Inventory 10312
Malabar · 1,900 pages · 387 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
And Adij Ragia became administrator of the same. But he, remaining negligent in paying the contribution, the prince of Colastrij was reinstated. Old debt acquired from Colastrij. How much the Colastrijse princes remained indebted. Family, upon the approach of the Nabob's troops, took to flight and went to the court and to the King of Trevancoor. Thus this realm met its downfall and fell under the rule of an usurper, while Adij Ragia obtained the government and the administration over the same. But Adij Ragia having since remained negligent in the payment of the contribution to the Nabob, the administration over the Collastrijse was taken from him and recently assigned again to the Prince Regent, on condition of paying annually the contribution that was previously imposed on Adij Ragia, upon which the Prince Regent departed again from the Trevancoor territory to his realm. In this manner the Collastrijse princes originated from this have remained in default to the Honorable Company, both on account of advance cash payments on the contract or delivery of pepper, and on account of some provisions of ammunition goods on account, a sum of ropias 14047. 14. -. To the former chief the Honorable Weijerman in private they remained indebted ropias 10080. 10. and further on gold pledges 4400. 7. 8. which is only noted here in passing, because these private matters were entrusted to his attorneys, but of which, however, as little has been collected as of the Company's funds; it having subsequently by Their High Noble's secret letter of the 26th September 1768 been left to the aforesaid Honorable Weijerman as compensation for the aforesaid ropias 14047. 14., but this ministry was recommended to regard this debt nevertheless as one to which the Honorable Company makes direct claim, and to make every endeavor towards its collection. Now as regards the Moorish Regent Adij Ragia in particular, with relation to his rise, power, and engagements with the Company: One should know that he derived his origin from the royal house of Colastrij, for a certain princess of this royal house having lost her caste or the nobility of her lineage through intercourse with a person of a lesser or lower caste, was, in order to cover this shame somewhat, married off to a rich Arab Moor, and to him was at the same time granted the title of Prince, and furthermore the general name of Adij Ragia, meaning in that region as much as Head of the Moors of that realm. Furthermore, there were ceded to him for his maintenance the Lekkerdivose Islands and some lands situated around Cannanoor, and it is from this that he is until now the possessor of those islands, and bears the title of Sultan of the Lekkerdivose Islands, just as the ruler of the Maldivose Islands is called the Maldivose Sultan, who has been attacked more than once by Adij Ragia, and must always be on his guard against him. Thus this Moorish Regent was placed in great esteem from the very beginning, and thus generally had very much influence on the affairs of the Collastrijse realm; and when one now adds to this his extensive trade both by sea and inland, it is not surprising that Adij Ragia was always very much respected and feared by his supreme rulers, through which he not only became rich and powerful, but also made the whole realm flourish. Yet this lasted no longer than until the arrival of the Portuguese, by whom he, as well as Collastrij, was since very much oppressed and even prevented from trade by sea. Just as, as soon as this nation was expelled, his affairs changed for the better again, as he, as mentioned above under the article of Collastrij, was also included in the treaty of peace and friendship between that ruler and the Company, and thereby under certain restrictions free trade by sea was again granted to him. In respect of his engagements with the Company, he was just as unfaithful as all the other native rulers, and always knew how to shift the blame for the small pepper delivery onto this or that cause, but mostly onto the internal unrest because that was known, although he actually sold his products secretly to others who gave him more for them than the Company had stipulated from him. From what is mentioned concerning him under the article of Collastrij, it appears with what intrigues and underhand tricks this Moorish Regent usually occupied himself; besides this, he has such a bad reputation throughout all Mallabaar that one hears almost nothing but evil things about him, especially the last one, who died in the month of October 1778, who was of a very cruel disposition and moreover a great spendthrift who could keep no money. In the year 1742 he, though still a youth, came
Dutch transcription
En affij ragia wierd admi„ nistrateur van 't zelve. Dog hij nalalig blijvende de „Contributie te betalen wierd de prins van Colastrij weder in gestelt. oude schuld, van Colastrij gekreegen. „stoe veel de Colastrijse Prin„ schuldig zijn gebleeven. familie, op het aannaderen van S. Nababs trou„ „pen, de vlugt nam, en zig aan het Hof en bij den koning van Trevancoor vervoegde. Dus vond dit, Rijk zijn ondergang en geraak„ „te onder de Heerschappij van een usurpateur, terwijl Adij Ragia het bestier en de Admini„ „stratie over het zelve verkreeg Dog Adij Ragia 'tzedert nalatig gebleeven zijnde in het opbrengen van Contributie aan den Nabab, is het bestier over 't Collastrijse hem afgenomen, en nu onlangs weder aan de Prins Regent opgedragen, mits betalende Jaarlijks de Contributie, die Adij Ragia bevoorens opge„ „legd was, en waar op de Prins Regent, uijt het frevancoorse weder na zijn Rijk ver„ trokken is. op deeze wijze zijn, de Collastrijse Princen heeft, hier uijt haar oorsprong aan D' E: Comp: te quaad gebleeven, zo weegens Contante vooruijt verstrekking op het Con„ „tract of leverantie van Peper, als weegens eenige verstrekking van ammonitie goederen op reek: eene somma van rop=s 14047. 14. -. Aan het geweezen opperhoofd DE: Weijerman in het particulier bleeven dezelve schuldig ropi„ een aan de meer reijerman „ as 10080. 10. en nog op goude panden 4400. 7. 8. het geen hier maar als ter loops genoteerd word, de„ „wijl deze particuliere zaaken desselfs gemag„ „tigdens in het 147 de Comp: heeft de Heer Weijerman in gevraagd worden. Adij Ragia vorsprong uijt het stamhuijs van Lolastrij „tigdens zijn opgedraagen, dog waar van egter zo weijnig als van 's Comp=s gelden ingekomen is; zijnde vervolgens bij Haar Hoog Edelhee„ „dens secreet aanschrijvens van den 26. 7ber: De verstrekking voor reek: van 1768. de voorm: ropias 14047. 14. gem: E. Weijer noeten betalen dog moet hier „ man ter vergoeding gelaaten, dog dit Minis„ „terie aanbevoolen deze schuld egter aantemer„ ken, als zodanig waar op DE: Comp: direct pretentie maakt en tot de invordering alle devoiren te doen. Wat nu den Moors Regent. Adij Ragia in 't bijzonder aangaat, niet relatie tot desselfs opkomst vermogen en ver„ „bintenissen met de Comp: zo dient men te weeten, dat Hij zijn oor„ sprong bekomen heeft uijt het stamhuijs van Colastrij, want zekere Princesse uijt dit stamhuijs door Conversatie met een perzoon van een minder, of lager geslagt, Haare Casta of het adelijke van Haar geslagt verlooren hebbende, wierd om deze schande eeniger maa„ „te te bedekken, aan een Rijk Arabisch Moor uijthuwelijkt, en aan den zelven teffens toege„ „voegt de Titul van Prins, en voorts de alge„ meene naam van Adij Ragia, beteekende in die Landstreek zo veel als Hoofd der Moo„ „ren van dat Rijk — Verders „ „ De lekkerdivose Eijlanden ven, waarom hij de situl van sultan voert. waarom Adij Ragig; altoos in aanzien is geweest. die geduurt heeft, tot de komste der Portugeezen. is het zelve weder opgeluikt Verders wierden aan Hem tot onderhoud afge„ zijn hem tot onderhoud gege„staan, de lekkerdivose Eijlanden, en eenige Lan„ „derijen omtrend Cannanoor geleegen, en hier van dan is het, dat Hij tot nog toe bezitter van die Eijlanden is, en den titul voerd van sultan der Lekkerdivose Eijlanden, even gelijk de vorst der Maldirose Eijlanden genoemd word, De Mal„ „divose sultan, die meer als eens door Adij Ra„ „gia overvallen is, en altoos op zijn hoede voor hem moet zijn. Dus is deze Moorse Regent al van den be„ „ginne af, in groot aanzien gesteld geweest, en heeft alzo doorgaans zeer veel invloed op de zaaken van het Collastrijse Rijk gehad; en wanneer men nu daar bijvoegd, desselfs uijtgestrekte Handel zo ter zee als binnen 's lands, dan is het niet te verwonderen, dat Adij Ragia bij zijne opper„ vorsten altoos zeer geagt en gedugt is geweest, en waar door Hij niet alleen Rijk en Magtig geworden is, maar ook het geheele lijk heeft doen floreeren. —. Dog dit duurde niet langer als tot de komst der Portugeezen, door welke hij zo wel als Colla„ „strij tzedert zeer gedrukt en zelfs den handel ter zee belet is geworden: Na de komste van de Comp:, Gelijk dan ook, zo dra deze Natie verdreeven wierd, zijne zaken weder ten goede veranderden, alzo „ M de 149 Hij is ontrouw geweest in de verbintenissen slegte hoedanigheeden van Adij Ragia alzo blij gelijk hier boven onder het articul van Collastrij gemeld is, in het Contract van vree„ „de en vriendschap tusschen dien vorst, en de Comp:, meede begreepen, en Hem daar bij onder zeekere districtie weder den vrijen Handel ter zeer geaccordeert wierd sen opzigte van zijn verbintenisse met de Comp: is Hij even zo ontrouw geweest, als alle de an„ dere Jnlandse vorsten, en wist altoos de geringe peper leverantie, op deze of geene oorzaken te schuij„ „ven dog meestentijds, op de inlandse onlusten om dat die bekend waaren, schoon vlij eijgent „lijk zijne producten, Heijmelijk aan anderen verkogt, die hem daar meer voorgaven als de Comp: van Hem bedongen had. uijt het geene nopens em onder 't artikul van Collastrij gemeld is, blijkt, met welke kon„ „kelarijen en slinkse streeken deze moorse Regent zig doorgaans opgehouden heeft, buijten des, zo heeft olij over de geheele Mallabaar, zo een slegte naam, dat men 'er genoegzaam niet als quaade dingen van hoord, inzonderheijd de laatste, die in de maand october 1778. overleeden is, die zeer wreed van inborst en daar bij nog een groote verkwister was, die geen geld bewaa„ ren kon. Jn het Jaar 1742. quam Hij schoon nog een Jongeling
English
In the year 1745, the Company's passes for his vessels were refused to him, and his councillors were removed from him by the congregation. In the year 1759, he requested and obtained again the Company's friendship. In 1752, he concluded a pepper contract with the Company. The following year, through the mediation of the Company, the disputes with Colastrij were settled. In 1755, a contract was concluded with Adij Ragia for the delivery of pepper and cardamom against an advance payment of 12000 ropias. A youth, to the government, and carried things so far concerning the Company within a short time that in the year 1745 it was resolved not to grant any passes for his vessels. Also the Moorish congregation was compelled likewise to remove his bad councillors and to substitute others in their place. This appeared to have a good effect, for in the year 1750 he sent a request for the Company's former friendship, which was promised to him, provided he took care that the cardamom produced in his lands should be delivered to the Honourable Company. In the year 1752, he had even entered into a new pepper contract with the chief of Cannanoor, and maintained neutrality at that time concerning the disputes between the English and the Princes of Collastrij. The year thereafter, regarding all the disputes between him and the Princes, they had Adij Ragia's lands attached; he was embarrassed by this and requested the Company's assistance, through whose mediation the old disputes were settled. Hereupon, in the beginning of the year 1755, a solemn contract was concluded with Adij Ragia, whereby he promised to deliver annually 2, 3 to 400 candyls of pepper to the Company at 83 1/3 ropias the candyl, alongside 10 candyls of cardamom at market price. 151. Indication of his subsequent bad conduct and his deportment towards Mr. Senf. Price, upon both of which deliveries he was to receive annually an early advance of 12000 ropias. Under the article of Collastrij, it appears that not long thereafter he became very negligent regarding the delivery of pepper, but rather employed evil practices; indeed, how he even, at the descent of the Nabab Mijder Hlijchan and at the conquest of the Collastrij realm, managed to obtain the government over the same, whereby, besides his own debt to the Company, he now also became liable for the debt of Collastrij. It is true, Mr. Senff having arrived in passing at Cannanoor on his arrival from Souratta, and having spoken with Adij Ragia himself, Adij Ragia then promised that he would deliver 250 candyls of pepper, which quantity shortly thereafter was indeed delivered, subsequently collected by the ship Popkenburg, and paid by the servants there; yet then he requested some ammunition and other goods to the sum of ropias 17360. 27., under the promise to settle this sum with the delivery of pepper, or otherwise to satisfy it in cash, so that it seems as if he has always merely sought to get money or goods from the Company into his hands. Cause why Cannanoor was sold to Adij Ragia, and how much he has remained in arrears upon that and upon his former debt, and to what extent it has been possible to reduce his debit. The small collection of products, the little trade in merchandise at Cannanoor, and the continuous difficulties one experienced there, gave cause for a proposal to be made to rid oneself of Cannanoor, and to cede that fortress to someone for a certain sum of money, for which Their High Noble Lordships granted authorization by separate letter of 3 August 1770. Subsequently, before the departure of Mr. Senf from here, the fortress of Cannanoor was ceded to Adij Ragia for the sum of ropias 100000; and he having paid a part thereof, and for the remainder as well as for the advance given having executed a private bond to the sum of ropias 56245 19/48 or ƒ67494. 15., one lived in hope that according to those obligations he would promptly have discharged this debt, the more so because he had pledged one of his small vessels lying here in the river as security. Yet after much trouble taken, writing, and earnest warnings, it has not been possible to bring it further than that this new debt, through the sending of some cardamom, rice, and some other merchandise that were liquidated, was reduced to a balance of ƒ52677: 6:—. 153. Indication of the resolutions and letters written concerning this matter. The new debt of Adij Ragia has been demanded by the heirs of Mr. [illegible] and satisfied on behalf of the Company annually. From that time until the year 1779, notwithstanding all efforts made, nothing more has been received from him; he has even, casting off all shame, left the Company's letters completely unanswered, however earnestly one wrote to him about it. To give a better idea of the debts of Adij Ragia, to avoid detailed quotations, I refer to the resolutions taken here in council on 1 February 1769 and 22 January 1770, as also to the letters written hither from Batavia under dates of 26 September 1768, 26 September 1769, 25 December 1770, 1 October 1771, 25 December 1772, 30 September 1773, the last of September 1774, 20 December 1775, 11 November 1776, and 30 December 1777; as well as to the letters written from here to Batavia on 11 March and 10 May 1769, 15 March 1770, 31 March 1771, 1 May 1772, 25 March 1773, 28 March 1774, 1 January 1775, 4 January 1776, 2 January 1777, and 2 January 1778. The negligence of Adij Ragia in discharging even these new debts of his.
Dutch transcription
in A„o 1745. zijn aan hem sComp:s passen voor zijne vaartuigen geweijgert. en zijne Raadslieden wier„ den hem afgenomen door de gemeente. ƒ in ao 1759. verzogt, en ver„ kreeg Hij weder 's Comp:s vraendschap. 1752. sloot hij een peper Con„ tract met de Comp: t Jaar daar op wierden door bemiddeling van de Comp: de Colastrij bijgelegt. 1755. wierd met adij ragia een Contract gesloten ter le„ verantie van peper en Carda, „mron op voor ueijt vertreking van 12000. ross:s —. Jongeling, aan de Regeering, en maakte het omtrend de Comp: binnen korten zo bond, dat A„o 1745. gere„ „zolveerd wierd, geene passen voor zijne vaartuij„ „gen te verleenen. —. Ook was de Moorse Gemeente genoodzaakt Item zijne Boote Raadslieden te ontneemen en andere in de plaats te stellen. — Dit scheen van een goede uijtwerking te zijn, doen alzo Aij A„o 1750. verzoek liet om 's Comp=s oude vriendschap, die Hem toegezegt wierd, mits zorg„ „dragende, dat de Cardamom in zijne landen val„ „lende, aan D E: Comp: gelevert wierde. Jn 't Jaar 1752. had Hij zelfs een nieuw peper Contract, met het opperhoofd van Cannanoor aangegaan, en hieldt zig toen omtrend de geschil„ „lin tusschen de Engelsen en de Prinsen van Col„ lastrij neutraal. 's Jaars daar aan lieten de Princen op alle de geschillen tusschen hem en landerijen van Adij Ragia arrest leggen, Hij wierd hier door verleegen, verzogt om 's Comp=s assistentie, door welker mediatie de oude geschil„ „len bij gelegt wierden. Hier op wierd in 't begin van anno 1755. met Adij agia een plegtig Contract geslooten, waar bij Hij beloofde Jaarlijks 2. 3. a 400. Candijlen peper aan de Comp: te zullen leeveren tegen 83. 1/3. ropias. 't Candijl, benevens 10. Candijlen Cardamom markts prijs. g 151. aangeijking van zijn nader gehouden slegt gedrag. en zijn Compostemont om„ trent de Heer Senf. prijs, op welke beijde leverantien, Hij Jaar „lijks vroegtijdig en voor uijt verstrekking zou„ „de krijgen van 12000. ropias. Onder 't artikul van Collastrij blijkt, dat Hij niet lang daar na, zeer nalatig is gewor„ „den omtrend het leveren van peper, maar veel eer quade practiken in 't werk stelden ja hoe hij zelfs, bij de afkomst van den Na„ bab Mijder Hlijchan, en bij de overheeringe van het Collastrijse Rijk, de bestieringe over het zelve heeft weeten te krijgen, waar door Hij be„ „halven zijn eijge schuld aan de Comp: nu ook aanspreekelijk wierd, voor de schuld van Collastrij Jis waar, de Heer Senff met zijn komst van souratta empassant te Cannanoor aange„ „weest zijnde, en met Adij Ragia zelfs gesprooken hebbende, te beloofde Adij Ragia toen, dat Hij 250: Candijlen peper zoude leveren, welke quanti„ „leijd kort daar op ook in der daad geleverd, vervolgens met het schip Popkenburg afgehaald, en door de bediendens aldaar betaald is, dog toen verzogt Hij om eenige ammonitie en andere goe„ „deren, ter somma van rop=s 17360. 27. onder belofte deze somma met de leverantie van peper te zul„ „len vereffenen, of anders in Contant te voldoen zo dat het schijnd als of Hij altoos, maar ge„ „tragt heeft, geld of goed van de Comp: in handen te oorzaak waarom Gannanoor aan adij ragia is verkogt. en wat hij daar op, en op „zijne voorige schuld ten ag„ teren is gebleeven. tof, hoe verre men zijn de„ bet heeft kunnen vermin„ deren. te krijgen. De geringe inzaam van producten, de weij„ nige vertier van koopmanschappen te Canna„ noor, en de geduurige moeijelijkheeden die men daar had, gaven aanleijdinge, dat men in voor„ stel bragt, om zig van Cannanoor te ont „slaan, en die vesting aan den eenen of ande„ „ren voor zeker somma gelds overtelaten, waar toe Haar Hoog Edelheedens bij aparte briev, van den 3. Augustus 1770. qualificatie ver„ leenden, Vervolgens, wierd voor 't vertrek van den Heer Ienf van hier, de fortresse Cannanoor aan Adij Ragia voor de somma van Ropias 100000. –. overgelaten en hlij daar van een ge„ „deelte betaald, en voor het andere zo meede voor de gedaane voor- uijtverstrekking een on„ „derhands obligatie gepasseert hebbende ter som„ „ma van Rop=s 56245 19/48. of ƒ67494. 15. -. zo leefde men in hoope, dat Hij volgens die verbintenissen deze schuld haastelijk zoude hebben voldaan, te meer Hij een zijner scheep„ „jes, dat hier in de revier lag, tot onderpand gesteld had. haar na veel aangewende moeijte schrijvens en ernstige vermaningen, heeft men het niet verder kunnen brengen, dan dat deeze nieuwe van 2 153 „' aanwijzing van de Resoluties De nieuwe schuld van tdij ragia„ is door de Erfgenamen van de Heer „oet men die ine orderen. nieuwe schuld, door het zenden van wat Cardamom, Rijst en eenige andere koop„ „manschappen, die ten gelde gemaakt zijn gebragt is tot op een restand van ƒ52677: 6:— zedert dien tijd tot anno 1779. is ongeagt alle aangewende pogingen, niets, meer van Hem ingekomen, zelfs heeft hij met afleg„ „ginge van alle schaamte 's Comp=s brieven ten eenemaal onbeantwoord gelaaten, hoe ernstig men hem ook daar over scheeef om een beeter denkbeeld te geeven van de en brieven derweegens geschree, schulden van Adij Ragia, to refereere mij ter vermijdinge van omstandige allegaties aan de Resoluties alhier in Raade genomen den 1. febr: 1769. en 22. Janu: 1770. zo ook aan de brieven van Batavia dit heen geschreven onder datis den 26. September 1768. 26. 7ber: 1769. 25. xber: 1770, 1. 8ber. 1771. 25. xber: 1772. 30. 7ber: 1773. laatsten 7ber: 1774. , 20. xber: 1775. 11. Novb:r 1776. en 30. xber: 1777. zo mee„ „de aan de brieven van hier na Batavia geschree„ „ven den 11. maart en 10. maij 1769. 15. maart 1770. 31. maart 1771. 1. maij 1772. 25. maart 1773., 28 maart 1774, 1. Januarij 1775. , 4. Januarij 1776, 2. Janu: 1777. en 2. Januarij 1778. — De nalatigheijd van Adij Ragia, in het af„ en voldaan aan 2 Comp:s weegen leggen, zelfs van deeze zijne nieuwe schulden Jaarlijks weij ven.
