Inventory 10311
Malabar · 988 pages · 181 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
the security of its trade on this coast, deemed it strictly necessary provisionally to request of Your Right Honorable and Honorable Sirs, as I respectfully do hereby, to send us, before the rainy season breaks on this coast, which makes the marching of a military detachment very difficult and dangerous, a company of Europeans and some artillerymen, in order to be enabled thereby to defend ourselves properly in the event of a hostile attack. I have the honor, while presenting the letter concerning this from the Ceylon government addressed to Your Right Honorable and Honorable Sirs, with all respect and high esteem to be, lower down: Right Honorable Sir and much esteemed friends! Your Right Honorable and Honorable humble servants, was signed: J: G: van Angelbeek, in the margin: Tutucorin the 21st August 1780. Subsequently, the Governor presented two statements from the pay bookkeeper Seijffer regarding the number of European soldiers and artillerymen, the one showing how many European soldiers were here four years ago, when there were already two Ceylon companies here, and the other other how large the number is at present, from which it appeared that there are presently here on the coast 6 fewer European soldiers and 33 more artillerymen, and thus in total only 27 Europeans more than four years ago when the Nabob, knowing our weakness, attacked our possessions. And whereas the aforementioned letters had already been circulated among the members for perusal, in order to be able to deliberate properly thereon; the same having now been read further in this meeting, it was deliberated and taken into consideration: That we, in order not to retain the Ceylon troops here any longer than the utmost necessity required, have already successively sent back all the auxiliary troops that have been successively sent here since the Nabob's invasion, except for the artillerymen, who now only amount to 40 men on the primary roster, in the hope that, since we were instructed to avoid all hostile actions, we might continue to prevent the further advance advance of the enemy with the remaining forces on hand, through a watchful eye and good consultation, as has indeed happened until now. That although the Nabob, since the action of the 3rd March 1778, when he intended to surprise our outpost at Cranganore, and wherein he lost many people, has undertaken nothing further against the Company's possessions, he nevertheless still refuses to come to terms, and leaves the letters, both from the High Indian Government and from the Governor, unanswered, nor does he pay heed to the overtures that the Governor has already made toward that end through various other channels; one must nevertheless not conclude from this that, now that he has taken from us that which the Zamorin formerly possessed, he will leave it at that and desires no further war with the Honorable Company, as he seems to have indicated in his last letter to the Governor, but rather that he lies in wait to fall upon us again at the slightest weakening and to break through at Cranganore or Ayacotta, whereupon we would immediately see him here before the walls of our city. That our city, through the notable improvements and reinforcements obtained, would indeed be able to offer a stout resistance, yet is quite extensive, having six main and four smaller bastions, besides two newly constructed outworks, namely one between Gelderland and Holland for the defense of the un-enfiladed faces there, and another outwork between Groningen and the Galjoen, for strengthening the weakness of the city on that side, and that one therefore, for the defense of the city alone, ought to have a good number of European soldiers and artillerymen, without which a city cannot be defended, however strong it might be. That besides this, at the opening of the favorable monsoon, we must man our snow De Nehellenia and our small vessel De Verwagting, as well as our three war gamels, and if not the latter, then the three stockades on Moetoe Coenoe, not only with soldiers but also with artillerymen, although although on the vessels we can manage with native soldiers, which however cannot be the case on the war gamels or stockades, on which there must be at least some Europeans. That it would therefore, even with our present European force, be difficult enough to counter the surprises and enterprises of a cunning and powerful enemy, and that it would thus also be unjustifiable for us to divest ourselves further of Europeans. That, as regards the contention of the Ceylon ministers, namely that at present at least the company of Captain Lever and the remainder of the Ceylon artillerymen are more necessary at Tutucorin than at Cranganore and Ayacotta, where that company lies divided during this bad monsoon, and to which we even recently had to add some from the company of Captain Frankena, because Lever's company is too weak to garrison those two important posts with them, since the remaining troops stationed there are natives, one must leave it in its place
Dutch transcription
beveiliging van haaren handel op deze kuste, volstrekt noodig g'oordeelt uw wel Ed: Gestr: en Ed=s bij provisie maar te verzoeken, Gelijk ik eerbiedig doe bij dezen, om ons, voor dat de regentijd op deze kuste doorbreekt, die het maacheeren van een Militair detachement heel moeielijk en Gevaarlijk maakt, toete„ senden eene Companie Europeeschen en eenige Arthilleristen, om daar door in staat gesteld te worden, ons bij een vijandigen aanval behoor„ „lijk te kunnen verdedigen. Ik hebbe de eere, onder aanbieding van het hier over handelende schrijven der Ceij„ lonsche regeering aan uw wel Edele Gestr en Ed=s Gerigt, met alle eerbied en hoog achting te zijn /:onderstond:/ wel Edele Gestrenge Heer en veel g'achte vrienden! vier wel Edele Gestrenge en Ede Gehoorzame Dienaaren /was getekend:/ J: G: van Angelbeek /:in margine:/ Tutucorijn den 21:' Augustus 1780. Vervolgens vertoonde de Gouverneur twee opgavens van den zoldij Boekhouder Seijffer van het Getal der Europeese Militairen en Arthilleristen, als een aanwijsende hoe veel Europeese Militairen hier voor vier Jaaren Geleden geweest zijn, toen 'er al reeds twee Ceilonse Compenier hier waren, en de ander ander hoe groot het getal thans is, waar bij bleek, dat 'er thans hier ter custe aan Euro„ „peese Militairen. 6. man minder, en aan Arthillerister 33. man meerder, en dus in 't Gehal maar 27. Europeesen meerder zijn als voor vier Jaar toen de Nabab, onze zwak„ „heijd wetende onze bezittingen aangetalt heeft. En dewijl voorsch: brieven reets bij de leeden ter lectura rond gezonden waaren, om zig daar over behoorlijk te kunnen beraden; zo is dezelve als nu in deeze bij eenkomste nader gelezen zijnde, daar over Gedelibereert en in aanmerking genomen. Dat we, om de Ceijlonse troupes hier niet langer aantehouden als de uijtterste nood vereijschte, alle de hulptroupes, die 't zedert 's Nababs inval hier successive gezonden zijn, ook reeds successive terug gezonden heb„ „ben, uijtgenomen de Arthilleristen, die nu maar uijtmaken primo plan 40. koppen, in hoop dat wij, zedert ons aanbevoolen is, alle vijandelijke acties te vermijden, met de overige aan handen hebbende magt, door een wakend oog, en een Goed overleg den verderen v oortgang voortgang van den vijand zouden kunnen blijven beletten, gelijk dan ook tot nog toe geschied is. Dat schoon de Nabab zedert de Actie van den 3. ' Maart 1778. , toen bij onze voorpost te Cranganoor wilde opligten, en waar bij blij veel volk verlooren heeft, wel niets verders tegen 'sComp=s bezittingen ondernomen heeft, Hij egter tot als nog toe niet wild bij komen, en de brieven, zo van de Hooge Jndiase Regeeringe, als van de Gouverneur onbeant„ „woord laat, nog reflectie slaet op de tanta„ „mel die de Gouverneur door verscheijde on„ „dere wegen daar toe al ingeslagen heeft men egter hier uijt niet mag opmaken dat /:nu Hij, het geen de sammorijn bevorens gehad heeft, ons ontnomen heeft:/ bij het daar bij laten en met D E: Comp: verder geen oorlog wild hebben, zo als hij schijnt te kennen gegeven tehebben bij zijn laaste brief aan de Gouverneur, maar wel dat bij op zijn luijmen legd, om ons bij de minste verswakkinge weder te bespringen en bij Cranganoor of Aijkotta door tedringen als als wanneer we Hem onmiddelijk hier voor de muur van onze stad zouden zien. Dat onze stad door de erlangde merkelijke verbeteringe en versterkinge, wel in staat zoude zijn, om een dugtige tegenstond te bieden, dog vrij uijtgestrekt is, als hebbende ses Capitaale en vier keijndere Punten, benevens nog twee nieuw aangelegde buijten werken, als een tusschen Gelderland en Holland ter defensie van de daar zijnde onbestreeke faacen en een ander buijten werk tusschen Groeningen en het Jaljoen, tot versterkinge van de swakheid der stad aan die kant, en dat men derhalven, tot verdedinge van de stad alleen, een Goed getal Europeesen Militairen en Arthilleristen diende te hebben, zonder welk een stad niet te defendeeren is, hoe sterk dezelve ook mogt zijn. Dat wij buijten des, bij het openen van de Goede mousson, onze snauw De Nehellenia en ons smalschip De verwagting benevens onze drie oorlogs gamellen, en zo deze laatste al niet, als dan de drie paggers op Moetoe Coenoe, niet alleen wet Militairen maar ook met Arthilleristen moeten bemannen, schoon schoon wer het op de vaartuijgen wel met Jnlands Militairen afkunnen, het geen egter op de oor„ „logs Gamellen of Paggers geen plaats kan heb„ „ben, waar op ten minsten eenige Europeesen moeten zijn. Dat het dus met onze presente Europeese magt zelve beswaarlijk genoeg zoude zijn, de surprisen en ondernemingen van een listigen en magtigen vijand te keer te gaan, en dat het dus ook voor ons onverantwoordelijk zoude zijn, ons verder van Europeesen te ontblooten. Dat, wat de sustencie der Ceijlonse Mi„ „nisters aangaat, namentlijk dat thans ten minsten de Compenie van Capitain Lever en het restant der Ceilonse Arthilleristen te Tutucorijn nodiger zijn als te Cranganoor en Aijcotta /:alwaar die Comp: geduurende deze quade mousson verdeeld legd, en waar bij we zelfs onlangs nog eenige van de Comp: van Capitain Frankena hebben moeten voegen, om dat Levers Compenie te swak is, om daar meede die twee aangelegene posten te bezetten, alzo de overige daar leggende troupes inlanders zijn :/ men het aan zijn plaats
English
leaves room whether the preservation of our possessions here is to be preferred above the preservation of Fort Tutucorijn, yet one must remark that those troops are not stationed there to cover the country of Jaevancoor or Cochim, but rather for the preservation of Cranganoor and Aijkotta, the guarding of which has indeed been specifically and seriously recommended to us as posts of the utmost consequence here, since they are now the keys to our possessions on the north side, and the enemy, being able to break through there, has an open road to advance immediately, to inflict dreadful devastations in the country, to invade the Trevancoor realm (for which pepper kingdom he is also concerned), to surround our city and to obstruct trade, for all of which, furthermore, the upcoming entirely good monsoon would come in handy, just as he, for that reason, about four years ago, very early, namely on the 9th of October 1776, already attacked our possessions, which does not differ much from the time of year in which we currently find ourselves. That as regards what is further the contention of the Ceylon ministers, namely that Cranganoor and Aijkotta, with the help of the Trevancoor and Cochim troops, would now run less danger than before for the reasons alleged thereof (which at first glance do not seem to be unfounded), it is known with respect to the Trevancoor and Cochim troops that no troops of Trevancoor nor of Cochim are stationed at Cranganoor, but rather at Aijcotta, and that those, in proportion as we have sent back the Ceylon militia, have also gradually and imperceptibly diminished, because the same are not in our pay but in the pay of the aforementioned kings, about which the Governor has indeed once complained, yet received in response that they follow our example and would not do such a thing if they had not seen us do such a thing, and do not assume with us that such can bear the strength of Cranganoor and Aijkotta; besides which experience has also taught how little reliance can be placed on these troops in a serious engagement, as was shown during the first invasion, when the Nabob's troops wanted to force Aijkotta, at which time the aforementioned troops were already giving way and the enemy would thus have crossed over, had we not at that time greatly stripped our city of Europeans and sent the same in all haste to Aijkotta, whereby the enemy retreated, and the crossing of those troops has been prevented up to now; not to mention that, for known reasons, we cannot place too much reliance on the King of Cochim, so that the Trevancoor and Cochim troops are stationed there more to increase the crowd and, as it is called, to show their act of duty, than to accomplish anything substantial, and that we, by our possessions at Cranganoor and Aijkotta, do not guard the lands of Trevancoor and Cochie in the capacity of lands of those princes, but rather preserve those posts as the keys to our further possessions here, and that those posts absolutely cannot be preserved without Europeans. That although the Nabob finds himself with his force in the Carnatic and Madura regions, we nevertheless on this side to the north perceive no reduction in his force at Chettua and Calicoet, as his force, both in those places and at Chawecattij, which lies eastward and as in a triangle between Chettua and Calicoet, is still just as great, and he has made such dispositions in his conquered lands that he immediately has a crowd of auxiliary troops from the same for his service, as was shown during the siege of Chettua, which we therefore had to break up; and that he is presently also quite actively engaged here in the neighborhood to the north, and with the help of the Nairs from the Collastrij kingdom subjected to him, supported by his troops, keeps the English Fort Talicherij besieged and still gives much trouble, not to mention that he recently already took possession of an outer fort, named Dhermapatnam, a little north of Talicherij, which had been abandoned by the English because native troops were stationed in it who could not hold it. That according to all reports the army of Charder Chan before Tallicherij, with the auxiliary troops of Collastrij, is estimated to be 15,000 to 16,000 men strong, and that one must believe that it is not much weaker, because the English at Tallicherij have about 200 Europeans, a regiment of regular sepoys, and another 3,000 other native troops, and yet are not able to raise the siege, so that they will ultimately have to surrender or abandon the place; for which, as is said, the chief there awaits orders from Bombay, and that in such a case Charder Chan can very easily march to this side, which is the sooner to be expected because Jaevancoor has already sent 5,000 men of auxiliary troops to Mahomet Alijchan, as that king has informed the Governor. That the Nabob, moreover, although he does indeed find himself in the Carnatic and Madura regions, has nevertheless shown more than once that he is here in a short time, and in a short time there again; that if at Coromandel the impending severe
Dutch transcription
plaats laat of het behoud van onze bezit„ „tingen alhier boven het behoud van 't Fort Gutucorijn te prefereeren is, dog moet remarquee„ „ren, dat die troupen daar niet leggen om het land van Jaevancoor of Cochim te dekken; maar wel tot behoud van Cranganoor en Aijkotta, welkers bewaringe ons wel speciaal en serieus aanbevoolen is, als posten van de uijtterste aangelegentheid alhier, vermits ze tans de sleutels zijn van onze bezittingen aan de Noord kant, en de vijand daar, kun„ „nende doorbreeken eene opene weg heeft, om ten eersten voort te rukken, in het Land ijsselijke verwoestingen aanteregten, het fre„ „vancoorse /:om welke peper Rijk, het Hem ook te doen is:/ te invadeeren onze stad te om„ „cingelen en den koophandel te stremmen, tot welk een en ander Item de aanstaande geheele Goede mousson te stade zoude komen, Gelijk Hij ook daarom nu omtrend vier Jaaren Geleeden, heel vroeg, namentlijk den 9: ' october 1776. onze bezittinge al aangetast heeft, het geen niet veel verschild, van den tijd des jaars waar in we thans zijn. Dat Dat wat verder de sustenue der Ceilonse Ministers aangaat, namentlijk dat Cranga„ „noor en Aijkotta, met behulp van de Jrevan„ coorse en cochimse troupen, thans minder gevaar dan bevoorens zouden loopen, om de daar van g'allegeerde redenen /dewelke in den eersten opslag niet ongegrond schijnen te zijn :/ het ten opzigte van de frevancoorse en Cochimse troupen bekend is, dat te Cran„ „ganoor geene troupes van Trevancoor nog van Cochim, maar wel te Aijcotta leggen, en die na mate wij de Ceilonse Militie terug Gezonden hebben, ook al successive ongevoelig vermindert zijn, dewijl dezelve niet door de tomp maar in der voorschr: koningen bezoldin„ „gen staan, waar over de Gouverneur wel eens gedoleert dog ten antwoord gekreegen heeft, ^ voorbeeld volgen en zulx niet zouden doen, indien zij ons dat zij ons ^ zulx niet hadden zien doen, en met ons niet veronderstellen „ dat zulx sterkte van Cranganoor en Aijkotta veelen kan, behalven dat ook de ondervindinge Geleert heeft, hoe wijnig staat te maken is, op deze troupes in een serieuse affaire, Gelijk bij den eersten inval gebleken is, toen 't Nababt troupes troupes Aijkotta wilden forceeren, als wanneer voorschr: troupes al aan het wijken waren en de vijand dus zoude overgekomen zijn, indien we te dier tijd, onze stad van Europeesen niet zeer ontblood en dezelve in allerijl na Aijkotta Gesonden hadden, waar door de vijand retireerde, en tot dus verre verhindert is de overkomste dier troupes, gezwijge dat we om bekende redenen, juijst niet te veel staat op den koning van Cochim kunnen maken, zo dat de Jrevancoorse en Cochimse troupes daar meer leggen om den hoop te vergrooten, en zo genaamd hunne Actie van devoir te toonen, als om iets wesentlijks uijttevoeren, en wij door onze bezittingen te Cranganoor en Aijkotta, niet de Landen van Trevancoor en Cochie, in hoedanigheijd als landen van die vorsten, maar die posten als de sleutels van onze verdere bezittingen alhier bewaren en dat die posten absolut niet zonder Europeesen te bewaren zijn. Dat we schoon de Nabab met zijn magt in het Carnatise en Madureese zig bevind, egter egter aan deze zijde om de noord, geene ver„ „minderinge in zijne magt te Chettua en Calicoet ontwaren, alzo zijne magt, zoo wel op die plaatsen als te chawecattij, dat oost„ „waards, en als in een drie hoek, tusschen chettua en Calicoet legd, nog even groot is, en Mij zodanige disposities in zijn overheerde landen gemaakt heeft, dat blij uijt dezelve aanstonds een turbe van hulptroupes tot zijn dienst heeft, gelijk dat gebleeken is, bij het be„ by van Chettua, het geen we daarom moesten opbreeken; en dat hij thans hier in den buurt om den Noord ook wel voor Goed bezig is, en met behulp van de Nairospen uijt het hem onderworpene Collastrijse Rijk„ ondersteund met zijne troupes, het Engelse Fort Jalicherij belegerd houd en als nog veel werks geeft, geswijge dat wij onlangs reets een buijten fortje, gen=t Dhermapatnam, een wijnig benoorden salicherij, in bezit Ge„ „nomen heeft, het welk door de Engelsen verlaten was, om dat 'er Jnlands troupes inlagen die het niet houden konden Dat volgens alle berigten het Leger van Charder charder Chan voor Jallicherij met de hulp= troupen van Collastrij, gestelt word Groot te zijn 15. à 16000. mannen, en dat men moet gelooven dat het niet veel swakker is, om dat de Engelse te Jallicherij circa 200. — Europeesen, een regiment reguliere sipaijs en nog 3000. andere Jnlandse troupes heb„ „ben „ en egter niet vermogens zijn het beleg opteslaan, dat ze dus op het laast de plaats zullen moeten overgeven of verlaten; waartoe, als gezegd word, het voofd aldaar ordre van Bombaij verwagt, en dat in zulken gevalle charder chan zeer Gemakkelijk na deze kant kan trekken, dat te eerder te verwagten is, om dat Jaevancoor reeds 5000. man hulp-troupen aan Mahomet Alijchan heeft gezonden, zo als die koning de Gouverneur heeft laten weeten. Dat de Nabab buijten des, schoon blij zig wel in het Carnatise en Madureese, bevind, egter meer als eens getoond heeft, dat Hij in een korte tijd hier, en in een korte tijd weer daar is; dat als te Cormandel de daar op handen zijnde kwaare
English
bad monsoon sets in, the force present here can be reinforced with troops from that side, because there is not much to be carried out there at that time. That while the Tutucorijn chief rightly remarks that although he is indeed not in distress, should he come into distress, it might be too late to ask for succour from here, he could, if distress came upon the men, nevertheless within a few days receive some Europeans for some time, or at least closer help, from Ceilon rather than from here, just as currently two and a half companies of Malays have already shortly been sent from Ceilon. That while it is reported from Tutucorijn that there are only five artillerymen there, and we, as shown hereinbefore, presently have somewhat more artillerymen than four years ago; we, however reluctantly, might nevertheless send some artillerymen, at the most to the number of 10 men, and such a small troop, notwithstanding the rainy weather, will still be able to be transported, especially if one provides them with everything and arranges Coolies to assist them somewhat in carrying the provisions and their baggage. Finally, that however much we might wish to be able to spare the two weak companies of Europeans, consisting together of 211 heads on the primary establishment, and the artillerymen to the number of 40 on the primary establishment, we are in good conscience and after serious consideration convinced that, in whatever case it might be, we cannot miss them without exposing our possessions here, even now, let alone in the future, to the utmost danger; and that we therefore find no freedom to weaken ourselves further for the sake of Tutucorijn; that it is therefore necessary to make this known with modesty, yet frankly and without any restriction, to the Ceilon ministers, so that they, by finally demanding their remaining troops here, may not expose us to any danger, and that we (who in such a case would have to send back the auxiliary troops, that is if they were to be absolutely demanded back, since Ceilon might sometimes even be in distress, and that Government is of greater importance than our possessions here) may then not remain accountable for whatever might happen to the Company's possessions here through that absolute demand. And it has thus been unanimously resolved and agreed to send ten artillerymen, provided with the necessary gear, at the earliest by vessel across the river to Coilan, in order to let them depart further from there to Tutucorijn after being provided with some Coolies; furthermore to decline the sending of the demanded military personnel and to demonstrate clearly to the Ceilon ministers that, in whatever case it might be, we can no longer spare any Europeans without exposing the Company's possessions here to the utmost danger; while it was simultaneously agreed, upon the dispatch of the artillerymen, to send an extract thereof to the chief of Tutucorijn, in so far as it may serve for his Honour's information. The Governor further made it known for the record how he, having already on the 29th of August last obtained preliminary tidings of the Nabob's invasion by letter from the Coromandel Governor van Vlissingen dated the 3rd of August, gave notice thereof on the 31st thereafter for greater certainty both to Ceilon and to Tutucorijn, in case it might occasionally have happened that the communication thereof to Ceilon and Tutucorijn went missing by some accident; and which passage from the aforementioned Nagapatnam letter is also inserted hereunder for consideration. Extract from a letter written by the Nagapatnam Governor Reinier van Vlissingen to the Right Honourable Adriaan Moens, Governor and Director at Cochin, dated the 3rd of August 1780. Finally, the retreat of Haidar Ali Khan to the Carnatic lowlands, so long rumoured, has indeed been confirmed, in that the army of that commander, which is estimated at 80,000 men, without meeting any resistance from the side of the English, who have caused their main force to march northwards, has penetrated through the mountains and is encamped on this side of the same, a good two days' journey above Trichinopoly, from where some detachments have been sent toward the sea coasts, among which one of 4 to 5000 cavalrymen made an invasion on the 22nd of the previous month most unexpectedly into the seaside village of Porto Novo, and acted there in such a violent manner as the enclosed translated olas written from Porto Novo to this place by the Company's interpreter, and a copy of the declaration made by the peon who brought me the first news of what happened, do dictate, to which I take the liberty to refer myself humbly. Meanwhile, reports have been brought here from elsewhere which confirm nothing other than the violent and predatory intentions of Haidar's troops along the countryside and in the surrounding villages. As is communicated from Madras by letter of the 24th of July, that secure news had arrived there on the evening of the 23rd that Haidar Naik had advanced to near Arcot and had captured a couple of thousand pack animals; that thereupon the securing of goods of the English who live in their garden houses, and of the natives, had begun in earnest.
