VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 10309

Malabar · 876 pages · 139 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_10309_0358 view scan ↗

English

provide, had the guards relieved by the aforementioned Lieutenant Eichler, and marched at the stroke of four o'clock to our Breach Battery, from where Lieutenant Guinot was detached with 36 Europeans, 173 Orientals, and 130 Sepoys to take possession of the covered way and then break through to the left along the fort toward the Gate, in order to force their way inside while pursuing the enemy if it should happen to be open, while in the meantime Lieutenant Slipp, with 36 Europeans, 112 Orientals of Captain Hepping, and 100 Sepoys of Mahomet Chan, moved out from the New Battery to the left down toward the fort to likewise fall into their trenches and then withdraw to the left around the fort, which was executed by them with the utmost exactitude; at the same time, I marched out with the remainder of the Europeans, Lieutenant Nagtrab, and Ensign Blindou to support those sent ahead, all of which succeeded very well at the first moment and promised us a good outcome, but at this moment Ensign Blindou was mortally wounded, and I myself was grazed in my side by a bullet and thrown to the ground, from which I recovered immediately, when report was made to me that Lieutenant Guinot was wounded, whereupon I immediately sent Lieutenant Nagtrab to take over the command, who returned without being able to reach the detachment, as it was very dark, both from a heavy mist and the smoke from the continuous firing. In the meantime, Sergeant van Mandern had taken command upon himself and had penetrated further into the roundel before the Gate, where he made a pitiful slaughter among them, seconded by the Captain of Arms Andre and some Europeans and Javanese, as the greater part of the native troops were so seized with fear that it was impossible for me to drive them forward with thrusts and blows; thus I had to remain stationed with the Europeans under their curtain wall, where I had some storming ladders brought up, if possible to scale the fortress with the help of the native troops; some ladders were also erected by Lieutenant Stefp, and I also had Ensign Schossien set some up, but it was impossible for me to bring up a sufficient quantity of ladders, as I was unable to get the native troops to do so, and I did not consider it advisable to let the Europeans disperse, which could easily have caused confusion. Meanwhile the firing did not cease; indeed, a great multitude of kapok stones, pieces of wood, chevaux-de-frise, axes, firepots, cannonballs, including down to water, were thrown down upon us, whereupon the day broke, when to my regret I discovered that our native troops, who had been under the command of Lieutenant Guinot, were already retreating along the river toward our battery, notwithstanding that Lieutenant Chevret, who came up from the battery with two field pieces in order thereby to prevent fire from their flanks and to support us in their trenches, sought with all force to stop them; whereupon I called Lieutenant Nagtrab and Assistant Adjutant Smith to me, showed them our situation, and at the same time took their advice as to whether we should maintain ourselves in the covered way or rather had to retreat to our battery, but by the latter I would still lose many men and otherwise have gained nothing by it, and thus resolved to retreat slowly back to the battery and have the roll call beaten, of which opinion Lieutenant Nagtrab and Assistant Adjutant Smet also were; I also had Lieutenant Cherret march back into the battery with his two field pieces; Lieutenant Slipp, with 15 Europeans and as many Sepoys and Malays, maintained his position until past 6 o'clock, as he had not been able to hear my roll call; meanwhile, I brought everything back into proper order and had the wounded carried by their comrades to our first line; it was impossible for me to recover the weapons of the dead and wounded from the battlefield, as they remained only 25 to 30 paces beneath the walls of the fort; at half past seven o'clock I left a sufficiently strong garrison under the command of Lieutenant Nagtrab, and had the remainder of the troops march back to the upper line, and, after dressings were applied, had the wounded taken to headquarters. The firing continued steadily throughout this day and the following night, without our receiving any more wounded or dead as a result. In the trench was Captain-Lieutenant van den Busch, in the case of indisposition of the undersigned, as commander; comprising 60 Europeans, and the company of Machomet Chan, and of Captain Kepping. I intentionally left the garrison so strong because I feared a sortie, though it appears that the enemy had no great desire for one. This evening Lieutenant Eichler was relieved with his detachment and departed again for headquarters. Lieutenant Berg relieved at 7 o'clock with the riflemen and a part of the company of Captain Berskij in the trench. This forenoon the Commander Wohlfarth was in the camp, and after having been informed of everything, departed again for headquarters. Sergeant van Mandern and Captain of Arms Andre were, for their demonstrated

Dutch transcription

verstrekken, lied de wagten door voorgenoemden luijtenant Eichler aflossen, en marscheerden op den slag van vier uur na onse Bresch Batterij„ van waar den luijtenant Guinot met 36: Euro„ „peesen, 173 oosterlingen en 130: Lipaijs gedetacheert wierd, om den bedekte weg in possessie te nemen, en vervolgens links, langs het fort na de Poort, door te breken, om, als deselve somwijl mogte oopen zijn, zig, met vervolgen van den vijand, meede bennen dringen, terwijl intusschen den luijtenant slipp met 36: Europeesene, 112: ooster„ „lingen van Cap: Hepping, en 100: sipais van Mahomet Chan uijt de Nieuwe Battrij links her af na het fort trok, om almeede in hunne loopgravens te vallen, en zig vervolgens links af, langs het fort herom te trekken, het welke bij des met uijtterste Exactitude geschiede, te ge„ „lijker lijt rukte ik met den over-rest der Europee„ „sen, luijtenant Nagtrab en vaandrig Blindou„ uijt, om de voor afgesondene te ondersteunen, 't welk alles in het eerste moment zeer wel Reu„ „seerde, en ons een goede uijtslag beloofde, dog op dit moment wierd de vaandrig Blindou doodelijk geblesseert, en ik zelfs, door een koegel in mijn zijde geschramt, en op den grond gewor„ „pen „pen waar van ik mij ten Eersten Recolleerde, wanneer mij Rapport gedaan wierd, dat den luijtenant Guinot geblesseert was, waar op ik aanstonds den luijtenant Nagtrab af„ „zond, om het Commando over tenemen, den„ „welke weer terug quam, zonder dat hij bij het Commando komen konde vermits het zeer dunkel was, zo door een sterke Nevel als den Rook van het geduurige vuuren, ondertussen had den sergeant van Mandern, het Commando over zig genomen, en was verder tot in het rondeel, wat voor de Poort is, door gedrongen, waar hij een erbarmlijke slagting onder hun maakte gese„ „cundeert door den Capitain des arms Andre en Enige Europeesen en Javaanen, vermits het grootste gedeelte der Jnlandse Troupen zodanig door vreese bevangen wierde, dat het mij onmogelijk was, deselve door stooten en slagen voortebrengen, dus moest ik met de Europeesen onder hunne Cordinne geposteert blijven, waar ik eenige storm Ladders aan„ „brengen liet, was het mogelijk met behulp der Jnlandse troupen het fortres Escaladeeren, ook wierden eenige ladders door den luijtenant stefp op gerigt, en ik liet meede door den vaandrig vaandrig sch oesien eenige aansetten, dog het was mij onmogelijk een genoegsame quantiteijt ladders aan te brengen als kunnende de Inlands troupen niet daar toe krijgen, en de Europeesen vond ik niet geraden uijt malkander te laten gaan, waar door ligtelijk Confusie had kunnen ontstaan. Het vuuren hield intusschen niet op, Ia zelfs wierden een groote menigte kapok steenen, stukken hout, spaanse Ruijters, Bijlen„ In„ „chiadossen, Kanon koegels tot het water in„ „cluijs, op ons afgegooijd, waar op den dag aan„ „brak, wanneer ik tot mijn leidwesen ontdekte„ dat zig bereeds onse Jnlandse Troupen, die onder het Commando van den luijt: guinot ge„ „staan hadden, langs de Revier af, na onse Bata „lerij Relireerden niet tegenstaande dat den lijle „nant Chevret /: welke met twee veld stukken uijt de Battrij op quam, om daar door het vuur uijt hunne flanken te beletten, en ons in hun „ne loopgravens te suteneeren:/ hem met alle gewelt sogt tegen te houden, waar op ik den Smith luijtenant Nagtrab en onder adjudant bij mijn riep, en onse omstandigheden aanthoonde, en teffens hun advijs innam, om ons in den be„ dekte „dekte weg te houden, dan wel na onse Batterij te rug trekken moesten, dog door het laatste zoude ik nog veel volk verloo„ „ren, en anders niets daar meede Gewonnen hebben, en dus resolveerde langsaam na de Batterij te rug te trekken, en appel laten slaan, van welk sentiment luijtenant Nagtrab, en onder adjudant smet ook wassen; den luijte„ „nant Cherret liet ik met zijne twee veld stukken, ook weeder in de Batterij rukken, den luijtenant slipp met 15: Europeesen en zoo veel sepaijs en Malleijers, sutineerde zig tot over 6: uur, als hebbende mijn appel niet kunnen hooren, ik bragte intusschen alles weder in behoorige ordre, en liet de Geblesseerdens door haar Com„ „meraten na onse eerste lienie brengen, de wa„ „pens der dooden en geblesseerden was het mij onmogelijk van de Battaille plaats te krijgen, als zijnde maar 25: lb 30: passen onder de muuren van het foet gebleven, om ½ agt uur liet ik eene genoegsame sterke besitting, onder Commando van den luijtenant Nagtrab, en leet de Restant der Troupen, weder na de bovenste lenie rukken, en de geblesseerden, na gedaan verbant na het hooft quartier brengen. Het Het vuurendieurde desen dag en de volgende Nagt steijf door, zonder dat wij egter meer ge„ „blesseerde of dooden daar door kreegen. In 't Fransche was Cap: kuijt:s van den Busch„ bij Indispositie van den ondergetekenden als Commandant; vat 60: Europeesen, en de Comp:e van Machomet Chan; en van Cap:n Kepping. Ih liet de Besetting Expres zo sterk, om dat ik voor een uijtval vreeste, dog het scheijnt dat den vijand geene groote lust daar toe had„ „de. Heeden avond wierd den luijtenant Eichler met zijn Commando afgelost, en vertrok weder na het hooft quartier. Den Luijtenant Berg loste om 7: uur met de Iagers, en een gedeelte van de Comp: van Capet: Bers kij, in de Transche af. Heeden voormiddag is de Command=t wohlfarth in het Camp geweest, en na van alles g'informeert te zijn weder na het hoof„ „quartier vertrokken. Den sergeant van Mandern en den Cap: dles arms Andre wierden om hunne be„ thoonde

NL-HaNA_1.04.02_10309_0363 view scan ↗

English

...to reward the bravery shown, provisionally appointed as Ensigns. Dead 1 Corporal from the Company of Captain Berskij 1 Private 3 ditto 3 ditto 1 ditto ditto ditto ditto Kepping 2 Corporals ditto ditto Mah: Chan 5 Privates ditto ditto ditto Chieg Mira min 19 heads dead Wounded 1 Ensign 1 Corporal from the Company of Captain Bershij 19 Privates 1 Lieutenant ditto ditto Lever 5 Privates 2 Sergeants ditto ditto ditto Moendoe 12 Privates 1 Ensign 12 Privates 1 Corporal 15 Privates 2 Sergeants 12 Privates 85 heads wounded ditto ditto Lever ditto ditto ditto Moendoe ditto ditto ditto Mah Chan ditto ditto Cheg Mira 1 Corporal ditto ditto ditto Kepping On the 16th of January. This morning at 10 o'clock, the Commandant Wohlfarth came to us in the camp, and it was also reported to me that the Commander of the fort showed a white flag and requested to speak with us, which was granted to them, whereupon they requested a truce for 24 hours to bury their dead and send away the wounded, which was granted to them, and thus no shooting took place, and Lieutenant Stipp and Cheeret were sent on a commission to bury our dead and especially to observe the condition of the fort from close by. The next morning at half past 6, the relief force on the opposite side made strong movements to force the crossing, whereupon Captain Lever had them fired upon, which the Commandant of the fortress also did upon Lever, so that our truce was broken again by their treachery. Today a 12-lb cannon was brought up, placed in the New Battery, and a mortar and a howitzer were sent to the headquarters. In the French redoubt was Ensign van Manderi with 60 Europeans and the company of sepoys of Cheg Miza. Artillerymen as before. In the New Battery Lieutenant Steff, with 36 heads, of Captain Kepping. On the sandbar 80 Chegosses and 50 Nairos. On the 17th of January. Today heavy firing back and forth took place again, whereby a matross named Bleck was miserably wounded by the discharge of one of our 6-pounder pieces, and was sent along with 1 private named Iaris to the headquarters. Today I also received orders that necessity required that we retreat, and thus I had to consider salvaging everything possible, and destroying and ruining whatever was untransportable. In the afternoon around one o'clock, a troop of about 30 to 60 cavalrymen came over the sandbar, followed by a company of sepoys, intending to advance southward and cross the river there and fall upon our flank, whereupon I immediately sent Lieutenant Stefp with the company of Captain Moendoe to the mouth of the river to prevent their crossing, whom I nevertheless later had called back, since our Chegosses and Nairos, whom I had posted on the other side, drove them back again, leaving behind several dead, both men and horses. I took advantage of this opportunity to bring up our field pieces that stood in the battery, without the enemy being able to notice our design thereby. In the evening at half past eight, after the relief of the guards both in the French redoubt and elsewhere, I gave orders to Lieutenant Chevret to prepare everything for the departure march; the remaining ammunition field carts I was obliged to ruin and throw into the water; a mortar and a howitzer were buried there by Lieutenant Cheeret in remote places, the gun carriages etc. etc. ruined to the best of our ability and subsequently transported into the water, which the small arrack casks also had to undergo. Gun covers, 6 cartridge boxes, and some muskets, furthermore small items which I packed into hammocks with 40 coolies whom Your Noble Gallantry sent us the evening before, and sent off as well; however, these also strayed from the road in the morning around one o'clock, when I arrived at Your Noble Gallantry, and thus were lost. One cannon of 12-lb caliber Two cannon of 8-lb caliber Two cannon of 6-lb caliber being entirely untransportable, I had spiked by Lieutenant Cheveet and partly by Lieutenant Stifp, and destroyed in the best possible manner. How the rest was ruined, I shall pass over in silence, since Your Noble Gallantry has seen it yourself, and thus I end my daily report, and have the honor to assure Your Noble Gallantry that I shall never cease to be, with true high esteem. /below stood/ Right Noble Gallant Sir, Your Noble Gallantry's humble servant Examined signed / Von Drieberg /in the margin/ In the Camp before Changanoor, the 28th of January Anno 1778. /lower/ P.S. I forgot to mention above, under the 14th, that I summoned the Commandant of the fort today for the last time, who replied that he could not surrender the place, and was obliged to serve his master with as much fidelity as we serve ours. Schemering J Jannichen EClercq Agrees

Dutch transcription

„thoonde Bravoer te beloonen provisioneel tot vaandrigs aangesteld. Dooden 1: Corporaal van de Comp: van Cap: Berskij 1: Gemeene 3 _o 3. _=o 1: _=o _o _:o _=o Kepping 2: Corporaals _o _=o Mah: Chan 5: gemeenen _=o _=o _o Chieg Mira min 19: koppen dooden Geblesseerde 1: vaandrig 1: Corporaal van de Comp: van Cap: Bershij 19 gemeene 1: Luijtenant2 _=o _=o Lever 5: gemeene- 2: sergeants 2 _=o _=o _=o Moendoe 12: gemeenen 1:' vaandrig 12: Gemeenen 1 Corporaal 2 15: gemeenen 2: sergeants 12: gemeenen 85: koppen geblesseert _=o _=o Lever _o _=o _o Moendoe _o _o _:o Mah Chan _=o _=o Cheg Mira 1: Corporaal } _=o _=o _=o Kepping Denn _o _„o _=o - _=o Den 16: Ianuarij Heeden morgen om 10: uur, quam den Com„ „mandant Wohlfarth bij ons in 't Camp, en wierd mij ook Rapport gedaan, dat de Command=r van 't fort, een wet vaandel verthoonde, en ons versogt te spreeken, het welke hun g'accordeert wierd, wanneer zij versogten, om een wapen stel„ „stand voor 24: uuren, om hunne dooden te begre ven en geblesseerde weg te zenden, het welke hun g'accordeert wierd, en dus wierd niet geschooten, en de luijtenant stipp en Cheeret wierden in Commissie gesonden, onse doode te begraven, en voornamentlijk de gesteld„ „heid van 't fort van digte bij te observee„ „ren, sanderen morgens, om half 7: ever maakte den secours aan de overkant sterke beweging, om de overtogt te forceeren, waar op den Capitain Lever hen schieten liet, het welk den Commandant van 't fortres op Lever meede deet, zo dat onse stelsland, door hunne Trouwloosheid weder gebroken was. Heeden wierd Een 12: lb: Canon aangebragt, in de Nieuwe Batterij geplaats, en een Mortier en een Houbils na het hooft quarlier afge„ „sonden. In het Fransche was vaandrig van Man„ dezes „deri met 60: Europeesen en de Comp: Sipaijs van Cheg Miza. Arthilleristen als vooren. In de Nieuwe Balterij Luijtenant Steff, met 36: koppen, van Capitain Kepping Op de sand Plaat 80: Chegossen en 50: Naerossen. Den 17: Ianuarij Heeden wierd wieder sterk over en weer ge„ „schoten, waar door een Handlanger gen=t Bleck, door het afgaan van een van onse 6 ponder stukken velendig geblesseert, en neffens 1: gemeene gen=t Iaris na het hooft quartier gesonden wierd; Heden ontfing ik meede ordre, dat de Noodsake„ „lijkheid vereijschte, dat wij Retiereerden, en dus meeste ik bedagt zijn, al het mogelijk te bergen, en het geene wat Jntransportabel was, vernietigen en verderv en. smiddags omtrent een uur, quam een Troep, van omtrent 30: a 60: Cavalaristen, gevolgt door een Comp: sipais over de sand„ „plaat, met gedagten Zuijdwaarts optetrek„ „ken en aldaar de Revier over te passeeren en en ons in de Flank te vallen, waar op ik aanstonds den luijtenant stefp, met de Comp: van Capetain Moeirdoe, na de Mond van het revier sond, om hun den overtogt te beletten dewelke ik egter naderhand weeder te rug roepen liet, vermits ons chegos„ „sen, en Nairossen, die ik aan de overkant geposteert hadde, huen weeder agter uijt dreeven met agter lating van diverse dooden, zo menschen als paarden, van dese gelegent„ „heid proviteerde ik, om onse veld stukkens, die in de Batterij stonden, na boven te haa„ „len, zonder dat den vijand onse desseijn daar door konde beuerken 's avonds om hale agt uur, na het aflossen der wagten„ zo in het Fransche, als anders, gaf ik order, aan den luijtenant Chevret, om alles tot den afmarsch in gereedheid te brengen; de overige ammunetie veldkarren, was ik verpligt te ruineeren, en in het water te werpen; Een Mortier en een Hou„ „bits zijn aldaar door den luijtenant Cheeret, op afgelegene plaatsen, vergra„ ven, de affuijten k=ra &=a, na alle mogen „lijkheid „lijkheid geruineerd, en vervolgens in het waa„ „ter getransporteert, het welke de arraks vaatjes meede moeten hebben ondergaan, geweer mantels, 6: Pattroon kestjes, en eenige geweeren aan fijn, meer kleenigheeden die ik met 40: Coelis dewelke dewelke uw Edele Manhaften wij savonds tevoren gesonden heeft, hebbe ik in hangmatten gepakt en meede afgesonden, dog dese zijn meede smor„ „gens om een uur, doen ik bij uwe Edele Manhaften gekomen ben, van den weg afgedwaalt, en dues verlooren geraakt, Een Canon van 12: lb: Caliber Twee Canon „ 8. „ _=o Twee Canon „ 6 „ _=o ten eenemaal Jntrans„ „portabel zeijnde, heb ik door den luijtenant Cheveet en deels door den Luitenant stifp, vernagelen en op de aller mogelijkste wij„ „se verderven laaten. Hoe het soet anders gedelaboreert was, zal ik met stilswijging overgaan, verniets uw Ed: Manhaften het zelfs gesien heeft, en dus Eijndige ik mijn Dag verhaal, en hebbe de Eere uw Edele Manhaften te versekeren dat ik nooijt op houden zal, met waare hoog agting te zijn. /onderstond/ wel Edele Manhaften Heer, uwel Edele Manhaften ootmoedige Dienaar (was Mond gt s kant l haa„ ijn leij ten, ren, 3 Hou„ gen 1 „ dreeven Nagezien getekend / Von Diceberg /inmargine / In het Camp: voor Changanoor Den 28. Ianuarij A„o 1778. /lager/ P: S: Ik hebbe hier voor, onder den 14:, vergeten aantehaalen, dat ik den Commandant van t fort heeden voor 't laaste maal op Eijschte, die tot antwoord gaf, dat hij de plaats niet overgeven konde, En ver„ „pligt was, zijnen meester met zo veel getrouwigheid, als wij de onse, te dienen. Schemering J Jannichen EClercq Accordeert da

NL-HaNA_1.04.02_10309_0371 view scan ↗

English

Secret Resolution The Governor reminded the members of the Council that thus far no reply has been received to the letters sent to the Nabab. Friday, 2 January Anno 1778, in the forenoon at eight o'clock. Present: The Right Honorable Ordinary Councillor of the Netherlands Indies, as well as Governor and Director, Adriaan Moens The Honorable Senior Merchant, Second, and Chief Administrator, Reinier van Harn The Honorable Merchant, Fiscal, and Cashier, Samuel Constantin Saffin The Honorable Junior Merchant and Warehouse Master, Jan Lambertus van Spall The Honorable Junior Merchant and Secretary of Police, Abraham Rudolff Schutz The Honorable Junior Merchant and Pay Bookkeeper, Coenraad George Seyffer The Honorable Shopkeeper and Purveyor, Abraham Jean Scipion Vernede Absent: The Honorable Johan Adam Cellarius, being on a commission in Porca. Taken in the Council of Malabar in the city of Cochin. General matters having been transacted, the Governor reminded the members how we have until now looked out and waited in vain for an answer from the Nabab Haider Alijchan, both to the dispatch from Their High Excellencies the High Indian Government, along with the present sent to him on 5 March of the past year, and to the letter written to the said Nabab by the Governor on that occasion; whereby the inclination of the Company was made known to him to remove the hostilities committed by him, the Nabab, through an amicable settlement, to which end the Nabab was also requested to send two persons, or otherwise that two persons from here would be sent to him, the Nabab, in order to negotiate. That from the failure to answer the dispatch of Their High Excellencies and that of the Governor, it can sufficiently be deduced that the Nabab has little regard for the Company and is also not inclined to live in friendship with the Company; but that he has thus far undertaken nothing further by force must solely be attributed to this: namely, that being at war with the Marattas in the upper lands, his forces are presently required there and he has only a few troops in these lower lands. That it is therefore not to be thought that we shall obtain a favorable answer from him once he has finished his business with the Marattas, until which time he seems at least to wish to delay, if indeed he is still inclined to send any answer at all, in order then to support his haughty words with power and force. That consequently, there being no prospect whatsoever of entering into negotiations and reaching a settlement with the Nabab, it gives cause for reflection whether, at this time when the lands and strongholds taken from the Company are only weakly garrisoned and there is but a slight force of the Nabab in these Malabar lands, one should remain sitting by so quietly, or whether one ought not to attempt to recover what has been lost. That the shortage of coolies has now been partly remedied through the use of draft and pack animals. That the expelled petty princes from the district between Cranganoor and Chettua are now also inclined to do something to assist as far as they are able, in order to regain possession of their lands, and most of the inhabitants are eagerly awaiting us. That Their High Excellencies, by letter of 25 June of the past year, were indeed pleased to order us to act defensively, but that this does not imply that one must remain entirely inactive and leave the enemy in peaceful possession of our belongings without being able to gain any opportunity to arrive at a settlement; that moreover, the High Government, at the time of writing the aforementioned letter, could not have known how the circumstances of affairs have since changed and developed; that it cannot be considered outside the defensive when one remains on one's own territory and seeks to recover that which belongs to us by right and was taken by force. The Governor requested the opinion of the members on this matter, submitting a brief strength report of the present military force. Whereupon it was earnestly deliberated and taken into consideration: That in taking measures, one must always distinguish between the circumstances of one time and those of another. That as long as the force of the Nabab on this side was still considerable, one had indeed to sit and watch with folded arms as he took from us and kept whatever he desired. That this reason for forbearance and inactivity now ceases, on the grounds that his force on this side is so small that we have nothing to fear from it with the force we now have at hand. That at present, without stripping the city too much of troops, one can bring into the field: 3 Companies of Europeans 3 Companies of Easterners 3 Companies of Sepoys 70 Artillerymen besides a party of native Christian Chegossens and Cochin Moors. That the difficulties and inconveniences experienced last year regarding the item of coolies have now been partly resolved through the use of pack and draft animals. That, furthermore, the expelled petty princes, such as the little king of Cranganoor, Prince Cartamane, and the Payencherij Nairs, now also offer to have some of their Nairs march along, as many as they can gather together. That