English
The mortgaged ship of the Ady Raja was sold here. Being allocated annually to Batavia, Their High Excellencies have had the aforementioned amount of ƒ52677: 6:— transferred from the estate of the late Mr. Senff into the Company's treasury, though with a recommendation to this administration to nevertheless continue to employ all possible means for the collection thereof. Subsequently, the Ady Raja having died in 1778 and this matter also having been referred to Batavia, Her High Excellencies, by letter of 24 September 1779, ordered this administration simply to sell the mortgaged ship of the Ady Raja; however, the successor of the Ady Raja, his niece and Regentess at Cannanore, was first further conferred with regarding payment. The letters exchanged concerning this are entered into the Resolutions of 12 and 25 April, as well as 20 December and 24 November 1779, but nothing following except promises and not the least payment on account, the sale of the ship was proceeded with, about which the Regentess or Bibi has since shown herself very dissatisfied. The ship with its appurtenances yielded, beyond expectations, Ropias 12450. –., which sum was paid to the heirs of the late Honorable Mr. Senff by the High Indian Government, and went toward the reduction of the debt, together with 2436 2/7 Ropias which, by order of the High Indian Government contained in an extract from the minutes of the resolutions in the Council of India on 7 September 1778, were paid by the members of the Council here who signed the Resolutions whereby the advances on credit to the Ady Raja were granted; the debt now still being, after deduction of the one and the other, Ropias 31447¾ or ƒ37737. 6. -. Dutch. He remains indebted for 31447¼ Ropias. Demonstration of his debt. Poor prospect for collecting that debt, and as for seizing his ships, no opportunity seems likely to occur. Hyder Ali Khan's appearance and actions on the Malabar coast. His rise. But besides this, the Ady Raja owes other sums of money to the Company, and also to the late Mr. Weyerman as former chief at Cannanore, wherefore for the sake of greater clarity I show the details below, namely: To the Company: On account of the new debt: ƒ37737. 6. —. On account of the old debt, or the advance on the pepper contract: ƒ14400. —. —. The advance made to the Colastry: ƒ17336. 19. -. Together to the Honorable Company: ƒ69474. 5. —. Private: To Mr. Weyerman: 11080. 30 Ropias: ƒ13296. 8. -. Carried forward: ƒ13296. 8. –. ƒ69474. 5. —. And the additional amount advanced by Mr. Weyerman as stipulated by contract, and paid by him to the Honorable Company, is ƒ1945. 12. 8 Indian or Dutch: ƒ1556: 9: —. ƒ14852:17. —. And in all together, without counting what the Colastry privately remains indebted to Mr. Weyerman, Dutch: ƒ84327. 2. —. Thus it were well to be wished that a good opportunity might present itself to be able to collect this money, and also the old debt of the Ady Raja, in order that the heirs of the late aforementioned Messrs. Senff and Weyerman may remain without loss, but in the present state of affairs there seems to be no prospect at all of getting anything more paid thereon; and I even believe that there will be no other means than seizing his ships whenever they might come into our harbor, for which, however, there also seems to be little hope, as his ships have now for some time no longer called at this harbor and not even at this roadstead, which undoubtedly happens by his express order so as not to be seized here. These aforementioned princes, both great and small, have always belonged only to the Malabar, but now some time ago the notorious Nawab Hyder Ali Khan has played such a singular role that it is one of the most remarkable periods occurring in Malabar history, as he has not only already made himself master of the Colastry and Zamorin territories, but also recently, having made the King of Cochin tributary to him as far as his lands lie north of Cranganore, immediately thereafter attacked the Company's possessions in a hostile manner, made himself master of the region from Cranganore up to Chettua and of Fort Chettua itself, and indeed also attempted to break through past Cranganore, and thus also to invade the Travancore Kingdom. Therefore, special mention should also be made here of this Hyder Ali Khan, of whom there is very much to report, but I shall confine myself to his rise, actions, and personal qualities, from which it will simultaneously appear in its entire context what he has undertaken against us, where and when he was halted, and how matters currently stand. His rise he owes to the Mysore Kingdom, having been born at Colbalapour situated in that Kingdom. It is generally said that he is only of
Dutch transcription
Het veronderpanden schip van dij ragia is hier verkogt Jaarlijks, na Batavia bedeelt zijnde hebben Hun Hoog Edelheedens voorschreeven bedraagen van ƒ52677: 6:—: uijt de Nalatenschap van wijlen den Heer Seuff in 'sCompagnies kassa laten overbrengen, egter met recommandatie aan dit Ministerie, om tot de inpalminge daar van even„ „wel als nog alle mogelijke middelen te blijven in het werk stellen. Vervolgens Adij Ragia in 1778. overleden en zulf ook na Batavia bedeelt zijnde, hebben Haar Hoog Edelheedens bij missive van den 24. Septem„ ber 1779. dit Ministerie gelast om het veronder„ „pande schip van Adij Ragia maar te verkoo„ „pen; men heeft egter hier op de opvolgster van Adij Ragia, zijne Nigt en Regentelse te Canno„ „noor, over de voldoeninge nog eerst nader onder„ „houden, de gewisselde brieven daar over zijn in de Resoluties van den 12. en 25. april, mitsga„ „ders 20. xber: en 24. November 1779. ingeschree„ „ven, dog niets als beloften en geen de minste betalinge in minderinge volgende, is men tot den verkoop van het schip overgegaan, waar over de Regentesse of Bibi, zig 't zedert zeer te onvreede getoont heeft, het schip met zijn toebehooren heeft, buijten verwagting nog geren„ „deert Ropias 12450. –. welke somma aan de Erfgenaamen van wijlen den Edelen Heer Serff„ door 155 Aij blijfd nog schuldig rop 31447¼. demonstratie van sijn schuld. door de Hooge Jndiase Regeeringe is uijtgekeert, en in minderinge van de schuld heeft gestrekt benevens rep=t 2436 2/7. welke op ordre van de hooge Jndiase Regeering, vervat bij Extract uijt de Notulen van het geresolveerde in Raa„ „de van Jndia op den 7. 7ber: 1778. betaalt zijn, door de leeden van den Raad alhier, die de Resoluties, waar bij de verstrekkingen op Credit aan Adij Ragia geaccordeert, zijn, ge„ „tekend hebben; zijnde thans na aftrek van dit een en ander, de schuld nog groot rop=s 31447¾. of ƒ37737. 6. -. Nederlands. Maar behalven deze is Adij Ragia nog an„ „dere sommen gelds schuldig aan de Comp:, en ook aan wijlen den Heer Weijerman als ge„ „weezen opperhoofd te Cannanoor, waarom ik meerder duijdelijkshalven het een en ander hier onder vertoone, te weeten. —. Aan de Compagnie. weegens de nieuwe schuld - - - - ƒ37737. 6. —. weegens de oude schuld ofte het verstrekte op 't peper Contract - - - - - „14400. —. —. 5 Het voor- uijt verstrekte aan Colastrij „17336. 19. -. Te samen aan DE: Comp:. . . ƒ69474. 5. —. Particulier Aan de Heer Weijerman ropias. . . . . . . . . 11080. 30. ƒ 13296. 8. -. Transporteere. . . . ƒ 13296. 8. –. ƒ69474. 5. — slegte apparentie tot de in„ palming dier schuld en dat om zijne scheepen aan teslaan„ schijnt er geen gelegentheijd zal voorkomen. En het meerdere geschootene door de heer Weijerman als bij Contract bepaald en door den zelven aan d' E Comp: voldaan is ƒ1945. 12. 8. Jndias off Nederlands. - - - „ 1556: 9: —„ 14852:17. —. Kaija En in alles tesamen zonder te reekenen het geen Collastrij particulier aan de Heer Weijerman is schuldig gebleeven, Nederlands. . . . . ƒ84327. 2. —. Dus was het wel te wenschen, dat zig een goe„ de gelegentheijd mogt opdoen, om dit geld, en ook de oude schuld van Adij Ragia te kunnen inpal„ men, ten eijnde de Erfgenamen van wijlen gem: Heeren senf en Weijerman buijten schaade mogen blijven, dog in den tegenwoordigen stand der zaaken schijnt der gants geen apparentie te zijn, om iets meer daar op voldaan te krijgen; en zelfs meene ik, dat 'er geen ander middel zal zijn, als het aanslaan zijner scheepen, wanneer die in onte haven mogten komen, waar toe egter ook weijnig hoope schijnd te zijn, alzo zijne scheepen nu al t' zeedert eenigen tijd deze haven en zelfs deze Rheede niets eens meer aandoen, het geen on„ „getwijffelt op zijne expresse order geschiet, om hier niet in beslag genomen te werden. Deeze voorsch: vorsten, zo groote als klijne hebben altoos maar alleen tot de Mallabaar behoort, dog nu eenigen tijd geleden, heeft de be„ P„r Transport. . . . . ƒ132968: — ƒ69474: 5: —: rugte ning Mall 157 Haijder Elijshans verscheij„ Mallabaar. desselfs opkomst. „rugte Nabab Maider Alijshan, en zo eene zonder„ „linge Rol opgespeelt datze een van de aanmer kelijksten perioden is, die in de Mallabaarse His„ „torie voorkomen, alzo Hij niet alleen reeds meester ninge en verrigtingen, op de is van het Collastrijse en Sammorijnse maar ook onlangs den koning van Cochim voor zo verre zijne landen benoorden, Cranganoor leggen paar zig tributair gemaakt hebbende, onmiddelijk daar na Comp:s Bezittingen vijandelijk aange last zig van de Landstreek van Cranganoor tot Chettua toe, en van het Fort Chettria zelfs meester gemaakt, ja ook getragt heeft, voor bij Cranganoor door te breeken, en dus in het Jrevan„ coorse Rijk ook te vallen, derhalven dient hier ook wel speciaal gemeld te worden van dezen. Haijder Alijchan, van wien wil zeer veel te melden vald, dog ik zal mij maar bepaalen tot zijn opkomst, verrigtingen en Perzoneele Hoedanigheeden, waar uijt dan teffens in zijn geheele 't samenhang blijken zal, wat Hij tegen ons ondernomen heeft, waar en wanneer hij gestuit is, en hoedanig de zaa„ „ken tans staan; zijn opkomst, is Hij schuldig aan het Maij„ „soerse rijk, zijnde gebooren te Cholbalapour, gelegen in dat Rijk: Men zegt doorgaans, dat Hij maar van 74. 5. —: 52. 17. —. 27
English
who his father was, what qualities and positions he successively held, and whom he served, is of a common descent, and is even said to have served as a common horseman. However, this is merely a rumor spread by the English, who have portrayed him as a common and contemptible person. But I have inquired closely about him and found that, while he is indeed a man of fortune, a usurper, and a self-made prince, he is at the same time of a decent, or at least by no means common, descent. His father was in the service of the King of Maijsoer, Governor of a province, and also had under his command a corps of sepoys, among whom Haider (for such he was still called at that time) himself served as an officer in his youth. Subsequently, he also became the head over a corps of sepoys of 500 men, with which corps, around the year 1751, he entered into the service of the French Company, where he diligently practiced the art of war and observed everything closely. But some time thereafter, he left the service of the French and went over into the service of the English, where he increased his corps to 3000 men, provided it with artillery, informed himself further in everything pertaining to warfare, and thus quickly acquired an understanding of European maneuvers, so that with his corps of 3000 men, well provided with artillery, he acted quite regularly and did much damage wherever he was employed or stationed. 159 his distinguished service to his fatherland. brought down upon his own head. even a conspiracy to take his life. But while with the English, and receiving news that the Marattas had invaded his fatherland, or rather the Maijsoer Kingdom, with a strong raiding party, he left the English as well and marched with the greatest haste to his country, where he arrived most unexpectedly with his well-trained troops and thus surprised the Marattas, who thereupon immediately withdrew from the Kingdom. By this deed he gained great fame and glory, but at the same time brought down upon himself the greatest envy, jealousy, and the bitterest ill-will of the Maijsoer court grandees. And this latter circumstance especially laid the foundation for his further progress, since it then caused him to play the desperate man and set himself up as a usurper. For the court grandees, unable to tolerate that he was the King's prime favorite and was regarded by the common people in the Kingdom as its savior, consulted with one another to bring him into disgrace with the prince and subsequently to do away with him, contriving this plot with every conceivable cunning, and testing it at that point where human nature is weakest, namely, self-love, getting wind of it the matter felt love of oneself, and the aversion to letting another share in one's interests. For they made the King understand, and believe from all kinds of plausible circumstances, that Haijder was harboring designs, namely to attract the love of the people to himself, to retain the command of the armed forces, and to seek the prince's crown; indeed, that he had already secretly set the necessary measures in motion for this, and that the actual execution was imminent at any moment, which could not be prevented except by quickly doing away with Haider without a moment's delay. The King had the weakness to swallow that bait, and to resolve to eliminate Haider from this world unexpectedly. This, however, was just in time discovered by him, and forced him, for the preservation of his life, just as the plot against him was about to be executed, to take flight in all haste to a considerable distance with 25 resolute horsemen. Having now learned of what he had been suspected, remembering what service he had rendered to his prince, and experiencing how ill he was rewarded, or what reliance he could place on his prince, he then resolved to undertake that very thing of which he had been suspected, 161 and to avenge the evil that they had sought to do him. The reputation he had gained in the Kingdom provided him the opportunity for this, and before the incident was even known throughout the Kingdom, he had already in an instant reassembled his corps, enlarging it with soldiers whom he had been able to gather in the meantime and who also willingly took service under him. With this force he openly rebelled against his King, but gave it the pretext that he only wished to make war upon the King's ministers, who were giving his prince bad counsel, misleading him, and would be the cause of the King's ruin. Because of this, the inhabitants formed no unfavorable opinion of this undertaking of his, and in a short time he overpowered the entire Maijsoer Kingdom. He even took the King prisoner, yet did not mistreat him, but had him kept and guarded under the pretense that the King was practically childish and lacked the understanding to govern the country, and that he would administer the Kingdom for and on behalf of the King, as he still does to this day in the name of the since deceased King's crown prince, who is still young and indeed held in state, yet at the same time very strictly
Dutch transcription
wie zijn vader is geweest. wat voor qualiteijt en hij successive heeft bekleed. en wie hij al heeft gedint van een gemeene afkomste is, en zelfs, als gemeen„ Ruijter zoude gediend hebben, dog dit is eenelijk, een uijtstrooijsel van de Engelse, die Item als een gemeen en veragtelijk perzoon hebben geeraijo„ „neerd, maar ik hebbe mij naauwkeurig na Hem geinformeerd, en bevonden, dat Hij wel een Man „van fortuijn, een usurpateur, en een opgeworpe vorst, maar teffens van eene ordentelijke, ten min„ „sten van geen gemeene, afkomste is: zijn vader was in dienst van den koning van Maijsoer, Gouverneur van een provintie, en had, ook onder zig een korps sipaijs waar onder Haider (want zodanig wierd Hij te dier tijd nog genoemd:/ zelve in zijne jeugt, als officier gedient heeft, vervolgens is Hij ook Hoofd over een Corps Sipaijs van 500. Man geworden, met welk Corps Hij omtrent het Jaar 1751: in dienst van de fransche Compa„ „nie trad, alwaar Hij zig naarstig oessende in de krijgskunde, en alles nauwkeurig, observeerde, maar eenigen tijd daar na, verliet Hij den dienst der Fhansen, en ging over in dienst der Engelsen al„ „waar hij zin Corps tot 3000. Man vermeerderde van Arthillerij voorzag, zig verder informeerde na alles, wat tot het oorlogs weezen behoort, en dus schielijk een denkbeeld van de Europeeze Maneurres kreeg, zo dat hij met zijn Corps van 3000. Man, en wel voorzien van Arthillerij, al ving tamelijk do 159 zijn beuggesen dienst aan zijn Patria. door heeft op den hals ge ehaalt. de selfs een angen swre„ ving om hem het leeven te beneemen. tamelijk regulier ageerde en veel quaad deed, waar hij gebruijkt of geplaatst wierd Maar bij de Engelse zijnde, en tijdinge krij„ H „gende, dat de Marattas met een sterke stroop„ „partij in zijn vaderland of eijgentlijk in het Maijsoerse Rijk, gevallen waaren, verliet Hij de Engelse ook, en trok ten spoedigsten na zijn land, alwaar hij met zijne wel geoefsende troupes, op het onverwagtst aankwam en dus de Marattas overraste, die daar op ten eersten uijt het Rijk weeken, door welke daad Hij een groote naam en roem, dog teffens de grootste afgunst die hij zig daar salougie en de bitterste wangunst van de Maij„ „soerse Hofs=grooten op zig haalde en dit laatste heeft wel voornaamtlijk den grond gelegd, tot zij„ „nen verderen voortgang, vermits het Hem dan ƒ disperaten heeft doen speelen, en zig tot een usurpateur doen opwerpen. —. Want de Hofs grooten, niet kunnende dulden, dat Hij de Eerste gunsteling des konings was, en in het Rijk bij de gemeente aangemerkt wierd, als de behouder, van het zelve, raadpleegde met elkander, om hem in ongenade bij de vorst te brengen, en vervolgens van kant te helpen, over„ „leggende dit werk met alle bedenkelijke list, en beproevende het aan die tijde, alwaar de Mensch het swakste is, namentlijk, de eijge liefde een ve aa —. waar van hij de snof krijgen„ w zaak heeft doen gevoelen liefde tot zig zelfs, en de alkeer om een ander in zijn belangens te laaten deel hebben, want te deeden den koning begrijpen en uijt allerleij schijnbaare omstandigheeden gelooven, dat Haijder swanger ging met projecten, namentlijk om de liefde des volks aan zig te trekken de force van de Militie aan zig te behouden, en den vorst na de kroon testaan, Ja dat Hij daar toe, reeds„ hijmelijk het nodige in 't werk gesteld had, en de dadelijke uijtvoeringe alle ogenblikken stond te geschieden, dewelke niet als door een spoedig van kant helpen van Haider, zonder een ogenblik uijtstel, voortekomen was de koning had de zwak„ „heijd, om aan dien angel te bijten; en te resolvee„ ren om saider op het onverwagts uijt de we„ reld te helpen, het geen egter nog essen van pas„ de de samensijeerders sijn, door hem ontdekt wierd, en Hem noodzaakte, om tot behoud van zijn leven, in allerijl met 25. gere„ „zolveerde Ruijters, zoo als den toeleg op Hem stond te geschieden, op een tamelijke distantie, de wijk te neemen. Maar Hij nu weetende, waar van Hij verdagt, was gehouden, zig herinnerende, welken dienst Hij zijnen vorst beweezen had, en ondervindende, hoe qualijk men hem beloont, of wat staat Hij op zijn vorst te maken had, nam toen voor, om te onderneemen, dat geene waar van Item ver„ dagt 161 „dagt gehouden, had, en te wreeken het quaad dat men Hem had, zoeken te doen, de reputatie die „lij in 't Rijk verkreegen had, gaf Hem daar toe gelegentheid, en eer het geval nog door het Rijk bekent was, had Hij al in een ogenblik zijn Corps weder bij een verzameld, en het zelve vergroot met krijgs volk, dat Hij in die tusschen tijd, had kunnen bij elkander krijgen, en dat ook gewillig onder Hem dienst vam Het deze magt revolteerde Hij opentlijk tegens zijnen koning, dog gaf het de naam, dat Hij maar de Ministers des konings wilde beoorlo„ „gen, die zijnen vorst quaden Raad gaven, mis„ „lijdden en oorzaak van 's konings ondergang zouden zijn, waar door de ingezeetenen geen ongunstig denkbeeld van deeze zijne verrigtinge opvalleden, en mij in korte tijd het gansche Maijsoerse Rijk overweldigde, Hij nam telvs den koning gevangen, dog mishandelde Hem niet, maar liet Hem bewaaren en bewaaken, onder voorgeeven, dat de koning genoegzaam kinds was, en geen verstand had, om het land te regeeren, en dat Hij het Rijk voor, en van weegens, den koning zoude administreeren, gelijk Hij tot heeden toe ook nog doet, op de naam van des, zedert overledenen konings- kroonprins; die nog Jong is, en wel statieus, dog teffens zeer nauwkeurig der
English
How he sought to win the affection of the inhabitants. is accurately preserved: and this is actually the case and the origin through which he has since become as great as he is now. Concerning his deeds and how he further expanded his arms, that in itself contains a detailed history, so far as it has come to our knowledge; therefore I will merely show how, having become possessor of the Maisoerse Empire, he further played his role, up to the juncture in which we now find ourselves; as soon as he was possessor of the Maisoerse Empire, he removed everything that could be in the least hindrance to him; and having still retained respect among the common people by his previous actions, he moreover made use of a political measure to win the affection of the people more and more; for, although he was a Moor or Mahometan, and the Maisoerse was a Gentile Empire, in which latter, as is known, cattle are neither eaten, much less killed, he immediately issued a strict prohibition against the killing of cattle, with the announcement that everyone had freedom in the exercise of his religion, and that if anyone were hindered therein, they could complain directly and would obtain satisfaction. Meanwhile, 163 Consequently he made himself master of the empire of Canara. Care to strengthen himself therein. Meanwhile he also became covetous of that very rich kingdom of Canara, which was then ruled by a queen. In order to give this enterprise some appearance of justice, he spread the word that he had with him the legitimate heir of the Cannareese Empire, who had already been missing for some years, and wished to place him on the throne. Under that pretext, at the end of the year 1762, he unexpectedly made himself master of Biddroer, the ordinary residence city of the kings of that empire; but because the Queen Regent had fled just before with most of her treasures, he hastily pursued her, and overtook her together with her treasures; which victory, through the cowardice of the Cannareese, was shortly followed by the surrender of the entire empire, in which he found indescribably great treasures, besides this Canara being one of the most favorably situated, fertile, and rich lands that can possibly be on this side of the peninsula, so that he was now possessor of those formidable and famous empires Maisoer and Canara. Thus his first care was to secure and fortify the capital Biddroer, the four seaports of Canara, namely Onor, Barsaloor, Bakkanoor, and Mangaloor, as well as the frontiers of the upper lands, especially the seaport Mangaloor; he also made himself strong at sea at the same time, with the construction of some ships, galleasses, gallivats, and other vessels, and furthermore drew to himself the wealth of the grandees through violent means; thus he became continuously mightier and more formidable, to such an extent that the Portuguese granted him assistance underhand, and even allowed many common soldiers, indeed even officers, to pass into his service on leave, merely to keep that dangerous conqueror as a friend, although they have since experienced that he has spared or treated them just as little as other European nations. At that time the Company still had an interpreter at Barssaloor, where the Company previously had a lodge. While he was busy strengthening himself in the Cannareese lands, he thought of the Company and had our interpreter assured of his good intentions and affection toward the Company. He was then at Mangaloor and summoned the aforesaid interpreter to him there, repeated the assurance of his affection for the Company, but also immediately demanded a thousand grenadier muskets. Notice of this was sent to Batavia and it was proposed whether one should not compliment him on the Company's behalf and enter into negotiations with him. 165 Orders from Their High Excellencies on how to conduct oneself with him here. A conspiracy against his life discovered by him and punished. But Their High Excellencies, early on understanding that he was not the man to achieve anything good with, according to the Company's policy, recommended that one should try to preserve unaffected the respect he professed to have for the Company, and to excuse his requests for military goods in the most fitting manner, remarking that it did not suit the Company to establish itself further between Souratta and Cochim, that in the long run one could not rely on this conqueror's friendship, but that one must nevertheless not lose sight of neutrality. At this time he discovered an enterprise aimed at his life by 18 prominent Cannareese grandees, who, through sorceries very common among the heathens, had wished to do away with him; but as soon as he discovered this, he ordered a severe execution to be carried out, had them put to death through the cruelest tortures, and declared their considerable possessions, which they had hidden, to be forfeited.
