Inventory 10312
Malabar · 1,900 pages · 387 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
examine in the financial statement which the aforementioned deacons have the honor on this occasion to present to Your Honorable Worships, to which we respectfully defer. While we trust to have herewith complied with the venerable intention of Your Honorable Worships, we take the liberty to subscribe ourselves with respect. Below stood: Honorable, Respectable, Right Governing Sir, Your Honorable Worships' humble and faithful servants. Was signed: A. J. S. Vernede and W. V. Haeften. In the margin: Cochin, the 12th of December, Anno 1781. Agrees, First Clerk Adriaan Bootvliet Checked, S. Schemering No. 16. Current Account of the King of Travancore 1781 Debit 1780 On the last of August, by the Main Cash Treasury: ropias 130000.- or f 156000.-.- The 10th of January, for 11991 14/16 lb Japanese copper at 61 1/2 ropias per 100 lb: ropias 7375.2.- or f 8850.1.- The balance hereof, which stands to His Highness's credit and as of today's date has been handed over to his envoy from the Company's Main Cash Treasury: ropias 489.1.- or f 586.16.8 Total: ropias 137864.3 or f 165436.17.8 Cochin, the last of February, Anno 1781. Credit 1780 For 1001999 lb of pepper delivered by His Highness's supplier from the 9th of April of the past year to the date hereof, namely: 802603 lb at Porca, and 199396 lb at Calicoilan 1001999 lb of pepper at ropias 13 or f 15.12.- per 100 lb amounts to: ropias 130259.42 or f 156311.17.- For ordinary annual gift for the year 1780: ropias 3500.- or f 4200.-.- For customs duty on the aforementioned entire amount, totaling 2004 candeels, at 4 gold rajahs of 15 13/25 Indian stivers per candeel of 500 lb, thus being 3 1/2 rajahs equal to 1 1/5 rupees, amounting to 8016 rajahs, which accordingly reduces to: ropias 4104.9.- or f 4925.-.8 Total: ropias 137864.3 or f 165436.17.8 A. V. Harn Checked, Dirk Kellens. No. 17. Current Account of the King of Cochin 1781 Debit The 24th of January, for what was handed over at His Highness's request to the Jewish merchant David Rabbi pursuant to the resolution of the 23rd of January, a sum of: ropias 10000.- or f 12000.-.- The 31st of August, to the Canarese Narna, being the half-wages at ropias 2 3/48 per month, amounts for 12 months to: ropias 28.36.- or f 34.10.- Ditto, the grant allocated in the year 1711 to the poor of the Diaconate as a donation: ropias 16.- or f 19.4.- Ditto, the revenue of the mortgaged lands for the financial year 1780/1781: ropias 1081.17.- or f 1297.12.8 Ditto, the balance hereof, which stands to His Highness's credit and as of today's date has been handed over to the envoys of His Highness: ropias 1298.43.- or f 1558.13.8 Total: ropias 12425.- or f 14910.-.- Cochin, the last of August, Anno 1781. Credit 1781 The 31st of August, by revenues of Cochin for the dues of His Highness in the tolls farmed out for ropias 24850.-, amounts for His Highness's lawful half here in revenue: ropias 12425.- or f 14910.-.- Total: ropias 12425.- or f 14910.-.- August, Anno 1781. A. V. Harn Collated by C. Kellens. No. 18. Note of the Cash, both here and at the subordinate stations, remaining in balance as of today's date, namely: At Cochin: In the Main Cash Treasury: 220965.24 silver ropias, or f 265158.12.- Under the Cashier: 5252.23 ditto silver ropias, or f 6302.19.8 Under the Shopkeeper: 1100.6 ditto silver ropias, or f 1320.3.