Inventory 10312
Malabar · 1,900 pages · 387 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
65 Conduct of the Canarins had and exercised as before, and the King was also pleased with this, possibly because matters concerning them were handled with discretion, and it was enough for him to have the reputation that the Canarins are subject to him. For although the governance over them in the settlement was indeed left to the King under certain limitations, and primarily under this one, that they may complain about the King to the Company, it is nevertheless necessary that one now and then asserts the supreme authority over them retained by us, especially in cases where one notices that the Canarins do not obtain proper justice from the King, whether in cases of debts or other disputes, so that it may openly appear that law and justice are practiced by the Company. For on this coast, among the native princes, it is nothing new that when two persons come to complain, the one who offers the most money for a favorable verdict is declared right, even if he were in the greatest wrong in the world. At least, I have never been willing to permit such things, and whenever I only obtained knowledge of it, I campaigned strongly against it, even if the matter was sometimes ever so slight, which in the beginning cost me much worry, because the Canarins have an uncommonly great connection to are necessary here. In what manner one proceeds with them. the general public. It is true, they are in themselves the most refined deceivers among the Malabars, mostly carrying on petty retail trade just like the Chetties and Moors on Ceylon and the common Jews in the Netherlands, yet they are absolutely necessary here and carry on virtually all the small retail trade, up to and including the most minor articles. And one would (except for live animals, because dealing in them is contrary to their religion, which is why the same are brought to market by the Black Jews) be able to buy the general necessities of life from virtually no one else but them. For this purpose, they have their bazaar in their neighborhood not far from the city, and furthermore have their stalls everywhere where there is any passage, both outside and inside the city. Thus, buying and selling, bartering, lending, and extending credit is done by them daily, both among whites and blacks. It is therefore natural that constant disputes and complaints arise from this, which are sometimes so tangled up together that one has great trouble finding the first origin of the dispute. Thus, since the Canarins have the most connections with our inhabitants and these reciprocally with them, the Canarins cannot very suitably with their affairs 67 Why the latest dispute between the Company and the King of Cochin arose and complaints be entirely entrusted to a court where, for gifts or presents, one can obtain a verdict according to one's liking. And since this little people here is indeed a malum necessarium, one must maintain control over it, securing them good justice on the one hand, but strictly punishing them if one catches them at monopoly, underhanded dealings with slaves, fraud, or villainy. But with respect to other articles that relate to ancient customs and privileges of the King, for example, the small revenues of their bazaar outside the city, the administration of their pagoda or temple, and the portion of the estate that falls to the King after their death, one should give no hearing to the Canarins, but reject them immediately as something in which they have no change or help to hope for. And if one does not accommodate them in matters of that nature, then the King will also not take it ill that we meddle in their other complaints. For that was actually why the King, in the year 1770, was so greatly alarmed when people wanted to take the authority over the Canarins away from him, because he was afraid that if he consented to that, he would also have to miss the profit both from their estates and from their bazaar. There is another article still to be observed regarding the King of Cochin and the Canarins, which gave the first occasion to the latest dispute with this King, namely the toll that he has on Mattancherry and the Canarin bazaar. Mattancherry is properly that place on the river, just outside the city, beginning with the end of Calvethy, or properly with the Canarin creek over which the large bridge lies, and a little distance further, where there are warehouses of native merchants all over, being also precisely the place where the native vessels arrive with their trade. At this place now, as well as at the Canarin bazaar and at yet a third place near the small pagoda, and therefore called Pagodinho, the King has from ancient times levied a certain toll. But His Highness had for some time imperceptibly increased that toll and collected more than had always been levied there previously; which flared up the most at Mattancherry, because this also affected the departing and arriving traders, whereby trade in that respect was oppressed, so that my predecessor thereby obtained occasion
Dutch transcription
65 Conduiter der Cannarijns „rijns gehad en ge=oeffend als bevoorens, en de koning heeft zig zulx ook laten welgevallen, mogelijk om dat men daar omtrend met discretie te werk ging, en Het hem genoeg was, de naam te hebben, dat de Cannarijns onder Hem staan, want schoon de bestierin„ „ge over dezelve bij de afdoeninge, wel aan den koning onder zeker limitatie, gelaten is, en wel voornamentlijk onder deze, dat zij zig over den koning bij de Comp: mogen beklagen, zo is het egter nodig, dat men het aan ons behou„ dene oppergezag, over dezelve nu en dan doe gelden, inzonderheijd ingevallen, waar in men bemerkt dat de Cannarijns geen behoorlijk regt bij den koning erlangen, het zij in Cas van schulden of andere disputen, op dat het opentlijk blijken dat bij de Comp: regt en geregtigheijd geoessend word, want het is op deze Cust, bij de inlandse vorsten niets nieuws, dat wanneer twee perzoonen komen klagen, die geene, dewelke het meeste geld voor een gunstige uijtspraak bied, gelijk krijgd, al hadde Hij ook het grootste ongelijk des werelds, „ten minsten, ik hebbe zulx nooijt willen toela„ ten, en als ik 'er maar kennis van kreeg, daar zeer tegen g'ijverd, al was ook zomtijds de zaak nog zo gering, het geen mij in den beginne veel Hoofdbreekens gekost heeft, om dat de Cannarijns ongemeen veel betrekkinge tot de zijn hier noedwendig. op wat wij ze men met hen procedeerd. de gemeente hebben, 't is waar zij zijn op zig zelfs de geraffineerdste bedriegers onder de Mallabaaren, doende meest staat Negotie„ even gelijk de Chetties en mooren op Ceijlon en de gemeene Jooden in Nederland, dog ze zijn hier absolut nodig, en doen genoegzaam alle de klijne Negotie, tot de geringste arti„ culen inclusive, en men zou (behalven het levendig gedierte om dat de handel daar in tegen Hun Godsdienst streijd, en waarom het zelve door de swarte Jooden te markt gebragt word:/ de algemeene benodigtheeden ge„ „noegzaam bij niemand anders, als bij Hun kunnen koopen, waar toe zij, in Hunne buurt niet verre van de stad, Haare bazaar, en voorts over al, waar maar eenige passagie is, zo buijten als binnen de stad Hunne kraamtjes hebben; dus word door hun dage„ lijks gekogt in verkogt, geruijld, geleenden gecrediteerd, zo onder blanke als swarte en het is dus natuurlijk, dat daar door geduu„ rige questies en klagten ontstaan, die zomtijds ze zeer door elkander gehaspelt zijn, dat men werk heeft, om de eerste oorsprong van de questie te vinden, zo dat de Cannarijns de meeste betrekkinge op onze ingezeetenen en deze reciproque op hun hebbende, de Can„ narijns niet wel voegelijk met Hunne za„ ken 67 aggrom Jongst questij tus„ hhen de Comp: en de koning vanan Cochim is ontstaan „ken en klagten ten eenemaal aan een Hoff kunnen toevertrouwt worden, alwaar men voor giften of gaven, een uijtspraak na zijn zin kan erlangen, en dewijl dit volkje hier in der daad, een malum necessarium is, zoo dient men er de hand aantehouden, Hun aan de eene zijde goed regt te bezorgen, dog als men ze op monopolij, of gekonkel met slaven, op bedrog of schelmerijen attrapeerd, strenge„ „lijk te straffen, maar omtrend andere ar„ „ticuls, die haare betrekkinge hebben, op oude Costumen en voorregten des konings, bij voor„ beeld, de geringe revenuen van Hun bazaar buijten de stad, de bitieringe over Hunne pagood of jempel, het gedeelte der nalaaten„ „schap, dat na Hun overlijden de koning na„ „dert, dient men de Cannarijns geen gehoor te geven, maar direct van de hand te wijzen als iets, daar zij geene veranderinge of hulpe intehoopen hebben, en als men Hun in dingen van die natuur, niet te wil is, dan zal de koning het ook niet qualijk neemen, dat wij ons met Hunne andere klagten bemoei„ en, want daar om eijgentlijk had de koning anno 1770. het zo zeer op zijn lijf, toen men Hem het gezag over de Cannarijns wilde afnemen, om dat Hij bedugt was, dat in„ „dien Hij daar in bewilligde, dan het voordeel, zo zo van Hunne nalatenschap, als van Hunne bazaar, ook zoude moeten missen Een ander artikel is er nog nopens den ko„ „ning van Cochim en de Canarijns te observee„ ren, het geen de eerste aanleijdinge tot de Jong„ ste questie met dezen koning gegeven heeft, na„ mentlijk de thol die Hij op Hattancherij en de Cannarijnse bazaar heeft. Mallancherij is, eijgentlijk die plaats aan de revier, effen buijten de stad, beginnende met het eijnde van kalwettij, of eijgentlijk met de Canarijnse spruijt, waar over de groo„ „te brug legd, en een ind weegs verder, alwaar„ over al Pakhuijzen van inlandse kooplieden zijn, ook Juijst de plaats is, alwaar de Jnlandse vaartuijgen met Haar Negotie aankoomen: op deze plaats nu zo wel als op de Cannarijn„ se bazaar en op nog een derde plaats bij de klijne pagogd, en daarom Pagodinjo genaamd heeft de koning van alle oude tijden zekere tol geheven, dog zijn Ho„t had tzedert eenigen tijd ongevoelig dien tot vergroot en meer inge„ „vordert als bevoorens daar altoos geheven was; het geen op Mattancherij het meeste eclatteerde, om dat zulks ook aspect had, op de af en aankomende handelaars, waar door de handel in dat opzigt gedrukt wierd, zo dat mijn Antecesseur daar door aanlijdinge gekreegen
English
69 has received, to enter into a dispute with His Highness concerning the territory in question, and to pretend that Mattancherij, the Canarese bazaar, and Pagodinjo belong under the Company and not under the King. However, this question has now been decided, namely, that the King should retain the benefits of the aforesaid three places, provided that he henceforth levys no more therefrom than has of old been levied there, and that he should provide a specific note of what he would henceforth collect at those places in order to have it examined, which list he has also since submitted. This was subsequently handed over to the most experienced, local, and linguistically skilled servants here, to be examined and investigated, assisted by Company and other native merchants in the presence of the King's ministers, to see whether any novelty or any increase of toll compared to former times might be found therein. This examination has since taken place, during which it was unanimously declared, both by our servants and by the Jewish and other native merchants, that this list had been drawn up properly, and that they themselves had formerly had to pay considerably more, adding that they had no reason to complain about this payment, since everything That one must seek to keep in the country, on account of the necessity connected to it. agreed with the old usage and customs. Of this commission, a proper document was drawn up and signed by the King's ministers, under a special promise that the collection would be levied in that manner and according to that list, and that this list should be the decision on any complaints that might be raised concerning it; to which end the said list was also made public to everyone, all of which can be seen in further detail in my separate letters sent to Batavia, dated 4 March and 1 May 1772 and 25 March 1773, and further in the resolution of 13 August 1772. And this is an article regarding which one must ensure that no infringement occurs, so that this toll is not imperceptibly raised again, which, if not done directly by the King or his ministers, might sometimes be done by the farmers, because the King does not have these tolls collected, but leases them out to the highest bidder. The necessity to keep an eye on this is because the Canarese bazaar, the bazaar at Pogodinjo, and Mattancherij are the nearest market places where the common people purchase their daily necessities, so that by the slightest increase of the 71 toll, provisions would become more expensive for the poor inhabitants; not to mention that it is a decided article whereby the Company has reserved to itself not only the right to take cognizance of its violation, but also to prevent the same, so that by turning a blind eye to the slightest excess in this regard and not inquiring into it accurately from time to time, the Company's supreme authority over that territory would be relinquished, or at least it would cause trouble to arise over it again in the course of time. But the principal reason to pay attention to this is that the increase of the toll at Mattancherij affects trade here too greatly, whereby the merchants are burdened and traders acquire an aversion to coming here to trade, since Mattancherij is the place where, as has already been said, all native vessels, and thus also the bombards, unload and load in front of the warehouses there. At least since the dispute concerning all this was decided, I have from time to time sent my servants expressly to those places to ascertain whether no illicit steps were being taken there, sometimes covertly, to uncover the true truth, and sometimes through well-known servants, openly, to The King of Cochin draws half of the import and export duties. What has been written here to Batavia and from there. show that I took an interest in the matter. Finally, there is one more thing that one has to do with the King of Cochin, namely, that one must annually deliver to His Highness half of the import and export duties, that is, of all merchandise that is brought into and out of the river here and cleared through customs: an income that he already enjoyed in the time of the Portuguese, and which, according to treaty, has been left to him. For both political and mercantile reasons, I once proposed to Their Right Excellencies to buy out the surrender of that right for a fixed annual sum, and Their Right Excellencies granted authorization for this, but the Gentlemen Principals have made very well-founded counter-arguments regarding this, as can be seen in detail in separate letters to Batavia of 10 February 1775, 4 January 1776, 7 March 1777, and 5 January 1779, as well as in separate letters written from Batavia to this place, dated 20 December 1775, 11 November 1776, and 15 December 1778, along with the general letter from the Assembly of Seventeen dated 8 October 1777. This is an article that one should nevertheless not lose sight of, although upon further consideration it now appears to me that the surrender of that right would be difficult to obtain, because
Dutch transcription
69 gekreegen heeft, om met zijn no„t over het grond gebied in questi te komen, en te pretendeeren, dat Mattancherij, de Cannarijnse bazaar en Pagodinjo, onder de Comp: en niet onder den koning, behooren, dog deze questie is nu ge„ „decideert, namentlijk, dat de koning zoude be„ „houden, de voordeelen van voorschr: drie plaat zen, mits Hij na dezen niet meer daar van heffe als van ouds daar geheeven is, en dat Hij eene specificque notitie zoude bezorgen, van het geen hij op die plaatzen voorlaan zou„ de invorderen, oms die te laten examineeren, welke lijst Hij ook 't zedert overgegeven heeft, die ver„ volgens ter hand gesteld is aan de ervarenste land ens taalkundigste Bediendens alhier, om„ g'assisteerd van 's Comp:s en andere inlandse kooplieden, ten overstaan van 's konings Mi„ nisters, te examineeren, en na te gaan, of er ook eenige nieuwigheijd, dan wel eenige ver„ meerdering van Thol, in vergelijk van vroe„ gere tijden, bij mogte te vinden zijn, welke exa„ „minatie 'tzedert geschied en waar bij zoo wel door onze bediendens, als door de Joodse en ande„ re inlandse kooplieden eenstemmig verklaard is, dat die lijste dagelijk opgemaakt was, en zij voor dezen zelfst vrij meer hadden moeten betalen, met bijvoeginge, dat zij geen reeden had den, zig over deze betalinge te bezwaren, alzo alles Dat men tragten moet in- land te houden. om de wille van de nood„ verknogt is. alles met de oude usantie en Costumen over een quam, van welke Commissie, een behoorlijk papier geformeert en door 's konings Minis„ „ters ondertekend is, onder speciale belofte, dat de invorderinge op die wijze, en na die lijste geheven zoude worden, en dat die lijst„ de decisie zoude zijn, van de klagten, die daar over mogten gemoveerd worden, ten welken eijnde gedagte lijst, ook aan ider een publicq gemaakt is, welke een en ander na„ der te zien is bij mijn aparte missiven na Batavia gerigt, gedateerd den 4. Maart en 1. Meij 1772. en 25. Maart 1773. en nog nader bij re„ solutie van den 13. augustus 1772. —. En dit is een articul waar omtrend men diend te zorgen, dat geen inbreuk kome, op dat die thol weder niet ongevoelig verhoogt worde, het geen zo al niet direct door den koning of zijne Ministers mogt geschieden, zomtijds door de pagters zoude kunnen gedaan worden, om dat de koning die thollen niet laat Collectie„ ren, maar aan de meest biedende verpagt De noodzakelijkheijd om hier omtrend het oog te houden is, om dat de Cannarijnse bazaar, de zakelijkheid die daar aan bazaar op Pogodinjo, en Matlancherij, de na bij gelegenste markts plaatzen zijn, alwaar de gemeente, Haar dagelijkse benodigtheeden koopt, zo dat door de minste verhooginge van den 71 den thol, de levensmiddelen voor de arme inge zetene duurder zouden worden, gezwijge, dat het een gedecideert articul is, waar bij de Comp: aan zig behouden heeft, niet alleen van dies overtree„ „dinge kennis te neemen, maar ook dezelve te be„ letten, zo dat men het geringste exces daar omtrend door de vingeren ziende en nu en dan zig niet naauwkeurig daar na informeerende, sComp:s oppergezag, over dat grond gebied uijt de hand gegeven ten minsten veroorzaakt zoude worden, dat na verloop van tijd daar over weder moeije lijkheijd kome, dog de voornaamste reden, om daar op te letten is, om dat de verhooging van den Thol op Mattancherij, te veel betrekkinge op den handel alhier heeft, waar door de koop„ „lieden gedrukt worden, en de traffiquanten een weerzin krijgen, om hier te komen handelen, vermits Maltancherij de plaats is, alwaar, ge lijk reets gezegd is, alle inlandse vaartuijgen en dus ook de Bombarassen voor de daar zijn„ de Pakhuijsen lossen en laden; ten minsten zedert dat de questij over het een en ander gedecideert is, zo hebbe ik nu en dan mijn bediendens wel eens expres, na die plaatzen gezonden, om te verneemen of daar omtrend geen buijten - stappen begaan wierden, dan een s rij„ regte „melijk, om agter de „ waarheijd te komen, en dan eens door bekende bediendens on, opentlijk te De koping van Cochim heid van de in en uijtgaan„ de Regten. wat hier Batavia en uijt geschreven. te toonen, dat ik mij daar aan gelegen liet leggen, Eijndelijk is er nog iets, dat men met den trekt de helfte der geregtig„ Cochimsen koning te doen heeft, namentlijk dat men Jaarliks, aan zijn ulo„t de helfte van de in en uijtgaande regten moet afgeven, dat is van alle handelwharen, die hier in en uijt de revier gebragt en vertold worden: een in„ komste, die Hij al ten tijde van de Portugee„ zen gehad, en die men, volgens Contract, aan Hem gelaten heeft zo om politicque als mercantile redenen, heb ik Haar Hoog Edelheedens eens voorgeslagen, om den afstand van dat regt voor een Jaarlijkse vaste somma aftekopen, en haar Hoog Edelhee„ dens hebben daar toe qualificatie verleend, dog de Heeren Majores hebben derwegens zeer gegronde Contra bedenkingen gemaakt gelijk dat een en ander omstandig te zien is bij apparte brieven na Batavia van den 10. febr: 1775., 4. Janu: 1776., 7. Maart 1777. en 5. Januarij 1779. , zo meede bij aparte missiven van Batavia dit heen geschre„ „ven, de datis 20. xber: 1775. , 11 9ber: 1776. en 15. xber: 1778. , mitsgaders bij generaale brief door de vergaderinge van 17=ne in dato den 8=ste october 1777:— Dit is een articul dat men egter niet uijt het oog diende te verliezen, schoon het mij nu bij nader inzien voorkomt, dat de afstand van dat regt, bezwaarlijk te verkrijgen zoude zijn om
English
73 One should in time try to obtain that entire right for the Company for a sum of money. That he will be against it, because this is virtually the only remnant of his former greatness. However, if it should suit the Company in the future to keep that whole lease rather for itself alone than to share the same with the king, then one should attempt to present His Highness with an acceptable, round sum once and for all, precisely at a time when he is in the utmost embarrassment, which happens to this king more than once, and now that he is tributary to the Nabab, it will happen to him even more. And I think, if he were permitted to do so, that being once in the utmost embarrassment, he would indeed be willing to do it. I say if he were permitted to do so, because I fear that Trevancoor would prevent him from doing so, as it is known that the King of Cochin is king of his country in name only, and Trevancoor is so in fact. One and the other can nevertheless be tested, and if one saw that he would be willing, but was prevented from doing so by Trevancoor, then one could, as the circumstances of the times permit, address Trevancoor directly about it and try to push it through with some firmness. Means by which one could achieve that aim. Otherwise, there is still something that comes into consideration in this regard. The Company currently trades in some goods in which private individuals formerly traded, Reasons that could be brought forward for this. traded, and can still trade if they want to or can give as much for them as the Company. On these goods, the Company pays the farm duty just as private individuals do, pursuant to the Malabar Secret Resolution of 26 November 1773. This was resolved because that trade was then only first taken on trial, and one could not yet be firmly assured that it would continue with that success in the long run, and would possibly increase even more annually, so that one did not wish to disadvantage the farmer thereby, who, upon bidding for his farm, specially counts not only on the kapok that the Bombarese vessels mainly bring along, among other articles, but also on the sugar and arrack that the seamen also bring along as permitted baggage, although only half is paid on the latter. If the farmer had been deprived of that right, he would then rightfully have been permitted to ask for some reduction on his lease, and could also bid that much less for that lease the following year. And this latter is actually what I mean, namely that if the Company pays no farm duty on goods that it buys and sells here itself, the lease of the import and export duties would decrease much thereby, in which 75 which loss the King of Cochin would share for one half, as well as the Company; but against which, again, that entire loss would come into the lap of the Company through the greater profit upon the sale, and through which reduction the king on his side would sometimes resolve the sooner to simply surrender his share, in one or the other of the aforementioned manners. But the question is whether one could and may do that with right and in good faith; I think so, but I will not vouch that the king, hearing this, will make no representations against it. But one would have to show him the reasonableness thereof, namely, that the Company is exempt from farm duty regarding the goods that it might buy and sell; and if one could not push that through by kindness or with firmness, then we would in any case still be the same. At least, I believe I have sufficiently demonstrated in the aforementioned letters the interest in no longer having this king participate in the farm, and it is thus too great not to at least attempt it once. Meanwhile, I find in the farm conditions of the import and export duties these words, which alone constitute the 18th article: Merchandises and goods Over which things one has the most headache with the king. What one must put to work against that. goods that are bought directly from the Company, or sold to the same, pay no toll; and I cannot see why the Company could not hold to that, namely, to pay no toll on those goods as long as it buys and sells the same. For the rest, as has already been mentioned, one has nothing more of importance to do with the King of Cochin, except now and then some headaches with complaints about our subjects, because his district lies very close to the city, so that wanton or lively soldiers, sailors, and other subjects of the king, meeting daily, sometimes offend them. Thus it is of the utmost necessity to punish the slightest wantonness strictly according to the findings of the cases when the complaints arrive and the same are found to be true. In particular, one must not tolerate our people approaching the pagodas or temples of the heathens too closely, much less desecrating them, or harming their kine, nor using their wash-tanks or washing places. The common man regards such things merely as bagatelles, and does not understand that the greatest difficulties can arise from them. If there is anything to negotiate, one sends a
Dutch transcription
73 men moet inder tijd tragten voor een somma geldt die gantsche geregtigheid voor de Comp: te verkrijgen dat Cre„ daar tegen zal wee¬ Middelen waar door men tot dat oogmerk zoude kun„ nen geraaken. om dat dit genoegzaam nog het eenigste overblijf „sel van zijn voorige grootheijd is, dog indien het de Comp: in 't vervolg mogt Convenieeren, om die ge„ heele pagt liever voor zig alleen te houden, als dezelve met de koning te deelen, dan zoude men het moeten beproeven met zijn Hoogheijt daar voor eene aanneemelijke ronde somma eens voor al te presenteeren, en dat wel juijst in een tijd wanneer Hij in de uijtterste verlegentheijd is, de„ welke dezen koning meer als eens overkomt en nu hij tributair aan den Nabab is Hem nog wel meer zal overkomen, en ik denke, als Hij het zoude mogen doen, dat Hij het eens, in de uijtterste verlegentheijd zijnde wel zoude willen doen, ik zeege als Hij het zoude mogen doen, om dat ik vreeze dat Jrevancoor hem zulks beletten, zoude, als bekend zijnde, dat de koning van Cochim van zijn land maar koning in naam en Jrevancoor in der daad is, het een en ander kan egter beproevd worden, en als men zag, dat Hij wel zoude willen maar door Jrevancoor, daar in belet wierd, dan zoude men, na maate de tijds omstandigheeden het toelaten, Trevancoor daar over eens direct kunnen onderhouden en het wat ernst zien doortedringen. Anders is er nog wel iets, dat ten dezen in aanmerkinge komt de Comp: negotieerd tans in eenige goederen, waar in bevoorens particuliere genegotieerd reedenen, die men daar voor genegotieerd hebben, en ook nog kunnen negoti„ „eeren, als ze er zoo veel voor willen of kunnen geven als de Comp: van deze goederen betaald de Comp: zo wel pagt als de particuliere, ingevolge Mallabaarse secreete Resolutie van den 26. No„ vember 1773. , dit is beslooten, om dat die Han„ del toen maar eerst ter preuve genomen wierd, en men zig toen nog niet vast duride, verzeke„ ren, dat dezelve met dat succes op den duur zoude Continueeren, en mogelijk jaarlijks nog al meer accresseeren zal, zo dat men den pagter daar meede niet heeft willen benadeelen, die bij het meijnen van zijn pagt, wel speciaal Ceijssert niet alleen op de kapok die de Bombarassen, on„ „der meer andere articuls, voornamentlijk mede brengen, maar ook op de zuijker en arrak, die de scheepelingen, als gepermitteerde lasten, ook mede brengen, schoon van het laatste maar de helft betaald worden dat indien de pagter die geregtigheijd onthouden was geworden, Hij dan met regt eenige afslag op zijn pagt zoude hebben mogen vragen, en ook het volgende Jaar zo veel minder voor die pagt kunnen bieden: en zoude kunnen inbrengen dit laatste is eijgentlijk, het geen ik bedoele, namentlijk dat als de Comp: geen pagt betaald voor goederen, die ze zelfs hier koopt en ver„ koopt, de pagt van de in en uijtgaande reg„ len, daar door veel verminderen zoude, in welk 75 welk verlies de koning van Cochim voor de helft zoude deelen, zo wel als de Comp: dog waar en tegen, weder dat geheel verlies, door de meerdere winst, bij den verkoop, in den schoot van de Comp: zoude komen, en door welke minderheijd de koning aan zijne zijde zomtijds te eerder zoude rezolveeren, om zijn nadeel maar aftestaan, op de eene of andere der voorschreeve wijze, dog de vrage is, of men dat met regt, en ter goeder trouwe, zoude kun„ nen en mogen doen; ik denk van Ja, dog ik wil 'er niet voor instaan, dat de koning zulks hoorende, daar tegen geen representaties doen zal, maar men zoude Hem moeten ver„ toonen de redelijkheijd die er is, namentlijk, dat de Comp: vrij van pagt is omtrend de goe„ deren die zij mogt kopen, en verkopen, en als men dat met goedheijd, of met Ernst, niet kon doordringen, dan zouden wij in alle ge„ „vallen nog maar dezelfde zijn, ten minsten het belang om dezen koning niet langer in de pagt te doen participeeren, meene ik bij voorschreeve brieven genoeg aangetoond te hebben, en is dus te groot om het ten minsten niet eens te bephoeven, intusschen vinde ik bij de pagt Conditie van de in en uijtgaande regten, deze woorden die op zig zelfs alleen het 18 =de articul uijtmaken koopmanschappen en goederen over welke dingen men met breeken heeft. wat men daar tegens in goederen, die direct van de Comp: gekogt, of aan dezelve verkogt worden, betaalen geen Thol, en ik kan niet zien, waarom de Comp: zig daar aan niet zoude kunnen houden, namentlijk, om van die goederen, geen tol te betalen, zo lange zij dezelve koopt en verkoopt. „voor het overige heeft men met de koning den koning't meeste hoofd, van Cochim, gelijk reeds gemeld is, niets van be„ lang meer te doen, als nu en dan wat hoofdbree„ kens met klagten over onze onderdaanen, om dat zijn district zeer na bij de stad legt, zo dat baldadige, of vrolijke zoldaaten, mattrosen, en andere onderdanen van den koning dage„ „lijks ontmoetende, Hun wel eens, beledigen, zo is het van de uijtterste noodzakelijkheijd, de ge„ ringste baldadigheeden, wanneer de klagten over„ „komen, en dezelve waar bevonden worden, stren„ het werk moet stellen, gelijk te straffen na bevind van zaaken, in„ zonderheijd moet men niet gedogen, dat ons velk de pagoden of tempels van de Heijden te veel nadere, veel min ontheijlige of hunne koebeesten kwaad doe, ook hunne waschtangen of wasch plaatsen niet gebruijke, de gemeene man merkt zulke dingen maar aan, als begatellen, en begrijpt niet, dat daar uijt de grootste moeijelijkheeden kunnen ontslaan. Als er iets te verhandelen is, zend men een