Dutch transcription

Secreete Resolutie De heer gouverneur herinnerde de leeden op de brieven aan den Nabab gesonden erlangt heeft. Vrijdag Den 2:e Januarij A:o 1778: 's voormiddags ten acht uuren Present De Wel Edele Groot Achtbaren Heer Raad ordinair van Nederlands India, Mitsgaders Gouverneur en Directeur Adriaan Moens Den E: Heer opperk:s secunde en Hoofdadministrateur Reinier van Harn D' E: koopman fiscaal en kassier Samuel Constantin Saffin „ E: ondercoopman en Pakhuismeester Jan Lambertus van Spall„ 1. E: ondercoopman en secretaris van Politie Abraham Rudolff schutz „ E: d„o en zoldij Boekhouder Coenraad George Seijffer „ E: „ Winkelier en dispencier Abraham Jean Scipion Vernede Absent „ E: „ Johan Adam ƒ Cellarius als zijnde in Commissie ia Porca S De gemeene zaaken afgehandelt zijnde dat men tot dus lange geen antwoord herinnerde de heer Gouverneur de Leeden, hoe dat men dus lange te vergeefs uijtgesien en Genoomen in raade van Malla„ „baar ter steede Cochim gewagt „ daar bij is hem te kennen gegeven de genegentheid van de Comp: om tot een vergelijk tekomen het slijnt dat de Nababiverinig agting voor de Comp: heeft gewagt heeft na een antwoord van den Nabab Haider Alijchan zoo op de missive van Haar Hoog Edelheedens de hooge Jndiase regeringe benevens het Present reets den 5e: Maart A:o pass:o aan denselven gesonden, als op de brief van hem Gouverneur te dier gelegent„ „heijd aan hem Nabab geschreeven, en waar bij aan denselven is tekennen gege„ ven, de genegontheijd van de Comp: om de gepleegde vijandelijkheeden door hem Na„ „bab weg te neemen, door een vriendelijk vergelijk, ten welken eijnde hij Nabab ook versogt is om twee persoonen te zenden dan wel dat men twee persoonen van hier bij hem Nabab, zoude zenden om te handelen. Hoe uijt het niet b'antwoorden van Haar Hoog Edelheedens missive en die van de gouverneur ge„ noegsaam afte leijden is, dat hij Nabob wijnig agtinge heeft voor d' Comp: en ook niet genegen is, met de Comp: in vriend„ be schap ƒ en 't is niet te denken dat men een gunstig antwoord van hem zal erlangen. en apparentis krijgen om tot een onderhandeling tekoomen. bedenkinge daar over. „schap te leeven, maar dat hij tot dus lange niets verders geweldigs heeft onder„ „noomen, alleen hier aan toe geschreeven moet werden, namentlijk: dat hij in de booven landen met de Marattas in oorlog zijnde, zijn magt daar thans benoo„ „digt en maar weijnige troupes in deese beneden landen heeft Hoe het dus niet te denken is, dat wij een gunstig antwoord van hem zullen erlangen als hij zijne zaken afgedaan heeft met de Marattas, hoe lange hij 't ten minsten scheijnt te willen uijt „stellen, zoo hij anders nog genegen is om eenige antwoord tesenden, om dan teffens zijne trotse Taal met magt en geweld te ondersteunen. Hoe er derhalven gants geen appa„ „rentie zijnde om met den Nabab in onderhandelinge en tot een vergelijk te koomen, het zijn bedenken heeft, of men in deesen tijd, dat de van de Comp: ontnoomen Landen en sterkte maarswak bezet & Reisonnement over de tegenwoor„ dige tijds omstandigheeden. bezet en maar een geringe magt van de Nabab in deese mallabaarse Landen is, zoo stil behoorde te blijven zitten, dan wel of men niet diende te beproeven, om het ver„ „looren te herwinnen. Hoe men thans het gebrek van Coelies voor een gedeelte gevonden heeft, door het gebruik van trek en daagbeesten: Hoe de verdreeven vorstjes uijtt district tusschen Cranganoor en Chettua thans ook genegen zijn, om zoo veel ze kunnen meede iets te doen, ten eijnde weder in bezit van hunne Landen te komen en de meeste ingezetenen met smerte op ons wagten. Hoe Haar Hoog Edelheedens bij brief van den 25: Junij A:o pass„o wel hebben gelie„ „ven te ordonneeren, om deffensiev te agee„ „ren, dog dat dit niet insluijt, dat men ten eenemaal werkeloos moet blijven, en den vijand in het gerust bezit laaten van onse bezittingen, zonder nog eenige gelegentheijd te kunnen verwerven, om tot een vergelijk te koomen; dat booven dien de De gouverneur versoekt dat advis van de lieden Deliberatie en aanmerkinge daar over. de hooge Regeringe bij het schrijven van voorsz: brief niet hebben kunnen weeten, hoe de om„ „standigheeden van zaaken 't zeedert veran„ „dert en gesteld zijn geworden, dat ook niet onder het deffensive kan worden gerekent als men op zijn eijgen grond blijft en tracht te herneemen het geen ons na regten behoord en door geweld ontnomen is. Versoekende de gouverneur hier op de leeden hun advis, onder overlegging van een korte sterkte van de Presente militaire magt. waar over dan ernstig gedelibereerd en in aanmerkinge genoomen wierd: Dat men in 't neemen van maatregulen altoos onderscheijd moet maaken, tusschen, de omstandigheeden van den eenen en van den anderen tijd. Dat zoo lange de magt van den Nabab aan deese kant nog aanmerkelijk is geweest, men wel heeft moeten als met gekruijste armen zitten aanzien, dat hij maar van ons afnam en behield het geen hij begeerde. Dat die reeden van verdraagsaamheijd werkeloos„ vervolg werkeloosheijd nu ophoud, uijt hoofde zijne magt aan deese kant zoo gering is dat wij deselve met onse aan handen hebbende magt nu niet te vreesen hebben. Dat men thans zonder de stad te veel te ontblooten, te velde kan brengen lee 3: Comp: Europeesen 3. . „ Oosterlingen 3. „ Sipais 70: Arthilleristen behalven nog een parthij inlandse Christen Chegossen en Cochimse mooren. Dat de moeijelijkheeden en inconvenienten die men velleede Jaar omtrend het articul van Coelies had, tans voor een gedeelte gevon„ „den is, door het gebruik van draag en trek beesten. Dat booven dien de verdreevene vorst Jes als het koningje van Cranganoor, prins Cartamane en de Paijencherij Naijros zig nu ook aanbieden om eenige hunner Nairossen, zoo veel ze bij elkan„ „der kunnen krijgen, meede te laaten op„ „trecken. Dat

NL-HaNA_1.04.02_10309_0377 view scan ↗

English

continuation. That even the inhabitants of the countryside, groaning under the harsh treatment of the Nabab's ministers from Chettua up to Cranganoor, yearn for their deliverance and will immediately join us, with the exception of the Moors who live there and currently occupy themselves in the country with stealing and robbing, simply taking away whatever they can get: That it is only too likely that the Nabab will send no answer to the aforementioned letters nor give opportunity for any compromise, but on the contrary will continue hostilities if his circumstances should permit it. That possibly the enemy, seeing that he cannot remain in peaceful possession of what has been taken, and that an attempt is being made to avenge the insult committed, will arrive at a negotiation and settlement sooner than otherwise, and that there even seems to remain no other means to bring him around than to show him that the Company in any continuation decision to attempt to recover what has been taken case does not stand in such awe of him as he imagines. That a better opportunity can never present itself than now to recapture what has been taken, at least to make an attempt at it, and that we could never justify having let that opportunity pass by, now that the Company has had to bear so many war expenses for some time. That if one tries to recapture that which has been taken from us unjustifiably with violence, and for that purpose does not enter upon another's soil but remains on one's own, one does not offend or commit an outrage, but remains within the bounds of the defensive; and finally: That in case of an unexpected failure we will in any event only be what we are now, that is in our former state, namely: to defend Cranganoor and Aijcotta. Thus, for all these reasons and motives to the greatest service of the Company, it was unanimously approved and agreed Captain Wohlfarth appointed as Commander of the Expedition. to attempt at this favorable juncture whether one could not recapture that which was taken from the Company, namely the region from Cranganoor to Chettua with that fortress, for which Expedition it was also agreed to appoint as Commander the senior of the detached Captains present here, Christiaan Constantin Wohlfarth; while the governor undertook to draw up a draft instruction for him. Thus Done, Resolved, and Decreed in the Council of Mallabaar in the city of Cochim on the day, month, and Year aforementioned. Signed: A: Moens, R: van Aarn, S: C: Saffin, J: L: van Spall, A: R: Schutz, C: G: Seijffer and A: J: S: Vernede. Thursday the 8th of January 1778. in the morning at 10 o'clock all Present as well as the junior merchant Willem Van Haeften After the ordinary business was concluded, the Governor presented the instruction for Commander Wohlfart. Insertion thereof. the Governor gave the meeting the reading of a draft instruction, in accordance with a prior secret resolution of the 2nd of this month, for the Captain and Commander of the Expedition Christiaan Constantin Wohlfarth, to govern himself accordingly during the march to Chettua, the same being of the following content: Instruction for the Honorable Valiant Military Captain Christiaan Constantin Wohlfarth, holding the General Command over the Troops in the Expedition to Chettua, to govern himself accordingly during the advance and the recapture of the aforementioned fortress; The Nabab Haider Alij Chan having in the year 1776, in the month of October, hostilely attacked the Company's possessions to the north by making an unexpected invasion with his troops into the territory from Chettua to Cranganoor, this violence could not then be opposed; Chettua was kept blockaded by him, the territory of Paponettij captured, and everything looted, both Company's and private property found there; an attack was made on Cranganoor, but that failing, Chettua was invested more closely, the detachment sent by us for relief was defeated, and the fortress of Chettua surrendered, and everything that was inside it, as well as the remainder of the detachment, was carried off into captivity; since that time until now the Nabab's forces have exercised dominion over the territory from Chettua to Cranganoor and occupied Chettua. The Nabab has not deigned up to now to answer, neither the letter that arrived for him from Batavia nor the one written to him lastly, or rather on the 5th of March last, by me; but since the chief shortage of Coolies has been partly met by the use of pack and draught oxen, and the opportunity presents itself favorably from all sides to recover from the enemy that which he has taken from us so unjustly and in such a treacherous manner, we have deemed it necessary to make use of that opportunity, and have thus thought fit to restore ourselves into possession of what was lost, and at the same time to avenge the insult done to the Company. We therefore assign this Commission to Your Honor, and in order to carry this out, there is placed under Your Honor's Command a Corps of troops of about 1300, namely: 3 Companies of Europeans, 3 ditto Malays, and 3 ditto Sepoys, besides some indigenous warriors, from whom indeed one cannot expect the very same service as from the above-mentioned, but who nevertheless serve to increase the numbers according to the custom of the country, and are in any case suitable to be employed in case of necessity, to pull on the rope, as the saying goes,

Dutch transcription

vervolg. Dat zelfs de ingesetene ten platten lande, sugtende onder de swaare behandelin„ „ge van 's Nababs ministers van Chettua tot Cranganoor toe, na hunne verlossinge verlan„ „gen en ons aanstonds bijvallen zullen, uijt„ „gesondert de mooren, die daar woonen en zig tans met steelen en rooven in 't land ophouden, en maar weg neemen wat ze krijgen kunnen: Dat het maar al te waarschijnelijk is, dat de Nabab geen antwoord op de voorseg„ „de brieven zenden nog gelegentheijd tot eenig vergelijk geven, maar ter Contrarie de vijande„ „lijkheeden Continueeren zal, als zijne om„ „standigheeden het mogten toelaaten. Dat mogelijk de vijand ziende, dat hij het genoomene zoo gerust niet kan blijven be„ „zitten, en dat men den aangedaanen hoon tracht te wreeken, eerder zal koomen tot een onderhandeling en vergelijk als anders, en dat er zelfs geen ander middel scheijnt over te blijven om hem te doen bijkomen, dan hem te doen zien, dat de Comp: in allen gevalle vervolg besluit om te beproeven het ontnomene teherwinnen gevalle hem zoo zeer niet ontziet, als hij zig in „beeld. Dat er nimmer eene beeter gelegentheijd „kan voorkomen als thans om het ontnomene te herneemen, ten minsten zulx eens te beproe„ „ven, en dat we het nimmer zoude kunnen verantwoorden, nu de Comp: voor eenigen tijd llb zoo veel oorlogs ongelden moet dragen, die gelegentheijd te hebben laaten voorbij gaan. Dat als men tragt te herneemen het geen ons, met geweld, onregtvaardig ontnomen is, en men daar toe, niet op een anders grond„ komt maar op zijn eijge blijft, men: niet opfendeerd of beleedigt, maar in de termen van het defensive blijft en eijndelijk: Dat wij in Cas van onverhoopte mis„ „lukking in allen gevalle dan weder maar zullen zijn, die we nu zijn, dat is in onse voorige staat, namentlijk: om Cranganoor en Aijcotta te defendeeren. zoo is, om alle deese redenen en motiven ten meesten dienste van de Comp:e unanimiter goed gevonden en verstaan, in tot Command=t der Expeditie Cap=n Wolhfart benoemd. in dit gunstig tijd stip te beproeven, of men niet zoude kunnen herneemen, het gien de Comp: ontnomen is, namentlijk de Landstreek van Cranganoor tot Chettua met die fortresse, en tot welke Expeditie teffens verstaan wierd als Commandant te benoemen den oudsten van de hier zijnde gedetacheerde Capitains Christiaan Constantin Wohlfarth; tewijl de gouverneur aannam een instructie voor denselven in Concept te brengen. Aldus Gedaan, Geresolveert, en Gar„ „resteerd in raade van Mallabaar ter steede Cochim ten dage, maand en Jaare voormeld /was Get:/ A: Moens, R: van Aarn S: C: Saffin, J: L: van Spall, A: R: schutz C: G: Seijffer en A: J: S: Vernede. Donderdag den 8: Januarij 1778. 's voormiddags de 10: uuren alle Present zoo meede den ondercoopman Willem Van Haeften Na dat de gemeene besoigne afgelopen was 8 de heer Gouverneur heeft deleeden „tie voor den Command=r wohlfart Insertie daar van. was gaf den heer Gouverneur de vergadering Lectura van een Concept Justiu Lectura van een ingevolge anterieur secreet besluijt van den 2: deeser, Concept Jnstructie voor den Capitain en Commandant der Expe„ „ditie Christiaan Constantin Wohlfarth, om zig in den optogt na Chettua daar na te reguleren, zijnde deselve van den ondervolgen„ den inhoud: Instructie voor den E: Manhaften Capitain Militair Christiaan Constantin Wohd„ „farth, het Generaal Comman„ do voerende over de Troupes in de Expeditie na Chettua, om zig daar na te reguleeren in den opmarsch, en het herneemen van gem: fortresse; De Nabab Haider Alij Chan anno 1776: in de maand october 'sComp:s bezittin„ „gen om de noord vijandelijk hebben aangetast, door een onverwagten inval met zijne trouper, te doen op de Landstreek van Chettua tot tot Cranganoor, heeft min als toen dit geweld niet kunnen tegen gaan, Chettua wierd door hem geblocqueert gehouden, het Paponettijse vermeestert en alles geroofd zoo sComp„s als particuliere goederen daar te vinden; op Cranganoor wierd een attacque gedaan, dog die nuslukkende wierd Chettua nauwer in, „geslooten, het Commando door ons tot ontzet 8: gesonden wierd geslaagen en de fortresse Chettua ging over, en alles wat er in was, als ook het overschot van het Commando wierd gevangelijk weg gevoert; zedert dien tot nu toe hebben de Nababse het„ meesterschap op de Landstreek van Chettua tot Cranganoor g'exerceert, en Chettua bezeeten. De Nabab verwaardigt zig tot nog toe niet om te antwoorden, zoo min op de briev die van Batavia voor hem gekoo„ „men, als die laast of eijgentlijk den 5: Maart Jleeden door mij dan hem geschreeven is; dan dewijl het hoofd gebrek van Coelies voor een gedeelte gevonden is door 't gebruik van draag en trek ossen, en de gelegentheijd zig van van van alle kanten favorabel opdoet, om den vijand te herneemen het geen ons zoo onregtvaardig en op een verradelijke wijse afgenoomen heeft zoo hebben wij noodig g'oordeelt ons van die gelegentheijd te bedienen, en dus goedgevonden om ons in 't bezit van het verloorene te herstellen, en teffens te wreeken den hoon die de Comp: aangedaan is. Deese Commissie draagen wij dan aan VE: op, en om dit uijt te voeren; word onder VE: Commando gesteld een Corps troupen van omtrend 1300: teweeten 3: Compagnie Europeesen 3. d=o maleijers en 3: „ Sipahis behalven nog wat inlandse krijgers waar van men wel Juijst dien dienst niet als van de bovenstaande, tewagten heeft, dog die egter dienen om na 's lands wijse den hoop te vergrooten, en in al„ „len gevalle tog goed zijn om in Cas van noodzakelijkheijd gebruik teworden, om gelijk men zegt aan het touwtje te

NL-HaNA_1.04.02_10309_0383 view scan ↗

English

to help march, while further 70 artillerymen and 11 pieces of cannon are assigned to Your Honour for the Expedition, namely: 2 metal 8-pounder pieces, ditto 3 6-pounder, 6 [ditto], as well as 2 howitzers of 4 to 5 inches and 1 mortar of 6 inches, with their corresponding ammunition and whatever else pertains to a field campaign according to the statement provided by Your Honour. We cannot give Your Honour special orders in all respects, and we rely, concerning the details of this Expedition, upon Your Honour's known bravery, conduct, and prudence, and that Your Honour will act in such a manner as Your Honour can justify. However, we order Your Honour to depart from here towards the 4th of this month for the Company's camp before Cranganore, and as soon as Your Honour shall have placed everything in the necessary order and is in a position to begin the Expedition, then to break camp in such good order as is proper and as the security of an army requires, so that all confusion may be prevented. First, Your Honour must master the Palace of the King of Cranganore; this having been done, advance to Saponetty, gain mastery over it, break camp from there again and, being further on the march, send off a special strong detachment under the command of Captain Driebirgna to Chettua, with special instructions for the Commander of this detachment (which detachment Your Honour must follow with Your Honour's Corps so closely that there is only half an hour or a little more between the two) that, upon approaching the fortress at a reasonable distance, he must primarily summon it to surrender in the name and on behalf of the Noble Company; meanwhile, however, make all dispositions and divide his subordinate detachment in such a manner that it can immediately occupy the necessary and most advantageous posts: that in case of a refusal, he must immediately take possession of the inlet and a certain height by the river, and place the entire detachment in general, with the artillery, in such a manner that they are little or not at all exposed to the enemy's fire, but that, on the contrary, the fortress is enclosed, and our artillery fire can have the best effect, which artillery fire must begin as soon as is ever possible. If the enemy Commander at Chettua wishes to capitulate immediately after the summons, a free retreat across the river may be granted to him and his men, retaining his and their own baggage, provided they first lay down their arms; but if the Commander allows the bombardment to precede and only then wishes to capitulate, then everyone must surrender as prisoners, though to everyone their baggage of clothing or money shall also be left; but if the Commander awaits the storming, then no one shall receive quarter except those who throw down their weapons and surrender as prisoners, and then plundering must still be forbidden under penalty of death and our men must be very clearly and specially warned thereof, as I would rather give a separate gratuity to those who carry out the storming. After the capture, the fort must be properly garrisoned and whatever may be of value must be well secured; further, the fort must be put into a state of defense in the best possible manner and we must be informed of what may be lacking for that purpose, in order to provide it from here thither. And since the general Command is entrusted to Your Honour, it is also especially Your Honour's concern to place everything in good order, also to keep an eye on everything and from time to time not only have everything reported to you, but even to oversee it personally and order what is necessary; above all, Your Honour must cover the siege with your Corps and encamp and entrench at Poelicarra, the ordinary crossing of the river situated not far from Chettua, or if there is an abandoned fortification there, repair the same, according to what possibility and the circumstances of time allow, in order to prevent passage over the river, which fortification will also have to remain garrisoned after the capture of Chettua, the necessity of which will be sufficiently apparent to Your Honour, and we shall await Your Honour's opinion. Furthermore, communication must be kept open between the detachment before Chettua and Your Honour's army and from Poelicarro to Cranganore, and I expect the necessary reports from time to time. Finally, after the Expedition is completed, I expect a general report of all Your Honour's actions, wherein I wish Your Honour good success, and remain meanwhile (below stood) Your Honour's Good friend (was signed) A. Moens (in the margin: Cochin the 2nd of January 1778). Finally, His Honour also made known that he intends to depart for the north immediately and this very day, in order to be nearer at hand to be able to give such orders as the occurring circumstances might occasionally require, so as not to cause the expedition to drag on for a single moment through the asking for and waiting for orders, but to let it proceed with all the more speed, and that during his absence the ordinary management of whatever further might happen to occur in the administration shall, as before, be attended to by the Honourable Second, Reinier van Harn, of which it is understood this note is to be kept. Thus done, resolved, and decreed in the Council of Malabar in the city of Cochin on the day, month, and year aforesaid (was signed) A. Moens, R. van Harn, J. C. Saffin, J. L. van Spall, A. R. Schult, C. G. Ceijpper, A. J. S. Vernede, J. A. Cellarius, and W. V. Haeften. Agrees, A. Dannichen, First Secretary.

Dutch transcription

te helpen trecken, terwijl voorts nog tot de Expeditie VE: toegevoegd worden 70: koppen arthilleristen en 11: stukken Canon, als: 2: p„s metaale van 8: lb: d„o 3: „ 6: –„ 6. „ „ benevens nog 2: hanbitsers van 4: â 5: d=m en 1. Mortier van 6: d=m, en daar toebehoorende ammunitie en wat verder tot een veldtogt, volgens VE: gedaane opgave behoort. Wij kunnen VE: wel geene speciaale ordre in allen opzigten geven, en betrouwen, wat deese Expeditie in detaille aangaat, op VE: bekende Bravoure, beleijden voorzigtigheijd, en dat VE: zodanig zal handelen, als VE: verantwoorden kan. Egter gelasten wij VE: teegens den 4: deeser van hier na 't Comp: voor Cranganoor te vertrecken, en zoo dra VE: op alles de noodige ordre zal gesteld hebben en in staat is om de ^ als dan maar op te breeken in zodanige Expeditie te beginnen ^ goede ordre, als 't be„ „hoord en de zeekerheijd van een Leeger ver„ „ 3: „ „eijscht eijscht op dat alle Confusie voorgekoomen worde voor eerst moet VE: het Paleijs van den koning van Cranganoor vermeesteren, dit gedaan zijnde tot Saponettij voort trecken„ zig daar van meester maaken, van daar we„ „der opbreeken en verder in marsch zijnde, een bijsonder steek detachiment, onder Commando van den Capitain Driebirgna Chettua afzenden, met speciaale Jnstructie voor den Commandant van dit detachement /:het geen VE: met VE: Corps zoo na moet volgen, dat en maar een half uur of wat meer tusschen beijden is:/ dat hij voornamentlijk de fortresse op nog een tamelijke afstand geno„ „dert zijnde, uijt naamen en van weegens de Edele maatschappije moet laaten opeijsschen; ondertusschen egter alle dispositie maken en zijn onderhebbend detachement zodanig afdeelen, dat het zelve direct de noodige en voordeeligste posten kan besetten: Dat bij weijgerend antwoord voornamentlijk het zeegat en een zeekere hoogte aan 't revier direct in bezit moet neemen, en en het geheele detachement in het algemeen met de arthillerij zodanig plaatsen, datze weijnig of niet aan het vijandelijke vuur bloot gesteld zijn, maar wel dat in tegen„ „deel de fortresse ingeslooten zij, en ons arthie= „lerij vuur het best effect doen kan, welk arthillerij vuur beginnen moet, zoo dra als immers mogelijk is. Indien de vijandelijke Commandant te Chettua direct na de opeijssching Capitu„ „leeren wild, zoo kan hem en de zijne een vrije aftogt over het rivier g'accordeert worden, met behoud van zijne en hunne eijge Equipagie, mits zij eerst het geweer strek 78 „ken; maar indien de Commandant het bombardement voor af laat gaan, en daar na eerst Capituleeren wild, dan moet zig alles gevangen geven, dog aan een ider zijn Equipagie van kleederen of geld ook gelaaten worden; dog indien de Commandant den storm afwagt, dan moet niemand Pardon hebben als die de wapens weg werpt, en zig gevangen gieft, en dan moet de plun„ „deringe „deringe nog verbooden werden op dood straffe en zulx aan ons volk wel duijdelijk en speciaal gewaarschout worden, alsoo ik liever aan de geene die de storm doen, een aparte vereeringe wil doen. Na de veroveringe moet het fort be¬ „hoorlijk bezet en wat van waarde mogte zijn wel geborgen worden, voorts het Fort op de best mogelijkste wijze in staat van defensie gesteld en ons kennisse gegeven werden, wat daar toe mogt ontbreeken, om het van hier derwaards te besorgen. En dewijl VE: het generaale Commando opgedraagen word, zoo is ook voor al VE: zaak, om op alles goede ordre te stellen, ook op alles het oog te houden en van tijd tot tijd zig niet alleen van alles raport te laaten doen, maar selfs toe te zien en het nodige te ordonneeren; voor al moet VE: met zijn Coops de belegeringe dekken en te Poelicarra de ordinaire overtogt van de rivier, niet verre van Chettua gelegen, zig leegeren en versterken, of indien daar een zijn Ed: is voorneemens nog heeden na de noord te vertrekken om reeden in den text een verlatene sterkte is deselve herstellen, na dat de mogelijkheijd en tijds omstan„ „digheijd toelaten, om de Passagie over de revier te beletten, en welke sterkte ook bezet zal moeten blijven, na het verove„ „ren van Chettua, waar van VE: de noodzake„ „lijkheijd genoeg zal blijken, en wij VE: gevoelen zullen inwagten. voorts moet de Communicatie tusschen het detachement voor Chettua en VE: leeger en van Poelicarro tot Cranganoor open gehouden worden, en ik verwagte van tijd tot tijd de noodige berigten. Eijndelijk verwagte na gedaane Expeditie een generaal Raport van alle VE: verrigtin „gen, waar in ik VE: een goed succes toewensche en verblijve intusschen /:onderstond:/ VE: Goede vriend / was Getekend:/ A: Moens /:in margine: Cochim den 2: Januarij 1778: — Eijndelijk gaf zijn Ed: nog te kennen voor„ neemens te zijn ten eersten en nog heeden na de noord te vertrecken, ten eijnde nader bij de hand te zijn, om zodanige ordres te kunnen en geduurende zijn Edeles absentie zullen de ordinaire werden waargenoomen. Nagezien : Schemering kunnen geeven als somtijds de voorvallende omstandigheeden zoude kunnen komen te vereijsschen, ten eijnde de expeditie door 't vrager van, en door 't wagten op ordres, geen ogenblik te doen traineeren; maar met des temeer spoed voortgang te doen hebben, en dat geduuren de desselfs absentie de ordinaire bestellingen bestellingen door den E: secunden het geen verder in de huijshouding mogt komen voortevallen, als bevoorens zal werden waargenoomen door den E: secunde Reinier van Harn, waar van verstaan is deese aantekening te houden. Aldus Gedaan, Geresolveert en G'arresteerd in raade van mallabaar ter steede Cochim ten dage maand en Jaare voormeld /was Get:/ A: Moens, R: van Harm J: C: Saffin, J: L: van Spall, A: R: schult C: G: Ceijpper A: J: S: Vernede J: A: Cellarius en W: V: Haeften. Accordeerd A Dannichen Pe. Secrets