Dutch transcription
kwaade mousson doorbreekt de hier zijnde magt kan werden versterkt met troupen van dien kant, om dat als dan daar niet veel uijt„ „tevoeren is. Dat dewijl het Jutucorijns opperhoofd te regt aanmerkt, dat schoon vlij wel niet in nood is, egter in nood komende, het te laat zoude kunnen zijn, om van hier secours te vragen, bij immers als de nood aan de man kwam in wijnige etmalen voor eenigen tijd wat Europeesen, ten minsten nader hulp zoude kunnen krijgen van Ceilon dan van hier, gelijk nu al aanstonds in korte (twee en een halve compenie Mallijers van Ceilon ge„ „zonden zijn. Dat dewijl van Tutucorijn gemeld word, dat daar maar vijf arthilleristen zijn, en wij gelijk hier vooren aangetoond is, thans wat meer Arthilleristen als over vier jaaren heb„ „ben; wij, hoe ongaarne ook, egter wel eenige Arthilleristen zoude kunnen zenden, uijtter„ „lijk ten getalle van 10. man, en zo een klijn troup, ong'agt het regen-weer, nog wel te trans„ „porteeren zal zijn, voor al, wanneer men hun hun alles meede Geeft, en Corlis bezorgd, om hun in het dragen van de provisien en van hunne Equipagie wot te gemoed te komen. Eijndelijk dat hoe zeer wij wel wenschen om de twee zwakke Compenien Europeesen, bestaande tesamen in 211. koppen primo plan, en de Arthilleristen ten Getalle van 40. primo plan, te kunnen missen, wij in gemoede, en na serieuse overweginge overtuijgd zijn, dezelve, in welk geval het ook zoude mogen zijn, niet te kunnen vorissen zonder onze bezittingen alhier zelfs thans, geswijge in het vervolg, aan het uijtter„ „ste Gevaar te exponeeren, en dat wij derhalven geen vrijheijd vinden ons verder te verswakken, om de wille van Tutucorijn; dat het derhalven noodzakelijk is, zulx met bescheijdenheijd, dog openhartig, zonder eenige restrictie aan de Ceilonse Ministers te kennen te geven, op dat dezelve door het finaal eijsschen van Hunne restant troupes alhier, ons aan geen Gevaar mogen exponeeren, en wij /:die in zo een geval de hulp troupen. zouden moeten terug zenden, dat is wanneerze absolut mogten terug g'eijscht worden, dewijl Ceilon somtijds. zelfs zelfs in nood zoude kunnen zijn, en dat„ Gouvernement van meer aangelegentheijd is als onze bezittinge alhier /:als dan niet aansprekelijk mogen blijven, voor het geen 'sComp=s bezittingen alhier door die absolute opeijs„ „schinge mogte overkomen. En is dus unamimeter Goedgevonden en verstaan, thien Arthilleristen, van het nodige voorzien, ten eersten met een vaartuijg over de revier na Coilan te zenden, om van daar van wat Coelis voorzien zijnde, verder na Jutu„ „corijn te laten vertrekken, wijders de versendinge van de g'eijschte Militairen te exculeeren en de Ceilonse Ministers duijdelijk te vertoonen, dat wij, in welk geval het ook zoude mogen zijn, Geen Europeesen meer kunnen messen, zon„ „der 'sComp=s bezittingen alhier aan het uijtterste gevaar te exponeeren; terwijl teffens verstaan wierd, bij het versenden van de Arthilleresten, Extract daar van aan het opperhoofd van Tutucorijn tesenden, voor zo verre tot narigt van zijn Ed: dienen kan. Nog Gat de Gouverneur ter aantekeninge te kennen, hoe Hij reeds den 29 Aug=t do. „leeden Leeden bij brief van den Heer Cormandelse Gouverneur van vlissingen Ged=t den 3. ' Aug=s praalabel tijdinge van 's Nababs inval erlangd hebbende, den 31. ' daar aan, daar van ten overvloede zo wel na Ceilon, als na Jutu„ „corijn kennisse gegeven heeft, of het ook zom„ „tijds mogt Gebeurt zijn, dat de communicatie daar van, na Ceilon en Tutucorijn, door het een of ander toeval mogt absent geraakt zijn, en welke periode uijt gem: Nagapatnamse brief tot speculatie hier onder ook g'insereerd is. Extract uijt een brief door den Heer Nagapatnamse Gouverneur Reinier van Vlissingen aan den wel Edele Groot Agtb: Heer Adriaan Moent Gouverneur en Directeur te Cochim gesch:, onder dato 3. ' aug=o 1780. Eijndelijk is de zo lang gespargeerde aftogt van Hlaijder Alijchan na de Carnaticase beneden lan„ „den met 'er daad bevestigt geworden, door dien het leger van dien veldheer dat op 80'000. — man begroot word, zonder eenige tegenstand van de zijde der Engelsen te ontmoeten, die haare Grootste mogt noordwaards hebben doen trekken, door @ door het gebergte Gedrongen, mitsgaders aan deeze zijde van dezelve, ruijm twee dagen reijssens boven Trisjenapallij Gelegerd is, van waar eenige deta„ „hementen na de zee staanden afgesonden zijn, onder welk een van 4. à 5000. Cavalleristen op den 22. der voorige maand, op het aller onverwagst in het Zeedorp Porto Novo een invasie gedaan, en aldaar zodanig geweldadig gehandelt heeft, als de ingeslootene Translaat olassen door 'sComp=s tolk van porto novo na herwaards geschreeven en een Copia van de verklaring, door de pion die de eerste tijding van het gebeurde bij mij ge„ „bragt heeft, Gepasseerd, komen te dicteeren, waar aan ik de vrijheid neem mij nedrig te referee„ „ren. Jnmiddens zijn alhier van elders tijdingen aangebragt, die niets anders dan het geweldig en roofziek voorneemen van Naijders troupen, langs het platte land, en in de omleggende dor„ „pen komen te bevestigen. zoo als van Madras bij brief van den 24. ' Julij bedeeld word, dat aldaar den 23. 'savonds secuure tijding was gekomen, dat Haijder Naijk tot bij Arcadoe was genadert, en zig van een paar duijsent draag beesten hadde meester Gemaakt; dat daar op het bergen van Goederen der En„ „gelsen, die in hunne thuijnen woorden, en van Jnlanders, sterk zijn begin Genomen hadde
English
had, and several gentlemen, who had dined in gardens with the intention to spend their night's rest there as usual, had entered the fort as late as twelve o'clock; that the Nabob had already secured his goods and wives in the Black Town, and that it was said he himself had also moved thither. Furthermore, that the securing of goods and the flight of people had become general on the date of the aforementioned letter, when the further news arrived there that Haijder Alij's horses had invaded cangewarom, situated seven miles from Madras, and had cut off, encircled, and either killed or taken prisoner a troop of Nabob Machomet Alijchan's cavalry there. That everyone was occupied with his own interests, and no coolies could be obtained for money. As also was written hither from Palleacatta by letter of that very date, that the dreaded Haijder Alijchan had crossed the mountains with his mighty army and, according to general rumor, had approached kristnagerij, being two days' journey from Arcadoe, and had also ruined and plundered several villages lying thereabouts. That That upon that rumor, an incalculable number of neighboring villagers with their families had fled both to Madras and Palleacatta. And from Sadraspatnam by letter of 25 July, that everything there was in turmoil over the descent of the army of the renowned general Haijder Alijchan, who was said to have already crossed the mountain passes, and that the place was full of strangers who had gone thither to seek safety for their lives. Hitherto the incoming news is still limited to this; what further disadvantageous consequences the same will have, we must await from time. Meanwhile it remains uncertain whither our Porto Novo resident Jopander, together with the two clerks who were stationed there, has been carried off by that band of robbers; I have reclaimed them by a letter written in the Gentoo language to the head of that cavalry troop that made the invasion into Porto Novo, but have received no answer as yet. By the arrival of thousands of people with their possessions, this city is now crammed full, and it is calculated that on the first day of the news that Porto Novo was invaded, Examined Godef: Daimichen invaded, fully four hundred thousand Pagodas, both in cash, gold, silverware, and jewels, were brought inside by various persons. And notwithstanding our small garrison, I have nevertheless issued the necessary orders so as not to be taken by surprise upon an unexpected arrival of those warriors, for which they are still somewhat Thus done, resolved, and decreed in the Council of Malabar in the city of Cochin on the day, month, and year aforesaid. Signed: A: Moens, R: v: Harn, I: C: Saffin, J: L: van Spall, C:G: Seijffer, W: van Haeften, and J: A: Daimichen Agreed J: A Daimichen Secretary far from hand. No. 2. Secret. Ceylon To the Right Honorable, Highly Esteemed Iman Willem Valck, Ordinary Councillor of the Dutch Indies, and Governor and Director of the aforementioned widely extended Island, the Coast of Madura, and the dependencies thereof, together with the Political Council in Colombo. Right Honorable, Valiant, Brave, Wise, Prudent, and Generous Gentlemen and Friends. Through the delivery by the Tuticorin servants, we received on the 8th of this month Your Right Honorable Highly Esteemed Secret Dispatch dated 16 August prior, in which Your Honors communicate to us the unexpected invasion of Haijder Alijchan into the Carnatic and the plundering of Porto Novo and Conjeeveram, and that the Tuticorin servants, because the country lies open to this warlike Nabob, have requested relief, and Your Honors, on account of the critical circumstances of the times and the neutrality in which our Republic finds itself, not daring to send any Europeans from Ceylon, have been pleased to authorize Chief van Angelbeek to request from us, in case of urgent necessity, the troops from Ceylon still present here. The aforementioned Tuticorin Chief has also, according to that given authorization, requested a company of Europeans and some artillerymen, with the notification that, although he was not yet in the position to make the fullest use of that authorization, he nevertheless, on account of the weakness of his garrison, requested this company and artillerymen for the present, because if the case of necessity existed, it would likely likely be too late to do so. We think that Your Honors have not known, as Your Honors also could not have known, how lamentably weak we are in Europeans, besides the two already quite weakened Ceylon companies, as Your Honors would otherwise undoubtedly not have given the aforesaid authorization to Tuticorin. Nevertheless, we have taken into serious consideration in a special meeting whether one could, without endangering the Company's possessions here, comply with the request of the Tuticorin Chief; and having examined the state of our European militia upon this, it was found that our European militia is not stronger or larger, but indeed 6 men fewer than it was when the Nabob's people invaded the Company's possessions, though there are indeed 33 heads of artillerymen more than at that time. Here at Cochin are stationed in the first instance Europeans with the company of Captain Frankena, together 404 heads, of whom ordinarily 20 men are in the hospital, and fully about 60 to 70 heads are old or
Dutch transcription
hadde, en verscheidene Heeren, die in thuijnen g'avondmaald hadden, met voorneemen om daar ook, gelijk althoos, hunne nogt rust te houden, nog te twaalf uuren; binnen het fort gekomen waren; dat de Nabab zijne Goederen en vrouwen bereeds in de swarte stad gesecureerd hadde, en dat men zeijde dat Hij ook zelve derwaards zoude ver„ „huijst zijn. Voorts dat het bergen der Goederen en het vlugten der menschen op de dagteekening van voorm: brief algemeen geworden was, toen de nadere tijding aldaar aankwam, dat Haijder Alijs paarden te cangewarom seven mijlen van Madras gelegen ingevallen waren, en een troup van de Nabab Ma„ chornet Alijchan zijne Cavallerie aldaar afgesnee„ „den, omcingeld, en of Gedood of Gevangen Geno„ „men hadden. Dat een ieder met zijn eijgene belangens g'occupeerd was, en men geen Coelis voor Geld konde krijgen. Gelijk meede van Palleacatta bij brief van dien eijgensten datum dit heen geschreeven is, dat den Gedugten Haijder Alijchan met zijn magtig leeger de gebergtens gepasseerd, en volgens het algemeen gerugt te kristnagerij, zijnde twee dag reijsens van Arcadoe genaderd was, mitsgad=s verscheijdene daar omtrend leggende dorpen Geruineerd en Geplundert hadde. Dat Dat op dat Gerugt een onnoemelijk getal van de nabuurige dorpelingen met hunne familien, zo na Madras als Palleacatta waaren komen vlugten. En van Sadraspatnam bij brief van den 25. ' Julij, dat aldaar alles in rep en roer was, om de afkomst van de Armee van den berug„ ten veldheer Haijder Alijchan, die bereeds de berg weegen zoude gepasseerd zijn, en dat de plaats vol vreemdelingen was, die zig om lijfberging, te zoeken, derwaards begeven hadden. Tot hier toe bepalen zig als nog de ingekome„ „ne tijdingen, wat voor nadeelige gevolgen dezelve nog verder hebben zullen, moeten wij van de tijd blijven afwagten. Jnmiddens blijft het nog onzeker werwaard) onzen Portonovosen resident Jopander nevens de aldaar bescheijden geweest zijnde twee Pennisten, door die roofbende is vervoerd geworden; ik heb dezelve bij een brief in de Jentiefse taale Geschae„ ven van het Hoofd dier ruijter bende, die de invasie in Porto Novo gedaan heeft, gere„ „clameerd, dog tot nog toe geen antwoord bekomen. Door het afkomen van Duijsenden van menschen met haare bezittingen, is thans deze stad opgepropt vol, en men rekent dat de eerste dog van de tijding dat Porto novo g'invodeerd ƒ Nagesien Godef: Daimichen g'invadeerd was, ruijm vier maal Hondert duijsent Pagoden, zo aan Contanten, Goud, zil„ verwerken en juweelen, door diverse perzoonen binnen gebragt zijn. En niet tegenstaande ons Gering Guarni„ soen, heb ik egter de nodige ordres gesteld, om bij een onverwagte aankomst dier krijgers niet overrompeld te worden, waar toe ze nog wat Aldus Gedaan Geresolveerd en Gearresteerd in Raade van Mallabaar ter steede Co„ „chim ten dage maand en jaere voormeldt, /was Getekend:/ A: Moens, R: v: Harn, I: C: Saffin, J: L: van Spall, C:G: Seijffer, W: van Haeften, en J: A: Daimichen Accordeert J: A Daunichen Secrets verre van de hand zijn. N o 2. secreet. Ceijlon fr Aan Den Wel Edelen Groot Achtbaren Heer Iman Willem Valck Raad Ordinair van Nederlands Indiën mitsgaders Gouverneur en Directeur van 't bovengem: wijd uijtge„ „strekte Eijland, de Kuste Madure en den resorte van dien, nevens den Politicquen Raad Colombo. Wel Edele Erntfeste, Manhafte, Wijze voorsienige, Heer Genereuse Heet en Vrienden. Door de bestellinge van de Tutucorijnse bediendens hebben wij den 8. ' deser ontvangen VW Wel Edele Heer Gachte Secreete Missive in dato Tot dato 16. ' Augustus bevorens, waar bij UW Wel Edelens ons bedeelen den onverwagten inval„ van Haijder Alijchan in het Carnatise en het uijtplunderen van Portonovo en Canjepoeram, en dat de Tutucorijnse bediendens, dewijl het Land voor desen Oorlogsugtigen Nabab„ open leijd, ontzet hebben verzogt en UW Wel Edele, om de Wille der Critike tijdsomstandighe„ „den en de onzijdigheijd waar in onze Repu„ „bliek zig bevind, geen Europeesen van Ceijlon durvende zenden, het opperhoofd van Angel„ „beek hebben Gelieven te Qualificeeren, om bij bringende nood van ons te verzoeken, de van Ceijlon hier nog zijnde troupen. Het Tutucorijnse opperhoofd Voormt heeft ook volgens die gegeve Qualificatie, verzogt eene Compenie Europeesen en eenige Arthille„ „risten, onder te kenne gevinge, dat of schoon hij als nog niet was in het geval, om van die Qualificatie het ruijmste gebruijk te mogen maken, hij egter om de Swakheijd van zijn Guarnisoen, voor eerst dese Compenie en Arthilleristen Verzogt, om dat als het geval van noodzakelijkheijd Exteerde, het waarschij„ „nelijk „nelijk te laat zoude zijn, het te doen. Wij denken dat VW Wel Edele niet geweeten heb„ „ben, gelijk UWw Wel Edele ook niet hebben kunnen weeten, hoe bedroefd Swak Wij van Europeesen zijn, buijten de twee, al vrij verswakte Ceijlons Com„ „penien, alzo UW Wel Edele anders ongetwijfelt voorsch: Qualificatie na Tutucorijn niet zoude gegeven hebben: Egter hebben We in eene Expres„ „se bij eenkomste in Serieuse overweginge ge„ nomen of men, zonder 's Comp:s bezittingen hier in gevaar te stellen, aan het verzoek van het Tutucorijns opperhoofd zouden kunnen voldoen, en hier op den Staat onser Europeese Militie nagegaan zijnde bevonden, dat onze Europeese Militie niet Sterker, of Grooter, maar Wel nog 6. man minder is, als die is geweest wanneer des Nababs Volk in 's Comp:s bezittingen is gevallen, dog dat er wel 33. kop„ „pen Arthillaristen meer zijn, als ter dier tijd. Hier te Cochim leggen Primo Plan Eucro„ „peesen met de Compenie van Capitain Franke„ „na te samen 404. koppen, waar van ordi„ „nair 20. mannen in het Hospitaal zijn, en Wel omtrent 60 â 70. koppen, zijn oude of ge„
English
infirm men from our own weak garrison, who at best can be regarded as invalids. At Cranganore and Aycotta lies the company of Captain Lever, presently on the front line with 99 heads, along with ten more men from Frankena's company, and this militia is highly necessary there even in the bad monsoon, not for the country of Travancore and Cochin, but to preserve the posts of Cranganore as the key to our possessions on that side, which we, as posts of the utmost importance, have been specially ordered to preserve and defend to the uttermost, since the enemy, having broken through there, would have an open door before them to camp down before Cochin and prevent all our trade and supply both into and out of the river as well as from land; for that those important posts could be preserved with native troops and, as Your Honour seems to assume, even easily with Travancorean and Cochin troops, the contrary was proven by experience, when at the beginning of the unrest the enemy wished to cross over to Aycotta with vessels, as those troops were already retreating and the enemy was on the point of crossing over, had we, having caught wind of that undertaking, not stripped our city greatly of Europeans and sent a detachment thither in all haste, which arrived at that very moment, and whereby the enemy retreated. If now the company of Captain Lever had to be sent to Tuticorin, an equal number of troops would absolutely have to be detached thither again. In the good monsoon, the vessels must still be manned, principally three armed gamels with some European military and artillerymen, for which no natives can be used, and some European military and artillerymen must also be stationed alongside the Chegos in the three paggers constructed on Moetoecoenoe; thus 130 to 140 men would absolutely have to be sent from the Cochin garrison, leaving us with not even 200 able-bodied Europeans, which number of men we hope Your Honour will judge with us to be far too small to defend with the help of native troops the extensive city of Cochin, which is fully as large as the Castle of Colombo, consisting of six large and four somewhat smaller bastions and two outworks. So that on account of the critical circumstances of the times, and also because of the neutrality of our Republic—since in case of European hostilities we might sometimes receive the first visit here, at least as early as at any other factory—we had intended to request Your Honour to send us, from the returned auxiliary troops, a company of Europeans with the pepper ship, to be here at least during the good monsoon for the reinforcement of our Europeans; and thus we heartily wish that circumstances in the meantime may soon take such a turn that Your Honour will still be able to send us a company of Europeans with the pepper ship, which in such a case we hereby most earnestly request, just as we also hold ourselves assured and have already experienced that Your Honour, in case of possibility, will not leave us in difficulty. Now as concerning circumstances on this coast, we consider them to be in just as bad a state as at Tuticorin. It were to be wished that Hyder Ali Khan, having two armies on the opposite coast, had no further force of importance in Malabar; but we experience the contrary. Sardar Khan, who invaded the Company's lands in the year 1776, is still here with the force that he brought into these lowlands some time ago; whether there is now another Sardar Khan on Coromandel with an army, or whether this denomination is rather the title of an army commander than the name of a person, we cannot know with certainty, but indeed that the notorious Sardar Khan, who previously first had the English at Tellicherry secretly harassed by the Kolattiri Nairs, has now recently, conjoined with the Kolattiri troops, openly marched before Tellicherry, hostily attacked the English there, captured some outposts, among which a small fort named Dharmapatnam, and still keeps Tellicherry besieged. According to reports, the army of Sardar Khan with the Kolattiri troops is 15 to 16,000 men strong, and we have reason to believe that it is not much weaker, because the English have nearly 200 Europeans, a regiment of regular sepoys, and fully 3,000 native troops of Moors and such folk in service at Tellicherry, and yet are not in a position to raise the siege. The English will likely have to abandon or surrender the fort in the end, for which it is said that they await orders from Bombay, unless they obtained succour from elsewhere to be able to raise the siege, which however cannot now be of importance. Sardar Khan having then finished the business with Tellicherry, whether he gets it into his hands or breaks up the siege, can then easily rekindle the fire of war on this
Dutch transcription
gebrekkige menschen van ons eijge Swak guarni„ soen, die op zijn best als Juvalides kunnen wer„ „den aangemerkt. Te Cranganoor en Hijcotte Legd de Com„ „penie van Capitain Lever, thans primo plan 99. koppen, met nog thien man van Frankenas Compenie, en dese Militie is daar zelfs in de Quade Mousson ten hoogsten nodig, niet om het Land van Trevancoor en Cochim, maar om de posten van Cranganoor, als de sleu„ „tel van onze besittingen aan die kant, te bewaren, en dewelke ons, als Posten van de uijterste aangelegendheijd, wel Speciaal ge„ „last zijn te bewaren en tot het uijterste te defendeeren, dewijl de vijand daar, door ge„ „broken zijnde, eene opene deur voor zig heeft, om zig voor Cochim ter neder te slaan, en ons allen handel en toevoer zo in en uijt de Revier als van Land te belet„ „ten; want dat die aangelegene Losten met Jnlandse troupes en, zoo als Uw wel Edele schijnen te veronderstellen, zelfs weel met Trevancoorse en Cochimse zoude te bewaa„ „ren zijn, heeft bij ondervindinge het tegendeel ge„ gebleeken, toen de vijand in 't begin der ontus„ ten op Hijcotte niet vaartuijgen wilde overkomen alzo die troupes al aan het Retireeren Waren, en de vijand zo stond om over te komen, in„ dien wij, van die onderneeminge, de lugt ge„ „kreegen hebbende, onse Stad niet van Europee„ „ken zeer ontblood en een Detachement in„ allerijl derwaards gesonden hadden, dat Juijst op dat selfde ogenblik aankwam, en Waar door de Vijand Retireerde. Indien nu de Compenie van Capitain Lever na Tutucorijn moest werden ge„ „zonden, dan zoude een Gelijk getal troupen Absolut weder derwaards moeten werden Gede„ „tacheert: In de goede Mousson moeten nog de Vaartuijgen, voornamentlijk drie G'armeer„ „de Gamellen met wat Europeese militairen en Arthilleristen Werden bezet, Waar toe geene Inlanders kunnen werden gebruijkt, en ook in de drie op Moetoecoenoe g Extrueerde Paggers ook eenige Europeese Militaire en Arthilleristen bij de Chegossen Werden ge„ „plaatst; dus zoude uijt het Cochims-Guarni„ „soen 130. â 140. mannen absolut moeten Werden Werden gezonden, wanneer ons geene 200. bekwa„ „me Europeesen zouden overblijven; welk getal manschap wij hoopen dat UW Wel Edele met ons zullen oordeelen al te gering te zijn, om daar meede, met behulp van Jnlandse troupes te de„ „fendeeren, de uijtgestrekte Stad Cochim, die ruijm zoo groot is als het Kasteel van Colom„ „bo, bestaande uijt Ses Groote en vier Wat kleendere Bolwerken en twee buijtenwerken zoo dat wij, uijt hoofde van de Critike tijdsom„ „standigheeden, en ook wegens de Onzijdigheijd van onze Republiek: dewijl Wij, in Cas van Europeese Vijandelijkheijd, zomtijds hier wel„ de eerste visite zouden kunnen krijgen, ten minsten zoo vroeg als op eenig ander Comptoir: Voorneemens waren geweest, UW Wel Edele te verzoeken, van de te rug gesondene hulptrou„ „pes, ons net het Peper-schip een Compenie Europeesen te zenden, om ten minsten geduu„ rende de goede Mousson hier te zijn, ter ver„ „sterkinge van onze Europeesen en dus wenschen Wij hartelijk dat de omstandigheeden intussen spoedig zodanigen keer mogen neemen, dat UW wel Edele ons met het peper schip nog een Compenie Compenie Europeesen zullen kunnen toezenden, de„ Welke wij, in zo een geval, bij desen op het ern„ „stigste verzoeken, gelijk wij ook ons verzekert. houden en reeds ondervonden hebben, dat UW Wel Edele ons, in Cas van mogelijkheijd, in geen ver„ „legendheijd zullen laten Wat nu de omstandigheeden ter dezer kuste aangaan, dezelve vermeenen wij alzo slegt gestelt te zijn, als te Tutucorijn: Het Waare te wenschen, dat Haijderalijchan, twee Legers aan de over- Cust hebbende, geene magt meer van belang op Mallabaar had; maar wij onder„ „vinden het tegendeel: Charder Chan, die in A:o 1776. in 's Comp:s Landen is gevallen, is nog hier met de magt die hij over eenigen tijd in deze beneeden landen gebragt heeft; of nu op Cormandel eene ander Charder Chan, met een Leger is, dan wel of deze benaming meer een Titul van een Legerhoofd is, als een naam van een perzoon, kunnen wij met zekerheijd niet weten, maar wel dat de berugte Charder Chan, die bevorens eerst de Engelse te Tallecherij hijmelijk, door de Collastrijse Nairossen liet allermeeren nu onlangs, ge„ „conjungeert „conjungeert met de Collastrijse troupen opentlijk voor Tallecherij is getrokken, de Engelschen aldaar Vijandelijk aangelast, eenige buijten posten, waar onder een Fortje, Gen:t Dhermnapatnam, heeft Vetmeestert, en Tallecherij nog belegerd houd= Volgens berigten is het Leger van Charder Chan met de Collastrijse troupen 15. â 16000. mannen sterk en Wij hebben reeden om te geloven, dat het niet veel Swakker is, om dat de Engelschen bij de 200. Europeesen, een Regiment Regu„ „liere Sipais en wel 3000 Jnlandse troupes van Mooren en diergelijk Volk te Tallecherij in dienst hebben, en egter niet in staat zijn, het beleg op te Slaan; denkelijk zullen de Engelschen het Fort op het laast moeten ver„ „laaten ofte overgeven, waar toe gezegt word, dat ze ordre van Bombaij verwagten; ten waare datze van elders secours erlangden, om het beleg te thans kunnen opslaan, dat egter niet van belang wee„ „sen kan. Charder Chan dan met Tallecherij Gedaan Werk hebbende; het zij dat hij het in handen krijge, of dat hij het beleg opbreeke, kan dan Gemakkelijk het Oorlogsvuur weeder aan dezen
English
ignited on this side, all the sooner because Travancore is sending auxiliary troops to Mahomet Alij, and possibly this force, under CharderChan, will be reinforced upon the arrival of the good monsoon by troops who are currently on the Coromandel, because they cannot accomplish much there during the rainy season. For how quickly the Nabab can be now here, now there, has been demonstrated by the fact that he entered the Carnatic with his force without the English knowing it. In the span of five to six days, Charder Chan can march from Tallecherij to before Rijcotte or Cranganore and the Travancore Lines, which he would possibly be all the more likely to do if we weakened ourselves so much and he knew that there were no more Europeans left. We indeed wished to be able to send the two depleted European companies, consisting of 211 men and 40 artillerymen, all first plan, to Tutucorijn; but after serious consideration, we are in good conscience convinced that neither they nor any part of them can be spared without exposing the Company's possessions to considerable danger, on which account we have collectively judged that we cannot send any militia to Tutucorijn, and that we do not have the freedom to weaken ourselves further. Nevertheless, we have decided to send ten artillerymen, namely one bombardier, one gunner, and eight matrosses overland to Tutucorijn, because the Resident van Angelbeek writes that he is supplied with only five artillerymen. Furthermore, we feel obliged to remind Your Right Honourable that we have indeed successively sent back all the auxiliary troops received from Ceylon since the invasion of Haijder Alij Chan, with the exception of the 30 artillerymen still remaining here, who, along with the two Ceylon European companies previously stationed here, are urgently needed for the protection of the Company's possessions. We have deemed it all the more necessary to declare frankly to Your Right Honourable that, under no circumstances whatsoever, can we spare any more Europeans without exposing the Company's possessions here to the utmost danger, so that if Your Right Honourable should ever be placed in the unexpected necessity, for the preservation of Ceylon, to which certainly more importance is attached than to Malabar, of finally demanding Europeans from us, in which case we would indeed be obliged to send them, we have at least given Your Right Honourable the necessary warning regarding our situation here. In the meantime, after respectful greetings, we have the honour to remain, Right Honourable, Valiant, Brave, Wise, Prudent, Very Generous Lord and Friends, Your Right Honourable's Obedient Friends and Servants, was signed: A. Moens, R. V. Harn, I. C. Saffin, I. L. V. Spall, C. G. Seijffer, W. V. Haeften, and J. A. Däumichen. In the margin: Cochim, 12 September 1780. Agreed, J. A. Däumichen, Secretary. No. 3. Tutucorijn. To Johan Gerard van Angelbeek, Senior Merchant and Resident there. Valiant, Pious, Discreet. On the 8th of this month, we received your letter of 21 August last, along with a missive from the Ceylon Ministers, both concerning the hostile invasion of the Carnatic by the Nabab Haijder AlijChan, and a request to send the Ceylon military personnel, or the company of Captain Levee with some artillerymen, overland to Tutucorijn, as you, under the authorization of the Ceylon Government, initially requested from us. We have taken this request into serious consideration, and have at the same time examined the present circumstances on this coast as well as the state of the European militia present here, and have found that there are currently 6 fewer European soldiers here than there were in the year 1776, when the Nabab invaded the Company's possessions, but that we are stronger by 33 artillerymen, on account of which we are, to our regret, in the absolute impossibility of complying with your request. For the rest, we refer to what we are now writing on this matter to the Ceylon Ministers, from which we send you an extract. However, in order to assist you as far as circumstances somewhat permit, and because, at the very utmost, we can indeed spare a few artillerymen, we are dispatching overland to that place one bombardier, one gunner, and eight matrosses, which assistance, although slight, we nevertheless hope will be agreeable to you, with the request to send them back as soon as you can in any way spare them. The muster roll of the same is enclosed herewith, and we trust that this small number will, in this rainy season which still persists here, find resting places and the necessary maintenance, they having been provided here with the necessary provisions. For the enclosed packet addressed to the Ceylon Government, we request delivery. We wish that matters on the Coromandel Coast may turn for the best, or change in such a way that the Company's possessions remain freed from all difficulties, in which hope, after friendly greetings, we remain, Your Good Friends, was signed: A. Moens, R. V. Harn, P. C. Saffin, I. L. v. Spall, C. C. Seijffer, W. V. Haeften, and I. A. Däumichen. In the margin: Cochim, 12 September 1780. Agreed, J. A. Däumichen, Secretary.