Dutch transcription
hoedanig hij de genegend„ heijd der inweonders heeft tragten te winnen. nauwkeurig bewaard word: en dit is eijgentlijk er het geval en de oorsprong waar door hij zedert zo groot geworden is, als hij tans is zijne verrigtingen aangaande en hoedanig hij zijne wapenen verder uijtgebrijd heeft, bevat alleen eene omstandige historie op zig zelfs, voor zo veel tot onze kennisse gekomen is, derhalven zal ik maar aantoonen, hoe hij bezitter van het Mai„ soerse Rijk geworden zijnde, verder zijn rol ge „speelt heeft, tot op het tijd stip toe waar in we tans zijn; zo dra hij dan bezitter van het Maisoerse Rijk was, deed Hij alles uijt den weg, wat stem maar Minderlijk konde zijn; en door zijne voorige verrigtingen nog agtinge, bij de gemeente behouden hebbende, bediende Hij zig boven dien nog van een staads-middeltje om de genegentheid des volks meer en meer te winnen, want, schoon Hij een Moor of Mahomelaan, en het Maijsoerse een Mijdens Rijk was, in welk laatste, gelijk bekend is, geen koebeesten gegeeten veel min gedood worden, zo liet hij ten eersten een scherp verbod uijtgaan tegen het dooden van koebeesten met be„ „zentmakinge, dat een ider vrijheid, had in het oefsenen van zijn godsdienst, en dat niemand daar in gehindert wordende, direct klagen kon en satisfactie erlangen zoude ter Jntusschen 163 diervolgens heeft hij zig mes„ van Canara. zorge, om zig daar in te versterken. Jntusschen wierd hij ook belust op dat schat„ ter gemaakt van het rijk„ rijke koningrijk van Canara, het geen toen door een koninginne bestierd wierd. — om aan deeze onderneeminge eenigen schijn van regtveerdigheid tegeven, spargeerde Hij, dat Hij den wettigen Erfgenaam van het Cannaree„ „te Rlijk, die al voor eenige jaaren vermist was, bij hem had„ en op den trom wilde stellen. onder dat voorwendsel maakte Hij zig in 't laatst van het Jaar 1762. op het onverwagts, meester van Biddroer, de ordinaire Residentie stad der koningen van dat Rijk, maar dewijl de koninginne Regentesse effen te vooren met haare meeste schatten de vlugt genomen had, zo zette Mij Maar ijlings, na, en agterhaalde te met d haare schatten, welke overwinninge door de las„ hartigheijd der Cannareezen, in 't kort gevolgd wierd, van de overgave van het geheele Rijk, waar in hij onbeschrijflijk veel schatten vond, be„ „halven dat dit Canara een van de aller=-gete„ „gendste, vrugtbaarste en Rijkste landen is, die mogelijk aan deeze zijde van het schier Eijland zijn, zo dat Hij nu bezitter van die gedugte en beroemde Rijken Maisoer en Canara was. — Dus was zijn eerste zorg om de Hoofdstad Bid„ „droer, de vier zechavens van Canara namentlijk onos, Barsaloor, Bakkanoor, en Mangaloos, bene vens lijk dert e heeft hulpen van de Portu„ geezen erlangd. Betuijging van genegentheid van hem voor de Comp: en ver„ soek om geweiren. „vens de frontieren van de boven landen te se„ „cureeren en te fortificeeren, voornamentlijk de zee haven Mangaloor ook maakte Hij zig teffens sterk ter zee, met den aanbouw van eenige scheepen, paalen, galwets en andere vaartuijgen, en trok voorts de Rijkdommen der Grooten, door geweldige middelen aan zig, dus wierd Hij algaande weg magtiger en ont„ P C„ Zaggelijker, in zo verre dat de Portugeesen Hem onder de hand assistentie verleenden, zelfs vee„ „le gemeene, Ja zelfs officieren met verlof in zijn dienst lieten overgaan, om dien gevaarlij„ „ken Conquerant, maar tot vriend te houden, schoon te 't zedert ondervonden hebben dat Hij Hun daarom ze min ontzien of gemena„ „geerd heeft, als andere Europeeze Naties, je dier tijd had de Comp: nog een Tolk te Barssa„ „loor, alwaar de Comp: bevoorens een logie gehad heeft, Jen Hij bezig was, zig in het Cannareeze te ver„ „sterken, dagt hij aan de Comp: en liet aan onzen Jolk zijne goede intentie en genegentheijd omtrend de Comp: verzekeren: Hij was toen te Mangaloor en ontbood daar voorsch: tolk bij zig repeteerde de verzekeringe van zijn genegentheid voor de Comp: maar eijschte ook al ten eersten, duijsend Granadiers geweeren Men gaf hier van na Ba„ „tavia kennis en sloeg voor, of men item sComp=s weegen dre 165 Haar Hoog Edelheedens or„ ven moet. Een samensweering op zijn straft. weegen niet diende te laten Complimen teeren en met Hem in onderhandelinge te treeden. Maar Haar Hoog Edelheedens, al vroeg die hoe men hier met hem le, begrijpende, dat Hij de Man niet was, om volgens het sijsthema van de Comp: met „em iets goeds te verrigten, recommandeer„ „den dat men de agtinge, die hij voor de Comp: betuijgde te hebben, ongeflatteerd moest tragten te Conserveeren en zijne verzoeken om wapen goederen, op de best voeglijkste wijze te excuseeren, onder remarque dat het de Comp: niet Convenieerde, zig tusschen sou„ ratta en Cochim verder te etablisseeren, dat men op den duur van dezen Conquerants vriend„ „schap geen staat kon maken maar dat men egter de neutraliteit niet uijt het oog moest verliezen Jn deze tijd ontdekte Hij een onderneeminge leegen, bij hem onder in ge„die op zijn leven toegelegt was, van 18. voorna„ me Cannareese grooten, dewelke door konste„ narijen, bij de Heijdenen, zeer gemeen, Hem hadden willen van kant helpen, dog zo dra hij zulx ontdekte, liet Hij een zwaare exe„ lutie oeffenen, mun door de wreedste pijnen„ ter dood brengen, en hunne aanmerkelijke bezittingen, die te verborgen hadden verbeurt verklaaren
English
sounoer and wengapoer captured by him. likewise sunda, from which the prince fled to Goa: alliance of some Portuguese against staijder Alij, he was not willing to declare. Subsequently he conquered the lands of hounoer and wengapoer, situated north of Canara. Hereupon he advanced unexpectedly northwards, and in a short time became Master of the Kingdom of sunda, from which the prince took flight to Goa, and through the secret cooperation of the Portuguese entered into an alliance with the Marattas against Maijder, which occurred in the beginning of the Year 1764. To this alliance were joined the princes of Molandin and Bonsolo, through the agency of the Portuguese, and to which force the Portuguese incognito also added some men to deal him there, if it were possible, a severe blow, since he had already approached the borders of Goa, where he indeed had an encounter that did not turn out to his advantage. The Portuguese, upon closer consideration, wishing afterwards to make peace with him, realized that it was not their business to meddle in affairs, changed their plan, and sought to reach an accommodation, but fruitlessly, and the Nabab remained the possessor of Sunda. Among his troops he already had successively European deserters of all kinds of nations, besides those who were in his service on leave from Goa; but he was principally 167 assisted in hope of return favors. desertion of a troop of Frenchmen to Goa. appearance of Adij nagia before him. the French have assisted him greatly. principally he was provided with Frenchmen, for in making conquests he also kept in view the Nabab of Carnatika, Mahomet Alij, and knowing how very unfavorably the French regarded the interests of this Nabab, he continuously corresponded with the French both at Mahe and at Pondicherij, and managed to obtain from them many Europeans and munitions of war, just as the French on their part also kept Maijder Alijchan in their sights, in order in time and in the turn of events to make use of him; through them then, as has been said, he had a fine troop of Frenchmen in his service. And around this time occurred that well-known incident, namely that from the camp of kai[illegible] about 400 men, both cavalry and infantry of these Frenchmen, ran away from him with their horses and weapons, and sought a safe refuge via Goa, on account of the discontent they had conceived against him due to mistreatment. Meanwhile the Moorish Regent Adij Ragia went in person to him, as I have already noted in the description of him, and it appeared afterwards that he had already arranged then to obtain the dominion of the Collastrijse Kingdom, in case it should be conquered by the Nabab. peace between him and the Marattas. his appearance on the Malabar. and conquest of the Collastrijse kingdom. the Colastrijse Nairs wanted to raise their heads. but were terribly punished for it by the Nabab's forces. Subsequently matters were settled between the Nabab and the Marhellas, as well as the allied princes, but immediately he prepared anew to extend his arms further, without anyone knowing where to; but shortly thereafter it appeared that he was aiming at the Mallabaar, for all of a sudden he came down southwards in the month of February 1766, and made himself unexpectedly Master of the entire kingdom of Colastrij. And while the king with his family took flight to the Travancore Kingdom, the governance over the Collastrijse was assigned to the aforementioned Moorish regent Adij Ragia. Meanwhile the Nabab maintained good order among his troops, and thereby enticed the fled inhabitants to return; nevertheless the Collastrijse Nairs afterwards raised their heads, attacked the Nabab's troops, and cut down about 100 men thereof, but for this he took immediate revenge, gave orders to murder everything that was Nair, which caused a terrible massacre and a terror, so that those who could escape fled, those who could hide themselves 169 the Kingdom given to Adij Ragia. marches further to the Samorin's territory. defeats the Samorin king and makes himself master of Calicut. hid themselves, and after the bloodbath had ceased, gradually came forth and further kept quiet, just as the Colastrijse inhabitants have since kept quiet and submitted to the yoke of their new Master, although heavy burdens were imposed upon them, since Adij Ragia, upon assuming the Kingdom, was at the same time stipulated to yield an annual contribution from the Kingdom, so large that it could not easily be raised therefrom, for which reason Adij Ragia has also always remained in arrears with his contribution. Subsequently he turned further towards the Samorin Kingdom, marched up to Tellicherry, and encamped with his army at the river there, which separates the Samorin from the Colastrijse. Yet the king of the Samorin and the further princes of Colastrij had assembled and encamped on this side of the river to prevent the Nabab from crossing, and it was thought at that time that he would have much work there and would have to lose men before he could get across; nevertheless, shortly thereafter he crossed the river with some loss, advanced immediately, defeated the
Dutch transcription
sounoer en wengapoer door hem vermeestert. zo meede sunda waar van de voort na Goa vlugte: verbintenisse van eenige tugeesen tegens staijder Alij„ heeft hij niet gewilt verklaaren. Vervolgens veroverde Hij de landen van hou„ noer, en wengapoer, leggende benoorden Canara Hier op rukte Hij op het onverwagts noord„ waards op, en wierd in wijnigteijd Meester van het Rijk sunda, waar van de vorst, na Goa de vlugt nam, en door Hijmelijke mede-werkin„ „ge van de Portugeeken, met de Marattas een verbond aanging, tegen Maijder, het geen voor„ „viel in 't begin van het Jaar 1764. —. Bij dit verbond, voegden zig de vorsten van vorsten door toedoen der po„ Molandin en Bonsolo, en bij welke magt de Portugeezen in Cognito ook eenig volk voegden om hem daar, waare het mogelijk, een gevoe„ „lige neep te geven, alzo Hij reeds op de gren„ „ten van Goa genadert was, gelijk hij dan ook daar een rencontre gehad heeft, die niet in zijn voordeel uijtviel de portugeesen naderhandingt Maar de Portugeezen nader inziende, dat zijne hem vreede willende maken het Hunne zaak niet was, zig met zaaken te bemoeijen veranderden van Concept; en zogten een vergelijk te maken, maar vrugte„ „loos, en de Nabab bleef bezitter, van Sunda. Onder zijne troupes had Hij toen reeds succes„ „sive Europeeze Dezerteurs van allerleij Naties behalven de geene, die van Goa met verlof bij hem in dienst waaren; maar voorna„ mentlijk 167 g'assisteert op hoop van weder„ gunst. dezertie van een troup fran„ der na Goa. verschijning van Adij nagia bij hem. de franschen hebben hem zeer„ mentlijk was Hij voorzien van Fransen want Hij bij het maken van Conquesten den Nabab van Carnatika Mahomet Alij ook al in 't oog hebbende, en weetende, hoe zeer de Fransen de belangens van dezen Nabab ongunstig zijn heeft doorgaans met de Fransen zo te Mahe, als te Pondicherij gecorrespondeert, van Hun ook veele Euro„ „peezen en ammunitie van oorloge, weeten te krijgen, gelijk dan ook de Franschen aan hunne zijde Maijder Alijchan, ook in 't visier gehouden hebben, om zig met er tijd en bij omwenteling, van zaken van Hem te bedienen; door Hun dan, had Mij gelijk gezegd is, een schoone troup Fransen in zijne dienst en in dezen tijd gebeurde eigentlijk, dat bekent ge„ schen uijt het Camp van kai„ val namentlijk dat Hem omtrend 400. Man to Cavallerie als infanterie van deze Fran„ „schen, met Hunne paarden en wapenen, ont„ „liepen, en over goa een goed heen komen zogten, uijt hoofde van onvergenoegdheid, die ze tegens hem, wegens mishandelinge, opgevat hadden. Jntusschen ging de Moors Regent Adij Ragia in perzoon na Mem toe, gelijk ik bij de beschrij„ „vinge van Iem reeds genoteerd hebbe, en het is naderhand gebleeken, dat hij toen al bewerkt heeft, om de keerschappije van het Collastrijse Rijk n vreede tusschen hem en de Marattas. 9 zijn vertooning op de Mal„ Kabaar. en overhegring van 't Colla„ trijse rijk. de Colastrijse Nairossen heb„ willen opsteeken. maar zijn deerlijk door de„ Rijk te verkrijgen, ingevalle het door den Na„ „bab mogte overheert worden. Vervolgens wierden de zaken bijgelegt, tussen de Nabab en de Marhellas, benevens de ge„ conjungeerde vorsten, maar onmiddelijk prepa„ „reerde Hij zig op nieuw, om zijne wapenen verder uittebreijden, zonder dat men wist, waar heen, maar kort daar op, bleek het, dat Hij het op de Mallabaar gemunt had, want eens„ klaps quam Hij Zuidwaards af; in de maand februarij 1766, en maakte zig op het onver„ wagts Meester van het geheele rijk van Co„ lastrij, en terwijl de koning met zijn familie de vlugt nam na het frevancoorse Rijk, zo wierd de bestieringe over het Collastrijse opge„ „dragen aan den voorsch: Moors regent Adij Ragia. Jntusschen hield de Nabab goede order onder J zijne troupes, en lokte daar door de gevlugte Jnge„ zetenen, om weder te keeren, egter hebben, de Collas„ ben wel zedert, de hoorens „ rijse Nairossen de koppen eens bij elkander ge„ stooken, op 's Nababs troupes aangevallen, en omtrend 100. Man daar van neder gezabelt, maar hier over nam Hij ten eersten wraak, gaf or„ „der, om alle wat Nairos was te vermoorden, waar door een ijsselijke masacre, en een schrik nababse daar over gestraft. veroorzaakte, zo dat de geene, die 't ontkomen konden, vlugtten, die zig verbergen konden, zig 169 het Rlijk van Adij Ragia gegeven. trekt verder na 't sammo„ rijnse verslaat de sammorijnse ko„ inmaakt zig meester van Cali„ zig verbergden, en na dat het bloed bad gestilt was, gaande weg voor den dag quamen en zig voorts stil hielden, gelijk dan ook de Colastrijse ingezetenen, zig zedert stil gehouden en het Jok van Kunnen nieuwen Heer onderworpen hebben, schoon hen egter zwaare lasten opge„ „legt wierden, alzo Adij Ragia, bij het aan„ „vaarden van het Rijk teffens, bepaalt waart eene Jaarlijkse Contributie uijt het Rijk op„ tebrengen, zo groot dat dezelve niet wel voegelijk daar uijt kon geformeerd worden, en waarom Adij Ragia ook altoos met zijne Contributie ten agter gebleven is. Vervolgens wendende Hij het verder na het Sammorijnse Rijk, trok door tot voor Jallicherij en Campeerde met zijn armee aan de revier aldaar, die het sammorynse van het Colastrijse afschijd: Dog de koning van Sammorijn en de verdere „ning en de Colastrijse princen princen van Colastrij, hadden zig vertameld en gelegert aan deze zijde van de revier, om den Nabab den overtogt te beletten, en men dagt te dier tijd ook, dat Hij daar veel werks zoude hebben, en volk moeten verlie„ „zen, eer hij over kon komen, nogtans pas„ seerde Hij kort daar op de Revier met eenig verlies rukte onmiddelijk voort, sloeg den ia dect. en
English
cuts down the Zamorin's people, who takes his own life. Has an encounter with the English at Jallicherij and defeats them. through the Zamorin's, and the Colastrijse Nairos gathered there, and caused such a great slaughter that few of them escaped, while he had those who fled pursued by his cavalry, and most of them massacred, continuing his march further southwards, while in the Zamorin's territory everything gave way before him, and he thus arrived at Calicoet on 20 April 1766, and with little trouble made himself master of the entire Zamorin kingdom, so that he was then already master of half of the Mallabaar Coast. Holding the Zamorin Kingdom, he also captured the king, whom he treated contemptuously, held prisoner in his own palace, mocked, and threatened to have him flogged like a common Mallabaar if he did not reveal the treasures, whereby the Zamorin took his own life, as that case is further demonstrated under the article of the Zamorin. After this he had an encounter with the English at Jallicherij, who wanted to meddle in his affairs, and wanted to make his people, who were lodged there in a nearby pagoda, move away, but where the English fell short, and had to take flight in the utmost confusion, leaving behind the 3 metal cannons and 2 mortars they had with them. The Zamorin's Nairos, however, did not remain quiet, but constantly raided the land; various skirmishes occurred, but as soon as the Nabab's troops made a vigorous sally, the Nairos retreated into the forests and onto the mountains; but since the Marattas then gathered again to advance upon Heijder, and he therefore had to send all his forces upcountry, the crown prince of the Zamorin, who had stayed close at hand, but in the Kingdom of Jrevancoor, namely in the Paroese territory, was restored to the Kingdom, on condition of paying contribution to the Nabab. Meanwhile, or before the Marattas had come down, it was feared here that this conqueror would advance his victories further southwards; thus it was resolved here to compliment him on his victories by express commissioners, and to see if one could fathom his further intentions. He was then still at Calicoet, where he received our commissioners courteously, and responded favorably to their proposals. The main substance of the commission consisted of informing him what privileges the Company had held of old in the Zamorin's lands, and that the kings of Cochim and Trevancoor were allies of the Company, with the request that the region from Chettua to Cranganoor be spared by him, and the aforementioned kings be left unmolested. His answer mainly came down to this: 1. That he wished to make an everlasting alliance with the Company, and supply products from his land, provided he was also accommodated whenever he might need anything. 2. That if the Company needed it, he would assist them with 30,000 men by land and with his naval forces, provided he could expect the same from the Company. 3. That if he were to march further southwards, the Company must supply him with 1,000 men (Europeans), whom he would pay and maintain himself. 4. That passing the region of Chettua, he would not molest the Company's vassals and subjects, and out of respect for the Company would not alarm the lands of the king of Cochim (NB: it is noteworthy that he did not mention Jrevancoor, but did mention Cochim, as proof that he already had his eye on that Pepper Kingdom; nor is it without remark that he did not promise not to march armed troops across our territory, but rather that passing our territory he would do no harm to the inhabitants, as proof that he was even then not minded to spare the Company's soil). 5. That he was even willing to cede more lands to the Company than it possesses. 6. That he granted us free trade, as far as his territory extends northwards or might in time come to extend. 7. That we could restore the residency at Barssaloor, and might also establish a residency at Pananij or Calicoet, and more besides. In a word, he sought then already what he has sought until the very end, namely merely to string the Company along and enter into an offensive or defensive treaty with him; he also wrote a letter to Batavia concerning this. All this was answered here in the friendliest manner, and regarding his supreme aim it was declared that one would apply to Batavia about it. But his promise, namely not to trouble the king of Cochim, he made not
Dutch transcription
seemt don. ammorijnsen del omselvene, die zig zelfs het leven beneemt. krijgt een rencontze met de Engelschen te Jallicherij en verslaat deselve door sammorijnse, en de daar bij verzamelde Colas„ „trijse Nairos heen, en rigtte eene, zo groote slagtinge aan, dat 'er wijnige van ontquamen, terwijl Hij de geene, die 't ontliepen, met zijn ruijterij liet nazetten, en de meeste daar van massacreeren vervolgende zijne marsch verder Zuijdwaarts op terwijl, in 't sammorijnse alles voor Hem week en Hij dus den 20: april 1766. te Calicoel aan„ „quam, en met wijnig moeijte van het geheele sammorijnse rijk meester wierd, zo dat hij toen van de helft van de Mallabaarse Cust reeds meester was. Het sammorijnse Rijk, inhebbende, kreeg Hij koning gevangen, mishan ook den koning gevangen, denwelken Rij verag„ „telijk handelde, in zijn eijge paleijs gevangen hield, bespottede en dreijgele Hem als een gemeen Mallabaar, te zullen laten Chambokken, indien Hij geen aanwijzinge van schatten deed, waar door de sammorijn zig zelfs om het leven bragt, gelijk dat geval onder het artikul van den sammorijn nader aangetoond is. Hier na had hij een rencontre met de En„ gelse te Jallicherij, die zig met zijne zaken wilden bemoeijen, en zijn volk, dat daar in een na - bij gelegene pagood lag, wilde doen verhuij„ „zen, dog alwaar de Engelse, te kort schooten, en in de uijtterste Confusie de vlugt moesten nee„ men „ 171. de Samorijnse nairossen maak„ ten wel eenige beweegingen maar wierden verslagen. „herstelling van de kroon in het rijk mits betalende Contributien zending van sComp:s gecom„ dienmitteerdens na den Nabab. „men, met agterlatinge van de bij hun hebbende 3. metale kanons en 2. mortieren De sammorijnse Nairossen bleeven egter niet stil, maar stroopten geduurig in 't land, verschei„ de schermutselingen vielen 'er voor, maar zo dra 's Nababs troupes maar een dugtigen uijt „val deeden weeken de Nairossen in de bossen en op de gebergten maar vermits de Marat„ „tes zig toen weder verzamelden om op Heijder aftekomen en Hij dus alle zijn magt na bo„ prins van den sammorijn ven moest zenden, zo wierd de kroonprins die zig bij de hand, dog in het Rijk van Jre„ „vancoor, namentlijk in het Paroese opgehou„ „den had, in het Rijk hersteld, mits Contru„ „butie aan den Nabal betalende. Jntussen, of voor dat de Marattas afgekomen waaren, was men hier bedugt, dat deze Con„ querant zijn overwinninge verder zuijd„ „waarts zoude voortzetten; dus rezolveerde men hier, om hem per expresse Commissian, „ten wegens zijn overwinninge te laten Com„ „plimenteeren en te zien of men zijne verderen intentie door gronden kon. Hij bevond zig toen nog te Calicoet alwaar hij onze gecommitteerdens beleeft ontving, en op Hunne voorslagen favorabel antwoordde Het Hoofdzakelijke van de Commissie bestond, om Colas ge een stond. het antwoord van den Na„ waar in de Commissie be„ om „hem te informeeren, welke voorregten de Comp: in het sammorijnse van ouds bezat, en dat de koning van Cochim en frevancoor, bond„ „genooten van de Comp: waaren, met verzoek dat dus de landstreek van Chettua tot Cranganoor door ulem gemenageert, en voorsch: koningen ongemollesteerd mogten gelaten werden. bab aan de gecommitteer„ zijn antwoord quam hoofd zakelijk hier op uijt 1. / Dat Hij een eeuwig -duurend, verbond, met de Comp: wilde maken, en producten uijt zijn land leveren, mits Hij ook gerieft werde, wanneer Hij iets mogte nodig hebben. —. 2. /. Dat indien de Comp: het nodig had, Mij Haar wilde assisteeren met 30'000. Man, te lande en met zijne magt, ter zee, mits Hij zulx van de Comp:, ook te wagten had. 3. Dat zo Hij verder Zuijdwaards mogt optrek„ „ken de Comp: hem 1000. Man (Europeezen:/ moest bijzetten, die Hij zelfs betalen en on„ „derhouden, zoude 4. Dat Rij, de Landstreek van Chettua passee„ „rende 'sComp=s vassalen en onderdanen niet molesteeren en de Landen van den koning van Cochim, ten respecte van de Comp: niet allarmeeren zoude /NB: het is speculatief dat Hij Jrevancoor niet noemde, maar wel Cochim ten bewijze dat Hij dat Peper Rijk dens. 173 zijn intentie om met de Comp: een of en devensieve tractaat te sluijten ten beloofde Item daar over na Batavia te zul„ len schrijven. Rijk toen al in het oog had, ook is het niet buijten remarque, dat hij niet beloofde, geen gewapend volk over onze landstreek te zullen laten trekken, maar wel, dat hij onze land„ streek passeerende de ingezetenen, geen quaad zoude doen, ten bewijze dat Hij toen al niet van sints, was 's Comp=s grond te menageeren. 5. / Dat Hij zelfs de Comp: nog meer Landen wilde afslaan, als ze heeft. 6. / Dat Hij ons vrijen Mandel toestond, zo verre zijn gebied noordwaarts strekt of in der tijd nog mogt komen te strekken. 7. Dat wij de Residentie op Barssaloor weder kon„ „den herstellen, en te Pananij ofte Calicoet ook een Residentie mogten stellen en wesmeer. Met een woord, Hij zogt toen al, het geen Rij„ tot op het laatste toegezogt heeft, namentlijk om de Comp: maar aan het lijntje, te krijgen, en met Hem een offensie, of defensier fractaat aantegaan, ook schreef Hij een brief na Batavia hier over. Dit een en ander wierd hier op het vriende„ lijkste beantwoord, en nopens zijn Hoogst oog„ merk verklaard, dat men zig daar over na Ba„ tavia zoude addresseeren. Maar zijn belofte, namentlijk om de koning van Cochim niet te zullen moeijen, maakte Hlij en „ dat oor gen it de land eer ann zijn hoek „ g niet
English
from the kings of Trevancoor and Cochijm he demanded contribution conditionally afterwards, as he desired that something should nevertheless be contributed to him in order to make good his war expenses, and that the Company should not only take the mediation thereof upon itself, but likewise dispose Trevancoor to the delivery of a good sum, with the addition that if the latter was not inclined, he would then pay him a visit, demanding at the same time from the king of Cochim 4. Lak rupees and 8. Elephants, and from the king of Trevancoor 15. Lak rupees and 30. Elephants. Concerning this one conferred with these princes, but Trevancoor declared that he had given this conqueror no reason to demand money from him, that he, being a tributary of the Nabab Mahomet Alij, cannot contribute to two sides, but that he was willing to send envoys with a present to the Nabab, and at the same time have it proposed to the Nabab to restore the kings of Collastrij and Sammorijn again for a good sum of money, which these princes would contribute to him, provided the Nabab then turned back from the Mallabaar to the North again, but Trevancoor also added specifically that the Company must also let its deputies go along; and the king of Cochim answered that he left his affairs to the Company, likewise requesting that one might bring about that Collastrij and Sammorijn were restored. But it was understood that nothing would come of such a negotiation, that the Nabab demanded too much, and the aforesaid kings wanted to give little or nothing, that one might thereby get into delicate circumstances, and easily take a step contrary to neutrality; at least it was decided on the Company's behalf not to let any deputies go along, but to let the matter rest there, and to await the orders of Their High Excellencies, as one then made known to Cochim and Trevancoor, who thereupon declared that they then also did not wish to send any envoys to the Nabab; thus one gave notice to the Nabab that one had made his proposals known to the kings of Cochim and Trevancoor, nothing more, and one reported this all in detail to Batavia under dispatch of the Nabab's letter and gifts, as can be seen in the separate letters to Batavia of that time, or actually of the year 1766. But anno 1766 in the month of October, for then it is time to begin something here, because the favorable monsoon opens then, one thought that he would advance on Cochim and Trevancoor, but he, receiving word in the month of January thereafter that the Marattas with the Nabab of Decam named Nisam Alij were on the march to invade the Maisore country, broke camp with his army, and threw himself with it into his capital city Seringapatnam, wherein he was blockaded and encircled; two months thereafter he again found means to rid himself of the enemy through money, who thereupon withdrew. Meanwhile, or while he was still dealing with the Marattas, there arrived in the beginning of the year 1767 a letter with counter-gifts from Batavia for the Nabab. On the 20th of February 1767 his fleet arrived here in the roads, consisting of 28 sails; two envoys from the fleet came ashore, making known that this fleet had come to seek out the Marattas and to secure this coast, whereupon it departed again to the North the following day; and since he had meanwhile reached an agreement with the Marattas, one also did not hear that these fleets sought each other out further. Now having his hands free again, he disposed the aforesaid Decan Nabab Nisam Alij to march out together against the Nabab Mahomet Alij and the English, and first of all to overpower Trisnapallij and the Madura country, as they also marched out together, on which occasion Nisam Alij through his influence obtained from the Mogul a Nabab's patent and a robe of honor for Maijder Alijchan, from which time onward he actually first bore the name of Nabab. However, these two now marching together towards the Trisnapallij country, and the English lying encamped there with Mahomet Alij, it came to a general engagement; Nisam Alij took flight quickly and in time, and Haijder Alij Chan had to take refuge in the Maisore country with great loss; meanwhile Nisam Alij gave a good sum of money to the English and Mahomet Alij, whereby he got off free. Here the English and Mahomet Alij approached the Maisore country, and besieged Maijder Alijchan in his border fortress Bengaloer, wherein he offered desperate resistance. One of his sons, being in the field with a flying army, inflicted all possible damage upon the besiegers; the English, to give him work on two sides, fitted out a fleet at Bombaij in the month of March 1768, and with it master a portion of the Nabab's fleet and conquer Mangaloor.