NL-HaNA_1.04.02_10309_0391 view scan ↗

English

Batavia To His High Nobility The High Noble, Right Honorable Lord Reinier De Klerk Governor General And The Honorable Lords Councilors of the Dutch Indies. High Noble, Right Honorable, Far-commanding Lord And Honorable Lords We have had the honor to receive in duplicate Your High Nobilities' highly esteemed separate letter dated 30 September of the past year, in which Your High Nobilities were pleased to approve our measures taken to prevent the further hostile encroachment of the Nabob Hyder Ali Khan, for which we hereby express our humble gratitude. Meanwhile, we are very sorry that our secret Resolutions mentioned therein, of 20 January and 5 March of the past year, were not received, and we respectfully present the said copies of the Resolutions to Your High Nobilities herewith. In our recent separate letter to Your High Nobilities of 28 August of the past year, we furthermore most humbly brought to Your High Nobilities' knowledge the state of affairs here on the Coast and that no answer has been obtained from the Nabob, neither to the letter of Your High Nobilities nor to that of the first signatory; thus no opportunity could be found for any peace negotiations, regarding which Your High Nobilities were pleased to write what was necessary to the first signatory in particular, and for which he will try to find an opportunity in order to make good use of it. Meanwhile, what has occurred and been accomplished since then with the Nabob's troops is detailed to Your High Nobilities by the first signatory in a separate letter, wherefore we shall not mention it further herein, but give ourselves the high honor to remain with the utmost respect and high esteem, was signed below, High Noble, Right Honorable, Far-commanding Lord, and Honorable Lords, Your High Nobilities' humble and obedient Servants, was signed, A: Moens, R: van Harn, S: C: Saffin, J: L: van Spall, A: R: Schutz, A: J: S: Vernede, J: A: Cellarius, and W: van Haeften, in the margin, Cochin the 26 February 1778. Agrees JA Dannicheus Junior Secretary Examined Copy Separate To His High Nobility The High Noble, Right Honorable Lord Reinier De Klerk Governor General together with The Honorable Lords Councilors of the Dutch Indies. High Noble, Right Honorable, Far-commanding Lord and Honorable Lords. I make use of this opportunity, following my last separate letter of 26 February last, respectfully to inform Your High Nobilities that after the siege of Chettua, to see whether the enemy might not come to terms in the meantime, I made movements toward a second enterprise, and thus had a post taken in the little Kingdom of Cranganore, namely in the Palace, in order to keep that district in our power and subsequently, as circumstances might permit, also to take a post in the Paponetty district, and also to keep the enemy out of there, even if it were only to make his stay in that region difficult. That meanwhile on the 3rd of this month, at daybreak, our post in the Cranganore region was attacked by about 3000 men on foot and 150 on horseback and some artillerymen, with four cannons, who surrounded our post. Lieutenant Stipp and Ensign van Manderen, who were stationed there with a company of Malays, a company of sepoys, and some native peoples called Chegos, had orders, if they should be overwhelmed, then merely to retire to the entrenchment. Commander Wohlfarth thereupon sent Lieutenant Weynsheymer with the inner picket to Stipp and van Manderen, and after that Captain von Drieberg with the outer picket, with orders to cover the retreat, so that our men were already back in front of the camp by ten o'clock; in which affair we lost only 2 Europeans and 4 Malays, but sustained some wounded, besides some Chegos who are missing and will certainly have sought a hiding place in the woods. But on which occasion a great massacre occurred among the enemy, both among the infantry and among the cavalry, and in which even distinguished chiefs fell. A sergeant of the hunters shot the principal chief from his horse, over whose death the enemy remains very distressed up to now. As far as can be gathered from reports, as many as about 500 men must have fallen and very many wounded arrived in Paponetty, among whom was also one of the chiefs; but during which withdrawal the enemy destroyed the stockade in which our men had been quartered. Meanwhile we immediately took post again in the Cranganore region, though somewhat closer to the camp, near the so-called copper pagoda, and have daily patrols made through the Cranganore area, notwithstanding that some troops have since come down again, who, however, only sought to lure our men into the woods, and not daring to come into the open, departed again; but they then burned the pagoda near the King's palace, which had previously, or until then, still been spared, and several other structures. Meanwhile I hope that the Nabob, seeing that we keep our right to that region alive, and do not intend to leave him a peaceful possessor thereof, may resolve to come to terms. In the meantime I have the high honor to remain with the greatest respect, was signed below, High Noble, Right Honorable, Far-commanding Lord, and Honorable Lords, Your High Nobilities' obedient and humble servant, was signed, Adrian Moens, in the margin, Cochin the 10 March 1778. Agrees A Dannichen W. SeCoeds

Dutch transcription

54 Batavia Aan zijn Hoog Edelheijd Den Hoog Edelen Groot Achtbaaren Heer Reinier De Klerk Gouverneur Generaal En De wel Edele Heeren Raaden van Nederlands India. Hoog Edele, Groot Achtbare Wijdgebiedende Heere En Wel Edele Heeren Wij hebben d' Eer gehad twee voudig te ontvan= „gen uw Hoog Edelheedens hoog gevenereerde apparte missive gedateert 30: Zeptember anno Appart passato N=o 2. passato, waar bij uw Hoog Edelheedens onse genome maatregulen ter beletting van den ver„ „deren vijandelijken indrang van de Nabab Naider Alij Chan gelieve te approbeeren, waar voor wij bij deesen onse nedrige dankbaarheijd betuijgen, in „tusschen is het ons zeer leed, dat onse daar in ver„ „melte secreete Resolutien van den 20: Januarij en 5: Maart anno pass=o niet zijn ontvangen, en bieden de gemelde Copias Resoluties uw Hoog Edelheedens neevens deesen, in eerbied aan Bij onse Jongst aan uw Hoog Edelhee„ „dens aparte missive van den 28. Augustus annopass=o, hebben wij uw Hoog Edelheedens verder nedrigst ter kennisse gebragt de gesteld „heijd van zaaken hier ter Custe en dat men geen antwoord van de Nababerlangd heeft, zoo min op de briev van uw Hoog Edelheedens als op die van den eerstgeteekende, dus heeft er geene gelegentheijd gevonden kunnen worden, tot eenige vreede onderhandelinge, werweegens uw Hoog Edelheedens den eerstgetekende in 't bijsonder het nodige hebben gelieven aan„ 55. J Schemering aanteschrijven, en waar toe hij gelegentheijd zal tragten te vinden, om daar van goed gebruik te kunnen maaken, intusschen word het zeedert voorgevallene en verrigte met 's Nababs troupen door den eerstgeteekende, bij apparte missive om„ „standig aan uw Hoog Edelheedens bedeelt waar om wij daar van in deesen niet verder zullen gewagen maar ons de hooge eere geven van met de uijtterste eerbied en hoog agting te blijven /:onderstond:/ Hoog Edele, Groot Achtb: wijdgebiedende Heere, en wel Edele Heeren uw Hoog Edelheedens onderdanige en gehoor„ „same Dienaaren /:was Getekend:/ A: Moens, R: van Harn, S: C: Saffin, J: L: van Spall, A: R: Schutz, A: J: S: Vernede, J: A: Cellarius en W: van Haeften, /:in margine:/ Cochim den 26: februarij 1778:— accordeert JA Dannicheus Jpr. Secrets Nagezien Copia Apart Aan Sijn Hoog Edelheijd Den Hoog Edelen, Groot Agtbaaren Heer Reijnier De Klerk Gouverneur Generaal benevens De Wel Edele Heeren Raaden van Nederlands Jndia. Hoog Edele, Groot Agtbaare, Wijd gebiedende Heer en Wel Edele Heeren. Bediene mij van deze gelegentheijd, om uw Hoog Edelheedens ten vervolge van mijn laatste apparte van den 26: febr: J:o leeden, Eerbiedig te bedeelen dat ik na 't beleg van Chettua, om tezien of de vijand in die tusschen tijd niet mogt bijkomen, mouvementen van een tweede onderneeminge ge¬ Batavia maakt N=o 3. 3 56 gemaakt, en dus in het Cranganoorse Rijkje en wel in 't Paleijs, post hebbe laten vatten, om dat district in onze magt tehouden en vervolgens, namaate de omstandigheeden het mogten toelaten, ook in het Paponettijse post tevatten, en den vijand daarook uijttehouden, al was het ook maar om hem zijn verblijf op die landstreek moeijelijk temaaken: dat intusschen den 3:' dezer onze post in het Cranganoorse, met het lumieeren vanden dag ge-attacqueert is, door omtrent 3000: man tevoet en 150: tepaard en eenige arthil „leristen, met vier Canons, die onze post omcingelden de Lieutenant stipp en vaandrig van Manderen, die daar met een Comp: Maleijers, een Comp=s sipais, en eenige lands volkeren, chegossen ge„ „naamt, lagen, hadden order, om als ze mogten overmand worden, dan maar na het retran„ „chement tekomen: de Commandant wohlfarth zond daar op, den Lieutenant Weijnsheijmer met het binnen Liquet na stipp en van Manderen daar na Capitain von Drieberg, met het buij„ „ten Siquet, met order om de retinaade tedekken, gelijk dan ons volk ten tien uuren reeds terug en voor't Camp was; in welke affaire wij maar 2: Europeezen en 4: Maleijers verlooren, dog eenige gequetste gekreegen hebben, behalven eenige Chegossen, die vermist zijn, en zekerlijk in 57 in de bossen schuijlplaats zullen gezogt hebben; dog bij welke gelegentheijd een groote massacre onder de vijand, zo onder het voetvolk als onder de Ruijterij geschied is, en waarbij zelfs aanziene„ „lijke Hoofden gebleeven zijn; Een zergeant van de Jaagers, schoot het voornaamste Hoofd van zijn paard, over wiens dood, de vijand tot nog toe zeer aangedaan is: zoveel men uijt de berigten kan nagaan, zouden 'er wel omtrent 500: man geble„ „ven en zeer veele gequetste te paponettij aangeko„ „men zijn, waar onder ook een der Hoofden; dog bij welken aftrek, de vijand de bepaggeringe, waar in ons volk had gelegen, vernield heeft: Jntusschen hebben we weder ten eersten in het Cran„ „ganoorse, dog wat nader na het Camp, bij de zo genaamde kopere pagood post gevat, en laten dagelijks door het Cranganoorse patroilleeren niet tegenstaande 'er zedert weeder eenig volk afgekomen is, dat egter de onze maar, in het Bos zogt telokken, en niet buijten durvende komen, weder vertrokken is; maar toen, de pagood bij 's konings paleijs, die bevoorens, of tot dus lange, nog gespaard was, en meer andere opstallen verbrand heeft; Jntusschen Hoope ik, dat de Nabab„ ziende, dat wij ons regt op die landstreek le„ „vendig houden, en Heen geen geruste bezitter daar Nagezien. daar van willen laten, resolveeren mag om maar bijtekomen Jnmiddels hebbe de Hooge eere met demeeste Eerbied te verblijven. /:onderstond:/ Hoog Edele Groot Agtbaare, wijdgebiedende Heere, en wel Edele Heeren, uw Hoog Edelheedens gehoorzaame en onderdaanige dienaar /:was getekent:/ A:n Moens /: in mar„ „gine:/ Cochim den 10:' Maart 1778: Schemering Accordeerd A Dannichen W. SeCoeds

NL-HaNA_1.04.02_10309_0399 view scan ↗

English

Batavia To his High Nobility The High Noble Great Honorable Lord Reijnier De Klerk Governor General Together with The Right Honorable Gentlemen Councillors of Netherlands India High Noble, Great Honorable wide-ruling Lord Right Honorable Gentlemen! After the departure of my last of 10 March, I finally spoke with the First State Minister of Travancore. He declared that it had been impossible for His Highness to come in person; but it now appears to me that the king indeed daily seeks to avoid a personal meeting, as far as he can do so properly. However, I have turned the arrival of this Minister as much to my advantage as possible, the more so because I know that he is a sedate and sensible man, who, in the well-known case at Coeniapallij under the previous Ministry, contributed very much toward that affair ending in the best manner, and at the settlement of the dispute between us and the king of Cochin over the questionable territory at the beginning of my administration, also showed his willingness not to have that matter pushed so hard on the side of Travancore as other Ministers would gladly have seen, and why I have since maintained friendship and correspondence with this man through messages and small presents, according to the country's custom. Yet, although his coming could not well be postponed any longer with decency, I nevertheless, through the continual postponement of his arrival, had to believe in the end that the king might have postponed the meeting even longer, had nothing occurred here a few days before his arrival for which reason he seems chiefly to have come down, as he also inadvertently let slip while speaking with me, and which case I ought to impart to your High Nobilities. It is known that the king of Travancore is properly and in deed master of the king of Cochin; that the latter has no disposition over his lands lying within Travancore's lines, and thus cannot alienate them without the consent of Travancore; that the king of Cochin is thus only a king in name; that Travancore has not entirely subjugated him, but still lets him continue in that manner solely out of discretion for the Company; that meanwhile the king of Cochin may do nothing, cannot even negotiate matters with the Company, without Travancore having an eye on it, just as I have never spoken to or met the King and also seldom the Paliath Achan without there always being either one of Travancore's Kariakkars or his ordinary Agent present; that this is a sensitive thorn in his flesh for the Cochinite, which he however may not nor dares to let show; that thus the king of Cochin, who can come into no worse state than that in which he already is, seeks to make use of all opportunities to better or restore his state; that he, or let me rather say his First State Minister the Paliath Achan, a shrewd, zealous, and loyal Minister for the interests of his king, in the year 1766, when the Nawab came down toward this side for the first time, already secretly paid his court to the Nawab and, as a mortal enemy of the Zamorin house, virtually lured the Nawab toward this side merely to have the pleasure of seeing the Zamorin destroyed; that the Paliath Achan, as is believed, was then also in a sort of negotiation or correspondence with the Nawab to be restored by him in case the Nawab might conquer Travancore, and that he underhand also promised the Nawab, as much or as little as might depend on him, not to be an obstacle to the Nawab in his intentions, although it is believed that the Paliath Achan acts as if he now repents of this, having now learned to know the Nawab in retrospect and well understanding that once he had Travancore under his power, he would spare the king of Cochin no more than any other; that the Paliath Achan, being in this situation and not knowing how to extricate himself, now seeks to keep the Nawab or his Ministers as friends as much as possible, and meanwhile sits behind the curtain to see who will remain the strongest party in order to join that side; that Travancore knows all this very well, though he dissembles, but meanwhile does not trust him in the least, and even has him watched by a bodyguard of the king's best Nairs who accompany him to watch all his actions, though under the pretext that this is for his state; that however much the king of Travancore, for reasons of state, did not wish to do any harm to the Paliath Achan, the Crown Prince, who is of an entirely different disposition than the king, being full of fire and inclined to war, has more than once urged his uncle the king simply to do away with the Paliath Achan and to give the king of Cochin a less shrewd minister of state; that this Crown Prince has even had others of his faction advise the King to do so, though in vain, since the King judges that

Dutch transcription

58 Batavia Aan zijn Hoog Edelheijd Den Hoog Edelen Groot Achtbaaren Heer Reijnier De Klerk Gouverneur Generaal Benevens De Wel Edele Heeren Raaden, van Nederlands India Hoog Edele, Groot Agtbaare wijd gebiedende Heer wel Edele Heeren! Na het afgaan van mijn laatste van den 10: Maart hebbe ik eijndelijk met den Eersten staats Mi„ „nister van Jaevancoor gesprooken; Hij verklaarde dat het voor zijn Hoogheijd onmogelijk was geweest in persoon tekomen; maar het komt mij nu voor„ Copia Apart dat No 4. dat de koning een personsele ontmoetinge wel dage „lijk zoekt te ontwijken, zo verre Hij zulks gevoeg„ „lijk doen kan; egter hebbe de afkomst van dezen Mi„ „nister mij zo veel tot nut gemaakt, als mogelijk is geweest, temeer, om dat ik waet, dat hij een beza „digt, en verstandig Man is, die bij het bekende geval te Coeniapallij, onder het voorig Ministerie zeer veel gecontribueerd heeft, dat die affaire nog op de beste wijze afgeloopen is, en bij de afdoening van het verschil tussen ons en de koning van Cochim, over het questieuze grondgebied, in het begin van mijn bestier, ook zijne gewilligheijd betoond heeft, om die zaak zo sterk niet te doen pousseeren aan de zijda van Travancoor, als wel andere Ministers gaarn gezien hadden, en waarom ik 't zedert door bood„ „schappen en Geschenkjes, na 'slands wijze, de vriend „schap en Correspondentie met dezen Man onder „houden hebben. Dog schoon zijn komste, niet wel met fa „zoen langer kon uijtgesteld werden, zo hebbe ik eg „ter door het geduurig uijtstellen van zijn afkomst op het laatste moeten gelooven, dat de koning de ontmoetinge mogelijk nog al langer zoude uijt „gesteld hebben, indien 'er eenige dagen voor zijn komst 59 komst hier niet voorgevallen was, waarom Hij wel voornamendlijk schijnd afgekomen te zijn, gelijk Hij met mij spreekende, zig ook onbedagtelijk heeft laten ontvallen, en welk geval ik uw Hoog Edelheedens diene tebedeelen Het is bekend, dat de koning van Trevan= „coor eijgendlijk en in der daat, meester is van den koning van Cochim; dat de laatste geene dispositie over zijne landen heeft, die binnen 's Trevancoors linie leggen; en dus dezelve ook niet veralieneeren kan, zonder Consent van Trevancoor; dat dus de ko„ „ning van Cochim maar koning in naam is; dat Trevancoor Hem niet ten eenemaal ten onderge„ „bragt heeft, maar op die wijze nog laat continu„ „eeren, eenelijk uijt discrete voor de Comp:; dat intusschen de koning van Cochim, niets mag doen, zelfs geene zaken met de Comp: kan verhandelen, zonder dat er een kijk in de pot van Jrevancoor bij is, gelijk ik dan ook nimmer den Koning en ook zelden den zaljetter gesprooken of ontmoet hebbe, of daar was altoos, of een van Jrevancoors Ragiadoors, of zijn ordinaire Agent bij; dat dit voor den Cochimer een sensible doorn in zijn vlees is, hetgeen wij egter niet mag nog durfd laten blijken iets blijken; dat dus de koning van Cochim die in geen erger staat kan komen, als waar in Hij reeds is, alle geleegendheeden zig zoekt ten nutte te maaken om zijnen staat te verboeteren, of te herstellen; dat Hij, of laat ik liever zeggen zijn Eersten Staats Minister den Zaljetter /:een schrander, ijverend en getrouw Minister voor de belangens van zijn koning:/ in het Jaar 1766:, wanneer de Nabab voor de eerste maal na deze kant quam afzakken, toen al hijmelijk zijn Hoff bij den Nabab gemaakt haeft en als een dood vijand van het sammorijnse huijs den Nabab genoegzaam na dezen kant gelokt heeft, om maar het vermaak te hebben, den Sammorijs verdelgt tezien; dat de zaljetter, zo als men maend, toen met de Nabab ook al in een zoort van onder„ „handelinge of Correspondentie zoude geweest zijn, om door Hem hersteld teworden, ingevalle den Na„ „bal Trevancoor mogt overheeren, en dat Hij onder de hand den Nabab ook zoude beloofd hebben, om zo veel of weinig van hem mogt afhangen, Item Nabab in zijne voorneemens niet hinderlijk te zullen zijn, schoon men maend dat de Paljetter zig houd, als of Hij tans daarvan berouw heeft, als nu van agteren den Nabab hebbende leeren kennen en en wel begrijpende dat Hij Trevancoor eens onder zijn magt hebbende, den koning van Cochim zoo min als een ander spaaren zoude; dat de zaljetter in 't geval zijnde, en er zig niet weetende uijtteredden, tans zo veel mogelijk den Nabab of zijn Ministers zoekt tevriend te houden, en intusschen agter het Gardijn zit om te zien, wie de sterkste parthij zal blijven, ten eijnde zig daar bij tevoegen; dat Trevan„ „coor dit alles zeer wel weet, dog ontveijnst, maar hem intusschen niet het minste vertrouwt, en hem zelfs laat oppassen door een Lijfwagt van 's konings beste Naijros, die Hem verzellen, om op al zijn doen teletten, egter onder de naam dat zulks tot zijn statie is; dat hoe zeer de koning van Trevan„ „coor, om reeden van staat, den zaljetter geen quaad wilde doen; de kroon Prins, die van een geheel an„ „deren inborst als de koning is (als zijnde volvuurs en geneijgt tot den oorlog) meer als eens zijn Oom den koning aangezet heeft, om den zaljetter maar van kant te helpen, en den koning van Cochim een min schranderder staats bezorger toetevoegen; dat deze kroonprins zelfs zulks door andere van zijn aanhang, den Koning heeft laten aanraaden dog te vergeefs, alzoo de Koning oordeelt dat de 8 geen 60

NL-HaNA_1.04.02_10309_0404 view scan ↗

English

time can never be as unfavorable for this as it is now. Having premised this, it should be noted that the Paljetter, wishing these days to pay a visit from Chenotta (where he resides and also has his own estate, situated south of the Lines of Trevancoor, about a quarter of an hour from Cranganoor) to the Commandant of Trevancoor's fortress of Coeriapallij, was attacked on the way in his palanquin by a Nayar of the bodyguard, who leveled his musket at him and pulled the trigger, but the musket misfiring, he thereupon quickly and violently attempted to thrust the fixed bayonet through the body of the Paljetter, which the Paljetter noticing, by making a sudden turn in his palanquin, he avoided it so far that the bayonet only inflicted a wound to his abdomen, which indeed caused much bleeding, but was found not to be dangerous, and which wound is also already as good as healed. As soon as the Paljetter was wounded, he notified me of this, and at the same time immediately requested the Commandant of the camp for a surgeon, in order to inform him whether his wound was dangerous; the Commandant immediately sent a surgeon who assured him that the wound was not dangerous; and I immediately sent someone on my behalf to understand from him what had actually happened, and the person I sent had orders to express my astonishment at that incident, and that I would gladly know how this matter stood; but he disguised his secret thoughts, and simply sent his thanks to me for my affection and good intentions, adding that he regarded the incident as the act of a drunken or desperate fellow, who was either tired of his life or did not know what he was doing, and that he, the Paljetter, had already for some time been and still is in such sorrowful circumstances that a swift death would be just as welcome to him as a longer and miserable life, and furthermore, that he would leave everything to chance, although I believe I know very well through secret channels that the Paljetter is firmly convinced that, if this deed was not brought about by the Trevancoor or the Crown Prince, it must at least have happened through one or another of Trevancoor's ministers, who might be secretly incensed at him. The King's Prime Minister mentioned herein has then also been to see him to investigate that matter; the Nayar, who had been kept prisoner so long in Fort Coeriapallij, was interrogated and acted like a mad and desperate person, giving no other answer than that he had been possessed by an evil spirit, and that he even now felt so strange that he himself did not know what was wrong with him; and why the Paljetter also declared that he did not desire that a person who lacks his senses should be punished for a deed that he committed in his insanity. In this manner the Paljetter treated this matter; nevertheless, the Nayar was punished with death on special order of Trevancoor, and I am informed that Trevancoor's Minister used all his eloquence and intellect to make the Paljetter understand that this never came from Trevancoor's side, as he also did to me when I sought to sound him out regarding this. Furthermore, I also spoke with him regarding the conduct of the King of Cochim, or actually the Paljetter, with respect to the satisfaction that he seeks to give to the Nabab, and learned how this is understood by the King of Trevancoor, but I could clearly perceive that His Highness not only knows everything that I know of it, but knows more of it than I, and that for the greatest part he also places faith in it. The Minister also indicated that his King, well understanding that matter, realizes that the Cochiner cannot very well do otherwise, although it were to be wished otherwise for us, for he even submitted to my consideration that the King of Cochim, being incapable of resisting alone the least violence of the Nabab, was the first whose turn it was last year, and was also the first attacked by the Nabab; that when the Nabab's General Charder chan marched across the river of Jnnemaka into the land of the Cochiner, neither Trevancoor nor the Company brought the Cochiner any assistance; that the Cochiner, to prevent the devastation of that land and to effect the enemy's retreat, with the prior knowledge of Trevancoor and the Company, made himself tributary on account of that tract of land and committed himself to an annual contribution; that the King of Cochim must therefore in that respect be regarded just like the Nabab's other tributary princes, who must do whatever pleases the Nabab, or otherwise run the risk of immediately being treated in the vilest manner, by having the land despoiled, the inhabitants driven off, and fire and flame set everywhere; that such would also happen to the Cochiner if he did not wish to please the Nabab, and that the closer the violent acts of the Nabab are committed around here, the more the land and the people south of Cranganoor and the Lines are alarmed and thrown into an uproar; that he knows closely and is aware that the Nabab has repeatedly desired that the Cochiner, or actually the Paljetter, should lease the tract of land from Chettua up to Cranganoor for a certain sum of money and govern that land, like the aforementioned other northern lands up to the river of Jnnemaka; that

