VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 10312

Malabar · 1,900 pages · 387 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_10312_0725 view scan ↗

English

471. which ought to decrease after the circumstance ceases. Provided that one has capable servants. The invasion of the Nabob into our possessions absolutely had to take place, because it is a general rule that extraordinary cases also require extraordinary measures, so it is at the same time a general rule that when the cause ceases, the effect also ceases. Thus I have also already begun gradually to reduce various extraordinary distributions and expenses, as far as circumstances have allowed. And when the reason ceases to keep us in that posture of defense in which we are, then it goes without saying that everything must then be returned to the old footing once again. From all this it appears, then, that bad management is not demanded of us, but rather good management, which is necessary in all households, and which everyone would also practice in his own household. However, just as the Company attaches great importance to good management, it also attaches very much and even more importance to good servants, by which I mean knowledgeable and honest ones, for it is actually the servants through whom the service must be performed, A ruler's choice concerning this. What kind a servant ought to be. so that good servants and good services are tied to one another just as much as causes and effects. It is also, therefore, an established truth that where the best servants are, matters are also handled best. Consequently, one cannot be attentive enough either to make the servants capable or, if they are already capable, to make proper use of them for what they are best suited, for it is in itself a necessary requirement in a ruler that, for the execution of one thing or another, he knows how to select those who, whether more or less capable, are at least best suited for it, as experience has taught more than once that solely for lack of that, the most important undertakings have failed and turned out to our detriment. But above all, a servant also ought to be honest, for although that quality does not very much predominate throughout the whole world, which will be the case as long as the world stands and therefore so many laws, edicts, regulations, and precautions must take place that otherwise would not need to take place so much, there are nevertheless still honest, upright, And how one must reward them. Cases here cited. and loyal servants, and those are primarily the ones who ought to come into consideration above others. Yet, just as it is necessary to use and advance good servants, because reward is the greatest incentive to virtue, so it is just as harmful to pass over good servants, because such extinguishes courage, and one does not then have that service from them which one could have by employing them, not to mention that such people sometimes, out of despondency, take wrong steps and easily go over to another to try whether their merits will be better considered there. Of this the Malabar has had experience, in the known Lanoij and Duijvenschot. These people not only understood their military service and behaved well, but in addition also had a reasonably good knowledge of fortification and acts of war, having served in Europe and gained experience. Yet with the Company they could not advance further than sergeant, and had several times been forced to see other, less capable men leap over their heads, Although in no way to be praised. so that the one before, and the other after, entered the service of the king of Travancore. And in that well-known, yes, I may well say ruinous Travancore war, in which the Company lost so many men and treasures, they showed of what benefit they were to Travancore and of what detriment they were to us. Lanoij grew grey in the king's service and died only in the beginning of the year 1777, thus shortly after the Nabob attacked our possessions and he, Lanoij, had put the finishing touches on the Northern Lines of Travancore. I do not praise their action; on the contrary, I condemn the same in the highest degree, as they made themselves guilty of the worst sort of desertion. Nor are they the only ones who were capable and were passed over. This is something that happens throughout the whole world at times, and in cases of advancement one cannot always be bound so strictly either. Indeed, I even believe that one may sometimes promote someone who is just a little less capable without therefore giving offense to capable people. I only mean that such must not take place too often.

Dutch transcription

471. welke diend te verminderen, na dato de omstandigheid Cesseert. Mit dat men heeft van bekwa„ me dienaren. inval van den Nabab in onze bezittingen, absolut heeft moeten plaats hebben, dewijl het een algemeene regel, is, dat Extra ordi„ naire gevallen, ook Extra ordinaire maatre„ gelen vereijsschen, zo is het leffens een alge„ meene regel, dat als de oorsaak Cesseerd, ook het effect Cesseerd, gelijk ik dan ook reeds begonnen hebbe, verscheijde extra ordi„ „naire verstrekkingen en ongelden gaande weg te verminderen, voor zo veel de om„ standigheeden toegelaten hebben, en wan„ neer de reden ophoud om ons in dat postuur van defensie te houden, waar in we zijn, dan spreekt het van zelvs, dat dan ook weder alles op den ouden voet, gebragt moet worden. uijt dit een en ander blijkt, dan, dat de verkeerde menagie van ons, niet gevergd word, maar wel de goede menagie, die in alle huijshoudingen noodzakelijk is, en die een ider in zijn eijge huijshoudinge ook oer„ „fenen zoude Maar gelijk de Comp: veel geleegen legd aan de goede menagie, zo legd Haar ook zeer veel en nog meer geleegen aan goede Dienaaren waar door ik verstaa kundige en eerlijke, want de dienaaren zijn het eijgentlijk, door welke den dienst moet ver„ „rigt een Gebieders verkiesing daar omtren hoedanig een dienaar behoord te zijn. rigt worden, zo dat goede Dienaaren en goede diensten, even zo zeer als oorzaaken en gewrog„ „ten aan elkander verknogt zijn, en het is ook daarom een uijtgemaakte waarheijd, dat waa de beste dienaaren zijn, ook de zaaken het beste behandelt worden, derhalven kan men niet genoeg attent zijn, of om de dienaaren be„ „quaam, te maken of reets bequaam zijnde van kun dat regt gebruijk te maken, waar toe ze het best geschikt zijn, want het is op „zig zelvs alleen, een noodzakelijk requisit in een gebieder, dat hij tot het uijtvoeren van het een of ander, de zulke weet uijttekieken, die het zij dan meer of min bekwaam ten min„ „sten nog het best daar toe geschikt zijn, alzo de ondervindinge meer als eens geleerd heeft, dat alleen bij manquement van dat, de aan gelegenste onderneemingen mislukt en ten nadeele uijtgevallen zijn, maar voor al behoort een dienaar ook eerlijk te zijn, want schoon die hoedanigheijd de geheele wereld door net zeer predomineerd het geen het geval zal zijn, zo lang de wereld staat en 'er daarom zo veele welten placaten, Reglementen en voorzorgen moeten plaats hebben, die an„ „ders zo zeer geen plaats zoude behoeven te hebben/ zo zijn er egter nog wel eerlijke, braa„ ve En val 473 En hoe men hen belonen moet. vallen hier g'exteerd. „ve in trouwhartige dienaaren en de zulke zijn het voornamelijk, dewelke boven ande„ re in aanmerkinge dienden te komen. Dog gelijk het noodzaakelijk is, goede die„ naren te gebruijken en te advanceren, wijl de belooninge de grootste prikkel tot de deugd is, wen zo nadeelig is het goede Die„ „naren voor bij te gaan, wijl zulks de moed uijtblust en men van hun dan dien dienst„ niet heeft, die men bij emplooij van Hun„ zoude kunnen hebben, gezwifge dat zulke lieden zomtijds uijt mismoedigheijd, quade slappen doen, en ligtelijk bij een ander over„ gaan, om te beschoeven of hunne merites daar beter in aanmerkinge zullen komen hier van heeft de Mallabaar ondervindin„ Tempelen in Contrarie ge„gen gehad, aan de bekende Lanoij en Duij„ venschot, de te menschen verstonden niet alleen kunnen Militairen dienst, en ge„ „droegen zig wel, maar hadden buijten des ook eene tamelijke goede kennisse van de vestingbouw en oorlogs - bedrijven als heb„ bende in Europa gediend, en ondervindinge gehad, dog konden het bij de Comp: niet ver„ „der brengen als tot zergeant, en hadden verscheijde maalen moeten zien, dat an„ „dere min bekwaame Hun boven 't Hoofd sprongen hoe wel geensinte te prijsen sprongen, zo tat de een voor, en de andere na zig in dienst van den koning van fre„ vancoor begeeven, en in dien bekenden, Ja ik mag wel zeggen, ruineusen Jrevancoorsen oorlog, waar bij de Comp: zo veel volk en schat J len verlooren heeft, getoond hebben, van wat niet zij voor Jrevancoor en van wat na„ „deel zij voor ons geweest zijn: Lanoij is grijt in 's konings dienst geworden en eerst ge„ „storven in het begin van het Jaar 1777. in dus kort na dat de fabal onze bezittin„ „gen aangelast, en Hij Lanoij de laatste hand aan de Noorder Lince van Jrevancoor gelegd had, ik prijze kunne assugie niet; integendael ik laake dezelve in den hoogsten graad, alzo zij zig schuldig gemaakt hebben aan de erg„ „ste zoort van de zertie, ook zijn zij de ee„ „nigste niet die bequaam waaren, en voor bij gegaan zijn, dit is iets dat de geheele wereld door wel eens plaats heeft, en men kan in Cas van advancement juijst ook niet altijd zo stipt gebonden zijn, ja ik meene zelfs, dat men wel eens iemand bevorderen kan, die juijst wat min„ „der bequaam is, zonder daarom bequame lieden voor 't Hoofd te slooten, ik bedoele maar dat zulx niet te veel moet plaats hebben, noedan en zij. g

NL-HaNA_1.04.02_10312_0729 view scan ↗

English

Qualities of the servants here, and how one must live with them. And I have only cited the examples of Lanoij and Duijvenschot to prove what consequences it can have. I will not express myself in detail concerning the servants at this place, all the less because I have nothing extraordinary to remark about them, and they are here, as in all places, some more and others less capable and honest, who quickly let themselves be known for what they are. Every place has its abuses, bad customs, and poor practices, not to mention ugly examples, and if one does not provide against them, then everything proceeds on the old footing, and then the one becomes somewhat more adroit at it than the other; yet it seems to me that, with respect to the servants, much depends on the First Servant, or rather the Ruler himself. For if he leads in everything by a good example, doing nothing himself but what the whole world may know, thus needing to stand in awe of no one, is exact in the service, treats everyone according to his merits, severely or kindly, and above all does not let himself be duped, then those who wish to exercise bad practices will be more on their guard than otherwise. One must not easily believe what one says to the disadvantage of another. First remember one's own former status and then exercise punishment. Also, a Ruler, especially in the beginning of his administration, ought not to believe everything that he hears to the disadvantage or advantage of anyone, before he has first gotten to know each person somewhat better, for that is the dangerous cliff upon which one can so miserably shipwreck, namely, that one is sometimes prejudiced by bad people and, conversely, suspects good people, whereby one loses the true service of the latter and is misled by the former, which is only discovered too late, when one has gotten to know those people better; for it is not written on anyone's forehead what he is internally, and experience teaches that one sometimes afterwards finds something in a person that one would not previously have looked for in him. Above all, a Ruler ought to remember that he, having also been of lesser rank in earlier times, learned by experience what was pleasant or unpleasant to him at that time, for then he will deal with his subordinates as he previously wished that one had dealt with him. Then he will indeed, by virtue of his duty, tolerate nothing that is not proper, yes, even correct what must be corrected, yet he will nevertheless crush no one, nor bear hatred, but forget what is past and let no one do his work sighing. How one ought to adapt oneself regarding the servants. Remnant of Pieter Jzaaks's followers. For although everyone ought indeed to adapt himself to his ruler, yet I think that a Ruler ought also to adapt himself somewhat to the nature of the servants, at least to treat them according to their nature; for one has people who wish to be treated only strictly and seriously, but one also has people who cannot even bear a reproach, and are at once disheartened. See how awkward it would be if one wished to treat those two sorts of people in one and the same manner. Indeed, an attentive Ruler can learn to know the servants much more quickly and better than by being told such by others. Yet although I have had no particular reason to complain about the servants here, I must nevertheless, to my regret, warn Your Honour that the spirit of the notorious Pieter Jzaaks, who recently passed away at Jallicherij, has not yet entirely departed from this place. Pre-eminence of the villanies committed by him, which served to the misfortune of Mr. Weierman. However, I have taken care as much as possible that no one has been able to commit excesses; but because I have at the same time experienced how necessary it is here to pay very close attention to everything, I have found myself obliged to report this to Your Honour, so that Your Honour might be on your guard. Worse tricks have indeed been committed in the Company before, but I do not believe that a greater villainy has ever been committed anywhere than here by this Jzaaks, which case may well serve as a beacon at sea and as a warning to anyone who holds authority somewhere. It is indeed not pleasant to have to bear the reputation of being strict, but if one is not so, and falls into such a lamentable labyrinth as did the Commander Weijerman, under whose administration that fraud was discovered, and who, being indeed innocent and not suspecting such a villainy, was brought into a circumstance in which his honour and property were exposed to the utmost danger, what then does that so-called good reputation of not being strict avail?

Dutch transcription

475 hoedanigheeden van de diena„ ren hier. en hoe men met hen leeven moet. en ik hebbe ook de Exempels van Lanoij en Duijvenschot maar alleen ge-allegeert, om te bewijzen van wat gevolg het kan zijn. Jk zal mij nopens de dienaaren ter deker plaats met speciaal uijtlaaten, te minder ik over dezelve niets bijzonders aantemer„ ken hebbe, en ze hier zijn, gelijk op alle plaatzen, de eene meer en de andere min bekwaam en eerlijk, die zig schielijk laaten kennen, voor het geen te zijn, ider plaats heeft haare misbruijken quaade gewoontens en slegte praelijken, gezwijge van leelijke exempels en als men daar in niet voorziet, dan schokt alles op den ouden voet, en dan word de eene daar wel wat behendi„ „ger in, als de andere, dog mij dunkt dat het ten opzigte van de dienaaren veel af„ „hangd van den Eersten dienaar of eijgent„ „lijk de Gebieder zelfs. Vant als die in alles met een goed exem„ pel voorgaat, zelfs niets doende, als het geen de geheele wereld weeten mag, dus nie „mand behoefd te ontzien, in den dienst exact is, een ijder na zijn verdiensten vonr„ stig of vriendelijk behandeld, en voor al zig geen knollen voor Citroenen laaten verkoo„ „pen, dan zullen de geene die quaade prae„ lijken men moet niet ligt geloven wat der zegt. zig eerst zijn vorigen eijgen slaan herinneren en den straf oeffenen. lijken willen exerceeren, zig meer als anders wagten Ook diend een Gebieder voor al in 't begin van, zijn bestier, niet alles te gelooven, het geen sij de eene tot nadeel pan den an„ ten nadeele off ten voordeele van iemand, hoord, alvoorens ulij eerst een ieder wat na„ „der heeft leeren kennen, want dat is die gevaarlijke klip, waar op men zig zo elen „dig sloolen kan, namentlijk, dat men zom„ lijds door slegte lieden ingenomen wordende, integendeel goede lieden verdenkt, waar door men de regte dienst van de laatste verliest en door de eerste misleijd word, het geen dan maar eerst te laat ontdekt word, als men die lieden nader heeft leeren kennen want het staat niemand voor het Hoofd geschre„ ven, hoe wij innerlijk is, en de ondervindinge leerd, dat men zomtijds naderhand in ie„ „mand iets vind, dat men bevoorens in stem niet zoude gezogt hebben, voor al behoord t een Gebieder zig te herinneren, dat Hij in vroegere tijden, ook geringer geweest zijnde bij ondervindinge geproefd heeft wat Hem in dien tijd aangenaam of onaangenaam was, want dan zal Hij met zijne, onderhorige „dat men met sem gehandelt shad handelen, gelijk hij bevoorens gewenscht had„ dan zal Hij wel uijt Hoofde van zijn pligt niets het of een o over voor 477 Hhoe men zig omtrent de die„ naren diend te schikken overblijfsel van Pieter Jzaaks voortszoorvolgers. niets tollereren het geen niet voegelijk is, ja zelfs Corrigeeren; het geen moet gecorri„ „geert worden, dog mij zal egter niemand overblussen, nog haat toedragen maar het gepasseerde vergeeten en niemand zijn arbeijd al zugtende laaten doen; want schoon een ider zig wel na zijn gebieder diend te schikken, zo denke ik dat een Ge„ „bieder zig egter ook na den aard der die„ naaren, wel wat diend, te schikken, ten min„ „sten Mun te behandelen na Hun aard want men heeft lieden die niet als streng en serieus willen behandelt worden, maar men heeft ook lieden, die zelfs geen re„ „proche kunnen verdraagen, en ten eir„ „sten beleutert zijn, zie eens hoe mislijk zoude het zijn, indien men die twee zoorten van menschen, of een en dezelvde wijze wil„ de behandelen, trouwens een Gebieder, die attent is, kan al schielijker en beter de dienaaren leeren kennen als dat hem zulks door andere gezegd word. Dan schoon ik geene bijzondere reeden van klagen over de dienaaren alhier gehad, hebbe zo moet ik UWEd: egter tot mijn leed„ „weezen, waarschouwen dat de geest van den berugten en onlangs te Jallicherij overleeden Pieter der uitsteekendheid van zijne ge„ pleegde schemstukken. die tot ongeluk van de Heer weierman hebben gediend. Pieter Jzaaks van deze plaats nog niet ten eenemaal geweeken is, dog ik hebbe zo veel mogelijk is gezorgd dat niemand efcessen heeft kunnen begaan, maar om dat ik: teffens ondervonden hebbe hoe nood„ zakelijk het hier is, op alles zeer nauw agt te geeven, zo hebbe mij verpligt, gevonden UWEd: zulx te melden, op dat UWE: zig zoude kunnen wagten. Bij de Comp: zijn wel eens meer slegte stukjes gepleegd, maar ik geloove niet dat ooijt ergens grooter schelmstuk gepleegd is, als hier door dezen Jzaaks, en welk geval wel strekken mag tot een baaken in zee en tot een waarschouwinge voor iemand„ 2 flar die ergens het gezag heeft, het is wel juijst niet heb niet aangenaam, den naam te moeten draagen, dat men naauwziende is, maar als men dat niet is, en in zo een bedroeft labij„ rinth vervalt, gelijk de Commandeur Weij„ erman, onder wiens bestuur dat bedrog ont„ „dekt is, en die in der daad onnozeler wij ze en op zo een schelmstuk niet verdagt ge„ uiltr „weest zijnde, in een omstandigheid gebragt en de is, waar in zijn eer en goed, aan het uijtterste gevaar, ge-Exponeerd wierd, wat helpt dan die zo genaamde goede naam, van zo naauw„ ziende meede zoek

NL-HaNA_1.04.02_10312_0733 view scan ↗

English

479 And Jzaaks alone could have had the same accomplices. Extracts regarding those affairs and the conclusion of this investigation by Mr. van de Graaff seeing that he was no different from another, is it not better to bear that honest nickname of having done one's duty and to be freed from such a labyrinth! For whatever one may say of that case, it must nevertheless have been taking place for some years past, and if the Rulers had only been somewhat attentive to the balances of the Treasury, or had only cast an eye upon the expensive and wasteful lifestyle, both of this Jzaaks and of others whom he served, then it is incomprehensible that they should not have noticed anything or conceived any suspicion; but had to, for that Jzaaks should have been able to do such things alone seems even more incomprehensible to me, since he after all could not perform magic, and the money could no more walk away from the treasury by itself than the goods could from the warehouses. But since this is such an egregious and peculiar case, I have had the passages extracted that were written back and forth about it, which are to be found among the appendices of this, marked No 9, from which one can see that affair in its context, better than otherwise Precautions that have since been used against all such rogueries. How generously the petty cash box was provided in the time of Jzaaks. And how large the shopkeeper's balances were. could see, and from which it simultaneously appears how long the investigation thereof lasted, and how I still had the pleasure during my administration of seeing an end put to it, of which the actual honor must be attributed to the then Head Administrator and present Director of Suratte, Mr. Extraordinary Councillor van de Graaff. I shall also specifically mention here for Your Honour's information what precautions I have used to prevent that, even had Pieter Jzaaksz and his gang still been here, such pieces could, in my opinion, no longer have been committed. In the time of Jzaaksz, the balances of the petty cash were not only incomparably larger than the disbursements of even an entire year amounted to, but also generally much larger than the balances of the main Treasury, to such an extent that money sometimes had to be transferred from the small Treasury to the large one, when the payment for pepper to Travancore took place, which is always made from the Main Treasury. The balances of the shop were also uncommonly large, although from the same nothing else 481 thus he could have done it together with those two servants. What kind of calculation one now makes when leaving money with the cashier and shopkeeper. is paid other than solely the wages of the servants, since even the subsistence allowances and all other things besides the wages are paid from the small Treasury. Because the balances of the small Treasury and shop were so large, it is believed that Jzaaks, as Trade Transferrer and to whom the management of the work at the Trade Office was entrusted, had a better opportunity than otherwise to collude with the cashiers and shopkeepers, or at least with the Treasury and shop accounts. It is not quite possible to determine the balances of cashiers and shopkeepers so precisely that something would not be left over at the end of the month, and that is also not so very necessary, provided the balance is not all too large, because everyone has after all posted bond for his administration; yet one can generally calculate how much a cashier receives monthly on account of the country's revenues or other ordinary items, and how much he, together with the shopkeeper, must expend on ordinary disbursements, and then one can also allow somewhat more for extra disbursements What precautions are now taken regarding the warrants that are issued to the small cash box and shopkeeper. at the Treasury, and for the payment of good months or retained wages at the shop, and according to this I have always arranged the disbursements from the main Treasury to the small Treasury and at the same time for the shop, because the shopkeeper receives his money from the cashier. But because I had also heard that in the small Treasury and shop, warrants had indeed been erased and altered after they were signed, I have always kept three counter-books: one for the main Treasury, one for the small Treasury, and one for the shop, and never signed a warrant of receipt or expenditure without numbering the same, and entering the sum of that warrant, with the same number, into my counter-book, which can be done with a single line; and then annually at the closing of the books, I confronted the Treasury and shop accounts as well as the warrants against my counter-books; besides this, I could then always at a glance perceive the slightest difference in the general sum of expenditure and receipt, so that regarding the altering of warrants, accounts, or specifications