Dutch transcription
dezen kant ontsteeken, te eerder om dat Trevancoor hulp „troupen aan Mahomet Alij zend, en mogelijk word deze magt, onder CharderChan, met het verschynen van de goede mousson nog versterkt door troupes die thans op Cormandel zijn, om datze aldaar in den Regentijd niet veel kunnen uijtvoeren, Want hoe schielijk de Nabab dan hier, en dan daar kan zijn, is gebleken, dat hij met zijn magt in het Carnatische gekomen is, zonder dat de Engelse het geweeten hebben: In den tijd van vijf a ses dagen kan Charder Chan van Tallecherij Voor Rijcotte of Crangenoot en de Linie van Fre„ „vancoor zijn, het geen hij mogelijk des te eer doen zoude, als wij ons zo zeer verswakten, en hij wist dat er geen Europeesen meer waaren. Wij hebben wel gewenscht, de twee verswakte Compenien Europeesen, bestaande in 211. koppen en 40. Arthilleristen, Alles Primo Plan; na Iu„ „tugorijn te kunnen verzenden, maar na Serieuse overweeginge zijn wij in gemoede overtuijgt, dat die, nog een deel daar van, niet te missen zijn, zon„ „der 's Comp:s bezittingen aan een merkelijk Gevaar te Exponeeren, weshalven wij dan gesamentlijk hebben geoordeeld, geene verzending van Militie na na Tutucorijn te kunnen doen, en dat wij geene Vrijheijd hebben, ons verder te verswakken; dog egter besloten thien Arthilleristen, als een Bombardier, een Canonnier en acht handlangers over Land na Tutucorijn te zenden, om dat het opperhoofd van Angelbeek Schrijft, maar van Vijf arthilleris ten verzien te zijn Nog vinden ons verpligt VW Wel Edele te herinneren, dat wij immers alle de van Ceijlon„ zederd den inval van Haijder Alij Chan, ontvan„ „gene hulptroupen Successive te rug hebben ge„ zonden, uijtgenomen de nu nog blijvende 30. kop„ „pen Arthilleristen; Welke met de twee bevorens hier gelegen hebbende Ceijlonse Compenien Euro„ „peesen, hier ten hoogsten nodig zijn tot de be„ „waringe van 's Comp:s bezittingen. Wij hebben des te noodzakelijk g'oordeeld, VW Wel Edele openhartig te moeten betuijgen, dat wij, in welk geval het ook mogt zijn, geen Europeesen meer kunnen missen; zonder 's Comp:s bezittingen alhier aan het uijterste gevaar te Exponeeren, op dat wanneer UW Wel Edele eens in de onverhoopte noodzakelijkheijd mogten gebragt worden, om tot behoud van Ceijlon (: waar aan Nagesien Abr. Martensz J aan zekerlijk meer als aan de Mallabaar gelegen legd:/ nog Europeesen van ons finaal op te Eijs„ schen, als wanneer we dezelve wel zouden moeten zenden, Wij ten minsten UW Wel Edele de nodige Waarschouwinge van onze toestand alhier ge„ daan hebben. Intussen hebben we de Eere van na ge„ „dienstige groete te blijven /:onderstond:/ Wel Edele, Erntfeste„ Manhafte, Wijze, Voorsienige, Seer Genereuse Heer en Vrienden, VW Wel Edelens Dienstwillige Vrienden en Dienaren /:was gete:/ A=n Moens, R: V: Harn, I: C: Iaffin, I: L: V: Spell, C: G: Seijffer; W: V: Haeften en J: A: Daimichen. /: in margine:/ Cochim Den 12=de September 1780. Accordeerd.. J: A Dannicher LeCrest e N„o 3. lecreet Tutucorijn Aan De Johan Gerard van Angelbeek Opperkoopman en opperhoofd aldaar Erntfeste, Vroome Discreete. Den 8. ' dezer hebben Wij ontvangen UE brief van den 21. Augustus J=o leeden, benevens een Missive van de Ceijlonse Ministers; beide be„ „helsende den vijandelijken inval van den Nabab Haijder AlijChan in het Carnattijse, en Ver„ „zoek om de Ceijlonse Militairen, of de Compenie van Capitain Levee met eenige Arthilleris ten over Land na Tutucorijn te zenden, zoo als UE dat, op Qualificatie van de Ceijlonse Regeeringe, voor eerst van ons verzoekt; wij hebben dit verzoek in ernstige overweeginge genomen, en teffens ook de tegenswoordige tijdsomstandigheeden ter dezer kuste, mitsgaders den Staat der hier zijnde Europeese Militie nagegaan, en bevonden, dat hier tans 6. Europeese Militairen minder zijn, als als hier zijn geweest in A:o 1776, Wanneer de Nabab in 's Comp:s bezittingen is gevallen, dog aan Arthille„ „risten 33. man sterker, waar door wij, tot ons leedwee„ „sen, en de volstrekte onmogelijkheijd zijn, om aan UE Verzoek te voldoen. Voorts Refereeren wij ons aan het geen Wij„ tans derweegens aan de Ceijlonse Ministers schrij„ „ven, waar uijt Wij UE Extract toeschikken; Dog om VE egter zo veel de omstandigheeden eenigsints toelaten, en om dat Wij ten alleruijtersten geno„ „men, nog wel Eenige Arthilleristen kunnen mis„ „sen, te assisteeren, laten wij over Land derwaards ver„ „trekken Een Bombardier, een Canonnier en Acht handlangers, welke assistentie, hoewel Gering. Wij egter hopen dat VE aangenaam zal zijn, met ver„ „zoek om dezelve te rug te zenden, zoo dra UE die maar eenigsints zal kunnen missen; De Naam„ „lijst derzelve legd hier nevens, en wij Vertrouwen, dat dit gering getal in dezen Regentijd, die hier nog blijft aanhouden, nog wel Rustplaatse en het nodig onderhoud zal vinden, zijnde de„ zelve hier van het nodige voorzien. Voor het bijleggend Pacquet, aan de Ceij„ „lonse Regeeringe beschreven, verzoeken wij bestellinge Nagesien Abr Martenste J bestellinge. Wij wenschen dat de zaken ter Iuste Cormandel ten beste, of zodanig, mogen veranderen dat 's Comp: bezittingen van alle moeijelijkheeden bevrijd blij„ „ven, in welke hoope, na Vriendelijke Groete, blijven /:onderstond:/ VE Goede Vrienden: /: was get:/ A=n Moens, R: V: Harn, P: C: Saffin, I: L: v: Spall, C: C: Seijffer, W: V: Haeften en I: A: Daimichen /:in margine:/ Cochim Den 12=de Sep„ „tember 1780. Accordeerd. J:A Damisiut SeCrets
English
No 4. Report of the freeman Alexander Michiel, resident at Calcatte in Bengale, and having sailed as a private merchant on the English two-masted sloop named Bombaij Marce, commanded by Captain Cherles Warterij. The declarant states that on the 2 January of this year, he sailed from Bengale as a private merchant with the aforementioned sloop Bombaij Marce, and had loaded in that keel for 40000 Ropias in goods on freight for Bassora, that on the 9 May thereafter he arrived safely at Bassora and sold his goods, though without profit, and roughly for cost, and the money that came from the goods he loaded into the aforementioned sloop, with which he departed from Bassora on the 4 August last for Bousscheer and from there to Masquette, that he departed from Masquetta on the 15 September, and having reached 9¼ degrees north latitude early in the morning the day before yesterday, two sails were seen by the captain of the sloop and the officers, which were later recognized as a ship and a sloop, and came alongside them at noon, flying an English flag, but immediately struck the English flag and raised the French flag and gave them a broadside from their artillery, whereupon the captain of the English sloop struck his flag and surrendered, this sloop having carried only 10 pieces of cannon and having had no more than four Englishmen on board with him, the declarant. The declarant further states that these are French privateers, and the French ship was mounted with 32 pieces of cannon, and the French sloop with 16 cannons; that more than 3 lakh in cash was to be found in the English sloop, and the vessel with its cargo is also worth one lakh of rupees, and everything together amounts to 4 lakh of rupees, which vessel the French have manned with their own people, and sent with the English captain and his two officers, just as it was, with cash and cargo to Mouritius; but they kept the declarant on board with them along with some Armenian people, in order to set them ashore, just as he, the declarant, was indeed put yesterday with the same into the hailing boat that had come from shore, and so arrived here on land. The declarant also relates that he had been able to notice on board the French that they had recently come from the Mouritius and intended to linger around here for another week or two, in order to cruise for English ships that might pass to and fro along this coast with the opening of the fair monsoon, as well that there were many ships and people on Mauritius, and that ships were about to come here from the Mauritius, without however knowing whether this is indeed so. Cochim, the 7 October Anno 1780. No. 5. Instruction for the Chief and the Commander of the Militia at Cranganoor. Article 1. Although I have already on various occasions issued orders regarding the management, the garrison, and the defense of Cranganoor, I have nevertheless deemed it necessary to further prescribe to you by this instruction how you shall have to conduct yourselves in case of an enemy attack, and what arrangements should then be made: while with respect to the precautions regarding the powder house, the artillery, the gun carriages, and the further ammunition as well as weapon supplies, and likewise regarding the treatment of the soldiers, both European and native, and the like, I refer to that which I have successively recommended regarding this in letters, all of which orders, in so far as they still ought to have effect, I consider as inserted herein; and among them also those which were written to the successive commanders of the camp and, since the camp was withdrawn, delivered into the fort. Article 2. You know that Cranganoor was fortified and placed in its present state of defense against the hostile enterprises of the Nabob Haijder Alijchan, who made himself master of Fort Chettua and of the entire region between Chettua and Cranganoor, and having thereupon also immediately, though fruitlessly, attacked Fort Cranganoor, has now become a dangerous enemy to the Company's possessions on this coast, so that it is utterly necessary to be always on guard against that formidable and crafty enemy. Article 3. When one observes the native's manner of warfare, it is not likely that the Nabob's forces will besiege Cranganoor, or throw up batteries with heavy cannon and mortars before it, and shoot down or destroy the fortification: but it is much rather to be thought that they will try to make themselves master of it by surprise and through cunning: therefore, one must continuously have rounds and patrols made, not only at fixed, but also at uncertain hours, in order to keep the guards and posts alert, and not entrust posts of importance to native soldiers alone. Article 4. And since a native enemy is also frequently accustomed to alarming his opponent, in order to cause both the ammunition and the men to be wasted, for which purpose he can always use fresh troops on his side; one must
Dutch transcription
N o 4. Relaus van den vrijman Alexander Michiel inwoonder te Calcatte in Bengale, en als particulier koopman gevaaren hebbende op de Engelse twee mastige Chialoup gen=t Bombaij Marce gecommandeert bij Capitain Cherles warterij Den Relatant relateert dat hij op den 2: Januarij deses Jaars, met voorschreeven Chialoup Bombaij Marce, van Bengale is gevaaren als een particulier koopman, en in dien kiel gelaaden heeft voor 40000: Ropi„ „as aan goederen op vragt voor Bassora, dat hij den 9: Meij daar aan behouden te Bassora is g'arriveert en zyne goederen heeft verkogt, dog sonder winst, en naast en bij voor het kostende, en het geld dat van de goedere„ gekoomen is, gelaaden heeft in de voorschreeven Chia„ „loup, waar meede hij den 4: Augustus J=o leeden van Bassora is vertrocken na Bousscheer en van daar na Masquette, dat hij den 15: september van Masquetta is vertrocken en op eergisteren op 9¼. graa „den noorder breete gekomen zijnde, smorgens vroeg bij den Capitain van de Chialoup en de officieren gezien zijn twee zeijlen die naderhand verkent zij, voor een schip en Chialoupen op de middag bij hen op zij zijn gekomen, met een Engelse vlag, dog aanstond de En„ „gelse vlag hebben gestreeken en de franse vlag opge„ „haald en hen de laag uijt het geschut heeft gegeven waar waar op de Capitain van de Engelse Chialoup zijn vlag heeft gestreeken en zig overgegeven, hebbende deese Chia loup maar gevoerd 10. stukken Canons en niet meer als vier Engelse met hem relatant aan boord gehad. verders relateert den Relatant dat dese, fean„ Capers zijn, en het franse schip gemonteerd is geweest met 32. stukken Canons, en de franse Chialoup met 16. Canons; dat in de Engelse Chialoup zijn te vinden geweest meer als 3. lak Contanten, en het vaartuig met zijn inlading ook een lak ropijen waardig is, en alles te zaamen 4: Lak ropijen bedraagd, welk vaartuijg de franschen met volk van hun hebben bemand, en met den Engelse Capitain en zijn twee officieren, zoo als het geweest is, met Contanten en laading na Mouritius gezonden; dog den Rela„ „tant bij zig aan boord gehouden met eenige armen„ „se lieden, om hen aan de wal te zetten, gelijk hij Relatant dan ook gisteren met deselve in het ver„ „praij vaartuijg, dat van de wal was gekoomen, gezet en soo hier teland gekoomen is, Nog verhaald de Relatant dat hij aan boord van de franssen had kunnen merken, dat zij Jongst van de Mouritius gekomen en voorneems waaren hier om„ stoeeks zig nog een week of twee op te houden, om te kruijsen op Engelse, die met het openen van de goede mousson deese kust heen en weer mogten passeeren, /zoo meede dat er op Mouritius veel scheepen en volk was, en dat er scheepen van de Mouritius dit heen stonden te koomen, sonder egter te weeten of dit in der daad zoo zij Cochim den 7: october A:o 1780: N No. 5. Instructie Voor het opperhoofd en den Commandant der Militie Cranganoor. te Art: 1: Hoewel ik reeds bij verscheijde gelegentheeden ordre gesteld hebbe nopens de huijshoudinge, de bezettin„ „ge en de Defensie van Cranganoor, zo heb ik egter nodig geoordeeld UE: bij deze Jnstructie nader voorteschrij„ „ven, hoedanig VE: zig in Cas van een vijandelijke attacque zullen hebben te gedragen, en welke schik„ „kingen als dan dienden te werden gemaakt: Terwijl ik nopens de voorzorge, omtrend het kruijthuijs, het geschut, de affuijten, en de verdere, zo Ammonitie, als wapen goederen, zo meede aangaande de behande„ „linge van de Militairen, zo Europeezen, als Jnlanders, en wat dies meer zij, mij refereere, aan het geen ik derwegens successive bij brieven gerecommandeerd hebbe, alle welke orders, voor zo verre dezelve als nog dienen plaats te hebben, ik bij dezen houde voor ge-insereert; en daar onder ook de zulke die aan de successive Commandanten van het Camp geschreeven, en zedert het Camp ingetrokken is, in het Fort afgegeven zijn. Art: 2: VE:s weeten, dat Cranganoor versterkt, en in zijnen tegenwoordigen tegenswoordigen staat van defensie gesteld is, tegens de vijardelijke onderneemingen van den Nabab Haijder Alijchan, die zig van 't Fort Chettua en van de geheele landstreek tussen Chettua en Cranganoor, meester gemaakt, en daar op het Foot Cranganoor, ook dadelijk, dog vrugteloos, geattacqueerd hebbende, tans een gevaarlijke vijand voor 'sComp: bezittingen ter dezer kuste is geworden, zo dat het ten uijttersten noodzakelijk is, tegen dien geweldigen en listigen vijand altoos op hoede te zijn. Art: 3: Als men de wijze van oorlogen van den Jnlander gade slaat, is het niet apparent, dat de Nababse Cranganoor zullen beleegeren, of daar voor Batterijen met zwaar kanon en Mortiers opwerpen, en de fortificatie om„ „verre schieten of vernielen: maar veel eer is te denken, dat ze zig bij verrassinge en door list daar van zullen tragten meester te maken: derhalven „noet men niet alleen bij continuatie op vaste, maar ook op onzeekere uuren ronden en Patrouljes laten doen, om de wagten en posten allert te houden, en geen posten van aangeleegendheijd aan Jnlandse Militairen alleen toevertrouwen. Art: 4: En dewijl een inlandse vijand, ook veel tijds gewoon is, zijn partij te allermeeren, om zo wel de Ammunitie, als het volk te doen verspillen, waar toe Hij van zijne zijde altoos versvolk kan gebruijken; zoo moet men
English
one should not let oneself be misled by any false attack, whereby one reveals too much of one's force and dispositions to the enemy. Article 5: Above all, however, one must ensure that one knows the true designs of the enemy, and also where he will actually launch the attack. Indeed, one must even try to guide and compel the enemy to attack where one would prefer to see him attack, which is still quite feasible at Cranganoor, where the perimeter of the terrain toward the side of the fort becomes constantly narrower and narrower, by means of caltrops and planks with nails, which are in sufficient stock there, as well as by laying fougasses here and there. At least, at untimely hours, one should work in such places, quasi in secret but nonetheless in such a way that it must become known, just as if one were making fougasses there, so that in the assault the enemy will avoid those places and come where one wants to have him. Article 6: If it is possible, however, one must try to lay real mines where one actually expects the enemy, whether between the palisade and the first glacis, or right at or near the first glacis itself, and then use the necessary precautions in that regard, especially that one detonates them at the proper time, that is, when some troops are already near or around them, and the following troops press forward to follow. Europeans Malays Chegossen Article 7: It goes without saying that the cannon on the ramparts must now always be loaded with ball and inspected every day to see whether any defect might have occurred, so that the cannon are always in such a state that one can be assured they will not misfire, but will go off at the first fire. For although I have assumed here before that one does not have to expect a formal siege with cannon and mortars from a native enemy, one must nevertheless not rely on that, but on the contrary, prepare oneself as if one truly has to expect such a siege, all the more because it is known that the Nabob has Europeans in his service. Article 8: The garrison for the defense of Tranganoor presently consists of: 2 officers 4 sergeants, among whom 1 orderly sergeant 6 corporals, among whom 1 orderly corporal 2 drummers 50 to 60 privates 25 artillerymen. 100 heads first line 200 heads; there being presently about 300 heads there, but whereof Total 389 heads. whereof, in the good monsoon, 100 heads or one company must cross over to the islands of MoetoeCoenoe into the three stockades constructed there. I state here 50 to 60 European privates; but by this is properly meant half a company of 140 men on the first line, as the Ceylon companies are, namely when they are complete; but because the companies, both on account of the deceased and those returning home, are often not complete, I therefore state 50 to 60 privates; but that number must then also always be maintained, at least in the good monsoon. From the European infantry, in case of a siege, 10 men can be added to the artillery, and then 40 men remain for the infantry service. Article 11: With this we judge that the fort can be defended against an enemy force, at least against such as the Nabob Huijder Alij chan presently has in these low lands; besides that the fort, situated on the extreme corner of the district and thus forming roughly a triangle, is so small and cramped that not much more men can conveniently be lodged in it without obstructing one another. Article 9. Article 10: The daily service shall be arranged in the following manner. In the fort: 1 sergeant, 4 privates Europeans. Together on the right wing of the faussebraye: 1 sergeant Easterners, 1 corporal, 8 privates. 16 men. By day: 1 corporal Europeans, 4 privates; 1 corporal Easterners, 8 privates. By night: 1 corporal. To post along the river: 8 Chegossen privates. On the left wing: By day: 1 sergeant, 1 corporal Easterners, 8 privates. By night: 8 private Chegossen for the same purpose as on the right wing. In front in the inner ditch at the second glacis or former entrenchment: Right wing of the faussebraye by night: 1 small Moepa, 8 Chegossen. Article 12: Left wing: 1 large Moepa, 4 Chegossen. In the center: 1 small Moepa, 2 Chegossen. Article 13: On the Mosquito Islands, at least at night, a guard must also be stationed on both sides of the chapel to observe what is going on there upon the river, and to make everything that passes by come alongside and be inspected. Article 14: Cranganoor, which as said is virtually a triangle, is protected on two sides by a large river; so that by land the fort can only be approached from a third part, which is called the plain. Just outside the fort, at the beginning of the troubles, an entrenchment was constructed with a dry ditch behind it, across the plain up to the river, to serve as a secure camp for our troops who were then stationed there; but since the camp was withdrawn, the entrenchment consequently had to be altered in such a manner that the enemy could not turn this entrenchment, along with its dry ditch, to his advantage. Thus, that dry ditch has been filled in, and with the remainder of the earth from the parapets and banquettes, a kind of glacis was formed, though much lower than the glacis that lies before
Dutch transcription
men zig door geen valsche attacque laten mislijden, waar door men zijn force en dispozities te veel aan den vijand laat zien. Art: 5: Maar voor al moet men zorgen, dat men de waare disseinen van den vijand weet, en ook waar hij eijgendlijk de attacque zal doen, Ja zelvs moet men zien, om den vijand te leijden en te noodzaaken, daar te attacqueeren, alwaar men liefst zien zoude, dat wij attacqueerd, het geen te Cranganoor (alwaar de kring van het terrain na de zijde van het fort, altoos naauwer en naauwer word/ nog wel te doen is, zo „ voetangels en plankjes met spijkers, (die daar genoeg in voor„ „raad zijn / als door hier en daar flodder mijnen aan„ „teleggen, ten minsten bij ontijden op zulke plaatsen quasie in 't geheijm dog zodanig, dat het egter moet bekend worden te laten werken, even als of men daar floddermijnen maakte op dat de vijand in den aanval, die plaatzen zoude meijden en komen, waar men hem hebben wild. Art: 6: Indien het egter mogelijk is, moet men weezend„ „lijke mijnen zien aanteleggen, waar men de vijand effectief te verwagten heeft, het zij tussen, het Hek„ „werk en het eerste glasie of wel aan- of bij het eerste glasie zelfs, en dan daar omtrent de nodige precautie gebruijken= inzonderheijd dat men ze ter regter tijd laat springen, dat is als 'er reeds eenig Europeezen Maleijers Chegossen eenig volk bij of omtrend is, en het agterkomende volk zig opdringd, om te volgen. Art: 7: Het spreekt van zelfs, dat het Canon op de wallen tans altoos met scherp gelaaden moet zijn, en alle dage gevisiteerd worden, of 'er ook eenig manquement aan mogte gekomen zijn, op dat het Canon altoos in zodani„ „gen staat zij, dat men zig verzeekerd kan houden, dat het niet weigeren, maar met het eerste vuur los zal gaan; want schoon ik hier vooren wel verondersteld hebbe, dat men van een inlandse vijand geen formeel beleg met Canon en mortiers te verwagten heeft: zo moet men egter daar geen staat op maaken, maar integendeel, zig prepareeren als of men weezendlijk een diergelijk beleg te wagten heeft: temeer het bekend is, dat de Nabab, Europeezen in zijn dienst heeft. Art: 8: De bezettinge tot verdeediginge van Tranganoor, bestaat tans in: 2: officiers 4: zergeants, waar onder k:order Zegeant 6: Corporaals, „ - - „ - -1: order Corporaal 2: tamboers 50: â 60: gemeenen 25. Arthillikisten. 100: koppen primo plan 200: koppen; zijnde tans wel circa 300. koppen daar, dog Waar Totaal - - 389. koppen. waarvan in de goede mousson 100: koppen ofte een Compe„ „nie na de Eijlanden MoetoeCoenoe in de drie, daar gemaakte Paggers moeten overgaan. Ik stelle hier 50: â 60: gemeene Europeezen; dog hier meede word eijgendlijk een halve Compenie gemeend van 140: man primo plan, gelijk de Ceilonse compenien zodanig zijn, als ze, namendlijk voltallig zijn: dog om dat de compenien, zo wegens de overleede„ „ne, als te huijsvaarende, veel tijds niet Compleet zijn, zo stelle ik daarom 50: â 60. gemeene; dog dat getal, moet dan ook altoos volgehouden worden, ten minsten in de goede moussen van de Europeeze Jnfanterie kunnen in cas van beleg 10: Man bij de Arthillerij gevoegd werden, en dan blijven 40: Man voor de Jnfanterie dienst. — Art: 11: Hiermeede oordeelen wij, dat het fort gedefendeert kan werden, tegens een vijandelijke magt, ten min„ „sten tegens zodanige als de Nabab Huijder Alij „chan tans in deze beneeden landen heeft; behalven dat het port als leggende op het uijtterste hoekje van de Landstreek, en dus omtrend een drie hoek uijtmaken„ „de, zo klijn en bekrompen is, dat 'er niet wel voegelijk meer volk in leggen kan, zonder elkander te belemneren Art: 9. De Art: 10: In 't Fort 1: sergeant te samen op den vegter vleugel der fause braij op de Linker Vleugel bij nagt De Dagelijkse dienst zal in volgender voegen dienen ingerigt te werden. 4: gemeenen 1: sergeant. . . oosterlingen 1: Corporaal 8: gemeenen 16: Man 1: Corporaal Europeezen bij dag 1: Corporaal Eeuropezen 4: gemeenen/ 1: Corporaal Goosterlingen 8: gemeenen/ Om langs 't revier post te zetten 8: Chegossen gemeenen. bij dag 1: sergeant 1: Corporaal oosterlingen 8: gemeenen/ bij nagt 8. gemeene diegossen tot het zelfde oogmerk als op den regter vleugel. van Vooren in de Binnengragt bij het tweede glaxis of geweezene Retranchement 1: kleene Moepa regter vleugel 8: Chegossen. der fause braij bij nagt. Art: 12: 1 4: chegossen Linker vleugel 1: groote moepa 2: chegossen Jn 't Centrum 1: kleene moepa Art: 13: Op het Muskieten Eijlanden diend ook ten minsten 'snagts, aan beijde de zijden van de kapel, een wagt te leggen, om te observeeren; wat daar op de revier omgaat en alles wat 'er passeert, te doen aanleggen en visiteeren. Apt: 14: Cranganoor, dat gelijk gezegt genoegzaam een drie hoek is, word van twee zijden door een groot revier beveij„ „ligd: zoo dat het port te lande, maar voor een derde gedeelte kan genaderd worden, het welk de vlakte genoemd word: Effen buijten het fort, heeft men in den begin van de onlusten, een Retrarichement met een drooge gragt daar agter aangelegt, over de vlakte heen, tot aan de revier, om te dienen tot een= verzeekert Camp: voor onze troupes, die daar toen lagen; maar 't zedert dat het Camp ingetrokken is, moest derhalven het Retranchement zodanig verandert worden, dat de vijand, dit retranche„ ment, benevens zijn drooge gragt, niet te baat kon neemen: dus is die drooge gragt ge„ „dempt, en met het restant van de aarde der borstweeringen en bankets, een zoort van glasie geformeerd, egter veel lager als het glasie, die voor