Dutch transcription
van de koningen van Crevan„ Contributie antwoord van die koningen daar op „lij naderhand Conditioneel, alzo Hij begeerde, dat hem egter iets moest gecontribueerd wor„ coor en Cochijm Eijschte hij den ter goed-makinge van zijn oorlogs ongelden en dat de Comp: niet alleen de mediatie daar toe op zig zoude neemen, maar ook Jrevancoor. insgelijks disponeeren tot de afgave van een goe„ ba „de somma, met bijvoeginge, dat indien deze niet inclineerde, hij hem dan een visite zou„ „de geven, eijsschende teffens van den koning van Cochim 4. Lak ropijen en 8. Eliphanten, en van den koning van Jrevancoor 15. Lak ropijen en 30. Eliphanten. Hier over onderhield men deze vorsten, dog fre„ „vancoor verklaarde dat Hij dezen Conquerant geen reeden gegeven had, om van hem geld te Eijsschen, dat hij een tributair van den Na„ „bab Mahomet Alij zijnde, aan geen twee zijden, Contribueeren kan, dog dat Hij wel gezanten met een present aan den Nabab wilde zenden, en teffens den Nabab laten voorslaan, om de koningen van Collastrij en sammorijn, weder te herstellen voor eene goede somma gelds, die deze vorsten hem zouden Contribueeren, mits de Nabab dan van de Mallabaar weder na de Noord keerde, dog fre„ vancoor voegde 'er ook wel speciaal bij dat de Comp: Haare gecommitteerdens meede moest laten 175 men heeft zig g'exeuseert die 'sComp:s weegen den Na„ bab bekent te maken. „ schenken van den Nabab na goede Batavia. laten gaan; en de koning van Cochim antwoor„ „de, dat Hij zijne zaaken aan de Comp: overliet, verzoekende insgelijks dat men mogt bewerken dat Collastrij en sammorijn hersteld wierden. Dog men begreep, dat 'er van zo een onderhan„ „delinge niets komen zoude, dat de Nabab te veel Eijschte, en voorsch: koning wijnig of niets: geven wilden, dat men hier door in netelige omstan„ „digheeden zoude kunnen geraken, en ligtelijk een stap doen, strijdende tegen de neutraliteit ten minsten men besloot van 'sComp=s weege geen gecommitteerdens mede te laten gaan, maar het daar bij te laten berusten, en Haar Hoog Edelheedens ordres aftewagten, gelijk men dan zulks aan Cochim en frevancoor bekent maak„ „te, die daar op verklaarden, dan ook geene zende„ „lingen aan den Nabab te willen zenden dus gaf men den Nabab kennis, dat men zijne voorsla„ „gen, aan de koningen van Cochim en frevancoor had bekent gemaakt, zonder meer, en men be„ zinding van een brief en ge„deelde dit een en ander omstandig na Batavia onder afzending van 's Nababs brief, en geschenken, gelijk bij de aparte brieven na Batavia van dien tijd, of eijgentlijk van 't Jaar 1766. te zien is. Maar anno 1766. in de maand october /want dan is het tijd om hier wat te beginnen, om dat dan de goede mousson opengaat /meende men dat oor goe„ zou„ re„ en en ou t vertrek van den Nababaase„ verscheide vijanden aangelast dog weet weder vrij te haken. ontfangst, van een brief en Contra present voor den Va„ „bab van Batavia. verscheijning van 's Na„ met Sisam Alij tegens Ma„ dat Hij op Cochim en frevancoor zoude afko„ men maar Hij in de maand Januarij daar aan berigt krijgende, dat de Marattas met de Na„ „bab van Decam gen=t Nisam Alij in aantogt waaren, om in het Maisoerse te vallen, brak ringapatnam werd aldaar door ' hij met zijn leger op, en wierp zig daar meede in zijne Hoofd-stad Seringapatnam, waar in Hij geblocqueert en omcingeld wierd, twee maan„ „den daar na vond wij weer middel, om zig van de vijand door geld te ontslaan, die daar op aftrok.„ Jntusschen of terwijl Hij nog met de Marat„ tas doende was, quam in 't begin van het Jaar 1767. een briev met Contra geschenken van Batavia voor den Nabab. Den 20. februarij 1767. quam zijn vloot hier babs sloot voor Cochim. ter rheede, bestaande in 28. zeijlen twee afge„ „zanten uijt de vloot, quamen aan de wal, te ken„ „nen gevende, dat deze vloet gekomen was, om de Marattas optezoeken en deze Cust te bevijli„ „gen waar op ze sanderen daags weder na de Noord vertrok; en dewijl Hij intusschen zig met de Marattas verdragen had, zo hoorde men ook niet dat deze vlooten elkanderen verder opgezogt hebben. —. Confinctie van hem tabab Maar nu de handen weder ruijm hebbende homet slij en de Engelschen disponeerde wij voorschreeven De Cams Nabeb Nisam ga 177 eerd door den Hochol tot Cabab gecrëëerd. zog krijgt de nederlaag Engelschen, en wijket na Mau„ werd derwaards vervolgt en belagert in de vesting Ben„ galoer. de Engelschen voymeesteren een en veroveren Mangaloor. Nesam Alij, om te zamen tegen den Nabab Mahomet Alij en de Engelse optetrekken, en voor eerst frisnapallij, en het Madureese te over„ „weldigen, gelijk ze ook te zamen optrokken, en bij welke gelegentheid Nilam Alij door zijn ver„ „mogen van den Mochol, een Nababs Patent en een Eere=kleed voor Maijder, Alijshan, be„ „zorgde, van welken tijd af, hij eijgentlijk eerst de Naam van Nabab gevoert heeft. — Dog deze twee nu tezamen na het Jrisna„ van Mahomet Alij en de pallijse optrekkende, en de Engelse met Ma„ homet Alij daar gecampeert leggende, zo quam het tot een Hoofd treffen, Nisam Alij nam schielijk en in tijds de vlugt en Haijder Alij„ Chan moest met groot verlies na het Mai„ „soerse de wijk neemen, intusschen gaf Nisam Alij een goede somma gelds aan de Engelse en Mahomet Alij waar meede Hij vrij geraakte. Heer naderden de Engelse en Mahomet Alij het Maisoerse, en belegerden Maijder Alijskan in zijne grensvestinge Bengaloer, waar in Hij dasperen tegenstand bood. Een zijner zoonen. met een vliegend Leger in het veld zijnde, deed de belegeraars alle mogelijke afbreuk; de Engelse om Ilem aan twee zijde werk te edeelte van 's Nababsvloot geven, rusteden te Bombaij in de maand Maart 1768. een vloot uijt, en daar meede een sber.
English
yet was retaken by the Nawab's son. And the English garrison, having captured a portion of the Nawab's fleet, undertook a landing at the fortress of Mangalore, which they conquered, and wherein they, as well as outside in the entrenchments, maintained themselves until the month of July. But the Nawab's son, with a good number of troops, both cavalry and infantry, surprised them in the entrenchments and conquered the same; while the greatest part of the English, cut off from the fort, was put to the sword or taken prisoner, to which was also added that the English had to abandon the fort and, with a vessel that lay in the river, leaving everything behind, take flight to Bombay. The captured Europeans were strictly handled, brought inland, treated poorly, and the Topasses who had been in their service, after the cutting off of noses and ears, were contemptuously sent back. The Nawab's troops then marched through Mysore to the Coromandel Coast, raided the lands up to the gates of Madras, and hindered the supplies to the army before Bangalore, where the English made little progress. Things standing in this state, the parties entered into negotiations and made peace by a contract in the month of April 1769, of whose contents one was for some time ignorant; yet it was known that it was not very much in favor of the English, though the king of Travancore, as a tributary of Mahomet Ali, was also included in that contract. However, since opportunity was obtained to get a copy thereof, it has appeared, and indeed by the first article of that contract, that Travancore is therein included specifically as a friend of Mahomet Ali. But Haider Ali Khan hardly had his hands free before he again became involved in war with the Marattas, which lasted until the beginning of the year 1773, at which time he made peace for a considerably large sum of money. In which interval of seven years, or properly speaking since the Nawab had marched from the Zamorin's territory to the north, the king of the Zamorin had not paid a single penny of contribution, just as if the Nawab would never escape the dance with the Marattas; and thus he lived on quite peacefully. Yet it did not last long before the Nawab sent his army commander off to Palghat to attack the Zamorin. The Zamorin, hearing this, sought the help of the French at Mahé and concluded on 12 January 1774 a contract with Governor Duprat, who had arrived there from France some time before, whereby he submitted himself with his kingdom and subjects to the king of France, and obtained the promise of being protected against his enemies. After this contract was made, Mr. Duprat marched with a detachment to Calicut, was politely received there by the king of the Zamorin, who transferred the governance of his kingdom to Mr. Duprat, whereupon the latter planted French flags everywhere in the Zamorin's territory and took possession of the Zamorin's fort at Calicut. Subsequently, he informed the Nawab's general that on behalf of the king of France he had taken the Zamorin's kingdom under his protection. Yet the Nawab's general paid little heed to this, but continued his march to Calicut. Mr. Duprat went out to meet the Nawab's army commander and thus intended to bring his further march to a halt through a parley, but in vain; thus he returned again to Calicut and garrisoned the fort, which was subsequently demanded by the Nawab's army commander and hastily abandoned on the 19th of that month by the French, who took their retreat to Mahé with the ship wherewith they had come. On which occasion the French flags were treated quite contemptuously, concerning which the Ministry of Pondicherry has since severely complained to the Nawab, though he did not care in the least about it. The king of the Zamorin thereupon abandoned Calicut for the second time, which along with the entire kingdom was once again conquered by the Nawab's forces and was then governed by one of the Nawab's governors himself. When the Zamorin took flight, he wished to hide himself in our territory, from which I dissuaded him, so that he with his family retired by a native vessel over sea to the south into the Travancore kingdom, where he still resides conivendo. Meanwhile, the king of Cochin was addressed for two lakh rupees and some elephants, which he also promised and afterwards also gave, with the prior knowledge of Travancore, who not only advised him to do so but also lent money for that purpose, in order that the Nawab should by no means advance further than the Zamorin's territory. But in the month of March, the little kingdom of Cranganore was also addressed, being asked for one lakh rupees and two elephants.
Dutch transcription
dog werd door. Nababs zoon weder hernomen. En die Engelse bezetting s. Cababs trgupen trekken Noodzaakt de Engelschen met hem vreede te maken tot hun nadeel. een gedeelte van 's Nababs vloot vermeesterd hebbende, ondernamen, een landinge op de ves¬ „ting Mangaloor, dewelke te veroverden, en waar in ze zo wel als buijten in de retran„ „chementen, tot in de maand Julij zig main„ tineerden, maar 's Nababs zoon, met een goed aantal troupen, zo Cavallerij als Jnfanterij overrestede Hun in de rethanchementen en veroverde dezelve: terwijl het grootste gedeelte der Engelse van het fort afgesneeden, nederge„ „sabelt of gevangen genomen wierd, waar bij ook kwam, dat de Engelse het fort verlaten, en met een vaartuijg, dat in de revier lag, met ag„ „terlating van alles, de vlugt na Bombaij moes„ ten neemen, de gevangen Europeezen wierden strengelijk gehandeld /. landwaards ingevoert, slegt gehandelt, en de toepassen, die in hun dienst geweest waaren na alnijding van neuzen en ooren, verag„ telijk terug gezonden: 's Nababs troupes trok„ „ken voorts door het Maisoerse, na de kust Cormandel, stroopten de landen voort de poor„ tot voor de poorten van Ma„ten van Madrast en belemmerde den toevoer na het Leger voor Bengaloer alwaar de Engel„ „se wijnig vorderden. De zaaken in deze staat staande, traden parthijen in onderhandelinge, en maakten vreede bij een Contract van de maand April 1769. ver dras. 179 Trekt weder tegens de Marattas op. maakt met dezelve vree„ zend zijn leeger hoofd of tegens den Sammorijn 1769. van welks inhoud men eenigen tijd igno„ rant is geweest, egter wist men dat het niet zeer in faveur der Engelse was, dog dat de ko„ ning van Crevancoor, als tributair van Ma„ „homet Alij in dat Contract ook ingeslooten was, dog 't zedert men gelegentheid gekregen. heeft, om een afschrift daar van te krijgen, is het gebleeken, en wel bij het eerste articul van dat Contract, dat Jrevancoor wel spe„ ciaal als een vriend van Mahomet Alij daar inne begreepen is. 10 Maar Haider Alijchan, had zijnen handen zo dra niet vrij, of geraakte weder met de Marattas in oorlog, dewelke duurde tot in 't begin van 't Jaar 1773. als wanneer Hij vreede de voor een groote somma geldsmaakte voor eene Considerable groote somma gelds, in welke tussen tijd van zeven Jaaren of eijgentlijk zedert de Nabab uijt het sam„ morijnse na de Noord opgetrokken was, de koning van sammorijn, geen enkelde pen„ „ning Contributie betaald had, even als of de Nabab, met de Marattas nimmer den dans ontspringen zoude, en dus leefde tij, maar gerust weg Dog het duurde niet lang, of de Nabab„ zond zijn leger Hoofdafna Palcatcherij om den sammorijn te attacqueeren, De sammorijn dit die de franse tot helpriep en aan dezelve zig onder„ wierp „ de franse vlagge werd overal daar niet aan maar genood„ saakte de fransen te retireeren dit hoerende, zogt de Franschen te Make tot hulp, en sloot met den Gouverneur Duprat die een te vooren uijt Frankrijk daar gekomen was, den 12. Januarij 1774. een Contract waar bij Hij zig met zijn Rijk en onderdanen aan den koning van vrankrijk onderwierp, en belofte erlangde van tegens zijne vijanden beschermt te zullen worden, na dat dit Contract gemaakt was, trok de Heer Duprat met een Ditache„ ment na Calicoet, wierd aldaar door den koning van Sammorijn beleefd ontfangen, die het be„ „stier over zijn Rijk aan den Heer Duprat op„ „droeg, waar op deze alom Franse vlaggen in het sammorijnse gepant plantte en bezit nam van 't sammorijnse fort te Calicoet: vervolgens liet Hij aan de Generaal van de Nabab weeten, dat Hij van wegens den koning van vrankrijk het sammo„ „rijnsche Rijk onder zijne Protectie genomen had dog de sababse stoorde zig dog deze stoorde zig wijnig daar aan, maar zette zijn marsch na Calicoet voort: De Heer Duprat ging 's Nababs Leger-Hoofd te gemoed, en meende dus desselfs verderen marsch door een zamenspraak te doen staken, maar te vergeefs, dus keerde Hij weder te rug na Cali„ „coet, en bezette 't fort, het welke vervolgens s' Nababs Leger= Hoofd opge-Eijscht, en den 19. dier maand door de franschen schielijk verla„ „ten de 181 Het Sammorijnse Rijk de Nababse veroverd. de sammorijnse koning sogt in 's Comp:s land te spchuij„ len dog wierd afgewesen. de koning van Cochim is aan„ gesproken, en heeft ook beloofd twee lak ross: en eenige Eli„ van de Oranganoorse koning twee Eliphanten. „ten wierd, die met het schip, waar meede ze gekomen waaren, hunne retraite na Mahé namen, bij welke gelegentheijd met de Franse vlaggen al vrij veragtelijk geleefd wierd, waar over 't zedert door het Ministerie van Pondi„ „cherij bij de Nabab hevig gedoleerd is, dog waar aan hij zig niet het minste stoorde. De koning van Sammorijn verliet daar op voor de tweede maas door Calicoet, het welk nevens het gantsche Rijk door de Nababse andermaal vermeesterd en toen door een van 'sNababs Gouverneur zelfs be„ „heerd wierd. Joen de sammorijn de vlugt nam wilde Mij zig in onze landstreek verschuijlen, waar van ik Hem diverteerde, zo dat Hij met zijn fa„ „milie per een inlands vaartuijg over zee, na de zuijd retireerde in het Jrevancoorse Rijk, al„ „waar Hij Connevendo, zig als nog ophoud. Middelerwijl was den koning van Cochim aangesprooken, om twee Lak ropijen en eenige phanten aan den abab tege„ Eliphanten die Hij ook beloofde en naderhand ook gegeven, heeft met voorkennis van frevan„ coor, die hem zulx niet alleen aanraadde maar ook daar toe geld leende, om den Nabab tog maar niet verder als het sammorijnse te laten komen. Maar in de maand Maart, wierd het koning„ wierd gevragt Een lak ropp: en „ je van Cranganoor ook aangesprooken om een lak t ven. 9. a„
English
The Company wanted to liberate the ruler of Cranganore from this, but in vain. The ruler of Cranganore goes to the Nabab's army commander and settled the matter with a bond of 50000. rupees. The said army commander investigates in the Company's territory for the treasures of the Samorin. Lakh rupees and two elephants, as I only later understood, by virtue of a certain promise which he, when the Nabab had come down in the year 1766, had already made without the Company's knowledge. Meanwhile, the king of Cranganore was forced to produce the demanded sum, and because this petty king has stood under the special protection of the Company ever since the year 1717, I indeed attempted to liberate him from this, but in vain, for the Nabab's general sent some armed sepoys to the other side of the Chettua river, through the land of the king of Cochin, and also some to this side of the river across the territory behind Papenetti, towards Cranganore. Under these circumstances, the petty king of Cranganore abandoned the court, departed to the Nabab's army commander, who lay on the other side of the river near Chettua, settled the matter there by signing a bond of 50,000 rupees, to be paid in two installments. Troubles the Company had on that occasion. Coldness of the Nabab towards the Company. Cause of his coldness. Why the present from Batavia was not sent to the Nabab. How this omission had to be redressed. Sending of this present by commissioners. Return of the commissioners with letters and presents. The Nabab's aim to conclude an offensive and defensive treaty with the Company. But the Nabab's army commander, still seeking pretexts with the Company, complained that we had let the Samorin pass through our territory and that he had hidden his treasures here and there among the inhabitants in our territory, whereupon I requested him to point them out, promising to have an inspection carried out in the presence of his people, which was also done, simply to satisfy him fully. What trouble I had at that time, both for the sake of the petty king of Cranganore and to keep the Samorin out of our territory in order to give no cause for offense and yet preserve the Company's authority, and what I continuously wrote at that time to the Nabab as well as to his army commander, and to our Residents in the North, can be seen in further detail in a separate letter of 18 June 1774 written from here to Batavia. Meanwhile, I began to perceive the Nabab's coldness more and more, and in this I was all the more confirmed, both because he did not even reply to my letters and because I was aware of several shocking discourses by his ministers. Finally I discovered the reason for his coldness, and learned that it was not only caused because the Company had made no use of his previous offers; but also because he, having sent a present to Batavia in the year 1766, had received no return present, and regarded this as a slight. I inquired into this, and found that a return gift had indeed arrived from Batavia, but that upon the delivery of that gift he was engaged with the Marathas, whereby the dispatch was probably excused at the time, although the ministry of that time seems at first to have intended to dispatch it, as it has appeared to me that in a letter to the king of Coimbatore, who at that time somewhat handled the Nabab's correspondence in the north, they indeed specially asked where the Nabab was then staying, in order to send the said gift to him. Now it was merely a matter of redressing this, and removing all appearance of neglect, as if the first opportunity for it was only now presenting itself, and this succeeded as well. Nevertheless, I stretched out this mission a little, and first corresponded with the Calicut governor, ostensibly regarding the condition of the lands and the inland roads which our commissioners had to pass, to see whether in the meantime anything might happen that could have any influence on this mission. Thus on 23 February 1775, I sent two commissioners with the presents, provided with a written instruction on how they were to conduct themselves; which commissioners were received by the Nabab in a distinguished manner. The said commissioners brought back with them upon their return letters and presents, all of which were sent to Batavia on 12 May 1775 on the ship De Princesse van Orange, on which occasion everything was very circumstantially communicated, with the insertion of the instruction, the report of the commissioners, the letters, the Nabab's objective, along with my thoughts and other matters. The objective was so far achieved that the Nabab's coldness had departed and I had entered into correspondence with him; yet the actual goal of entering into a contract of friendship with him was not achieved. Besides this, one saw clearly that the Nabab sought only that which was precisely least convenient to the Company, namely, to enter into an offensive and defensive treaty with him, to which he
Dutch transcription
De Comp: heeft den Cranga„ noorder daar van willen bevrijden dog vrugteloos. de Cranganoorder gaat na het nababse legerhoofd en „aakte het saf met een obliga„ tie van 50000. ross:s gem: Leger hoofd doed onder„ soek in 's Comp:s landstreek na de schatten van den sam„ morijn Lak ropijen en twee Eliphanten, zo als ik na„ „derhand eerst verstaan hebbe, uijt hoofde van ze„ kere belofte, die Hij toen de Nabab in 't Jaar 1766: was afgekomen buijten 'sComp=s weeten al gedaan had. De koning van Cranganoor wierd intusschen gedwongen, tot het opbrengen van de ge=eijschte som, en dewijl dit koningje, al zedert het Jaar 1717. onder de speciale prolectie van de Comp: staat zo hebbe ik wel getragt, Hem daar van te bevrijden, dog te vergeefs, want 's Nababs Generaal, zond eenige gewapende sipaijs aan de overzijde van de Chettuase revier, door het Land van den koning van Cochim, en ook eeni„ „ge aan deze zijde, van de revier over de land„ „streek agter Paponeltij heen, na Cranganoor. Jn deze omstandigheijd verliet het koningje van Cranganoor het Hoff, vertrok na s' Na„ „babs Leger Hoofd, die aan de overkant van de Revier bij Chiltua lag, maakte de zaak daar af, met een obligatie van 50'000. ropias te teeke„ nen, om die in twee lermijnen te betalen Maar 'T Nababs Leger Hoofd, tog Chikanen met de Comp: zoekende, doleerde dat we den sammorijn door ons land hadden laten passee„ „ren en dat Hij zijn schatten op onze land„ „streek hier en daar bij de ingezeetenen 1 had 183 moeite dije de Comp: bij die gelegentheijd heeft gehad. N koelheijd van den Nabab omtrent de Comp: oorzaak van zijn koel„ heijd had geborgen, waar op ik hem verzogt, om aan„ „wijzinge daar van, met belofte om visitatie te zullen laten doen, ten bijweezen van de zijne, het geen ook geschiedde, om de maat maar vol te meeten. — Wat moeijte ik te dier tijd gehad hebbe, zo om de wille van het koningje van Cranganoor als om den sammorijn uijt ons land te houden ten eijnde geene reeden van aanstoot tegeven, en egter 's Comp=s gezag te bewaaren, en wat ik te dier tijd zo aan den Nabab als aan zijn leger Hoofd, en aan onze Residenten om de Noord bij Continuatie geschreeven hebbe, is nader te zien, bij aparte briev van den 18. Ju„ „nij 1774. van hier na Batavia geschreeven. Jk begon intusschen, hoe langer hoe meer 's Nababs koelheijd te ontdekken, en hier in wierde ik des te meer gestrekt, zo om dat Hij mij op mijne brieven niet eens antwoord„ de, als om dat ik kennis droeg van ver„ scheijde Chokante discoursen van zijne Mi„ „nisters. Eijndelijk quam ik agter de reeden van zijn koelheijd, en verstond, dat dezelve niet alleen was veroorzaakt, om dat de Comp: van zijn voorige aanbiedinge geen gebruijk gemaakt had; maar ook, om dat Hij in 't Jaar na„ en te p: van a b aan de d je en Co ƒ waarom het present van was versonden. hoemen dit versuijm moest redresseeren. Jaar 1766. een present na Batavia gezonden heb„ bende, geen Contra prezent ontvangen had, en zulx als een klijnagting aanmerkte. Jk informeerde mij hier na, en bevond dat 'er Batavia, aan den Tabab niet wel een Contra geschenk van Batavia gekomen was, maar dat Hij bij den aanbreng van dat geschenk met de Marattas aan den gang was, waar door men toen mogelijk de afzendinge ge„ exeuseert zal hebben, schoon het Ministerie van dien tijd egter eerst voorneemens scheijnd ge„ weest te zijn, het zelve aftezenden, alzo mij gebleeken is, dat men toen bij een briev aan den koning van Coimbaloer /:die te dier tijd 's Nababs Correspondentie om de noord zo wat waar nam:/ wel speciaal gevraagt heeft, waar de Nabab zig toen bevond, ten eijnde hem het gem: geschenk toetezenden Nu quam het 'er maar op aan, om dit te re„ dreseeren, en alle schijn van verzuijm wegte neemen, even als of zig tans toevalligde eerste gelegentheijd, daar toe maar opdeed, en dit gelukte ook, egter rekte ik deze Commissie nog een wijnigtjen uijt, en Correspondeerde eerst met den Calicoutsen gouverneur, quasi over de ge„ „steldheid der landen en de binnen weegen, de„ „welke onze gecommitteerdens passeeren moesten om te zien of er intusschen, niets iets mogt voorvalle 185 zending van dit geschenk per gecommitteerdens terug komst van de gecom„ en geschenken. oogmerk van den Nababom met de Comp: een of - en desensier tractaat/ te sluijten/: voorvallen, dat eenigen invloed op deze Cour„ missie konde hebben Dus zond ik den 23. februarij 1775. twee gecom„ „mitteerdens met de geschenken voorzien van een schriftelijke instructie, hoedanig zij zig te gedragen hadden; welke gecommitteerdens op eene distingueerde wijze van den Nabab ontvangen wierden! Gem: gecommitteerdens bragten met Hun mitteerdens met brieven retour mede, brieven en geschenken, welke eene en andere per het schip De Princesse van Orange den 12. Maij 1775. na Batavia verzonden zijn, bij welke gelegentheid alles zeer omstandig, met insertie van de Jnstructie het Rapport van gecommitteerdens, de brieven 's Nababsdoel„ „wit, benevens mijne gedagten 's Nababs do en ander bedeeld is. Het oogmerk was in zo verre nu wel be„ reikt, dat s' Nababs koelheijd geweeken en ik. met hem in Correspondentie geraakt was. dog het eijgentlijk doelwit, om met Item een Contract van vriendschap aantegaan, was niet bereikt, buiten des, zo zog men duide„ „dijk, dat de Nabab dat geen alleen maar zogt, het geen de Comp: juijst het minst Conveni„ eerd, namentlijk, om met Hem een ossensief en defensief fractaat aantegaan, waar toe Hij heb ge„ ten og
