VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 10312

Malabar · 1,900 pages · 387 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_10312_0480 view scan ↗

English

What the Angrians have carried out. Dutch ships taken by them in Ao 1738. to attack, and if not to eradicate entirely, at least to reduce so far that he can no longer play such a role as he has done until now. Now I should also mention in a word the Angrian pirates, since for more than half a century in succession they have made the sea unsafe hereabouts with their piracies, dragging away to their robber's nest Geria, known among us by the name of Bieseroek and named Carapatnam in the Company's sea charts, and destroying numerous ships and lesser vessels of European as well as native merchants, of which the Honorable Company has also had to experience the painful feeling. For in the year 1738 they attacked, at the latitude of Onoor, the Company's ship Noordwolfsbergen, along with the yachts Zeelands Welvaaren and Magdalena, which two last mentioned fell into their hands after a stubborn fight of three days, while Noordwolfsbergen returned disabled to the roadstead here from its intended voyage. Their High Mightinesses would thereupon send a squadron from Batavia, under the command of Major Siersma, to take reprisals, or else to compel the pirate to pay compensation and enter into a contract with the Honorable Company, but how that expedition ended can be seen in the general letter dated 30 April 1739 written from here to Batavia. Poor success of the undertaking in Ao 1739 against them. Their action in anno 1746. Company's ships and a bark attacked by them, burned and captured. Their eradication in Ao 1756 by the English and the Marattas. Anno 1746 they took, in sight of Cochin, an English ship. In anno 1749 they appeared again with a fleet of 7 grab vessels and 6 gallivats in sight of this city. Several times they made landings to the north and plundered Onoor and Mangalore. Anno 1754 they attacked the Company's ships destined for Suratte, the Wemmenum, the Vreede, and the Bark Jaccatra. Both ships caught fire and blew up into the air; the bark was captured, and the crew taken prisoner. Finally, in the year 1756, they were completely eradicated by the combined naval forces of the English and Marattas, whereupon the Marattas, in the year 1757, took possession of Geria and the district situated thereabouts, as that place was left to them by the English. Since that time nothing more has been heard of the Angrians, but indeed of the Marattas, a nation that in earlier times roamed the country far and wide, even from Suratte all the way to Bengal, who, having come into possession of Geria, have from that time on appeared on this coast instead of the Angrians and likewise practiced their piracies at sea, whereas previously they had only sailed somewhat at sea to the north and near Suratte, where their lands are situated. Piracies of the Marattas at sea after the fall of the Angrians. The Company's ship De Getrouwigheid attacked by them and ran aground on a reef near Goa. Their attack with a Portuguese frigate in do. Arrival of their sea commander at Cannanore with offer to conclude a contract with the Company. In the year 1762 they attacked the ship De Getrouwigheijd, destined for Suratta, which, while fleeing to Goa, defended itself and at night ran aground on a reef beside the Goa castle, where it was heavily fired upon by the enemy but finally abandoned, and thus indeed escaped, but unfortunately was wrecked there upon the reefs. Anno 1766 they attacked near Cannanore, two days in succession, a stout, well-manned Portuguese frigate, which, however, they had to abandon with loss. Subsequently they arrived in the Cannanore roadstead, and the sea commander sent a person to the chief with a compliment of his goodwill, adding that he would shortly come ashore in person to the chief to see if a contract of peace and friendship could not be made with the Honorable Company and his sovereign. The said sea commander also came ashore after some days and promised the chief that for 2½ months no hindrance would be caused to the Company's ships and vessels by him or his people, and that he would arrange for his sovereign to make a formal contract with the Honorable Company, and on that occasion he returned three native vessels belonging to Cannanore that had been taken by him, without having taken the least thing out of them. Returns three vessels from Cannanore that he had taken, and in 1768 they took a Company sloop. Their arrival in the Cochin outer roadstead. In the year 1768 they took, at the latitude of Calicut, the Company's sloop De Mosselschulp, destined from Colombo to Suratta, and in the Calicut roadstead 3 Moorish ships and a bombara. Anno 1770 they arrived with a fleet of around 30 sails in the outer roadstead of Cochin. The reason for their arrival was asked of them, and the answer of the admiral was that he came as a friend to contract with the Honorable Company, whereupon he was invited to come ashore, but he wanted written assurances, which were also sent to him, but nevertheless he did not come ashore, and after remaining near the river for 18 days as

Dutch transcription

wat de aanigreanen al uijt„ gevoert hebben. e luge hollande scheepen door ren in Ao 1738. genomen. slegt si lijf te vallen, en zo al niet ten eenemaal uijtte„ mingin „roeien, ten minsten te klijn te maken, dat Hij zodanigge rol niet meer speelen kan, als Hij tot nu toe gedaan heeft. Nu diende ik ook met een woord te melden van de Angreate zee rovers, alzo zij meer als een halve Eeuw agter een, de zee hier om„ 174 „streeks met hunne reverijen onvijlig gemaakt meenigvuldige scheepen en mindere vaartuij„ „gen van Europeeze als Jnlandse Crassiquan„ „ten na Hun roof nest Geria, bij ons on„ „der de naam van Bieseroek en in 'sComp=s ture bark zeekaarten genaamt Carapatnam :/ weg ge„ sleept en vernield hebben, waar van DE: Comp: ook het smertelijk gevoel heeft moeten on„ „dervinden. Want in 't Jaar 1738. attacqueerden ze, op de hoogte van onoor, het 'sComp=s schip Noordwolfs 1756. „bergen, benevens de Jachten Zeelands welvaaren mara en de Magdalena, welke twee laatst gem: na een hardnekkig gevegt van drie dagen in hunne handen vielen, terwijl Noordwolfsbergen redde„ „loos hier ter rheede, van zijn voorgenomen wij „ze te rug kwam. Haar Hoog Edelheedens zouden daar op een ene hunne Esquader br 227 slegt succes van de ondernae„ „ ming in A„o 1739. tegens hen. te hunne verrigting in anno 1746. teere 's Comp:s scheepen en een bark door hen g'attaccirert, hunne uijtweijing in Ad„o 1776. door de Engelschen en de marattas.. Esquader van Batavia, onder Commando van den Majoor Siersma, om represailje te nee„ „men, dan wel den rover te noodzaaken tot scha- vergoeding en 't aangaan van een Contract met DE: Comp:, dog hoedanig die expeditie afgebro„ „pen is, kan men zien bij gemeene briev in dato 30. April 1739: van hier na Batavia geschreven. Anno 1746. namen te, in 't gezigt van Cochim„ Een Engels schip in anno 1749. verscheenen te andermaal met een vloot van 7. goerabs en 6. galwets in 't gezigt dezer stad verscheijde maa„ „len hebben ze om de Noord landingen gedaan en mnoor en Mangaloos uijtgeplundert. Anno 1754. attacqueerden ze sComp=s na surat„ en verbrand en vermeestert „ ta gedestineerde scheepen de Wemmenum de vree„ „de„ en de Bark Jaccatra: De beijde scheepen raak„ „ten in de brand en vlogen in de lucht, de Bark wierde vermeesterd, en de Equipagie gevangen genomen. Eijndelijk zijn ze in den Jaare 1716. door de geconjungeerde zee magt der Engelse en Marhet„ „ten eenemaal uitgevoeijd, waar op de Marhattes „las, in 't Jaar 1777. van Geria en van distrikt dat daar omtrend legd, bezit namen, alzo hun die plaats door de Engelsen gelaten wierd: zedert welken tijd men niets meer van de Angreanen gehoort heeft, maar wel van de Marhettas een Natie die in vroegire tijden het Roverijen der „ larattas ter zee / na de ondergang van de angreanen. 's Comp:s schip de getrouwig„ en bij Goa of een klip geraakt. Hunne atfacque met een „portugees freguat in d„o komste van der zelver zee„ aanbieding een Contract te willen sluijten met de Comp: het land wijd en tijd doorstroopte, ja zelfs van su„ „ratta af, tot in Bengale toe :/ die in 't bezit van Geria gekomen zijnde, van die tijd aan in plaats van de Angreanen aan deze kant zig ook vertoond, en hunne roverijen ter zee insgelijks g'oeffend hebben, daar te anders bevoorens alleen om de Noord en bij suratta /:alwaar Hunne lan„ „den geleegen zijn:/ maar wat ter zee gevaaren hadden. Jn het Jaar 1762. attacqueerden, te het na surat„ heid door hen g'attacqueert „ ta gedestineerde schip De getrouwigheijd, 't welke al vlugtende na Goa, zig defendeerde, en 's Nagts bezij„ „den het goase kasteel, op een klip geraakte, al„ „waar het zelve door den vijand steevig beschooten dog eijndelijk verlaten wierd, en dus wel ont„ kwam, maar ongelukkig op de klippen al„ daar verongelukte. Anno 1766. attacqueerden te bij Cannanoos hunne twee dagen na den anderen een kloek, wel be„ „chim mand Portugees Freguat, dog 't welke te met verlies moesten verlaaten. Vervolgens kwamen te op de Cannanoorsse voogd op Cananoor met rheede, en de zee voogd zond een perzoon bij het opperhoofd met een Compliment van zijn welmeenendheijd, onder bijvoeginge dat Hij eerstdaags in perzoon bij het opperhoofd aan de wal zoude komen, om te zien of 'er niet 1766. Carg 229 Cargeert drie vaartuigen van maar en 1768, namen zij een 's Comp:s sloep. hunne komste op de Co„ chimse buijten rheede. niet een Contract van vreede en vriendschap met DE: Comp: en zijn vorst te maken was, Gem: zee-voogd kwam ook na eenige dagen aan de wal en beloofde het opperhoold, dat in 2½. maan„ den aan 's Comp=s scheepen en vaartuijgen door hen nog de zijne geen honder zoude toegebragt wierde, en dat Hij bewerken zou, dat zijn vorst met DE: Comp: een formeel Contract maakte amanoor die hij genomen had. en bij die geleegentheid gaf Hij drie, dror Hem ge„ „nomene, en te Cannanoor te huijshoorende in„ „landse vaartuijgen terug, zonder in 't minst iets daar uijt genomen te hebben. Jn 't Jaar 1768. namen te, op de hoogte van Calicoet, de van Colombo na Suratta gedesti„ „neerde 's Comp=s Chialoup De Mosselschulp en op de Calicoetse rheede 3. Moorse scheepen en een Bombara. Anno 1770. kwamen te met een vloot van in de 30. Zijlen op de buijten rheede van Cochim sten wierd de reeden van Hun komst afge„ „vraagd, en 't antwoord van den Admiraal was, dat Hij als vriend kwam, om met DE: Comp: te Contracteeren, waar op Hij verzogt wierd aan de wal te komen, dog Hij wilde schrifte „lijke verzeekeringe hebben, die hem ook gezonden wierd, maar even wel kwam Hij niet aan de wal, en na dat blij de rivier 18: dagen lang als

NL-HaNA_1.04.02_10312_0484 view scan ↗

English

In the year 1772 they took a Portuguese and a Macao ship, and also a large frigate was sent to retake the two. Engagement between them and an... Under what pretext the Marathas wish to justify their piracies. After keeping it as if blockaded, he departed with his fleet back to the North. It was in the year 1772 that, at the latitude of Mount Delly, they took a Portuguese and a Macao ship. The Portuguese at Goa thereupon fitted out one of their largest frigates and two well-armed vessels to recover what was lost, but this expedition was defeated and captured by the Marathas at the latitude of Angediva, namely the frigate and two armed vessels. The Portuguese once more sent a frigate and several armed vessels against them, which then recaptured the taken vessels, except for the frigate, which the Marathas had already towed to their pirate's nest, Geria. In the year 1775, at the latitude of 18 degrees, 29 minutes, they obstinately engaged the Company's Surat ship, the Vrouwe Geertruyda, coming from Surat, for two days in succession; however, because of the brave resistance, they finally had to abandon it. Since then they have performed nothing of importance at sea. To this plundering at sea they give an appearance of justice, as they claim to have the mastery of the sea along this side of the peninsula, or properly desire that all who wish to navigate those waters must make an agreement with them concerning it, or take passports from them for a certain payment, whereas in default thereof they seize such vessels as confiscated if they are able. And this privilege is farmed out by them to the highest-bidding fortune seekers and daredevils, who then at their own expense buy or hire and maintain ships, vessels, ammunition, crews, and whatever else belongs to such a pirate fleet, and must recoup those expenses from the vessels and booty which they capture. There are also some chiefs whom the Marathas add to it to lend the fleet prestige and authority, and among these also the commander of the whole fleet. This lease has not yet been higher than one lakh of rupees, and it is surprising that so much is still given for it, because most of the booty they make consists only of native trade goods. It is true that most of the bombards and other native vessels that must pass Geria do take passes from them at a high price; nevertheless, all of this cannot amount to so much that very much would remain after deduction of expenses, for capital prizes seldom fall into their hands. Remark concerning the Marathas in case of political change. Arrival of a Maratha envoy here with letters for the kings of Cochin and Travancore. Characteristics of the Marathas, and their power. However, it is not for that reason alone that I make mention of the Marathas, namely because since they have possessed the Angrian pirate nest of Geria they have made this coast unsafe, but also because it does not appear improbable to me that this nation might indeed obtain an effective relation to Malabar, especially if they should succeed in subduing the Nabob Hyder Ali Khan, or if they, as their design seems to be, should be able to restore the kingdoms of Mysore, Canara, Sunda, and those further conquered by the Nabob, which were previously tributary under the Marathas. For then the kingdoms of Collastry and the Zamorin would certainly also be restored, and then the Marathas would undoubtedly also desire an annual contribution from these princes for the opportunity they provided them to be restored, under which the King of Cochin, as far as his northern lands are concerned, would possibly also be addressed. Thus the Marathas might then more or less become our neighbors, and it is known that they are as rough and troublesome customers as any native nation can be. At least the arrival of a certain Maratha envoy, who once brought letters here for the Kings of Cochin and Travancore for their encouragement, seems to have been an imperceptible preparation for this; at least so it appeared to me, as can be seen more in detail in my separate letter to Batavia under date of May 5, 1777, although Travancore afterwards thought that it was not an envoy of the Marathas, but on the contrary of the Nabob Hyder Ali Khan, under the pretense of the name of the Marathas, to see how the Cochin and Travancore rulers would behave upon the receipt of such an encouragement from the Marathas. It is a heathen nation which has very much respect for its Brahmins or clergy, consisting of several principalities, both large and small, of which the lesser are tributary to the greatest, from which undoubtedly the name originates of Great and Little Marathas. Furthermore, it is a nation whose number is legion, serving mostly on horseback, but also partly on foot. The place of residence of the Great Maratha is Poona, situated east of Bombay 7 or

Dutch transcription

in Ao 172. namen te een por„ nevens nog een Groot freguat tot t het herneemen van de 2. eerte gezonden. attacque tusschen hen en een onder wat protest de ma„ rattas hunne zee-roverijen willen billijken. als geslooten gehouden had vertrok Hij met zijn vloot, weder na de Noord. Met was in 't Jaar 1772. dat ze op de hoogte van tugees en een maccausschip Montedellij een Portugees en een Maccaus schip naamen; De Portugeeken te Goa rusten hier op een van hunne grootste Freguatten en twee wel g'ar„al meerde vaartuigen uijt, om het, verloorene te herneemen, maar deze uijtrusting wierd geslagen en door de Marhettas op de hoogte van Angedi„ en 2. g'arineerde vaartuigen, zo veroverd, De Portugeezen zonden andermaal een Freguat en eenige ge-armeerde vaartuijgen op Hun af, die toen de genomene vaartuijgen her„ „namen behalven het Freguat, het geen de Mar„ hettas reeds na hun roofmest Geria gesleept had den. Jaar 1775. hebben ze op de hoogte van 18. Comp.:s Surats schipin 1775. graaden, 29. minuten, het van suratte komende schip De vrouwe Geertruijda twee dagen agter een, hardnekkig bevogten, dog door de dappere resistentie, het zelve eijndelijk moeten verlaten zedert hebben ze niets van belang ter zee uijtge regt Aan dit rooven ter zee, gevenze een schijn van billijkheijd, alzo zij het meesterschap van de zee langs deze zijde van het schier Eijland pretendeerende te hebben, of eijgendlijk begeeren dat alle die dat vaarwater passeeren willen met 231 als een privelegie verpog met Hun daar over een accoord moeten aan „gaan, of van mun Paspoorten voor zekere be„ „taalinge neemen, terwijl zij bij manquement van dien, zulke vaartuijgen als verbeurd weg„ neemen; indien te kunnen en deze privilegie word door Hun verpagt aan de meestbiedende fortuijn- zoekers en waaghalsen, die dan op hun eijge kosten scheepen, vaartuijgen, Ammunitie, volk en wat er verder tot zo een roofvloot be„ hoord, kopen of huuren, en onderhouden en die ongelden vinden moeten, uijt de vaartuijgen en buijt, die ze magtig worden, ook zijn er eenige hoofden op, die de Marhettas daar bij doen, om de vloot aanzien en gezag bij te zetten, en onder deze ook het hoofd van de geheele vloot, deze pagt is nog niet hoger geweest als een Lak ropijen, en het is te ver„ „wonderen; dat 'er nog zo veel voor gegeven word, om dat de meeste buijt, die te maken maar bestaat in Jnlandse Negotie goederen, Het is waar de meeste Bombarassen en andere inlandse vaartuijgen, dewelke Geria passeeren moeten, neemen wel passen voor een hooge prijs van Hun, dog het een en ander kan egter zo veel niet bedragen, dat, na aftrek„ van d' onkosten heel veel zoude overschieten want Capitaale prijzen vallen wijnig in hun handen aanmerking omtrent de Dog het is om die reeden niet alleen, dat marattas bij staats verkee„ ik van de Marhettas melde, namentlijk, om datze zedert het Angreaanse Roofnest Geria bezitten, deze kust onvijlig gemaakt hebben, maar ook om dat het mij niet onwaarschijn„ „lijk voorkomt, dat dese Natie wel eens ef „fectiev relatie tot de Mallabaar zou kunnen krijgen, inzonderheijd wanneer ze de Nabab Maijder Alijshan mogten ten onderbrengen, of wanneer te zo als Hun oogmerk schijnd te zijn de rijken van Maisoer, Canara, sunda, en die door den Tabab verder overheerd, dog bevoorens onder de Marheltas tributair geweest zijn, mog„ „ten kunnen herstellen, want als dan zouden zeekerlijk ook de Rijken van Collastrij en Sam„ morijn hersteld werden, en dan zouden de Marhettas ongetwijffeld van deze vorsten ook begeeren een Jaarlijkse Contributie voor de geleegentheid, die te Hun beschikt hebben om hersteld te worden, en waar onder de ko„ „ning van Cochim voor zo verre zijn noordse Landen betreft, mogelijk ook wel aangesprooken zoude worden, zo dat de Marhettas dan min of meer onze buurlieden zoude kunnen worden en het is bekend, dat zij zulke ruwe en onge „makkelijke gasten zijn, als een inlandse Nati handen. wezen ring. as 233 Comste van een Marathase indeling hier met brieven voor vancoop. gedanigheeden van Mara„ as, en hun vermogen. wesen kan, ten minsten de afkomst van zieke„ „ koningen van Cochime Jre„re Marhettase zendeling die eens hier brie„ „ven voor den koning van Cochim en Trevan„ „coor ter hunner aanmoediginge aangebragt heeft, schijnd al een ongevoelige preparatie daar toe geweest te zijn, ten minsten het is mij zodanig voorgekomen, gelijk dat nader te zien is, bij mijn aparte briev na Batavia onder dato den 5. meij 1777. schoon Crevancoor naderhand gemeend heeft, dat het geen zen„ „deling van de Marhettas, maar in tegen„ „deel van den Nabab Haijder Alijshan was, quasi op de naam van de Marhettas, om eens te zien, hoe de Cochimer en frevancoor„ „der zig op den ontfangst van zo een aan„ „moediginge der Marhettas gedragen zoude Het is een Heijdense Natie die zeer veel ag„ „tinge voor haare bramineezen of geestelijken heeft, bestaande uijt verscheijde, zo groote als„ klijne vorstendommen, en waar van de min„ dere aan het grootste Tributair zijn, en waar uijt ongetwijffeld de naam afkomstig is, van groote en klijne Marhettas, voorts is 't éen natie welks getal, Legio is, dienende meest te paard dog ook gedeeltelijk te voet de Residentie plaats van de groote Marhet„ „ta, is Poena, leggende oost van Bombaij 7. of

NL-HaNA_1.04.02_10312_0488 view scan ↗

English

What goods the Maldivian traders bring here and take away from here again. How the letter from the Maldivian Sultan is received here. Eight days' voyage from there. It may finally serve me to say something about the Maldivian Sultan, for although one has nothing to do with him here, and the purchase of cowries is prohibited according to the Batavia letter of 18 7ber 1750, with orders to refer the Maldivian traders with their cowries to Ceylon, vessels nevertheless still arrive here annually with cowries, coir, tortoiseshell, and a kind of dried fish called combelmaas, which they sell to private individuals, and take back in return rice, cotton, cashew, katjang, angelica-wood, and Chinese jars. Not a year passes without the Sultan writing a letter here, solely to recommend his little vessels that might come here, which letter is brought by a person under the title of Ambassador. His reception takes place with few ceremonies; when he has sent to ask and received an answer as to when he may come to audience, a servant with a parasol is sent to him, and for his state, or rather in honor of the letter, a corporal with 6 men from the main guard, who escort him to the place of audience, and as soon as the letter is delivered, depart again. Then he is allowed to sit for a moment. Since the year 1754, when Adi Raja made his well-known raid on the Maldives, the first question is usually about Adi Raja, and after a short, indifferent conversation the entire audience is finished. Upon his return to the Maldives, he is also given a complimentary note, which is handed to him by the Shahbandar without further ceremony. Ordinary discourse held by his envoy. Reasons why the Maldivian traders take no cowries to Ceylon. Of what use their friendship is. I have occasionally sounded these envoys regarding the cowries, as to why they bring no more of them to Ceylon, but it appears to me that they get too little money for the cowries, and therefore transport them with their own vessels to Bengal, taking rice from there, as well as that they sold a great deal some time ago to the French, who for that purpose have recently sailed heavily to the Maldives. And although, as I have already said, one does not actually have anything to do with them, I nevertheless find it not only good but even necessary to maintain friendship with that prince, and to offer a helping hand to his vessels when they come here, with courtesies that indeed cost us no money, because they can in turn do us service if our ships or vessels should happen to come to grief in the Maldives, as has indeed happened, on which occasions such assistance has then usually been rendered to our vessels as possibility permitted. In the month of October 1776, when the Nawab Hyder Ali Khan attacked our possessions here and the good monsoon had not yet set in, a Maldivian vessel happened to be lying here in the river, while there was still a heavy surf on the bar at the mouth of the river. Yet as soon as I proposed to him to carry a letter for the Company to Colombo, he resolved without hesitation, put out to sea, and delivered the letter in a few days to Colombo, whereby we so quickly received relief from Ceylon, and thus a great service was indeed rendered to the Company through this willingness. Having thus far dealt with the princes and grandees of this country, as well as those who, although not directly belonging to Malabar, nevertheless have relations with this coast, I now proceed to the inhabitants. The inhabitants of Malabar, in what they consist. Pagan Malabars. Their qualities. The inhabitants of this coast consist of the natives of the country and of foreigners. The native inhabitants are called Malabars, who are again divided into two kinds, namely Heathens and Christians. Description of the Heathen Malabars. The Heathen Malabars are themselves divided into very many tribes or castes, of which I have appended a separate description under the annexes, No. 3, as far as I have been informed thereof by knowledgeable natives, to which I refer. In general, I must remark regarding the Malabars that they have the general characteristics of all the Indian nations, namely distrustful, cunning, and very attached to their ancient customs, from which they are not to be dissuaded, even if their own welfare were to suffer from it. But in particular, they are lazy, shameless, not keeping their word, and deceitful in the highest degree, which one must always remember when one has anything to negotiate with them. The Christian Malabars are again divided into two kinds, namely old

