Inventory 10312
Malabar · 1,900 pages · 387 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
united here through the commendable way of life. And his Reverence has already brought several over to the Protestant church here, and they thus practice the same religion with us. It is true that this happens because they have no separate church; yet there is something proper in this, since one sees them all united here, to which also contributes much that our Minister Pieter Cornelisz manages himself as much as possible to settle the differences that exist, but only brings them up when it is necessary, and especially that he does not then lash out at those denominations, much less speak disparagingly of them, but treats that subject quite kindly with a Christian tolerance, which however is by no means akin to indifference in that matter. Although his Reverence, when dealing with dogmatic matters and rejecting those that conflict with them, confines himself only to the conflicting opinions as opinions, and not to the persons who embrace them, regarding which latter he always wishes that they might be at one with us in those respects—a way of doing which is indeed edifying and truly Christian, as several are also continually added to our congregation. And his Reverence's labor here is not entirely in vain, but with relation to making proselytes, is as blessed, proportionally at least, as possibly at any place in the Indies. I have seen come over to us here, be baptized, and enjoy the Lord's Supper: two Mennonites, one Syrian, one Roman Catholic, three Jews, four Mohammedans, and two heathens, together 13 individuals, all adult people, and who were of proper years of discretion. Also recently introduced here is the new rhyming of the Psalms and the singing of the Psalms with whole and half notes, but on the other hand, the burying of corpses in the church and in the city has been discontinued by appropriating two distinct burial places outside the city, whereby, and through other domestic precautions, this city, which was otherwise generally stuffy, filthy, and I may well say unhealthy, is now clean everywhere and has fresh air, which must continue to be maintained. Besides a minister, one also has here two readers or comforters of the sick, a sexton, and an organist. The two last-mentioned, along with the church, have been maintained since the year 1765 out of the Diaconate funds, of which, so far as I know, there is no example in the Indies. This was arranged in this manner for the sake of economizing, yet it were to be wished that the church here, as well as at other places, might be maintained by the Company, especially here, where we, in the midst of so many Roman churches which lie all around here just like the villages in the Netherlands, have no more than that one single church; while even the Forts Coilan and Cranganoor have no comforter of the sick, although I have nevertheless taken care that religious services are performed there, regarding which interests I refer to the Malabar Resolution of the 22nd of August, 1771. And I cannot pass over noting here how I have heard the Roman Catholics speak thereof with contempt for us to foreign nations who continually come and go here, besides that the fund for the poor here is so small that it would not even be sufficient to maintain the orphanage and the outdoor poor, if not sometimes some extraordinary charity were shown here to the poor, on which, however, one cannot count, as such is only temporary and accidental. The Church Council of this city consists of a Political Commissioner, always being the secunde or the second person here, the Minister, two elders, and four deacons. And just as I have provided a list of the Roman clergy, so I shall let follow here a list of the Ministers of our Reformed congregation who have been here from the beginning until now, all the more because I have found, upon the collation of the church records here, that Mr. Valentijn in his list of Cochin ministers has several errors, and may not have been well informed in that regard. Dominie Anthonius Scherius, who probably arrived here with Admiral Rijklof van Goens, after the city was captured on the 8th of January 1663, delivered the first sermon here on the 23rd of the same month, and on the 21st of March held a solemn day of thanksgiving for the fortunate conquest of this city, as well as on the 15th of April for the first time the
Dutch transcription
307. door de prijselijke manier van den leevense hier vereenigt. den En zijn Eerw: heeft hier al eenige tot de protestantse kerk overge„ bragt: niten, en reffenen dus met ons den zelvden Gods„ dienst, wel is waar, dat zulks geschied, om dat zij geen afzonderlijke kerk hebben; egter is hier in iets behoorlijks, dewijl men die alle hier als vereenigd ziet, waartoe ook veel Contribueerd, Eerw: predikant Pieter Cornelisz dat onze Predikant Pieter Cornelisz, zig zo veel mogelijk menageerd, om de verschillen die 'er plaats hebben, te bende te brengen, maar dezelve alleen te pas brengd, wanneer het noodzakelijk is, en inzonderheijd dat Hij, als dan niet uijtvaart op die gezindheeden veel min van dezelve veragtelijk spreekt, maar dat artikul regt vriendelijk behandeld met een Christelijke verdraagzaamheijd, die eg„ „ter in 't geheel niet, vweemd na onverschil„ ligheijd in dat stuk, altoe zijn Eerw: de Dog„ malische stukken verhandelende, en de gee ne die daar tegen strijden, verwerpende, zig maar alleen bepaald, tot de strijdende gevoe„ lens, als gevoelens en niet tot de perzoonen die te omhelsen omtrend welke laatste Hij altoos wenscht dat ze in die opzigten met ons mogten eens zijn een wijze van doen, die in der daad stigtelijk en regt Christelijk is, gelijk er dan ook nog al eenige tot onze Ge„ meente toegedaan worden. en zijn Eerw: arbijd alhier niet geheel ijdel, maar met relatie als and maar ren en do 6 met o invoering van de nieuwe be„ zijnde Palmen. afschaffing van het begraven„ der Elijken in de kerk. relatie tot het maken van Proseliten, wel zo gezegend is, als mogelijk op eenige plaats in Jndien, na proportie, ten minsten, ik heb„ „be hier tot ons zien overkomen, doopen en het Nagtmaal des Heeren genieten, twee Mennonisten, een Iuriaan, een Roomsgezinde„ drie Jooden, vier Machomedaanen en twe meij„ „denen, te zamen 13. stuks alle volwasse Lie„ „den, en die hunne behoorlijke jaaren van on„ „derscheid hadden. Ook is hier onlangs de Nieuwe Psalm bereijminge en het zingen der Palmen met heele en halve nooten ingevoerd, dog daar en tegen buijten gebruijk gebragt, het be„ „graaven der Lijken in de kerk en in de stad, door het approprieeren van twee onder„ scheijdene begrafplaatsen buijten de stad, waar door, en door meer andere huijzelijke voor„ zorgen, dese stad, die anders doorgaans be„ „dompt morsig, en ik mag wel zeggen onge„ „zond was, nu overal zijn is, en een frisse lugt heeft, waaraan de hand zal dienen ge„ „houden te worden. Behalven een Predikant, heeft men ook hier twee voorleezers of krankbezoekers, een kos„ „ter en organist, wordende de twee laatst gen: 2 309 im de wille van mienage oord de kerk conen onderhouden. 't geen men wenscht, anders wesen gesinden rondom ons heeft. de fosten Coilan en Cranganoos hebben geen krankbezoekers. waar over de Rooms gezinde met veragting spreeken zeer gering. de koster en een organist door den dia „ gen: nevens de kerk, zederd het Jaar 1765. uijt de Diaconijs kas onderhouden, waar van in Jndie zo veel ik weet geen exempel is, het geen om de wille van de menagie in dier„ „voegen geschikt is, egter was het te wenschen dat de kerk alhier zo wel als op andere plaat„ mogt om dat men hier zo veel roms„ sen, door de Comp: mogt onderhouden worden, inzonderheijd, hier, daar wij in't midden van zo veele Roomse kerken die hier even als de Dorpen in Nederland over al om her leggen, niet meer dan die eene enkelde kark hebben; terwijl zelvs de Forten Coilan en Cranganoor geen krankbezoeker hebben, schoon ik nog gezorgd hebbe, dat daar de Gods„ dienst even wel verrigt word, ten welken belangen mij refireere aan de Mallabaarse Re„ „solutie van den 22. ' Augustus, 1771. en ik kan niet voor bij hier nog aantemerken, hoe ik eens en andermaal door de Rooms gezinden daar over met veragtinge van ons, hebbe hoo„ ren spreeken tegen vreemde Naties die hier bij Continuatie af en aankomen, behalven dat het Fons van den armen alhier, zo ge„ ring is, dat, het zelfs niet toerijkende zoude zijn, om 't weeshuijs en de buijten armen te het fonde der armen hier is onderhouden, indien 'er hier somtijds niet eeni„ „ge buijten gewoone weldadigheijd aan den Armen wel plaats 1 twee g kinde Meij„ Lie„ van on„ m o9 be„ aar ge¬ o ok kos„ heb„ waar uijt de kerken raad hier bestaat. de opgaave van de Heer valen hijn, wegens de Cochimse pre„ dikanten is niet wel geweest. Predikant Anthonius Scheri„ us heeft de eerste predikatie na gedaan. dankdag gehouden. Armen beweezen wierd, waar op egter niet te reekenen is, alzo zulks maar temporeel en toevaellig jis De kerken Raad van dese stad bestaat uijt een Commissaris, Politieus zijnde altoos de secunde, of de tweede perzoon alhier den Predikant, twee ouderlingen en vier Diaconen En zo wel ik een lijste van de Roomse gees „ die sul „telijken opgegeven hebbe, zo zal ik hier een lijst laten volgen, van de Predikanten van onze gereformeerde gemeente „ die hier van 't begin af, tot nu toe geweest zijn, te meer om dat ik„y de Confrontatie der kerkelijken aantee„ keningen alhier bevonden hebbe, dat de Heer valentijn in zijne Lijst der Cochimse pre„ dikanten verscheide abuijsen heeft, en mogelijk daar omtrend niet wel g'informeerd zal zijn geweest. D=s Anthonius Scherius, die waarschij„ het veroveren van Cochim hier, nelijk met den Heer Admiraal Rijklof van Goens hier aangekomen is, heeft; na dat de stad den 8. Januarij 1663: was vero„ „verd, den 23. derzelver maand d'eerste predi„ „katie alhier gedaan, en den 21. maart een solemneele dankdag gehouden, wegens de en daar na een solemneele gelukkige overwinninge van deze stad, mits„ „gaders den 15. April voor de eerste maal name het
English
311. List of the further ministers who have successively served here in Cochin, and at what time the Holy Communion was administered. On 8 January 1664 His Reverence delivered another solemn sermon of thanksgiving for the conquest of this city, which custom is still observed annually to this day, and he departed for Gale in February. Dominie Henricus Wallius arrived here in November 1663 from Colombo and also died here in July 1665. Dominie Philippus Baldaeus arrived here on 28 January 1664 and must have departed again shortly thereafter, as nothing further concerning His Reverence is recorded. Dominies Jacobus Maxwet and Bartholomeus Heijnen arrived here in November 1664 from Batavia, for the service of the churches of Ceylon, and departed from here further to Ceylon in January 1665. Dominie Balthazar Obie de Heter arrived here from Ceylon in February 1665, but His Reverence died in the March following. Dominie Marcus Masius arrived here from Ceylon in the year 1666, but was sent suspended to Batavia in April 1675. Dominie Johannes Casearius arrived here from Ceylon in February 1669 and departed again probably at the beginning of 1677, as his last signature is found in the Church Minute Book of Cochin on 25 December 1676. Dominie Rudolphus Meerland arrived here from Batavia in December 1676 and departed for Ceylon in February 1692. Dominie Gerardus Doude arrived here from Ceylon in the month of February 1692, but having since been appointed Rector of the Seminary there, departed from here in the month of March 1700. Dominie Gosuinus Hupperts arrived here from Batavia in February in the year 1700 and must have departed from here again in April 1705, as his last signature is found in the Church Minute Book of Cochin on 30 March 1705. Dominie Philippus Gooting arrived here in the year 1705 and departed in February 1717. Dominie Cornelius Petrus Schrevelius arrived here in January 1717 and died in May of the same year. Dominie Jacobus Canter Visscher arrived here in December 1717 and departed for Batavia in December 1723. Dominie 313. Continued. Dominie Petrus Paulus van Breen arrived here in November 1723 and departed for Batavia in November 1726. Dominie Valerius Nicolai arrived here in the month of November 1726 and died in April 1736. Dominie Johannes Philippus Wetzelius, Minister at Colombo, arrived here in March 1738 to conduct the Holy Service, and departed again in the month of April of the same year to his station. Dominie Godefridus Johannes Weijerman arrived here from Gale on 22 January 1739 and passed away three months thereafter. Dominie Johannes Scherius arrived here from Batavia in January 1740 and died in August 1746. Dominie Matthias Wermelskircher, Minister at Colombo, came at the request of the Government here in February 1747, and having conducted the Holy Service departed again for Colombo; in February 1748 His Reverence came for the second time and departed again after a short time; and in the month of March 1749 His Reverence came here for the third time and then returned to Colombo after a brief stay. Dominie Hermanus Griesen was called at Batavia in the year 1750 to the Malabar, and departed thither in the same year on the ship Patmos, which was lost at sea with all hands! Dominie Carel Sekilles arrived here from Batavia in March 1752 and departed for Jaffnapatnam at the beginning of 1761. Dominie Pieter Cornelisz arrived here on 3 January 1761 and continues as regular Minister. Dominie Bastiaan Jansz arrived here in April 1763 to learn the Portuguese language, but has since been called to the Portuguese congregation at Batavia, and departed thither in February 1764. The Jews are the oldest of all foreign inhabitants. Their origin and the time when they arrived here lies buried in obscurity; at least, up to the present, no records of any value nor monuments have been found among them that properly demonstrate their arrival and history on this Coast and remove all doubts concerning it. It is possible that the first Jews 315. came here with Solomon's fleet, as Mr. Basnage assumes, or on the occasion of the Assyrian deportation of the ten tribes under Shalmaneser, or the Babylonian captivity of the two tribes under Nebuchadnezzar, as Mr. Hamilton maintains; but one does not have the slightest proofs to make these conjectures probable. On the contrary, according to the general traditions of the Malabar Jews, about 1000 souls are said to have arrived in these regions a few years after the destruction of the Second Temple at Jerusalem; thus, according to this proposition, this must have occurred 70 years after the birth of Christ under Emperor Titus Vespasianus, when Jerusalem underwent a great destruction; or in the year 136, when the said city, by order of Emperor Aelius Hadrianus following a revolt among the Jews against the Roman Government, was entirely demolished and a new city named Aelia Capitolina was built in its place, and the Jews were forbidden under penalty of death to approach this city within two hours distance. Meanwhile, it is known that after the overthrow of the Jewish commonwealth and the destruction of the Levitical worship, this people dispersed throughout the entire East. One finds them in great numbers in Asia Minor, in
Dutch transcription
311. namens der verdere predikanten gewast, en in welke tijd stip. het B: Avondmaal bediend. den 8. Janu„ „arij 1664 deed zijn Eerw: weder een solem„ „neele dank predikatie wegens de verove„ „ring deser stad, welke gewoonte tot heeden toe, nog sjaarlijks onderhouden word, en is in Februarij na Gale vertrokken. D:o Henricus Wallius, kwam hier in No„ gees „ die successive hier op Cochijn zijn „ vember 1663. van Colombo en stier ook hier in Julij 1665: D:s Philipus Baldeus, kwam hier den 28. Januarij 1664. en moet kort daar na weer vertrokken zijn, alzoo verder van zijn Eerw: niets aangeteekend is D: D:os Jacobus Maxwez en Bartholomeus Heijnen, kwamen in November 1664. van Batavia alhier, tot dienst der kerken van Ceilon en zijn in Januarij 1665. van hier verder na Ceilon vertrokken. D:s Balthazar obie de Heter, kwam hier van Ceijlon in februarij 1665. dog zijn Eerw: stiers in Maart daar aan. D:s Marcus Mazius kwam hier van Eei„ lon N„o 1666. dog wierd gesuspendeert naar Batavia gezonden, in April 1675. D:s Johannes Casearius, kwam hier van Ceijlon in februarij 1669: en vertrok weer waarschijnelijk in 't begin van 1677. alzo zij ne lijst: ne laatste handteekening gevonden word in het kerkelijk Acte Boek van Cochim: den 25. December 1676. D:s Rudolphus Meerland, kwam van Batavia alhier in December 1676. en vertrok naar Cuilon in Februarij 1692. D:s Gerardus Doude, kwam hier van Eei„ lon in de maand Februarij 1692. , dog 't ze„ „dert als Hector van het Seminarium aldaar aangesteld zijnde, vertrok van hier in de maand Maart 1700 D:s Gosuines Hupperts, kwam hier van Batavia in februarij A„o 1700 en moet van hier weder vertrokken zijn, in april 1705. alzo zijne laatste handteekeninge gevonden word in het kerkelijk Acte Boek van Cochim 30. Maart 1705. D: Philippus Gooting arriveerde hier in 't Jaar 1705. en vertrok, in februarij 1717. — D:s Cornelius Petrus Schrevelius kwam hier in 't jaar 1705. en vertrok in februarij 1717. D:s Cornelius Petrus Schrevelius kwam hier in Januarij 1717. en Hier in Maij van het zelve Jaar. D' Jacobus Canter Visscher kwam, hier in december 1717. en vertrok naar Batavia in december 1723. Ds 313 vervolg. D:s Petrus Paulus van Breem, kwam hier in November 1723. en vertrok naar Batavia in 9ber: 1726 D:o Walerius Nicolai, kwam hier in de maand, Novb:r 1726. en Hier in April 1736. D:o Johannes Philippus Wetzelius Pre„ „dikant te Colombo, kwam hier in Maart 1738. om den 8: dienst te verrigten, en ver„ trok weder in de maand April van het zelvde Jaar na zijn standplaats. D=s Godefridus Johannes Weijerman arriveerde hier van Gale, den 22. Januarij 1739. en is drie maanden daar na overleeden. D:s Johannes Scherius kwam hier van Batavia in Januarij 1740. en stier in Au„ „gust 1746. — D:o Matthias Wermelskircher Predi„ kant te Colombo, kwam op verzoek van de Regeering alhier in febr: 1747. en den A: dienst verrigt hebbende vertrok weder naar Colombo, jn febr: 1748. kwam zijn Eerw: voor de tweede maal en vertrok na korten tijd weder, en in de maand Maart 1749. kwam zijn Eerw: hier voor de derde maal en keerde toen na een kort verblijf weder naar Colombo D:s Hermanus Griesen is te Batavia in n De Jooden zijn oude inwoonders hier, dog hun oorsprongen komste nog onbekent. moge l 't Jaar 1750: na de mallabaar beroepen, en in sal sche 't selfde Jaar dit heen vertrokken, met het schip Patmos dat op de reijze met man en muis gebleven is! D:o Carel Sekilles kwam van Batavia hier in maart 1752. en vertrok naar Jassa„ „patnam in 't begin van 1761. D:s Pieter Cornelisz kwam hier den 3. Ja„ nuarij 1761. en Continueerd als ordinair Leeraar, „ D:s Bastiaan Jansz: arriveerde hier in april 1763. om de Portugeesche taal aanteleeren, dog 't zederd beroepen in de Portugeese gemeente te Batavia, en is in febr: 1864: derwaards ver„ „trokken. De Jooden, zijn de oudste van alle vreemde Jnwoonders: Hun oorsprong en het lijdstip, wanneer dezelve hier aangekomen zijn legd, in eene duijsterheijd begraven, ten minsten, tot nog toe heeft men geene aante„ keningen van eenige waarde, nog gedenk„ stukken onder sien gevonden die Hunne komste en geschiedenissen ter deser Custe behoorlijk aanwijzen, en alle twijffelin„ „gen, daar omtrend wegneemen. Het is mogelijk, dat de eerste Jooden hier k 315. mogelijkheid dat de sooden met salomons vloot, ook bij de atsiri„ sche wegvoering hier zoude zijn ge„ houwel de mallabaarse Jooden woesting van Jeruzalen hier gekomen zijn. en 't is ook bekend dat na de om„ keeringe van het gemene best der Jooden dit volk door geheel oos„ ten is verspreijt. hier gekomen zijn met salomons vloot, zo als komen dog gaen bewijsen zijn, van de Heer Basnage aanneemt, ook bij geleegent heijd der Assijrische wegvoering der thien stam„ „men onder Salmanasser of der Babelsche ge„ „vankenisse der twee stammen onder Nabucad„ nekar, zo als de Heer Hamilton wild, maar men heeft niet de minste bewijzen om deze Gissingen waarschijnlijk te maaken, Jn het legendeel, zo zouden volgens de algemeene overleeveringen der Mallabaarsche Jooden wijni„ „ge Jaaren na de verwoesting van den Tweede Jempel te Jeruzalem, omtrend 1000. Zielen in„ seijgen dat ze nade tweede ver„deze gewesten aangekomen zijn, dus zoude zulx naar deze stelling moeten voorgevallen C. 5 Titus vespazianus wanneer geruzalem eene groote verweesting onder„ zijn, 70. jaaren na Christus geboorte, onder„ „ging, of in 't Jaar 136: wanneer gem: stad ter ordre van den keijzer Helius Adrianus, na een oproer onder de Joeden tegen de Romeijnsche Regeering, geheel gesloopt en op derzelver plaats eene nieuwe stad gen„t Relia Capitolina ge„ boud en den Jooden op levens straffe verboo„ den wierd deze stad op twee uuren te nade¬ ren: Jntusschen weet men, dat na de om„ keering van het gemeene best der Jooden, en de vernieling van den Livilischen Godsdienst dit volk zig door het geheele oosten verspreijd heeft, Men vind dezelve in menigte in klein Azie in
English
