zijn niet anders als met medeleijden korte aanzien De weegen wierden nu beeter, namentlijk in breede maar hoe langer hoe zandiger en dus even zoo moeijlijk als gisteren en eergisteren, voor„ „namentlijk dat heeden excessiev heet was, en evenwel was 't hoogstnoodig een geforceerte morsch te doen, tot Chettuca toe, terwijl ik goede narigt hadde, dat er van Chawacattij volk tot succeeas na Chettua detacheerd was. Na veele moeijelijkheeden waaren wij 's agtermid„ „dags omtrend 4: uur, een uur nog van Chettua ik hadde reets narigt van stip dat deselve voor Chettua post gevat hadde ik reed dierhalven met Capitain von Driberg en de ordonnantzen, te paard, na vooren om de situatie te betragten ordre agter laatende, om den aanmarsch wat te verhaasten Ik vond stip wel posteerd, na wiens posten de vijanden reets eenige Canon schooten gedaan hadden, en bij mijne komst hervatte. Jk sond ordre te ruk, dat de avand- Guarde en de Jaagers met de sipais van Mangaloor zig zig moesten spoeden om aantemarcheeren, en dat overigens de ammunitie karrens met de kanons en mortier van het Corps, onder bedekking der arrier guarde, moesten aanrukken, buijten mijne verwagting waaren de avand guarde van von Driebergen van het korps der Jaagers met mangaloor in korte tijd digte bij, en opge„ „marcheerd. Jmmediat hier op wierd de Luijtenand Guinot detacheerd om regts post, op de hoogte van de rivier kant, bij de kolk ovens, post te vatten, de Luijtenand stip vatte lings post met Moendoe, in een batter van den vijand omtrend het zeestrand na de poort toe, op geworpen; de Luijtenand Eichler wierd met 30. Jaagers, 30. Javanen en 50. sipais direct na Poelicarro detacheerd. De posten om de eersten batterien op te werpen, wierden bepaalt, en Capitain von driberg logeerde zig met zijn hoofd korps in eene door den vijand voorleeden Jaar opgeworpene Linie of transchee tusschen den residents thuijn en 't fort Ik c Ik marcheerde met mijn korps na Poelicarro, en omtrend 's avonds om 8. uuren was reets de arrier guarde met alles behouden arriveerd. Capitain von Drieberg liet deese nagt aan de eersten Batterien arbeiden, door Europeesen en deese nogt wierd dood geschooten 1: Gem: Javane. blesseert 2: Chegossen. Den 11: Jann: smorgens wierd het fort opgeijscht: de Commandant verlangte 4. daagen uijtstel om na Calicut te kunnen schrijven, maar men stond hem niet langen tijd toe als tot 12: uur, wanneer het beschieten begon. wat de wesentlijke voorvallen, geduurende het belog aangaat, beroep ik mijn op het bijleggende rapport, door van Drieberg aan mijn gedaan, Poelicarro was van de hoogte aan het rivier af, waar Luitenand Guinot lag, tot verre beneeden de passagie zodanig beset dat er onmogelijk iets koute passeeren, en op koddemoke lag een adverteer post van Chegossen en Nairossen, om te kunnen weeten, wat omtrend Inamaka voorging mijn leger for „meerte bij na een vierkant; de Jaagers in de voorfrond aan 't rivier; agter mijn de Capitain Leever d„o 14: d„o Leever, met het grooste deel van zijne Compagnie, 50: Javanen van Papa Salja, en 100. Christanten: tot Communicatie tusschen mijn en Vondriberg. tot welk eijnde ook een passage of weg van mijne frond af, tot links omtrend van de kerk voor Chettua gekapt was Op mijne regter flancq Campeerten de si„ „pais van Kananoor, en op mijne linker flancq de sipais van Mangaloor dagelijks deed ik de visite in de Linie voor Chettua„ Den 12: Jann: vertoonde zig een succurs aan de overkant van Chawacattij omtrend 500: man met 40: â 50: paarden, ze maakten allerhande bewegingen in een gedeelte trock oostwaards op na mijn frond maar. Den 13: Jann: was dit Corps weder uijt 't gesigt het beschieten duurde tot. wanneer ik om booven gem: reeden tot den storm op den zoogenaamde bedekte weg, of veel meer op geworpene lienie, der vijanden resolveerte, en teffens de toebereijdseln tot een hoofdstorm maken liet. Ik d„o Ik gaf hier toe Een generaal ontwerp aan von drieberg, waar bij ik expres de Luijtenands Guinot en stip als de gene officiers benoemd hadde, op welke ik bij een diergelijke onderneeming mijn meenste vertrouwen steede, de eerste zoude de devisie links, en de tweede de 2: division regts Commandee„ „ren, en Capitain von Driberg de onderneeming ondersteenen; 's avonds liet ik den Luijtenand Guinot met zijn detachement door Capitain Leever niet ander detachement aflossen en versterkte daar door von Driberg, ook zond ik nog Een officier, 25: Jaagers en 60. sipais; egter wierd 's middags de Commandant van 't nog eens gevraagt of hij het Fort fort wielte overgeeven of dat uijterste afwagten. maar zijne antwoord was: ik kan niet ik zal mijn vorst getrouw dienen, weest aan uwe meesters ook getrouw. Het schieten en bombardeeren was deese nagt van ons zeer heevig Den 15: Janu: Smorgens om 4: uuren geschiede onse aanvall alles ging gewenscht, onaangesien de vijand een schikkelijk vuur maakte, maar niet eens lag