Dutch transcription

tijd nimmer zoo ongunstig daar toe kan zijn als tans. Dit nu vooraf hebbende laaten gaan, zo diend dat de Paljetter dezer dagen van Chenotta (:al„ „waar hij resideert, en ook zijn eijge land-goed heeft geleegen bezuijden de Linie van Trevancoor om „trend een Quart uur van Cranganoor:) den Com„ „mandant van 's Trevancoors fortresse Coeria„ „pallij, een vizite willende geeven, onder weege in zijn palenkijn door een Naijro van de Lijf= „wagt is aangevallen, die zijn Geweer op Hem aanleijde en aftrok, dog het geweer weijgerende, daarop gezwind en met geweld den zaljetter het geflanste bajonet door het Lijf wilde stooten hetgeen de Paljetter merkende, door een schielijke draaij in zijn palenkijn temaken, in zoo verre nog ontweek, dat het bajonet hem maar een quetsuure aan de buijk toebragt, die wel veel bloedstortinge veroorzaakte, dog niet ge„ „vaarlijk is bevonden, en welke wonden ook reeds zo goed als geneezen is: zo dra de Paljetter gewond was, liet Hij mij zulks weeten, en ver„ „zogt teffens onmiddelijk aan den Commandant van het Camp om een Chirurgijn, ten eijnde ham te te berigten of zijne wonde gevaarlijk was; de Commandant zond ten eersten een Chirurgijn die Hem verzeekende, dat de wonde niet gevaar„ „lijk was; en ik zond onmiddelijk iemand mij„ „nentweege om van hem te verstaan, wat 'er eij„ „gendlijk gepasseert was, en de geen ik zond, had order om mijne verwonderinge over dat geval tekennen te geven, en dat ik gaarne wilde weeten hoe het met deze zaak geleegen was; dog hij ont„ „veijnsde zijn hijmelijke gedagten, en liet mij een„ „voudig bedanken voor mijne geneegendheid en goede intentie, met bijvoeginge, dat Hij het geval aanmerkte als een stukje van een dronke of disperaate kerel, die of zijn leven moede is geweest, of niet gewaeten heeft wat Hij deed, en dat Hij Paljetter nu al eenigen tijd, in zulka be„ „droefde omstandigheeden geweest en nog is, dat Htem een korte dood, alzoo aangenaam zoude zijn, als een langer en verdrietig leeven, en voorts, dat Hij alles aan 't geval zoude overlaaten, schoon ik door geheime Canaalen zeer wel meene tewee„ „ten, dat de Paljetter vast in begrip is, dat zo Htem dit stukje al niet berokkent is door den Trevan„ „coor of den kroon prins, dat het ten minsten dan moet 61 moet geschied zijn, door de een of ander van Jaevan „coors Ministers, die hijmelijk op Hem mogten gebeeten zijn. 'S Konings Staats Minister in dezen ver„ „meld, is dan ook bij hem geweest, om die zaak te onderzoeken; de Naijro die zo lange in 't Fort Coeriapallij gevangen gezoeten had, is verhoort en hield zig als een dol en disperaat mensch, gevende geen andere antwoord, als dat Hij van een quaade geest bestierd is geweest, en dat hij zig tot als nog zo wonderlijk bevond, dat Hij zelfs niet wist, wat Hem manqueerde; en Waarom de Paljetter ook verklaarde, dat Hij niet begeerde, dat een mensch die zijn verstand niet heeft, zouda gestraft worden, over een daad die Hij in zijn krank „zinnigheijd gedaan heeft: op deze wijze behan„ „delde de Zaljetter dit stuk; egter is de Naijao op speciaale order van Jaevancoor met de dood gestraft, en ik ben ge-informeerd dat Trevan„ „coors Minister all' zijn welspreekendheijd en ver„ „stand gebruikt heeft, om den Paljetter te doen begrij„ „pen, dat zulks nimmer van 's frevancoors zijde gekomen is, gelijk Hij dat tegen mij ook gedaan heeft, wanneer ik Hem derweegens wilde polsen wijders Wijders hebbe ik met hem ook gesprooken nopens het gedrag van den Koning van Cochim, of eijgendlijk den zaljetter, met betrekking tot het genoegen, dat Hij den Nabab tragt tegeeven, en vernomen, hoo zulks bij den koning van Tre= „vancoor begreepen word, maar ik kon duijdelijk merken, dat zijn Hoogheijd niet alleen alles woet, wat ik daarvan weet, maar meer daarvan weet; als ik en dat Hij voor het grootste gedeelte ook geloof daar aan slaat; De Minister gaf ook tekennen, dat zijn koning die zaak wel inziende, begrijpt, dat de Cochimer niet wel anders doen kan, schoon het wel anders voor ons tewenschen waaren, want Wij gaf mij zelfs in overweeginge dat de koning van Cochim onvermogens zijnde, om alleen het geringste geweld van den Nabab tekeer tegaan voorleeden Jaar het eerst aan de beurt gelegen heeft, en ook het eerst door den Nabab aange„ „tast is; dat toen 's Nababs Generaal Charder chan over de revier van Jnnemaka in het Land van den Cochimer getrokken was, zo min Trevancoor als de Comp: den Cochimer eenige hulpa hebben toegebragt; dat de Cochimer, om de verwoestinge van dat Land voortekomen, en 's vijands 3. 62 's vijands aftogt te bewerken, met voorkennis van Trevancoor en de Comp:, van wegens die Landstroek zig tributair gemaakt en zig voor een Jaarlijkse Contributie verbonden heeft; dat de koning van Cochim dus in dat opzigt moet aangemerkt worden, even als 's Nababs overige tributaire vorsten, dewelke doen moeten, wat de Nabab belieft, of anders gevaar loopen, van ten eersten op de vuijlaardigste wijze behandelt te worden, door het laten spouljeeren van het Land„ de ingezeetenen te verjagen, en vuur en vlam over al aantestaeken; dat zulks den Cochimer ook zoude overkomen, indien Hij den Nabab niet wilde believen, en dat hoe digter de geweldenarijen van den Nabab hieromstreeks gepleegt worden, hoe meer 't Land en 't volk bezuijden Cranganoor en de Linie geallermeerd en in rap en roer gebragt word; dat Hij van nabij waat, en kennisdraagt, dat de Nabab eens en andermaal begeerd heeft, dat de Cochimer, of eijgendlijk de zaljetter, de Land „streek van Chettua tot Cranganoor toe, zoude in pagt neemen, voor zeeker Somma Gelds en dat Land bestieren, gelijk voorschr: zijn ander noordelijke Land, tot aande revier van Jnnemaka„ dat

NL-HaNA_1.04.02_10309_0409 view scan ↗

English

that, because the Company has not yet renounced its claim to that tract of land, he nevertheless did not dare to do so, but flatly refused, and thereby aroused a secret displeasure with the Nabob; that thus the King of Cochin, as far as his land south of Cranganore is concerned, must only be regarded as our ally, and as far as his land north of the lines is concerned, as a tributary of the Nabob; and he even added at the last that the present conduct of the Cochin ruler must in itself be regarded as a natural consequence of the circumstances into which he has been brought, and that he also believes that if the Cochin ruler had known the Nabob in the year 1766 as well as he does now, he would perhaps not now be in such circumstances, about which he spoke in covert terms; but that his master at the same time deems it absolutely necessary to dissemble both the one and the other for the present, and that above all one must avoid letting the Paliat Achan perceive our displeasure, in order not to make him desperate, or cause him to resort to one or another desperate measure. Now, although these things may certainly be said, apart from some objections that one might still raise against them, I used the prudence to let him finish speaking entirely on this subject, for the Malabar ministers are generally accustomed to wait every now and then for an answer in order to sound us out, and then direct their further conversation accordingly, or to moderate phrases that they had otherwise intended to allege; and when he spoke no more of it and had said what he had to say, I answered everything simply by saying that it is merely a pity that the circumstances in which the Cochin ruler presently finds himself suit our purposes so poorly, for I judged that I should not touch upon this article any further, and still less let him perceive that if Travancore should see fit, as they say, to remove the Cochin ruler from the world, the Company would also gladly wish to have some of his land, at least the island of Vypeen and the district of Mattancherry with the right to the toll, just as I have already previously indicated my thoughts in that regard to Your High Nobilities at the end of my separate letter of the 20th of August last; and with this answer he seemed to be quite well pleased, for he concluded that conversation by reminding me once again of the absolute necessity there is to conceal our displeasure from the King of Cochin. After this I spoke with him about the war expenses that the Company must presently incur in order to prevent the further encroachment of the Nabob; I demonstrated to him that upon the preservation of Cranganore and Ayacotta depends his preservation or ruin, in case the Nabob, having his hands freer, should come down again with a strong force and could break through, and that this would certainly happen if we do not prevent him from doing so, but that if we are not in some measure compensated for the expenses that we presently have at Cranganore and Ayacotta, we cannot maintain such a force there any longer, whereupon Travancore would be exposed to the utmost danger of losing everything he has; that we can then still rely upon our city, and taking things at the very worst, if we should once be unable or unwilling to maintain ourselves here on the coast, we would then still lose only a part of our possessions, since we have so much in India, and His Highness has only a single kingdom; and I even added that Chettua and that entire tract of land are of no importance to us, now that it is known and has become apparent that the northern territory of the King of Cochin is entirely at the disposal of the Nabob, but that the Company has only retained it in order to prevent the encroachment of foreigners on that side for as long as possible, for the peace of mind of Travancore and Cochin; that the revenues of Cranganore and of the few small gardens on Ayacotta are so insignificant that scarcely 25 soldiers can be maintained from them; that Vypeen does not belong to us anyway, and we also have nothing on it except a few small gardens at the northern end of Ayacotta, and a small strip of land at the south end, the trees of which we are gradually having cut down out of necessity, it would therefore be in our interest merely to withdraw our force into the city, whereupon we could defend our city with half of our force much more easily than Cranganore and Ayacotta with our present force; that Malabar must in that manner become a ruin to the Company; and since he, then interrupting me, asked me as if in private whether it is indeed the truth that the Company had some time ago intended to abandon its other strongholds and possessions on Malabar, as the Company had already made a beginning with the abandonment of Cannanore, adding that the English at Anjengo had said so, to which, however, I did not judge it necessary to answer yes or no, I answered this question by continuing my discourse, namely that such circumstances as the present might at least very easily give rise to serious consideration by our Lords Superiors, namely whether it would suit the Company to remain established here any longer in this expensive manner, and one so ruinous to it; that if we should once wish to abandon our strongholds here, we could obtain a considerable sum of money for them, and for that buy as much pepper as we want like other European nations, without, as at present, having to bear such immense expenses for a small quantity of pepper; that

Dutch transcription

dat Hij om dat de Comp: van haare pretentie op die Landstroek nog niet afgezien heeft, zulks egter niet heeft durven doen, maar glad uijt gewijgert en daar door bij den Nabab een hijmelijk ongenoe„ „gen verwekt, dat dus de koning van Cochim, voor zo verre zijn Land bezuijden Cranganoor aangaat, maar alleen moet aangemerkt worden, als onze geallieerde, en voor zo verre zijn Land benoorden de linie aangaat, als een Jributaire van den Na„ „bal, en Hij voegde en op het laatste zelfs bij, dat het tegenswoordig gedrag van den Cochimer op zig zelfs moet aangemerkt worden, als een natuurlijk gevolg van de omstandigheeden, waarin Hij gebragt is, en dat sij teffens geloofd, dat als de Cochimer de Nabab in 't Jaar 1766: zo wel als nu gekent had, Hij mogelijk nu in zulke omstandig„ „heeden niet zoude zijn, waaromtrent Hij in bedekte termen sprak; dog dat zijn Meester het teffens ab„ „solut noodzaakelijk oordeeld, het een en ander voor als nog te ontveijnsen, en dat men voor al moet mijden om den Paljetter ons ongenoegen te laaten blijken, ten eijnde Hem niet wanhoopig temaaken, of tot deze of geene disperaatheijd te doen overgaan. „laaten Dan Schoon die dingen zig zeekerlijk ^ zeggen behalven 63 behalven eenige aanmerkingen die men er nog wel tegen zoude kunnen inbrengen, zo gebruijkte ik de voorzigtigheijd, om Htem op dit subject geheel en al telaten uijtpraten, want de Mallabaarse minis„ „ters zijn doorgaans gewoon nu en dan na een antwoord tewagten, om ons te polsen, en dan hunne verdere gesprekken daarna te rigten, of ook wel perioden te menageeren, die ze anders gemeend hadden te allegeeren;, en toen Hij er niets meer van sprak en gezegd had, wat Hij te zeggen had, beantwoorde ik alles eenvoudig, met te zeggen dat het maar Jammer is, dat de omstandigheeden, waarin de Cochimer tans is, zo weinig in onzen kraam tepas komen, want ik oordeelde, dit arti„ „cul niet verder temoeten roeren, en Hem nog min„ „der te laten blijken, dat als Trovancoor mogt goed„ „vinden om den Cochimer, gelijk men zegd, uijt de wereld te hebben, de Comp: gaarne ook wat van zijn Land zoude willen hebben, ten minsten het Eijland Baijpin en het district van Mattancherij met de geregtigheijd van den tol, gelijk ik uw Hoog Edelheedens mijne gedagten derwegen reeds praalabel bedoeld hebben, aan het eijnde van mijne Aparte briev van den 20: Augustus Jongst leeden„ en 64 en met dit antwoord scheen Hij al heel wel te vreeden te zijn, want Hij besloot dat gesprek met mij nog eens te herinneren, de absolute noodzaakelijkheijd die er is, om voor den koning van Cochim ons on„ „genoegen te ontveijnsen. Hierna onderhield ik Htem, over de oorlogs onkosten, die de Comp: tans om den verderen in„ „drang van den Nabab tebeletten, doen moet; jk toonde hem aan, dat aan het behoud van Cran„ „ganoor en Aijkotta zijn behoud of ondergang depen„ „deert, ingevalla de Nabab de handen eens ruij„ „mer krijgende, weder met een sterke magt af„ „quam en doorbreeken kon, en dat dit gewisselijk, indien Wij hem zulx niet beletten, dog dat geschieden zoude, indien we niet eenigzints in de onkosten, die we tans te Cranganoor en Aijkotta hebben, te gemoed gekomen worden, wij zo een magt daar niet langer aanhouden kunnen, als wanneer Trevancoor aan het uijtterste gevaar bloot gesteld zoude zijn, om alles te verliezen wat Hij heeft; dat wij ons dan, nog op onze stad verlaten kunnen, en ten aller ergsten genomen, het hier op de kust eens niet meer kunnende of willende houden, dan nog maar een gedeelte van onze bezittingen zouden quijtraaken, daar wij in Jndiën nog zoo veel veel, en zijn Ho:t maar een enkel Rijk; en ik deed en zelfs bij, dat ons aan Chettua en die geheele Land„ „streek niets geleegen legd, nu het bekend en geblee„ „ken is, dat het noordelijk Land van den koning van Cochim, ten eenemaal ter dispositie van den Na„ „bab is, maar dat de Comp: hetzelve maar aangehouden heeft, om den indrang van vreemde aan die kant, zin zo lange mogelijk, te beletten, tot gerustheijd van Trevancoor en Cochim; dat de inkomsten van Cran„ „ganoor en van de weinige thuijntjes op Aijkotta, zo gering zijn, dat er pas 25: Militairen uijt kun„ „nen onderhouden worden, dat Baijpin ons tog niet toebehoorende, en wij daarop ook niets hebbende als aan het noordelijke eijnde van Aijkotta eeni„ ge thuijntjes, en aan het zuijd eijnde een strookje land, waarvan wij de boomen uijt hoofde van de noodzaakelijkheijd al gaande weg laten om ver„ kappen, het derhalven onze zaak zoude zijn, om maar onze magt in de stad te trekken, als wanneer wij met de helft van onze magt vrij gemakkelijker onze stad zoude kunnen defen„ „deeren, als Cranganoor en Aijkotta met onze tegenswoordige magt; dat de Mallabaar op die wijze voor de Comp: een ruine moet worden: 65 en dewijl Hij mij toen in de reeden vallende, als in het particulier afvroeg, of het in der daat de waar„ eens „heijd is, dat de Comp: over eenigen tijd voorneemens is geweest, om haare verdere vastigheeden en be„ „zittingen op de Mallabaar te verlaaten, gelijk de Comp: al reeds een begin gemaakt had, met het abandoneeren van Cananoor, met bijvoeginge, dat de Engelse te Ansjenga zulks verteld hadden, waer op ik egter niet nodig oordeelde Ja nog neen te antwoorden, zo be-antwoorde ik deze vraag met het vervolgen van mijn discours, namendlijk dat diergelijke omstandigheeden als tans ten min„ „sten veel ligt aanleiding zouden kunnen geeven tot ernstige overweeginge van onze Heeren superieuren, namendlijk of het de Comp: wel zoude Convenieeren hier op deze kostbaare, en voor haar zo ruineuze wijze, langer te blijven woonen; dat wij onze vastigheeden hier eens wil„ „lende varlaaten een aanzienlijke Somma gelds daarvoor zouden kunnen in handen krijgen, en daar voor gelijk andere Europeeze Naties zoo veel peper kopen als we hebben willen, zonder, gelijk tans, om een geringe quantiteit peper, zulke ontzaggelijke onkosten temoeten dragen; dat

NL-HaNA_1.04.02_10309_0414 view scan ↗

English

that we would nevertheless be able to sell our trade goods, as we would then simply send that much more sugar and spices to Suratta or other trading posts, and that we would then have even more profit than otherwise, and I even made him believe that the Company could now immediately make peace with the Nabab if we would only let Trevancoor shift for itself, but that the Company will not do so if Trevancoor only shows itself willing to make our present heavy and oppressive burdens bearable for us; that the King ought at least to help us bear the expenses of only 1000 Sipaijs, whom the Company will keep in its service and train in the use of arms so as to always be employable and able to act whenever the enemy might wish to break through to this side; that his Highness ought then at least to increase the annual delivery of pepper considerably, and to such an extent that approximately as much money can be raised from it as the Company presently spends, and would hereafter still have to spend, for the sake of Trevancoor; that it is even left to his own judgment whether the King is not obliged to meet us halfway, and whether it is at all consistent with reasonableness that, instead of meeting us halfway, almost 200,000 lb less pepper was delivered this year than last year, and that a considerable change for the better must therefore be made in this regard, as it is impossible to endure any longer on this footing. All of the foregoing I presented to him, step by step, in serious, yet at the same time friendly and persuasive terms; indeed, he also listened to everything with composure, and also let slip that he wished the Company had not been brought to the necessity of doing what it is presently doing; but then he continued and demonstrated that the Company does all this as much for its own interest as for the general interest, and that if the Company's own particular interest were not also enclosed therein, it is not to be thought that the Company would take so much trouble and incur so many expenses; that his master presently, and for that same reason as the Company, must also bear so many war expenses, both with the daily fortification of his northern lines and with the hiring and keeping in service of so many extraordinary military men, of whom even 800 men are stationed in the camp at Aijkotta as auxiliary troops paid by his master, for whom the Company should properly make payment, since those troops are effectively serving there on the Company's territory and, just like our men, under the general authority of the Commandant of Aijkotta; that he is quite willing to admit that if we had not stopped the Nabab in his advance before Cranganoor and Aijkotta, he would certainly have penetrated further, either against the Company or against Trevancoor itself; that he trusts, however, that the Company will also be willing to acknowledge that if Trevancoor had not also had its northern lines reinforced and manned with troops, the Nabab would also have been able to penetrate there, and would then also have had it at his choice to attack further whomever he pleased, whether the Company or Trevancoor; and that everyone must therefore bear the burdens he has to carry; that Trevancoor cannot yet say that the Nabab has insulted him, but rather the Company, and that he therefore cannot, nor may, do anything north of Cranganoor; but that if the Nabab should wish to break through, then his militia has orders to act at the place where the breakthrough might occur, or wherever we might deem that his troops ought to go; that his master heartily wishes that the Company may never think, much less decide, to leave him here alone; but that his master—I must surely not take it amiss that he declared it plainly so as not to mislead me—would never agree to pay for soldiers who are in our service, and that if the Company, unexpectedly, should see fit not to remain here any longer, he then requested that his master might be the first to be warned of this, before others might know it, in order to be able to take his measures accordingly in time; that his master, however, being convinced that the Company presently has many expenses, would gladly deliver more pepper than ordinary; but that this cannot happen unless he greatly reduces the contingent of the English; that this could cause him unpleasantness, all the more so because the English are presently very jealous that we are now so openly allied with Trevancoor, of which the minister related many particulars to me in confidence; but that Trevancoor, nevertheless, in order to convince the Company of his goodwill, would endeavor to increase the pepper delivery to such an extent that he did not doubt the Company would be satisfied with it; and finally, that he is also quite willing to believe that we could perhaps immediately make peace with the Nabab, and that the Nabab also immediately

Dutch transcription

dat we onze Handelwhaaren, dan evenwel zouden kunnen verkoopen, alzoo wij dan maar zoo veel meer zuijker en specerijen na Suratta of andere Comptoiren zouden zenden, en dat wij dan zelfs nog meer voordeel zouden hebben als anders, en ik deed Hem zelvs gelooven dat de Compagnie nu wel aanstonds vreede kan maken, met de Nabab, als wij Trevan= „coor maar op zijn eijge wieken willen laten drijven, dog dat de Compagnie dat niet doen zal, als Trevancoor zig maar laat vinden om ons de tegenswoordige zwaare en druk= kende Lasten dragelijk temaken; dat de ko= „ning ons ten minsten diende te helpen dragen, in de onkosten alleen maar van 1000: Sipaijs die de Compagnie in haaren dienst zal hou¬ „den en in den wapenhandel oeffenen, om altoos te kunnen gebruijkt worden, en te kunnen ageeren, wanneer de vijand mogt willen doorbreeken na dezen kant; dat in„ „dien zijn Hoogheijd dan ten minsten Jaar„ „lijks de peper leverantie merkelijk, en zo zeer diende te vermeerderen, dat daar uijt omtrent zoo veel geld kan gevonden worden 66 worden, als de Compagnie om 's Trevancoors wille tans besteed, en na dezen nog zoude moeten besteeden; dat men het aan zijn eige oordeel zelvs overlaat, of de koning niet verpligt is ons tegemoed tekomen, en of het met reedelijkheijd wel bestaanbaar is, dat in steede van ons tegemoed tekomen, dit Jaar wel bij na 200'000: lb: peper mins„ „der geleeverd is, als verleeden Jaar, en dat derhalven hieromtrent een merkelijke veranderinge ten goeden moet gemaakt wor„ „den, alzoo het op dien voet onmogelijk langer doorstaan kan. All dit voorenstaande, hield ik hem voor, trapsgewijze, in serieuze, dog teffens in vriendelijke en overreedende termen; trou„ „wens Hij hoorde ook alles met bedaartheijd aan, en liet zig ook ontvallen, dat Hij wel wenschte, dat de Compagnie niet in de nood„ „zaakelijkheijd gebragt was, om te doen het geen ze tans doed; dog toen ging Hij voort, en toon„ „de aan, dat de Compagnie dit alles zoo veel voor haar eijge, als het algemeene belang doed, dat indien 's Compagnies eijge en bijzonder belang belang, daarin niet teffens opgeslooten was, het niet te denken is, dat de Compagnie dan zig wel zo veel moeijte zavenl moijte zouden geeven en zoo veele onkosten doen; dat zijn meer „ter tans zelvs en om die zelfde reeden als de Compagnie ook zoo veel oorlogs ongelden moet dragen, zo met het dagelijks fortifi„ „ceeren zijnen noordse linie, als met het in dienst neemen, en indienst houden van zoo veel extra ordinaire Militairen, waar van zelfs 800: Man in 't Camp te Aijkotta als auxiliaire troupen leggen, die door zijn meester betaald worden, waarvan de Comp eijgendlijk de betaling diende te doen, alzoo die troupes daar effectief op 's Comp:s grond gebied, en even als ons volk, onder het Gene„ „raal gezag van den Commandant van Aij kotta dienst doen; dat Hij wel wild bekennen dat als wij de Nabab voor Cranganoor en Aijkotta niet in zijn vaart gestuijt hadden, Hij zeekerlijk verder zoude doorgedrongen zijn, hetzij tegen de Compagnie, het zij tege Trevancoor zelfs; dat Hij egter vertrouwd dat de Compagnie ook wel zal willen bekent dat 67 dat indien Trevancoor zijn noordelijke linie¬ ook niet had laten versterken, en met volk bezetten de Nabab daar ook zoude hebben kunnen doordringen, en het dan in zijn keur ook gehad had, om verder aantetasten, wien Hij wilde, het zij de Compagnie, het zij Htem Trevancoor; en dat dus een ijder zig de Lasten getroosten moet, die Hij te dragen heeft; dat Trevancoor nog niet kan zeggen, dat de Nabab Hem beleedigt heeft, maar wel de Compag„ „nie, en dat Hij daarom niets benoorden Cranganoor kan, nog mag, doen; dog dat als de Nabab mogt willen doorbreeken, als dan zijne Militie order heeft, om te agee„ „ren ter plaatse waar de doorbraake mogt geschieden, of waar wij mogten oordeelen dat zijne troupes dienden te komen; dat zijn Meester van harten wenscht, dat de Compagnie nimmer denken, veel min besluijten mag, om hem hier alleen te laten; dog dat zijn Meester /:ik moest het hem tog niet qualijk naemen dat Hij het rond uijt verklaarde om mij niet te mislijden :/ nooit treeden zou om Militaire te betalen, die in onzen onzen dienst zijn, en dat indien de Compagnie onverhoopt eens mogt goedvinden, hier niet meer te blijven, Hij dan verzogt dat zijn Mees„ „ter daarvan het eerst mogt gewaarschouwd wor„ „den, eer het andere mogten weeten, om in tijds zijne maatregulen daarna te kunnen neemen; dat zijn Meester egter overtuijgt zijnde dat de Compagnie tans veel onkosten heeft, gaarne wel meer peper wild leveren als ordinair; dog dat dit niet geschieden kan, of Hij moet het Contingent van de Engelsche zeer verminderen; dat Hem dit on¬ „aangenaamheeden kan baaren, temeer, de En„ „gelsche tans zeer Jalours zijn, om dat wij tans met Trevancoor zo opendlijk verbonden zijn, waer van de Minister mij in vertrouwen al veel bij zon„ „derheeden verhaalde; dog dat Trevancoor even „wel, om de Comp: te overtuijgen, van zijn goedwil„ „ligheijd de peper leverantie zo zeer zoude tragten te vergrooten, dat Hij niet twijffelde of de Comp: zou daarin genoegen neemen, en eijndelijk, dat Hij ook wel gelooven wild, namendlijk, dat wij mogelijk met de Nabab aanstonds wel vraed zouden kunnen maken, en dat de Nabab ook aanstonds 68