a certain patent that the Jews here have from a Malabar Emperor. where that patent is kept. Asia, in Arabia, in Persia, in Greater Tartary, and in China, even in the Province of Kayapoer. A few miles north of Bombay, live black people who call themselves Israelites, and observe circumcision along with the Sabbath, but no other Jewish customs or laws. I have said that no monuments are found among the Malabar Jews that properly illuminate their history, notwithstanding the content of a certain patent by the famous Emperor of Malabar, Cheroemperoemaal, because the various translations of it somewhat diminish the value and authenticity of these documents. This patent was usually held by the successive elders of this people, or rather by their Mudaliyars, and that in a chest in which the gold and silver ornaments of the synagogue were kept, which chest was furthermore kept in a pandiaal, being a kind of secure place of safekeeping in the manner of a warehouse, in which the most precious goods of the merchants are safest; in such a pandiaal, now, was this patent kept, when in the year 1741 it came into the hands of the merchant Ezechiel when this was translated for the first time. it is thought that Mr. Lacroze took this patent to be one belonging to the St. Thomas Christians. in what manner that patent is written. the antiquity of the same is not doubted, yet the different translations indicate that it is written in a difficult language. Rechiel Rabbi, who was then the first and most prominent among the Jews, and who first made it his work to have this patent translated by linguistically skilled natives into the common Malabar language, after which it was subsequently rendered into the Dutch language; and from this, Mr. Lacroze, undoubtedly through incorrect information, will have recorded that the alleged patent of the St. Thomas Christians was kept for some time in a warehouse and has since been lost, just as I have noted this in its proper place under that article. These copper plates, like the olas of the Malabars, are pierced through without damaging the script, in order to be tied fast with a cord; they are inscribed with engraved characters, which are still found today in the three different dialects of the Malabar tongue, namely in the Telinga, Samskroetam, and Tamil languages. Linguists do not doubt the antiquity and authenticity of this monument, but the translations thereof, which differ greatly from one another, seem to prove that this ancient monument is currently difficult to explain. The following translation is from the aforementioned Jewish merchant various translations of that patent translated by them. Translation that Rechiel had made. merchant Rechiel Rabbi, who was a diligent investigator of everything that concerned his nation; after this I shall present another translation that our second interpreter Barend Deventer provided me with the help of an old and linguistically skilled Malabar, and thereafter I shall add yet a third, which our first interpreter Simon van Jongeren provided me afterwards with the help of a heathen scribe from Calicut, so as not to make the Jews judges in their own cause, and thereby enable the reader to judge for himself in this doubtful matter. The first translation reads as follows: With the help of God who created the world and established kings, whom I honor, we, Craui Wanwara, Emperor of Malabar, in the 36th year of our happy reign in the court of Moydiricotta (otherwise Cranganore), grant this deed of privileges to the Jew Isoep Rabbaan, that he may use the five colors, propagate his faith among the five castes or tribes, fire salutes at all solemnities, ride on elephants and horses, conduct stately processions, make use of the honorific calls, and use torches by day, all kinds of musical instruments, as well as a large parasol, walk on roads spread with white linen, have the stick game played, and sit under a state canopy. These privileges we then give to Isoep Rabbaan and to the seventy-two Jewish families, provided that the rest of his nation shall obey his and his descendants' commands, as long as the sun shines upon the earth. This deed is given in the presence of the kings of Travancore, Tekkencore, Baddekencore, Calicoilan, Aringoot, the Zamorin, Palcatcherij, and Colastri, written by the secretary Calembi Kelapen, in the year 3481 Kalisegam. The second translation differs in essential matters from the first, and would deserve more attention if one could find capable Malabars who could confirm the credibility thereof, but the trouble I have taken to find such persons has hitherto been in vain; the aforementioned second translation reads as follows: In
Dutch transcription
zeeker patent dat de Jooden keijker. waar dat patent stels is geborgen Azie, in Arabie in Persie, in de groote Carta„ „rij en in China, zelvs in het Landschap Kaja„ „poer. Eenige mijlen benoorden Bombaij, woonen swarte die zig Iraeliten noemen, en de be„ snijdenisse nevens den Tabatk, dog gene andere Joodsche gebruijken, nog wetten onderhouden Jk hebbe gezegd, dat 'er geene gedenk stukken onder de Mallabaarsche Jooden gevonden wor„ „den, die derzelver geschiedenis behoorlijk op„ „helderen, niet tegenstaande den inhoud van hier hebben van een mallabaars zeeker Patent door den bekenden keijzer van de Mallabaar Cheroemperoemaal, om dat de onderscheidene vertaalingen van dezelve eenigzints de waarde op de egtheijd dier stukken verminderd. Tit Patent was doorgaans berustende onder de successive oudsten deeses volks, of eijgent„ lijk onder hunne Modliaaren, en dat wel in een kist waar in de Goude en zilvere orne„ „menten der sinagoge wierden geborgen, wel„ ke kist boven dien zelvs bewaard wierd in een pandiaal, zijnde een zoort van secuure bewaar plaats bij wijze van een pakhuijs waar in de kostbaarste goederen der kooplie„ „den het veijligst zijn, in zo een pandiaal nu, wat dit patent bewaard, toen het in't Jaar 1741. quam in handen van den koopman Ezechier niet ver en 317 wanneer deze voor 't eerste maal is vertaalt men denkt dat de Heer Lacrose dit patent zal hebben aange„ Christenen. op wat wijse dat patent is geschreeven. aan de oudheit van het zelve word niet ongetwijffelt dog de verschillende „versettingen wijst aan dat het in„ en moeielijk taal geschreven is. Rechiel Rabbij, die toen de Eerste en aanzienlijkste onder de Jooden was, en het eerste zijn werk gemaakt heeft, om dit patent door taalkundiege inlanders in de gemeene Mallabaarse taal te laten overzetten naar uijt dezelve vervolgens in de Nederlandse taal overgebragt is en hier van daar zal de Heer Lacrose ongetwijffeld door verkierde onderrigtinge geboekt heb„ merkt als een van de s„t Jkomos ben, dat het vermeende Palent der S„t Thomas Chris„ tenen eenigen tijd in een Pakhuijs bewaard en 't zedert te zoek geraakt is, gelijk ik zulx ter zijner plaats onder dat artikul genoteerd hebbe. Deze kopere platen, zijn gelijk de olassen der Mallabaaren zonder het schrift te bescha„ digen, doorboort, om met een Coorde vast gebonden te worden, zij zijn beschreven met gegraveerde Caracters, die nog heden - daags in de drie Diverse Dialicten der Mallabaar„ se spraak, namelijk in de Julingische, sams crudomsche, en samulsche taal gevonden wor„ den: De Jaalkundige twijffelen niet aan de oudheijd, en egtheid van dit Monument maar de zeer van elkander verschillende vertaalingen daar van schijnen te bewij zen, dat dit oude gedenk stuk tegenwoor„ „dig moeijelijk te verklaaren is. De volgende vertaaling is van voorschreven Joodskoop„ „man verscheide oversettingen van dat „teert. Translatie die Rechiel heeft laten doen. „man Rechiel Rabbij die een naarsti„ „ge onderzoeker was van alles wat zijn „Natie aanging, op dese zal ik laten volgen patent door dierch getransla„ eene andere overzettinge die onze twee„ „de Jolk Barend Deventer mij door behulp van een oud en taalkundig Mallabaar, be„ „zorgd heeft, en daar na zal ik 'er nog een derde bijvoegen, dewelke onze Eerste Tolk Simon van Jongeren mij daar na bezorgd heeft, door behulp van een Heijdens Schrift, geleerde van Calicoet om dus de Jooden in haare eijgene zaak niet tot Regters te stellen en daar door den zeeker in staat stellen in deze twijffelagtige zaak zelve te oordee„ len. De eerste vertaalinge luijd aldus. Met Gods hulpe die de wereld geschapen heeft, en de koningen aangesteld, welken „ ik eere wij Craui wanwara keijzer van de Mallabaar in het 36: Jaar van onze ge„ „lukkige Regeering in 't Hof Moijdiricotta /:anders Cranganoor:/ verleenen deze Acte „ van voorregten, aan den Jood Isoep Ra„ „baan, dat Hij mag gebruijken de vijf Cou„ „leuren, zijn geloof voortplanten onder de vijf Casten of geslagten op alle plegtighee„ „den eere- schooten doen, op Elefanten en paarden rijden, statelijke ommegangen doen 319 doen, zig van de eere uijtroepen bedienen en over dag Takkels, allerlij muzikalische Jnstrumenten als meede een groote kie„ „persool gebruijken, op de weegen met wit linnen bespreijd, wandelen, het stok speel laten speelen, en onder een staticus behangzel zitten, Deze voorregten geeven wij dan soep Rabbaan en aan de twe en seventig Joodsche Huijsgezinnen, mits dat de eve„ „rige van zijne Natie, zijne en zijner „ Nazaten beveelen zullen moeten gehoor„ „samen, zo lang de zon den aardbodem beschijnt Dese Acte is gegeeven ter prezen„ „tie van de koningen van Jruancoor, Jek„ „kencoer, Baddekenkoer, Calicoilan, Aringoot Sammorijn, Palcatcherij en Colastrij geschreven door den secretaris Calembi kelapen anno 3481. kalisegam. De tweede vertaling verschilt in zakelijke stukken van de Eerste, en zoude meer oplettentheijd verdienen, wanneer men on„ tijdige Mallabaaren konde vinden, die de geloofwaardigheijd derzelven konden bekrag„ „tigen, dog de moeijte die ik genomen hebbe om diergelijke perzoonen uijttevinden is tot nog toe te vergeefs geweest gem: tweede ver„ laalinge luijd aldus In sti„
English
In the quiet and happy time of our reign, we, Eravi Wanwara, successor to the sceptres that for many hundred thousand years have ruled in right and justice, whose glorious footsteps we follow, now in the second year of our reign, being the 36th year of our residence in the city of Moydiricotta, grant by these presents, upon the obtained good testimony of the great experience of Joseph Rabaan, that he shall be permitted to wear long garments of five colours, use carriages with their accessories, and all kinds of noble fans. He shall have precedence before the 5 castes, burn daytime lamps, walk upon spread linen, make use of palanquins, parasols, sunshades, large curved trumpets, drums, a staff, and covered seats. We give him authority over the 72 families, with their temples to be found both here and elsewhere, with the renunciation of all dues and taxes upon both houses; he shall be permitted to enjoy housing and hearth everywhere; all of which liberties and prerogatives having been declared by this patent, we grant to Joseph Rabaan, head of the five castes, and to his heirs, sons, daughters, grandchildren, sons-in-law obtained through the daughters, along with their successors, as long as the sun and moon shall shine, granting also all power over the five castes, as long as the names of their descendants endure. Witnesses hereto are the head of the land of Wenaddo, named Comaraten Mataandden; the head of the land of Wenaa-odea, named Codei Cherilanden; the head of the land of Eraala, named Maana Bepaalamaan; the head of the land of Walonaddo, named Irawaren Chaten; the head of the land of Neddoualoer, named Codei Iraui; as well as the first of the lesser governors of the part of Coesapaddie Paawagen, being the heir of Moerkom Chaten, named Kelokanden; written by the secretary named Gunawendde Wanaasen Naijer Kisapa Kelapa; signed by the Emperor. The third translation reads as follows. In the name of the Most High God, who created the entire world according to His pleasure, and upholds right and justice, I, Erwi Barmen, lift up my hands in thanks to His Majesty for the grace and blessing granted over my reign and cities. In the thirty-sixth year of my governance, being at Cranganore in the fort Meericotta, I have, for good reasons, granted to my Minister Joseph Rabaan the following privileges: that he shall be permitted to wear five-coloured fabrics, long coats, hang certain cloths upon his shoulders, make a shout in unison, use drums and javelins, light lights by day, spread cloths upon the road, use palanquins, umbrellas, trumpet, drum torches, burning torches, and sit under a canopy; and to act as Head over all other Jews to the number of seventy-two houses, who likewise shall be required to pay the tolls and the country's dues, wherever they may be situated in the Kingdom. These privileges I give to Joseph Rabaan and his descendants, whether male or female, as long as any of them remains in the world, and the sun and moon shine upon the earth; wherefore, for an everlasting remembrance, I have caused the same to be written upon a copper plate. As witnesses, the kings of Trevancoor, Berkenkoer, Samorijn, Arangolla, Palcatcherij, Collastrij, and Corambenaddo; written by the secretary Kellapens. The aforesaid copper plate is written in the ancient broken northern Tamil language, but with types of characters such as Sanskrit and Tamil, and is now read and translated by a heathen scholar named Calloetil Attja, a native of Calicut, who fled from there due to the war and currently resides in the upper country. When one compares these three translations with different renderings to one another, one will see in the first place that in the first one these privileges are granted to the Jew Joseph Rabaan, and to the 72 Jewish families, whereas in the second not a trace of the word Jewish is found, and in the third Joseph Rabaan is also not called a Jew, but indeed the King's Minister, although he can nevertheless be considered a Jew from the remainder of that translation, because he is thereby appointed as Head over all other Jews to the number of 72 houses; it is also certain that the name Rabaan does not belong exclusively to the Jews. Furthermore, the first and last translations grant the aforementioned privileges not only to Joseph Rabaan, but also
Dutch transcription
Jn de rustige en gelukkige tijd onzer Ra„ „geering wij Eravi wanwara, navolger van de scepters die voor veele honderd duijsend Jaaren in regt en geregtigheijd ge „regeerd hebben, wier roemrijke voetstappen wij navolgen, tans in het tweede Jaar van onze regeering zijnde het 36=te Jaar onzer Residentie in de stad Moij diricot„ „ta; vergunnen bij dezen op d'erlangde goede getuigenis der groote ervarendheijd van Joseph Rabaan, dat deselve zal mogen „dragen, lange kleederen van vijf Coleuren Rijtuijgen met derselver toebehooren, en alle zoorten van adelijke waijers gebruij„ ken Hij zal den rang voor de 5. geslagten hebben, dag lampen branden, op gespreid lin„ „ „„nen wandelen, zig van Palenkiens, Paij „ens zonne schermen „ groote geboogde trom„ „petten, trommels, staf in overdekte zitplaatsen, bedienen wij geeven hem „ „ het gezag over de 72. familien met „ derzelver timpels zo hier als elders te „ vinden, onder afstand van alle geregtig„ „ heeden op belastings op de Beijde huij„ „„zen, hij zal over al huijsvesting en haard mogen gebruijken, alle welke vrijheeden en „ prerogativen bij dit patent verklaart hebbende 321 r Simon van Jongeren overgeset. hebbende, verleenen wij aan Joseph Rabaan „ hoofd van de vijf geslagten, en aan desselfs Erf„ „genamen, zoons, Dogters, kinds - kinde„ „ren, door de Dogters verkreegene schoon zoons met hunne opvolgers zo lang zou en maan schijnen, gevende ook alle magt over de vijf geslagten, zo lang de namen hunne na„ „komelingen duuren, getuijgen hier van zijn het hoofd van het land Wenaddo genaamd Comaraten Mataandden, het Hoofd van het . land wenaa- odea genaamd Codei Cheri„ „landen, Het Hoofd van het land Eraa„ „la genaamd Maana Bepaalamaan het Hoofd van het land Walonaddo gen=d frawaren Chaten, het hoofd van het land Neddoualoer, genaamd Codei fraui, mits„ „gaders de eerste der mindere land Re„ „geerten van 't gedeelte van Coesapaddie Paawagen, zijnde de erfgenaam van Moerkom Chaten genaamd kelokanden ge„ schreven bij den secretaris genaamd Guna„ „wendde wanaasen Naijer kisapa kela„ „pa getekend bij den keijzer De derde vertaalinge luijd als Volgd. In de naam des Allerhoogsten God, die de geheele wereld naar zijn welbehagen geschapen heeft, en het regt, en de ge„ „regtigheijd handhaaft heffe ik Erwij Bar„ men „men, mijne handen op in danke zijne Ma„ jesteijd voor de genade en zegen verleend over mijne regeering en steeden in het ses „. en dertigste Jaar van mijn bestier op Cran„ „ganoor in het fort Meericotta wezende, „ heb ik om goede redenen aan mijn Mi„ nister Joseph Rabaan de volgende voor „regten vergunt, dat Hij zal mogen dra„ „gen vijf gecolleurde stoffen, lange rokken, op de schouders zekere doeken hangen, „ met elkander een geluid uijtroepen, Crom„ mels en Jabilijntjes gebruijken, des daags ligten opsteeken, op de weg doeken sprijden pallekijns sommereels, trompet, Trom Joortsen, brandende fakkels gebruijken en onder een Croon zitten, en als Hoofd over alle andere fooden ten getalle van twee en wentig huijzen, ageeren die item de Thols en slands geregtigheijd zullen moe„ „ten opbrengen, waar zij ook in het Rijk moogen gezeeten zijn, deze voorregten geeve ik aan Joseph Rabaan, en zijne nakomelingen, 't zij mans of vrouwen zo lang er iemand van in de wereld is, en de zon en Maan het aardrijk beschijnen waarom ik tot een Eeuwige gedagtenisse deselve op een kopere plaat heb laten schrijven, Als getuijgen de koningen van „ „ Trevancoor 323 aanmerking omtrent de 3. Trevancoor, Berkenkoer, Sammorijn, Aran, „golla, Palcatcherij, Collastrij, en Coram „benaddo, geschreeven bij den secretaris kellapens, woorm: kopere plaat is geschre„ „ven in de oude gebrookene noorder samoelse Jaal, dog met zoorten van Caracters, als samskredams, en Jamoels, en tans gelee„ „zen en vertaald door een Heidens, schrift„ „geleerde genaamt Calloetil Attja geboor„ „tig van Calicoet die met den oorlog van daar gevlugt, en zig tans in de boven lan„ „den ophoud. Wanneer men deze drie vertaalinge met varschillende overzettingen elkander vergelijkt, zo zal men ten eersten zien dat in de eerste deze voorregten ver„ leend worden aan den Jood Joseph Ra„ „ban, en aan de 72. Joedsche huijsgezinnen ter„ wijl in de tweede geen spoor van 't woord Joods gevonden, en Joseph Rabaan in het derde ook geen Jood maar wel 's konings Minister ge„ „noemd word, schoon Hij egter uijt het vervolg van die vertalinge als een Jood kan aangemerkt worden, om dat Hij daar bij aangesteld word als Hoofd over alle andere Jooden ten getalle van 72. huizen ook is het zeker, dat de naam Ra„ baan niet uitsluitender wijze de Jooden toe„ voorts verleent/ komt, de eerste en laatste vertaalinge gem: voorregten niet alleen aan Joseph Rabaan maar tevens 1
English
to have more grounds established, one finds no one here, as well as to the 72 Jewish families, whereas according to the second translation they were given only to Joseph Rabaan and his family and descendants. Just as little does the second translation know of the granted freedom and the permission to propagate the Jewish faith among the five castes. It is thus manifest that these three translations do not agree, yet that the first and third agree more with each other than with the second, so that therefore the first and the last deserve somewhat more credence than the second, which stands entirely on its own, but that this nevertheless does not prove what it properly ought to prove; and since I am unacquainted with the Malabar language, I prefer to suspend my judgment thereon, as up to now I have been unable to find anyone among the Malabars and Canarins, nor among the linguist priests and natives, who was skilled enough to translate this ancient script for a fourth time in order to obtain a fourth translation, although I have sent a copy of these characters north and south of Cochin to have the same deciphered. The witnesses who were present at the granting of this patent also do not agree; nevertheless, the first and third translations seem in this Remark to be made regarding the witnesses mentioned in that patent. also to agree more with each other than with the second. But the difference of the second translation consists in this, that in it not the personal names of the witnesses, but only their offices or dignities in which they were known at that time, are stated, whereas the error in the first and third translations consists in this, that the witnesses are there called kings, and that of those places as the same, namely of those writings, as they were called some time thereafter and subsequently upon the change of circumstances, and are still called to this day, whereas the second translation merely calls them heads of the lands as they were known at the time of the emperor, in which time those heads were not yet kings, since those heads only bore the title of kings and princes after the well-known partition of the Malabar Empire into various lesser kingdoms and principalities, although the head of the land of Cochin is not expressed by that name in the first and third translations, though the kingdom of Cochin is otherwise in fact one of the 4 principal kingdoms granted therein seem presently to have no relation to them. of the Malabar; which elucidation I add here so that one might not wonder how in that patent subordinate heads of lands and districts of the Malabar Empire can be called kings, since the empire not yet being partitioned then, there were thus not yet any kings, so that this seems to be a liberty which the translators of the first and third translations have arrogated to themselves, and is pointed out by the second translation. The remaining passages of this document, especially the authority over the five castes, must be explained from the antiquities, members, and customs of the Malabars, and the privileges to the Jews do not come into consideration here, whether this document was effectively granted to the Jews or not. Yet it is certain that no Jew ever had extensive power over his coreligionists, much less over the so-called 5 castes; nor were the goods of the Jews ever completely tax-free, although the kings under whom they stood generally appointed heads over the Jews of their own nation under the name of Mudaliars, who had no other authority than to settle small civil disputes Yet regarding the firing of 3 honorary shots at daybreak on wedding days, it deserves remark. It is something that no one other than kings may do, and it is not forbidden to them. to settle and to impose petty monetary fines. Nevertheless, there is a particularity that partly deserves remark, namely that although some privileges are indeed granted in this patent which are also granted to other lineages, yet the firing of three honorary shots at the break of day, or during the wedding days of someone who enters into marriage, is permitted to no one without prior request and special permission, as something that the kings of Cochin have reserved to themselves alone up to this time; however, it is permanently permitted to the Jews up to the present, while the Jews still do this and it is permitted without prior request; and it is well known that the native princes do not easily let another share in external distinctions which they reserve to themselves alone, so that if the Jews had arrogated this privilege to themselves without high authority, the kings of Cochin would prevent this nation, whose neighborhood or dwelling place lies even next to the Cochin Palace, from doing so, but now do not dare to prevent it; which particularity therefore pleads not a little for the authority of the aforesaid patent in favor of the Jews.