English
is in front of the moat of the fort, but because this latter glacis or former retrenchment was now not high enough to be covered while firing at the enemy from it with musketry, a narrow trench has been made at its base, in which the Chegossen standing can shoot over the glacis and nevertheless be covered, so that Cranganoor, so to speak, is now provided with two covered ways. Art: 15: Of the inhabitants of Cranganoor, whether Europeans or Orientals, no one may go far beyond the second glacis; but the Chegossen, because they live on the plain outside the second glacis and are also loyal and suited to watch against the desertion of the Europeans and Malays, may go as far as the field outposts, yet no further. Even the chief, the military commander, or any other officer may not go further than where the field posts stand, which is hereby expressly forbidden. The disasters that could follow upon the capture of any of the aforementioned are great, especially if Cranganoor were suddenly and immediately attacked upon this. Art: 16: Our field posts do not need to stand further than at the end of our boundary, in order to prevent all difficulties. Art: 17. As soon as report is received that the enemy is about to come to Cranganoor, the women and children, both of the Chegossen and of the Orientals, must be notified to betake themselves from there to the island of MoetoeCoenoe, and if they should be unwilling, even be compelled to do so. And in case they, upon an unexpected approach of the enemy, as they say, might wish to retreat in the confusion into the fort, this shall also not be tolerated, but they must be directed to the island of Moetoe Coenoe, where they can easily go, since most of them have small manchous and thus can cross over themselves and send the vessels back again to bring over those who might have stayed behind, and subsequently being detained upon returning, because it is absolutely necessary to have some manchous together. The Chegossen must distribute themselves in the second covered way and then delay the enemy there with their firing, yet not too long, and even less if they see that the enemy approaches in strength and in good order, so that it is better that the Chegossen retreat a bit too early rather than too late, provided they do not retreat in heaps, but at the same time not to the first covered way, but to the faussebraye, and indeed in such a manner that a third part betakes itself to the center, and the other two parts to the right and left wings Art: 18: wings of the faussebraye, from where they must help shoot at the enemy when he comes onto the glacis within reach of their musket; all of which must be clearly shown to them so that it will not result in total confusion. And thus it will be necessary that they, as well as the entire garrison, be drilled time and again during a false alarm in everything, so that in case of emergency no confusion takes place. Art: 19. A musket shot outside the so-called second covered way, a kind of stockade of coconut palm wood was made when we had to lift the relief of Chettua, because at that time, and not without reason, it was feared that the enemy, with the troops that he had then received as aid, would come to surprise Cranganoor out of revenge. This work cannot remain standing very long because of the white ants, with which the plain of Cranganon swarms, which quickly destroy the best timber, let alone the brittle coconut palm wood. Yet as long as it stands, use must nevertheless be made of it, because it is still more or less good for the first attack, and I have therefore ordered the overseer of the Huijthuijn to keep it standing as long as possible, and even to maintain it by setting in new coconut palm posts from time to time. As long, therefore, as this stockade still stands, the Chegossen who lodge near it, together with the Chegossen who upon the approach of the enemy abandon their field posts, must not retreat to the second covered way before they have first delayed the enemy somewhat behind that stockade with their fire and inflicted losses upon him, provided they also retreat in good time and in good order from the stockade to the second covered way. But if the stockade should disappear in time, then this conditional order also naturally lapses, and then the Chegossen must, as aforesaid, immediately retreat to the second covered way. Art: 20: Of the Chegossen of the field guards and of the others, I count on 150 who must occupy the inner ditch in the second glacis, because a small reserve of them must be kept to send to those places where the danger is greatest; and nevertheless, only Chegossen should be employed for the defense of that so-called second glacis. Art: 21. Meanwhile, as the field guards retreat toward the Chegossen who hold the guard at the second glacis, the Chegosse guards on the left and right wings as well as in the center must be pulled down as much as possible or set on fire by the Chegossen inside them, which can happen quickly enough because they are only made of olas,
Dutch transcription
voor de gragt het fort is, dog om dat dit laatste glasie of het geweeze Retranchement nu niet hoog genoeg was, om den vijand daar uijt met handgeweer beschietende, teffens gedekt te zijn, zo is aan de voet van dezelve een smalle groef gemaakt, waar in de Chegossen staande over het glasie heen kunnen schieten, en evenwel gedekt zijn, zo dat Cranganoor om zo te spree„ ken nu voorzien is, met twee bedekte weegen. Art: 15: van de bezittinge van Cranganoor het zij Europeezen of oosterlingen moet niemand verre buijten het tweede glasie gaan, maar de chegossen, om dat die op de vlakse buijten het tweede glasie woonen, en ook regtge-aard en geschikt zijn, om tegen de dezertie der Europeezen en Maleijers te waken mogen gaan tot de vild wagten, egter niet ver„ „der; zelvs mag het opperhoofden de Militaire Commandant, of ander officier niet verder gaan, als de veld posten staan; het welk bij dezen wel expresselijk werd verbooden: de onheijlen, die bij opvatting van een der eerstgemelten, zouden kunnen volgen, zijn groot; voornamentlijk als Cranganoor hier op eens ten eersten wierd g'attacqueerd. Art: 16: Onze veld posten behoeven niet verder te staan als aan 't eijnde van onze limiet, om alle moeije„ „lijkheeden voortekomen. Art: 17 van Art: 17. zo dra men berigt erlangd, dat de vijand staat na Cranganoor te komen, dan moet men de vrouwen en kinderen zo van de Chegossen als van de ooster„ „lingen aankundigen, om zig van daar te begeeven na het Eijland MoetoeCoenoe, en zo zij onwillig mog„ „ten zijn, hun zelvs daar toe noodzaaken; en ingevalle ze bij een onverwagte aannadering, van den vijand, gelijk men zegt, onder den hoop mede in 't port mogten willen wijken, zo zal Hun zulks ook niet getolleveerd moeten worden, maar men zale hun na 't Eijland Moetoe Coenoe moeten overwijzen, alwaar ze gemakkelijk kunnen komen, alzoo de meeste van hun kleene mansjouws hebben, en dus zig zelvs kunnen overzetten, en de vaartuijgen weder terug zenden, om die agter gebleeven mogten zijn, ook daar meede overtebrengen, en vervolgens terug komen„ „de aangehouden te werden, om dat het absolut nodig is, eenige mansjouws bij elkander te hebben. De Chegossen moeten zig in de tweede bedekte weg ver„ „deelende, en den vijand dan met hun schieten aldaar ophouden, dog niet al te lang, en nog minder als ze zien dat de vijand sterk en in order aannadert, zo dat het beter is dat de chegossen wat te vroeg als te laat retireeren, mits zij niet bij hoopen, maar tegelijk ook niet na d' eerste bedekte weg, maar na de faijsebraij retireeren, en wel zodanig dat een derde deel na het midden, en de twee andere deelen na de regter en linker vleugel Art: 18: vleugel der fausse braij zig begeeven, waar uijt ze den vijand moeten helpen beschieten, als wij op het glasie onder het bereijk van Hun geweer komt; welk een en ander hun duijdelijk moet aangeweezen worden, op dat het daarmeede niet in 't hondert gaa; en dus zal het nodig zijn dat zij, zo wel als het geheele guarni„ zoen eens en andermaal bij een blind Allarm in alles ge-exerceerd worden, op dat in Cas van ernst„ geen confusie plaats hebben, Art: 19. Een snaphaan schoot, buijten de zo genaamde tweede bedekte weg, is een zoort van wekwerk van klapper„ hout gemaakt, toen we het ontzet van Chettua moesten opbreeken, om dat men terdier tijd, en niet zonder reeden, bedugt was, dat de vijand met de troupes, die wij toen tot hulp gekreegen had, uijt weer wraak Cranganoor zoude komen overvallen; Dit werk kan niet zeer lange blijven staan, om de wille vande witte wieren, waarvan het op de vlakte van Cranganon krield, die het beste timmerhout, laat staan het brosse klapperhout, ras vernielen; dog zo lange het zelve staat, moet daar egter gebruijk van gemaakt worden, om dat het tog min of meer goed is voor den eersten aanval, en ik heb daarom den opziender van de Huijthuijn gelast, om hetzelve zo lang mogelijk is, te doen staan blijven, en zelfs te onder„ „houden, met nu en dan nieuwe klapper paalen inte„ „zetten: zo lang dan derhalven dit stekwerk nog staa, moeten moeten de Chegossen die bij het zelve logeeren, benef„ „fens de Chegossen, die op het naderen van den vijand, Haare veldposten verlaten, niet eer na de tweede bedekte weg retireeren, voor dat ze eerst den vijand agter dat tekwerk met stun vuuren nog wat opgehouden en verlies toegebragt hebben, mits ze van het stekwerk ook op zijn tijd en in goede order na de tweede bedekte weg retireeren; dog als het Tekwerk met 'er tijd mogt wegraken, dan„ vervald ook van zelvs deze Conditioneele order, en den moeten de Chegossen als voorsch: waar ten eersten na de tweede bedekte weg retireeren. Art: 20: van de Chegossen der veldwagten en van d' overige, reekene ik op 150: die de binnen gragt in het tweede glasie moeten bezetten, om dat men van Hun, eene kleene reserve diend te houden, om na die plaatsen te zenden waar het meeste gevaar is; en evenwel dienen tot defentie van dat zo genaamde tweede glasie alleen maar chegossen geemploijeerd te worden. Art: 21. Intusschen dat de veld wagten retireeren na de Chegossen, die de wagt aan het tweede glasie hebben, dan moeten de Chegosse wagten aan de Linker en regter vleugel als ook in 't Contreum, door de daar in zijnde chegossen zo veel mogelijk om verre gehaalt, dan wel in brand gestooken werden, het geen schielijk genoeg geschieden o kan, om dat ze maar van olassen gemaakt zijn,
English
so that the enemy cannot conceal himself behind it, and in order not to be childish in the use of the cannon, which, however, should only take place when the enemy truly approaches in such strength that he intends to attack Cranganoor, but not whenever a crowd of troops might occasionally appear, as has happened several times before. Article 22: Now, when the Chegossen retreat to the faussebraye, its right and left wings, manned by 10 Europeans and 20 Javanese including the daily guard, must, by their fire along with the small mortars and cannons of the said wings, cover the retreat of the Chegossen as much as possible, without injuring them; I say, without injuring them, because I fear that, whatever effort is made, the Chegossen will not retreat in order or in closed ranks, but rather will scatter across the entire glacis. Article 23: The covered way thus remains unoccupied, not only because the situation of the faussebraye and the covered way at Cranganoor is such that one can accomplish from the faussebraye practically the same as one could do from the covered way, but also because the men stationed in the covered way could be harmed from the faussebraye and its wings, since the faussebraye is not so high that one would not have to aim very accurately from it to constantly shoot just above a man's head without some balls flying into the covered way, and thus causing harm to the men in it; especially as the covered way was only thrown up to preserve the faussebraye, which, not being very strong and having decayed of old, was merely raised as well as possible, partly because it was already there, and partly because it is situated in such a way that it can not only create a strong crossfire of horizontal shots across the plain and glacis, but can also, once the enemy is in the covered way, greet him from all sides and in all corners, even into the ditch, yea, right up to the berm against the fire of the faussebraye, partly with grapeshot and canister, and partly with muskets and blunderbusses. Article 24: The remainder of the garrison thus stays in the Fort, of which as little as possible should be shown to the enemy, in order to spare the men and preserve them for the time of need. Article 25: In the counterscarp, the second officer must hold the subaltern command as soon as the retreat to the faussebraye takes place, and if a third officer is still needed, the one from Aykotta can be requested in haste with a signal; besides which Cranganoor lies only about six hours from here, so that more men and officers can always be sent quickly from here to Aykotta if necessary, in order that Aykotta might be able to assist Cranganoor all the better and more confidently. Article 26: The cannons from the Fort must fire upon the enemy as they approach in numbers and in close formation, though not at a handful of men, but rather when there are enough men together to make it worth a shot, for by firing from afar and hitting few men, the enemy only gains courage, and one wastes his ammunition; and the closer the enemy approaches, the more deftly one must use the lightest artillery and then fire the large cannons only apropos; but when the enemy is so close that one can inflict damage upon him with ricochet shots from the fort and from the wing, then one must above all consider doing so on that occasion, because those shots do the most harm and cost little powder, which is also to be understood primarily of the mortars. Article 27: I noted above that one must fire with the cannon from the Fort as the enemy approaches in quantity and quality, but not at a handful of men, and I must therefore dwell upon this a little longer. Article 28: It seems that it is a general custom to discharge the artillery at the enemy from a very great distance, but it seems to me that the balls, after having whizzed or hummed along several times, reach the enemy having lost their force, without being able to do him any harm; and it even seems to me, as was already said above in passing, that the enemy, particularly a native enemy, thereby gains a sort of courage to fear the artillery not so much anymore. The custom of the Indian cavalry is to arrive at a gallop at the place they wish to reconnoiter and where they intend to make a stand; they do not advance in closed ranks, but generally spread out from one another on purpose so as not to be hit by the fire of the place they intend to attack. It is therefore worth considering whether it might not be better, instead of firing at the enemy from afar, to rather let him come somewhat closer, and not fire a single shot until he has placed himself in good order, in order first to give him a slight idea of our power and encourage him to act bold, provided that one then seizes that very moment to treat him so fiercely Article 29: and
Dutch transcription
op dat de vijand zig daar agter niet kan verschuijlen, en om niet kinderlijk te zijn in het gebruijken van het Canon, het welk egter alleen maar moet geschie„ „den, als de vijand waarlijk zo sterk aankomt, dat Hij Cranganoor wild attacqueeren, maar niet wan„ „neer zig zomtijds een hoop troupes mogt vertoonen, zo als wel meermalen is geschied. Art: 22: Alsnu de Chegossen na de fausebraij retireeren, dan moe¬ „ten de regter en linker vleugels van dezelve, bezet met 10: Europeezen en 20. Javanen /: waar onder gereekend de dagelijkse wagt:, door hun vuur, bene„ „vens de kleene mortiers en Canons van gemelte vleugels, zo veel mogelijk is, de retirade van de Chegossen dekken, zonder hun te kwetsen; Ik zegge, zonder hun te kwetsen, om dat ik bedugt ben, dat de chegossen, wat moeijte men ook mogte doen, niet in order of geslooten zullen retireeren, maar veel eer zig over het geheele glasie versprijden. Art: 23: De bedekte weg, blijft dus onbezet, niet alleen om dat de situatie van de fausebraij en de bedekte weg te Cranganoor zodanig is, dat men uijt de taijsse braij genoegzaam hetzelve kan doen, het geen men uijt de bedekte weg kandoen, maar ook; omdat het volk in de bedekte weg staande uijt de faijse braij en haare vleugels, zoude bescha„ digt kunnen worden, alzoo de fause braij, niet En zo hoog is, of men zoude uijt dezelve al zeer accuraat en moeten mikken om Juist altoos boven een manshoofd heen te schieten, zonder dat 'er niet eenige kogels in de bedekte weg zouden vliegen, en dus het volk in dezelve quaad doen, alzoo de bedekte weg, maar opgeworpen is, tot behoud van de gaijse braij, die niet zeer sterk en van ouds vervallen zijnde, maar opgehaald is zo goed men kon, deels om dat ze 'er reeds was, en anderdeels, om dat ze zodanig gesitueerd is, dat ze niet alleen over de vlakte en glasie een sterk kruijsvuur van horisontaale schooten kan maaken, maar ook den vijand al eens in de bedekte weg zijnde, van alle kanten en in alle hoeken, zelfs tot in de gragt, Ja tot op de berm tegen de vruuur van de fause braij toe gedeeltelijk met druijven en schroot en gedeeltelijk met hand geweer en donderbussen begroeten kan. Art: 24: In't Fort blijft dus het overschot van het guarnizoen„ waarvan men zoo wijnig aan den vijand moet laten zien, als mogelijk is, om het volk te spaaren, en om voor den tijd van nood te bewaaren. Art: 25: In de Conterscherp moet de tweede officier het subalterne Commando hebben, zo dra de retirade na de faijse braij geschiet, en als men nog een derde officier nodig heeft, dan kan die van Aijkotta met een zeijn in der haast gevraagt worden: behalven dat dat Cranganoor maar omtrend ses uuren van hier legd, waardoor men altoos meer volk en officiers als 't nodig is van hier schielijk na Aijkotta zenden kan, op dat Aijkotta des te beter en te Cranganoor zoude kunnen assisteeren. geruster Arb: 26: De Canons uijt het Fort moeten na mate de vijand in getal en gesloten naderd op hen vuuren, dog niet op een handje vol volks, maar wel als er zo veel volk bij elkander is, dat het een schoot waard is, want met van verre te schieten en wijnig volk te raaken, krijgd de vijand maar moed, en verspild men zijn ammunitie, en hoe meerde vijand nadert, hoe meer men het ligtste geschut- handig gebruijken en dan de groote Canons, maar á propos moet laten vuur geven; dog als de vijand zo na is, dat men uijt 't fort en vande vleugel hem met Ricochet schooten kan schaade toebrengen, dan moet men voor al bedagt zijn, om zulx in die geleegendheid als dan te doen, om dat die schooten het meeste quaat doen en wijnig kruijt kosten het welk van de mortiers voornamendlijk mede te verstaan is. Nrt: 27: Ik noteerde hier boven, dat men met het Canon uijt het Fort moet vuuren, na maate de vijand in quantiteijt en qualiteit nadert, maar niet op een handse vol volk, en ik moet daarom hier bij bij nog een weijnig stil staan. Art: 28: Het schijnd, dat het een algemeen gebruijk is, om het geschut op een zeer groote afstand op den vijand te lossen, dog mij dunkt, dat dan de kogels, na dat ze al eenige rijsen geraasd of gesnord hebben, verzakt bij den vijand komen, zonder hem eenig kwaad te kunnen doen, en mij dunkt zelfs, gelijk reeds hier boven empassant algezegd is, dat de vijand inzon„ „derheijd een inlandse vijand daar door, een zoort van e moed verkrijgt, om het geschut zo zeer niet meer te vreezen. De gewoonte van de Jndiase Ruijterij, is om rennende ter plaatse te komen, dewelke ze wild ontdekken en alwaar ze stand wild houden, dezelve gaat dus niet met gesloote geleederen, maar verwijdert zig doorgaans van elkanderen expres om van het vuur van de plaats, die men meend te attacqueeren niet te worden geraakt; het heeft derhalven zijne bedenkinge of het niet beter zoude zijn, dat men den vijand in steede van verre al, te beschieten liever wat nader laate komen, en geen een schoot doe, voor dat Hij zig in goede reijn geplaatst had, om hem eerst een gering denkbeeld van onze magt te geven en aantemoedigen, om den stouten te speelen, mits dat men dan ook dat ogenblik waarneeme, om hem als dan zo vinnig Art: 29. en
English