English
The long voyage of the Company's ship to Batavia has delayed the answer to the Nabab's letter. Thereupon the Nabab became embittered. He himself had added a proposal of nine articles to his letter to Batavia, but I still had some hope, since I was now in correspondence with him, of keeping him in good humor and bringing about a friendly agreement. However, by misfortune, the ship Princesse van Orange had a very long voyage, so that no answer arrived with the arrival of the Batavian ships during the following monsoon. In order to avoid arousing any suspicion in him regarding the delay of the reply, I informed him in a timely manner that the ship had experienced such a long voyage, and that the reply could undoubtedly only arrive during the next favorable monsoon. I even tried to make him believe that the death of the Governor-General van der Parra, which had occurred in the meantime, might also have caused some delay. This, however, seemed to have found no favor with him; at least he suddenly ceased writing to me, and some time thereafter it came to my ears that he was embittered toward me and suspected that authority had already been granted from Batavia to enter into such an offensive and defensive alliance with him as he had sought, but that I had withheld the letter and gifts, and in the meantime had written and worked vigorously against it so that a different letter was sent, and that this was the reason why he had to wait so long for an answer. Yet from his subsequent conduct, one may rightly conclude that even had he received an answer that year, he nevertheless would not have refrained from doing what he did, and might then have attempted even earlier to force us by violence into his proposed alliance, which he seemingly postponed that year in case an answer might still arrive via Ceylon or by another means. 187 Although without that he would have done just what he did. The kings of Cochin and Cranganore were in the meantime approached again for money by the Nabab's Governor. The Nabab takes some lands from the Marathas. Invasion of the Nabab's troops into the northern Cochin territories. Departure of the Cochin envoys to Seringapatnam to reach an agreement with the Nabab, as took place. Nevertheless, during the first favorable monsoon, in which he had expected the answer from Batavia, he undertook nothing against the Company, but through his Governor of Calicut had the kings of Cochin and Cranganore approached again for money. This kept me fully occupied throughout almost the entire favorable monsoon with the Governor of Calicut, the petty king of Cranganore, and the Residents to the north, until I finally managed to ensure that the demands for money were not pursued further, but were left in status quo, while he went to take away some lands from the Marathas, as they were engaged at that time with the English concerning the taking of Salsette, an opportunity of which he availed himself. However, when the next favorable monsoon arrived, he began to turn his weapons in this direction and finally cast off the mask. For while it was still the bad monsoon, or rather in the month of August, Sardar Khan, the Nabab's governor and army commander, renewed his demands upon the kings of Cochin and Cranganore, pressing them ever more vigorously: the former for a sum of eight lakh and the latter for one lakh of rupees. For this purpose Sardar Khan had already invaded the northern part of the realm of Cochin with his troops, immediately capturing the northern fort of Trichur. Meanwhile, the King of Cochin sent his envoys to Seringapatnam to the Nabab and was finally obliged to authorize his envoys to accept the harsh terms, namely to obligate himself for four lakh 189 The Nabab's army commander creates pretexts against the Company and invades our possessions. of rupees and four elephants, and furthermore to pay annually one and one-fifth lakh of rupees in contribution, in which the petty king of Cranganore was included, namely for one and one-fifth lakh of rupees now, and furthermore annually for one-fifth lakh of rupees alone. Since I could not prevent the latter, I was forced to let it pass connivingly. Thereupon the Nabab's army commander retreated northwards with his forces, and it was hoped that peace would be restored by this agreement. But during his retreat, the army commander began to create pretexts against us, demanding by letter an account of the sandy land up to Chettua, adding that otherwise he would lay waste to the land. It was thought at first that this concerned the sequestered lands of the Zamorin, mentioned above under the chapter on the Zamorin; therefore a proper account of them was sent to him, which showed that the Zamorin was still indebted to the Company for it. But without waiting for an answer, the army commander unexpectedly crossed the river of Chettua with his troops on 9 October at Pulikkara, a little to the south of Fort Chettua, where the crossing
Dutch transcription
de lange reijse van 'sComp:s schip na Batavia heeft het andwoord op 's Nababs brief veragtert. daar op is den 2 abab ver„ bitterd geraakt Hij zelvs een project van negen articuls bij zijn brief na Batavia gevoegd had, dog ik had nog al hoop /:dewijl ik tog nu met Hem in Correspondentie was:/ om Hem wel, in een goede luijm te houden en tot een vriendschaps accoord te brengen. Maar per ongeluk, had het schip de Prin„ „cesse van orange een zeer lange reijze, zo dat met de komst van de Bataviase scheepen in de volgende mousson geen antwoord quam, en om dus Item geen argwaan te doen krij„ „gen, over het agterblijven van het antwoord, zo informeerde ik hem in tijds, dat 't schip zo een lange reijs gehad had, en dat dus het antwoord ongetwijffeld maar eerst in de vol„ gende goede mousson kon komen, en ik zogt hem zelfs te doen gelooven, dat het intus„ „schen ge-exteerde sterfgeval van den Meer gouverneur Generaal van der Parra, ook ee„ „nige tardance had kunnen toebrengen, het geenc egter bij hem geen ingang schijnd gehad te hebben, ten minsten Hij hield eensklaps op aan mij te schrijven, en eenigen tijd, daar na is mij ter ooren gekomen, dat Hij op mij verbittert is, en mij verdenkt, dat er reeds in tijds van ba„ „tavia hier qualificatie zoude geweest zijn, om met Hem zo een offensiev en defensive alli„ antie 187 howvel hij zonder dat even„ wat hij gedaan heeft. Cranganoor wierden intus„ een schep weder om geld aan„ gesprooken door de Nababse e Gouverneur. „antie aantegaan, als Hij gezogt had, maar dat ik de briev en geschenken aangehouden, en intusschen kragtig daar tegen geschreeven en bewerkt zoude hebben, dat 'er een en ander briev gekomen is, en dit de reeden zoude zijn, waarom Hij zo lange na antwoord heeft moe„ ten wagten. Dog uijt zijn zedert gehouden gedrag mag wel gedaan zoude hebben men te regt besluijten, dat al hadde Hij dat Jaar antwoord erlangd, hij evenwel daar om niet zoude gelaten hebben, het geen Hij gedaan heeft, en mogelijk toen al vroeger zou„ „de beproeft hebben, om ons door geweld te dwris„ „gen, tot zijn voorgeslagene engagement, het geen Hij toen dat Jaar nog schijnd uijtgestelt te hebben, of er ook mogelijk over Ceilon of op een ander wijze, nog antwoord mogt komen. Egter ondernam, Hij in de eerste goede mous„ de koningen van Cochim, en „ son, waar in hij het antwoord van Batavia verwagt had, nog niets tegen de Comp: maar liet door zijn Gouverneur van Calicoet de ko„ „ningen van Cochim en Cranganoor weder om geld aanspreeken het geen mij genoegzaam de geheele goede mousson weder werks gaf, met den Gouverneur van Calicoet, het koningje van Cranganoor en de Residenten om de Noord, tot dat ik het eyndelijk zo verre kreeg bij „ „ „ de Nababse neemen van de Ma„ Jnwal van de Nababse troupen in de Cochimse noordelijke landen. vertrek van de Cochimse zoo„ delingen na Seringapatnam om met de Nabab ste accordee„ ren zo als geschied. kreeg, dat 'er met het eijsschen van geld niet verder voortgevaaren, maar het zelve rathas eenige landen weg in statu gelaten wierd, terwijl, wij intussen eenige landen van de Marettas ging wegnee„ „men, alzo deze te dier tijd met de Engelse over het wegneemen van salsette, aan den gang waaren, van welke gelegentheijd hij zig bediende. Maar toen de volgende goede Mousson aan„ „quam, begon hij zijne wapenen dit heen te winden, en eijndelijk het masker afteleggen want nog in de quaade mousson, of eijgentlijk in de maand Augustus, begon Charder Chan„ Nababs gouverneur en Legerhoofd, zijne pre„ „tentie bij de koningen van Cochim en Cran„ „ganoor weder op nieuws, en gaande weg sterker te formeeren, de eerste nu om een somma van Agt Lak in de tweede om een Lak ro„ „pijen, en hier toe was Charder Chan al met zijne troupes in het noordelijke deel van het Cochimse rijk gevallen, vermeesterende, ook al ten eersten het Noordelijke fort fritsjoer. De koning van Cochim zond inmiddels zijne zendelingen na Seringapatnam bij den Nabab en was eijndelijk genoodzaakt zijn zendelingen te qualificeeren, om de harde Conditie aantegaan, namentlijk zig voor vier Lak 189 Het Jababs Legerhoofd zoekt Clhikanen met de Comp: valt in onze bezlittingen Lak ropijen en vier Eliphanten te verbinden, en voorts Jaarlijks, Een en een vijfde Lak ro„ „pijen aan Contributie te betaalen, waar onder het koningje van Cranganoor begreepen wierd namentlijk nu voor 1 1/5. lak ropijen, en voorts Jaarlijks voor - 1/5 lak ropijen alleen, en dewijl ik het laatste niet biletten kon, moest ik zulx oogluijkende passeeren. Hier op trok 's Nababs leger= Hoofd, met zijn volk noordwaarts te rug, en men vleijde zig nu dat door dit accoord, de rust zoude zijn her„ „steld, dog 't legerhoofd in zijn aftogt zijnde be „gon met ons Chicanen, en begeerde bij een brief reek: van het sandigland tot Chettua, met bijvoeginge dat Hij aandens het land zoude verwoesten men meende in 't eerste, dat dit de in sequestratie genomen landen van den sammorijn betroff, waar van hier boven onder 't hoofdeel van den sammorijn gemeld is; dus zond men Item een behoorlijke reeke„ „ninge daar van, waar bij bliek, dat den sammorijn aan de Comp: daar op nog te quaad stond, dog het Leger Hoofd, zonder na antwoord te wagten, kwam intusschen met zijn trou„ „pes den 9. october op het onverwagts over de revier van Chettua bij Poelicarro een weinig bezuijden 't fort Chettua, alwaar de overtogt het eld zelv elve zig hij aan
English
takes the Company's writer and interpreter of Chettua prisoner. Plunders Paponetty. and demands free passage over the Company's land to Travancore. surrounds Chettua 191. attacks Cranganoor. and demands 20 years' dues of the Sandy Land from Chettua. Alliance of the Company with the kings of Travancore and Cochin. Aijkotta was reinforced. Promise of the king of Travancore to act together with the Company, but not offensively. and the king of Cochin also. 193. recourse was requested from Ceylon and the Nabab was informed of the invasion. relief from Ceylon was received. which is the easiest, and marched subsequently to Chettua, took the Company's interpreter and sworn writer, who had been sent to him, prisoner, demanded from the Chettua servants 20 years of dues and the money of the Zamorin. Further elucidation was requested from the army commander, and protests were made against the hostilities, but half of the Nabab's people continued to surround and keep Chettua enclosed, and the other half marched to the conquest Paponetty, burned and robbed and plundered. The Resident meanwhile retired with the Company's money to Cranganoor, and the army commander took up his residence in the Residency, who then wrote a letter, and therein complained about his letters being left unanswered, adding that he had orders from his master to march into the Company's lands, yet at the same time testified that his master wished to live in friendship with the Company, and thus desired free passage across the Company's land, and past Cochin, to attack Travancore, and if not, that friendship would then be at an end. I answered him that his declaration of friendship was well received, but that I found what had occurred on the Company's land very strange, and hoped that he would cause all hostilities to cease, respect the Company's territory, and not let his troops come within range of the cannon, and I offered mediation between the Nabab and Travancore; but before this answer could be delivered, the Nabab's troops arrived on 11 October before Cranganoor and attempted to take it by surprise. They engaged in battle with ours; the garrison drove them from the walls and sent them back with bloody heads. Charder Chan wrote a further letter and declared therein that he had put himself in possession of the Sandy Land. It was then seen that the entire conquest Paponetty with the entire region from Cranganoor up to Chettua was included in his claim. Over and above that, he demanded 20 years of dues from those lands, along with the produce of another piece of land measuring 15 miles, and finally he demanded a contribution from the Company and then denied that he had requested passage across the Company's lands to Travancore. The matter changed its complexion because of this and had thus come entirely outside the terms of neutrality: now we ourselves were charged; and thus the question was whether one ought to act with own forces, or indeed with reinforcements from Travancore and Cochin. The necessity of remaining united with Travancore and our own circumstances made us decide to prevent the further encroachment of the Nabab's troops together with Travancore and Cochin. The ministers of Travancore and Cochin offered their aid, but their good will was greater than their ability and courage, which became evident afterwards. Thus, the northern corner of the island of Vypin called Aijkotta was immediately ordered to be reinforced, in order to prevent the enemy from crossing over to Vypin there. Some troops of Travancore also went to Aijkotta, and the Nabab's troops made preparations on the west corner, behind Fort Cranganoor, to cross the river to Aijkotta, whereupon the troops of Travancore were already retreating; but a detachment of ours sent by land, and the small vessel De Verwagting sent by sea, arriving at Aijkotta, the Nabab's forces retreated. Hereupon I sent an embassy to the King of Travancore. The King made good promises to act together with the Honorable Company and the King of Cochin against the enemy, and had already given notice of the matter to the Nabab Mahomed Ally and the English, who likewise had also given promise of aid, namely, in case he should be attacked. Travancore thus declared that he was indeed willing to help counter the enemy's further encroachment with united forces, but could not act offensively against him, because he had not yet been offended by him. It was therefore resolved for the present to hold to the common defense until succor might arrive from Ceylon. However, I gave notice of the hostilities that had occurred to the Nabab by a letter, to see if he might yet reconsider and disapprove the conduct of his army commander. In the beginning of the month of November, relief arrived from Ceylon, and then we intended not only to prevent the enemy's further breakthrough, but also, were it possible, to cause them to remove from the region, and thus avenge the insult that had been done to the Company, all the more so since the Kings of Travancore and Cochin, especially the former, since the aforementioned auxiliary troops had arrived, made great promises.
Dutch transcription
neemt 'sComp: Schriba en „ omcingelt Chettua Rundert Paponettij. 's Comp:s land na Jruvancoor. het gemakkelijkste is, en marcheerde vervol„ „gens na Chellua nam 'sComp=s tolk in gesw: scriba, die aan Hem gezonden waaren, ge„ tolk van Thettuagevangen „ vangen, eijschte van de Chettuase bediendens 20. jaarige geregtigheeden, en het geld van den sammorijn, men vroeg nadere elucidatie, van 't leger- Hoofd, en protesteerde tegen de vijan„ „delijkheeden, maar de helft van 's Nababis volk bleef Chettua omcingelen en ingeslooten houden, en de andere helft trok na 't Con„ „quest Taponettij, brandde en roofde en plunder„ „de, de Resident retireerde intusschen met 's Comp=s geld na Cranganoor, en het leger Hoofd, nam zijn verblijf in de Residentie die toen een brief schreef, en, daar bij klaagde over het onbeantwoord laaten van zijne brieven, met bijvoeginge ordre te hebben, van zijn meester om in s Comp=s landen te trek„ „ken, dog betuijgde teffens, dat zijn meester en begeert vrije passagie over met de Comp: in vriendschap wilde leven, en begeerde dus vrij passagie over 's Comp=s grond, en voor bij Cochim, om Jrevancoor te attocqueeren, en zo niet, dat dan de vriend„ „schap uijt was ik antwoorde Hem, dat des„ „selfs betuiging van vriendschap wel was; dog dat ik het voorgevallene op 's Comp=s grond zeer vreemd vond, en hoopte dat zij alle. hostiliteijten 191. ottacqueerd Cranganoor. en begeert geragtigheid van 20. van Chettua. Confinctie van de Comp: met de koningen van Jrevancoor en Cochaim. hosteliteijten zoude doen ophouden 's Comp=s grond gebied menageeren, en zijne troupen onder 't bereijk van het Canon niet laten komen en ik presenteerde de mediatie tusschen de Nabab en Jrevancoor, maar eer dit antwoord kon bestelt zijn, kwamen 's Nababs troupen den 11. 8ber: tot voor Cranganoor en tragten het zelve te overrompelen, te raakten in gevegt met de onze de besetting versaagde Hun van de de muuren en zondze met bebloede koppen te rug, Charder Chanschaef een nadere brief en verklaarde daar bij, dat hij zig in de possessie van het Landigland gesteld had, men zag toen, dat het geheele Con„ „quest Paponettij met de geheele landstreek van Cranganoor tot Chettua toe in zijnen jaaren van het handigland eijsch begreepen was, hij Eijschte nog daar en boven 20. Jarige geregtigheid, van die lan„ „den benevens de producten van nog een stuk lands groot 15. mijlen, en eijndelijk eijschte Hij finaal Contributie van de Comp: en ont„ „kende toen, dat Hij passagie over 's Comp=s landen na Jrevancoor verzogt had. De zaak veranderde hier door van gedaante en was dus gekomen geheel buijten de ter„ „men van Neutraliteijt: nu wierden wij zelfs aangelast; en dus was de vraag, of men met vol„ „ ten de van k„ des ƒ was; grond ijten Nijkotta wierd versterkt Belofte van den koning van Trevancoor om met de Comp: men te ageeren dog niet ossen„ sief. met eijgen magt, dan wel met versterking van Jrevancoor en Cochim diende te ageeren. de noodzaakelijkheijd om met Jrevancoor verknogt te blijven, en onze eijge omstan„ „digheeden deeden ons besluijten met frevan„ „door en Cochim te samen den verderen in„ „drang van 's Nababs troupen te beletten; de Ministers van Jrevancoor en Cochim presenteerden hunne hulpe, dog hun goede wil was grooter als hun vermogen en Cou„ „ragie, het geen naderhand gebleeken is. Dus liet men ten eersten de noorder hoek„ van het Eijland Baijpin genaamd Aijkotta versterken, om de vijand daar het overkomen op Baipin te beletten: Eenige troupes van Jrevancoor gingen ook na Rijkotta, en s Na„ „babs troupen maakten toestel om op de west hoek, agter het Fort Cranganoor, over de ri„ vier op Rijcotta overtekomen waar op de trou„ „pes van Jrevancoor al aan 't retireeren waa„ „ren, maar een delachement van ons over land, en het smalschip, De verwagting over zee gezonden, te stijkotta aankomende reti„ „reerde de Nababse. Hier op zond ik een bezending aan den en de koning van Cochimsa Koning van Jrevancoor; de koning deed goede beloften om met dE: Comp: en den koning van va van 193 men versogt recours van Eeij„ lon en gef de Sabab van de in„ vasie kennisse van Ceilon kreeg, men ont„ van Cochim te zamen tegen den vijand te ageeren, en had reets kennisse van de zaak gegeven aan den Nabab Machomet Alij en de Engelschen, die item ook belofte van hulpe gegeven hadden, namentlijk, indien hij g'attacqueert mogt worden, dus ver„ „klaarde Jrevancoor, dat Hij wel met ver„ „eenigde magt den vijand zijnen verderen in„ „drang wilde helpen tegen gaan, maar niet offensier, tegen Hem ogeeren kon, om dat Hij van hem nog niet beledigt was, dus be„ sloot men voor eerst bij de gemeene defen„ „sie te blijven, tot dat secours van Ceilon mogt komen, egter gaf ik van de voorge„ „vallene vijandelijkheeden, bij een briev kennisse aan den Nabab, of hij zig ook nog mogt be„ denken en 't bedrijf van zijn Leger Hoofd disapprobeeren. Jn 't begin van de maand November quam ontzet van Ceilon en toen meenden wij den vijand niet alleen zijn verder doorbreeken te beletten, maar ook, waare het mogelijk, uijt de Landstreek te doen verhuijzen, en dus te wreeken den hoon die de Comp: aangedaan was, te meer de koningen van frevancoos en Cochim inzonderheijd de eerste, 't zedert de voorsch: hulptroupen gekomen waaren, groote beloften zet.
English
yet one could not venture to march against the enemy had entrenched himself. Chettua was in danger had made promises to march along as well, but the enemy having meanwhile entrenched himself because they had entrenched themselves too strongly behind stockades and strongholds from Chet- tua to Cranganoor, and having laid ambushes, we did not deem it advisable then to let our troops simply advance upon them, for, although we were indeed in a tolerable state of defense here, we were nevertheless not prepared to take the field against an enemy trained for war, who had mean- while entrenched himself everywhere and lay in ambushes, so that we immediately had the necessary preparations made for such an expedition. But while one was engaged with this, the Resident of Chittua had managed to find means to inform us that he could hold the fort no longer. The preservation of this fort was then of the utmost importance to our objective, as it lies to the north of the region, just as the fort of Cranganoor lies to the south of it, so that the enemy would then have no other retreat than to flee eastward across the river, since the sea lies to the west. Thus it was resolved to relieve Chettua first by sea. 195 Relief attempt turns out badly. Surrender of Chettua and capture of the entire garrison. They sought to relieve it by sea, and this expedition was undertaken on the 11th of November, but we had the grief that the same could not take place immediately upon arrival before Chettua, as was so specially prescribed by instructions, but only the following day, so that the enemy had gained time to advance from the Paponetti country and dig themselves into pits during the night, whereby the Nabob's troops, after ours had landed, emerged from all sides like ants, prevented the retreat, surrounded our detachment, partly killed them, and partly took them prisoner, among whom was also the commanding officer of the expedition, while a few still escaped into the fort of Chittua. Two days after this failed expedition, when the enemy used every effort and already brought the ladders to the walls of the fort, the surrender of the fort also followed, which took place on condition that the garrison should march out freely to Cranganoor; but the army commander, contrary to his given word, took the entire garrison prisoner, along with those of the detachment who had entered it, and furthermore carried away everything that was there, inclusive of women, children, and slaves, It was resolved hereupon to keep the Company's forces together. And when we were ready to march against the enemy, the Travancore inclusive, to Calicut, but the soldiers to his place of residence, Seringapatnam, where most of them, out of want, took service with the Nabob, except for the officer of the expedition, the Commandant of Chettua, and the Resident, which three absolutely refused to take service. These fatal events caused us to resolve to keep our forces together, for the present only to cover Cranganoor, to preserve the island of Vypin, and to entrench ourselves before Cranganoor until one should have the opportunity to undertake something further. But when in the meantime the entrenchment before Cranganoor was completed, I put to the test how far one might actually rely on Travancore and Cochin if it should ever be necessary to undertake something real with them against the enemy; thus I gave notice to the Travancore and Cochin ministers that we were now and Cochin forces refused to go along. minded to advance, to drive the enemy out of the Chittua country, and to retake what he had taken from us, asking whether they were now also ready to go along according to promise, and whether the coolies whom they had promised us were now at hand. But then the cat came out of the bag, 197 The King of Travancore even set out to meet the Governor in order to advise against it. namely that they had orders from their masters to do nothing other than what they had done up to this day, namely, merely to help prevent the enemy from further undertakings, with the anxious addition that if we should happen not to succeed, the Nabob would afterward come down with his entire force and destroy the whole of Malabar, so that their offered and displayed willingness had been nothing other than tall talk. I declared that if they would not march, our forces would march alone. Meanwhile, Travancore's agent named Ananda Mallen came to me with a further message from the Rajadore of Travancore, namely that he had just been summoned by his master and at the same time instructed to let me know in His Highness's name how His Highness, having learned that the Company was about to advance upon the enemy, requested me by no means to do so for the present, for no other reason than that His Highness had spoken with me in person, as His Highness was about to come hither in person expressly to confer with me as well about the present state of affairs as about several other articles of importance.