- At the Outstations: At the Station of Coilan: 2530.44 ditto silver ropias, or f 3037.2.- At the Fortress of Cranganoor: 6721.36 ditto silver ropias, or f 8066.2.- At the Camp at Aycotta: 2708.26 ditto silver ropias, or f 3250.5.- At the Residency of Porca: 3992.41 ditto silver ropias, or f 4791.8.8 At the Residency of Calicoilan: 901.24 ditto silver ropias, or f 1081.16.- Total: f 293008.8.- Cochin, the last of August, Anno 1781. A. V. Harn Checked, Dirk Kellens. No. 19. List of an assignment, which, drawn up according to the latest orders in the Home Letter of the 3rd of April 1778 and granted under the date to be mentioned to the person to be named, for the principal counted by the same into the Company's treasury with its 5/13 agio, that is 1 3/8 percent deduction from the total sum counted in the treasury, or otherwise calculating the Surat silver ropias of 30 Indian stivers at 26 ditto stivers each, namely: Dated the 17th of November 1781: ropias 3461 17/48, which were counted into the Company's treasury by the Honorable, Respectable Sir Johan Gerard van Angelbeek, Commander and Supreme Ruler of this coast, to be paid out again to the Honorable, Gallant Sir Cornelis Jacob van de Graaff, Lieutenant Colonel in the Corps of Engineers in the service of the state of the United Netherlands and Second Comptroller General of the Dutch Fortifications in The Hague, or to his authorized agents or heirs, with: f 4500.-.- Cochin, the 17th of November, Anno 1781. A. V. Harn No. 20.
Dutch transcription
nagaan bij de staat Reekening, die voorm: diaconen by dese occasie DEer hebben, uw welEd: Agtb: te presenteeren, waar aan wij ons in Eerbied gedragen. Terwijl wij vertrouwen hier mede uw welEd. Agtb: geveneneerde intentie te sullen hebbe voldaan, neemen wij de vrijheid van ons met ont„ „zag te onderschrijven. /. onderstond/ wel Edele Agtbaare welgebieden„ de Heer uw welEd: Agtb:s onderdanige en Trouwschuldige die vaaren /was getekend/ A: J: S: vernede en W: V: Haeften /in margine/ Cochim den 12:' December A„o 1781. Akkordeert Egklerk Adriaan Bootvliet Mad Nagezien S Schemering No. 16. 7 Reekening Courant van 1781: Debit 1780. Adij ulto aug:s p: De Groote Geld Kassa - - - - - . . rop.s 130000: - of ƒ 156000:—: —. den 10. Janu„ over 11991 14/16. lb: koper Japans â 61½ rops:s „ 'T zaldo deses dat zijn Hoogheid te vooren staat en onder hedigen dato aan desselfs zendeling uijt 'sComp. s Groote Geldkasse afgelangd is met. . . . . . . . . . . . . „ 489. 1: „„ 586: 16: 8. de 100: lb:. . . . . . . . . . . . . . - - - - - „ 7375: 2: „ „ 8850: 1: —. Somma rop. s 137864:3: ƒ165436:17:8. Cochim den Laatsten van den koning van Trevancoor 1780 1001999:—. lb: peper door de Leverancier van zijn Hoogheid zederd den 9: april anno passato tot dato deeses geleeverd als:—. 802603: lb: te Porca, en 199396:—„ -. „ Calicoilan 1001999: lb: peper â rop s 13: of ƒ 15: 12:—. 2 de 100: lb: komt. . . . . . . rop.s 130259:42: ƒ 156311:17:—. Aan ordinaire Jaarlijkse schenkagie voor anno 1780: - - - - - - - „ 3500: –. „ 4200: –. –. „ Thols geregtigheid op voorsz: heele montant groot 2004: Candijlen sch=s â 4: goude ragias van 15 13/25. stver:s Jn= „dias p. r Cand. l van 500: lb: zijnde dus 3 1/½. ragias zo veel als 1 1/5. ropijen be„ „draagende ragias 8016: sch. s welke dien volgens reduceeren. . . . . . „ 4104: 9: „ 4925: -. 