and to bombard fiercely so that a great number of men fall immediately, and the enemy has no time to recover, but rather takes flight and loses heart; yet this is something that I do not so much prescribe, but rather leave to the consideration and judgment of a capable Commandant. Article 30: At the very least, so as not to miss the first shots, but then to hit the enemy properly, there is in my opinion nothing better than that, as soon as the enemy comes out of the woods and approaches, one observes carefully in which direction the densest crowd turns, and one then already points some cannons in advance toward a place that is somewhat closer than where the enemy still shows himself, and as soon as the enemy, approaching, steps onto that place or is about to step onto it, then opens fire, whereupon the shots must absolutely hit, take away a crowd of men, and strike terror into the enemy. Article 31: But if the enemy holds his ground, makes entrenchments, and opens trenches in a regular manner to raise batteries, and having done so brings up his guns, then it is the duty of the officer to give proof of his conduct and courage and to expose himself like a common soldier, so as to instill great confidence in the men, to gain their affection, and to make them faithful; Article 32: Then certainly also the heaviest cannon at Cranganoor must be used as forcefully as possible, in order to destroy the erected batteries and to shoot far, at least to give the enemy as much work and to keep him as far away as possible; for time gained is much gained here, because the Nabab Haijder Alijchan, as an usurping prince, has many enemies and can easily be attacked on one side or another and thereby be forced to recall his troops from these low countries to the upper lands. Article 33: Yet if the enemy gradually advances closer under the Fort and reaches between the former Retrenchment and the Fort, then he is also exposed to all shots; and if he then wishes to make a forced attack with a multitude of men, Your Honours must keep up a continuous cannon fire from the Fort, which will cost the enemy very many men, and if he wishes to spare his men in any way, then he can lie before Cranganoor for a long time without making progress. Article 34: Meanwhile, care must be taken and ensured that no vessels, especially no covered vessels, pass Cranganoor from the north, lest enemy troops might sometimes be packed therein, who, landing near the Fort by night and unseasonable hours, could surprise the Chegosses in the faussebraye, or if not that, at least manage to get south of Cranganoor; for in this regard I must remind Your Honours that the land of the king of Cochim extends fully twelve hours north of the line, and that all the paddy from that district (from which that king virtually finds his annual contribution to the Nabab) is brought down from that side in a multitude of vessels (generally covered on top against rain or wind) along the river past Cranganoor; what I actually mean here is that the enemy might sometimes, during the time that most paddy is brought down, under that pretext send a number of vessels with men to get south of Cranganoor by that ruse; it is true, I have prescribed the necessary precautions against this in several letters, whereby, among other things, such vessels must first moor at a certain distance north of Cranganoor to be inspected, and I have also warned the king of Cochim that all vessels belonging to His Highness and coming from the north may not approach Cranganoor, much less pass by, without having first moored at our post situated north of Cranganoor on the river expressly for that purpose and having allowed themselves to be inspected there; but it might sometimes happen that the enemy impresses the paddy vessels of the Cochinner successively coming down from the north between Chettica and Paponettij, unloads the paddy, and having packed all those vessels together with his own full of men, sends them down, and at night in silence or by bribing our outpost, and if that will not succeed, then simply rows through by force and risks the sinking of a number of vessels thereby; and therefore I cannot sufficiently recommend vigilance against this. Article 35: The building between the inner and outer gate, in which the Company's Eastern soldiers presently lodge, called the half-ship, is very suitable for preventing the passage of vessels; for that reason I have had a pair of small cannons placed there, both to fire upon the river and the entrance of the outer gate, for which purpose two embrasures have been made in the wall toward the north side and closed with wooden shutters, which can immediately be removed when necessary, of which building Your Honours must make use as aforesaid. Article 36: But should it also happen that the enemy on the
Dutch transcription
en geweldig te beschieten dat 'er aanstonds een hoope volk vald, en de vijand geen tijd hebbe om zig te herstellen, maar veel eer de vlugt neeme, en den moed verlieze; dan dit is iets dat ik zo zeer niet voorschrijve, maar wel aan de bedenkinge en het oordeel van een kundig Commandant overlaaten. Art: 30: Ten minsten om de eerste schooten voor al niet te doen missen, maar den vijand als dan van deeg te raken, is 'er mijns bedunkens niet beter, als dat men, zo dra de vijand uijt het bosch komt, en na„ „derd, wel oplette, werwaards de dikste hoop zig na toewend, en men dan al in voorraad eenige Canons rigte, na een plaats die wat nader is, als de vijand zig nog vertoond, en zodra de vijand nader„ rende, die plaats betreed, of staat te betreeden dan vuur geeve, als wanneer de schooten absolut raken een hoope volk weg neemen en den vijand een schrik aanjagen moeten. Art: 31: Maar indien de vijand stand houd, verschansingen maakt, en loopgraven op een regelmatige wijze opent, om Batterijen optewerpen, en zulks gedaan zijnde zijne stukken laat aanvoeren, dan is het de pligt van den officier, blijken van zijn beleijd en moed te geven en zig als een gemeen bloot te stellen, om dus het volk een groot vertrouwen in te boezemen, hunne liefde te verkrijgen en hun getrouw te doen zijn; Als Art: 32: Als dan moet zeekerlijk ook het zwaarste Canon te Eranganoor, zo sterk als mogelijk is, gebruijkt werden, ten eijnde de opgeworpene Batterijen te vernielen, en om ver te schieten, om ten minsten, den vijand, zo veel werk te geven, en zo verre van zig aftehouden, als men kan; want tijd gewoonen, is hier veel gewonnen, om dat de Nabab Haijder Alijchan, als een opgeworpen vorst, veele vijanden heeft en ligt aan dezen of geenen kant kan aange„ „tast en daardoor genoodzaakt worden, zijne troupen uijt deze beneeden landen na boven te ontbieden. Art: 33: Dog zo de vijand al gaande weg nader onder het Fort mogt advanceeren, en komen tot tusschen het geweesen Retranchement en het Fort, dan is wij ook voor alle schooten bloot gestelt; en als Hij dan met een meenigte menschen een geforceerde attacque wild doen, dan moeten VE:s uijt het Fort een onophoudelijk vuur uijt het Canon maaken wanneer het den vijand zeer veel volk zal kosten, en als wij zijn volk maar eenigsints menageeren wild dan kan wij lange voor Cranganoor leggen zonder te vorderen.. Art: 34: Intusschen dient gelet en gezorgt te worden, dat er geen vaartuijgen voor al geene bedekte vaartuijgen Cranganoor N Cranganoor van de noord passeeren, op dat daar in zomtijds geen vijands volk mogt zijn gepaakt, die bij nagt en ontijden ergens aan het Fort landende, de Chegossen in de faijse braij konde overvallen, of zo dat al niet, ten minsten bezuijden Cranga„ „noor wist te komen, want ten dezen opzigte moet ik VE: herinneren, dat het land van den koning van Cochim benoorden de linie zig wel twaalf uuren uijtstrekt, en dat all de Nelij uijt dat districht (waar uijt die koning genoegsaam zijne Jaarlijkse Contributie aan den Nabab vind) van die kant in meenigte van vaartuij„ „gen / doorgaans van boven voor regen of wind be„ „dekt) langs de revier voor bij Cranganoor afgebragt word; het geen ik eijgentlijk hier bedoele, nament„ „lijk, dat de vijand zomtijds in den tijd dat de meeste Nelij afgebragt word onder dien schijn, een partij vaartuijgen, met volk zoude kunnen afzenden, om door die list, bezuijden Cranganoor te komen, 't is waar; ik hebbe bij verschijde brieven de no„ dige precauties daar tegen wel voorgeschreeven, waar door onder andere, zulke vaartuijgen op een zeekere distantie benoorden Cranganoor eerst moeten aanleggen, om gevisiteerd te worden, en ik hebbe den koning van Cochim ook gewaarschouwt, dat alle vaartuijgen zijn Hoogheijd toebehoorende, en van de noord moetende komen, Cranganoor niet mogen naderen, veel min voor bij passeeren zonder dat dat ze alvoorens op onze post, die aan de revier Cranganoor expres daar toe geplaatstis, benoorden aangelegd en zig daar hebben laten visiteeren; maar het zoude zomtijds kunnen gebeuren, dat de vijand de successive afkomende Nelij vaartuijgen van den Cochimer om de Noord tussen Chettica en Paponettij presse, de Nelij ontlosse, en alle die vaartuijgen met zijne vaartuijgen te samen, vol volk gepropt hebbende, afzende, en des nagts in stilte of door het omkopen van onze buijten post, en als dat niet wild lukken, dan maar met geweld door roeie en het in den grond schieten van een partij vaartuijgen daar aan resiteer: en daarom kan ik de waakzaamheijd hier tegen niet genoeg recommandeeren. Art 35: Het gebouw tusschen de binnen en buijten poort, waar in de Compenie oosterlingen tans logeerd, genaamt het halve schip, is zeer geschikt om het afzakken van vaartuijgen te beletten: om die reeden heb ik daar een paar klijne Canons in laaten leggen, zoone de revier, als den ingang van de buijten poort te beschieten, waar toe twee ambrasuren in de muur na de noord kant gemaakt en met houte luijken geslooten zijn, die als het nodig is, aanstonds daar uijt kunnen genomen worden, van welk gebouw, UE:t zig als voorsch: moeten bedienen art: 36: Maar of het ook mogt gebeuren dat de vijand op de
English
the river with some vessels, and gathered behind that building (since it stands directly against the river) where they would then be safe from the artillery of the Fort, narrow loopholes have been made not only in the eastern wall of that building, which forms the length thereof, in order to be able to fire from there with small arms, but in a small stone apartment (standing barely fifty feet south of this building, somewhat further to the east or actually over the water, for the service of the men, and thus raking the entire eastern side of that building) two embrasures have likewise been made, also with wooden shutters, in which the aforementioned two small guns can immediately be placed, so that one can then quickly destroy the vessels that might have managed to get behind the aforementioned building, if the aforementioned 2 pieces are well manned, to which Your Honours must pay special attention. Art: 37: If, due to the falling down of the merlons of the rampart, or by the falling out of parts of the rampart wall, or by the breaching of the wall of the faussebraye, the men in the faussebraye could no longer hold out, then one must certainly withdraw the men, but then man the flanks of the faussebraye all the more strongly, and maintain a continuous crossfire. Art: 38: As far as circumstances permit, no more than one third of the garrison must be actually employed for the defense, one third for the picket, and one third be off duty; above all, care must be taken that the men can eat well at least once in 24 hours: one must also try to arrange it so that not the entire third whose turn it is to be under arms stands under arms at the same time, but of this third, for instance, half from the evening after sunset (because usually in the evening fresh men are brought up both in the approaches and in the besieged place) until 2 or 3 o'clock in the morning; the other half from 2 o'clock in the morning until the relief, these hours ordinarily being those which an enemy chooses for some enterprise or other. Art: 39. A good telescope is also very necessary to discover the works of the enemy; through it one can perceive the changes he has made and notice whether his intention is to approach the place, or whether he wants to undertake the crossing of the river to cut off communication with Cochim, which is not really to be expected, because recently on MoetoeCoenoe between Aijkotta and Cranganoor three stockades have been constructed in such a way that one can support each other along the river from Cranganoor to Aijkotta; but if the enemy should nevertheless wish to undertake such a thing, then he should be prevented from executing his intentions with all the artillery that can be directed against him from Fort Cranganoor. Art: 40: Yet this can only be done by the demi-bastions of the low rampart, but if one discovers that the enemy is making a raft of manji-boats or light wood and bringing it onto the water, then from the bastions of the place itself one can support the action with the 12-pounder guns and thereby make his enterprise costly to him. What is most to be feared at Cranganoor would be a mortar battery of 5 or 6 mortar cauldrons of 6 or 7 inches, although among the Natives and even with Haijder Alijchan no bombs of importance are used; however, because he has European gunners, it would not be impossible that, wishing to undertake something serious against Cranganoor, he would bring them along; yet in such a case one must then, on the rampart and in the Fort, have the ground, which is now packed down, dug up about one and a half or two feet deep and made loose, so that the bombs falling into it could burrow and have less effect when bursting than otherwise; furthermore, one must also transfer the rice that is upstairs in the rooms on the rampart down to somewhere below, and then, indeed as soon as Cranganoor is besieged, one must have the women, children, and other useless persons, of whatever condition they may be, depart for Cochim, for they only give an officer trouble and make a soldier despondent. Art 42: If during the siege any men should be wounded, it would be best to send them at once to Aijkotta, in order to proceed to Cochim thereafter, and to have others sent in their place, for the reason that in such a place the garrison cannot be anything but weak, and that an unfortunate person who is wounded screams and laments, which takes away the courage of the other soldiers; besides this, out of humanity one is obliged to give him some of his comrades for assistance, and this weakens the garrison even more. Art: 43: On the bastions and the flanks of the faussebraye there must be water barrels, into which one puts old tamarind water, in order to cool the guns every eight to ten shots they have fired.
Dutch transcription
de revier met eenige vaartuijgen wist door te slippen, en zig versamelde agter dat gebouw (dewijl het zelve vlak tegen de revier aanstaat) alwaar Wij dan bevrijd zouden zijn van het geschut uijt het Fort, zoo zijn niet alleen in de oostelijke muur van dat gebouw, die de lengte van het zelve uijtmaakt, smalle schiet gaaten gemaakt, om 'er met handgeweer uijt te kunnen schieten, maar men heeft ook, in een steene apartementje /: pas vijftig voeten bezuijden dit gebouw, wat oostelijker of eijgentlijk over het water, ten dienst van het volk staande, en dus de geheele oostelijke zijde, van dat gebouw bestreijkende/ insgelijks twee ambrasuren almeede met houte luijken laaten maaken, waar in de voorschreeve twee stukjes, ten eersten kunnen geplaatst worden, zo dat men dan de vaartuijgen, die agter meer„ melde gebouw mogten hebben weeten te komen, daar spoedig vernielen kan, als de voorschreeve 2: stukken wel bediend worden, en waar op VE:s wel speciaal moeten letten. Art: 37: Jndien door het afvallen van de merlons van de wal, of door het uijtvallen van stukken van de wal muur of door het inschieten der muur van de faijse braij, zelfs het volk in de fause braij het niet langer mogt kunnen houden„ dan moet men het volk zeeker te rug trekken, maar maar dan zo veel te sterker de vleugels van de fause braij bezetten, en een Continueel kruijsend vuur onderhouden. art: 38: zo veel als de omstandigheeden willen toelaaten, moet er niet meer als een derde van de bezetting werkelijk tot de defensie, een derde voor het Piquet ge-emplooieerd worden, en een derde vrij zijn; voor all' moet gezorgt werden, dat het volk op zijn minst, eens in de 24:- uur wel aten kan: ook moet men het zien te schikken, dat niet 't geheele derde wiens beurt het is, om onder de wapens te zijn, tegelijk onder het geweer staa, maar van dit derde b: v: de helft, van 's avonds na sons ondergang, om dat men in 't gemeen 's avonds versch volk, zo wel in de approchen, als in de belegorde plaats laat optrekken, tot in den morgen 2: of 3: uuren; de andere helft, van 2: uur smorgens tot de aflossing, zijnde deze uuren, ordinair de geene, die een vijand tot de een of andere onderneeming verkiest. — art: 39. Een goede verrekijker is ook zeer nodig om de werken van den vijand te ontdekken, men kan daar door, de veranderinge, die wij laat maken, ontwaaren en opmerken, of zijn voornemen is de plaats te naderen, dan wel of Hij de overtogd over de revier wild ondernee„ „men, om de gemeijnschap met Cochim aftesnijden, het geen Juijst niet te denken is, om dat nu onlangs op op MoetoeCoenoe tusschen Aijkotta en Cranganoor drie Paggers zodanig aangelegd zijn, dat men van Cranganoor tot Aijkotta, langs de revier elkan„ „der secundeeren kan; dog als de vijand zulx egter wilde onderneemen, dan diend hem het uijtvoeren van zijne voorneemen belet te worden, met al het geschut, dat van het Fort Cranganoor, tegen Htem aangerigt kan worden:- art: 40: Dog zulx kan maar geschieden, door de halve bolwerken van de laage wal, maar als men ont„ „dekt, dat de vijand een vlst van mansjouws of ligt hout maakt, en dezelve op het water brengt, dan kan men van de bolwerken van de plaats zelve, de zaak ondersteunen met de stukken van 12: Oders en hem hier door zijne onderneeming duur doen te staan komen. Het geen te Cranganoor het meest te vreezen is, zou eene schietschans zijn van 5: of 6: mortier ketels van 6: of 7: duijm, alhoewel bij de Jnlander en zelvs bij Haijder Alijchan, geen bommen van belang gebruijkt worden; egter om dat Hij Europeese Arthilleristen heeft, zou het niet onmogelijk zijn, dat hij iets met ernst tegen Cranganoor willende onderneemen, dezelve meede bragt, dog bij zo een geval moet men dan op de wal en in 't Fort, de grond, die nu aangestampt is, omtrent twee of anderhalf art: 41. voeten voeten diep laten omgraven en mullig maken, op toonen dat de bommen daar invallende, zouden kunnen„ woelen, en bij het springen minder effect doen als „ anders; voorts moet men dan ook de rijst, die boven nen„ in de kamers op de wal is, na beneden ergens overbrengen, en dan moet men, Ja zelfs zo dra Cranganoor al belegerd word, de vrouwen, kinderen en verdere ondienstige persoonen van wat staat toe„ dezelve zijn, na Cochim doen vertrekken, want ze geven een officier maar moeite en maken een zoldaat weemoldig. art 42: Als 'er geduurende de belegering volk mogt gekwetst is„ worden, zoude het best zijn, om dezulke maar ten eersten na Aijkotta te zenden, om vervolgens na Cochim te geraken, en andere in dies plaats gezonden te worden, om reeden dat in diergelijke een plaats de bezetting niet anders als zwak kan zijn, en dat een ongelukkige, die gekwetst is, schreeuwt en zig beklaagd,„ het welke de moed van de andere zoldaaten wegneemt, boven dien is men uijt menschlievendheijd verpligt, en hem eenige van zijn makkors tot bijstant tegeven, en dit verzwakt de bezetting nog meer. art: 43: Op de Bolwerken en de vleugels van de faijse braij moeten water vaaten zijn, waar in men oude Tammerinde water doet, om de stukken ijdere agt â thien schooten die ze gedaan hebben, te verkoelen
English
to cool, and therefore, by the regulation of the 8th of July of the past year concerning the expenditures of Cranganoor, special care was indeed taken that old tamarind may always be in stock. Article 44: One must also ensure that gabions, sandbags, and the necessary sand are always kept in stock and close at hand. The coconut palm trunks that lie upon the parapets appear somewhat too long; if they are shorter, they are easier to handle, and one can then more easily move them to where they are needed, and in case of an assault, a single man can throw them onto the heads of the enemy. Likewise, the storm forks must be brought forward at the very first moment, in order to be close at hand should any scaling ladders be set up, so as to be able to push them off or overturn them. The cartridges that were expended during the previous day and night should be precisely refilled at 12 o'clock noon, for at that hour the enemy rests, and this must therefore also be the moment to open the powder magazine to take out what powder one needs. Article 45: In case of necessity, some relief Article 46: from Article 47: Article 48: relief from Aijkotta may be requested by the displaying of signals, but for this there must be sound reasons and the prospect that the enemy can then be repulsed, for otherwise it would only serve to cause more men to fall or to let them fall into the enemy's hands. Article 49: This relief can now easily be sent via Moetoecoenoe, because the road thither from stockade to stockade has been made suitable, and bridges have been laid across the creeks, so that the relief from the last stockade would only have to be transported to Cranganoor with manchuas. Article 50: The signals that Cranganoor and Aijkotta make to each other with flags must also be made in the redoubts or stockades on Moetoecoenoe, because the colors, owing to the great distance between Cranganoor and Aijkotta, or also due to calm and overcast skies, might sometimes not be recognizable; therefore, when a flag is displayed at Cranganoor, the first stockade on Moetoecoenoe, then the second stockade, and after that the third stockade, must also display the same flag, whereby one can then see that signal very clearly at Aijkotta, even though it might be calm or murky weather, and likewise from Aijkotta back to Cranganoor. When it requests vessels for assistance, for as long as stated above with [illegible] Cranganoor, for which the necessary small flags have been provided on Moetoecoenoe; however, in the evening or at night the signals shall be made with cannons, but during or under an attack with rockets, since during an attack one could not rely on cannon shots; all in the following manner. By day with flags Cranganoor signals to Aijkotta: When it is attacked, until the same flag flies from Aijkotta and 3 cannon shots have been fired, with [illegible] Gives proof that the signal has been seen with [illegible] and with 3 cannon shots. When it asks for relief of men, until as long as said above regarding the flags, 3 cannon shots, with red and white. Gives proof that the signal has been seen with [illegible] and with 3 cannon shots, but if Aijkotta cannot comply with the request, then instead of red and white it lets those colors fly inverted thus: When it asks for an officer, Gives proof that the signal has been seen with [illegible] and with 3 cannon shots, but if Aijkotta cannot comply with this request, it likewise lets the flags displayed by Cranganoor also fly inverted with [illegible] When it asks for vessels for assistance, Gives proof that the signal has been seen with [illegible] and with 3 cannon shots, but in case of inability to comply, to fly the flag half-mast in mourning, which flag in mourning also flies as long as above with [illegible] When one must retreat from Cranganoor, until as long as above, with red. Gives proof that the signal has been seen with [illegible] and with 3 cannon shots. Aijkotta signals to Cranganoor: When it is attacked, until the same flag flies from Cranganoor and 3 shots have been fired, with [illegible] Gives proof that the signal has been seen with [illegible] and with 3 cannon shots. When there is a retreat from Aijkotta, until the same flag flies from Cranganoor and 3 shots have been fired, with red. Gives proof that the signal has been seen with [illegible] and with 3 cannon shots. By night Cranganoor signals to Aijkotta: When it is attacked: 3 rockets, and with each rocket a cannon shot. Gives proof that the signal has been understood with 3 cannon shots and 3 rockets. When it asks for relief of men: 2 burning torches on the flagstaff and 2 cannon shots. Gives proof that the signal has been understood with 3 cannon shots and 2 burning torches; but not being able to comply with the demand, 2 rockets and after each rocket 1 fire-balloon, thus 2 rockets and 2 fire-balloons; however, the 3 cannon shots must be fired.