Dutch transcription
dog men konde het niet wagen tegens den vijand op te trekken schanst had. Chettua stond in gevaar beloften gedaan hadden om meede optetrekken, Maar de vijand zig intusschen van Chet„ om dat sij te sterk zig ver„tuca tot Cranganoor agter paggers en sterk„ „tens verschonst, en in hinderlagen gelegd hebbende oordeelden wij het toen niet raad„ zaam onze troupes 'er zo maar te laten op afgaan, want, schoon wij hier wel in een tamelijke staat van defensie waaren, zo waaren wij egter niet ingerigt, om te velde te trekken, tegen een vijand, op den oorlog af„ „gerigt, die zig intusschen over al verschanst had, en in hinderlagen lag, zo dat we ten eer„ sten de nodige aanstalte tot zo eene togt lieten maaken. Maar toen men hier meede bezig was, had de Resident van Chittua middel weeten te„ vinden, om ons kennisse te geven, dat Hij het, fort niet langer houden konde, het be„ houd van dit fort was tot ons oogmerk toen van de uijtterste aangelegentheid, als aan het Noorden van de Landstreek leggende gelijk het fort Cranganoor aan het Zuijden daar van legd, zo dat de vijand dan geen andere retracte had, als de wijk te neemen ten oos„ ten over de revier, alzo de zee ten westen legd. Dus resolveerde men Chettua eerst over zee overg en geen 195 naar valt ongelukkig uit overgave van Chettua en gevanigen neeming der gantsche bezitting Men zogt het te ontzetten zee te ontzetten, en deze Expeditie wierd den 11. N„ vember ondernomen, maar we hadden het verdriet dat het zelve niet, volgens het zo speciaal bij Jnstructie voorgeschreeven, onmiddelijk na de aankomst voor Chettua kon geschieden, maar eerst des anderen daags zo dat de vijand tijd gekreegen had, om uijt het Paponellijse opteruk„ ken, en in de nagt zig in krulen te begraven waar door s Nababs troupen, na dat onze geland waaren; van alle kanten als de mieren ten voorschijn quamen, de retraite beletten, ons de„ „tachement omeingelden gedeeltelijk ombragten, en gedeeltelijk gevangen namen, waar onder ook den Commandeerenden officier van de Ex„ „peditie, terwijl 'er eenige wijnige nog in 't fort Chittua ontkwaamen Twee dagen na deeze mislukte Expeditie wanneer de vijand alles aanwendde en reeds de ladders aan de muuren van het fort aan„ bragt, volgde de overgave van het fort ook, wel„ ke geschied was, op Conditie dat het guarni„ zoen vrij uijt na Cranganoor zoude trekken, maar het Leger Hoofd nam tegen zijne gege ven woord, de gansche bezettinge benevens die er van het detachement ingekomen waa„ ren, gevangen en voerde voorts alles wat 'er was, tot vrouwen, kinderen en slaven in Clusive men besloot hier op s Comp:s magt maar bij hen te houden. en toen wij klaar waren om ken, recuseerden de frevancoor„ Clusive na Calicoet, dog de militairen na zijn residentie plaats Seringapatnam al„ waar de meeste, uijt gebrek, bij den Nabab dienst genomen hebben, behalven de officier van de Expeditie, de Commandant van Chettua, in de Resident, welke drie absolut geen dienst wilden neemen. Deeze fataale gebeurtenissen, deeden ons be„ sluijten, om onze magt bij een te houden, voor eerst maar Cranganoor te dekken, het Eijland Baijpin te bewaaren, en voor Cranganoor ons te verschanlen tot men gelegentheid zoude hebben, iets verder te onderneemen. Maar toen intusschen het Relranchement voor Cranganoor klaar gekomen was, nam ik een preuve, in hoe verre men op Travan„ coor en Cochim wel zoude kunnen reekenen als het eens nodig mogt zijn met Hun iets, tegens den vijand op te trek re eels te onderneemen: dus gaf ik de Jre„ se en kochimse meede te gaan „ van coorse en Cochimse Ministers kennisse dat we nu voorneemens waaren, om opte„ rukken, de vijand uijt het Chittuase te ver„ „drijven en te herneemen, het geen Hij ons afgenomen had, vragende, ofke nu ook klaar waaren, om volgens belofte meede te gaan, en of de Coelijs die ze ons beloofd hadden, nu kwam bij de hand waaren. dog toen de aap uijt de mouw van 197 zelfs togt de koning van fre„ van coor den gouverneur te ont„ moeten om het af te raaden. mouw, namentlijk dat zij van Hunne Mees„ ters order hadden, om niets anders te doen als ze tot heeden toe gedaan hadden, na„ „mentlijk, de vijand zijne verdere onderna„ „minge te helpen beletten, zonder meer, met angstvallige bijvoeginge, dat als wij eens niet mogten reuseeren de Nabab dan naderhand met zijn geheele magt zoude afkomen, en de gansche Mallabaar vernielen, zo dat Hun aanbogden betoonde gewilligheijd niets anders als groot spreeken is geweest, ik verklaarde, dat als zij niet wilden optrekken, onze magt dan alleen zoude optrekken, intussen kwam Trevancoors Agent gen„t Ananda Mallen, bij mij, met een nadere boodschap van den Ragiadoor van Jrevancoor, namentlijk dat Hij zo aanstonds door zijn meester opgeroepen, en teffens, gelast was, mij uijt zijn Hoogh=ts naam te laaten weeten, hoe zijn Hoogheit vernomen hebbende, dat de Comp: op den vijand stond:/ aftegaan, mij liet verzoeken om zulx voor eerst tog niet te doen, om geene reeden waarom, al„ voorens zijn Hoogheid mij mondeling gesproo„ „ken had, dat zijn Hoogheid in perzoon dit heen stond te komen, expres om met mij zo wel over de tegenswoordige gesteldheijd van zaa„ „ken, als over meer andere articulen van ge„ wigt
English
Receipt of a letter and Batavia of which notice rumor that it the Nabob was to have become engaged in hostilities with the Company, Travancore used as a pretext to speak weighty words. Immediately arrived here on 9 January 1777: the ship Groenendaal, also bringing the gifts for the Nabob and the answer given to the same, whereof I at once gave notice to him. Meanwhile a rumor circulated here that the Nabob now in hindsight wished that he had not begun with the Company, because he now had less hope of surprising Travancore than otherwise, and it is also for that reason that I at that time drafted my letters to the Nabob in such a manner as if I assumed that his general had acted beyond his authorization. Meanwhile Travancore let me know at last care not to let the Company advance that a severe illness of his mother made his departure utterly impossible, to which was also added that he had since discovered an ugly piece of villainy by his First State Minister, because of which he could not leave his Court, as that case is described in my separate letter to Batavia, under date of 28 August 1777. But it later appeared to me that he sought to avoid the personal interview with me, and would not gladly have seen that the Company advanced, out of fear that if we should be defeated it would then be his turn, as proof that he well understood that his preservation depended on ours. 199 One resolved then not to march out until the answer came from the Nabob. Return of the commander of the expedition, of Chettua, and of the resident of that fort. Nabob's assurance given to them of wishing to live in friendship with the Company. Letters from the same regarding that assurance. Dispatch to the same of the Batavia letter and gifts, with a request to send persons to settle the disputes. Therefore we resolved on 5 March 1777 to undertake nothing as yet, but to await what consequence the communication would have that a letter with gifts from Batavia had arrived for the Nabob, as this was indeed of effect, for on 25 February there arrived here a commander of the Chettua expedition together with the Resident of Chettua, while the commander of Chettua also came down shortly thereafter; they made known to me that our captured military men had taken service with the Nabob out of poverty and want, but that on the other hand the other people with women, children, and slaves, who had been held captive until then, had likewise received freedom to come hither, who have also since actually returned; that both officer and Resident were charged by the Nabob in person to tell me that he gladly wished to continue living in peace and friendship with the Company, in the hope that the Company would also do likewise on its part, and that I would further see his good intention from the letter which he writes to me, as well as that each of them, having been presented with a native garment together with 100 rupees betel and traveling money, had departed, and that several speculative questions had been put to them by the Nabob, as he then also further offered his friendship by two distinct letters, so that one had to assume that he in fact inclined to settle the matter with the Company; and we further resolved by the aforesaid resolution to put his offered friendship to the test, to see whether he truly sought friendship and wished to settle the matter, by sending to him Their High Nobles' letter and gifts, and to ask him whether, for the investigation and settlement of the formulated claim, he wished to send hither two persons of whom he had made mention in the aforesaid two letters, or rather wished to have two commissioners from here, and furthermore to answer his said two letters amicably and to the point, as may be seen in more detail in the secret Resolution of 5 March 1777; and we flattered ourselves at that time with the hope that the matter was now about to change for the better, the more so as the rumors were confirmed that the Nabob had his hands full with the Marattas. 201 Yet to this no answer has come. In all these circumstances the English have shown themselves very indifferent. Which letter regarding these matters was made known to Their High Nobles. But far from it, since having read the letter, up to the present day he has not even deigned to answer the Batavia letter, much less mine, but as it seems considers the matter settled, with the given assurance of his friendship in retaining what has been conquered, without having undertaken anything further against us since. How now the English, whose interest indeed also dictates not to let this Nabob grow greater, looked upon the Nabob's conduct in the beginning of these troubles as if with folded arms, and laughed up their sleeve about it, yea even tried to fish in those troubled waters, may be seen from my separate missive written to Batavia, under date of 2 January 1777. And how matters furthermore actually stand with the invaded region, what right we have either to the same or to the sequestered lands of the Zamorin lying therein, or not, as well as whether the fort Chettua is effectively necessary for us or not, may also be seen in detail in the frequently mentioned resolution of 5 March and in two distinct
Dutch transcription
ontvangst, van een brief en Batavia waar van kennisse gerucht dat 't den Nabab schap geraakt te zijn Truancoors gebruikte voor„ ten optrekken. „wigt te spreeken. Onmiddelijk arriveerde alhier den 9. Janu„ geschinken voor den Sasfab van arij 1777: het schip Groenendaal meede bren„ wierd gegeven aan den selven. „ gende het antwoorden geschenken voor den Nabab, waar van ik ten eersten aan stemken„ nis gaf. Middelerwijl liep hier een gerugt, dat de spoet met de Comp: in vijand Nabab nu van agteren wel wenschte dat Hij„ met de Comp. niet begonnen had, om dat Hij nu minder Hoop om frevancoor te kunnen overrassen, als anders, en het is ook, om die ree„ „den, dat ik te dier tijd mijne brieven zodanig aan den Nabab inrigtte, als of ik veronderstelde dat zijn veldheer buijten zijne qualificatie ge„ „gaan was. Jntusschen liet Jrevancoor mij op 't laatste zorge, om de Comp: niet te la„ weeten, dat een zwaare ziekte van zijn Moe„ „der, zijne afkomst verstrekt onmogelijk maak„ „te, waar bij ook kwam, dat hij 't zedert een leelijk stukje van zijnen Eersten, staads Mi„ nister ontdekt had, waar door Hij niet van zijn Hoff kon, gelijk dat geval beschreeven is bij mijne apparte na Batavia, onder dato den 28. aug=s 1777. dog het is mij naderhand gebleeken, dat hij het mondgesprek met mij heeft zoeken te ontwijken en niet gaarne zoude gezien hebben, dat de Comp: opgetrok„ ken te vande te van den 199 men resolveerde dan niet op van den Nabab kwam. te rug komste van den Com„ van Chettua en van den resie„ dent van dat fort. fababse verziekering, aan in vriendschap te willen leeven. ken was, uijt bedugtinge, dat als we geslagen mogten worden Hij dan aan de beurt lag, ten bewijze dat Hij wel begreep, dat zijn be„ houd van het onze afking. Derhalven rezolveerden wij den 5. maart 1777. te trekken, tot het andwoord om als nog niets te onderneemen, maar afte „wagten van wat gevolg de Communicatie zou„ „de zijn, dat 'er een briev met geschenken van Batavia voor den Nabab gekomen was, gelijk zulx dan ook van effect was, want den 25. febru„ „arij arriveerden alhier een Commandant van de Chettuase expeditie benevens de Resiedent van Chettua, terwijl de Commandant van mandanten van de Expeditie, Chettua kort daar na ook afquam, de te maak„ ten mij bekent dat onze gevangene Mili„ „tairen uijt armoede en gebrek bij den Na„ „bal dienst genomen, dog dat daar en te„ „gen de andere lieden met vrouwen, kinderen, en slaven, die tot dus lange gevangen ge weest waaren, insgelijks vrijheijd gekreegen hadden, dit heen te komen, die ook zedert werkelijk te rug gekomen zijn, dat zo wel offecier als Resident, door den Nabab in per„ hen gedaan van met de Comp:e„ zoon gelast waaren, om aan mij te zeggen dat Hij met de Comp: gaarne in vreede en vriendschap wilde blijven leven, in hoop, dat de Comp: zulks aan Haar zijde ook wilde doen elde brieven van den zelven no„ pens die verzeekering „zending aan den selven gvan de Bataviase brief en geschenken den om de verschillen of te ma„ doen, en dat ik zijn goede intentie nader zoude zien, bij de brief die Hij aan mij schrijft, zo mee„ de datze ider met een inlands kleed, benevens 100. ropijen betel en reijsgeld beschonken zijnde afge„ „komen, waaren, en dat Hun verscheijde specula„ „tive vragen door den Nabab gedaan waaren, ge„ lijk Hij dan ook bij twee onderscheijdene brieven zijne vriendschap nader aanbood„ zo dat men moest veronderstellen, dat Hij in der daad„ inclineerde om de zaak met de Comp: bijteleg„ „gen, en wij bij voorschreeve resolutie nader be„ „slooten van zijne aangeboode vriendschap een preuve te neemen, om te zien, of Hij waar „lijk de vriendschap togt, en de zaak wilde bij„ „leggen, niet aan Hem toete zenden Haar Hoog Edelheedens briev, en geschenken, en van met verzoek poe koonen te zen hem te vragen, of Hij ter onderzoek en afdoe„ ninge van de geformeerde pretentie twee perzoonen waar van Hij in een voorschre„ „ve twee brieven gemeld had, dit heen wilde zenden, dan wel, twee gecommitteerdens van hier geliefde te hebben, en voorts gem: zijne twee brieven vriendelijk en ter zaak te be„ „antwoorden, zo als bij secreete Resolutie van den 5. maart 1777. nader te zien is, en wij vlijden, ons te dier tijd, met de Hoop dat de zaak nu ten goeden stond te veranderen, te meer„ zeer de ken. 201 dog hier op is geen antwoord gekomen. in allen deeze omstandighee„ zeer onverschillig getoond. welke brief wegens deeze kennis is gegeven. de gerugten bevestigt wierden, dat de Nabab met de Marattas de handen vol kreeg. Maar wel verre daar van daan, alzo Hij de brief gelezen hebbende, tot heden toe, zig nog niet eens verwaardigt heeft, de Bataviase brief veel min de mijne te beantwoorden, maar zo als het schijnd de zaak voor afgedaan houd, met de gedaane verzekeringe van zijn vriend„ „schap in 't behouden van het geconquesteerde zonder 't zedert iets verders tegen ons meer ondernomen te hebben. Hoe nude Engelse, wier belang in der daad den hebben de Engelschen zig meede brengt, om dezen Nabab niet groter te laten worden, in 't begin dezer troebelen Nababs gedrag als met gekruijste armen aangezien, en daar over in hun vrijsje ge„ „lachgen, ja zelfs in dat troebel water ge„ „tragt hebben te visschen, is te zien bij mijne aparte missive na Batavia geschreeven, on„ Caires haar hoog Edelheed:s der dato den 2. Janu: 1777. en hoe het voorts eijgentlijk gelegen is met de ge-invadeerde landstreek, wat regt wij zo op dezelve, als op de daar inleggende gesequestreerde lan„ „den van den sammorijn hebben, of niet, zo meede of het fort Chettua voor ons effectief noodzakelijk zij of niet, is ook omstandig te zien bij meerm: resolutie van den 5. maart en bij twee onder„ „scheijdene
English
The Zamorin Nairs made movements again. A Moorish head left the Nabob's side and went to Travancore. Several secret letters were written from here to Batavia on the 7th following, and with this the good monsoon ended. In the meantime, as a large part of the Nabob's troops had been called northwards on this occasion, and Chettua had been very well provided for and fortified by the Nabob, the Zamorin Nairs began to appear from the forests and mountains and to disturb the country, so that the Nabob's men constantly had to be in action to drive them away, while nevertheless the Zamorin kingdom was miserably plundered and ruined, to such an extent that the merchants, from whom Calicut has most of its revenues, were also gagged and oppressed, just as if the Nabob wanted to completely devastate that kingdom and extract the very last from it. A certain head of the Moorish faction in the Zamorin country named Hyderoos Coetty (who, since the conquest of the Zamorin kingdom, had remained attached to the Nabob, and had not only been left in his dignity, but was even placed over the district of Charracatty to produce a certain sum from it annually, which was however so large that he could not collect that money together, and was nevertheless forced to do so) also began to grow tired of that violence, left the Nabob's side, and openly joined with his followers the Zamorin Nairs, to disturb the Nabob's men with them, if possible to drive them away and restore the Zamorin; but seeing himself not safe enough, he sent his family to the south, and immediately thereafter also retreated to the south, and indeed into Travancore, which the King permitted by turning a blind eye. The Zamorin Nairs, however much they defended themselves, could not get around the corner, and had retreated back into the forests and the mountains. But with the ending of the bad monsoon, matters began to change for the better; the Nabob's force was still in the North, where he began to get his hands more and more full. The Zamorin Nairs raised their horns again, and raided up close to Calicut, and the deserters among the Nabob's troops who were still in this area also began to increase. The inhabitants in the invaded region awaited us every day and promised to help us carry and haul. The shortage of coolies had also been solved for the most part by training draft and pack oxen, while furthermore the opportunity presented itself favorably on all sides to drive the enemy out of our possessions and retake Fort Chettua, while the expedition was arranged in such a way that if one could not obtain Fort Chettua, we would still always be the same as before the expedition, namely in a good state of defense at Cranganore and Aykotta. The expedition was then undertaken from Cranganore on the 8th of the month of January 1778. Our army immediately drove off the enemy, who lay stationed in the palace of the King of Cranganore about 300 men strong, but who fled hastily to the north. The army continued its march and came that day to Saponetty, where no enemy was to be found anymore either. The next day in the morning the march was continued to Ballapattoo, from where on the 3rd day the army continued the march to Chettua and arrived before it at 6 o'clock in the evening, which was immediately closely besieged. The fort was subsequently heavily fired upon and bombarded night and day, which the garrison stubbornly endured, whereby the Nabob's men had time to arrive with a large relief force, which, and the failure of an assault that our men undertook thereupon, along with several threatening dangers that presented themselves, whereby our army was about to be attacked in the rear and cut off from us (to be seen more broadly in the secret letter written to Batavia dated 26 February following, and in the report of Commander Wohlfarth), forced one to raise the siege after the army had lain before it for 7 days and had used all possible force against it. Thus on 19 January, after leaving behind some artillery, it arrived again in good order at the camp before Cranganore, where it put itself again into a posture of defense, as before the expedition, and also further extended the outpost into the palace of the King of Cranganore, 1/4 hour north of Fort Cranganore. It was now seen that the Nabob, despite his hands being full with the Marathas, has made such dispositions regarding his conquered lands that he can immediately have a mass of auxiliary troops together, and as soon as we come north of Cranganore, he can always attack us in the rear across the river. In the palace of the King of Cranganore
Dutch transcription
de Sammosijnse sairossen weder beweegingen gemaakt. Een moors hoofd verliet de Nababse, zijde en ging na den Trevancoor. „scheijdene secreete brieven van den 7. daar aan, van hier na Batavia geschreeven, en hier mee„ de was de goede mousson ge-eijndigd Jntusschen dat de troupes van den Nabab hebben ter dezer gelegendheid, voor een goed deel noordwaards opgeroepen waa„ ren, en Chettua door den Nabab zeer wel voor„ „zien en versterkt was, begonden de sammorijnse Nairossen uijt de bossen en gebergtens zig te ver„ „toonen, en 't land te ontrusten, zo dat de Na„ „babse geduurig in de weer moesten zijn, om Hun te verdrijven, terwijl egter het sammo„ rijnse rijk elendig geplukt en geruineerd wierd, in zo verre dat de kooplieden, waar van Calicoet zijn meeste, inkomsten heeft, ook al gekneveld en gedrukt wierden, even als of de Nabab dat Rijk ten eenemaal verwoesten, en het laaste er uijt haalen wilde. zeker Hoofd van de Moorse factie in het sam„ „morijnse gen„t Hijderoos Coettij (die 't zedert de poord Corobee overheeringe van het sammorijnse Rijk, den herne Nabab had blijven aankleeven, en niet alleen in zijne waardigheijd gelaten, maar zelvs over het district van Charracattij gestelt, was, om Jaarlijks daar zekere somma uijt optebrengen die egter zo groot was, dat Hij dat geld niet bij elkander wist te brengen en evenwel daar toe geforceerd wierd :/ begon dat geweld ook al ti moede 203 De Sammorijnse Nairos re„ tireeren in de bosschen. Corobeeren Chettua weder te herneemen. moede te worden, verliet, 's Nababs, zijde, en voeg„ „de zig opentlijk met zijn aanhang bij de sammorijnse Nairos, om met Hen de Nabab„ „se te ontrusten, des mogelijk te verdrijven en den sammorijn, te herstellen, dog zig niet vij „lig genoeg ziende, zond zijne familie na de zuijd, en retireerde onmiddelijk daar op ook na de Zuijd, en wel in 't Jrevancoorse, het geen de koning oogluijkende toeliet De Sammorijnse Nairos, hoe zeer ze zig ook weerden, konden egter het hoekje niet te boven komen, en waaren weder in de bosschen en het gebergte geweeken. Dog met het eijndigen van de quaade mons„ „son begonnen de zaaken ten goeden te ver„ „anderen, 's Nababs magt was nog om de Noord, alwaar Hij de handen meer en meer vol begon te krijgen, De Sammorijnse Nairos voordeelige gelegentheid om te staken weder de hoorens op, en stroopten tot digt bij Calicoet en de Deserliers onder 't Na„ „babo troupen, die hier nog omstreeks waa„ „ren, begon ook toeteneemen, de ingezetenen op de ge-invadeerde landstreek, wagteden ons alle dagen en beloofden ons te zullen helpen dragen en sleepen. Men had ook het gebrek aan Coelijs,„ voor het grootste gedeelte, gevonden met trek en draag ossen aanteleeren, doende wijders optocht van 'sComp:s leger van Cranganoor na Chettua Dede vijand retijreerd na Chet„ wijders de gelegentheijd zig aan alle kanten favorabel op, om de vijand uijt onze bezittin„ „gen te versaagen, en 't fort Chettua te ker„ „neemen, terwijl de Expeditie zodanig inge„ „rigt was, dat we indien men het fort Chettua niet konde krijgen, nog altoos dezelv„ „de zoude zijn, als voor de Expeditie, teweeten in een goeden staat van defensie te Cranga„ „noor en Aijkotta: De Expeditie wierd, dan op den 8. ste van de maand Januarij 1778. van Cranganoor onderno„ „men: ons leger verdreef, al ten eersten den vij„ „and die in het paleijs van den koning van Cranganoor omtrent 300. man, sterk gepos„ teert lag, dog ijlings na de noord vlugtte„ leger vervolgde zijnen marsch en kwam dien 1/3 tul en het fort aldaar beligert dag tot Saponettij, alwaar ook geen vijand meer te vinden was. sanderen daags smor„ „gens wierd de marsch voortgezet tot Balla„ „pattoe van waar het leger den 3=e dag de marsch na Chettua voortzetten, en 'savonds ten 6. uuren 'er voorquam, 't welke ten eer„ „sten nauw ingesloten wierd; Het fort wierd vervolgens nagt en dag hevig beschooten en gebom„ „bardeerd, 't welke de bezettelingen hardnekkig verduurden, waar door de Nababse tijd hadden, om„ met een groot secours aftekomen, het welk en het daar op 205 „en sogt het stormender land in te neemen dog mis„ daar op brak men het belig voor. spoedige hulpe die de Na„ babse erlangden. het mislukten van een storm, die de onze daar op ondernamen, mitsgaders verscheijde drijgende gevaaren, die zig op deeden waar door ons leger in den rugge gevallen en van ons afgesneeden stond te worden, breeder te zien bij secreete missive na Batavia geschree„ „ven in dato 26. febr: daar aan, en bij het Rap„ „port van den Commandant Wohlfarth, men genoodzaakt wierd, het beleg opte breeken na dat het Leger 7. daagen daar voor had geleegen, en alle mogelijke geweld daar op gedaan had, ko„ „mende dus den 19. Januarij na agter-latinge van eenig geschut, weder in het Camp voor op en kwam weder op Cranga, Cranganoor in goede order aan, alwaar het zelve zig weder in postuur van defensie, als voor de Expeditie en ook verder, de voorpost uijtstelde tot in het paleijs van den koning van Cranganoor ¼ ulir benoorden het fort Cranganoor. Men zag nu dat de Tabab, ongeagt zijn volhandig werk met de Marhettas, omtrend zijne overheerde landen, zodanige disposities gemaakt heeft, dat Hij aanstonds een hoope hulp troupen bij een kan hebben, en zo dra„ we maar benoorden Cranganoor komen, Hij ons altoos over de rivier in den rug kan val„ „len. Jn 't Saleijs van den koning van Cranga„ „noor lukte.