Dutch transcription

wat voor goederen de mal„ „gen en van hier weder vervoeren hoedanig de brief van den mal„ divosen sultaan hier word ont„ fangen. 8. dag rijzen daar van daan. Me diene ik voor het laatste nog iets te zeg„ „gen van Den Maldivosen Sultan, want schoon divos- vaarders hier aanbren„ men hier met Hem niets te doen, heeft, en den inkoop van Cauris volgens Bataviase briev van den 18. 7ber: 1750. ge=interdiceerd is, met order, om de Maldivos-vaarders met Hunne Cauris na Ceilon overtewijzen, zo komen hier egter Jaarlijks nog vaartuijgen met Cauris Caijer, Caret, en een zoort van gedroogde vis, genaamt Combelmaas, dewelke ze aan par redenen „ticuliere verkopen, en daar voor weder Rijst, lon vervo kattoen, katjoe, katjang, Angelik-hout, en Chineeze boeijangs in retour meede neemen geen Jaar gaat voor bij, of de sullaan schrijfd een briev dit heen, eenlijk om zijne vaartuijg„ jes, die hier mogten komen te recommandeeren, welke briev door een persoon onder de naam van Ambassadeur gebragt word, zijn receptie geschild met wijnig Ceremonien, als Hij laat vraagen en antwoord gekreegen heeft, wan„ „neer hij ter audientie kan komen, zend men Hem een dienaar met een zonne=scherm en tot zijn statie, of eijgentlijk ter eer van de briev, van de Hoofdwagt een Corporaal met 6. Man, die Hem tot voor de audientie plaats schap is. aan wa „vaarders geleijd ord zendeling nair 235 ordinair discours dat zijn zendeling voert. redenen waarom de maldivos lon vervoeren. schap is. geleijd, en zo dra de briev overgeven is, weeder heen gaat, en dan laat men Item een ogen„ „blik zitten, zedert het Jaar 1754: toen Adij dien Ragid bekenden inval op de Maldivose gedaan heeft, is doorgaans de eerste vraag na Adij Ra„ „gia, en na een kort onverschillig discours is de klaar geheele audientie bij zijn retour na de Mal„ „divos geeft men hem ook een Compliment briefje meede, die hem door den Sabandhaar ter hand gesteld word: zonder verder Ceremonie, Jk hebbe deze zendelingen nu en dan wel eens gepolst, nopens de Cauris, waarom te vaarders geen Eauris na leij, niet meer daar van na Ceijlon brengen, maar het komt mij voor, datze te wijnig geld voor de Cauris krijgen, en deselve daarom met hunne eijge vaartuijgen van Bengale vervoe„ „ren, en van daar Rijst meede neemen, zo meede dat zij nu eenigen tijd geleeden, veel aan de Fransen verkogt hebben, die ten dien eijnde, laatst op de Maldivos sterk gevaaren hebben, en schoon, gelijk ik reeds gezegd hebbe aan wat nit hun vriend, men juijst wel niets met hun te doen heeft, zo vinde ik het egter niet alleen goed maar zelfs nodig de vriendschap met dien vorst te onderhouden, en zijne vaartuijgen als te hier komen, de behulpzamen hand te bie„ „den, met gedienstigheeden, die ons Juijst geen geen geld kosten, om dat ze ons weder dienst kunnen doen, wanneer onse scheepen of vaartuijgen in de Maldivos mogten verval„ „len, gelijk dat wel gebeurt is, en als wan„ „neer aan onze vaartuijgen dan ook doorgaans, zodanige hulpe is toegebragt, als de mogelijk„ „heijd daar toeliet, Jn de maand october 1776. toen de Nabab Haijder Alijchan onze Bezit„ „tingen hier aanlaste, en de goede Mousson nog niet doorgebroken was, log hier toevallig een Maldivos-vaarder, in de revier, terwijl er op de bank in de mond van de revier nog zware branding stond, dog zo dra ik Item voorsloeg om een briev voor de Comp: na Co„ „lombo te brengen, rezolveerde Hij zonder zig eens te bedenken stak in zee en bragt de briev in wijnige dagen te Colombo, waar door we hier so spoedig ontzet van Ceilon kreegen, en aan de Comp: dus door deeze gewilligheijd, in der daad een grooten dienst beweezen wierd. Jot hier toe gehandelt hebbende van de vorsten en Grooten deses lands, zo meede van de zulke, die schoon wel direct tot de Mallabaar behooren, egter tot deze Cust rilatie hebben, zo ga ik nu over tot de Inwoonderen 237 de pwoonderen van „alla„ daar waar in te bestaan. sche mallabaaren. hunne hoedanigheeden. Inwoonderen deser Custe bestaande in Naturellen des Lands en in vreemdelingen Te Naturellen Jnwoonderen, worden genoemd Mallabaaren, dewelke weder in tweederleij soort verdeeld zijn, namentlijk in Heijdenen en Christenen. beschrijving van de Heijden de Heijdensche Mallabaaren op zig zelvs zijn weder in zeer veele geslagten of kasten onderschijden, waar van ik onder de Bijlagen pen„ 3. deses, een aparte Beschrijvinge gevoegd hebbe„ voor zo verre ik daar van door kundige In„ „landeren onderrigt ben, waar aan mij refereere Jn het algemeen moet ik nopens de Mal„ „labaaren aanmerken, datze de algemeene kenmerken hebben van alle de Jndische Naat„ „sies namentlijk wantrouwig, listig en zeer verkleest aan Hunne oude gewoontens waar van ze niet aftetrekken zijn, al was het ook, dat hun eijgen welvaart daar bij zou„ „de moeten lijden. Maar in 't bijzonder, zijnze Luij, onbeschaamt niet woord- houdend en leugenagtig in den hoog„ „sten Graad, het geen men zig altoos herinneren moet als men iets met kun te verhandelen heeft De Christen Mallabaaren zijn weder in twee zoorten verdeeld, namendlijk in oude dienst al„

NL-HaNA_1.04.02_10312_0492 view scan ↗

English

Who the old Christians are; from their traditions it appears that they have been here for a very long time; they are called Saint Thomas Christians, after the Apostle Thomas who is said to have converted their ancestors. Old or New Christians. According to a general opinion, the old Christians are properly the remnant of the so-called Saint Thomas Christians, who are generally called Syrian Christians here. I have deemed it well worth the trouble to unearth as much as possible the history of these Christians up to this present time, at least in so far as it can be traced from their memoirs and ancient traditions, from which it appears that even if they might not effectively descend from the Apostle Thomas, they have nevertheless not only been here for a very long time and are very distinct from the Roman Christians, but also, notwithstanding all the efforts exerted by the Roman priests, have for the most part refused to embrace the Roman religion up to the present day. According to the general opinion, these would properly be called Saint Thomas Christians after the Apostle Thomas, who is said to have preached the Gospel in these and various other lands, according to the traditions of both the Coromandel and Malabar old Christians, with the pointing out of the places where he is said to have been and to have propagated the Christian religion. One must certainly confess that the Syrian Christians, both on Coromandel and Malabar, have traditions and monuments of a Thomas who proclaimed the Christian religion in these lands, but one must at the same time confess that, outside the aforesaid traditions, it has nowhere yet been clearly proven that this Thomas was precisely the Apostle Thomas. Nevertheless, it is believed that there is no doubt about it, since all the ancient traditions and chronicles of the Malabars unanimously say that the Apostle Thomas arrived in the year 52 after the birth of Christ at Maliapoer, a city on the Coast of Coromandel, and having converted many there, subsequently departed for the Malabar Coast, and arrived very first at Cranganoor, and in that place as well as at Maliankarre, Cottecaij, Repolim, Gekkomangalam, Pernetta, and Jiroewangotta brought many to Christianity, founded several churches, and having appointed 2 priests, is said to have returned again to the Coast of Coromandel, and there anew to have won so many Christians, that the Brahmins, out of spite that the falsehood of their religion was uncovered and that of the Apostle confirmed with public miracles, stoned him and pierced him with a spear; not to speak now of many other particulars and among others of his miracles and the conversion work of this Apostle, of which so much is related and fabricated, especially by the Romans, that it resembles fables and trifles rather than any appearance of truth. Meanwhile, it is known that the Christians at Maliapoer have from ancient times been very large in number, indeed greatly multiplied there, and that they flourished there for a long time, notwithstanding the contempt and harsh treatments inflicted on them by the heathens, until that city was destroyed, and being persecuted with fire and sword, they became dispersed into other lands where they enjoyed gentler treatment, principally on the Malabar Coast, and especially in the realms of Cranganoor, Coilon, Trevancoor, also in the cities of Calicoet and Todomale, as well as in the places of the Malabar mountains. Among the most remarkable periods of the Saint Thomas Christians is indeed this one: namely that, according to the reckoning of the Malabars, in the 4th Century a merchant from Syria named Thomas Enaij, or also called Cana, arrived at Cranganoor with some priests and other Christians from Baghdad, Mosul, and Jerusalem, and having there attained great prestige among the princes through his wealth and power, obtained great privileges for the Christians, who accepted him as their head, and brought it about that they were not only counted among the Malabar nobility, but were even preferred above the royal Nayars, by which title of honor the prominent and noble among the Malabars are designated; whereby they were also permitted to trade throughout the whole country, to build shops and churches, and to use marks of honor which may be used by no one except by special permission of the princes. The chronicles even maintain that this Thomas obtained a written grant of the aforesaid privileges engraved on a copper plate, which [illegible]

Dutch transcription

wie de oude Christenen zijn uijt hunne overleveringen schijnt datze van zeer lan„ gen tijd hier zijn geweest zij werden s„t Thomas, Chris„ tenen gen„t na den apostel Cho„ de bekeert hebben. oude of Nieuwe Christenen. De oude Christenen zouden volgens een alge„ „meen gevoelen, eijgentlijk het overblijfzel zijn van de zo genaamde S=t Thomas Christenen, die hier doorgaans genoemd worden Sijriaans Christenen. Jk hebbe het wel der moeite waard ge-agt zo veel mogelijk de historie dezer Christenen, tot op dezen tijd toe, uijt den grond optedelven, ten minsten voor zo verre uijt hunne gedenk„ schriften en oude overleveringen, nategaan is, geweest, en waar uijt blijkt, dat indien zij al eens effectief niet van den Apostel Thomas mogten afkomstig zijn, zij egter niet alleen hier, van zeer langen tijd geweest, en van de room „se Christenen zeer onderscheijden zijn, maar ook ongeagt alle aangewende moeite van de Roomse Priesters, tot nog toe voor een Groot ge„ deelte den Roomsen Godsdienst niet hebben willen amplecteeren. Volgens het algemeen gevoelen, zouden deze „ eigentlijk S„r Thomas Christen mas die hunne voorouders zou Christenen genaamd worden, naar den Apostel Thomas, die in deze en verscheijden andere lan „den het Evangelium zoude gepredikt hebben, volgens de overleeveringen, zo wel van de Cor„ mandelse als Mallabaarse oude Christenen met aanwijzinge der plaatzen, waar Hij zoude geweest 239 hij hebben monumenten van een Thomas dog of hij de apostel Egter verdienen ze wel ee„ rig geloof. geweest zijn, en den Christelijken godsdienst voortgeplant hebben. Men moet zekerlijk bekennen, dat de sijri„ „aanse Christenen, zo op Cormandel als Malla„ „baar overleeveringen en monumenten van eenen Thomas hebben, die in deze landen den Christelijken Godsdienst verkondigt heeft, maar men moet teffens bekennen, dat buijten voorsz: overleeveringen nog nergens duijdelijk bewee„ „sen is, dat deze Thomas Juijst de Apostel Thomas zoude geweest zijn. Evenwel meend men, dat 'er niet aantetwijf„ igeweest is nog niet beweesen „ felen is, dewijl alle de oude overleeveringen en ge„ „denk boeken der Mallabaaren, eenpaarig zeg„ „gen dat de Apostel Thomas in 't Jaar 52. na Christus geboorte, te Maliapoer, een stad op de Cust Cormandel, aangekomen, en aldaar veelen bekeerd hebbende, sederd na de Malla„ „baarse Cust vertrokken, en zelvs het aller eerst te Eranganoor aangekomen ter dier plaats zo wel als op Maliankarre Cotte„ „caij, Repolim, Gekkomangalam, Pernetta, en Jiroewangotta, veele tot het Christendom gebragt, eenige kerken gestigt en 2. priesters aangesteld hebbende weder na de Cust Corman„ „del zoude gekeerd zijn, en aldaar op nieuw weder zo veele Christenen gewonnen hebben, dat desselfs vertrek na de kust en dood aldaar. Beschrijving van de Chris„ tenen van Maliapoer. dat de Bramineesen, uijt spijt dat de valsheijd van Hunnen Godsdienst ontdekt, en die van den Apostel, met openbaare wonderteekenen bevestigd wierd, hem gesteenigt en met een speer doorstoken hebben, om nu niet te spree„ „ken van veele andere bijzonderheeden en ons „der andere van de sijzen wonderwerken, en 't bekeerings-werk van dezen Apostel waar van inzonderheijd door de Roomse zo veel verhaald en verdigt word, dat het eer na Fabels en beuzelingen, als na eenigen schijn van waarheijd gelijkt. Jntusschen is het bekend, dat de Christe„ „nen te Maliapoer van al ouds, zeer Groot in getal geweest, Ja daar zeer vermeerderd zijn, en datze daar lange gebloeijd hebben, onge„ „agt de versmadinge en harde behandelingen die sun van de Heijdenen aangedaan wier„ „den, tot dat die stad verwoest is, en zig te vuur en te zwaard vervolgt wordende, in an„ dere landen verspreijd geraakt, zijn, alwaar zij zagtere behandelinge genooten, voornament„ „lijk op de Mallabaarse Cust, en inzonderheijd in de rijken van Cranganoor, Coilon, frevan„ „coor, ook inde steeden Calicoet en Jodomale als bla meede in de plaatzen van het Malla„ baarse gebergte. onder 241 En van eenen Jhemas Craij „ te Christenen zouden veele voorrechten gesch: op een kopere plaat gekregen hebben dog die plaats is niet te ontdekken. Onder de merkwaardigste perioden der die te brangenoorgekomen S=t Thomas Christenen, is wel deze, nament„ „lijk dat volgens de reekening der Malla„ „baaren in de 4=de Eeuw een koopman uijt sijrie gen=t Thomas Enaij of ook wel genaamd Ca„ „na, met eenige Priesters en andere Christe„ „nen van Bagdad, Mosul en Jeruzalem te Cranganoor aangekomen is, en aldaar door zijn Rijkdom en vermogen bij de vorsten in Groot aanzien geraakt, zijnde, voor de Chris„ „tenen (die Hem voor Hun Hoofd aannamen/ groote voorregten verkreegen en bewerkt heeft dat zij niet alleen berert heeft, dat zi niet alleen onder den Mallabaarsen adel geree „kend, maar ook den koninglijken Nairos /:met welken eernaam men de aanziene „lijke en Edele onder de Mallabaaren be„ „noemt:/ voorgetrokken wierden, waar bij Hun ook vergund wierd, door 't gantsche land handel te drijven, winkels en kerken te bouwen, en eere teekenen te gebruijken, die door niemand als bij speciaale vergunninge der vorsten gebruijkt mogen werden. De gedenkschriften willen zelfs, dat deze Thomas, een schriftelijke vergunninge van voorsz: voorregten op een kopere plaat ge„ „graveerd, zoude erlangd hebben, welken met de van a„ als

NL-HaNA_1.04.02_10312_0496 view scan ↗

English

is kept with the utmost care, and is said to still be found in the church of Sealkarre, close to Calicoilan: but whatever pains I took, yes, however much money I offered just to see that plate for a moment and obtain a copy of it, I did not succeed. It was not explicitly denied to me that there was such a copper plate in that church, but the reason why I could not get to see it was assured to me in great secrecy to consist of this, namely: that when the king of Trevancoor, after the most recently concluded Contract with the Company in the Year 1753, made movements to expel the kings of Coilan, Calicoilan, Sorka, Tekkencour and Berkenkoer, as he actually did afterwards, his Highness had at that time reportedly inquired after the aforesaid copper plate; and that the church officials, out of fear that the king would keep that plate and would then also expel them, having openly denied that there was such a plate, must now deny it to everyone. However, 243 nor the stone, on which it is said these privileges were engraved, although it was searched for diligently. it was said to me in addition, that at the end of the said copper plate, it had been made known with a Note that the particulars of that privilege were to be read further on a large stone, to be found in the Cranganoor pagoda, for which stone I also inquired, but likewise in vain, as the king of Cranganoor, as well as his Ministers and the pagoda attendants, assured me that no such stone was to be found in the pagoda. I considered this at first as a well-known suspiciousness of the native, and an ordinary habit which the Heathens have, to keep everything concerning their Religion and especially the monuments in their Religious foundations secret from us; and since I am not in favor of it, and it is also not good to force such things, I let the matter rest, with the intention to get at the truth in due course by gentle persuasion, and if there really should be such a stone, then to obtain a copy of it by secretly lining the palms of the pagoda attendants. But when the Nabob Haider Alij Chan at the end of the Year 1776 invaded the Company's possessions together with the Little Kingdom of Cranganoor, and thereafter defiled and destroyed the aforesaid Pagoda, I seized the opportunity to have the aforementioned pagoda inspected; whereupon two stones were indeed found in it, namely a very large one and a middling one, both carved with ancient Malabar characters. With this I was extraordinarily pleased, and I now thought I had found something that could shed much light on the History of the St. Thomas Christians, and at the same time decide several things about which one is now in uncertainty. But when, after very much trouble, I finally obtained a translation of the same, for it was a language that differs as much from modern Malabar as the old Dutch language differs from the present, I saw that the one was a kind of panegyric to one of their Gods, and the other a Heathen prayer. Since then I have understood from a Syrian Priest, who came over to us, and of whom mention will be made below, that he has no knowledge that that copper plate is still to be found; at least that, although he was born here on the Malabar Coast, was raised among the Syrian Christians, 245 Assemanus' thoughts concerning the said Thoma Enaij. Who the real Assemanus was. and was even a priest of theirs, this is nevertheless not known to him; so that this written patent was sought in vain, and one might well call into doubt from this whether in fact such a patent was ever granted to this Marthome, or properly to these Christians. And who knows whether the tradition of a patent for these Christians might not have been borrowed from or confused with the well-known patent on copper plates, on which a privilege was granted to the Jews here, of which more detailed mention will be made hereafter under the article of the Jews. Assemanus thinks that the aforesaid Mar Thomas might have been that Bishop Thomas who, with some others and several Monks from the Beth Abensis monastery, was sent to India by Timotheus, the Patriarch of the Nestorians, around the Year 800. This Assemanus was by birth a Maronite from Mount Lebanon and afterwards a Bishop, whose brother is still in Rome, in the propaganda fide, according to the report of What others think of the aforesaid. The creeping in of the Nestorian sect. the present Father Clement, barefoot Carmelite, and vicar at Warapolij here. Others think that this Thomas was the first to give occasion to the corruption of the pure doctrine, by having Priests come hither from Syria. It is indeed not impossible that Nestorianism was introduced here among the Christians at that time, but the memoirs of these Christians place this somewhat later, and mention that after the Year 829 two Bishops named Marsapor and Mar Perozes reportedly came thither from Babilonia, and obtained the freedom from the Coilan king Sangara Fanisri to build churches in his Lands, for which the king is even said to have endowed them with some revenues. By which Babilonia one properly ought to understand Modaim or Seleucia, the ancient seat of the Nestorian Catholicus or Patriarch, which, although now buried under the Ruins, lay in the ancient Parthian Empire, and has often been confused by many with the ancient Babel in Mesopotamia, and the present-day Bagdad. Then

Dutch transcription

de uijtterste zorgvuldigheijd bewaart word, en als nog te vinden zoude zijn, in de kerk van sealkarre, digt bij Calicoilan: maar wat moeijte ik gedaan, Ja hoe veel geld ik ook aangebooden hebbe, om die plaat maar eens voor een ogenblik te zien, en een af„ „schrift daar van te bekomen, zo heeft mij zulx niet mogen gelukken, mij wierd wel juijst niet ontkend, dat 'er zoo een kopere plaat in die kerk was, maar de reeden waarom ik deselve niet te zien kon krij„ „gen, wierd mij in zeer veel secretesse ver„ „zekerd, hier in te bestaan, namentlijk; dat wanneer de koning van Trevancoor na het Jongst gemaakte Contract met de Comp: in 't Jaar 1753. beweeginge maak„ te, om den koningen van Coilan, Calicoi„ „lan, Sorka, Jekkencour en Berkenkoer te verdrijven /:gelijk Hij zulx ook nader„ hand, werkelijk gedaan heeft / zijn Hoog„ „heid te dier tijd na voorsz: kopere plaat zig„ zoude geinformeerd hebben, en dat de kerk„ „bediendens, uijt bedugtinge, dat de ko„ „ning die plaat houden, en Hun dan ook verdrijven zoude opentlijk ontkend hebben„ „de, dat 'er zodanig eenplaat was, dezelve nu voor ijder een verlochenen moeten, egter wierd 243 nog ook de sleen, waar op men hebben gegraveerd gestaan. schoonsterk na dezelve ge„ zogt is. wierd mij daar bij gezegt, dat aan het eijn„ „de van gem: kopere plaat, met een Nota bekend gestaan had, dat de bijzonderheeden zegd, die privelegies zouden van die privilegie nader te leeken zijn, op een groote steen, te vinden in de Cranga„ „noorse pagood na welken steen ik ook ver„ „noomen hebbe, dog almeede te vergeefs, alzo de koning van Cranganoor, zo wel als zij„ „ne Ministers en de pagoods bediendens mij verzekerden, dat zodanigen steen de pagood niet te vinden was: ik merkte zulx eerst aan, als een bekende agterkousigheijd van den inlander, en een ordinaire gewoon¬ te, die de Heijdenen hebben, om alles wat Hun Godsdienst en voor al de monumenten in Hunne Godsdienstige gestigten aangaat, voor ons geheijm te houden en dewijl ik er niet voor ben, en het ook niet goed is, diergelijke dingen te forceeren, zo liet ik het daar bij, met voorneemen, om bij gele „gentheijd met een zoet lijntje agter de waarheijd te komen, en indien er wezend„ lijk zo een steen mogt zijn, als dan door de pagoods bediendens heijmelijk de han„ „den te vullen, een afschrift van dezelve te bekomen, maar toen de Nabab Haider Alij Chan in 't laatste van het Jaar 1776. 1876. 's Comp=s bezittingen benevens het Rijkje van Cranganoor ge-invadeerd, daar na de voorsz: Pagood ontrijnigd en vernield had nam ik de gelegendheid waar, om meerm: pagood te laten visiteeren; gelijk dan ook in dezelve ge„ „vonden wierden twee steenen, te weeten een zeer groote, en een medioere, beijde uijtgehouwen met oude Mallabaarse letters hier meede was ik bijzonder in mijn schik, en nu meende ik iets gevonden te hebben, het geen veel ligt over de Historie der S=t Thomas Christenen zoude kunnen verspreijden, en teffens decideeren verscheijde dingen, waar omtrend men nu in't onzeker is, maar toen ik dezelve na zeer veel moeijte eijndelijk vertaald verkreegen had /(want het was een taal die van het hedendaagsch Mallabaars, zo zeer verschikt als de oude Duijtsche taal van de tegenswoordige verschilt:/ zag ik, dat het eene was, een zoort van lofge„ „digt op een Hunner Goden, en het andere een Heijdens gebed, zederd heb ik van een Sijriaans Priester, die tot ons overgekomen is, en waar van hier onder, nog zal gemeld worden, ver„ „staan, dat Hij geen kennis draagt, dat die kopere plaat nog te vinden is, ten minsten dat Schoon Hij hier op de Mallabaare gebooren, onder de Sijriaanse Christenen groot 245 Assamanus gedagten omtrent gem: Thoma Enaij wierleeke as semanus is gewast. groot gebragt en zelfs een priester van Mun geweest zijnde, hem zulx egter niet be„ „kend is; zo dat 'er te vergeefs gezogt werd na dat schriftelijk patent, en men hier uijt wel zoude mogen in twijffel trekken of 'er in der daad wel ooijt zo een patent, aan dezen Marthome, of eijgentlijk aan deze Christenen verleend is, en wie weet, of de overleeveringe van een patent voor deeze Christenen, niet ontleend of ver„ mengd zal zijn geworden, van of met het bekende patent op kopere plaaten, waarop een privelegie voor de Jooden alhier ver„ „leend is, waar van hier na, onder het arti„ kuef der Jooden omstandiger staat gesproo„ ken te worden. Assemanus meend, dat voorsz: Mar„ „Thomas zoude geweest zijn, die Bisschop Thomas, die met nog eenige andere en verscheijde Munnikken uijt 't Beth Aben„ „sis klooster door Jimotheus, den Patriarch der Nestorianen, omtrend t Jaar 800. na Jn„ „dien gezonden is. Deze Aissemanus was van geboorte een Maroniet van den berg Libanon en nader„ „hand Bisschop, wions broeder nog te Romen is, in de propaganda fide, volgens berigt van den not andere van voorsch: ho„ ne denken. inkreijpinge der Hestoriaan„ se seette den tegenswoordige Pater Clement barvoe„ ter Carmeliet, en vicarius te warapolij al„ hier Andere meenen, dat deze Thomas de eer„ sten zoude geweest zijn, die gelegentheijd ge„ geven heeft, tot verbastering der zuijvere leer, met Priesters uijt sijriem herwaards te laten komen. Het is wel niet onmogelijk, dat het ses„ torianismus in die tijd alhier onder de Chris„ „tenen zoude ingevoerd zijn, dog de gedenk„ „schriften dezer Christenen, stellen, dit wat later en gewaagen, dat na 't Jaar 829. twee Bisschoppen genaamd Marsapor en Mar Pero„ ses aldaar uijt Babilonia gekomen zouden zijn en van den Coilangsen koning s'sangara franisri de vrijheid verkreegen hebben, om in zijne Landen, kerken te bouwen, waar toe de koning zelvs hun met eenige inkomsten zoude begiftigd hebben, door welk Babilonia men te verslaan eijgentlijk diend „ Modaim of Seleucia, de oude zetel: van den Nestoriaanschen Catholicus, of Patri„ „arch het geen, schoon thans onder de Tuinho„ „pin begraven, in het oude Partische Rijk lag, en door veele dikmaals verwisselt is met het al oude Babel in esopotamie, en het oude hedendaagsche Bagdad. Dan 3