Dutch transcription
verkoelen en daarom is bij het regelement van den 8:' Julij J„o leeden omtrent de ongelden van Cranganoor wel speciaal gezorgd, dat 'er altoos oude Tammerinde in voorraad kan zijn. art: 44: Ook diend men te zorgen, dat erschans korven, zand„ zakken, en het nodige zand altoos in voorraad bij de hand zijn De klapperboomen, die op de borstwerings leggen, schijnen wat te lang, als ze korter zijn, dan zijn ze gemakkelijker te behandelen, en dan kan men ze ligter overbrengen, waar dezelve nodig zijn, en ingeval van storm, kan een man alleen dezelve op de Hoof= „den van de vijand gooijen Insgelijks moeten de storm oorken al ten Eersten ten voorschijn werden gebragt, om bij der hand te zijn, als 'er eenige storm ladders werden aangebragt, om die te kunnen af of omwerpen. De kardoesen, die de voorige dag en Nagt verschoo „ten zijn, dienden ten 12: uuren 'smiddags, precis wede„ „rom gevult te worden, want op dat uur, rust de vijand uijt, en dit dient dus ook het ogenblik te zijn, om het kruijthuijs te openen om 'er het kruijt„ wat men nodig heeft, uijtteneemen. arb: 4:8: Jn cas van noodzaakelijkheijd, kan eenig sicours art: 45: van Arb: 46: art: 47: secours van Aijkotta werden geeijscht door het vertoonen van zeijnen, maar hier toe moeten grondige reeden en voor uijtzigt zijn, dat als dan de vijand kan werden afgeweert, want anders zou het alleen dienen„ om meer volk te doen sneuvelen ofte in 's vijands handen te laaten vallen. art: 49: Dit secours kan thans gemakkelijk over Moetoe„ Coenoe gezonden werden, om dat de weg daar toe van pagger tot pagger bekwaam gemaakt is, en over despruijten bruggen gelegd zijn, zo dat het secours van de laaste pagger maar alleen met mansjouws na Cranganoor getrans„ „porteerd zoude moeten werden. art: 50: De zeijnen die Cranganoor en Aijkotta met vlaggen aan elkander doen, dienen in de redouten of Paggers op Moetoecoenoe ook gedaan te worden. /om dat de Colleuren door de verre distantie, tussen Cranganoor en Aijkotta of ook wel door stilte en betrokken lugt; zomtijds niet zouden te onder kennen t zijn:/ als derhalven te Cranganoor een vlagge ver„ „toond word, zo moet de eerste Pagger op moetoeCoenoe vervolgens de tweede pagger, en daar na de derde pagger, de zelfde vlag ook toonen, waar door men dat zeijn dan zeer duijdelijk te Aijkotta zien kan, schoon het ook stil of duijster weer mogt zijn, en ook van Aijkotta weder na Cranganoor Als het vaartuijgen tot Assistentie vraagd tot zo lange als boven met C„ E Cranganoor, waar toe de nodige vlaggetjes op moetoe „coenoe bezorgd zijn, dog des avonds of 'snagts zullen de zeijnen met Canons, maar geduurende of onder de attacque met vuurpijlen geschieden, dewijl men onder de attacque op geen kannon schooten zoude konnen staat maaken, alles op de ondervolgende wijze. Bij dage met vlaggen Doet bewijs dat 't zein gesien is met lard en met 3: Canon schooten, maar als Aijkotta aan het verzoek niet voldoen kan, dan laat het in steede van rood - en wit„ die Coleuren verkeert waaijen aldus (: Doet bewijs dat 't zein gezien is met zij en met 3: Canon schooten, maar als Aijkotta aan dit verzoek niet voldoen kan, dan laat het ingsgelijks I de van Cranganoor vertoonde vlagen ook verkeerd waaijen met ƒ Doet bewijs dat 't zein gezien is met en met 3: kanan schooten, dog in Als het om een officier vraagd Als het secours van volk vraagd, tot zo lange als boven gezegd is nopens de vlagen 3: Canon schooten, met ƒ n wit Als het ge-attacqueerd word, tot zo Doet bewijs dat het zein gesien is met ƒ2: lange dezelvde vlag van Aijkotta en met 3: Canon schooten worijt en 3: Canon schooten gedaan zijn (:a Cranganoor doet zeijn Aan Nijkotta welke cas E 5 N waijt als boven met - - - - - Schoot- - Als het secours van volk vraagd 2: brandende toorsen aan de vlagge 2 7 n cas van onvoldoening de vlag halver welke vlag in souw ook zolange stok in souw te laten waaijen Doet bewijs dat 't zein gezien is met Als men van Cranganoor moet retiveren en met 3: Canon schooten tot zo lange als boven - - en roor Aijkotta doet zeijn Aan Cranganoor Doet bewijs dat'te zein gesien is met s:en en met 3: Canon schooten Als het geabtacqueerd word tot zo: lange dezelfde vlag van Cranganoor raijt en 3: schooten gedaan zijn met (:Eleerd Als er van Aijkotta geretireerd word tot zo lange dezelfde vlag van Cran„ Doet bewijs dat 't zein gezien is met „ganoor waaijt en 3: schooten gedaan en met 3: Canon schooten Rood Bij Nagt Aijkotta zijn met - - - - - - - - Cranganoor doet zeijn Aan Als het ge-attacqueerd word 3: vuur Doet bewijs dat 't zein verstaan is met pijlen en bij ider vuurpijl een kanon 3: Canon schooten en 3: vuurpijlen Doet bewijs dat 't zein verstaan is met 3: kanon schooten en 2: brandende toorsen. dog niet aan den eijsch kunnende voldoen 2: vuurpijlen en agter ider vuur pijl 1: lugtbal dus 2: vuurpijlen en 2 lugtballen, egter moeten de 3: Canon schooten gedaan worden. stok en 2: Canon schooten
English
When the vessel requests assistance: 2 burning torches on the bastion where the bell stands, and 2 by the flagstaff, and 6 rockets. When an officer is requested: 1 cannon shot, 1 rocket, and 1 burning torch. When one must retreat from Cranganoor after the Prince's flag has flown during the day, namely if one has already decided upon that retreat at that time, at night about a couple of hours before the march-off: 6 burning torches, 6 rockets, and 6 fireballs. Aijkotta signals to When it is attacked: 4 rockets, and with each rocket: 1 cannon shot. When retreating from Aijkotta: 5 burning torches, 5 rockets, and 5 fireballs. Confirms that the signal is understood with: 3 cannon shots, 5 burning torches, 5 rockets, and 5 fireballs. Confirms that the signal is understood with: 3 cannon shots and 4 rockets. Cranganoor Confirms that the signal is understood with: 3 cannon shots, 6 burning torches, 6 rockets, and 6 fireballs. Confirms that the signal is understood with: 3 cannon shots, 1 rocket, and 1 burning torch; however, if unable to comply, 1 rocket and 1 fireball, but the 3 cannon shots must nevertheless be fired. Confirms that the signal is understood with: 3 cannon shots and 4 burning torches and 6 rockets; however, being unable to comply with the demand, 4 rockets and behind each rocket 1 fireball, and thus 4 rockets and 4 fireballs; nevertheless the 3 cannon shots must be fired. In case of attack and firing taking place at one location or another, in which case the cannon shots can no longer serve as signals, the prescribed signals alone must take place, both by day and by night, without the cannon shots. Art. 52: The signals for relief and vessels must, if possible, be made around the time that the water can serve for a prompt transport from Aijkotta. Art. 53: All these prescribed signals must be read over continuously so that one has them firmly in mind; and so that they can be seen de facto and no errors may occur therein, a competent non-commissioned officer shall be specially appointed and stationed for this purpose with a telescope about him, to watch for the signals and to make report thereof de facto. Art. 54: However, if it should happen that the enemy, through great strength and heavily forced attacks, makes it utterly impossible to defend the fort any longer, Your Nobilities must think of retreat in order at least to save the remaining men. The retreat Art. 31: 2 from Cranganoor is quite difficult and cannot be made without suitable vessels; and since these will not be obtainable at Cranganoor, as soon as news of the attack is received here, I shall send two gamels and some other vessels thither. It goes without saying that the retreat must remain secret for as long as possible, and that it must take place in silence at night and at outgoing tide. Art. 55: The good outcome of the retreat depends on leadership, secrecy, discipline, and presence of mind, for all human wisdom and precaution can be frustrated by a minor incident or by something that could not possibly have been anticipated, but then presence of mind must show itself. Making arrangements beforehand for this is nevertheless necessary, and even for all possible eventualities, but to prescribe them now would be useless. Art. 56: That the enemy must be kept occupied, both with fire and with other movements, goes without saying. The embarkation of the men must take place according to the formulated arrangements with the utmost vigor, and anyone who takes but one step out of out of his rank in order to be in the vessel sooner, even if he were an officer, must be trampled down without mercy and compassion. Art. 57: The vessels must cross over to the first point of Moetoecoenoe, situated barely a cannon shot from Cranganoor, where the healthy men are made to disembark and proceed on foot along Moetoecoenoe to the farthest point near Aijkotta, while the vessels are then made to sail along Moetoecoenoe and with them the men are taken in again at the point of Aijkotta and brought to Aijkotta; and if there are vessels at Aijkotta itself, which are generally seen there, then those can also be employed at the same time for the ferry of the men. Art. 58: All the immovable ordnance at Cranganoor, and especially that which fires across the river toward MoetoeCoena, must as far as possible be spiked and the ammunition spoiled, and if one could blow up the powder house after one has evacuated it, that would be all the better; but if this should not be feasible without jeopardizing the safe retreat, then it must not take place, but the powder and ammunition must nevertheless be spoiled. Men den Fo
Dutch transcription
Als het vaartuijg tot assestentie vraagd 2: brandende toorsen op het Bastion daar de klok staat en 2: bij de vlagge stok en 6: vuurpijlen Als het om een officier vraagd 1: Canon schoot 1: vuurpijl en 1: brandende toors Als men van Cranganoor moet retireeren na dat op den dag de prin„ „se vlag zal gewaijt hebben, te weeten indien men toen al zig tot die retiraite bepaald heeft als nagts omtrent een paar uuren voor den afmarsch 6: brandende toorsen 6: vuurpijlen en 6: lugt ballen Aijkotta doet zeijn aan Als het ge-attacqueerd word 4: vuurpijlen en bij ider vuur pijl: 1: Canon schoot. Als er van Aijkotta geretireerd word 5: branden de toorsen 5: vuur pijlen en 5: lugtballen. Doet bewijs dat het zein verstaan is met 3: Canon schooten 5: brandende toorsen 5: vuurpijlen en 5: lugtballen. Doet bewijs dat 't zein verstaan is met 3: Canon schooten en 4: uuur pijlen. Cranganoor Doet bewijs dat het zein verstaan is met 3: Canon schooten 6: brandende toorsen 6: vuurpijlen en 6: lugtballen. Doet bewijs dat het zein verstaan is met 3: Canon schooten 1: vuurpijl en 1: brandende toors, dog bij onvoldoeninge 1: vuurpijl en 1: lugtbal, egter moe„ „ten de 3: Canon schooten gedaan worden. Doet bewijs dat 't zein verstaan is met 3: Canon schooten en 4: brandende toorsen en 6: vuurpijlen; dog niet aan den eijsch kunnende voldoen 4: uuur pijlen en agter ider vuur pijl 1: lugtbal en dus 4: vuurpijlen en 4: lugtballen; egter moeten de 3: Canon schooten gedaan worden. Ingeval van Attacque en dat er op de een of andere plaats geschooten wierd als wanneer dan ook de Canon schooten niet meer tot zeijnen kunnen strekken, dan moeten zo bij dag, als bij Nagt de voorschreeve zeijnen maar alleen plaats hebben zonder de Canon schooten. art: 52: De zeijnen voor secours en vaartuijgen moeten zo het mogelijk is gedaan worden, tegen den tijd, dat het water tot een schierlijk transport van Aijkotta kan dienstig zijn. art: 53: Alle deze voorschreeve zeijnen moeten geduurig nageleesen worden, op dat men ze vast in het Hoofd hebben; en op dat dezelve defacto gezien zouden kunnen worden en 'er geene abuijzen bij mogen plaats hebben, zo zal een bekwaam onder officier speciaal daar toe gesteld en geplaatst moeten worden met een verrekij„ „ker bij zig, om op de zeijnen te passen en de facto rapport daar van te doen. art: 54: Maar indien het egter mogt gebeuren, dat de vijand, door groote sterkte en sterk geforceerde aanvallen het volstrekt onmogelijk maakte om het Fort langer te kunnen defendeeren, zo moeten VEs op de retiraite denken om ten minsten nog het overige volk te bewaaren: de retiraite Art: 31: 2 is van Cranganoor vrij ongemakkelijk en kan. niet zonder bekwame vaartuijgen gedaan werden; en wijl die op Cranganoor niet te krijgen zullen zijn, zal ik zo dra men hier van de attacque kennis krijgt, twee gamellen en eenig andere vaartuijgen derwaards zenden; Het spreekt van zelfs, dat de retiraite zo lange een geheim moet blijven, als mogelijk is, en dat dezelve in stilte bij nagt en bij afloopend water diend te geschieden. Art: 55: De goede uijtslag van de retiraite hangt af van het beleid, de secretesse, discipline; en tegenswoor„ „digheijd van geest e, want alle menschelijke weijsheijd en voorzorge kan door een gering voorval of door iets, waar aan men onmoge„ lijk heeft kunnen denken, ter leur gesteld wor„ „den, maar dan moet de tegenswoordigheijd van geeft zig vertoonen. Disposities voor uijt hier toe te maken, is egter noodzakelijk, en zelfs op alle moge„ „lijke voorvallen, maar om ze nu voor te schrijven zoude onnut zijn. art: 56: Dat de vijand moet geamuseert worden, zo met vuur als met andere mouvementen, spreekt van zelfs. Het inscheepen van het volk moet. na de ontworpene disposities met de uijtterste vigeur geschieden en de geene die maar een trad buijten buijten zijn gelid- doed, om eerder in het vaartuijg te zijn, moet zonder genade en barmhertigheijd al was hij officier onder de voet geslooten worden, art: 57: De vaartuijgen moeten oversteeken na de eerste hoek van Hoetoecoenoe, leggende pas een kanon schoot van Cranganoor, alwaar men het gezon„ „de volk doet uijtslappen en te voet langs moetoe„ coenoe laat gaan, tot aan de laatste uijthoek bij Aijkotta, terwijl men de vaartuijgen vervolgens langs Moetoecoenoe heen laat vaaren, en daar meede het volk op de hoek van Aijkotta we„ „der inneemd en brengd op Aijkotta, en als or op Aijkotta zelvs vaartuijgen zijn, die men door„ „gaans daar ziet, dan kunnen die teffens tot den overhaal van 't volk ook ge-emploieerd wor„ den. Art: 58: All het intransportabel geschut te Cranganoor, en voornamentlijk het welk de revier over na MoetoeCoena schiet, moet zo veel mogelijk vernageld en de ammonitie bedorven worden en kon men het kruijthuijs, na dat men 'er uijt is, in de lugt doen vliegen, zulkse zou zo veel te beeter zijn, maar indien dit niet doenlijk mogt zijn, zonder aan de veijlige retirade nadeelig te zijn, dan moet zulks niet geschieden, dog egter het kruijt en ammonitie bedooven wor„ Men den Fo
English
One could, however, secretly have the powder magazine undermined and deceive the masons who are used for this purpose, for example that a channel must be made to let in air from the outside, ostensibly because the air in the Fort is too stifling. And then one should have a hole bricked out in the middle of the magazine, 4 feet deep and 2 to 3 feet wide, and form a sloping channel deeper and deeper up to the outer wall, but close it off there with a small copper door and post a sentry there, while upon the retreat one could lay in that channel a canvas sausage filled with combustible material and attach to the door a long fuse of a slow-burning material, after having first arranged the cellar full of powder in small barrels or cartridges, and the rest of the ammunition packed closely on top. The lighter should be ready with a good vessel so that, as soon as he had lit the fuse, he could cross straight over the river. It is true, a courageous man is certainly needed for this, but a bounty, promotion, etcetera do much. The effect would nevertheless be that the enemy would have nothing left of the fort but a heap of stones. The Chegossen must remain in the three paggers on Moetoe Coenoe until further orders, leaving the drillmaster or another competent non-commissioned officer with each company, so that, in addition to 3 corporals, 12 privates, and 6 artillerymen, all being Europeans, there will be 300 Chegossen on Moetoecoenoe, who shall remain divided among the paggers and must hold their posts, just as the Military Commander and the other officers of the Cranganoor garrison must also remain at Aijkotta until further orders, or until one sees from the conduct of the Travancore people on that occasion whether one can still prevent the enemy from penetrating further by means of the two Travancore forts Coeriapalij and the one situated across from Paliaporto called Coenjietaijl, as well as by sending enough men, or not, according to which one will then have to take measures. Although I had previously thought that if one had to retreat from Cranganoor, one ought then also to abandon Aijkotta, and also made this known in my separate letter to Batavia of 25 April 1779 regarding the defense of the Malabar, Travancore had not then yet constructed a stone fort south of Moetoecoenoe on the river across from Paliaporto to prevent, in such a case, further advance across the river; nor had I then yet constructed three paggers on MoetoeCoenoe, but assumed that the enemy, possessing Cranganoor, would immediately cross over to MoetoeCoenoe and attack our post at Aijkotta from the western corner. But now that we can hold out for a while with the Chegossen on Moetoe Coenoe, I think that one could now also first wait at Aijkotta with the Cranganoor garrison to see how the people of Travancore behave, as there would then always be time to retreat from Aijkotta with a combined force along the beach to the south corner of Baijpin, to be brought across from there under the cannon of our city. I say along the beach because it is always more difficult to retreat inland and the enemy usually seeks woods and thickets to fire at our troops from all sides, whereas marching along the beach, on the contrary, one is clear on the sea side and furthermore has an open view on all sides in case the enemy should ever wish to pursue us, as was demonstrated at the lifting of the siege of Chettua, when the return march to Cranganoor was also made along the sea beach, at which time the enemy dared to show himself from afar, but not within musket range and even less within range of the field artillery. All this is said in the confidence that Aijkotta will then still be in our power and garrisoned with the Company's troops, as it is also hardly possible that the enemy, as long as Cranganoor is in our power and our naval force is able to offer him resistance, could gather so many vessels on the other side of Aijkotta during the time that we retreat from Cranganoor to transport such a number of troops to Aijkotta that could undertake anything with hope of success. But whether this might nevertheless happen, and Your Honors should receive notice through the designated signal that Aijkotta was attacked and captured, Your Honors will then, although not yet attacked yourselves, have to abandon Cranganoor after having spiked the cannon and spoiled everything practicable, and if possible blown up the powder magazine, and make your retreat with the vessels, not to Moetoecoenoe or Aijkotta, for the enemy would be found there, but via the Alva and Warapolij and thus along Bollegattij to the corner of Cannetje and so to Cochin, since the Nawab's men, capturing Aijkotta, would in a short time already be at the corner of Baijpin directly across from the city, at which time Your Honors would not be able to pass the river along Baijpin, at least not without being attacked, although
Dutch transcription
Men zoude egter in het geheim het kruijt-maguezijn kunnen laaten ondermijnen ende metselaars, die men daar toe gebruijkt, iets wijsmaken 6: 2: dat er een kanaal tot inleijding van de lugt van buijten moet gemaakt worden, quasi, om dat de lugt in 't Fort te bedompen is: en dan zou men in de midden van het maguazijn een gat van 4: voet diep en 2: â 3. voet wijd moeten laaten ueijtmetselen, en een schuijns kanaal al dieper en dieper formeeren, tot aan de buijten muur, dog aldaar het zelve met een koper deurtje afsluijten, en met een schildwagt bezetten, terwijl men bij de retirade in dat Kanaal zoude kunnen leggen een worst van Zijldoek gevuld met brandstoffe en bij het deurtje een lange zunder van een langsaam brandende stoffe hegten, na alvoorens de kelder vol kruijt in vaatjes of kardoezen gevult, en de overige am= „munitie boven op, digt in een gerangeert te hebben, De aansteeker zoude met een goed vaartuijg gereed moeten zijn, om zo dra hij de zunder aan= „gestooken had, regt over het revier te steeken: het is waar; hier behoort zeeker een Couragieusman toe, maar een premie, avancement etc:a doen veel: de uijtwerking zoude egter zijn, dat de vijand niets aan het fort zoude hebben, als een steen hoop. De Chegossen moeten in de drie paggers op Mloetoe Coinoe blijven tot nader ordre, bij ijder Aot: 59. art: 60: Campenie Compenie laatende den drilmeester af een ander be„ „quaamen onder officier, zo dat er dan behalven 3: Corporaals, 12: gemeenen en 6: Arthilleristen, zijnde alle Europeezen, op Moetoecoenoe 300: Chegossen zullen zijn, dewelke op de Paggers verdeeld blijven en post moeten houden, gelijk dan ook de Militaire Commandant en de verdere officiers van de Cranga„ noorse bezetting meede te Aijkotta moeten blijven, tot nader ordre, of tot dat men aan het gedrag dat Travancoors volk bij die gelgentheijd zal zien, of men den vijand door de Trevancoorse twee Forten Coeriapalij en dat over Paliaporto legd gen:t Coenjietaijl, zo meede door het zenden van genoeg volk, het verder doordringen nog kan beletten, of niet, waar na men dan de maatregulen zal moeten neemen of schoon ik wel bevoorens gemeend had, dat als men van Cranganoor moest retireeren, men dan ook Aijkotta diende te verlaten en zulks ook bij mijne aparte briev na Batavia vanden 25: April 1779: nopens de defensie van de Mallabaar bekend gesteld hebbe, maar toen had Trevancoor bezuijden Moetoecoenoe aan de revier over Paliaporto nog geen steene Fort aange„ „legd, om in zo een geval den verderen voortgang over de revier te beletten, en toen had ik ook op MoetoeCoenoe nog geen drie paggers aangelegd, maar verondersteld, dat de vijand Cranganoor in hebbende, ten N ten eersten op MloetoeCoenoe zoude overkomen en van de westelijke hoek, onze post Aijkotta attacqueeren maar nu wij ons met de Chegossen op Moetoe Coenoe nog wat konnen ophouden, zo denk ik dat men dan nu ook met de Cranganoorse bezettinge op Aijkotta voor eerst zoude kunnen wagten om tezien, hoe het volk van Trevancoor zig gedraagd terwijl 'er dan altoos tijd zoude zijn om van Aijkotta met een gecombineerde magt langs strand tot na de zuijd hoek van Baijp in te retireeren, om van daar onder het geschut van onze stad hier te laten overkomen, ik zegge langs het strand, om dat het altoos moeilijker is binnen door het land te retireeren en de vijand doorgaans bossen en ruijgtens zoekt, om daar uijt van alle kanten onze troupes te beschieten, daar men integendeel„ langs het strand marcheerende, van de zeekant vrij is en voorts van alle kanten een ruijm gezigt heeft, ingevalle de vijand al eens ons wilde vervol„ „gen, gelijk bij het opbreeken van het beleg van Chettua gebleeken is, toen men ook langs het Zeestrand na Cranganoor de terugmarsch deed, als wanneer de vijand zig van verre, maar niet onder het bereijk van het geweer en nog minder onder het bereijk van de veld Arthillerij durvde ver„ toonen. art: 61. Dit alles is gezegd in vertrouwen, dat Aijkotta als P als dan nog in onze magt en met 'sComp„s troupen tste bezet zal zijn, gelijk het ook niet wel mogelijk is, ben dat de vijand (zo lange Cranganoor in onze magt, en onze zee magt in staat is hem tegenstand te bieden/ aan de overkant van Aijkotta, indien tussen tijd dat wij van Cranganoor retireeren, zo veel vaartuijgen zoude kunnen bij een brengen, om daarmede zo een aantal troupen na Aijkotta aftesteeken, die met hoope van succes iets zouden kunnen onderneemen. art: 62: Maar het zij nu dat dit egter mogt kunnen gebeuren, en dat VE:s door het bestemde zeijn kennisse bekwa„ „men, dat Aijkotta geattacqueert en vermeester wierd, als dan zullen VE: (schoon zelfs nog niet geattac„ „queert zijnde/ Cranganoor, na het geschut vernagelt en alles wat doenlijk is, bedorven ook des moge„ „lijk het kruijthuijs te hebben laaten springen, moeten verlaaten en met de vaartuijgen hunne retirade neemen niet na Moetoecoenoe of Aijkotta (want daar zoude men de vijand vinden /maar over vere de Alva en warapolij en zo langs Bollegattij tot op de hoek van Cannetje en zo na Cochim, vermits de Nababse Aijkotta vermeesterende in korten tijd tot op de hoek van Baijpin, vlak over de stad al zouden zijn, als wanneer VE:s de revier langs Baijpin niet zouden kunnen passeeren, ten minsten niet zonder geattacqueert te werden; alhoe„ wel
English