English
77 How one corresponds with the king. Elucidation regarding the Coetipallijse lands. Whereupon the Company has advanced money. In what manner the revenues of those lands are handled. a message or a letter to the Court, one also has the Regidors requested to come to the city at times, who then also usually come, and to whom one then says verbally what one has to say, in order to prevent wrong messages and misunderstandings. However, before I leave the subject of the King of Cochin, I should still mention the Coetipallijse lands, the seigniory of Maprana, and the so-called 18 and a half villages, because they have the greatest relation to this king, and then finally also something regarding the King of Repolim. The Coetipallijse lands of the King of Cochin, situated on the north side of the island of Baypin, were mortgaged in the year 1762 to the Honorable Company for 300,000 Cochin fanams or 15,000 rupees, which sum His Highness then borrowed and received in cash in order to cover the war expenses of his small army that he, according to the agreement entered into with the King of Travancore, had to bring into the field at that time, in order to expel, assisted by Travancore, the Zamorin from his northern lands, whereof the lands of Paroor and Mangatty would be ceded to Travancore for this assistance, and the remaining lands returned to His Cochin Highness, as indeed happened. Thus the said sum was advanced to the King of Cochin on the security of those lands and on condition that His Highness would repay that sum in September 1762, or that otherwise the revenues of those lands would be collected by the Honorable Company, and that the Company would administer those lands until the settlement of that sum followed, whereupon the aforementioned lands would then be returned again. The set time for payment having expired, the king did not pay, on account of his inability, but consented, upon many reminders made, that the Company should collect the revenues thereof, as they were also collected on behalf of the Company, until His Highness requested that he might collect the revenues himself, and that the Company would deduct the amounts thereof from what the Company must give His Highness annually from the tolls, which was also granted, since the collection of the dues on behalf of the Honorable Company was subject to much trouble and also costs, so that these revenues 79 By which letter has been written thereabout. Description of Maprana. Beloste Nambiar held in fief, but remained negligent in the payment of the due. The King of Cochin wanted to appropriate the same. But afterwards undertook to pay the usual due to the Company, as is now done. have up to now been deducted annually from His Highness's quota out of the tolls, but are collected by His Highness himself, the said revenues amounting to an annual sum of 1297 guilders, 12 stivers, and 8 pence. The rest that serves for information concerning these mortgaged lands is to be found in the Batavia general letter of 25 September 1772, and in a separate letter from here to Batavia dated 25 March 1773, together with the answer thereto written hither from Batavia by separate letter under date of 30 September 1773. The seigniory of Maprana lies south of the river of Innamaka in the northern land of the King of Cochin, over which a Beloste Nambiar was previously the feudal lord, who then stood under the Zamorin; but when the Zamorin by the peace treaty of the year 1717 ceded to the Honorable Company all his lands situated south of the aforesaid river of Innamaka, this seigniory was also among them, of which lands most subsequently came back to the King of Cochin, except for the seigniory of Maprana, which remained for the Company, while the former possessor, namely the Belosta Nambiar, remained in possession thereof as a fief of the Honorable Company and had to pay annually for this fief four lasts of paddy. This Nambiar was very tardy in this payment, so that in the year 1758 he was fully ten years in arrears, during which time the Zamorin, invading the conquest of Paponetty, also invaded this seigniory of Maprana. This remained so until in the years 1762 and 63, when the Cochin king, assisted by Travancore, expelled the Zamorin from those lands, whereby Maprana, with the lands lying around it, remained according to the agreement between the said two princes with the King of Cochin, who declared the Belosta Nambiar to be deprived thereof. So that the Company then stepped forward as feudal lord for that seigniory and requested the reinstatement of the Nambiar, to which the Cochin king was not inclined, however, but he was willing to recognize the Honorable Company as feudal lord and to pay the four lasts of paddy annually, though not the arrears of the Nambiar, in which the Company's side then consented, so that the King of Cochin has had those four lasts of paddy paid annually at Chettua, though he now pays them at Cranganore.
Dutch transcription
77 ning Gorrespondeerd. Clucidatie aangaande de Coesijpallijse Landen. Hoedanig mnen met den ko een boodschap of een briev aan het Hoff, ook laat min de Ragiadoors wel verzoeken om eens in de stad te komen, die dan ook doorgaans komen, en tegens welke, men dan mondeling zegd, het geen men te zeggen heeft, ter voorkominge van verkeerde bood„ schappen en mis-verstand. Dog alvoorens ik van den Cochimsen ko„ „ning afstappe, diende ik nog te melden van de Coesipallijse Landen, de Heerlijkheijd Ma„ prana, en de zo genaamde 18. halve Dorpen, om dat dezelve de meeste relatie tot dezen koning hebben, en dan eijndelijk ook iets we„ „gens den koning van Repolim. De Coetipallijse Landen van den koning van Cochim, gelegen aan de Noord zijde van 't Eijland Baijpin, zijn in 't Jaar 1762. aan d' E: Comp: verpand voor 300'000 –. Co„ „chimse fan: of rop:s 15000. —. welke somma zijn Ho„t toen ter leen genomen en in Con„ „tant genooten heeft, om te kunnen goedma„ „ken de oorlogs onkosten van zijn Legertje dat Hij volgens aangegaan accoord, met den koning van Trevancoor te dier tijd in het veld moest brengen, om, geassisteert van Jrevancoor, den sammorijn uijt zijn Noordse landen te verdrijven, waar van de Landen Paroe waar op de Comp: geld heeft geschotdn. inkomsten van die landen gehandelt word Paroe en Mangattij aan Trevancoor voor deze hulpe zouden afgestaan, en de overige Landen weder aan zijn Cochimse Hoogh„t overgege ven worden, zo als ook geschied is. Dus is gem: somma aan den Cochimsen ko„ ning geschooten op onderpand van die Landerijen en onder Conditie, dat zijn Hoogh„t die som„ ma in 7ber: 1762. weder zoude restitueeren of dat anders de Jnkomsten van die Landerijen bij d' EComp: zouden werden geheven, en dat de Comp: die landen beheeren zou, tot dat de voldoeninge dier somma volgde, als wanneer meerm: Landen, dan weder zouden geres„ titueerd worden. De bepaalde tijd tot de betaalinge verstreeken zijnde, zo betaalde de koning niet, uijt hoofde van zijn onvermogen, maar Consenteerde, op veele gedaane aanmaaningen, dat, de Comp: de revenuen daar van zoude heffen, gelijk die ook van weegens de Comp: geheeven zijn, tot dat zijn Hoogh„t verzogt, dat Hij de in„ komsten zelfs mogt laten invorderen, en de Comp: dies bedragen wilde korten van het op wat wijze nu met de geen de Comp: zijn Hoogh„t Jaarlijks uijt de thollen moet afgeven, het geen ook toegestaan is, alzo de invorderinge der geregtigheeden van wegens d' E Comp:, veel moeijte en ook kosten onderhevig was, gelijk dan die inkom„ „sten 79 bij welke Brief daar over geschreeven is Beschrijving Ma„ prana „sten tot nog toe jaarlijks van zijn Hoogh„t Con„ tingeert uijt de Thollen ingehouden, dog bij zijn Hoogh„t zelfs geheeven worden, bedra„ gende gem: inkomsten een Jaarlijkse somma van ƒ1297. 12. 8. Het overige dat tot narigt dezer verpande Landen diend, is te vinden bij Bataviase gemee„ ne briev van den 25. 7ber: 1772. , en bij apparte briev van hier na Batavia gedateerd den 25. Maart 1773. benevens het antwoord daar op, bij apparte briev van Batavia dit heen geschreeven, on„ der dato den 30. 7ber: 1773. De Heerlijkheijd Maprana legt bezuijden de reviert van Jnnemaka in het Noor„ „delijke Land van den koning van Cochim waar over bevoorens Land Heer geweest is een Beloste Hambiaar, die toen onder den Sammorijn stond, dog als de sammorijn bij vreedens Tractaat van het Jaar 1717. aan d' E. Comp: afstond, alle zijne Landen, gelegen bezuijden de voorsch: revier van Jnemaka, zo is daar onder ook geweest, deze Heerlijkheijd, van welke landen de meeste vervolgens we„ der aan den koning van Cochim geko„ men zijn, behalven de meerlijkheijd van Maprana, die voor de Comp: gebleeven is, terwijl de oude bezitter, namentlijk de gebleeven in de voldoening van de geregtigheid heeft zig het zelve willen toe Eijgenen Maar naderhand aange„ nomende gewoone geregtig„ heid aan de Comp: te vol„ de Belosta Nambiaar, als een leen van d E. Comp: in de possessie daar van bleef en jaarlijks van dit leen betalen moest van vier lasten Nelij. Beloste ambiaar heeft / Deze Hambiaar was zeer traag in deze vol„ in leen gehad, dog is nalatig doeninge, alzo Mij A„o 1758. wel thien Jaaren ten agteren stond, in welke tijd de sammorijn het„ Conquest Paponettij invodeerende, ook deze Heer, lijkheijd Maprana invadeerde Dit is zo gebleven tot in A„o 1762. en 63. wanneer De koping van Egchuo de Cochimse koning, onderstaand door Trevancoor, den sammorijn uijt die Landen verdreef, waar door Maprana met de daar omstreeks leggende landen, volgens overkomst tusschen gem: twee vorsten verbleeven is, aan de koning van Co„ chim, die den Belosta Nambiaar verklaar„ de, daar van versteeken te zijn. zo dat de Comp: toen als leen Heer voor die Heerlijkheijd opquam en herstelling van den doen, zo als thans geschied Hambiaar verzogt, waar toe egter de Cochimse koning niet inclineerde, maar wel om DE: Comp: als leen- Heer te erkennen, en Jaarlijks de vier lasten Nelij te betalen, dog niet de agter„ „stallen van den Hambiaar, waar in dan van de zijde van de Comp: geconsenteerd is, zo dat de koning van Cochim Jaarlijks die vier lasten Nelij te Chettua heeft laaten voldoen, dog nu te Cranganoor voldoet
English
81. Demonstration of the 18 and a half villages and how the same fell to the king of Cochim, and subsequently passed over to the Company. The Eighteen and a half Villages are a strip of land from the sea to the river, between the northern limit of the Cranganoor kingdom and the southern limit of the Conquest Paponettij, and previously belonged to the Zamorin kingdom, but have since come to the king of Cochim; yet in what manner and on what conditions is known neither from any papers nor from native tradition, although I have tried to learn such from the king's ministers, but they also knew nothing more than that those lands, after the Zamorin war, had fallen to His Highness's share, without further details, and of which he also became and remained possessor until the year 1719. When His Highness got into a dispute with the Cranganoor king over a piece of land measuring 100 parras sowing-capacity, which lay in those villages, which dispute the then Commandeur Hertenberg wanted to settle and decide. But the Cochiner, feeling offended by this, thereupon wrote to the Commandeur that he had acquired those lands through a long-standing war, how the same were afterwards returned to the Cochim king. deed of their surrender. yet that he would now let them go and renounce them, and that the Company could then give those villages to the Cranganoor king. The Commandeur took His Highness, who did not genuinely mean this offer and only made it out of a kind of resentment, at his word and declared that he could not refuse that generous gift, so that those 18 and a half villages then came to the Honorable Company and remained so until the year 1740, at which time they were given back again to the Cochim king under a proper deed of cession, which follows below for inspection. Iulius Valenthijn Stein van Gollonesse, Commandeur and Chief Commander of the Coast of Mallabaar, Canara and Wingurla, together with the Council. Whereas it has pleased the Most Noble Lord Governor-General Adriaan Valkenier, and the Noble Lords Councillors of the Netherlands Indies, to write to and order the undersigned Commandeur of this Coast by their esteemed secret letter of the 4th of July 1740, to 83 to restore again to His Highness the king of Cochim the so-called Eighteen and a half villages, situated behind Paponettij in the districts Eddawillinga and Madialiporam, and formerly seized for the Honorable Company by the Commandeur Johannes Hertenberg in the year 1719, and to hand them over in full ownership, on the good testimony of the Noble Lord Councillor Extraordinary Gustaaf Willem van Imhoff regarding His Highness's goodwill toward the Honorable Company, these are now, in fulfillment of the aforementioned Most Noble Lords' esteemed order and express instruction, upon His Highness's repeatedly made request, restored and handed over in full ownership to His Highness the king of Cochim, the prescribed Eighteen and a half villages with their appurtenances and dependencies, just as the same were at the time the Honorable Company took them over, with renunciation of all manner of right and property, or pretensions, that the Honorable Company has ever had thereupon, or could still make thereupon. And that the same may at all times when the king Zamorin took possession of them from the Cochiner and the Company be evident, we have wished to further confirm and corroborate the aforementioned surrender by this public document and our signature! Cochim the 22nd of December 1740. It was signed: I. v. Stein van Gollonesse. And since then, the king also managed these villages again until the year 1757, when His Highness, joining with the Zamorin and other northern princes to oppose Trevancoor in his designs, the Zamorin thereupon came down with his force and invaded the Conquest Paponettij. However, these princes later seeing their mistake, fell out of agreement and did not even dare to pursue their operations, while the Zamorin demanded compensation from the Cochiner for costs incurred, as having come down upon his summons, and when this was not forthcoming, he attacked the lands of Cochim and also took possession of the 18 and a half villages, thus these villages were once again in the hands of the Zamorin. Yet the Zamorin, making peace with the Honorable Company in the year 1758, restored the Conquest and also ceded to the Company the aforementioned 18 and a half villages, remaining furthermore in possession 85 Further request from the Cochiner to have those villages back again. Their High Mightinesses' reluctance to give them back. of the remaining Cochim lands. Now, after the king of Cochim was once again in possession of his northern lands, he formed his pretension to the 18 and a half villages, and that ever more earnestly, which was then also communicated to Batavia in that manner, to which it was replied by secret letter of the 25th of October 1763; that one would gladly see the king disposed to renounce that pretension, but His Highness having been unwilling to be moved from it, and having urged his pretension still more strongly, it was further instructed by secret letter of the 17th of September 1765, that one should, as far as was possible, pretext lack of authority or some other excuse, or urge the acceptance of another piece of land, but that in case His Highness showed signs of resorting to hostilities over the matter, and one saw no chance of countering them, only then to proceed to the surrender. The
Dutch transcription
81. Demonstratie van de 18. halve koning van Cochim zijn ver„ en vervolgens aan de Comp: overgegaan. De Agthien halve Dorpen zijn een dorpen en hoe dezelve aan den strook Lands van de zee tot aan de revier, tussen de noordelijke limiet van 't Cranganoorse Rijk en de zuijder limiet van 't Conquest Paponettij, en hebben bevoorens tot het sammorijnse rijk behoord, maar zijn 't zeedert aan den koning van Cochim gekomen, dog hoedanig en op wel„ „ke Condities, is bij geene papieren nog bij over„ „leeveringe van den inlander bekend, schoon ik wel getragt hebbe om zulks uijt 's konings Ministers te verneemen, dog zij wisten ook niets meer, als dat die landen na den sam„ „morijnsen oorlog sijn Hoogh=t ten deele geval„ „len waaren, zonder meer, en waar van hij ook bezitter geworden en gebleeven is, tot anno 1719. Wanneer zijn Hoogh=t verschil kreeg met den Eranganoorsen koning, over een stuk gronds groot 100. parrast zaaijens, dat in die dorpen lag, welk verschil de toenmaa„ „lige Commandeur Hettenberg heeft willen af„ „doen en decideeren. Dog de Cochimer zig daar over gestoord vin„ „dende, schreef daar op aan den Commandeur, dat hij die landen door een langjaarigen oorlog had vallen. hoe deselve naderhand aan den Lochimsen koning weder zijn afgegeven. acte van dies overgaave had verkreegen, dog dat hij dezelve nu zou laten vaaren en daar van afstand doen, en dat de Comp: dan die dorpen, aan den Cranganoor „sen koning konde geven. De Commandeur vatte zijn hoogheijd /: die deeze aanbiedinge niet regt meende en maar uijt een zoort van gemelijkheijd doed:/ bij het woord en betuijgde die Genereuse gifte niet te kunnen weigeren, zo dat die 18. halve dorpen, toen aan aan de E: Comp: quamen en gebleeven zijn, tot in 't Jaar 1740. als wanneer men deselve weeder aan den Cochimsen koning te rug gegeeven heeft onder een behoorlijke acte van Cessie, die tot speculatie hier onder volgt. Iulius Valenthijn stein van Gollonesse Commandeur en oppergebieder der Custe mal„ „labaar Canara en wingurla, Nevens den Raad. Aangezien het den Hoog Edelen Heere Gouverneur Generaal Adriaan Valkenier, en de Edele Heeren Raaden van Neder„ „lands Jndia, behaagt heeft, den ondergetee„ „kende Commandeur te deeser Custe bij der„ „zelver ge-eerde secreete briev van den 4. Julij 1740. aanteschrijven en te beveelen om 83 om de zo genaamde Agthien halve dor„ „pen, gelegen agter Paponettij in de Landstree„ „ken Eddawillinga en Madialiporam en wel eer door den Commandeur Johan„ „nes Hertenberg in den Jaare 1719. voor DE: Comp: aangeslaagen, aan zijn Hoogh=t den koning van Cochim wederom te restitueeren, en in vollen eijgendom overtegeeven, op de goede getuigenis van den Edelen Heer Raad ordi„ „nairis Gustaaf Willem van Jmhoff wee„ „gens zijn hoogh=t welmeenentheijd voor d'E: Comp: to worden tans in voldoening van voorm: Heer Hoog Edelheedens g'eerde be„ „vel en uijtdrukkelijken last op zijn hoog „heijts meermaals gedaan versoek, de voor„ schreven Agthien halve dorpen met haar ap- en dependenten aan zijn Hoogh=d den koning van Cochim gerestitueerd en in vol„ „len eijgendom overgegeven, zodanig als de„ selve geweest zijn ten tijde DE: Comp: deselve heeft overgenoomen onder renunciatie van alle zoort van regt en eijgendom, of pre„ tenties, die DE: Comp: daar op ovijt gehad heeft, of nog daar op zoude konnen maa„ „ken En op dat het zelve ten allen tijde blijken wcaner de koning Cammiorij„ die van den Cochimer en de Comp: in bezet genomen blijken hebben wij de voorsch: overgifte bij dit publicque geschrift en onze handteekeninge nader willen bevestigen en Corroboreeren! Cochim den 22. December 1740. /:was getee„ kend :/ I: v: Stein van Gollonesse. En 't zedert heeft de koning deze doopen ook van den Samgmorijn weeder hebben beheert tot het Jaar 1757. wanneer zijn Hoog„ „heit met den sammorijn en andere noordse vorsten Conjungeerende, om Jrevancoor in zijne disleijnen tegen tegaan, de sammorijn daar op met zijne magt afquam, en het Con„ „quest Paponettij invadeerde: Dog deze vorsten in 't vervolg hunnen mis„ „strap ziende, wierden oneens, en durfden zelfs hunne operaties, niet vervolgen, terwijl de sammorijn van den Cochimoer vergoeding van gedaane kosten begeerden, als op zijn ont„ „bod afgekoomen zijnde, en die niet volgende, de landen van Cochim aantaste en ook de 18. halve dorpen in bezit nam, dus waaren deze dorpen weder in handen van den Sammorijn Dog de Sammorijn A„o 1758. de vreede met de E: Comp: maakende restitueerde het Con„ „quest en stond ook aan de Comp: af de voor„ „schreeven 18. halve dorpen, blijvende voorts in heijd possessie Haar 85 Vader verzoek van den Co„ chimer om die dorpen weder te mogen hebben. haar Hoog Edelhd:s ongenegent„ possessie van de overige Cochimse Landen. Na dat nu den koning van Cochim weder in het bezit van zijne noordse landen was, zo formeerdes hij zijne pretentie op de 18. halve dorpen en dat hoe langer hoe ern„ „stiger, het geen dan ook indiervoegen na Batavia bedeelt is, waar op bij secreete missive van den 25. 8ber: 1763. gerescri„ „beerd wierd; dat men gaarne zoude zien, heijd om die te rug te geven dat de koning gedisponeert konde werden om van die pretentie aftezien, dog zijn hoogheijd daar van niet te verzetten ge„ weest zijnde, en zijne pretentie nog al sterker aangedrongen hebbende, zo is bij secreete briev van den 17. 7ber: 1765. nader aangeschreeven, dat men„ zo veel im„ „mers doenlijk was, nog qualificatie of eenig ander voorgeeven zoude pretexteeren dan wel, op de acceptatie van een ander stuk urgeeren, dog dat bij aldien zijn hoog„ „heijt mine maakte, om derwegens tot feij„ „telijkheeden overtegaan, en men geen kans zag die te kunnen tegen gaan dan eerst tot de overgave te treeden. De
English
are however on the request of the Cochin king in the year 1769 restored again to him. Resolution in which this surrender is mentioned. The Company however remained master of these villages until the year 1769, at which time they were first ceded and handed over again to His Highness upon a further request of the king of Cochin, as appears from the Malabar Resolution of 18 February 1769, of which I let the wording that serves this matter follow below. Lastly, the Governor announced to the meeting that his Honor the Governor Senff and the Commander Breekpot had thought fit, upon the repeated and pressing instances of the king of Cochin, according to the qualification of Their High Mightinesses, to cede and return again to that prince the 18 half-villages situated at the conquest of Paponetty, and that as soon as the Saljetter returns, commissioners will be appointed to hand them over properly to His Highness or his emissaries under the determination of certain and known limits, Although Hyder Ali has taken the lands of the Company to the north, the Cochinese still possesses those villages. Explanation of the true name of the said villages. limits, to prevent the differences that otherwise might arise therefrom in the future. These villages, although the entire tract of land from Chettua to Cranganore has been invaded by the Nabob Hyder Ali Khan, have nevertheless been left in peace, and the revenues of the same are to this day enjoyed undisturbed by the king of Cochin, because this prince pays the Nabob his imposed contribution in due time. This strip of land is called in two ways in the Company's papers, namely the eighteen half-villages and 18½ villages; according to the first expression it would have to be nine whole villages, and according to the latter 18 whole and one half, but the true denomination is eighteen half-villages, because the said lands consist of 18 pieces of land, of which each constitutes a kind of small village; and why each, instead of a small village, is properly called a half-village. Reasons why such a spacious citation thereof has been made. Description of Repolim. I have described these 18 half-villages somewhat circumstantially on account of the remark made about the last surrender of those villages in the General Fatherland letter of 2 October 1771, from which one must deduce that our Lords and Masters were not clearly enough informed by this administration upon what foundation that surrender was made, and how the entire connection with those villages further stands; and although we no longer possess them now, we nevertheless judged it not unserviceable to quote the aforementioned here, in case it might perhaps still be of use at some time with the changing of times. Repolim, or also called Ellengaloer, is a small kingdom, about two miles long and broad, lying next to Angecaymaal on the other side of the river in the land of the king of Cochin, being divided into three districts, called Repolim, Geroendde, and Illamacarre, consisting of gardens and lands. Against this, this prince has many pieces The prince of Repolim has many pieces of land in the realms of other kings; on which places the same are situated. of land in the kingdoms of Travancore, Cochin, the Zamorin, and Collastry, and thus scattered all over Malabar, as follows. In the eastern lands of Travancore at Hanjamel, Palottil, Ahalottil, Chakanatto, Coenattonatto, Basalacotta, Cottakarre, and Oypenom, where palaces and houses are also built on account of Repolim. In the southern lands of Travancore at Czemaloer, where there are also palaces and houses on account of Repolim, likewise at Pattanacotta where a pagoda has been erected on account of Repolim, as well as Cheremagalam Oesua, Carcapally, Balampoer, Carraporans, and Iriconapase, on which latter Repolim has a very large piece of land, almost as large as Repolim in itself, built upon with several palaces and houses, as well as at Nallawikel, Chepatto, Chenitallo, Pandalom, Joenbonom, Bittiekaurom, Caddekatto, Malleapose, Caloeparra, Erowora, Ballancolom, Cacengaporam, Benikolottam, Balangare, Nertoenearre, Maddetoembagom, Caldercarre, Benattare. In the Porca district at Moettitakel. In the Thekkencoor district at Wassapaly, Perinellon. In the Kingdom of Cochin at Calloer, Pallariwattam, From those that are under the Nabob he still draws the dues. In the year 1740 the Company concluded a contract with this king; what was stipulated therein. Bennele, Padduvattam, Poenoeroeny, Chalicodda, Cherameloer, and Ninadacane. In the Zamorin's territory at Ballonattocare and Oerewinder, which latter two have now fallen under the power of the Nabob. In the Collastry territory, it is said, he also had a piece of land here and there, with which the case is as with his lands in the Zamorin's territory, since the Collastry territory has also already long been brought under the dominion of the Nabob. From all these lands, except those presently in the power of the Nabob, the king of Repolim draws certain dues, while the inhabitants of those districts, in that capacity, are indeed regarded as subjects of Repolim, but nevertheless stand under the authority of those princes in whose kingdoms those pieces of land lie. The Company concluded a contract with this petty king for the first time in the year 1740. By this contract, dated 13 October 1740, that prince promised: 1. The delivery of all the pepper produced in his kingdom. 2. To prevent smuggling therein, and in case of interception to confiscate it for the benefit of him, the prince.