Dutch transcription
meerder grond te laten maken vind men hier niemand tevens aan de 72. Joodsche familien, terwijl dezelve naar de tweede vertaaling alleen aan Joseph Ka„ baan en zijne familie en nakomelingen gegeven zijn. Even zo weinig weet de tweede vertaling, van de verleende vrijheijd, en de vergunning om het Joodsche geloove voortte„ „planten onder de vijf kasten, Het is dus openbaar, dat deze drie vertalingen niet accordeeren, dat egter de eerste en derde niet elkanderen meer accordeeren, als met de twee„ „de dat derhalven de eerste in laatste eenig geloof meer verdienen als de tweede die maar alleen op zig zelvs staat, dog dat dit daarom nog niet bewijsd, wat het eijgendlijken bewijzen moest, en dewijl ik de Mallabaarse taal onkun„ „dig ben, zo wil ik liever mijn oordeel daar over opschorten dewijl ik tot nog toe, nog onder om een vierde overzetting met de mallabaaren en Cannarijns, zo meede on„ „dor de Jaalkundige priesters en Jnlanders nie„ „mand hebbe kunnen vinden, die kundig genoeg was, dit oude schrift voor de vierde maal te vertalen, schoon ik een afschrift van deze ka„ „racters, noord en zuijdwaarts van Cochimge„ „zonden hebbe om de zelve te laten onteijsseren De getuijgen die bij het verleenen van dit palend geweest zijn accordeeren ook niet egter schijnd de eerste en derde vertaalinge hier in 325 remarque diese maaken is om trent de getuigens bij dat patent vermelt. in ook meer met elkander als met de twee de te accordeeren: dog het verschil van de tweede vertaalinge bestaat hier in dat daar bij niet de perkoneele naamen der getuijgen maar alleen hunne bedieningen of waar„ digheeden, waar in ze te dier tijd waaren bekend gesteld zijn, terwijl defout in de eerste en derde vertaalinge hier in bestaat dat de getuijgen daar koningen genoemd worden, en dat wel van die plaatzen, zo als dezelve ins dat n4l van die schritter, zo alk nawalie eenigen tijd daar na en vervol„ „gens bij veranderinge van omstandigheeden zederd genoemd zijn, en tot als nog genoemd worden terwijl de tweede vertaalinge Hun maar moofden noemd van de Landen zo als ze ten tijde van den keijzer bekend waaren, in welken tijd die Hoofden nog gee„ „ne koningen waaren, alzo die Hoofden maar eerst na de bekende verdeelinge van het Hal„ kijzer „labaarse ^ rijken en verscheijde mindere rijken en vorstendommen den titel van koningen en vorsten gevoerd hebben, alhoewel het Hoofd van het Land van Cochim bij de eerste en derde vertaalingen niet met dien naam uijtgedrukt word, schoon het rijk van Co„ „chim anders in der daad een van de 4. Hoofd rijken bij vergunt schijnen thans geen be trekking op hen te hebben. rijken van de Mallabaar is, welke eluci„ datie ik hier bijvoege op dat men zig niet zoude verwonderen, hoe bij dat patend on„ der geschikte Hoofden van Landen en dis„ „tricten van het Mallabaarse keijzer rijk koningen genoemd kunnen worden, daar het keijzer rijk toen nog niet verdeeld zijn„ „de, er dus nog geen koningen waaren, zo dat dit een vrijheijd schijnd te zijn, die de vertaalers van de eerste en derde vertalinger ^ zig aangematigd hebben, en door de tweede vertalinge aangeweezen word. De overige plaatzen van deze acte, voor„ „namentlijk het gezag over de vijf kasten moe„ „ten uijt de oudheeden, Leeden en gebruijken der de prieligis aan de sooden daar Mallabaaren verklaart worden, en komen hets hier niet in aanmerking het zij dat de„ be ze acte effectiev aan de Gooden verleent is of niet zo is het egter zeker, dat nooijt een Jood over zijne geloovs genooten, veel min„ „der over de zo genaamde 5. kasten eene uijt„ „gestrekte magt gehad heeft, ook zijn de goe„ „deren der Jooden nooijt tot vrij geweest, hoe wel de koningen, waar onder zij stonden doorgaans hoofden over de Jooden van hun„ „ne eijge landaart aangesteld hebben, onder den naam van Modiliaars, die geen ander gezag hadden, als kleine Civile geschillen aftedoen 327 dog omtrent het doen van 3. le„ de schooten bij het aanbreeken van den dag op de trouwdagen„ verdiend aanmerking. hets is, dat niemand anders als koningen doen mag, en hen niet belett word. aftedoen en geringe geld boetens opteleggen Egter is er een bijzonderheijd, die ten dee„ ten aanmerkinge verdiend, namentlijk dat schoon bij dit patent wel eenige voor„ regten vergund zijn, die aan andere geslag„ len ook vergund zijn, egter aan niemand het doen van drie eere schooten bij het aan„ „breeken van den dag of ook wel onder de trouw dagen van iemand, die in Huwe„ lijk treed gepermitteerd word, zonder voor afgegaan verzoek en speciaale permissie als iets dat de koningen van Cochim tot op dezen tijd toe aan zig alleen behouden, even wel aan den Jooden tot nog toe permanent wijl de sooden, zulx nog doen en en zonder voor afgegaan verzoek, toegestaan word, en het is bekend dat de Jnlandse vor„ sten niet ligtelijk een ander laaten deelen in uijtterlijkheeden, die te aan zig alleen behouden, zo dat indien de Jooden zig dit voorregt zonder hooge authoriteijd mogten aangemaatigd hadden, de koningen van Cochim zulx deze Natie welker buurt of woonplaats zelvs naast aan het Cochim„ se Paleijs legd, zulx zouden beletten, maar nu niet beletten durven, welke bij zonderheid derhalven niet wijnig pleijt voor het gezag van voorschreeve patent in faveur der soo„ den linger moe¬ de„ een „
English
one finds not the slightest proof belonged to, and they had a king. how the contention has taken place. as it is known that all the laws and made arrangements of the Malabar emperors are held in the highest esteem by the Malabar princes to this day. It was also formerly believed that the Jews here in earlier times had the kingdom of Cranganore in ownership and even had a king over them, but of this not the slightest traces are to be found; indeed, since the Republic of the Jews was destroyed and the lawgiving power departed from them, it is not known that the same ever returned to them, however many times the Jews may have striven for it, just as having formerly enjoyed so much prestige in the Cranganore Empire, they may perhaps have attempted to gain power over that Empire then, but I would much sooner believe that the contention, namely that they once possessed the Cranganore empire, was derived from something similar found in the antiquities of the Saint Thomas Christians, namely that these also once desired a king and also obtained one, just as another anecdote about from which countries all the Jews sorting here are. of what people the black Jews are. anecdote of the privilege of the Jews is also mixed with a supposed privilege of the Saint Thomas Christians, both of which have been shown above and under the article on the Saint Thomas Christians. One must distinguish the Jews on this Coast into white and black; among the first are also some foreigners who came here from Cura, the Turkish Asiatic Provinces, Arabia, and Persia, and allied themselves by marriage with the original Jewish inhabitants, such as the well-known family of the late Company's merchant Ezechiel Rabbi, descended from the Jew Ezechiel Rabbi who arrived here from Haleb in Syria anno 1646. But as for the blacks, whose colour corresponds well enough with that of the Malabar low castes, one can hardly derive them otherwise than from the proselytes whom the Jews accepted both from the free Malabars and from their emancipated slaves; however, one does not wish to deny entirely that many arose through intermixture with the Indians, although where the first Jews arriving here settled. vexations inflicted upon them by the Portuguese. whereby they were forced to seek the protection of the king of Cochin. although the colour of a child sprung from a white father and a black Malabar mother differs considerably through a series of generations from the actual black Indians; also, the number of black Jews is much greater than that of the whites. After the first Jews had arrived here, they settled at Cranganore, Palur, Madai, and Paluttu, but primarily at Cranganore, the place of residence of the Malabar supreme princes, which city was formerly called Moydiricotta, also Mahoderepattanam and Chingali; and they always found protection and an easy livelihood under the Malabar princes, until the arrival of the Portuguese on this coast. This Nation, being no friend to Jews, forced many of them through contemptuous treatment and arbitrary taxes, but primarily through their intolerance in matters of religion, to leave Cranganore and to implore the protection of the Cochin king, who assigned them a piece of land at Cochin de Sima next to or near his palace, where they built their synagogues and houses and still live to this day, as well as set apart a separate burial ground a little outside their neighbourhood. yet they were not entirely free. which with the arrival of the Company's forces here, having rendered service. for which they had to feel the Portuguese revenge. But here too they were so restricted and oppressed in their trade by the Portuguese from Cochin that by the year 1663 most families were living in a destitute state. This is the time of the arrival of the Dutch on this coast. When the Lord van Goens besieged Cochin, the Jews were very ready to provide the troops of the Dutch Company with provisions and all other assistance that depended on them, in the hope that under this Company they would enjoy the greatest civil and religious freedom. But after the said troops were forced, before the end of the good monsoon, to leave this coast without being able to conquer Cochin, the Portuguese did not fail to make the Jews feel the terrible effect of their vengefulness, for immediately after the departure of the Dutch they sent a detachment of soldiers to the Jewish quarter, who plundered it and set it on fire, while the inhabitants retreated to the highlands, and only after
Dutch transcription
men vind geen het minste bewijs heeft toebehoord, en ze een koning gehad hebben. hoedanig de sustenie heeft plaats gevonden. „zen, als bekend zijnde, dat alle de wetten, en gemaakte schikkingen van de Malla„ baarse keijzers bij de Mallabaarse vorsten, tot op dezen dag toe, in de uijtterste waarde gehouden worden. Men heeft ook wel eer gemeend, dat de dat Eranganoor ooit de Jooden Jooden hier in vroeger tijden het koningrijk van Cranganoos, in eijgendom en zelfs een koning over Hun zouden gehad hebben, dog hier van zijn geen de minste voetspooren te vinden, trouwens het zedert de Repu„ „blicq der Jooden verwoest en de wet gevende magt van Haar geweeken is, zo is het niet bekend dat dezelve weder aan Haar geko„ „men is hoe menigmaal de Jooden 'er ook nagestaan hebben, gelijk zij daarom wel eer in 't Cranganoorse Rijk zo veel aan„ „zien gehad hebbende mogelijk toen ook wel zullen getragt hebben, dat Rijk magtig te worden, dog ik zou veel eer gelooven, dat de sustenue, namentlijk datze het Cran„ „ganoorse rijk eens zouden bezeten hebben, afgetijd zal zijn van iets diergelijks dat „men bij de oudheden van de S=t Thomas Christenen vind, namentlijk dat deeze ook eens een koning begeerd, en ook er„ „langs zouden hebben, gelijk een andere annecdoote van 329 van welke landen al sogden hier sorteeren. van wat velk swarte Jooden zijn. anneedoote van de privelegie der Jooden met een vermeende privelegie der S„t Tho„ mas Christenen, ook vermengt is, welk een en ander hier boven en onder het ar„ ticul der S„t Thomas Christenen aange „toond is. Men moet de Jooden ter dezer Custe on„ zijn, die onder de blanke Jooden derscheijden in blanke en zwarte, onder de eerste, zijn ook eenige vreemdelingen, die uijt Cura, de Jurksche, Aziatische, Provien„ ties, Arabie en Persie hier gekomen, zig „ met de oorspronkelijke Joodsche Jnwoonders door Huwelijken vermaagtschapt hebben gelijk de bekende Familie van den over„ „leeden Compenies koopman Ezechiel Rab„ bij afkomstig van den Jood, Exechiel Rab„ „bij die anno 1646. van Haleb in Sijrie hier aankwam; Maar wat de zwarten betreft welker Couleur genoegzaam met die der Mallabaarsche laage kasten over eenkomt zo kan men dezelve niet wel anders als van de Joode genooten afleijden, die de Jooden zo wel uijt de vrije Mallabaaren als uijt hunne vrijgegeven slaven aanna„ „men, egter wild men niet volstrekt ont„ „kennen, dat 'er veele door vermenging met de Jndiaanen voortgekomen zijn, hoewel en waar de eerste Jooden hier ko„ t veraties, hen door de Portugeezen aangedaan. waar door genoodsaakt zijn geweest de preesie van de ko„ ning van Cochim te zoeken. hoewel de Ceuleur van een kind uijt een blan„ „ke vader en zwarte Mallabaarse Moeder gesprooten, merkelijk door een reeks van Zeelingen; van d' eijgendlijke zwarte Jndiaa„ „nen verschilt: ook is het getal der zwarte Jooden veel grooter als van de blanken. Na dat de eerste fooden hier aangekomen mende zig wedergezet hebben. waaren, hebben zij zig op Eranganoor, Paloer, Madaij en Paloettoe nedergezet, dog voorna„ „melijk op Cranganoor de Residentie plaats der Mallabaarsche oppervorsten, welke stad eertijds Moijdiricotta ook Mahodere patta„ „nam en Chingali genoemd is; en altoos on„ „der de Mallabaarsche vorsten protectie en een gemakkelijk middel van bestaan hebben gevonden, tot de aankomst der Portugeezen xter dezer kuste Deze Natie, geen Jooden vrund zijnde, heeft veele derzelve door eene veragtelijke behandeling en willekeurige be„ „lastingen, dog voornamelijk door haare on„ sen voe verdraagzaamheijd in het stuk van den Gods„ dienst, genoodzaakt Crançanoor te verlaaten en de protectie van den Cochimsen koning te imploreeren die sen op Cochim de Sima naast of bij zijn sallijs, een stuk Land aanwees alwaar te hunne sijnagogen en huijzen bouwden en tot dezen dag nog woonen, zo meede een apparte b 331 dog egter niet ten eenemaal vrij zijn geweest. mat de komste van s Comp:s beweesen. waar over ze, van de portugee„ voelen. apparte begraafplaats en wijnig buijten hunne buurt, afzonderden. Maar ook hier wierden zij door de Tortugee„ „zen uijt Cochim zodanig in haaren Handel bepaalt en gedrukt, dat de meeste Families tegen het Jaar 1663: in eenen zoberen staat leeden; Dit is het lijdstip van de aankomst der Nederlanders ter dezer kuste. Joen, de Heer van Goens Cochim beleegen magt hier, hebbende veldienst, de waaren de Jooden zeer gereed, aan de Trou„ „pen der Nederlandsche Comp: mond voorraad en alle andere assistentie, die van hen afhanke„ lijk was, te bezorgen, in hoop, dat ze onder deze Maatschappij de meeste burgerlijke en Godsdien„ „stige vrijheijd zoude genieten, Maar na dat gem: troupen genoodzaakt waaren, voort eijn„ de der goede mousson, deze kust te verlaten zonder Cochim te kunnen veroveren zijn, de sen wraak hebben moetinge orlugeezen, niet in gebreeke gebleeven, de soo„ „den de schrikkelijk te uijtwerking van Hunne wraaktugt te doen gevoelen, want zij zon„ den aanstonds na het aftrek der Neder„ landers een Detachement zoldaaten naar de Joodse buurt die dezelve plunderden, en in den brand staken, terwijl de jnwoonders zig na de hooge Landen retireerden, en eerst na
English
A copy of the Sefer Torah, although one can hardly believe that they had it. How many synagogues on Cochin the Sima belong to the white and black Jews. A white rabbi in the synagogue of the black Jews. returned after the conquest of Cochin by the Dutch. The Jews who still wish to claim that the Malabar Israelites had an ancient copy of the Sefer Torah, say that this monument and all monuments were lost on the occasion of the destruction of the Jews by the Portuguese, yet with little appearance of truth, for since they had time, according to their own words, to take their best goods with them to the mountains, they would not have failed to secure those relics which were invaluable to them, just as it is related that they had so much reverence and care for the new copy of the five books of Moses that was then in their synagogue, that they even secured that copy and took it with them and, just as of old the Ark of the Covenant, brought it back with joy and rejoicing. In the said Jewish quarter next to the Palace of the King of Cochin on the Sima, one finds 4 synagogues, namely one for the whites and the other three for the Blacks. These latter have readers from their own lineage who perform the service, yet whenever a white rabbi comes into their synagogue, he must be given the honor of conducting the service. Where the circumcision takes place. Their books of Moses are modernly written manuscripts on parchment. They have never had printing houses here. And they are incompetent to give any clarification of the biblical text. Circumcision does not take place in the synagogue, but in the house of the father of the child, by someone among the assembled friends who offers himself for it. The Sefer Torah, or the Books of Moses, which are found here in the various synagogues, are all modern manuscripts on parchment and common brown leather, and it does not appear that a copy of remarkable antiquity of any part, or of the whole, Old Testament has been available here. The Jews here have never had printing houses, but the Hebrew Bible editions of the Jewish booksellers Athias and Proops are most esteemed and in use here. One has therefore no hope of finding any resources here in this place that could clarify the Hebrew Bible text; one must also confess that the original Malabar Jews are generally ignorant and careless in the matter of religion; they know neither the Talmud nor the Kabbalah nor the books of the Masoretes, and may thus well be counted among the Karaites, like most Asiatic Jews. In what places the native Jews currently keep their residence and how many synagogues and houses they have there. Most of them are merchants. The wealthiest among them is the family of Ezekiel Rabbi. Regarding their shrewdness, limbs and manners they differ much for the better compared to the general Jewish race. They are even entirely clean. This nation has presently settled mainly in 7 places in this country. In the Jewish quarter next to the Palace of the King of Cochin live about 150 households, at Anjekannaal they have over 100 houses and 2 synagogues, at Parur in Chennamangalam 50 families and a synagogue, at Palur there are nearly 100 houses and a synagogue, at Mala also about 50 houses and a synagogue, on the Island of Tirritoer belonging to the family of the known Ezekiel Rabbi live 10 households, where there is also a synagogue, and at Muttath one finds about 12 families and a synagogue. Most of these Jews engage in trade, one more and the other less, and make their living by it; among the wealthiest and prominent merchants belongs primarily the family of Ezekiel Rabbi, but one does not perceive in these Jews that sharpness, activity and even less that deceit which one otherwise generally attributes to the contemporary Jews; on the contrary, I have generally found them to be honest people who would be ashamed to deceive a Christian, Heathen or Moor intentionally; one can also say of them that they are by no means as messy and filthy as one also charges the contemporary Jews, who generally speaking are often not only accompanied by that vermin which is the ordinary companion of beggars, but are also entirely not clean in their houses, as well as on their bodies and clothes, and some even have an unpleasant smell about them; and although sometimes some of the richest, who have access to distinguished people, are cleaner than the ordinary Jews, one nevertheless always sees the Jew standing out in one thing or another; but the Jews here without distinction, even down to the lowest and least well-to-do, are as clean in their houses, on their bodies, at their tables and beds as we are, so that one would almost not be able to know whether they are Jews or Jewesses, if they were not somewhat distinguished from others by a kind of clothing and even by a kind of mark on their countenance.
Dutch transcription
Een afschrift van de sepher Cho„ hoe wel men hwalijk geloven„ gehad hebben. Hoe veel sijnagogen op Cochim de sima zijn van de blanke en swarte Jooden. een blanke schabbij in de na de verovering van Cochim door de Neder„ „landers, te rug keerden. De Jooden die als nog beweeren willen dat de Mallabaarse sraeliten een oud afschrift ra, datze nog hadden bij die van de sepher Jhora gehad hebben, zeggen, dat uraak neeming verlooren geraakt tit monument en alle monumenten ter geleegendheijd van de verwoesting der Jooden door de Portugeeken, verlooren zijn, dog met wijnig schijn van waarheijd, want dewijl te tijd gehad hebben, hunne beste goederen vol„ „gens hun eigen zeggen, naar het gebergte mee„ „de te neemen zo zouden ze niet nagelaten kan datze zo een gedenkstuk hebben, die voor hen onwaardeerbare gedenk„ „stukken mede te bergen, gelijk men ver„ haald, dat ze voor het nieuwe afschrift der vijf boeken Moses, dat toen in hunne sijna„ „goge was, zo veel eerbied en zorge gehad, dat ze zelfs dat afschrift geborgen en meede ge„ „nomen en met blijdschap, even als van ouds de Arke des verbonds met gezuig te rug gebragt hebben. buurt Jn de gem: Joode naast het Paleijs van den Cochim Cochimsen koning op de Sima, vind men 4. sijnagogen, namelijk eene voor de blanken en de drie andere voor de Zwarten. Deeze laatste hebben voorleezers van Huneij„ sijpnagoge de wate soden „ gen geslagt, die den dienst verrigten, dog wan„ neer nige de 333 waar de besrijden is geschiet. hunne boeken Meses zijn moder„ geschreeven. zij hebben geen drukkerijen hier ooijt gehad. En La zijn penbakwaam om er„ de bijbal text. „neer een blanke abbij in haare sijnagoge komt, moet hem d'eer gegeven worden, den dienst waarteneemen; De besnijdenis geschied niet in de sijna„ goge maar in het huijs van den vader des kinds, door iemand, die zig onder de vergaderde vrienden daar toe aanbied. De Sepker, Thora, of de Boeken Molis, die ne handschriften opparkament hier in de diverse sijnagogen gevonden wor„ den, zijn alle moderne handschriften, op Pakement en gemeen bruin leer, en het blijkt niet, dat er dat een afschrift van eene aan„ „merkelijke oudheijd van een gedeelte, of van het geheele, oude Testament hier voor handen ge„ weest is Drukkerijen hebben de Jooden hier nooit gehad, dog de Hebreeuwsche Bijbel drukken van de Joodsche Boekverkopers Athias, en Troops, zijn hier meest geagt en ingebruijk. „len heeft dus geen hoop, om hier ter plaat„ nige opheldering te geven van „ se eenige hulp middelen te vinden, die den Hebreeuwschel Bijbel-Text zouden kunnen op„ helderen ook moet men bekennen dat de oorspronkelijke Mallabaarsche Jooden over het algemeen, in het stuk van den Godsdienst onweelend en zorgeloos zijn, zij kennen nog den 17 op welke plaatzen de Jnland„ se Jooden thans hun verblijf hou„ den en hoe veel sijne gogen en huijzen zig aldaar hebben. de meeste van hen zijn han„ delaars. de gegoedste onder hen is de familie van Rechiel Rabbij talmid nog de kabala nog de boeken der Mosorethen, en mogen dus wel onder de karanw of karai„ „ten gereekend worden, zo als de meeste Azi atische Joden. Deze Landaart heeft zig tegenwoordig voor„ namelijk op 7. plaatsen in dit Land neder gezet Jn de Joode buurt naast het Salijs van den koning van Cochim woonen omtrend 150. muijsgezinnen, op Anjekannaal hebben zij ruijm 100. Huijzen en 2. sijnagogen, op Pa„ p=r te Chiphotta 50 famielssen en een Chynagoge roe zijn bij na 100. huijzen en een sijnago ges=z op Mala ook omtrend 50. huijsen en een Sijnagige op het Eijland Tirritoer toebehoorende aan de Familie van den bekenden Richiel Rabbij woonen 10. Huijsgezinnen, alwaar ook eene sijnagoge is, en op Moeten vind met omtrend 12. familien en een sijnagoge De meeste dezer Jooden drijven koophandel, de eene meer en de andere min, en generen zig daar meede, onder de gegoedste en voor„ zelvs naamste kooplieden behoord, voornamentlijk de familie van Ezechiel Rabbij, dog men ontwaard in dezer Jooden niet die scherpzin„ nigheijd, activiteijd en nog minder dat bedrog dat men anders den sledendaagsen Jooden doorgaans toeschrijft, integendeel heb ik hun doorgaans 335 omtrent hunne slimmigheid Leeden en manieren verschillense veel ten goede tegens het alge„ in een Joods geslagt. zelvs zijn ze gants zindelijk doorgaans bevonden, eerlijke lieden te zijn, die het zig zouden schamen een Christen, Heijden of Moor met opzet te bedriegen, ook kan men van Hun zeggen, datze op verre na zo morsig en vuijl niet zijn als men den nedendaagsen Jooden ook na -geevd, die over het algemeen gesprooken veeltijds niet alleen met dat ongedierte verzeld zijn, het geen het ordinaire geselschap der bedelaars is, maar ook zo in hunne huij„ „zen, als aan hunne lighaamen en kleede„ ren gants niet zindelijk zijn en tommi„ ge zelvs een onaangenaame reuk bij zig hebben, en schoon al eens sommige van de rijkste, die toegang tot aanzienlijke lie„ den hebben zindelijker als de ordinaire Jooden zijn, zo ziet men er egter altoos in 't een of het ander, de Jood bij uijtsteeken maar de Jooden alhier zonder onderscheijt zelvs tot de geringste en minst gegoed„ ste toe, zijn zo Eindelijk in hunne huij„ „zen aan hunne lighaam aan hunne tafels en bedden als wij zo, dat men bij na niet zoude kunnen weeten of het Jooden of soo„ dinnen zijn, indien ze niet door een zoort van kleedinge en zelvs door een soort van teken aan hun weezen, eenigsints van andere
English
The majority of the black Jews support themselves with agriculture, cattle breeding, and the trading of provisions. The white Jews do not consider the black Jews to be genuine. distinguishable from other Nations. The majority of the black Jews support themselves by agriculture and cattle breeding, as well as by the purchasing and selling of provisions, especially butter and poultry. They are treated by the whites with indifference and contempt, because, being far greater in number than the whites, according to tradition from earlier times, they have more than once assaulted the whites and did not even refrain from using such violence against them that the prince of the land had to intervene with his authority and maintain the whites. These disputes, as far as I have been able to ascertain, have generally been caused because the black Jews have always aspired to an equality of status with the whites, which the latter would not tolerate, because they do not consider the blacks to be original Jews, but consider the majority of them to have sprung either from their emancipated slaves or from native Malabars who were made into Proselytes. For it is said that the black Jews have continually wanted to mix with the whites through marriage; Because the black Jews show no proper deference to white Jews. proof that the black Jews are indeed not original Jews. also that, instead of conducting themselves humbly toward the whites, they on the contrary acted impolitely toward them in greetings and tokens of respect on the street, or also that they did not hesitate to take the foremost seats in the Synagogue and front pews, or in other gatherings, so that they always strived, if not for superiority, at least for equality of status. This is a characteristic that is generally observed in the lower castes in the Indies, where people are divided into distinct lineages or castes; namely, that because of their birth they cannot enter a higher caste or class, yet they always yearn for it, or secretly torment those of higher lineage whenever they can. And because these black Jews have always practiced such toward the white Jews, one might indeed consider this alone as proof that they are in fact not original Jews, but have become Jews either from native Malabars or from slaves. For it is well known how unbearable masters usually are who were previously servants, or freedmen who were previously slaves. How far the undertakings of the black Jews against the whites have gone. And how the king of Cochin regards the black Jews. All Jews are subjects of the king of Cochin, but subject to the authority of the Company. This craving for equality went so far in the end that not very long ago they attempted to induce the king of Cochin to order that the white Jewesses, who are accustomed here to go to the synagogue with a veil or head covering over their heads, should go to the synagogue just like them, that is, uncovered and without a veil. In this request, they were supported by the prince as little as in their other undertakings, because by the king they have always been considered as somewhat subordinate to the white Jews, just as to this day one sees that they support themselves in a very lowly manner, and many of them serve in the houses and gardens of the white Jews for compensation, do domestic errands and chores, and in a word, are now entirely distinct from the white Jews, to such an extent that they even perform their religious worship in their own separate synagogues, and only enter the synagogue of the whites in a retired manner. Furthermore, all the Jews together are, without contradiction, subjects of the prince upon whose territory they reside, just as the Jews here are therefore indeed subjects of the Cochin king; yet they have generally addressed themselves to the Courts of the Dutch Company at Cochin and submitted to their verdicts. Especially the white Jews who have enjoyed the protection of the Company without contradiction from the Cochin king. As is evident in a certain case executed here in the year 1742. This has principally taken place among the white, but most especially among the European Jews, who have always implored and also enjoyed the direct protection of the said Company without any contradiction from the King of Cochin, just as they always acknowledge the high authority of the Chief Commander on behalf of the Dutch Company here and submit to the particular Judicature of the same, as well as to that of the Fiscal. Nevertheless, the white Jews have hitherto not wished to declare themselves positively as absolute subjects of the Company, presumably in order not to expose themselves entirely to the vengefulness of the Cochin king in the event of a revolution. Meanwhile, the case of the Jew Rodenburg deserves mention, who was imprisoned as an impostor by the Cochin king in the year 1772, but was immediately reclaimed by me and also voluntarily released.