Dutch transcription

479 En Jzaaks alleen konde dezelve meede helpers gehad hebben. puiltreksels nopens die affaires„ en de afmaking van dues onder„ zoek door de Heer van de Graaff ziende niet geweest te zijn, als een ander is het dan niet beeter, dien eerlijken scheld- naam tedragen van zijn pligt gedaan te te hebben en van zo een labijzinth bevrijd te zijn! want men mag van dat geval zeggen wat men wild, het zelve moet tog al eenige jaaren herwaards plaats gehad hebben, en als de Gebieders maar wat al„ „tent op de restanten van de Cas geweest, waaren, of het oog maar hadden laaten vallen, op de kostbaare en verspillende levenswijze, zo van dezen Jzaaks, als van andere, dewelke Hij bediende, dan is het onbegrijpelijk dat ze niets iets zoude ge„ merkt of eenige agterdogt gekreegen hebben; niet hebben gedaan maar moest want dat Jzaaks zulx alleen zoude heb„ „ben kunnen doen, komt mij nog onbe„ „grijpelijker voor, dewijl hij tog in allen ge„ „valle niet tooveren kon, en het geld uijt de kas zo min als het goed uijt de Pak„ „huijzen van zelvs niet heen loopen konden Dan dewijl dit zo een eclatlant en zonder, ling geval is, zo hebbe ik de perioden die daar over heen en weer geschreven zijn la„ ten uijttrekken, die onder de bijlagen dezes te vinden zijn gem„t N=o 9. waaruijt men die affaire in zijn verband, beter als anders zien Precauties die men sedert heeft stukken. hoe ruimde kleene geld kassa En hoe groot de restanten waa„ ren van den winkelier zien kon, en waar uijt teffens blijkt; hoe lange het onderzoek daar van geduurd heeft, en hoe ik nog in mijn bestier het genoegen gehad hebbe, daar aan een eijnde te zien, waar van de loenmaalige Hoofd admi „nistrateur, en tegenswoordige Direkteur van Suratte de Heer Extra ordinair Raad van de Graaff de dadelijke Eer moet toege„ „schreeven werden. Ook zal ik tot UWEd: narigt hier specifica gebruikt tegens al zulke schelen „ melden, welke precauties ik gebruijkt hebbe om voortekomen dat al was Pieter Jzaakst en zijne bende hier nog geweest, zulke stukken na mijn gedagten niet meer zouden hebben kunnen gepleegt worden. en tijde van Jzaaksz: waaren de Restanten van de kleene Cassa niet alleen ongelijk groo„ was verzien ten tijde van zaak„ ter, dan de verstrekkinge, zelfs van een ge„ heel Jaar bedroegen, maar ook doorgaan veel grooter, als de reslanten van de groote Cas, in zo verre, dat zomtijds geld uijt de klijne Cas na de groote moest overgebragt worden, wan„ neer de betalinge van Peper aan Crevan„ coor geschiede, die altoos uijt de Groote Cas gedaan word, De Restanten van de winkel waaren ook ongemeen Groot, schoon uijt de zelve egter niet geld 481 dus hij met die twee bediendens konde zamen gedaan hebben hoedanige Calculatie men geld bij den kassier en winkelier. niet anders betaalt word, als eenelijk de ga„ gie van de dienaaren, dewijl zelfs de kost „gelden en alle andere dingen buijten de gagie uijt de klijne Cas belaald worden. Door dien nu de restanten van de klijne Cas en winkel zo groot waaren, zo meend men dat Jzaaks als Negotie overdrager en aan wien de behandelinge van 't werk ten Negotie Comptoir toevertrouwd wierd be„ ter als anders gelegentheijd gehad heeft, om met de Cassiers en winkeliers, ten minsten met de Cassa en winkel reekeningen te kon„ „kelen. net is niet wel mogelijk om Juijst Cassiers en winkeliers omtrend hunne restanten zo thans maakt bij het laten van naauw te bepaalen, dat met het eijnde van de maand, niet iets zoude overschie„ len, en dat is ook zo zeer niet nodig, als het restant maar niet al te Groot is, om dat ider tog voor zijn administratie borg„ „togt gesteld heeft, dog men kan doorgaans wel Calculeeren, hoe veel een Cassier smaands wegens 'slands inkomsten of ande„ re ordinaire articuls ontfangd, en hoe veel Hij benevens de winkelier aan ordinaire verstrekkinge uijtgeven moet, en dan kan men ook wel wat meer stellen voor Extra verstrekkinge - wat precauties men nu ge„ die op de klijne karkaen winke„ lier werden verleend. verstrekkinge bij de Cas, en voor het betalen van goede maanden of te goed behoudene ga„ gie, bij de winkel, en hier na hebbe ik altoos En de verstrekkinge uijt de groote Cas aan de klijne Cas en teffens voor de winkel geschikt om dat de winkelier zijn Geld van den Cassier ontfangt; Maar om dat ik ook gehoord had, dat er bij de bruikt omtrent de ordonnanties klijne Cassa en winkel wel ordonnanties na datze getekend waaren, geschraapt en ver„ andert zijn geworden, zo hebbe ik altoos drie Contra boekjes gehouden, een van de groote Cas, een van de klijne kas, en een van de winkel, en nimmer een ordonnantie van ontfangst of uijtgaaf geteekend; zonder dezelve te Nommeren, en de som van die ordonnan„ „tie, met het zelfde nommer, bij mijn Con„ „tra boekje inteneemen, 't geen met een enkelde regel te doen is, en dan Confronteer„ de ik jaarlijks bij het sluijten van de boe„ ken de kassa en winkel, reek: zo meede de ordonnanties tegen mijne Contra boekjes, buij„ „ten des, zo kon ik dan altoos met een opslag van het oog bij de Generaal som van uijtgaaf en ontfangst, het geringste verschil ontwaaren, zo dat ik omtrent het verande„ „ren van ordonnanties reekeningen of spe„ wat „cificaties ad Jenp

NL-HaNA_1.04.02_10312_0737 view scan ↗

English

483. And concerning the accounts of the administrators, with regard to the auction money, what measures are being taken, specifications in cash, one need not be uneasy. And whereas it is believed that the accounts regarding the specifications of the lesser administrations, which are calculated in goods and not in cash, were at that time also sometimes altered, or other sheets were inserted between them after they had been approved and signed, I have once and for all ordered that no scraped specifications should be accepted, and that the accepted ones should subsequently be strung through with a thread and sealed with the signet of the Head Administrator, so that if this or that lesser administrator wished to corrupt the trade ledger keeper or the subordinates of the Trade Office through whose hands these papers are handled daily, and the latter dared to allow themselves to make an alteration therein by means of scraping or inserting other sheets in between, this can now no longer happen. It has also become evident that the moneys from the Company's auctions here were indeed embezzled and not accounted for; for although a director of the auctions is well aware How Pieter Isaaks sent false trade books to Batavia. is well aware and the same are also not held without his specific prior knowledge, yet after the collection has taken place, which is not always strictly finalized precisely after the expiration of the 6 weeks, this can sometimes slip his memory. For that reason I have always demanded that, after the auctions, the auction roll thereof be shown to me, whereupon I recorded in a notebook the day of the auction and the proceeds thereof, in order to recall it, and if necessary to order it, when the ordinary time had expired and the cash warrant thereof was not presented to me for signature. From the history of Isaaks it also appears that the books from here did not always agree with those that were sent to Batavia, at least that in Batavia, in the books of 1761/62, it was noticed that the King of Travancore was debited for a considerable amount of f 538603. 6. 8., so that by Batavian letter of 25 October 1763 the reason thereof was demanded. And after this was examined in the books here by special commissioners, it was communicated to Batavia by letter of 28 March 1764 that Travancore's debit in the books here was no greater And in order to prevent this, how the books are currently dispatched. 485. was no greater than f 80878. 13. –. While thereupon in Batavia it was further discovered that the opening balances of 1762/63 did not agree with the closing balances of the books of 1761/62, as the opening balances were f 557250. 2. -. less. So that one must presume that Isaaks, after the books were closed and the opening balances were collated with the closing balances, managed to alter that set of books which was to go to Batavia. For which reason the High Indian Government, by its Resolution of 19 April 1765, established a circular order throughout all India regarding the collating of the opening balances of the Trade Books before copies thereof are sent to Batavia against the closing balances of the previous financial year. Thus, after the closing of the books, I have always carried out the collation of the closing balances with the opening balances with the Head Administrator, usually at my house, and allowed myself to be assisted therein by the present secretary and former first clerk Daimichen, who understands the trade work, so that I might not sometimes make an error or mistake in the collation; but To use precautions that are offensive. How far the trade books were in arrears. with this I was not yet satisfied, and to prevent that the set which was to go to Batavia could in the meantime be altered, I then sealed that collated set with my private signet and handed it over in that manner for dispatch to Batavia. I will readily admit that it is distressing to have to use such precautions, and that it might somewhat offend some Head Administrators that one immediately seals the books after the collation and delivers them for dispatch in such a manner, as if one did not trust them in their hands for another moment; but what is one to do when one knows that such things have previously taken place here? Besides, I trusted that the Head Administrators would be reasonable enough to understand that this precaution serves at the same time for their own protection, because they are the keepers of the books. When I arrived here, the Trade Books, which is a well-known fact, were a good three years in arrears, which with much effort, and by having the work done at my house, were finished the following year.

Dutch transcription

483. En omtrent de reek:s van de administrateurs den opzigte van de vendu penn: wat men in 't werk stelt. „cificaties in gelde, niet ongerust behoefde te zijn. En dewijl men meend, dat de reek: ovr de specificaties van de mindere Administra„ „ties dewelke in goederen en niet in gelde bereekend worden te dier tijd ook wel eens verandero, of ook wel andere vellen daar tus„ „schen gestooken waaren, na dat dezelve g'approbeerd en geleekend waaren, zo hebbe ik eens voor al gelast, dat geene geschraap„ te specificalies zouden g'accepteerd en dat de geaccepteerde vervolgens met een draad door reegen, en met het Cachet van den Hoofd Administrateur verzegelt zouden worden, zo dat indien deze of geene min„ „dere administrateur den Negotie overdra„ „ger of de suppoosten van het Negotie Comptoir door welke die papieren dagelijks behan„ „delt worden, wilde, Corrumpeeren, en deze laatste zig durfden laaten vinden, om 'er een veranderinge bijtemaaken door mid„ „del van schraapen of andere vellen tussen in te steeken nu zulx niet geschieden kan. Ook is het gebleeken, dat de penningen van 's Comp:s vendulies hier wel verduijsterd en niet verantwoord zijn, want schoon een Gebieder van de vendulies wel kennisse draagd Moe Pieter Jzaaks valsche gezonden. draagd, en dezelve ook niet, als met zijne spe„ ciaale voorkennisse, gehouden worden, zo kan Hem zulx na dat, de inpalminge geschied is, die juijst niet altoos te precies, na ver„ loop van de 6. weeken zijn beslag heeft, zijn geheugen, wel eens ontslippen en daarom hebbe ik altoos begeert, dat na de vendu lies, de vendu rol daar van aan mij vertoond wierden, als wanneer ik in een aanteekening boekje, den dag van de vendutie en het ren„ dement daar van, aanteekende, om als de ordi„ t tijd overstrecken was, en de Casse ordonnantie „nairet daar van bij mij niet ter teekeninge be„ „zorgd wierd, zulx dan te herinneren en des noods te gelasten uijt het historiaal van Jzaaks blijkt ook negotie boeken na Batavia heeft dat de boeken van hier, niet altijd geaccordeerd hebben, met de geene die na Batavia gezonden zijn, ten minsten dat men, te Batavia bij de boeken van 1756/62. ontwaard had, dat de ko„ „ning van Trevancoor debet, stond een aan„ „merkelijk montant van ƒ538603. 6. 8. zo dat bij Bataviase briev van den 25. october 1763. daar van de reeden gevraagd en zulks door ex„ „presse Gecommitteerdens bij de boeken van hier nagezien zijnde, bij brief van den 28 maart 1764: na Batavia bedeelt wierd, dat Jrevancoors debet bij de hier zijnde boeken niet grooter was in om men de 485 in om zulx voor te komen hoedanig men de boeken thans overzend. „ was als ƒ80878. 13. –. ierwijl daar op te Bata„ via, verder ontdekt is, dat de voor restan„ „ten van 17 26/3. niet accordeerden met de na restanten van de boeken van 176½. alzo de voor restanten minder waaren ƒ557250. 2. -. zo dat men veronderstellen moet, dat Jzaaks na dat de boeken geslooten en de voor res„ tanten met de na restanten geconfronteerd waaren, dat stel boeken het geen na Bata„ via moest, heeft weten te veranderen: om welke reeden de mooge Jndiase Regeeringe bij haare Resolutie van den 19. April 1765. door geheele Jndien een Circulaire order be„ „paald heeft, omtrend het Confronteeren van de voorrestanten der Negotie Boeken, al„ „voorens de Copien daar van na Batavia ge„ „zonden worden, tegen de narestanten van het voorige boekjaar, dus hebbe ik na het sluijten der boeken, de Confrontatie van de na restanten met de voor restanten altoos met den Hoofd administrateur doorgaans aan mijn Huijs gedaan, en mij daar in laaten adsisteeren door den tegens„ woordigen secretaris en voorigen Eerste klerk Daimichen, die het negotie werk verstaat, op dat ik zomtijds in de Confrontatie geen abuijs hebben nog mij vergilsen mogt, dog hier precauties te gebruiken die aan„ stotelijk zijn. hoe verre de negotie boeken ten geraakt zijn. „me s guod zaakt, dar ontrent hier meede vergenoegde ik mij nog niet aar om voortekomen dat het stel, dat na Batavia moest, in die tusschen tijd niet veranderd kon worden, zo verzegelde ik dan dat geconfronteerde stel, met mijn particu„ liere Cachet, en gaf het zodanig ter verzen„ „dinge na Batavia af Jk wil wel bekennen, dat het bedroeft is, zulke precaulies te moeten gebruijken en dat het sommigen Hoofd-administrateurs wel wat zoude stooten, dat men de boe„ ken na de Confrintatie onmiddelijk ver„ zegeld en zodanig ter verzending afgeeft en of men dezelve geen ogenblik meer in hun handen vertrouwde, maar wat zal aan men doen als men weet dat zulke din boek gen bevoorens hier plaats gehad hebben buijten des, zo vertrouwde ik, dat de Hoofd„ administrateurs wel zo reedelijk zouden zijn om te begrijpen, dat die precautie te agter in stonden, en wanne ffen fens tot klinne eijge dekkinge diend; om datze de houders der boeken zijn toen ik hier quam, stonden de Negotie boeken het geen een bekende zaak is wel drie jaaren ten agteren dewelke met veel moeite en door het werk aan mijn Huijs te laa„ ten doen, het volgende Jaar nog klaar quaamen te Len

NL-HaNA_1.04.02_10312_0741 view scan ↗

English

487 and with what anxiety the governance here was taken over. Recommendation to always send the trade books sealed to Batavia. occurred: I leave everyone to judge whether I, who had neither special nor local knowledge of the Malabar, but had already heard on Ceylon of that fraud concerning the trade books, and found here that the books were three years in arrears, could well accept the governance without much anxiety; and I readily confess that I may then have accepted the governance with rather too much apprehension. But since the books that had been in arrears have been closed and the aforementioned precautions have been employed by me, it was as if a weight was lifted from my heart, and therefore I have always continued doing so, and I advise every Ruler here, as cordially and well-meaningly as if he were my own Brother, always to do likewise here and for no reason in the world to deviate from it. No one can take that amiss, not even a Chief Administrator, if he is only in any way a right-thinking man. When the Lord van de Graaf came here as Chief Administrator, I had already long had the honour of knowing his Honour on Ceylon, and I was so well assured of his inner character that I trusted his Honour very well. Approval of the Lord van de Graaf regarding that procedure. Recommendation for the maintenance of Religion and Justice. Yet, after I nevertheless declared to his Honour that I deemed it necessary and had firmly resolved for myself never to send books to Batavia without their being immediately sealed after the collation, I had the pleasure that he answered me in a candid manner that, being in my place, he would do the same; and his successor, the present Chief Administrator van Marn, has also never misconstrued those precautions, but has even declared to me more than once that they served him to great peace of mind. This is what I have found myself obliged to report under this article, to which I only add that just as the conduct of the servants, as has already been said, depends greatly on a Ruler himself, the same likewise also depends greatly on the maintenance of Religion and Justice: as being those two pillars upon which all empires, Lands, cities, and communities rest, and without which everything would fall into ruin, since they teach and practice the rewarding of good and the punishment of evil. 489 The source of all blessings and happy state governance is religion. Religion in itself is not only the source of all temporal and eternal blessings, but also the principal foundation of a happy state governance, because it binds the authority and the subject to one another, and both of these again to the Supreme Being, by the very strongest ties; so that one cannot maintain it seriously enough, cannot support it vigorously enough, and cannot contribute too much to its prosperity; the more so as Religion in these regions, one may well say, is considered all too indifferently, and it would therefore be in a much worse state if a Ruler were also indifferent in that regard, whereas he, on the contrary, can do much, indeed very much, in that respect, which is why it is also his duty. The presence of a ruler in the church encourages the congregation. That he himself diligently attend public worship and thereby set an example for the congregation. I recall here how in the Netherlands the churches in the countryside are generally more or less full depending on whether the Lord of the Manor comes to church. It is true that those who go to church merely to please their superiors, and not to please God, are not the right kind; but that churchgoing is then, in any case, still better than not going to church at all, as people, during the proclamation of God's word, may easily be drawn and enticed to the practice of virtue and duty. Knowledgeable and modest people deserve the affection of the ruler. That he openly champion the good cause and show his affection to people who excel above others in knowledge, virtue, and conduct; for it is often the lot of knowledgeable and modest people that they are envied or mocked by the multitude, which will happen less when it is known that a Ruler bears affection for such persons. And although modesty is by some only outwardly shown, it nevertheless serves to benefit others. At least it serves in all cases to benefit others, for even if some person should restrain his public or scandalous conduct and behave in an outwardly modest manner, rather to please his Ruler than out of true love for virtue, then such people are only harmful to themselves, and not to their own neighbours. The teachers ought to be encouraged and treated kindly by the Rulers. That he also give the Teachers full latitude and even encourage them to approach him with confidence, and also kindly

Dutch transcription

487 en met welke bekommering het bastier hier is overgenomen. aanrading om met de Negotie din boeken steeds verzegeld na Batavia te zenden quaamen: ik laate een ijder oordeelen of ik /:die geene speciaale nog locaale kennis van de Mallabaar had, dog reeds op Ceijlon van dat bedrog bij de Negotie boeken gehoord had, en hier bevond, dat de boeken drie saa„ „ren ten agteren stonden /het bestier wel zonder veel bekommeringe kon aanvaarden en ik bekenne gaarne, dat ik het bestier toen mogelijk wel wat te veel angstvallig„ „heijd aanvaart hebbe; maar zedert de ten agter gestaan hebbende boeken geslooten en voorsz: precauties door mij gebruijkt zijn was het als of er een pak van mijn hart ging, en daarom hebbe ik daarmeede altoos gecontinueert, en ik raade een ider Gebieder alhier, zo hartelijk, en welmeenende, als of hij mijn eige Broeder was, hier altoos zodanig te doen en om geen reeden ter we„ reld, daar van allewijken, niemand kan dat qualijk neemen, zelfs een Hoofd-Admi„ „nistrateur niet, indien hij maar eenig„ zints een wel denkend mensch is, toen de Heer van de Graaf hier quam als Hoofd= „administrateur, had ik reeds lange, de eere rere gehad zijn Ed: op Ceijlon te kennen, en ik was van desselvs interieur, zo wel verze„ kert, dat ik zijn Ed: zeer wel vertrouwde dog graaf omtrent die behandelinge aanprijting ter handhaving dog na dat ik egter zijn Ed: verklaarde, dat ik nodig geoordeeld en voor mij vast be„ „slooten had, om nimmer boeken na Bata„ „via te zenden, zonder datte na de Confron„ „tatie onmiddelijk verzeguld wierden, had goedkeurig van de Heer van de ik het genoegen dat hij mij op een Cordaatte wijze antwoordde, dat hij in mijn plaats zijnde, het zelfde zoude doen, en desselfs vervanger de tegenswoordige Hoofd-admi„ „nistrateur van Marn heeft, die precauties ook nimmer verkeerd uijtgelegd, maar mij zelfs meer als eens verklaart dat dezelve „lem tot Groote gerustheid strekten Dit is het geen ik mij verpligt gevonden van den Godsdienst en de Justitie hebbe, onder dit artikel temelden, waar bij nog maar eenelijk voege, dat zo wel als het gedrag der dienaaren, gelijk reeds ge„ „zegd is, veel van een Gebieder zelfs afhangd het zelve insgelijks ook veel afhangd van het handhaven van den God-dienst en de Justitie: als zijnde die twee pilaaren, waar op alle rijken Landen, sleeden en gemeen„ „schappen rusten, en zonder welke alles zoude vervallen dewijl ze leeren en oef„ „fenen de belooninge op het goede en de straffe op het kwade e de 489 de bron van alle zegeningen en ge„ lukkige staats regeering is de godsdienst. de presentie van een gebieder in De Godsdienst op zig zelfs is niet alleen de bron van alle tijdelijke en Ceu¬ „wige zeegeningen, maar ook de voornaam„ „ste grond van een gelukkige staats Regee„ „ringe, om dat zij de overigheijd en den on„ „derdaan aan elkander, en deze beijde we„ „der aan het opperste weezen, door de al„ lersterkste banden verbind„ zo dat men dezelve niet ernstig genoeg handhaven, niet kragtig genoes ondersteunen en tot veel dies bloeij, niet te contribueeren kan, te meer de Godsdienst in deze gewesten, men mag wel zeggen, al te tellequelle gecon„ sidereerd word en het derhalven daar mee„ „de nog vrij erger zoude gesteld indien een Gebieder daar omtrent ook onverschillig was, daar hij integendeel veel, ja zeer veel daar omtrent doen kan, en waarom het ook zijn pligt is. Dat Hij zelfs den openbaaren Gods= de kerk moedigt de gemeent aan dienst naarttig bijwoonen en daar door de gemeente voorgaa / ik herinnere mij hier hoe in Nederland de kerken doorgaans ten platten lande meer of min vol zijn na maate de Ambagts Heer te kerk komt:/ het is waar dat het de regte niet zijn die maar ter kerk gaan, om hunne Meerderen t . e kundige en zedige lieden ver„ dienen de genegendheid van de gebieder. En schoon de zeedigheid door zommige maar uijtterlijk werd van anderen. de leeraaren behoren door de Gebieders aangemoedigt en Meerdere, en niet om Gode te behagen, maar dat kerk gaan is, dan tog in allen gevalle nog beter als in 't geheel niet te kerk te gaan, alzo de lieden onder het verkondigen van Godswoord, ligtelijk, kunnen getrokken en uijtgelokt worden, tot de oeffeninge van deugd en pligt Dat Hij opentlijk de goede zaak voorstaa„ en aan lieden kennisse en deugd boven an„ boedrag „dere uijtmunteden zijne genegentheijd betoo„ „ne, want het is veellijds het tot van kun„ „dige en zedige lieden, dat te door den groo„ „len hoop benijd of beschimt worden, het geen minder plaats zal hebben, wan„ „neer men weet, dat een Gebieder de zulke genegentheijd toedraagd, ten minsten het strekt in allen gevalle tot nuet, want getoond, strekt ze egter tot nit schoon al eens deze of geene zijn open„ baar of ergerlijk gedrag, mogt intoomen, en zig quasi Ledig gedragen, eer om zijn Ge„ bieder te behagen als uijt waare liefde tot de deugd, dan zijn de zulke maar alleen nadeelig voor zig zelfs, en niet voor Hunne eyen naasten. Dat Hij ook de Leeraaren volle ruijmte d vriendelijk behandelt te werden geve, en Hun, zelvs aanmoedige om zig gerust bij Hem te vervoegen, in hun ook genegentlijk

NL-HaNA_1.04.02_10312_0745 view scan ↗

English

so that others may also show them respect. That some of them are of bad conduct does not mean the rest should suffer. He should listen favorably when they need his help for the benefit of religion or the church, and he should show kindness to the teachers and hold them in esteem, just as one generally sees, even among the most uncivilized peoples, that they show a singular respect for their clergy. Whereas in the Indies, people sometimes do not hesitate to speak and do things in their presence that are not even fitting in their absence, let alone address them with vulgar expressions, to such an extent that people with the same tranquility say saap to a minister as they say Dominie to a comforter of the sick. Thus, if a ruler does not maintain the ministers, they would sometimes have to endure insult and perform their service with sighing. It is true, and I cannot deny, that one sometimes finds individual ministers in the Indies who lead a scandalous life, and to their shame are given over either to drink, to an unchaste way of life, or to improper greed; but should the good therefore suffer for the bad? Why should the remaining apostles have had to lose their esteem for a single degenerate Judas? Although it has nonetheless often been the misfortune of the clergy that the enemies of religion, because of the faults of this or that individual, have tarred that entire venerable body with the same brush. On the contrary, I believe that one cannot maintain worthy ministers enough, and that in doing so, one can then deal with the wicked with all the more latitude, according to the standing orders in that regard. How the seafaring military and artillerymen must be kept to religious worship. That one must ensure that the seafaring military and artillerymen are taken to church on Sundays precisely in an orderly manner, and that for the military a psalm is sung and the evening prayer said every evening, whether in garrison or in the field; for people who are generally rough, and yet are compelled for a moment to come under the hearing of God's word or prayer, nevertheless hear the Lord's name invoked in that solemn manner, which among them is often abused without their thinking about it, which must arouse in them more or less reverence for the Supreme Being. And the comforters of the sick must be made to say the evening prayer daily in the hospital. Not to desecrate Sundays and to ensure that shops around the church are closed. While it is also very good that, when the evening prayer is finished, the comforter of the sick or whoever says the evening prayer also goes to the hospital to speak a word of comfort to the sick and there also say an evening prayer, which, having been neglected here for some time, has been brought back into use. And finally, that one also sees to it that Sunday is not, so to speak, desecrated, but that on that day, which after all is set apart from the general for a special use, all public manual work ceases, necessary cases and extraordinary circumstances excepted, so that one can see everywhere, inside and outside the city, that it is Sunday; that during divine service no shouting is heard along the streets, shops and stalls are closed, and especially that close to the church, as they say, it is as quiet as a mouse. One should not think that these are trivialities with which a ruler need not bother his head; they are in a certain respect trivialities, and against which orders have indeed been established, more in one place and less in another, but who can deny that such things very often imperceptibly fall into oblivion, and how little distinction one can sometimes see between Sunday or weekdays. A ruler can do much for the flourishing of religion. The fortune of the Indies that the society of arts and sciences has been established at Batavia. Truly, it cannot be expressed how much a ruler, if he is truly sincere, can contribute to the flourishing of religion, especially in these so very dark days, in which corruption among the members and indifference in the matter of religion prevail as much as they ever may have prevailed. And for this reason we have cause to thank God that He, at an auspicious time, moved that distinguished body of the Government at Batavia to establish a society of sciences, which has the honor of God and the benefit of mankind as its aim. And since we already have the pleasant experience that in Batavia special oversight is kept over the houses of God and schools throughout the whole of the Indies, and we are thus assured that on behalf of the High Government