Dutch transcription
zijn exter op aanzoek van den Cochimsen koning in ao 1769. Resolutie waar bij van die overgave gemeld word. De Comp: is egter tot anno 1769. meester van aan den selven weder gerestileerd de te dorpen gebleeven, als wanneer dezelve eers op nader aanzoek van den koning van Co„ „chim weeder aan zijn Hoogh=t afgestaan en overgegeven zijn, blijkens Mallabaarse Resolu tie van den 18. Februarij 1769. waar van ik de bewoordinge, die tot die materie dienen „de hier onder laate volgen. Laastelijk maakte de heer Gouverneur nog aan de vergadering bekent dat zijn Ede„ „le /:de Gouverneur senff:) en den Heer Com„ „mandeur /:Breekpol:/ goedgevonden hadden op de herhaalde en pressante instanties van den koning van Cochim, volgens qualificatie van Haar Hoog Edelhee„ „dens, aan dien vorst wederom aftestaan en te rug tegeven de 18. halve dorpen aan 't Conquest Paponettij geleegen, en dat zo dra de Saljetter wederom te rug komt gecommitteerdens zullen werden benoemt, om dezelve aan zijn Hoogheijd of desselfs zendelingen behoorlijk optedraagen onder het vast stellen van zekere en bekende limieten 87 schoon Haijder Alij de lan„ den van de Comp: om de noord chimer die dorpen nog. uijtlegging van de regte naam van gem: Dopen „limieten, tot voorkoming van de verschillen die daar uijt anders en 't toekomende zou„ „de kunnen ontstaan. Deeze Dorpen, schoon wel de geheele land„ heeft genomen, bezit den E„ „ treek van Chettua tot Cranganoor door den Nabab Haider Alijchan ge-invadeert is, zijn egter met vreede gelaaten, en de reve„ „nuen van dezelve worden door den ko „ning van Cochim tot nog toe ongestoord ge„ nooten, om de wille dat deze vorst den Nabab op zijn tijd de hem opgelegde Contri„ „butie betaald. Deese strook Lands word bij 's Comp=s papieren, op 'twederlij wijze genoemt, na„ „mentlijk de agthien halve dorpen en 18½. dorpen, volgens de eerste uijtdrukkingen zouden het neegen heele dorpen moeten zijn, en volgens de laatste 18. heele en een halve, dog de regte benaminge is agthien halve dorpen, om dat gem: Landerijen bestaan uijt 18. stukjes grond, waar van ider een zoort van dorpje uijtmaakt; en waarom ijder in steede van dorpje eijgent„ „lijk een halv:dorp genoemd word. — Ik „reedenen waarom een zo van is gedaan. Beschrijving van Rapo„ „lim. Ik hebbe deze 18. halve dorpen wat om„ ruijme aanhaling daar „standig beschreeven uijt hoofde van de re„ „marque die over de laatste afgave dier dor„ „pen gemaakt is, bij Generaale Patriase briev van den 2=de october 1771: waar uijt men moet ve aflijden, dat onse keeren en Meesteren door dit ministerie niet duijdelijk genoeg onderregt zijn, op welk fundament die afgave gedaan is, en hoe het verder in zijn geheele Connexie met diedor„ „pen gelegen is, en schoon we deselve wel nu niet meer bezitten, zo hebben egter niet ondienstig g'oordeelt het voorsch: hier aantehaalen of het ook zomtijds bij veranderinge van tijden nog eens te pas mogt komen Repolim, of ook wel genaamd Ellenga„ loer, is een klijn Rijkje, omtrend twee mij„ „len lang en breed, leggende naast Angecaij maal aan de overkant van de revier in het land van den koning van Cochim, zijnde ver„ „deeld in drie landschappen, genaamt Repo„ lim, Geroendde en Jllamacarre, bestaan„ „de in Thuijnen en Landerijen Daar en teegen heeft deze vorst veele stuk„ ken 89 veele stukken gronds in de op welke plaatzen de zel„ ve leggen. De vort van 1. Repolim heeft, ken gronds in de koningrijken van Crevancoor, Rijken van andere koningen. Cochim, den sammorijn en Collastrij, en dus over de geheele mallabaar versprijd, als Volgd. Jn de oosterse landen van Jrevancoor op Han„ „Jamel, Palottil, Ahalottil, Chakanatto, Coenat„ tonatto, Basalacotta, Cottakarre en oijpenom alwaar van wegens Repolim, ook Paleijzen en huijsen gebouwd zijn Jn de zuijdelijke landen van Jrevancoor op Czemaloer, alwaar ook wegens Repolim, Paleij„ „zen en huijsen zijn, item op Pattanacotta al„ „waar een pagood van wegens Repolims ge„ stigt is, zo meede Cheremagalam oesua, Car„ „capallij, Balampoer, Carraporans en Jricona„ „pase, op welk laatste Repolim een zeer groot stuk lands heeft omtrend bij na zo groot als Repolim op zig zelfs, met verscheijde Pallijzen en Huijsen bebouwd zo meede op Nal„ „lawikel Chepatto, Chenitallo Pandalom, Joenbonom, Bittiekaurom, Caddekatto, mal„ „leapose, Caloeparra, Erowora, Ballancolom, Ca„ „cengaporam, Benikolottam, Balangare, Ner„ „toenearre, Maddetoembagom, Caldercarre, Be„ „nattare Jn 't Porcase op Moettitakel Jn 't tekkencoerse op wassapalij, perinellon Jn 't Rijk van Cochim op Calloer, Pallari„ wattam dit van die, die onder den Nabab zijn, trekt hij nog de gereg„ „tigheijd. Jn A„o 1740. heeft de Comp: een Contract met de zen koning gesloten. wat daar bij bedongen is. „wattam, Bennele, Padduvattam Poenoeroenij, Chalicodda, Cherameloer en Ninadacane Jn 't Sammorijnse op Ballonattocare en oere„ „winder, welke twee laatste tans onder de magt van den Nabab vervallen zijn. Jn 't Collastrijse, zegt men, heeft hij ook hier en daar een stuk gronds gehad, waar meede het gelegen is als met zijne gronden in het sammorijnse, alzo het Collastrijse ook reeds lange onder de Heerschappije van den Nabab gebragt is. van alle de te landen, behalven die tans in de magt van den Nabab zijn, trekt de koning van Repolim zekere geregtigheijd, ter„ „wijl de inwoonders van die districten, in die hoedanigheijd wel aangemerkt worden als onder„ „danen van repolim, dog egter onder 't gezag, van die vorsten staan, in welker Rijken die stuk„ „ken lands leggen. De Comp: heeft in't Jaar 1740. voor de eerste maal een Contract met dit koningje geslooten. Bij dit Contract gedateerd 13. october 1740. beloof„ „de die vorst 1. / De Leverantie van al de peper die in zijn rijk valt Hij 2. / De sluijkerij daar in te beletten, en bij agterhaa„ „ling te Confisqueeren ten voordeele van hem vorst dar ko
English
91 0 He is a spiritual king. Kings highly respected. Is very devout. Prince and the Company. 3. To have the Deserters apprehended and handed over. 4. The Company promised to protect the realm, provided the prince wrongs or wages war against no one without the prior knowledge of the Honorable Company. This king is a spiritual prince, being for that reason, as well as being descended from the oldest and first lineage of the Brahmins, and for both reasons, though also solely for that reason, held in high esteem among all the Heathen kings and princes of this land. His way of life is very superstitious and quite secluded; his activities consist only of spiritual ceremonies. Among other things, he is obliged every day before sunrise to bathe in his tank or washing bath, to perform his ceremonies and prayers therein, and to remain until the sun has reached its highest point, whereupon he proceeds to his apartment, sorts flowers, and adorns the idols of his Temple therewith. There are also always two pattereezen, which is to say holy church or Temple servants, standing next to the king when he performs his duties, who watch over everything, to the end that the ceremonies are performed by him precisely on time. Various other superstitions and foolishnesses This is the reason that he granted to him. and that all other kings spare his Realm. take place with this prince, which, when one hears of them, one could scarcely believe. His devotion and the favorable opinion that the native princes have of the effect of his prayers goes so far that this is the reason why he has obtained and retained some pieces of Land everywhere in the four main realms that comprise the Malabar, namely, so that he would pray all the more zealously for those princes, and that their Realms, for the sake of his lands situated therein, would be blessed, except for the few Lands that he held in the Zamorin and Collastry territories, as the Nabob, being a Mahomedan, cares little for the etiquettes of Heathendom. Thus, in the last war, when he conquered the Cochin Lands in that vicinity, the king of Travancore left the little realm of Repolim unmolested, yet reserved solely for himself that the pepper produced in Repolim must be delivered to Travancore, which amounts to only very little, so that it is somewhat surprising that anno 1740 one could have deemed it worthwhile to conclude a pepper Contract with that prince, 93. Difficulty to speak with that prince. The king of Repolim is the only one who takes a wife. His Realm is governed by Ministers. the more so since it nowhere appears that a single grain was ever delivered on the said Contract, and he also surrendered no deserters. This prince grants audience to no one, but in case necessity requires that someone absolutely must speak to him, then one must watch for him at noon when he returns from the bath to his Palace, and then one must engage the court grandees in advance for this purpose, without whose favor one cannot profit from that passing moment. The kings of Repolim, upon ascending to the Government, must then take a lawful wife by way of Marriage, although their Brothers and sisters may not marry, but must live according to the improper institution and voluptuous manner of the heathen princes in this country, so that the kings of Repolim must be from legitimate marriages, which is something rare among heathen princes, since otherwise the sons born of the unmarried and wanton sisters of the princes are always the natural successors to the throne. The affairs concerning his little Realm are conducted by his Ministers, who give notice of their activities to the prince And is a place of refuge for all evildoers. on certain days of the week fixed for that purpose, and thus one can easily understand that the direction of the Realm mostly depends on the Court grandees, who, in that regard, according as they are in Credit with the prince and know how to maintain themselves, outdo one another and pursue their own interest. The Company also has little of importance to do with this petty king, yet it serves for our information that his little realm is a place of refuge, just like a free city, where people who fear prosecution or punishment take refuge and are safe, especially when they can reach a Temple or Pagoda there, as being a prerogative that is recognized and respected by all Malabar princes. However, I have not been able to learn on what right or foundation this prerogative rests, unless it may have become proper to this little realm because the king is a spiritual and very devout prince, from the most distinguished priestly lineage among the natives, as he is sometimes titled on that account with a word that would mean as much as a priestly king, who by his royal dignity makes safe the refuge at the altars. However, I have never been willing to tolerate that the Native
Dutch transcription
91 0 Hij is een geestelijk koning koningen zeer g'agt. is zeer devoot vorst en de Compagnie 3. De Dezerteurs te laten opvatten en overleeveren 4 de Comp: beloofde het rijk te zullen beschermen, mits de vorst niemand verongelijke of be-oor„ „loge buijten voor kennisse van DE: Comp: Deeze koning is een geestelijk vorst, zijnde daarom bij alse reijdense van het oudste en eerste geslagt der Brami„ „nieten, en om bijde redenen, dog ook alleen maar daarom, bij alle de Hijdense koningen en vorsten dezes lands in hooge agting, zijn levenswijze is zeer supertitieus, en genoeg zaam afgezondert, zijne verrigtingen bestaan maar in geestelijke plegtigheeden, Hij is onder andere verpligt alle dagen voor zons opgang, zig in zijn tang of was - bad te baaden, daar in zijne Ceremonien en gebeeden te doen, en te blijven, tot dat dezen op het hoogte geweest is, als wanneer hij zig na desselfs apparte„ „ment vervoegd, bloemen zorteerd en d' afgoden van zijn Jempel daar meede vercierd, ook staan er altoos twee pattereezen zo veel als hijlige kerk- of Jempel bediendens naast den koning wanneer hij zijne pligtigheeden verrigt, die op alles letten, ten eijnde de plegtigheeden precies op haar tijd door hem verrigt worden. Verscheijde andere superstitien en zottig heeden Dit is de Reeden dat hij hem geschonken zijn. en dat ele andere konin„ „gen zijn Rijk verschoonen „heeden hebben bij deezen vorst plaats, die men als men te hoord bij na niet zoude kunnen gelooven. zijne devotie en goed gevoelen dat de in„ over al landen heeft die „landse vorsten van het effect zijner gebeeden hebben, gaat zo verre, dat dit de reeden is; waarom hij in de vier hoofd rijken die de mallabaar uijtmaken, over al eenigen stuk„ „ken Lands erlangd en behouden heeft, nament„ „lijk, om dat hij des te ijveriger voor die vor„ „sten zoude bidden, en hunne Rijken, om de wille van zijne daar in leggende gronden, zouden gezegend zijn, except de wijnige Landen die hij in het Sammorijnse en Collastrijse gehad heeft, alzo de Nabab een Hahomelaan zijnde, zig wijnig aan de eticettes van het Heijdendom stoort. Dus heeft den koning van Jrevancoor in den laatsten oorlog, toen hij de Cochimse Landen daar omstreeks Conquesteerde, het rijkje van Repo„ „lim ongemoeijt gelaten, dog eenelijk aan zig behouden, dat de peper die in het Repolimse valt, aan Jrevancoor geleverd moet worden, het welk omtrend maar zeer weijnig bedraagt, zo dat het eenigzinds te verwonderen is dat men anno 1740. heeft kunnen de moeijte waardig ag „ten, om met dien vorst een peper Contract te M te is trouw 93. Moeitge oms met die vorst te preeken De koning van Repolim„ is de eenigste die hen vrouw zijn Rijk word beslierd door Ministers. te sluijten, te meer, het nergens blijkt dat ooit een korl op gemelde Contract geleverd is en hij ook geen dezesteurs uijtgeleverd heeft. Deese vorst verleend aan niemand audien„ „tie dog ingevalle de noodzakelijkheijd vereijscht, dat iemand hem absolut spreeken moet, dan diend men hem waarteneemen, des middags wanneer hij van het bed na zijn Palleijs keert en dan moet men de hofs-grooten daar toe voor af in den arm neemen, zonder welker gunst, men van dat voor bijgaande ogenblik niet kan profiteeren. De koningen van Repolim in de Regeeringe trouwt onder de Heijdenen. optreedende, moeten als dan een wettige vrouw bij weege van Huwelijk neemen, schoon hunne Broe¬ „ders en zusters niet mogen trouwen, maar leeven moeten, na de ombetamelijke instellinge en wellustige manier van de hijdense vorsten hier te lande, zo dat de koningen van re„ „polim, uijt egte huwelijken moeten zijn, het geen iets zeldszaamds is, bij hij dense vorsten alsoo anders de zoons gebooren uijt de ongetrouw„ „de en weelderige zusters der vorsten, altoos de „ natuurlijke troon opvolgers zijn De zaken betreffende zijn Rijkje, worden door desselfs Ministers verrigt, die van hun„ „ne verrigtingen aan den vorst kennisse geven, op n En is een wijk plaatsvoor alle kwaad doenders. op zekere dagen in de week daar toe vast ge„ „steld en dus kan men ligt begrijpen dat de di„ „rectie van 't Rijk meest afhangd van de Hofs= „grooten, die daar omtrend na maate te bij den vorst in Credit zijn, en zig weeten staande te houden, elkander de loef af-steeken en hun eijge belang bedoelen. De Compagnie heeft ook met dit koningje weijnig van belang te doen, egter diend tot ons narigt, dat zijn rijkje een vlugt plaats is, even als een vrij-stad, alwaar de lieden, die bedugt zijn voor vervolginge of straffe, de wijk neemen en vijlig zijn, inzonderheijd, wanneer te daar een Jempel of Pagood kunnen bereijken, als zijnde een prerogatief, dat bij alle mallabaarse vorsten erkent en gerespecteerd word, egter hebbe niet kunnen te weeten krijgen, op welk regt of fundament dit prirogatiev steund, ten waa„ „re het zelve aan dit rijkje mogt eijgen gewor„ „den zijn, om dat de koning een geestelijk en zeer de voot vorst is, van het aller=aanzienlijkst pries„ terlijk geslagt onder den inlander, gelijk hij daar„ „om zomtijds wel getituleerd word, met een woord, dat zo veel zoude beteekenen als een priesterlij„ „ke koning, die door zijn koninglijke waardig „heijd den toevlugt tot de altaaren vijlig maakt Egter hebbe nimmer willen gedoogen, dat de In„ „landse dog Chri m En daar
English
Christians have been reclaimed and recovered, and a Canarese was also taken away from there, but the native Christians fleeing thither on account of crimes, fleeing to that little kingdom, found their safety there, partly because the country would then soon become full of murderers and thieves on account of the large number of Christians in these parts, among and by whom, besides this, murders are constantly committed and thefts practically daily, and partly because in my opinion it is improper that Roman Christians take their refuge in heathen idols and temples; for whenever such a case occurred to me, I simply demanded them back peacefully, with the warning that, being Christians, they could have no hiding place there, whereupon I generally obtained them back. However, I once had a Canarese fetched from Repolim who had severely maltreated a Christian and had retired there, partly because the mistreatment was too great and too blatant, and partly to show that we are not precisely bound to respect this assumed prerogative; yet the less this happens, the better it is, because doing this too much would offend all the native princes, and if one should do it for once out of necessity, then one must give the strictest orders and take good care not to approach the temples, and still less enter them, to fetch the fugitive out of them and thus not seize him unless he is outside the perimeter of the pagoda. A certain letter which I wrote among others to this king on 2 January 1774 sheds sufficient light on how one must conduct oneself towards him, and to which I refer in this matter; it is to be found in the bundle of outgoing letters to the native princes. The third realm of Malabar is that of the Zamorin, which from ancient times has been the mightiest and most capable of the four Malabar realms, and for which reason the Zamorin formerly had the name of Emperor applied to himself. I say the mightiest because of its numerous and brave Nairs, as it is known that the Zamorin Nairs have always been the boldest and most resolute among all the Malabar Nairs, to which was also added the vastness of the realm, as its borders then extended to the north as far as the realm of Collastry, and to the south as far as the mouth of the river of Cranganore, and to the east against the mountains and the realms of Palcatcherry and Mysore, and thus incomparably larger and more extensive than the then realm of Travancore. And I say the richest because of the extensive trade which was carried on there from the Red Sea, Persia, and Surat with the Zamorin Moors, and especially in that ancient and renowned free trading place Calicut, just as the Portuguese, arriving in Malabar, first sought out and visited this trading place. Yet as soon as the Portuguese had made themselves masters of the navigation and trade in these regions, the commerce at Calicut diminished and began to languish, as the Zamorin, at the conclusion of the contract under date 16 October 1608 with Admiral Pieter Willem Verhoeven, made known not indistinctly when he urged that naval commander to besiege the city of Cochin, then still in the hands of the Portuguese. Besides this, this realm has also diminished in power and wealth, and was finally brought to that state in which it presently finds itself, chiefly through its Moorish subjects and the bad form of government, as the Moors have generally played the master there and have always known how to bring about division at the Court, and indeed in such a way that they often had the largest faction, so that this realm has frequently had to struggle against its own subjects, and thus had its enemies, as the saying goes, inside its own bosom; while the princes, on their side, have also generally been too weak and have not maintained themselves enough in their authority, but have tolerated so much that virtually all courtiers meddled in the affairs of the realm, indeed that even the women had a say in government affairs, especially the mothers of the crown princes. The Company has also generally had many difficulties with the Zamorin princes, indeed repeatedly had to wage costly wars, and found that they have been the most unfaithful of all the Malabar princes, besides that they now and then severely plotted with the English, French, and Portuguese, which aforementioned difficulties, however, mostly originated
Dutch transcription
95 Christenen heeft men bij Re„ clame weeder erlangt En een Canarijn is ook daar uijt afgehaald. dog de derwaarts vlugtende „ landse Christenen om de wille van misdaden, na dat Rijkje vlugtende, daar hunne vijligheijd had„ „den, deels om dat het land dan schielijk vol zoude worden van moordenaars en dieven uijt hoofde van het groot getal der Christenen hier omstreeks, waar onder en door welke, buijten des geduurig moorden en genoegzaam dage„ „lijks dieverijen gepleegd worden, en ander-deels, om dat het meijns bedunkens oneijgen is, dat Roomse Christenen, hun toevlugt tot hij dense afgoden en Jempelsneemen, want als mij zo een geval voorquaam, eijschte ik de zelve maar tranquil terug, onder waarschouwinge, datze Christenen zijnde, daar geen schuijlplaats konden hebben, waar op ik dezelve doorgaans terug erlangde. Egter hebbe ik eens een Cannarijn uijt Re„ „polim laten haalen die een Christen deerlijk mis„ „handelt, en zig daar gerelireerd had, deels om dat de mishandelinge al te groot en te eelatant was, en anderdeels om te toonen dat wij Juijst niet gehouden zijn, dit aangemaatigt prevo„ „gatiev te respecteeren, dog hoe minder zulks moet geschieden, hoe beter het is, om dat het alle de Jnlandse vorsten ontstigten zoude als men zulks te veel doed, en als men het al eens voor eene enkelde keer, uijt hoofde van gesch: koon aan hoe men Beschrijving van het van noodzaakelijkheijd doed, dan moet men de sterkste order geven, en wel zorgen dat men de Jempels niet nadere, en nog minder in dezelve treede, om den gevlugten daar uijt te haalen en dus niet optevatten, ten zij hij buijten het be„ Een brief aan den koning„ stek van de pagood is, zekere briev, die ik onder zig omtrent hem gedragen andere den 2. Januarij 1774. aan deezen koning geschreeven hebbe, geeft ligt genoeg hoe men zig daar omtrend te gedraagen heeft, en waar aan mij ten deezen refereeren, te is te vinden in de bondel afgaande brieven aan de Jnland„ „se vorsten. Met Derde Rijk van de Mallabaar is dat van den. Sammorijn, het geen van ouds her het magtige sammorijnse Rijk magtigste en vermogenste van de vier Malla„ „baarse Rijken is geweest, en waarom de Sam„ morijn zig wel eer de naam van keijser heeft laaten aanleunen. zegge het magtigste weegens, desselfs talrij„ alzo het bekent is dat de sammosijnse favros „ke en Dappere Nairos „ alloos de stoudste en gerezolveerdste onder alle de Mallabaarse Nai„ „ros geweest zijn, waar bij ook quam de uijtge„ strektheijd van het rijk, alzo desselfs grenspa„ „len zig toen uijtstrekten om de Noord tot aan het rijk van Collastrij en ten zuijden tot aan den uijtloop der revier van Cranganoor en moet. raa 97 Met de komste der portugee„ zin, raakte dit Rijk aan het quijnen. versoek van den sampmorijn aan den Hollandschen Admi„ raal om Cochim te belegeren en ten oosten tegen de gebergtens en de rij„ „ken van Palcatcherij en Maisoer, en dus on„ „gelijk grooter en uijtgestrekter, als het toen„ „maalig Rijk van Jrevancoor. En zegge het Rijkste weegens den uijtge„ „strekten Mandel, die aldaar uijt de roode zee, Persien en suratta met de sammorijnse Mooren gedreeven wierd, en wel inzonder„ „heijd op die al oude en berugten vrije Handel„ „plaats Calicout, gelijk dan ook de Portugee„ „zen op de Mallabaar komende, het eerste deese handel plaats opgezogt en aangedaan hebben. — Dog zo dra de Portugeeten zig van de vaart en den handel in dese gewesten had„ „den meester gemaakt, verminderde de koop handel te Calicout en raakte aan het quijnen, gelijk de sammorijn bij het sluijten van het Contract, onder dato 16. october 1608. met den Admiraal Pieter Willem verhoeven, niet onduijdelijk te kennen gaf, wanneer hij bij dien zeevoogd aandrong om de stad Cochim, als toen nog in handen van de Portugeeten te belegeren. Buijten des zo is dit Rijk ook in magt en Rijkdom vermindert, en eijndelijk tot dien staat gebragt, waar in het zig thans De sloopen hebben grootelijks tot Ruijne van dit rijk ge„ „strekt. De Comp: heeft veel moeije„ „lijkheeden met dien voorst thans bevind, voornamentlijk door zijne moor„ „se onderdaanen, en de slegte Regeerings-vorm alzo de mooren daar doorgaans den baas„ gespeelt in altoos verdeeltheijd aan het Hof hebben weeten te bewerken, en wel zodanig, „ ƒ ƒ dat zij veeltijds, de grouste factie hadden, zo dat dit Rijk meenigmaal tegens zijn eijge onderdanen heeft moeten worstelen, en dus zijne vijanden, gelijk men zegd binnen in zijn boezem had; terwijl de vorsten aan hun„ ne zijde, ook doorgaans telaf Geweest zijn, en zig zelven niet genoeg in hun gezag gema„ intineerd, maar zo veel gelollereerd hebben dat genoegzaam alle Hoovelingen zig met de zaken des Rijks bemoeiden, Ja dat zelfs de vrouwen in de Regeerings zaken te zeg„ „gen hadden, inzonderheijd de Moeders van de kroonprincen. Ook heeft de Comp: met de sammorijnse vorsten doorgaans veele moeijelijkheeden ge„ had, Ja eens en andermaal kostbaare oorlo„ „gen moeten voeren, en bevonden, dat zij de „ aller ontrouwste onder de mallabaarse vor„ „sten zijn geweest, behalven, datze zelfs nu en dan met de Engelse, franse en Portu„ „geezen leelijk gekonkeld hebben, welke voorsch: moeijelijkheeden, egter meest ge-er„ den „teerd had. wa trib