Although I was previously of a different opinion in this regard, namely that if we cannot hold Aijkotta, one would then have to try to make one's way from Cranganoor past Coeriapalij or through the Travancore territory in order to unite with the detachment from Aijkotta, and from there reach the point of Baijpin in a good retreat, upon closer inspection it has appeared to me that if Aijkotta could no longer hold out, our troops stationed there would not be able to wait a single moment, but would immediately have to take refuge at the south point of Baijpin, at least being unable to wait for the Cranganoor garrison, who, arriving there too late, would fall into the hands of the enemy. Article 63. I have said before that if one must abandon Aijkotta, one would then, even if Cranganoor itself had not yet been attacked, nevertheless also have to abandon Cranganoor. I know that at first glance an objection naturally arises against this, especially when one takes into consideration that Cranganoor is not only of the utmost importance and indeed the key to our possessions, and that the further breakthrough of the enemy depends on the preservation of that fort; and it is undoubtedly also for that reason that Their High Mightinesses, in response to my letter of 25 April 1779 concerning the defense of the Malabar, made that very same objection in their reply of 24 September thereafter, being of the opinion that Aijkotta should first of all be withdrawn to reinforce Cranganoor and not only after retreating from there, in order to defend Cranganoor for as long as can possibly be done. Cranganoor is certainly the key to our possessions to the north, but that is not Cranganoor alone, but Aijkotta as well. Before Cranganoor the Nawab certainly bruised his head, but likewise not before Cranganoor alone, but before Aijkotta as well; and from the papers of that time it appears that it came very close to the enemy crossing over to Aijkotta, as the Nairs of Travancore and Cochin who were stationed there were already giving way, had I not detached to Aijkotta everything that could possibly be gathered together, and sent our small vessel De Verwagting to the point of Aijkotta, which detachment and small vessel arrived at that very moment at the place where they were needed, whereby the enemy ceased his undertaking and retreated, and for which reason I have also entrenched Aijkotta since that time. But in order to be best convinced of the truth of my position, one need only consult the map annexed hereto, in which Aijkotta, the three palisades on Moetoecoenoe, and the fort of Cranganoor are drawn, along with the Travancore forts Coeriapalij and Coenjetaaij, from which one will then understand that if we must evacuate Cranganoor, we do not need to abandon Aijkotta right away, but that if we abandon Aijkotta, we must also absolutely depart from Cranganoor, not only because the enemy could then unhindered pass south of the northern lines of Travancore into the territories of Cochin and Travancore, and thus would not even need to bother with Cranganoor, but rather would surround that fort from behind and cut off all provisions, whereby we would leave the fort and the garrison as a prey to the enemy, all the more so as the dimensions of the fort are so miserably small that there is almost no room, besides all the necessities of weapons and ammunition supplies, to store the necessary provisions for a long time for so large a garrison as is presently stationed there, so that even the Company Javanese cannot be quartered inside the fort, but must be housed on the east side of the fort against the river, in an apartment that in former times served as a pepper warehouse. Article 64. The very worst, therefore, that could happen to Cranganoor is that it might be enclosed from behind and before, that is by water as well as by land, although this is almost impossible so long as we have Aijkotta in our power, unless the enemy should force Cranganoor and Aijkotta simultaneously with superior numbers and desperate undertakings, and having captured Aijkotta, immediately enclose Cranganoor from behind and prevent all supplies before one could retreat from there. If this should nevertheless happen, however, there is nothing else to be done but to fight one's way through to the vessels, and with them seek a good escape past Vere de Alva and Warapolij. And then the encouragement of the Commander must be brief, presenting on the one hand the prospect of a certain escape if one only has enough bravery, and on the other hand a miserable martyr's death or slavery, with the encouragement that whoever still has any love for his honor, life, freedom, and the name of a brave soldier has only to follow the Commander, and that those who prefer a miserable death or slavery over an honorable name may cowardly stay behind. But if there should genuinely be any who are fearful enough to step out of line or to argue, then one should simply strike them down or shoot them in the head without any consideration. However, the sortie must not take place in confusion, but every officer or non-commissioned officer must be assigned where he is to attack and upon what
Dutch transcription
alhoewel ik bevoorens ten dezen opzigte ook in een ander begrip geweest ben, namentlijk dat als we Aijkotta niet houden kunnen, men dan van Cranganoor langs Coeriapalij of door het TrevanCoorpe heen moest zien te komen, om zig met het detachement van Aijkotta te vereenigen om van daar in een goede retiraite na de hoek van Baijpin te komen, maar bij naeder inzien is wij voorgekomen, dat als Aijkotta zig niet langer mainteneeren kon, onze troupes die daar leggen, geen ogenblik zoude kunnen wagten, maar ten eersten de wijk na de zuijd hoek van Baijpin moeten neemen, ten minsten niet kunnen wagten na de Cranganoorse bezet„ „tinge, die daar te laat komende. den vijand in„ de handen zouden vallen. art: 63. Ik heb hier vooren gezegt, dat als men Aijkotta moet verlaten, men dan, schoon Cranganoor zelfs nog niet ge= attacqueert mogt zijn, evenwel Cranganoor ook zoude moeten verlaaten: ik weet dat in den eersten opslag, natuur„ „lijker wijze, bedenkinge hier tegen vald, voornamentlijk, wanneer men in aanmerkinge neemt, dat Cranganoor niet alleen van de uijtterste aangelegentheijd en zelfs de sleutel van onze bezettinge is, en dat aan het behoud van dat Fort het verder doorbreeken van de vijand afhangt; en het is ook ongetwijffeld om die reeden, dat Haar Hoog Edelheedens op mijn briev van den 25. April 1779: nopens de defensie van van de Mallabaar bij Derselver rescriptie van den 24 ste 7ber: daar aan, die zelfde bedenkinge gemaakt hebben, als van begrip zijnde dat Aijkotta aller eerst, tot versterking van Cranganoor en niet eerst na het retireeren van daar zoude behooren ingetrokken te worden, ten eijnde Cranganoor, zo lange te defen „deeren als met mogelijkheijd kan geschieden: Cranganoor is zekerlijk om de noord de sleutel van onze bezettin„ „gen, dog dat is Cranganoor alleen niet, maar Aijkotta ook; voor Cranganoor heeft de Nabab zeker„ „lijk zijn hoofd gestooten, dog almeede niet alleen voor Cranganoor, maar voor Aijkotta ook; en uijt de papieren van die tijd, blijkt, dat het niet veel gescheelt: heeft, of de vijand was op Aijkotta overgekomen, dewijl de Nairossen van Trevancoor en Cochim die daar lagen al aan het wijken waaren, indien ik niet, all' wat 'er maar bij elkander te krijgen, was, naar Aijkotta gedetacheerd, en ons smalschip de Verwagting na de hoek van Aijkotta gezonden had, welk detachement en smalschip op dat zelfde ogenblik ter plaats quamen, waar ze weezen moesten, waar door de vijand zijne onderne„ „minge staakte en retireerde, en waar om ik ook zedert die tijd Aijkotta geretrancheerd hebbe; maar om best overtuijgt teworden, van de waarheijd mijner positie, zo behoeft men maar de kaart in„ „tezien, dewelke hier nevens gaat, waar in Atijkotta de drie paggers op Moetoecoenoe en 't Fort Cranganoor Cranganoor afgeteekend zijn, benevens de Trevancoo Forten Coeriapalij, en Coenjetaaij, waar uijt men dan begrijpen zal, dat als we van Cranganoor moe ten verhuijsen, wij dan Aijkotta Juijst nog zo aanstonds niet behoeven te verlaten, maar wel dat als wij Aijkotta verlaten, we dan ook absolut van Cranganoor moeten vertrekken, niet al„ leen om dat de vijand als dan ombelemmert bezuijden de noorder linie van Trevancoor om al in het Cochimse en Trevancoorse kan komen, en dus zig niet eens aan Cranganoor meer Hooren„ maar veel eer dat kort van agteren insluijtenen van alle levens middelen afsnijden zoude, waar door we het Fort en de bezettinge ten provije van de vijand zouden laaten, temeer het bestek van het fort, zo misrabel klijn is; dat 'er bij na geen plaats is, om behalven alle de noodzakelijk heden van wapen en ammunitie goederen, de nodige provisien voor zo een groote bezettinge als 'er tans legd voor een langen tijd te bergen, zo dat zelvs de Compenie Javanen niet in het fort maar aan de oost zijde van het fort tegen de revier logeren moet, in een vertrek dat in oude tijden tot een peper pakhuijs gediend heeft. Art 64. Het aller ergste derhalven wat Cranganoor zoude kunnen overkomen is, dat het zelve van agter en vooren„ dat is te water zo wel als telande ingeslooten mogte worden worden, schoon zulx zo lange we Aijkotta in onze magt hebben bij na niet mogelijk is, ten ware de vijand Cranganoor en Aijkotta tegelijk met overmagt en desperate onderneemingen forceerde en Aijkotta bemag„ „tigende, onmiddelijk Cranganoor van agteren insloot en alle toevoer belette eer men van daar kon retireeren; dog dit evenwel geschiedende, dan is er niets anders op, als zig door teslaan na de vaartuijgen, en met dezelve langs vere de Alva en warapolij een goed heen komen te zaeken: en dan moet de aanmoediginge van den Comman„ „dant kort zijn, en aan de eene zijde het voor- uijt zigt van eene vaste uijtkomst, zo men maar bravour genoeg heeft, en aan de andere zijde een elendige martelaars dood of slaverneij voor„ „gesteld worden, met aanmoediginge, dat de geene„ die zijne Eer leeven vrijheijd en de Naame van een braav soldaat nog eenigsints lief heeft, den Commandant maar hebbe te volgen, en dat de geene, die liever een elendige dood of slaverneij boven een eerlijke Naam verkiesen, als laffartige kunnen terug blijven: dog indien 'er wesentlijk, eenige bang genoeg moeten zijn, om uit te treeden of te raisonneeren dan diend men dezulke maar zonder eenige Consi„ „deratie, onder de voet te steeken of voor den kop te schieten: egter moet de uijtval niet in Confusie geschieden, maar ijder officier of onder officier moet aangeweezen worden, waar hij aanvallen en op wat
English
which vessel he must retreat; for the rest, it goes without saying that when one has firmly resolved upon honor or death, the attack must take place unexpectedly and fiercely. Art: 65. Furthermore, since I have spoken above of the islands of MoetoeCoenoe and the three stockades constructed upon them, which maintain proper communication with one another by means of dikes and bridges, your honors shall also have to ensure and see to it that these stockades, according to the stipulations made concerning them, are always properly manned, and that a close watch is kept within the same, to which end one may occasionally send a silent patrol at night across the river and by land from behind over the islands themselves, so that the garrison is not careless but attentive and vigilant. Art: 66: The purpose of constructing these stockades is because Cranganoor and Aijkotta lie fully an hour apart from each other, and a resolute enemy might sometimes undertake to cross over to these islands between Aijkotta and Cranganoor, beyond the range of the artillery of those posts. Art: 67. Europeans These stockades—the middle one named Petrus, the one near Cranganoor named Johannes, and the one near Aijkotta named Jacobus—do not need to be heavily manned during the bad monsoon, because one has no hostilities to expect there at that time, but primarily because those islands are then virtually under water and the stockades stand only just above the water, so that it is sufficient if a corporal and a few Chegossen keep post at each stockade and patrol back and forth at night to observe what transpires on the river at night; which posts can then also be relieved every eight days because of the unhealthiness caused by the water. Art: 68. But during the good monsoon, there ought to be stationed in each stockade: 1 non-commissioned officer 4 privates and 2 artillerymen Chegossen 33: or properly a third company Total 40: Thus, across the whole: 3 non-commissioned officers 12 privates 6 artillerymen Chegossen 100 heads at the first rank together 121 heads. Art: 69. Each stockade is provided with a reasonably wide moat, which moats, having a connection with the river, are thus always full of water; and on each stockade there is a long three-pounder, thus in total three long 3-pounders on light carriages, which must be placed in such a manner that they can sweep across the river everywhere as far as the shot carries. Art: 70. A capable sergeant, or if necessary an officer, shall keep post there, subordinate to Cranganoor, who shall thus also request and obtain the necessities and monthly provisions from Cranganoor. This postholder or commandant must have knowledge of what the signals of Cranganoor and Aijkotta signify, and from his post make a signal from the two outermost posts for Cranganoor and Aijkotta when an enemy is spotted or he is attacked. In the meantime, the established signals between Cranganoor and Aijkotta may remain. Art: 71. can enfilade with cannons, but, if misfortune wills it that the garrison of Cranganoor must retreat, then the commandant of these posts must do his utmost to cover that retreat as far as possible, whereby it could be greatly facilitated, both to make a stand there again and await the stragglers, and to be able to retreat unhindered to Aijkotta, and to prevent the enemy from gaining a foothold on the said island; in order to be able to do the latter all the better, the Chegossen of Cranganoor, as has already been stated above, must remain on Moetoecoenoe until further orders. Art: 72. The defense of those three posts on MoetoeCoenoe cannot be further defined; I trust that everyone will do his utmost duty; only the post that lies closest to Aijkotta can expect some support from Aijkotta, though only in the direst emergency, which can hardly occur, because one from Aijkotta with cannons Art: 73. Furthermore, your honors must adapt, both in case of defense and in case of retreat, according to the circumstances that arise; for to go into further detail in this matter is not possible, because the slightest circumstance can render the best order useless. Yet with sound judgment, presence of mind, and by adapting to the circumstances of time, place, and persons, and above all with a steadfast resolution rather to lose one's life than one's honor, one can accomplish a great deal. Art: 74. Finally, this instruction, for the sake of these and Examined in no clauses contained therein, must be kept secret and shown to no one; but the senior officer, who follows immediately after the commandant, must be advised, in case the chief and the commandant should fall in battle, where this instruction will then be found, which must then immediately be brought forth and taken into observance, while it goes without saying that in such a case I must also de facto be given notice thereof, in order to be able to make the necessary arrangements at once. Cochim, the 14: August Anno 1780. was signed A:n Moens Godefr Daimichen Agrees J:A Dannichent Secretary
Dutch transcription
wat vaartuijg hij retireeren moet; voor het overige spreekt het van zelfs, dat wanneer men vast beslooten heeft; Eer of dood, de aanval onverwagt en woedende geschieden moet. Art: 65. Dan dewijl ik hier vooren gesprooken hebbe van de Eijlanden MoetoeCoenoe en de daar op aangelegde drie paggers, dewelke door dammen, en bruggen met elkander behoorlijke Communicatie hebben, zo zullen vl:s ook moeten zorgen, en toezien, dat die paggers volgens de daar op gemaakte bepalinge, altoos behoorlijk bezet zijn, en dat 'er indezelve goede toezigt gehouden word, waar toe men nu en dan des nagts over de revier en te lande van agter over de Eylanden zelve, wel eens een stille patroulie kan zenden, om de bezettinge niet zorgeloos maar attent en waakzaam te doen zijn. avt: 66: Het oogmerk van de aanleg dezer paggers is om dat Cranganoor en Aijkotta wel een uur van, elkander leggen, en een geresol„ veerde vijand, zomtijds zoude kunnen onder„ „neemen, om tussen Aijkotta en Cranganoor buijten het bereijk van het geschut dier bij de posten, op deze Eijlanden overtekomen. Deze Art: 67. Europeezen Europeesen Deze Paggers de middelste Petrus die bij Cranganoor Johannes en die bij Aijkotta Jacobus genaamd, zijn in de quade moussen niet nodig sterk bezet te worden, om dat men als dan daar geen vijandelijkheden te wagten heeft, maar voor„ „namentlijk om dat als dan die Eijlanden genoegzaam onder water en de paggers maar effen boven het water staan, zo dat het genoeg is; als op ider pagger een Corporaal en eenige wijnige Chegossen posthouden en snagts over en weder patrouljeeren om te observeeren, wat 'er op de revier 'snagts omgaat, en welke posten dan ook om de ongezontheijd, die door het water veroorzaakt word, om de agt dagen kunnen afgelost worden. Art: 68. Maar in de goede moussen dienen in ijdere pag„ „ger te legen 1: onder officier 4 gemeene en 2. Arthilleristen Regossen 33: of eijgentlijk een derde Compagnie Teld 40: Dus over het geheel 3. onder officiers 12. gemeenen 6. Arthilleristen Chegossen 100 koppen primo plan tesamen 121 koppen.. aot: 69. ijdere pagger is voorzien van een tamelijke breede gragt welke gragten Connectie met de revier hebbende, dus altoos vol water zijn; en op ijdere pagger is een lange Drie ponder, dus in 't geheel drie lange 3: lb=lens op ligte affuijten, dewelke zodanig dienen geplaatst te worden, dat zij de revier, voor zo verre de kogel draagd, over al bestrijken kunnen avt: 70. Een bikwaam sergeant of ook wel des noods een officier zal er Posthouden, subaltern onder Cranganoor, die dus ook de benodigheden en maandelijkse verstrekkinge van Cranganoor verzoeken, en van daar erlangen zal Deze posthouder, of Commandant moet kennisse hebben wat de zeinen van Cranganoor en Aijkotta beduijden, en van zijn post, een zeijn van de twee uijtterste poste voor Cranganoor en Aijkotta doen, als wij vijanden ont„ waart, of geattacqueerd word. ondertussen kunnen de bepaalde zeinen, tussen Cranganoor en Aijkotta blijven, art 72. De verdeediging van die drie posten op Moetoe„ Coenoe laat zig verder niet bepaalen; ik vertrouwe dat ijder zijn uijtterste devoir doen zal; alleenig kan de post, die het digste bij Aijkotta legd, eenig ondersten„ ning van Aijkotta verwagten, dog alleen maar in de uijtterste nood, het welk bij na geen plaats kan hebben„ om dat men deze post van Aijkotta met kanons arb: 71. kanons enfiloeren kon, maar, indien het ongeluk wild, dat de bezetting van Cranganoor retiveeren moet; dan zal de Commandant van deze posten, zijn uijtterste best moeten doen, om die retirade te dekken na mogelijkheijd, en waar door dezelve veel zoude kun„d „nen verligt worden, zo om zig daar weder te zetten, en de te rug gebleevene in tewagten, als om ongehinderd na Aijkotta te kunnen retireeren, en om den vijand te be„ letten, dat Hij niet op gemeld Eijland postvatte, om welk laatste des te beter te kunnen doen de Chegossen van Cranganoor gelijk hier voor en reeds gezegd is, op Moetoecoenoe moeten blijven tot nader: order Art: 73. Voorts moeten vl: zo in Cas van defensie als in cas van retiraide zig schikken na mate van de omstandigheeden die zig opdoen; want ten dezen verder in detail te trec„ „den is niet mogelijk, om dat de gevingste omstandigheijd de beste order kan onnut maken: Dog met een gezond oordeel, presentie van geet, en zig te schikken na de tijds plaats en perzoons omstandigheeden, en voor al met een stand vastig voorneemen om liever zijn leven als zijn eer te verliezen, kan men al zeer veel doen art: 74. Eijndelijk moet deze Instructie om de wille van deze en Nagesien Cllen in geene perioden die er in zijn, secveet gehouden en aan niemand vertoond werden, dog den oudsten officier, die onmiddelijk agter den Commandant volgd, moet gewaarschouwd worden, ingeval het opperhoofd en de Commandant mogten sneuvelen, waar, dan deze Jnstructie te vinden zal zijn, die dan ten eersten voor den dag gehaald, en tot observantie genomen moet worden, terwijl het van zelfs spreekt dat in zo een geval mij ook de facto daar van kenisse moet gegeven worden, ten eijnde aanstonds de nodige voorzienige te kunnen maaken Cochim Den 14: Augustus A„o 1780.— /was geteekend A=n Moens Godefr Daimichen Accorbeert J:A Dannichent SeCrets
English
No. 6. Since the northern corner of the Island of Baijpin, known by the name of Aijkotta, has become a post of consequence, I have successively supplied the Commandants there with the necessary orders on how they must conduct themselves in case of defense, as well as in the handling of the military personnel, the artillery, and the weaponry, all of which orders, insofar as they are still applicable, I hold as inserted herein; but because Moetoecoenoe has recently been reinforced with three stockades and thus the use of the war galvets on that side has lapsed, and also because I have reflected more than once, upon the change or relief of the Military Commandants there, that one understands the successive orders more clearly and knows better how to apply them to intervening circumstances than another, I have deemed it necessary to prescribe by way of instructions the principal matters that a Commandant of Aijkotta must observe at his post. Art: 1. Instruction for the Commandant of Aijkotta. Art: 2. It cannot be unknown to Your Honor how the Nabob Haijder Alijchan recently seized the Company's possessions north of Cranganoor and also attacked our Fort Cranganoor, but having dashed his head against it, then attempted to cross over to Aijkotta with a number of vessels, called chamboks, crammed with people, in order to come south of Fort Cranganoor and thus also south of the northern line of Trevancoor, whereby, having the country open before him, he would undoubtedly have wreaked terrible devastation and continued his advances; and which enterprise would also have nearly succeeded, as the Nairs of Trevancoor and Cochim who were stationed there were already giving way, had I not, out of a kind of premonition that the Nairs would not hold their ground, quickly sent overland a detachment with as many military men as could in any way be spared from the city to Aijkotta, together with an armed sloop by sea to the mouth of the river of Aijkotta, to prevent the enemy's vessels, upon being stopped by our people at Aijkotta, from deciding to achieve their objective by sea; which met with such fortunate success that our detachment and our small vessel arrived at the very moment at the place where they were supposed to be, so that the enemy, who was already actually busy crossing over, retreated and abandoned his intention; so that it having then become evident that no reliance could be placed on the troops of Trevancoor and Cochim, I had Aijkotta entrenched with breastworks on the side of the river and provided with cannon; and since which time, during the fair monsoon, as many armed vessels as can be brought together continuously lie at sea off the latitude of Aijkotta, in order likewise to prevent the enemy's undertakings on that side. Art: 3. From this Your Honor now sees that Aijkotta as well as Cranganoor is the key to our possessions and the place where the enemy has dashed his head and been prevented from breaking through further, so that Your Honor easily understands of what consequence Aijkotta is; yet I must moreover remind Your Honor that so much depends on the preservation of Aijkotta that if we must abandon Aijkotta, we must then also immediately evacuate Cranganoor, whereas on the contrary, if we should have to abandon Cranganoor, we would nevertheless not need to retreat from Aijkotta for the time being, but could first see there what the Trevancoor forts of Coeriapalij and Coenjetaijl (situated behind the island of Moetoecoenoe, from where they can be swept by fire) would do, as well as how the troops of Trevancoor and Cochim would conduct themselves. Art: 4. Aijkotta is strong by nature, for besides being entrenched at that place where the enemy could cross over with vessels, and the river over which the enemy must come being very wide—so that if our cannon are well served, the river would first have to turn red with blood and the enemy would have to be desperate in his enterprise if he nevertheless wished to cross over—aside from this, in the other part of Aijkotta, or rather from the place where the entrenchment ends, extending toward the mouth of the river and even along the beach for a good half hour southwards, landing is impossible, because everywhere there the mud is so soft and deep that even birds feeding on worms sink through the mud; so that the enemy cannot easily cross over to Aijkotta, unless he wished to do so outside around the reef further southwards more toward here by sea, but against that our armed vessels lie in the fair monsoon to prevent such an attempt. Art: 5. However, it could happen that the enemy would drag his flat-bottomed chamboks over the reef (which extends from the opposite shore a good half hour past the mouth of the river southwards), and then with these vessels (which, although full of people, draw less than two feet of water) move southwards inside the reef along the shore, between our vessels, out of the range of their guns, because even the shallowest-draft sloop, on account of the sloping bottom, must lie somewhat off the shore, so that the enemy might at times decide to then pass between the
Dutch transcription