English
of the king of Cranganore was surrounded by the Nabob's forces. But fortunately cuts his way through and reaches Cranganore. Held conference with the minister of Travancore about the expenses which the Company now must bear for the preservation of his master's realm. Cranganore, as aforesaid, having taken up a post, the Company's troops in the palace, which were too much of an eyesore to the enemy, this post was attacked and surrounded on the 3rd of March following, in the morning at daybreak, by about 3000 foot soldiers and 150 horsemen, and some artillerymen with four cannons. Our men had orders, if they were overpowered, to retire to the entrenchment. The Commandant first sent the inner picket to them, and thereafter also the outer picket, to cover the retreat, whereby our men, fighting on their way back, arrived before the camp at Cranganore already at 10 o'clock. In this affair we had only 6 dead and some wounded, whereas on the other hand very many of the enemy were slain and also many wounded were carried off by them. Shortly after this event came the first state minister of the king of Travancore, with whom, among other matters, I spoke in great detail about the present circumstances, and finally about the war expenses which the Company currently had to bear. And I pointed out to him that upon the preservation of Cranganore and Aycotta depended his master's preservation or ruin; that his master ought to assist us in the expenses; The Nabob seeks through cunning to bring that otherwise one could no longer maintain such a force there, in which case his master would be exposed to the utmost danger of losing everything; and that we could still rely on our city, and if we were entirely unable or unwilling to remain here any longer, that we would lose only a part of our possessions, since we still have so much in the Indies, while His Highness has only a single kingdom, alongside other arguments. However, here I knocked on a deaf man's door, and I judged it best not to insist further on this, but rather on a richer pepper harvest, as has been described in detail, along with the replies and remarks of that able minister, in my separate letter to Batavia under the date of 24 April 1778. Meanwhile, the Samorin princes and the Nayars continued their raids, which in the end made the Nabob so embittered that he devised a stratagem to get the king, the princes, and the entire family into his hands and have them massacred, in order to effect thereby the complete subjugation of the realm and bring the rebelling Nayars to a halt. For this purpose, he authorized the king of Collastry to negotiate with the Samorin on behalf of the Nabob, promises for that purpose to those princes to restore the realm to them, calls them to a conference in order to then surround them, but the treachery being discovered, the princes cut their way through and escape. namely to restore him again to his realm, provided he paid a certain moderate tribute, even with some alleviating conditions. The king of Collastry, who had also already been restored in that manner by the Nabob some time before, had arrived at Calicut and did everything in his power there through letters and messages to make the matter agreeable to the Samorin princes. And he had already brought it so far that not only was the place for the conference determined, but also that the Samorin princes had already arrived there. Meanwhile, the intention of the Nabob's governor was to surround them and capture them. However, the Samorin princes, having out of prudence taken along as many men as they could, noticed the danger just in time, and had the good fortune, though not without great danger, to cut their way through and return safely to their hiding places. But one of the princes had fared so badly that he was severely wounded in his left thigh, which act was regarded across the entire Malabar by everyone with contempt and as one of the vilest pieces of villainy. Cotiote Nayars join with the Samorin against the Nabob's forces, but are defeated. Nabob's expedition against the English and Mahomet Aly to the coast. Subsequently, the Nayars of Cotiote also put their heads together; their ousted king appeared once more, and having united with the Samorin, they did everything possible to drive out the Nabob's forces and disturb the country, yet whatever they did, they could not overcome the difficulty. Meanwhile, the Nabob's general Sardar Khan, the very same who began the hostile acts against us and had since been summoned by the Nabob, came down with a corps of 5 to 6000 men, and cutting his way through, albeit with the loss of a quarter of his force, arrived at Calicut, and thus secured the country against the violence of the Nayars, who then returned into the forests. Furthermore, it is known how the Nabob recently marched eastward through the mountains with a considerable army so unexpectedly against the English and their Nabob Mahomet Aly in the Carnatic and Madura, that he was there before the English even knew it, and how in passing he plundered the Company's lodge at Porto Novo, our Resident as well
Dutch transcription
van den koning van Cranganoor werd, door de Nababse omcin„ gelt. dog slaat gelukkig door en Cranganoor. gehoudene Conferentie met over de kosten die de Comp: thans zijn meesters rijk. „noor /:gelijk voorzegt:/ post gevat hebbende het sComp:s volk in het Paleis geen de vijand te zeer in 't dog stak, zo wierd deze post op den 3. maart daar aan smorgens met het aanbreeken van den dag ge-attacqueert en omcingelt, door omtrend 3000. Man te voet en 150. te paard, en eenige Arthilleristen met vier Ca„ „nons: Deze onze hadden ordre, indien te over„ „mand wierden, dan maar na het retranche„ „ment te komen: De Commandant zond eerst na hen toe, het binnen piquet en daar na ook het buiten piquet, om de retraite te dekken, waar door de onze reeds te 10. uuren en al komen in 't Camp voor vegtende te rug en voor 't Camp te Cranganoor waaren, in welke affaire we maar 6. dooden, en eenige gekwetste bekwaamen, waar en tegen van de vijand zeer veele gebleeven, en ook veele gequetsten door Hen afgevoert zijn geworden. kort na dit geval kwams den Eersten stads Ministers van den koning van Jrevancoor met wien ik onder andere zeer omstandig „sprak over de presente tijds=omstandigheeden de minister van Jrevancoor en eijndelijk over de oorlogs- onkosten die de dragen moet tot Gehoud van Comp: tans te dragen had, en ik toonde hem aan, dat aan het behoud van Cranganoor en Hijkotta zijn 's Meesters behoud of onder„ „gang dependeerde; Dat zijn meester ons in de onkosten diende te gemoed te komen, dat breng 207 do sabab zoek door list den brengen. dat men anders daar zo een magt niet lan„ ger konde aanhouden, wanneer zijn mees„ „ter aan het uijtterste gevaar bloot gesteld zoude zijn, om alles te verliezen, en dat wij ons dan nog op onze stad konde verlaten, en hier in 't geheel niet meer kunnende, of wil„ lende blijven, dat we dan maar een gedeelte van onze bezittingen zouden quijt raaken, daar we in Jndien nog zo veel hebben, en zijn Hoogheijd maar een enkeld Rijk, en an¬ „dere argamenten meer, dog hier klopte ik voor de doodsmans deur, en oordeelde het best te zijn hier verder niet op aantedringen, maar wel op een opulenter peper inzaam, gelijk dat nevens de replicen en remarques van dien kundigen Minister, omstandig beschreeven is, bij mijne aparte brief na Batavia onder dato den 24 April 1778. —. Jntusschen Continueerden de Sammorijnse Cammorijnse princen om te Naijros met hunne stroperijen, het geen de Nabab op 't laatst zo verbitterd maakte, dat Hij een list bedagt, om den koning, de prin„ „an en de gantsche familie in handen te krijgen en te doen, massacreeren ten eijnde de geheele onderwerpinge van het Rijk daar door te bewerken, en de rebellerende Nairossen tot stilstand te brengen. Hier beloofd ten dien eijnde aan die Roept hen tot een Conferen„ dog het verraad onsdekt slaan de princen zig door en ontkomen. Hier toe qualificeerde Hij den koning van princen het rijk te willen over Collastrij, om van wegens den Nabab met de sammorijnse te handelen, namentlijk om Htem weder in zijn Rijk te herstellen, mits betaalende zeekere matige Contributie, zelvs met eenige verligtende voorwaarden. De koning van Collastrij die door den Nabab voor eenigen tijd ook reeds op die wijze in zijn hersteld is; was te Caliceit gekomen en deed daar alle wat in zijn vermogen was, om door brieven en bood„ „schappen, de sammorijnse princen de te zaak smakelijk te maaken, en Hij hadde het ook tie om hen dan te omcingelen al zo verre, dat niet alleen de plaats tot de Confirentie bepaalt was, maar ook dat de sam„ „morijnse princen daar reeds al gekomen waa„ „ren, Jntusschen was de intentie van 's Nababs gouverneur om Hun te omcingelen en meede teneemen, dog de sammorijnse Prinsen uijt voorzigtigheijd, zo veel volk meede genomen heb„ „bende, al te konden, merkten effen van pas Saba els onrad, en hadden het geluk dog niet zonder na groot gevaar, zig er door heen te slaan, en weer behouden in hunne schuijlplaatse te komen, maar een van de princen had het zo erg ge„ „had dat hij in zijn linker dije zwaar ge„ „kwetst wierd, welke daad op de geheele Mal„ „labaar bij ijder een met veragtinge en als een van geven. 209 Collealse Nairos spannen het de sammorijnste tegen de ababse aan, maar werden ge„ Sababse optogt tegens de En„ elscherper Mahomet Alij na de kust. vaers de leelijkste schelmstukken aangemerkt wierd. Vervolgens staken de Nairossen van Cot„ taatte ook de koppen bij elkander; Hunne verdreeven koning kwam weder ten voor„ „schijn, en zig met de sammorijnse veree„ nigd hebbende, deeden te al wat mogelijk was, om de Nababse te verdrijven en het land te ontrusten, dog wat ze ook deeden te konden het hoekje, niet te boven komen. terwijl intusschen 's Nababs veldheer Char„ „derchan / die zelvde, die de vijandelijke bedrij„ ven tegen ons begonnen heeft en 't zedert bij den Nabab opgeroepen was:/ met een Corps van 5. a 6000. man afkwam, en zig wel met een quart verlies van zijn magt door„ „sloeg en te Calicoet aankwam, en dus het land bevijligde tegen het geweld der Naijros„ „sen, die toen weder in de bossen keerden. Voorts is het bekend, hoe de Nabab onlangs oostwaards door het gebergte heen, met een aanzienelijke Leger zo onverwagt tegen„ de Engelse en hunne Nabab Mahomet Alij in het Carnatische en Madureese gevallen is, dat Hij 'er was, eer de Engelse vlaat het wisten, hoe Hij empassant 's Comp=s logie Porto Novo geplundert onzen Resident, zo wel de mits slagen. eer
English
his progress made there. In what alarming circumstances matters stand there on the coast. That Tellicherry is also besieged by them. as well as the French Resident taken prisoner there, perpetrated a striking massacre among the English troops, subsequently captured the strong capital of the Carnatic named Arcot, besieged another no less strong city named Vellore, and in a word wrought terrible devestations both in the Carnatic and in Madurai, and has nevertheless brought everything, even at Nagapatnam and Tuticorin, so much into turmoil, and still keeps it so, that Your Honour, having the authority over the Company's possessions on the Madurai coast, was forced to request militia from Ceylon against his further intrusion or a sudden overrun; and no less is it known what subtle statecraft he practices in order to make the inhabitants there submit to him, whilst he meanwhile here in the vicinity has now for some time kept the English fortress Tellicherry besieged in such earnest, that if this fort had not recently received a strong relief from Bombay, the same would already have fallen into the Nabob's hands, which the English themselves admit, as they already began to suffer a lack of everything and the supply of provisions by sea was prevented by the Nabob's vessels, 211 and even would have surrendered if they had not received relief from Bombay. Nevertheless, the Nabob's power remains equally strong everywhere. There is no hope remaining that he will settle with the Company, but rather that he seeks according to opportunity to force the acceptance of his interests. vessels which, notwithstanding that a large part of the same was recently destroyed by the English, nevertheless still make the supply of provisions to Tellicherry difficult, so that the English are absolutely compelled continually to secure the coast here with ships equipped for war; all of which, however, thus far has been unable to have any influence for the better upon us, as the Nabob's power hereabouts is not yet diminished, but Chettua, Chavakkad and Calicut remain occupied in the same manner as before. Meanwhile I have successively tried in every conceivable way whether he would not settle the matter with the Company, but it seems that he will not hear of it, and that his whole attitude towards us amounts to cunning, deceit and falsehood, looking out for an opportunity to surprise us. And the more I look into the matter, the more it appears to me that the Nabob behaves as if the affair were settled, namely with the given assurances of his friendship, and not keeping what he has taken from us, being outside Fort Chettua the very same which the Zamorin had until the year 1717, and repeatedly contested with us, even up to the time of Commander De Jong in 1758; and that the Nabob, in the hope that we might become careless here or our forces would gradually diminish, lies in wait meanwhile to attack us once again unexpectedly when his affairs might permit it, and to see whether he cannot break through by surprise, or also draw us into his interests, for it is as if he effectively wants to force the Company to enter into an offensive and defensive treaty with him, which afterwards appears more and more from all circumstances. Indeed, when he was checked here in his advance and saw that he could not break through further so easily, he certainly made a show, by sending off the officers and releasing the prisoners, as if he wished to settle the matter. Yea, he even declared then that he wanted no war with the Company, undoubtedly only in the hope that he might yet persuade us, or also that a favourable answer had come from Batavia. Yea, when I informed him that a letter with presents had arrived, I clearly saw his longing for the same. He let me know that I should send the letter quickly, and inform him what credentials I had obtained, 213 but not having found the contents of the letter to his liking, he broke off the correspondence. How our affairs with him stand at present, and how we must be on our guard at Cranganore and Ayacotta. without mentioning the presents or anything else. But the contents of the letter being framed according to the system of the Company, and not as he would gladly have seen, the correspondence suddenly came to a standstill, although upon his professions of friendship I made him the most courteous offers; on the contrary, he has spurned all my overtures which I have since undertaken through all manner of most suitable channels. And in that same state matters still stand at present, namely that the Nabob keeps possession of the region between Cranganore and Chettua, whither the inhabitants have gradually returned to dwell, whilst he keeps Fort Chettua very well garrisoned, which fort, lying fully 12 hours from Cranganore, it is not well possible to take from him without a considerably large force, because experience has taught that the enemy can cut us off there every time, so that we must only be on our guard at Cranganore and at Ayacotta, and ensure that he does not surprise us there, nor pass through, for which purpose in the good monsoon our vessels somewhat north of this roadstead, near or at the point of Ayacotta
Dutch transcription
„desselfs gemaakte pro„ gressen aldaar. Jn wagt sorgelijke omstan„ digheeden de zaken daar ter kuste slaan. Jereigl Jallichgrij door hen ook besagert is. wel als den Pienschen Resiedent, aldaar gevan „gen genomen, onder de Engelse troupes een ecla tante massakre gedaan, vervolgens de sterk Hoofd stad van Carnatika gen=t Arkat ingesijn baij „nomen een andere niet min sterke stad gen=t Weloer, belegert, en met een woord zo in het Carnatische als in het Madu„ nogtans over „reesche eijsselijke verwoestingen aangeregt alles zelvs te Nagapatnam en Tutucorijn zo zeer in, rep en roer gebragt heeft, en nog houd dat UWEd: als het gezag over 's Comp=s bezit „tingen op de Madureese kust gehad hebben genoodzaakt is geweest tegen zijne verdere in geen „drang, of een subiete overloop, Militie van Een „lon te verzoeken, en niet min is het be „kend, welke fijne staat kunde Hij vessend om de ingezeetene aldaar aan zig te doen o „derwerpen, terwijl Hij intussen hier in de buurt nu al zedert eenigen tijd, de Engelse fortres Jallicherij met zo veel ernst bezet geneemen belegert houd, dat indien dit fort onlangs met een sterk ontzet, van Bombaij erlang had, het zelve al in 's Nababs handen zoude gevallen zijn, het geen de Engelse zelfs beke „nen, alzo zij reeds aan alles gebrek begor „den te lijden en de aanvoer van levensmit „delen ter zee belet wierd, door 's Nababs vaar naar eid uijt t in zelfs met de „tuijgen p Ro tie 211 en zelfs al zoude overgegaan baij hadden erlangt ogtans blijft 'se Nababs magt over al even sterk. in geen hoope overig dat hij met de Commp: zal bijleggen naar wel dat hij na gelegent„ en en dwingen zijn belang aan„ eneemen. „tuijgen, die niet tegenstaande onlangs een groot deel van dezelve door de Engelse vernield zijn. even wel nog al den aanvoer van levensmid„ gesijn, zo ze geen ontzet van Bom„ delen te Jallicherij moeijelijk maaken, zo dat de Engelse absolut genoodzaakt zijn, bij Con„ „tinuatie de kust alhier met scheepen, ten oorlog toegerust, te bevijligen, welk alles egter tot nog toe geen influentie ten goede op ons heeft mogen hebben, alzo 's Nababs magt, hier omstreeks nog niet vermindert is, maar Chettua, Chawacattij en Calicoet op de zelve wijze als bevoorens bezet blijven. Jntusschen hebbe ik successive op alle beden„ kelijke wijze beproefd, of Mij de zaak met de Comp: niet wild bijleggen, dog het schijnd dat Hij er niet van hooren wild, en dat zijn ge„ „heele houdinge omtrent ons oplist, bedrogen valsheijd uijtkomt En hoe meer ik de zaak inzie, hoe meer het eid uijt ziet om ons te ovewval, mij voorkomt, dat de Nabab zig houd als of de affaire afgedaan was, namentlijk met de gedane verzekeringe van zijn vriendschap en niet te houden, het geen Hij ons afgenomen heeft, zijnde /:buijten 't fort Chettua:/ dat zelf„ „de, het geen de sammorijn tot het Jaar 1717. gehad heeft, en ons telkens tot, zelfs ten tijde van den Commandeur De Jong in 1758. be„ twist t en Een zo als, zulx al heeft, geblee zond, en de Balavinse brieffver„ „twist heeft, en dat de Nabab in hoop dat wij naar hier wel zorgeloos worden of onze magt gaande weg verminderen zoude, intusschen op zijn pon luijmen legt, om ons wanneer het zijne zaa„ ken mogten toelaaten, weder eens op het on„ verwagtst te bespringen, en te zien of Hij niet met een overijlinge doorbreeken, of ons ook wel in zijne belangens krijgen kan, want het is als of Hij effectiev de Comp: dwingen wild, om met Hem een offensier en defensiev fractaat aantegaan, het geen van agteren uijt alle omstandigheeden meer en meer blijkt; trouwens toen Hij hier in zijn vaart gestuijt was, en zag dat Hij zo gemakkelijk niet verder doorbreeken kon, maakte Hij ken toen hij onze officiers af„immers mine, met het afzenden van de officiers en 't largeeren van de gevangen, als of Hij de zaak wilde bijleggen, Ja Hij ver„ „klaarde toen zelfs, dat Hij met de Comp: geen oorlog wilde hebben opgetwijffeld alleen maar„ in hoop, dat Hij ons nog wel eens zoude over„ en „haalen of ook wel, dat 'er een goed, antwoord van Batavia gekomen was, Ja toen ik Iem bedeelde, dat 'er een briev met geschenken ge„ „komen was, zag ik duijdelijk zijn verlangen na dezelve Hij liet mij weeten, om de brief tog maar schielijk te zenden, en Hem te ten kotta bedeelen zogt. met hoedang 213 naar den inhoud van de brief hebbende, brak hij de Corres„ pondentie af. hoedanig thans onze zaken met hem slaan. en hoe wij op onze hoede moe„ kotta. bedeelen welke qualiticatie ik erlangd had, gaande niet na zijn smaak gevonden zonder van de geschenken of iets anders te rep„ „pen, dog de inhoud van de brief na het Sijsthe „ma van de Comp: ingerigt zijnde, en niet zo als Hij welgaarne zoude gezien hebben, zo stond de Correspondentie eensklaps stil, schoon ik hem op zijn vriendschaps betuijginge de be„ liefdste aanbiedinge gedaan hebbe, in tegendeel zo heeft sij alle mijne lentamens, die ik 't te„ dert onder de handen door allerleij best-voe„ gelijkste wegen gedaan hebbe, versmaad. En in dien zelvden staat, staan de zaaken tans nog, namentlijk dat de Nabab de Land„ „streek, tusschen Cranganoor en Chittua in bezit houd, werwaardts de ingezetenen zig gaan, „de weg weeder ter woon begeven hebben, ter„ „wijl Hij het Fort Chettua zeer wel bezet houd, welk fort, als leggende wel 12. uuren van Cranganoor, niet wel mogelijk is hem afte neemen, zonder een Considerable groote magt door dien de ondervindinge geleert heeft, dat ten zijn op Cranganoor en aij de vijand ons daar telkens afsnijden kan, zo dat wij te Cranganoor en te Rijkotta maar op hoede moeten zijn, en zorgen dat hij ons daar niet overrasse, nog doorkomen en waar toe in de goede Mousson onze vaartuijgen wat benoorden deze rheede, bij of aan de hoek van Aijkotta wij zijn Zaa„
English
as well as paying attention that Travancore keeps good guard. From whom one reports of Ayacotta must place, to prevent his crossing there by sea, while Travancore must take care of his line, for which it is necessary that one now and then inspects whether everything there is well manned and supplied, in order to be able to warn Travancore if something here and there should be lacking. And concerning the personal qualities that the Nabob has, regarding this I have been informed by several deserters who served under him and also frequently stood guard at his court and durbar, as well as by various French and others who have been to his residence time and again, spoken with him, and had the opportunity to learn many details; but the best reports I received from his personal physician, a French doctor, who was with him daily for fully 12 years, wandered about with him, and finally out of aversion and dissatisfaction with his difficult nature, having left his service in the year 1778, stayed here for some weeks, although he has since, at the urging of the then French Governor of Pondicherry, Mr. Bellecombe, on the entreaties of Hyder Ali Khan, being requested to serve the Nabob again, thereupon returned to him once more; and from this Frenchman I was able to obtain the most accurate description of his personal qualities. Namely, the Nabob is around 70 years old, his height is 5 2/3 feet, his person is well proportioned, and his complexion tends toward brown. He has a majestic countenance and sharp-sighted eyes; in an instant he can survey the condition of his army, discover deficiencies, and remedy them immediately. He has no eyebrows, as he continually has them plucked out. He is very fond of the female sex and has a numerous seraglio. He is also a lover of drink, even of strong liquor, which however is much despised in a Moor and Muslim and rarely occurs, for which reason he also delights in drink in secret, mostly in the evening or late at night; so that one must wonder that, being very devoted to both Venus and Bacchus, he is still so strong and has not long since shortened his life or weakened himself. He can neither read nor write, yet he listens at one and the same time to the reports of his spies and the reading of incoming letters, immediately orders how the latter must be answered, and at the same time gives orders concerning his extensive states, and all this with such swiftness and precision that nothing escapes his eye, hearing, and attention. He exercises despotism in the highest degree, and sometimes, for the slightest faults or merely for a single displeasure, has someone killed immediately in his presence. He is exceedingly avaricious, and it is indescribable by what most gruesome means of coercion he has managed to draw the treasures of his subjects to himself after he had conquered the kingdoms of Mysore, Canara, and others. It is true, he does let his people make money, but that is as good as being for him, because he places people in an office, lets them continue in it for some years, and does not prevent them from scraping and grabbing in the service; and when he then thinks that they have gained enough money, he has them relieved and made to turn over the acquired money to him, or otherwise without mercy whipped to death. Thus he is absolute master not only of the revenues of his states, which yield immense treasures annually, but also of all his subjects without distinction; for if he notices that one of his subjects possesses even the smallest thing, however secretly it may be kept, he manages to find out through his spies, of whom he has a multitude as if on a hunt, and then they must surrender it or are compelled to do so in the most terrible manner. And this is also the reason that he does not possess the affection of his subjects and servants, but that all, driven by the utmost fear, show him the most slavish submission and respect, while the least deficiency therein has fatal consequences; which tyrannical and cruel conduct has increased more and more in him in proportion as he succeeded in his conquests, whereas previously he was never so tyrannical and cruel. Although he has Europeans of various nations in his service, he nevertheless has little regard for them. He pays them well, but not too abundantly. All his soldiers, both Europeans and natives, must buy everything they need from his sutlers and other shopkeepers, according to the prices set upon them by himself. These sutlers and shopkeepers are obliged to render an accurate accounting monthly to his servants and to pay for the sold goods, so that he knows how to get the money back into his purse again.