English
lay all hope of succeeding further, and it would have been irresponsible to try to maintain ourselves under the walls of the fort with the Europeans alone, and I request that the report of Captain von Driberg be read regarding this, to which I refer all the more willingly because he was a better eye-witness to the particulars than I, and also so as not to be forced to describe once again such a fatal and, for every brave and honorable-thinking officer, mortifying incident. I went to the trenches. My first care was for the wounded and my second was to remove the consternation, but that was of no importance among the Europeans, being more among the natives. By chance I met Captain Moendoe. I reproached him with the demonstrated cowardice of the Javanese belonging to him and Kepping, to which he answered me: our old Javanese acted like brave soldiers, but Kepping and I have very few of them; our best old soldiers have been reduced, and we have received untrained boys and other bad material in their place. After I had been informed of everything, inspected the most important matters, and given the necessary orders, I departed again for Poelicarro. On the way I saw the relief force for the fort, on the other side of Chavacattij, and as soon as I was in my camp and had given some orders concerning a hospital, the enemy was already firing from the other side at that post of Leever. I had two 3-pounders brought up the river below that post of Leever, had 2 small batteries constructed opposite it, and placed the Company of Mangaloor in them with some good artillerymen; from these batteries one could not only fire upon an island which the enemy could use to his advantage, but if the enemy wanted to force the passage through the river, one could enfilade him along his entire flank and fire upon his rear if he wanted to advance: while Leever with his 2 cannons could take him from the front and in the flank, while my remaining 3 cannons of 3 pounds were placed in such a way that they swept the front of my army. By promising a bounty, 4 Chegsses were found who would conceal themselves quietly at night before the gate of the fort, partly to be able to warn us in time if they wanted to attempt a sortie, partly to see whether now again, as on other nights, people from the garrison lay under the walls, and partly to quietly intercept anyone who might go inside or outside and bring them to me. On 16 January I received a report that the enemy commander requested delegates and offered a truce to bury the dead. I went to the line. The burial was carried out from our side in the presence of 2 people from the fort. The commander had said, among other things, to Chec Mira: why do you people ruin your own property, go to the other side to General Bader Chan and speak with him, or if you want to make war, cross the river. From our side it was insisted that the firearms among the dead and wounded should be handed over. The commander did not want to do this, saying that he would write about it to the general and await an answer, and upon this a truce was agreed upon until 12 o'clock noon the next day, though under the condition that the relief force on the other side must not begin any hostilities or make any movements. I had the opportunity to observe the fort very closely, which looked terribly ruined by our firing and bombarding. To the best of my recollection, I also received on this day, or yesterday, that letter from which the treacherous conduct of the Paliat Achan appeared, in providing auxiliary troops to the Nabob so that his troops might act with him against us. Late this evening I received Your Right Honorable Reverence's orders to break the siege. My first care was to send away the wounded; I had no vessels at hand, and therefore I had the manchouwas of the Canarese, who kept a bazaar at Poelicarro, asked for hire, although I knew that they could not return. The sick were successfully embarked; I notified von Driberg of it, and we decided to break camp the following night, toward two o'clock in the morning; the road along the beach was chosen, partly because one is freed there from the difficulties of continuous cutting