Dutch transcription
Het grootste gedeelte van de swarte Joodin geneezen zig met den landbouw, vee fokkerijen ver„ handelen van levensmiddelen. de blanke sooden merken, de swarte Jooden niet voor egt aan. andere Naties onderscheijden, kenbaar zijn. met grootste gedeelte der zwarte Jooden, geneerd zig door den Landbouw, en vee-fokke„ rijen, zo ook met het inkopen of verkopen van Levensmiddelen, inzonderheijd van boler en pluijmvee zij worden van de blan„ „ken met onverschilligheijd en veragting be„ „handeld, om datze veel grooter in getal als de blanke zijnde, volgens de overleeveringe in vroegere lijden, zig meer als eens tegen„ de blanke vergreepen en zelvs niet ont„ „zien hebben tegen, dezelve een zo verre ge„ „weld, te gebruijken, dat de vorst des lands met zijn gezag daar tusschen moest komen, en de blanke matartineerde Deze verschillen, zo veel ik hebbe kunnen nagaan, zijn doorgaans veroorzaakt om dat de zwarte Jooden altoos na een gelijk„ standigheijd met de blanke stonden, het geen de laatste niet wilden gedoogen, om dat zij de zwarte voor geene origineele Jooden maar voor het grootste gedeelte Con„ „sidereeren, als gesprooten of uijt hunne vrij gegeven slaven of uijt naturelle Mallabaa„ „ren, die tot Proselten gemaakt zijn, want men zegd dat de zwarte Jooden zig telkens door huwelijken met de blanke hebben wil„ len 337 om dat de swarte Jooden geen, be„ hoorlijke Eerbewijsing aan een banke Jooden toonen. bewijzen dat de zwarte Joden in len vermingen, ook wel dat ze in steede van zig nedrig tegen de blanke te gedra„ gen, integendeel onbeleefd omtrend hun te werk gingen, in de Groetingen en eer„ „bewijzingen op de straat, of ook wel datze zig niet ontzagen in de Lijnagoge en voorgestoeltens, of in andere bij eenkom„ „ten de eerste plaats te neemen, zo dat te altoos zo niet na het superieure ten min„ „sten na de gelijkstandigheijd tragleden, een eijgenschap, die men doorgaans in Jndien, al„ „waar de Lieden in onderscheidene geslagten of kasten verdeeld zijn, in de lage kasten ziet plaats hebben, namentlijk, dat zij wegens hunne geboorte in geen hooger kasta of klassa kunnende komen, egter altoos daar na hun„ keren, of die van hooger geslagt als te maar kunnen hijmelijk kwellen, en om dat deze zwartte Jooden, zulks altoos omtrend de blanke Jooden g'oefsend hebben, zo zoude der daad geen origineele Jooden men dit wel als een bewijs alleen kunnen aanmerken, dat zij in der daad geene ori„ „gineele Jooden, maar of van naturelle Mal„ „labaaren of van slaven tot Jooden genooten geworden zijn, als bekend, zijnde hoe onver„ „dragelijk doorgaans heeren zijn, die bevoo„ „rens knegten waaren, of vrij gelatene, die be„ „voorens zijn. swa hoe verre de onderneemings ke hebben gegaan. Hed en hoedanig de koning van C alle booden zijn onderdanen van den koning van Egehim dog sub„ dwang van de Comp: „voorens, slaven, waaren: deze zugt, na het ge„ „lijkstandige ging op het laatste zo verre dat ie nog niet zeer lang geleeden den koning den der swarte Jooden tegens oer blan„ van Cochim lragleden te beweegen, omt or„ donneeren dat de blanke Joodinnen, die hier met een sluijer of hulsel over het Hoofd gewoon zijn na de sijnagoge tegaan even de als zij dat is ongedekt en zonder sluijer, na Cont de sijnagoge moesten gaan, in welk verzoek zij door den vorst zo min als in, hunne ande¬ „re onderneemingen gemaintineerd zijn om dat zij bij de koning altoos als eenigzints onder geschikt aan de blanke Jooden, gecon„ hiem de swarte sooden aanmorkt idereert zijn, gelijk men tot nog toe zie, dat ze zig op een zeer geringe wijze erneeren, en veele hunner, in de huijzen en thuijnen der blanke Jooden voor belooninge dienen, huij¬ „selijke bestellingen en boodschappen doen, en met een woord, tans ten eenemaal van de blanke Jooden, zo zeer onderscheijden zijn, datze zelvs in hunne aparte sijnagogen hunnen Godsdienst doen; en zelfs niet dan op een geretireerde wijze in de sijnagoge der blanken komen. ƒ Voorts zijn de Gezamendlijke Jooden zon„ mitteeren zig ook aan de regts „der tegenspraak onderdaanen van den vorst op wiens Grond gebied dezelve woonen, gelijk koning de han spec in 339 speciaal de blanke Jooden die de protexie van de Comp: zonder Contradictie van den Cochimsen koning hebben genoten. na in A„o 1742. hier g' Exteerd. de Jooden alhier daarom ook in der daad onderdaanen van den Cochimsen koning zijn, egter hebben ze zig doorgaans aan de Regtbanken van de Nederlandse Compagnie te Cochim g'addresseerd en aan derzelver vonnissen onderworpen. Dit heeft voornamelijk plaats gevonden, bij de blanke dog aller bijzonderst bij de Eu„ „ropeese Jooden, die de onmiddelbaare protec„ tie van gemelde Maatschappij zonder eeni„ „ge Contradictie van den Koning van Cochim altoos geimploreerd en ook genooten hebben, gelijk dezelve altijd het hooge gezag van den Hoofdgebieder van wegens de Niderlandsche Maalschappije alhier erkennen en zig aan de bij zondere Judicature van den zelven, zo wel als van den Fiskaal onderwerpen, Even„ wel hebben de blanke, Jooden zig tot nog toe positief voor absolute onderdanen van de Compagnie willen verklaaren vermoedelijk om zig in geval van een resolutie niet ge„ „heef aan de wraaktugt des Cochimsen zo als blijkt in zeeker geval konings te exponeeren, Jntusschen ver„ diend het geval van den Jood Rodenburg die door den Cochimsen koning in 't Jaar 1772. als een bedrieger gevangen gezet, dog door mij ten eersten gereclameert en ook vrijwillig oek
English
When the Moors spread here. Few particulars about them are found here. The old traditions about them. Malabar Emperor would have become a Mohammedan and gone to Mecca. was voluntarily surrendered to me, is to be taken into consideration, which case can be seen in detail in the Malabar Resolution of 22 August 1771 and in a letter written from here to Batavia dated the First of May 1772. The Moors have also resided here for a long time; at least it is known that the Arabs already began in the eighth century to expand commerce, along with the Mohammedan religion, into India, and that the Portuguese, upon their arrival on this coast in the year 1498, already found many Mohammedan temples. I have indeed taken the trouble to trace as much as possible from the old Malabar traditions the first origin and some particulars of the Malabar Moors or Mohammedans, insofar as they are to be distinguished from others, but I have not been able to obtain much of note about them. It is, however, an old tradition among the Malabar Moors that the last of the Malabar Emperors, the famous Cherumperumaal, held the Mohammedan religion in such high regard that he not only professed it and attempted to spread it among his subjects, but even went to Mecca in the 8th century to end his days there, and from there sent instructions to the Malabar Regents to favor the Mohammedan priests in everything. And since the last Cherumperumaal lived around the year 800, this tradition could, at least as far as the chronology is concerned, stand, and one might also accept as a further tradition that the Malabar Mohammedans generally maintain, namely that around the year 600 a Mohammedan merchant named Malck Medina arrived on this coast from Mecca, accompanied by some priests of his faith, settled around Mangalore, and was the first to make his religion known in India, and that he was not hindered therein by the Emperor of that time, but enjoyed many favors and kindnesses, and that his descendants were also favorably treated by the succeeding Emperors. Although the Malabars entirely deny that that Emperor went to Mecca, but rather that he died at Cranganore. And they have greatly multiplied. However, I must note that all the Malabar heathens entirely deny the journey of Cherumperumaal to Mecca, and on the contrary maintain that he died as a heathen in a spiritual and solitary state, namely in the famous Cranganore pagoda, although they do not deny that Cherumperumaal was never unfavorable to the expansion and propagation of the Mohammedan religion. And it is thus probable that this last Cherumperumaal, who performed many works of charity and showed favors to many, thus also showed even more favors to the Mohammedans than his predecessors, and will have openly permitted them to propagate their religion on this coast, and that they thus owe their residence and the free exercise of their religion here first to the former Emperors, and especially thereafter to the aforementioned last Emperor, since which time they have also multiplied and increased so much in number that there is now almost no place on the entire Malabar where one does not find Moors, and that mainly along the shores, generally conducting trade. But most Moors are in the Samorin's country, where it virtually swarms with Moors and they have generally had a hand in the government, which the Portuguese soon experienced upon their first arrival at Calicut, and for that reason could not maintain themselves there, and thus sought out the King of Cochin. Into how many sects the Mohammedans here are divided. Differences between the Saphis and Anaphi. Division among the Saphis. The Hindustani Mohammedans distinguish themselves into 4 sects, which are called the Saphie, Anaphie, Malck, and Ambeli, of which the first two are mainly to be found on this coast. These sects are named thus after the names of four teachers who are said to have proclaimed the Mohammedan faith in Hindustan. The difference between the aforementioned first two sects, however, consists solely in the folding of the hands when they pray, as the Saphians place the folded hands on the upper abdomen, and the Anaphi on the lower abdomen. The Saphians are further distinguished into five degrees, and are the following: 1. The Nalil onnoe, or one out of four. 2. The Naalpodil onnoe, or one out of forty. 3. The Noepotto vijnboodoe, or the thirty-ninth. 4. The Moenoera, or the three hundredth. 5. The onnoekorra Aijrom, or one less than a thousand. These
Dutch transcription
wanneer de mooren zig hier verspreiden. men vind hier weinig bij zonder heden van hen. de oude overleverings van hen baarse keijzer Mahomedaaus„ gegaan zijn vrijwillig aan mij overgegeven is, in aan„ merking genomen te worden, welk geval omstandig te zien is, bij Mallabaarse Re„ „solutie van den 22. augustus 1771. en bij briev van hier na Batavia geschreeven onder da„ „to den Eersten Meij 17172. -. De Mooren zijn ook al van lan„ om her hebben begonnen te gen tijd hier gezeeten, ten minsten het is bekend, dat de Arabieren in de agtste Eeuw al begonnen hebben, om den koophan„ „del benevens de Mahomelaanschen Gods„ „dienst, in Jndia uijttebreiden, en dat de Por„ „lugeeken met hunne komst ter dezer kust A„o 1498. all veel Mahometaansche Gem„ pels gevonden hebben, jk heb wel de moeite genomen om zo veel mij mogelijk was uijt de oude Mallabaarse overleeveringen opte„ spooren den eersten oorsprong en eenige bij„ zonderheeden der Mallabaarse Mooren of Mahomedaanen, voor zo verre zij van andere te onderscheiden zijn, dog ik heb er niet veel bijzonders van kunnen opdoen. Het is egter eene oude overleevering on„ willen dat de laaste malla„ der de Mallabaarse Hooren, dat de laatste zoude geworden na na Hekka der Mallabaarse keijkeren, de bekende Che„ roemperoemaal, den Mahomedanschen Godsdienst 341. koopman en eenige priesters van gekomen en met veele gunsten overleeden zijn. Godsdienst, zo veel agting toedroeg, dat Hij niet alleen dezelve zoude beleden en onder zijne onderdanen getragt hebben uijttebrijden, maar zelve in de 8ste Eeuw naar Mekka gegaan zijn, om zijne daagen al„ „daar te eijndigen, en van daar aanschrijvens gezonden hebben aan de Mallabaarse Re„ „genten, om de Mahomedaanse Priesters in alles te begunstigen, en dewijl de laatste Cheroemperoemaal omtrend het Jaar 800: geleevd heeft, zo zoude deze overleveringe ten minsten wat de tijd reekening aangaat kunnen beslaan, en men zoude ook als eene nadere overlevering, die de Mallabaarse Ma„ „homedaanen in het algemeen staande hou„ En dat in het Jaar 600. een moorden, mogen aanneemen, namentlijk dat Mekka op mangaloor zoude omtrend het Jaar 600. een Mahomedaans„ van de mallabaarse keijkers koopman gen„t Malck Medina van Mek„ ka, verzeld van eenige Priesters van zijn geloove, ter deser kuste aangekomen, zig omtrend Mangaloor zoude nedergezet en zij„ „nen Godsdienst het eerste in Jndie bekend gemaakt hebben, en dat Hij daar in door den keijker van dien tijd niet is belet geworden 1 maar veel gunsten en geneegendheeden genoo„ „ten heeft en dat zijne nalaaten van de vol„ „gende keijkers ook gunstig behandeld zijn. Egter lan houvel de sallabaaren gant„ keijker na slekka gegaan, su noor overleeden is. en ze zeer vermeenig vuldigt zijn. Egter moet, ik aanmerken, dat alle de Mal„ schelijk ontkennen dat die labaarse Heijdenen, de togt van Cheroempe„ se maar wel dat hij te Crangan, roemaal na Mekka finaal ontkennen, en integendeel staande houden, dat Hij als een Hijden in een Geestelijken en eenzaamen staat, en wel in de vermaarde Cranganoorsa pagood gestorven is, schoon zij niet ontkennen dat Cheroemperoemaal, de uijtbrijdinge en voort„ „plantinge van den Mahomedaanschen Gods„ in hoe „dienst nimmer ongunstig is geweest, en het den is dus waarschijnelijk dat deze laatste Che„ rumperoempal, die veele werken van liefde gedaan en aan veelen gunste beweesen heeft dus ook aan de Mahomedaanen nog al meer gunsten als zijn voorzaaken beweezen, en opend„ „lijk zal gepermitteerd hebben om Hun Gods„ „dienst ter dezer Custe voortteplanten, en dat te dus hunne inwooninge en de vrije oeffeninge van hun Godsdienst alhier eerst aan de voorige keijzers en inzonderheijd daar na aan voorschreven laatsten keijzer, verschul„ „digd zijn, 't zederd welken tijd te dan ook zo zeer in getal vermenigvuldigd en toege„ „nomen zijn, dat er tans op de geheele Mallabaar bij na geen plaats meer is, of men vind er Mooren en wel voornamentlijk aan de stranden, drijvende doorgaans kan„ del 343 in hoe veel seeten de Maho„ medaanen alhier onderschei„ het den zijn. verschillen tussen de saphi„ anen en anaphi. verdeeling onder de saphi„ anen. „del, dog de meeste Mooren zijn in het sammo„ „rijnze, alwaar het genoegzaam van Mooren krield, en zij doorgaan de handen in de Regeeringe ge„ „had hebben, het geen de Portageezen met hunne eerste komst te Calicoet al schielijk ondervin„ dende, het om die reeden daar niet houden kon„ „den, en dus, den koning van Cochim op zogten. De Hindostaansche Mahomedaanen, onderscheiden zig in 4. secten, dewelke genoemd worden, de Saphie, Anaphie, Malck en Ambeli, waar van de twee eersten, ten dezer kuste voornamelijk te vinden zijn: Deze lasten, wor„ „den zodanig genoemd, na de naamen van vier Leeraars, die het Mahomedaans geloof in het Jndostaansche soude verkondigt hebben. Het onderscheid tusschen voorschreeve beide eerste secten, bestaat egter maar alleen in het vrouwen der handen wanneer te bidden, alzo de Saphianen de gevouwen hand op de boven buijk, en de Anaphi op d' onder buijk leggen. —. De Saphianen worden wederom in vijf graden onderscheijden; en zijn de volgende 1. De Nalil onnoe, of van de vier een. 2. De Naalpodil onnoe, of van de veertig een 3. De Noepotto vijnboodoe, of de negen en dertigste 4. De Moenoera, of de drie honderste 5. De onnoekorra Aijrom, of een minder den duijzend. Deze
English
Where this division comes from. Heathens divided into two sorts, namely Northern and Southern; the Northern again into four, and which those are. This distinction does not concern religion so much as civil rank in society. One easily perceives that this distinction originates from the castes or lineages of the Indians, who are so accustomed to these prejudices that they cannot entirely abandon them, even when they change their religion. Under the fourth or last sort of foreigners here, namely the Heathens, one again has two distinct sorts, namely Northern and Southern, or properly speaking, those who have come here either from the North or from the South. The Northern are of four kinds, namely the Pandits, Canarins, Banians, and Silversmiths, which four nations previously lived to the North between Goa and Bombay, each however in a separate district, from where, having been driven out by the Moors or Mogols, they moved down to Goa and at first came hither with the Portuguese and subsequently remained here. The Pandits say that the district which they inhabited to the North was named Carrady, and they know nothing more of their descent and particulars other than that they are of a high caste, though few in number and have long been gradually dying out, so that barely 25 Pandits are to be found along the Malabar coast, who, as they do not carry on any trade nor practice any craft, let themselves be employed as priests among the other three nations, though mostly among the silversmiths because these have no separate priests among themselves; some Pandits also act as native masters or doctors and understand native cures reasonably well. The Canarins, also a lineage in themselves from the North, according to their statement originate from the district named Sashtivardes, which region was formerly divided into twelve small provinces; they allege that the aforementioned district may also have borne the name of Ikeris, from which the pagodas of Ikeris—being a gold coin that passes here and further to the North everywhere in trade for four silver ropias—are said to have received their name, which gold specie is otherwise commonly called the Mangalore pagoda. Furthermore, they have not the slightest records regarding the history of their country, or any other things that occurred among them in earlier times. However, they acknowledge that, although they are indeed called Canarins, they nevertheless do not bear that name after the realm of Canara, since they have never had any relation to the inhabitants of Canara, who are properly called Canarese and not Canarins. Their trade and livelihood they find mostly in commerce, for the majority are merchants, although there are also many who support themselves through agriculture, in which they are helped by the Corombins, the lowest among the lineages or castes of the Canarins, who cultivate the lands and gardens for them. Some of the trading Canarins are prominent wholesale merchants, trading with foreign nations and native merchants; the others trade at retail and supply all household necessities, except that which has received life, having for that purpose their boutiques or small shops beneath the houses in the city, which they rent from the inhabitants, and for which permission, besides the said rent, they must yearly contribute certain dues for the benefit of the Diaconate poor. Thus one finds with them all kinds of fruits and vegetables, flowers, betel leaves, areca, rice, linens, Chinese goods, and small wares, which they have exchanged for other goods or bought from the Macau traders, and with which a portion of them go around the city daily with packs, offering them for sale to the inhabitants and ship's crews, just like the common Jews in Holland and the Moors in Ceylon. Others again are moneychangers, who exchange small money, such as fanums, duits, and bazarucos, against heavy coin, such as ropias, pagodas, and ducats, according to a certain exchange rate. One of them is the Company's shroff, the changer or money counter, who alone must count, weigh, assay, seal, and answer for the soundness and the number of the species that come into the Company's treasury. In short, there is almost not a single one who does not engage in some trade; children of 6 to 7 years old are already trained for it, and experience teaches that in general little honesty is found in their dealings, since they do not fail to cheat someone.
Dutch transcription
waar deze verdeeling van dan komt. Heidenen in twee zoorten ver„ deeld als noordse en zuidse de noordse weder in vier de welke die zijn. Deze onderscheiding betreft niet zo zeer den Goddienst als den Civielen rang in de 't zamenleving. Men ziet, ligtelijk, dat deze onderscheiding afkomstig is van de kasten of geslagten der Jndianen, die zo zeer aan deze vooroordeelen gewend zijn, dat ze dezelve niet geheel kun„ „nen verlaten, wanneer zij zelvs van Godsdienst veranderen. Onder de vierde of laatste zoort van vreem„ „delingen alhier namendlijk. De Heijdenen heeft men weder twee onderscheidene zoorten, namendlijk Noordse en zuijdse of eijgendlijk gezegd de zulke die hier of van de Noord of van de zuijd gekomen zijn. De Noordse zijn vierderleij, namendlijk de sandieten, Cannarijns, Benjaanen, en zil„ versmeeden, welke vier Naties, bevoorens om de Noord tusschen Goa en Bombaij egter ijder in een afzonderlijk district gewoond hebben van waar ze door de Mooren of Hogolders verdreeven, zijnde na Goa afgezakt en met de Portugeezen eerst dit heen gekomen en vervolgens hier gebleeven zijn. De Tandieten zeggen dat het district het 345 wie de pandieten zijn en wat hun werk is. wat de Caparijns opgeven van haren afkomst. het geen zij ons de Noord bewoond hebben ge„ „naamd was Carradij en meer weeten te van hunne afkomste en bijzonderheeden niet, als datze van een hooge Casta, dog wijnig in ge„ „tal en al over lange gaande weg uijtgestorven zijn, zo dat 'er lans pas 25. pandieten op de Hal„ „labaar te vinden zijn, dewelke als geen han„ „del drijvende, nog eenig Ambagt doende, zig laten gebruijken, als priesters, bij de andere drie Natiel, dog meest bij de zilversmeeden om dat deze geene apparte Priesters onder zig hebben: ook ageeren zommige Pandieten, als inlandse meesters of Doctors en verstaan zig nog al tamelijk wel op inlandse cuuren De Cannarijns ook een Geslagt op zig zelvs van de Noord, zijn volgens Hun voor„ „geeven, afkomstig van het district genaamt Tasta wardes welk landschap eertijds verdeeld was, in twaalf klijne Provintien: zij geeven voor, dat voorschreeven district ook wel de naam zoude gedragen hebben van keris, waar van daan de pagoden Jkeris :/ zijnde een goude penning, die hier en verder na de Noord over al in den handel voor vier zilvere ro„ „pias passeerd / hunne benaaming zouden ge „kreegen hebben, welke goude spetie anders door„ „gaans de mangaloorse pagood genoemt word, voorts reem„ en ik dog hebben is geen de minste aan„ In„ teekening van waar in de meeste van hen hun bestaan vinden. dog eenige van hen zijn voor„ name kooplieden. voorts hebben zij geen de minste aanteeke„ „ningen nopens de geschiedenis van hun Land, of eenige andere dingen, die in vroegere tijden onder hun voorgevallen zijn. Evenwel beken„ „nen, ze, dat schoon, ze wel Cannarijns ge„ noemd worden, egter dien naam niet dragen na het rijk van Cannara, alzoo zij nimmer relatie gehad hebben tot de inwoonders van Canara, die eijgendlijk Canareezen en geen Cannarijns genoemd worden. Hunne neringe en bestaan, vinden ze meest in den Handel, want de meeste zijn Hande„ „laars, schoon er ook veele zijn, die zig met den Landbouw geneeren, en waar in te geholpen worden door de Corombins, het laagste onder de geslagten of Castal van de Cannarijns, die voor hun de landen en thuijnen be-arbeiden: eenige van de Handeldrijvende Cannarijns zijn voor„ naame kooplieden in 't Gros, handelende met de vreemde Naties en inlandse Handelaars de overige negotieeren in 't klijn en leeveren alle huijsselijke benoodigtheeden, behalven het geen leven ontfangen heeft, hebbende ten dien eijnde hunne boetiques of winkeltjes onder de huijzen in de stad, dewelke ze van de Jn„ „woonders, huuren en voor welke vergunning zij, behalven gem: huurloon, Jaarlijks zekere en de geregtigheeden 347 en de overige van hen Negotieren in allerlij zoorten van vrug„ ten groentens enz: ook zijn er wisselaars onder als meede bedrieger: Geregtigheeden, ten behoeve van de Diaconij Armen, moeten opbrengen: dus vind men bij hun allerhande vrugten, en Groentens, bloe„ „men, betelbladeren, Arreek Rijst, Lijwaaten, Chineeze goederen en Cramerijen, die ze van de Macaus vaarders tegen andere goederen ingeruijld of gekogt hebben, en waar meede een gedeelte van dezelve dagelijks met pak„ ken in de stad rondgaan en dezelve de in„ „woonders en scheepelingen te koop prezen„ teeren, even gelijk de gemeene Jooden in Hol„ land en de Mooren op Ceilon: wederom ande„ re zijn wisselaars, die klijn geld, als fanums Duijten en Bazaroeken tegen Grofgeld, als ropias pagooden en Ducaaten, volgens zee„ kere wisselkoers verwisselen, Een daar van is 'sComp=s saraf, de wisselaar, of geld teller, dewelke alleen het geld, dat in 's Comp:s Cas„ „sa komt, telben, weegen, toetsen, verzegulen en voor de deugdzaamheijd en 't getal der spe„ „tien instaan moet: kortom, daar is bij na geen een, die niet eenigen handel doed, kin„ „deren van 6. â 7: Jaaren oud, werden daar toe al aangeleerd, en de ondervinding leerd dat bij Hen in 't algemeen wijnig opregtheijd in Hunne Handelingen gevonden werd, dewijl ze niet nalaaten ijmand in de kleeren te steeken hen.