Dutch transcription
als meede letten dat Jra„ van coor goede wagt houd. van wie men narigten van Hijcotta moeten leggen, om hem zijne over„ komste daar ter zee te beletten, terwijl Jrevan„ coor in zijne linie zorgen moet, waar toe het nodig is, dat men nu en dan eens laten zien zoneele of daar alles wel bezet en voorzien is, ten eijnde Trevancoor te kunnen waarschouwen indien 'es hier en daar iets, mogt manqueren En zijne Perzoneele Hoedanigheeden be„ den Nabab heeft, orlangt. „ resfende, hier omtrent ben ik ge„ informeerd door verscheijde Deterteurs, die bij Hem gedient en ook veelmaals bij zijn Hoff en Derbaar de wagt gehad hebben, zo ook door deze en geene zo Fransche als andere, die eens en andermaal in zijn Re„ „sidentie plaats geweest zijn, met hem gesprooken en gelegentheijd gehad hebben, om nog al veele bijzonder„ „heeden te verneemen, maar de beste berigten hebbe ik gekregen van zijn Lijfmediais, een frans Doe„ „tor, die wel 12. Jaren lang dagelijks bij hem geweest is, met hem omgezworven en eijndelijk uijt tegen zin en onvergenoegheijd over zijne ongemakkelijk„ „heijd, anno 1778. zijn dienst gequiteert hebbende, zig, hier eenige weeken opgehouden heeft, schoon Hij tzedert door den roenmaligen Franschen Gouverneur van Pondicherij, de Heer Bellecom, „be, op de instanties van Haijder Alijchan verzogt zijnde, om weder, den Nabab te bedienen daar op ook weder na hem toegegaan is, en C beschrij van 215 beschrijving van zijne per„ zien zoneele hoedanighieden van deze Fransman hebbe het naaste kun„ nen verneemen. „tij, namentlijk de Nabab is bij de 70. jaaren, oud, zijne hoogte is 5 2/3. vogt, van perzoon is Hij wel gemaakt, en zijn kouleur trekt naar het bruijne, Hij heeft een Majestieus weezen, en scherpziende oogen, in een ogenblik kan Hij de gesteldheijd van zijn armee overzien, de man „quementen ontdekken, en terstond verhelpen, Hij heeft geene wenkbraauwen, alzo hij dezelve bij Continuatie laat uijttrekken, Hij bemind de sexe zeer, heeft, een numereus serrail, ook is Hij een liefhebber van den drank, en zelfs van sterken drank, het geen egter in een Moor en Mahomelaan zeer veragt word, en wijnig plaats heeft, om welke reden wij ook in 't geheijm en meest des avonds, of laat in den nagt, zig met den drank dilecteerd; zo dat men zig moet verwonderen, dat Hij venus en Bachus, beijde zeer toegedaan zijnde, egter nog to sterk is, en niet reeds lange zijn leven verkort, of zig verzwakt heeft Hij kan nog leezen nog schrijven, egter Noord Hij op een en dezelve tijd de Rapporten van zijne spions en de aankomende brieven leeken, ordonneerd onmiddelijk, hoe de laatste moeten beantwoord worden, en geeft teffens ordres over het geene zijne ver van toe het orssend swaare traffe is zeer geld gierig zijne uijtgestrekte staaten betreft, en dat al„ „les met eene zodaniege vlug en priciesheijd, dat zijn oog, gehoor, en attentie, niets ontslipt: Hij cessent den Dispotismus in den uijtterste graad, en laat iemand somtijds om de gering„ „ste fouten, of maar om een enkeld, mishaagen terstond in zijn presentie om 't leven brengen; is ten uijttersten geldgierig, en het is niet te beschrijven door welke aller gruwelijkste dwang„ „middelen hij de schatten zijner onderdaanen heeft weeten aan zig te trekken, na dat Hij de Rijken van Maijsoer, Canara en andere had herovert, tis waar, hij laat de zijne wel geld winnen, dog dat is zo goed als voor Hem„ want hij steld de lieden in een bedieninge, laat Hun daar in eenige jaaren Continueeren en verhinderd te niet, om in den dienst te raapen en te schraapen, en als Hij dan meend, datze, geld genoeg gewonnen hebben, dan laat Hij hun aflossen en aanwijzinge van het gewonne geld voor hem doen, of anders zonder genaden, dood Chambokken, dus is Hij volstrekt meester niet alleen van de inkom„ „sten zijner staaten die onnoemelijk schatten Jaarlijks opbrengen, maar ook van alle zijne onderdaanen, zonder onderscheijd, want bemerkt Hij, dat een zijner onderdanen maar iets heeft hoe nder 217 en tiranniek omtrent zijn onderdanen agt de Europesen wienig betaald hen wel maar weet krijgen. hoe verborgen het ook gehouden ward, zo waert 5 Hij door zijne spions, waar van Hij een mee„ „nigte als op de Jagt heeft, daar agter te komen, en dan moeten te daar meede te osser komen, of werden op de aller- Ervelste wijze daar toe genoodzaakt, en dit is dus ook de reeden dat Hij de genegentheijd zijner onderdaanen en dienaaren niet bezit, maar datze alle door de uijtterste vreeze gedreeven, Item de aller„ slaafagtigste onderwerping en Eerbied te bewijzen, terwijl het minste, gebrek daar aan, van doodelijke gevolgen is, welke tiranike en wreede handelwijze bij hem meer en meer toegenomen heeft, na maa„ „te Hlij in zijne overwinningen reuseerde, alzo Hij bevoorens nimmer zo tiranick en wreed is geweest. schoon Hij Europeezen van verscheijde Naties in zijn dienst, heeft, zo, heeft Hij egter weijnig agting voor dezelve, Hij betaald de wel, maar niet te overvoldig, alle zijne zoldaaten zo Euro„ „peezen, als Jnlanders, moeten alles koopen, wat„ „ze nodig hebben van zijne zoetelaars en an„ „dere kramers, volgens de prijzen door Hem „zelfs daar op gesteld, de ze zoetelaars en kra„ het geld weder in zijn beurs te „mers zijn gehouden, maandelijks, aan de Be„ „diendens van Hem nauwkeurig reekenschap te doen, en de verkogte goederen te betaalen, zo
English
The Europeans have it bad with him, yet they dare not show it, so that most of the paid wages return back into his treasury, and the Europeans retain little or nothing for themselves; and those who imagine they will make their fortune with the Nabab and for that purpose enter his service or desert to him, find themselves deceived in the most lamentable manner, without even daring to let their regret be seen in the slightest, because if this is merely noticed by their guards, they are immediately brought further inland and so guarded that escape is utterly impossible. Upon desertion, the certain penalty of death is fixed if overtaken, and the situation of his lands is also such that one cannot get out except with the greatest danger and through enduring many fatalities. It happens, however, that some still successfully make it through by long detours. Besides his militia, he also has a numerous artillery, which he has successively purchased from European nations. It is very well maintained, and he is very well served with it by European gunners whom he has in service. He knows, as well as anyone, that money is the sinews of war, and that one can achieve all his aims with it; for when he sees that he cannot succeed by his weapons, he seeks to buy peace with money, which has succeeded for him more than once, and then he quickly sets out to recover his losses from others. He also has another and practically infallible means of winning battles: seeing his enemy too strong, he immediately sets out to have his spies sound out the chiefs or the principal officers of his enemy, and to offer considerable, indeed one may well say incredible, sums. If he succeeds in this, he is practically assured of victory, as not everyone has the power to resist the force of money, and in this manner it is said that he has won four pitched battles. Furthermore, he is also a prince who spares no one, not even those who have done him good. The French, who indeed have done him very many services and assisted him with ammunition of war when he was at war with the English, have never drawn any benefit or advantage from him, but on the contrary have even had to suffer insults from him: first at Calicoet on the occasion when the Samorin had offered his kingdom to the French, and thereafter at Mahe itself, where he not only took away the lands of a certain Coenje Nairo, who had long been under the protection of the French, but also demanded a lakh of rupees from the French because they opposed it, which they also had to pay him for good, while besides this they still had to leave the mentioned Coenje Nairo to his violence. Notwithstanding all this, they nevertheless continued to seek his friendship in order to harm the English in due time by means of him. I still recall how a certain French Lieutenant Colonel, sent to him on a mission to settle the affair concerning Coenje Nairo, staying here for a few days on his return to Pondicherij and recounting the case to me, thought he would burst with spite that he had not been able to negotiate that fine down to less than a lakh of rupees, adding the following words in substance: "Indeed, what shall we do? We must not fall out with him on account of our state interests." Yet how little benefit they have had from him, and how greatly he left them in the lurch when they needed him last, has become evident. I am informed on good authority that recently, when Pondicherij was besieged by the English and an embassy was sent to him to request help, he dismissed the ambassadors in a mocking manner with these words: "Write to your king that first a fleet of warships and some regiments of militia must come here, and then I will help the king to re-establish himself and predominate in India." And that after Pondicherij had surrendered, he asked the French officers who are in his service, laughing all the while, whether the French were mad that they now surrendered Pondicherij to the English for the second time. Another example: the Governor of Mahe requested the return of the 160 French heads who had been sent from Mahe to the Nabab the year before, and he also requested assistance in case Mahe should be attacked. Regarding the aforesaid Europeans, he answered that he had demanded them the past year in order to use them himself, and that he therefore did not intend to return them; but that since Mahe lay in the Collastry kingdom, and the Collastry
Dutch transcription
de Euroseesen hebben het „legt bij hem dog dur van het niet laten blijken. en deferteeren kunnen te zijn, arthillerij is zeer groot, en word wel bediend niet ken uijtvoeren doed hij niet geld zo dat de meest uijtgegevene zoldijen, wederom„ in zijne kassa te rug keeren, in de Europeezen voor zig zelven wijnig of niets overhouden, en de geene, die zig verbeelden, bij den Nabab fortuijn te maaken, en ten dien eijnde, bij den zelven dienst neemen, of tot Hem overloopen, zig op de deerlijkste wijze bedroogen vinden, zonder datze zelfs Hun berouw in het minst durven laaten blijken, alzo zulx maar door hunne bewaakers bemerkt werdende zij ter „kopen van de „stond verder landswaarts in gebragt en zoda„ nig bezorgt worden, dat het ontkomen vol„ „strekt onmogelijk is: op het Dezerteeren is bij agterhaaling, de zeekere doodstraffe gesteld, de Si „tuatie van zijn landen is ook zodanig dat men niet als met het grootste gevaar, in het uijtstaan van veele fataliteijten er uijtgeraake kan. het gebeurd egter dat er sommige door langduurige omweegen nog gelukkig doorkomen Behalven zijne Militie, heeft Hij ook eene talrijke Arthillerije, die Hij van Europee te Naties successive ingekogt heeft, dezelve word zeer wel onderhouden, en Hij word, door Europee le dienst „ze Canoniers, die Hij in dienst heeft, daar me hem de zeer wel bediend. en wat hij met de wapens Hij weet, zo wel als iemand, dat geld de zo nuwe des oorlogs is, en dat men daar meede alle niet choon bense egte 219 van de legers om. schoon de franschen hem vje„ bense egter groote affronten van ma hem moeten ondergaan. alle zijne oogmerken bereiken kan, want als „lij ziet, dat Hij door zijne wapenen niet reus„ „seeren kan, dan zoekt, Hij de vreede met geld te koopen, het geen bem meer als eens ge„ „lukt is, en dan is Hij schielijk daar op uijt„ om zijne schaade op andere te verhaalen, nog heeft Hlij een ander en genoegzaam onfeilbaar middel, om Battailles te winnen, dewijl Hij zijn vijand te sterk ziende, terstond, daar kopende daar meede de Cheps op uijt is, om door zijne spions de Chefs, of de voornaamste officieren, van zijn vijand te laaten ondertasten, en aanzienelijke, Ja men mag wel zeggen, ongeloofselijke sommas aantebieden, en slaagt Hij daar in, dan is Hij van de overwinning genoegzaam verzee„ „kert, alzo ijder een het vermogen niet heeft om de kragt van geld te wederstaan, en op deze wij ze zegt men, dat Hij vier gerangeer„ „de Batailles gewonnen heeft, buijten des, zo is Hij ook een vorst die niemand ontziet, zelfs niet de geene, die hem goed gedaan hebben. De Franschen, die Hem in der daad zeer peele diensten hebben beweesen heb„ veele diensten gedaan en met Ammonitie van oorlog g'assisteerd hebben, toen Hij met de En„ „gelschen in oorlog was, hebben nimmer eenig nut, of voordeel van Hem getrokken, maar integendeel zelfs affronten van Hem moeten lijden was de fransen van hem den„ ken en verdragen om de wille van hunne staats insigten lijden, eerst op Calicoet bij gelegentheid de sammorijn zijn Rijk aan de Franschen had opgedragen, en daar na te Mahe zelfs alwaar Hij niet alleen eenen Coensse Nairo, die al lange onder de bescherming van de Franschen had gestaan, zijn landjes afgenomen, maar ook de Franschen om datze zig daar en te„ „gen stelden, een lak ropijen afgevordert heeft, die te ook aan Hem voor goed hebben moeten betalen, terwijl te buijten des, gemelde Coenje Nairo nog aan zijn geweld hebben moeten over„ laaten, en ongeagt dit alles, zo hebben te egter nog zijne vriendschap blijven zoeken, om door middel van Hem in der tijd, de Engelschen afbreuk te doen het staat nog voor, hoe zeker Luijtenant Collonel van de Fransche bij Hem in Commissie gezonden, om de affaire over Coenje Nairo aftemaken, bij zijn retour na Pon„ „dicherij, hier eenige daagen vertoevende, en mij het geval verhaalende, van spijt meende te ber„ „sten, dat Hij die boete niet minder als tot een lak ropijen had kunnen bedingen, met bijvoeginge van de te woorden in substantie Jrou„ ook toen „wens, wat zullen wij doen, wij mogen tog niet te rug ver hem niet gebrouilleert raaken, uijt hoofde van onze staads inzigten, dog hoe wijnig nut ze van Hem gehad hebben, en hoe zeer hij hun antiyoord schenge gelseken waren. dat zen 221 antwoord door hem aan de fran„ geldepeen op Sondicherij beleegert waren./ datze aan hem geleend hadden te rug verzogten. hun, in de pekel heeft laten zitten, toen, zij Hem laatst nodig hadden, is gebleeken; ik ben van goederhand onderrigt, dat toen nu laatst Pondicherij door de Engelte beleegert en een ambassade na hem gezonden wierd om hulp te vragen, wij op eene riante wijze, de Ambassadeurs afscheepte, met de ze woorden schen gegeven tgen ze door de En„ schrijf aan UW koning, dat eerst een vloot oorlogs= scheepen en eenige Regimenten Mi„ litie dit heen komen, en dan zal ik len koning helpen om zig in Jndien te herstellen, en te doen predommineeren, en dat Hij, na dat Pondicherij was overgegaan, tegen de fransche officiers die in zijn dienst zijn, al lagehende vraagde of de franschen gek waaren dat ze sondicherij nu voor de tweede maal aan de tweede Engelse overgaven, nog een staaltje: De Gouver„ neur van Mahe verzogt de 160: koppen Fran„ „schen te rug, die het Jaar bevoorens van Mahe aan de Nabab gezonden waaren, en Hij versogt ook assistentie ingevalle Mahe mogte geattacqueert worden; nopens de voor„ ook toen de frainschen humn volk„ schreve Europeeten antwoorde Hij, dat Hij die verleede Jaar ge eijscht had om te zelfs te gebruijken, en dat Hij te dus niet meende te rug te geven, maar dat dewijl Mahe in het Collastrijse Rijk lag en het, Collastrijse van
English
one can expect nothing better from him. How he has treated the Portuguese. was tributary to him. He would order the King of Colastrij to assist Mahe, who indeed sent 200 Nairos and 1000 native Moors, but upon the approach of the English, without offering any resistance, they took to flight, and I remain convinced that if he held us in his interest, he would not treat us much better either, and far from letting himself be used for another's designs (like Mahomed Alij), he would agree to nothing other than solely promoting his own interests and not ours. The Portuguese at Goa have also gravely miscalculated regarding him, and have likewise had to endure insults from him; for when he made himself master of the Canarese Empire, and the Marattas waged war on him for that reason (since Canara had been under their tribute), the Portuguese secretly assisted him a great deal, and yet they found that they had an even worse neighbor in him than in the Marattas; for as soon as he was master of the Canarese and Sunda Empire, he extended his dominion north of Goa, where he also did not spare the petty rulers who were under virtually in the same manner as he has done to the Company the [illegible] case between [illegible] the protection of the Portuguese, but likewise made them bow under his yoke, which the Portuguese had to look upon with good grace; they even had to surrender a district north of Goa which the Portuguese held in possession, because the Nabab claimed that it belonged to the empires conquered by him, virtually in the same manner as he forms his claim on our invaded district, namely because it previously belonged to the Samorin; and notwithstanding all this compliance, they are still harassed by him and injured in their privileges. The Portuguese previously had a privilege in Canara, namely that they annually received some lasts of rice for nothing, either as a recognition or by way of tribute; but when the Nabab had conquered Canara, he initially promised to make no change in this, but they have since profited little from that promise; at first he gave them something, but after he had free hands, he flatly turned them away. In the month of March 1777, the Portuguese sent some vessels from Goa to Mangaloor to buy rice, as they are always accustomed to do twice a year, but these vessels were not only how he does not even spare the English. and dangerous it is to undertake anything with him proud expression made by the same. prevented from loading and transporting rice, but were also seized, and at the same time the Portuguese Resident at Mangaloor was arrested, and the Portuguese flag standing before the Residency was torn down; and according to the account of people who passed here from that side, this took place because the Portuguese had not wanted to let him march under their forts when he recently marched out to conquer the land of Morarauw. He does not even spare the English, who are nevertheless the most feared in India; they experienced this at Tellicherry when he first approached the Samorin, where, as has already been mentioned here before, wishing to interfere in his affairs, they were driven away by him, leaving behind their cannons and mortars that they had brought along; and it is known, when he was at war with the English, how very pleased they were that they had only made peace with him and were rid of him. He expresses himself right proudly in his last letter written to Batavia about his wars conducted with the English and Marattas: "Fame will undoubtedly have made you acquainted with how matters will have to and turn to his ruin the fortunate manner in which Providence has caused me to bring to an end the wars which I have been forced to wage against the English and against the Marattas, and how on many occasions I have shown them the might of my arms through the victories I have obtained over them, and have compelled them to ask me for peace." And how very much the English are now saddled with him, and will have much work to hold their ground against him, time will soon show. is that he spares no one and is no prince to ally oneself with or to accomplish anything with: the only thing one can count on is that he is a usurper and an upstart prince, on whose permanence one cannot at most count for long, except as long as he lives; that he is already advanced in years, that by his way of life he weakens himself greatly, and that after his death a complete revolution of affairs is undoubtedly imminent, unless the English, who are now engaged with him, could reach an agreement with the Marattas, to together with their ally Nabab Mahomed Alij, him on the
Dutch transcription
men kan van hem niets be„ ters wagten. Hoedanig hij de Portugeezen heeft behandelt. van Hem tributair wal. Hij den koning van Colastrij zoude gelasten om Mahe te assisteeren die dan ook 200. Naijrossen en 1000. inlandse mooren gezonden heeft, dog op de aannaderinge van de Engelse, zonder eenige tegensland te doen, de vlugt, namen, en ik houde mij verzekert dat Hij ons in zijn belang hebbende, met ons ook niet veel beter handelen zoude, en wel verre van zig (gelijk Mahomed Alij:/ tot een anders inzigten te laaten gebruijken, zig tot niets anders zoude laaten vinden, als eene„ „lijk zijne en niet onze belangens meede brengen. De Portugeezen te Goa, hebben zig ook heer omtrend hem misreekend, en insgelijks af„ „fronten, van Hem moeten ondergaan, want toen Hij zig meester gemaakt had, van het Cannareeze Rijk, en de Marattas Item daarom beoorloogden /:vermits Canara onder Hunne Contributie gestaan had:/ hebben de Portugeezen hem onderhands waarlijk zeer veel geassisteerd, en evenwel hebben te ondervonden datze aan hem nog quaader buurman had„ „den, als aan de Marattas; want zo dra Hij van het Canareete en sundase Rijk mees„ „ter was, breijdde wij zijne Heerschappije uijt, benoorden Goa, alwaar Hij de vorstjes, die onder de genoeg e foti 17 het ge hemen „galoos 223 genoegzaam zodanig, als hij de Comp: gedaan heeft het gesteerde geval tusschen „galoos. de protectie der Portugeezen stonden, ook niet spaar„ „de, maar meede onder zijn suk deed bukken, het geen de Portugeezen met goede oogen moesten aan„ „zien, zelvs een landstreek benoorden Goa, die de Portugeezen in bezit hadden, moesten te overgeven om dat de Nabab voorgaf, dat het behoorde aan de door Hem vermeesterde Rijken genoegzaam op de„ „zelvde wijze, als Hij zijne pretentie op onze ge-in„ vadeerde landstreek formeerd, namentlijk om dat het bevoorens den sammorijn toebehoord, heeft, en niet tegenstaande, alle deze inschikke„ lijkheijd, worden te nog door Hem gequelt en in Hunne voorregten benadeelt, de Portugeezen hadden bevoorens in Canara een voorregt, na„ „mentlijk dat ze Jaarlijks, eenige lasten Rijst ren, en de portugeesen op Man, voor niet, het zij als een erkentenisse, of bij wijze van Contributie kreegen, dog toen de Nabab Canara veroverd had, beloofde Hij wel eerst daar in geene veranderinge te zullen maa„ ken, dog te hebben van die belofte zedert wijnig geprofiteert, in het eerste heeft zij hun wat gegeven, maar na dat Hij de handen ruijm had, Hun glad afgeweezen in de maand Maart 1777. zonden de Portugeeten eenige vaartuigen van Goa na Mangaloor, om rijst te koopen, zo als te altijd tweemaal 'sjaars gewoon zijn te doen, dog deze vaartuijgen, wierden niet alleen hoe hij de Engelschen zelfs niet ontziet. en gevaarlijk is met hem iets aan te vangen trotsa uijtdrukking door den selven gedaan. alleen belet, om rijst te laden en te vervoeren maar ook g'arresteerd en tegelijk wierd ook de Portugeeten Resident te Mangaloor g'ar„ resteert, mitsgaders de Portugee te vlag, voor de Residentie staande, verschuirt, en volgens verhaal van menschen, die van die kant hier gepasseerd zijn, zoude zulks geschied zijn, om dat de Portugeeten Hem niet onder Hunne forten hadden willen laten trekken, toen Hij laast optrok om het land van Morarauw te Conquesteeren. zelfs ontziet Hij de Engelse niet, die egter in Jndia nog het meest gevreesd zijn, dit hebben„ „se ondervonden bij Jallicherij toen Hij voor de eerstemaal op den sammoijn aanquam, al„ „waar zij, gelijk hier vooren reeds gemeld is, zig met zijn zaken willende bemoeien door Hem weggejaagd zijn, met agterlatinge van Hunne mede gebragte Canons en mortiers, en het is bekent, toen Hij met de Engelse, in oorlog is geweest„ hoe zeer ten haar schik waaren; datze met Htem maar vreede gemaakt hadden, en van Hem ontslagen waren: regt trots drukt stij zig uijt, bij zijn laatste briev na Batavia, geschreeven, over zijn gevoerde oorlogen, met de Engelse en Marettas „ De Faam zal UW „ongetwijffelt hebben doen kennis krijgen van de Coedan en 225 soedanig de zaken zullen moe„ „de gelukkige wijze, waar op de voorzienigheijd „ mij heeft doen ten eijnde brengen, de oorlo„ „gen, die ik genoodzaakt geweest ben te voe„ ren, tegens de Engelsen en tegen de Marat„ ten, en hoe ik in veele gelegentheeden hen „ heb doen zien, de magt van mijne wape„ nen door de overwinningen die ik op hun heb behaalt, en hun, genoodzaakt hebbe mij om de vreede te vraagen. „ en hoe zeer de Engelse tans met Hem opge„ „scheept zijn; en veel werks, zullen hebben om zig tegen Hem staande te houden zal eersdaags de tijd nader leeven. is dat Hij niemand ontziet en geen vorst is om zig mede te verbinden of iets meede uijt„ en veranderen tot zijn bederf„ teregten: Het eenigste waar op men reekenen kan is, dat Hij een usurpateur en opgeworpe vorst is, op wiens duurzaamheijd men ten hoogsten genomen niet lange rekenen kan, als zo lange Hij leeft, dat Hij reeds Hooge Jaaren heeft, dat Hij door zijn levenswijze, zig zeer ver„ „twakt, en dat na zijn dood ongetwijffeld eene geheele omwentelinge van zaaken voor de deur„ staat, ten ware de Engelse, die tans met Hem aan de gang zijn, het met de Marettas, konden eens worden, om te zaamen met Hunnen ge„ „allieerde Nabab Mahomed Alij, Item op 't