and clearing, has a good road close to the sea, on the one side dense scrub, where an enemy has little advantage over me, and on the other side the sea, where one is completely unobstructed. I sent an order to Captain Beem of the ship De Jndiaan to set sail with his fleet the next morning at 7 o'clock, and during my stay I maintained correspondence between the fleet and the army. I also sent an order at 6 o'clock in the evening to Lieutenant Boissimont to break camp, and to make his cannon unserviceable if it could not be transported, and otherwise to march directly to Cranganoor. This order was brought back to me around 8 o'clock, and the lascarin, together with 2 Moors whom I had sent away with it, reported that they, by armed country
Dutch transcription
lag alle hoop, om verder te reusseeren, en het zoude onverandwoordlijk geweest zijn, onder de muuren van het fort met de Europeesen alleen, zig te willen mainteneeren, en ik versoeke hier over den rapport van den Capitain von Driberg tewillen leesen, waar op ik mijn soo veel liever beroepe om dat hij van de bijson„ „derheeden beeter doge getuijge geweesen, als ik, en ook om niet genoodzaakt te zijn een diergelijken fatalen en voor ijder braven en eerlijk denkend officier Chagrinant voorvall, nog eens te beschrijven. Ik ging na de taansche mijne eerste sorge was voor de gekwetsten en mijne tweede de Consternatie weg te neemen, maar die was bij de Europeesen van geen belang, meer onder de inlander. Gevallig ontmoete ik Capitain Moendoe, ik hield hem, de betoonde lafhartigheijd der Javanen van hun en kepping, voor, waar op hij mij ten ant„ „woord gaf onse oude Javanen hebben als braave soldaaten gedaan, maar kepping en ik hebben daar van nog zeer weijnig; onse beste oude zol„ „daaten zijn reduceert, en wij hebben materiaal Jon„ „gens en andere slegt goed in plaats gekreegen. Nadien Na dien ik van alles informeerd was, het voor„ „naamste besigtigt, en de nodige ordre gegeven, vertrock ik weder na Poelicarro, op den weg Laa ik den ontset voor 't fort, aan de overkant van Chavacattij, en offen dat ik in mijn Camp was, en eenige ordres omtrend een hospitaal gesteld hadde vuurde reets de vijand van de overkant op die post van Leever. Ik liet twee drie ponders nog beneeden die post van leever, aan 't rivier op voeren, 2: keeene Botterien daar over aanleggen, en plaatste de Compagnie van mangaloor daarinnen met eenige goede arthilleris„ „ten; uijt deese batterien konde men niet alleen een eiland beschieten welks de vijand tot zijn voordeel konde emploijeeren, maar zoo de vijand de passage door het rivier par force wilte wagen, zoo kunde men hem langst zijne geheele flanca bestrijken en als hij willte voortdringen en revers beschieten: terwijl leever met zijne 2: kanons hem van vooren en in de flancq neemen konte, da mijne overige 3. Carrons â3 pond, sodanig geplaast waaren, dat ze de frond van mijn Leger bestree„ „ken. door Door belooving van een premie, lieten sig 4: Chegsl „sen vinden, die 'snagts in stilte sig voor de poort van 't fort zouden verbergen, deels om bij tijds gewaar„ „schouwt te kunnen worden zoo ze willen een uijtval wagen. deels om te zien, of er nu weder, gelijk de andere nagten, volk van 't guarnisoen onder de muuren lag, deels om er iemand, die binnen of buij„ „ten mogt gaan stiltjes op te vangen en bij mijn te brengen. Den 16: Janu: ontving ik rapport dat de vijandelijke Commandant om gecommitteerdens liet versoeken, en een wapens-„ „stilstand tot begraven der dooden aanbieden. Ik ging na de Linie het begraven wierd van onse zijde in bijzeijn van 2: menschen uijt 't fort gedaan, de Commandant hadde onder andere aan Chec Mira gezegt: waarom ruineerd gij lieden dog uw eijgen goed gaat aan de overkant bij den Generaal Bader Chan en sprekt hem over, of zoo gij oorloogen wiet gaat over het rivier; men stond van onse zijde daar op, dat de geweeren van onder doode en gekwetschten te zouden uijtgelevert worden, dit wilde de Commandant niet doen, zeggen„ de l Den 17: Janu: „de dat hij daar van zoude aan den Generaal schrijven en antwoord verwagten, en hier op wierd een wapens stilstand tot 's anderen dags middags 12: uuren aangenoomen, egter onder die Conditie, dat er den succeers aan de overkant geen vijand-„ „saligheeden begon, of bewegingen maaken moest. Ik hadde gelegenheijd het fort zeer nauwkeu„ „rig te betragten, welk door ons beschieten en bombardeeren schrikkelijk ruijneert uijtsag Na mijn best onthoud, ontving ik ook deesen dag of gistern, die vlas waar uijt het valsche ge„ „drag van