NL-HaNA_1.04.02_10309_0419 view scan ↗

English

would readily promise at once to leave us unmolested henceforth, if the Company would be indifferent to the interests of his Master, grant the Nabab only free passage, and let him push through Cranganoor or Aijkotta, but that He holds himself assured that the Company is too prudent to let itself be misled by the Nabab, whose greatest progress is made not only by superior force but also by his known cunning; that the Company knows very well that as soon as He can only push through where He was last stopped, He would go his way and care little about his promised peace, that the Company well knows that the Nabab does everything for which He sees an opportunity, and the breach of faith, word, and honor is daily work with him; that if anyone has experience of this, it is the Company, since He, having had not the least dispute with the Company, upon the march away from the Cochim country, unexpectedly attacked the possessions of the Company in a hostile manner, plundered, burned, and caused devastation upon the same, besieged Chettua, and attacked Cranganoor, and all that still under the name of friendship, that indeed it could not be unknown to me how He was shameless enough, namely to write to Cochim, that He had sent Charder chan to speak about some matters, but that our people of Chettua had fired upon him, and that such was not friendly of us; that Charder chan made the hostile attack on Cranganoor also under the name of friendship and ostensibly to speak to the Commandant, in hopes merely of misleading the Commandant and surprising the Fort; that He holds himself assured that the Nabab will also readily promise Trevancoor never to offend Him if He would also only allow Him to come through his lines or if He would only promise not to help prevent his intrusion at Cranganoor or Aijkotta; but that his king will not be so foolish as to believe such a thing; that besides this his king has too good an opinion of the Company to believe that the Company, even if it could and might once rely on the Nabab, would wish to make a peace with this Tyrant, who has so injured the Company, to the prejudice of its allies; but that if the Company, for the sake of the present costs, should nevertheless resolve to do so, He then requests that his king may be warned thereof in time, in order then to make use of the help of the English and Mahomet Alij, who are also obliged to help Him against those who might offend him, since the Nabab, through the neutrality of the Company, might sometimes break through before He could give notice thereof to the English and Mahomet Alij and these could assist Him. After I had heard him, and had replied what was necessary to the points that required a reply, as those things are also easy to answer, at least can and must be answered to the Native, I nevertheless saw clearly that nothing was to be done about it, and because I judge it of the utmost necessity to remain ever more closely allied with Trevancoor and to remove all suspicion, I did not dare to push the article of the war expenses more strongly than I had already done, and I brought the discussions back into a less serious tone; yet I insisted all the more strongly on the article of the pepper, and that with all the seriousness I could use, just as He also took in good part everything I presented to Him in that regard, and He requested me at last that I would not make myself troublesome nor uneasy in that regard, and made me the strongest promises that his Master would give the Company satisfaction regarding the article of the pepper, and that He on his part would also apply his utmost ability thereto. How far this promise will now be fulfilled, time must tell, yet I do not think that the delivery will be increased to such an extent that the Company would thereby be relieved for a large part of the heavy expenses: The Head Supplier together with the second supplier, and the king's Agent Ananda Mallen, have also these days settled with me the pepper account of the pepper delivered in the year, and received the balance due thereon, amounting to Rupees 42255: 42:—. On that occasion I made again the strongest and most serious representations possible to me about the small pepper delivery of the year, and warned them in a serious manner that it can never continue in this way, and that if indeed far more pepper is not delivered annually than has been delivered up to now, one will perhaps regret it too late: The answer was again the old song, namely that as much is delivered as is possible, that either too great drought or too much rain being repeatedly the causes of a crop failure, it

Dutch transcription

aanstonds wel belooven zoude om ons voortaan ongemolesteert te laaten, indien de Compagnie omtrent de belangens van zijn Meester onver„ „schillig wild zijn, den Nabab maar vrije pas„ „sagie verleenen en door Cranganoor of Aij„ „kotta heen laten dringen, maar dat Hij zig e verzeekerd houd, dat de Compagnie te ver„ „standig is om zig door den Nabab (wiens meeste progressen niet alleen door overmagt maar ook door zijne bekende listen gemaakt worden) te laten mislijden; dat de Comp: zeer wel weet, dat zo dra Hij maar door kan drin„ „gen, waar Hij laatst gestuijt is, Hij zijn gang zoude gaan, en zig weinig stooren aan zijne beloofde vreede, dat de Comp: wel weet, dat de Nabab alles doet, waar toe Hij maar kans ziet, en het schenden van trouw, woord en eer, bij hem dagelijks werk is; dat zo iemand ondervindinge daarvan heeft, de Compagnie het is, alzoo Hij met de Compagnie geen het minste verschil gehad hebbende, bij den afmarsch uijt het Cochimse, op het onverwagts de bezit„ „tingen van de Compagnie vijandelijk aange„ „tast, op dezelve geroofd, gebrand, en verwoes„ „tingen „tingen aangeregt, Chettua beleegerd, en Cran„ „ganoor ge-attacqueert heeft, en dat alles nog onder de naam van vriendschap, dat het im„ „mers mij niet onbekend kon zijn, hoe Hij onbeschaamd genoeg is geweest, namend„ „lijk om na Cochim te schrijven, dat Hij Charder chan gezonden had, om over eenige zaaken te spreeken, maar dat ons volk van Chettua op hem geschooten had, en dat zulks niet vriendelijk van ons was; dat Charder chan de vijandelijke attacque op Cranga= „noor gedaan heeft, ook onder de naam van vriendschap en quanswijs, om den Commandant tespreeken, in hoop om den Commandant maar te mislijden, en het Fort te overrompelen; dat Hij zig verzeekerd houd dat de Nabab Trevancoor ook wel belooven zal, Hem nimmer te beleedigen, indien Hij Hem ook maar wild toelaaten, om door zijn linie te komen of indien Hij maar belooven wild, zijn indrang te Cranganoor of Aijkottan niet tewillen helpen beletten; dog dat zijn koning zo dwaas niet zal zijn, om zulks te gelooven; dat buijten des zijn koning al 69 al te goeden denkbeeld van de Compagnie heeft, om te gelooven, dat de Compagnie, schoon als eens op Nabab staat kunnende en mogende maken, met dezen Geweldenaer die de Compagnie zo geledeert heeft, een vree„ „de zoude willen maken tot prejuditie van haare bondgenooten; dog dat als de Compag„ „nie om de wille van de tegenswoordige kos„ „ten, egter daar toe mogt resolveeren, Hij dan verzoekt, dat zijn koning daarvan in tijds mag gewaarschouwt worden, ten eijs„ „de dan zig van de hulp van de Engelsche en Mahomet Alij te bedienen, de welke ook verpligt zijn Item te helpen, tegen de geene die hem mogten beleedigen alzoo de Nabab door de neútraliteijt van de Com¬ „pagnie, zomtijds zoude kunnen doorbree„ „ken, een Hij aande Engelsche en Maho„ „met Alij daarvan konden kennis geeven en dezen Hem konden assisteeren. Na dat ik hem aangehoord had, en op de poincten, die replig vereijschten het nodige gerepliceerd had, gelijk die dingen ook ligt te beantwoorden zijn, ten minsten bij bij den Jnlander kunnen en moeten be-ant= „woord worden, zo zag ik tog duijdelijk, dat er niets aantedoen was, en dewijl ik het van de uijtterste noodzaakelijkheijd oor„ „deele om met Trevancoor hoe langer hoe nauwer verbonden te blijven, en alle ang„ „waan te verwijden, zo hebbe ik het articul van de oorlogs ongelden, niet sterken dur„ „ven pouseeren, als ik reeds gedaan had, en ik bragt de discoursen weder in een min ernstigen trant; dog ik bleef des te sterker staan op het articul van de peper, en dat met all' den ernst, die ik gebruijken kon, gelijk Hij zig ook alles liet welge¬ „vallen wat ik Item daaromtrend voorhield en Hij verzogt mij op 't laatst, dat ik mij daaromtrent tog niet moeijelijk nog on„ „gerust wilde maaken, en deed mij de kragtigste beloften dat zijn Meester de Compagnie omtrend het articul van de peper genoegen zoude geeven, en dat Hij aan zijne zijde daar toe ook zijne uijtterste vermogen aanwenden zouden. Hoe 70 Hoe verre nu aan deeze belofte zal vol¬ „daan werden, moet de tijd leeren, egter denke niet, dat de leverantie zodanig zal vermeerdert werden, dat de Comp:e daar door voor een groot deel in de swaare onkosten werde gesoulageert: De Hoofd Leverancier benevens de tweede leverancier, en 's konings Agent Ananda Mallen, hebben ook dezen dagen de peper reekeninge van de J:o geleverde Peper, met mij geslooten en het zaldo daar bij tegoed, groot Ro/as 42255: 42:—. ontfangen: bij die gelegentheijd hebbe ik over de J:o geringe peper leverantie weder de kragtigste en ernstigste vertoogen gedaan, die mij moge„ „lijk waaren, en hun op een sirieuse wijze gewaarschouwd, dat het opdien voet nim„ „mer zodanig kan voortduuren, en dat als 'er niet met 'er daad Jaarlijks veel meer peper geleverd werd, als 'er tot dus lange gelevert is, men het zig mogelijk telaat beklaagen zal: Het antwoord was alweeder, het oude liedje, namentl: dat 'er zo veel geleverd word, als mogelijk is, dat of, te groote droogte of te veel regens telkens oorzaaken van een mis gewas zijnde, het

NL-HaNA_1.04.02_10309_0424 view scan ↗

English

it is beyond the king's ability to deliver more pepper than is picked, and more such ordinary excuses; however, they made strong and solemn promises to deliver more pepper and assurances that the king, since the return of his First Minister of State who had recently visited me, had sent strict orders to the pepper suppliers and his other pepper servants to give me more satisfaction regarding this point. Furthermore, I must bring to the notice of your High Nobilities that the Governor of Ceylon, Mr. Falck, in a separate letter dated 21 March of last year, due to the uncertain outcome of the war rumors heard from the Candians, was forced to request the return of two companies of Europeans and three companies of Easterners from the five companies of Europeans, three companies of Easterners, and one company of sepoys present here, in order to be able to arrive in Ceylon before the end of the good monsoon. Your High Nobilities can easily understand that although the bad monsoon is indeed approaching, during which one has not so much to fear from enemy attacks as during the good monsoon, this nevertheless somewhat deranged me and even made me somewhat worried, in order to give the dispatch of five companies at once the best appearance here, which is why I let my thoughts wander to find something for this purpose, while simultaneously reducing the heavy expenses of an army in the field and yet remaining in a good state of defense in proportion to the circumstances of the times. Among other things, it came to my consideration: that experience has after all recently shown that our force was not large enough to retake Chettua and once again become master of the region from there to Cranganore, even now that the Nawab has only a moderate force in these lower lands; that there is also no prospect that we shall be able to obtain such a considerable increase in assistance of European military personnel for the present, which is what is primarily lacking; I say such a considerable increase in assistance, because two to three hundred men, more or less, cannot be counted on much against this powerful and war-experienced enemy; that consequently little hope remains for us to recover the lost territory for the present; that even if we could do this, we would nevertheless have to have and maintain a considerable force to preserve it, now that the Nawab has free passage through the Cochin country on the other side of the river; that it therefore seems unlikely that we shall be able to become and remain masters thereof again, unless the same is returned to us by the Nawab and an agreement is struck with him, for which as yet there is not the slightest prospect, since he leaves the letters unanswered and has not yet shown any opportunity or inclination to enter into a negotiation; that besides this, I have hitherto seen not the slightest suitable opportunity to bring the matter to an end, not even in the manner for which your High Nobilities have qualified me in case of absolute necessity and if it could not be done in any other way; that since we shall thus for the present virtually have to abandon this region, it might perhaps be best merely to permit the Paliath Achan tacitly to take over that region on lease or in tribute, without therefore renouncing our right to the same; that the Nawab will then undoubtedly withdraw his troops from that country, except from Chettua, in which he will certainly always leave a proper garrison; that the Paliath Achan, seeing that we do not disturb him in the possession thereof, and finding his interest in this new lease, will on account of his own interest and ambition try to persuade the Nawab to desist from further undertakings, at least as long as he is not fully determined to make conquests upon Travancore; that upon seeing the Nawab's troops withdraw from there, one would not then need to let such an expensive army camp near Cranganore, but Cranganore being strongly garrisoned and well-provided with everything, our remaining force could be brought to Cochin and kept there, in order to be able to assist Cranganore in case of need and also to reinforce Ayacotta; all this, I say, having been considered by me, I believe that this is the only path that can be taken for the present under these circumstances of the times, and I have all the more favored this thought, namely to permit the Paliath Achan tacitly to take the region in question on lease, and thereby cause the enemy troops to depart from there, partly because the return of the Ceylon troops can then bear the pretense that so many men are no longer needed here, which then might also make some change in the plans of the Candians in Ceylon, and partly because, in my humble judgment, I consider the tacit administration over the region by the Paliath Achan to be even better than making peace with the Nawab, who, even if he were willing, would not enter into it except in that manner to which your High Nobilities have qualified me as an absolute last resort; for then we would entirely lose our right to the region and moreover be in the same situation we are in now, namely to remain in a good state of defense.

Dutch transcription

het buijten 's konings vermoogen is, meer peper televeren als 'er geplukt word, en diergelijke ordinaire excepties meer; egter deedenze kragtige en duure beloften van meer peper te zullen leveren en ver„ „zeekeringen, dat de koning, 'tzedert de terug komste van zijn Eersten staads minister die onlangs bij mij geweest was, scherpe ordres aan de Peper leveranciers en zijne verdere peper Bediendens gezonden had om mij omtrent dit articul meer ge„ „noegen tegeven Wijders moet ik uw Hoog Edelheedens nog ter kennisse brengen, dat de. Heer Ceijlons Gouverneur Falck bij apparte brief van den 21:' Maart J:o leeden, uijt hoofde vande onzeekere uijt komsten der oorlogs gerugten, die van de Candianen vernoomen wierden, genoodzaakt is geweest, van de hier zijnde vijf Compa¬ „men Europeezen, drie Companien oosterlingen, en een Comp: sipais, twee Compannen Europee„ „zen en drie Comp:e oosterlingen terug te ver„ „zoeken, ten eijnde met het eijndigen vande goede Mousson op Ceilon te kunnen zijn Uw Hoog Edelheedens kunnen ligt begrijpen dat dat schoon de quaade Mousson wel aanstaande is, waar in men zo zeer niet voor vijandelijke aanvallen, als wel in de goede Mousson te vreezen heeft, mij zulks egter eenigzints gederangeerd, en zelfs wat bezorgd gemaakt, heeft, om de verzendinge van vijf Compannen tegelijk, alhier den besten naam afschijn tegeven, waarom ik mijne gedagten hebbe laten gaan, om daar toe iets uijttevinden teffens de zwaare kosten van een ten velde leg„ „gend leger te verminderen, en egter in een goeden staat van defensie, na maate van de tijds omstandigheeden, te blijven. onder andere kwam bij mij in consi„ „deratie. dat de ondervindinge tog laatst geleert heeft, dat onse magt niet groot genoeg is geweest om zelfs nu de Nabab maar een tamelijke magt in deeze beneeden landen heeft, Chettua te herneemen en weder meester vande land„ „streek van daar tot Cranganoor tewerden dat 'er ook geen apparentie is, dat wij voor eerst zo een aanmerkelijke meerder assistentie van Europeeze militairen zullen kunnen be„ „komen, en waar aan het voornamentlijk ontbreekt meer 71 ontbreekt, ik zegge zo een aanmerkelijke meerder assistentie, om dat op twee à drie hondert man meer of min, teegens deezen magtigen en in den oorlog bedreeven vijand, met Hoog te reekenen is; dat 'er derhalven voor ons weijnige hoope over„ „blijft, om het verloorene voor eerst weder te bemagtigen dat zo wij dit al eens konden doen, wij egter een aanmerkelijke magt zouden moeten hebben en houden om het te bewaaren, nu de Nabab een vrije door „togt door het Cochimse land aan de overkant der revier heeft. dat het dus geen schijn heeft, dat wij weder daarvan meester zullen kunnen werden en blijven, zo ons het zelve niet door de Nabab, word terug gegeven en met hem een vergelijk getroffen worde, waar toe als nog geene deminste apparentie is, dewijl hij de brieven onbeantwoord laat, en nog geene gelegentheijd of genegentheijd betoond, om tot een onderhandelinge tekomen; dat ik buijten des tot nog toe geene deminste voegelijke gelegentheijd zie, om aan de zaak een eijnde tebrengen, zelfs niet op die wijze, waar toe uw Hoog Edelheedens, in cas van absolute nood„ „zaakelijkheijd, en als het op geene andere wijze te doen 8 tedoen mogt zijn, mij gequalificeerd hebben. dat dewijl wij dus deeze landstreek voor eerst ge„ „noegzaam zullen moeten abandonneeren, het mogelijk wel het beste zoude zijn, den zaljetter eenelijk oogluijkende toetelaaten, die landstreek in pagt of in contributie te aanvaarden, zon„ „der daarom van ons regt op dezelve aftezien. dat de Nabab als dan ongetwijffeld zijne troupen uijt dat land wel zal trekken, behalven uijt Chettua, waar in wij zekerlijk altoos wel een behoorlijk guarnizoen zal laaten dat de saljetter ziende dat wij hem in de bezittin„ „ge daarvan niet stooren, en Hij zijn intrest bij deeze nieuwe pagt vindende, uijt hoofde van zijn eijge belang en staat-rugt, den Nabab wel zal tragten te beweegen, om aftezien van verdere onderneemingen, ten minsten zo lange, hij niet volstoekt van zints is, om Conquesten op Trevan„ coor temaaken: dat men ziender, de troupen van den Nabub daar uijttrekken, men als dan zo geen kost„ baar leeger onder Cranganoor behoefd te laaten campeeren, maar Cranganoor sterk bezet en van alles welverzien zijnde, onze verdere mogt na Cochim kon laaten komen, en daar aanhouden meerder 72 3 aanhouden, om Cranganoor des noods te kunnen bijspringen, en ook aijkotta te verstaaken; dit alles zeg ik, bij mij overwoogen zijnde, zo meene ik, dat dit de eenigste weg is, die me in deeze tijds omstandigheeden, voor eerst kan inslaad, en ik ben op deeze gedagten des temee gevallen, namentlijk om den Paljetter oogluijs „de toetelaaten, de bewuste landstreek in pagt teneemen, en daar door de vijandelijke troupes daar uijt te doen vertrekken, deels om dat daen het terug zenden van den Ceijlonsen troupen, denaam kan draagen, als of men hier zoveel volk niet meer noodig heeft, het geen dan teffens, in't bestek van de Candianen op Ceijlon ook min of meer, veranderinge kan maaken, en ander„ „deels, omdat ik het oogluijkend bestier over de landstreek door den Paljetter, na mijn ge„ „ring oordeel, nog beeter oordeele als den vreede met den Nabab temaaken, die alwilde Hij, daar toe tog niet anders treeden zoude als op die wijze waar op uw Hoog Edelheed:s mij tot het alleruijt „tersten gequalificeerd hebben; want dan waaren we ons regt op de landstreek ten eenemaal, quijt en boven dien in't zelfde geval waarwe nu in zijn namentlijk om in een goeden staat van defensie te blijven

NL-HaNA_1.04.02_10309_0429 view scan ↗

English

to remain, and to grant him under the name of peace and friendship all sorts of troublesome and demanding requests, which he would claim forever, and which we would also have to grant if we did not wish to immediately run into difficulties with him again, for such is his nature, and such is his manner of dealing; besides that, now that he has already cast off his mask and has not spared the Company, one can expect nothing else from him than that he will keep the peace no longer than his interests and capabilities dictate, and until he sees an opportunity, under the guise of friendship, to break through the Travancore Lines or our posts at Cranganore and Ayacotta: for if he saw an opportunity for it now, he would surely do it now as well, so that both in peace and out of peace we must nevertheless remain for the time being in a posture of defense, and during the Good Monsoon we will have to secure Baypin by sea. Meanwhile, one can see how his affairs turn out further to the north, whether the Marathas can subdue him, or whether, on account of his advanced age, he will not die soon, in which case affairs must naturally change and we will then still have retained our right to the territory. Yet my greatest difficulty was not to let the Paliath Achan notice that I was doing this out of necessity on our part, but to make him believe that I was doing this as a favor, in order to accommodate him in his circumstances: and thus there would have been no other way than to have him prepared by a confidant, and to have him advised, as if without my knowledge, to request this of me; yet however much I would have liked to keep this to myself alone, I would nevertheless have had to take that route had I not recently, by chance, received the most excellent opportunity to negotiate my project directly with him without any suspicion. For the Paliath Achan having informed me the other day through his brother that he was very despondent and almost no longer knew what he ought to do or refrain from doing under these current circumstances; that neither the King of Cochin nor other Malabar kings are able to withstand the Nabob, but that the Company, if it truly wished to do so, could indeed do it alone, if only it would send a large force of men and ships here; that his king well knows that this costs a great deal of money and the Company might therefore not wish to do it, but that if the Company should refrain because of the expenses, his king would then be quite willing to hand over his lands to the Company, so that it might enjoy the revenues thereof until the expenses were reimbursed, provided that the king was meanwhile provided with the necessary maintenance. This seemed very suspicious to me for several reasons, and after having well considered the matter both in abstract and in connection, as well with regard to the person of the Paliath Achan and his circumstances, as with regard to the conferences I recently held with Travancore's minister, and the secret prospect I have of also claiming a portion for the Company should Travancore ever do away with the Cochiner; I say, after having well considered all this, I thought I could safely conclude that this was done for no other reason than merely to sound out our inclination, since the Paliath Achan knows very well that his doings and commitments regarding the Nabob are conspicuous and suspect to us as well as to Travancore, and he also knows only too well that the Cochiner cannot make this offer, nor can it be accepted, because the King of Cochin has no disposal over any of his lands. Thus I let him know in reply that I regarded this proposal as a despondency over the misfortune that had recently befallen him with the Nayar of Travancore, but that this was not of such a nature that he needed to be so uneasy about it; that after all, upon investigation, it appeared to have happened by chance and therefore could have no consequences; that he is indeed currently in difficult circumstances, but that these are nevertheless not such that he needs to change measures so abruptly; that he has hitherto governed his lands in reasonable peace through good management, and by the same means and ways can do so even longer and possibly until circumstances take a favorable turn; that the Company, instead of taking over his king's lands, wishes His Highness much rather even greater power and more territory; and that since the difficult circumstances in which he finds himself possibly stem in part from his being pressed again by the Nabob to lease the territory from Cranganore to Chettua, he should not take that matter so hard; since this being absolutely demanded, and he being no longer able to excuse himself from it, I might then, for his sake, be willing to overlook it and put an end for a time to those troublesome solicitations; this latter I actually let him know solely to sound him out whether he still has an inclination to take that territory on lease. This brother of the Paliath Achan, in order not to be recognized, had dressed himself in European clothing, and was thus dressed as the most well-to-do Topasses go dressed; the place and time of our conversation was in the evening between nine and ten o'clock in the outer garden, and he paid his visit so covertly that until now no one knows that he himself was