NL-HaNA_1.04.02_10312_0501 view scan ↗

English

287. Closest assumption regarding who the St. Thomas Christians originally are. The St. Thomas Christians are said to have had kings previously. Yet, since outside of Malabar traditions it is nowhere truly evident that the Apostle Thomas did indeed preach the Gospel in these lands, and on the contrary it is known with great certainty that the Syrian Thomas came to these lands for the sake of the Gospel in the seventh century and left behind a great reputation of holiness, it would be questionable whether the St. Thomas Christians might not actually bear the name of St. Thomas Christians after this Thomas. However, leaving this aside, I proceed with the principal matters known from their monuments and traditions. These St. Thomas Christians, having then been favored with privileges, having increased in esteem, power, and numbers among the peoples of the land, and having become emboldened by these advantages, are said, like the people of Israel formerly, to have desired a king over them, and indeed to have appointed one named Balearte as king over them and likewise to have given him the title of king of the St. Thomas Christians, just as his descendants are also said to have succeeded him in the government, until the last died without children. Whereupon, by common consent of the people, a king was chosen as king over them who was at that time also king of Diamper or Odiamper, situated three miles to the south of Cochim in the present territory of the king of Travancore, thus placed unjustly by Mr. Valentijn near Maliapoer or St. Thome. But after the kings of this lineage had also completely died out, the kings of Cochim are said to have obtained that realm. Their persecution by the heathens and decline due to lack of teachers. It is therefore probably in that great interval of time that the persecution occurred of which their writings make mention, namely that the persecutions by the heathen kings against the Christian teachers who arrived here from elsewhere were so great that complete destruction of Christianity was feared. To this was also added that the teachers who were still alive at that time likewise died in the course of time, whereby the churches were stripped of overseers, leaving only a single deacon, whom everyone obeyed as a churchwarden, even to the extent that the Christians, out of impatience and ignorance, forced this deacon to perform priestly duties until such time as other capable church ministers should be summoned from elsewhere. By this lack of overseers, as well as by an increasing decay in zeal, it was caused that gradually many heathen errors and superstitions were introduced among them, and even many fell away from the Christian faith and became heathens. 249. Permission granted by the king of Cochim to them to elect archdeacons, along with his protection and other privileges. These Christians subsequently obtained permission from the kings of Cochim to elect one from among their priests as archdeacon, who was also confirmed by the king, obtaining the rank of a Regidor of the realm, and the power to settle all civil disputes among his co-religionists. Under the Cochim kings, they also suffered no such persecutions, but on the contrary enjoyed a kind of protection, which they still have to this day from the Cochim king, on the condition that they must pay to the king, in addition to the ordinary dues, the Perulandram, being a certain sum of money estimated according to whether the estate is large or small, which must be paid by the heirs when a head of the family dies. However, this applied only to the Syrian Christians of Diamper, since there were still very many scattered here and there under other princes. Arrival of the Portuguese in Malabar in the year 1498. Prompt departure of the same to Lisbon and return. Submission that the St. Thomas Christians made to the Portuguese. Such was the state of affairs with the Malabar St. Thomas Christians when the Portuguese, under the leadership of Admiral Vasco da Gama, arrived at Calicoet with three ships on 18 May 1498. This Admiral, having tarried here for three months, returned again to Lisbon, and in the year 1502 came for the second time, elevated to Don by King Emanuel, with 20 ships to Malabar. And since the St. Thomas Christians had received reports that he would bring these lands under the dominion of a Christian prince, their envoys are said to have come to him with a request to be accepted under his effective protection, in order thereby to be freed from the vexations of the heathen princes, since they, although

Dutch transcription

287. naaste veronderstelling van wie de S„t Thomas Ehristenen oorspronkelijk zijn de S„t Thomas, Christenen Zou„ den bevoren koningen gehad hebben. Dan dewijl het tog buijten de Mallabaar„ „se overleeveringen nergens regt blijkt, dat effectief de Apostel Thomas het Evangeli„ „um in deze landen zoude verkondigd heb„ „ben, en men in tegendeel zeer zeker weet dat de Sijrier Thomas, in de sevende Eeuw in deze landen om de wille van het Evan„ „gelium gekomen is, en eenen Grooten reuk van Heijligheijd nagelaten heeft, zo zoude het zijne bedenkinge hebben, of de s„t Thomas Christenen eijgentlijk niet na dezen Jho„ „mas den naam van S=t Thomas Christe„ „nen dragen, dog dit aan zijn plaats gelaa„ „ten, gaa ik voort met het voornaamste dat men uijt hunne gedenk stukken en overleveringen weet. Deeze S=t Thomas Christenen, dan met voorregten begunstigt, bij de volkeren des lands in aanzien magt en getal toege„ „noomen en door deeze voordeelen moedig geworden zijnde, zouden ook, als wel eer het volk Jsraels, een koning over Hun be„ geerd, ook in der daad eenen met name Balearte tot koning over Hun aangesteld en Item den titul van koning der S=t Jho„ mas Christenen gegeven hebben, gelijk dan ook desselfs afstammelingen, Hem in oe„ gara met het Hunne vervolginge deor de Heijdenen en yerval dops gebrek van Leerraars. in de Regeeringe zouden opgevolgt hebben, tot dat de laatste zonder kinderen is ko„ „men te sterven, als wanneer in zijn plaats„ met gemeene toestemminge des volks tot koning over Hun verkooren is, een koning die toenmaal teffens was koning van Di„ „amper of odiamper, leggende van Cochim drie mijlen om de zuijd in 't tegenswoordig gebied van den koning van Crevancoor, dus ten onregte door den Heer Valentijn ge „plaatst na bij Maliapoer of S=t Thome, dog na dat de koningen van dezen stam ook ge„ „heel uijtgestorven waaren, zo zouden de ko„ ningen van Cochim, dat Rijk verkreegen hebben. Waarschijnelijk is dus in die Groote tusschen tijd, die vervolginge geschied, waar van hunne schriften melden, namelijk dat de vervolgingen der Heijdense ko„ „ningen, tegens de Christen Leeraars (die van elders alhier aanquamen:/ zo groot geweest is; dat men vreesde, vóór eene gant„ „sche verdelging der Christenheijd. Hier bij kwam ook, dat de Leeraars, die toen nog in weezen waaren, mede na ver„ loop van tijd stieven, waar door de kerken van opzigters ontblood waaren, blijvende maar 249 vergunning, door den koning van Cochim, aan hen, om aards diacons te mogen verkiesen. nevens desselfs protexie en andere voorregten maar over een eenig Diacon, wien een ijder als een kerkvoogd gehoorzaamde zelfs zo verre, dat de Christenen, door ongeduld en onkunde, dezen Diacon dwongen Priester„ „lijke diensten waarteneemen, tot tijd en wij„ „le, andere bequaame kerke dienaaren, van elders zoude ontboden zijn, door welk gebrek van opzigters, zo wel als door een toenee„ mend verval in den ijver veroorsaakt is, dat 'er gaande weg, veele Heijdense, dwaa„ „lingen en bij geloovigheeden onder Hun inge„ „veerd en zelfs veele, van het Christen geloof afvielen, en Heijdenen wierden. Deze Christenen verkreegen vervolgens van de koningen van Cochim verlof om eenen uijt Hunne Priesteren tot Hardsdiacon te verkiesen welke door den koning ook be„ vestigd wierd, verkrijgende den rang van een Ragiadoor des rijks, en de magt om al„ „le Civiele geschillen onder zijne geloofs ge„ „nooten aftemaaken. Onder de Cochimse koningen, hebben zij ook zo geene vervolgingen ondergaan, maar in tegendeel, een zoort van protectie genoo„ „ten dewelke ze tot heeden toe nog van den Cochimsen koning hebben, onder voorwaarde datze aan den koning moeten betaalen boven , „ komste der portugeesen op Mallabaar in A„o 17498. Je rijg vertrek van deselve. na lisabon en weder komst onderwijsing dat S„t Thomas Christenen aan de portugeesen boven de gewoone geregtigheeden, de Peroelan„ „dram, zijnde een zekere somma gelds /:ge„ schat na maate de nalatenschap groot of klijn is; (die door de erfgenaamen, wanneer een Hoofd der familie komt te sterven, moet betaald worden, dog dit had alleen maar be„ „trekking tot de Sijriaanse Christenen van diamper, dewijl er nog zeer veele hier en daar onder andere vorsten verstrooijt waaren. Dusdanig was het gesteld, met de Mallabaar„ „se S=t thomas Christenen, toen de portugeezen onder het beleijd van den Admiraal vakco de Gama den 18. Meij 1498. met drie scheepen te Calicoet aanquamen. Deeze Admiraal, drie maanden hier ver„ toeft hebbende keerde weder naar Lissabon en kwam a„o 1502. voor de tweedemaal, van den koning Emanuel tot Don:verheeven, met 20. scheepen op de Mallabaar, en de„ „wijl de s=t thomas Christenen berigten had„ „den gekreegen dat Hij deze landen onder de Heirschappij van een Christen vorst zoude brengen, zouden hunne afgezanten aan Hem met verzoek om in zijn kragtdadige be„ scherminge te mogen worden aangenomen scho ten eijnde hier door van de quellingen der Heijdense vorsten berreid te zijn, dewijl zij Schoon

NL-HaNA_1.04.02_10312_0505 view scan ↗

English

yet have never remained free from afflictions, although faring better under the Cochin king than under others, they were nonetheless not entirely free from unpleasant treatment. These emissaries gave to the Admiral, as a token of their voluntary submission, a red staff whose ends or tips were mounted with gold and equipped at the top of one of them with three golden bells, this being among those peoples a sceptre and a sign of royal dignity. Don Vasco da Gama promised to grant their request, but the course of events did not permit their wishes to be fulfilled, so they have never been able to entirely cast off the yoke of the heathen kings, although the heathen kings have since become more accommodating regarding religious matters than before, and have scarcely interfered with the civil affairs of these Christians, even leaving their jurisdiction over them to the Bishops. Arrival of four Syrian Bishops on Malabar. Yet after the year 1508, four Syrian Bishops came to this Coast, namely Mar Mardina, Jena Alleij, Mar Jacob, and Mar Thomas. Persecution by the Portuguese against the Syrians, of whom two made known to their Patriarch the arrival of the Portuguese on Malabar. Furthermore, it is also recorded that two Bishops named Thomas Jaballaha and Jacobus Denha made known to their Patriarch in a letter in the year 1504 the arrival of the Portuguese in these lands. Possibly these are the last two of the aforementioned four Bishops, who bear the names of Mar Jakob and Mar Thomas; at least these Mar Jakob and Mar Thomas governed the churches for many years and died here in good old age. Introduction of the Roman manner among the St. Thomas Christians. After these, another Bishop named Mar Abraham arrived around the year 1550. Meanwhile, the Portuguese, seeking by all ways and means to introduce the Roman faith, issued an order that henceforth no Syrian Bishops or Priests might come to Malabar, posted guards everywhere to that end, and seized and killed those whom they caught. In the year 1558, an Archbishop named Mar Joze was present here as Head of the St. Thomas Christians. He, in order to gain the favor of the Portuguese, introduced among the St. Thomas Christians the Roman manner regarding the celebration of the Mass, but this courtesy was used by him only to restore the Syrians who had gone over to the Romans back to their old faith. The Bishop does so to bring back the apostate Syrians, and is seized by the Portuguese and sent to Goa. The Portuguese, discovering this, summoned him to a public defense of religion with the Roman clergy, for which purpose he appeared in the city of Cochin, but was seized by the Portuguese and sent first to Goa and subsequently to Lisbon. Zeal of the Roman priests to bring the Syrians under the Pope. A Syrian bishop was persuaded thereby, but did not want to alter the ecclesiastical ceremonies. Meanwhile, the Roman Priests and Portuguese present here continually made every effort to unite the Syrian Christians with them and bring them under the obedience of the Pope, to which the Syrians could never be persuaded, until finally the Portuguese managed to persuade the aforementioned Syrian Bishop Mar Abraham to travel via Portugal to Rome and take the oath of fealty to the King in temporal matters and to the Pope in spiritual matters, but under the condition that the Syrians should be allowed to retain their old church customs, which the Pope granted him. Whereupon this Mar Abraham also returned here in such manner, yet never would tolerate that any alteration be made regarding the church ceremonies customary among them, notwithstanding that the Romans made several and forceful attempts to that end. How the Portuguese have agitated since and brought the Syrians under them, except for some who have remained steadfast. After the death of this Mar Abraham, occurring anno 1599, the Archdeacon Jorge remained their Head for lack of a Bishop, but he could not agree with the Portuguese and refused them all obedience, until finally Dom Frei Aleixo de Menezes, Archbishop and Primate of India, and on account of the passing of the Viceroy also the supreme temporal authority in India, arrived here from Goa. Who, through his great stature, supported by the Jesuit Ross, a capable theologian and linguist, and further through gifts and presents, managed to settle the disputes for a time and entirely brought the Archdeacon Jorge with his Christians back under Roman obedience, except for one church of Tiruvancotta near Cape Comorin, currently still belonging to a sort of St. Thomas Christians called Taridajiken mara, which did not fall away, while the five parishes to the north, under

Dutch transcription

251 dog zijn nooijt van kwellin„ heepen „gen bevrijd gebleeven. schoppen op de mallabaar. schoon onder den Cochimsen koning het wel beter als bij andere hebbende, egter niet ten eenemaal van onaangenaame behande„ „lingen bevrijd waaren: deze zendelingen gaven aan den Admiraal, tot een bewijs van Hunne vrijwillige onderwerping, een rood stokje welks toppen of eijndens met goud beslagen en boven een derzelve, met drie Goudene schelletjes voorzien was, zijnde dit bij die volkeren een scepter, en een teken van koninglijke waardigheijd. Don vakco de Gama beloofde Mun ver„ „zoek toetestaan, maar de loop der zaaken heeft niet gedoogd, dat Hunne wenschen vervuld wierden, dus hebben ze 't Jok der Heijdense koningen nooit, ten eenemaal kunnen afwerpen, hoe wel de Heijdense koningen omtrent Religie zaken, 't ze„ „derd inschikkelijker als bevoorens zijn ge„ „worden, en zig naauwelijks ook met de burgerlijke zaken dezer Christenen bemoeid, maar zelfs Hunne regtsgebied over dezelve aan de Bisschoppen overgelaten hebben. komste van 4. Sipriaanse Bis, Dog na 't Jaar 1508. kwaamen op deze Cust vier sijziaanse Bisschoppen met name Mar Mardina, Jena Alleij, Mar Jacob en Mar Thomas. Buijten o n waar van twee aan hunnen Ca„ „tuguesen op Mallabaar hebben vervolging der portugeesen te„ gens de Sijriaanen invoering der Roomse ma„ Buijten des, zo vind men nog aangete„ kend dat twee Bisscheppen gen„t Thomas saballaha en Jacobus Denha in 't Jaar 1504. aan Hunnen Patriarch, bij een briev triarchen de komste der por„ de komst der Portugeeken in deze landen bekend maaken: mogelijk zijn dit de twee laatste der vooren gemelde vier Bisschoppen die daar de naam van Mar Jakob en Mar Thomas dragen, ten minsten deze Mar Jakob en Mar Thomas hebben lan„ „ge Jaaren, de kerken bestierd en zijn al, hier in goeden ouderdom overleeden. Na deze quam omtrent 't Jaar 1550. een andese Bessch op gen„t Mar Abpbham. De Portugeezen intusschen door alle wee„ „gen en middelen 't Roomse geloof zoeken, „de intevoeren, lieten een gebod uijtgaan, dat voortaan geene Sijriaanse Bisschoppen ofte Priesters op Mallabaar mogten komen, stel„ „den ten dien eijnde over al wagten en dee„ „den de geene, dieze in handen kreegen op„ vatten en dooden. Jn 't jaar 1558. bevond, zig hier als Hoofd der S„t Thomas Christenen een Hardsbisschop nier onder de S„t Thomas Chris gen=t Mar Joze, deze om de gunst der Por„ „tugeezen, te winnen, voerde onder de S=t Thomas Christenen de Roomse manier om„ trent 't bedienen van de Misse, dog deze beleefdheijd wierd bij hem maar gebruijkt om „bedeeld! tenen. 253 de Bisschop dord zulk om de afgevalle sijrianen weder trug te brengen en werd door de gesonden. „lijt der roomse priesters, om de Sijrianen onder den paus te brengen. En Sijpiaanse bisschop is daar de overgehaald dog de kerke„ lijke plegtigheden heeft hij niet willen veranderen. om de sijriaanen, die tot de Rooms over„ „gegaan waaren, weder tot Hun oud geloof over tebrengen. De Portugeezen hier agter komende, riepen Item tot een openbaare verdediginge over portugesen opgevat en nogoa den Godsdienst met de Roomse geestelijken waar toe hij binnen de stad Cochim verscheen, maar wierd door de Portugee„ ken opgepakt, eerst naar Goa en vervol„ gens naar Lissabon gezonden. De hier zijnde Roomse Priesters en Portu„ geezen wendeden, intusschen bij Continu„ atie alle moeite aan, om de Sijriaanse Christenen met sen te vereenigen; en on„ „der de gehoorzaamheid van den Paus te brengen, waar toe de sijriaanen, nimmer te beweegen waaren, tot dat eijndelijk de Portugeezen, den hier vooren gemelde sij„ riaanschen Bisschop Mar Abraham heb„ „ben weeten overtehaalen, om over Portugal naar Romen te reijzen en den Eed van getrouwheid aan den koning in 't wereld„ lijke en aan den Paus in 't geestelijke te doen, dog onder voorwaarde, dat de sijri„ „aanen Hunne oude kerk gebaaren zoude mogen behouden, het geen de Paus Hem toestand, gelijk deze Mar Abraham dan ook am wee¬ „ „ Hoedanig de portugeesen sedert nog gewoelt en de sijniaanen on„ der hen gebragt hebben. uijtgezondert eenige die stand„ vastig zijn gebleeven. ook zodanig hier terug gekomen is, dog nooijt heeft willen dulden, dat 'er omtrend de kerkpleg„ „tigheeden onder hen gebruijkelijk eenige verande„ „ringe gemaakt wierd, niet tegenstaande de Room„ „se daar toe verscheijde en kragtige Centament ge„ „daan hebben Na dat dood van dezen Mar Abraham, voor„ gevallen anno 1599, is de Hardsdiacen sorge bij gebrek van een Bisschop, Hun Hoofd gebleeven, dog de ze kon zig met de Portugeezen niet ver„ „dragen, en weijgerde hem ook alle gehoorzaam„ heid tot dat eijndelijk Don Jre Kleixo de Me„ neses Hardsbisschop en Primaat van Jndie, en mits 't overlijden van den onder koning opperste ook van 't wereldlijke in Jndie van Gba„ hier quam, die door zijn Groote aanzien, onder„ „steund door den Jesuit Ross, een bekwame Che„ „oloog en Jaalkundige, voorts door giften en Ge„ „schenken, de geschillen voor een tijd heeft weeten bij teleggen den Aards Diacon sorge met zijne Christenen, ten eenemaal wederom gebragt heeft, onder de Roomse gehoorzaamheid, uijtge„ „zondert eene kerk van Jiroewankotta bij de Caab Comorijn tans nog toebehoorende aan een soort van S=t Thomas Christenen gen=t Jaridaijken mara, dewelke niet afgevallen waar e is, terwijl de 5. Parochien, om de Noord, ona der

NL-HaNA_1.04.02_10312_0509 view scan ↗

English

Killing of a Syrian bishop by the Portuguese in A:o 1644, whereby the Syrians rid themselves of Roman obedience. with whatever expressions they may have acknowledged it. belonging under the Samorin, at that time had also fallen away, but quickly returned thereafter. And from the 18th Canon, 13th Session of the church assembly which this Dom Meneses held at Odiamper (of which the acts have come to be printed), it appears that George rejected the faith of Nestorius, as well as the Patriarch of Mosul pro forma, and found himself compelled to come to acknowledge the hierarchy of the Pope. Thus the Syrian Christians were at first united with the Roman church until the year 1644, when the Portuguese, having understood that a Syrian bishop was to arrive on a Moorish ship on the Coromandel coast, sent out ships to cruise for him; having gotten the said bishop, named Attala (others call him Mar Motti), into their power, they threw him into the sea here in the roadstead with a stone tied around his neck, which atrocious deed stands branded as with a black coal in the memoirs of the Syrians. As soon as the Syrian Christians heard this, they held a meeting at Mattancherry, Arrival of two Syrian bishops from Antioch in A:o 1656. The Christians under the Portuguese paid tributes to the Cochin King. When the Company took Cochin, Mar Thome was the supreme shepherd of the Syrians. about a quarter of an hour outside this city, and bound themselves to one another by an oath that they would never again obey the Roman Bishop or the Portuguese, electing at the same time as their Bishop the Archdeacon Mar Thome Ganpho, who however had not sufficient capacity to maintain unity among his flock, so that many of them, after the lapse of some years, submitted themselves again to Portuguese obedience, until the year 1656, when two Bishops came here from Antioch named Mar Basilius and Mar Johannes, who were received with joy by these Christians, and upon which many of these Christians abandoned the Roman see and subjected themselves to the Patriarch of Antioch. It is remarkable, nevertheless, that these Christians, even at that time when they were under the obedience of the Portuguese, still paid tribute to the king of Cochin. However, the above-mentioned Mar Thome was a native Malabar and supreme Shepherd of the Syrian Christians when Admiral Rijkloff van Goens captured the city of Cochin and the other fortresses The Portuguese bishop attracted many Syrians through gifts and caused the rulers to torment the Syrians. Election of an Alexander de Campo as Syrian bishop. However, because of his advanced age, his nephew was appointed in his place. But the greatest part of the Syrians remained adhering to Bishop Mar Thome. fortresses on this Coast. After the above-mentioned atrocious deed was committed, the Portuguese Bishop went to Cranganore and wrote secret letters to the Syrian Christians, and also sent them gifts, at which many gaped, so that several defected. Meanwhile, the Portuguese filled the hands of those rulers in whose lands the Syrian Christians lived, merely to cause them all evil, grief, and torment, so that they were divided among one another, and a part of them remained loyal to the Roman see and elected a Priest named Alexander de Campo, a nephew of the aforementioned Mar Thome de Campo, as their Bishop. This Bishop resided mostly in the lands situated closest to the beaches; however, he also had some inland churches that obeyed him. However, on account of his advanced age, his nephew Mattias de Campo was appointed as Bishop in his place in the year 1676, he remaining, as long as the old Bishop lived, his Coadjutor and assistant. The other, and indeed the largest part, remained faithfully adhering to their Bishop Mar Thome de Campo (also being a nephew of Alexander Campo); he resided in the mountains and Arrival of a Jacobite bishop from Antioch in 1665. Capture of a Syrian bishop by the Jesuits and Carmelites. Arrival at Cochin of the Syrian bishop Mar Gabriel. Dispute between two Syrian bishops. also had many churches in the lowlands under him. Anno 1665, a Jacobite Bishop named Mar Gregorius came here from Antioch. At the beginning of the year 1700, the Patriarch of Antioch sent a Bishop to Malabar named Mar Simon; he had given notice by letters of his impending arrival to the Syrian Christians here, but the letters having accidentally fallen into the hands of the Jesuits and Carmelites, they stationed guards everywhere and, having gotten him into their hands, transported him as a prisoner to Pondicherry, where he was clapped in irons. After this, in the year 1705, the Bishop Mar Gabriel came here from Baghdad; after having suffered very much grief here on Malabar from Mar Thome, he died in the year 1730. In the time of this Bishop Mar Gabriel, there was also another Bishop here named Mar Thome, a native Malabar; these two prelates