English
When these troubles began. The downfall of this Kingdom and what contributed thereto. Conquest of this Kingdom by the Nabab. The Crown Prince was indeed restored in that Kingdom, but later driven out from there again. Indifference of the sammorijn when the Nabab came marching down to Calicoet. The French also deceived him. The King sammorijn is staying in Travancoor. were caused on account of the Cochin kingdom, as those two kingdoms have always had an irreconcilable hatred against each other, and we had to meddle in it more or less to the advantage of the King of Cochim because of the well-known state interest that the Company had in the preservation of the Cochin kingdom. These troubles took their beginning principally since the year 1707, when the Company wanted to build the Fort Chettua against the wish of the sammorijn, the essence of which was recorded in the secret Resolution of the 5th of March 1777, and from which it appears that our possession of Fort Chettua and the Conquest of Paponettij has always been disputed. Furthermore, in the year 1766, this Kingdom had to undergo a complete revolution by the Nabab Haijder Alijchan, which probably would not have gone so far if the court had handled the matter better. For when the Nabab sent envoys to the sammorijn to demand contribution, he sent them back with the utmost contempt, whereas he, knowing that everyone at that time had to bow before the Nabab, ought to have answered the ambassadors with modesty and brought it so far that he could have negotiated over the contribution and bargained it down as much as was possible. The Nabab, embittered by this, thereupon conquered his entire Kingdom and arrested the King without wishing to see him. The King finally became the sacrificial victim of all these calamities himself, as he, out of fear that he might be put to death by the Nabab and his body not be burned according to the custom of the heathens, managed to set fire to the room in which he was held captive on four sides, and thus burned himself alive, without anyone having the opportunity to extinguish the fire. The Nayars of the sammorijn, together with the Nayars of other small displaced princes, meanwhile gave the Nabab's troops continuous work, with which some time passed, until finally the Marathas advanced upon the Nabab with their greatest force, whereby the Nabab had to move his forces northwards and restored the Crown Prince to the kingdom, provided he paid a certain annual contribution to him. Paying a contribution to him. However, the sammorijn, having been thus restored, did not think of paying his contribution, just as if he believed that the Nabab would not escape the confrontation with the Marathas; nevertheless, in the year 1773, after having first come to an agreement with the Marathas, the Nabab advanced upon him again, conquered his Kingdom, and holds it in possession to this day. I have had to wonder at the indifference of the sammorijn during the latest or last advances of the Nabab. He heard that the Nabab took his neighboring kingdoms Cotteatte, Coddagamale, and the other lands in that area, one after another, and that his turn was now next; and yet, instead of thinking of the preservation of his kingdom, he kept himself occupied with trifles. Not a month before he had to take flight, I still received letter after letter from him solely about the secret appointment of a Namboori or priest in the Pagoda Triporattij by the King of Cochim, in which appointment he, the sammorijn, had not been consulted, while that pagoda has precisely the privilege that the appointment of its Nambooris ought to be made with the prior knowledge of both the sammorijn and the King of Cochim. And on this matter he requested of me such vigorous support, as if capital and state affairs depended on it. And while he was busy with this pagoda dispute, the Nabab took one stronghold after another from him, until he, without making any resistance of importance, and after first having been tricked by the French Governor of Mahi, took flight and left his Kingdom as a prey to the Nabab. And here is the end of that Kingdom, which was primarily brought upon him by his Moorish subjects, who had better expectations of the rule of the Nabab, he being a Moor, than they now experience to their regret. The King has taken his retreat in the Kingdom of Travancoor, where he still remains; but the Princes stay in and on the borders of the kingdom of the sammorijn, in the forests and mountains, with a party of the sammorijn's Nayars, who constantly harass the Nabab's people and have not yet submitted. [illegible]
Dutch transcription
99 wanneer die moeijelijkhee„ den aanvang hebben genomen. ndergang van dit Rijk was daar toe heeft gecon„ tribueerd teerd zijn, om de wille van het Cochimse rijk, dewijl die twee rijken altoos een on„ „versoenelijke haat, tegen elkander gehad hebben, en wij ons daar in min of meer ten voordeele van den koning van Cochim moes„ „ten melleeren wegens het bekende, staats= belang, dat de Comp: bij het behoud van het Cochimse rijk had, Deze moeijelijkheeden, hebben voornaament„ lijk haar begin genomen, zeedert het Jaar 1707. toen de Comp: het Fort Chettua tegen den zin van den sammorijn wilde bouwen, waar van het Hoofdzakelijke ter neder ge„ steld is bij secreete Resolutie van den 5. Maart 1777. en waar uijt blijkt dat ons het fort Chettua en het Conquest Paponettij altoos is bekwist. Voorts heeft dit Rijk in het Jaar 1766. door den Nabab Haijder Alijchan een gehee„ le omwenteling moeten ondergaan, het geen mogelijk, zo verre niet zoude gekomen zijn, indien men aan het Hof de zaak beter behan„ deld had. Want toen de Nabab aan den sammorijn zendelingen zond, om Contributie te vragen, zond hij dezelve met de uijtterste versma„ „dinge te rug daar hij /:weetende dat alles te overheering van dit Rijk door den Nabab. De kroonprins is in dat Rijk wel weder hersteld, uijt verdreeven. te dier tijd voor den Nabab moest bukken:/ de gezanten met bescheijdendheijd had dienen te antwoorden, en het zo verre te brengen dat hij over de Contributie had kunnen han„ „delen, en op dezelve zo veel afdingen als mo„ „gelijk was. De Nabab hier door verbitterd, nam daar op zijn geheele Rijk in, en arresteerde den koning zonder hem te willen zien, die eijnde„ „lijk zelfs het slagt=osser van alle die on„ „heijlen wierd, also hij uijt bedugtinge, dat hij zomtijds door den Nabab om 't leeven ge„ sammor „bragt, en zijn lighaam niet na de wijze der heijdenen zoude verbrand worden, het ver„ „trek, waar in hij gevangen zat, aan vier zijde in de brand wist te steeken, en zig zel„ „ven zo levendig verbrandde, zonder dat men gelegentheijd had den brand te blussen De Sammorijnse Nairossen, benevens de „dog naderhand weder daar Nairossen van andere klijne verdreevene vor„ „sten, gaven 's Nababs troupes intusschen ge„ duurig werk, waarmeede nog al eenigen tijd verliep, tot eijndelijk de Marattes met hunne grootste magt op den nabab afkwamen, waar door de Nabab zijne magt noordwaards moest brengen, en den kroon prins weder in het rijk herstelde, mits Jaarlijks zeeker Con„ „tributie onversc na Ca 101 onverschilligheijd van den sammosijn toen den Nabab, na Calicoet kwam afzakken. „tributie aan hem betalende Maar de sammorijn dus hersteld zijnde dogt niet aan het betaalen zijner Contribu„ tie, even als of hij meende, dat de Nabab, den dans met de marattas niet zoude ontspringen, daar hij egter in 't Jaar 1773. na alvoorens met de marattas over een gekoomen te zijn, weder op hens afgekomen is, zijn Rijk vermeesterd en tot nog toe in bezit heeft Jk hebbe mij moeten verwonderen, over de onverschilligheijd van den sammorijn bij de Jongste of laatste afkomsten van den Nabab Hij hoorde, dat de Nabab zijne nabuurige rijken Cotteatte, Coddagamale en de verdere Landen daar omstreeks de eene voor en de an„ „dere na, innam, en dat hij nu aan de beurt lag, en evenwel bleef hij, in steede van op het behoud van zijn rijk te denken, zig ophouden met beutelingen: geen maand voor dat hij de vlugt moest neemen, kreeg ik nog brief op brief van hem, eenelijk over de heijmelijke aanstel„ „linge van een namboerij of Priester in de Pa„ „good Triporattij, door den koning van Cochim, in welke aanstellinge hij sammerijn niet ge„ kend was, daar die pagood juijst die privele„ „gie heeft, dat de aanstellinge van dies Nam„ „boeris De franschen hebben hem ook gecopt. De Ceoning sammoijn houd zig bij travancoor op „boeris, met voorkennisse zo wel van den sam„ „morijn als van den koning van Cochim diend gedaan te worden, en hier over verzogt hij mij zo kragtig maintenue, even als of er hals- en Rijks-zaaken aanhingen En terwijl hij met dit Pagoods disput bezig was, nam de nabab de eene sterkte voor de andere na, van hem in, tot dat hij zonder eenige tegenstand van belang te doen, en na zig eerst door den fransen Gouverneur van Mahi nog mooij in de kleederen te hebben laten sleeken, de vlugt nam, en zijn Rijk ten prooije van den Nabab liet. En hier is het uijt-eijnde van dat Rijk het geen hem het meeste door zijne moorse onderdaanen gebrouwen is, die betere gevoe„ „lens van de Regeering van den Nabab /:als zijnde een moor:/ gehad hebben, als zij nu tot hun leedweezen ondervinden. De koning heeft zijn retraite genomen in het Rijk van Jrevancoor, alwaar hij zig nog bevind, dog de Princen houden zig op, bij en op de grensen van het sammorijnse rijk in de bossen en gebergtens met een parthij Tammorijnse naijros die geduurigs Nababs volk ontrusten, en zig tot als nog, niet on„ „derwerpen dog nu „ selve i langes geen 7 dejen hij cherij den aan
English
103 Yet his Nairs still stir from time to time against the Nabob. Indication of the lands that the Zamorin possessed in the Payencherij, of which he would not cede or submit. Now and then the Governor of Calicut gathers the forces that were scattered here and there in the Zamorin's lands, in order to make a sound sortie against the Nairs, but these have repeatedly slain quite a number of the Nabob's men; and when in the end they could hold out no longer, they retired into the forests and mountains, this being the only one of the realms conquered by him with which he has so much trouble, since the others submitted at once and, once subjugated, made not the slightest movement. After this, I should also speak separately of some lands and gardens that the Zamorin possessed outside his realm, and these are some sowing fields and gardens situated in Chettua, or properly in the district of the Payencherijs, which have belonged to His Highness from ancient times. And although the same lie outside his realm, he nevertheless never wished to cede them, undoubtedly in order always to maintain a foothold on the tract of land between Chettua these. Yet later attached by the Company for 12,000 rupees which he owed. Chettua and Cranganore, of which entire tract of land he had formerly been the master; for by the contract of 1717 concluded with the Honourable Company, he had specifically reserved to himself the ownership of these little lands, and thus also administered them until the year 1763, when the Zamorin, still owing the Company over 12,000 rupees on account of the expenses of the late war, the Company held these lands in its possession as a pledge for that money, because one then feared that Travancore, who had then marched against the Zamorin, would make himself master thereof and thus gain a foothold in the said tract of land. It is true the Zamorin did not oppose this, indeed his circumstances did not permit him to undertake anything of importance against it; yet for some time he left unanswered the ola that was written to him concerning the pawning of those lands. However, having subsequently come to an agreement with Travancore, he claimed those lands back, whereupon immediate payment of his debt was demanded, under the assurance that otherwise those lands would be retained under attachment for the Honourable Company, and the revenues thereof applied toward the reduction of the whereof the revenues served toward the reduction of the debt. And these are the lands on which Sardar Khan formed his pretensions. [illegible] or Dharmoth Panikkar had been. 105 whereof the revenues served toward the reduction of the debt. He did promise the discharge of the debt, but nothing came of it, and the Honourable Company therefore continued to manage those lands, of which the revenues were collected and entered in reduction of His Highness's debt, which at the time of the Nabob's invasion still amounted to 6202 13/48 rupees. And these are properly the lands with which the Nabob's general, Sardar Khan, began his first chicanery and pretensions during the recent invasion, just as these were circumstantially refuted, first by letters to the said general, and subsequently by letters to the Nabob, the drafts of which are to be found in separate bundles from that time and described under Outgoing Letters concerning the Nabob. For the rest, with respect to the said lands and gardens, I refer to what was written to Batavia in a separate letter of 7 March 1777, which detail ought to be kept secret, while under the main section of the Zamorin mention must also be made of: Dharmoth Panikkar, as having been not only one of the four principal Rajadores, but also a grandee of the Zamorin, who possessed many lands freely and in ownership. He is excluded by the peace treaty between the Zamorin and the Company from restoration to his lands situated in Chettua, forfeited to the Company. He was the principal instigator of the war in the year 1717 between the Zamorin and the Honourable Company, and was even the one who committed the treason of Chettua at that time; wherefore it was specifically stipulated in the peace treaty concluded with the Zamorin in that same year that he, as unworthy to benefit from the peace, should be dismissed by the Zamorin from all his offices in the realm, and that all his lands and properties situated in the lands then conquered from the Zamorin and ceded to the Honourable Company should fall and be forfeited to the benefit of the Honourable Company, just as his lands situated in the tract of land of Chettua were attached by the Honourable Company (although there was some delay regarding his dismissal), lying properly on the northern boundaries of the conquest of Papinivattam, around and about the pagoda of Triprayar, consisting of 437 Malabar paras of sowing lands, 63 pieces of gardens, and 22 slaves belonging thereto, all of which was lastly, or properly in 1766, leased for 20 years for 630 Cochin paras of paddy and 700 [illegible]
Dutch transcription
103 dog desselvs Sairossen woelen nu en dan nog tegens de Na„ babsa. aanwijzinge der landen die den sammorijn in het paijen„ „cherijse heeft gehad, waar van hij geen avfrstand heeft willen „derwerpen willen. Nu en dan vertameld de Gouverneur van Calicoet wel eens de magt, die in 't sammo„ „rijnse hier en daar verspreijd was, bij een om op de nairossen een goede uijtval te doen, dog deeze hebben verscheijde maalen, al vrij veel van sna„ „babs volk, doen sneuvelen, en als te, het op het laatste niet meer houden konden, retireeren„ „ze in de bossen en gebergtens, zijnde dit het eenigste van de door hem overheerde rijken, waarmeede hij zoo veel spels heeft; vermits de overige zig aanstonds onderwierpen, en on„ „derworpen zijnde geene de minste beweegin„ ge meer maakten. Na diende ik ook afzonderlijk nog te spree„ ken van eenige landen en thuijnen, die de sammorijn buijten zijn rijk bezeeten heeft en deze zijn eenige Zaaijvelden en Thuijnen in het Chet„ „tuase of eijgentlijk in het district der Paijen„ cherijs geleegen, dewelke zijn Hoogheijd van alle oude lijden toebehoord hebben. En schoon dezelve buijten zijn Rijk leggen, zo heeft hij egter nooijt van dezelve afstand willen doen ongetwijffeld, om maar altoos nog een voet te hebben op de Landstreek tussen Chettua desen. dog naderhand bij de Comp: aan hij schuldig was. Chettua en Cranganoor, van welke geheele landstreek hij bevoorens meester was geweest want bij het Contract van 1717. met D E: Comp: geslooten, heeft hij zig al den eijgendom dezer landjes wel speciaal voor behouden en dus ook dezelve beheert, tot het Jaar 1763. geslagen voor ƒ12000. : kop:s die wanneer de sammorijn aan de Comp: nog ruim 12000. ropias wegens de laatste oorlogs ongelden schuldig zijnde, de Comp: de ze landen als een onderhand van dat geld onder zig hield, dewijl men toen bedugt was dat Jrevancoor, die als toen tegens den sammorijn opgetrokken was„ zig daar van meester zoude maken, en dus voet, krijgen op gem: Landstreek. Het is waar de sammorijn stelde zig daar wel niet tegen, trouwens zijne omstandigheeden lieten niet toe, daar tegen iets van belang te onderneemen, egter liet hij eenige tijd de ola on„ „beantwoord, die hem geschreven wierd, over het in pand neemen dier Landen. Maar vervolgens met Jrevancoor over een gekomen zijnde, reclameerde hij die Landen te rug, waar op men toen inmediaate voldoe„ ninge van zijn schuld eijschte, onder verzeeke„ „ringe, dat men anders die Landen voor DE: Comp: zoude in beslag houden, en de revenuen daar van laaten strekken tot verminderinge der waar ting van gediend. op heeft wie daal 105 waar van de revenuen in afkor„ gediend. en dezen zijn de Landen wagr op CharderChan pretentie heeft geformeert. nie of De Hermoettoe Pani„ raal geweest is. der Schuld Het afleggen der schuld beloofde hij wel, ting van die schuld hebben maar daar quam niets van, en DE: Comp: bleef dus die landen beheeren, waar van de Jnkomsten wierden geheeven en geboekt in minderinge van zijn Hoogheijds schult die bij de invasie van den Nabab nog be „liep rop=s 6202 13/48. En dit zijn eijgentlijk die landen, waar meede 's Nababs Generaal Char„ „der Chan bij de Jongste invasie zijn eerste Chicanen en pretensies begon, gelijk die om„ standig wederlegd zijn, eerst bij brieven aan gem: Generaal vervolgens bij brieven aan den Nabab, waar van de minuten in ap„ „parte bondels van die tijd te vinden zijn en beschreeven, Afgaande weegens den Na„ „bab, voor het overige refereere mij noopens de te Landen en tuijnen aan het geen bij apparte briev van den 7: Maart 1777. na Batavia geschreeven is, en welke bijzonder„ „heijd secreet, dient gehouden te worden, Jer„ „wijl onder 't Hoofddeel van den sammorijn ook nog diend gemeld te worden van. Hermoettij Pannicaal als geweest zijnde, niet alleen een van de vier Hoofd Ragiadoors, maar ook een stand van den ge Hij is bij het vreedens Con„ traet met de sammorijn en de Comp: uijtgesloten van de„ herstelling in zijn landen Rattua gelegen aan de Comp: vervallen. den sammorijn, die veele Landen vrij en in eijgendom bezeeten: heeft. Hij was de voornaamste stooke brand van den oorlog, anno 1717. tusschen den sammorijn en DE: Comp:, en is zelfs die geene geweest dewelke te dier tijd, het verraad van Chettua gepleegd heeft, waarom bij het vreedens frac„ taat, met den sammorijn nog in dat zelfde Jaar geslooten, wel speciaal bedongen is, dat hij als onwaardig, om van den vreede te pro„ „fiteeren, door den sammorijn, van alle zijne bedieningen in het Rijk zoude werden gedimo„ „veerd en dat alle zijn landen en eijgendommen gelegen, in de toen van den sammorijn ver„ „overde, en aan DE: Comp: afgestaane Landen, ten behoeve van DE: Comp: zouden, vervallen en ver„ „beurt zijn gelijk dan ook /: schoon het niet En desselfs landen, omtrent zijne dimotie wat tardeerden :/ zijne landen op de Landstreek van Chettua geleegen bij d' E: Comp: aangeslagen zijn, leggende eijgentlijk aan de noordelijke limieten van het Conquest Paponettij, om en omtrend de pagood Criporat„ „tij bestaande in 437. mallabaarse parras Zaaijlanden, 63. stuks thuijnen en 22. slaven daar bij behoorende, welk een en ander laatst of eijgentlijk 1766: te weeten, voor 20. Jaaren ver„ pagt zijn voor 630. Cochimse parras Melij en 700 wa ros tie De gelegen ver land Hoe
English
when the Paijencherij Nairos became subject. The situation of their lands. What they are called. how they partly fell under the Company's protection. 700. Cochin fanams yearly, which revenues were usually received at Paponettij and called in the Company's papers the Dues of the Hermoettoe Pannicaal, but have now fallen to the Nabab since he conquered the Sandy Land. And just as, by the aforesaid Contract of the Zamorin of the Year 1717, the aforesaid lands partly fell to the Company, so also, according to that same Contract, they came under the protection of the Company for the first time. The Paijencherijs, being actually families of a prominent Landlord, from a very ancient lineage named Paijencherij Nairo. The district of Paijencherij forms a large part, and specifically the Northern part, of the Land that lies between the fortresses Cranganoor and Chettua. The Paijencherij district is usually called by the native the Sandy Land, in the Company's papers it is usually called the Sandy Land of Chettua, although otherwise the entire region from Chettua to Cranganoor is also called by the native simply the Sandy Land. I origin of that territory division of their family I have taken the pleasure to trace the origin of these families as far back as was possible for me from old memoirs of the Malabars, and also from the notes and traditions of these families themselves. This land was in ancient times a subordinate Little Kingdom named Charcarre, but the last possessor thereof, having begotten a natural son by a woman from the aforesaid lineage of Paijencherij, thereby came into great discord with his family, who made so much hateful agitation about it and embittered him so greatly, that he bequeathed this Land, along with a number of 2500. nairos, to this natural son, passing over his heirs, and thus this Land first came to the family of Paijmcherij Nairo. And whereas the famous emperor Cheramperoemaal, in dividing his lands into four chief kingdoms, also bestowed various Lands upon lesser princes, he also bestowed some Lands in the Zamorin's district upon the eldest of this Paijencherij Lineage (who was named Manattamparambatto, and was a Bodyguard of the emperor) Names of each of them. and at the same time placed 500. Nairos from those Lands under him, this Manaltamparambatto was therefore possessor not only of the Chettua district but also of the aforesaid lands in the Zamorin's territory, and thus at the same time had 3000. nairos over this. This lineage, having since expanded into various families, was subsequently further divided with general approval into three chief families, of which one was the aforesaid Manattamparambatto, while Panangatto and oelatto were chosen as the other two, whereby there were then three Chief families; I say three Chief families, because the family of Manatlamparambatto is further divided into two particular families, and the families of Panangatto into as many as four particular families, as appears from the following demonstration. First Chief family named Manattamparambatto, currently divided into two families, as: Tekkentale and ManJalij Baddakentale. Second Chief family named Panangatto, origin of the hatred which the Zamorin bears against them. currently divided into four families, as: Pannangallo Blaga Schiel and Cherierto Third Chief family named oelatoe, remains to this day under that same name alone. Meanwhile, each of the aforesaid families still has very many lesser families under it, but when one wishes to name these three Chief families together, they are called by the General name of Paijencherij Nairos. Thus this land has already for a long time been governed by these chief Families; the eldest of each chief family has the particular governance over his Family, in the manner of a Patriarchal Government, and these three eldest are regarded as elders of the people, but the very oldest of these three holds the general authority over everything, governs the land at his pleasure, and exercises therein the right over life and death. Above, I have said that this lineage obtained some lands in the Zamorin's territory from the emperor Cheramperoemaal, and regarding that I must further note that this was actually the first cause would have become subject to the Zamorin if they had not been brought under the Company's protection. cession by them to the Company of some of their dues. of that deep hatred and ill-will which the Zamorin has since conceived against these families, which in the end went so far that, although they retained their own estates and liberties, he nevertheless began to impose heavy burdens and taxes upon them, and through the discords which he had first sown among them, would have made these families almost entirely subject to him, had not the Company taken them under its care, on condition that they paid a certain tolerable due for it, just as they were then also openly placed under the protection of the Company for the first time by the Contract with the Zamorin of 1717; nevertheless, these families always had to give something to the Zamorin as well, in order to possess their Lands in the Zamorin's territory in peace, and yet they still frequently had to suffer harassment from the Zamorin, so that the Honourable Company constantly had to intervene. Subsequently, in the Year 1755, in order to enjoy the protection of the Company all the more, these families ceded half of certain land revenues to the Company, amounting annually to 492½. gold fanums, making approximately