den Paljetter bleek in het levern van hulps troupen aan den Nababe om zijne troupen met hemn tegens ons te laaten ogeeren. Desen avond laat ontving ik uwel Edelen Groot Achtb: gevrnereerde om het beleg op te breeken was mijne eerste zorge om de gekwesten aftezen „den; Jk hadde geene vaartuijgen aan handen, en dierhalven liet ik de mans Jouws van de Canarijns„ welke te Poelicarro en bazaar hielden, ter huur vraagen schoon ik wist dat te niet weder kouten te ruk komen. de zieken waaren gelukkig c gelukkig afgescheept; ik adverteerde von driberg daar van, en wij beslooten volgens de nagt, smor„ „gens tegen twee uur, op te breeken; de weg langs 't stand wierd verkoosen, deels om dat men daar van de moeielijkheeden van geduurig kappen en opruijmen bevrijd is, digt aan zee een goede weg heeft, op de eene zijde digt kreupel Bosch, waar een vijand weijnig avantagie boven mijn heeft, en op de andere zeijde de zee, waar men volkomen vrij is. Ik zoud een ordre aan Capitain Beem van het schip De Jndiaan, om sandern morgens om 7: uur met zijne vloot onder zeijl te gaan, en geduu„ „rende mijn verblijf hebbe ik de Correspondens tus„ „schen de vloot en 't Leeger onderhouden. Ook zoud ik savonds 6: uur, een ordre aan den Luijtenand Boissimont om op te breeken, en zijn Canon, als 't niet konde transporteert worden, onbruijkbaar temaaken, en overigens direct na Cranganoor te marscheeren deese ordre wierd mijn omtrend 8: uur weder teruk gebragt, en de Lascorijn, benevens 2: mooren, die ik daar meede weg gesonden vertelden, dat ze van gewapende Lands
English
country Moors had been attacked and driven away, a sign that the road was already beginning to become unsafe. I therefore sent this order with a small man-skiff that I had still procured. At 10 o'clock in the evening, I had 5 cannons of 3 lb loaded into a skiff, but as the last one was being lowered, the skiff drifted away and the cannon fell into the river, so that only 4 were loaded. Into a large man-skiff I had loaded a mortar of 6 dm and a howitzer of 4 dm 5 lin; furthermore, spiked an iron cannon of 12 lb; destroyed the carriages, carts, and whatever was not transportable, and threw the ammunition into the water; at 12 o'clock I was ready. I sent the sub-adjutant of Albeduul to withdraw all posts on my left flank and march with them to Captain Leever, and to bring the said Captain the order to break camp with his detachment, his 2 cannons, and the Company of Mangaloor at 1 o'clock, and to march to the place that would be indicated to him by the said adjutant. At At one o'clock I had all posts on my right flank withdrawn, and I stationed 25 Chegosses as sentries along my front, with orders to continually call out until half past 5 o'clock in the morning. I now first had the sepoys of Cannanoor brought to the rendezvous place by the sub-adjutant Pausewijn, subsequently the Moors with shield and sword, and finally I myself marched with the Jaagers. We marched in line. Captain Leever joined me around 2 o'clock, and shortly thereafter, Captain von Driberg. On the 18th at half past 3 o'clock in the morning, everything was on the march. I commanded the advance guard, consisting of the Jaagers and the sepoys of Chec Cananoor. Captain Leever commanded the center, consisting of his Company, the half-company of Javanese of Bapasalja, the the sepoys of Chek Mangaloor, a Company of Christians, and a Company of Moors with shield and sword, besides 2 cannons. Captain von Driberg commanded the rear guard, consisting of the Company of Berskij, the Eastern Company of Moendoe, the ditto ditto of Kepping, the Company of sepoys of Machomed Chan, the ditto ditto of Seck Mira, and about 100 Chegosses, besides 2 cannons and 3 ammunition wagons. In this order we marched slowly forward, and not until nine o'clock did some horsemen pursue us, and some shots were also fired at the rear guard. Lieutenant Stip actually covered the rear guard with the Company of Moendoe and with the Chegosses, and some Chegosses were wounded by the cavalry, and a Jaager of the advance guard named David On the 19th: David Gerke, who contrary to my express orders had left his rank and the platoon of Lieutenant Eichler to drink water, and thereby lagged behind, was captured. Another Jaager, named Mansfeld, could not be found at all upon the departure, but probably remained lying drunk somewhere, as drinking was his daily business. From Captain Leever two men deserted. In the afternoon at 2 o'clock we encamped on the beach in an oblong square, near a place named