Dutch transcription

255 met hoedgjniege uijtdrukkin„ hebben erkent. ombrenging van een Sijriaan„ de bisschop, door de portugiesen in A„o 1644. waar door de Sijrianen zig van de roomse gehoorsaamheid heb„ on„ben ontdaan. „der het sammorijnse behoorende, te dier tijd ook wel meede afgevallen, dog schielijk daar na weder te rug gekeerd zijn. En uijt de 18. Can: 13. ses: van de kerk ver„ gen de afgevallende roomse stoel gadering die deze de Meneses te odiamper gehouden heeft (waar van de acte te komen gedrukt zijn:/ blijkt, dat sorge het geloof„ van Testorius, mitsgaders den Patriareh van Mosul pro forma verworpen, en zig genoodzaakt vond, de Hierarchie van den saus, te komen te erkennen. Dus waaren de sijrische Christenen voor eerst met de Roomsche kerk vereenigt tot het Jaar 1644. wanneer de Portugeesen ver„ „staan hebbende, dat er een Sijriaanse Bis„ schop met een Moors schip op Cormandel stond te komen, scheepen uijt zonden, om daar op te kruijssen, die gedagten Bisschop genaamd Attala /andere noemen Hem Mar Motti (in hunne magt gekreegen heeft hier op de Rheede, met een steen aan den Hals gebonden, in zee geworpen hebben, welke gruweldaad bij de gedenkschriften der Sijriaa„ „nen, als met een zwarte kool gebrandmerkt staat. zo dra de Sijriaanse Christenen, dit hoorden hielden zij eene vergadering te Mattancherij omtrent oij „ en komste van twee sijriaansa bisschoppen van Antiochien in A„o 1605: „de Phristenen onder de portu„ geesen staande hebben schattingen aan den Cochimsen koning betaald„ Joen deComp: Cochim inneem was Mar thome opperharder der Sijridanen omtrent een quartier uur buijten dese stad, en verbonden zig onder elkander met eenen Eed, dat zij nooijt meer de roomse Bisschop of Portugeezen zouden, gehoorzamen verkiezende met een tot kunnen Bis„ „schop, den Aardsdiacon Mar Jhome ganpho die egter geene genoegzame bequaamheid had, om de eenigheid onder zijne kudde te bewaaren, alzo veele van dezelve na ver„ loop van eenige Jaaren, zig weder onder de Portugeeze gehoorzaamheid begaven, tot het Jaar 1656. wanneer hier van Anthochien twee Bisschoppen kwamen met namen, Mar Ba„ „silius en Mar Johannes, dewelke met blijd„ „schap van deze Christenen ontfangen wierden, en waar op veele dezer Christenen den Room„ „sen stoel verlieten, en zig den Patriarch van Antiochien onderwierpen. Aanmerkelijk is 't, nogtans, dat deze Chris„ tenen, zelfs te dier tijd, toen zij onder de ge„ hoorzaamheid der Portugeezen stonden, eg„ ter schattinge aan den koning van Cochim hebben betaald. Dog boven gem: Mar thome, was een geboore Mallabaar en opperste Herder der Siriaanse Christenen, toen de Admiraal Rijkloff van Goens de stad Cochim en de verdere sterktens Siria 257 de portugiese bisschop haalden en maakt dat de vorsten de sijrianen kwelden. verkiesing van eene Alexan„ bisschop dog om zijn hoogen ouderdom aangestelt. maar het grootste deel der sij„ rianen bleev een en bisschop Har Jhome aankleeven. sterktens op deze Cust vermeesterde. Na dat de hier boven genoemde Gruweldaad gepleegt door geschenken vele sipianen was, ging de Portugeese Bisschop naar Cranganoor en schreef bedektelijk brieven aan de Sijriaanse Chris„ „tenen, ook zond Hij hun geschinken, waar aan veele zig vergaapten, zo dat er verscheijde overliepen De Portugeezen vulden intussen de handen dier vorsten in wier landen de Sijriaanse Christenen woonden, om hun maar alle quaad verdriet en quellinge aantedoen, zo datze onder elkander verdeelt wier„ „den, en een deel van Hen den Roomsen stoel toege„ der de Gampho tot Sijriaanse daan bleef en een Priester genaamt. Alexander de Gampho, een neef van voorschreeven Mar Thome de Gampho tot haar Bisschop verkoos Deeze Bisschop hield zig meest op in de naast aan de stranden gelegene landen, egter had Hij binnen 'slands ook nog eenige kerken die Hem gehoorzaamden Dog om desselfs Hoogen ouderdom wierd in is desselfs neef in zijn plaats het Jaar 1676. in zijn plaats tot Bisschop aange„ steld zijn neef Mattias de Ganpho, blijvende Hij zo lange de oude Bisschop leefde zijn Coadju„ „ter om meede helper. Het ander, en wel 't grootste gedeelte bleef Hun„ nen Bisschop Mar Jhome de Ganpho (zijnde ook een neef van Alexander Ganpho /:getrouw aankleeven, deze hield zig op in 't gebergte en had zig en h0 te het ris„ komste van een Jacobitise in bisschop van Antiochien gevangen neeming van een Sijriaansen bisschop door de Jesuiten en Carmeliten komste op Cochim van den Sijriaansen bisschop MarGa„ briel. verschil tussen, 2. sijriaan„ se bischoppen had ook veele kerken on de beneden landen on„ der zig Anno 1665. is hier van Antiochien een Jacobitische Besschop gekomen genaamt Mar Gregonius. Met het begin van 't Jaar 1700. heeft de Patri„ „arch van Antiochien een Bisschop na de Malla„ baar gezonden genaamt Marsimon deeze had door brieven van zijn aanstaande komst kennisse gegeven aan de alhier zijnde Sijriaanse Christe„ nen, dog de brieven bij ongeluk vervallen zijnde in de handen der Jesuiten en Carmeliten hebben deze over al wagten gesteld en Item in handen gekreegen hebbende gevankelijk naar Pondi„ cherij vervoerd, alwaar hij in de ijzers ge„ klonken is. Na dezen quam hier in 't Jaar 1705. de Bis„ schop Mar Gabriel van Bagdad hij is hier op de Mallabaar na zeer veel verdriet van Mar Thome geleden te hebben gestorven in 't Jaar 1730. Jen tijde van dezen Bisschop Mar Gabriel was hier ook een ander Bisschop genaamt Mar Thome een geboore Mallabaar, deze twee Rela„ ten

NL-HaNA_1.04.02_10312_0513 view scan ↗

English

Arrival of three bishops in the year 1751. who lived prior to the arrival of the Syrian bishop Mar Thome, lived in constant schisms and dispute with each other, for the former was a Nestorian and the latter a Eutychian. In the year 1735 the aforementioned Mar Thome passed away, and was succeeded by his nephew Mar Thome. At the request of the latter, along with that of the Syrian congregation, the Patriarch of Antioch sent the three bishops, Mar Basilius, Mar Gregorius, and Mar Johannes, to the Malabar in the year 1751. When they first arrived at Bassora in Persia, they were kindly received by the servants of our Company there, and subsequently brought over hither on one of the Company's ships. During their stay in this city, suitable accommodation was arranged for them by the Lord Commander, and all politeness was shown. Also, the arrival of these bishops was made known to Mar Thome, with a recommendation to come hither, but Mar Thome, denouncing the arrived bishops to the Syrian congregation as heretics, would not appear despite the three letters sent from time to time, although many Syrian priests and Christians came to pay their respects to him. Whereupon the Commander wished to have him brought by force, but he, gaining knowledge of this, took flight to the inland without anyone being able to apprehend him. Upon this, the congregation of Candanatti came into the city, kindly received the bishops, fetched them, and escorted them to Candanatti, being a village belonging to the King of Travancore, situated about 5 hours south of Cochin, where the Syrian bishops have always kept their residence. And although there were still some other congregations that recognized these bishops as lawful, they were nevertheless incited and encouraged by Mar Thome not to submit to them. But later, through the agency of the King of Travancore, the congregations were reconciled. In the year 1753, on the occasion when the King of Travancore and the then Lord Commander met each other at Mavelicarre, being a village belonging to the King of Travancore 20 hours south of Cochin, he presented the bishops then present to the King and recommended them to his protection, whereupon his said Highness ordered Mar Thome and his adherents to recognize those bishops and to live in mutual friendship with one another; which Mar Thome also complied with for some time. But when he saw that the bishops were zealously engaged in purifying the church of many Roman ceremonies and heathen superstitions, as well as of many unworthy teachers and members who, through lack of proper instruction in the doctrine and through the decay of the practice of discipline, had crept into it from time to time, but especially when he saw that they opposed him in the ordination of incompetent youths to the priesthood and in the distribution of ecclesiastical offices to unworthy persons, he restrained himself somewhat for some time out of respect for the King and the Company. But after the death of the late King of Travancore, which occurred in the year 1758, having gained to his side by gifts the first favorite of the new King and other Regidores, Mar Thome, by underhanded tricks, not only stirred up dispute and discord between the bishops and their congregations, but also in the year 1760 managed to obtain the dignity of bishop for his nephew, an inexperienced youth, to be his heir and successor after his death. The Archbishop Mar Basilius, along with the two suffragan bishops, being very grieved and displeased about this, the former went to take up his residence in a house at Mattancherij, just outside this city, where he died after the lapse of three years, in the year 1763. His successor Mar Gregorius, no longer wishing to have the administration over the church due to old age and illness, went to live at Mulanthuruthy above Candanatti and died there also in the year 1773. In the year 1765 Mar Thome finally also died, and his nephew Mar Thome succeeded him in the bishopric, but also always lived in discord with the Bishop Mar Johannes; but finally, through my intervention and at my continuous admonitions, they were reconciled with each other in the year 1773. At present they have two bishops, Mar Johannes and Mar Thome. The first is white and a venerable grey-haired man with a long beard, being dressed in almost the same manner.

Dutch transcription

259 komste van drie bisschoppen in A„o 1751. die door de hier zynde Sijriaan„ sche bisschop Har thonie voor „ten leefden, in een geduurige scheuringen en twist met elkander, want de eerste was een Nestoriaan en de tweede een Eutijchiaan Jn den Jaare 1735. is te vooren genoemde Mar home overleeden, en opgevolgt door desselfs neef Mar Thome op verzoek van deze, nevens dat der sijriaanse gemeente, heeft de Patriarch van Antiochien de drie Bisschoppen, Mar Basilius Mar Gregorius en Mar Johannes, in 't Jaar 1751. naar de Malla„ „baar gezonden. zij eerst op Bassora in persien aankomende wierden door de bediendens van onze Comp: aldaar vriendelijk ontfangen, en vervolgens met een van 's komp:s scheepen herwaards over„ gebragt geduurende hun verblijf in deze stad wierd Hen door den Heer kommandeur eene bequame huisvesting bezorgd, en alle beleefdheijd betoond ook wierd aan Mar Jhome de komst van deze Bisscheppen bekend gemaakt, met re„ kelters wierden uitgekreeten commandatie om herwaards te komen, dog Mar Thome de aangekomene Bisschoppen bij de sijriaanse gemeente voor ketters uijtmaakende wilde on„ sche s was Maar door de gemeentens zijn naderhand door toedoen koor gereconblieerd. wilde op de drie van tijd tot tijd afgezondene brieven niet verschijnen hoe wel veele sijriaanse priesters en Christenen Hunne eerbied bij Hem quamen afleg„ „gen, waar op de kommandeur Hem met gewild wilde laten haalen, dog Hij hier van kennis krij„ gende, nam de vlugt naar de binnen landen zon„ „der dat men Hem kon magtig worden. Hier op quam de gemeente van Candanat„ genegentlijk aangenomen, tij in de stad, die de Bisschoppen afhaalde en na Candanattij begeleijden, zijnde een Dorp dat den koning van Jrwvankoor toebehoord, leggende om „trent 5. uuren bezuiden Cochim alwaar de sijn „aanse Bisscheppen altoos Hunne residentie ge„ houden hebben en schoon er nog eenige andere ge¬ „meentens waaren, die deze Bisschoppen voor wettig erkenden, zo wierden dezelve egter door Mar Jhome aangezet en gestijft om zig aan Mun niet te onderwerpen. Anno 1753. bij gelegentheijd de koning van van den koning van Jrevan „ revankoor en de toenmalige Heer Com„ mandeur elkander ontmoeten op Maveli carre zijnde een Dorp toebehoorende den koning van Trevankoor 20. uuren bezuijden Cochim heeft bij die Bisschoppen als toen daar tegenwoordig den koning voorgedragen en in desselfs bescherming aanbevoelen, waar op gemelde zijn Hoogheid Mar Thome en 261 dog een tijd daar na heeft, shar de vriendschap weder gebroken. en zijne aanhangelingen gelaste die Bis„ „scheppen te erkennen, en in onderlinge vriend„ „schap met elkander te leeven: gelijk Mar Thome dit ook eenigen tijd heeft nagekomen dog toen hij zag, dat de Bisschoppen ijve„ „rig beezig waaren, om de kerk te zuijveren van veele Roomse Ceremonien, en meij¬ thone door slinkse streeken „ dense bijgeloovigheeden, als meede van veele onwaardige leeraars en ledemaaten die door gebrek van behoorlijk onderwijs in de leere, en door verval van de oeffening der tugt, in dezelve van tijd tot tijd waa„ „ren ingesloopen, maar voor al toen Hij zag, dat zij hem tegen stonden in het ordenen van onbequame Jongelingen tot Priesters, en in het uijtdeelen van kerke„ „lijke ampten, aan onwaardige persoonen zo heeft hij uijt ontdag voor den koning en de Comp: eenigen tijd zig nog wel wat ingetoont, maar na de dood van den laat„ „sten Jrevancoorsen koning die in 't Jaar 1758. voorviel, door geschenken, den Eersten gunsteling van de nieuwen koning, en an„ „dere Ragiadoors op zijne zijde gekreegen hebbende, niet alleen 'twist en tweedragt tusschen de Bisschoppen en Hunne gemeen„ ten verwekt, maar ook in 't Jaar 1760 voor br en 2 dejaards- bisschop Marj Pasi„ rij komen woonen en aldaar ge„ dood van desselfs op volger mar Gregorius Het overlijden van Marthome „gen, met den bisschop mas so„ hannes. Hoedanigheid van de twee thans zijnde bisschoppen voor zijnen Neef, eenen onbedreevenen Jonge„ „ling, de waardigheijd van Bisschop weeten te verkrijgen, om na zijn dood zijn Erfgenaam en opvolger te zijn. De Aards-Bisschop Mar Basilius nevens de lius is daar over op Mattanche beijde onder bisschoppen hier over, zeer bedroeft en te onvreeden zijnde, ging de eerste zijn verblijf neemen in een huijs op Mattancherij, effen buijten dese stad, alwaar Hij na verloop van drie Jaaren anno 1763. overleedens is. zijn opvolger Mar Gregorius door onder„ „dom en ziekte 't bestier niet langer over de kerke willende hebben, is op Molendoertij boven Candanattij gaan woonen en aldaar in het Jaar 1773. ook overleeden. Anno 1765. is Mar Jhome, eijndelijk ook en verzoeping van deses opvof „ overleden, en zijn Neef Mar Jhoie Hem in 't Bisschopschap opgevolgt, dog heeft ook altoos in onmin met den Bisschop Mar Johan„ „nes geleeft, maar eijndelijk zijn zij door mijne tusschen komste, en op mijne geduurige ver„ „maningen in 't Jaar 1773. met elkanderen verzoend. Jegenwoordig hebben zij twee Bisschoppen Mar Johannes en Mar Thome; De eerste is blank en een Eerwaardige Grijsaard met een lange baard, zijnde gekleed, bij na op dezelve wijze storven.

NL-HaNA_1.04.02_10312_0517 view scan ↗

English

263 Dress of the Syrian Christians. Attire of the Syrian priests manner, like the ancient Jewish priests, having on the head a cap like a turban, appearing to be a pious, modest, and upright Christian. But the second, being a native Malabarese, seems to be a puffed-up man. These Christians dress in the same manner as all the other Malabarese, only with a cloth around the lower body and with a cloth over the head. Their priests, or Cassanaars, mostly wear white linen underdrawers, which are wide and hang down over the knees, and over these a loose coat of white linen, sometimes also made of another fabric, hanging down to the knees; on the head they mostly have a red, though the Maronites and others a black cap, not unlike a sugarloaf, being narrow where it fits the head and wider toward the top; around the neck they are adorned with a rosary of black corals, and in the hand they carry a painted, or rather a lacquered stick, though much longer than our walking sticks; further, they go barefoot, and their manners are unpolished, knowing little how one ought to live with people. The dwellings of the Syrians are separated from those of the other Malabarese. They follow the opinions of Nestorius and Eutyches. They differ therefore in the church services. The dwellings of these Christians are not mixed with those of other Malabarese, but they have separate villages in which they live among one another; they also seem to be very meticulous in preserving their genealogies; they will not mix or intermarry with the new Christians of low castes or lineages, most of them being of the Nayar castes or of the lineage of the nobles, which is why, just like the Nayars, they generally carry a saber in the hand as a sign of that dignity. The opinions of these Christians, or principally of their bishops and priests, are those of Nestorius and of Eutyches, for which reason the former are called Nestorians, and the latter Eutychians or Jacobites, also Monophysites, which two latter names are actually only synonyms; and one also has a third kind, namely the Maronites, though these have united themselves here with the Roman church, whereas the Maronites in the Eastern Christian churches in Asia Minor and Syria keep themselves separated from the Roman church, as well as the Nestorians and Eutychians there. 265 Indication of those differences. These conflicting opinions predominate alternately with the arrival of new bishops who are either Nestorians or Eutychians. The Jacobites, along with the Greek church, revere the saints, but not the Nestorians, who reject image worship and tolerate only a cross in their churches. In the Jacobite churches, besides the cross, one sees images painted on paper and engraved on metal plates; they celebrate the Mass in the Eastern manner with leavened bread and wine, or in the absence of wine, they use raisin water, or something else that in their opinion comes closest to wine; they communicate under both kinds, with this particularity, that they break the bread in a dish, pour the wine from the chalice onto it, and distribute this mixture to the congregation with a spoon. The Nestorians teach that in the Lord's Supper the body and blood are not received essentially but in figura, and that the substance of bread and wine remains unchanged, but the Jacobites seem to accept Transubstantiation. Likelihood there is to unite the Nestorians with the Protestants. They do not baptize their children until they are 40 days old, except in danger of death or other necessary cases; the baptismal water consists of cold and warm water with salt and consecrated oil. The Nestorians deny purgatory, but posit a third place, where the souls remain in an insensible state until the time of the resurrection, namely a paradise for the blessed, and the abyss for the unblessed. They further teach that the Holy Spirit proceeds from the Father alone, and maintain as little fellowship with the Romanists as the Jacobites do, by which latter they are called schismatics; they allow priests to marry, but not for a second time, and use the Syriac language and religious ceremonies in their churches. Their bishops, especially the Nestorian ones, generally show a particular respect for Protestant doctrines, and therefore it is conceivable that there would be more likelihood of uniting these Christians with the Protestant church than there has been of uniting them with the Roman church.

Dutch transcription

263 „kleeding der Sijriaanse Chris„ enen. ragt der Sipriaanse Priesters wijze, als de al oude Joodse Priesters hebbende op 't Hoofd een muts als een tulband, schij„ „nende, een vroom, zeedig en opregt Chris „ten te zijn. maar de tweede, zijnde een geboore Malla „baar schijnd een opgeblaasen Man te zijn. Deze Christenen gaan op dezelvde wijze als alle de andere Mallabaaren gekleed, al„ „leen met een kleedje om het beneden lijf en met een doek, boven 't Hoofd. Hunne Priesters of Cassenaars, dragen meest witte linne onderbroeken, die wijd zijn, en over de knijen nederhangen, en bo„ „ven deze een ruime rok van wit lijn„ „waat, zomtijds ook van een andere stoff gemaakt, tot aan de knijen nederhangen„ „de, op het Hoofd hebben zij meest een roode dog de Maronieten en anderen een zwarte muts niet ongelijk aan een zuijker brood zijnde daar ze op 't Hoofd sluijt, eng en naar boven breeder: om den hals zijn te verciert met een paternoster van zwar„ te Coraalen, en in de hand dragen zij een geschilderde of eijgentlijk een verlakte stok, dog veel langer dan onze wandel„ „stokken voorts gaan ze bloots voets, en Hun ommegang is onbeschaft, weetende weijnig hoe ge„ m de van ine afgesonderd van die der andere met mallabaaren. e zij volgen de gevoelens van „ 9 Testorius en Kulijches. tzen verschillen daarom in de kerkelijke diensten hoe men met menschen moet leeven. de wooningen der Sipriaanen zijn De wooningen dezer Christenen zijn niet die van andere Mallabaaren vermengd, maar zij hebben afgezonderde negerijen waar in zij onder elkanderen leeven; ook schijnen zij zeer naauwkeurig te zijn in 't bewaaren van hunne geslagtreekeningen zij zullen zig met de nieuwe Christenen van laage lasten of geslagten niet ver„ „mengen nog verhuwelijken, zijnde de mees„ „ten van Hen, van Nairos lasten of van 't geslagte der Edellieden, waarom zij ook even gelijk de Nairos doorgaans een sabel in de hand dragen, tot een teken van die waardigheijd De gevoelens, dezer Christenen of voorna„ „mentlijk hunner Bisschoppen en Priesters zijn die van Nestorius, en van Eutijches en waarom de eerste genoemd worden Festoriaanen, en de laatste Cuthijchianen of Jacobieten ook wel Monophijsieten welke twee laatste naamen eijgentlijk maar sijno„ „nijma zijn, en men heeft ook nog een derde zoort namentlijk de Maroniten, dog deze hebben zig hier met de Roomse kerk ver„ eenigt, daar egter de Maroniten in de oos„ „terse Christelijke kerken in klijn Asia en Sijrien 265 aanwijzinge van die verschil„ „len sijrien zig van de Roomse kerk afgezonderd houden, zo wel als de Nestoriaanen en Eutijchianen aldaar; Deze tegenstrijdige gevoelens predomineeren beurtelings met de aankomst van nieuwe Bisschoppen die of Hestoriaanen of Eutijchianen zijn; De Ja„ „cobieten vereeren met de Grieksche kerk „de Heijligen, maar niet de Nestorianen die den Beelden dienst verwerpen en al„ leen een kruijs in haare kerken dulden. Jn de Jacobitische kerken ziet men behal„ „ven het kruijs op papier geschilderde en op metaale platen gegraveerde beelden: zij Celebreeren de Misse op de oostersche wijze met gezuurd brood en wijn, of bij gebrek van wijn, gebruijkenze Rozijne water, of iets an„ „ders dat naar Hun gevoelen het naast bij den wijn komt, te Communiceeren onder beijde gedaantens, met deze bijzonderheijd dat zij het brood in een schootel breeken, den wijn uijt den kelk daar op gieten, en aan de gemeente met een lepel dit mengzel uijtdeelen: De Nestoriaanen leeren, dat in het A: Nagtmaal het Lighaam en bloed niet wezendlijk maar in figura genoten word, en dat de substantie van Brood en wijn, onverandert blijft, maar de Jacobieten schijnen apparentie, die en is de nestori„ anen met de protestanten te vereenigen. schijnen de Transsubstantiatie aanteneemen zij Doopen Hunne kinderen niet, voor dat ze 40. dagen oud zijn, ten zij in doods nood of andere noodzakelijke gevallen, het Doopwa„ ter bestaat uijt koud en warmwater met zout en gewijde die, De Nestorianen ontken„ „nen het vagevuur, maar stellen een derde plaats, waar de zielen in een ongevoelige staat tot den tijd der opstandige verblijven, nament„ „lijk een Paradijs voor de zalige, en de af„ „grond voor de onzalige: zij leeren verders, dat de H: Geest, alleen van den vader uijtgaat, en onderhouden zo weijnig als de Jdeobieters gemeenschap met de Roomsch gezinden, van welke laatste zij schifmatia, genoemd worden, te laten den Priesters het „sous ind Huwelijk toe, maar niet voor de tweede reijze, en gebruijken de sijrische taal, en Godsdienstelijke plegtigheeden in Haare kerken: Hunne Bisschoppen, voornamelijk de Nestoriaansche betoonen doorgaans een bij„ zondere agting voor de Protestantsche Leer„ „stellingen te hebben, en daarom is het te denken, dat 'er meer apperentie zoude zijn om deze Christenen met de Protestant„ sche kerk te vereenigen als 'er geweest is, om Hun met de Roomse kerk te vereeni geword „gen