English
played their political role with the rulers here. and two of them are recently his Agent here is a Canarin. where the principal dwelling place of this nation is. to cheat if they only see a chance to do so, especially by pawning off old and shopworn goods on someone as fresh and new. They are also very shrewd and capable of almost everything. Some of that people know how to worm themselves even into the courts of the rulers, and if one is not too parsimonious, one can learn quite a great deal through them. There have been Canarins here who have played strange and even political roles. In my time I had one named Callaga Porboe, whom I was compelled to send with his son to the Cape, as may be seen in my separate dispatch to Batavia of 1 January 1775. The present Agent of the king of Travancore, who always resides here on behalf of the king, is also a Canarin. Although one finds Canarins living everywhere along this coast, their principal dwelling place hereabouts is nevertheless a full hour outside the city, where their Bazaar is, and where they also have their shops. Their dwelling places are divided into several quarters, according to the distinction of the Castes among them, equals living with equals. For the rest, the Canarins enjoy the protection of the Company and are subject to its jurisdiction. The Canarins enjoy the Company's protection, but the king of Cochin says that they are his subjects. Trade of the Banians and their origin. What the word Banian means. Who among them are the Company's merchants. However, the king of Cochin claims that they are his subjects because they live in his country, and thus it also frequently happens that they address themselves to His Highness with their disputes and submit to his verdict. Regarding this matter, I refer to what I have stated under the article on the king of Cochin concerning these Canarins. The Banians are likewise a separate Caste or lineage and are also called Pannekour or Wannians, trading likewise in all kinds of inanimate goods, but they know nothing at all of any particularities regarding their lineage. They only know that the name of their former country was called Coddiale. The word Banian means a merchant. Indeed, the Banians are all merchants, and among them one finds few poor. Most find their livelihood in wholesale and retail trade, some are even merchants in the gross, and at present there are two Banians who are Company's merchants, one of whom is even Farmer of the import and export duties, named Anta Chetlij, a bold, yet prudent and capable merchant. They have their separate quarter outside the city next to the Canarins and stand solely under the protection of the Company, without the king of Cochin having anything to say over them. They are of good conduct. Where the origin of the silversmiths is from. Some of them are experienced in their craft. For the rest, it must be said in praise of these Banians that they are generally of good conduct, clean in their dress, and that one can rely quite well on their word. The silversmiths, who are also a separate Caste by themselves, are also called sonor, and their original fatherland was called sastipredesom. Just like the Banians, they stand solely under the protection of the Company and also live next to the quarter of the Banians. Some are so well experienced in their craft that they can imitate the work of the Europeans quite well, both in large and small pieces. The only thing they do not know how to copy from the Europeans is the making of hinges. Furthermore, they are generally great cheats in diminishing and adulterating gold or silver. Because they are not in a position to furnish the gold or silver themselves, one must give it to them, and it is perilous to give anything to the silversmiths here to take to their house for crafting, since they not only adulterate the species, but also now and then pawn the gold or silver, or misplace it in some other manner, indeed, sometimes even run away altogether. They adulterate the species, pawn the gold or silver, or even run away. To what this is to be attributed. And they are paid according to the weight of their work. This also makes them suspected and despised, which fraudulent way of dealing is indeed for a large part attributed to their well-known poverty, since they work for a very small reward, and must support wife and children from it, but most particularly because they are absolutely compelled to perpetuate this craft only within their Caste, just like other heathen lineages, not being permitted to take up anything else. So that in proportion as the number of silversmiths increases, their livelihood decreases in proportion thereto, for they are not paid according to the value of the fashioning or according to whether it is coarse or fine work, as in Europe, but only according to the weight of the metal they process. For the rest, their tools are very compendious and simple, being able
Dutch transcription
bij de vorsten hier hunne staat„ kundige rol gespeelt. en twee daar van zijn Jongst se Agent hier is een Canarijn. waar de voornaamste woon„ plaats van dit geslagt is. steeken, zo. ze daar toe maar kans zien, voor„ namendlijk met oud en verlegen Goed, voor versch en nieuw iemand aantesmeeren: ook zijn ze zeer, schrander en Genoegzaam tot zommige van dat volk hebben, alles bequaam, zommige, weeten zig zelfs bij sooven der vorsten intedringen; en als men niet te kaarig is, dan kan men door Hun nog al wat te weeten krijgen, Hen heeft hier Canno„ „rijns gehad, die al wonderlijke en zelfs staat„ „kundige rollen gespeeld hebben ik hebbe in mijn tijd er een gehad genaamt, Callaga Porboe, die ik genoodsaakt ben geweest met zijn zoon na de daar over na de Caab gezonden Caab te zenden, gelijk dat bij mijn aparte na Ba„ „tavia van den 1. Januarij 1775. te zien is, de tegen„ „woordige Agent van den koning van Jrevan„ de tegenswoordige Trevancoor, coor die hier altoos van wegens den koning re„ sideert, is ook een Canarijn Hoewel men nu over al langs deze kust Cannarijns woonagtig vind, zo is egter, hun voornaamste woonplaats hier omtrend een heele uur buijten de stad, daar Hun Bazaar is, en alwaar te hunne winkels ook hebben „unne woonplaatsen zijn in verscheide wij„ „ken verdeeld, naar het onderscheijd der Castas onder hun, woonende gelijken bij gelijken. —. Voor 't overige genieten de Cannarijns de pro„ „teetie van de Compagnie en zijn derzelver regts„ „dwang 349 de Canarijns genieten 'sComp:s pro„ „ zegt, dat ze zijne onderdanen zijn. Handelingen, der benjanen en hun afkomst. wat het woord Ben jaan betee„ kend. wie van dezelve sComp:s koop„ lieden zijn. „dwang onderworpen, egter pretendeert de ko„ ning van Cochim dat dezelve zijne onder„ a tefie maar den koning van Pochin„daanen zijn, om dat ze in zijn land woonen en dus gebeurd het ook veelmaals dat te zig met hunne geschillen bij zijn Hoogheid vervoegen, en aan desselfs uijtspraak onder„ „werpen: hier omtrend refereere mij aan het geen ik onder het articul van den koning van Cochim nopens deze Cannarijns gemeld hebbe. De Benjaanen zijn meede een bij zon„ „dere Casta, of geslagt en worden ook wel Pan„ „nekour off wanniannen genoemd, handelende ook in allerlije dingen, welke geen leven heb„ „ben ontvangen, dog weeten in 't geheel van geen bijzonderheeden, Hun geslagt aangaande, alleen weeten ze maar dat de naam van Hun, voorige land genaamt was Coddiale. Het woord Benjaan beteekend een koopman trouwens de Benjaanen, zijn ook alle koop„ „lieden, en men vind, onder deselve wijnig ar„ „me, de meeste vinden hun bestaan bij groo„ „te en klijne Negotie, eenige zijn zelvs koop„ „lieden in 't gros, en tans zijn er twee Benjaa„ nen die s' Compagnies kooplieden zijn, waar van er een zelvs Pagter is, van d'in-en uijt„ „gaande regten genaamt Anta Chetlij een stout voor 1 pro ze zijn van goed gedrag. van waar de oorspronk der silversmits is. zommige daar van zijn er„ „varen in hun ambagts. stout, egter voorzigtig, en kundig koopman: ze hebben buijten de stad naast de Cannarijns hunne enfzonderlijke wijk en staan alleen on„ dog „der de protectie van de Compagnie „ zonder dat den weg de koning van Cochim iets over hun te zeggen heeft Voor het overige moet men deze Benjaanen tot lof nageeven dat te doorgaans van een goed gedrag, zindelijk in hunne kleeding zijn, en dat men op hun woord nog al vrij wel staat maaken kan. De zilver Smits, die al meede een appar„ ¶ Casta/ „te „ op zig zelven zijn, worden ook wel genoemt sonor, en hun oorspronkelijk vaderland werd genoemt sastipredesom zij staan even gelijk de Benjaanen alleen onder de protectie van de Compagnie en woonen ook naast de buurt van de Benjaaren. sommige zijn in hun Ambagt zo wel er„ „vaaren, dat ze het werk der Europeezen al vrij wel kunnen namaaken, zo in 't groot als in 't klijn, het eenigste, dat zij den Eu„ „ropeezen niet weeten natedoen, is het maa„ van „ken van schernieren, voorts zijn ze door den bank groote Bedriegers in 't vermin„ „deren en vervalschen van Goud of silvere alzoo zij niet in staat zijnde om zelfs Goud en te ver of 351 dog vervalsen de speties verpan„ den 't goud of zilver of lopen wel weg. waar aan zulx toeteschrijven is. en te worden na de swaarte aa, van hun werk betaald. of zilver te fourneeren, men hun het zelve geven moet, en het is periculeus, om aan de silversmits hier iets ter bewerking na hun huijs mede te geven, vermits zij niet alleen de speties vervalschen, maar ook nu en dan het Goud of zilver verpanden, of wel op een andere wijze te zoek brengen, Ja zomtijds wel in 't geheel wegloopen, dit maakt hun ook verdagt en veragt, welke bedriegelijke handelwijze wel voor een groot gedeelte toegeschreeven word aan hunne bekende armoede, dewijlze voor eene zeer ge„ ringe belooninge werken, en daar van vrouw en kinderen moeten onderhouden, dog wel voornamentlijk, dewijl te absolut genoodzaakt zijn, dit ambagts even gelijk andere Heij„ „dense geslagten, onder hunne Casta al„ „leen voortteplanten, als mogende niets an„ „ders bij der hand neemen, zo dat na maa„ „te het getal der silversmits vermeerdert, hunne kost winninge ook na maate van dien ver„ minderd, want zij worden niet betaald na de waarde van het fatsoen of na maate het grof of fijn werk is, gelijk in Europa, maar al„ leen na de zwaarte van het metaal, dat ze verwerken: voor het overige is hun gereed„ „schap zeer Compendieus en eenvoudig, kun„ nende ze 1: dat gen Eu
English
Why the Banyans are placed before the silversmiths. The southern foreigners consist of 2 castes. When and from where the dyers arrived here. Knowing that a silversmith can always carry his tools with him wherever he wishes, up to and including his little bellows. I have placed the Banyans just before the silversmiths, although the silversmiths wear sacred cords just like the Canarese and Banyans, and thus claim to be equal to the Banyans in nobility of lineage; but however close the silversmiths come to the Canarese, they ought nevertheless to be placed beneath the Banyans, because being laborers and craftsmen they cannot command that respect among the natives which merchants possess. The Southern Foreigners, or those who have come here from the south side, have not lived here very long and consist of but two kinds of castes, namely dyers and shoemakers. The dyers or linen-painters who are here arrived here on the Malabar coast from Cailpatnam situated close to Tutucorijn about 100 years ago, on the occasion that a certain Canarese merchant named Baba Porboe summoned a dyer from Cailpatnam, who thereupon arrived with his entire family, and was at the same time hired as a beam-measurer 353. The first dyer was also at the same time a beam-measurer of the Honorable Company. When a chintz dyehouse was also established here. in the Company's service, which office was recently abolished, and previously consisted of this, namely to report the true volume of the beams purchased here for the service of the Company, according to a native manner of calculation by Candijlen, borellen, Jommerons, and Cobidos, a miserable method of calculation, concerning which further light may be obtained from a letter written from here to the Netherlands under date of 31 January 1691, where a geometric figure of it is also shown, although I have abolished that calculation and brought the measurement of timber to the fatherland foot, namely by feet and inches in length, width, and thickness, as appears from the Resolution of 15 January 1772. This first beam-measurer was nevertheless by trade also a linen-painter and also practiced that craft. In the time of the late Mr. van Gollenesse who was Commander here from the year 1734 to 1743 a chintz dyehouse was established on the Company's account, and to that end some dyers were also summoned from Coromandel, but this dyehouse lasted only a short time, because And when it was abolished again. Where these and those settled. And where they presently live. What kind of work they paint. it was found not to meet expectations, so that it has been abolished since the year 1744; thus some of these people departed again for their country, while others who remained here, along with those who had already been here from Cailpatnam long before, received from the Company a piece of land just outside this city, where they erected dwellings, laid out gardens, settled down, and down to the present day have stood solely under the protection of the Company. Because that native village lay only a musket-shot from the city and virtually close under the point Utrecht, I had that village demolished during the recent invasion of the Nabob Hyder Ali Khan, caused the trees to be cut down, had the site entirely leveled, and gave the dyers another piece of land at the furthest end of the plain near the Company's Garden, where they presently live very comfortably and are just as well pleased with it as with their former terrain. Their work is coarse and suited for the native, for they mostly paint waist-cloths and head-cloths such as are commonly worn among the natives; nevertheless, they still paint several other items for daily use for the community here, and they are especially skilled in dyeing linen black, which 355. And some of them are clerks for the merchants and swift in reckoning. When and from where the shoemakers arrived here, and where they are presently settled. They make light work for little money. which serves as a great convenience to the community when wearing mourning. Generally, the women do not work with the men, except for a few who learn the craft and work together with the men; but the men also allow themselves to be employed as clerks or canacapels by the Jewish, Canarese, and Banyan merchants, and also by Europeans, as they are accurate in their notes and as swift as they are dependable in reckoning; their number presently consists of 141 individuals or 23 households. The Shoemakers came here from Tutukorijn in the time of the late Mr. Jacob de Jong who was Commander here from the year 1723 to the year 1732, and they likewise received a place outside the city where, having erected their dwellings, they presently live, carry on their trade, and stand solely under the protection of the Company; they presently consist of 71 individuals or 16 households, among whom one also finds some who have become Christian here and again some who have become Moorish here, although they are otherwise of heathen descent. The shoes they make are very coarse and lightly worked, do not hold water, and do not
Dutch transcription
waarom de benjanen voor de de Zuidze vreemdelingen bestaan in 2. Casten. wanree, en van waar de ver„ wers hier zijn gekomen. nende een silversmith altoos zijne geread„ „schap met zig dragen waar hij wild, tot zijn blaasbalgje inclusive Jk hebbe de Benjaanen even voor de zilver„ silversmits geplaatst zijn. „ smeeden geplaats, schoon de zilversmeeden, zo wel Lijntjes als de Cannarijns en benjaanen draagen, en dus pretendeeren met de Benjaanen in Hoogheijd van geslagt gelijk te zijn: maar hoe zeer de zilversmeeden ook na bij de Can„ „narijns komen, zo dienen ze egter onder de Benjaanen geplaatst te worden, dewijl zij ar„ „beijds - en ambagts lieden zijnde onder den in„ „lander dat respect niet kunnen hebben als de kooplieden De Zuijdse Vreemdelingen, of de geene die hier van de zuijdkant gekomen zijn, hebben hier nog niet zeer lange gewoond en bestaan, maar in 't tweederlije lasten, namentlijk ver„ wers en schoenmakers De verwers of Lijnwaatschilders, die men hier heeft, zijn nu omtrend 100. Jaaren ge„ „leeden van Cailpatnam /digt bij Tutucorijn geleegen:/ hier op de Mallabaar gekomen bij gelegentheijd, dat zeker Cannarijns koop„ „man gen=t Baba porboe van Cailpatnam een verwer ontbood, die daar op met zijn geheele Familie kwam, en hier teffens als Balkmeeter 353. de eerste verwer is ook teffens wanneer men hier ook een Chitse verwerij opgeregt heeft. Balkmeeter in 's Comp:s dienst aangeno„ „men wierd, welken dienst onlangs afgeschaft is, en bevorens hier in bestond, namendlijk balkmeeter van DE: Comp: geweest, om de waare inhoud van de Balken die hier ten dienste van de Comp: ingekogt wierden optegeven, volgens een inlandse wijze van reekenen bij Candijlen, borellen, Jommerons en Cobidos, een misselijke wijze van bereeke„ „ninge, waaromtrend men nader ligt kan krij„ „gen bij briev van hier na Nederland geschreven onder dato den 31. Janu: 1691: alwaar ook eene Geornetische figuur daar van vertoond word, schoon ik die bereekeninge afgeschaft, en de maat van het hout op den vaderlandsen voet gebragt hebbe, namendlijk bij voeten en duijmen in de lengte breette en dikte blijkens Resolutie van den 15. Janu: 1772. Deze eerste Balkmeeter was egter van zig zelvs ook een Lijnwaat schilder en deed ook dat Ambagt. sen lijden van wijlen den Heer van Golle„ „nesse /:die hier van A„o 1734. tot 1743. Comman„ deur is geweest heeft men een Chitse ver„ „werij voor reek: van de Comp: aangelegt, en ten dien eijnde ook eenige verwers van Cor„ „mandel ontbooden, dog deze verwerij heeft maar een korten tijd stand gehouden, om dat en wanneer weer afgeschaft is. waar deze en geene zig ten neder gezet hebben. 4 en waar ze tans woonen wat voor werk ze schilderen dat men bevond, dat deselve niet aan de verwag„ ting voldeed, zo datze tzedert A„o 1744. afgeschaft is: dus vertrokken eenige dezer lieden weder na hun Land, andere die hier bleven, met de geene die reets lange bevoorens van Cailpatnam hier waar „ren, kreegen van de Comp: een stuk lands, even buijten deze stad, alwaar zij wooningen opge„ „slaagen, tuijnen aangelegd, zig nedergeset, en tot heeden toe alleen onder de protectie van de Comp: gestaan hebben, om dat die Negerij maar pas een snaphaans schoot van de stad en ge „noegzaam digt onder de punt utregt lag, zo heb ik bij de jongste inval van den Nabab Haijder Alijchan die Negerij laaten afbreeken de boomen doen weg kappen, de plaats ten eene „maal laten plaineeren en de verwers een an„ der stuk grond gegeven aan het verste eijnde van de vlakte bij 'sComp:s Thuijn, alwaar te tans zeer wel woonen en daar meede al zo wel te vreeden zijn, als met hun voorig tewain Hun werk is grof en geschikt voor den Jnlander want, ze schilderen meest kleedjes voor't lijf en Hoofd gelijk bij de Jnlanders doorgaans gedragen worden, egter schilderen ze voor de ge¬ meente alhier nog al verscheide andere dingen tot dagelijks gebruijk, inzonderheijd verstaan ze zig op 't zwart verwen van linnen, het nig t geen en 355 en sommige van hen zijn schrij„ vers bij de kooplieden en grof in 't reekenen. wanneer en van waar de schoen„ tans geseeten zijn. ze maken ligt werk voorwei„ nig geld. geen tot groot gerief van de gemeente strekt bij het dragen van rouw Jn 't gemeen, werken de vrouwen niet met de mans, behalven eenige wijnige die het ambagt leeren en met de Mans te zamen werken; Maar de Mans laaten zig ook ge„ „bruijken als schrijvers of Canacapels bij de Joodse Canarijnse en Benjaanse kooplieden, en ook wel bij Europeezen, alzo zij accuraat in hunne aanteekeningen en zo Grif als secuur in het reekenen zijn; het getal van Hun be„ staat tans in 141. koppen of 23. Huijsgezinnen De Schoenmakers zijn ten tijde van makers hier gekomen, en waar wijlen den Heer Jacob de Jong (die hier van A=o 1723. tot A„o 1732. Commandeur is geweest / van Tutukorijn dit heen gekomen, en hebben ook een plaats buijten de stad gekreegen alwaar zij haare wooningen opgeslagen hebbende, tans woonen, hun handwerk verrigten, en alleen onder de protectie van de Comp: staan, ze be„ „staan tans uijt 71. koppen, of 16. huijsgezin„ „nen, onder dezelve vind men ook eenige die hier Christen en weer eenige die hier Moors geworden zijn, schoonze anders Heijdenen van afkomste zijn. De schoenen die te maken, zijn zeer Grof en ligt gewerkt, houden geen water en komen niet
English