Adjeworong. At 4 o'clock in the morning everything was on the march again; by 8 o'clock we had already reached the outer point of this side of Aijcotta; here I had the cannons loaded onto gamels, and around 10 o'clock I marched off to the left again via a very difficult road to Cranganoor, where the entire corps arrived completely around 2 o'clock. I must note here, that of the entire swarm of Nairs, not a single one was to be found during the entire retreat. Here Examined. Herewith ends my report and journal, and I now leave it to Your Honorable and Most Worshipful to judge my conduct. It certainly grieves me and will always chagrin me that the expedition did not turn out as wished, but I also dare boldly assure before God that to achieve the objective, I did what I could do and what circumstances permitted. With the greatest willingness I shall also in the future do everything in my power to serve my lords and masters as a useful subject. But in particular I shall always remain with the deepest respect, beneath was written: Honorable, Most Worshipful and High Commanding Lord! Your Honorable and Most Worshipful's most humble and dutiful servant, was signed: C. C. Wohlfarth, in the margin: Cranganoor the 27th of January 1778. Agreed. J. Dannicheu C. Clerc J. Schemering The L. B. Report to the Honorable Valiant Lord Christiaan Constantin Wohlfarth, Captain and Commander-in-Chief over the troops stationed in the field, kept in the manner of a journal by the undersigned, during the siege of Chittua. On the 10th of January at 5 o'clock in the evening, I was detached by Your Honorable Valiant with the advance guard to invest the fort, whereupon I sent off Lieutenant Guinot with 36 Europeans of the Company of Captain Lever, together with the Company of Captain Kepping, strong in the first instance 113 heads, along with 1 field piece, to the east side of the fort to take up his post there, in order to prevent, as far as possible, all correspondence to the other side. I myself moved to about a short cannon shot from the fortress, and placing myself and
Dutch transcription
landsmooren waaren aangetast en weggejaagt „worden, een teeken dat er de weg al begon onveilig te worden. Jk zond dierhalven deese ordre met eene kleene mansjouw die ik nog hadde opgedaan. 's avonds 10. uur, liet ik 5: Canons â 3: lb: in een schouw laden, maar met het instrijken van het laatste, dreef de schouw af en het Canon viel in 't revier zoo dat er maar 4: geladen wierden In een groote manschouw liet ik een mortier â 6: d=m en een houbitz â 4: d=m 5: lin: laden, overigens een eijsern kanon van 12: lb: versentjen; de affuijten, karrens en wat er niet transportabel was, reijneeren en de ammunitie in 't water smeijten; om 12: uux was ik ik klaar. Ik zond den onderadjudant van Albeduul, om alle posten op mijne linker flancq in te trecken en daar meede na Capitain Leever te marcheeren, en gem: Capitain de ordre te brengen, met zijn detachement zijne 2: Canons, en de Compagnie van Mangaloor om 1: uur op te breeken en ter plaatse op te mar„ „cheeren, die hem door gem: adjudant zoude aangeweesen worden. m Om om Een uur liet ik alle posten op mijne regter frlancq intrecken, en ik posteerde 25: Chegossen als schildwagter langst mijne front, met ordre om Continueel te roepen werden tot 'smorgens half 6: uur Ik liet nu voor eerst de sipais van Cannanoor door den onderadjudant Pausewijn na de plaats van rendes-vous brengen, vervolgens de mooren met schild en swaard, en eijndelijk marscheerde ik zelfs met de Jaagers. Wij marscheerde in Linie op Cap: Leever kwam omtrend 2: uur bij mijn, en kort daar op, Capitain von Driberg. Den 18. smorgens half 3: uur was alles in marsch. Ik Commandeerde de avand guarde bestaan„ de uijt de Jaagers en de sipais van Chec Cananoor kapitain Leever Commandeerde de midden bestaande uijt zijne Compagnie de halve Compagnie Javanen van Bapasalja de de Sipais van Chek Mangaloor Een Compagnie Christanten en Een Compagnie mooren met schilden swaard benevens 2. Canons. Capitain von driberg Commandeerde de arrier guarde, bestaande uijt de Compagnie van Berskij, de Oosterse Comp: van Moendoe„ d„o d„o „ van kepping de Compagnie sipais van Machomed Chan de d„o d=o van Seck Mira en omtrend 100. Chegossen. benevens 2. Canons en 3. ammunitie karren. In deese ordre marscheerden wij langsaam voort en eerst om Negen uur kwaamen eenige ruijters agter ons aan, en ook wierden eenige schooten op de arrier guarde gedaan. De Luitenand stip dekte eijgentlijk met de Comp: van Moendoe, en met