NL-HaNA_1.04.02_10312_0521 view scan ↗

English

267 How many churches the Syrians still possess. to use in the Mass and the Catechism in the Malabar language, notwithstanding that the Roman clergy used every effort here to that end and left virtually nothing untried. Of so many churches that were formerly under the Syrian bishops, they now have no more than about fifty, about ten of which they hold in common with the Roman Catholics; the remainder, and especially the Maronite ones, have, as already stated, been united by the Roman missionaries with their church, which I repeat here in order to add the following particulars that are of some note, namely that although they accept the Roman doctrines in everything, the Pope has nevertheless permitted them to use the Chaldean or Syrian rite and language in their worship, and also that this rite, which was previously only written by hand, was printed in Rome in the year 1774 with Syrian characters for the use of these Malabar united congregations, under the following title: Ordo Chaldaicus Missae Beatorum Apostolorum juxta ritum Ecclesiae Malabaricae, and that a Catechism, written by the Carmelite Fathers in the Malabar language or rather in Samscrudonsch and approved by the Congregation de Propaganda Fide in Rome, was printed there in the year 1772 with Samscrudonsch letters, and is already used here to great advantage. Attempts have been made to unite the Syrians with the Protestants. Just now I remarked that there would be more likelihood of uniting the Syrian Christians with the Protestant church than with the Roman church, toward which the Romans have expended so much effort; at least, I considered it my duty to attempt such a thing, and to that end tried to have one or another Syrian priest come over to us, because these men, if they have the proper earnestness and the required ability, are better suited than other missionaries to proclaim the Gospel among the heathen, and at the same time to persuade their fellow believers, if not indeed many of the Romans, to come over to us, since, being native Malabars, they know the language, manners, and customs of the native, as well as the particularities of the heathen, better than anyone else, and can also manage much more easily and frugally in the countryside, so that the native is best won over through daily intercourse with his own nation and in his own language. And I have succeeded in finding such a person, who daily has himself instructed in our religion by our Minister with the help of an interpreter, in order afterwards to go into the country and make proselytes; which person, at least as he told me, is about to be followed by one or two others, who are only waiting to see how it turns out for him, and whether we make much of him. Furthermore, I refer in this matter to what I wrote about this to Batavia by separate letter of 5 January 1779. 269 A priest has been obtained who is being instructed to make proselytes in the country. With this I would have concluded the article on the St. Thomas Christians, had I not, after my inquiry was completed, accidentally learned that Mr. Lacroze, Librarian of His Prussian Majesty, has already reported several remarkable particulars concerning these Christians in a fine work entitled The History of Christianity in the Indies. The inquiry that Mr. Falck had made here concerning the Syrians, and the description of the same made by Mr. Lacroze. In the beginning of the year 1778, the Ordinary Councillor and Governor of Ceylon, Mr. Falck, sent me some questions regarding the St. Thomas Christians here, which I handed over to the Junior Merchant Cellarius, now Resident of Cranganore, a man of learning, reading, and a taste for the good sciences, together with the rough notes that I already had in store concerning these Christians at that time, and I assigned him a linguist in order to be able to further satisfy the purpose of Mr. Falck, with the recommendation to present whatever he might gather directly to Mr. Falck, so as to enter into correspondence with His Honour. Having done so, he obtained from the aforementioned Mr. Falck, some time thereafter, the aforesaid work of Lacroze to read, and this was the occasion by which I first gained knowledge of it. I do not understand the French language, but I had the brief contents thereof, in so far as it concerns the St. Thomas Christians, explained to me by the repeatedly mentioned Junior Merchant Cellarius, and thus saw that that learned writer in fact

Dutch transcription

267 „ loe veef skerken de sipianen nog besitten. :geworden zijn, is egter door den in de mes te gebruijken en Catechismus in de malla„ „gen niet tegenstaande de Roomse Geestelijk„ „heid, daar toe hier alles aangewend, en Genoeg „zaam niets onbeproefd gelaten heeft. Van zo veele kerken, die wel eer onder de sijrische Bisscheppen stonden, hebben zij thans niet meer als omtrend vijftig, waar van zij een tiental met de Roomse in gemeenschap be„ „zitten: de overige en voornamelijk de Maro„ „nitische, zijn gelijk reeds gezegd is, door de Roomse zendelingen met deze kerk veree„ „nigt, het geen ik hier repeteere, om de volgen„ „de bijzonderheeden, daar nevens bij tevoegen die nog al van eenige opmerkingen zijn, na„ „mentlijk dat schoon zij in alles de Roomse matile de maroniten schoon te rooms Leerstellingen aanneemen, de saus Hem „sous toegestaan de sijnische taal egter toegestaan heeft, de Caldeeuwsche of sij„ „rische ritus in taal in de Godsdienst te Ge„ bruijken zo meede dat deze ritus, die be„ „voorens, maar geschreeven was, in het Jaar 1774. te komen ten dienste van deze Mal„ „labaarsche vereenigde gemeentens, gedrukt is met sijrische karacters, onder den volgen„ de titul: „ ordo Chaildaicus missa Beato„ zijn paarse taal is te romen gedrukt „ rum apostolorum supta ritum ecclesia Mallabarica, en dat er ook een Catechis„ „mus door de Paters karmelieten, in de Mallabaarsche Jaal of eijgentlijk in het Samscrudonsch „ ƒ het 1 de men heeft getracht de Sijrianeu met de protestanten doen vereeni„ Samscrudonsch geschr: en bij de Congregatie de propacanda fide te Romen Goedgekeurt, al„ „daar in het Jaar 1772. met samscrudoni„ „sche letters gedrukt is, en reeds met veel nut alhier gebruijkt word. zo even merkte ik aan, dat 'er meer appa„ rentie zoude zijn, om de Sijriaanse Christe„ „nen met de Protestantse kerk te vereenigen als met de Roomse kerk, waar toe de Room„ „se zo veel moeite aangewind hebben; ten minsten ik hebbe het van mijn pligt geagt, zulx eens te beproeven, en ten dien eijnde getragt, de eenen of anderen Sijriaansen priester tot ons te doen overkomen, om dat dese menschen indien te den regten ernst, en de vereijschte bequaamheid hebben, be„ ter als andere Missionarissen geschikt zijn, om het Evangelium, onder de Heijde„ „nen te verkondigen, en teffens huun geloofs genooten, zo niet zelfs veele van de Room„ „se tot ons overtehaalen dewijl zij geboore Mallabaaren zijnde, de taal, Leden en ge„ „woontens van den Jnlander, benevens de bijzonderheeden der Heijdenen, beter als een ander kennen, en zig ook vrij gemakkelij„ „ker en zoberder ten platte landen behel„ „pen kunnen, zo dat den inlander door een „gen: 269 „n heeft een priester gekregen die eangeleerd word om in het land pro„ eliten te maken. een dagelijksen omgang met zijne eijgene Natie en in zijn eijgene taal, best overtehaa„ len is, en het heeft mij mogen gelukken, zo imand aantetreffen, die zig dagelijks door onzen Predikant met behulp van een tolk in onzen godsdienst laat, onder„ „wijzen, ten eijnde naderhand in 't land te gaan en proseliten te maaken, welke perzoon, ten minsten zo als Hij mij ge„ „zegt heeft, van nog een of twee andere staat gevolgt te worden, die maar eene„ „lijk wagten, om te zien hoe het met Hem afloopen zal, en of we veel werks van Hem maaken, voorts refereere ik mij ten dezen, aan het geen ik hier over na Batavia geschreeven hebbe bij aparte briev van den 5. Januarij 1779. — Hier meede zoude ik het articul der s=t Thomas Christenen beslooten hebben, indien ik na mijn gedaan onderzoek niet toe„ „vallig kennisse gekreegen had, dat de Heer Lacrose Bibliothecarus van zijne Pruissische Majesteijt in een fraaij werkje gen=t de Mistorie des Christendoms in Jndi„ „en, nopens deze Christenen reeds ver„ „scheijde merkwaardige bijzonderheeden gemeld heeft. De onderzoeking die de Heer Falok„ nopens de sirianen hier heeft laten beschrijving van de meer Lacro„ se dirwaegens gedaan. De Heer ordinaire Raad en Ceijlons Gouver„ neur Falck, zond mij in 't begin van 't Jaar 1778. eenige vragen toe, met betrekking tot de S=t Thomas Christenen alhier, die ik aan den onderkoopman Cellarius tans opper„ hoofd van Cranganoor Jan Than van taal, lectura in liefhebberij voor goede weetenschap„ „pen ter hand stelde benevens het ruwe dat ik te dier tijd nopens deze Christenen reeds in voorraad had, en ik voegde iem een taalkundig perzoon bij, om aan het oogmerk van den Heer Falck verder te kunnen voldoen, met recommandatie, om het geen Hij daar van mogt bij een brengen den Heer Falck zelfs aantebieden, ten eijnde daar door met zijn Ed: in Correspondentie te mogen komen, gelijk Hij dan ook gedaan hebbende, eenigen tijd daar, na van wel gem: Heer Falck voorsz: werkje van Lacrose ter lectura erlangde, en dit was de gele„ „gentheijd, dat ik daar eerst kennisse aan„ „kreeg: Jk versta de Franse taal niet, maar ik hebbe mij den korten inhoud van het zelve, voor zo verre de St. Thomas Chris„ „tenen aangaat door meerm: onderkoop„ „man Cellarius doen te verstaan geven, en dus gezien dat die geleerde schrijver in der doen. over

NL-HaNA_1.04.02_10312_0525 view scan ↗

English

almost agrees with the finding. and the antiquities that are found here. Yet some particulars are discovered here from nearby differently than having been too well stated. in fact, has recorded many things that I did not know were already known to the learned world, so that I would almost, in an unknowing manner, have given known things for new truths. I have nevertheless therefore not changed my collection, and still less rearranged it according to the model of that work, but rather left it as it is, and as the things, without having known the work of Mr. Lacrose, have been unearthed right here from the antiquities and traditions of the St. Thomas Christians themselves; therefore I found myself obliged to add this anecdote here; meanwhile it is enough for me that I, in addition, have shown the successive Bishops, and the state of the Christians, up to this present time, and thus further than Mr. Lacrose has been able to do. But because some passages have nevertheless occurred to me, concerning which the aforesaid gentleman is not well informed, and which one knows and can know better from nearby here, I have judged it necessary to note the following here by way of further elucidation. One has proofs that the Company the The Company only has authority over the Roman Catholics who live along the beaches. Mr. Lacrose has thought fit to accuse the Dutch Company as if it had not favored the Malabar Christians of the Eastern Church so much as was done with respect to the Roman Catholics, but the contrary can clearly be demonstrated by authentic documents preserved here at the secretariat. The Company has never had, nor could have, any authority over the St. Thomas Christians, who have always been subjects of the native princes, nor have the Portuguese themselves exercised any jurisdiction over them, although with the consent of the King of Cochin they made the utmost efforts to persuade these Christians to adopt the doctrines of Rome and to acknowledge the hierarchy of the Pope. The authority and protection of the Company over the Roman Christians extends mainly over those who live along the Cochin beaches, over the Topasses, Lascars, and fishermen, who were under Portuguese rule, and as such were taken over by the Dutch Company; meanwhile, not only after the conquest of Cochin was the revolt of the Eastern Christians against the usurpation of Rome favored, The Syrians the Company has greatly favored and they are exhorted for the best. And the Gentlemen Directors have ordered. Mr. Lacrose must not have been well informed concerning this matter. favored, but also opportunities were provided so that new Bishops from Syria could come here, who previously dared not venture except at the risk of their lives, and transport was granted to these Bishops on the Company's ships. The commanders of this coast, and the Ministers of the Reformed congregation, have not only maintained correspondence, and exhorted the St. Thomas Christians to maintain the rights of the Eastern Church with steadfastness against the Bishops of the Roman Catholics, but also showed much zeal to unite them with the Protestant Church. Also, the Gentlemen Directors of our Company have looked after the rights of these Christians and, among others, in the general patriarchal letter of 29 July 1710 and of 15 September 1730, recommended their interests to the Malabar Ministry. So that these circumstances will certainly not have been known to Mr. Lacrose, but it is to be thought that this learned man, if he had been able to gather the necessary information, would have conceded that one could not desire more from the Company, Since the arrival of the Dutch here the Syrians enjoy in what manner and in which lands the Roman Catholics make progress. Passing over of some circumstances that are irrelevant to the matter could desire more, and it certainly was not his opinion that one should bring the Eastern Christians under the jurisdiction of the Company by force of arms, nor have the St. Thomas Christians ever sought this, and it is certain that these Christians, at least since the arrival of the Dutch here, have not been disturbed in their religious freedom by the native princes, their lawful authorities. It is true that the Roman missionaries, mainly those sent from the Congregation de Propaganda Fide, have gained much ground, and have persuaded many so-called schismatics to their party, but this occurred by ways of persuasion and intrigues, and moreover within the territory of the native princes, in which the Company can exercise no authority. Several other circumstances, mainly regarding the civil privileges of the St. Thomas Christians, which Mr. Lacrose seems to have taken from Portuguese writers, and which upon closer investigation on the spot are not found to be completely accurate, I pass over in silence as trivialities that [illegible] to the essential [illegible] of [illegible].

Dutch transcription

271 komt bij na met de bevinding overeen. en de oudheeden die men hier bij vind. dog eenige bijsonderheeden ontdekt men hier van na bij anders als te wel opgegeven zijn. der daad, veele dingen te boek gesteld heeft, die ik niet wist, dat reeds bij de geleerde we„ reld bekend waren, zo dat ik haast onweeten„ „der wijze, bekende dingen voor nieuwe waar„ heeden zoude opgegeven hebben. Jk heb egter daarom mijne verkamelinge niet veran„ „derd en nog minder naar den leest van dat werk verschikt, maar liever gelaten zo als ze is, en zo als de dingen zonder wijt het werk van de Heer Lacrose gekend de S„t Thomas Christenenhans te hebben, hier ter plaats uijt de oudhee„ „den en overleeveringen der S=t Thomas Christenen zelvs opgedelven zijn; derhal„ „ven heb ik mij verpligt gevonden deze anneedote hier bijtevoegen, het is mij in„ „tusschen genoeg, dat ik boven dien de suc„ „cessive Bisschoppen, en den staat der Chris, „tenen, tot op dezen tegenswoordigen tijd toe, en dus verder aangeweezen hebbe, als de Heer Laerose heeft kunnen doen. Maar om dat mij egter eenigen perioden te vooren zijn gekomen, waar omtrent voorsz: meer niet wel onderrigt is, en die men Hier van na bij beeter weet en ook weeten kan zo heb ik nodig g'oordeeld het ondervolgende bij wijze van nade„ re elucidatie hier nog te noteeren. De men heeft bewijsen dat de Comp: de de Comp: heeft maar regt over de roomse Christenen die langs de stranden woonen. De Heer Laerose heeft vermeent, de Nederlandsche Comp: te moeten beschuldigen, als of dezelve de Mal„ „labaarse Christenen van de oosterse kerk zo zeer Sijrianen heer heeft begunstigt niet begunstigt had, als wel ten opzigte van de Roomsch gezinden geschied is, maar het tegendeel kan duijdelijk aangetoont worden door authen„ „ticque stukken, die hier ter secretarij berusten. De Maatschappij heeft nooit eenig gezag gehad nog kunnen hebben, over de S=t Thomas Christe„ „nen, die altoos onderdaanen van de lands vor„ sten geweest zijn, ook hebben de Portugeezen zelvs geen Regts gebied over dezelve geoessend, hoe wel zij met toestemming van den koning van Cochim de uijtterste poesingen gedaan hebben, deze Christenen overtehaalen, de leerstellin„ „gen van Romen aanteneemen, en de Mierarchie van den Paus te erkennen. Het gezag en de protectie van de Maat„ schappij over de Roomsche Christenen strekt zig voornamentlijk uijt „ over de Geene die langs de Cochimse stranden woonen, over de Joepassen, Lascorijns en vissers, die onder de Portugeeze Heer„ „schappij stonden, en zodanig door de Nederland„ „sche Maatschappij overgenoomen zijn, intus„ „schen heeft men niet alleen na de veroverin„ „ge van Cochim de Revolte der oosterse Chris„ „tenen tegens de usurpatie van Romen be„ „gunstigt 273 de Sijpriagnse heeft de Comp: veel begunstigt en zijn ten besten ver„ maand En de Heeren Bewindhebberen heb„ voolen. de heer raerose moet niet wel g'informeerd zijn geweest om trent deze zaak. „begunstigt, maar ook gelegentheijd besorgt dat 'er nieuwe Bisschoppen uijt sijrie hier konden komen, die zig bevoorens niet anders als met levensgevaar derfden wagen, aan deze Bisschoppen Transport met de scheepen der Maatschappij verleend. De Gebieders dezer kuste, en de Predikan„ len der Gereformeerde gemeente, hebben niet alleen Correspondentie gehouden, en de st Thomas Christenen vermaand, om de regten der oostersche kerk tegens de Bisschoppen van de Rooms gezinden met standvastigheijd te maintineeren maar ook veel ijver geloont om dezelve met de Protestantische kerk te vereenigen. Ook hebben de Heeren Bewindhebberen bn 't belang der Sijrianen aanbe, onzer Maatschappij de regten dezer Christe„ „nen behartigt en onder andere bij Patriasche generaa„ e 29. Julij 1710. en le missive van den 15. september 1730. der„ „zelver belangens aan het Mallabaarsche Ministerie gerecommandeert. zoo dat deze omstandigheeden den Heer Lacrose zekerlijk niet, zullen bekend ge„ „weest zijn, maar het is te denken, dat deze geleerde Man, indien Hij de nodige informa„ „lies had kunnen neemen toegestaan zoude hebben, dat men van de Maatschappij niet meer landers hier genieten de Sijrianen op wat wijze en in welke landen de roomogesinden progressen maken. digheeden die niets ter zaake doen meer verlangen, konde, en het is gewis zijne meening niet geweest; dat men de ooster„ „se Christenen met geweld van wapenen on„ „want sederd de komste der sil„ der de Jurisdictie van de Maatschappij zoude brengen, ook hebben de S=t Thomas Christenen hoodanig dit nooit gezogt, en het is zeeker, dat deze Christenen ten minsten zedert de komst der Nederlanders alhier van de landsvorsten hunne wettige overheeden, in hunne Gods„ dienstige vrijheid niet gestoort zijn. „tet is waar, dat de Roomse Missionaris„ „sen voornamelijk die van de Congregatie de propogande fide zijn gezonden, veel velds ge„ „wonnen, en veele zo genaamde schismatiken tot haar Parthij overgehaald hebben, maar dit is geschied door weegen van Persuasie en Jntriques, en boven dien in het gebied der Landvorsten, waar in de Maatschappij geen gezag oeffenen kan. Verscheijden andere omstandigheeden voorna„ overtaping van eenige omstan„melijk nopens de burgerlijke voorregten der S=t Thomas Christenen, die de Heer Lacrose uijt de Portugeeze schrijvers schijnt overge„ nomen te hebben, en die bij nader onderzoek in loco niet volkomen naauwkeurig bevon„ „den zijn gaa ik met stilkwijgen voor bij„ als kleinigheeden, die aan het weezentlijke koper zouden van rust.

NL-HaNA_1.04.02_10312_0529 view scan ↗

English

275 How matters stand with the copper plate that the Syrians were said to have had: Sketch of the Roman Christians. in no way harm the history of the Malabar St. Thomas Christians. Mr. La Croze also says that the Bishop Mar Jacob, in good faith, allegedly gave the copper leaves or tables upon which the supposed privilege of these Christians was written into the safekeeping of the Portuguese of that time here, who supposedly kept the same carelessly in a warehouse and lost it. From this appears what I have already stated here before, namely, that it is not improbable that the tradition of a patent for these Christians has become mixed up with the known patent upon which the privilege of the Jews here was granted, since these particulars—namely of the keeping of the copper patent in a warehouse—having been specially investigated by me here, were found actually to have taken place regarding the patent of the Jews, which will be mentioned hereafter under the article on the Jews, a particular which Mr. La Croze might also not have known. The second sort of Christians on this Coast are called Roman Christians, or also New Christians. Probability that Roman priests arrived here before the arrival of the Portuguese; also with the Portuguese Admiral Vasco da Gama. New Christians. I have also deemed it not unserviceable to make a reference concerning these Christians and their Bishops, as far as I have been able to trace here up to the present time, and therewith to note at the same time for information how one must deal with those ecclesiastics and keep a close eye on them. That before the arrival of the Portuguese in India some missionaries of the Roman church traversed these regions is not improbable; at least one finds it recorded that a Friar Jordanus, a Roman priest of the Preaching Order at Thana and Salsette, having preached with great zeal against the Mahometan doctrine, was supposedly killed there by the Moors, without the time of that event being specified, but that in the year 1320 there were in Persia four Franciscans named Friar Thomas de Tolentino, Friar Jacopo da Padova, Friar Demetrius, and Friar Pedro. Without doubt many Roman ecclesiastics will have arrived here with Admiral Vasco da Gama in the year 1498, and subsequently with the other Portuguese admirals and viceroys of Goa, 277 From the histories it also appears that since then many Roman priests have arrived here. Prohibition by the King of Cochin against becoming Roman revoked. Roman Inquisition on Malabar. Through the Synod of Diamper many Syrians were brought under the obedience of the Pope. Roman Bishops who were here on Malabar successively from the year 1680 to the year 1777. the more so as it is a well-known fact that almost no Portuguese ships of note put to sea, much less go on long voyages, without having ordained priests on board. At least from the history of the Portuguese it is known that in the latter part of the year 1500 some Franciscans came out with Admiral Pedro Alvarez Cabral, and that Father Roderic, a Dominican, in the year 1503 was already busy at Quilon converting heathens. Which, however, first made proper progress, both at Goa and here, after the Jesuit Franciscus Xavier, contemporary and one of the first disciples of Ignatius de Loyola, founder of the Jesuit Order, landed at Goa on the 6th of May anno 1542; which zealous missionary contributed very much to the propagation of the Roman religion, and after he had brought many to Christianity for 10 years on the Madura Coast and on the island of Ceylon, and had even converted many Japanese and Chinese, finally died a martyr's death in China in the year 1552. The King of Cochin, since the arrival of the Portuguese in these lands, forbade his subjects under very heavy penalties from embracing the Roman religion, but in the year 1560 that prohibition was revoked, and everyone was granted freedom to believe whatever he wished. Also in this same year 1560 a sort of Inquisition was introduced here, to keep in check the Jews who mocked the preaching of the Roman ecclesiastics. Concerning the intervening period of nearly 40 years, one finds nothing noteworthy recorded except that the famous Archbishop of Goa and Primate of India, Aleixo de Menezes, held the Synod of Diamper and brought the Syrian Christians for the greatest part, along with their Bishop, under the obedience of the Pope, as that passage has already been noted under the article on the St. Thomas Christians. This Aleixo de Menezes, after he had made many good arrangements regarding ecclesiastical affairs on this Coast, returned again to Goa in the same year. The Roman clergy who have usually been here, and still are, consists of Europeans and natives; among the former belong the Jesuits, the Franciscans, and the Carmelites; among the second can be placed the Topasses and native Malabars.