Dutch transcription

491. op dat anderen hen ook agting toedragen mogen. dat sommige van hen van kwaad Compertament, zijn daarom moet de rest niet lijden. genegentlijk aanhoore, wanneer zij zijn Hulpe ten nutte van den Godsdienst of de kerk nodig hebben, en dat hij de lee„ raars vriendelijkheijd bewijze en in agtinge houde, gelijk men zelvs onder de onbe„ schaafste volkeren, doorgaans ziet, dat te Hunne Geestelijken een zonderlinge eerbied toedragen, daar men in Jndien, zig zom„ lijds niet ontziet in hunne tegenwoordig„ „heid dingen te spreeken en te doen, die in Hun afkezen zelfs niet belamen, getwij„ „ge van Hun met gemeene uijtdrukkin„ „gen te bejegenen, in zo verre dat men met dezelvde tranquiliteijt tegen een Predikant saap zegd, als tegen een krankbesoeker Domine, zo dat indien een Gebieder de Pre„ „dikanten niet maintineerd, zij zomtijds„ smaad zouden moeten ondergaan, en Hun„ „nen dienst al zugtende doen: Het is waar en ik kan niet ontkennen dat men zom„ „lijds wel eens enkelde Predikanten in Jndien vind, die een ergerlijk leven lijden, en tot schamens, toe, of aan den drank of aan een ontugtige levenswijze of aan on„ behoorlijke hebzugt overgegeven zijn, maar zouden, daarom de goede het om de quaade moeten bekopen! waarom zoude om eenen Hoe men de zeevaarende mi„ litairen en arthilleristen tot de godddienst oeffening moet houden. eenen enkelden ontaarden Judas, de overi„ „ge Apostelen hunne agtinge hebben moe„ „ten verliezen schoon dit egter veeltijds het ongeluk voor de geestelijken geweest is, dat de vijanden van den Godsdienst om de fouten van deze of geenen Enkel„ „den, dat geheele Eerwaardig lighaam, als over eene kam geschooren hebben, integen„ deel, zo meene ik dat men braave Predi„ kanten niet genoeg kan maintineren, en dat men zulx doende, dan met des te meerder ruijmte, de onduugende behandelen de kan, volgens de leggende ordres, ten dien aspecte. laten Dat men zorge dat de zeevaarende Mili„ tairen en Arthilleristen zondags precies op een ordentelijke wijze, ter kerk gevoerd worden, en dat voor de Militairen alle avonden, het zij in Guarnizoen of, te velde een psalm gekongen, en het avond gebed gedaan word, want volk, dat door„ „gaans ruw is, en egter genoodzaakt word, voor een ogenblik onder het gehoor van Godswoord, of van het gebed te komen, hoort tog daar des Heeren naam (die bij Hun dikmaals zonder dat ze 'er aandenken misbruijkt word:/ op die plegtige wijze aan„ „roepen en gebed en 493 en de krankbezoekers het avond gebed dagelijks in 't Hospitaal laten doen. de zondagen niet te ontheiligen en te zorgen dat omtrent de kerk winkels geslooten zijn. „roepen, het geen in Hun min of meer eer„ „bied voor het opperweezen moet verwekken „terwijl het ook zeer goed is, dat als het avond gebed gedaan is, de krankbezoeker of die het avond gebed doet, ook naar het Hos„ pitaal gaa, om de zieken een woord van ver„ „troostinge toetespreeken, en aldaar meede een avond gebed te doen, welk een en ander hier tzedert eenigen tijd verzuijmd zijnde we„ der in usantie gebragt is, en eijndelijk Dat men ook toeziet, dat de zondag, om zo te spreeken, niet ontheijligt worde, maar dat op dien dag, dewelke tog van het al„ „gemeen tot een bijzonder gebruijk afgezon„ „dert is, alle publicque handwerken stil„ staan /:noodzakelijke gevallen en Extra ordinaire omstandigheeden uijtgezondert:/ dat men over al, in en buijten de stad, zien kan, dat het zondag is, dat onder de Gods„ dienst geen geschreeuw langs de straaten gehoord werde, winkels en Boeliken ge„ slooten zijn, en voor al, dat het digt bij geen geschreeuw werd gehoordende de kerk gelijk men zegd, zo stil als een muijs is, men denke niet, dat dit klijnig„ heden zijn, waar meede een Gebieder zijn Hoofd niet diend te breeken, het zijn in zeker opzigt klijnigheeden, en waar tegen op Een gebieder kan veel doen tot bloeij van den godsdienst Jndias geluk dat het genood„ schap der weetenschappen op„ Batavia is opgeregt. op de eene plaatst meer en op de andere plaatst min, wel ordres gesteld zijn, maar wie kan tegen spreeken, dat diergelijke din„ gen niet meenigmaal ingevoelig in het ver„ omtren „geet boek geraaken en hoe wijning men zom„ nodig „lijds onderscheijd kan zien, tussen den zondag of werk dagen. Waarlijk het, is niet te zeggen wat een Ge„ bieder als Hij het regt meend tot bloeij van den Godsdienst al Contribueeren kan, in zon„ „derheijd in deeze zo zeer verbgisterde dagen, waar in het bederf in de Leeden en de on„ verschilligheijd in het stuk van den Gods„ „dienst zo zeer heerschen, als mogelijk ooijt geheerscht hebben, en waarom we reeden: hebben, om God te danken, dat hij dat, aanzienelijk lighaam der Regeeringe te Batavia ter gelukkiger tijd, opgewekt heeft, om een genoodschap van wetenschappen opterigten, het geen de eer van God, en het nu van het mensdom tot zijn oogmerk heeft En dewijl we reets de aangenaame onder„ vindinge hebben, dat 'er te Batavia bijzondere zind toezigt over de Godshuijzen en scheelen door en werd geheel Jndien heen gehouden worden, en we„ dus verzekerd zijn dat van weegens de Hooge regeeringe

NL-HaNA_1.04.02_10312_0749 view scan ↗

English

495 Regarding the education of the youth, the supervision of the Ruler is very necessary. The cleanliness of the orphanage and what sort of children are maintained therein. government regarding religion in general, and the education of the youth in particular, effective assistance is to be expected, a Ruler must not find it wearisome to inquire now and then whether the scholarchen who have oversight of the schools here indeed ensure that education both in the private schools and in the orphanage is conducted well and properly, since early education is virtually a base coat applied to the youth, so that much depends on whether it is well laid or not. How public worship is practiced here and what further relates thereto, I have already stated under the article of the Protestant Christians, so that there now remains only a word to mention concerning the two charitable houses here, namely the Orphanage and the Lazarus House, since regarding the Orphan Chamber there is nothing special to say, its capital amounting to not even 14000: rop=s. The Orphan House here is currently a clean and orderly building, wherein needy and parentless children are raised at the expense of the Diaconate poor funds. In the distribution of charity, our coreligionists are given preference. Roman Catholic children being raised in the orphanage and subsequently following the Roman doctrine must reimburse the expenses incurred. Yet one must take care that not all kinds of children are accepted therein, but children of European blood descent, and especially from parents who adhered to our religion; since the majority of the people here are Roman Catholic, and the place swarms with Roman churches everywhere, which in my opinion are the nearest to raise such children, just as I have therefore specially recommended to the Deacons that in the distribution of charitable gifts they should primarily prefer our coreligionists, for although one is indeed obligated to do good to all, we are at the same time taught that this must mostly be done unto the household of faith. Yet in case it should happen that sometimes children of Roman parents were accepted in the orphanage, and that such children having grown up, either by their own choice or through the persuasion of their families, might again embrace the Roman religion (which one cannot decently prevent, because we do not wish to practice coercion of conscience), one ought to have such persons and their families warned beforehand that, having been raised at the expense of our Diaconate poor in our religion, and abandoning the same, they must also reimburse the expenses of their upbringing, unto which they indeed ought to be compelled; which was also in practice here previously, but imperceptibly fell into oblivion, and is therefore again recommended to the Deacons for observation. Illegitimate children must not lightly be admitted into that house. The boys from that house ought to be sent to sea, or taught trades. One ought also not easily allow that children who are begotten out of wedlock be admitted into the orphanage, for then the orphanage would quickly become full thereof and lose its decorum, whereas it is currently in a good state, the orphan children are white, are well brought up, learn what is necessary to manage a household, and otherwise appear so orderly that no one here need feel ashamed to ask an orphan girl in marriage. But the boys, when they have received the necessary education, ought to be sent to sea, or taught a trade outside the house, toward which they are most inclined, partly to prevent disorders, since the orphanage here is not so large that they can remain separated as individually as in the Netherlands, and partly because the fund of the Diaconate poor here cannot well endure that the boys remain long in the orphanage. For the rest, in this regard I refer to the piece of Instruction regarding this charitable house which I have drawn up, inserted and to be found with the Resolution of the 30th of September 1779. Where the leper house is situated. Uncommon prevalence of that disease here, except among the Jews. The Leprosy House, situated on the Island of Baipin half an hour from Aykotta, along the river, is a hospice or hospital wherein the people who are infected with the Indian leprosy are housed and maintained. This contagious disease prevails here more than in other places in the Indies, both among the natives and among the foreigners of this country, and even among the Europeans, except among the Jews, among whom virtually not a single infected person is found, which is to be attributed to their not eating swine's flesh, and the strict observance of the law of purification, Leviticus 15, and that unfortunate disease,

Dutch transcription

495 omtrent het onderwijs der Jeugd mis het toesigt van de Gebieder zeer der zindelijkheid van het weskheijds en wat voor kinderen daar in werden onderhouden. regeeringe omtrend den Godsdienst in het algemeen, en het onderwijs der jeugt in het bijzonder kragtdadige onderstand te wagten is, zo moet het een Gebieder niet verveelen, nu en dan eens te verneemen, of de scho„ „larchen die hier het opzigt over de schoolen hebben, wel toezien, dat het onderwijs zo in de particulieren schoolen, als in het weeshuijs, wel en behoorlijk geschied, dewijl het eerste on„ „derwijs „ genoegzaam en Grond verwe is, die op de Jened gelegd word, zo dat er veel van af„ handd, of die welgelegt word of niet Hoedanig nu hier de openbaare Godsdienst gecessend word en wat verder daar toe relatie heeft, heb ik reets onder het artikul van de protestantse Christenen opgegeven, zo dat 'er nu nog maar met een woord te melden vald van de hier zijnde twee Gods„ huijzen namentlijk het Weeshuijs en het Lakarus Huijs, alzo er nopens de weeska„ „mer niets bijzonders te zeggen vald, welks Capitaal nog geen 14000: rop=s bedraagd. Het Wees Huijs alhier, is tans een Eindelijk en ordentelijk Gebouw, waar in behoeftige en ouderlooze kinderen op kosten van de Diaconij armen opgebragt worden nodig Jn het uitdeelen der liefde ga„ ten de preferentie. Roomse kinderen in het wees„ huis werdende opgebragt en naderhand de roomse leere kosten moeten restitueeren worden, dog men diend te zorgen dat daar in niet allerlije soort van kinderen geac„ „cepteerd worden, maar kinderen van Euro„ „peezen bloede afkomstig en voornament„ lijk van ouders, die onzen Godsdienst toe„ gedaan zijn geweest, dewijl het grootste ge„ „tal der lieden hier Rooms is, en het hier over al van Roomse kerken, krield, die mijns bedunkens, de naaste zijn, om zulke kinderen optebrengen, gelijk ik daarom ook de Diaconen wel speciaal gerecommandeert hebbe, om in het uijtdeelen van liefde gaven ven krijgen onze gelooss geno„ voornamentlijk onze geloofs genoten te pre„ „fereeren, want schoon men wel verpligt is aan allen wel te doen, zo word ons teffens wel geleerd, dat zulks meest moet geschie„ „den, aan de Huijtgenooten des geloofs. Dog ingevalle het mogt gebeuren, dat zom„ tijds kinderen van Roomse ouders in 't weeshuijs geaccepteerd werden, en dat zulke kinderen groot geworden, zijnde, of uijt eijge verkiezinge of door persuasie van volgende zullen de gedaane hunne Families, weder den Roomsen Goddienst mogten omhelsen (:het geen men niet wel voegelijk beletten kan, om dat wij geen geweetens dwang begeeren te cessenen :/ zo diend men de zulke en hunne 1 Families 497 onechte kinderen moeten niet de Jongens uit dat huis diend bagten laten aanleeren. families alvoorens te doen waarschouwen dat zij op kosten van onze Diaconij ar„ „men in onzen Godscunkt opgebragt zijn„ „de, en dezelve, verlatende dan ook de on„ kosten van hunne opvoedinge moeten restitueeren, en waar toe zij ook met er daad dienen geconstringeerd te worden, het geen hier bevoorens ook in usantie geweest, dog ongevoelig in het vergeet boek geraakt en daarom weder den Diaconen ter obser„ rantie aanbevoolen is; niet Ook diend men „ ligt toetestaan, dat kin„ licht in dat Huis genomen worden dezen, die in onegt geteeld zijn, in het wees„ „huijs ge-admitteerd worden, want dan zou het weeshuijs schielijk voldaar van worden, en zijn Cieraad verliezen, daar het zelve thans in een goeden staat is, de weeskinderen blank zijn, wel opgebragt worden, het nodige leeren, om een huijs„ „houden te kunnen waarneemen, en voorts zo ordentelijk voor den dag komen, dat hier zig niemand behoeft te schaamen, een weesmeijsje ten huwelijk te vraagen. Maar de Jongens, wanneer die het nodig men ter zee te laten vaaren, fam „ onderwijs gehad hebben, diend men ter zee te laaten vaaren, of buijten 'shuijs een ambagt te doen leeren, waar toe te het meeste en pre„ s 6 van om m gemaakt. waar het leprosenhuis staat. ongemeene heersching dier ziek„ te hier, behalven onder de Jooden. meeste geinclineerd zijn, deels ter voorko„ „minge van ongeregeldheden, dewijl het wees„ „huijs hier niet zo groot is, dat ze zo afzonder„ „lijk gelijk in Nederland kunnen gesepareerd blijven, en ander deels, om het londs der Di„ „aconij armen alhier niet wel veelen kan, dat de Jongens lange in het weeshuijs blij„ „ven, voorts refereere mij ten dezen aan de stuk Jnstructie, voor dit Godshuis Jnstructie die ik aangaande dit Godshuijs gemaakt hebbe, ge-insereert en te vinden bij Resolutie van den 30. Septber: 1779.— Het Leprosenhuijs geleegen op het Eij land Baip in een half uur van Hijkotta, aan de revier is een Gasthuijs of Hospitaal, al„ „waar de lieden, die met de Jndiasche Me„ laatsheijd besmet zijn, gehuijsvest en on„ „derhouden worden. Deze besmettelijke ziekte heerscht hier meer als op andere plaatsen in Jndien, zo onder de naturelle als onder de vreemde„ lingen dezes lands, en zelfs onder de Euro„ heezen, behalven onder de Jooden, onder welke men genoegzaam geen een besmet teling vind, het geen te toeschrijven, aan het niet eeten van zwijne vlees, en de stipte observantie van de wet der reijni„ ginge Lwit: 15. en die ongelukkige ziekte, tit

NL-HaNA_1.04.02_10312_0753 view scan ↗

English

499 arrangements made to keep that disease out of the city. It is even present in some people here quite early in the limbs, although it cannot be noticed except by those who have experience and knowledge of it, for which reason the households of this city were previously visited annually by a surgeon. Meanwhile, I noticed that this grievous disease began to break out here more and more again, and that some who had the ailment in their limbs remained hidden and even frequented society alongside others, without living retired outside the city, as can otherwise properly be done here. Thus I caused that annual commission to be brought into practice again, and in order to make it as unobjectionable as possible, at the same time determined as a permanent order that when the wardmasters make the annual description of the families and wards (at which time each head of the household must present himself and be seen), there must be present at that commission the chief surgeon of the Dutch Hospital, together with the native physician, in order to inspect all those persons in passing, up to and including the slaves, and to Under whose care the leper house presently stands. 4. The maintenance of justice is a very necessary matter. make a separate report of their findings, in order to be able to isolate people, as may be seen in more detail in the resolution of 13 August 1772, which commission has accordingly been conducted annually up to the present day, whereby the city is now once again free from such infections, and why that commission ought not to fall into oblivion again. This house has a separate fund of its own and was previously under separate regents, but my predecessor placed it under the administration of the deacons, who up to now maintain a very good and careful supervision over it, and I dare say better than was maintained over it previously. Then, as necessary as it is for the well-being of a land and people that religion be maintained in that which further relates to pious uses, just as necessary for that purpose is also the maintenance of justice, and it is for this reason that, in proportion as justice is properly administered in a place, public crimes exist less, everyone is all the more tranquilly assured of his possessions, or dares to seek his right if he believes himself to be wronged or offended, 501 Of which persons the Council of Justice here consists. By the open letter of commission for the rulers, the care of justice was specially ordered. Just as the rulers in earlier days had the presidency thereof given up until the case of Vuyst. After which the rulers were excluded therefrom, but under retention of a certain privilege. or to have need of something from another. The Council of Justice here consists of the Second and Chief Administrator as President, together with most members of the Political Council and some others from among the qualified servants, which body, as everywhere in the Indies, administers and executes justice both in criminal and in civil matters in the name and on behalf of their High Mightinesses. Furthermore, one also has here a lesser body, named the Civil Court, or the Court of Small Causes, consisting of one of the members of the Political Council here as president, together with some lesser qualified persons. By the open letters of commission that are granted specially to the governors, directors, and commanders, at least by the one that was granted to me, it is among other things also specially ordered to ensure that law and justice, both in criminal and civil matters, are administered among the people. Previously, those chief rulers had the presidency in justice as well as in the administration, but since the well-known case on Ceylon in the time of the late Mr. Vuyst, they have for good reasons been excused from the presidency in justice, which has been entrusted to the Seconds, with orders that the chief rulers shall henceforth not have to meddle with justice, save only that they must approve the criminal trials with the advice of the council, or, finding themselves burdened in conscience concerning them, may suspend the execution and send the papers relating thereto to Batavia at the first opportunity. One might possibly think that a chief ruler, seeing that abuses and even gross abuses occur in justice, and wishing to take care of the administration of justice by virtue of his commission, and thus wishing to concern himself with justice, may not do this latter and thus also not take care of the administration of justice, indeed may even withdraw himself from the care of good justice by virtue of the aforesaid subsequent order, which was issued long after the formula of the commission for the chief rulers was drawn up; but I am, on the contrary, of the opinion that it

Dutch transcription

499 gemaakte, schikkingen om die „tiekte buiten de stad houden. tit zelfs sommige lieden hier al vroeg in de leeden schoon ze niet kan bemerkt worden als door de geene, die ondervindinge en kennis daar van hebben, om welke reeden, hier bevoo„ „rens Jaarlijks de Huijsgezinnen deser steede door een Chirurgijn gevisiteerd wierden. Jntusschen bemerkte ik, dat die bedroefde ziekte, hier weer en meer en meer begon door„ tebreeken, en dat sommige, dewelke die kwaal onder de leeden hadden, verborgen bleeven en zelfs nevens andere de samen „leevinge frequenteerden, zonder /:gelijk dat an„ „ders hier nog welvoegelijk geschieden kan:/ buijten de stad gerelireert te leeven, dus hebbe ik die Jaarlijkse Commissie weder in train doen brengen en om dezelve, zo min onaanslootelijk te maaken als mogelijk was, teffens als een permanente ordre be„ „paald, dat wanneer wijkmeesters de jaar„ „lijks, beschrijving van de families en wij ken doen (:als wanneer tog ider hoofd voor hoofd zig moet verloonen en laaten zien:/ bij die Commissie present moeten, zijn de oppermeester van het Nederlands „lospi„ „taal, benevens den Jnlandsen geneesmees„ ter, om dan en passant alle die perzoonen tot de slaven inclusive te bezigtigen en van „onder wiens zorge het lepro„ senhuis thans staat. 4 de Mandhaving van de Justitie is een zeer noodzakelijk zaak van hunne bevinding appart Rapport te doen, ten Eijnde menschen te kunnen separeeren gelijk dat nader te zien is, bij Resolutie van den 13. aug:s 1772: welke Commissie dan ook tot heeden toe jaarlijks geschied, waar door dan nu de stad weder vrij is van zulke be„ „smettelingen, en waarom die Commissie niet weder in 't vergeet boek diend te geraaken Dit Huijs heeft een appart fonds op zig zelfs, en stond bevoorens onder aparte Regen„ „ten, dog mijn Antecesseur heeft het zelve onder de administratie van de Diaconen ge„ steld, die tot nog toe, daar op een zeer goed en zorgelijk toezigt houden, en ik durve wel zeggen, beter als 'er bevoorens opgehouden is. Dan zo nodig het is tot wel zijn, van een land en volk dat de Godsdienst in het geen verder ad pios usus relatie heeft, ge„ „handhaavd word, even zo nodig is daar toe ook, het handhaven van de Justitie, en hier om is het, dat na mate de Justitie op een plaats behoorlijk ge-oef„ „lens, word, openbaare misdagen minder exteeren, een ider des te geruster van zijne bezittinge verzeekerd is, of zijn regt durvd zoeken, indien hij vermeend of beledigd te zijn 501 uit welke perzonen den Raad van Justitie hier bestaat. bij de opene acte van Commis„ sie voor de gebieders werd het be„ behoolen zo als de gebieders in vroegereda„ gegeven tot het geval van ruist. zijn, of iets van een ander te moeten hebben. De Raad van Justitie alhier bestaat uijt den secunde en Hoofd administrateur als President, beneffens de meeste leeden van den Politicque Raad en eenige andere uijt de gequalificeerde dienaaren, welk Collegie gelijk over al in Jndien, zo in het Crimie„ „neele als in het Civile uijt naam en van wegens Haar Hoog Mogende regt spreekt, en executeerd. Voorts heeft men hier nog een minder Collegie, genaamd de Civile Raad, of het Collegie van klijne zaaken, bestaande uijt een van de Leeden van den Politiken raad alhier, als president benevens eenige mindere gequalificeerdens. Bij de opene actens van Commissie die zorgen van regt speciaal aan de Gouverneurs, Direkteurs, en Com„ „mandeurs verleend worden, ten minsten bij de geene die mij verleend is, word onder andere ook speciaal gelast te zorgen, dat er regt en Justitie zo in het Crimineele als Civile onder den volke ge-admini¬ „streerd worde. Bevoorens hebben die Hood gebie„ gen het Presidium daar van hia ders zo wel het presidium in de Justitie als in de Politie gehad, maar zedert het bekende doen, van ge„ toe mate ne na welke de Gebieders daar houding van zeeker voorregt. bekende geval op Ceilon ten tijde van wij„ „len den meer vuijst, zijn dezelve om goede redenen ge-excuseerd van het presedium in de Justitie, het geen den secundes opgedra„ gen is, met last dat de Hoold Gebieders zig voorlaan met de Justitie niet zullen hebben te bemoeien, als eenelijk dat te uijt zijn gesloten, dog onder be„ met advis van raade de Crimineele pro„ cessen moeten approbeeren of zig daar om„ trend bezwaard vindende de executie mo„ „gen surchéren en de papieren daar toe rela„ „tiel bij eerste gelegendheijd na Batavia zenden. Men zal mogelijk denken, dat een Hoofd Gebieder; ziende dat 'er bij de Justitie abuij„ „sen en zelvs grove abuijsen geschieden, en uijt Hoofde van zijne Commissie voor de administratie der Justitie willende, zor„ „gen en zig dus met de Justitie willende bemoeien, dit laatste en dus ook het zorgen voor de administratie der Justitie niet doen mag ja zig zelvs de zorge voor goede Justitie ontrekken kan, uijt Hoofde van de voorschreve nadere ordre, die ge-emaneerd is, lange na dat het formelier van de Com„ missie voor de Hoofd gebieders opesteld was, dog ik ben integendeel van begrip, dat het ie