de Chegossen de arrier guarde cher en wierden d Gossen van de Cavallerie gekwetst en een Jaager van de avond guarde naamens David op, a7a Den 19: David Gerke, die tegens mijne expresse ordre uijt zijn gelid, en 't pelaton van den Luitenand Eichler, gegaan om water te drinken, en daar door agter uijt bleef, wierd gevangen. Een ander Jaager, namens mansfeld was in 't geheel beijm uijtmarsch niet te vinden geweesen, maar is denkelijk beloopen hier of daar leggen gebleeven, wijl suijpen zijn dagelijks werk was. van Capitain Leever deserteerde twee man 'S agtermiddags om 2: uur legerde wij ons aan strand in een langwerpig guarre, om„ „trend een plaats adjeworong genaamt Smorgens 4: uur was alles weder in marsch om 8. uuren, hadden wij reets den buijtensten hoek van deese kant van Aijcotta bereijkt; hier liet ik de Canons in gamels afscheepen, en omtrend 10: uur marscheerde ick weder links af door een zeer moeijelijke weg na Cranganoor alwaar het heele koops omtrend 2: uur volkomen arriveerd is. Ik moet hier nog aanmerken, dat van de geheele swerm Nairossen, op den Geheelen teruk marsch geen een tevinden geweesen. Hier Nagezien Hier meede eijndige mijn rapport en dag register, en laat het nu aan uwel Edelen Groot Achtbaaren over, om mijne handelwijse te b'oordeelen. 'S doed mijn zeeker leeden zal mijn altoos Chagri„ „neeren, dat de Expeditie niet na wensch uijtgevallen, maar ik darf ook vrijmoedig voor God verzeekern. dat ik om het oogmerk te berijken, gedaan hebbe, wat ik hebbe doen kunnen, en de omstandigheeden toegelaaten. Met de grootste bereijd willigheijd zal ik ook in 't toekomende alles doen wat mijn mogelijk is, om mijne Heeren en meesters als een nuttig subject te dienen Maar in 't bijsonder zal ik altoos met de diepste Eerbied zijn /:onderstond:/ wel Edele„ Groot Achtb: en Hoog Gebiedende Heer! uwel Edlen Groot Achtbaaren onderdanigst en trouwschuldigste Dienaar /was Get:/ C: C: Wobl„ „farth /: in margine:/ Cranganoor den 27: Januarij 1778: —. accordeerd JDannicheu CClerc J: Schemering Den L B. rapport Aan den wel Edelen Manhaften Heer Christiaan Constantin Erocntfarth Capitain, en Com„ „mandant en Chef over de te veld leggende Troupen gehouden bij wrijse van Dag Register, door den ondergetekende, Ge„ „duurende het beleg van Chittua Den 10: Ianuarij Des avonds om 5: uur, wierd ik van uwel Edele Manhaften met de Avant guarde ge„ „detacheerd, om het Fort in tesluijten, waar op ik den luijtenant Guinot met 36: Europee„ „sen van de Comp: van Capitain Lever, nef„ „fens de Comp: van Capit: Kepping, sterk primo plano 113: Coppen, neffens 1: veld stuk afsond, na de oost-zijde van het fort om al„ „daar zijne post te vatten, ten Eijnde alle Cor„ respondentie na de over zijde, na mogelijkheid, te beletten ik zelve trok mijn tot omtrent een klijne Canon schoot van de fortres, en leggende mijn en
English
in a line, which had already been made in the past year by Parder Chan, and advanced a post from there to about 200 paces from the fort, where tonight a battery was thrown up by the Europeans, for pay, which was immediately manned with one 8-pounder and 2 three-pounder cannons, and one howitzer. Today in the trench for garrison duty was Lieutenant Nagtrab with 60 Europeans and the company of Moendoe. Of the artillery: Lieutenant Cherret, 1 gunner, 12 assistants. 1 private of Captain Moendoe named Siding Iava, shot dead with a musket ball, 1 private of Captain Lever, Frans Simons, wounded, 1 private of Chek Mira deserted. On the 11th of January we demanded the surrender of the fort, but the commander answered that he first had to write about it to Calicut to his general, and could not receive an answer in less than four days; the answer was not accepted, and they were granted only 4 hours of reflection time, so that the firing began at 12 o'clock noon; we also made a new battery that night, which was likewise constructed by Europeans and was already manned in the morning at 4 o'clock with one 8-pounder cannon, 1 mortar, 1 howitzer; there was fairly heavy cannonading from both sides. Today in the trench was Ensign Blindou with 60 Europeans and the company of sepoys of Cheg Mera. The artillerymen as before. In the new battery: 1 officer, 1 sergeant, 2 corporals, 24 privates, 28 head of sepoys of Mahomet Chan. Artillerymen: 1 bombardier, 9 assistants. 