Dutch transcription

275 hoodanig het gestelt is met de kopere plaat die de Sijrianen zouden gehad hebben: schets van de Roomse Chris„ tenen. van de geschiedenis der Mallabaarsche S=t Thomas Christenen geenzints schaden Ook zegt de Heer Lacrose dat de Bisschop Mar Jacob de kopere blaaden of Taafelen, waar op de vermeende privilegie dezer Christenen geschreeven zijn, uijt een goed vertrouwen ter bewaaringe zoude gegeven hebben, aan de portugeezen van dien tijd alhier, die de„ „selve in een pakhuijs slordig bewaart, en te zoek gebragt zouden hebben: Hier uijt blijkt het geen ik hier vooren al gezegt hebbe namentlijk, hoe het niet onwaarschijnlijk zij, dat de overleeveringe van een patend voor deze Christenen, vermengd is met het bekende patend, waar op de privelegie der Jooden alhier verleend is, alzo dese bijzon„ derheeden namentlijk van het bewaaren van het kopere palend in een pakhuijs door mij hier speciaal onderzogt zijnde, bevonden is eijgentlijk plaats gehad te hebben, omtrend het palend der Joden, het welk hier na on„ „der het articuls der Jooden staat gemeld te worden, welke bijzonderheijd de Heer Laerose ook mogelijk niet zal geweeten 1 hebben. De tweede zoort van Christenen op dese Cust worden genoemd Roomse Christenen of ook wel Nieuwe waarschijnlijkheid dat voor se priesters hier zijn aangeko„ ook met den Portugeesen admi„ raal vasco de Gama. Nieuwe Christenen Jk heb het ook niet ondienstig geagt van deze Christenen, en van Hunne Bisschoppen voor às verre ik hier hebbe kunnen opspooren een aanhaalinge te doen tot op den tegenwoor„ „digen tijd, en daar bij teffens tot narigt te noteeren, hoedanig men met die geestelijken handelen en Hun op de vingeren letten moet. Dat voor de komste der Portugeezen in Jndi„ de komste der portugeesen room„ in eenige zendelingen van de Roomse kerk deze gewesten doorwandelt hebben, is niet onwaarschijnlijk, ten minsten men vind aan„ geteekend, dat eene Jre Jordan Roomse priester van de Fredik order te Jhanna en salset, met grooten ijver tegens de Mahome„ „taanse leere gepredikt hebbende door de Moo„ „ren aldaar om 't leeven gebragt zoude zijn. zonder dat de tijd van dat geval bepaald word, maar wel dat in 't Jaar 1320. in Per„ sien zouden geweest zijn, vier Francisca„ „ners gen=t Hre Thomas de Tolentino, Fre Jacomo de Padua, Fre Demetrino en Fre Pedro. zonder twijffel zullen alhier met den Ad„ „miraal vasco de Gama in het Jaar 1498. en vervolgens met de andere Portugeeze zeevoogden en onderkoningen van Goa veele men. ters 277 uijt de historien blijkt meede dat 't sedert veele roomse Fries„ ters hier zijn aangekomen. verboden weder toestemming van te worden. veele Roomse geestelijken zijn aangekomen, te meer het een bekende zaak is, dat 'er bij na geen Portugeeze scheepen van aanmerkin„ „ge in zee, veel min op verre reizen gaan, zonder geordende priesters aan boord te heb„ ben: ten minsten uijt de Historie der Portu„ „geezen is het bekend, dat 'er in 't laatst van N„o 1500 eenige Franciscanen met den Admi„ „raal Pedro Alvarez Cabral uijtgekomen en dat Pater Hhoterie een Dominicaan A=o 1503. al op Coilan beezig zouden geweest zijn om Heijdenen te bekeeren, het geen egter eerst zijn regten voortgang kreeg, zo te Goa als hier, na dat de Jezuit Franciscus za„ „rierius tijd genoot en een der eerste Discipels van Jgnatius de Losola grondlegger der Je„ „suitsche order / op den 6: Meij anno 1542. te Goa aangeland was, welke ijverige Missionaris zier veel toegebragt heeft, tot voortplanting van den Roomsen Godsdienst en na dat Hij 10. Jaaren lang op de Cust Madure en op het Eiland Ceilon veelen tot het Chris„ „tendom gebragt; ja zelfs veele Japanders en Chineezen bekeerd hadde, eijndelijk in Chi„ na Anno 1552. den martel dood gestorven is. De koning van Cochim verbood zederd de den koning van Cochim om roonskomst der portugeezen in deze landen, zijne onderdanen Roomse Inquisitie op malla„ door de sijnode van odiampher zijn veele sijpriaanen onder de gehorsaam„ heid van den Saus gebragt Roomse bisschoppen, die successi„ ve sedert a„o 1680. tot A„o 1777 hier op mallabaar zijn geweest. zijne onderdaanen op zeer zwaare straffen, den Roomsen Godsdienst aanteneemen, maar in't Jaar 1560. is dat verbod ingetrokken, en aan ijder vrij„ „heijd vergund te mogen geloven wat Hij wilde Ook is hier in dit zelvde Jaar 1566. een Zoort van Jnquisitie ingevoerd, om de Jooden die met ƒ de predikinge der Roomse Geestelijken den spot dreeven, in toom te houden. Omtrend de tusschen ruimte, van bij na 40. saa„ „ren, vind men niets merkwaardigs aangetee„ „kend als dat de beroemde Goase Aards=Bis„ „schop en Primaat van Jndie Alexius de Me„ „nezes, 't odiamperitaanse, sijnoode gehouden, en de Sijriaansche Christenen voor het grootste gedeelte, met Hunnen Bisschop onder de ge„ „hoorzaamheijd van den Paus gebragt heeft, gelijk die passagie reeds onder het articulder S=t Thomas Christen genoteerd is. Deze Alexius de Menezes, is na dat Hij veele goede schikkingen op deze Cust omtrend de kerkelijke zaaken gemaakt had, in 't zelfde Jaar naar Goa weder gekeerd. De Roomse Geestelijkheijd die hier doorgaans geweest is, en nog is, bestaat uijt Europeezen en Jnlanders, onder de eerste behoorende se„ „suiten de Franciscanen en de Carmeliten onder de tweede kunnen gebragt worden, de toepasse baar.

NL-HaNA_1.04.02_10312_0533 view scan ↗

English

279 Topass priests and the Cassanars or Malabar priests. Anno 1600, on the orders of Pope Clement VIII, the Jesuit Father Franciscus Rotz, a Spaniard by birth, was appointed bishop over the church of Angamaly, a village belonging to the king of Travancore situated 6 hours from Cochin, where formerly the seat of the archbishops had been. Anno 1609, according to a decision of Pope Paul V, the title of bishop of the church of Angamaly was exchanged for that of Archbishop of Cranganore, and Ao 1617 the said archbishop died. Anno 1617, the Jesuit Father Hieronymus Xavier, also a Spaniard, was chosen for the archbishopric of Cranganore, but died in the same year at Goa. Anno 1618, to take possession of and govern the Cranganore archdiocese, the Jesuit Father Stephanus de Britto, a born Portuguese, was appointed; he died Ao 1634. Ao 1636, his place was occupied by the Jesuit Father Franciscus Garcia Mendes; he died Ao 1659 at Cochin after a rule of almost 23 years. After his death, until the year 1701, no one Continuation. How many churches are subject to the Roman bishops. none of the Jesuits was elevated to this dignity. Meanwhile, the vicars apostolic as archbishops of Cranganore held dominion over the churches, of which further mention will be made below. Anno 1701, the Jesuit Father Johannes de Ribeiro, a Portuguese by birth, who had been here for many years previously as a missionary among the Christians, restored the dignity of Archbishop of Cranganore to the Jesuits. Anno 1721, in his place, the Jesuit Father Antonius Pimentel was elevated to Archbishop of Cranganore, and died Ao 1751. Anno 1752, he was succeeded by the Jesuit Father Johannes Kloisius, who died Ao 1755. Anno 1756, in his place was chosen the Jesuit Father Salvador a Regibus, a born Portuguese, who with great prudence governed the archdiocese of Cranganore until Ao 1777, and then died at an advanced age. This archdiocese has under it 36 Syrian churches, all of which acknowledge the Pope as their head, preserving their ancient church ceremonies; two of these 36 churches belong partially under the vicar apostolic two 281 Where the Jesuits have settled since they had to evacuate the Cochin territory. Two of that order are still in existence here. Who live very meagerly. or bishop at Varapoly, and 7 of these 36 stand halfway under the Syrian bishop, with the Syrian Cassanars performing their religious services in them as well. The Jesuits, who upon our arrival here had to evacuate these lands, have since not only returned, but have also obtained the government of the archdiocese, and settled outside the Company's territory, or rather at Ambazhakkad, a village three hours above Cranganore; indeed, they have spread themselves virtually all over Malabar again by establishing a seminary in the above-mentioned place Ambazhakkad. They taught the Malabar youth there in all sciences and languages for free, whereby virtually all native priests have been instilled with their sentiments. Now of this order here, as far as I am aware, there is no one left except the German Father Matthias Scherpenzeel, and the Father Rector, who, on account of the suppression of the Jesuit order, having slightly changed their clothing, now call themselves ex-Jesuits. Because these fathers have for some years not drawn their annual salary from the king of Portugal, and the money which they received from their confreres at Goa before their departure for Lisbon is now greatly diminished and probably exhausted, they must manage very meagerly, as they have only small revenues from their churches. Of the order of the Franciscans, as far as I know, there is around Cochin no longer any priest or bishop, since the two fathers of this order who, upon the capture of this city, obtained permission to remain in the city and perform service in the Great Church, not long thereafter abandoned their church and departed from here, so that the Company, as the nearest thereto, took possession of that church. Of the order of the Franciscans. There is around Cochin no longer any. Designation of the Carmelite clergy who were here from Ao 1660 to 1676. But as regards the Discalced Carmelites, these certainly were in this country already in Portuguese times; at least it is known that Pope Alexander VII, Anno 1660, sent to Malabar the Carmelite Father Josephus a Sta Maria to administer the Cranganore archdiocese as vicar apostolic under the title of Archbishop of Hierapolis, who after a stay of three years, because he

Dutch transcription

279 toepasse Priesters en de Cassenaars of Malla„ „baarse Priesters Anno 1600. is te dezer Custe op last van Paus Clement de 8ste de Jesuite Pater Fran„ „ciskus Rotz een spanjaard van geboorte, als Bisschop aangesteld over de kerk van Angecamaa„ le een Dorp toebehoorende den koning van Tre„ „vancoor 6. uuren van Cochim geleegen, alwaar wel eer de tetel is geweest der Hardsbisscheppen Anno 1609. is volgens besluijt van Paus Sau„ „lus de 5=de de titul van Bisschop der kerke van Angeramale verwisseld met die van Aards„ bisschop van Cranganoor en A„o 1617. is gem: Aardsbisschop gestorven. Anno 1617. is de Pater Jesuit Hieronimus favierre meede een spanjaard tot het Aards„ „bisschop-schap van Cranganoor verkooren dog in 't zelvde Jaar te Goa overleeden. Anno 1618. is om het Cranganoors Hardbis„ „dom in bezit te neemen en te regeeren, veror„ dent de Pater Jesuit Stephanus de Britto een gebooren portugees, deze is A„o 1634. overleden. A„o 1636. heeft zijn plaats bekleed den pater Je„ suit Franciscus Garzia Mendes, deze is na een bij na 23. jaarige regeering Ao 1659. te Cochim overleeden. Na de dood van dezen, is tot het Jaar 1701. niemand vervolg. - Hoe veel kerken onder de roomse bisschoppen staan niemgend der Jesuiten tot deze waardigheijd verheeven. Jntusschen hebben de vicarie Apostolice als tard Bisschoppen van Cranganoor het gebied over de kerken gehad, waar van hier onder nader staat gesprooken te worden; Anno 1701. heeft de alhier lange jaaren te vooren geweest zijnde pater Jesuit en Missia„ „naris onder de Christenen Johannes de Ri„ „beiro, een Portugees van geboorte, de waardig„ „heid van Aardsbisschop te Eranganoor weder„ om op de Jesuiten gebragt Anno 1721. is in desselfs plaats tot Aardsbis„ „schop van Cranganoor verheer en de Pater Je„ suit Antonius Simentel en gestorven A„o 1751, Anno 1752. is Hem opgevolgt de Pater Jesuit Johannes Kloisius en overleeden A„o 1755. Anno 1756. is in dezes plaats verkooren de Pater Jesuit Salvadoor a Regibus een geboo„ „re Portugees, die met groot beleijd, tot A:o 1777. het Aardsbisdom van Cranganoor geregeerd heeft en toen in hoogen ouderdom gestorven is. Dit Aardsbildom heeft onder zig 36. sijri„ „aansche kerken, die alle den Paus voor hun hoofd erkennen, behoudens Hunne oude kerk plegtigheeden, twee deser 36. kerken behooren, voor een gedeelte onder den vicarius Aposto„ licus twee 281 waarge, schuiten, zig, hebben neder geset, 't zedert zi 't Cochimse land hebben moeten ruijmen. twee van die order zijn hier nog maar in wesen. welke seer sober leven. „tieus of Bisschop te varapolij, en 7. van deze 36. staan voor de helft onder den Sijriaanschen Bisschop, verrigtende de Sijriaansche Casse„ „naars ook daar in Hunne Godsdienst. De Jesuiten welke met onse komst alhier, dese landen moesten ruimen, zijn 't zedert niet alleen te rug gekeerd, maar hebben ook de Regeeringe van 't Aardsbisdom verkree„ „gen, en zig buijten 's Comp=s gebied of eijgentlijk te Ambelecatte, een dorp drie uuren boven Cranganoor nedergezet, ja zig genoegsaam we„ „derom over geheel Mallabaar verspreijd, door het opregten van een seminarium in boven gem: plaats ambelecatte, zij onderweezen aldaar de Mallabaarse jengd, in alle wee„ „lenschappen en haalen voor niet, waar door dan genoegzaam alle Jnlandse Priesters Maaren gevoelens ingeboesemt zijn geworden men Jans heeft van deze order hier, zo veel mij bewust is, niemand meer dan den Duijt„ „sen Sater Malthias scherpenzeel, en den Pater Rector, dewelke mits de vernietiginge van de Jesuitse ordre, Hunne kleeder dragd een wijnig veranderd hebbende, zig nu exfesui„ „ten noemen. Door dat deze Paters zederd eenige jaaren Hun Jaarlijk Loon van den koning van Por„ „tuegal van de order der franciscanen Aanueijsing, der Carmelitse qus„ „telijken die 't zedert a„o 1660. tot 1676. hier zijn geweest. „tugal niet, hebben getrokken en het geld, dat zij, van Hunne mede broeders te Goa voor mun vertrek na Lissabon hebben ontfangen nu zeer gemindert en waarschijnlijk op is, zo moeten zij zig zeer zober behelpen, alzo zij van Hunne kerken maar geringe in„ „komsten hebben. van de order der Franciscanen is, zo veel is omstreeks Cochim geen meer ik weet hier omstreeks geen Priester of Bis„ „schop, alzo de twee paters van deze ordre die bij de overneeming van deese stad vrij„ „heijd verkreegen hadden, om in de stad, te mogen blijven en in de Groote kerk dienst, te doen, niet lange daar na Haare kerk verlaaten hebben en van hier vertrokken zijn, zo dat de Comp: als de naaste daar toe, die kerk in bezit genomen heeft. Maar wat belangd de ongeschoeide Carme„ lieten, deze zijn hier te lande zekerlijk, ook, al in de Portugeeze tijden geweest, ten minsten dit is bekend dat Paus Alexander de 7=de „Anno 1660. na de Mallabaar gezonden heeft de Pater Carmeliet Josephus a Sta Maria om als vicarius Apostolicus, het Cranga„ noors Aardsbisoom te bestieren, onder den ti„ „tul van Fardbisschop van Kieropolis, de„ welke na een verblijf van drie Jaaren, alzoo Hij

NL-HaNA_1.04.02_10312_0537 view scan ↗

English

283. In the year 1676 a Carmelite father arrives to appoint a Roman Coadjutor. he was not only hated and thwarted by the Portuguese, who preferred to see one of their own nation promoted to that dignity, but also by Mar Thome, and returned again to Europe, appointing in his place first, in the year 1663, a native priest named Alexander de Campo, as administrator of the Cranganore church and Apostolic Vicar under the title of Bishop of Megara; he died at a very advanced age in the year 1691. In the year 1676, 3 Carmelite fathers arrived in Malabar with a passport from the Honorable Company, namely Father Bartholomeus de spiritu sancto and Father Angelus Franciscus de S-ta Cherezia, as well as Bartholomeus Anna, Professor of the Syrian language. The first of these three, having requested and obtained permission to enter the city, declared to the government here that he had a commission and order from the Pope to choose and appoint a Coadjutor and successor in place of the aged Bishop Alexander de Campo, adding further, however, that he had a special command from His Holiness to choose someone who would be acceptable to the Honorable Company, wherefore he also left it to the pleasure of the government to nominate whomever they might favor, as then also, for many reasons and especially to keep Europeans out forever, the nephew of Bishop Alexander de Campo, named Matthias de Campo, was chosen for this, and in order to exclude the Jesuits from the Archdiocese of Cranganore as much as possible, all the churches standing under the jurisdiction of the Honorable Company were placed under him, yet in such a manner that nothing could be disposed concerning them except with the express prior knowledge and approval of this government. It appears nonetheless from the notes of the Carmelite fathers that they were not satisfied with this election, and have appointed another, as the two aforementioned fathers, in the year 1677 at Mangatte, by order of the Pope, chose as coadjutor and future successor of the old Bishop a certain Raphael de Figaredo Salgado, indeed a canon, visitor, and governor of the vacant bishop's see of Cochin, under the title of Bishop of Adrumetum and Apostolic Vicar of the church of Cranganore; he died, however, in the year 1693. 285. Appointment of a Father Didacus as Archbishop of Cranganore. The Carmelites are permitted to teach and to conduct conversions here, provided the Carmelite clerics are Netherlanders, High Germans, or Italians. Appointment of the Carmelite Father Angelus Franciscus de S-t Theresia as bishop. In the year 1694, Father Didacus ab Annuntiatione, a foster-son of the Congregation of Saint John the Evangelist in Portugal, was installed with the title of Archbishop of Cranganore; after having held the episcopal dignity for 7 years, he voluntarily resigned it. From a letter from the meeting of the Gentlemen Seventeen in Amsterdam, dated 8 April 1698, written to the government here, it appears that to Lord Pieter Paul de Palma, Archbishop of Ancyra, Privy Councilor to the Emperor and His said Majesty's Envoy Extraordinary to the Kings of Persia and Ethiopia, as well as to the Great Mughal, upon the request and promise of His Imperial Majesty that the Protestants living in His Majesty's lands shall be granted free exercise of religion, it has been granted, and by open act liberty conferred, to send to these lands, to the exclusion of all other Roman clergy, as before, some priests of the order of the Discalced Carmelites, whose number, above the four who were here, was fixed at six or eight, yet on the condition that the aforementioned Carmelites must all be such, Netherlanders, High Germans, or Italians, as well as acceptable to the Honorable Company, and that they shall be bound to submit to and follow the orders and regulations of the said Company, in the same manner as all other inhabitants are obliged to do. In the year 1701, in place of the aforesaid Archbishop Didacus ab Annuntiatione in the Apostolic Vicariate, under the title of Bishop of Metellopolis, Father Carmelite Father Angelus Franciscus de S-t Therezia succeeded, who had authority over the churches of the Malabar mountains until the year 1704. Didacus ab Annuntiatione having written to Rome, however, that everything here was administered in peace by him, an order came from Rome that Father Angelus Franciscus de S-t Cherezia had to hand the administration back to the Archbishop, which command he also obeyed, but seeing that in the course of time the greatest part of the Christians went over again to the schismatic church (for the Romans call the Syrians schismatics), and giving notice of this to His Holiness

Dutch transcription

283. „ a:o 1676 komt een Carmelits, pa„ ter om een roomse Coadjutor aan te stellen. hij niet alleen van de Portugeezen, die lie„ „ver eenen van Hunne Natie tot die waardig„ heijd gevorderd zagen, maar ook van Mar Tho„ „me gehaat en gedwarsboomd wierd, / weder na Europa vertrokken is, stellende in zijn plaats eerst aan Anno 1663. een Jnlandsen Priester genaamd Alexander de Campo, tot bestierder der Cran„ „ganoorse kerk en Apostolischen vicaris on„ „der den Titul van Bisschop van Megara deze is in een zeer hoogen ouderdom a„o 1691. overleeden. Anno 1676. quamen op de Mallabaar 3. Carmi„ „lites Paters met, een Paspoort van DE: Comp: namelijk Fre Bartholomeus de spiritu sancto en Pre Angelus Franciscus de S=ta Cherezia als mede Bartholomeus Anna, Professor in de Sijriaansche Jaal. De Eerste dezer drie, na verzogte en ver kreegene vrijheid om in de stad te mogen komen, verklaarde aan de regeeringe alhier, van den Paus last en order te hebben; om een Coadjutor en opvolger in plaatse van den afgeleefden Bisschop Alexander de Campo te kiezen, en aan„ „testellen, dog met nadere bijvoeging dat Hij bij zonder bevel van zijne Heijligheijd had, om zodanig eenen te verkiezen, die de E: Comp: zoude dat dog de Paters Carmeliten zijn daar meede niet te vreeden ge„ stelt. zoude aangenaam zijn, waarom Hij ook aan het welgevallen van de Regeeringe over„ „liet, te nomineeren, wien dezelve mogte beha„ „gen, gelijk dan ook om veele reedenen, en bij „zonderlijk, om voor altijd de Europeesen buijten te houden, den Neef van den Bisschop Allexan„ „der de Campo, gen=t Matthias de Campo, daar toe verkooren wierd, en om de Jesuiten van het Cranganoors Aardsbildom zo veel mogelijk uijt„ tesluijten, zo wierden alle de kerken, staande onder het gebied van de E: Comp: onder den zelven gesteld, dog zodanig dat niet over dezelve gesteld, dog zodanig dat niet over deselve mogt werden gedisponeert dan met uijtdrukkelij„ ke voorkennis, en goed vinden van deeze Regeeringe. Het blijkt nogtans uijt de aanteekeningen „weest, en hebben een ander aange der Paters Carmeliten, dat zij met dese ver„ kiezinge, niet zijn te vreeden geweest, alzo de twee even gem: Paters. Anno 1677. te Mangaltij tot Medehelper en aanstaande opvolger van den ouden Bisschop uijt last van den Paus verkoosen, eenen Ra„ „phael, de Figaredo Salgado, wel een Canonik visitateur en Gouverneur van de leedig zijnde Bisschops stoel van Cochim, onder den Titul van Bisschop van Adrumeete en Apostolise vicaris 285 aanstelling van eenen Poeter Di„ daens tot Hardsbisschop van Eran„ aan de Carmneliten is vergund hier werken. niearis der kerke, van Cranganoor, dog deze is anno 1693. gestorven. Anno 1694. is met de titul van Aards=bisschop van Cranganoor ingehuldigt, de Pater Didacus ab Annuntiatione, een voedsterling van de Con„ „gregatie van den H: Evangelist Johannes in Portugal, die de Bisschoppelijke waardigheijd na 7. Jaaren bekleed te hebben, van dezelve vrijwil„ „lig afstand deed. uijt een brief van de vergadering der Hee„ te leeraren en bekeeringen te be„ren seventhienen te Amsterdam, van den 8. April 1698. aan de Regeering alhier geschree„ „ven blijkt, dat aan den Heer Pieter Paul de Salma Aardsbisschop Rardsbisschap van Ancijre, secreete Raad van den keijzer en Hoogst desselfs Envoje extra ordinair aan de koningen van Persien en Ahiopien, als mee„ „de aan den Grooten Mogel, op verzoek en be„ „lofte van zijne keijzerlijke Majesteijd, dat aan de Protestanten in Hoogst desselfs landen woonende, vrije oeffening van Godsdienst zal vergund worden, is toegestaan, en bij opene„ Acte vrijheid verleend, om met uijtsluijting van alle andere Roomse geestelijken, na deze landen, gelijk bevoorens, te mogen zen„ den eenige Priesters van de order der onge„ schoude Carmeliten, welker getal, boven de vier ganoor: mits den Carmelijtse gustelijken Nederlanders, Hoogduijtschers of Italianen zijn P aanstelling van den Pater Car„ meliet Angelus franciscus de S„t Cheresia tot bisschop. vier die hier waaren, wierd bepaald op ses of agt dog onder die mits, dat de voor gem: Car„ „meliten, alle zulke moeten zijn, Nederlan„ „ders Hoogduijtscher of Italianen, mitsgaders. de E: Comp: aangenaam, en dat zij gehouden zullen weesen, naar te onderwerpen en opte„ „volgen de ordres en reglementen van deselve Comp: zo, en gelijk alle andere ingezeetenen, dat schuldig zijn te doen. Anno 1701. is in de plaats van voorsch: Aards„ bisschop Didacus ab Annuntiatione in het Apostolis vicariaat, met den Titul van Bis„ „schop van Mettepolis, opgevolgt, de Pater Car„ meliet Fre Angelus Franciscus de S=t The„ „rezia welk tot het Jaar 1704. het gebied ge„ had heeft, over de kerken van 't Mallabaars gebergte, Dog Didacus ab Anuntiatione naar Romen geschreeven hebbende, dat hier alles door hem in ruste bestierd wierd, kwam er uijt Rome order dat Jre Angelus Francis„ „cus de S=t Cherezia, het bestier weder aan den Hardsbisschop overgeven moest, welk last Hij ook gehoorzaamde maar ziende, dat het grootste gedeelte der Christenen, in vervolg van tijd, wederom tot de schismalise kerke (:immers klag de Roomse noemen de Sijriaanen, Schismatiae te overging, en hier van aan zijn Heijligheid ken, „nis