and live in poverty. In what the Company's possessions consist. Chettua was acquired by the Company. not in neatness compared to those made at Tutucorijn, but they cost fully two-thirds less than the ordinary ones made here by the Europeans and Topasses, so that they only work for common people who patronize them for their cheapness. They are very poor and bear their poverty patiently; however, they are fairly happy because they are quite content with their state. Having described up to this point the rulers and kingdoms, as well as the inhabitants of this country, there now follow: The possessions of the Company on this coast, which consist of fortifications, the buildings and lands therein, which we have either conquered from the Portuguese or subsequently acquired. The latter are the Fort Chettua, which we built ourselves, and the conquest Paponatty, which we subsequently conquered from the Zamorin, as well as the protection over the two regions north and south of Paponatty, called the lands of Payencherij Nairo and the King of Cranganoor, all of which was taken from us again at the end of the year 1776 by the Nabob Hyder Ali Khan, When they were taken from us. as conqueror of the Zamorin, regarding which I refer to what was written on this subject under the articles concerning both Payencherij Nairo and the King of Cranganoor, and further in the secret resolution and ditto letter to Batavia of 5 and 7 March 1777. Our possessions are still the same as those we conquered from the Portuguese. Cannanore was ceded to Ady Raja. Poor condition of the fortifications of Cochin, in Ao 1771. The possessions that we conquered from the Portuguese themselves are the very same that we still hold, with the exception of Fort Cannanore, which the Company ceded to the Moorish ruler Ady Raja in the year 1771, for such reasons and in such a manner as can be seen in separate letters to Batavia of 15 March 1770 and 30 March 1771, as well as in a separate letter written from Batavia hither under date of 3 August 1770, to which I refer. Thus, of the fortifications, we still possess the city of Cochin, the forts of Coulan and Cranganoor, of which Cochin and Cranganoor in particular are quite strong. Upon arriving here, this city was in a very poor condition; there was neither a covered way nor a glacis to be found; the moat was virtually dry and full of islets at low tide, Authorization for their improvement obtained. because the moat receives its water from the river, where there are tides; boys ran about in it playing and catching crabs, and at high tide one could cross it up to the knees; part of the city lay completely exposed and without a moat; on the ramparts no merlons were to be seen; the parapets were no more than waist-high walls, covering a man no higher than the waistband, and thus there were also no banquettes; the wheels of the gun carriages projected above the so-called parapets, so that the enemy would only have had to shoot our wheels to pieces to silence our fire; in two places the city was very weak, for two faces of the two principal adjacent bastions, named Gelderland and Holland, precisely where the city was without a moat, were unflanked; the gun carriages on the ramparts were, through age and lack of tar, so bad that when salutes were fired from the walls, several carriages broke and the cannon fell to the ground. I therefore clearly demonstrated the defects of the city and the necessity of its repair, obtained authorization for its improvement, In what condition they currently are. Strength of the small fort Cranganoor. The usefulness thereof, and of Aycotta during the Nabob's invasion. and meanwhile immediately put hands to the work and got everything ready just before the hostile invasion of the Nabob Hyder Ali Khan; and by then the city was also provided all around with a proper moat with a covered way, and thus also with a glacis, the weakest places of the city properly reinforced, the bastions and curtains brought to their proper height, and parapets constructed everywhere, new gun carriages made and mounted with iron, as well as a considerable number in reserve, as can be seen in further detail in the successive separate letters written to Batavia in my time. Cranganoor is a small fort, yet uncommonly strong; before this the Nabob halted his advance, and it is here that he was stopped in his tracks, and had this little fort not been there, and had the corner of Aycotta not been fortified, they being the only two places outside the Travancore Lines where passage is possible, the Nabob would have broken through for good; and since the importance of this little fort has now been so clearly proven, it has subsequently been much more and considerably strengthened, being now provided with a faussebraye, which however is not new
Dutch transcription
en leeven armoedig waar in 'sComp:s bezittingen bestaan. Chettua is door de Comp: ge„ quisteerd. niet in netheijd bij die, welke te Jutucorijn ge„ maakt worden, dog te kosten wel twee derde minder, als de ordinaire die hier bij d' Europee„ „zen en Joepassen gemaakt worden, zo dat ze maar alleen werken voor geringe lieden, die om de goedkoopheijd, bij hun ter markt gaan. ze zijn zeer armoedig en dragen hunne ar„ „moede geduldig, egter zijn te gelukkig, om dat „ze met Mun staat nog al wel te vreeden zijn. tot dus verre beschreeven hebbende de vor„ „sten en Rijken, benevens de Jnwoonders dezes Lands, zo volgen nu: De Bezittingen van de Compag„ nie ter deser luste, dewelke bestaan in For„ „tificatien, de daar in zijnde Gebouwen en Landerijen, die wij of van de Portugeezen ver„ overd, of 't zedert daar bij geconquesteerd hebben. De laatste zijn het Port Chettua, dat we bound in paponeltij gecon„ zelvs, gebouwd en het Conquest Paponattij, dat we 't zedert van den sammorijn geconques„ „teerd hebben, benevens de protectie over de twee Landstreeken, benoorden en bezuijden, sa„ „ponetlij gen„t De Landen van Paijencherij Nairo en de koning van Cranganoor, welk een en ander ons in 't laatst van 't Jaar„ wanneer ons ontnomen zijn 1776. weder ontnomen is, door den Tabab Haijder Alijchan „ O 357 onze Bezittingen zijn nog de„ verovert hebben. Cannanoor is daar van aan Adij Ragia afgestaan. slegte gesteldheid van de forti„ Alijfhan, als overheerscher van den sammorijn waar omtrent mij refereere, aan het geen in dezen onder de Artikels zo van Paijenche„ „rij Nairo als van den koning van Crangan oor en voorts bij secreete Resolutie en d=to brief na Batavia van den 5. en 7=de Maart 1777. geschre„ ven is. De Bezittingen die we van de Portugeezen selve die, we van de portugeezen veroverd hebben, zijn dezelvde, die we als nog hebben uijtgenoomen het Fort Cannanoor het geen de Comp: aan den Moors Regent Adij Ra„ „gia in het Jaar 1771. afgestaan heeft om zoda„ „nige reden en op zodanige wijze als te zien is bij aparte brieven, den 15. maart 1770. en 30. maart 1771. na Batavia, zo meede bij aparte briev van Batavia dit heen geschreeven, onder dato den 3. augustus 1770. waar aan mij rafe„ „reere Dus bezitten we nog van de Fortificatien, de stad Cochim, de forten ficatien van Cochim, in A„o 1771. Coilan en Cranganoor, en dewelke inzonder heijd Cochim en Oranganoor al vrij sterk zijn hier komende was deze stad in eene zeer sleg„ „te gesteldheijd, daar was geen bedekte weg nog glasie te vinden, de gragt was genoegzaam droog en vol met Eijlandjes, bij laag water want qualificatie tot dies verbeete„ ring erlangd. /:want de gragt erlangs haar water uijt de revier, waar in ebbe en vloet is; /liepen er de Jongens en speelen en krabben vangen, en bij hoogwater kon men dezelve tot aan de knij„ en passeeren: een gedeelte van de stad lag ten eenemaal bloot, en zonder gragt, op de wallen waaren geen merlons te zien: de borstweeringe waaren niet meer als broek„ „weeringen, die een kerel niet meer als tot aan de broekband dekten dus waaren 'er ook geen bankels, de wielen van de affuijten ston„ „den boven de zogenaamde borstweeringe uijt zo dat de vijand alleen maar onze wielen aan stukken te schieten had, om ons vuur te doen twijgen; op twee plaatzen was de stad zeer zwak, want twee facen van de twee voornaamste naast elkander leggen„ de punten, gen„t Gelderland en Holland, juijst daar de stad zonder gragt was, waaren onbestreeken, de afsuijten op de wallen waaren, kotta door ouderdom en uijtgebrek van Theer zo slegt, dat als 'er van de wallen gesalueert wierd, verscheijde affuijten braaken en 't ge„ „schut op de grond viel, dus hebbe ik de ge„ „breeken van de stad, in de noodzakelijkheid van de verbeeteringe daar aan duijdelijk aangetoond, qualificatie tot dies verbeeterin„ inhoe ster „ge edan het 359 in hoedanigen staat thans zijn sterkte van 't fortje Cranga„ noor het nut van dien, en van aij kotta bij 's Nababs in val „ge erlangd, en intusschen onmiddelijk handen aan het werk geslagen en effen voor de vijan„ „delijken inval van den Nabab Heijder Slijshan, alles klaar gekreegen, en toen was ook de stad voorzien, rontom, met een behoorlijke gragt met een bedekte weg, en dus ook niet een glasij, de Zwakste plaatsen van de stad behoorlijk versterkt, de punten en Gordijnen op zijn behoorlijke hoogte gebragt, en over al parapetten aangelegt, nieuwe assuijten aan„ „gemaakt en beslagen, benevens een tame„ „lijk getal in voorraad, gelijk dat nader te zien is bij de successive aparte brieven in mijn tijd na Batavia geschreeven Cranganoor is een klijn Fortje, dog onge„ „meen sterk, hier voor heeft de Nabab zijn Hoofd geslooten, en hier is het, dat Hij in zijn vaart gestuijt is, en indien dit Fortje er niet was geweest, en men de Hoek van Rij„ „kotta niet versterkt had, als zijnde de twee eenigste plaatsen buijten de Linie van Tre„ „vancoor waar de passagie is, zo zoude de Nabab voor goet doorgebrooken zijn, en dewijl de aangelegentheijd van dit Fortje nu zo zeer gebleeken is, zo is het 'tzedert nog veel meer en merkelijk versterkt, zijnde tans voor„ zien met een fauce braij, die egter niet nieuw
English
How Cranganoor has since been further fortified. By which letters can be seen what has been imparted in this regard. Where Coilan is situated, and its condition. Not new, but in most places having either collapsed or fallen into the ditch, it has been raised up again, as there was no time to make a new one, and the same would also have cost far too much money. Furthermore, Cranganoor has a wide and newly excavated ditch, and a covered way, indeed even with a kind of second covered way a little distance from and somewhat lower than the first. This fort lies directly in a corner, having the river behind it on the left and right, and thus cannot be outflanked but can only be attacked from the front. It cannot be approached within ordinary cannon shot without the enemy being exposed to the artillery, because a considerably large hole, or rather an old silted-up bay that lay not far from the fort, has been filled in. Furthermore, I refer in this regard to what has been noted concerning this in the separate letters of 24 April 1778 and 25 April 1779, as well as to the secret instruction that I gave to the Chief and the Commander under date of 14 August of last year. Coilan, situated to the south in the territory of Travancore, is not so strong; however, it can still give an enemy plenty of work. The enemy cannot enter it from behind, as it is situated on the sea side, which is so furnished there with treacherous rocks that one cannot easily land, so that it can only be attacked from the land side. In my separate letters to Batavia of 1 May 1772, 25 March 1773, and 8 March 1774, likewise in the general letter of 2 January 1778, further mention is made regarding this fort, to which I refer. But since, as far as I know, nothing is now lacking in the fortifications of Cochin and Cranganoor, except that an eye and a hand must continuously be kept upon them so that one thing and another do not in time fall into decay again; and I even think that it would be a good thing to farm out at least the maintenance of the fortifications to the lowest bidder. While the report on the condition of everything, to be found among the annexes to this marked No. 4, could be taken as the basis for that maintenance, namely that everything must be maintained in that state as is noted in the aforesaid report; and this contracting could, in my opinion, take place under such conditions as are set forth under the annexes to this marked No. 5. And since the newly made covered way, if a hand is not kept to it, could very quickly fall into decay in the fair monsoon due to the severe drought, when the grass withers, the soil of the glacis continuously rolls off, and also the sand from the covered way can fall into the ditch; just as this same damage to the glacis, the covered way, and the ditch can even more easily be caused in the bad monsoon by the heavy rains, whereby the ditch would then gradually become full again and the covered way would lose its useful service, all of which would cost very much if it had to be repaired anew; therefore, the maintenance of the covered way and whatever further relates thereto has already been provided for by means of contracting out, as appears from the resolution of 17 February of last year. How now the aforesaid strongholds of ours ought, in my humble opinion, to be defended in case of need, I refer to my separate letter written specially on that subject to Batavia under date of 25 April 1779. But before I leave the subject of the fortifications, I ought still to mention something of: Bastion Stroomburg, which previously had a separate entry annually in the general description of this office, because directly beneath that bastion, as it lies on the river side, there is such a strong whirlpool that the wall of the same collapsed for some distance in the year 1762, and has since repeatedly run the risk of collapsing again, so that the place beneath this bastion constantly had to be provided with piling and other works; just as the same, after the collapse, besides the rebuilding of the collapsed portion to the sum of 6091 guilders, cost again from the year 1763 to the year 1770 the sum of 7510 guilders, or calculated on average 834 guilders, 9 stuivers annually. Since which time that bastion has cost the Company nothing more. I refer in this regard to what was written about it to Batavia in the general letters of 25 and 28 March of the years 1773 and 1774, from which, among other things, it appears that there is now a good foreground there.
Dutch transcription
hoedanig Cranganoor sedert nog versterkt is. bij welke brieven te zien is het ten dezen bedeelde. Coilan waar gelegen is, en dies gesteldheid nieuw maar op de meeste plaatzen of in„ gezakt of in de gragt gestord zijnde weder opgehaard is, al zo 'er geen tijd was om een nieu„ „we te maaken, en dezelve ook al te veel geld zoude gekost hebben, voorts heeft Cranganoor een breede en nieuw uijtgegrave gragt, en een bedekte weg, ja zelve met een zoort van tweede bedekte weg een weijnig van, en wat lager als de eerste, dit Fort regd in een hoek hebbende de revier links en regts agter zig, en kan dus niet omvleugelt maar alleen van vooren, geattacqueerd worden, op geen or¬ „dinaire kanon schoot is, het te naderen of de vijand staat voor 't geschut blood, door dien daar een Considerable groote kuijl of eijgent„ „lijk een oude verlande baaij, die niet verre van het Fort lag, gedempt is, voorts refe„ geep reere mij ten dezen aan het derweegens ge„ noteerd is bij apparte van den 24. April 1778. en 25. April 1779., zo meede aan de secreete Jnstructie die ik aan het opperhoofd en den Commandant onder dato den 14. Augt=s des verleeden Jaars gegeven hebbe. Coilan leggende om de zuijd, in het ge„ bied van frevancoor, is zo sterk niet, egter kan het een vijand nog al veel werk geven, de vijand kan 'er van agter niet inkomen, als tot aan 361. aan de fortificatie werken van queerd nu niets, als dat er hand maar aan word gehouden. aan te besteeden. Rapport van de gesteldheid van alle 's Comp:s werken. als leggende aan de Zeekant, die daar zoda„ „nig met leelijke klippen voorzien is, dat men er niet ligt landen kan, zo dat het maar alleen aan de land zijde kan g'attacqueert worden, bij mijn apparte brieven na Batavia van den 1. Meij 1772: 25. maart 1773. 8 maart 1774 item bij gemeene brief van den 2. Janu„ „arij 1778. word nopens dit Fort nader ge„ meld, waar aan mij refereere. Dan dewijl zo veel ik weet nu niets meer Cochim en Cranganoorman, aan de Fortificatie van Cochim en Cranga„ „noor manqueerd, zo is het van de uijtterste noodzakelijkheijd om er tog bij Continuatie het oogen de hand op en aan te laten Lou„ „den, op dat het een en ander niet met 'er tijd weder vervalle, en ik denke zelfs, dat het een goede zaak zoude zijn, om ten min„ tot dies, onderhouding is best„ sten het onderhouden van de Fortificatie aan de minst biedende aan te besteeden. Terwijl het Rapport van de gesteldheijd van alles, onder de bij bijlagen dezes te vinden gem=t No 4. gehouden zoude kunnen worden, voor de basis van die onderhoudinge nament„ lijk dat alles moet onderhouden worden in dien staat, zo als bij voorsz: Rapport be„ kent staat, en deze aanbesteedinge zoude na steeding zoude kunnen geschieden. „lijk vervallen als de hand niet aan werd gehouden. Hoedanig onze sterktens te defendeeren zijn. aanwijzinghodanig de aanbe, na mijne gedagten kunnen geschieden op de zodanige Conditien als onder de bijlagende, „zes gem„t N„o 5. opgegeven zijn. En dewijl de nieuw gemaakte bedekte, weg indien de hand daar niet aangehouden en bedekte weg zoude ookschie, word, al schielijk zoude kunnen vervallen, in de goede Mousson door de zwaare droogte, als wanneer het Gras verdort, het Land van de glasie bij Continuatie afrold, en ook het zand uijt de bedekte weg in de gragt kan storten, gelijk dit zelvde nadeel voor de gla„ in a„o 176 „sie de bedekte weg, en de gragt, in de quade Mousson door de zwaare Regens nog al lig„ „ter kan veroorzaakt worden, waar door de gragt dan weder gaande weg vol geraaken, en de bedekte weg haar nuttig gebruijk ver„ „liezen zoude, welk alles zeer veel zoude kosten indien zulks weder op nieuw moest, hersteld worden, zo is voor het onderhouden van de bedekte weg, en wat daar verder Relatie toe heeft, reeds bij wijze van aan„ „besteedinge gezorgd, blijkens Resolutie van 17. febru: des verleeden Jaars. Hoedanig nu voorsz: onze sterktens in Cas van nood mijns geringen bedunkens zouden dienen gedefendeert te worden, re „fereere mij aan mijne apparte onder dato wat, den Hoe veel aan de het on gekost 363 Hoe veel de ingestorte stuk aan de punt stroomburg en tot het onderhouden van deselve in a„o 176¾ gekost heeft gekost heeft, dog nu niets meer den 25. april 1779. na Batavia speciaal tot dat subject geschreeven. Dog eer ik van de Fortificatie afstappe diende ik nog iets te melden van. De Punt stroomburg, dewelke bevoo„ „rens Jaarlijks een apparte Post had bij de Generaale beschrijvinge van dit Comptoir om dat juijst onder die punt /: als leggende aan de revier kant /zo een sterke maal„ stroom is, dat de muur van de zelve A„o 176½. een endweegs ingestord is, en ze„ „dert telkens gevaar geloopen heeft om we„ „der intestorten, zo dat die plaats onder deze Punt geduurig met paal en ander„ werk moest voorzien worden, gelijk dan ook dezelve na de instorlinge buijten en wat, te sedert 1767/3. tot 1770 behalven de opbouwinge van het inge„ storte ter somma van ƒ 6091. —. van 'tJaar 176 6/3 tot A„o 177/e weder gekost heeft ƒ 7510. —. —. of door elkander gereekend Jaarlijks ƒ834. 9. -. zedert welken tijd die punt de Comp: niets meer gekost heeft, ik refereere mij ten dezen aan het geen daar over na Batavia geschreven is, bij de gemeene brie„ ven van den 25. en 28. maart van de Jaaren 1773. en 1774. waar bij onder an„ „dere blijkt, dat daar nu een goede voor„ grond
English
Fruitless effort that had been made previously against this, nor by sinking old vessels loaded with stones, which has been tried repeatedly in vain and therefore needs no longer be done henceforth, because such a sunken vessel was immediately smashed so severely by the strong eddy that one saw the pieces and fragments washed ashore outside the river against the beach in a short time, while in the meantime the stones ended up at the wrong depth without serving the purpose, namely to gain foreshore; so that only the application of hard or indeed ashlar stones from ruined pagan temples, which cannot be retrieved and transported without great expense, was still found to be best; through which I conceived the idea to first have a kind of berm built on piling, which cost only f 408. 9:–, and to have the permanent coolies of the equipment yard, in the afternoon and in the evening before they go home, each carry a load of stones from old and demolished works at Stroomburg and throw them down there, which thus costs the Company nothing, and nevertheless gradually creates a fine and spacious foreshore. Therefore, it is necessary to continually keep a hand on this and ensure that there are always old stones in stock, so that as soon as the foreshore subsides even a little, it can immediately be replenished again. And because the residence of the Second stands on that point and the residence of the Commander is also not far from there, and that place can thus be inspected daily by them, it is little trouble for them to turn their eyes toward it from time to time. Besides that, the master of equipment, who in his service is daily at the river gate and thus also daily close by, has standing orders once and for all likewise to look after it and, at the slightest subsidence, to fill up the foreshore with the stones lying in stock there by his men, without being allowed to incur separate expenses for it. Which means has still been the best, but the one now invented is of greater use. And such must be maintained, and who must keep an eye on it. The advantage that one has with it. This is indeed a small matter, yet one that cannot be praised enough, for spending f 7510. —. on it in nine years virtually without effect, as opposed to observing this small measure which costs nothing and has the required effect, seems to me an argument enough to mention such trifles. The plain in front of the city has been irregular and dangerous. With the invasion of the Nabob, one had to level it, and it is now flat. On the south side of the city, we have a fairly large plain, easily the length of a good cannon shot, but from ancient times that plain was very irregular, everywhere with hollows and elevations in and behind which in several places the enemy could have concealed himself without even being seen from the ramparts. In a word, this plain was in such a state that one could only walk across it via the footpaths, to the extent that sometimes in the evening several people fell into pits or trenches. This nevertheless had to remain so for some time because one had too much to do with the fortification works of the city. But when the invasion of the Nabob occurred, the most dangerous heights and hollows were first leveled as much as possible, and this has since been continued for some time. Thus, no more grading would be necessary because the plain is now fairly level, were it not that the beach on this side of the plain, between the points Holland and Gelderland, had washed up considerably from the sea, creating in the meantime such unsightly heights and channels, just like sand dunes, in and behind which fully 2 to 300 men could hide in more than one place. And because I am of the opinion that an enemy wishing to attack this city would do so from the south and from the side of the beach, I have continually had those wretched places made level and have continued doing so until now. Thus, in my judgment, this will still need to be continued for a while until the action of the sea on that side shifts and turns elsewhere, which one sometimes sees happening unexpectedly. Currently, only 25 coolies work on it per day, and each coolie receives 2 fanums or 3 stuivers per day, which is really not much compared to the urgent necessity to keep that uneven sandbank, which still washes up daily, level. For I still remember how the Nabob's troops, when we [illegible] Chittua. Yet on the beach side heights and channels wash up, which one must try to keep level.