Dutch transcription
107 wanneer de Gaijencherij Nai„ tie zijn geraakt. De gelegentheijd van dersel„ ver landen: Hoe te genaame worden. 700. Cochimse fanums s:sjaars, welke Jnkom„ „sten doorgaans te Paponettij ontvangen en bij s Comp=s papieren genoemd wierden. De Gereg„ „tigheijd van de Hermoettoe Pannicaal dog nu aan den Nabab vervallen zijn tzedert hij het tandigland overheerd heeft. En gelijk bij voorsch: Contract van den sam„ ros onder 's Comp:s prote„ morijn van 't Jaar 1717. voorsch: landen de Comp: ten deele gevallen zijn, zo zijn ook volgens dat zelfde Contract voor de Eerstemaal onder pro„ lectie van de Comp: gekomen. De Paijencherijs, zijnde eijgentlijk families van een aanzienlijk Landheer, uijt een zeer oud stamhuijs gen=t Paijencherij Nairo Het district van Paijencherij, maakt een groot gedeelte, en wel het Nordelijke gedeelte uijt, van het Land, dat tusschen de fortressen Cranganoor en Chettua legd. Het Paijencherijse district word doorgaans bij den inlander genaamd het Zandigland, bij sComp=s papieren word het doorgaans ge„ noemd het Zandigland van Chettua, schoon anders de geheele Landstreek van Chettua tot Cranganoor bij den inlander ook wel genoemd word, het Zandigland zonder meer. Ik - oorspronk van die Landstee„ verdeeling hunner fami„ „lie Ik hebbe de liefhebberij gehad om uijt oude gedenk schriften, der Mallabaaren, en ook uijt de aanteekeningen en overleveringen dezer families zelfs, de oorsprong van de„ „zelve zo verre opte spooren als mij mogelijk is geweest — Dit land was in alle oude tijden een onder„ hoorig Rijkje gen„t Charcarre, dog de laatste bezitter daar van een natuurlijke zoon ver„ „wekt hebbende, bij een vrouw, uijt het voor„ „schreve stamhuijs van Paijencherij„ quam daar door in groote oneenigheijd met zijn familie, dewelke zo veel haatelijke beweegin„ „ge daar over maakte, en hem zo zeer ver„ „bitterde, dat hij dit Land beneevens een ge„ „tal van 2500. nairos aan deeze natuurlijke zoon vermaakte, met voor bij gaan van zijne Erfgenamen, en dus quam dit Land het eerst aan de familie van Paijmcherij Nairo. En dewijl de berugten kijzer Cheramperoe„ „maal bij de verdeelinge zijner landen in vier hoofd koningrijken, ook verscheijde Landen aan minder vorsten vereerende, aan de oud„ „sten uijt dit Paijencherijs Stamhuijs (:die ten Manattamparambatto genaamt, en Lijftrawant van den keijser was :/ ook eeni„ „ge Landerijen in het Sammorijnse district vereerde ren. ƒ 109 Samens van ider derselve. vereerde en teffens 500. Nairos uijt die Lan„ „derijen onder hem stelde, zo was deze Manaltamparambatto derhalven bezitter niet alleen van het Chettuase district maar ook van voorsch: landen in het sam„ „morijnse, en dus teffens hier over 3000. nai„ „ros. Dit stamhuijs, tzeedert in verscheijde families uijtgebreijd zijnde, wierd met al„ „gemeene goedkeurige vervolgens verder in drie hoofd families verdeelt, waar van de eene was voorsch: Manattamparaan„ batto, terwijl tot de twee andere verkooren wierden Panangatto en oelatto, waar door er toen drie Hoofd families waaren, ik zeg„ „ge drie Hoofd families, om dat de familie van Manatlamparambatto, nog in twee bijzondere, en de families van Panangatto wel in vier bijzondere families verdeelt zijn, gelijk bij de ondervolgende aantooninge blijkt. Eerste Hoofd familie genaamt Manattam„ „parambatto tans in twee families verdeelt als Tekkentale en ManJalij Baddakentale. Tweede Hoofd familie genaamt Panangatto thans oorsprong van den staad die de Lammorijn tegens haar heeft. thans in vier families verdeelt als. Pannangallo Blaga Schiel en Cherierto Derde Hoofdfamilie genaamt oelatoe, blijft tot heeden nog alleen onder dien zelfden naam Jntusschen heeft ijder der voorsch: families nog zeer veele mindere families onder zig, dog Eijnsbaar als men deze drie Hoofd families tesamen wild noemen, dan noemd men ze met die Generaale naam van Paijencherij Nairos Dus word dit land nu al van lange tijden, af bestierd door deze hoofd Famiellies, de oud„ ste uijt ijder hoofd familie, heeft het bijzonde„ „re bestier over zijne Familie, bij wijze van een Patriarchale Regeeringe, en deze drie oud„ „ste worden aangemerkt als oudstens des volks, dog de aller oudste van deeze drie, voerd het generaale gezag over alles bestierd het land, na welgevallen, en exerceerd in het zelve, het regt over leven en dood. Hier boven heb ik gezegd, dat dit stam„ huijs van de keijser Cheramperoemaal, eenige landerijen in het sammorijnse gekreegen heeft, en daar omtrend moet ik nog noteeren, dat dit eijgentlijk de eerste oorzaak is geweest geregtig Comp: afsa van konden onder son waaren 111 zouden aan den Sammorijn dog Eijnsbaar zijn geraakt zo te onder 's Comp:s protexie niet waar en gebragt. afstand door hen aan de Comp: van eenige hunner geregtigheeden. van die innige haat en wangunst, die de sammorijn 't zedert tegens deze families opgeval heeft, het geen op het laatst zo ver„ „re ging, dat hij dezelve schoon zij hunne eijge staten en vrijheeden wel behielden, eg„ „ter swaare lasten en inposten begon opte„ „volgen en door de oneenigheeden, die hij eerst onder hun gezaaijt had, deze families bij na finaal Eijnsbaar, aan hem zoude gemaakt hebben, indien de Comp: hun niet onder zig ge„ „nomen had, mits dat zij daar voor opbragten zeekere dragelijke geregtigheijd, gelijk zij dan ook bij het Contract met den sammorijn van 1717. voor het eerste opentlijk onder de protec„ tie van de Comp: gesteld zijn, des niet te min hebben de ze families den Sammorijn ook al„ „toos nog iets moeten geven, ten eijnde hunne Landerijen in het sammorijnse gerust te be„ „zitten, en evenwel hebben zij nog dikwils overlast van den sammorijn moeten lijden zo dat d' E: Comp: telkens daar tusschen moest komen. Vervolgens hebben die families in 't Jaar 1755. om des te meer de protectie van de Comp: te genieten, de helfte van zekere lands-in„ komsten, aan de Comp: afgestaan, bedraagende Jaarlijks 492½. goude fanums, uijtmakende omtrend
English
further cession of some rights, amounting to approximately 98 rop=s and 523 parras of nelij. And in the year 1764 they entered into a still further agreement, namely, to give half of the tithe rights of their entire land to the Honorable Company, whereby the annual amount of these tithes, or the half for the Honorable Company, now amounts to 960 parras of Nelij and 1709½ gold fanums or approximately 341 rop=s, all of which was collected at Chettua. But as there is a distinction between a tithe of the grain and a tithe of that which lies outside of it, because a tithe of the grain can be understood of the sowing as well as of the mowing, and the other speaks for itself, since everything that lies outside arable lands consists of revenues, one must know in this regard that in the agreement mention was made only of the word of a tithe of the arable fields without any further specification. At least the Paijeneherijs, who virtually voluntarily and as if of their own accord promised the aforesaid half tithe, have also interpreted the half tithe of the arable lands as a half tithe of what is sown and not of what is mowed, which was then also accepted as such. However, their lands that they themselves farmed, and those of the pagoda, along with some belonging to other grandees, were left free of taxation; but for the lands which they owned in the Paponeltijse district, through purchase or otherwise, they had to give the Company a tithe of the mowing, just as for all lands situated therein. The intention of these families in the voluntary cession of the aforesaid half tithe from their district appears to have been to enjoy all the more the protection of the Company, just as from that time on they have possessed their land with rice and in peace without harassment from anyone, and in the previous revolution of affairs on the Mallabaar suffered no damage, whereas on the contrary, all kings, princes, and grandees of the land, with their subjects, felt the plagues and consequences of war and had to pay heavy contributions. So that Paijencherij Nairo was the only remnant of the emperor Cheramperoemaal that preserved his former liberties through the protection of the Honorable Company, until recently the Nabab Maider AlijChan made himself master of the entire tract of land from Chettua up to Cranganoor, which the Company, owing to his superior strength, was unable to prevent him from doing. However, they now receive from the Company for the present and until further orders a monthly maintenance of 30 rop=s, as may be seen in greater detail from the resolution of 14 July 1777. These families have sometimes had disputes among themselves and even sought to undermine one another, but I have always maintained the eldest, even if the others were sometimes not entirely in the wrong, which I then pointed out to the eldest in private and between four eyes, and that has also proved to me to be the best means of keeping the equilibrium among those families, for otherwise one would be constantly troubled by them. I have observed from the old papers that they have sometimes involved themselves with the Sammorijn, as it suited their purpose, but for a long time now nothing has been heard of this, and if this might have existed before, I believe most likely that it will only have happened for reasons of state, or properly speaking, to humor the Sammorijn somewhat, who after all, being adjacent to them, was in a position to continually disquiet them in an adroit manner without this necessarily always being provable, so that for that reason, and for the sake of their lands which they held in the Sammorijn's territory, they kept the Sammorijn as a friend. I must still note something regarding these families which is seldom found with any heathen, at least with no Mallabaar, princes, namely, that in the administration of affairs no violence or extortion takes place; and that in the administration of justice, the making of gifts and offerings is not so much in practice. I say not so much, because however reasonably this district is governed, the regents still do not possess such a steadfast soul as to always and entirely decline gifts and presents, although I have heard very few complaints about it, so that the inhabitants of this district, in comparison with others, were very happily governed, and for that reason I have always deemed it best to concern myself as little as possible with their affairs of government
Dutch transcription
nader afstand van eenige omtrend 98: rop=s en 523. parras nelij. En in 't Jaar 1764. gingen zij nog een na„ verdere geregtigheeden der accoord aan, namentlijk, om de helfte van de thiende geregtigheijd van hun geheele Land, aan d' E: Comp: te geven waar door nu het jaarlijks bedragen dier thiendens, of de helf„ „te voor DE: Comp: 960. parras Nelij en 1709½. goude fanums of omtrend 341. rop=s bedraagd welk een en ander te Chettua ingevordert wierd dog dewijl er een onderscheijd is tusschen een tiende van het graan, en een tiende van het geen daar buijten is, om dat een tiende van het graan, zo wel van 't gezaaij als 't ge„ „maaij, kan verstaan worden, en het andere zig van zelfs verstaat, dewijl alle wat buij„ „ten Zaaijlanden is, in revenuen bestaat zo moet men ten dezen weeten, dat er bij 't accoord maar alleen het woord van een tien„ „de der Zaaijvelden zonder eenige nadere bepalinge gesprooken word, ten minsten de Paijeneherijs, die genoegzaam, vrijwillig en als uijt zig zelve voorsch: halve tiende beloof„ den, hebben de halve tiende van de Zaaij„ „landen ook uijtgelegd als een halve tiende van het gezaaij en niet van het gemaaij, het geen men dan ook zodanig ge-accepteerd heeft, dog hunne Landen, die te zelfs be „liepen te den Naba 113 dien oogmerk, om daar door sComp:s protexie kragtiger te genieten. gelijk bij die ook genooten hebben tot de komste van den Nabab. liepen, en die van de pagood benevens nog eenige van andere grooten, wierden vrij gela„ „ten van belastinge, maar van de landen die te in het Paponeltijse district, door in„ „koop of anderzints in eijgendom hadden moesten te even, gelijk van alle landen, die daar in leggen, aan de Comp: een thiende van 't gemaaij geven. Het oogmerk van deeze familjes, in de gewillige afstand van voorsch: halve tiende uijt hun district, schijnt geweest te zijn, om des te meer de protectie van de Comp: te genieten, gelijk zij dan ook van dien tijd af, hun land met rijst en vreede zonder overlast van iemand bezeten, en bij de voo„ „rige omwentelinge van zaaken op de mal„ „labaar geen schaade geleegen hebben, daar in tegendeel, alle koningen, vorsten en Lands-grooten met derzelver onderdaanen de plagen en gevolgen des oorlogs gevaeld, en zwaare Contributie hebben moeten opbren„ „gen, zo dat Paijencherij Nairo het eenigste overblijftel van den kijzer Cheramperoe„ maal is geweest, dat door de protectie van DE: Comp: zijne voorige vrijheeden behouden heeft, tot nu onlangs de Nabab Maider AlijChan zig meester gemaakt heeft, van de en nu krijgen zij, onder„ houd van de Comp: op wat wijze zij door de Comp: werden gemaintineerd zoonwijlen hebben ze zig wel met den sammorijn inge„ „wikkeld. de geheele Landstreek van Chettua tot Cran„ „fanoor toe, het geen de Comp: hem, weegens zijn overmagt, niet heeft kunnen beletten, dog t krijgen tans van de Comp: voor eerst en tot nadere order, maandelijks een onderhoud van 30. rop=s gelijk dat bij de resolutie van den 14. Julij 1777. nader te zien is. Dese families hebben zomtijds wel disputen ondel elkander gehad en zogten zelfs elkander wel te Contramineeren, dog ik hebbe altoos de oudste gemaintineerd, al was het ook dat de andere zomtijds wel eens niet ten eenemaal ongelijk hadden het geen ik dan den oudsten in 't particulier en onder vier oogen voorhield, in dat is mij ook als het beste middel gebleeken, om het equili „brium onder die families te houden, want anders zoude men geduurig met hun ge„ quelt zijn Jk heb uijt de oude papieren gereflecteerd dat zij zig zomtijds wel eens met den sam„ „morijn hebben ingelaten, na maate zulks in hun kraam te pas quam, dog nu in lan ge heeft men niets daar van gehoord, en indien dit al eens ge-exteerd mogt zijn dan gelooven ik voor het naaste, dat zulx maar zal geschied zijn, om reeden van staat nade verde aan Prijselijk hen 115 rijsselijke Regeerings vorm van hen. staat of eijgentlijk, om den sammorijn wat te vieren, die tog tegen hun aangrentende in staat was, om hun telkens, op een be„ hendige wijze te ontrusten, zonder dat zulks Juijst altoos beweezen kon worden, zo dat ze daarom, en om de wille van hunne landerijen, die te in het sammorijnse hadden, den sammorijn te vriend hielden. Nog moet ik iets nopens deze families aanmerken, het geen men zelden bij eeni„ „ge hijdense ten minsten bij geene Malla„ „baarse, vorsten, vind, namentlijk, dat in de bestieringe der zaaken geen geweld of knevelarijen plaats heeft; en dat in het oeffenen van regt, het doen van giften afgaven, niet zo veel in praelijk is, ik zegge niet zo veel, om dat hoe redelijk dit district ook bestierd word, de Regen„ ten tog zo geen firme ziel genoeg bezit„ „ten, om giften en gaven altoos en ten eenemaal te kunnen declineeren, schoon ik er maar zeer weijnig over heb hooren klagen, zo dat de ingezekenen van dit distriet, in vergelijk van andere, zeer gelukkig bestierd wierden en daarons hebbe altoos best ge-oordeelt mij zo wij„ nig met hunne Regeerings=zaaken
English
Description of the kings and the prince Cartamana from whom Aijroer obtained its principality and how the same was subsequently divided. to interfere as little as possible, and just let them deal with one another, unless excesses were committed, in which case I took direct cognizance thereof, and acted concerning it according to equity. The kings of Aijroer, Cranganoor, and the Prince Cartamana should also follow here, because they previously likewise had their primary and principal relations with the Sammorijn. I shall first speak of them in general regarding their relationship to one another, and after that, report something in particular about each one. Aijroer is the oldest realm, after which follows Cranganoor, and after that the Principality of Cartamana, all three however originating from the ancient realm of Aijroer, since that ancient realm, being first divided between two brothers, the share of the eldest was since divided once again into two. In no papers do I find any notable light concerning these petty princes, so I have had the interest to inquire from antiquities and most credible traditions and from their own memoirs after their true relationship to one another, and thought it not unserviceable to note down here the following details thereof. The kings of Aijroer are of the first and most prominent lineage among the Malabars. The first king of Aijroer received his principality from the famous Emperor Cheremperumaal, with the title of king, the authority to execute justice over life and death, but subject to the sovereignty of the Sammorijn. For this purpose some pieces of land were given to him, but divided into parcels, the most between the Cranganoor and Chettua district or properly situated in the Paponettij district, and the remainder on the other side of the river, or properly diagonally across from Paponettij in the northernmost part of the Cochim realm, where the kings of Aijroer have always resided and kept their court, as the present king still maintains his residence there, which place is called Belanga. I mention this name of Belanga for clarification, because in various papers the house of Aijroer is for that reason by interchange also called the house of Belanga. This Aijroer family having diminished after the course of many years to two brothers and one sister, separated from one another on account of discord that took place among them, after the lands were divided among one another. Origin of the Cranganoor Kingdom. The eldest brother continued to maintain his residence in the ordinary palace, and the youngest went to live with his sister on this side of the river in Paponettij, in a separate palace, administering his lands as an ordinary landlord, while the eldest brother retained the principality and the other prerogatives as king. But a certain regent of Cranganoor, also of high lineage and having free access to the Sammorijn princesses, bequeathed his Cranganoor lands to the aforesaid younger brother of Aijroer, who thereupon came to Cranganoor, built the present palace there, settled down, and finally obtained from the Sammorijn, under whom the deceased Cranganoor regent had also stood, the title of king, not only with the right over life and death, but also with the privilege of free access to the Sammorijn princesses, as for that reason the Cranganoor kings are also called the fathers of the Sammorijn kings to this day. And in this manner, as is said, the king of Cranganoor came into the world, and should be regarded as a younger brother from the house of Aijroer, possessing, besides the Cranganoor lands, about half of the Aijroer lands which had fallen to his share in the division. Further division of the Aijroer principality; how the same is properly divided and came under the Company. Yet long thereafter, the house of the eldest of Aijroer was separated once again among two brothers of that time, of whom the eldest also again retained the dignity of the king and the palace on the other side of the river, while the younger brother, being properly Prince Cartamana, administered the lands fallen to his share in Paponettij as regent, which two families, namely the king of Aijroer and Prince Cartamana, are frequently called in the papers the houses of Coesicatto and Cartamana. So that these three petty princes, according to the Malabar genealogy, are brothers from the ancestral house of Aijroer, and the present king of Aijroer possesses, so to speak, one fourth, Prince Cartamana one fourth, and the king of Cranganoor half of the old Aijroer lands, besides his inherited lands. Other details of which the authenticity was not sufficiently evident to me, I have omitted concerning these petty princes. Furthermore, the aforesaid three realms or principalities were placed under the Company at the conclusion of the treaty of peace with the Sammorijn in the years 1710 and 1717. Yet although Aijroer and Cranganoor indeed [illegible] over
Dutch transcription
Beschrijving van de ko„ „genoos en de prins Cartamana van wien Eijroer desselfs vor„ stendom heeft erlangt. te bemoeijen, als mogelijk was, en hun maar met elkander te laten omspringen, ten waare dat er excessen begaan wierden, als wanneer ik daar van direct kennis nam, en daar om trend, na de billijkheijd handelde. De koningen van Hijroer, Cranganoor, ningen van Caijroer en Eran, en de Prins Cartamana, dienen hier ook te volgen, om dat zij bevoorens insgelijks haare eerste en meeste betrekkinge op den Sammorijn gehad hebben. Jk zal van dezelve, eerst in 't Generaal, nopens hunne betrekkinge op elkander, en daar na, van een ijder iets in 't bijzonder melden. Mijroer is het ouds te Rijk, daar na volgd Cranganoor, en daar na het Prinsdom Carlama„ na, egter alle drie afkomstig, uijt het oude rijk van Hijroer, alzo dat oude rijk eerst onder twee broe„ „ders verdeelt zijnde, het deel van de oudste zedert nog eens in twee verdeelt is. Bij geene papieren, vinde, ik eenig naamwaar„ „dig ligt nopens deze vorstjes dus hebbe de lief hebberije gehad, om uijt de oudheeden en geloofw aa digte overleeveringen en uijt hunne eijgene ge„ denkschriften, na hunne wezendlijke betrekkin„ „ge op elkander te verneemen, en niet ondienstig geagt, de volgende bijzonderheeden daar van hier te en ver 117. en hoe het zelve naderhand verdeelt. te noteeren. De koningen van Aijroer, zijn van het eerste en aanzienlijkste geslagte onder de mallabaaren; De Eerste koning van Hijroer, heeft zijn vorsten„ „dom ontvangen, van den berugten keijser Che„ „ remperoemaal, met den titul van koning, de authoriteijt om regt over leeven en dood te voeren dog de heerschappij van den sammorijn. Hier toe wierden hem eenige stukken land gegeven, dog verdeelt in perceelen, de meeste tus„ „schen het Cranganoorse en Chettuase of eijgent„ „lijk in het Saponettijse district geleegen, en de overige aan de overzijden van de revier, of eijgent„ „lijk schuijns over Paponettij in het noordelijkste deel van het Cochimse rijk, alwaar de koningen van Aijroer altoos, gewoont en hun Hof gehouden hebben, gelijk de tegenswoordige koning, tot als nog zijn Residentie daar houd, welke plaats ge„ noemd word Belanga. —. Deze naam van Belanga, melde ik tot eluci„ „datie om dat bij verscheijde Papieren, het huijs van Aijroer om die reden bij verwisselinge ook wel genoemd word het huijs van Belanga. Deze Rijroerse Familie na verloop van veele Jaaren vermindert zijnde, tot op twee Broeders en eene zuster, is weegens oneenigheijd, dewelke on„ der hun plaats had, van een gesepareerd, na dat de Landerijen onder elkander verdeelt zijn: de oorsprong van het Cranga„ noorst koning Rijk. de oudste Broeder bleef zijn verblijf houden in het ordinair paleijs, en de Jongste ging met zijn zuster aan deze kant van de revier in het Paponettijse woonen, in een apart paleijs; bestierende zijne landen als een ordinair land„ „heer, terwijl de oudste Broeder het vorstendom en de overige prerogativen als koning behield. Dog zeker land Regent van Cranganoor, mee„ de van een hoog geslagt, en een vrijen toegang tot de sammorijnse princessen hebbende, ver„ „maakte zijne Cranganoorse Landen, aan voor„ „schreven Jonger Broeder van Aijroer, die daar op na Cranganoor, gekomen is, daar het tegenswoor„ „dige paleijs gebouwt, zig ter neer gezet en eijnde„ „lijk van den sammorijn, onder wien de overleede„ lijk is „ne Cranganoorse landregent ook gestaan had, den titul van koning bekomen heeft, niet alleen met het regt over leven in dood, maar ook met het voorregt van een vrijen toegang bij de sam„ „morijnse princessen, gelijk de Cranganoorse koningen daarom ook tot nog toe de vaders van de sammo„ „rijnse koningen genoemd worden. —. En op deze wize zoude de koning van Tran„ „ „ganoor, gelijk men zegt, in de wereld gekomen zijn, wonder en aangemerkt moeten worden, als een Jonger Broeder uijt het huijs van Aijroer, bezittende, behalven de Cranganoorse landen, omtrend de helft van de sijroerse landen, die hem bij aij de sader hoedanig 119 Pader verdeeling van het aijroerse vosstendom. hoedanig 't zelve eijgent lijk is verdeeld. en onder de Comp: geraakt. de verdeelinge te beurte gevallen waaren. Dog lange daar na, is het Huijs van de oud„ ste Rijroer nog eens gesepareerd, onder twee Broe„ „ders van dien tijd, waar van de oudste ook we„ „der de waardigheijd van den koning en het pa„ „leijs aan de overkant van de revier behield, ter„ „wijl de Jonger de Broeder, zijnde eijgentlijk de Prins Cartamana, de hem ten deele gevallen lan„ „derijen in het Paponettijse als Land regent bestierde, welke twee families namentlijk de koning van Aijroer en de prins Cartamana bij de papieren veeltijds genoemd worden, de huijsen Coesicatto en Cartamana. zo dat deze drie vorstjes, na de Mallabaarse geanalogie Broeders zijn, uijt het stamhuijs van Hijroer, en de tegenswoordige koning van Aijroer, om zo te spreeken, een quart, prins Car„ „tamana een quart, en de koning van Cranga„ noor de helft van de oude Aijkoerse landen bezit, behalven zijn ge-ervde landen. — Andere bijzonderheeden welker egtheijd mij niet genoeg gebleeken is, hebbe ik nopens de ze vorstjes gelexcuseerd. Wijders zijn voorm: drie Rlijken, of vorsten„ „dom bij het sluijten van het Contract van vree„ „de met den Tammorijn in de Jaare 1710. en 1717. onder de Comp: gesteld. Dog schoon Aijroer en Cranganoor wel het reet„ #t over