NL-HaNA_1.04.02_10312_0757 view scan ↗

English

to have no restriction, and therefore does not forbid the ruler from ensuring that justice is well administered. Yet that exclusion, although what was recommended in the act of commission is not so much derogated by the aforesaid further order, but is actually defined more closely under a certain restriction, is nevertheless not so narrow that a ruler who sincerely means well by the good cause, precisely because he is excused from the presidency in the judiciary, would not be able to ensure that justice is properly administered. To this he is indeed obliged, as representing sovereignty in his place to a certain degree, provided that he does not interpret the further determination too narrowly on the one hand, nor extend it further on the other hand than the intention of that determination and the nature of the matters entail. For one must confess that excluding the rulers from the judiciary is based on equity, because sad experience has taught only too well how some, whether out of ambition, whether out of self-interest, or even out of ignorance, have made a bad misuse of their authority in judicial matters. Therefore I think that a ruler who wishes to observe his duty ought to take into account the following considerations. Both by appointing the best persons as members therein and by making them understand the gravity and delicate nature of their office. That when appointing members of justice, he nevertheless be careful and pay close attention to choosing the best persons available in the place where one is, namely those who are calm and conscientious, and possess sound judgment as well as reading and experience, so that through these qualities they may supply the lack of the necessary knowledge of the laws, since one is little provided with legal scholars here in these regions. That he make the members of that college understand the delicate, weighty, and conscientious nature of their office, and how punishable they are before the Divine Judge if they do not proceed in their office according to conscience and to their best knowledge and with all possible impartiality; likewise that a judge may practice neither too far-reaching a severity nor a misplaced mercy, but that a judge is nothing more than an executor of the laws, to judge them against the deeds or the matters, adapted to the circumstances that exist around them. Further in civil matters, to what extent he may assist the losing party. When a civil matter has been adjudicated by the judge, and the losing party complains to him about it, he should not meddle in the matter as long as, according to the established manner of proceeding, legal remedies still remain, although I think that he may indeed demand the trial papers, provided this is done solely for his contemplation. That he therefore refer the losing party to the route of appeal, and if the fatalia prosecutionis should have expired, grant relief; indeed, even if he should be unable to bear the expenses of the appeal, grant the beneficium paupertatis in so far as the costs before the judge a quo are concerned; likewise make him understand that the appellant can also request and obtain from the latter that same benefit regarding the costs before the judge ad quem. That in case the judge, for various reasons moving him thereto, should refuse the appeal, he then make the losing party understand that the route of appeal still remains open to him, namely to request an appeal from the judge ad quem. What he has to do regarding the incomprehensibility of the sentence, as well as regarding the refusal of justice and the granting of a Committimus. That when it is complained and shown to him that an incomprehensible obscurity effectively resides in a sentence, he recommend to the judge to remove that obscurity and make the sentence comprehensible, but not to make the slightest change, neither to the prejudice of the prevailing party nor in favor of the losing party, because a judge cannot retract his ruling. That when justice refuses to do right by someone, or, as they say, leaves the matter hanging on the nail, and complaints arise about this, he then recommend to the judiciary a prompt administration or settlement of matters, without however arrogating to himself any further examination regarding the merits of the case. That furthermore, regarding the benefits of law, he grant no further Committimus than in such cases which the government has reserved solely to itself, by which Committimus the judge is merely charged to investigate whether the reasons which the applicant for the benefit has presented exist in truth, in order, if finding it to be so, to ratify the benefit, but in the contrary case to reject it.

Dutch transcription

503 ne restrictie te hebben. en daarom de gebieder niet verbied te zorgen dat de Jus„ fietsie wel word g'administreert dog die uitsluiting schint zij het aanbevoolene bij de acte van Com„ „missie door voorsch: nadere ordre niet zo zeer gederogeerd, maar eijgentlijk onder te„ „kere restrictie nader bepaald is, egter niet zo naauw, dat daarom een gebieder, die het met de goede zaak hartelijk meend, Juijst om dat Hij van het Presidium in de Justi„ tie ge-excuseerd is, niet zou kunnen zor„ „gen dat de Justitie behoorlijk ge admi„ „nistreerd worde, waar toe Hij als ter zij„ ner plaats in een zekeren graad de sou„ verainiteijt representeerende, wel de ge„ ge verpligt is, mits Hij de nadere bepaa„ „linge aan de eene zijde niet al te bekrom„ „pen uijtlegge, nog aan de andere zijde niet verder extendeere, als de intentie van die bepalinge en den aard der zaaken meede brengen, want men moet bekennen dat het uijtsluijten van de Gebieders uijt de Justitie op de billijkheijd steund, om dat de droevige ondervindinge maar al te veel geleerd heeft, hoe sommige het zij dan uijt heerschzugt het zij uijt be„ „lang, of ook wel uijt onkunde, van Hun„ gezag een slegt, misbruijk in het Justi„ „tieele gemaakt hebben. Derhalven denke ik dat een Gebieder die 1 zo door het aanstellen van de besten, tot leeden daar in als hen te doen, begrijpen het gewigt en de leederheid van hun ampt. die zijn pligt betragten wild, de ondervolgende bedenkingen dient in agt te neemen. Dat Hij bij het aanstellen van Leeden van Justitie, tog bezorgt zij, en wel lette om daar toe te verkiesen, de beste die men ter plaats alwaar men is, aan de hand heeft, namentlijk de zul„ ke, die bezadigt en gemoedelijk zijn, en een ge„ „zond oordeel benevens lectura en ondervindin„ „ge hebben, om door die hoedanigheeden te kun„ „nen supleeren, het gebrek van de nodige ken„ „nis in de regten dewijl men hier in deze ge„ westen van regts geleerde wijnig voorzien is. Dat hij de Leeden van dat Collegie doe begrij„ pen, het tedere, gewigtige en gemoedelijke van hun ampt, en hoe sthafbaar zo voor den God„ „delijken Regter zijn, indien ze in Hun ampt niet na gemoede en na Hun beste kennis en met alle mogelijk onzijdigheijd te werk gaan, zo meede dat een regter zo min een te verregaande strengheid als een verkeerd geplaatste barmhartigheid mag aessenen, maar dat een Regter niet meer is als een uijt „voerder van de wetten, om dezelve te beoor„ „deelen tegen de daaden of de zaaken, geschikt na de omstandigheden die er omtrend plaats hebben. Taklijn anneer een Civile zaak bij den Reg„ ter 505 wijders in Civiele zaken hoe verre in den succumbant behulp„ iaam zijn. hij zig daar meede melleeren, ter uijtgesprooken zijnde, en de succumbant „zig, daar over bij hem bezwaard, zig der zaa„ ke niet aantrekke, zo lange ir naar de vast gestelde manier van procederen nog midde„ „len van regten overschieten, schoon ik denke dat Hij egter de proces papieren wel mag opeijschen, mits zulx eenelijk tot zijn specula„ tie geschiede. -. sat Hi derhalven den succumbant tot den weg van appel overwijze, en indien de fatalia prosecutionis mogten verloopen zijn, relief verleene, ja zelfs indien Hij on„ „vermogens mogt zijn om de onkosten van het appel te dragen, het beneficium pau„ „pertalies accordeere, voor zo verre de kosten, betreffen, bij den regter, aquo, zo mede sem doe begrijpen dat de appelant dat zelfde Beneficium betreffende, de kosten voor den regter ad=quem, bij dezen laatsten ook ver„ zoeken en verkrijgen kan. Dat ingeval de regter den succumbant om deze en gene redenen ihem daar toe move„ rende het appel mogt wijgeren, wij den suc„ „cumbant dan, doe begrippen, dat de weg van apel voor hem als nog overblijft, nament„ „lijk om appel te verzoeken bij den Reg„ „ter adquem Dat de mag: d aar kt ter . wat hem in de onverstaan„ staat. als meede omtrent het weij„ van Committimus Dat wanneer bij hem geklaagd en aange„ baarheid der sententie te doen, toond word dat in een sententie effectiev een onverstaanbaare obscuriteijt resideerd, mij den regter recommandeere, om die obscuriteijd weg te neemen, en de sententie verstaanbaar„ maar geene de minste veranderinge nog in prejuditie van de triumphant nog in faveur van den succumbant te maken, om dat wat plaats een regter van zijn uijtspraak niet reselie ren kan: Dat wanneer de Justitie iemand wijgerd eeren van recht, en 't verleenen regt te doen, of de zaak gelijk men zegt aan de spijker laat hangen, en daar over klagten komen, hij als dan de Justitie een prompte administraatsie of afdoeninge van zaaken aanbeveele, zonder egter zig eenige na„ „dere kennis neeminge nopens de merites van de zaak aantematigen. Dat Hij voorts omtrent de Beneficien Ju„ ris, geen, verdere Committimus verleene als in zulke gevallen die de overigheijd alleen aan zig gereserveerd heeft, door welk Committi„ mus den Regter eenelijk opgelegd word te onderzoeken, of de reedenen, die de inpelrant van het Beneficie voorgegeven heeft, in waarheid bestaan, ten eijnde zulx zo bevin„ dende, het beneficie te interineeren, dog in heid Contrarie Neder

NL-HaNA_1.04.02_10312_0761 view scan ↗

English

what in criminal matters here on site ought to be taken into consideration regarding the nature of the judges, compared to those who are in the Netherlands. contrary case, to deny the interinement of the same, as obtained by sub- and obreption, but because these cases seldom occur here, important legal benefits, and especially in criminal cases, should best be requested from the High Government. That he make a distinction in criminal matters as to what kind of cases they are, because according to the nature of the crimes, interference therein is more or less necessary, for one cannot deny that justice in the Indies at the outer offices cannot be administered in the most accurate degree due to the small supply of jurists, as it is in the Netherlands where most judges as well as the bailiffs are jurists, and where in criminal matters, after the bailiff has presented his claim, a separate jurist demonstrates the reasonableness of the claim, and after the same has been refuted in response by a second on behalf of the defendant; subsequently a further reply is made by a third on behalf of the officer, and then finally a rejoinder is made by a fourth, on behalf of the defendant, How it happens that a just claim is denied. while in the Indies the fiscals must, so to speak, act pro and contra, namely to demonstrate everything that serves both in favor of and to the detriment of the defendant, for which not everyone is impartial enough to attend to the defendant's case with the same zeal as he does to establish his claim: it even happens more than once that a claim which in itself is just, both in criminal and in civil matters, is denied, because the claimant, or the one acting on his behalf at the first presentation, indiscriminately brings forward all the circumstances of the case in question, whether they influence the decision or not, whereby besides the unnecessary prolixity caused by it, the defendant is given the opportunity to distract the judge's attention from the circumstances that matter most, and to lead it to extraneous matters that have little relevance to the case, yet are sometimes more favorable to him, which can hardly fail to happen given a multitude of particulars, for if he catches among them merely one or two that cannot be proven, he then makes every effort to continuously bring them to the judge's attention Irregular manner of proceeding in the outer offices. Distinction that a Commander must make between crimes. In what degrees he must consider them. and to make a great fuss about their unprovability or untruth, whereby the judge, if he does not possess the sharpest discernment, is thus led in good faith into the notion that the claim has not been proven, and therefore denies it. One also sees at the outer offices of the Indies that criminal cases are generally also handled extra ordinario, without distinction as to whether the crime is clearly proven, or rather requires further evidence or clarification, whereby the truth always loses somewhat. Thus it seems to me that a Commander in criminal matters ought to conduct himself as follows. That, as was just said, he ought to make a distinction between such crimes in which the Company's own and particular interest is immediately mixed, and between all other crimes that do not specially belong thereto; among the former I count conspiracy, desertion, unfaithful conduct of administrators and other servants etc: and among the latter manslaughter, injuring one another, theft etc: That in the first cases he considers a. the Company as the party having a particular interest, b. himself as representing the Company, and c. the fiscal How the fiscal must conduct inquiries thereafter. What he must take into account. How he must proceed. as its attorney: and thus, in this respect, just as everyone has the freedom to instruct his attorney in his own case, he should also instruct the Company's attorney or fiscal in such a case, in order to get the trial decided to its true interest, for example, in the case of an unfaithful administrator, when he sees fit. That the fiscal be accurately informed of the circumstances of the case, and understand which circumstances influence the decision, or not, in order to limit his inquiries solely to the former. That those inquiries are held in proper form, since concerning this latter matter the ignorance or inattention of the officer often transgresses, to the great detriment of prompt justice. That if it appears from the gathered inquiries that the accused does not resort to evasions that require investigation, the fiscal immediately initiates his procedures ordinario modo, without waiting so long until the defendant requests to be admitted into an ordinary trial. That the claim in the conclusion is in accordance with

Dutch transcription

507. wat in krimineele zaken hier te plaatse in aanmerking diend te reselvee komen omtrent de warent„ heid van de regters, tegens die in Nederland zijn. Contrarie Geval, het interinement van het Eel„ „ve te ontzeggen, als bij sub en obreptie ver„ „kreegen, dog om dat deze gevallen hier zel„ „den exteeren, zo zoude aangelegene benefici„ „en Juris, en voor al in het Crimineele, best van de Hooge regeeringe dienen verzogt te worden. Dat Hij in het Crimineele onderscheijd ma„ ke, welke zaken het zijn, om dat na mate„ van de soort der misdaden, de bemoeienissen daar omtrent meer of min nodig zijn, want men kan niet ontkennen, dat de Justitie en Jndien op de buijten Comptoiren wegens de geringe voorraad van regtskundigen in den fuisten graad niet kan ge-admini „streerd worden, als wel in Nederland alwaar de meeste regters zo wel als de Baillus, regts„ „geleerden zijn, en alwaar in het Crimineele na dat de Baillu van Eijsch gediend heeft, een afzonderlijke Regts geleerde de reede„ „lijkheid van den Eijsch aantoond, en na dat dezelve bij antwoord door een tweede voor en van wegens den gedaagden wederlegd is; vervolgens door een Derde voor en van wegens den officier daar op nader gerepli „ceerd, en dan eijndelijk door een vierde, voor en van wegens den gedaagden gedupliceerd word na„ tti te Hoedanig het gebeurd dat een regvaardigen Eijsch word ontzigt. word, daar intussen in Jndien de fiscaals om zo te spreeken pro en Contra moeten agee„ „ren, namentlijk alles aantoonen, wat zo wel ten voordeele als ten nadeele van den gedaagden diend, waar toe ider een zig niet gelijk genoeg is, om des gedaagdens zaak, met dien ijver te behartigen, als hij doet om zij„ nen Eijsch te fundeeren: met gebeurd zelvs meer als eens, dat eene op zig zelvs regt„ vaardige eijsch, zo in 't Crimineele als in 't Civiele ontzegd word, door dien de Eijscher, of de geen die voor Hem ageerd bij den eersten aan„ lig, alle omstandigheeden van het geval inquestie, het zij dezelve op de dicisie in„ flueeren of niet, zonder onderscheid te berde brengt, waar door behalven noodelooze wijd„ loopigheid, die daar door veroorzaakt word, de gedaagde gelegenheijd krijgd, des rechters attentie van de omstandigheeden, daar het meest op aankomt, aftetrekken, en op vreem„ de dingen te leiden, die wijnig ter zaake doen, dog hem somtijds gunstiger zijn, het geen bij eene menigte van bijzonderheeden bij na niet missen kan, want indien hij onder de zel„ „ven maar eene of twee attrapeerd, die niet bewijsbaar zijn, dan wend Mij alles aan, om dezelven den regter geduurig onder 't oog te 509 ongeregelde manier van pro„ de buiten Comptoiren. onderscheid die een Gebieder be„ misdaden. in welke graaden hij die aanmerken moet. te brengen en van haare onbewijsbaarheijd of onwaarheijd grooten ophef te maaken, waar door de regter, als die het scherpste door zigt niet heeft, zig dus ter goeder trouwe laat in het denkbeeld brengel, dat de Eijsch niet be„ „weesen is, en dus denzelven ontzegd. Ook ziet men op de buijten Comptoiren van cideeren ontdekt men veel op Jndien dat de Crimineele zaaken doorgaans extra ordinario mede behandeld worden, zon„ „der onderscheijd, of de misdaad klaar beweezen zij, dan wel nadere bewijzen of ophelderingen nodig hebben, waar bij de waarheijd alloos wat verlies Dus dunkt mij dat een Gebieder omtrend het Crimineele zig diend te gedragen als volgd. Dat mij, gelijk zo wen gezegd is, onderscheijd hoord te maken omtrent de maake, tussen zulke misdaden daar 's Comp:s eijge en particulier belang onmiddelijk mede gemelleerd is, en tussen alle andere misdaden die daar niet speciaal toebehooren, onder de eerste reekene ik Conspiratie, de zertie trouwe„ „loose behandelinge van administrateurs en andere dienaren etc: en onder de laatste dood„ slag elkander kwelsen, dieverij etc: Dat hij in de eerste gevallen /a/ de Comp: als particulier belang hebbende /b./ zig zelvs als de Comp: representeerende en/ E. Den fiscaal hoedanig de fikcaal daar na en queste moet doen. wat hij in agt heeft te nee„ men. hoe hij procedeeren moet. fiscaal als haare Procureur aanmerkende:/zijn en dus in dit opzigt zo wel als een ijder in zijn zaak vrijheid hebbende zijnen procureur te instrueeren dus ook 's Comp:s procureur of fiscaal in zo een zaak instrueere, om het proces tot Haar waare intrest gedeter„ mineert te krijgen, bij voorbeeld, in het geval van een trouweloose administrateur, als Mij toe zie. Dat de fiscaal nopens de omstandigheeden van het geval nauwkeurig onderrigt zij, en be„ grijpe, welke omstandigheeden op de decisie in „vloed hebben, of niet, ten eijnde zijne enques„ ten alleen tot de eerste te bepalen. Dat die enquesten in behoorlijk forma belegd worden, dewijl omtrend dit laatste de on„ weetentheid of in attentie van den officier dikmaals zondigd, tot Groot nadeel van een prompte Justitie. Dat als uijt de ingewonne enquesten blijkt, dat de beschuldigde zig niet uijtvlugten behelpt, die onderzoek vereijschen, de fiscaal zijne procedeures, ten eersten ordinario modo entameere, zonder zo lange te wagten, dat de gedaagde verzoekt, ons in een ordinaire pre„ ces ontvangen te worden. Dat de Eijsch in Conclusie over eenkomstig met

NL-HaNA_1.04.02_10312_0765 view scan ↗

English

511. In which matters the rulers do not separately need to interfere. to direct his claim in accordance with the crime and the punishment established for it by the edicts and statutory laws, and that in the further course of the proceedings no informalities or nullities are committed, on account of which many a trial that otherwise would have been won is lost or annulled by the judge, without interfering any further, and above all without in the very least prejudicing the freedom of the judge in the exercise of his office, while in the meantime the chief ruler may then rest assured for himself that nothing is neglected, and if the claim is denied, That the fiscal should then appeal, just as the condemned person could also do, if he finds himself aggrieved by the sentence. Yet in other criminal cases, in which the Company's interest is not directly concerned, it seems to me a ruler should not interfere separately, nor lead the fiscal as if by the hand, provided he nevertheless maintains him effectively in all cases, indeed even makes him take note and be aware of things that are improper, so that he may bring the offenders to trial before the Council of Justice, and then it is subsequently the duty of a ruler In approving the sentence, what must be observed. Have the granted deed published before the execution. Support with military force when holding an execution. That when the sentence has been passed by the Council and it, along with all the papers belonging to the trial, has been brought to him for approval, he then review it with all accuracy and conscientiousness, just as if he were the judge himself, and if he finds the sentence to be even somewhat suited to the offenders and circumstances according to the laws, then approve it as it stands, as a judgment pronounced by so many members to the best of their knowledge, which in my opinion carries as much credit as the judgment of a single ruler, especially if he is not a legal scholar, since his political status, to put it plainly, gives him no preference in judicial knowledge above others. That he give that approval by public deed, to be published immediately before the execution, after the criminal sentence has been read out. That on the day of the execution, he assist the judiciary, the College of Justice, at the place of execution with the militia, and even add his bodyguard with full military honours to the College when going to the tribunal or to the carrying out of the execution, 513. Yet finding himself aggrieved to approve what has been judged, then to stay the sentence and send the trial documents to Batavia. and thus lend the judiciary as much dignity as possible, and at the same time make the ceremonies of that occasion serious and venerable in every circumstance; but That in case, after careful review of the trial papers, he should believe on good grounds that the sentence was passed either too leniently or too harshly, and not properly or according to the custom of the land, and in his conscience finds difficulty in approving it as it stands, especially when life or death depends upon it, then without making any further fuss about it, simply stay the execution of the sentence, and send the trial documents with the actual reasons for the suspension, by the first available shipping opportunity, and if necessary also the delinquent, to Batavia. However, during my administration here it was not necessary to stay an execution, because the sentences generally appeared to me to be in accordance with the laws and suited to the crimes and their circumstances. In Ceylon, the Governor has some political members to advise him, but here none other than the Secretary alone. Although the rulers are not Presidents of Justice, they must nevertheless ensure that justice is properly administered. On Ceylon, the Governor has, for his peace of mind (how it is in other places I do not know), so many members in the Political Council who are not members of the Court of Justice that six or seven of them can serve for advice, so that the Governor there can approve a criminal trial with the advice of the Council; but such is not the case here, as there is no such large supply of qualified servants here as on Ceylon, and most members of the Council of Policy here are at the same time members of the Court of Justice, except for the Secretary, who is usually excluded from it, so that Your Honour's well-known expertise in the law will be of great use to Your Honour in this regard. From this it appears that although the Chief Rulers are excluded from the presidency of the judiciary, they must nevertheless, by virtue of representing sovereignty in their locality to a certain degree, thoroughly ensure that law and justice, both in criminal and civil matters, are administered among the people, which is ordered of them by public deed, and that, wishing to fulfill that duty conscientiously and wholeheartedly, they themselves can already do very much.