1 private of Cheg Mira named Siernaevella Bonnowa shot dead. Commander Wohlfarth was in the camp, inspected the batteries, and departed again. On the 12th of January today firing was carried out again at intervals so as not to deplete ourselves of ammunition too much; in the evening at 7 o'clock the fire increased on both sides; also some grenades and light-balls were thrown into the fort, whereby the same caught fire several times, but was extinguished again each time, notwithstanding that I continuously had the cannon fire at the place where it burned, in order, if possible, to keep the fire going; around 8 o'clock some ola houses standing in their palisaded works caught fire; likewise a light-ball fell into the fort into a powder barrel, which caused a lamentable cry to arise among them; also already at midday one of their pieces had been dismounted. Today in the trench was Lieutenant Nagtrab with 60 Europeans, and the company of sepoys of Mahomet Chan. Artillery as before. In the new battery: 28 Orientals including their officers. Artillery, as before. Also this evening 1 officer, 1 sergeant, 2 corporals, and 24 private sepoys with 80 [illegible] were sent across the river to the sandbank to prevent as much as possible the communication between the fort and the relief force, which had approached on the other side near the Moorish temple. Commander Wohlfarth was in the camp. 1 private of Captain Moendoe in the upper battery, wounded by a cannonball, and brought to headquarters. 1 coolie shot dead; also 1 private of Captain Bershij's company named Smerling was wounded and sent to headquarters. Lieutenant Guinot was also reinforced by 1 ensign, 1 sergeant, 2 corporals, and 30 private sepoys. On the 13th of January 2 cannons of 6 lb caliber were brought up and divided between both batteries. The firing continued on both sides; however, in the meantime our batteries were repaired in the best possible manner, and from the new battery a trench was made, close up to the road coming from the churchyard; also, since there was heavy firing with cannons and small arms, the commander sent us a detachment of jaegers and sepoys, commanded by Ensign Lavabre as relief, who departed again early in the morning for their camp. In the trench was Ensign Blindou with 60 Europeans, and the company of Orientals of Captain Moendoe. The artillery as before. In the new battery: 28 head of sepoys, including their officers. Commander Wohlfarth was in the camp, and after having inspected everything, departed again. Also this evening the detachment was sent to the sandbank as yesterday. On the 14th of January today before noon we received a good quantity of ammunition supplies; likewise at 10 o'clock Commander Wohlfarth arrived, and it was deemed proper to attack their covered way, or rather trenches, the next morning at 4 o'clock; today our pieces were also fired more than usual, and with both mortars bombs, light-balls, and fireballs were thrown inside, which however did not have the desired effect; at eight o'clock in the evening Lieutenant Eichler arrived from headquarters with a detachment of jaegers and sepoys, as well as Lieutenant Guinot with the detachment under his command. In the trench was Lieutenant Nagtrab with 60 Europeans, and the company of Seg Mira. Artillerymen, as before. In the new battery: 28 head of sepoys, including their officers. Artillery, as before. 1 private of the company of Captain von Berskij, named David Jacobs, sent to headquarters as a prisoner. 1 private of the company of Captain Lever deserted from the battery this afternoon. On the 15th of January today morning at half past 3 o'clock I called the men under arms, had them issued drams and biscuit [illegible]
Dutch transcription
in een Lienie, die reets in het gepasseerde Chan gemaakt was, en pou Iaar door Parder „seerde van daar een post tot omtrent 200: passen van 't fort, alwaar deese nagt door de Europee„ „sen, teegens betalinge, eene batterij opgeworpen wierd, de welke aanstonds met een 8. ponder„ en 2: drie ponder Cannons, en een Houbits be„ „set wierden. Heeden was in de Transchee tot besetting de luijtenant Nagtrab met 60: Europeesen en de Comp: van Moendoe. van de Arthillerij. Luijtenant Cherret, 1: Canonier, 12: Handlangers. 1: Gemeene van Cap: Moendoe gen=t Siding Iava, met een gew: koegel dood geschooten, 1: Gemeene van Capitain Lever, Frans Simons geblesseert 1: Gemeene van Chek Mira Gedeserteert. Den 11:' Januarij Eijschten wij het foet op, dog de Comman „dant gaf antwoord, dat hij eerst daar over na na, Calicul aan zijn generaal moeste schrijven, en niet eerder als in vier dagen antwoord krijgen konde, de antwoord wierde niet aangenomen; en hun allenig 4: eur be=„ „denk-tijd toegestaan, zo dat het vuur om 12: uur 'smiddags begon, wij maakten, ook die nagt een nieuwe batlerij, welke meede door Europeesen vervaardigt wierd in reets des smorgens om 4: uur, met een 8: ponder Canon, v: Mortier, 1: Houbits beset, wierd van weerskanten reedelijk sterk gecanno„ „neert. Heeden was in de Fransche vaandrig Blindou met 60: Europeesen en de Comp: ki„ „paijs van Cheg Mera De Arthilleristen als vooren Inde Nieuwe Ballerij 1: officier, 1: sergeant 2: Corporaals. 