8. Somma rop. s 137864:3. ƒ165436:17: 8: Credit AV Harn Februarij Anno 1781: Dirkkellins. Nagezien No 17 2 Reekening Courant van den Debit den 24.:e Janu: over het op zijn Hoogheijds versoek afgelangde aan den Joodskoop„ „man David Rabbij ingevolge resolutie van den 23. e Januarij Een somma van - - - - - - - - - - rop. s 10000: –. of ƒ 12000:—. —. „. 31. e aug. o aan den Cannarijn Narna zijnde de halve gagie â rop. s 2 3/48. per maand, komt voor 34: 10:—. d=o Het toegelegde in A. o 1711: aan de Diaconij armen tot een gift. . . . . . . . . . . . „ 16: –. „„ 19: 4:—. „ – „ —. „. —. De Geregtigheijd van de verpande Landerijen voor het boekjaar 17 28/8: -. . . . . . . - - -. „ 1081. 17. „ „ 1297: 12: 8. 1780 „. - „. . . „. 'J zaldo deeses dat zijn Hoogheijd te vooren staat en onder dato deeses aan de zendelin„ „gen van zijn Hoogheijd afgelangd is - - - - „ 1298:43. „„ 1558: 13: 8: Somma rop. s 12425:-. of ƒ 14910:—: —: Cochim den Laatsten 12: maanden - - - - - - - - - - „ 28:36:„„ Ma „. - „ Koning van Cochim 1781 den 31:e aug. o p r Jnkomsten van Cochim over de Geregtigheijd van zijn Hoogheijd in de thollen tot rop. 24850:-. Verpagt, komt voor zyn Hoogheijds geregte helfte hier in rent„ 12425. -. of ƒ 14910:—. —. Credit. Somma rop. s 12425: –. of ƒ 14910:—:—. Augustus Anno 1781: A„VHlarn den „ 8: te No 18 gecollationeerd door C „ Kelleng. Te Cochim In de groote geld Kassa: 220965: 24: stuks Ropias silvere, of. - - - - - - - - - - . . . . . . . ƒ265158: 12: —. Onder den Kassier: 5252:23: d=o Ropias silvere of. . . . . . - . - - - - - -. . . . - „ 6302:19: 8: Onder den winkelier: 1100: 6: d=o Ropias silvere of - - - - - - - - - - - - - - - - - - „ 1320: 3: —. Op de Buijten Comptoiren: Ten Comptoire Coilan: 2530: 44: d=o Ropias silvere, of - - - - - - - - - - - - - - - - . . „ 3'037: 2: —. Ter Fortresse Cranganoor: 6721:36: d=o Ropias silvere, of - - - - - - - - - - - - - - - - - „ 8066: 2: —. 's Camp te Aijkotta: 2708: 26: d=o Ropias silvere, of - - - - - - - - - - - - - - - - -. . „ 3250: 5: —. Ter Residentie Lorca: 3992: 41: d=o Ropias silvere, of - - - - - - - - - - - - - - - „ 4791: 8: 8: Ter Residentie Calicoilan: 901: 24: d=o Ropias silvere, af . -. - - - - - - - - - - - - . . . - „ 1081: 16: —. Somma. . . . . . . ƒ293008:8:—. Cochim den Laatsten Augustus Anno 1781. W. Harn Notitie van de Contanten, zo hier als op d' onderhoorige Comptoiren, onder heedigen datum per Restant zijn; te weeten: 9 g. 000 . - 30 605 0 1 6 5 Nagezien Dirk Kellens. No. 19. Lijst van Een Assignatie, die Gedateerd groot. 26 volgens d' Jongste ordres bij Patriase Missive van den 3:e April 1778: ingerigt en onder de te meldene datum verleend zijn aan de na te noemene Perzoon voor de door dezelve in sComp:s Kassa getelde kapitaal met dies 5/13: opgeld dat is 1 3/3 pC=t afkorting van de Geheelijk in kassa ge= „telde somma dan wel anders de souratse zilvere Ropias van 30: Jndiase stuijvers gereekend tegens 26: dito stuijvers ider; teweeten: en 17:e November 1781: ra: 3461 17/48: die in sComp:s kassa geteld zijn, door den wel Edelen Achtb: Heer Iohan Gerard van Angelbeek, kommandeur en oppergebieder dezer kuste, om aan den welEdelen Gestrengen Heer Cornelis Jacob van de Graaff, Lieutenant Kollonel in het Corps= Jngenieurs in dienst van den staat der vereenigde Neederlanden en tweede Controlleur Generaal van de Hollandse fortificatien te s'Hage, dan wel desselfs gemagtigdens of Erven weeder uijtgekeerd tewerden, met. . . . . . . ƒ 4500: –. –. Cochim, den 17=de November Anno 1781: AVHarn No. 20.