NL-HaNA_1.04.02_10312_0541 view scan ↗

English

287 The Syrians have made it known that they had separated from the Roman See because of the persecutions of the Jesuits, and requested that no one other bishop should govern their churches. Complaints of the Roman Catholics, having made his appearance, he again in the year 1711 took upon himself the governance of the churches of the Malabar mountains as Vicar Apostolic, and passed away in the following year 1712. In the above-mentioned year 1704, the so-called schismatic Christians gathered with their Bishop Mar Thome in the church of the Holy Martyr Gregorius at Repolin and wrote a petition to the Pope, complaining therein that, on account of the manifold persecutions of the Paulists, they had long been forced to separate from the Roman Church. Furthermore, they thanked His Holiness for sending the Carmelite Fathers hither, requesting at the same time that they might retain their ancient church customs, and that none other than Mar Thome and Fra Angelus should govern their churches, but only Mar Thome and the Bishop Fra Angelus de Santa Theresia. This petition was signed, besides by Mar Thome, by fully 12 priests of the principal churches. The Roman Catholic laity on that occasion also sent a petition to the Pope, requesting among other things also to be released from the Jesuit governance, stating also that through the efforts of the Carmelite Fathers, after the settled disputes, 71 churches were still entirely subject to the Pope, and in addition another 18, of which one half consisted of Roman Syrians and the other half of schismatics, and that the remaining 28 belonged solely to the last-mentioned. Yet these could still easily be brought under the obedience of His Holiness through the good example and the zeal of the Carmelite Fathers. And since the Malabar church is divided in two, namely into a southern and a northern part, as into two dioceses, they also requested that the same might be governed by the two bishops, namely Fra Angelus de Santa Theresia and Mar Thome. In the year 1714, Pope Clement XI appointed the Carmelite Father Johannes Baptista Maria de Santa Theresia as Vicar Apostolic to govern the churches of the Malabar mountains, with the title of Bishop of Limira, who passed away in the month of April 1750 at Varapoly. In the year 1751, in his place, the Carmelite Father Fra Florentius a Jesu, a Pole by birth, was chosen with the title of Bishop of Areopolis. This man, after having courageously struggled through very many difficulties, died in the month of July 1773 at Varapoly; I have spoken with him more than once, and he also appeared to me to be a very edifying and knowledgeable man. 289 Since then, the episcopal see was administered by Father Gregorius Fra Anastasius a Sancto Hieronimo. Thereupon in the year 1775, Fra Franciscus de Sales came here and was appointed Bishop by the Pope, with the title of Bishop of Germanicia. This bishop had, before his departure from Europe, when he was in Paris, addressed himself to the Lord Ambassador of Their High Mightinesses at the Court of France with a memorial containing a request that he, the Bishop, and his missionaries might be granted a house in this city, in order to be able to bring their property and church goods into safety therein if necessary, with further insistence to bring that memorial to the attention of Their High Mightinesses. The Lord Ambassador complied with this by letter of the first of December 1774, and Their High Mightinesses resolved in the assembly of the 7th thereafter to cause a copy of the said letter and enclosure to be delivered to the Gentlemen Directors to serve as information. Which letter and enclosures were thereupon sent by the Assembly of Seventeen by general letter of 10 April 1775 to Batavia, with orders to comply with what was requested, unless such might give rise to difficulties with the native princes, or that one might have any other considerations against that grant, in which case those considerations then had to be transmitted. And hereupon Their High Excellencies sent the aforesaid letter and memorial on 6 March 1776 to me and the Council, with an identical writ, adding however that whether we should grant that request or might have considerations against it, we should report such directly to the Netherlands at the first opportunity. The said letter arrived here on 19 September, precisely at the time that the Nabob Hyder Ali Khan had invaded our possessions; thus I judged that for more than one reason it was better to keep this matter to myself and handle it alone, as

Dutch transcription

287 de Sijrianen hebben te kennen, gegeven dat ze van den roomsen oel waren gescheiden om de quellingen der gesuiten. „n versogt dat niemand anders Bisschop hare kerken mogten re geeren. klagten van de roomsgesinde„ „nis gegeven hebbende, heeft hij wederom Anno 1711. de Regeering der kerken van 't Mallabaars gebergte, als Vicarius Apostoli„ „cus op zig genomen, en is in het volgende Jaar 1712 komen te overleeden. Jn het boven gem: Jaar 1704. vergaderden de„ zo genaamde Schismatise Christenen met hunnen Bisschop Mar Jhome in de kerk van d de A: Martelaar Gregerius te Repolin en Schree„ „ven een smeekschrift aan den Paus, klaagende in het zelve, dat zij weegens de menigvuldige quellingen der saulisten voor lange genoodzaakt waaren geworden zig van de Roomse kerk afte scheijden, voorts bedankten zij zijne Hijligheid voor de zendinge der Paters Carmilieten herwaards verzoekende teffens, dat zij hunne oude kerk gewoontens mogten blijven behouden, en dat als Mar thomen en fre Angelus niemand anders over hunne kerken mogten regeeren als alleen Marthonie en de bisschop„ Fre Angelus de S=ta Cherezia, welk smeek„ schrift behalven door Mar Jhone, ook nog wel door 12. priesters, der voornaamste kerken onder„ teekend wierd De Roomsgezinde leeken, zonden bij die gele„ gentheijd ook een smeekschrift aan den saus, lice tegens de sesuiten bij den Paus. verzoekende onder anderen ook van de Jesuitse regeering te mogen blijven ontslagen, bedeelen, de rs n en derselver verzoek de kerken„ te laten regeeren door den bisschop aanstelling van Johannes Bab„ tista tot picarius apostolieus, A„o 1757 wierd fre flosentius „de tefens, dat door toedoen van de Paters Car„ meliten na de gereekene geschillen nog 71. kerken geheellijk den Paus onderworpen waa„ „ren, en boven dien nog 18. welker eene helfte„ uijt Roomse sijriaanen en de andere helfte uijt schismatiquen bestond, en dat de overige 28. alleen den laast gen: toebehoorden, dog dat deze nogtans gemakkelijk door het goed voorbeeld en den ijver der Paters Carmelieten onder de gehoorzaamheid van zijne Hijligheijd zouden kunnen gebragt werden. En dewijl de Mallabaarsche kerk gedeelt „tre Angelus en mar Chome is in tween, namentlijk in een Zuijdelijk en noordelijk deel als in twee stigten, zo versog„ „ten zij ook, dat dezelve door de twee Bis„ „scheppen, namelijk Fre Angelus de S=te Cherizia en Mar Jhome mogten geregeerd worden. Anno 1714. stelde Paus Clement de 11=de den van het mallabarse gebergte. ater Carmeliet Johannes Baptista Maria de S=te Cherezia tot vicarius Apostolieus aan„ om de kerken van het Mallabaarse gebergte, te regeeren, met den Titul van Bisschop van Limera, dewelke in de maand April 1750. te warapolij overleeden is. Anno 1751. wierd in zijn plaats de Pater en stier Cop harapolij in 1773. Carmeliet Jre Florentius a Jezu een Polak van geboorte, verkooren met den Titul van 289 E„n A„:o 1775 is fre francisus de sa„ les Bisschop geworden. die getragt heeft een huijs hier in de stad te mogen kopen. van Bisschop van Areopeles, deze na zeer veele moeijelijkheeden kloekmoedigheid door worsteld te hebben, is in de maand Julij 1773 te warapolij gestorven, met welken ik meer als eens gesprooken heb, en die mij ook voorkwam een huijs stigtelijk en kundig Man te zijn. 'T zederd wierd de Bisschops-tetel bediend door den Pater Gregorius Fre Anestatius a S=t Hieronimo Daar op is anno 1775. hier gekomen en door den Paus tot Bisschop aangesteld Tre Fran„ ciscus de sales met de Titel van Bisschop van Germanicia. Deze Bisschop had voor zijne vertrek uijt Europa bij gelegentheijd mij te Parijs was zig geaddresseerd bij den Heer Ambassadeur van Haar Hoog Mogende aan het Hoff van Frankrijk met een Memorie, inhou„ „dende verzoek, dat Hem Bisschop en zijne zendelingen mogt vergund werden een Huijs in deze stad, om daar in Hun eijgendom en kerkelijke goederen des noods in vijligheijd te kunnen brengen, met nade„ „re instantie om die Memorie onder 't oog van Haar Hoog Mogende te brengen: de Heer Ambassadeur voldeed hier aan, bij briev briev van den Eersten xber: 1774. en Haar Hoog Mogende besloten ter vergaderinge van den 7. daar aan Copia van gem: brief en bij„ „lage aan de Heeren Bewindhebberen ter hand te doen stellen, om te dienen van berigt, wel„ „ke brief en bijlagen daar op door de vergade„ „ringe van Zeventhienen bij Generaale brief van den 10. april 1775. na Batavia gezonden wierd met last, om aan dat verzogte te voldoen, ten waare zulks aanlijdinge zoude kunnen ge„ „ven tot moeijelijkheeden met de Jnlandse vor„ „sten, of dat men tegen die vergunninge eeni„ „ge andere Consideratien mogt hebben, in welk geval, die Consideraties den moesten, overgezon„ „den worden: en hier op zouden haar Hoog Edelheedens, voorsch: briev en Memorie den 6: Maart 1776. aan mij en den aad, met even zodanige aanschrijvinge, dog met bijvoe„ „ginge dat wij, het zij we dat verzoek zou„ „den toestaan, of Consideratien daar tegen mogten hebben zulks bij eerste gelegendheijd direkt na Nederland te bedeelen gem: briev quam hier, den 19. 7ber: Juijst in den tijd, dat de Nabab Haider Alij Chan in onze bezittinge was gevallen; dus oordeelde ik, dat het om meer als eene reden beter was, deze zaak on„ „der mij te houden en alleen te behandelen ge„ lijk en

NL-HaNA_1.04.02_10312_0545 view scan ↗

English

which has been prevented through the demonstration of the ministry. This bishop fell into disagreement with the European fathers and retired to Mangattij. as I, finding difficulty in that permission according to my best knowledge, submitted my considerations regarding it, by a separate letter of 12 October 1776 addressed to the Assembly of the Seventeen, and upon which it was replied by letter of 25 September 1778 that the same certainly deserve reflection. Nevertheless, this Bishop was so cautious that upon his arrival at this coast, when transmitting his papal bull granted by Pope Clement XIV, together with his letter from His Holiness and an act of consecration as Bishop (which papers those Bishops are obliged to present here, in order for copies thereof to be taken by this Government), he revealed as little of it as he did thereafter; nor have I, during the short time he has been here, been able to perceive the slightest familiarity in him, so that I believe he himself never promised much from that permission. I mentioned just now of his short stay here, as scarcely a year after his arrival here he fell into great discord with the European Priests at Warapolij, which went so far that he departed from Warapolij and took up his residence at Mangattij to separate himself from the other Fathers, which discord has been investigated by Bishop Fra Carlos of Ischt and could not be settled; Francisco de Sales deposed; how many churches stand under the jurisdiction of the Bishop of Warapolij. from where he nevertheless returned back to Warapolij after some Fathers, whom he considered to have been the greatest causes of those disputes, had departed, where, namely at Warapolij, he also remained until the year 1779, when there arrived here from Bombay the Bishop of Carman, named Fra Carlos Vanischt, with authorization from the Pope, which he showed me, to investigate and settle the disputes between the aforementioned Bishop and the Fathers. To which end he betook himself from here to Warapolij, and having been engaged there in vain for a long time in working toward a reconciliation, was at last compelled to direct matters so that Bishop Francisco de Sales resigned his office in favor of him, Vanischt, who according to the orders from Rome had to remain there and still resides there as Administrator until further orders from the Pope. Under the jurisdiction of this Bishop—or as he is commonly called here on account of his place of residence, the Bishop of Warapolij—stand not only the 4 Latin churches that follow the Roman church rites, namely Chattialle, Warapolij, Roman churches that stand under the Company. the Chapel at Mattancherij, and Perimania behind the Island of Bendoertij on the opposite side of the river, but also 47 Roman Catholic Syrian churches, of which 4 partly belong under the Archbishopric of Poetenchera or Cranganoor, and 2 are also used halfway by the schismatics. Besides these, there are also more Latin churches here, which however stand solely under the dominion of the Company, namely the churches of: Baijpin Kruis Milagre Paliaporto Cranganoor Paponettij Chettua Bendoertij Anjikaimaal, for although this church previously belonged to the Syrian Christians, it has since first passed over to the Roman Christians, and thereafter, through the Topasses and Christian Lascars who live there, was also brought under the protection of the Honorable Company; Mattancherij Senhora de Saude, and under it the Chapel of By whom the Roman churches are served. Cassanars, who they are. Who the Roman priests are. St. Jan Quebrado St. Louis, and under it the Chapel of St. Jago Castella St. Andre, and under it the Chapels of Sangie Tombolie Catoertij, and Manikoorde. The Roman churches on this Coast are served by native Priests, being Topasses or Cassanars. These latter mentioned are properly Malabars, and are also called Malabar Priests, and perform the service in the Roman Catholic Syrian churches, which belong as well under the Archbishop of Cranganoor as under the Bishop of Warapolij. But the first mentioned are called Topass Priests because they are of Topass parents, except for a few Mestizos, or properly sons of Roman Catholic Europeans who have been here in the service of the Company and, having married native Roman Catholic women, have educated their sons for church service; these follow Latin ceremonies and church solemnities, and are vicars or Parish Priests of the churches that stand under the Company.

Dutch transcription

291. dat door de aantooning van de minis„ heid verhindert is. deze gisschop raakte in gnee„ nigheid met de Europeese paters en retireerde na Mangattij. ten van Coghim, van de orgnroersh„ lijk ik dan na mijne beste kennisse in die vergunninge zwaarigheid vindende, mijne Con„ „sideratien derwegens opgaf, bij aparte briev van den 12. 8ber: 1776. aan de vergaderinge van seventhienen gerigt, en waar op riev van den 25. 7ber: 1778. gerescribeerd wierd, dat deselve allezints reflectie verdienen, egter was deze Bisschop zo voorzigtig, dat hij met zijn komst ter deser kuste bij het toezenden van zijne sauselijke Bulle door Paus Clement de 14:e verleend, be„ „newvens zijne briev van zijne sheiligheijd en een acte van inwijpinge als Bisschop /:welke pa„ „pieren die Bisschoppen verpligt zijn hier te ver„ „toonen, om door deze Regeeringe Copia daar van genomen te werden :/ zo min als daar na niets daar van liet blijken, jk heb ook aan Hem geduurende de korte tijd, die Hij hier is ge„ „weest, geene de minste gemeenlijkheijd kunnen ontwaaren, zo dat ik geloove dat Hij zig zelfs veel nooit van die vergunninge beloofd heeft. Jk melde daar eeven, van zijn kort verblijf alhier, alzo hij e pas een Jaar na zijn aan„ weesen alhier met de Europeese Priesters, te warapolij in Groote oneenigheijd geraakte wel„ „ke, zo verre ging, dat hij van warapolij ver„ „trok, en zijn verblijf te Mangallij ging nee„ men, om zig van de andere Paters aftezon„ deren schop, fre Carlos van ischt is onder„ zog en niet kunnen werden afge„ daan, 's franciko de sales af geset „hoe veel keiken, onder het gebied staan. „deren, van waar hij egter weder te rug na wa„ rapolij is gekeert, na dat eenige Paters, die Hij meende de Grootste oorzaken dier oneenighee„ „den geweest, te zijn, vertrokken, waaren, alwaar namentlijk te warapolij Hij dan ook gebleeven is, tot het jaar 1779. als wanneer hier van Bom„ welse onerigheid door den bis„ baij aankwam, de Bisschep, van Carman, in na„ me Tre Carlos Vanischt, met qualificatie van den Paus, die hij mij vertoonde, om de geschil„ „len tusschen voorsch: Bisschep en de Paters te onderzoeken en bijteleggen, ten welken eijnde Hij zig van hier na warapolij begaf, en daar lan„ „gen tijd te vergeefs bezig geweest, zijnde, om de vereeniging te bewerken op het laatst genood„ „saakt, was, het daar heenen te dirigeeren, dat de Bisschop Francisco de Sales afstand deed. van zijn officie ten behoeve van Hem Vanischt die volgens de ordres van komen daar moest blijven en tot als nog zig daar ophoud, als Ad„ „ministrateur tot nader order van den Paus. Onder het gebied van dezen Bisschop of gelijk van den bisschop van warapolij men Hem hier doorgaans noemd van wegens zijn residentie plaats, de Bisschop van wara„ „polij, staan niet alleen de 4. Latijnse kerken, die de Roomse kerk gebaaren volgen, namentlijk Chattialle uarapolij 293. Roomse kerken die onder de Comp: staan. De Capel of Mattancherij, en Perimaniag„ ter het Eijland Bendoertij aan de overkant van de revier maar ook nog 47. Roomsgezin„ „de Sijriaansche kerken, waar van 4. voor een gedeelte onder het stardsbisdom van Poetenche„ behooren „ra of Cranganoor en 2. ook voor de helfte door de schismatiquen gebruijkt worden. Ook zijn er buijten des hier nog meer La„ tijnse kerken, dog die alleen onder de Heer „schappij van de Comp: staan, Namelijk De kerken van. Baijpin Krut Milagre Balarparto. Paliaporto Cranganoor. Paponettij Chettua Bendoertij Anjikaimaal, want schoon, deze kerk be voorens de sijrische Christenen toebehoorde, zo is dezelve 't zedert eerst aan de Roomsche Christenen overgegaan, en daar na, door de Joe„ „passen en Christen Lascorijns die daar woonen ook onder de protectie van DE: Comp: gebragt: Mallancherij senhora de soude, en daar onder de Capelle van d door wie de Roomse kerken werden bediend. Cassenaars wie die zijn. wie de roomse priesters zijn van S„t Jan quebrado S=t Louis, en daar onder de Capel van S„t Jago Castella S„t Andre, en daar onder de Capellen van Sangie Tombolie Catoertij, en Manikoorde De Roomse kerken ter dezer Custe worden bediend door Jnlandse Griesters zijnde Joe„ „passen of Cassenaars. Deze laatst gem: zijn eijgendlijk Mallabaa„ „ren, en worden ook wel Mallabaarse Pries„ „ters genoemd, en doen den dienst in de Rooms„ „gekinde sijriaansche kerken, die zo wel on„ „der den Aardsbisschop van Cranganoor als onder den Bisschop van warapolij behooren Dog de eerst gem: worden toepasse Priesters genoemd, om dat ze an soepasse ouders zijn, be„ „halven enkelde Mixtiesen of eijgendlijk zoons van Roomse Europeezen, die hier in den dienst van de Comp: geweest, en met Jn„ „landse Roomse vrouwen getrouwd zijnde, hunne zoons tot den kerk dienst opgeleijd hebben; Deze hebben Latijnse Ceremonien en kerkplegtigheeden, en zijn vicarissen of Paro„ „chie Priesters der kerken, die onder de Comp: on en het staan „zoor w

NL-HaNA_1.04.02_10312_0549 view scan ↗

English

295 In which places these two sorts of priests are maintained. The number of youths who are maintained in the seminary of Warapoly. In what languages they study there to become priests. The Latin that they learn there is only common church Latin. If a single seminarist shows a desire to read, they are well instructed by the fathers. None gets any other knowledge instructed. Nevertheless, it sometimes happens that, for lack of Latin priests, the Cassanars perform the service in these churches and administer the sacraments. These Topass priests are educated in the seminaries of Warapoly and Poetenchera, and the Cassanars also in a sort of seminary or school in the church of Candanatte, situated about three miles southwards from here. The seminary of Warapoly is the best of these three, and in the same there are actually two distinct seminaries of the Carmelites, namely one for the Latin and one for the Syrian united Christians; in the first, six, and in the second, ten youths alongside two teachers are maintained at the expense of the Congregation de Propaganda Fide in Rome, while those who are admitted above this fixed number must pay for their maintenance and instruction until such time as they can fill a vacancy. These alumni are instructed in the Latin and Syrian languages, as far as is necessary to conduct the church service, and furthermore they learn as much of theology that they can be used as priests and missionaries. In the Latin seminary, Latin and Portuguese books are used, as good as they can be obtained, and in the Syrian seminary, Malabar and Syriac writings. But because I had previously heard so much praise made of this seminary, I inquired precisely whether, besides theology, they are also instructed in any other necessary sciences, but found on the contrary that they even learn only common church Latin, and in relation to theology, more the church ceremonies than the dogmatic matters of religion, much less natural theology, church or secular histories, and even less anything of geography, logic, physics, or metaphysics, unless a single seminarist might be found who has an inclination of himself, in which case the Fathers will still train such an individual disciple in that to which his genius extends, just as I have in my possession a map of India, or properly from the Ganges to near Suratta, with the island of Ceylon, copied by a seminarist and reasonably well colored, which youth 297 Among the European fathers at Warapoly there is always one who is governor. The authority visits the churches in the absence of the Bishop. Duties of the European fathers. The native vicars, in case of misconduct, are removed from their service by the Bishop. Yet vicars of the churches that stand under the Company may not be dismissed without the consent of the commander here. This right must not be abandoned, nor must it be allowed that the bishop or the European fathers meddle with the Company's churches. also applied himself more than the others to the Latin language, being currently an ordinary priest; so that this seminary in itself has a greater reputation than is truly said of it, and one can easily form an idea of those of Poetenchera and Candanatte as well. All these priests and churches are continuously visited and inspected by European priests who are sent back and forth from Rome, among whom is one who is called Father Governor, being the first of them in dignity and who conducts affairs in case of illness or death of the Bishop. A portion of these European priests instruct the youth in the seminary, and the rest visit the churches, inquire into the conduct both of the vicars and of the congregations belonging to the churches, of which they then make a report to the Bishop, unless there are matters that they can settle themselves. If it happens that one or another vicar or village priest does not behave well, and will not improve through censure or other correction, then such a one is removed from his office and another installed in his place; but when this occurs concerning the aforementioned churches that stand under the Company, then such may not happen except with the special knowledge and consent of the Company, since the Bishop must first give proper notice of such a priest's misconduct to the local commander here, who then, after the same has been found true upon inquiry with the congregation, is usually requested to propose another, who is usually accepted and then appointed thereto by written act by the commander here; which right one must not relinquish, however much that clergy insensibly tries to wrest it from us. One does not even need to allow that the Bishop, or the priests of Warapoly, interfere in the least with the Company's churches, or visit the same, much less take cognizance of the conduct of our vicars, because one can always know enough of this from the congregation or those who represent the congregation, just as little as in the Netherlands the Roman See or any neighboring bishop would be permitted to usurp the slightest authority over the Roman churches and priests that are permitted in our Netherlands, so that the visiting of those churches and the taking cognizance of