Dutch transcription

511. de, zijn Eijsch na rigten in welke zaken de gebieders, zig niet afzonderlijk behoefd te bemoeien. met het delie en de daar op gestelde straffe„ volgens de Hakkaaten en beschreevene regten ingesteld werde, en dat in den verderen loop der procedures, geene informaliteijten of Nul„ „liteijten begaan werden /:om welker wille meenig proces, dat anders gewonnen was verlooren of door den regter geannulleerd is:/ zonder zig daar meede dan verder te bemoei„ en, en voor al zonder de vrijheid des regters in de oeffening van zijn ampt in het aller„ „minste te benadeelen, terwijl intusschen die Hoofd gebieder als dan voor zig zelvs ge„ rust kan zijn, dat er niets in verbred is, en bij ontzegging appelleeren, en eijndelijk indien de Eijsch ontzegt word. Dat de fiscaal als dan apelleere gelijk de gecondemneerde ook zoude kunnen doen, in „dien Hij zig bij 't vonnis beswaerd word. Dog met andere Crimineele zaaken waar meede 's Comp:s intrest niet direct gemoeid is, dunkt mij diend een gebieder zig niet af„ „zonderlijk te bemouen nog den fiscaal als bij de hand te leiden, mits Hij Hem egter in allen gevallen kragdadig maintineere, Ja zelfs Hem kennisse doe neemen en dragen van dingen die onbehoorlijk zijn, op dat Hij de overtreedens bij den Raad van Justitie te regt stelle, en dan is vervolgens de pligt van een ken een blijkt, stig t Jn het approbeeren van de sententie waar op letten moet. de verleende acte voor de Exe„ „cutie laate Publiceeren. bij het houden van Executie militairen magt ondersteu„ Dat „ly wanneer de sententie door den Raad geslagen en dezelve met alle de papieren tot het proces behoorende, bij hem ter approbatie gebragt is, dezelve als dan met alle nauw„ keurigheid, en gemoedelijkheijd resumeere, even als of Hij zelfs regter waare, en indien Hij de sententie maar eenigzints vind vol„ „gens de wetten geschikt na de misdaders en omstandigheeden dezelve, dan zo als ze legt approbeere, als een vonnis, door zo veele lee„ „den na Hun beste kennisse uijtgesprooken dat mijns bedunkens zo veel Crediet heeft, als het oordeel van een enkeld gebieder, inkon„ „derheijd als Hij geen regtsgeleerde is, al zo zijn Caracter in het polilicque, om het maar regt uijt te zeggen, juijst geen preferentie in Justitieele kennisse boven andere geeft Dat Hij die approbatie doe, by opene acte om voor de executie, na dat de Crimineele sen„ tentie afgeleezen is, ook onmiddelijk gepu„ bliceerd te worden. Dat Hij de Justitie, ten dage der executie, het Justitie Collegie met op de executie plaats met Militie assisteere en het Collegie zelfs ter vierschaar of ter uijtvoeringe van de executie gaande zijn lijfwagt met „ volle Militaire honneur een Gebieder toevoege „ne. 513 maar zig beswaard, vindende heeft gewijsde te approbeeren als dan de sententie te surcheren en de proces-stukken na Bata„ via zenden. toevoege, en dus de Justitie, zo veel agtbaar„ heijd bijzette, als mogelijk is, en teffens de plegtigheeden van dien tijd, door alle om„ „standigheeden serieus en venerabel ma„ ke; maar. Dat ingevalle Hij na aandagtige resumtie van de proces papieren, op de goede gronden mogt vermeenen, dat de sententie ofte zagt of te hard, en niet na behooren, of na de Costume van den Lande, geveld is, en in zijn gemoed zwarigheijd vind, dezelve zo als ze legd, te approbeeren, inkonderheijd als 'er leven of dood van afhangd, als dan zonder verderen op hef, daar van te maken, maar eenvoudig de executie van de sententie sur„ „cheeren, en de proces stukken met de ef„ „fective moliven der surseantie, bij eerste voorkomende scheeps gelegentheid en als 't nodig is ook den delinquant na Ba„ tavia zende Dan het is geduurende mijn bestier alhier niet nodig geweest, eene executie te surchee„ ren, om dat de sententien mij doorgaans voorgekomen zijn, na de wetten, en ge„ schikt na de misdaden, en derzelver om„ standigheeden. op Cuilon heeft de Gouverneur tot zijn gerustheid aad den „ en In nog eenige der politique lee„ seeren, maar hier geen als de secret:s alleen. schoonde gebieders geen Pre„ sidenten van Justitie zijn moeten de & zij egter Zorgen dat de regt cute gedaan werd. „ op hilon het ten Gouverneur gerustheid (: hoe het op andere plaatsen is den om met dezelve te advi„ weet ik niet:/ zo veele leeden in den Poli ticquen Raad, die geen Liden van Justitie zijn, dat er nog wel ses of sevene item van advies kunnen dienen, zo dat de gouver„ neus daar een Crimineele proces, met ad„ „vies van Raade, kan approbeeren, maar zulks heeft hier geen plaats alzo hier geen zo groot verschot van gequalificeerde Die„ „naars is, als op Ceijlon, en de meeste Lieden van den Raad van politie alhier, teffens Leeden van de Justitie zijn, behalven de Ge„ cretaris die doorgaans daar van ge-exas„ seerd is, zo dat, UWEd: bekende kundigheijd in de regten UWEd: ten dezen opzigte, veel te pas zal komen. uijt dit een en ander dan blijkt, dat schoon de Hoofd Gebieders, van het presidium in de Justitie uijtgeslooten zijn, zij egter uijt Hoofde, dat zij ter hunner plaatse in een zeekeren graad de souveraniteijd represen„ teeren, wel degelijk moeten zorgen dat er regt en Justitie zo in het Crimineele als Civile onder den volke ge-administreerd wor„ „de, het geen Hun bij opene acte gelast word, n 4 veel en dat zij aan dien pligt gemoedelijk en hartelijk willende voldoen, zelvs al zeer „ver veel ses

NL-HaNA_1.04.02_10312_0769 view scan ↗

English

515 through their assistance, Justice gains greater esteem, and through the administration of justice much evil has been prevented. could do much regarding this, at least as much or as little knowledge of the laws and the customs here in the Indies as I believe I have, so I think that a Ruler can, in the aforementioned manner, best contribute from his side to ensure that Justice is well and properly maintained; for then Justice, to which not enough respect nor esteem can be added, is held in high regard; then the community has respect for the Fiscal, especially when he himself is of exemplary conduct; then everyone knows that he can obtain justice, without respect of persons, and then a humble person, oppressed by greater ones and wronged by the self-interested, can obtain his rights; yes, then crimes are punished, and wicked servants are prevented more than otherwise in their evildoing; for even though many refrain from misdeeds not so much out of love for virtue and out of hatred against evil, but solely out of fear of punishment, knowing that crimes are strictly investigated and punished according to desert, although this is indeed not virtue as virtue in such persons, it is nonetheless, and in any case, of that great benefit to the public good that evil is practiced less in the country, and this is that great difference between the civilized and uncivilized administration of justice, why the native nations, seeing the administration of Justice handled holily and purely among us, praise our fortune in this regard so greatly and so bitterly lament their own misfortune, since the administration of justice under native rulers is practiced mostly according to favor and advocacy, yes, even for money, so that he who promises the most money and thereby has the most advocacy generally wins his case for certain, whereas meanwhile a poor man, who has the purest case, is generally ruled against. However, the aforementioned reflections regarding Justice are not set down here to instruct Your Honor in this matter, as Your Honor needs no special instruction in legal any more than in political matters, and I moreover know in particular that Your Honor thinks in the same manner regarding the article of Justice here in the Indies, which became evident to me when, in the pleasant correspondence that we maintained with each other during Your Honor's and my administration at Tuticorin and here, 517 I also shared my thoughts with Your Honor among others on this subject, and at the same time asked for and also obtained Your Honor's further sentiments in this regard. Thus I repeat once more that I have set down the aforementioned reflections here not so much to instruct Your Honor, but rather thereby, if it were possible, to give some occasion so that this shibboleth might finally be decided, namely to what extent the authorities in the Indies representing the sovereign must interfere with Justice or not. Yet before I leave this article, I should mention something else that has frequently occurred to me during my stay in the Indies, namely, the use of interpreters in Justice. It is known that the majority of criminal offenses take place for the greatest part among natives, and thus for the least part among Europeans, because the latter here in the Indies constitute only a very small number compared to the former, who stand under the obedience and jurisdiction of the Company, so that the witnesses who are required and heard by Justice are also for the greatest part natives, and thus the inquest usually must take place with the help of interpreters who understand the local language. Therefore, such an interpreter ought not only to be able to understand correctly the person who testifies, but also to be able to convey the attested statement properly to the court clerk; but how easily an error can be committed therein, whereby naturally bad justice could occur, especially in criminal matters, in which life or death sometimes depends on a good or bad expression; for even assuming that the interpreter has indeed understood the statement of the deponent correctly for himself, he must also understand our Dutch language so well that he can convey the statement of the witness to the court clerk in such a manner as is the true and effective meaning; in a word, he ought to have of that which he is to interpret not only an idea clara, but also an idea distincta. Meanwhile, we know that at the Company we seldom possess European interpreters, but generally native ones.

Dutch transcription

515 door de behulpzaamheid van hen, verkrijgt de Justitie meer aanzien. en door het eeffenen van regt veel kwaad geweest. veel daar omtrend kunnen doen, ten min„ „sten zo veel of weijnig kennisse ik van de regten en van de Costumen hier in Jndien meene te hebben, zo denk ik; dat een Gebie„ „der op voorschreeven wijze het beste van zij„ „ne zijde toebrengen kan, om de Justitie wel en behoorlijk te doen handhaven, want dan word de Justitie, die geen Agtbaarheid nog aanzien genoeg kan bijgezet worden, in hooge agtinge gehouden, dan heeft de gemeen„ „te ontzag voor den Fiscaal voor al wan„ „neer „lij zelfs van een voorbeeldig gedrag is, dan weet een ider, dat hij regt kan krij„ „gen, zonder aanzien van perzoon, en dan kan een gering mensch, door grootere ver„ „zukkeld, en door baatzugtige te kort gedaan, zijn, regt krijgen, ja dan worden de misda„ „den gestraft, en ondeugende dienaaren meer als anders in hun quaad doen belet, want schoon al, eens veele, de wan- bedrij„ ven laten, niet zo zeer uijt liefde tot de deugd en uijt haat tegen het quaade, maar alleen uijt vreeze voor de straffe als wee„ tende dat de misdaden scherp onderzogt en na verdiensten gestraft worden, zo is dit juijst wel geen deugd als deugd, in de zulke maar het is intussen, en in allen gevalle, van i geen m t n er wor¬ word, en zeer ƒ ten wat einde boven gem: beden„ ter neder gestelt van dat groote nut in het algeemeene best dat het quade minder als in den lande geoessend word, en dit is dat groote onderscheid tusschen de beschaafde en onbeschaafde regts oeffeninge waarom de Jnlandse Natien oeffeninge van Justitie bij ons heijlig en zuijver ziende behandelen ons geluk ten de ren zo zeer verheffen en Hun ongeluk zo bitter beklaagen, dewijl de regts oeffeninge bij de inlandse vorsten meest na gunst en op voorspraak, ja zelfs voor geld geceffend word, zo dat de geen die het meest geld beloofd en daar door de meeste voorspraak heeft, door„ „gaans zijn zaak vast wind, daar intus„ „schen een arme, die de zuijverste zaak voor heeft; doorgaans in het ongelijk gesteld word. Egter heb ik, voorschreeven bedenkingen kingen omtrent de Justitie zijn hier niet ter neder gesteld om UWEd: ten de„ zen te instrueeren, alzo UWEd: zo min in regten als in Politicque zaaken eenige spe„ „tiaale onderrigtinge nodig heeft, en ik buij„ len des in 't bijzonder weete, dat UWEd: om„ trend het artikel der Justitie hier in Jn„ dien op de zelfde wijze denkt, het geen mij gebleeken is wanneer ik in de aan„ genaame Correspondentie, die we geduurende UWEd: en mijn bestier je Tutucorijn, en hier met de cutie 517 aanmerkinge omtrent de pl„ ken die bij de Justitie danst met elkander gehouden hebben, UW Ed: onder an„ „dere ook over dit onderwerk mijne gedagten eens meede gedeeld en teffens UWEd: nadere gevoelens derweegens gevraagd, en ook erlangd hebbe: dus repeteere nog eens dat ik voor„ schreeven bedenkingen hier niet zo zeer ter neder gesteld hebbe, om UWEd: te instrueeren maar veel eer om daar door waare het moge„ „lijk eenigzints aanlijdinge te geven dat tog eens eenmaal gedecideerd mogt werden dit schibbolet, namentlijk in hoe verre de ove„ righeid in Jndien den souverain Representee„ rende, zig met de Justitie bemoeijen moet of niet. Dog eer ik van dit artikel scheijde diene ik nog iets te melden het geen menigmaal geduurende mijn verblijf in Jndien, bij mij ook in aanmerkinge gekomen is, nament„ „lijk, het gebruijk der Jolken bij de Justitie Het is bekend, dat de meeste Crimineele delieten voor het grootste gedeelte omtrend Jnlanders, en dus voor het geringste ge„ deelte, omtrend Europiezen plaats hebben, om dat de laatste hier in Jndien, maar een zeer klijn getal uijtmaaken, in vergelijk van de eerste, die onder de gehoorzaam„ heijd en Jurisdictie van de Compagnie staan doen. dienen bekwaam te zijn om„ hunnen dienst nabehooren te verrigten wijl veel van hen ondervinding die men heeft door onkunde niet waarneemen. slaan, zo dat de getuijgens die bij de Justitie gerequireerd en gehoord worden, ook voor het grootste gedeelte Jnlanders zijn, en dus de en queste doorgaans met behulp van Jolken mos geschieden, die de land=taal verslaan, Derhal„ ven diene zo een Jolk niet alleen allen te zijn, om den geenen die allesleerd, regt te ver„ afhangt om goed regt te doen; slaan, maar ook in staat te zijn, om het geattesteerde den Beamptschrijver behoor„ „lijk te verstaan te geven, maar hoe ligt kan daar in abuijs begaan worden! waar door na„ tuurlijke wijze quaad regt zoude kunnen geschieden, voor al in het Crimineele waar in zomtijds van een goede of kwade uijt „drukkinge leven of dood afhangd, want schoon genomen de Tolk al eens in der daad het gezegde van de Comparant voor zig zelven dat de talken somtijds humn psligt wel begrepen heeft, zo moet mij onze Ne„ „derduijtsche taal ook zo wel verstaan, dat Hij het gezegde van den attestant ook zo„ „danig aan den Beamptschrijver te ver„ „staan kan geeven, als de waare en effective meeninge is, met een woord, Hij diend van het geen Hij zal vertolken niet alleen een idia Clara, maar ook een idea distincta te hebben intusschen weeten wij dat we bij de Compagnie zelden Europeeze maar die de Europees bezitten doorgaans de cute : men

NL-HaNA_1.04.02_10312_0773 view scan ↗

English

One therefore wishes that one could obtain European interpreters who possess the required competence. Generally we have native interpreters, among whom there are sometimes individuals who have difficulty expressing themselves in Dutch, not to mention that one sometimes has to guess at what they mean to say. How very easily errors can be committed in this regard. I speak from experience and have not yet forgotten how formerly, assisting at such an interrogation as a member of the Court of Justice, I had to doubt from the context of things whether the statements of the appearing parties were truly understood by the interpreter or were conveyed into Dutch in such a manner as was the intention of the appearing parties, and whether such also properly took place in the answering of interrogatories, in which an interpreter must be doubly attentive, namely first to present the questions of the interrogator so clearly that the person interrogated understands the true intention of the interrogator, and then that the answer, just as before, is also properly conveyed. Thus it were well to be wished that one could obtain European interpreters conversant with the language and country for the service of the Court of Justice, not to This could only be obtained by employing small European boys to learn the language. mention now that thereby also that great lack of good interpreters would be remedied in the Administration, both in reporting and in the writing of letters from and to native princes, for which is required not only a good knowledge of the language, but also of the customs, habits, and outward manners of the native. Witness the daily occurrences in the country service, wherewith a Commander must continuously rack his brain if he wishes to maintain the Company's esteem and remain the refuge for perplexed and oppressed natives. And thus to obtain good interpreters here and everywhere in the Indies, it seems to me there is nothing better than small European boys who come out with the ships and are sometimes not above 10 years old, yet frequently witty and alert. I say, to take such boys ashore, to have them properly instructed in the reading and writing of the Dutch language, to have them continually read intelligible books in order to acquire more than an ordinary knowledge of the language, and meanwhile to have them learn to write and speak the native or predominant language of the place where they As already two European boys have begun to learn. are, at an early age, just as in the Netherlands one early has youths learn the French and other languages, whether privately or in school, which would then provide very good interpreters, especially if one early also gave them readings of old papers, let them go inland now and then, and even employed them early to accompany commissions or messages to the courts of the native princes, so as to learn to know early on not only the speech, manners, customs, and way of life of the native, but also the native princes themselves and their ministers. And once one had such interpreters, one could always raise others again. At least I think that a very great service would thereby be rendered to Justice, and that a judge could administer justice with considerably more peace of mind upon such papers as are interpreted by such interpreters. As I have therefore also Boys are apprenticed. already apprenticed two youths named Gerrit van Waardenburg and Jacob Goliath for that purpose here to our second interpreter, and which boys have now also Checked. begun to learn to read and write the Malabar language, wherewith they are diligently occupied. But if one should wish in the course of time to raise such youths further for that purpose, one will also have to give them a salary on which they can subsist, so that through too narrow a remuneration they need not give themselves over to intrigues, as one generally sees take place with the interpreters, the few good ones not to be disparaged. Herewith I now end this writing, and further wish Your Honour from the heart a blessed and prosperous government, both to the well-being of the Company and to Your Honour's own satisfaction, while I remain meanwhile with all esteem, Sir, Your Honour's obedient servant and friend, was signed, A: Moens. In the margin: Cochin, the 18th of April, Anno 1781. Agrees: J: A Damicheu J. H: Voordijck J Lecret No. 1. The 28th of January, Tuesday before noon, the lessee of the Company's garden at Aroer, the Canarese Cotje Pattara, came to complain that the guards of the King of Travancore, to the number of 200 to 300 men, had fallen upon his leasehold and had there forcibly taken away some Palcatcherise tobacco from the boutiques, and furthermore had alarmed the inhabitants, who out of fear thereof had then fled and come hither. His Right Honourable thereupon sent the Chief Interpreter van Tongeren, being the bearer of this, and the Tree-Counter Solsenberg, who actually has the supervision of the lessees and their leaseholds, to the Cochin Court to the Travancore Sarwadicariacaren Coemara Poela, who was lodging there, in order to ask him categorically whether that affair had happened by the King's or by his order or foreknowledge, or not; with special instruction to bring back no answer other than a simple yes or no, and also not to enter into any discourse, much less into any debate, but only to put that question, and receiving no categorical answer against Extract from the notes kept by the Chief Interpreter Simon van Tongeren in the year 1772. it.

Dutch transcription

519 men wenscht daarom dat men Europeese tolken konde verkrijgen die de vereischte bekwaamheid bezitten doorgaans inlandse Jolken hebben, waar on„ „der zomtijds subjecten zijn, die werks heb„ ben zig in 't Hollands uijttedrukken, gezwij„ „ge dat men komtijds raden moet na het geen ie leggen willen: die eens hee ligtelijk ten dezen opzigte abuijsen kunnen be„ „gaan worden, ik spreeke bij ondervindinge en bin nog niet vergeeten, hoe ik wel eer bij diergelijke verhoor als lid van Justitie adsisteerende, uijt den te samenhang van zaaken moest twijffelen, of de posities van de Comparanten door den Jolk wel waar„ lijk verstaan of in het Hollands wel zo„ „danig overgebragt waaren, als de intentie van de Comparanten was, en of zulks bij het beantwoorden van Jnterrogaterien ook wel behoorlijk plaats had, waar in een Jolk dubbeld attent moet zijn, na„ „mentlijk eerst om de vraagen van den interrogant, zo duijdelijk voortedragen dat de geinterrogeerde de waare intentie van den interrogant begrijpe, en dan dat het antwoord even als vooren ook behoor„ lijk overgebragt worde. Dus was het wel te wenschen dat men taal en landkundige Europeeze Jolken kon verkrijgen ten dienste van de Justitie /om nu dit zou eenelijk te erlangen zijn, door het emploijeeren van kleine Europeesen son„ „gens, om de taal aan te lee„ nu niet te spreeken dat daar door teffens hersteld zoude worden dat groot gebrek aan goede Jolken bij de Politie zo bij het verhaalen als het schrijven van brieven van en aan Jnlandse vorsten, waar toe niet al„ leen vereijscht word, een goede kennisse van de taal, maar ook van de Leeden, gewoon„ „tens en uijtterlijkheeden van den inlander„ getuijge van de dagelijkse voorvallen in den land dienst, waar meede een Gebieder bij Continuatie zijn Hoofd diend te breeken, indien Hij s' Comp:s agtinge bewaaren en de teevlugt wild blijven voor verlegene en onder„ „drukte inlanders:/ En om dus hier en over al in Jndien goede Tolken magtig te worden dunkt mij, is er niets beters, dan klijne Europeeze Jongens die met de scheepen uijtkomen en zomtijds niet boven de 10. Jaaren oud dog veeltijds gees„ tig en allert zijn, ik zeg zulke Jongens aan de wal te ligten, hun in het leeken en schrijven van de Hollandse taal, be„ hoorlijk te laaten onderwijken, bij Continua„ „tie verstaanbaare boeken te doen leezen, om meer als een ordinaire kennis van de taal te krijgen, en intusschen de Jnlandse of de predomonante taal van de plaats, waar ze ren. 521 zo als reels twee Europeeze al beginnen te leeren. —. te zijn, al vroeg te laten leeren schrijven en spreeken /gelijk men in Nederland al vroeg Jongelingen de franse en andere taalen tie leeren het zij proviaat of in het school, het geen dan zeer goede Jolken zou„ „de geeven, inzonderheijd wanneer men sun al vroeg leffens lectura gaf van oude papie ren, nu en dan eens landwaards in liet gaan, ja Hun zelfs al vroeg gebruijkte, om meede te gaan, met Commissies of bood„ „schappen na de moven der inlandse vorsten om dus niet alleen vroeg de spraak, Leeden gewoontens en Levenswijke van den Jnlan„ „der, maar ook de inlandse vorsten zelvs, en Hunne Ministers te leeren kennen, en als men eens zulke Jolken had, dan zoude men altoos weder andere kunnen aankweeken, ten minsten ik denke, dat er de Justitie zeer grooten dienst door zoude geschieden en dat een Regter met vrij meer gerustheijd op zulke papieren die door kulke folken vertolkt zijn, zoude kunnen regt doen, gelijk ik dan daarom Jongens zijn aanbesleeden ook ook reets twee Jongelingen genaamt Ger„ rit van waardenburg en Jacob Goliath daar toe hier bij onzen Tweeden Jolk be„ „steed hebbe, en welke knaapen, nu de Mallabaarse Nagezien Mallabaarse taal ook al begunnen te leeren leezen en schrijven, waar meede zij vlijtig beezig zijn, dog indien men zulke Jongelingen bij ver„ volg van tijd verder daar toe, zoude willen aan„ kweeken, dan zal men Hun ook een bezoldin ge dienen te geven, waar van ze bestaan kunnen op datze door eene te bekrompene betaalinge zig niet behoeven overtegeven, tot konkela„ „rijen, gelijk men doorgaans bij de Jolken /: de wijnige goede niet te nagesprooken, ziet plaats hebben. Hier mede nu eijndige ik dit schriftuur, en wensche UWEd: voorts van harten toe, een Ge„ zegende en gelukkige Regeeringe, zo tot wel zijn van de Maatschappje, als tot UWd: eijge satisfactie, terwijl ik inlussen met alle ag„ linge verblijve /:onderstond:/ Mijn Heer, UWEd:s Dienstwillige, Dienaar en Vriend (was get:/ A: Moens /:in margine:/ Cochim den 18 April A„o 1781. — Akkordeert J: A Damicheu J. H: Vvordijck J Lecret 1 No. 1. Den 28:' Januarij Dingsdag voor de middag quam de Pagter van 's comp. s thuijn te Aroer, de Cannarijn Cotje Pat„ „tara klagen, dat de wagters van den koning van Jrevancoor ten getalle van 2: â 300: koppen en zijn pagt zoude gevallen zijn, en aldaar eenige Palcatcherijsen Tabak uijt de Boutiques met geweld afgehaald, mitsgaders de inwoonders ge-allarmeerd hebben, die uijt vreeze daarvan dan geweeken, en dit heen ge„ „komen waaren. zijn WelEd: Agtb: zond hier op den oppertolk van Jongeren, zijnde den Houder dezer, en den Boom„ „teller Solsenberg, die eijgendlijk het opzigt op de pagters en derzelver pagterijen heeft, naar het Cochimse Hoff bij den Trevancoors Sarwadicaria„ „caren Coemara Poela, dewelke daar logeerde om van den zelven Cathagorisch aftevragen: of dien affaire op 's konings, dan wel op zijn ordre of voor„ kennisse geschied was of niet, met speciale Last om geen antwoord als eenvoudig Ja of neen mede te brengen, en ook om in geen discours veel min in eenige debat te treeden, maar alleen die vraag te doen, en geen Cathagorisch antwoord krijgende tegen Extract uijt de gehoudene aan„ „teekeningen door den Oppertolk Simon van Tongeren de A. o 1772: het