Dutch transcription

blijven, en Hem onder den naam van vreede en vriendschap allerleije lastige en uijtzigtelijke ver„ „zoeken intewilligen, die hij voor goed doen zoude en wij ook zouden moeten inwilligen, indien we niet weder aanstonds in moeijelijkheeden met hem wilden geraaken, want zodanig bestaat Hij, en zodanig is zijne handelwijze; behalven dat, zo heeft men van hem nu Hij zijn masker reeds afgelegt en de comp: niet ontzien heeft, niets anders tewagten, als dat hij den vreede niet langer gestand houden zal, als zijne belangen en vermogens meede bren„ „gen, en tot dat wij maar eens kans ziet, om onderschijn van vriendschap, door de Linie van Trevancoor of onze posten Cranganoor en Aijkotta door te breeken: want zag wij daar nu kans toe, Hij deed het nu gewisselijk ook, zodat we zowel invreede als buijten vreede even wel voor eerst nog in postuur van defensie blijven, en in de Goede Mousson, ter zee Baijpin zullen moeten beveijligen; Jntusschen ken men zien hoe zijne zaaken om de Noord verder uijtvallen, of de Marattas hem kunnen ten onderbrengen, dan wel of Hij mits zijne hooge Iaaren, niet haaft sterven zal, als wanneer de unnen de zaaken natuurlijker wijze moeten veranderen en wij dan ons regt op de Landstreek nog behouden hebben. Dog mijn grootste zwarigheijd was, om den Paljetter niet te doen merken, dat ik zulx uijt hoofde van noodzakelijkheijd aan onze zijde deed, maar om htem tedoen gelooven, dat ik zulks als een gunst deed, om hem in zijne omstan„ „digheeden tegemoed te komen: en dus zoude daar geen andere weg toegeweest zijn, als htem door een vertrouweling te laaten voor berijden, en als zonder mijn weeten, te doen aanraaden om mij daarom te verzoeken: dan hoe zeer ik dit gaarne voor mij alleen zoude hebben willen houden, zo zoude ik egter dien weg wel hebben moeten inslaan, indien ik dezer dagen niet toevallig de allerschoonste gelegentheijd gekregen had, om mijn project zonder eenig argwaan met hem zelvs te verhandelen want De Paljetter mij onderdaags door zijn Broeder hebbende laten bekent maaken, dat hij zeer mistroostig was, en bij na niet meer wist, wat hij in deeze tijds omstandigheeden doen of laten moest; dat nog de koning van Cochim, nog ander mal„ „labaarse koningen in staat zijn, om den Nabab tegen 73. tegen te staan, maar dat de Comp: zulks Effec„ „tief willende doen, ook waarlijk wel alleen kan doen, als zij maar een groote-magt van volk en scheepen hier wild laten komen; dat zijn koning welweet, dat zulks zeer veel geld kost, ende comp: het daarom mogelijk niet doen wild, maar, dat indien de comp: het om de onkosten laten mogt, zijn koning als dan Des„ „selds landen aande comp: wel zoude willen overgeeven, om daarvan de revenuen te genieten, tot dat de onkosten voldaan zouden zijn, mits de koning intusschen maar het noodig onder„ „houd bezorgd werde: Ditkwam mij om verscheijde reeden zeer ver„ „dagt voor, en na het een en ander, zo met rela„ „tie tot den Perzoon vanden Paljetter en zijne omstandigheeden, als met relatie tot de conte„ „renties, die ik laatst met frevancoors Mi„ „nister gehouden, en het heijmelijk uijtzigt dat ik hebbe, om wanneer Trevancoor den Cochim„ „der eens mogt van kant helpen, ook een portie voorde Comp: te bedingen; ik zegge na dat ik het een en ander zo in abstracto, als in Connectie, wel overwoogen had, zo meende ik gerustelijk temogen besluijten, dat dit niet anders n de anders geschiedde, als alleen maar om onze genegentheijd te possen, alzo de zaljetter zeer wel weet dat zijne gedoentens en believingen omtrent den Nabab bij ons zowel als bij Trevancoor in het oog loopen, en verdagt zijn en Hij ook maar altewel weet, dat de Co „chimer deeze aanbieding niet kan doen nog dat dezelve ook niet kan ge-accepteert worden, om dat de koning van Cochim geene dispositie over eenige van zijne landen heeft, dus liet ik hem hier op weeten, dat ik deezen voorstel aanmerkte, als eene neerslagtig„ „heijd, wegens het Hem Jongst overgekomen on„ „geval met den Naieu van Trevancoor, maar dat dit van dien aard niet was, dat hij daar over zo zeer ongerust behoefde te zijn; dat immers bij onderzoek gebleeken is, dat dit toevallig was gebeurt, en dus van geen gevolg konde zijn, dat hij tans wel in moeijelijke om„ „standigheeden is, maar dat die egter zo niet zijn, dat hij daarom zo eentklaps van maat regu„ door goed beleijd zijne Landen „len behoefd te veranderen; dan thij dus lange„ in tamelijke rust heeft bedeert, en het door dezelfde midddlen en weegen nog langer en mogelijk wel zolang kan doen, tot dat de omstandigheeden een 74 een voordeeligen keer neemen; dat de Comp in steede van zijn konings landen overteneemen, zijn Ho:t veel liever nog Grooter vermoogen en meerder lands toewenscht, en dat dewijl de moeijelijke omstandigheeden, waar in hij zig bevind, mogelijk voor een gedeelte voortkomen, om dat hij weder door de Nabab gedrongen word, om de landstreek van Cranganoer tot Chettua in pagt te aanvaarden; hij die zaak, zo swaar niet moet opneemen; alzo dit dan absolut begeert wordende, en wij 'er zig niet langer van kun „nende excuseeren, ik zulks dan mogelijk om zijnent wille wel oogluijkende zouden willen aan„ „zien, en voor een tijd van die moeijelijke aanzoe„ „kingen een eijnde maaken; dit laatste hibbe ik hem eijgentlijk laaten weeten, eenelijk, om Htem te polsen of hij nog genegentheijd heeft om die landstreek in pagt overteneemen Deeze Broeder van den Paljetter had, om niet bekend te zijn, zig in Europeeze kleedinge gestooken, en was dus gekleed gelijk de gegoedste toepassen gekleed gaan; de plaats en tijd van ons gesprek was savonds tusschen negen en tien uuren in de buijten thuijn, en zijne visite heeft wij zo bedekt afgelegd, dat tot nog toe niemand weet, dat hij zelve van

NL-HaNA_1.04.02_10309_0434 view scan ↗

English

has been with me; but the [illegible] from home, much less the Paljetter had already let me know in advance that his brother would come to me incognito to speak with me for and on his behalf. He seemed to be pleased with my answer and promised me that he would return soon, but up to now he has not come back, but has let me know that he is ill, and from this feigned illness, merely to gain time, I firmly conclude that the Paljetter is presently in correspondence with the Nabab about it. But if I should not succeed in this intention of mine (which I hope will meet with Your Right Excellencies' honored approval, because we thereby give away nothing, but retain our previous right to this land to take it back again whenever we can), in order to relieve the Company of heavy expenses in that manner, then I am of the opinion that, if circumstances remain as they are and the Nabab sends no greater force, we could nevertheless withdraw the encampment and rely upon the fort Cranganoor, provided that it be garrisoned with one company of Europeans and one company of Easterners, along with 25 to 30 good artillerymen, and be properly provided with the necessary ammunition and provisions under the authority of a skilled and calm Commander; and to this end I most respectfully request to be provided with Your Right Excellencies' much honored orders. In the meantime I have provisionally, as it is now in any case necessary, already had the fort sufficiently strengthened wherever it was in the least necessary, had the dilapidated outwork and the faussebraye, which had lain collapsed in several places for many years, repaired, and in a word brought the fort into that state in which it was of old, because it was previously judged that it was not necessary to repair what was dilapidated outside the main rampart wall, but that it could well remain as it was, just as it might well remain so if one did not presently have to fear so enterprising and powerful a neighbor; and which fort, if it is well commanded, is very strong and not easily to be taken. While in the meantime the retrenchment before the same, which is provided all around with a dry ditch and furthermore with chevaux-de-frise and sharp storm palisades, can remain and be maintained as it is, and can be of not the least use to the enemy, even if he were to make his trenches so close and dare to advance so near that he got into it, since it can be completely commanded and swept from all sides of the fort. Currently I am engaged in having the ditch of the fort dredged, which in the course of time had silted up so full of earth (for the ditch obtains its water through a sluice from the river, which there as well as here rises and falls with the ebb and flood) that at high water one can wade through it and at low water pass through it virtually dry. It is indeed not yet finished, and if the rainy monsoon sets in rather suddenly, it will be somewhat delayed; but I think to continue with it at intervals when the weather is good, and I hold myself assured that the ditch will be completely finished before the good monsoon arrives, the more so as, as can be seen from the map, it is not very extensive, but lies only on the landward side of the fort, as the fort on the other side lies virtually to the right and left, and thus fully half along the river; and Your Right Excellencies may be assured that regarding the strengthening of Cranganoor the necessary attentiveness and frugality are observed. I dare safely rely upon the accuracy and attentiveness of the Commander, who until today has kept a general eye on it, and on the other persons who have kept special supervision over both the work and the workmen and the materials, and I myself go there continually for a single day, as I can sometimes break away from here, but I am very satisfied with what is being done there, with regard both to the work itself and to the frugality and the prudence that are observed therein. When the ditch shall be dredged out and the main rampart touched up here and there a little where some stones have fallen out through age, then I shall have the honor of informing Your Right Excellencies of the cost thereof; this however I can already say of it, that it will not amount to very much. In the meantime, during the forthcoming bad monsoon, I will again garrison Cranganoor and Aykotta as last year, only with this difference, that in order not to give the enemy (who will surely soon have report of the dispatch of the aforesaid five companies) any perception of our weakness, I will now leave two companies of Europeans in the camp before Cranganoor instead of one. On the 7th of this month I had the honor to receive via Ceylon Your Right Excellencies' secret missive of 2 January last, wherein Your Right Excellencies are pleased to charge me with the recruitment of 300 Moorish sailors at most for 6 rupees per month. The present circumstances here make it impossible for me to obtain Moors from Calicut and Mangalore as in former times, as both these places presently fall under the Nabab, who does not permit the recruitment thereof, but far

Dutch transcription

bij mij geweest is; dog de van huijs, veel min zaljetter had mij van tevooren reeds laten weeten, dat zijn broeder in cognito bij mij zoude komen, om met mij voor en van weegens Hem te spreeken Hijscheen met mijn antwoord in zijn schik tezijn, en beloofde mij spoedig wederom te zullen komen: dog tot nog toe is wij niet weder gekomen, maar heeft mij laten weeten, dat hij zieh is, en uijt deze voorgewende ziekte om maar tijd tewinnen, besluijte ik vast, dat de Paljetter daar over tans met den Nabab in Correspondentie is. dat Maar zo ik in dit mijn voorneemen ik Hoope uw Hoog Edelheedens geeerde goed keu„ „ring zal wegdragen, om dat wij daarbij niets weggeven, maar ons voorig regt houden op dit land, om het wederom teneemen, zo daa wij kunnen) niet mogte slagen, om op die wijze de Comp: van swaare kosten te ontlasten, dan meene ik, dat wij, zo de omstandigheeden zo blijven, en dat de Nabab geen grooter magt afsend, evenwel het Campement zouden kunnen intrekken, en het laaten aankomen op het port Cranganoor, mits het zelve met een Comp:e Europeeze 75 Europeeze en een Comp: oosterlingen benevens 25: â 30: goede arthilleristen bezet, en met de noodige ammonitie en provisie behoorlijk voor„ „zien werde, onder 't gezag van een kundig en bedaard Commandant; en hier toe verzoek ik eerbiedigst om met uw Hoog Edelheed:s veel g'eerde ordre gemunneert temogen werden. Intusschen hebbe bij provisie, als zijnde nu in alle gevallen, noodzakelijk, reeds het pont, waar het maar eenigzints noodig was, sufficant laten versterken, het vervallene buijtenwerk en de Tausebraij, die al van lange Jaaren op verscheijde plaatzen ingestort lag, laaten ophaalen, en met een woord het fort gebragt in dien staat, waar in het van ouds geweest is, om dat men bevoorens, geoordeelt heeft, dat het niet noodig was, het vervallene, buijten de vaste wal muur optehaalen, maar, dat het zelve zodanig wel kon blijven, gelijk het ook wel zodanig zoude kunnen blijven, in „dien men tegenswoordig, met zo een onder „neemend en magtig geweesenaar tevreezen had, en welk fort, als het wel gecommandeerd word, zeer sterk en niet ligt wegteneemen is; Jerwijl intusschen het Retuanchement voor het zelve zelve, dat rondsom met een drooge gragt en voorts met spaanse Ruijters en scherpe stormpaalen voorzien is, zodanig kan blijven, en onderhoui„ „den worden, als het is, en voorden vijand van geen het minste nut kan zijn, schoon wij al eens zo na bij zijne tranchees maakte, en zo na durvde advanceeren, dat hij 'er in „kwam, alzo het ten eenemaal en van alle kanten van het bort gecommandeerd en bestreeken kan worden. thans ben ik bezig, om de gragt van het fort uijt te laaten diepen, die door langheijd gen vol gespoeld was, dat men bij hoogwater (:want de gragt erlangd des tijds zodanig verland haar waater, door een sluijs uijt de revier, die daar zowel als hier met eb en vloed af en toeneemd / dezelve doorwaaden en bij laagwater genoegzaam droog daar door gaan kan: ze is wel nog niet klaar en als de regen Mousson wat schielijk invald, zal het wel wat tegen gehouden worden, dog ik denke, bij tussen tijden, wanneer het goed weer is daarmeede telaaten voortvaaren, en houde mij verzekert dat de gragt ten eenemaal zal klaar zijn, eer de goede mousson aankomt, temeer dezelve zo als uijt de kaart tezien is, niet zeer 76 zeer uijtgestrekt is, maar alleenlijk aan de land zijde van 't fort legd, alzo het fort van de andere kant genoegzaam regts en links, en dus wel voor de helfte aan de revier legt: en uw Hoog Edelheed:s gelieven verzekert te zijn, dat omtrent het verster„ „ken van Cranganoor denoodige oplet„ „tentheijd en zuijnigheijd betragt word; ik durve mij gerust verlaaten, op de accura„ „tesse en oplettendheijd van den Comman„ „dant, die tot heeden toe, het generaale oog daar op gehouden heeft, en op de verdere perzoonen die het speciaale toezigt, zo over het werk, als 't werksvolk en de materialen gehouden hebben, en ik zelve gaa geduurig voor een enkelde dag daar na toe, na maate ik hier somtijds af„ „breeken kan, maar ik ben over het geen daar gedaan word, zeer voldaan, met betrekkinge zo tot het werk zelvs, als tot de zuijnigheijd en 't overleg, dat 'er bij gehouden word: als de gragt uijtgediept en de hoofd „wal hier en daar nog een weijnig aange„ „streeken zal zijn, alwaar eenige steenen door ouderdom uijtgevallen zijn, dan zal ik de de eere hebben uw Hoog Edelheedens het kostende daarvan te bedeelen; dit kan ik 'er egter reeds van zeggen, dat het met zeer veel bedragen zal. Intusschen zal ik Cranganoor en aijkotta in de aanstaande quade Mousson weder zodanig bezet houden, als verleede Jaar alleen met dit onderscheijd, dat ik om bij den vijand, die tog ten eersten narigt zal hebben van de verzendinge der voorsz: vijf Compa„ „men, geen gevoelen van onze zwakheijd tedoen verwekken, in't Camp voor Cranganoor in steede van eene, nu twee Companien Europeezen laaten zal. Den 7:' dezer hebbe over Ceijlon de eer gehad te ontvangen uw Hoog Edelheed:s secreete missive van den 2:' Janu: J:o leeden, waar bij uw Hoog Edelhed:s mij gelieven op tedragen het werven van 300: moorse mattroozen ten uijttersten voor 6: rop:s per maand; de tijds omstandigheiden alhier maken het voor mij onmogelijk, om gelijk in voorige tijden, mooren van Calicoet en Mangaloor tekrijgen, alzo beijde deze plaatzen tans onder den Nabab sorteeren, die de wervinge daar van niet toestaan, maar veel

NL-HaNA_1.04.02_10309_0439 view scan ↗

English

would much sooner prevent it: but because I had already been privately informed of the shortage of sailors over there, and because the ships de Jndiaan and Groenendaal, but especially the Jndiaan due to sickness and mortality, were also short of men, I had already considered this in advance and at the same time managed to gather some Moorish sailors hereabouts and distributed them among the said ships. However, as soon as I received Your High Noble Lordships' honored order, I immediately tried to gather even more, but up to the date of this letter, with everything combined, I have not been able to obtain more than 102 heads, of which 42 are on Groenendaal and 60 on the Jndiaan. Yet I still have hope, or at least a promise, of obtaining a few more before the departure of the Jndiaan, it having been utterly impossible for me to engage them for less than 6 rupees, for they said outright that many Moorish sailors with the Company also earned that much, and that they would not serve for less; they also demanded 5 months in advance, but I satisfied them with 3 months to give to their wives and children. These men have been carefully examined by judicial members who conducted the muster of the ship Groenendaal, and whose report thereof I have the honor to present herewith to Your High Noble Lordships, along with the triplicate of my last separate letter addressed to Your High Noble Lordships. In the meantime I have the high honor to remain, with the utmost respect, High Noble, Right Honorable, Wide-commanding Lord, and Noble Lords! Your High Noble Lordships' humble and obedient servant, was signed A:n Moens In the margin: Cochim, the 24th of April 1778. Agreed J: Schemering J A Dannichen First Secretary Examined Copy Separate No 5. Batavia To His High Nobility The High Noble, Right Honorable Lord Reinier de Klerk Governor General, Together with The Noble Lords Councilors Of the Netherlands Indies. High Noble, Right Honorable, Wide-commanding Lord And Noble Lords! Herewith I have the honor to present to Your High Noble Lordships the duplicate of my last separate letter of the 24th instant. Since then, the Lord Governor of Ceylon, Falck, has further requested the return of two companies of Europeans and three companies of Easterners, because the Kandians are gathering along the borders of the Putulang and Chilauw lands, and are also assembling many men in the Three and Four Korales as well as in Saffergam, and are making much boast of their intention to force us, with the help of the mainland Coast, to restore the conquered shores. One company of Europeans and two companies of Easterners have already departed on the 24th instant on the ship Groenendaal, and now the second company of Europeans, or rather the Company of Jagers, and the third company of Easterners, under Captain Moendoe, are departing on the ship d'Jndiaan. I had already heard of those Kandian rumors during the fair monsoon, and because they could influence circumstances here, and I was thus already mindful of having to send back a large part of the Ceylon troops, in case those rumors might perhaps have some consequence, I had already turned my thoughts toward engaging some local people here to be used as native soldiers. For that purpose, I also obtained voluntarily some native Christians and Chegossen, native Malabars, for merely 3¾ rupees a month, without rice or anything else, who, being diligently trained in the use of arms, are already progressing quite well therein and behaved reasonably boldly during the recent action of the 3rd of March. And although they are not a bellicose people, they are nevertheless at least as good as the Nairs of Travancore and Cochim, and even better, because they are disciplined after our manner, and on account of a light uniform which they wear, present the same appearance as sepoys. Added to this is that they, as inhabitants who have wives, children, and family here, will fight almost as well for their peaceful abode—and thus out of their own interest—and will desert less than the sepoys, who, as foreigners, often run from one to the other according to how the fortunes of war incline. I even have some of them take turns doing garrison duty to accustom them to everything and to be able to use them for everything if necessary. The Chegossen are heathens and bolder than the Christians, but the native Christians, being Roman Catholics, are encouraged and animated by the Roman Catholic priests, at my private request, to serve the Lord of the land with arms. And since these Chegossen and Christians cost little, I shall see to keep a certain fixed number of that people from among the strongest and most agile fellows

Dutch transcription

veel eer beletten zoude: dan om dat ik reets in't particulier g'informeert was van het gebrek van zeevaarende ginter en om dat de scheepen de Jndiaan en Groenendaal, dog inzonderheijd de Jndiaan doorziekte en sterfte, ook swak van volk waaren, zo hadde ik reeds in voorraad daar aan gedagt, en teffens hier omstreeks eenige moorse zeevaarende weeten bij elkander tekrijgen en op gem: scheepen verdeelt, dog zo dra ik uw Hoog Edelheedens ge-eerde ordre erlangde, hebbe ten eersten nog meer bij elkander zoeken te krijgen, maar tot onder dato dezes, met alles en alles niet meer als 102: koppen kunnen krijgen, waar van 42: op Groenen„ „daal en 60: op de Jndiaan zijn, dog ik hebbe nog hoop ten minsten belofte, voor het ver„ trek van de Jndiaan nog eenige te zullen erlangen, zijnde het mij volstaekt onmo„ „gelijk geweest, hun voor minder als 6: rop:s te engageeren, want ze zeijden regt uijt, dat veele moorse zeevaarende bij de comp: ook zo veel wonnen, en dat ze voor niet min„ „der wilden dienen; ze begeerden ook 5: maan„ „den op de hand, egter hebbe ik hun te vreeden gesteld 77 gesteld met 3: maanden om aan Hunne vrouwen en kinderen tegeven: dezelve zijn door Justitieele leeden, die de monsteringe van het schip Groenendaal gedaan hebben naauwkeurig ge-examineerd, en win berigt daar van, hebbe de eere uw Hoog Edelheedens hier neevens aantebieden, benevens het Jripli „caat van mijn laatste apparte aan uw Hoog Edelheedens geregt Inmiddels hebbe de Hooge Eere, met demeeste Eerbied te verblijven. /:onderstond:/ Hoog Edele„ Groot Agtbaare wijdgebiedende Heer, en wel Edele Heeren! uw Hoog Edelheedens onderdanig en Gehoorzaame dienaar /:was getekent A:n Moens /:in margine:/ Cochim den 24: april 1778: Accordeerd J: Schemering J A Dannichen Pr. Secrets Nagezien Copia Apart 78 N=o 5. Batavia Aan zijn Hoog Edelheid G Den Hoog Edelen, Groot Achtbaaren Heer Reinier de Klerk Gouverneur Generaal, Benevens De Wel Edele Heeren Raaden Van Nederlands Jndia. Hoog Edele, Groot Achtbaare, Wijdgebiedende Heer En Wel Edele Heeren! Hier nevens hebbe de eere uw Hoog Edelheedens aan te bieden het duplicaat mij„ „ner laatste aparte van den 24. ' Courant= zedert heeft de Heer Ceilons Gouverneur Falck, de terug zendinge van twee Companien Europeezen Europeezen en drie Companien Oosterlingen nader verzogt, dewijl de Candianen zig langs de Gren „zen van de Putulangse en Chilauwse landen verzamelen, en ook veel volks in de drie en vier Corles zo mede in saffergam bij een trekt, en datze veel opheft maken van bhien voorneemen om ons door hulp van de vaste Cust tot den weder afstand, van de veroverde stranden te noodzaken; de eene Comp: Europeezen en twee Companien oosterlingen zijn reets den 24. ' dezer per het schip Groenendaal vertrokken, en tans vertrekken de tweede Compagnie Europeezen, of eijgentlijk de Comp: Jagers, en de derde Comp: oosterlingen, van Capitain Moendoe, per het schip d'Jndiaan. Jk had van die Candiaanse gerugten in de goede mousson reets al gehoord, en om dat dezelve op de omstandigheeden alhier invloed konden hebben, en ik dus op de terug zendinge van een groot deel der Ceijlonse troupes al verdagt was, zo hebbe ik, of die gerugten ook somtijds van eenig gevolg mogten zijn, toen al mijne gedagten laten gaan, om hier eenig lands volk te enga„ „geeren, om zig als inlandse militairen te laten gebruijken, en hebbe daar toe ook vrijwillig gekreegen eenige inlandse Chris„ „tenen en Chegossen, naturelle mallabaaren eenelijk voor 3¾. ropijen 'smaands, zonder rijst 79 rijst of iets anders, dewelke in den wapenhandel naar„ „stig geoeffend wordende, daar in al tamelijk vor„ „deren en bij de jongste actie van den 3. ' Maart zig nog al redelijk stout gedragen hebben: En schoon het geen belleus volk is, zo zijnze tog ten minsten zo goed als de Nairos van Grevancoor en Cochim een nog beter, om datze na onze wijze gediscipli„ „neerd worden, en uijt hoofde van een ligte mon„ „teeringe, die te dragen, de zelfde gedaante als sipais vertoonen, waar bij ook komt, dat zij, als in „gezeetenen die hier vrouwen, kinderen en Familie hebben, voor hunne geruste inwooninge, en dus uijt hoofde van hun eijge belang, bij na zo goed vegten en minder dezerteeren zullen, als de Sipais, die als vreemdelingen, veeltijds van den eene na den andere wegloopen, na maate de kans van den oorlog held; ik laat 'er zelfs bij beurte eenige van in het guarnisoen dienst doen, om hun aan alles te gewennen en der noods tot alles te kunnen gebruijken: de chegos„ „sen zijn hijdenen en stouter als de Christenen, maar de inlandse christenen, als rooms zijnde, worden door de Roomse paters, op mijn particu„ „lier verzoek opgewekt en aangemoedigt, om den Heere van den lande, met de wapens te dienen; en dewijl deze chegossen en Christenen weijnig kosten, zo zal ik zien een zeeker vast getal van dat volk van de sterkste en vlugste knapen