English
Limitation on those residing in Paponetty, except for that limitation regarding life and death over their subjects. Though they exercised justice, they nevertheless did not have that right over those subjects who live in the lands that lay within our Conquest, since the Paponetty district was ceded to us by the aforementioned contracts by the Zamorin, after we had taken it from him by force of arms; and since Cartamana held no lands outside our Conquest, this prince had no right over life and death whatsoever. Therefore, whenever capital punishment or severe justice short of death had to be administered, notice was first given to the Company, which then granted the so-called authorization. If it was found that these petty princes exceeded their bounds in this regard, they were penalized by taking a portion of the crop that stood in the field, or was already harvested, or something similar. It is in itself a matter of contemplation that a prince is so restricted regarding the punishment of his subjects, but this has long been arranged in this manner, and thus it could not be allowed to slip, if only to maintain our supreme authority over them, as they never let the slightest opportunity pass to imperceptibly introduce superiority and independence. Indeed, more than once they have grown quite insolent. The difficulties the Company has had with these petty princes, and the measures employed against them. They grew insolent, and their Nairs committed acts of vandalism in the countryside against our inhabitants, so that now and then it was necessary to send some soldiers into the country to keep them quiet. Indeed, at times they went so far astray as to secretly seek help and protection against the Company from the indigenous princes, such as from Travancore, the ruler of Cochin, and the Zamorin. Though these rulers did not dare to do so openly, they nevertheless made imperceptible use of this whenever it suited their interests, merely to harass the Company and stir up trouble. These petty princes were also always at odds with one another over their lands lying within our Conquest, as they repeatedly laid claim to one piece of land or another and pursued those claims by placing attachments upon them. The aggrieved party would then come to complain to the Company and request protection, because having disputes among themselves over such matters, they are not allowed to take the law into their own hands, but must leave the decision to the Company. These were nevertheless difficult disputes to decide, since none of them could produce any legal proof of ownership. This was caused by the fact that, at their separation from one another, they did not properly divide the lands, but took as much for themselves as each could acquire or thought belonged to him. Together with how justice was provided to them. Whenever such matters came before me, and I received complaints that one party had placed an attachment on the lands of the other, I immediately had that attachment publicly lifted and restored the dispute to the state it was in before the attachment, even if it was not yet known who was in the right or in the wrong, solely to show them that they could not be their own judges in our Conquest, and that anyone with a claim had to present his claim to the Company as their sovereign lord. In deciding such matters, I first made inquiries among the old and impartial natives regarding the longest possession, the condition, and the location of the disputed pieces of land in relation to the undisputed lands of both the plaintiff and the defendant. From this, I could more or less judge where those disputed lands would most naturally have belonged under the old division of the estates. This was somewhat difficult, however, because there is no proper map of the lands that the Company possesses here, which is a principal defect. There is indeed a map, but it shows more the course of the rivers and the borders of the lands, but the true internal condition is not evident from it. Their lands cannot easily be mapped because they do not wish to declare them accurately, and an attempt should be made when opportunity allows. It is said that the lands here cannot easily and conveniently be measured and mapped because the indigenous princes, being too suspicious, would take offense and would hinder and complicate the surveying in all kinds of cunning ways. This certainly has some validity; yet the utility and the necessity of a good map seems to me of too great importance not to attempt a trial with good deliberation, starting, for example, with our closest districts, and so forth, in order to gradually accustom the native to it and show that this contains nothing strange or dangerous. When I had informed myself of everything that could serve the case, and had allowed each person the liberty to prove the authenticity of his claim or possession as best he could, I then decided the dispute to the best of my knowledge. I also generally found that the claims were unfounded, and that the party who was in possession was merely being targeted and harassed. However, if there was too much to be said on both sides for and against, and I found no liberty for myself to decide the case...
Dutch transcription
Bepaling van hun dat zij op paponettij woonagtig ondreijd van die bepaling over leven en dood omtrend, hunne onderdanen Coessenen, zo hadden zij egter dat regt niet over hadden over hunne onderdanen die onderdanen, dewelke woonen op de Landen dewelke in ons Conquest lagen, alzo de Land„ streek Paponettij ons bij voorsch: Contracten door den sammorijn afgestaan is, nadat wij het van hem door de wapens ingenoomen hadden, en vermits Cartamana buijten ons Conquest gee„ „ne landen had, zo had deze prins in't geheel geen regt over leeven en dood: Wanneer derhalven dood straffe of swaare Justitie naast de dood moest geoessend worden, dan wierd daar van eerst kennis gegeven aan de Comp: die dan daar toe zo genaamd, qualificatie gaf, en als men bevond, dat deeze vorstjes zig daar omtrend te buijten gingen, Corrigeerde men hun in een gedeelte van het gewas, dat te velde stond, of reeds gesneeden was, of iets diergelijks. Dit is op zig zelvs wel wat speculatie, dat een vorst omtrend het straffen zijner onderdanen zodanig bepaald is, dog dit is reeds van lange op die wijse geschikt en dus kon men dat niet laten slippen, al was het ook maar, om daar door ons oppergezag over hun te maintineeren, alzoo zij nooijt de minste gelegentheijd lieten voor bij gaan, om ongevoelig eene supericuriteijd, en onafhangelijkheijd intevoeren. zelfs hebben zij meer als eens al vrij wat de verd 121. soejelijkheeden die de Comp haeft gehad met die vorstjes. Enmiddelen die daar tegens wierden g'emploijeert. de hoorens opgestooken, en door hunne Nairos baldadigheeden in het Land aan onze ingezetenen gepleegd, zo dat men nu en dan wel genoodsaakt was, eenige militairen in het Land te zenden, om hun stil te doen zijn, ja somtijds hebben te zig wel zo verre vergallopeert, datze heijme„ „lijk bij de inlandse vorsten haar hulp en pro„ „tectie tegen de Comp: zogten gelijk bij Trevan„ „coor, den Cochimder en den Sammorijn, die schoon zulks niet opentlijk duirden dog egter na maate het in hun kraam tepas quam, zig ongevoelig daar van bedienden, om de Comp: maar te quellen en moeijelijkheijd te verwekken. Deze vorstjes lagen ook altoos met elkander over hoop, over hunne landerijen in ons Con„ quest leggende, alzo zij telkens op het een of ander stuk lands, pretentie maakten, en die pretentie prosequeerden door het leggen van arresten op dezelve, als wanneer de beledigde partij bij de Comp: kwam klagen en mainte„ „nue verzoeken, om dat zij elkander daar over questie hebbende, zig zelfs geen regt moogen doen, maar de decisie aan de Comp: moeten overlaten, het geen egter moeijelijke verschillen waaren, om te decideeren, dewijl niemand van hun eenig regt bewijs van eijgendom kon pro„ „duceeren, het geen veroorzaakt is, om dat zij bij schijdinge van elkander de landen niet be „hoorlijk danen ver n d dan tie men de en et Mitsgaders hoedanig men hen regt verschafte „hoorlijk verdeelt, maar zo veel na zig genoomen hebben, als een ijder maar kon verkrijgen, of meen„ de dat hem toekwam Als mij diergelijke dingen voorquamen, en ik klagte kreeg, dat de eene arrest gelegd had, op de gronden wars den anderen, dan liet ik teen eer„ „sten, dat arrest publick intrecken, en de ques„ tie brengen in dien staat, waar in ze was voor het arrest, al wist ook niet, wie gelijk of onge„ „lijk had eenlijk om hun te doen zien, datze hun eijge regter in ons Conquest niet mogten zijn en dat de geen die iets tepretendieren had met zijn pretentie bij de Comp: als haar opperheer, kan komen. Jn het decideeren van diergelijke dingen, in„ „formeerde ik mij eerst bij de oude en onpartijdige inlanders, na de langste possessie, de gesteldheijd en legginge, der questieuse stukjes grond, met betrekkinge tot de buijten questie zijnde landen zo van klagende als beklaagde parthij, om daar uijt min of meer te kunnen beoordeelen, waar toe die questieuse gronden bij de oude deelinge der Landerijen wel het natuurlijkste zouden behoord hebben, het geen egter wat moeijelijk viel om dat men geene behoorlijke kaart heeft van de landen die de Comp: hier bezit, het geen een Capitaal defect is, daar is wel een kaart maar die bevat meer de strekkinge der reviere en de 123 hunne landen kan men niet wel op de kaart stellen om dat ze die niet regt wil„ de len opgeven. en der diend bij gelegenheid de boorden der landen, maar de innige regte ge„ steldheijd blijkt daar niet bij Men zegt, dat de Landen hier niet wel voege„ lijk gemeeten en in de kaart kunnen gebragt worden, om dat de inlandse vorsten, te agter„ „koutig zijnde, argwaan opvatten en de mee„ „tinge op allerleij listige wijze moeijelijk zouden maken en beletten: dit heeft zekerlijk eenig„ „zints zijn bedenkinge; dog het nut en de noodzakelijkheijd van een goede kant, dunkt mij is van te grooten belang / om daar van gens geprobeerd te werden. niet eens met goed overleg een preuve te nee„ „men, en zulks te beginnen bij voorbield met onze naast bij gelegenste districten; en zo ver„ „volgens, om den inlander ongevoelig daar aan te gewennen, en te doen zien, dat zulks niets vreemds, nog uijtzigtelijks in zig behelscht. Als ik mij dan na alles, wat ter zaak dienen kon, ge-informeerd en een ider vrijheijd gelaten had, de egtheijd van zijn pretentie of possessie zo goed hij kon te bewijzen, dan decideerde ik de questie na mijn beste kennisse en bevond ook doorgaans dat de pretenties ongesun„ deert waaren, en dat de parthij, die in de possessie was, maar gezogt en moeijelijkheijd aangedaan wierd. Maar als er wedertijds te veel voor en tegen was, en ik voor mij geen vrijheijd vond, om hun oomen meen en ik er„ in kan viel
English
how one acts when disputes arise among them concerning landed estates. To decide their differences finally, I have sometimes made use of another little expedient, for I then recommended to them to reconsider the matter calmly and to come to an agreement with one another, reminding them that they would otherwise run the risk of having the disputed land confiscated for the Company, according to the proverb that where two fight over a bone, a third runs off with it; and then I usually saw that they came to terms with each other. In examining their complaints, I also noticed now and then that they brought forward again disputes that had long since been settled by one or another chief commander, though under an entirely different guise; but whenever I noticed this, I always referred them back to the original decision, so as not to allow their disputes to run on endlessly. There is yet something to be mentioned concerning these princes collectively. Formerly they never contributed anything to the Company for its protection; but since, or rather from the year 1760, tithes have with great difficulty been levied on their lands situated in the conquest of Paponetty, and as regards the sown fields therein, a tenth of the crop and not of the seed. But it is impossible to describe how unwilling they were to do so, and how many evasions they resorted to; indeed, how Cartamana, although owning the least land, was the worst and most stubborn in these oppositions, and even remained unwilling after Rijxoer and Cranganoor had already condescended thereto, until he too was finally compelled to agree. And although these tithes have since been collected without hindrance, they nevertheless repeatedly tried to be freed from them again, so that whenever an opportunity presented itself they made the strongest representations to that end. But since I made them understand that they were never to expect any change in this regard, and that by raising further agitations about it they ran the risk of having to pay the tithes even from the time they came under the Company's protection, namely since the Zamorin contracts of 1710 and 1717 until 1760, they have left me in peace concerning this matter. These tithes were actually leased out and collected annually at Paponetty. Now I shall mention something of each of these three petty princes in particular, beginning with Cranganoor, who, as may be deduced from what has been written above, is the most noteworthy among them. The king himself is of a particularly good-natured disposition and of simple capacity, being very devout by virtue of his caste. The affairs of the realm were not governed by him, but by two of his grandees who were most in his favor, which lasted until they were dismissed and replaced by others. But when matters of importance arose which embarrassed them or caused them to fear evil consequences, all the court grandees assembled together, who then quarreled miserably because each wished to carry his own opinion without regard to the common interest; and when they could not agree, they took refuge in their idol in the great pagoda, whose pronouncement was feignedly asked of the idol in secret by one of the most distinguished and shrewd pagoda servants and brought outside by that same servant, though usually ambiguous and in a manner sufficiently consistent with the state of affairs, yet tailored to the conception that the common people had of it; and then that pronouncement was also regarded as a divine oracle, just like the oracles of the ancients. I have never been able to ascertain the exact revenues of Cranganoor, because it is generally characteristic of the Malabars to conceal the matter of their revenues from others, however small they may be; but I know that the revenues from the sowing have amounted to about 20 to 25,000 parras of paddy, and about as many Cochin fanams annually. Furthermore, this prince is virtually defenseless and has no power to offer any defense, and thus his little realm would long ago have been seized by one or another native prince had he not stood first under the special protection of the Zamorin and since under that of the Company; although the Company was lately unable to protect him against the superior power of the Nawab Hyder Ali Khan, and even had enough to do to secure itself against that tyrant and check him in his further advance. For this reason the king of Cranganoor also receives from the Company, for his maintenance for the time being and until further orders, a monthly sum of 50 rupees, as appears from the resolution of 14 July 1777. However, some time before the Nawab's hostile invasion, when he was already aiming at Cranganoor
Dutch transcription
hoedanig men handelt als as questien onder hen komen te ont„ staan over Land goederen. om thiendens aan de Comp: ben deze vorstjes veel voor zeggen hun verschil finaal te decideeren, dan hebbe ik mij wel eens van een ander huijsmid„ deltje bediend, want dan recommandeerde ik hun, om dezaak nog eens bedaard te over„ „leggen, en zig met elkander te verdragen, on„ „der herinneringe, dat zij anders gevaar zouden loopen, dat de questieute grond voor de Comp: zoude ingetrokken worden, volgens het spreek„ woord dat waar twee om een been vegten, een derde daar meede heen gaat, en dan zag ik doorgaans, dat zij zig met elkander verdroegen Ook hebbe bij de examinatie van hunne klag„ „ten nu en dan wel eens gemerkt, dat zij ver„ schillen die reets lange door de een of ander hoofdgebieder uijtgewieten waaren, weder te voor„ „schijn bragten, egter onder een geheel ander ge„ „daante, dog als ik dit merkte, renvoijeerde ik hun altoos na de eerste decisie, om hunne verschillen niet in het oneijdige telaten loo„ pen. Nog is er iets dat nopens de te vorsten geza„ mentlijk te melden valt. voor dezen hebben zij nooijt iets aan de Comp: op tebrengen daar tegens heb „ voor haare protectie gecontribueert, maar 't zee„ dert of eijgentlijk van 't Jaar 1760. heeft men met veel moeijte van hunne landerijen, die in 't Conquest Saponettij leggen, Thiendens gehe„ „ven en wat de Zaaijvelden in dezelve aan„ „gaat 125 Dog na ernstige overtuijging hebben te daar in bewilligt „gaat, een Thiende van het gewasch, en niet van 't gezaaij, dog het is niet te zeggen hoe on„ „willig zij daar toe geweest zijn, en hoe veel kromme sprongen zij daar over gemaakt hebben, ja hoe Cartamana schoon de minste landen be„ „zittende, in die tegenstrubbelingen de ergste en hardnekkigste geweest, en zelfs nog onwillig ge„ „bleeven is, na dat Rijxoer en Cranganoor als „reets daar in gecondescendeert hadden, tot dat hij eijndelijk ook wel genoodsaakt is geworden. bij tevallen. En schoon die Thiendens tzeedert onverhin„ dert ingevordert wierden, zo probeerden zij egter telkens oms daar van weder bevrijd te ra„ „ken, zo dat zij als het maar te pas kwam de kragtigste representatie daar toe deeden dog zeedert ik hun hebbe doen begrijpen, dat zij daar omtrend nooijt eenige veranderinge te wagten hadden en zij verdere beweeginge daar over maakende gevaar liepen om zelvs de thiendens te moeten betalen van dien tijd al af dat zij onder de protectie van de Comp: gekomen zijn, namentlijk 't zeedert het sam„ „morijnse Contract van 1710. en 1717. tot 1760. zo hebben te mij daar omtrend met rust gelaten deze Thiendens wierden eijgentlijk Jaarlijks te Paponettij verpagt en ingezamelt Nue zal ik iets van een ider, dezer drie vorst„ „jes mid„ ver„ r nhoedanigheijd van den Cranganoorsen vorst stiering waargenomen word in zaken van belang neemt dien vorst zijn towegt tot den afgod. „jes in het bijzonder meldin,gen beginnen met Cranganoor, die gelijk uijt het voorschree„ ven afteleijden is, onder hun wel het meeste in aanmerkinge komt De koning op zig zelfs, is van een bijsonder goedaardigen inborst, en eenvoudige verdiepinge zijnde, uijt hoofde van zijne Casta zeer devoot. De zaaken van het rijk wierden niet door hoe desselfs Rijks-be, hem, maar door twee van zijner rijks-grooten bestierd, die bij hem het meeste gezien waaren, het geen zo lange duurde, tot datze daar uijt ge„ bonst en weeder door ander vervangen wierden. Dog als er zaken van belang voorkwamen, die hun verlegen maakten, of voor quade gevolgen Leeden dugten, dan kwamen de gezamentlijke hofs-grooten bij- een, die als dan elendig harre „warden, om dat een ieder zijn gevoelen wilde doen doorgaan, zonder te letten op het algemeen be„ lang, en als zij het niet eens konden worden is dan namen zij den toevlugt tot hun afgod in den de groote pagood, waar van de uijtspraak door een der aanzienlijkste en schranderste pagood bediendens quaniswijs in 't verborgene den afgod afgevraagd en door die zelfde bediende buijten gebragt wierd, dog doorgaans dubbelzinnig, en op eene wijze genoegzaam over een komstig met de voor gesteldheijd der zaken, maar al geschikt, na het denkbeeld, dat het gemeen daar van had, en dan 127 hoe groot de inkomsten van dit Rijkje zijn. in Hoe gezing desselfs vonno„ „gen is geweest. is door den Nabab overheer„ houden. dan wierd die uijtspraak ook als een godspraak gehouden, even als de orakels der ouden De Cranganoorse inkomsten hebbe ik nooijt regt teweeten kunnen krijgen, om dat het in 't alge„ „meen de mallabaaren eijgen is, het articul hunner revenuen, hoe gering die ook zijn, voor andere te verbergen, dog de inkomsten van het gezaaij, weete ik, hebben beloopen omtrend op 20. a 25000: parras Nelij, en omtrend even zo veel Cochimse fanums sjaars Voorts is deze vorst genoegzaam weerloos en heeft geen vermoogen om eenige defensie te doen, en dus zoude zijn rijkje al lange door de een of andere inlandse vorst weggenoomen zijn indien hij niet eerst onder de speciaal protectie van den sammorijn en 't zedert onder die van de Comp: gestaan had, schoon de Comp: hem laatst tegen de overmagt van den Nabab Haijder Hlij„ „chan niet heeft kunnen beschermen, en zelfs werk genoeg had, zig zelven tegen dien gewelde„ „den werd door de Comp: onder „ naar te bevijligen, en hem in zijn verderen vaart te sluijten, en daarom geniet de koning van Cranganoor ook tot onderhoud voor eerst en tot nadere order van de Comp: smaands een sommet„ „je van 50. ropias, blijkens resolutie van den 14. Julij 1777. — Egter heb ik eenigen tijd voor 's' Nababs vijan„ voor telijken inval, doen hij het al op Cranganoor gemunt t schree„ „ be„ n in ood god en
English
the Nabab, one has with much difficulty, during the previous incursion of the Nabab, when he had aimed at this little kingdom, still managed to preserve this little king, to maintain the Company's authority, and yet not to cause any displeasure to the Nabab. I say to cause no displeasure, because at that time he had not yet done anything hostile against us, and we then had to observe the so strongly recommended neutrality, and take care to keep him in a good humor as long as possible, notwithstanding the fact that the little king of Cranganoor himself was the very cause that the Nabab even then demanded a contribution from him on account of his scheming without the Company's knowledge and secret attachment to the Samoothiri, all of which has been dealt with in its details in a separate letter written to Batavia under the date of 18 June 1774, whereby he had well deserved that the Company had simply eradicated him and annexed his land; at least if he had behaved in such a manner under the protection of any other European nation, such would undoubtedly have befallen him. And because this kingdom, on account of the sea inlet of Aycotta, is so well situated for smuggling, the Company has for that reason the well-known little fort Cranganoor in a very well-situated place, past which fort everything must pass that goes across the river from the north to the south, to prevent the smuggling. However, now and then some pepper was indeed smuggled, and I have even reflected that if the king or his court grandees might not have had a share in it, they nevertheless tolerated such by turning a blind eye to obtain a gratuity, to which they let themselves be inclined because of their greed and meager circumstances. But I once made an example concerning that, which is to be found in the resolution of 20 February 1772 and further communicated to Batavia by letter of the first of May thereafter, and since then I have heard no more of any pepper smuggling on that side. But now that the Nabab is master of that region, the smuggling on that side will not be able to be prevented as much; however, I must also say that not very much pepper is actually produced in that region, at least not so much that it can harm us significantly. Yet, however insignificant this little king was, one nevertheless did not have to treat him too lightly as a trifle, not because he was so difficult of himself, but because, having relations with the house of the Samoothiri, in case of dissatisfaction, and when he thought that wrong was done to him, he always schemed with the Samoothiri, who then always supported him secretly in one way or another, which produced only difficulties for the Company; at least, how much he is inwardly attached to the Samoothiri one could best see during the first and second descent of the Nabab upon the Samoothiri, whereby this little king brought the uttermost misery upon himself, as proof that he wished to respect the secret support that he had to expect from the Samoothiri. As for what actually concerns the specifics of Ayroor, the qualities of his person, lineage, and governance are also like those of Cranganoor. His rajadoors also direct affairs according to their pleasure, and when something must be signed by the king, they merely thrust such a writing or ola into his hand, which he signs without hesitation. In the year 1774 the old king died and the crown prince succeeded him. This one immediately began to put on airs, for when a single subject of his, who lived in the Company's conquest, had not come to court quickly enough to mourn the deceased king according to custom, he had an attachment placed on that piece of land upon which that man lived, and had the fruits of the land taken away, even uprooting some trees. But I, receiving knowledge of this, immediately had the attachment revoked, and let the king know that those harsh executions of justice, having occurred without my prior knowledge, were not permitted in our conquest. I would not have done this so strictly, but I thought that such was not bad in the beginning, the more so because the attachment was placed on a place that was in question, and since then the young king has undertaken nothing of the sort anymore. At present he still resides, as always before, namely on the other side of the river in his palace, and since he still has lands there and can find his maintenance from them, he receives no subsidy from the Company, like the others who have retained nothing. It is true he has requested me for it time and again, but I have convinced him and made him see that he, being more fortunate than the others who have lost everything, cannot aspire to any maintenance, and since then he has also made no further application. Cartamana is one of the restless princes; I have reflected from the papers that the Cartamana princes have always been very troublesome and have generally occupied themselves with knaveries and tricks, just as the present Prince especially understands that art very well. In the beginning of my administration, he immediately had a dispute with the other petty rulers, and also complained