NL-HaNA_1.04.02_10312_0780 view scan ↗

English

the failure to give a resolute answer, in His Right Honourable's name on behalf of the Company publicly to protest against the consequences that might arise from this. As soon as Coemara Poela heard the message he was very alarmed, wished to make some excuses and seemed to act as if he knew nothing of it, and one could clearly see from him that he sought by a roundabout discourse to sound out how the Right Honourable Lord Commander had taken that matter, but he was told directly that he should please answer categorically yes or no, since they had orders, in the contrary case, to listen to nothing and to depart with a protest, but then he became even more embarrassed and testified by everything that was dear that he knew nothing of it, that he knew all too well that his Master had not yet given orders to anyone for such undertakings, and that it must therefore be a case that was caused either by a misunderstanding of the King's guards or by mutual disputes of the King's and the Company's inhabitants, that he would de facto have inquiries made into it, and in the meantime requested that His Right Honourable please exercise patience for so long, but just as they were about to leave, Coemara Poela asked, as if in secret and in confidence, whether whether His Right Honourable had become seriously angry about the matter, upon which the commissioners (having been specially instructed on this point), shrugging their shoulders and making some confidential and reserved movements, gave him to understand that His Right Honourable, who was still sickly at that time, had not only been very vexed about that matter and had grown worse because of it, but also, as they could notice from all circumstances, intended not to let it rest at that, but either to take satisfaction de facto himself, or else first directly to ask conspicuous satisfaction for it from His Highness, and that they were apprehensive of further consequences in this case, knowing His Right Honourable on the one hand to be good-natured and accommodating, but on the other hand absolutely resolved not to permit the slightest infringement upon the Company's authority, but to risk the utmost on it, and not to rest until he had satisfaction. Whereupon Coemara Poela drew them to one side and requested that they would catch His Right Honourable in a good mood and divert him from any undertakings, not even to express himself about it, much less to write to His Highness about it, before he had investigated the matter and had conferred with His Right Honourable himself. The The 30th January, Thursday, he sent the ordinary agent Ananda Mallen who, having come to His Right Honourable in his apartment, testified that Coemara Poela was sickly, and thus had sent him to confer with His Right Honourable about the matter in the garden of Aroe, and it also seemed as if Coemara Poela had shrunk from coming himself, and used his illness as a cloak, which one could see from the evasions and expressions of Ananda Mallen, who upon his arrival immediately requested that His Right Honourable would not suspect Coemara Poela, finally he came to the point and reminded His Right Honourable how His Travancore Highness still had a large remaining stock of Jaffanapatnam tobacco, which lay unsold because the Palcattscherij or northern tobacco (which is very cheap) is brought here and there by stealth into His Highness's country, and is thus bought by his subjects (who otherwise take His Highness's tobacco); how the farmers of the two districts of Aroe and Bitsjoer in their leaseholds, which lie in and against the King's territory, sell Palcatcherijs tobacco to the King's inhabitants, to the considerable loss of the King, how this had always been prevented under the previous rulers, how those farmers, having begun this again some time ago, His Highness His Highness had complained about this to the late Right Honourable Lord Governor Senff, who immediately forbade the farmers to sell northern tobacco in their leaseholds; how those farmers had indeed ceased doing so for some time, but gradually, in a secret manner, and at last openly, had gone their old way again; how His Highness, since then not living on terms of good friendship with his late Right Honourable, did not wish to complain about it anymore, but had resolved to counteract this himself in one way or another; how His Highness, hearing since then that another Commander was about to arrive here, had exercised patience with that and waited until the Right Honourable Lord Governor Senff should have departed, and thus also shortly after that departure had repeatedly had His Right Honourable conferred with on this matter; how His Right Honourable did not seem to have been inclined to forbid the farmers the sale of that tobacco, but always said that His Right Honourable could indeed forbid his farmers from going to sell northern tobacco in the King's territory, but that His Highness could surely forbid his own subjects from coming into our leaseholds and fetching northern tobacco there; and that if His Highness did that, our farmers would then only to the inhabitants

Dutch transcription

het niet geeven van een Cordaat antwoorde, uijt zijn WelEd: Agtb:s naam van weegens de Comp: opendlijk te protesteeren, tegen de gevolgen, die daar uijt mog„ „len voortkomen. zo dra Coemara Poela de boodschap hoorde wierd Hij zeer ontsteld, wilde eenige uijtvlugten maaken en scheen zig te houden als of Hij nergens van wist, en men kon duijdelijk aan Hem zien, dat Hij door een om weg van discoursen zogt te polsen, hoe den WelEd: Agtb: Heer Commandeur dat geval opgenomen had, dog hem wierd direct gezegd, dat Hij geliefde maar ca„ „thagorisch Ja of neen te antwoorden, alzoo zij ordre hadden om in Contrarie geval na niets te luijsteren en met protestatie heen te gaan, dog toen wierd Hij nog meer verleegen en betuijgde bij alles dat dierbaar was, dat Hij nergens van wist dat Hij al te wel wist dat zijn Meester nog nie„ „mand ordres tot zulke onderneeminge gegeven had, en dat het derhalven een geval moest zijn, dat of door misverstand van 's konings wagters, of door wederzijdse questies van 's konings en 'sComp s inge„ „zeetenen moest veroorzaakt zijn, dat Hij de facto daar na zoude laten verneemen, en intusschen ver„ „zogt dat zijn WelEd: Agtb: zo lange patientie gelief„ „de te oeffenen, dog zo als men heen zoude gaan, vroeg Coemara Poela als in 't geheim en in 't vertrouwen, of of zijn WelEd: Agtb: over 't geval met ernst quaad was geworden, waar op de Commissianten (als speciaal daar op ge-instrueerd geweest zijnde /onder het ophaalen hunner schouders met het maken van eenige vertrou„ „welijke en geretireerde mouvementen te kennen gaven, dat zijn WelEd: Agtb: die toen als nog ziekelijk was, zig over dat geval niet alleen zeer ge-ergerd had, en daar door slegter geworden maar ook zo als zij uijt alle omstandigheid konden merken, voorneemens was„ het daar bij niet te laaten maar of de facto zelfs sa„ „tisfactie te neemen, dan wel alvoorens eerst van zijn Hot direct daar over eclatant satisfactie te vraagen, en dat zij bedugt waren voor verder ge„ „volg in dit geval, als kennende zijn welEd: Agtb: aan de eene zijde voor goedaardig en inschikkelijk„ dog aan de andere zijde als absoluit geresolveerd om geen de minste inbreuk in 'sComp. s gezag toete„ „laaten, maar het uijtterste daar aan te wagen, en niet te rusten voor dat Hij satisfactie had. Waarop Coemara Poela hun aan een zijde trok en verzogt om tog zijn WelEd: Agtb: bij een goede luijm waarteneemen en te diverteeren van eenige onder„ „neemingen, zelfs niet om 'er zig over uijttelaten veel min aan zijn Hot daar over te schrijven, alvoorene Hij de zaak onderzogt en zijn Wel Ed: Agtb: zelfs onderhouden had. Den Den 30:' Januarij Donderdag, zond Hij de ordinaire Agent Ananda Mallen die dan ook bij zijn WelEd: Agtb: in desselvs appartement gekomen zijnde, betuijgde dat Coemara Poela ziekelijk was, en dus gezonden had om zijn welEd: Agtb: over het geval in de thuijn van Aroe te onderhouden, en het scheen ook als of Coemara poela geretireert was, om zelfs te komen, en zijn ziekte tot een dekmantel gebruijkte, het geen men aan het draijen en de Zegswijzen van Ananda Mallen zien kon, die met zijn komste al ten eersten verzogt, dat zijn WelEd: Agtb: Coemara Poela tog niet wilde verdenken, eijndelijk quam Hij ter zaake en herin„ „nerde zijn WelEd: Agtb:, hoe zijn Trevancoorse Ho=t nog een groot restant Jaffanapatnamse tabak had, die onverkogt bleef leggen door dien de palcat„ „cherijse of noordse Tabak /dewelke zeer goed koop is/ hier en daar ter sluijk in zijn Ho=ts Land ge„ „bragt word, en dus door zijn onderdaanen (die anders zijn Ho=ts tabak neemen) gekogt word; hoe de pag„ „ters van de twee districten Aroe en Bitsjoer in hunne pagterijen, dewelke in en tegens 's konings Gerritoir leggen; Salcatcherijs tabak aan 's koningen ingezeetenen verkoopen, tot merkelijke schaade van de Koning, hoe zulks bij de voorige Gebieders altoos is belet geweest, hoe die pagters zulks over eenigen tijd weder begonnen hebbende zijn Wot Ho=t daar over gedoleerd heeft bij wijlen den welEd: Agtb: Y Gouvr Heer Senff, die ten eersten de pagters verbood om in hunne pagterijen noordse tabak te verkoopen; hoe die pagters zulks wel eenigen tijd gelaaten, dog weder gaande weg op een hijmelijke wijze, en op 't laatste opendlijk hun ouden gang hebben gegaan; Hoe zijn Ho=s 't zedert met wijlen zijn welEd: Agtb: in geen goede vriendschap leevende, daar over niet meer heeft willen doleeren, maar voorgenomen had, zulx op de een of andere wijze zelfs tegen te„ gaan; Hoe zijn Hot 't zeedert hoorende dat hier een ander Commandeur stond te komen, daarmeede patientie ge-oeffend en gewagt heeft tot den welEd: Agtb: Heer Gouverneur Seuff vertrokken zoude zijn, en dus ook kort na dat vertrek, eens en andermaal zijn welEd: Agtb: daar over heeft laten onderhouden; Hoe zijn welEd: Agtb: niet geneegen schijnt geweest te zijn, om de pagters der verkoo= „ping dier Tabak te verbieden, maar altoos zeijde dat zijn WelEd: Agtb: zijne pagters wel kon verbieden om geen noordse Tabak op 's konings Cerritoir te gaan verkoopen, dog dat zijn Hot desselvs onderdanen immers zelfs kan verbie„ „den om in onze pagterijen te komen en daar noord„ se tabak te gaan haalen; en dat als zijn Ho:s dat deed onze pagters dan alleen maar aan de bewoonders

NL-HaNA_1.04.02_10312_0784 view scan ↗

English

inhabitants of our leaseholds, and would not be able to sell their tobacco to the king's subjects, because the shopkeepers, being in their shops, cannot know from the faces whether the buyers are subjects of the king or of the Company; how His Highness, in the hope that His Right Honourable would in time still issue the requested prohibition, in the meantime ordered his servants on that side to post guards everywhere, and to forbid his subjects from going to buy northern tobacco in our leaseholds; how the king's guards, pursuant thereto, recently wished to prevent some of the king's subjects who secretly wanted to go buy Palcatcherij tobacco in the leaseholds, and through a misunderstanding had pursued them a little too far, slightly across the king's borders, which they had not been able to distinguish so well in that pursuit; how the Company's people made a great fuss over this, just as if something hostile were happening, which then caused confusion on both sides and a great uproar, on which occasion it may easily have happened that a coconut was plucked from a tree and a leaf of tobacco went missing; to all of which Ananda Mallen further added that if His Right Honourable wished to have the matter investigated, he would also find it to be so, with a request to consider this incident merely as a misunderstanding. His Right Honourable said to all this that Ananda Mallen seemed very well instructed by Coemara Poela or even very well trained to give the matter that twist, but that he might well have refrained from an expression which His Honour will never hear nor tolerate, namely that His Highness had at first intended to oppose the sale of Palcatcherij tobacco himself in one way or another, that His Honour knows of no other way than the Company's prohibition, and that if the Company did not wish to forbid it, His Honour would indeed like to know what way of preventing it remained. Hereupon Ananda Mallen resumed his speech and testified that His Highness's intention had not been such in His Honour's time, but in the time of the Right Honourable Mr. Senff; but His Honour said, I know of no time of mine or of my predecessor, it was then as it is now and always is, namely the Company's time; and His Honour intentionally appeared outwardly somewhat offended by this expression, until Ananda Mallen finally said that it was merely a mistaken expression on his part, that he had meant thereby that His Highness, from the change of administration, had hoped for and expected some change for himself in in this respect, to be effected with His Right Honourable, which His Highness, having first obtained it from the Right Honourable Mr. Governor Senff and it having since been revoked again, had not wanted to request from His Right Honourable a second time; that His Highness is still in the firm confidence that His Right Honourable will yet please His Highness in this, and that it would therefore grieve His Highness himself to hear that this incident near Aroer, caused by a misunderstanding and without any bad intention, had provoked so much displeasure in His Honour. Thereupon His Right Honourable somewhat changed his tone and spoke a little more friendly, but nevertheless said that he could not accept the matter as such without first having conducted a further investigation regarding it, as being a matter of the utmost importance and of great consequence, which case His Right Honourable depicted to Ananda Mallen as so delicate, so critical, and as a direct inducement to open discord, just as if His Right Honourable would not leave it at that, so that Ananda Mallen, who handles the daily affairs of His Travancore Highness here and has quite a lot to do with us, most urgently requested His Right Honourable not to write to His Highness about this and to leave the matter at that for this time. However, His Right Honourable replied that he had no freedom to remain indifferent regarding this, that this was a matter affecting the respect and authority of the Company, and that before he could show any compliance in that regard, he first had to have further inquiry made into how far he could regard it as a misunderstanding, promising however in the meantime to exercise patience for so long, wherewith Ananda Mallen departed glad, as he could bring these good tidings to Coemara Poela. On Tuesday the 20th of February, His Right Honourable, who in the meantime had already secretly gathered information through various persons as to how the incident near Aroer had effectively occurred, had this matter investigated further for the last time, and for that purpose sent the bearer of this, together with the sworn clerk Poolvliet and the tree counter Stolsenberg, to the lodgings of Coemara Poela, where, according to agreement, witnesses from both sides, both of the Company's and of the king's people, were assembled and had also arrived there, and as the Company's Another extract from the aforesaid record: Farmer G Not and Honourable

Dutch transcription

bewoonders van onze pagterijen, en niet aan sko„ „nings onderdanen hunne tabak zouden kunnen verkoopen, om dat de Boutigiers in hunne bouti„ „quen zijnde aan de aangezigten, niet kunnen weeten of de koopers 's konings of scomp. s onderdaa„ „nen zijn; Hoe zijn Ho=t in hoop dat zijn welEd: Agtb: met er tijd het verzogte verbod nog wel zoude doen intusschen zijne Bediendens aan die kant gelast heeft, om over al wagters te stellen, en zijne onder„ „daanen te verbieden, om in onze pagterijen geen noordse tabak te gaan kopen; Hoe 's kon:s wagters ingevolge van dien, onlangs eenige van Jkon:s onderdaanen, die hijmelijk in de pagterijen Palcatcherijse Tabak wilden gaan kopen, zulks hadde willen beletten, door een misverstand hun wat te verre nageloopen hadden, een wijnig over sko: Limieten, die zij in dat naloopen zo niet hadden kunnen onderscheijden, Hoe 'sComps volk daar op een groot leeven gemaakt heeft, even als of iets vijandelijks geschiede, het geen dan wederzijds Confusie en grooten ophet veroorzaakte, bij welke geleegendheid het ligtelijk kan gebeurt zijn, dat 'er een koker van een boom geplukt en een blaadje tabak weggeraakt is; bij welke alles Ananda Mallen nog voegde, dat zijn WelEd: Agtb: die zaak willende laten onder„ „zoeken, ook zodanig bevinden zoude, met verzoek om om dit geval tog als een misverstand te Considereeren zijn WelEd: Agtb: zeijde op dit alles, dat Ananda Mallen zeer wel door Coemara Poela scheen ge- „instrueerd of ook wel zelfs zeer wel afgerigt te zijn om de zaak, dien draaij tegeeven, dog dat Hij zig wel had mogen wagten van eene uijtdrukkinge die zijn Agtb: nooit hooren nog verdragen wil, na„ „mendlijk dat zijn Ho: eerst gemeend had, de ver„ „koop der Palcatcherijse tabak op de eene of andere wijze zelfs tegen te gaan, dat zijn Agtb: geene andere wijze kend, als 'sComp:s verbod, en dat als de Comp: het niet verbieden wilde, zijn Agtb: dan wel eens weeten wilde, welke wijze van beletten 'er dan over was. Hier op hervatte Ananda Mallen zijn gezegde en betuijgde dat zijn Nots voorneemen niet in zijn Agtb.:s tijd zodanig was geweest, maar ten tijde van den WelEd: Heer Senff maar zijn Agtb=s zeijde, ik weet van geen tijd van mij of van mij Antecesseur, het was toen tijd gelijk het nu, en altoos is, namend¬ „lijk 'sComp. s tijd en zijn Agtb: hield zig over deze uytdrukkinge expres uijtterlijk wat gebelgd, tot dat Ananda Mallen eijndelijk zegde dat het maar een verkeerde uijtdrukkinge van Hem was, dat Hij daarmeede gemeend had, dat zijn Ho: uijt de veranderinge van Regeeringe, eenige Veranderinge in in dit opzigt voor zig gehoopt en verwagt had, bij zijn Edele Agtb: wel te zullen bewerken, het geen zijn Ho=t eerst van den WelEd: Agtb: Heer Gouverneur Serff verkreegen, en 't zedert weder ingetrokken zijnde andermaal van zijn WelEd: Agtb: niet had willen verzoeken, dat zijn Ho:t als nog in dat vaste ver„ „trouwen is, dat zijn welEd: Agtb: zijn Ho:s hier in nog wel believen zal, en dat het daarom zijn Ho:t zelfs spijten zoude, temoeten hooren, dat dit geval bij Aroer door een misverstand en zonder eenige intentie g'exteerd, zijn Agtb: zo veel ongenoegen verwekt had. Dus veranderde zijn Ed: Agtb: wat van toon en sprak toen wat vriendelijker, dog zeide egter die zaak zodanig niet te kunnen accepteeren, zonder alvoorens derweegens nadere ondersoek gedaan te hebben, als zijnde iets van het uijtterste belangen van groote Consequentie, welk geval zijn welEd: Agtb: aan Ananda Mallen zo netelig zo Criticq en als een directe aanlijding tot een openbaare oneenig„ „heijd afschilderde, even eens als of zijn welEd: Agtb: het daar bij niet zoude laaten, zoo dat Amanda Mallen, die de dagelijkse voorvallen van zijn frevan„ „coorse Hoogh. d hier verhandeld, en nog al veel met ons te doen heeft, zijn WelEd: Agtb: op het kragtigsten verzogt om tog aan zijn Ho=t hier over niet te Schrijven schrijven en de zaak ditmaal daar bij te laaten. Dog zijn WelEd: Agtb: antwoorde, dat Hij hier„ „omtrend geen vrijheijd had onverschillig te blijven, dat dit een zaak was, die 't respect en 't gezag van de Comp: aanging, en dat alvoorens Hij daarom„ „trend eenige inschikkelijkheijd kon gebruijken, eerst nader onderzoek moest laten doen, in hoe verre Hij het als een misverstand konde aanmerken, beloovende egter intusschen zo lange patientie te zullen oeffenen, waarmeede Ananda Mallen verblijd heen ging, wijl Hij deze blijde tijding bij Coemara Poela kon brengen. den 20:' Februarij Dingsdag liet zijn WelEd: Agtb:„ die intusschen door deze en geene reeds hijmelijk had laaten ver„ „neemen, hoe het effectief geleegen was met het geval bij Aroe, deze zaak voor het laatste nog eens na„ „der onderzoeken, en zond ten dien eijnde den Houder dezes, nevens den gezw: klerk Poolvliet en den Boom„ „teller stolsenberg na het Logement van Coemara poela, alwaar volgens afspraake wederzijdse Ge„ „tuijgen, zo van 's comp. s als konings volk vergadert en daar ook gekomen waaren, en dewijl 'scomp=s Een ander Extract uijt voorm: Aanteekening Pagter G Not en tb:

NL-HaNA_1.04.02_10312_0788 view scan ↗

English

since he had no impartial witnesses of importance who could prove that the King's farmer had used violence and had unlawfully entered the farm, or had caused molestation there, Coemara Poela knew, through the multitude of witnesses on his side, how to give the matter roughly the same turn as he had had Aranda Mallen do on 30 January last; however, from all circumstances one could simultaneously conclude that a certain Canarese and subject of Travancore, and former Farmer of Aroe, was more or less also involved in the matter; and since it was sufficient to His Right Honourable that Coemara Poele was so very embarrassed by the matter, and he, both through the bearer of this and through the Company's merchant Daniel Sohen and other people, continuously had His Right Honourable requested to let the matter rest there, under the assurance that it had been nothing other than a misunderstanding, His Right Honourable let Coemara Poela know that he would let the matter rest this time, without causing any further investigation to be made into it, provided that he and all the King's servants carefully take care that henceforth nothing of that nature ever occurs again; furthermore recommending the Company's Farmer to return home, and to take care that he, both in the sale of his tobacco and in other respects, should give the King's people no offence or reason for complaint, and to refrain as much as possible from selling Palghat tobacco to the King's people. Agrees, J: A. Dannichens J. Le Crets one No. 2. POPE CLEMENT XIV. Venerable Brother, greetings and apostolic Blessing. Concerning the energetic man, the Dutch Governor, concerning his zeal toward the Christians of those regions, and the outstanding efforts made by him for obtaining their tranquility, many things have been reported to Us by Our Beloved Son Stefano Borgia, Secretary of Our Congregation de Propaganda Fide. Since We consider a benefit of this kind conferred upon Christian men to pertain greatly to Us, and that We are thereby bound to him, We greatly desire at least that these very sentiments of Our grateful heart be made known and perceived by the same Governor. Therefore, We have willed to give and entrust to you, Venerable Brother, through this letter, as We now do, this duty of expressing Our thanks to him, so that by the most abundant tokens you may declare to him Our most favorable goodwill, and signify to him that We are bound to him by this merit of his all the more eagerly, as We trust that he will likewise continue to deserve well of the Christians, and thus of Ourselves. Finally, as a pledge of Our Pontifical affection toward you, Venerable Brother, and the peoples entrusted to your care, We most lovingly impart the apostolic Blessing. Below: Given at Rome, at Saint Mary Major, under the Fisherman's Ring, on the 23rd day of July 1772, in the fourth year of Our Pontificate. It was subscribed: Benedictus Stay, and corroborated with the seal of the Fisherman's Ring applied on the back. 174. 2 ArenMIII No. 3. List of the Heathen Castes, which are found on the Coast of Malabar, as follows: 1. Brahmins; these wear a small cord or a thread woven of several strands of yarn over the left shoulder diagonally across the body, down to the right hip, and are divided into two sorts, namely Nambudiris and Pattars, and each of the same again into various degrees, as: 1. Nambudiris, being the first sort among which there are 9 degrees, namely: 1. Ottanmars; these are divided into two sorts, for the sake of the special duties that they perform: one, as said above, and the Ottanmars are called the legal scholars, and the other Akkini Hotrigel or fire-sacrificers; and these latter are again named in seven ways, according to the names of each kind of fire-sacrifice they are to perform, such as: 1. Akitiri 2. Additiri 3. Jjomadrie 4. Baijlpeera 5. Adhiraatrera 6. Paundderigrara 7. Bhattatiri These learn the law and make fire-sacrifices, but the first or the Ottanmars learn the law in order to instruct others in it, but may not make fire-sacrifices for others, though they may for themselves, although in general both are named Ottanmars. 2. Jyotishis; these are astrologers; for themselves they may indeed learn the law and also make fire-sacrifices, but not to instruct others in it, nor make fire-sacrifices for others; in like manner, the others may also study the science of the astrologers, yet serve or instruct no one in it. 3. Grisnadeesigel, otherwise called Tularajakkars or peoples of Telingana; these may also learn the law and make fire-sacrifices for themselves, but not teach others, nor sacrifice for others; they make their prayers in the forests and secluded places, although the others can also do so if they wish, according to each one's devotion; from these three sorts the Tirumumpis are chosen under the name of Sannyasi, that is High Supreme Priest, who may not see women, much less have any intercourse with them, to which end such priests daily in the morning on an empty stomach use a kind of pills prepared with gallnuts and several other ingredients, to suppress the desire for women. Upon appointment to the said office, the cord that they wear around the shoulder is broken off, and if they are married, they must leave their wives, although this