24: Gemeene 28: Koppen sipaijs van Mahomet Chan. Arthilleristen Arthilleristen 1: Bombardier 9: handlanger 1: Gemeene van Cheg Mira gen=t Siernaevella Bonnowa dood geschooten. De Comm:r Wohlfarth in 't Camp geweest, de Balterijen besigtigt en wederom vertrokken. Den 12:' Jann: Heeden wierd weder met zussen posingen gevruunt„ om ons niet te veel van Amonutie te ont„ „blooten, des avonds om 7: uuren nam het vuur, over en weer toe, ook wierden eenige granaten en ligt-ballen in het fort geworpen, waar door het zelve, dieverse maalen in brand geraakten, maar telkens weder Geblust wierden, niet tegenstaande ik althoos, met het Canon op de plaats waar het brande schieten liet, om de brand was het moge„ „lijk aan de gang te houden, omtrent 8. uur raak„ „ten eenige olas huijsen die in hunne gepaliseerde werken stonden in brand, zoo meede viel een ligt ball in het fort, in een kruijt vat, waar door Een lamesetabel geschrij onder hun ontstond, ook was reets des middags, eene van hunne stuk„ „ken gedemonteerd. Heeden was in het Fransche luijtenant Nagtrab Nagtrab met 60 Europeesen, en de Comp: si„ „paijs van Mahomet Chan Arthillerij als vooren In de Nieuwe Balterij 28. oosterlingen Inclusier hun officiers Arthillerij, als vooren. ook wierd heeden avond 1: officier, 1: sergeant„ 2: Corporaals en 24: gemeene sipaijs met 80: chegossere over het Revier gesonden na de Zand plaat om zo veel mogelijkheid de Communi„ „catie tussen het fort en den secours, welke aan de overkant bij de Moorse Tempel gena„ „dert was, te beletten. De Commandant Wohlfarth in 't Camp geweest 1: gemeene van Capitain Moendoe in de bovenste. Balterij, door een Canon koegel geblesseert, en in 't hooft quarlier gebragt. 1: koeli dood Geschooten, meede wierd 1: gem: van Capitain Bers hij Comp:e gen„te Smerling gebles„ „seert, en in het hooft quarlier gesonden. Meede wierd den luijtenant Guinot door 1: vaandrig 1: sergeant 2: Corporaals en 30 gem: sipaijs versterkt. Den 13: Seenuarij wierden 2: Cannons van 6: lb: Caliber aan„ „gebragt „gebragt, en op beijde batterijen verdeelt. Het vuur hielt van weerskanten aan, egter wierden intussen onse Batterijen, op de best mogelijkste wijse Gerepareert, en uijt de nieuwe Batterij een loopgraven gemaakt, tot digte aan den weg die van het kerkhoff komt, ook sond ons de Commandant, vermits sterk met Ca„ „nons en kleen geweer gevuurt wierde, een Com„ „mando Sagers en sipaijs, gecommandeert door den vaandrig Lavabre tot secours, die smorgens vroeg weeder na hun Camp vertrokken. In het Fransche was vaandrig Blindou met 60: Europeesen, en de Comp: oosterlingen van Capitain Moendoe. De Arthillerij als vooren. In de Nieuwe Batterij. 28: koppen Sipaijs, Inclusive hun officiers De Commandant Wohlfarth in 't Camp ge„ „weest, en na alles, besegtigt te hebben, weder vertrokken. ook wierd heeden avond het Commando na de santplaat als gisteren afgesonden. Den Den 14: Ianuarij Heeden voormidag ontvingen wij een goede quan„ „titeijt Ammonitie goederen, zoo meede quam om om 10: uur de Commandant wohlfarth en wierd goedgevonden sanderen morgens om 4: uur hun„ „ne bedekte weg, of veel meer loopgraven, te atta„ „queren ook wierd heeden meer, als na Gewoonte, met onse stukken gevuurt, en met beijde Mortiers Bomben, Ligtballen en vuurkoegels na binnen geworpen, die egter niet van den gewenschten Effect wassen; om agt uur 's avonds Arrivieerde uijt het hoofd quartier den luijt: Eichler met een Comman, „do Iagers, en sipaijs, als meede den luijten=t Guinot met zijn onder hebbent detachement. In het Fransche was luijtenant Nagtrab met 60: Europeesen, en de Comp: van seg Mira Arthilleresten, als vooren. In de Nieuwe Batterij 28. koppen Sipaijs, Inclusier hern officiers Arthillerij, als vooren. 1: Gemeene van de Comp: van Capitain von Berskij, Genaamt David Iacobs, als arrestant na het hoofd quartier gesonden. 1: Gemeene van de Comp: van Capit: Lever, desen mid„ „dag uijt de Batterij gedeserteert. Den 15:' Januarij 's beeden morgen om hale 4: ueur trok ik het volk on„ „der het geweer, lied hun soopjes en bisschuijt verstrekken uan„