Dutch transcription
vrugteloose moeite die men be„ welke middel het biste nog is geweest dog het nu uijtgevondene is van meerder vrund. „grond gepractiseerd is, en het nog toe onder„ „houden word met een zeer eenvoudig mid„ „del dat de Comp: geen geld kost, en dus niet met het aanbrengen van Levendige oesters, het geen zonder effect bevonden is, voorens daar tegens gedaan heeft ook niet door het laaten zinken van ou„ „de vaartuijgen met steenen het geen eens en andermaal te vergeefs geprobeerd is. en dus voortaan niet verder meer behoefd gedaan te worden, dewijl zo een gezonke vaartuijg, door de sterke maalstroom aan„ „stonds zo zeer aanstukken werkte, dat men de stukken en brokken in korten tijd buijten de revier tegen het stant aan„ „gespoeld zag leggen, terwijl intusschen de steenen in een verkeerde diepte geraakten zonder datze tot het oogmerk dienden: namendlijk om voorgrond te winnen, zo dat eenelijk het aanbrengen van harde of ook wel aarduijn steenen, uijt vervalle heijdense Jempels, dewelke niet zonder veel kosten te haalen en te vervoeren zijn, nog het beste bevonden wierd, waar door ik op de gedagten gevallen ben, om eerst een soort van berm op paalwerk te laten maaken, die maar ƒ 408. 9:–. gekost heeft, en door de vaste Coelijs van d' Equi„ pagiewer/ en werden en wie diend d 365 en zulks diend onderhouden te werden. en wie al, het, oog daar over diend te houden. „werf smiddags en 's avonds, voor datze na„ Huijs gaan, ider een dragt steenen van oude en afgebroken werken bij stroomburg te laa„ len aanbrengen en daar needer te doen smijten, het geen dus de Comp: niets kost, en egter gaande weg een schoone en ruijme voorgrond maakt, dus is het noodig om daar aan telkens de hand te houden en te zorgen dat 'er altoos oude steenen in voorraad leggen, om zo dra de voorgrond maar een weijnig Lakt, ten eersten we„ „der te kunnen aanvullen, en dewijl de wooninge van de secunde op die punt en de wooninge van den gebieder ook niet verre van daar staat, en dus die plaats dagelijks door Hun kan bezien worden, zo is het voor Hun weijnig moei„ te telkens het oog daar eens heen te wenden, behalven dat d' Equipagiemees„ „ter die in zijn dienst dagelijks aan de revier poort en dus dagelijks ook daar digt bij is, eens voor al order heeft, om insgelijks daar na te zien, en de voor„ grond bij de minste zakkinge met de daar in voorraad leggende steenen aan„ „tevullen door zijn volk zonder apparte onkosten daar voor te mogen opbrengen dit voordeel dat men daar meede heeft. de vlakte voor de stadis is regulier en gevaarlijk geweest. met den inval van den Nabab„ heeft men deselve moeten essen maaken en is thans vlak dit is wel een klijnigheijd, dog die egter niet ge„ noeg aanteprijzen is, want in Negen Jaaren ƒ7510. —. daar aan te veronkosten, genoegzaam zon„ „der effect, dan wel dit wijnige te observeeren dat niets kost en het vereijschte effect heeft dukkt mij is een argument genoeg om zulke klijnigheeden te melden. Maar wij hebben hier aan de zuijd zijde van de stad een tamelijke groote vlakte wel ter lengte van een goede Canon schoot, dog die vlakte was van all oude tijden zeer irregu„ „lier, over al met kuijlen en hoogtens waar in en agter welke op verscheijde plaatsen de vijand zig zoude hebben kunnen bergen, zonder zelvs van de wallen gezien te worden, niet een woord, deze makte was zodanig gesteld dat men 'er zelvs niet als over de voet paar „den kon heen gaan, in zo verre dat zomtijds in den avond verscheijde menschen in kuij„ len of langen vielen, het geen egter eenigen tijd zodanig heeft moeten blijven, om dat men met de Fortificatie werken van de stad te veel te doen had, maar toen den in„ val van de Nabab geschiede, zijn ten eer„ „sten de gevaarlijkste hoogtens en kuijlen, zo veel mogelijk effen gemaakt, en tzedert is, daar meede nog eenigen tijd gecontinueerd, dus 367 dog aan de strand kant spoeld hoogtens en killen. die men tragten moet issen te houden. dus zoude ir geen plaineeren meer nodig zijn, om dat de vlakte nu tamelijk eguaal is, in „dien het strand aan deze zijde van de vlakte tussen de punt Holland en Gerderland in„ de zee en maakt aldaar eenige tusschen niet zeer was aangespoeld en wel juijst met zulke leelijke hoogtens en killen„ even als zandheuvels, waar in en agter welke wel 2. a 300. Man op meer als eene plaats zig zouden kunnen verschuijlen, en dewijl ik voor mij in begrip ben, dat een vijand deze stad willende attacqueeren, zulks van de Zuid en aan de zeijde van het strand zoude doen, zo heb ik die misselijke plaatsen, tel„ kons equaal laaten maaken en daar meede tot dus lange gecontinueerd, dus zal daar meede mijns bedunkens nog wat dienen gecontinueerd te worden, tot de werkinge van de zee aan die kant zig ver„ „plaats en zig elders heen wend, het geen men zomtijds op het onverwagts ziet gebeuren, tans werken er maar 25. Coelijs sdaags aan en ider Coelij geniet 2. fanums of 3. stuijvers sdaags, het geen juijst niet veel is, in ver„ „gelijk van de hooge noodzakelijkheijd, om die dagelijks nog al aanspoelende oneffene Land„ „plaat equaal te houden, want ik herinne„ „re mij nog, hoe s Tababs troupes, toen we Chittua heft lke zi
English
The condition of Baypin on the south side was very dangerous for Cochin, and what was done regarding it. wanted to relieve Chettua by sea, lay in ambushes behind the heights and hollows on that well-known large projecting bank before Chettua, surrounded our detachment, and thus largely foiled that expedition. Something else occurs to me with regard to the fortifications: the opposite side of the island of Baypin, or actually the southern piece of land which the Company has there, was gradually planted with trees, so densely overgrown, indeed even so heavily built up with various structures, that an enemy could easily have nested there, thrown up batteries, and from them, if he had heavy artillery, could have done our city much harm. For this reason, I had all the trees and undergrowth cut down there and had several structures demolished, though giving the people time for the latter to make that demolition as tolerable as possible for them, as a result of which some have still remained standing here and there, which still ought to be removed, after which one will be able to look out from the other side of the river and will have a proper open plain there. The condition of the Company's buildings. Report of its finding. A defect on the loft of the Dispensary. The buildings of the Company are all in a fairly good state. From the letters sent to Batavia since the year 1771, it appears what condition they were in then and what has since been done to them, although I would have wished that the latter had happened before my time, since the Malabar trade books would then have shone with fewer expenses and thus with more profits before the invasion of the Nabob than otherwise. However, the conviction of the unavoidable and supreme necessity forced me to carry out those repairs, and the state in which the Company's buildings are to this day appears in the aforementioned report of the inspection of the fortifications, in which the present condition of the buildings is also stated. Yet it also appears that, although all the Company's buildings of this city are indeed in a good state, there is nevertheless a defect in the Dispensary, or actually on the loft of the grain warehouse, of which recently about a third part sagged due to the weight of the rice that lay upon it. This loft was already That defect has been remedied, but only to store light articles thereon. The Company's lands lie very divided. already built anno 1736 and has generally had to bear much weight, but despite the aforesaid defect it can still be used. For as soon as the sagging was discovered, in order to prevent accidents and the collapse of the entire loft, all the rice that lay upon it was immediately moved with a large labor force to various private places, whereby it could be jacked up again with screw jacks and supported with props, to such an extent that it is now usable again. I say usable, that is if one places thereon, for example, gunny bags, carwaat, empty barrels, and similar light articles; however, if one should have to store rice upon it again, then it will need to undergo a repair. The lands of the Company taken together also make up a fairly significant part of the Company's possessions, but are very divided, and it seems that in former times, when we still maintained the equilibrium among the indigenous rulers and practically laid down the law to everyone, one did not think that times could Remark regarding this, as to which places those lands lie. could change so much, and that it was therefore not deemed necessary rather to consolidate the possessions on land by taking from the other rulers what lay closest and giving them in return what lay closer to them and furthest from us, which could easily have been done then, whereas now our possessions everywhere, both in Travancore and Cochin territory, are very scattered. This continually causes difficulties between the residents on both sides, and especially with the renters who rent the aforesaid lands and gardens. For instance, before the fort of Cranganore we have just a cannon shot of land; behind Cranganore in the river, the islands of Moetoecoenge; on the right side of Cranganore to the east, a small island; the north end and the south end of the island of Baypin are two strips of land belonging to us, while the remaining part of Baypin belongs to the king of Cochin; on the east side of this city, about a cannon shot away, one already has the territory of the king of Cochin; and on the south
Dutch transcription
de gesteldheijd van buijpen aan de zigid zijde was seer ge„ vaarlijk voor Cochim wat daaromtrent is gedaan Chettua over zee wilden ontzetten, agter de hoog „tens en laagtens op die bekende groote uijtstee„ „kende bank voor Chettua in hinderlaagen geleegen, ons detachement om zingeld en dus die Expeditie voor het grootste deel ver„ „ijdeld hebben. — Nog vald mij iets bij, met relatie tot de For„ tificatien: de over zijde van het Eijland Baijpin of eijgentlijk het zuijdelijk stukje grond het geen de Comp: daar heeft, was suc„ „cessive zodanig met boomen beplant, zo digt bewassen, ja zelfs met verscheijde op„ „stallen zo zeer bebouwd, dat een vijand daar gemakkelijk zoude hebben kunnen nestelen„ Batterijen opwerpen en uijt dezelve, als Hij zwaar geschut had, onze stad, veel quaad en nog dind gedaan te werden doen. hier om heb, ik daar alle de boomen en ruijgtens laaten afkappen en verscheijde opstallen doen afbreeken, dog de lieden tot dit laatste tijd gegeven om hun zo veel mo„ „gelijk dat afbreeken dragelijk te maaken waar door 'er hier en daar nog eenige zijn blijven slaan, dewelke als nog dienen weg gedaan te worden als wanneer men aan de overkant van de revier van zig kan afzien en daar een behoorlijk vlak„ „te zal hebben De . 369 de gesteldhaid van 's Comp:s ge„ bouwen. Rapporit van dies bevinding aan de zolder van de Dispens s een manquement De Gebouwen van de Compagnie, zijn alle in een tamelijke goede staat uijt de af„ „gegaane brieven na Batavia zedert het Jaar 1771. blijkt, hoe dezelve toen gesteld waa„ „ren, en wat 'er 't zedert aangedaan is, schoon ik wel gewenscht had, dat het laatste voor mijn tijd geschied was, alzo de Malla„ „baarse Negotie boeken dan voor den inval„ van den Nabab met nog al minder lasten en dus met nog al meer avantagies zouden gebriljeerd hebben, als anders, dog de over„ „tuijginge van de onvermijdelijke en ten allerhoogsten geklommene noodzakelijk„ heijd heeft mij genoodzaakt die reparaties te doen en in welken staat 's Comp:s gebou„ „wen zig tot nog toe bevinden, blijkt bij het hier vooren geciteerd Rapport van den op„ neem der Fortificatie, hwaar bij de tegens„ „woordige gesteldheijd der Gebouwen ook opge„ „geven word, dog teffens blijkt, dat schoon alle 's Comp:s gebouwen dezer stad wel in een goeden staat zijn, er egter een man „quement is aan de Dispens of eijgentlijk aan de zolder van het graan Pakhuijs, waar van onlangs, omtrend een derde ge„ deelte doorgezakt is, weegens de zwaarte van Rijst, die 'er oplag, deeze kolder is. reets oog dat manquement is geremedi„ eert, dog maar om ligte Arti„ eels daar op te bergen. s Comp:s Landerijen leggen zeer verdeeld. reets anno 1736. gemaakt en heeft doorgaans aanmerk veel zwaarte moeten dragen, dog kan onge„ „agt voorsz: manquement nog gebruijkt worden, want zo drade doorzakkinge ontdekt wierd, is ter voorkominge van on„ gelukken, en het begeeven van de geheele zolder all de rijst dierer oplag ten eersten met magt van volk overgedragen na dee„ ze en geene particuliere plaatsen, waar door ze met dommekragten weder heeft kunnen opgelegt en met stullen ondersteund worden, in zo verre, dat dezelve nu weder bruijkbaar is, ik zegge bruijkbaar dat is in„ „dien men er bij voorbeeld Goenie zakken, Carwaat, ledige vaatwerken en diergelijke ligte artikels opbrengd, dog indien men 'er weder Rijst op zoude moeten bergen, dan zal dezelve dienen een reparatie te ondergaan, De Landerijen van de Compagnie tsaa„ men genoomen, maaken ook nog al een tamelijk deel van 'sComp:s bezittingen uijt, dog zijn zeer verdeeld, en het schijnt dat men in vroegere tijden toen we onder de Jnlandse vorsten nog het equilibrium hielden en aan ijder genoegzaam de wet stelden, niet gedagt heeft, dat de tijden zo ter rijen welke leggen 371 aanmerking daar omtrent ter welke plaatsen die lande rijen leggen. zo zeer zoude kunnen veranderen en dat men derhalven niet nodig geoordeeld heeft, liever op ze bezittingen te lande bij een te trekken, met van de andere vorsten wat te neemen, dat het digste bij lag, en daar voor „hun wederom te geven; het geen nader bij kun en het verste van ons lag, het welk men toen gemakkelijk zoude, hebben kunnen doen, daar nu onze bezittingen over al zo in het Trevancoorse als Cochim„ „se zeer verspreijd zijn, het geen geduurig moeijelijkheeden veroorzaakt, tusschen de weder zijdse inwoonders en inzonderheijd met de pagters, dewelke voorsz: landen en thuijnen paglen, want zo hebben wij voor 't fort Cranganoor maar effen een Canon schoot gronds, agter Cranganoor in de revier, de Eijlanden Moetoecoenge aan de regter zijde van Cranganoor na 't oosten een klijn Eijlandje, het noord eijnde en het zuijd eijnde van het Eijland Baijpin zijn twee strooken grond ons toekomende. ter„ wijl het overige gedeelte van Baijp in den koning van Cochim toekomt; aan de oost zijde van deze stad omtrend een Canon schoot verre, heeft men al het grond gebied van den koning van Cochim, en aan de zuijd
English
and salt pans are on it, what would be best to do in that regard. On the south side of the city, we also have ground only a cannon shot distant, while we have the river to the north and the sea to the west: the islands at the front in the river are ours, which the Portuguese also had, of which Bendvertij is the largest; furthermore, in the middle of Trevancoor's land as far as Coilan, we have several pieces of land scattered here and there, in which regard I refer to the accompanying Note marked No 6, in which all the lands and gardens that we possess are specifically indicated with a showing of where they lie, constituting together nine islands, sixty-nine gardens and plots of ground, under which is also included the plain from the Company's garden up to Calwettij (Calwettij is actually that terrain where our shipyard stands) amounting to 42089 fruit-bearing coconut and other trees, 4507½ parras of sowing lands and 19716 salt pans; so that if everything belonging to us that is so scattered lay together, it would still be quite a fine piece of ground. Thus it would deserve consideration whether it would not be better to yield those several pieces of ground, at least those situated south of Cochim in Trevancoor territory, to that prince, and to negotiate in return for approximately as much terrain from him bordering against our territory; but since I, believing I know the nature of the Malabar princes and especially of Trevancoor, do not believe that Trevancoor will cede a handbreadth of his land, so that if one wished to get rid of those so greatly scattered gardens and lands and of the difficulties arising therefrom, there would be no other way than simply to sell the same to Trevancoor for a capital sum somewhat proportioned to the annual revenues that we enjoy from them and that one could calculate as interest, which might well succeed, as the native princes, through their harsh rule, draw more revenues from gardens and lands than we do; for I cannot see why we should not rather accept a good sum of money for those grounds into the Company's treasury than to draw an annual income from them, concerning which one now and then has difficulties, and which revenues might sometimes, with a change of times, become uncertain for us. About halfway between here and Coilan, or actually at Porca, the Company has a stone lodge and a pepper warehouse, where a bookkeeper resides as Resident to collect the pepper, but we have no further land of our own there other than a few paces around the warehouse and the lodge. About halfway between Porca and Coilan, inland (for Porca lies on the beach), lies Calicoilan, where a bookkeeper also resides as Resident, and where there is likewise a stone pepper warehouse and lodge of ours, likewise with only a few paces of ground; and outside the fortress of Coilan we have nothing but a little ground, which is also scarcely a cannon shot distant, and of which the inhabitants even pay poll taxes to the king of Trevancoor, just as the Parruas at Tutucorijn pay to the Armana. Now as regards our establishment consisting of shipping, militia, and artillery, it serves to state that with respect to shipping, that establishment here is not large, as one has here only a two-masted and a one-masted sloop, item a fast-sailing native vessel, together with seven gamels and three scows, serving for loading and unloading, and to fetch water daily from up the river for the garrison, besides also a rowing vessel to tow and to bring the people to and from on board, of which aforesaid gamels three are outfitted for war in order to be used in the river, and which are made in such a way that one can convert them in a moment from a war gamel to a cargo gamel, and from a cargo gamel to a war gamel; since everything belonging to the latter, being made with mortise and tenon and numbered, can quickly be taken in and out; while the artillery, and whatever further belongs thereto, lay ready separately in the ammunition house, to be placed just so upon the gamels together with some soldiers and artillerymen. We have here only few European sailors, so that we must further manage with native ones to man our aforesaid vessels and to do service at the yard. Yet since I speak here of our vessels and of loading and unloading, I cannot omit noting in that regard, namely that in loading and unloading, if one proceeds with good deliberation, one can contribute quite a lot toward discharging and loading a ship quickly, barring extraordinary accidents, whereby such a ship, if for one reason or another it does not have to call at Ceylon, may quickly return to Batavia and find immediate employment there again, which at least in my time generally took place here, until we became embroiled in difficulties with the Nabob, as from that time on the ships had to be detained here until the end of the good monsoon, in order to guard the island of Baijpin and keep this roadstead safe for the vessels that come here to trade. It is well known that the Company attaches extraordinary importance to the prompt dispatch of its ships, and it is for that reason that there is scarcely an article that continually
Dutch transcription
en zout pannen daar op zijn wat het best zoude zijn daar omtrend te doen. Zuijd-zijde van de stad, hebben we ook maar een Canon schoot verre, gronds, terwijl we de revier aan 't Noorden en de Zee aan het westen hebben: de Eijlanden voor aan in de revier zijn de onze die de portugeezen ook gehad hebben, waar van Bendvertij het grootste is; voorts hebben we in het mid„ „den van Trevancoors land tot Coilan toe verscheide slukken lands, hier en daar ver„ „spreijd, ten welken belange mij refereere aan de Nevensgaande Notitie gem„t N=o 6. waar bij specificq aangeweezen worden alle de landen en tuijnen die wij bezitten met aantooninge waar te leggen, uijt„ „maakende tesamen Negen Eijlanden Negen en sestig thuijnen en gronden, waar onder ook begreepen is de vlakte van 's Comp:s thuijn tot aan Calwettij /: Calweltij is eijgentlijk dat terrain, waar onze hoe veel boomen zaaijvelden scheepstimmerwerf staat :/ bedragende 42089. vrugtdragende klapper, en andere boomen 4507½. parras Zaaijlanden en 19716. zout pannen; zo dat indien alles wat van ons zo verstrooijt is, bij elkander lag, het nog al een mooije lap gronds zoude zijn, Dus zoude het zijne Bedenkinge verdienen, of het niet beter was, die verscheijde stuk„ „ken 373 „ken gronds ten minsten bezuijden Cochim in het Trevancoorse geleegen aan dien vorst liever overtelaaten en daar voor weder te bedingen omtrent, zo veel terrain van Hem tegen ons territoir grenzende, maar dewijl ik de aard der Mallabaarse vorsten en inzonderheijd van Jrevancoor meenende te kennen niet geloove dat Jrevancoor een hand breed van zijn land zal afstaan, zo dat indien men van die zo zeer verspreijde thuijnen en Lande„ „rijen van de daar uijt ontslaane moeij„ „elijkheeden wilde afkomen, er niet anders op zoude zijn, als dezelve aan frevan„ „coor maar te verkoopen, voor een Capi„ taal, eenigzints geproportioneerd na de Jaarlijkse revenuen die wij er van genie„ „ten en men als intrest zoude kunnen bereekenen, het geen mogelijk wel gaan„ zoude, alzo de inlandse vorsten door Hun„ ne harde Regeeringe uijt Thuijnen en landerijen meer revenuen trekken als wij, want ik kan niet zien waarom wij niet liever een goede somma gelds voor die gronden in 's Comp:s Cas zouden accepteeren, als van dezelve Jaarlijks een inkomen te trekken, om dewelke men onse bezittinge te porca. en te Calicoilan zo meede te Coilan men nu en dan moeijelijkheeden heeft, en welke revenuen zomtijds bij verandering van lijden, voor ons onzeker zouden kunnen w „den. menhef Omtrend de helfte tusschen hier en Coilan of eijgentlijk op Porca heeft de Comp: eene steene logie en een Peper Pakhuijs, alwaar een Boekhouder als Resiedent ligt, om de pepergeb intesamelen, dog we hebben daar verder geen, eijge grond als eenige schreeden rontom het Pakhuijs en de Logie omtrend de helfte tus„ en Porca en Coilan landwaarts in (:want Porca legt aan strand:/ legt Calicoilan alwaar ook een Boekhouder als Resident legt, en almeede een steene Peper Pakhuijs en logie van ons is, insgelijks maar met eenige schreeden gronds, en buijten het Fortres Coilan hebben we niets als een weijnig gronds, dat ook pas een Canon schoot ver is, en waar van de inwoonders zelfs hoofd=gelden aan den koning van Jrevan„ „coor betaalen, even gelijk de Parruassen te Tutucorijn aan den Armana betaalen. Wat nu aangaat onze slagt bestaan„ „de in de Zeevaart, Militie en Ar„ thillerij zo dient, dat met betrek„ „kinge tot De het getal vaar 375 De Zeevaart, dien omslag hier niet het getal der vaartuigen die men heeft.. waar toe de gamnellen werden gebruikt groot is, alzo men hier maar een twee mastig en een een mattige Chialoup, item een snel zeijlend Jnlands vaartuijg, bene„ vens seven gamellen en drie schouwtjes heeft, dienende tot lossen en laden, en om dagelijks water van boven uijt de revier voor 't guarnisoen te haalen, behalven nog een Roeij vaartuijg, om te boegseeren en om de lieden af ten aanboord te brengen, van welke voorsz: Gamellen er drie ten oorlog toegetuijgd zijn, om in de revier ge„ „bruijkt te kunnen worden, en dewelke zodanig gemaakt zijn, dat men dezelve in een ogenblik van een oorlogs= Gamel, tot een los gamel, en van een los Gamel tot een oorlogs Gamel kan emploijeeren; dewijl alles, wat tot het laatste behoord, met pen en gat gemaakt en genommerd zijnde, spoedig in en uijt kan genomen wor„ „den; Jerwijl het geschut, en wat verder daar toe behoort, in 't ammonitie huijs afzonderlijk klaar leed, om zo maar op de Gamellen benevens wat militairen en Arthilleristen geplaatst te worden, we heb„ ben hier maar weijnig Europeeze Mat„ „trooken, zo dat we ons verder moeten behelpen met goed overleg te werk gaan„ de kunnen de scheepen spoedig waar aan de Comp: veel gele„ behelpen met Jnlandse, om onze voorsz: vaartuijgen te bemannen en op de werf dienst te doen. Dan dewijl ik hier van onze vaartuij„ gelost en gelaaden werden. „gen en van lossen en laden spreeke, zo kan ik niet voor bij, ten dien belange te notee„ ren, namentlijk dat men in het lossen en laden met goed overleg te werk gaande nog al veel kan Contribueeren om een schip buijten extra toevallen spoedig te lossen en te laaden, waar door dan zo een schip in„ dien het om de eene of andere reeden Ceilon niet, moet aandoen, spoedig te Batavia terug keeren, en daar onmiddelijk weder emploij kan vinden, het geen ten minsten in mijn tijd, hier doorgaans plaats gehad heeft, tot dat we met den Nabab in moeij elijkheeden geraakt zijn, alzo men van dien tijd de scheepen hier heeft moeten aan„ houden, tot het eijnde van de goede mous„ „son, om het Eijland Baijpin te bewaaren in deze Rheede veijlig te houden, voor de vaartuijgen die hier ten Handel komen. Het is bekend, dat de Comp: ongemeen veel gelegen, legd, aan het spoedig depecheeren van Haare scheepen, en het is daarom, dat er bij na geen artikul is, dat bij Continua„ tie gen legt.