Dutch transcription
den Tabab heeft, men veel moei„ Met Comp:s fort Cranga„ noorlegd in dit Rijkje om de sluijkerij te beletten. gemunt had, dit koningje nog weeten te bij den voorigen indrang van behouden, 's Comp=s gezag te bewaaren en even„ te gehad hem te behouden. „ wel de Nabab geen ongenoegen toetebrengen. ik zegge geen ongenoegen toetebrengen, om dat hij te dier tijd nog niets vijandelijks tegen ons gedaan had, en wij toen „ de zo zeer aanbevoolene neutraliteijt moesten in agt neemen, en zorgen om hem zo lang mogelijk in een goeden luijm te houden, niet tegenstaande het koningje van Cranganoor zelfs wel de oorzaak was, dat de Nabab toen al een Contributie van hem eijschte weegens zijn gekonkel buijten 's Comp„s weeten en hijmelijke gekleeftheijd aan den sammorijn welk een en ander in zijne omstandigheeden verhandelt is, bij aparte briev na batavia ge„ „schreeven onder dato den 18. Junij 1774. waar door hij wel verdiend had, dat de Comp: hem maar uijtgeroeijd en zijn land aan zig getrokken had; ten minsten indien hij onder de protectie van eenig ander Europeeze natie zig zodanig gedra„ „gen had, zoude hem zulx ongetwijffeld overgekoo„ „men zijn. En om dat dit rijk, weegens het Zeegal van Hijcotta zo wel gelegen is, voor sluijk=handel, zo heeft de Comp: daarom het bekende fortje Cranganood op eene zeer wel gelegene plaats, voor bij welk fort alles passeeren moet, dat over de revier van de noord na de Zuijd gaat na ver 129 een gestatueerd Exempel in A op 772. omtrent de peper sluij„ De verknogtheijd van dit vorst„ „je aan den sammorijn heeft gaat, egter wierd er nu en dan wel wat peper geslooken, en ik heb zelfs gereflecteerd dat indien de koning of desselfs hofs grooten, daar al eens, geen deel in mogten gehad, zij egter zulx oogluijken„ „de toegelaten hebben, ter erlanging van een douceurt„ je, waar toe zij wegens hunne heblugt en sobere„ omstandigheeden zig lieten vinden, dog ik heb daar omtrend eens een exempel gestatueerd, het geen te vinden is bij resolutie van den 20. febru„ „arij 1772. en nader na Batavia bedeelt, bij briev van den eersten meij daar aan, en zeedert hebbe aan die kant van geen sluijkerije in peper zo teer meer gehoord, dog nu de Nabab van die Landstreek meester is, zal het sluijten aan die kant zo veel niet kunnen belet worden, egter moet ik ook zeggen, dat er op die Landstreek juijst niet heel veel peper vald, ten minsten niet zo veel, dat het ons van belang schaden kan. Dog hoe gering agter dit koningje geweest is, zo veele mouielijkheeden verschaft heeft men hem evenwel niet te veel en bagatel moeten tracteeren, niet, om dat hij van zig zelfs zo ongemakkelijk was, maar, om dat hij op het huijs van den sammorijn betrekking hebbende, in Cas van onvergenoegtheijd, en als hij meende, dat hem ongelijk aangedaan word, altoos met ook den sammorijn konkelde, die hem dan altoos op de een of anderwijze hijmelijk ondersteunde het geen voor de Comp: maar moeijelijkhelden baar„ de „kerij. De hoedanigheeden van het Aijroerse koningje verschil„ len niet van die van den Cranganoorder. het tegenwoordig koning je„ nettij willen toonen, maar is tijdig daar in gesluijt „de, ten minsten hoe zeer hij innerlijk den Sam„ „morijn toegedaan is, heeft men andere het beste kunnen zien, bij de eerste en tweede afkomste van den Nabab op den sammorijn, waar door dit koningje zig ten uijtterste miserie op den hals gehaald heeft, ten bewijze, dat hij heeft wil„ len respecteeren de hijmelijke onderstenninge die hij van de sammorijn te wagten heeft. wat nu eijgentlijk het bijzondere van Kijroer aangaat, de hoedanigheeden van zijn perzoon, geslagt en regeering, is meede als die van Cranganoor. zijn Ragiadoors dirigeeren, de zaaken ook na hun believen, en als er iets door de koning moet getekend worden; stoffen zij hem maar zo een schrif„ „tuur of ola in de hand, het geen hij gerust weg tij„ „kend. Anno 1774. is de oude koning gestorven en de kroon prins is hem opgevolgd. Deze begon al ten eersten figuuren te maaken, heeft zijn vermogen op papo„ want toen een enkel onderdaan van hem, die in Car sComp=s Conquest woonde, niet spoedig genoeg ten hoove gekoomen was, om na den gebruijke, den rouw van den overleedene koning te beklagen liet hij arrest leggen op dat stuk grond, waar op die man woonde, en de vrugten van 't Land wegneemen, ja zelfs eenige boomen uijtroeijen dog ik hier van kennis krijgende, liet het ko arrest 131. ulij roud zig thans op aan de overkant van paponettij in Cartamana is een woel zie„ ke geest. arrest ten eersten intrekken, en den koning wee„ „ten, dat die harde regts- oeffeningen; buijten mijn voorkennisse geschied zijnde, niet gepermitteerd was, in ons Conquest, ik zoude dit zo zeer niet gedaan hebben, dog ik meende dat zulks in 't begin niet quaad was, te meer, om dat het arrest gelegd was, op een plaats, die in questie was, en zederd heeft de Jonge koning niets diergelijks meer ondernomen. Jans houd hij zig nog op, gelijk bevoorens altoos, namentlijk aan de overzijde van de revier in zijn paleijs, en dewijl hij daar nog landen heeft, en daar uijt zijn onderhoud vinden kan, zo krijgt hij van de Comp: geen onderstand, gelijk de andere die niets over behouden hebben, 't is waar hij heeft mij eens en andermaal daarom versogt, dog ik hebbe hem overtuijgt, en doen zien, dat hij gelukki„ „ger zijnde, als de andere, die alles verlooren hebben, na geen onderhoud aspireeren kan, en 't zedert heeft hij ook geen aanzoek meer gedaan Carlamana is een van de onrustige princen, ik hebbe uijt de papieren gereflecteerd, dat de Cartamaanse princen, altoos zeer guastig geweest zijn, en zig doorgaans met beutels en streeken opgehouden hebben, gelijk dan de tegenswoordige Prins, inzonderheijd dat kunstje zeer wel ver„ staat. Jn het begin van mijn bestier, had hij al ten eersten questie met de andere vorstjes, ook klaag„ de n,
English
wanted to pick a quarrel about trifles, but once properly reprimanded he came to repentance. He repeatedly complained, first about Resident Medeler and after that also about Resident Breekpot. On the one hand, I understood quite well that much calm and even local experience is required to maintain the balance of power there on the spot and among the natives, but it also appeared to me that Cartamana did not act straightforwardly and continually gave the residents their hands full of work. For this reason, I once had Cartamana come into the city, and, after his retinue had gone outside, told him the thorough truth, on which occasion I completely unmasked him, clearly held up his tricks and conduct before him, and showed him all his faults as in a mirror, so that he at least might see that he was known to me. But I had the satisfaction that he dared deny virtually nothing to me, and when I reminded him of his gray years, and how ugly such qualities are in a man of birth, and even uglier in an old prince, he requested of me that I would not expose him, and promised improvement, just as he has since then taken somewhat better care of himself than before, as proof that hearty speech sometimes accomplishes more than those two extremes of being either too kind or too severe. According to the Resolution of 8 September 1777, he enjoys 133 These last-mentioned petty princes and the Payencherijs keep themselves here and there on account of the loss of their lands. Reasons why it was done in such detail. He is also supported by the Company. He also enjoys, until further orders, 40 ropias per month for maintenance. These princes, as well as the aforementioned landlords, the Payencherij Nayrs, having been driven out of their lands by the Nabob, keep themselves here and there in the neighborhood and surroundings of their lands, hoping for a change of times for the better, and manage in a frugal manner with what the Company provides them monthly for maintenance, except for Hijroer, who does not need it so urgently as the others, as is mentioned hereinabove. One will possibly say that all this preceding account concerning these petty princes, namely of Cranganoor, Hijroer, Cartamana, and the Payencherijs, is obsolete, or at least no longer so very relevant now. However, I considered myself obliged to write down both one thing and the other nevertheless, for in case matters here should change for the better, and the lost region should come into our hands again, then the details cited herein may yet serve for some information to the person who holds authority here. At least, upon my arrival here, and finding no proper clarity in the papers concerning the connection that these petty princes have with one another, I had quite a lot of work to obtain a coherent idea of those details, and without which one cannot properly handle affairs, nor be at peace with oneself that one has acted conscientiously in line with duty on one's part. The fourth or last principal kingdom of Malabar is An account of the Kingdom of Colastrij is also given for reasons. It was formerly in a flourishing state. 52 miles in its length. Colastrij, with which we presently have even less connection than with the Samorin. However, I also considered myself obliged briefly to present the main points of the same, and of what the Company had to do with that realm up to its conquest, in its proper context, all the more because one can thereby also obtain better light, both regarding the Moor Regent Ady Ragia and his debt to the Company, and regarding the so-called Collastrij debt, or a certain sum that the Company still has to claim from the King of Colastrij. This realm, then, was formerly also in a flourishing state through the favorable sale of its products, especially pepper, cardamom, and sandalwood, as well as through the profitable and extensive trade to various regions in the Indies. It extends northward up to Mount Dilly, 9 miles north of Cannanoor, and southward down to the river that separates Cotteer and Bargare, over a length of 52 miles, thus lying between the realms of Canara and Samorin. One should also know that the Laccadive Islands also belonged from ancient times to the Kingdom of Colastrij, although the Moor Regent Ady Ragia has since become master of them. 135 and has held the Laccadive Islands. Ady Ragia's shipping has made this realm flourish. But this prince has also caused many disturbances in the same. The nesting of the Portuguese at Cannanoor was the downfall of that realm. To the prosperity of this realm this Ady Ragia contributed not a little by means of his vessels, which transported the products of the country and brought back all kinds of desired return goods. This Moor, however, became over time so rich and powerful in front of his princes and sovereign that, in the course of time, he almost always played the principal role in the manifold confusions and divisions with which this realm continually had to struggle. Until the arrival of the Portuguese at the beginning of the 16th century, this realm was still in a flourishing state, but no sooner had the Portuguese obtained the freedom to build a fortress at Cannanoor than they made themselves masters not only of the products of the country, but also of the trade by sea, so that the shipping of this realm was destroyed, and the tyrannical conduct of the Portuguese [illegible]
Dutch transcription
heeft, questij in het papo„ netlijse willen zoeken dog eens ter deeg vermaand terschap gekomen. „de hij telkens, eerst over de Resident Medeler daar na ook over de resident Breekpot, ik be„ „greep aan de eene kant wel, dat er veel bedaard„ heijd en zelfs eene landkundige ervarentheijd ver„ „eijscht, om daar ter plaatse en onder de inlander de balans in evenwigt te houden, dog mij bleek teffens dat Cartamana niet voor de vuijst handelde en bij Continuatie de residenten de handen vol werks gaf, waarom ik Cartamana eens in de stad hebbe laten komen, en hem, na dat zijn gevolg buijten was gegaan, van deeg de waarheid gezegt, bij welke occagie ik hem geheel ont „maskerde, zijne streekens en gedoentens, duijde„ zijnde is hij daar op tot be„lijk voorhield, en alle zijne gebreeken aan hem als in een spiegel vertoonde, op dat hij ten min„ „sten zien zoude, dat hij bij mij bekend was, dog ik hadde het genoegen dat hij mij genoegzaam niets durde ontkennen, en toen ik hem herin„ „nerde zijne grijze Jaaren, en hoe leelijk zulke zoo brijke zulk hoedanigheeden in een man van geboorte, en nog leelijker in een grijs prins zijn zo verzogt hij mij dat ik hem niet ten toon wilde stellen, en beloofde beterschap, gelijk hij zig dan ook 'tzeedert wat meer als bevoorens, in agt ge„ noomen heeft, ten bewijze dat een hartelijke taal zomtijds meer vermag, als die twee uijtEerstens van al te goed of al te straf te zijn. Volgens Resolutie van 8. september 1777. ge„ „niet 133 derhouden. Deeze laastgem: vorstjek en de en daar op, om het gemis van hunne landen. Reedenen waarom zo om„ is gedaan. hij word ook door de Comp: on „ niet hij ook tot nadere ordre smaands aan onderhoud 40. ropias. Deze vorsten zo wel als de voorschreeven land„ „heeren de Saijencherij Nairos, door den Nabab paijencherijs houden zig hier uijt hunne landen verdreeven zijnde houden zig hier en daar op in de buurt en omstreeks hunne landen, hoopende op veranderinge van tijden ten goede, en behelpen zig op een sobere wijze met het geen de Comp: hun maandelijkst tot onderhoud verstrekt uijtgenomen Hijroer, die 't zo hoogst niet nodig heeft als de andere gelijk hier boven gemeld is. Men zal mogelijk zeggen dat alle dit voor„ „standig verhaal die vorstjes „ gaande, namentlijk van Cranganoor, Hijroer„ Cartamana en de Paijencherijs vervald, ten min„ „sten nu zo zeer niet meer te pas komt, dog ik hebbe mij verpligt geoordeelt, het een en evr„ ander evenwel ter neder te stellen, want in„ gevalle de zaaken hier eens ten goeden veran„ „derden, en de verloorene Landstreek weeder in onse handen mogt komen, dan kan het aangehaalde in dezen nog al tot eenig narigt strekken van den geenen die hier het gezag heeft, ten minsten ik hebbe hier komende, en bij de papieren geen behoorlijk ligt vindende weegens de Connectie die deze vorstjes op elkander heb„ ben al vrij wat werks gehad om een aange schakeld denkbeeld van die bij zonderheeden te Een verhaal van het Rlijk van Colastrij word ook om reeden gedaan. het zelve is wel eer in den mijlen in zijne lengte: te erlangen, en zonder welk men egter de zaa ken niet behoorlijk behandelen kan, nog bij zig zelve gerust kan zijn, dat men aan zijne zijde na gemoede in pligt gehandelt heeft: met vierde of Laatste Hoofdkoningrijk van de Mallabaar is. -: Colastrij, waar toe wij tans nog minder betrekkinge, als tot den sammorijn, hebben, egter hebbe mij ook verpligt geoordeelt het Hoofdzake „lijk van het zelve, en van het geen de Comp: met dat rijk tot zijn overheeringe toe, te doen gehad heeft, in zijn te samenhang kortelijk opte, „geven, te meer men dar door teffens beter ligt kan krijgen, zo nopens den Hoors Regent Adij Ragia en zijn schuld aan de Comp: als van de zo genaamde Collastrijse schuld, of zeekere somma die de Comp: van den koning van Colastrij nog te pretendeeren heeft. Dit rijk dan, was wel eer meede in een bloeij„ bloeijenden staat geweest, „ enden staat, door favorablen vertier van desselfs producten, inzonderheijd van peper, Cardamom, en Zandelhout, gelijk ook door den voordeeligen en uijtgestrekten handel, naar verscheijde gewesten in Jndien heeft zig uijtgestrekt 52. Het selve strekt zig noordwaards tot aan Caab monte Dellij 9. mijlen benoorden Cannanoor en bezuijden tot aan de Revier die Cotteer en ver Bargare tug 135 en, zonder zig gehad de lak„ kerdivese eijlanden. Roi agias scheepsvaard de ook veele verweeringen verwekt. maar de nesteling van den pos„ tugeezen op Cannanoor is de Bargare van elkander scheijd, ten lengte van 52. meijlen, leggende dus tusschen de rijken van Canara en Pammorijn. Ook diend men teweeten, dat de Zakkerdivose Eijlanden, en al oude lijden insgelijks onder het rijk van Colastrij behoord hebben, schoon meester de Moors regent Adij Ragia, t zedert daar van geworden is. Tot den Bloeij van dit rijk Contribueerde niet heeft dit Rijk doen bloeijen. weijnig, deze Adij Ragia, door middel van zijne scheepjes, die de Landsproducten vervoer„ „den, en allerlij gewilde retouren te rug bragten. dog deze vorst heeft in 't zel„ seeze moorman, wierd hier door met er tijd zo rijk en magtig voor zijne vorsten en opper„ Heer, dat hij in het vervolg van tijd, bij na altoos de voornaamste Roll gespeelt heeft, in de meenigvuldige verwarringen en verdeelt heijd, waar meede dit rijk bij Continuatie te worstelen gehad heeft. —. Tot de komste der Portugeezen, in het begin ondergang van die Rijk geweest van de 15=de Eeuw was dit rijk nog in een bloeij„ ende staat, dog zo dra hadden de Portugeezen geen vrijheid verworven om te Cannonoor een vesting te bouwen of te maakten zig niet alleen meester van de producten des lands, maar ook van den handel ter zee zo dat de witvaart van dit rijk te niet, en de tirancque handelwijze der Portugeezen to de aa vande ke„ ij o 1
English
Conquest of Cannanoor by the Company from the Portuguese. Conclusion of contracts was of little value because of the intrigues of competitors. In the year 1718 the Company's trade came to a complete standstill because of a dispute between the Nairs and the Moors. went so far that king and subjects longed to be rid of the Portuguese. This succeeded in the beginning of the year 1663, when the fortress of Cannanoor was captured from the Portuguese by the Company's arms. Shortly thereafter, the kings of Colastrij concluded a treaty of peace and friendship between Colastrij and the Company, subsequently a commercial treaty, and toward the end of 1664 Adij Ragia was also included therein. Yet these treaties, however solemnly entered into, were very poorly observed from the very beginning, although they were further confirmed in the years 1680 and 1681. The continuous dissensions among the royal princes and intrigues with our competitors manifested themselves early on, and Adij Ragia knew how to take such good advantage of these dissensions that in the meantime he heavily fortified himself at his bazaar and threw up several fortifications around it. Around the year 1718, these dissensions went so far that the Company's trade at Cannanoor came to a complete standstill, caused by an irreconcilable bitterness between the Nairs of Collastrij and the Moors, or rather the people of Adij Ragia, on account of 137 Which subsequently erupted into a war. Colastrij was supported by the English, and Adij Ragia by the Company. But after a failed attempt undertaken by Colastrij, peace was made. Yet it did not last long; fell into war again. on account of a murder committed upon a Moorish priest, so that the servants at Cannanoor were ordered to offer the Company's mediation to the disputing parties in order to reach an agreement if possible, but this was in vain. In the year 1721 the disputing parties entered into open war; a general attack was made on the Moors, in which they suffered a considerable defeat. The people of Collastrij were supported by the English, and to Adij Ragia assistance was rendered from our side by the servants of Cannanoor. The English had hopes that if the bazaar of Adij Ragia were captured, it would be handed over to them. The Collastrij Nairs attempted a general assault on the bazaar, but were repulsed, and in the year 1723 an agreement was reached between the parties, whereby it was stipulated that Adij Ragia had to pay a good sum of money to Collastrij. This peace, however, was of short duration, for one of the discontented princes could not forget the affront done to him by the Moors. Thus hostilities began anew. Adij Ragia fell short at first, but in turn gained some advantages over Collastrij. without listening to the mediation offered to them by the Zamorin and the Company. but with the appearance of the King of Canara against Colastrij, they settled the matter. Colastrij is overpowered by the superior force of the Canarese and forced to submit to him. after which the Canarese sought to exterminate the Moors. The King Zamorin sent his envoys to pacify the parties, and the Company's mediation was also offered, but in vain, so that the disputing parties had to be left to their own devices. Finally, they were forced to put their dispute aside for a time and unite against the military force of the King of Canara, who in the year 1732 made an invasion into the Kingdom of Collastrij with a considerable force. The princes, reinforced with the English and Zamorin auxiliary troops, offered brave resistance, but were defeated and lost many men, cannons, and firearms. Shortly thereafter, the King of Colastrij died, and the state of the kingdom worsened to such an extent that the then-ruling prince ceded his entire kingdom to the King of Canara. Because of this, the Canarese commander became so formidable that he intended to exterminate the Moors of Adij Ragia and Cotteatte, as there are also very many Moors in Cotteatte, which belongs to the Kingdom of Collastrij. A few skirmishes took place now and then, and the said prince complained too late about his submission to the Canarese, who sought nothing other than to exhaust the country. Finally, the Company also entered into hostilities with the Canarese, 139 With the Company the Canarese also entered into war, but it did not last long before peace was made again. Yet the Canarese did not comply with the contract. And still kept a fort next to Cannanoor. The Company joined with the Colastrij forces and captured the fort. as he would not desist, despite the protestations made, from building a fort on the hill Carla close to Cannanoor. Subsequently, peace was concluded between the Company and the Canarese, and on that occasion a portion of an old debt was collected, namely from a certain Canarese merchant who, when Residents were still stationed at Barssaloor and trade was carried on there, had purchased various goods on credit from the Company and had not paid. Much effort was made to uphold the concluded contract with the Canarese and to secure the remaining debt, but in vain. In the meantime, the unrest between the Canarese and those of Colastrij continued, as the Company's mediation met with no success. The Canarese were masters of the fort on the hill Carla close to Cannanoor; it was feared that if the Collastrij forces became masters of it again, the English would become the possessors of it. To prevent this, the fort was captured and demolished by the Company's forces joined with those of Collastrij.