Dutch transcription

sagter geen onpartijdige Getuijgens van belang had dewelk konden aantoonen, dat 's konings pagter ge„ „weld gepleegd had, en op een ongeoorloofde wijze in de pagterij gevallen was, of daar molest gedaan had, zo wist Coemara Poela door de veelvuldigheijd der Ge„ „tuijgens aan zijne zijde, het geval omtrend zo eenen draaij te geven als Hij den 30: Janu: J:t leeden door Aran„ „da Mallen had laten doen, egter kon men uijt alle omstandigheijd teffens opmaken dat zeker Canna„ „rijn en onderdaan van Crevancoor en voorige Pagter van Aroe min of meer mede in 't spel was, en dewijl het zijn WelEd: Agtb: genoeg was, dat Coemara Poele„ zo zeer verleegen was met de zaak, en Hij zo wel door den Houder dezes als door 'sComp. s koopman Daniel sohen en andere Lieden zijn welEd: Agtb: bij Conti„ „nuatie liet verzoeken, om de zaak tog daar bij te laten, onder betuijginge dat het niet anders als een misverstand was geweest, zo liet zijn welEd: Agtb: Coemara Poela weeten, dat Hij ditmaal de zaak daar bij laten zoude, zonder verder onderzoek daar na te laaten doen, mits Hij en alle 's konings Be„ „diendens zig zorgvuldig moeten wagten dat voortaan iets van die natuur nooit meer kwam te exteeren, rekommandeerende voorts 's Comp. s Pagter om we„ „der na Huijs te gaan, en zorg te dragen, dat Hij zo in den verkoop van zijn Tabak als in andere opzigten 's konings 's konings volk geen aanstoot of reeden van klagen moest geven, en zig zo veel mogelijk menageeren aan 'skonings volk palcatcherijse Tabak te ver„ „koopen. accordeert J: A Dannichens J Le Crets een N„o„ 2. CLEMENSPP. XIV. Venerabilis Frater salutem et apostolicam Benedictionem. De strenuo viro Gubernatore Hollandico, de illius erga Christianos istarum Re= gionum studio, atque egregia ab eodem data opera pro tranquilli= tate us obtinenda multa nobis fuerunt commemorata a Dilecto Filio Stephano Borgia nostrae Congregationis de Propaganda Fide Secretario. Cum hujusmodi in Christianos homines Collatum beneficium ad nos maxime pertinere, nos que eodem devinctos esse censeamus magnopere cupimus saltem hos ipsos grati ani= mi nostri sensus eidem Gubernatori esse Cognitos, at que perspectos. Haque hoe munus nostrae illi propterea referende gratiae tibi, Vene= rabilis Frater, dare hisce Literis voluimus, et committere prout facimus ut quam uberrimis indicuis nostram illi propenssissimam voluntatem declares, eique significes tanto impensius etiam hoc illius merito nos esse obstrictos, quanto magis confidimus illum acque deinceps de Christianis, atque adeo de nobis ipsis beneme= veri perrecturum. Demum in nostri Pontificii in te animi pig= nustibi Venerabilis Frater, ac Populis curae Iug traditis apos= tolicam Benedictionem peramanter impertimur. /:inferior:/ Da= tum Romae apud Sanctam Mariam majorem sub annulo Pis= „catoris die XXIII: Julij XIDCCIXXII: Pontificatus nostri anno quarto. /: subscriptum erat:/ Benedictus staij. et corroboratum sigillo Annuli piscatoris in dorso apposito. 174. 2 ArenMIII N„o 3. Notitie van de Heijdense geslagten, dewelke op de Custe van Mallabaar werden gevonden als Volgt, 1: Bramineesen, deeze draagen een leijntje of van ver„ scheijde draden gaaren tot een geweevene draad over de linker schouder schuijns over het lijf, tot aan de regter heup en zijn in twee soorten verdeelt, als Namboeris en patareesen en ider derselve weder in verscheijde graaden als. 1. Hamboerijs, zijnde de eerste soort onder welke zijn 9. graeden te weeten. 1. Ottenmaars deese werden in twee soorten verdeelt, om de wille van de bijsondere pligtigheeden die te waarneemen, Diene als booven gesegt, en de ottenmaars sal is wetgeleerdens gezegt en de ander Akkini Hotrigel of brand offeraars, en deese laatste werden weeder op seevenderlijwijze genoemt, waar de naamen van ieder brand ofser hande, die te doen als. 1. Akitiri deese leeren dle wet en doen brand of 2. additiri fer, maar d' eerste of d'ottenmaars leeren de wet om anderen daar in te 3. Jjomadrie onderwijsen dog moogen voor ande ren geen brand ofser doen, maar wel 4. Baijlpeera voor sig selve, hoewel in 't algemeen 5. Adhiraatrera worden alle beijde genaamt ot„ 6. Paundderigrara tenmaars 7. Bhattatiri 2. Jsjo is 2. pjoteerijere, deese zijn asbelogisten, voor sig selven moogen dee„ se de wet wel leeren en ook brand offer doen, maar niet om andere daar in te onderwijsen, nog brand offer doen, in gelijker voegen; moogen de anderen ook in de weeten„ schap der astrologisten wel studeeren, dog niemand daar in bedienen of onderwijsen 3. Grisnadeesigel anders gen„t Toelaraatjakaaren of volkeren van Jelinga, deese moogen ook de wet leeren en brand„ offer doen, voor sig selven maar niet andere leeren, nog voor anderen offeren hunne gebeeden doense in de bos„ sen en afgesonderde plaatsen, hoewel de andere ook zulks doen kunnen, indiense willen na een ieders devotie, uijt deese drie soorten werden de Jiroemoembis onder de naam van Senaasi, dat is Hooge opperpriester ver„ kooren, dewelke geen vrouwen sien moogen nog min„ der met haar eeniege gemeenschap maaken, ten wel„ ken Einde gebruijken alzulke priesters daagelijks smorgens met de nugtere maag, een soort van Pillen die met geelnooten en meer andere ingredienten gepre„ pareert worden, ter beneeming van de lust tot de vrouwens. Bij aanstelling in gem: ampt, werd het leijntje, dat zij om de schouder draagen afgebrooken, en getrouwt zijnde, moeten zij hunne vrouwen verlaaten, hoewel dit

NL-HaNA_1.04.02_10312_0797 view scan ↗

English

the latter rarely happens, or rather to put it better never, because the Brahmins do not take married persons for this purpose, but rather such people who from youth onward have used the aforementioned pills of gallnuts, and thus have already prepared nature for it, and in the absence of such a person they admit old and decrepit people. 4. Gramadeesigel, these are the royal castes or lineages, and those who are not kings or landowners may learn the laws for themselves as has been said here before; this lineage, although having not a foot of land, is nevertheless titled with royal titles. 5. Oerilepariza otherwise named Pazentulawer, a lineage of this name, a certain person named Parasiraamen (discoverer of the Malabar coast according to the saying of the heathens) brought here from the south, but these people, on account of the fear of many snakes that were here, having departed again to their former dwelling place, returned some time thereafter upon the news they received that the aforementioned Parasiraamen had brought other Brahmins from the north out of the land of Ariachakoram, and had caused the hair to be shaved off their heads, leaving only a small tuft at the front of the head in order to prevent them from going away again as the first had done, but to remain here and settle down; their livelihood consists in the performing of ceremonies in the pagodas. Note: the heathens firmly believe, according to the teachings of the Brahmins, that the aforementioned Parasiraamen was a holy man, and that he here on the coast caused the sea, which is said to have extended to the foot of the mountains, to retreat backwards, and turned those abandoned places of the sea into dry lands. 6. Oerilapariza otherwise named Moesada, these are apostates from the Namboori caste or lineages, and this because they are said to have placed a heated copper kettle on the top or the head of their idol, in order to prevent the idol from performing any more wonders or miracles, whereby their villainies concerning the pagoda's revenues would not be revealed; nevertheless they are still placed among the number of the Namboories, but they may not marry the daughters of the Namboories, nor touch them while eating. 7. Saastra or doctors and surgeons, these may not marry the daughters of the first five kinds, nor mingle. Among the Namboories there is a kind of abominable and shameful, yea atrocious custom to which they give the name of Randdaan Moertium ceremony, consisting in this: that when a girl who has become marriageable happens to die before her marriage, they may not burn that dead body until a male person has carnally mingled with that dead body; for this they choose a poor man and promise him much money for the completion of that work; and when the deceased has left behind no means, then many of her caste join together and give as much money as is necessary to reward such a person for that abominable work. 8. Wierahattij Nambeddijs, these are also apostates of the Namboori lineages, these being of the lineages that treacherously murdered the Emperor Josaperoemaal, who had arrived here on the Malabar coast to replace the Emperor Jeranperoemaal; nevertheless they are included in the number of the Namboories, but they may not marry the women of the aforementioned Namboories, nor touch the men while eating, and as far as their religion is concerned, it is identical to the Namboories; the only difference that exists between this and the other Namboori lineage consists in that they may not wear a sacred thread; of this kind of Namboori there are none other than the princes of Jallapellij. 9. Armboerij Nambeddijs, these are of those kinds that have consorted with the aforesaid princes and eaten their food, but these wear sacred threads and are servants of kings and princes. 2. Patareesen, the second kind of Brahmins, also wear sacred threads, and are divided into two kinds, namely the first kind in 10 ranks and the second in 16 ranks as follows: The first kind 1. Jjozijen 2. Wiezeijen 3. Enaijralaan 4. Waddamen 5. Maathiaijnen 6. Brehas Jaranen 7. Mologoe brlhas jaranen 8. Jelingen 9. Canddaramaaniken 10. Aijenkaala naaddoe The second kind 1. Caneijen 2. Moecanijen 3. Keesayjen 4. Siwa bramine 5. Jjerakowij 6. Bekres Jaranon 7. Awastamber 8. Kizer 9. Jollier 10. Waagenaam 11. Kornaader 12. Taattuwaddij 13. Benjaller 14. Maapanier 15. Aria, and 16. Maharaastrara These Patareesen are all foreigners and reside continuously here in the country with concubines of the Nayar lineages, but in Palcatcherij one still finds some who are married. The second kind may not touch the first kind while eating, but may sit together eating in a row; in like manner, the first kind of the Patareesen may not touch the Namboories while eating, but may sit eating equally, and all of these, as well as the Namboories, may not eat except after having washed themselves; the difference between the Patareesen and Namboories

Dutch transcription

dit laatste selden geschiet of om beeter te seggen nooit, om dat de bramineesen, daar toe geen getrouwde persoonen neemen, maar wel zulke lieden, die van Jongs af aan de gem: pillen van galnooten gebruijken, en dus de na„ tuur reets daar toe geprepareert hebben, en bij manque„ ment van zulke persoon neemen zij oude en afgeleefde menschen toe„ 4. Gramadeesigel, deese zijn de koninglijke Casten of ge„ slagten, en die geen koningen of landheeren zijn, moo„ gen de wetten voor sig selven leeren gelijk hier vooren gesegt is, dit geslagt schoon geen voet land heeft, word egter met koninglijke tituls getituleerd, 5. Oerilepariza anders gen„t Pazentulawer een geslagt van deesen naam, heeft zeeker persoon gen„t Parasiraa„ men /:ondekker der Custe malbabaar volgens zeggen der Heijdenen:/ van de zuijt alhier gebragt, dog deese men„ schen, om de wille en vreese van veele slangen die alhier waaren, weeder naar haare voorige woon„ plaats vertrokken zijnde, zijn eenigen tijd daar na op de tijding dieze kreegen, dat voorn: Parasira„ men van de Noord uijt het land ariachakoram andere bramineesen had gebragt, en het hair van hunne F hoofden had laten afscheeren, laatende eenelijk een kleijn staartje voor het hooft zitten om daar door te beletten dat te beletten dat zij ook niet zoude weder weg gaan ge„ lijk de eerste gedaan hadde, maar hier blijven en zig needersetten, weeder te rug gekoomen, de kostwinning van hen bestaat in het verrigten van Ceremonien in de Pagooden. NB: de Heijdenen gelooven vast volgens de onderwij„ sing der bramineesen, dat voorm: Plerasiramen een Heilig mensch is geweest, en dat hij alhier ter Custe de zee die zig tot aan de voet der gebergte zoude ge„ strekt hebben, agterwaarts heeft doen retireeren„ en die verlatene plaatzen der zee tot vaste lan„ den gemaakt 6. Oerilapariza anders gen„t Moesada, deese zijn afvallers van Namboeris Casta of geslagten, en zulks om dat zij een warm gemaekt koopere keetel, op de kop, of het hoofd van haare afgod zouden geset hebben, ten eijnde, den afgod te beletten, dat hij geen wonder of miraakel meer doen zoude, waar door haare schelmstukken omtrend de Pagoods inkomsten niet openbaer zouden worden; egter werdense nog onder het getal der nam„ boeris gesteld maar moogen met de dogters der namboeris niet trouwen, en onder het eeten ook niet aanraaken. 7. Saastra of Daktooren en Chirurgijns, deese moogen met de de dogters der vijf eerste soorten niet trouwen, nog zig men„ gen onder de namboeris is een soort van versoeijelijk en schandelijk, Ja gruwelijk gebruijk het welk zij de naam geven van Randdaan Moertium Ceremonie bestaande hier in, dat wanneer een huwbaar gewordene meijsje voor haar trouwen komt te sterven vermoogense dat dood„ lijk niet verbranden, voor en al eer een manspersoon met dat dood lichaam zig vleeschelijk gemengd heeft, daar toe kiesen sij uijt, een arm, man en belooven hem veel geld ter volbrenging van dat werk; en wan„ neer de overledene geen middelen mogte hebben nage„ laaten, dan voegen zig veele van haare lasten bij den anderen, en geven zoo veel geld als noodig is, om zooda„ nig een persoon te beloonen voor dat gruwel werk, 8. Wierahattij Nambeddijs, deese zijn ook afvallers der namboeris geslagten, zijnde deeze van de geslagten. die verradelijks den keijser JJosaperoemaal die al„ hier ter Custe mallabaar aangekomen was, om den keijser Jjeranperoemaal te vervangen ver„ moord hebben, egter werdenze onder het getal der namboeris begreepen, maar moogen met de vrouwen der voorengemelde Namboeris niet trou„ wen nog de mannen onder het eeten aanzaken en g inde 69 met en wat hunne Gedsdhienst betreft, is 't gelijkstandig met de namboeris het eenigste onderscheijt dat er is tus„ schen dit, en het ander Namboeris geslagt, bestaal dat die geen leijntje draagen mag, van deese soort van nam„ boerijs is geen andere dan de vorsten van Jallapellij„ g. Armboerij Nambeddijs deese zijn van die soorten die met eeven gesegde vorsten verkeert en hun kost gegeeten heb„ ben, maar dezen draagen leijntjes en zijn bediendens van koningen en vorsten, 2. Patareesen, de tweede soort bramineesen, draagen ook leijnt„ „jes, en zijn in twee soorten verdeelt, te weeten de eer„ ste soort in 10. graaden en de tweede in 16. greeden als volgt De eerste zoort 1. Jjo zijen 2. wiezeijen 3. Enaijralaan 4. waddamen 5. Maathiaijnen 6. Brehas Jaranen 7. Mologoe brlhas jaranen 8. Jelingen 9. Canddaramaaniken 10. aijenkaala naaddoe De Tweede soort leamn 1 Caneijen 2. Moecanijen 3. keesayjen 4. Siwa bramine 5. Jjerakowij 6. Bekres Jaranon 7. awastamber 8. kizer 9 JJollier 18. waagenaam 11. kornaader 12. Taattuwaddij 13. Benjaller 14. Maapanier 15 aria, en 16. Maharaastrara : 9012: patareesen zijn altemaal uijtlanders en houden zig gestadig hier te lande op, met bijwijven van de naij„ rosse geslagten, maar op Palcatcherij, vind men nog som„ mige die getrouwt zijn, de tweede soort mag de eerste soort onder het eeten niet aanraaken, maar wel in een rije te gelijk sitten Eeten ingelijker voegen, moogen de eerste soort van de pata„ reesen, de namboeris onder het Eeten niet aanraaken, maar wel egaal sitten eeten, en alle deese, als ook de namboerijs moogen niet eelen, dan na zig gewassen te hebben, het onderscheid tusschen de patareesen en namboerijs

NL-HaNA_1.04.02_10312_0802 view scan ↗

English

namboerijs regarding their marriage, consists in this: that the namboerijs may not marry off their daughters except after they have become marriageable, whereas on the contrary the patareesen must have this done to their daughters earlier, or before they become maidens, because otherwise the girls lose their caste; the legitimate children of the Namboeris and patareesen become heirs of their fathers; furthermore, the bramineesen in general may consort with the naijros women, but the children who are born therefrom are not counted among the bramineesen, but continue to remain among the number of the naijros; on the other hand, the naijros may not associate with the bramineesen women, the men on pain of death and the women on loss of their caste; through this custom introduced by the bramineesen among the naijros is the reason why the naijros do not marry and may not make their own children heirs; 6 The livelihood of the patareesen consists in trading linen, exchanging money, delivering letters, and recounting news; 2: Hetries: these also wear a cord, and were on this coast in earlier years of the noblest castes and consisted of 2 grades, namely: 1. Suria Hetrie, and 2. Soma these these were permitted in earlier years to marry and make their own children heirs, but after the arrival of the aforementioned Parasiraamen on this coast no longer, for the reason that the said parasiraamen had caused all the males of this caste to be murdered, whereupon the women entered into carnal cohabitation with the bramineesen and begat children who are now generally called Brema xetries, that is, Brahmin xetries; thus their lineage is now no longer as noble as it has been; besides these two kinds, there are now two others of still lower grades, who are apostates from the two aforementioned first xetries, namely: 1. Corwaller or Corawoe ollawer, that is fallen tetries: these are apostates from the bramineeses petries or brema xetries, because they have eaten the food of the hereinafter-mentioned waijsen xetries; nevertheless they wear cords, but may not mingle with the women of the aforementioned Brema fetries, nor sit and eat equally with the men; 2. Waijsen Hetries: these are people who, coming before Parasiraamen, broke their cords and denied their caste of xetrie, whereby they preserved their lives, and received the name of waijsen; they may not wear a cord, and may not touch the brema xetries. The xetries, regarding their religion, do not differ much from the namboeris, except that they may not perform ceremonies or sacrifices, and also do not marry; accordingly, their manner of cohabitation consists in this way: when their daughter has become a maiden, they must proclaim and announce this amid a bonfire; thereupon, a thread, on which is strung a piece of gold wherein one of the idols is engraved, is tied around the neck of that girl by one of the namboerijs, which signifies that such a girl is qualified to be able to live with men; after that comes another namboerij, who has agreed with that girl and her parents some days beforehand, and offers her a single piece of white cloth, with some sesame oil to smear her body with and wash herself thereafter; which offerings being received by her, she proceeds to cohabit with him; and without which ceremonies the women may not live together with the men, on loss of their caste; but the children they have do not become heirs of the father, but rather of the mother and mother's brothers; 3: Ambala Waasigel: Pagoda servants; these have 4 grades, of which 2 wear a cord, and 2 do not wear a cord, namely: 1. Moesada 1. Moesada, cord-wearers: these perform the procession around the pagoda; 2. soespawen or bramine patare, otherwise called Nambiachen, also cord-wearers: these attend to flowers at the pagodas; 3. Waarijen, and 4. Pezaaradij: both of these do not wear cords, but keep the pagodas clean; in the absence of Poesparen, they may provide flowers to the pagodas, but while eating they may not touch each other; their marriage custom is like that of the xetries, except for the first-named moesada, who may marry and make children heirs; 4 Saamendra Pariza: this lineage is divided into 6 grades; they may not wear a cord, but those among them who are inclined to wear a cord must first, by performing certain ceremonies which they name Herenia gerpoun, that is, out of a golden calf or out of a kind of water-flower made of gold, be reborn; 1. Craadeli: the royal lineage, of which are the kings of Trevancoor, Collastrij, Sammorijn, Ballaatta, tara, olaatta nielasworam, Caddatanaaddo, as well as the expelled rulers Cottaaracarra and signattij; of all these kings, Trevancoor and Collastrij wear a cord.