NL-HaNA_1.04.02_10309_0446 view scan ↗

English

boys, to keep on foot, in order to make use of them according to the circumstances of time, so as not to be at a loss if matters here do not change for the better in time, and the rumors of war on Ceilon should materialize; of which I shall make my special work during the approaching bad monsoon, and when I have brought those people further into good order, I shall have the honor of giving Your Right Noble Excellencies a further report thereof, and when they are properly regulated, then also show them on the short strength return under the native troops, whereas for the present they only pass as native warriors, in the confidence that the employment of these people will meet with Your Right Noble Excellencies' approval because they cost the Company very little and know better how to crawl through bushes and roughs than Europeans and sepoys; and then one can always keep a fairly considerable force on hand here for little money, and thereby supplement the shortage of people here; but one cannot obtain from them to go from this Coast to elsewhere, not even for a time, for they stipulate that very specifically, and without that condition or assurance of not being sent from this coast, they will not allow themselves to be engaged. The French seem to want to make themselves strong on this coast, at least to obtain a harbor: the Governor of Pondicherry, Mr. Bellecombe, on 27 February of the past year, on his way to Mahe, paid me a visit here for a single day, having with him two ships, of which one was a warship named Le Brillant; I purposely managed myself to converse with him about his expedition, but he told me of his own accord that he had orders from the King his Master to take ocular inspection of all the French establishments on occasion, and that returning from Mahe he intended to go and inspect the French establishment in Bengal as well; I simply answered him that a local knowledge and ocular inspection of places over which one has authority can be of great use to a commander. He went no further than Mahe, but the ships have been further northward, and as I hear, as far as Goa; the English of Bombay followed the ships to track their doings, as the expedition of Mr. de Bellecombe was held by them to be suspicious and somewhat strange. Between Tellicherry and Mahe, or actually close to Tellicherry, lies a hill in the Kingdom of Collastry, which kingdom since the year 1766 has already been tributary to the Nabob Hyder Ali Khan, lying north of the Samorin's Kingdom, and being the fourth kingdom of the Malabar Coast, since the kingdoms of Collastry, Samorin, Cochin, and Travancore properly make up the Malabar: this hill the French, when Mr. De Bellecombe was at Mahe, obtained in ownership from Collastry, and it is of such nature and situation that from there one can command the best outwork or advance work of Tellicherry; as soon as the English at Tellicherry learned of this, they lodged a protest against it with Mr. Bellecombe, and as he did not respect that protest, they gave notice thereof to Bombay, without my knowing the further consequence of it; at first this required further confirmation, but now I am informed that it is truly so; To this is added that the French last year already made an attempt to obtain a harbor from the Marathas at Chaul in the district of the Marathas not far from Bombay, and that since the arrival of Mr. Bellecombe at Mahe the most powerful attempts have again been made for that purpose, whereupon the English requested and obtained from the Marathas permission to let the English flag fly over Chaul; so that the French did not succeed in that respect. But another matter of greater importance, and which may also in a certain respect have some outlook for the better on our circumstances here, if not in general also for the worse, I must impart to Your Right Noble Excellencies, of which I was only properly informed after the departure of Groenendaal: namely that the two principal ministers who until now have conducted the government of the Maratha realm having fallen into disagreement, the one left the Court and the other thereupon, with the consent of the principal people, caused Ragoboy, who until now has been with the English at Bombay, to be proclaimed ruler of the Marathas; that Ragoboy was thereupon requested to come to Poona; that Ragoboy, however, not yet trusting himself alone at Poona, and not knowing whether this invitation was not made merely as a contrivance to lure him out of Bombay in this manner, is therefore brought thither for security with an English army, namely with 1300 Europeans and 10000 sepoys, besides the artillery; that for this purpose 500 Europeans and 4000 sepoys departed directly from Bengal and 800 Europeans and 6000 sepoys from Bombay to Poona; that Ragoboy has promised the English 32 lakhs of rupees for this; that by the dispatch of so many troops from Bombay, where as many troops as had been possible had been gathered both from Surat and from Broach, that place having practically no militia, it is now being assisted with troops from Madras, which troops from Madras marched overland through the Madura country and are already at Anjengo, from where they, by both the Company's and private ships, the latter for very high

Dutch transcription

knapen, op de been te houden, om 'er na tijds om„ „standigheeden gebruijke van te kunnen maken, om niet verleegen te zijn als de zaken hier in tijds niet ten goeden veranderen, en de gerugten van oorlog op Ceilon gevolg mogten neemen; waar van ik in de aanstaande quaade mousson mijn speciaal werk maken zal, en als ik dat volk nader in goede order gebragt hebbe, zal ik de eer hebben, uw Hoog Edelheedens daar van nader verslag tedoen en als ze regt geregulieert zijn, dan ook bij de korte sterkte onder de inlandse troupes vertoonen, daar ze nu voor eerst nog maar loopen als inlandse krijgers, in vertrouwen, dat het eemplooij van dit volk uw Hoog Edelheedens goedkeuringe zal wegdragen om datze de comp: zeer wijnig kosten en beter door besfen en ruijgtens weeten heen te kruijpen als vosterlingen en sipais; en dan kan men hier altoos voor wijnig geld, nog al een tame„ „lijke magt bij de hand houden, en daar door het gebrek van volk hier suppleeren; dog men kan van hun niet verkrijgen van deze Cust na elders overte gaan, zelvs niet maar voor een tijd, want dat bedingen ze wel speciaal, en zonder dat beding of verzeekeringe, van niet van deze cust gezonden te zullen worden, willen ze zig niet laten engageeren. De pransen schijnen zig op deze cust sterk te willen maken, ten minsten een haven te verkrij„ „gen 80 „gen: de Gouverneur van Londicherij de Heer Belcambe heeft den 27. febr: J:o leeder, na Mahe gaande, mij hier voor een enkelde dag, een visite gegeven, hebbende bij zig twee scheepen, waar van het eene een oorlogs schip was, Gen:t le Brillant, ik menageerde mij expres om htem over zijn togt te onderhouden, maar blij vertelde mij van zelfs dat blij van den koning zijn Meester order had, om van alle de franse Etablissementen bij gelegentheijd occulaire inspectie te neemen, en dat hij van Matié terug komende voorneemens was het fransche etablissement in Bengale ook tegaan bezien; ik hebbe bem eenvoudig geantwoord, dat een locaale kennis en occulaire inspectie van plaatsen, waar over men het gezag heeft, voor een gebieder van veel nut kan zijn Hij is niet verder als Mahié, maar de scheepen zijn verder noord opwaarts geweest, en zo als ik hoore tot goa toe: de Engelsche van Bombaij hebben de scheepen nagevolgt, om hun doen en laten opte spooren, alzo de togt, van den Heer de Belcombe bij hun verdagt en wat vreemd gehouden wierd. tusschen Jallicherij en Mahe of eijgentlijk digt bij Jallicherij, legt een heuvel in het Rijk van Col„ „lastrij, welk rijk zedert het jaar 1766. al tributair is aan den Nabab Haider Alijchan, leggende benoor„ „den het Sammorijnse Rijk, en zijnde het vierde rijk van de Mallabaarse Cust, dewijl de rijken van Collastrij, sammorijn, Cochim en Trevancoor eij„ „gentlijk „gentlijk, de Mallabaar uijtmaken: deze berg, hebben de franschen toeis de Heer De Belcombe te Mahé was, van Collastrij in eijgendom verkreegen, en is van die Natuur en gelegentheijd dat men van daar het beste buijten- of voorwerk van Jallicherij kan bestrijken; zo dra de Engelse te Jallicherij dit vernamen, hebbense bij de Heer Belcombe daar tegen laten protesteeren, en deze dat protest niet respectee„ „rende, daar van na Bombaij kennis Gegeven zonder dat ik het verder gevolg daar van weete; in 't eerste vereijschte dit nadere confirmatie, dog nu ben ik g'informeerd, dat het wezendlijk zo is; Hier bij komt nog, dat de franschen verleede Jaar al een tentamen Gedaan hebben, om van de Mar„ „rettas een haven te erlangen te sjaul in het district van de Marettas niet verre van Bombaij, en dat zedert de komste van de Heer Belcombe te Mahe„ daar weder de kragtigste tentament toegedaan zijn, waar op de Engelse van de Marettas begeert en ver„ „kreegen hebben, om de Engelse vlag van 'sjaul te laten waaijen; zo dat de franse in dat opzigt niet gereuseerd zijn. Maar nog een zaak van meerder belang en die ook op onze omstandigheeden alhier in zeker op„ „zigt eenige uijtzigt ten goede zo maar niet over het Generaal ook ten quaden kan hebben, moet ik uw Hoog Edelheedens bedeelen, waar van ik na het vertrek van Groenendaal eerst regt ge- „informeert 81 „informeert ben: namentlijk dat de twee voornaamste Ministers die tot hier toe, het rijks bestier der Mar„ „hettas hebben waargenoomen, oneenig geworden zijnde, de eene het Hoff verlaten en de andere daarop met bewilliging van de voornaamste van het volk Raga„ „booij die tot nog toe bij de Engelsen te Bombaij is, voor vorst der Maratten heeft doen uijtroepen; dat Ragabooij daar op verzogt is, om na Poena tekomen, dat Ragabooij egter zig alleen te Poena, nog niet zeeker vertrouwende, en niet weetende, of deze no„ „diginge niet maar alleen geschied is, als een gemaakt werk om hem op deeze wijze maar uijt Bombaij te lokken, en daarom tot securiteijt met een Engels leger daar na toe gebragt word, na„ „mentlijk met 1300. Europeesen en 10000. Sipaijs, be„ „halven de arthillerij, dat daar toe direct uijt Ben„ „gala 500. Europeesen en 4000. Sipais en van Bom„ „baij 800. Europeesen en 6000. Sipais na Poena ver„ trokken zijn: dat Ragabooij daar voor aan de Engelse 32. lak rop:s beloofd heeft; dat door de verzendinge van zo veel volk van Bombaij, alwaar, men zo uijt suratta als uijt Brootchia zo veel volk had ver„ „zameld als maar mogelijk was geweest, die plaats genoegsaam geen militie hebbende, tans met volk van Madras geassisteerd word, welke troupes van Madras overland, door het Madureese Gemarcheerd en reets op Ansjenga zijn, van waar ze zo met 'sComp:s als particuliere scheepen, de laetste voor zeer hooge

NL-HaNA_1.04.02_10309_0450 view scan ↗

English

high payment, are being transported to Bombay, just as several ships from Bombay have already arrived here and departed for Anjengo, and while I am writing this, another three three-masted ships have arrived here in the roads for water for that same purpose, which is being handled with great haste in view of the approaching bad monsoon. And that the English expect a great deal of money from Ragabooij is evident from the fact that they pay the private ships an extraordinarily high amount for the transport of the troops merely from Anjengo to Bombay, which is after all only a moderate distance; Captain Richardson, a man who frequently arrives and departs here, has seriously told me that he might thereby be deprived of a voyage that he had otherwise intended to make, but that he had preferred the Anjengo voyage as a certain profit over an uncertain chance, adding that he had agreed to convey 400 men for 13000 rupees, provided he also supplied them with food and drink during the journey. I said just now that these events could possibly bring about a change for the better here, if not to some extent for the worse on the whole. By the former, I mean that although I have private knowledge that this Ragabooij, as the former antagonist of the Maratha Ministry, was a great friend of the Nabob Hyder Ali, and the latter made him a substantial present of three lakh rupees last year merely to keep him in his interests, it nevertheless does not seem improbable to me in the course of time that, when Ragabooij assumes the government in Poona, the influence of the English Ministry and its interests will bring it about that the war against Hyder will be pursued with vigour, not only because the English are so keen to have Mangalore back, but also because they consider Hyder Ali to be devoted to the interests of the French, and it therefore serves their interest to diminish him as much as possible, which could afford us room and give matters here an entirely favorable turn. By the latter, however, I mean the preponderance that the English will then gain in India, against which I see no sufficient counterweight, for I cannot conceal my thoughts on the matter and believe I may not without reason assume that, if Ragabooij is dealt with in good faith at Poona, this revolution and event will pave the way for the English to achieve dominance over the entire peninsula of India, for it is known what influence they already possess in Bengal and on the Coromandel coast over the Nabobs there, and this, combined with the influence they would then have over the Marathas, could easily cause them soon to play a role that they have long studied and made designs for. Lately I thought I would obtain more Moorish seafarers, but to my regret I have been able to obtain no more than 10, who have been placed on the Indiaan above the 60 that were already aboard recently, so that 70 now go over with the Indiaan. The report of the commissioners who examined them is enclosed herewith. I doubt very much whether I shall be able to engage any more Moors here, but in view of the urgent necessity I shall nevertheless leave nothing untried, and thus continuously seek to gather as many together as will be in any way possible. Perhaps during the bad monsoon, when the employment and activities of many people here are less than in the good monsoon because trade and navigation are then at a standstill, Moors who have no work will be found and may then be engaged. The Captain of the Company of Easterners who came here on the Indiaan, named Samsale, conducted himself meanly and poorly on the voyage here, so much so that it resembled colluding with the people rather than commanding, and likewise during his stay here; I have therefore judged it best to send him back and to merge his company into that of Abdulla Patuakan, which two companies together now consist on the first muster of 110 heads. Meanwhile I have the high honour to remain with the greatest respect, below: Highly Honourable, Great and Respected, Far-Commanding Lord and Right Honourable Lords! Your High Honours' obedient and humble servant, was signed: A.n Moens, in the margin: Cochin, the 30th of April, Anno 1778. Agreed A. Dannicheus W. Secrets. D. Schemering 84 Batavia. No. 6. Separate Copy. To His High Honour, The Highly Honourable, Great and Respected Lord Reynier De Klerk, Governor-General, together with The Right Honourable Lords Councillors of Netherlands India. Highly Honourable, Great and Respected, Far-Commanding Lord and Right Honourable Lords! I take advantage of this accidental opportunity to present to Your High Honours the triplicate of my latest separate letter dated the 24th and 30th of April last, sent via Ceylon by the Indiaan and Groenendaal. The Paliath Achan has not let me know anything further to date, and his brother is said to still be ill as well; and thus I believe even more now that he is still corresponding with the Nabob about the matter, unless having heard of Ragabooij's march to Poona, and thus well understanding that this might effect changes in the state of affairs here, he wishes to wait and see how the wind blows, and at the same time wait to see whether I will have him sounded out a second time, which I shall carefully avoid, as that sly and shrewd minister would then soon notice that it was my own solicitation. Meanwhile I have the high honour to remain with the greatest respect, below: Highly Honourable, Great and Respected, Far-Commanding Lord, and Right Honourable Lords, lower: Your High Honours' obedient and humble servant, was signed: A. Moens, in the margin: Cochin, the 9th of May, Anno 1778. Agreed A. Dannicheus Examined J. Schemering First Secretary

Dutch transcription

hooge betalinge na Bombaij overgevoert worden, gelijk 'er dan ook riets scheepen van Bombaij hier aange„ „wrest, en na Ansjenga vertrocken zijn, en terwijl ik dezen schrijve nog drie driemastige scheepen tot dat zelfde oogmerk, hier ter rheede om water gekomen zijn, en waar mede ook groote haast ge„ „maakt word, uijt hoofde van de aanstaande qua„ „de mousson: en dat de Engelse veel gelds van Ra„ „gabooij verwagten, blijkt, om dat ze de particuliere scheepen ongemeen veel betaalen, voor het overvoe„ „ren der troupes slegts maar van Ansjenga tot Bombaij het geen tog maar een mediocae destan„ „tie is; Capitain Richardson, een man die hier veelmaals af en aankomt, heeft mij serieuslijk verhaald, dat bij hier door mogelijk wel van een togt zal gepriveerd raaken, die blij anders van sints was tedoen, dog dat bij de Anssengase togt, als een zekere winst boven een onzekere kans, geprefereerd had, met bijvoeginge, dat Hij ge-accordeerd was 400. man overtebrengen, voor 13000. rop:s mits thun dan ook geduurende de rijse, van eeten en drinken te voorzien. Jk zeijde daar even, dat deze Gebeurtenisse mogelijk veranderinge ten Goede alhier, zo niet eenigsints over het geheele ten quade zouden kunnen baaren. Met het eerste bedoele ik, dat schoon ik par„ „ticulier kennis drage, dat deze Ragabooij, als geweeze 82 geweeze Anthagonist van het Maratse Ministerie, een Groote vriend van den Nabab Haider Alij geweest is, en deze bem verleede Jaar nog een re- ëel Compliment van drie lak ropijen gemaakt heeft, alleen maar om them in zijne belangens te„ houden, bij vervolg van tijd, het mij egter niet onwaarschijnlijk voorkomt, dat als Ragabooij in Poena de Regeering aanvaart, de invloed van het Engels Ministerie en dies belang voortbrengen zal, dat de oorlog tegen Haider met vigeur zal worden voortgezet, niet alleen om dat de Engelse zo gaarne het Mangaloorse willen terug hebben, maar ook, om dat ze vlaijder Alij houden, de belangens der franschen toegedaan tezijn, en het dus hun intrest mede brengt, them zo veel mogelijk te verklijnen, het geen voor ons hier ruijmte en aan de zaaken, en een geheele keer ten Goede geven kan. Maar met het andere bedoele ik de over„ „magt, die de Engelse dan in Jndien zullen krijgen, waar toe ik geen evenwigt genoeg voor uijt zie, want ik kan mijne gedagten daar over niet verbergen, en meene niet zonder grond te mo„ „gen gelooven, dat indien 'er te Poena met Ra„ „gabooij ter goeder trouw gehandelt word, deze omwentelinge en gebeurtenisse, aan de Engelse den weg zal baanen, tot het meesterschap over het geheele half Eijland van Jndiën, want men men weet, wat invloed ze reeds in bengale en op Cormandel op de Nababse aldaar hebben, en dit ge„ „voegt bij den invloed, dieze dan op de Marattas zouden hebben, dan kan het ligtelijk gebeuren datze haast een rol zullen speelen, daar ze al lange op gestudeert, en projecten toe gemaakt hebben. Laatst meende ik nog meer moorse zeevaarende te zullen krijgen, dog ik hebbe tot mijn leetweesen geen meer kunnen krijgen als 10. , die op de jndiaan boven de 60. , die 'er laatst al op waaren, geplaatst zijn, zo dat 'er nu met de Jndiaan 70. overgaan: het rapport der gecommitteerdens die hun ge„ examineerd hebben, gaat hier nevens, ik twijf „fele sterk of ik wel meer mooren hier zal kunnen engageeren, maar ik zal egter uijt hoofde van de hooge noodzagelijkheid, niets onbe„ „proeft laten, en dus gaande weg zo veel bij mal; „konder zoeken te krijgen, als maar eenigzints mogelijk zal zijn, mischien zullen in de quade mousson, wanneer de diensten en bezigheeden van veele lieden hier minder zijn als in de goede mousson, om dat dan den handel en scheeps vaart stil staat, nog wel mooren gevonden worden die geen werk hebbende, dan wel te engageeren zullen zijn. De Capitain van de Compaine Oosterlingen per de Jndiaan dit heen gekomen, in naame sam sale 83 Nagezien sale heeft zig op de reijze dit heen gemeen en slegt gedragen, in zo verre, dat het eer na gekonkel met het volk, als na Commando geleek, en geduu„ „rende zijn verblijf alhier ook; dus hebbe best geoor„ „deelt hem terug te zenden, en zijne companie bij die van Abdulla Patuakan in een te trekken, welke bij de companien tesamen nu bestaan primo plan in 110. koppen. Jnmiddels hebbe de hooge eere met de meeste Eerbied te verblijven. /:onderstond:/ Hoog Edele, Groot Agtbaare wijdgebiedende Heer en wel Edele Heeren! uw Hoog Edelheedens gehoorzame en onderdanige dienaar /was Getekend:/ A:n Moens /inmargine:/ Cochim den 30. ' April A:o 1778. Accordeerd A Damnichens W. SeCrets D Schemering m 84 Batavia. N=o 6. Copia Appart. Aan zijn Hoog Edelheijd Den Hoog Edelen Groot Agtbaaren Heer Reijnier De Klerk, Gouverneur Generaal Benevens De Wel Edele Heeren Raaden van Nederlands Jndia. Hoog Edele, Groot Agtbaare, wijd gebiedende Heer en Wel Edele Heeren! Bediene mij van deze toevallige geleegendheijd om uw Hoog Edelheedens aante bieden Triplicaat van mijn Jongst apparte gedateerd den 24: en 30: April J:t „loeden, per de Jndiaan en Groenendaal over Ceilon verzonden. de l De zaljetter laat mij tot nog toe, niets naders weeten, en zijn Broeder word gezegd ook nog ziek te zijn; en dus geloove nu nog meer, dat Hij met den Nabab over de zaak nog Correspondeert, ten waare dat Hij van Ragabooijs optogt na Poena gehoord hebbende, en dus wel begrijpende, dat zulks veran¬ „deringe in het staats weezen alhier zoude kunnen maaken, de kat eerst uijt den boom wild zien, en teffens afwagten, of ik hem niet voor de tweede reijs zal laaten polsen, hetgeen ik wel zorgvuldig vermij„ „den zal, alzoo die slomme en schrandere Minister dan wel haast zoude merken, dat het mijn eijge aanzoek was. Jnmiddels hebbe de hooge eere met de meeste eerbied te verblijven. /:onderstond:/ Hoog Edele, Groot Agtbaare wijd gebiedende Heer, en WelEdele Heeren /:lager:/ uw Hoog Edelheedens gehoorzaam en onderdanige Dienaar /was geteekend:/ A: Moen /:in margine:/ Cochim den 9: Maij Ao 1778:— Accordeerd A Dannicheus Nagezien J: Schemering Pr. Secret

NL-HaNA_1.04.02_10309_0459 view scan ↗

English

No 7. 205 Separate Copy Batavia To His High Nobility, The Highly Noble, Right Honourable Lord Reijnier De Klerk Governor General Together with The Right Noble Lords Councillors of the Netherlands Indies Highly Noble, Right Honourable, Far-ruling Lord, Right Noble Lords. Besides Your High Nobilities' separate letter of September 15th to me and the Council, I also had the honour to receive Your High Nobilities' separate letter of that same date addressed to me alone, whereby I have seen that my actions have enjoyed Your High Nobilities' approval, and thus also what was transacted with Trevancoor, who up to now maintains a good and close understanding with me, still has his troops stationed at our post Aijcotta and in his Northern lines, and thus remains united with us to counter, in a defensive state, the further enterprises of the Nabob Haider Alichan, who up to now has not deigned to reply, either to Your High Nobilities' letter, or to the proposal that I made to him in my letter, wherein I even left the manner thereof to his choice in order to arrive at a negotiation, with which I had previously flattered myself somewhat, but whose troops, since the encounter of March 3rd last, have undertaken nothing further against us, so that in this regard I can impart nothing else to Your High Nobilities than that the matter is still in that same state as it was at the dispatch of my separate letters of last year, notwithstanding that I attempt through all kinds of ways and channels to bring him to a negotiation, without however making the slightest movements from which he could deduce that one is pursuing him, since I, on the contrary, conduct myself as if we will not let the matter rest, partly not to abandon as yet our claim to what was lost pursuant to Your High Nobilities' order, and partly to make him believe that he will not remain so tranquil a possessor of what he took from the Company so unjustly, in the event he might yet resolve to accommodate; however, pursuant to Your High Nobilities' order, I shall refrain from all further public actions against him, unless in such a case as occurred on the aforesaid March 3rd. However, for some time now a rumour has spread that the Nabob was deceased, but that his death is kept secret or rather concealed by his sons and the imperial ministers to gain time in the interim and to consolidate the empire, so that the expelled princes would not put their heads together too quickly and might attempt to restore themselves jointly; however, I cannot rely on that news, because this Nabob has already been supposedly dead more than once, and it is even known with certainty that, in the midst of his conquests, he once feigned death, indeed even had a fictitious funeral held, expressly to see how things would go after his death; this however is true, that he has a kind of cancer or severe ulceration on the back, through which his death may possibly have been spread, or from which these constantly varying reports come, at one time that he has recovered, then again become worse, and then again deceased, although Trevancoor and the Cochiner as yet know nothing of this, and have also reported nothing of it to me: I shall however wait and see how the wind blows, and conduct myself according to the circumstances of time and matter; if he should indeed have deceased, then affairs will certainly have to take another turn, for the harmony among his sons and imperial ministers would not be of long duration, and the Marettas, who up to now keep him engaged, would not hesitate a moment with the conquered princes to restore the latter, as most of the expelled princes previously paid tribute to the Marettas. In the last passed bad monsoon, the Governor of Calicoet, who governs the Zamorin empire, had offered the Zamorin to restore him, provided he pay tribute to the Nabob, just as the King of Colastrij was recently restored in such a manner, over which realm the Moorish Regent Adij Ragia had had the governance up to that time, and everyone here was under the impression that it would also have succeeded; but shortly thereafter it appeared that it was a ruse and deceit of the Nabob, merely to get the Zamorin king or his princes into his power and dispatch them from this world: To this end the King of Colastrij had been used, namely, to treat with the Zamorin princes who still reside in the Zamorin realm about the restoration, and for which purpose he had already come down to Calicoet: and he had brought matters so far that the conference was about to be held, that the place for it was already determined, and that the Zamorin princes had already arrived near or around there, whereupon they were immediately and unexpectedly surrounded; but the princes, having prudently taken along as many men as they could and noticing danger just in time, had the good fortune, though not without great danger, to cut their way through and get back safely into their hiding places, but one of the princes had the misfortune of being severely wounded in his left thigh, on which occasion also one of the ablest imperial ministers of the Zamorin, and yet another native grandee, which two persons had hitherto served as counsellors to the Zamorin princes, were seized and forthwith hanged, whereby the Zamorin rebels have become even twice as embittered. Indeed, the Zamorin realm is the only one of the conquered realms that did not immediately submit to the yoke of the Nabob, for it