English
List of the secret papers that are now sent to Their High Excellencies the High Government in Batavia, as: Secret letter written by the Commander, Johan Gerard van Angelbeek, and Council, to Their High Excellencies aforesaid, dated the first of this month. Separate secret letter written by the said Commander to Their High Excellencies aforesaid, dated the 2nd of this month. Separate secret letter written by and to the same as above, dated today. Duplicate secret letter written by the Commander to Their High Excellencies, under date of 22 January last. A bundle of copies of secret resolutions taken in the Council of Malabar on 22 January, 18, 19, and 26 February last, item 11 April last. Two plans drawn up by the Honorable Brohier and Fornbauer of the covered way. A plan drawn up by Mr. Fornbauer of the fleche. Copy translation of an ola written by the King of Cochin to the Commander above mentioned, and received on 27 April last. A bundle of copies of secret papers that have successively been sent from here directed to the Netherlands, to the Secret Committee in Amsterdam, according to the register sewn in before it, dated 16 March of this year. Cochin, 5 May 1782. Signed: Adriaan Poolvliet, first sworn clerk. Agrees: Adriaan Poolvliet Secret. Batavia To His Excellency the High Honorable, Right Honorable, Far-Ruling Lord, Mr. Willem Arnold Alting, Governor-General on behalf of the State of the Free United Netherlands and the General Dutch Chartered East India Company, and the Right Honorable, Mighty Lords, Councillors of the Dutch Indies, etc., etc. High Honorable, Right Honorable, Far-Ruling Lord, Right Honorable, Mighty Lords, Although our respectful secret advices of 24 November last were already dispatched some time ago in duplicate to Colombo for Their High Excellencies, and have also already been forwarded from there, and we thus trust that at least one set of them will have arrived safely, we nevertheless believe, in these critical times, because of the great uncertainty of the voyage and the weight of the matters, that we will do well to let a triplicate follow with this direct and safe opportunity, with all the annexes belonging to it, except for the plans under No. 8 and 9 mentioned in the register, which were sent along with the original. The improvements indicated therein to the fortifications of this city and the further measures for its defense have since been completed, and one may probably attribute to this that we have not been besieged up to now. For that the enemies made actual preparations for the siege of this fortress, not only at the beginning of the good monsoon in Bombay, but also recently, first in the month of March in Calicut, of that we are informed through very reliable channels, and one cannot conceive of any other reason so natural why they would have abandoned that design twice, than that they were repeatedly warned through good intelligence, which they do not lack and against which we cannot provide, that it will not be so easy to carry it out. One would, however, deceive oneself terribly if one wished to conclude from this that we had nothing to fear in the future as well. On the contrary, we believe we must naturally assume that our enemies have abandoned their design with no other intention than to resume it with greater force when they have more power at hand. The place itself with what is inside it, the mastery over the entire Malabar coast, the pepper trade allocated to it, the convenience of grains and other provisions and necessities, are already weighty advantages that they would obtain through the conquest of this place. But the disadvantage that they would thereby inflict on Ceylon and on our and the French fleets in these regions is of even greater weight. For that island would then be deprived of all aid from here, and would have to expect all grains from Batavia alone, and the fleets would have no place left in these regions to supply themselves with rice and wheat, which are imported here from outside