Dutch transcription

namboerijs aangaande hun huwelijk, bestaat hier in dat de namboerijs moogen haare dogters niet uijthuwe„ lijken, dan na dat zij huwbaer geworden zijn, waar en tegen de patareesen haare dogters vroeger of voor zij vrij ster worden, zulx moeten laten geschieden, wijl anders de meijsjes haare Caste verliesen, de egte kinderen van de Namboeris en patareesen worden erfgenaa„ men van hunne vaders, voorts de bramineesen in het generaal moogen met de naijrosse vrouwen verkee„ ren, maar de kinderen die daar uit voortkoomen, werden onder de bramineesen niet gereekent, maar blijven on„ der het getal der naijros voortloopen daar en tegen vermoogen de naijros zig met de braminesen vrou„ wen niet inlaaten, de manen op hals straffe en de vrouwen op verlies van haare Casta, door dit gebruijk door de bramineesen onder de naijros ingevoert, is de reeden waarom de naijros niet trouwen en eijgen kinde„ ren geen erfgenaamen maaken moogen; 6 De broodwinning der patareesen bestaat in het negoti„ eeren van lijwaaten geld verwisselen, brieven bestellen, en nieuws verhaalen, 2: Hetries deese draagen ook leijntje, en waren op deeze kust in vroege„ „re Jaren, van de Edelste lasten en bestanden in 2 graeeden als. 1. Suria Hetrie en 2. Soma deeze deeze hebben in vroegere Jaaren moogen trouwen en eijge kinderen Erfgenaamen maaken, maar na de komste van voorm: Parasiraamen, hier ter kuste niet meer ons ree„ den gem: parasiraamen alle de manspersoonen van deese last hebbende laaten vermoorden, daar op de wijven met de bramineesen tot een vleeschelijke saamenleering zig begeeven, en kinderen hebben verwekt die thans in 't algemeen genaamt worden Brema xetries dat 'is Bra„ mineese xetries dus hunne gesleigt thans zo Edel niet meer is als 't geweest is; behalven deeze twee soorten zijn thans nog twee andere van nog mindere gradens die afvallers zijn van boven gem: twee eerste xetries als. 1. Corwaller of Corawoe ollawer, dat is afgevalle tetries, deese zijn afvallers van de bramineeses petries of brema xetries, om dat zij de kost van de naartenoemene waij„ sen xetries gegeeten hebben, egter dragenze lijntjes dog moogen zig met de vrouwen van de boovengem: Bre„ ma fetries niet mengen nog ook met de mannen egaal sitten eeten, 2. Waijsen Hetries deese zijn luijden die voor Parasi„ raamen komende hunne leijntjes gebrooken en hunne laste van xetrie ontkent hebben, waar door ze hunne leven hebben behouden, en de naam gekreegen van waijsen, zij moogen geen lijntje draagen, en de bre„ ma xetries niet aanraaken De xetries omtrent haren godsdienst scheelen niet veel van de namboeris, excepto dat zij geen ceremonien of offerhande moogen doen, en ook niet trouwen, over zulx bestaat haare saamenleerings-manier, op dese weijse wan„ neer haare dogter maagd geworden is, zoo moetense zulks onder een vreugde vier uitroepen, en verkondigen, daar op word, door een der namboerijs een draatje waar aan een stuk„ je goud, daar een der afgodsbeeld staat ingegraveert is gereegen, om den hals van dat meisje gebonden, 't welke beteekent dat sodanig een meijsje bequaam gestelt om met mannen te kunnen leeven, daar na komt een ander namboerij, die met dat meijsje en haare ouders eeni„ ge daagen bevoorens heeft afgesprooken, en bied haar aan een enkelde stuk wit kleetje, met wat gezelijn olij om haar lijf meede te smeeren, en daar na te was„ sen, welke aangeboodene door haar ontfangen werdende gaat zij met hem tot de saamenleeving over, en sonder welke Ceremonien moogen de vrouwens met de mannen niet samen woonen, op verlies van haar lasten, dog de kinderen die zij krijgen, worden geen erfgenaamen van de vader, maar wel van de moeder en moeders broeders, 3: Ambala Waasigel Pagoods bediendens, deese hebben 4. grea„ den, daar van 2. die leijntje dragen, en 2. die geen leijntje draagen als. 1. Moesada 1. Moesada leijntje dragers deese doen de Processie om de pagood 2. soespawen of bramine patare anders gen„t Nambiachen nee„ de leijntje dragers, deese behoogen bloemen aan de Pagooden 3. Waarijen en 4. Pezaaradij deese beide dragen geen leijntjes, maar houden de Pagooden schoon, zij moogen in absentie van Poes„ paren, bloemen besorgen aan de Pagooden, dog onder het eeten moogen dese malkanderen niet aanraaken, haare huwelijks gebruijk is, als die van de xetries, er„ cepto de eerste gen„t moesada, die trouwen moogen en kinderen erfgenamen maaken 4 Saamendra Pariza dit geslagt is verdeelt in 6. graaden mogen geen leijntje dragen, dog die geneegen zijn on„ der hen een leijntje te voeren, moeten eerst door het verrigten van seekere Ceremonien die zij de naam geeven van Herenia gerpoun dat is uijt een goude kalf dan wel uijt een soort van waterbloem van goud gemaakt, herbooven worden, 1. Craadeli het koninglijke geslagt waer van zijn de konin„ gen van Trevancoor, Collastrij, Sammorijn, Ballaatta, tara, olaatta nielasworam, Caddatanaaddo mitsga„ gaders de verdreevene vorsten Cottaaracarra en sig„ nattij, van alle deeze koningen dragen de Trevan„ coor en Collastrij een leijntje

NL-HaNA_1.04.02_10312_0806 view scan ↗

English

2. Meddangadelo, lesser local princes 3. Addigdatij, barons 4. Walladelij, barons 5. Randdaan braadde or second Craaddi, servants of the abovementioned princes. 6. Panddaara, lesser servants of the mentioned princes. The customs of all these, both regarding marriage and otherwise, are like those of the xetries. 5: Naattge Pattare, these are local Pattarese, they wear a cord, yet they are not permitted to touch the other Pattarese; even the naijros of the first class will not eat if they have touched them, without first washing themselves, which these Pattarese also do when they are touched by the naijros. The local Pattarese have their origin from the fishermen, namely, in this manner: that when the aforementioned Paras iraamen near Barsaloos wished to perform a prominent principal ceremony, he, for lack of Brahmins, took fishermen, placed a cord around their shoulders, and elevated them to Brahmins, from whom these are descended. 6: Elladas, these are apostates from the Namboerij lineage, therefore they are not counted among the Namboerijs, but because they are priests of the naijros they wear a cord. 8. Sjakiaars, these are dancers of the pagodas, they have no cord, and they are children of Brahmin women who have lost their caste. Jiaddi, these wear a cord which they have borrowed from the caste Cosawar or potters; some among them marry, and some again do not, and follow the custom of the xetries; they are also dancers of the pagodas. 9: Mizaawa, these wear no cord and follow the custom of the xetries, but when dancing takes place before the pagodas, these must play on instruments. 10: Nambiaars, these wear no cord, but are landholders; this caste has its origin from the aforementioned Brahmin-xetries, and their custom accords with that of the xetries; nonetheless, these may not touch the xetries while eating. 11: Tjoetras or Naijros consist of 16 ranks, namely: 1. Nalaanwittel Tjoetras 2. Belaalers, these exercise themselves in the profession of arms and go to war. 3. Crema Tjoetras, these exercise themselves in the profession of arms and go to war. 4. Kirion 5. Wattakaatta, these are those who turn the oil mills themselves. 6. Tjacunde wattakaatta, oil millers who have the same turned by oxen; these two sorts are also used for war as well as the above. 7. Beliata, trumpeters 8. Tjetiaanwaara, weavers 9. Walata Tjettiaan maara, merchants 10. Palichiaan maara, palanquin bearers 11. Beliata, washers 12. Belcatella, also washers 13. Sideijen, performers of mourning ceremonies 14. Semuijen, a second sort 15. Naijken, tambourine beaters 16. Toenaaren, tailors The customs of all these, both regarding cohabitation and heirs, are identical to the xatries. 12: Tjogenmaara, or Cegos have 4 ranks, namely: 1. Izawer 2. Jiijer 3. Marawer 4. Wallakaadden. The customs of the Cegos consist of two manners, as most who live south of Cranganoor maintain the customs of the xetries and naijros, and all who live north of Cranganoor maintain marriage and their own children become heirs; among these are some where both brothers live with one woman, of which one is married to the mentioned woman; among the southern Cegos are also some who maintain marriage after the northern manner and make children heirs. The Cegos arrived here from Ceylon, whereof will be treated further below under the entry of Naangawarnam. 13: Tjaluijer or Chaliassen, these have three ranks, namely: 1. Tjaleijer 2. Kerwera 3. Akijnij These people are huntsmen and keep themselves north of Cranganoor towards the east; their customs are like those of the northern Cegos and they also have great fellowship with them. Of this caste is the king of Coddoewoemala, or the mountain of Codetoroe, otherwise called the king Paleriaan. 14: Malanaijer or Mountain Naijros, these are identical with the northern Cegos, though differing a little from the Chaliassen; their customs accord with those of the northern Cegos and Chaliassen; the king of Palcatserij is of this caste; the Malabars call him Taroe Sworoewon. 15: Naangewarnam or artisans, these have 4 ranks, namely: 1. Azaare, carpenters 2. Moezaari, brass casters 3. Perincolen, blacksmiths 4. Jattaan, gold- and silversmiths These castes departed from here to Ceylon in earlier years in the time of the emperor Tjeranperoemaal due to a certain incident arisen with a washer girl, and some years thereafter were brought back by the merchant Tomas of Canaan at the request of the emperor, at which time the Chegossen came along as bodyguards of the mentioned artisans; their customs are like the northern Cegos, especially as among these the wife of the eldest brother may consort with the remaining four brothers, if there should be any, and likewise the wife of the other brothers, if in the meantime one of them happens to marry, may also do; to this caste belong another four sorts who differ from the others because they did not follow the Naangawarnams to Ceylon; therefore they are counted as a separate caste as follows: 1. Jacker

Dutch transcription

2. Meddangadelo, minder landsvorsten 3 Addigdatij vrijheeren 4. Walladelij 5. randdaan braadde of tweede Craaddi, bediendens van boven gem: vorsten. 6. Panddaara minder bediendens van gem vorsten de ge„ woontens van alle deese, zoo weegens het huwelijk als andersints, zijn als die van de xetries. 5: Naattge Pattare, deese zijn landspatareesen, draagen leijntje egter vermoogen zij de andere patareesen niet aanraa„ ken, selfs de naijros van de eerste Classie zullen niet eeten zoo se haar aangeraakt hebben, sonder sig eerst te wassen, het geen deese patareesen ook doen als ze van de naijros aangeraakt worden De landspatareesen, hebben haare oorspronk van de vissers, te weeten, in dezer voegen, dat toen voorm: Paras iraamen omtrent Barsaloos een voornaame Hoofd Ceremonien wilde verrigten heeft hij uijtgebrek van Bramineesen vissers genoomen leijntje om de schouders gedaan, en hen tot bramineesen verheeven, welke deese afkomstig van zijn 6: Elladas deese zijn afvallers van namboerijs geslagt daarom worden zij onder de namboerijs niet gereekent maar om dat zij priesters van de naijros zijn draagense laeijntojt 8 Tja Sjakiaars deese zijn dansers van de Pagooden, zij hebben geen leijntje, en zij zijn kinderen van de bramineese vrouwen, dewelke haar Cust verlooren hebben, Jiaddi, deese dragen leijntje die zij ontleend hebben, van de Casta Cosawar of Pottebakkers sommige onder hen trouwen, en sommige weeder niet, en volgen het gebruijk van de xetries na, zij zijn ook dansers van de Pagooden, 9: Mizaawa, deese dragen geen leijntje en volgen de gewoonte der jetries na, maar wanneer voor de Pagooden gedanst worden, moeten deese op instrumenten speelen. 10: Nambiaars deese dragen geen leijntje, maar zijn landshee„ ren deese last heeft zijn oorspronk van voorm: brema retries en Haar gewoonte accordeerd met die van de retries nogthans moogen deese de xetries onder het ee„ ten niet aanraaken. 11: foetras of Naijros bestaan in 16. graaden als. 1. Nalaanwittel Tjoetras 2. belaalers - - - - - - deese dessent zig in den wapen 3 Crema Jjoetras - - handel en gaan naar den voorlog. 4. kirion 5. wattakaatta deese zijn, die de olij molens selfs draijen 6. Tjacunde wattakaalta, olij molenaars, die door ossen de„ zelve draijen laten, deese twee soorten worden ook tot den oorlog gebruijkt zoo wel als de bovenstaande, 7: 8: aa om om 7. Beliata, trompetters 8 Tjetiaanwaara, weevers. 9. walata Jjettiaan maara, koopluijden 10. Palichiaan maara, palenkijndragers 11. beliata, wassers 12. Belcatella, ook wassers. 13. Sideijen, rouw Ceremonie verrigters 14. Semuijen, een tweede 15. Naijken, taenbelijn slaegers 16 Toenaaren, snijders De gewoontens van alle dezen, zoo weegens de saamenlee„ ving als erfgenaamen, zijn gelijkstandig met de xatres 12: Jjogenmaara, ofte legos hebben 4. groeden als. 1. izawer 2. Jiijer 3. marawer 4. wallakaadden. De legossen haare gewoontens, bestaan in twee manieren, als de meeste die bezuijden Eranganoor woonen onderhouden de gewoontens van de zetries en naijros en alle die benoorden Cranganoos woonen onderhouden het huwelijk en eijge kinderen wer„ den erfgenaamen, onder deese sijn sommige dee beijde broeders met een vrouw leeven, waar van een een met gem: vrouw getrouwt is, onder de Zuijder„ lijke Cegossen zijn ook sommige die het huwelijk onderhouden, naar de noordse manier en kinderen erfgenaamen maaken, De Eegossen zijn van Ceijlon alhier aangekoomen, waar van hier nader bij de post van naangawarnam staat verhandelt teworden, 13: Tjaluijer of Chaliassen, deese hebben drie graaden als. 1. JJaleijer 2. kerwera 3. akijnij Deese volkeren zijn wiltschieters en houden zig bewoor„ den Cranganoos om het oost op, hunne gewoontens zijn als die van de noordse legossen en hebben ook een groote gemeijnschap met haar. van deese last is den koning van Coddoewoemala, of dergeborg te Codetoroe, anders gen„t den koning Pa„ leriaan 14: Malanaijer of Bergnaijros, deese zijn met de noordse Ee„ gossen gelijkstandig, dog een weijnig verschillende van de Chaliassen, haar Costumen accordeeren met die der noordse Cegossen, en Chaliassen de ko„ ning van Palcatserij is van deese Cast, de malla„ baaren noemen hem taroe sworoewon 16. Maan enlee„ xatries 15: Naangewarnam of ambagtsleeden deese hebben 4 graaden als. 1. azaare, timmerlieden 2. moezaari, geelgieters 3. Perincolen, smits 4. Jattaan, goud en silversmits Deese lasten zijn in vroegere Jaaren ten tijde van den keijser Jjeranperoemaal weegens zeeker geval met een wassers meijd ontstaen, van hier naar Ceijlon, weg„ gegaan, en eenige Jaaren daar na door den koopman Jomas van Canaan, op versoek van den keijser te rug gebragt, als wanneer de Chegossen tot lijfwag„ wagters van gem: aenbagtslieden zijn meede ge„ koomen, haare Costumen zijn als de noordse legos„ sen temeer dat onder deese de vrouw van de oud„ ste broeder met de overige vier broeders /:indien er mogte weesen:/ mag verkeeren insgelijks ook mag de vrouw van de andere broeders soo se intusschen een van haar komt te trouwen ook doen, bij deese last gehooren nog vier andere soorten die van de ande„ ren scheelen om reeden zij de Naangawarnams naar Ceijlon niet meede gevolgt hebben, derhal„ ven werden zij als een aparte Cast gereekent als volgt 1. Jacker

NL-HaNA_1.04.02_10312_0811 view scan ↗

English

1. Jacker, woodcutters. 2. Cal azaari, masons and stonecutters. 3. Canara, plate beaters. 4. Jamboe tatti, coppersmiths. All of their customs are like those of the first, except that they may not marry women of the first-mentioned kind, but the first kind may indeed have intercourse with the women of these, yet not marry them. The first four kinds may, at their wedding festivities, use all kinds of royal instruments and hold processions, except for a kind of trumpet made of Chanko, a kind of marine growth or sea-shell, and customary among the Namburis. On their wedding days alone, the bridegrooms may wear the sacred thread like the Brahmins. Whenever any great disputes concerning the caste should arise among them, these must be settled by the ministers of the Christian church in the presence of the Chegos, in accordance with the privilege granted by the Emperor Cheran Perumal, as proof that the aforementioned merchant was the one who brought them back from Ceylon. 16. Eaniaans, fortune-tellers. 17. Parizacolen, shield-makers. 18. Kolla goeripoe, bow and arrow makers. 19. Manaar, washermen. 20. Caanen, singers. All of these maintain marriage, and their own children become heirs. They are obligated to pay honor to the first four classes of artisans, and may not sit in their presence without being told to sit down. 21. Ed zawer, potters. In ancient times these wore the sacred thread, but subsequently relinquished it to the aforementioned caste Jadi. They maintain marriage, and their own children become heirs. 22. Mocquassen or fishermen. Of these there are two degrees, namely: 1. Caddel moequoos, sea fishermen. Among these are two sorts, namely Waddakenbaager and Jekkenbaager, that is, Northern and Southern. The distinction that exists between them consists only in the paying of honor, in that the one possesses greater honor among them than the other. These are also called moenoe glakaaren and naaloe ilakaran, that is, people of the third and fourth ancestral houses. 2. Baalen maara, river fishermen. The custom of marriage is maintained among them, and their own children become heirs, and each may marry with women of their own nation. In general the fishermen are called arreij and maara, and they arrived here from the Maldive and Laccadive islands. 23. Coloncorigel, or tank-diggers. These maintain marriage, and their own children become heirs. 24. Malel areijenmaara, these are people who dwell in the mountains; they agree greatly with the fishermen concerning marriage and heirs. 25. Korawas, have two degrees, namely: 1. Kakaali Corawa, snake dancers and palmists or fortune-tellers, whereby they recount future events; yet the women do this, while the men make snakes and monkeys dance. 2. Joenanboe Corawers, lime-burners. These bear the name, although there are many from other castes who also burn lime. Both sorts maintain marriage, and their own children become heirs, but when they wish to marry, they must purchase the women with money from their parents. 26. Paddana Canakas, salt-makers. These also maintain marriage like the others, and their own children become heirs. Even though there are many among the heathens who maintain marriage and whose own children become heirs, they may nevertheless marry as many women as they please, disinherit the children, and make their sisters' children heirs. Brahmin women, however, may not marry more than one husband in all their lives, but the women of the other castes, if divorced from their husbands, can marry others again. Now follow the slave castes or serfs: 27. Belluas or Canakas. These consist of two degrees, namely: 1. Namboe Wettuwer, tree-climbers, cultivators of the lands. 2. Parra 28. Poeliassen, have two degrees, namely: 1. Cola maari pelaijer. These are again divided into three sorts, namely Eastern, Northern, and Southern, yet without any distinction in their customs. 2. Bettucaaren, otherwise called tandda pelaijer. These may not wear linen cloth, but instead garments or mats plaited of straw. They may eat the flesh of deceased cattle. Their trade is cultivating lands and clearing woodlands and turning them into usable lands. Now follow a sort of wild or forest people who are lower in caste than the slaves, yet are free persons, as follows: 29. Pareassen or paraijer, plaiters of rattan baskets and mats. 30. Deladdas or Naaddegel, beggars. Both of these may eat rotten or suffocated cattle meat. Among the slave castes as well as among the wild or forest people, marriage is maintained, and their own children become heirs. All these castes must yield the way or step aside for one another to a certain distance, namely: the Nairs may not touch the Brahmins and Kshatriyas; the Chegos must stand twelve footsteps or paces away from the Nairs, and the other lower castes must do the same, though some somewhat further than the Chegos; the Cannakas or salt-makers may not touch the Chegos; the Poeliassen must stand forty-two footsteps away from the Nairs, and the Pareassen fifty-two feet away, and from the others who are lower...

Dutch transcription

Jacker, houtkappers 1. 2: Cal azaari, metselaaren en steenkappers 3 Canara plaaten Cloppers. 4. jamboe tatti, kooperslaagers. alle deese haare gewoontens zijn als die der eerste excepto dat deeze met vrouwen van d' eerst gem: soort niet trouwen moogen, maar de eerste soort moogen met de vrouwen van deezen wel gemeenschap hebben, dog niet trouwen De eerste vier soorten moogen bij haar huwelijks feest alle soorten van koninglijke instrumenten ge„ „bruijken, en statie voeren, behalven een soort van trompet die van Chanko / een soort van zee ge„ was of zee hoorns gemaakt wort, en onder de nam„ boeris gebruijkelijk, De bruijdegoms kunnen op de trouw daagen alleen gelijk de bramineesen leijntje draagen, en wanneer onder haar eenige groote ver„ schillen weegens de Cast mogten ontstaan, moe„ ten deselve door de Christen kerke Dienaars ten bij weesen van de legossen afgemaakt worden, volgens verleende vrijheit van den keijser Jjeranperoemaal tot een bewijs dat den voor„ segden koopman den geenen is geweest die hen van Ceijlon te rug gehaelt heeft 17. Can als. 16: Eaniaans, waarseggers. 17: Parizacolen, schildenmaakers 18: kolla goeripoe, boog en pijlmaakers 19 manaar, wassers 20: „Caanen, sangers. alle deese onderhouden het huwelijk en eijge kinderen werden erfgenaamen, deese zijn verschuldigt aan de vier eerste ambagtslieden, Eere te beweijsen en moogen, in haare presentie niet sitten sonder datse ge„ segt word neder te zitten 21. Ed zawer, Pottebakkers, deese hebben in oude tiden: leijntje gedraagen, maar na dato afgegeeven, aan de voor„ segde Casta Jadi, zij onderhouden het huwelijk en eijge kinderen worden erfgenaamen. 22. Mocquassen ofte vissers, hier van zijn 2 graaden als. 1 Caddel moequoos, zee vissers, hier onder zijn twee soosten teweeten waddakenbaager en Jekkenbaager dat is Noorderlijke en zuijderlijke, het onderscheijd dat onder haar beijde is, bestaat alleen in eerbeweijsing, dat d' eene meerder eere heeft on„ der haar dan de andere, deese worden, ook genaamt moenoe glakaaren en naaloe ilakaran dat is volkeren van derde en vierde stamhuijsen 2. Baalen 2: Baalen maara, rivier vissers het huwelijks ge„ bruijk worden bij haar onderhouden, en eijge kinde„ ren worden erfgenaamen, en ieder mogen trouwen met de vrouwen van hun eijgen natie, in het algemeen worden de visschers gen„t arreij en maara en zij zijn van de maldivose en lacradivose eij„ landen, alhier aangekomen 23: Coloncorigel, of tanggraavers, deese onderhouden het hu„ welijk en eijge kinderen worden erfgenamen 24. Malel areijenmaara, deese zijn luijden die op de geberg„ tens woonen, accordeeren grootelijks weegens het huwelijk en erfgenamen met de vissers- 25: korawas, hebben 2. graaden als 1. kakaali Corawa, slangen dansers, en handen keikers of waarseggers waar uijt zij van de toekomende zaaken verhaalen, dog zulx doen de vrouwen van hee en de mannen slangen en aapen dansen, JJoenanboe Corawers, Calkbranders, deese hebben de naam hoewel er veele zijn van andere Casten die ook Calkbranden. beijde de soorten onderhouden het huwelijk en eijge kinderen werden erfgenamen, maar wan„ neerse trouwen willen, moeten zij de vrouwen afkoopen met geld van haare ouders. 25 tje eijge 2. 26: Paddana Canakas, zoutmaakers, deese onderhouden ook het huwelijk als de andere, en eijge kinderen wor„ den erfgenamen schoongenoomen onder de Heijdenen veele zijn die het huwelijk onderhouden en eijge kinderen erfge„ namen worden, egter kunnen zij trouwen zoo veele vrouwen als zij willen, en de kinderen van de erffenisse afwijsen en susters kinderen erfge„ naam maaken, maar de bramineese vrouwen mogen niet meer dan een man trouwen, in al haar leeven maar de vrouwens van de overige Cas„ ten zoo sij gescheijden worden van de man kunnen weeder niet andere trouwers Nue volgen de slaave lasten of Leijfeijgenen 27: Belluas of Canakas deese bestaan in 2. graaden als 1. Namboe Wettuwer, boomklimmers =o , Cultiveerders der landerijen 2. Parra 28: Poeliassen, hebben 2. graaden als 1. Cola maari pelaijer, deese worden weder in drie soorten verdeelt, teweeten, oost, noord, en zuijderlijke dog sonder eenig onderscheijd in haare gewoontens. 2. Bettucaaren, anders gen=t tandda pelaijer, deese moogen geen linne kleetje draagen maar wel van stroo gevlogten kleetje of matten zij moogen gekrappeerde gekrappeerde koebeesten vlees eeten, haare handwerk is landerijen Cultiveeren en bosschagies kappen en tot bruijkbaar landen maaken. Nu volgen een soort van wild of bosch volkeren die laager zijn in de Cast dan de slaven, egter zijn vrijemenschen als Volgt 29: Pareassen of paraijer, rottings manden en matten vlegters 30: deladdas of Naaddegel, beedelaars deese beijde moogen verrolte of verstikte Coebeesten vleesch eeten, onder de slaave lasten zo wel als onder de wilt of bosch volkeren, worden het huwelijk onder„ houden en eijge kinderen worden erfgenamen, Alle deese lasten moeten de eene voor de andere uit de weg wijken, of gaan tot een seker distantie te weeten, de naijros mogen de bramineesen en xetries niet aanraaken, De legos moeten van de naijros 12 voet stappen of passen ver staan en de andere mindere lasten ook het selfde doen, dog sommige iets verder dan de Chegossen, de Cannakas of soutmakers moogen de legossen niet aanraaken, De poeliassen moeten van de naijros 42. voetslappen verstaan, en de pare„ assen 52. voeten verre, en van de andere die minder k an

← previousnext →