N„o 6. Tzedert de noordelijke hoek van het Eijland Baijpin, bekend onder de naam van Aijkotta, een Post van aangelegendheid geworden is, zo hebbe successive de Commandanten aldaar wel gemu„ nieerd, met de noodige orders hoe ze zig moeten gedragen in cas van defensie, zo meede in de behandelinge van de Militairen, de Arthil„ lerije en Wapengoederen, alle welke orders voor zo verre dezelve als nog applicabel zijn, ik bij dezen als g'insereert houde, maar om dat men nu onlangs Moetoecoenoe met Drie Paggers versterkt en dus het gebruijk van de Oorlogs gamellen aan die kant vervallen is, zo meede, om dat ik bij veranderinge of aflossinge van de Militaire Commandanten aldaar, meer als eens gereflecteerd hebbe, dat de eene de successive orders duijdelijker begrijpt en beter weet applicabel te maken op de tussen ingekomene omstandigheeden, als de andere, zo hebbe ik noodig g'oordeelt het voornaamste, dat een Commandant van Art: 1. Instructie voor Den Commandant van Aijkotta Aijkotta Aijkotta op zijn post diend in agt teneemen, bij wijze van Instructie voorteschrijven Art: 2. Het kan VE: niet onbekend zijn, hoe de Nabab Haijder Alijchan onlangs 's Comp„s be„ zittingen benoorden Cranganoor weggenoomen en ons Port Cranganoor ook g'attacqueert, dog daar voor zijn hooft geslooten hebbende; toen getragt heeft met een partij vaartuijgen, Chamboks genaamd, opgepropt met volk, op Aijkotta overtekomen, om dus bezuijden het Fort Cranganoor en dus ook bezuijden de noorder linie van Trevancoor tekomen, waar door Hij als dan het Land voor zig open ge„ had hebbende, ongetwijffeld een ijsselijke ver„ woestinge zoude aangeregt en zijn progressen vervolgd hebben, en welke onderneminge Hem ook bij na zoude gelukt hebben, alzo de naijros van Trevancoor en Cochim, die daar laagen al aan het wijken waaren, indien ik uijt een „ van soort voorgevoel, als of de Nairos geen stand zouden houden, niet schielijk over land een Detachement met zo veel Militairen als maar eenigsints uijt de stad te missen waa„ ren, na Aijkotta, beneffens een g'armeerde Chialoup, over zee na de mond van de revier van van Aijkotta gezonden had, om te beletten, dat 's vijands vaartuijgen door ons volk te Nijkotta tegen gehouden wordende, niet mogten resolvee„ ren over zee hun oogmerk te bereijken, het geen van dat gelukkig succes was, dat ons detachement en ons smalschip juijst op dat zelfde ogenblik ter plaatse quamen, alwaar ze moesten weezen, zo dat de vijand, die reets werkelijk bezig was, om overtekomen, retireerde en zijn voorneemen staakte, zo dat het toen gebleeken zijnde, dat men op de Troupes van Trevancoor en Cochim geen staat kon maken, ik Aijkotta met borstweeringen, aan de zijde van de Revier, hebbe laten retraucheeren, en met Canon voorzien, en zedert welke tijd ge„ duurende de goede mousson zo veel g'armeer„ de vaartuijgen in zee op de hoogte van Aijkotta bij continuatie leggen, als men bij elkander kan krijgen, om 's vijands onderneemingen aan die zijde ook te beletten. Art: 3. Hier uijt ziet VE: nu dat Aijkotta zo wel als Cranganoor de sleutel van onze bezit„ tinge en de plaats is, alwaar de vijand het hooft geslooten heeft, en belet is, verder door„ te breeken, zo dat VE: ligt begrijpt, van welke aan= vier aangelegentheid Aijkotta is, dog ik moet VE: boven dien nog herinneren, dat aan het behoud van Aijkotta zo veel gelegen legd, dat als wij Aijkotta verlaaten moeten, we dan ook ten eersten van Cranganoor moeten verhuijsen, daar we in te„ gendeel Cranganoor moetende verlaaten, dan evenwel voor eerst nog van Aijkotta niet zou„ den behoeven te retireeren, maar daar eerst kunnen zien, wat de Trevancoorse Forten Coeriapalij en Coenjetaijl /:leggende agter de Eijland Moetoecoenoe van waar dezelve kunnen bestreeken worden:/ zouden doen, zomeede hoe„ danig de Troupes van Trevancoor en Cochim zig zouden gedragen. Art: 4. Aijkotta is door de natuur sterk, want behalven, dat het geretrancheerd is aan die plaats, alwaar de vijand met vaartuijgen zoude kunnen overkomen, en de revier, waar over de vijand moet komen, zeer breed is, zo dat ons Canoor wel bediend wordende, de revier eerst rood zoude moeten worden van bloed, en de vijand disperaat zoude moeten zijn in zijn onderneminge, indien Hij evenwel wilde overho„ men; zo is buijten des, het andere gedeelte van Nijkotta, of eijgentlijk van de plaats, alwaar het het retranchement eijndigd, strekkende na de mond van de revier en zelfs langs de strant, tot wel een groot halv uur zuijdwaards, de landinge impossibel, wijl aldaar over al zul„ te zagte en diepe modder grond is, dat zelfs vogels, die daar op wormjes aazen, door de modder heen zakken; zo dat de vijand niet ligt op Aijkotta overkomen kan, ten waare Hij het buijten het rif om verder zuijdwaards„ meer hier na toe over zee wilde doen, dog daar tegen leggen in de goede mousson, onze g'ar„ meerde vaartuijgen om zulx te beletten Art 5. Maar het zoude kunnen gebeuren dat de vijand zijne plat gebodemde Chamboks, over het rif /: dat van de over wal wel een halv uur voor bij de mond van de revier Zuijdwaarts strekt, :/ wilde heen sleepen, en dan binnen het rif met deze vaartuijgen, /:die schoon ze vol volk zijn, nog geen twee voet diep gaan:/ Zuijd„ waarts trekken langs de wal, tussen onze vaartuijgen, buijten de forse van hun geschut, om dat zelfs de minst diepgaande Chialoup, wegens de schuijns aflopende grond, nog al wat uijt de wal moet leggen, zo dat de vijand zom„ tijds zoude kunnen resolveeren, om dan tussen de
English
the mud of Nijkotta and the southern corner of the island of Baijpin to land somewhere. Indeed, it could also happen that the enemy, going out to sea to the north by night with his Chamboks and out of sight of our vessels, and being to the south of them, would then, at the break of day, head straight for the shore between the mud of Aijkotta and the southern corner of Baijpe in order to land there. I know very well that this is not so easily done, and that no preparations could at present be made for this on the enemy's part without one hearing of it beforehand. But we know that we are dealing with an enterprising, but above all with a crafty enemy who leaves nothing untried, and therefore it is best that one considers even the improbable cases as probable, in order to be prepared for everything in all circumstances. I have therefore also ensured that as soon as anything of that nature is perceived from the beach, notice thereof will immediately be given to Your Honour. And in case the enemy should attempt anything over the reef which could be seen by Your Honour's outer guard, Your Honour must specially instruct the outer guard to pay attention to this and immediately make a report thereof to Your Honour. But Your Honour must, for greater certainty, also correspond about this with whoever has the command of the vessels, so that if he should also perceive anything in one case or another, whether by day or by night, he may give a sign thereof by means of a concerted and clear signal. In which cases Your Honour must then send an officer with a detachment of our troops, yet reinforced with the greater half, if not indeed with two-thirds of the Trevancore and Cochin troops, to the beach, in order to spread out along the beach as far as the enemy small vessels might spread out, and to follow them southward as long as the enemy small vessels drift southward, even as far as here at the corner of Baijpin across from this city, at which time we shall certainly observe them here. But in case they should resolve to land between the mud of Aijkotta and the southern corner of Baijpin, our detachment must then prevent them from making that landing to the utmost of its ability, and the officer of that detachment must then put courage into the Trevancore and Cochin troops and make them understand that if one only stands firm, fires away briskly, and hits well, the enemy cannot land, and even if wishing to approach, will even be prevented by the surf from coming ashore alive. It is true, I have indeed admonished the King of Cochin to give orders, and His Highness has also assured me that he has given those orders to his subjects on the island of Baijpin, namely to be found immediately on the beach in such a case, for which purpose he also has native guard posts from distance to distance, with such weapons as the inhabitants there have among them, for example pikes and bows, arrows, shields, and swords, and for lack of sufficient weapons, even clubs and stalks of coconut trees. But it is known how fearful trained, let alone untrained, Malabars are, and how quickly they seek their safety in flight upon the firing of a few shots, and therefore Your Honour must rely little on that. Meanwhile it goes without saying that our cruising vessels, whether ships or sloops, will in such a case also lift their anchors, come as close as possible, and also follow the enemy as far as they can, as this has been prescribed to them once and for all in their Instructions. Article 6. Nijkotta is at present garrisoned, besides a military Commandant with two ditto officers and an artillery officer, with: - one-half company of Europeans, which with non-commissioned officers and all is calculated at 60. - one-quarter company of artillerymen as above: 25. - one company of sepoys: 100. - two companies of native Christians at 100: 200. Besides the Nairs both of the King of Trevancore and of the King of Cochin, who are not paid by us, but as auxiliary troops by their own monarchs, and together make up a number of 800. Thus together: 1185. Article 7. Furthermore, since this post is situated in such a way that it cannot easily be approached and overrun except by surprise, the Commandant must above all be mindful of this, and therefore always post: a. A post that has a view toward Cranganoor, Moetoecoenoe, and over the sandbank, with a good non-commissioned officer and some men, to make a report of everything that occurs on the river between Cranganoor and Aijkotta. b. A similar post further along, practically in the middle of the north end of Aijkotta, or properly where the Trevancore and Cochin Nairs are encamped, and where the entrenchment ends, which post must also observe everything that goes on on the river on that side and immediately make a report thereof. Article 8. Since the entrenchment lies somewhat lower in some places than the high banks of the opposite shore, fascines must always be in stock to be able to be used if necessary. And if one only has some thin sticks or branches and bundles gathered daily and tied tightly together, about a foot in thickness and six feet in length, which are easy to handle, then one can quickly obtain a proper quantity and, through daily supervision, keep them together so as never to be at a loss; but when one must use them, they ought to be used doubled. Article 9. In the middle of the entrenchment is an entrance to get to the river side, or properly
Dutch transcription
de modder van Nijkotta en de Zuijdelijke hoek van het Eijland Baijpin ergens te landen: ja het zoude ook kunnen gebeuren, dat de vijand 's nagts met zijne Chambokken benoorden in zee en uijt 't gezigt van onze vaartuijgen gaan de, en bezuijden dezelve zijnde, als dan met het lumieeren van den dag, direct tusschen de mod der van Aijkotta en de Zuijder hoek van Baijpe het na de wal wilde zetten, om daar te landen jk weet wel dat dit zo gemakkelijk niet te doen is, en dat daar toe van 's vijands zijde, tans geen preparatie zoude kunnen gemaakt worden, of men zou er te vooren van hooren, dog we weeten, dat we met een ondernemende, dog voor al met een listige vijand te doen hebben die niets onbezogt laat, en daarom is het best, ^gevallen als waarschijnelijke dat men zelfs de onwaarschijnlijke ^ aanmerke„ om in allen gevallen op alles verdagt te kunnen zijn: ik heb daarom ook gezorgt, dat zo dra men van het strand iets van die natuur ont„ waard, daar van ten eersten aan VE: kennisse zal gegeven worden; en ingeval de vijand over het rif iets mogt onderneemen, het geen van VE: buijten-wagt zoude konnen gezien worden, zo moet: VE: de buijten-wagt wel speciaal recommandeeren, om daar op te letten en ten ten eersten daar van aan VE: rapport te doen; Dog VE: moet ten overvloede met de geen die het Comman„ do op de vaartuijgen heeft, daar over ook Corres„ pondeeren, op dat Hij in het eén of ander geval ook iets ontwaarende, het zij bij dage het zij bij nagt, door een beraamd en duijdelijk zeijn een teken daar van geeve, in welke gevallen VE: dan een officier met een Detachement van ons dog gesterkt met de grootste helft zo niet wel met twee derde van de Trevancoorse en Cochimse Troupes na het strand moet zenden, om zig langs het strand te verdeelen, zo verre als de vijan„ delijke vaartuijgjes mogten verdeelen, en zo lange Zuijdwaarts volgen, zo lange de vijande„ lijke vaartuijgjes zuijdwaarts afzakken, zelfs tot hier aan de hoek van Baijpin over deze stad, als wanneer wij Hun hier wel waarnee„ men zullen; maar ingevalle zij tussen de mod„ der van Aijkotta en de Zuijder hoek van Baij„ pin mogten resolveeren telanden, als dan moet ons detachement Hun die landinge na uijterste vermogen beletten en de officier van dat deta„ chement moet dan de Trevancoorse en Cochimse Troupes moed in het lijf spreeken, en Hun doen begrijpen, dat als men maar blijfd staan,„ fris weg vuurd en wel raakt, de vijand niet landen landen kan, en schoon al willende naderen, zelfs door de brandinge belet zal worden levendig aan land te komen: 't is waar ik heb den koning van Cochim wel vermaand om ordres te geven en zijn Hoogheid heeft mij ook verzekert, dat Hij aan zijn onderdanen op het Eijland Baijpin die orders gegeven heeft, namentlijk om in zo een geval zig ten eersten aan het strant te laten vinden en waar toe Hij ook van distantie tot distantie inlandse wagt posten heeft, met zulke wapens, als de ingezeeten aldaar onder zig hebben, bij voorbeeld pieken en bogen, pijlen schilden en swaarden en bij gebrek van ge„ noegsame wapenen zelfs knuppels en gabe gabes van klapperboomen, maar het is bekend hoe vreesagtig gedresseerde, laat staan ongedresseerde Mallabaaren zijn, en hoe schielijk zij op het vallen van eenige schooten Hun heijl in de vlugt stellen, en daarom moet VE: daar op wijnig rekenen, intussen spreekt het van zelfs, dat onze kruijs vaartuijgen het zij scheepen of Chialoupen, in zo een geval ook Hhun anker ligten, zo na bij komen als mogelijk is en de vij„ and ook volgen zullen, zo verre te kunnen, alzo Hun zulx eens voor al bij Hun Instructie voorgeschreeven is. Art: 6. Art: 6. Nijkotta is tans bezet buijten een militaire Commandant met twee dito officiers en een Arthillerij officier met —½ Compenie Europeezen die met onder officieren en al berekene op 60. —¼. Compenie Arthilleristen als boven - - „.— _„o sipaijs- 1 2. — _„o Jnlandse Christenen â 100: - . 200: Behalven nog de Nairossen zo wel van den koning van Trevancoor als van den koning van Cochim, die niet door ons, maar als auxiliaire Troupes door Hunne eijge vorsten betaald worden, en tezamen uijtma„ ken een getal van -. 100: e Dus Tesamen 1185: Art: 7. Dan vermits deze Post zodanig gesitu„ eerd„s datze niet wel anders, als bij surprisen kan genaderd en overrompeld worden, zo diend de Commandant voor al daar op verdagt te zijn, en derhalven altoos te plaatsen â Een Post die 't gezigt heeft na Cranganoor, Moetoecoenoe en over de zand plaat, met een goed onder officier en eenige manschappen, om van alles wat op de revier tussen Cranganoor en 25. — - en Aijkotta voorvald rapport te doen. b. Een diergelijke Post verder op genoegzaam in 't midden van 't noord eijnde van Aijkotta„ of eijgentlijk waar de Trevancoorse en Cochimse Nairossen Campeeren, en alwaar het retranche„ ment eijndigd, welke Post ook alles moet ob„ serveeren, wat op de revier aan die kant om„ gaat en daar van ten eersten rapport doen. Art: 8. Dewijl het retranchement op eenige plaatsen wat lager legd, als de hooge oevers van de over wal, zo moeten er altoos fachinen in voorraat zijn, om als het nodig is, gebruijk te kunnen worden; en als men dagelijks maar wat dunne stakken of takke, bossen laat vergaderen en massief bij elkander doed binden, omtrend ter dikte van een voet en ter lengte van ses voeten, die gemakkelijk te behandelen zijn, dan kan men schielijk een behoorlijk quantiteijt bij elkander krijgen en door dagelijks toezigt, bij elkander houden, om nimmer verlegen te zijn maar als men ze gebruijken moet, dienden ze dubbeld gebruijkt te worden. Art: 9. In het midden van 't retranchement is een ingang om aan de revier kant te komen of eijgentlijk
English
properly speaking, in order to be able to maintain the entrenchment on the outer side, that is on the river side, in good condition, this entrance needs to be reduced somewhat, or at least revetted, so that it can in no way serve to the advantage of the enemy, and I even think that this opening ought to be left so narrow that only a single man, and that only sideways, can pass through, and that this opening must always remain closed either with a strong cheval-de-frise or with a couple of sufficient palisades sharpened at the top, and may never be opened except at such time when one has work done on the outer side of the entrenchment. And on this occasion it also occurs to me—since the natives usually plant a kind of thorn before their strongholds which grow luxuriantly and can do very great harm to an enemy wishing to mount an assault—whether one could not also have such thorns planted on the outside of this entrenchment; at least Your Honour can easily test it in places where there is some foreground. Article 10. Furthermore, the Commandant must maintain the entrenchment in the condition in which it currently is, and thus not allow it to be washed away by the rains during the bad monsoon, nor let it decay during the good monsoon through the rolling down of the sand. For that reason, the entrenchment ought to be planted with greenery, or covered with sods of grass, so that the earth remains bound together by the roots, and also to water the entrenchment now and then in the good monsoon so that the grass or greenery does not wither. The so-called goat's feet, which grow everywhere in the wild at Aijkotta, are best suited for this; at least they are used here with great benefit in the ditch and on the covered way against the glacis, all of which, as well as the making of fascines, can and must be done by the permanent coolies that Your Honour has at the service of the camp according to the regulations. Article 11. The eastern island of Moetoecoenoe, upon which the stockade Iacobus lies and which can be swept by fire from Aijkotta, must always be kept in view; also, one or two cannons must always be trained in that direction, without, however, losing sight of the main objective, namely to defend one's own entrenchment therewith, although it is unthinkable that anything will be undertaken there, because that stockade lies within range of the artillery of Aijkotta. Article 12. Meanwhile, the stockades of Moetoecoenoe serve for the security of Aijkotta in general, but also in particular if a retreat from Cranganoor should ever become necessary, because the Commandant of Aijkotta will then not need to provide men to cover the retreat from Cranganoor. Article 13. There is yet another matter that I must seriously recommend, namely to ensure that no difficulty arises between our troops and those of Trevancoor and Cochim, neither concerning the slaughtering of cattle nor concerning the mocking manner in which our men sometimes treat the Nairs. Your Honour knows that these heathens are of high birth; it is well known that the heathens not only abhor the killing of cattle as the greatest sin that can be committed in the world, but also, although they know it is permitted among us, regard it as the greatest affront when it occurs publicly. And regarding this they are so sensitive that they are convinced this is done deliberately to provoke them, which cannot be talked out of their heads. And at the same time it cannot be unknown to Your Honour that the Nairs are a sort of nobility among the Malabars and born to serve in war, which is the nature of their caste, and for which reason one must not make these people resentful, since one would otherwise have much trouble with them. Meanwhile, the common man among us does not understand this; indeed, at times there is no lack of unruly men who, for the aforementioned reasons, not only use no discretion regarding the slaughter of cattle, but even make a sport of mocking the Nairs in addition over their aversion in this regard. And for this reason I have issued orders against this from the very beginning, yet it appears that these have not been properly observed, because the ministers of Trevancoor and Cochim have complained to me more than once about it and warned that perilous consequences are bound to arise from it and that they cannot vouch for what may happen. I do not at all desire that our men on our own territory should not slaughter or eat cattle for the sake of the Nairs, but since they are our allied troops, and all difficulties and bitterness must be avoided as much as possible, I nevertheless absolutely desire that the necessary modesty and caution be exercised in this matter for as long as we are encamped together; and to prevent all exceptions, I have deemed it necessary to prescribe the following, although they be trifles, nevertheless as special orders. Article 14. That no cattle may be brought into the camp for slaughter or for sale, but only a little outside the camp. That the beasts must then immediately be placed in one of the sheds, of which there is an abundance on that side, and may not be brought into the camp until evening, when it is dark, in order then to be slaughtered inside the houses or in the backyards that one possesses. That the entrails or offal of the slaughtered cattle must not be thrown into any corner, much less into the river, since, floating outwards with the ebb tide, it usually, at the bend of that curve, right where the camp of
Dutch transcription
eijgentlijk om het retranchement aan de buijten ^dat is aan de revier kant kant, ^ in een goede staat te kunnen onderhouden deze ingang diend wat verkleend, ten minsten ommanteld te worden, op dat dezelve in geene deele tot nut van den vijand zoude kunnen strekken, en ik denke zelfs, dat men die openin„ ge zo nauw diend telaaten dat er maar een enkeld man en dat nog maar op zijde, door kan, en dat die openinge altoos of met een 1 sterke spaanse ruijter of met een paar suffi„ „cante paalen van boven gescherpt moet geslooten blijven, en nimmer mag g'opend worden, als op dien tijd, dat men aan de buijten kant van het retranchement laat werken: en bij deze gelegent„ heid valt mij ook bij, /: dewijl de inlanders door„ gaans voor haare sterktens een zoort van doorns planten die weelderig groeijen en den vijand, die storm wild loopen zeer veel quaad kunnen toebren„ gen:/ of men aan de buijten zijde van dit retran„ chement, ook niet zulke doorns zouden kunnen laten planten, ten minsten VE: kan het ligt eens beproeven op plaatsen alwaar wat voorgrond is. Art: 10. Voorts moet de Commandant 't retranchement in dien staat onderhouden, waar in het tans is en dus in de quade mousson door de regens niet niet laten verspoelen, zo min als in de goede mous„ sou door het afrollen van het zant, doen ver„ vallen en daarom diend Wij 't retranchement met groente te beplanten, of met Looden van gras te beleggen, op dat de aarde door de wortels aan elkander vast blijve, en ook het retranche„ ment in de goede mousson nu en dan met water te begieten, op dat 't gras of de groente niet verdor„ re: de zo genaamde bokke pootjes, die op Aijkot„ ta over al in 't wilde groeijen, zijn de beste daar toe; ten minsten dezelve worden hier in de Gragt en in de bedekte weg tegen het glasie met veel nut gebruijkt, welk alles zo wel als het maken van fachinen kan en moet gedaan worden met de vaste coelijs, die VE: vol„ gens reglement ten dienste van het Camp heeft. Art: 11. Het oostelijke Eijland van Moetoecoenoe waar op de Lagger Iacobus legd en die van Aijkotta bestreeken kan worden, moet men altoos in 't oog houden; ook moet na die kant altoos een of twee Canons gepoincteerd worden, zonder egter het hoofd oogmerk namentlijk om zijn eijge retranchement daar meede te verdedigen, uijt 't oog te verliesen, schoon het niet te den„ ken is, dat daar iets zal ondernomen worden, om om dat die pagger, onder het bereijk van 't geschut van Aijkotta legd. Art: 12. Intussen verstrekken de Paggers van Moe„ toecoende tot zekerheid voor Aijkotta in het algemeen, maar ook in het bijzonder, indien er eens van Cranganoor moest geretireerd wor„ den, om dat de Commandant van Aijkotta dan„ geen volk behoeft te geven om de Cranganoorse retiraite te dekken Art. 13. Nog is er iets dat ik serieuslijk moet recommandeeren, namentlijk om te zorgen, dat er geen moeijelijkheid ontsta, tussen onze troupes en tussen die van Trevancoor en Cochim„ nog over het slagten van koebeesten nog over de bespottelijke wijze, waarmeede ons volk de Naijrossen zomtijds bejegend: VE: weet dat deeze Heijdenen zijn van een hoog geslagt; het is bekent dat de heijdenen het dooden van koe„ beesten niet alleen als de hoogste zoude, die in de wereld kan begaan worden verfoeijen, maar ook, schoon ze weeten dat het bij ons g'oor„ looft is, het als het grootste affront aanmer„ ken, wanneer het publik geschiet; en hier omtrend zijn ze zo gevoelig, datze in begrip zijn mous„ n den„ zijn, dat dit expres geschiet, om Hun uijt te tarten, het geen Hun uijt het Hoofd niet te „praaten is; en het kan VE: teffens niet onbe„ kend zijn, dat de Nacrossen een soort van Edellieden onder de Mallabaaren zijn en geboo„ ren om in den oorlog te dienen, het geen de eijgenschap van Hunne kasta is en waarom men dit volk niet curselig moet maken, de„ wijl men er anders veel moeijelijkheeden mede zoude hebben; intussen begrijpt de gemeene Man bij ons zulx niet, ja zomtijds man„ gueerd het niet aan baldadig volk, dat om„ trend het slagten van koebeesten om voorsch:: reeden niet alleen geen menagiment gebruijkt, maar er zelfs een spelletje van maakt, om de Nairos over Hunne afkeerigheid daar om„ trent, boven dien nog uijttelachen, en hier om hebbe ik al van den begin af daar tegen order gesteld, dog het schijnt dat dezelve niet behoor„ lijk g'observeerd zijn, om dat de ministers van Trevancoor en Cochim mij meer als eens daar over geklaagt en gewaarschouwt hebben, dat er hachchelijke gevolgen uijtgebooren staan te worden en dat zij daar voor niet kunnen instaan: Jk begeere in het geheel niet dat ons volk op ons eijge territoir om de wille van van de Nairossen geen koebeesten zoude slagten of eeten, maar dewijl zij onze g'allieerde troupes zijn, en alle moielijkheeden en verbitteringen zo veel mogelijk moeten verwijd worden, zo begeere ik egter abzolut, dat daar omtrent de noodige beschijdenheid en voorzorge zal gebruijkt worden, zo lange men tezamen gecampeert is, en om alle excepties voor tekomen, zo hebbe ik nodig g'oordeeld, om de ondervolgende, schoon klijnigheeden, egter als speciaale ordres voor„ te schrijven. Art: 14. Dat geen koebeesten ter slagtinge of ter ver„ koop in 't Camp, maar wel een wijnig buijten 't Camp aangebragt mag worden. Dat de beesten dan onmiddelijk in een der opstallen dewelke aan die kant in overvloed zijn, moeten geplaatst en niet eer in 't Camp mogen gebragt worden, als des avonds, wanneer het donker is, om als dan in huijs of op de agterplaatsen die men heeft geslagt teworden Dat het ingewand of het afval van de geslagte koebeesten, niet ergens in een hoek, veel min de revier gesmeeten worde, dewijl dezelve met de Ebbe na buijten drijvende doorgaans bij den zwaaij van die kromte, daar juijst het Camp van van