Dutch transcription
verovering van Cannanoor door de Comp: van de pootugeezen sluijting der Contracten zijn van weijnig niet ge„ weest door de woelinge der Competiteuren in Ao 1718. stond sComp:s handel geschil tusschen de Nairos„ sen en de mooren. zo verre ging, dat vorst en onderdanen ver„ „langden, om aan de Portugeezen ontslagen te raken. 6 Dit gelukte in 't begin van 't Jaar 1663. wan„ „neer de vesting Cannanoor, door 's Compagnies wapenen op de Portugeeten verovert wierd kort hier na, slooten de vorsten van Colastrij met de Comp: een Contract van vreede en vriend„ tusschen Colastrij en de Comp: schap vervolgens een Commercie Tractaat, en teegen het eijnde van 1664. wierd Adij Ragia daar ook onder begreepen. Dog deze tractaaten hoe plegtig ook aangegaan, wierden al in den beginne zeer gebrekkig na„ „gekomen, hoe wel dezelve, in de Jaaren 1680. en 1681. nader bevestigt wierden. De Continueele oneenigheeden, onder de rijks vorsten, en konkelarijen met opze Compedi„ teuren, openbaarden, zig al vroeg en Adij Ragia wist zig van deese oneenigheeden, zo wel te bedienen, dat hij zig intusschen op des„ „selfs bazaar, zeer versterkte en verscheijde vesting werken rondom deselve opwierp. seete oneenigheeden gingen, omtrend het gants stil, door een ontstaan Jaar 1718. zo verre, dat 's Comp=s Negotie te Cannanoor geheel stil stond, veroorsaakt, door eene onversoenelijke verbittering, tusschen de Nairos van Collastrij en de mooren, of eijgentlijk het volk van Adij Ragia, om de wille 137 Dat vervolgens tot een oorlog uijtberste Colastrij wierd door de Engel„ sen, en adij Ragia door de Comp: onderstaunt. Maar na een wijslukte „tern door Colastrij onder„ nomen, wierd de vreede ge„ Dog duurde niet lang nraakte weder in oorlog wille van een moord aan een moors priester ge „pleegd, zo dat men de bediendens van Cannonoor last gaf, om ier 's Comp: mediatie de twistende par„ „thijen aantebieden, ten eijnde, des mogelijk een ver„ „gelijk te treffen, dog zulx was vrugteloos. De twistende parthijen geraakten anno 1721. in openbaaren oorlog, daar wierd een Generaale attac„ „que op de mooren gedaan, waar bij deselve mer„ „kelijk te kort schooten. De Collastrijse wierden ondersteunt door de Engelschen, in Adij Ragia wierd van onze zijde hulpe beweezen door de bediendens van Carnanoor. De Engelschen hadden hoope, dat indien de bazaar van Adij Ragia vermeesterd wierd, deselve aan hun zoude overgelaaten werden. —. De Collastrijse naijros, waagden wel een gene„ raale storm op de bataar dog wierden afgeslagen en anno 1723. wierd tusschen parthijen, een ver„ „gelijk getroffen, waar bij bedongen wierd, dat Adij Ragia een goede somma gelds aan Collas„ trij betaalen moest. Deeze vreede, was egter van weijnig duur want een der misnogde princen konde het affront. hem door de moosen aangedaan niet ver„ „geeten. Dus begonden de vijandelijkheeden weder op nieuw Adij Ragia School in 't Eerst tekort, dog behaalde op zijn beurt, wederom eenige voordeelen op Collastrg De rij trossen. zonder zig te Hooren aan„ morijn en de Comp: hen aan„ gedaan. maar met de verschijning tegen Golentri, lijden zij de zaak bij magt der Cannarees en ge„ dwongen zig aan hem te onr„ derwerpen waar na de Cangreesen zog Me De koning sammorijn zond zijne afgesanten ree de mediatie, door den sam„ om de parthijen te bevreedigen, en s' Comp=s mediatie wierd ook aangebooden, dog te vergeefs, zo dat men de twistende parthijen moest laaten drijven. —. Eijndelijk wierden te genoodzaakt hunnen van den koning van Canara Cwist, voor een tijd lang aan een kant te stellen, en zig te vereenigen tegen de krijgsmagt van den koning van Canara die in 't Jaar 1832. met een aanzienelijke magtineeren val in het Rijk van Collastrij deed. Colastrij word door de over De Princen versterkt met de Engelse en sam„ morijnsche hulptroupen, booden wel een dapperen tegenstand dog wierden geslaagen en verlooren veel volk, Canons en schiet geweiren. kort hier na, overleed de koning van Colastrij, en de toestand van 't Rijk verergerde zodanig dat de toen regeerenden prins afstand deed van des„ „dels geheele Rijk aan den koning van Canara. — Hier door wierd de Canareese veldHeer zo gedugt ten de mooren te verdelgen dat hij voornam, om de mooren van Adij Ra„ „gia en Cotteatte uijtteroeijen alzo in het Cotte„ „attese behoorende onder het Collastrijse Rijk ook zeer veele mooren zijn. Daar vielen nu en dan eenige rencrontres voor en gem: prins beklaagde zig te laat, over des„ selvs onderwerping aan de Cannareesen, die niets anders zogten, als het land uijtteputten Eijndelijk raakte de Compagnie met den Ca„ „narees do 139 Me d Comp: raakte de Cana„ rees book in oorlog„ maar duurde niet lang of men maakte weder vreede. dog de Canareesen voldgen aan het Contract niet. En bleeven een fort naast Cannanoor nog houden. de Comp:j Conjungeerde met de Cdastrijse en vermeesterde het fost. narees meede aan den gang, dewijl Hij op de ge„ „daane protestatie niet afzien wilde, van den opbouw van een fort op den Heuvel Carla digt bij Cannanoor. Vervolgens wierd de vreede tusschen de Comp: en de Cannareeten geslooten en bij die gelegentheijd een gedeelte van een oude schuld ingepalmt, namentlijk van zeeker Canarees koopman die te Barssaloor, toen men daar nog Residenten had, en mandel dreef, van de Comp: verscheijde waaren op Credit gekogt en niet betaald had. veel moeijte wierd er gedaan, om het geslooten Contract, met den Canarees te doen standhou„ „den en de Resteerende schuld te bemagtigen dog vrugteloos Jntusschen bleeven de onlusten tussen de Can„ „nareeten, en die van Colastrij nog al voortduu„ „ren, dewijl 's Comp=s mediatie van geen succes was. De Cannareeten waaren meester van het fort op den neuvel Carla digt bij Cannanoor men was bedugt, dat indien de Collastrijse we„ derom daar van meester wierden, de Engel„ schen daar van bezitters zouden werden Om dit voortekomen, wierd het fort door sComp=s Magt geconjungeert met die van Collastrij„ ingenomen en geruineert Tot ie en, voor s .
English
In recognition of this rendered assistance, among other things, a contract was concluded with the prince of Colastrij in the beginning of the year 1737 to deliver annually 1000 Candijlen of pepper to the Honorable Company. One was thus brought into circumstances to assist this kingdom further; the Cannarees had in the meantime invaded the kingdom de novo, while on our side every effort was once again made to bring about a peace between the parties, yet fruitlessly, owing to the extravagant demands of the Cannarees and the refusal of those of Colastrij to satisfy them. Finally, through the agency of the English, peace was concluded; the Cannarees retained the conquered lands, and thereby the best part of this kingdom passed under the dominion of the Cannarees, and the worst part remained with the Collastrijse king. For their rendered mediation, the English also received a fine piece of land in ownership named Mattume. This peace was however not of long duration; in the late part of 1738 and the beginning of 1739, hostilities between the parties already began anew, and the Company received satisfaction from the king of Canara for the missing 10000 pagodas; a good quantity of rice was traded, and the lodge at Barssaloor was restored. 141. But since the king of Canara had in the meantime passed away, the hostilities begun in the kingdom of Colastrij had no consequence; yet, on the other hand, the turbulent princes and chiefs in this kingdom began to renew their old disputes, so that the confusions and disagreements were again as great as before, which continued until a settlement was once again reached among the parties in the late part of anno 1745. The intrigues of Adij Ragia, as well as of the princes of Collastrij, now with the Marattas, then with the English, and then with the French, still continued. Around the years 1750 and 1751, the French at Mahé assisted the princes of Colastrij against the Cannareesen and acquired a possession in the province of Ramatallij. The English, on the other hand, undertook to depose two princes from the government and to put another in their place; yet after their enterprise had failed, they carried the old king of Collastrij away captive to Jallicharij, which caused no small commotion. However, the circumstances of this nation worsened to such an extent that they were forced to set the imprisoned king at liberty and finally to make peace. Anno 1753, the princes of Colastrij and Adij Ragia seemed about to come to blows again, but this rupture was prevented through our mediation, and the old disputes were settled amicably. Subsequently, in anno 1754, two pepper contracts were concluded, namely one with the Collastrijse princes for 300, and one with Adij Ragia for 200 Candijlen. The English, angry at this, sought to prevent the fulfillment of these contracts. And the French, noticing that the aim of the English was to tear the princes away from their interests, had the Prince Regent fetched from the land of Bargare and brought to his court. The English, more embittered by this, threatened the Collastrijse Regent with fire and sword, whereby he was intimidated from concluding another new pepper contract with the Company's servants. However, affairs were directed in such a way that the princes renounced all engagements with the English, and made a firm pepper contract in anno 1754 with the Honorable Company, whereby they bound themselves to deliver annually
Dutch transcription
sloot met de Colasbrijse peper. De Comp: heeft hier op ge„ de Cannareesen en Colaurij te bewerken dog vrugtelops. maar door bemiddeling der eerd tot nadeel van Kelastrij„ En gle Engelsen kreegen ook een stuk lands. nogtans, duurde die vree„ de niet lang. maar de Comp: kreeg voldoe„ Tot erkentenisse van die bewesene assistentie een Contract van 1060. Cand: wierd onder anderen in 't begin van 't Jaar 1737. met de prins van Colastrij een Contract gesloten van 1000. Candijlen peper, Jaarlijks aan d' E: Comp: te zullen leeveren. — Men wierd alzo in omstandigheeden gebragt bragt de vreede tusschen om dit Rijk verder te assisteeren, de Cannarees was intusschen de novo in 't Rijk gevallen, terwijl we„ „derom van onze zijde alle moeijte aangewend wierd om een vreede tusschen parthijen te bewerken, dog vrugteloos, door de buijten spoorige Eijsschen van den Cannarees, en de weijgering van die van Co„ „lastrij om daar aan te voldoen. Eijndelijk wierd door toedoen der Engelschen de Engelsen wierd het gefeetu, vreede getroffen, de Cannarees bleef de veroverde landen behouden, en hier door ging het beste deel van dit koningrijk over, onder de Heerschappij van de Cannareeten, en het slegtste deel ver„ bleef aan de Collastrijsen koning De Engelschen kreegen voor hunne beweetene mediatie, ook een schoon stuk land in eijgen„ „dom gen=t mattume Deeze vreede was egter van geen langen duur, in 't laatst van 1738. en begin van 1739. begonnen de vijandelijkheeden tusschen parthijen reets op nieuw en de Comp: kreeg van den koning van Canara „ning van 10000. pagoden. voldoening van de manqueerende 10000. pagoden men negotieerde een goede quantiteijt Rijst, en de logie last dog 141. en door de dood van den Canaree„ sen koning hielden de vijande„ lijkheeden tussen dezelve en Co„ lastrij op. oneenigheeden uijt. En de konkelarijen van Co„ duuren. in a:o 1751. kreegen de fransen van Colastrij een bezitting op Ramatalbij. en de Engelsen daar en tegen gevangelijk weg. en verergerden daar door hun„ ne zaaken. logie tot Barssaloor wierd hersteld. Maar vermits de koning van Canara, in„ tusschen overleeden was, zo hadden de begonnene vijandlijkheeden in 't stijk van Colastrij, geen gevolg, dog daar en tegen begonnen, de woel zieke Princen en Hoofden in dit Rijk, hunne oude ge„ dog tusschen de koning en de „ schillen te vernieuwen, zo dat de verwarringen princen van Colastrij barsten en oneenigheeden weder zo groot als bevoorens waaren, 't welk zo bleef voortduuren, tot dat in het laatst van anno 1745. weder een vergelijk on„ „der parthijen getroffen wierd. —. De konkelarijen van Adij Ragia, zo wel als lastrij en adij ragia bleven voort„ van de princen van Collastrij, dan met de Ma„ rattas, dan met de Engelschen, en dan met Fran„ schen bleven nog al voortduuren. Omtrend de Jaaren 1750. en 1751. assisteerden de Franschen te Mahé de princen van Colastrij, tegen de Cannareesen, en verkreegen een bezitting in de Provincie Ramatallij. De Engelschen daar en tegen ondernaamen om voerden de Colastrijse koning twee Princen uijt de Regeeringe te stellen, en een ander daar weder in te plaatzen, dog na dat hun aanslag mislukt was, voerden zij den ouden koning van Collastrij gevanke„ lijk na Jallicharij, 't welk geen klijne op schud„ dinge verwekte. Egter verergerden de omstandigheeden dezer natie zodanig, dat ze genoodzaakt wierden, den gevangen ten : as de ra en 8„: 1719, zoude Adij Ragia en Colastrij weder aan de gang niet tusschen beide was gekomen. in do 1754. sloot de Comp: met Colastrij en Adiragia twee peper Contracten. de Engelsen wierden hier overnijdig. Een schrikken Colastrij af, Contracteeren Egter sloot Colastrij een de Comp: gevangen koning op vrije voeten „te stellen, en eijndelijk vreede te maaken; Anno 1753. scheenen de Princen van Colastrij zijn geraat, indien de Comp: en Adij Hagia, wederom aan den gang te zullen geraaken, dog deze Ruptuur wierd door onze mediatie voorgekomen, en de oude geschil„ len in der minne bijgelegd Vervolgens wierden in anno 1754. twee peper Contracten geslooten als een met de Collastrijse prin„ „cen van 300. en een met Adij Ragia van 200. Candijlen De Engelschen hier over nijdig, zogten de vol doening dezer Contracten te beletten En de franschen bemerkende, dat de toeleg der Engelschen was, om de Princen van Hunne belangens aftescheuren, lieten den Prins Regent uijt het land van Bargare afhaalen, en na zijn Hoff brengen. De Engelschen hier door meer verbittert, dreijg„ om met de Comp: verder te „ de den Collastrijsen Regent met vuur en swaard„ waar door Hlij g'intimideert wierd, om met 'sComp=s bediendens weder een nieuw peper Contract te sluijten. — Egter wierden de zaken, zodanig gedirigeert vast peper Contract met dat de Princen van alle Engagementen met de Engelschen renuncieerden, en een vast peper Con„ „tract in anno 1754. met DE: Comp: maakten waar bij dezelve zig verbonden Jaarlijks te le„ „veren
English
143 12000 Ropias thereon. Colastrij and Adij Ragia have fulfilled those contracts for only a few years. Adij Ragia has caused hindrance therein. deliver 2, 3, 4, to 500 Candijlen of pepper at 83 1/3 ropias, and the Company promised to be of assistance to them, according to the circumstances of the time, with ammunition and such more. And the chief having provided upon this delivery of pepper, the then chief Mr. Weijerman, with a good intention, namely thereby to obtain much pepper, advanced to the princes yearly in advance 12000 ropias after the delivery was completed and the previous advance was settled; although this was not specifically stipulated in that contract, as was specially conditioned in the contract that was concluded with Adij Ragia the year after, or Ao 1755, of which further mention will be made hereafter under the section of that regent. For about three years in succession, these contracts were fulfilled both by the princes and by Adij Ragia, but not long thereafter, Adij Ragia fell in default with the delivery of pepper in reduction of his arrears, and continually schemed with our competitors and, with the help of the English, stirred up dissensions among the princes of Collastrij, indeed even began to play the master in the realm and committed all kinds of wicked acts. The pepper delivery of the Collastrij princes then also ceased entirely, and Adij Ragia's arrogance went so far that he claimed rights that belonged to the princes, and set up a golden finial above his Moorish temple on the Bazaar, expressly to the scorn of the heathen religion. by his provocative conduct toward Colastrij who made war on Adij Ragia, but due to lack of assistance had to retreat. and with the help of [illegible] peace was made again. But Adij Ragia continued to play the master in the Collastrij region. And because he did not respect the mediation of the Honorable Company and also would not remove the said stumbling block, namely the golden finial, the princes of Collastrij with their allies, supported by the English, finally attacked Adij Ragia and besieged him in his Bazaar close to Cannanoor, but before long the lack of money revealed itself among the princes. Their requests for further support, both from the Honorable Company and its allies and the English, were fruitless. The youngest Prince Regent, out of grief over the poor success of his enterprises, departed from his realm to Trevancoor, and requested his uncle to settle the disputes with the Moors as best as possible, and thus peace was offered to Adij Ragia, accepted by him, and tranquility in the realm was so far restored. But Adij Ragia now openly played the master in the realm, and had set aside all fear of the Company and the rulers of the land. 145 whereby the Colastrij prince could deliver none to the Company. And with the arrival of Haider Alij in the Canarese lands, Adij Ragia, with the help of that Nabab, sought to become master of all Colastrij. went to that end to meet the Nabab. the prince of Colastrij was meanwhile restored to the government by the English, and concluded a contract with them, but shortly thereafter the Nabab made himself master of Colastrij. The princes of Collastrij were meanwhile constantly urged to resume the delivery of pepper and to settle their debit, but in vain, as they repeatedly pleaded their inability. And because the Nabab Haider Alijchan in the year 1763 had unexpectedly made himself master of Bidroer, the capital and residential city of Canara, Adij Ragia immediately formed a plan to make himself, with the help of the conqueror, if not master of the realm of Collastrij, then at least to obtain the administration over it as a reward. With this aim he went to meet the Nabab, gave large presents, and received promises of assistance. Meanwhile, the Prince Regent of Colastrij, upon his return from the King of Trevancoor, was brought by an English detachment to his court and restored to the government, and the English obtained an exclusive commerce contract. Yet this was of little use to them, for in the beginning of 1766, the Nabab unexpectedly and virtually without striking a blow made himself master of the Collastrij realm, as the Prince Regent together with the entire royal family
Dutch transcription
143 12000. Ropia daar op. Polastrij en adij Ragia hab„ ben maar eenige Jaaren aan aan die Contracten voldaan. adij Magia heeft daar in hunder toegebragt. veren 2. 3. 4. a 500: Candijlen peper tegens 83: 1/3. ro„ „pias, en de Comp: beloofde hun behulpzaam te zul„ „len zijn, naar tijds gelegentheijd met ammonitien en wesmeer. En het opperhoofd verstrekt op deeze leverantie van Peper, heeft het toen„ „malige opperhoofd DE: Weijerman met een goed oog„ „merk, namentlijk om daar door maar veel Peper magtig te worden, aan de Princen Jaar„ „lijks voor uijt verstrekt 12000: rop=s na dat de levarantie afgeloopen, en de voorige verstrekkin„ „ge verreekent was; schoon zulks juijst bij dat Contract zo niet bedongen was, gelijk bij 't Con„ „tract dat met Adij Ragia 't Jaar daar aan ofte A„o 1755. - geslooten is zulks wel speciaal geconditioneerd wierd, waar van hier na onder 't Hoofddeel van dien Regent nader zal gesprooken worden Een Jaar of drie agter een, is zo wel door de Princen als door Adij Ragia aan deeze Contrac„ „len voldaan, maar niet lange daar na, bleev Alij Ragia ingebreeken met het leveren, van Peper in afkortinge zijner agterstallen, en kon„ „kelde bij Continuatie met onze Competiteuren en verwekte met hulp der Engelschen verdeelt„ „heeden onder de princen van Collastrij, Ja begon zelfs den meester te speelen in 't rijk en pleegde allerhande boose stukken. — De Peper leverantie van de Collastrijse prin„ een i„ „ de on„ door zijn tergend gedrag te„ gens Colastrij die tdlij Ragia den oorlog aandeeden dog door gebrek van assistentie moesten re„ tireeren. en met behulp van fre„ maakt. Maar Adij Ragia bleef den meester speelen in het Collasblijse. „cen hield toen ook ten eenemaal op en Adij Ragias trotsheijd ging zo ver, dat hij geregtig„ heeden invorderde, die de Princen toekwamen, en een Goude knop boven zijn moorse Jempel op de Bazaar Atte, expres, tot versmadinge van de Heijdensen Godsdienst. — En dewijl Hij de mediatie van DE: Comp: niet agtede en ook de gem: steen, des aanstoots namentlijk den gouden knop, niet afneemen wilde, zo vielen eijndelijk de Princen van Collastrij met hunne Bondgenooten, ondersteunt door de Engelse, Adij Ragia op 't lijf en belegerden Hem op zijn Bataar digt bij Cannanoor, maar Eer„ „lang openbaarde zig het gebrek aan geld bij de Prinéen: Hunne verzoeken om verdere onderstand zo wel bij d'E: Comp: als haare Bondgenooten en de Engelschen waaren vrugteloos, De Jongste Prins Regent, week uijt verdriet van cors, weder vreede ge„ over het slegt succes zijner onderneemingen uijt zijn Rijk na Jrevancoor, en verzogt zijnen oom, om de verschillen met de mooren zo goed mogelijk te vereffenen, en dus wierd den vreeden Adij Ragia aangebooden, door Hem g'accepteert, en de rust in het Rlijk in zo verre hersteld Maar Adij Ragia speelde nu opentlijk den meester in 't Rijk, en had alle bedugtinge voor de Comp: en de vorsten van 't land, aan een zijde gesteld. de 145 waar door Colastrijse geen aan de Comp: konde leveren. En met de komste van Hai„ der Alij in 't Canareesen zogt dien sbab meester van gantsch Colastrij te worden. ging ten dien eijnde de Nabab ontmoeten. de prins van Colastrij wierd inlussen door de Engelsen in de de zelve een Contract aar kort daar op maakte de Tabab zigmeester van Co„ „lastrij. De Princen van Collastrij waaren intusschen wel geduurig aangemaand om de leverantie van peper weder voorttezetten, en hun debet te veresse „nen, dog te vergeefs, alzo zij telkens op hun ouver„ mogens excipieerden. En dewijl De Nabab Maider Alijchan anno adij Ragia, met behulp van 1763. zig op het onverwagts had meester gemaakt van Bidroer, de Hoofd en Residentie stad van Ca„ „nara, zo formeerde Adij Ragia al aanstonds een voorneemen, om zig met behulp van de ten Con„ „querant, zo niet meester temaaken van het Rijk van Collastrij, ten minsten tot een belooning de administratie daar over te verkrijgen. Met dit oogmerk ging hij den Nabab ontmoe„ „ten, gaf groote geschenken en kreeg, beloften van assistentie Jntusschen wierd de prins Regent van Colastrij Regeering gestelt / en sloot met bij zijne terug komst van den koning van frevan„ „coor, door een Engelsch detachement aan zijn Hof gebragt en in de Regeering herstelt, en de Engelschen verkreegen een Exclusiev Commercie Contract. —. Dog dit van wijnig niet voor deselve want in 't begin van 1766. maakte de Nabab op het onverwagts en genoegzaam zonder slag of stoot zig meester van het Collastrijse Rijk alzo de Prins Regent benevens de geheele koninglijke familie