Dutch transcription

No 7. 205 Copia Apart Batavia Aan zijn Hoog Edelheijd, Den Hoog Edelen, Groot Agtbaaren Heer Reijnier De Klerk Gouverneur Generaal Benevens De wel Edele Heeren Raaden van Nederlands Jndia Hoog Edele, Groot Agtbaare, wijd-gebiedende Heer, Wel Edele Heeren. Behalven uw Hoog Edelheedens Aparte briev van den 15:' 7ber: aan mij en den Raad, hebbe ook nog de eere gehad te ontvangen uw Hoog Edelheedens Aparte van dien zelfden datum aan En aan mij alleen gerigt, waarbij gezien heb„ „be, dat mijne verrigtingen uw Hoog Edelheed:s Goedkeuringe hebben mogen wegdragen, en dus ook het verhandelde met Trevancoor, die tot nog toe met mij een goede en naauwe intelligentie onderhoud zijne troupes op onze post Aijcotta en in zijne Noordelijke linie als nog leggende heeft, en dus niet ons vereenigd blijfd, om in een defensiven staat tegen tegaan, de verdere on„ „derneemingen van den Nabab Haider Alichan, die tot als nog zig niet verwaardigd te antwoorden, zo min op uw Hoog Edelheedens briev, als op den voorslag, die ik hem bij mijn brief gedaan, en zelvs de wijze daar van aan zijne verkiezinge gelaten hebben, om tot eene onderhandelinge tekomen, waar„ meede ik mij bevoorens nog al wat ge„ „vleijd had, dog wiens troupes 't zedert de rencontre van den 3:' Maart Jongstleeden niets verder tegen ons ondernoomen hebben, zo dat ik ten dien belange uw Hoog Edel„ „heedens niets anders kan bedeelen, als dat de 206 de zaake nog indien zelfden staat is, als ze bij het afgaan van mijne Aparte brieven van verleede Jaar geweest is, niet tegenstaande ik door allerleij wegen en Canaalen beproeve, om hem tog maar tot een onderhandelinge te„ „brengen, zonder egter de minste mouvementen temaaken, waar uijt wij zoude kunnen aflijden, dat men hem naloope, alzo ik mij inte„ „gendeel houde, als of we het 'er niet bijlaaten zullen, deels om onze pretentie op het ver„ „loorene ingevolge uw Hoog Edelheedens order nog niet telaten vaaren en anderdeels, om htem te doen geloven, dat hij zo gerust geen bezitter zal blijven, van het geen Hij de Comp: zo onregt„ „vaardig afgenomen heeft, of hij ook resol„ „veeren mogt, om nog bijte komen; egter zal ik ingevolge uw Hoog Edelheedens order afzien van alle verdere publicque acties tegen Hem, ten waare in zo een geval, als op den 3:' Maart voorschreeve ge-exteerd is; Maar nu eenigen tijd heeft zig een geruegt verspreijd, dat de Nabab overleeden zoude zijn dog dat zijn dood geheijm of eijgentlijk verbor„ „gen gehouden word door zijn zoons en de Rijks„ bediendens 207 bediendens, om intusschen tijd tewinnen en het Rijk te bevestigen, opdat de verdrevene vorsten niet tespoedig, de hoofden bij elkander zouden steeken en gezamentlijker hand mogten tragten zig te herstellen: dog op die tijdinge kan ik niet reekenen, om dat deze Nabab al meer als eens zo genaamd dood is geweest en men zelvs met zekerheijd weet, dat hij in het mid„ „den van zijne overwinningen, zig eens dood geveijnsd, Ja zelvs een gefingeerde begraffe„ „nisse heeft laten houden, expres om tezien, hoe het na zijn dood zoude toegaan; dit is egter waar, dat wij een soort van kanker of zwaare ulceratie op de rug heeft, waar door mogelijk zijn dood zal geppargeerd zijn; of ook die geduurige varieerende tijdingen komen, dan eens, dat wij genezen, dan weeder erger geworden, en dan weder overleeden is schoon Trevancoor en de Cochimer nog niets daar van weeten, en mij ook nog niets daar van gemeld hebben: ik zal egter de kat uijt den boom zien, en mij na tijds en zaaks om„ „standigheeden gedragen; indien Hij egter mogt zijn overleeden, dan zullen de zaaken zeekerlijk een een andere keer moeten neemen, want de eendragt onder zijn zoons en Rijks bediendens zoude van geen duur zijn, en de Marettas, die htem tot als nog in 't labeur houden, zouden met de overwonnen vorsten geen ogenblik samme„ „len, om de laatste te herstellen, alzo de meeste verdreevene vorsten, bevoorens Contri„ „butie aan de Marettas opgebragt hebben In de Jongst gepasseerde quade Mousson had de Gouverneur van Calicoet, die het sammo„ „rijnse Rijk bestierd, den sammorijn laten aan„ „bieden, om htem te herstellen, mits Contributie aan de Nabab te betalen, gelijk de koning van Colastaij onlangs zodanig hersteld is, over welk rijk den Moors Regent Adij Ragia tot dien tijd toe, het bestuur gehad had, en ider een hier was in begrip, dat het ook zoude gelukt zijn; maar kort daar na is gebleeken, dat het een lift en bedrog van den Nabab was, om den sammorijnssen koning of desselvs princen, maar in zijn magt tekrijgen, en uijt deworeld te helpen: Hier toe was de koning van Colastrij gebruijkt, namentlijk, om met de Cammorijnse princen, die zig in het sammorijnse nog ophouden, over de de herstellinge te handelen en waar toe wij al tot Calicoet afgekomen was: en bij had het al zo verre, dat de Conferentie stond gehouden te worden, dat de plaats daartoe al bepaalt was, en dat de sammorijnse paincen, daar reets bij of omtrend gekomen waaren, waarop ze onmiddelijk en onverwagts onrcingeld zijn geworden, dog de princen, uijt voorzigtigheijd, zo vere volk meede genomen hebbende, als te konden en effen van pas onraad bemerkende, hadden het geluk, dog niet zonder groot gevaar, zig er door heen teslaan en weer behouden in hunne schuijl plaatsen te komen, maar een van de princen had het zo eag gehad, dat hij in zijn linkerdije zwaar gekwelst wierd en bij welke gelegentheijd teffens een van de bequaamst 208 Rijks bediendens van den sammorijn, en nog een ander inlands groote, welke twee perzoonen, dus lange tot Raadslieden van de sammorijnse prin„ „cen gestrekt hadden, opgevat en ten eersten opge„ „hangen wierden, waar door de sammorijnse Rebellen, nog wel eens zo verbitterd zijn geworden Trouwens het Sammorijnse Rijk is het eenigste van de overheerde Rijken, dat zig niet aanstonds het Juk vande Nabab onderworpen heeft, want het

NL-HaNA_1.04.02_10309_0465 view scan ↗

English

He was so successful in the subjugation of the other princes that the inhabitants, instead of taking refuge and remaining somewhere else, on the contrary gradually returned to their land and acknowledged the Nabab as their Lord, as even the inhabitants of the Colastrijse Kingdom have done; but the Samorin Nairos have so far refused to submit, staying in the forests and on the mountains, continually making sorties, and whenever a detachment of the Nabab is sent after them, they are back in their hiding places in an instant; and Your High Noblenesses can easily understand that I, for my part, work secretly on this and keep that fire burning as much as possible. Meanwhile, I will make no further attempt with the King of Cochim to purchase from him His Highness's share in the incoming and outgoing duties here without Your High Noblenesses' further approval; but his first state Minister, The Paljetter, was here recently, and then I spoke with him about the present situation, as I judged I ought to speak with him: at the end of our conversation, he himself mentioned the conquered region, namely, to let it be taken in lease; I declared to him that I had no other intention thereby than solely to come to his aid in that perplexity, should we be pressured too strongly by the Nabab to do so; but that astute Minister thanked me very politely for the affection I had shown him in that regard, and declared that he had not been solicited for that by the Nabab since, that he even hoped not to be solicited for it anymore, in order not to fall into the necessity of profiting from my connivance, knowing very well that I meant well by him, but at the same time foreseeing that this might sometimes be interpreted to his prejudice, and that the slanderous world would be able to say that this had actually long been his intention merely to obtain the administration of those lands, but that he would rather, as far as it might depend on him, try and sound out the Nabab as to whether the matter could not be brought to a good end, which I again answered with politeness, adding that I remained convinced of his good intentions, that the dispute with the Nabab had become our common cause, that thus his King had just as much interest in the settlement of the matter as the Comp: and Trevancoor, as also that it would be pleasing to me and an honor to him if he could contribute anything to that end, which he then accepted and promised to try. Meanwhile, we have requested only one Company of Europeans from Ceilon, and have also obtained the Company of Jagers, in place of which we have sent back the Ceijlon Company of sipais, and we are now also letting the Nagapatnam Comp: of Malays, which is only about 60: men strong on the first plan, go to Ceilon, in case it should happen that the Candians might wish to resume their movements of last year, which two native Companies we can well spare, now that we have a good number of native Christians and Chegossen, and most especially now that Your High Noblenesses have been pleased to authorize me to withdraw the Camp of Cranganoor. During the past bad monsoon, it rained so extraordinarily that there was no interval to do anything to the moat, and besides, the rain continued so uncommonly long this year that, although the good monsoon had already set in and our roadstead had already long been safe, it nevertheless still rained continuously at night now and then here, but especially at Cranganoor; so that the further deepening of the moat has only just been able to begin at the time of writing this. I am now busy making the necessary arrangements for withdrawing the Camp, but I will not begin this all at once, partly because the moat before Cranganoor needed to be deepened first, and partly because the sudden withdrawal of the Camp in the good monsoon would give a disadvantageous impression, both on the part of the enemy and on the part of our Allies Trevancoor and Cochim; thus I will do this imperceptibly and gradually, in order to be able to withdraw the Camp all the better before the bad monsoon, without it causing any stir or appearing of importance, by letting the Chegossen or native Christians remain in the entrenchment under the cannon of the fort, all the more because those people also adapt better outside than inside a fort, and especially the Chegossen mostly belong on that side. The aim of the English to place Ragabooij on the Throne at Poena has not yet been achieved: it is said that the English troops who set out overland from Bengal for that purpose to join with the troops from Bombaij encountered obstacles along the way; I have even received report from Souratta that those Troops were prevented from further passage, but according to the latest news that I have from Bombaij, they are nevertheless said to have drawn somewhat closer now, and the intention to bring Ragabooij into Poena was still to proceed.

Dutch transcription

het heeft Hem bij de overheeringe der overige vorsten zo wel gelukt, dat de ingezetenen in steede. van ergens elders dewijk teneemen en te verblijven, in tegendeel weder gaande weg na hun land keer„ „den en de Nabab al Hunnen Heer erkenden, gelijk relfs de ingezetenen van het Colastrijse Rijk gedaan hebben; dog de sammorijnse Nairossen hebben zig tot nog toe niet willen onderwerpen, houden zig op in de bossen, en op de gebergtens, doende bij continuatie uijtvallen en wanneer een detachement van den Nabab na Hun gezonden word, zijnze weer in een ogenblik in hunne schuijl plaatse; en vw Hoog Edelheedens kunnen ligt begrijpen, dat ik aan mijne zijde, daar hijmelijk in werke en dat vuurtje zo veel mogelijk is in den brand houde. Intusschen zal ik bij Den koning van Cochim geen verder tentamen doen, om van htem aftekopen, zijn Hoogh:ts aandeel in de inkomende en uijtgaande regten alhier zonder uw Hoog Edelheedens nader goedvinden; maar zijnen eersten staats Minister De Paljetter, is onlangs hier geweest, en 209 en toen hebbe ik met hem gesprooken, over den tegenwoordigen toestand, zo als ik oordeelde met htem temoeten spreeken: op't laatste van ons gesprek repte Hij zelvs van de overheerde Landstreek, namentlijk, om die door ten in pagt telaten neemen; ik verklaarde Htem, daar bij, geen ander oogmerk te hebben, als eenelijk om hem, indien wij door den Nabab daar al te sterk toe aangezet mogt worden, in die ver„ „legentheijd tegemoed tekomen; maar die schaander Minister bedankte mij zeer beleefd voor de genegentheijd, die ik hem daar omtrend betoond had, en verklaarde, dat hij zedert niet meer door de Nabab daar toe aangezogt was, — dat Hij zelfs hoopte, daar toe niet meer aan„ „gezogt temogen worden, ten eijnde niet in de nood„ „zakelijkheijd tevallen, om van mijne oogluij„ „kinge te profiteeren, als zeer wel wetende, dat ik het wel met hem ten goede meende, dog teffens voor uijtziende, dat Hem zulks zomtijds tot zijne prejuditie zoude uijtgelegt worden, en dat de quaatspreekende wereld, in staat zoude zijn om tezeggen, dat dit eijgentlijk al lange zijn intentie was geweest om maar de directie van van die landen te krijgen, dog dat hij liever, zo veel van hem mogt afhangen, wilde beproe„ „ven, en de Nabab laten polsen, ofde zaak niet tot een goed eijnde te brengen zouden zijn, het geen ik weder met politesse beantwoorde onder bijvoeginge, dat ik mij overtuijgd hield van zijne goede intentie, dat het verschil met de Nabab, onze algemeene zaak was geworden dat dus zijn koning, in het afdoen van de zaak, even zo veel belang had, als de Comp: en Trevan„ „coor, zomeede, dat het mij aangenaam en Han tot eer zoude zijn, indien hij daar toe iets kan mede werken, gelijk hij dan zulx aannam en beloofde te beproeven Intusschen hebben we van Ceilon maar een Companie Europeezen verzogt, en ook de Com„ „panie Jagers erlangd, insteede van welke wij weder de Ceijlonse Companie sipais terug gezonden hebben, en tans laaten we de Naga „patnamse Comp: Maleijers, die maar groot is omtrend 60: man primo plan, ook na Ceilon gaan, of het mogt gebeuren dat de Can „dianen hunne beweegingen van verleede Jaar eens mogten willen hervatten welke twee in „landse 210 „landse Compenien, we wel missen kunnen, nu we een goed getal inlandse Christenen en Chegossen heb„ „ben, en aller voornamentlijkst, nu uw Hoog Edelhee„ „dens mij hebben gelieven te qualificeeren om het Camp van Cranganoor intetrekken. In de gepasseerde quade mousson, heeft het buijten exempel zodanig geregent, dat 'er geen tusschen tijd is geweest, om iets aande gragt te doen en buijten des zo heeft de regen dit Jaar, zo onge„ „meen lang aangehouden, dat schoon de goede mouspen al ingevallen en onser rheede reets lang vijlig was; egter nu en dan hier, maar voorna„ „menteijk te Cranganoor, nog doorgaan 'snagts geregent heeft; zo dat het verder uijt diepen van de gragt onder het schrijven dezes maar eerst een begin heeft kunnen neemen Ik ben tans bezig om de noodige disposities temaken, tot het intrekken van het Camp, dog hiermeede zal ik niet eensklaps beginnen, deels, om dat de gragt voor Cranganoor, eerst diende uijtgediept teworden en anderdeels, om dat het subiet intrekken van het Camp inde goede mousson, ter nadeeligen denkbeeld zoude geven, zowel aan de zijde van den vijand als als aan de zijde van onze Bondgenooten Trevan„ coor en Cochim; dus zal ik zulks ongevoelig en gradatim doen, om tegen de quade mousson, het Camp des te beter te kunnen intrekken, zon„ 5: „der dat het eenig opzien baaren, of van be„ „lang blijken zal, door de Chegossen of inlandse Christenen, onder het geschut van het fort in het retranchement telaten blijven leggen, temeer die menschen, zig ook beter buijten als binnen een fort schikken, en inzonderheijd de Chegossen, meest aan die kant thuijs hooren. Het oogmerk van de Engelsen om Ragabooij te Poena op den Jroon te stellen, is nog niet bereijkt: men wild, dat de Engelse trou„ „pen ten dien eijnde uijt Bengale overland vertrokken, om met de troupes van Bombaij te conjungeeren, op den weg hindernisse gehad hebben; zelvs hebbe ik uijt souratta narigt gekreegen, dat die Troupes den verderen doortogt belet wierd, maar volgens de laatste tijdinge die ik van Bombaij hebbe, zouden ze egter nu wat meer genadert zijn, en de intentie, om Ragabooij in Poena te brengen stond nog zijn voortgang te hebben u we

NL-HaNA_1.04.02_10309_0470 view scan ↗

English

211 The Governor Falck has informed me that he received news from the Coromandel Governor van Vlissingen that the English Ministry of Madras notified the gentleman of Vlissingen that they, the English, had obtained orders to undertake hostilities against the French, and it is already known here that the English have dislodged the French from Bengal, placed them under arrest at Surat, where they have a factory, and conveyed them to Bombay; likewise, that Pondicherry, after a heavy siege, surrendered to the English by capitulation on the 18th of October, so that the French now possess nothing more in the Indies than Mahé, nearby on this Coast, where they also expect the English daily; so that their project to obtain a harbor here or elsewhere has thus far fallen through, though according to the latest news brought here from Europe via Suez no war had yet been declared in the month of July. Notwithstanding the measures we adopted by secret Resolution of the 26th of November 1773, and although since the hostile invasion of the Nabob 212 Nabob Hyder Ali Khan we have been in a reasonably good posture of defense here, I have, for greater certainty, further established good order in all matters, as I believe one is obliged to do under such contemporary circumstances, being unable to know whether war has been declared between those two nations or not, and in the former case, what consequences and bearing it might have upon us; and that is indeed the principal reason why I have, in all haste, had those improvements made to the point Holland, as mentioned in the general letter. Furthermore, I shall endeavor to fulfill your Right Excellencies' esteemed order in your secret resolution of the 9th of September 1777 regarding the state of defense and how Coromandel, Ceylon, and Malabar might best and most effectively assist one another during the different monsoons. Meanwhile, I have recently received a private letter from a certain Mr. Bolts, dated the 17th of November, an extract of which is enclosed herewith, showing that he returned to Baliapatnam on the 4th before, from the Nabob Hyder Ali Khan (though it is thought that he only met with the Ministers), and obtained three factories for Their Imperial and Royal Majesties, namely in the bay of Karwar, Mangalore, and Baliapatnam; Karwar lies above Honavar, not far from Goa, and Baliapatnam three miles north of Cannanore, Mangalore being too well known to require description. I was also pleased to see that the private trade carried on for the Company in the financial year 1776/77 was agreeable to your Right Excellencies, and I now have the honor to present to your Right Excellencies the return of the subsequent financial year, showing that the Company again made a clean and clear profit therein of Rs. 20686: 20:—. During the bad monsoon I managed to gather about 50 Moorish seamen; I am currently engaged in gathering as many more as possible, and I promise your Right Excellencies to leave no stone unturned in this regard. 213 The native Christians and Chegossen, or natives of this country, are drilled daily in the use of arms and are progressing fairly well, so I shall make the necessary use of them, as this initiative of mine was fortunate enough to carry your Right Excellencies' full approval; these people have gradually shown themselves willing, and in the end more arrived than were needed, so I had the oldest, the shortest, and the most unfit selected and sent on their way, just like troops who are granted leave, with the promise to return upon the first summons; currently the native Christians consist of four companies of 100 men each, and the Chegassen of three companies of 100 men each, thus together 700 men on the first establishment. I have long attempted to attract Syrian clergymen to us here, in order through them to persuade their coreligionists (who are here in very great numbers) to embrace our religion and to bring pagans to Christianity, for which the Syrians, if they come over to us, are eminently suitable, partly because the Syrian Christians (being a mixed remnant of the so-called St. Thomas Christians) differ far less from us in matters of religion than do the Roman Catholics, but principally because the Malabar language is their mother tongue, and being native-born Malabaris themselves, they know the language, manners, and customs of the native population better than any other missionary, and are able to converse with the rural folk, visit them in their homes, instruct them in their own language, and thus make our religion palatable to their fellow countrymen through their own example. I need not remind your Right Excellencies that if a country and people are to prosper, the cause of God must first and foremost be taken to heart; nor is it too little known what bearing the work of conversion has, both on political affairs in general and on the interests of our Company here in particular, to urge the importance of this matter further; but since

Dutch transcription

211 Den Heer Gouverneur Falck heeft mij bedeelt van den Heer Cormandels Gouverneur van Vlissingen tijding erlangt te hebben, hoe het Engelsche Mi„ „nister van Madras, aan den Heer van Vlissingen kennisse gegeven heeft, dat zij Engelse, onder erlangd hadden, om vijandelijkheeden tegens de pranschen te onderneemen, en het is hier reets bekent, dat de Engelse de Fransche uijt Bengale gedelogeert en op souratta, alwaar ze een factorij hebben, in arrest genomen, en na Bom„ „baij gevoert hebben, zomeede, dat Pondicherij na een zwaar beleg den 18:' october bij Capi„ „tulatie aan de Engelse overgegaan is, zo dat de Franschen nu in Jndien niets meer hebben als Mahié, hier in de buurt op deeze Cust, alwaarze de Engelse ook dagelijks verwagten; zo dat hun project, om een haven hier of elders te krijgen, tot dus verre vervallen is, dog volgens de Jongste tijding uijt Europa over sEs hier aangebragt zou in demaand Julij nog geen oorlog gedeclareert zijn. Niet tegenstaande onze genome Maatregulen bij secreete Resolutie van den 26:' 9ber 1773: en wij hier zedert den vijandelijken inval van de Nabab 212 Nabab Heijder Alijchan in een tamelijk goed postuur van defentie zijn, zo hebbe ik ten overvloede, nog nader op alles goede onder gesteld, gelijk ik denke, dat men in zulke tijds omstandigheeden verpligt is tedoen, als niet kunnende weeten, of de oorlog tusschen die twee naties gedeclareerd zij of niet, en in het eerste geval van wat gevolgen en relatie, dezelve op ons zoude kunnen worden; en dat is dan ook wel de voornaame reeden, waarom ik nog in allerhaast die verbeete„ „ringe aan de punt Holland hebbe laten doen, waar van bij de gemeene brief gemeld word. Voorts zal ik tragten tevoldoen aan uw Hoog Edelheedens ge-eerde ordre bij Hoogst der„ „zelver secreete resolutie van den 9:' september 1777: nopens den staat van defentie en hoe Cormandel, Ceilon en Mallabaar elkander in de verschillende moussons, best en voor„ „regtigst zouden kunnen assisteeren Intusschen hebbe ik dezer dagen van eenen Heer Bolts een particuliere brief gedateerd den 17: Novemb: erlangt, waar van Extract hier nevens gaat, en waar bij blijkt, dat Hij ge„ t nd een wij den 4=den bevoorens te Baliapatnam vanden Nabab Waider Alijchan terug gekomen (:schoon men meend, dat wij maar bij de Ministers is geweest:) en voor Haar kijzerlijke en koninglijke Majesteijten, drie factorijen ge-obtineert heeft, namentlijk, in de baaij van Carvaaa, Mangaloor en Baliapatnam; Carvaar legt boven onor niet verre van Goa en Baliapatnam drie mijlen benoorden Cannanoor, zijnde Mangaloor te bekend, om daar van aanwijzinge tedoen. Ook hebbe mogen zien, dat de particulieren Handel in het boekJaar 17 2/27. voor de Compa„ „nie gebreeven, uw Hoog Edelheedens aangenaam is geweest, en tans hebbe de eere uw Hoog Edelheedens aan tebieden, het Rendement van het daar op volgende boekjaar, waar bij blijkt dat de Comp: daar in weder zuijver en vrijgeld gewonnen heeft Ro/as 20686: 20:—. Moorse zeevaarende hebbe in de quade Mous„ „son omtrent 50: koppen bij elkander gekregen, thans ben ik bezig om nog zoveel bij een te krijgen als mogelijk is, en ik beloove uw Hoog Edelheedens daar toe niets onbezogt te zullen laten. 213 De Jnlandse Christenen en Chegossen of na„ „turellen van dit Land, worden dagelijks inden wapen handel ge-oeffend en vorderen tamelijk wel, dus zal ik van dezelve het nodig gebruijk maken, dewijl dezen mijnen inval ua Hoog Edelheedens volle goedkeuringe heeft mogen wegdragen; dit volk heeft zig successive willig laten vinden, en op het laatste quamen er meer als nodig waaren, dus hebbe ik de oudste, de klijnste, ende ongeschiktste doen uijtzoeken, en tuns weegs laten gaan, even als troupes, die men verlof geeft, met belofte om op de eerste requizitie weder tekomen; Jans bestaan de Jnlandse Christenen, uijt vier Companien, ider van 100: Man Companien ider van en de Chegassen uijt drie 100: Man dus tesamen 700: Man primo plan. Ik hebbe hier al lange getragt suriaanse Geestelijken tot ons te lokken, om door dezelve hunne geloots genooten (die hier in zeer groot getal zijn / tot onzen Gods dienst overtehaalen en weijdenen tot het Christendom te brengen waar toe desuriaanen, indien ze tot ons overkomen Hoog len overkomen regt geschikt zijn, deels om dat de suriaanse Christenen, (als zijnde een gemengd overblijfsel van de zo genaamde s:t Thomas Christenen) in het stuk vanden Gods dienst op verre na zoveel niet als de Roomse van ons verscheelen, maar voornamentlijk, omdat de Mallabaarse taal, Hun Moeder taal is, en zij zelfs geboorene Mallabaaren zijnde beter als eenig andere Missionaris, de taal zeden en gewoontens van den inlander kennen, en in slaat zijn, om met de lieden ten platten lande om tegaan, hun in hunne wooninge optezoeken, in hun eijge taal onderwijzen en dus hunne lands genooten, door hun eijge voorbeeld onzen Godsdienst smakelijk temaken. Ik behoeve uw Hoog Edelheedens niet te herinneren, dat als het een land en volk wel zal gaan, de zaake Gods eerst en voor al diend ter haaten genomen teworden; ook is het te bekend, wat aspect het bekeerings werk zo op het politicque weezen in't algemeen, als op de belangens van onze Maatschappij al„ „hier, in't bijzonder heeft, om de aangelegentheijd dezer zaak nader aantedringen; maar dewijl

← previousnext →