Dutch transcription

295 ten welke plaatzen deeze beide „koorten van priester werden onder„ het getal der songelingen die in het onderhouden. in wat voor talen ze daar in stu„ „deeren om priesters te worden. staan, het gebeurt nogtans zomtijds, dat bij ge„ „brek van Latijnse Priesters, de Cassenaars in de„ ze kerken den dienst verrigten, en de sacra„ „menten bedienen. Deze Joepasse Priesters werden onderweesen in de seminariums van warapolij en Poeten„ „chera, en de Cassenaars ook in een zoort van seminarium of school in de kerk van land„ danattij, leggende dtrent drie mijlen Zuijd„ waards van hier. Het seminarium van warapolij is het bes„ te van deze drie en in het zelve zijn eijgend„ seminarium van warapolij worden, lijk twee onderscheidene Seminariums der Car„ „meliten, als een voor de Latijnse, en een voor„ de sijriaanse ge-unieerde Christenen, en het eerste worden ses, en in het tweede lien Jon„ „geling nevens twee Leeraars onderhouden op kosten van de Congregatie de Propagan„ da fide te Romen, terwijl de geene die boven dit bepaald getal g'administreerd worden, on„ „derhouden en onderwijs betalen moeten tot tijd en wijle dezelve bij vacature kunnen „„invallen: de ze alumnen worden in de La„ tijnse en sijriaansche taal onderweezen, voor zo veel nodig is, om den kerken dienst waar„ teneemen, en voorts leeren ze, zo veel van de Theologie, dat zij tot Priesters en Missio „narissen weesen. 1 het latijn dat zy daar leeren is maar gemeen kerk-latijn. natie krijgt eenige andere wetenschap„ ters wel onderweesen. „narissen kunnen gebruijkt worden, Jn het Lalijnse seminarium worden Latijnsche en portugeeze Boeken gebruijkt, zo goed als de „zelve te krijgen zijn, en in het Sijriaanse Seminarium, Mallabaarse en Sijrische schriften: Dan om dat ik bevoorens zo veel ophefs van dit seminarium had hooren ma„ „ken, zo heb mij nauwkeurig g'informeerd, of ze daar, behalven in de Theologie, ook niet in eenige andere nodige weetenschappen on„ „derleijd worden, maar in tegendeel bevonden; dat ze er zelvs maar gemeen kerk Latijn, en met relatie tot de Theologie, meer de kerk„ plegtigheeden als wel de Pogmatische stuk„ „ken van den Godsdienst, veel min de na„ tuurlijke Godgeleerdheid, kerk of wereldlijke Historien, en nog minder iets van de Geogra„ „phie, Logica„ Thijsica of Mathaphijsica lee„ zo er een enkelde seminarist pueli„ ren, ten waare 'er een semiarist gevonden pen te leesen worden ze door de pa mogt worden, die uijt zig zelfs liefhebberij heeft, als wanneer de Paters dan zo eenen enkelden Discipel, nog wel opleijden, tot dat geene, waar toe zijn genie strekt, gelijk ik een kaart onder mij hebbe van Jndien of eij„ „gendlijk van de Gangel tot bij suratta, met het Eijland Ceilon, door een seminarist ge„ copieerd, en tamelijk wel afgezet, welke son„ geling 297 onder de Europeese paters, te wara„ polij is altoos een die gouverneur is, heid van den Bisschop het gezag Bstigheeden van de Europiese paters. de inlandse vicairos bij wange drag, werden door den Bisschop uijt hun dienst gestelt. „geling zig ook meer als de andere op de Lalijn„ „se taal toegelegt heeft, zijnde tans ordinair Priester, zo dat dit seminarium op zig zelfs grooter naam heeft, als 'er wel van gezegd word. en dan kan men ligt een denkbeeld van die van Poetenchera en Canddenattij ook maaken: Alle deze Priesters en kerken worden bij Con„ de kerken bezoekt om bij aeflijvign „ tinuatie bezogd en gevisiteerd door Europeesen Priesters die van Romen heen en weder ge zonden worden, waar onder een is, die Pater Gouverneur genoemd word, zijnde de eerste van Hun in waardigheijd en die de zaaken bij ziekte of overlijden van den Bisschop waarneemd Een gedeelte van dese Europeese Priesters on„ „derwijsen de Jeugd in 't Seminarium en de overige bezoeken de kerken, verneemen naar het gedrag, zo wel van de vicarien als van de Gemeentens tot de kerken behoorende, waar van ze dan aan den Bisschop rapport doen ten waare 'er zaaken mogten zijn, die ze zelvs kunnen afdoen. Jndien het gebeurd, dat d' een of andere vi„ cair of Dorp Priester zig niet wel gedraagd, en door Consure of andere Correctie niet be„ teren wild, dan word zo een, uijt zijn Ampt gezet, en een ander daar ingesteld, maar wanneer dit geschied, omtrend de voorschreeve kerken voert. n „ dog ricairassen van de kerken, de op„ het worden, zonder boestemming van de gebieder hier. digt regt moet men niet laten varen nog oose toestaan, dat de bisschop of de Europeese paters zig bemoekjen met 's Comp:s kerken. kerken, die onder de Comp: staan, dan mag zulx niet als met speciaale kennisse n toestemmin„ der dEComp: staan, moogen, niet afge„ge van de Comp: geschieden, alzo de Bisschop eerst van zo een Priesters wangedrag aan den Jongst gebieder alhier behoorlijke kennisse geven moet, aan wien dan, na dat het zelve na gedaan onderzoek bij de gemeente waar be„ „vonden, is, doorgaans verzogd word, om een ander voortedragen, die men doorgaans accepteerd en dan bij schriftelijke acte door den gebieder al„ hier daar toe aangesteld word, welk hegt men niet uijt de hand geven moet, hoe zeer die Gees„ telijkheid ons zulx ongevoelig tragt te ontwrin„ gen zelvs behoefd men niet eens toetelaaten dat de Bisschop, of de Priesters van wa„ rapolij zig het minste met 'sComp=s ker„ ken bemoeijen, of dezelve bezoeken, veel min kennis neemen van het gedrag on„ zer vigairen, om dat men zulx van de ge„ meente, of die de gemeente reprezenteeren altoos genoeg weeten kan, zo min als in Nederland de Roomse stoel, of eenig nabuu„ „rig Bisschop zig het geringste gezag over de Roomse kerken en Friesters, die in on„ ze Nederlanden gepermitteerd zijn, zoude mogen aanmatigen, zo dat het bezoeken van die kerken, en het kennis neemen van teker

NL-HaNA_1.04.02_10312_0553 view scan ↗

English

299 a certain case concerning that subject recently occurred at Nijkotta. One must also strictly ensure that [illegible] with the money and the finances of the churches. the conduct of the vicars is only passed over connivendo, but gradually it should be diminished and finally entirely prevented, just as I recently declared openly null and void the conduct of the present Bishop concerning a subject of the Company in Her Honorable church of Hijkotta, in which he had proceeded rather despotically and too arbitrarily, and ordered our vicar not to permit, much less to obey, any authority from Warapolij in his church, which that prelate had not expected and took very ill in his manner, yet it had the consequence that since then, as far as I am aware, he no longer interferes so much with our churches, and I do not doubt, should he make another attempt and be exposed in such a manner again, that he will henceforth entirely refrain from making a third attempt. There is another matter that must be guarded against, namely that the European priests do not interfere with the money and finances of the churches, for each church has some for if they enter into that, the congregations dare complain about it. The bishop has already been recommended to forbid the fathers from doing such. some of the principal persons from the congregation by way of elders of the people, and who represent the congregation, who together with the vicar have the supervision over the lands and gardens belonging to each church, and in a word, who make the expenditures and receipts, and render an account thereof to the congregation once a year. When the European priests come to visit the churches, some have now and then claimed to have direction in that administration, whereby they then, on account of the respect held for them, played the master and advantaged themselves, about which the administrators of the church, as little as the vicar, hardly dared to complain, whereas the property of the church arose from charitable gifts and bequests of the congregation; and therefore I have prevented the European priests from interfering therein, and moreover warned the Bishop to forbid the priests from interfering with the church accounts. When I arrived here, the Bishop of Warapolij had so much prestige that when paying a visit to the Commander, he was fetched by two members 301 with what honors previously a bishop was received when he came to pay a visit to the commander. This made the fathers bold. Afterwards that honor was abolished, and their authority over the churches of the Company diminished. out of the Council with a carriage and conducted to the house of the commander, where the so-called bodyguard, which was there at that time, stood ranked under the command of an officer, by whom as well as by the main guard, when the Bishop passed them, arms were presented and the usual salute with spontons was made by the officers, and upon stepping onto the stoop, he was saluted from the city walls with 9 cannon shots, as that stands recorded in the daily register of that time, while in the meantime both the Bishop and the remaining Roman priests had gained so much influence that they despotically exercised the particular governance over the Company's churches and the direction over the vicars just like their own churches. The first, namely the outward honor of the Bishop, I abolished immediately, and gradually and imperceptibly diminished the authority over our churches; I say gradually, for however easily and quickly an improper matter or abuse can be allowed to creep in through indulgence, it is just as difficult to restore things of that nature immediately, necessity to keep the Roman clergy out of those churches. The archbishop of Goa has attempted to obtain the supervision over the Company's churches here, but has been rejected and commended by Her High Mightinesses. the less so as the Roman clergy have much influence over the Roman Christians, who make up a very large number here, and in critical circumstances of the times can sometimes do as much harm as good; nevertheless, I think that one must absolutely maintain our right and authority over those churches, and keep the Roman clergy out of them, because they are always out to gain a hand in everything gradually and make themselves independent, which cannot be tolerated, not to mention that this would only give a foothold to the Portuguese clergy, who would so gladly push themselves in here, but for reasons of state must by no means be permitted here; regarding which article I refer to what I have written concerning this to Batavia, by letter of 31 March 1780, by which it appears that the Court of Portugal, through the channel of the Archbishop of Goa, had an attempt made to have the supervision over our churches, which request I immediately flatly rejected, and Her High Mightinesses have, by separate letter of 30 September, recommended regarding this to [illegible] such novelties.

Dutch transcription

299 „zeker geval rakende dat subject Jongst op Nijkotta g'Exteerd. „ook moet men hoog dragen dat en, met het geld en de ffinanties der kerken. van het gedrag der vigairen ook maar Connivendo gepasseerd word, dog gaande weg weder diend verminderd en laastelijk ten eenemaal belet te worden, gelijk ik dan onlangs, het gedrag van den tegenswoor„ „digen Bisschop omtrend een onderdaan van de Comp: in Haar Edele kerk van Hij„ „kotta, waar in Hij al vrij wat dispotich en te willekeurig had te werk gegaan, openllijk voor nul verklaard en onze vi„ „gair gelast hebbe, in zijn kerk geen Gezag van warapolij, toetestaan, veel min te obedieeren, het geen die Prelaat niet ge„ dagt en op zijn wijze zier kwalijk geno„ men heeft, egter van dat gevolg is geweest dat Hij 't zedert zo veel mij bewust is, zig met onze kerken, zo veel niet meer bemoeijd en ik twijffele niet, indien Hij weder eens een tentamen mogt doen, en daar in weder zodanig ten toon gesteld word of Hij zal dan voortaan wel ten eenemaal afzien, om een derde tentamen te doen. Nog is 'er iets waar voor men zorgen de Europeese patars zig niet bemon„ moet, namendlijk dat de Europeeze Pries„ ters zig niet bemoeijen met het geld en finanties der kerken, want ieder kerk heeft eenige want als ze daar in komen„ gemeentens daar over durven„ klagen. de bisschop is reets gerekomman„ deerd de paters te verbieden zulx te doen eenige van de voornaamste Perzoonen uijt de Gemeente bij wijze van oudstens des volks, en die de gemeente reprezenteeren, dewelke met den vieair te zamen, het op„ „zigt hebben over de Landerijen en Thuijnen tot ieder kerk behoorende, en met een woord, die de uijtgaayen ontfangst doen, en daar van aan de gemeente eenmaal 's jaars reekeninge doen, wanneer de Europeese Pries„ ters de kerken komen bezoeken, dan heb„ ben zommige nu en dan wel eens gepreten„ deert directie in die administratie te heb„ speelen te den baas, zonder dat de ben, waar door ze dan uijt hoofde van de eerbied, die men voor Hun heeft, den baas speelden en zig bevoordeelden, waar over de Administrateurs van de kerk, zo min, als de vicair bij na niet klagen durfden, daar egter de Goederen van de kerk uijt liefde gaaven en vermaakinge van de gemeente voortgekomen zijn, en daarom heb ik de Europeeze Priesters, belet, zig daar meede te bemoeijen, en ten overvloede den Bisschop gewaarschouwd om de Priesters te verbie„ „den, zig met de kerk reekeningen te bemoeijen. Joen ik hier kwam, had de Bisschop, van warapolij zoo veel aanzien dat hij bij den Gebieder een visite afleggende, door twee Lee„ den 301 met hoedanige Eerbewijsinge bevorens een visite kwam doen bij de gebieder. dit heeft hem de paters stout„ gemaakt. naar die Eerbewijsing is 't zedert afgeschaft, en hun gezag over de ker„ ken van de Comp: verminderd. een bisschop wierd ontvangen als hij „ den uijt den Raad, met een rijtuig afgehaald en geconduiceerd wierd na het huijs van den gebieder, alwaar de zo genaamde Lijfwagt, welke 'er te dier tijd was, onder Commando van een officier gerancheerd stond, bij dewelke zo wel als bij de Hoofdwagt, toen de Bis„ „schop dezelve passeerde, het geweer gepresen „teerd en door de officiers het gewoon salut met de spontongs gedaan, mitsgaders bij het optreeden van de stoep, van de stads wallen met 9. Canon schooten gesalueerd wierd, gelijk dat aangetekend staat bij het Dag re„ „gister van dien tijd, terwijl intusschen zo wel de Bisschop als de overige Roomse Priesters zo veel influentie gekreegen hadden, dat ze de bijzondere bestieringe over 's Comp=s ker„ ken, en de directie over de vigairen even als, Hun eijge kerken dispotick gessenden: Het eerste namentlijk het uijtterlijk honneur van den Bisschop, heb ik aanstonds afge„ schaft, en het gezag over onze kerken, Gra„ datim en ongevoelig verminderd, ik zegge Gradatim, want hoe gemakkelijk een spoe„ „dig men een oneijgene zaak of misbruijk door toegeevendheijd kan laten insluijpen even zo moeijelijk is het om dingen van die natuur weder ten eersten te herstellen te uijt n en nood zakelijkheid, de Roomsa de aards bisschop van Goe heeft getragt het opzigt over 's Comp:s kerken hier te krijgen maar is heedens gelaudeert. te minder de Roomse Geestelijken op de Room„ „se Christenen, die hier een zeer groot getal uijt„ „maaken, veel influentie hebben, en in Critie„ „que stijds- omstandigheeden zomtijds af zo veel quaad als goed kunnen doen, egter den ke ik dat men ons regt, en gezag over die gustelijken uijt die kerken te hou kerken absolut diend te maintineeren, en de roomse geestelijken daar uijt te houden, om dat zij 'ir altoos op uijt zijn, om gaande weg de hand in alles te krijgen en zig onafhange„ „lijk te maken, het geen niet gedoogt kan wor„ „den gezwijge, dat dit maar een voet zoude geven, aan de Portugeese, Geestelijkheid, die zo gaarne zig alhier zoude willen indringen, dog om reeden van staat, hier voor al niet mag toegelaaten werden, omtrend welk artikul ik mij refereere aan het geen ik derwe„ gens, na Batavia geschreeven hebbe, bij afgeweesen en door Haar Hoog Edel briev van den 31. maart 1780: waar bij blijkt dat het mof van Portugal, door het Canaal van den Hards=Bisschop van Goa een ten„ „tamen heeft laaten doen, om het opzigt over onze kerken te hebben, welk aanzoek ik ten eersten glad uijt van de hand gewee„ „sen hebben, en Haar Hoog Edelheedens, hebben bij aparte briev van den 30. 7ber: daar aan gerecommandeerd zulke nieuwig„ heeden den.

NL-HaNA_1.04.02_10312_0557 view scan ↗

English

303 Who the Topasses are, where they live, and what trades they practice. presently, especially in this present time, to counter directly in the same manner. Among the Roman Christians one must also reckon: The Topasses, living hereabouts and along this coast, and descended from the Portuguese; some were slaves of the Portuguese and set free by them, and others were procreated by intermixture with native women, so that they belong rather to the natives of the land than to the foreigners. And since the departure of the Portuguese from this coast, they have assumed the names of their old masters or of old Portuguese families, so that there are few great families to be found in Portugal whose names one does not also find among these Topasses. They also still generally speak low Portuguese, or as it is called here, Low Portuguese, yet go dressed after the European manner, albeit mostly barefoot with a white linen cap upon the head, and a hat upon it. A great number of these Topasses are found along the coast of Mallabaar, primarily on the seaside, [illegible] Some are very lazy, and their heart inclines toward the Portuguese. and near the Forts of the Company. Many also live in and around the city of Cochim, who earn their living through all kinds of trades, there being among them many carpenters, masons, smiths, coppersmiths, tailors, shoemakers, etc. One also has some among them who earn their living solely by making decorations on feast days in the Roman churches, as well as at weddings and other extraordinary occasions among us, for which they are very skillful. Many also earn their living by agriculture, and some also enter the service of the Company as soldiers, though that is generally a lazy and wretched sort of people who know no trade or do not wish to work, and therefore enter service out of necessity. In the garrison they can still well be used to stand on sentinel duty, but in the field and under fire, I would not rely on them at all. Besides this, they have the Portuguese nature in them; and they are Portuguese at heart, which one can best see when Portuguese from Goa or elsewhere arrive here, for then one sees them truly in their element. Their religion is, as has been said, Roman, as 305 They formerly had a separate bishop. At the conquest of Cochim they were accepted as the Company's subjects and citizens. They stand under a Captain, are 450 men strong, and drill with the firearm. They are staunch Roman in religion, having been made proselytes by the Portuguese, to which religion they are still so firmly addicted that they cannot by any means be drawn away from it; their superstition even far exceeds that of the Portuguese and Spaniards. They were formerly governed by a Bishop of their own, who had his Cathedral church within the city of Cochim, just as that of the St. Thomas Christians previously had theirs within Cranganoor. These people were, upon the conquest of the city, accepted as the Company's subjects and citizens, and permitted the free exercise of their religion. Over them is presently placed a Captain, two Lieutenants, and four Ensigns, and further non-commissioned officers, making up together a number of around 450 men, whom I have, during my administration, caused to come under the Company's arms annually for one month to teach them the handling of the firearm. Yet if they should in case of need ever be called to arms, then I believe one would have a long task to bring them together, and [illegible] Yet in case of need, little is expected to be found of them. It is a cowardly and haughty people. Arrival of the Protestants here at Cochim. Who all practice religion here in the Protestant church. I would in such a case not dare to count on more than, at the very most, the smaller half of them, since they live mostly scattered here and there in the country, and at the slightest rupture or approach of an enemy would seek a safe retreat merely to stay out of danger; for it is a cowardly people, on the one hand full of Portuguese haughtiness, yet who in time of need could manage as well as the lowest Mallabaar in the woods or in the country, merely not to expose themselves. I know best by experience how much trouble I had in the beginning to make them come under arms annually. Now as concerning The Foreigners: these are The Protestant Christians, Jews, Moors, and also Heathens. The Protestant Christians came to this Coast with the conquest of Cochim, since which time a Minister has continuously been stationed in this city. To this church also betake themselves the Remonstrants, Lutherans, and Mennonites.

Dutch transcription

303 wie de Coepassen zijn. waar te woonen en wat voor ambachten te oeffenen. „heeden bijzonder in deze prezente tijd, in zelver voegen direct tegen te gaan. onder de Roomse Christenen moet men ook reekenen. De Toepassen, hier omstreeks en langs deze kust woonagtig, en afkomstig van de Portugeezen, sommige zijn slaven van de Portugeezen geweest en door Hun vrij ge„ „geven, en andere zijn door vermenging met inlandse vrouwen geprocre-eerd, zo dat ze eer tot de Faturellen van het land als tot de vreemdelingen behooren, en hebben ze„ „derd het vertrek der Portugeeken van dese kust de naamen van maar oude Heeren of van oude Portugeeze families aangenomen zo dat 'er wijnig groote geslagten in Portu„ „gal te vinden zijn, of men vind Haare na„ „men ook onder, dese Joepassen, te spreeken ook als nog doorgaans gemeen Portugees of zo als men dat hier noemd, laag Portu„ „gees, dog gaan gekleed na d' Europeeze wij„ „ze, egter meest bloots voets met een witte linne mits op 't Hoofd, en een hoed daar op Daar worden groot getal van dese toe„ passen gevonden langs de kust Malla„ „baar, voornamentlijk aan de zee kant en Room al Er a itie uijt de weg de zo dog g gen Cana aal t wee„ ber: wig„ e zommige zijn zeer Luij, en hun hart trekt na de postugeesen en bij de Forten van de Comp: ook woo„ nen er veele in en rondom de stad Cochim die zig geneeren met allerleij Ambagten als zijnde onder Hun veele Jimmerlieden Metselaars, smeeden, koperslagers, kleer„ „maakers, schoenmaker etc:a Men heeft onder hun ook zommige die zig alleen ge„ „neeren met vercieringe bij feestdagen in de Roomsche kerken, zo meede op bruijl often en andere extra ordinaire gelegendheeden onder ons, te maaken, waart toe ze zeer habiel zijn, veele Geneeren zig ook met den Landbouw, en zommige neemen ook wel dienst bij de Comp: als zoldaat, dog dat is doorgaans Luij en slegt volkje, het welk geen ambagt kan of niet werken wild, en daarom uijt nood dienst neemd, Jn 't Guarnizoen zijnze nog wel te ge„ „bruijken om op schildwagt te slaan, maar te velde en in 't vuur, zoude ik 'er niets op betrouwen, buijten des zo hebben te den Portugeezen aard eijgen; en zijn por„ tugees in hun haar het geen men best zien kan, als hier Portugeezen van Goa of elders komen, want dan ziet men ze regt in hun Clement hunne Religie is, gelijk gezegd is Rooms, als. 305 bij hadden Eertijds een afzon„ gerlijke bissch op. ƒ Bij verovering van Cochim zijn aangenomen. zij staan onder een Capitein zijn met het gewees. zijn hard room van gos dant als zijnde door de Portugeezen tot pro„ „seliten gemaakt, aan welke Godsdienst ze nog zo vast verslaaft zijn, dat ze door geen middel daar van kunnen afgetrok„ „ken worden; zelvs gaat hun bijgeloovig„ „heid die der Portugeezen en spanjaards verre te boven. zij wierden eertijds door een Bisschop op zig zelven geregeerd, dewelke zijn Cathe„ „draale kerk binnen de stad Cochim had, gelijk die der S=t Thomas Christenen de hunne bevoorens binnen Cranganoor hadden. Deze lieden zijn met de verovering van de de als 's Comp:s onderdanen en burgers stad aangenomen als 'sComp:s onderdaanen en Burgersen gelaaten, bij de vrije oeffening van hunne Godsdienst. over hun is tans gesteld een Capitain, twe Luijtenants en vier vaandrigs en verdere on„ „der officieren makende te samen uijt, een 450. koppen sterk en Exerceeren getal van omtrend 450. koppen die ik geduu„ „rende mijn bestier Jaarlijks een mand lang onder sComp:s wapen hebbe doen komen, om Hun de behandelinge van het geweer te leeren, dog indien ze in Cas van nood eens tot de wapens mogten geroepen worden, dan geloove ik dat men lang werk zou hebben om ze bij elkander te krijgen, en ik oo lieden kleer, een in o en en de el t r oom R als van hen te zullen vinden. 't is een Lacheus en hovaardig volk. komste der protestanten hier op Cochim. wie al in de protestantse kerk hier den goosdienst oeffent. ik zou in zo een geval op niet meer, als uijt„ terlijk op de klijne helfte van Mun durven dog bij nood, denkt men weijnig reekenen, dewijl ze meest hier en daar ver„ sprijd in het land woonen, en bij de min„ ste rupture of aannaderinge van een vijand een goed heen komen zoude zoeken, om maar buijten gevaar te blijven, want het is een lacheus volk, aan d' eene zijde vol met Por„ tugeeze kevaardij, dog dat in tijd van nood„ zig zo goed als de geringste Mallabaar in het bosch of in het land zouden, kunnen behelpen, om zig maar niet te exponeeren Jk weet best bij ondervindinge, hoe veel werk ik in den beginne gehad hebbe, om hun Jaarlijks onder de wapenen te doen komen. Wat nu aangaat De Vreemdelingen Deze zijn De Protestantse Christenen, Iooden Mooren, en ook Heijdenen De Proteslantsche Christenen zijn met de verovering van Cochim op dese Cust gekomen, zedert welke tijd in deze stad doorgaans een Predikant heeft gestaan. Jn deze kerk begeeven zig ook de Re„ „monstranten Lutheranen en Menno„ nisten

← previousnext →