English
What one has to observe regarding the unloading and loading. Remark regarding that observation. That is recommended with so much emphasis, namely, by all means not to delay any ships needlessly for a single moment. Here one has, besides the ordinary sea and land winds, ebb and flood; our unloading vessels are broad, capable of carrying much cargo, being strong though very clumsy, unable to carry sail except before the wind, so that at least twelve men, for which purpose coolies are used here, must row on each gamel; this and that should be taken into account, so that the vessels, under favour of the land wind or ebb, can go outward and have their cargo by the time that either the sea wind or the flood comes through; for if this is not attended to, one sees that the gamels in due course can neither come on board nor return from on board into the river, whereby each time a day and night is lost; and since the gamels go on board empty, and the ships usually must take in one thing or another, for the delivery of which one sometimes waits until the very last, for which purpose express gamels must then again be sent, and with which then again a few days are lost, which one could have gained with good forethought, if one were somewhat attentive here and ascertained whether, when the gamels go out to the ship empty and the ships begin to get a little space, such items that must go into them could not also each time be sent on board, and be stored provisionally somewhere without hindering the unloading. One will perhaps think that this is an unnecessary remark, because the observing of ebb and flood, land and sea winds, and a proper employment of the unloading craft are the slightest proficiencies that a seaman and an equipage master ought to have, and I admit this too; but experience has taught me that continuous attentiveness in that regard is necessary, and because this is an article of too great importance, I have not shrunk from entering into this slight detail. Usually a ship arrives here from Ceylon at the end of the year to fetch pepper, bringing also what we have requisitioned from Ceylon; this ship is then immediately sent on to Porca and Calicoilan to load pepper there and, being laden, to return directly to Ceylon without expressly having it come to this roadstead again to fetch the papers, as previously took place here, but now no longer, since the papers can in the meantime be prepared here and sent overland to Porca or Calicoilan, whereby a few days are also gained again. Thus proceeding to: The military, as a necessary item to protect our possessions, I must remark to my heartfelt regret that military affairs here have usually, at least for some years past, been in a very weak state, and that however much I have emphatically reported this time and again and demonstrated the danger into which one might easily fall here because of it, it was nevertheless utterly impossible for the High Government at Batavia to increase our garrison by any significant number on account of their own shortage, so that the prestige of the Company among the native princes here had to be maintained more by industry than by military strength, and the Nabob Hyder Ali Khan would undoubtedly not have attacked us so hostiley if he had only been equal in power to Travancore and Cochin and had not been such a mighty and enterprising conqueror; but however mighty and enterprising one may assume him to be, I think nevertheless that if our military strength had only been more considerable and proportioned to our possessions, or if he had only not been assured that we were here in such a powerless state, he would not yet have dared to attack us, just as he has also not dared to undertake anything more since our military strength here has become more considerable. Remarkable is the observation of the Assembly of 17 in the general letter of 30 October 1776 regarding the weak state both of the Company's military strength and of the artillery in particular on this coast, reading verbatim as follows: The deep decay in which that power has found itself seems to have been evident even to the native princes and on
Dutch transcription
377 wat men omtrent het lossen en laden te observeeren heeft. remarque omtrend die obser„ rantie. tie met zo veel nadruk aanbevoolen word, namentlijk, om tog geene scheepen een ogenblik nodeloos optehouden. Hier heeft men, behalven de ordinaire zee-en, landwinden, Ebbe en vloed, onze lose vaartuijgen zijn, breed, die veel laden kun„ „nen, zijnde sterk dog zeer lomp, kunnen„ „de geen zeijl voeren als voor de wind, zo dat ten minsten twaalf man /waar toe men hier Coelijs gebruijkt /op ider gamel moeten roeijen, dit een en ander diend in agt genomen te worden, op dat de vaartuij„ „gen, onder faveur van de landwind of Eb„ „be, kunnen na buijten gaan en haare lading hebben, tegen dat, of de zee wind, of de vloed doorkomt, want als daar niet opgelet word, dan ziet men dat de Gamels op zijn tijd of niet aan boord of niet van boord in de revier kunnen komen, waar door dan telkens een elmaal ver„ „loopt, en dewijl de Gamels ledig aan boord gaan, en de scheepen doorgaans het een of ander moeten inneemen, tot het ingeeven van welk men zomtijds wagt, tot op het laatste, waar toe dan weder expresse Gamellen moeten gezon„ den worden, en waar meede dan ook weer er kan men, heeft bij ondervindinge op welke tijd hier ordinair, een schip van Ceilon komt om peper te halen. weer eenige daagen verloopen, die men met een goed overleg, had kunnen winnen, zo men hier wel wat attent op zijn en vernee„ „men of er wanneer de Gamels ledig na boord gaan, en de scheepen een weijnig ruim „te beginnen te krijgen, dan niet telkens zul„ „ke artikels ook na boord gezonden worden, die 'er op moeten zijn, en zonder belemme„ ringe van het lossen bij provisie als er„ „gens kunnen geborgen worden, men zal mogelijk denken, dat dit een onnoodige aan„ merkinge is, om dat het waarneemen van Ebbe en vloed, land en zee winden, enwa Hoog een behoorlijk emplooij van de losvaartuij„ nie „gen de geringste kundigheeden zijn, die een Zeeman en een Equipagiemeester diende te dat zulks nood zakelijk is hebben, en ik bekende dit ook, maar de onder„ vindinge heeft mij geleerd, dat het Continu„ eel loetigt daar omtrent noodzakelijk is, en om dat dit een artikel van te veel aangelegentheijd is, zo heb ik mij niet ontzien, in dit geringe detail te treeden. Doorgaans komt hier in het laatste van het Jaar een schip van Cuilon ompeper ee„ tehaalen, brengende meede wat we van Ceilon g'Eijscht hebben, dit schip zendmen dan maar ten eersten na Porca en Calicoi„ e lan wat agt 379 wat dat daar omtrent in agt diend te neemen. de militie, is hier steeds in een, swakke staat geweest en Haar Hoog Edelheedens hebben haar niet kunnen versterken. lan, om daar peper te laaden en, gelaaden zijnde direct na Ceijlon te rug zonder Juijst weeder na deeze Rheede te doen komen, om de pa„ „pieren te haalen, gelijk dat bevoorens hier plaats had, dog nu niet meer, alzo de Papie„ „ren hier intusschen wel klaar gemaakt en over land na Porca of Calicoilan kunnen gezonden worden, waar door dan ook weer eenige dagen uijtgewonnen worden. Dus overgaande tot De Militie als een noodzakelijk artikul om onze bezittingen te bewaaren moet ik tot mijn hartelijk leetweezen aanmerken, dat het Militaire weezen hier doorgaans ten minsten eenige Jaa„ „ren herwaards in een zeer zwakke staat geweest is, en dat hoe zeer ik zulks ook eens en andermaal met nadruk opge„ „geven, en het gevaar aangetoond hebbe„ waar in men daar door hier ligtelijk zoude kunnen geraaken, het de Hooge Regeeringe te Batavia egter volstrekt onmogelijk is geweest, ons guarnizoen met een naamwaardig getal te ver„ meerderen uijt hoofde van eijge gebrek, zo dat het aanzien van de Comp: onder de met de Nabab zeude ons niet aan„ swakheid niet bekent geweest. 't zedert onze magt aansie„ niet meer ondernomen.. Jores over het verval van de militair magt hier. de inlandse vorsten alhier meer door industrie als door het Militaire weezen heeft moeten staan„ gelast, hebben wes hemonze „ de gehouden worden, en de Nabab Haijder Alijfhan ons ongetwijffeld, zo vijandelijk niet zoude aan„ „gevallen hebben, indien Hij maar in Magt met Jrevancoor en Cochim gelijkstandig en niet zo een Magtigen en onderneemende Conquerant was geweest, maar men mag hem zo magtig en onderneemend stellen, als men wild, ik den „ke egter dat als onse Militaire Magt maar aanzienelijker en geproportioneerd na enze bezittinge was geweest, of indien hij maar niet verkekert was geweest, dat we hier in zo een magtelooze staat waaren, Hij ons nog niet zoude hebben durven aanran„ „den, gelijk Hij ook niets meer heeft durven nelijker is geworden heeft hij doen, zedert onze Militaire Magt hier aanzienelijker geworden is; aanmerkelijk is de Remarque van de vergaderinge van 17. bij generaale briev van den 30. 8ber: 1776. nopens den zwakken slaat zo van 's Comp:s Militaire Magt, als van de Arthillerij in aanmerking van de Heeren ka„ het bijzonder ter deze Cust luijdende be„ „woordelijk aldus. het diep verval waar in die magt zig heeft bevonden schijnt, zelvs de in„ „landse vorsten in 't oog te zijn geloopen en op
English
one is now obliged to maintain excessive defense expenses. Many decrepit persons are in the garrison here. It has made impressions on their minds that one would wish could have been prevented. While in the meantime we are now obliged to incur costs to keep ourselves in a state of defense by engaging native troops and on account of the further apparatus which such attacks naturally bring about, to bear such excessive expenditures merely to remain on the defensive and simply preserve what we still have, whereas for half of those extra costs we could have had a larger military force here, and thus possibly have preserved our possessions. But it is now so, and what has passed cannot be undone, but now that we have experienced the consequence of such a weak condition, I think that even though the matter with the Nabab were settled, we nevertheless ought not only to have somewhat more European military men here, but also at least for the present to retain our native troops. But the most lamentable is that among our garrison so many are decrepit, who at best can only stand sentry, so that if one wished to count on the number, one would miscalculate, while in the meantime one cannot drive those people out onto the dyke like old horses when they have become decrepit in the Company's service, nor pension them off, because they have not served as many years as the order requires, unless the Company, out of a singular favor and to rid Malabar once of those decrepit soldiers, were willing to grant them a pension. It would be good if one could obtain a pension for them. One may well continue to retain native Christians and Chegossen in service, because they cost only half as much as the sepoys. Concerning the native military men, one may well continue to retain native Christians and Chegossen in service under the name of Malabar soldiers, being natives of this country who, having wives and children here, fight just as well for their peaceful habitation and desert less than the sepoys, which latter in this open country sometimes run from one side to the other according as the fortunes of war incline, besides that the native Christians and Chegossen cost almost only half as much as the sepoys, regarding which I refer to what I have written to Batavia about it in separate letters of 30 April 1778 and 27 October 1780. By the latter letter it appears how, on account of the known shortage of European military men, I have tried to derive all possible benefit from the native troops and especially from the sepoys, at least no less than what the English derive from them, who with their sepoys manage to accomplish quite a lot here in the Indies. A trial has been made to send sepoys to Batavia, with which Their High Noble Lordships were so well pleased that 300 men were demanded. But regarding the sepoys I must particularly remind Your Honor how I, being aware that they also have a great shortage of people in Batavia, once made a trial, namely to send some sepoys from here to Batavia, as appears from my separate letter to Batavia under date of 20 October 1779, and with which I have since continued up to a number of 190 heads, which has pleased Their High Noble Lordships so well that by letter of 27 July 1780 another 300 pieces were demanded, of which 180 have already been sent, while the remaining 120 can be sent at a further opportunity, when that demand would then be completely fulfilled. Recommendation to recruit still more of those people for Batavia. What is the principal thing to observe regarding the soldiers. However, I advise Your Honor, in the upcoming bad monsoon, nevertheless not only to accept those who present themselves for it, but even to look out for still more, provided they are young and brisk people, because I do not doubt but Their High Noble Lordships will require still more of those people, while Your Honor, in the contrary case and not needing more people, can always retain them and give dismissal in their stead to others who are less brisk, as Your Honor knows can easily be done with the sepoys. The principal thing that one should observe regarding the soldiers in general, and by which I have found myself best served, is to ensure that the soldier effectively enjoys what is due to him, but also no more; that he is mistreated neither with words nor with deeds, nor repeatedly caned for every trifle, but that on the contrary, for every offense which he knows is forbidden to him on pain of punishment, he is punished according to the law without any excuse, and thus kept under good discipline; and finally that he is kept neat in clothes and continuously
Dutch transcription
381 men is nu verpligt excessieve„ van defensie te houden. veel Caduke menschen zijn in het guarnisoen hier op hunne gemoederen indrukken, te hebben gemaakt, die het te winschen waare, dat men had kunnen voorko„ men terwijl we intusschen nu verpligt zijn, kosten te doen om ons in staat door het in dienst neemen van Jnlandse troupes en weegens den verderen omslag, dewelke diergelijke aanvallen tot een na„ tuurlijk gevolg hebben, zulke excessive on„ gelden te dragen, om zelvs maar bij het defensive te blijven en slegts te bewaaren het geen we nog hebben dat we wel voor de helfte van die meerdere kosten hier een Grooter Militair Magt, zoude kun„ nen gehad, en dus mogelijk onze bezittin„ „gen behouden hebben: dan het is nu zo, en het gepasseerde is niet te herdoen, maar nu we het gevolg van zo een zwakke loesland ondervonden hebbe, zo denke ik dat schoon de zaak met den Nabab bij „gelegd wierd, we hier evenwel niet alleen wat. meer Europeeze Militairen dienen te hebben, maar ook ten minsten voor eerst onze inlandse troupes moeten aanhouden. Haar het jammerlijkste is, dat onder ons Guarnisoen zo veel Coduce zijn, die op zijn best genoomen maar schildwagt kunnen dustrie staan„ zo ig het zoude goed zijn zo men hen men mag wel Continueeren Chagissen in dienst te houden. om dat dezelve maar halv zo veel als de sipais kosten. kunnen doen, zo dat men op het getal willende reekenen zig misreekenen zou„ „de, terwijl men intusschen die menschen als in 'sComp:s dienst, Cadue geworden, niet als oude Paarden op den dijk Jaagen nog hun gagieeren kan, om datsze zo veel Jaaren een genade brood konde urgen niet gedient hebben, als volgens de ordre daar toe staat, ten waare de Comp: uijt een zonderlinge gunst, en om de Mallabaar eens van die Caduce Militairen te ont„ don, dezelve een genade brood wilde geven. Omtrend de Jnlandse Militairen, mag met inlandse Chrristenen en men wel Continueeren, met Jnlandse Chris„ „tenen en Chegossen onder den naam van Mallabaarse zoldaaten in dienst te hou„ „den, als zijnde Naturellen dezes lands, die hier vrouwen en kinderen hebbende dus voor de geruste inwooninge zo goed vegten en minder Dekerteeren, als de si¬ „pais, welke laatste hier in dit openland „tal wel eens van den eenen na den anderen loopen, na maate de kans van den oor„ „log helt, behalven dat de Jnlandse Chris„ tenen en Chegossen bij na maar zalv zo veel kosten als de sipais, waar omtrend ik mij referëre aan het geen ik daar over na Batavia geschreeven hebbe bij aparte „dens waar missive 383 nen heeft een preuve genomen sipais na Batavia te zenden waar megde haar Hoog Edelhee„ pdat nog 300. man geijscht zijn missiven van den 30. april 1778. en 27. 8ber: 1780. bij welke laatste briev blijkt, hoe ik uijt hoofde van het bekende gebrek aan Europeeze Militairen, getragt hebbe, om van de inlandse troupes en voor al van de sipais all het nut te trekken wat 'er maar eenigzints van te trekken is, ten minsten dat niet, wat 'er de Engelse van trekken, die met Hunne Sipais hier in Jndien al vrij veel weeten uijttevoeren. Dog nopens de sipais moet ik UWEd: nog in het bijzonder herinneren, hoe ik bewust zijnde, dat men te Batavia ook groot gebrek aan volk heeft, eens een preuve genomen heb„ „be, namentlijk om eenige sipais van hier na Batavia te zenden, blijkens mijn Apar„ „te briev na Batavia onder dato den 20. oc„ tober 1779. en waar meede ik 't zedert ge„ continueerd hebbe, tot een getal van 190. kop„ „dens zo wel te vreeden waaren„ pen, het geen haar Hoog Edelheedens zo wel bevallen heeft, dat bij briev van den 27. Julij 1780. nog 300. stuks ge-eijscht zijn, waar van reets 180. gezonden zijn, terwijl de overige 120. bij nader gelegent heijd kunnen gezonden worden, wanneer dan die Eijsch Compleet zoude voldaan zijn, egter rade ik UWEd: om in de aan„ „staande a 2 aanprijsing om nog meer van dat volk aanleverven voor a Batavia wat men het voornaamste in agt heeft te neemen omtrend de militairen staande quaade mousson evenwel niet alleen de zulke te accepteeren, die zig daar toe komen aangeven, maar zelvs ook, na nog meer mits het Jong en fluks volk zij„ te laaten uitzien om dat ik niet twijffele of Haar Hoog Edelheedens zullen nog wel meer van dat volk requireeren, terwijl UWEd: in Contrarie gevaal en niet meer volk nodig hebbende, dezelve altoos aanhou„ „den en daar voor andere „ die men flukser en die zo niet, zijn, Hun demissie geven kan, gelijk UWEd: weet dat men met de sipeus gemakkelijk doen kan: het voornaamste wat men omtrend de Militairen in 't algemeen wel in agt mag nee„ men en waar bij ik mij het beste bevonden hebbe, is te zorgen; dat de zoldaat effec„ „tier geniete, wat Hem toekomt, maar ook niet meer, dat Hij zo min met woorden als met daaden mishandelt, nog om geen bagatel telkens gerottingd worde, maar dat wij daar en tegen voor ider vergrijp, het geen Mij weet, dat hem op straffe verboo„ „den is, zonder eenige verschooninge, na de wet gestraff, en dus onder een goede disci„ „plina gehouden worde, en eijndelijk dat Hij Eindelijk is de kleederen gehouden en bij Continuatie
English
The necessary redress concerning the artillery. The present state of the same. Continuation in the handling of weapons, especially practicing such maneuvers that are most useful in this country. I have seen our troops, both Europeans and Malays, alongside the sepoys and Malabar soldiers, perform their maneuvers and fire several times to my satisfaction. One may, indeed one must always, especially in times of war, be frugal with the powder, but in order to make and keep the men proficient in the handling of weapons, one need not spare powder, for just as neatness is the ornament, indeed even the health of the soldier, so continual occupation and exercise must be his element. But as necessary as the militia is for the security of our possessions, just as necessary is the artillery. I shall not state herewith how poorly matters stood regarding this very important subject. It is enough for me that the necessary redress has been made in this regard, as far as time and circumstances have permitted. The ramparts are now provided with new and good gun carriages, besides Arrangement for the preservation of the gun carriages. sheltered during the bad monsoon. besides a good number in reserve, and one may well continue to have even more made and fitted with ironwork in reserve, because in case of need, and when there is much firing, a carriage can quickly be shot to pieces, besides the fact that the atmosphere here also does much damage to the carriages if one takes no precautions in that regard. The carriages can, however, be preserved very well against water penetration and against the strong air, with the arrangement that has been made in that regard, and the observance of which must not be neglected, by turning the wheels monthly, having the carriages tarred in due time, and ensuring that the tar supplied for it is effectively used. I do not say this without reason, because I have experienced more than once that people would have been negligent in that regard, either out of self-interest or out of nonchalance, if I had not repeatedly paid special attention to it, regardless of the orders and regulations relating thereto. Besides this precaution, I requested authorization from the High Indian Government by letter of Established order for the preservation of the powder. Can now no longer be neglected. 1 May 1772, and obtained the same on 25 September following, to lower the guns on the ramparts to the ground during the bad monsoon, when virtually no hostilities are to be expected here (except for the flank guns), and to place the carriages under a roof, whereby they are protected for nearly half a year from rain and air, and can last nearly twice as long as they otherwise would. And however well known it is that the powder must also be turned in its proper time, so that it does not cake and spoil, I have nevertheless been brought to the necessity of establishing such orders that it cannot be neglected, even if one wished to neglect it. For, to be certain that the powder barrels are turned every month and the wheels of the carriages every fortnight, this is now performed in the presence of the officer on picket duty, and after it has been performed, a report thereof is made by the Main Guard, while this is also specially communicated monthly from the outer offices where powder and artillery are kept, so that this One also has here a fairly good field artillery. Good proficiency of our artillerymen. Recommendation to exercise the grenadiers with the artillery. can now no longer be neglected, provided care is taken that this order does not insensibly fall into oblivion in extraordinary cases or under one pretext or another. Furthermore, regarding the subject of the artillery, I refer to the Resolutions of 22 August, 28 October 1771, 3 February, 13 August and 16 September 1772, and 4 June and 15 October 1773. Besides the artillery and ammunition here for the ramparts, of which a memorandum is attached hereto marked 7, we also have here a fairly good field artillery, which must always be kept neat and ready to march out at the first order. And so that nothing is ever lacking, it is well worth the effort, while taking a walk now and then, to go and inspect it oneself; at least I know from experience how necessary this is. Our artillerymen can now place a cannonball and throw a bomb where one wants it, but the annual and weekly exercise is highly necessary. Above all, I cannot fail to recommend as a good thing to continue exercising the grenadiers with the artillery, of which
Dutch transcription
385 het nodig redres omtrend de Arthillerij de tegenswoordige gesteldheid derselve. Continuatie in den wapenhandel, voor al in zulke manheuvers geoessend worde, die hier te lande meest te pas komen. Jk hebbe onze troupes zo Europeeze als Ma„ „leijers, benevens de sihais en Mallabaarse zoldaaten; verscheijde maalen Haare Man„ heuvers, tot mijn genoegen, zien maaken, en afvuuren, men mag, ja men moet al„ „loos voor al in oorlogs tijden wel zuijnig met het kruijt zijn, maar om het volk bekwaam in den wapenhandel te doen zijn en te blijven, behoevd men geen kruijt te ontzien, want gelijk de Eindelijkheid het Cieraat Ja zelfs de gezondheijd van den zoldaat is, zo moet de Continueele occupatie en excereitie zijn Clement zijn. Maar zo noodzakelijk de Militie tot verze„ „keringe van onze bezittinge is, even zo nood„ „zaakelijk is de Aorthillerij, ik zal bij dezen niet opgeven hoe slegt het hier met dit zo zeer aangelegen artikul gesteld is geweest, het is mij genoeg dat taar omtrend het nodige re„ dres gemaakt is, zo veel de tijde, omstan„ „digheeden toegelaaten hebben, de wallen zijn nu voorzien van nieuwe en goede Affuijten behalven 0„ schikkinge, tot preservatie van de affuiten. mousson geborgen worden. behalven nog een goed aantal in rezerve en men mag wel Continueeren, om nog al meer in rezerve te laten aanmaken en beslaan, om dat in Cas van nood, en als 'er veel geschooten word, een affuijt al schielijk uijt elkander kan worden geschooten behal„ „ven dat de lugt ook hier veel quaad aan de affuijten doet, indien men daar omtrent geen voorzorge gebruijkt De suijten kan men egter al zeer wel tegen het inwateren en tegen de sterke lugt preserveeren, met die schikkinge, dewelke daar omtrent gemaakt is, en waar van de nako„ minge niet verzuijmt dient te worden met maandelijks de wielen te doen keeren, de afuijten op zijn tijd te laaten teeren, en te zorgen, dat men effectief, de thier daar toe gebruijkt, die er voor verstrekt word, ik zegge dit niet zonder reeden, om dat ik meer als eens ondervonden hebbe, dat men daaromtrent of uijtbaat „zugt, of uijt nonchalance nalatig zoude geweest zijn, indien ik niet telkens spe„ „ciaal daar op gelet had, ongeagt de or„ „dres en Reglementen daar toe relatie waar de afuiten in de quaade behalven deze voorzorge zo hebbe ik van de hooge Jndiase Regeeringe bij brief van den 387 gestelde ordre tot preservatie van 't kruit. kan nu niet meer versuijmt werden. den 1. maij 1772. qualificatie verzogt, en dezelve. den 25. 7ber: daar aan erlangd, om in de quaa„ „de mousson, wanneer men hier genoegzaam geen vijandelijkheeden te wagten heeft, de stukken op de wallen (uijtgenomen de flank„ stukken / op de grond te strijken, en de af„ „fuijten onder een dak te plaatsen, waar door ze bij na een halfjaar, van regen en lugt bevrijd zijn, en bij na wel eens zo lang als anders kunnen duuren. En hoe zeer het een bekende zaak is, dat het kruijt ook op zijn behoorlijke tijd ge„ „keert werde, op dat het niet klontere en bederve, zo ben ik egter in de noodza„ „kelijkheijd gebragt, zodanige ordres te stellen, dat zulx niet kan verzuijmt worden, al wilde men het verzuimen want, om verzeekerd te zijn, dat de kruijd„ vaalen alle maande, en de wielen van de affuijten alle veertien dagen gekeerd worden, zo word zulks nu verrigt, ten bij„ „weezen van den officier die het piket heeft en na dat het verrigt is, word van de„ Hoofdwagt, daar van Rapport gedaan, terwijl zulks van de buijten Comptoi„ ren alwaar kruijt en geschut is 'smaands ook speciaal bedeeld word, zo dat dit nu niet en „men heeft hier ook een tamelij„ he goede veld-artillerije wel g'oessentheid van onze Arthelleristen :aanprijzing om de granadiers ceeren. niet meer kan verzuijmd werden, indien maar gezorgd word, dat die order bij extra ordinaire gevallen of onder het een of an„ der pretext niet ongevoelig in 't vergeet boek geraake, voorts reseheere mij nopens het artikul van de Arthillerij aan de Re„ „solutien van 22. Augustus, 28: 8ber: 1771., 3. feb: 13. august:s en 16. 7ber: 1772. en 4. Junij en 15. oc„ „tober 1773. Buijten de Arthillerij en Ammonitie alhier voor de wallen waar van hier een Me¬ „morie is bijgevoegt gen„t 7. hebben we hier ook nog een tamelijke goede veld Arthillerije welke altoos Eindelijk diend gehouden te worden, en klaar te staan, om op eerste or„ „der te kunnen uijtrukken, en op dat min„ „mer daar aan iets manqueere, is het wel de moeite waard, nu en dan een wandelinge doende, daar zelfs eens na te gaan zien, ten minsten ik weet bij ondervindinge, hoe noodzakelijk zulk is. Onze Arthilleristen kunnen nu een kogel brengen en een bom werpen, waar men ze hebben wild, dog de Jaarlijkse en weekelijke Excercitie is ten hoogsten nodig voor al kan ik niet, manqueeren als een goede zaak bij de arthillerie te doeneseer„ aante prijzen om te Continueeren, met wa van te