Dutch transcription
E A recht zzonden. Sekreete brief door den Heer kommandeur Iohan Gerard van Angelbeek, en Raad, aan welm: Hun Hoogedel„ „heeden gesch: ged:t eersten dezer Aparte Sekreete brief door gem: Heer komman „deur aan hun Hoog edelheedens wel„ „meld geschreeven ged=t 2=de dezer Aparte Sekreete brief door en aan als vooren ge„ „schreeven ged=t heden Duplikaat sekreete brief door den Heer komman„ „deur, aan hun Hoog edelheeden ge„ schreeven onder dato 22. Januarij soleden v Een Bondel met kopij sekreete resoluutsien genoomen in Raade van Mallabaar op den 22 Januari, 18. 19. en 26: fe„ „bruari J=o leeden, Jtem 11. April J=o leeden. papieren, die thans aan Hun Hoog Edelheeden de Hooge Regeering te Batavia worden verzonden, als Register van de sekreete Twee C. gaan niet F reets verzonden Twee plans door Ed: Brohier en Fornbauer opgemaakt van de bedekte wech Een plan door den Heer Fornbauer opgemaakt van de fleche Kopij Translaat ola door den koning van „koetsiem, aan den Heer komman„ „deur hier boven gem: gesch: en ont„ „vangen den 27. April J=o leeden. Een Bondel met kopijsekreete papieren die sukcessive van hier verzonden zijn naar Nederland gericht, aan het ge„ „heime kommitte te Amsterdam volgens het daar voor ingenaaid register gedt 16. Maart deezes Jaars. Koetsiem den 5. Mei 1782. /:was getekend:/ Adriaan Poolvliet E: g: klerk Akkordeerd Adriaan Bootvlick i kuu. L. a over. — 6 „ H Register sekreet. 12 Batavia nlieding aan zijne Hoogedelheid den Hoog edelen Groot achtbaaren wijdgebiedenden Heer, M=r Willem Arnold Alting. van wegen den staat der vrije vereenigde Nederlanden en de Generaale nederlandsche geoktroieerde Oostindische Komp: Goeverneur Generaal, ende De weledele Gestrenge Heeren, Raaden van Nederlands Jndiën. &:a &a Hoog edele Groot achtbaare, wijd gebiedende Heer Wel Edele Gestrenge Heeren Hoewel onze eerbiedige sekreete advisen van den 24. November jongstleeden aan uwe Hoog edelheeden, al voor eenigen tijd in duplo naar kolombo afgevaardigd, en van daar ook reets voortgeschikt zijn, en wij dus ver„ trouwe de eerst beraamde verbedteringen aan de vesting zijn volloid waar door de beleegering tot nu toe is achter gebleeven trouwen, dat daar van ten minsten een stel zal zijn te recht gekoomen: zoo meenen wij echter, in deeze kritieke tijden, wegens de groote onzeekerheid der reize, en het gewigt der zaaken Triplikaaten van vorige papire, wel te zullen doen, dat wij met deeze de rekte en veilige geleegenheid noch een tripli„ kaat laaten volgen, met alle de daar toe„ „hoorende bijlaagen, buiten de plans sub N:o 8: en 9. ten register vermelt, die nevens het origineel verzonden zijn. De daar bij aangeweezene verbeeteringen aan de Vestingwerken deezer stad en de verdere maatregulen tot derzelver den fensie wat zijn zeder voltoid, en waarschijnlijk mag be men daar aan toeschrijven, dat wij tot nu toe niet beleegerd zijn. want, dat de vijanden, niet alleen in 't begin van de goede mousson te Bombai, maar ook noch onlangs eerst in de maand Maart te kalikut, werklijk toebereidzelen tot de beleegering van deeze vesting gemaakt hebben, daar van zijn wij, langs heel zeekere wegen, ondericht, en men kan geene andere zoo natuurlijke reeden uitdenken, waarom zij dat ontwerp tot tweemaal toe zouden ge„ „staakt hebben, dan dat ze door goede kund„ „schap /: waar aan het hun lieden niet ontbreekt, en waar teegen wij niet voorzien doch en kunnen lijk doch zal zeeker zoo dra moge„ lijk ondernoomen worden. wat voordeel de vijand daar door behaalen vleden daar bij lijden zouden. kunnen:/ telkens gewaarschuwd zijn, dat het zoo maklijk niet gaan zal, om het ter uitvoer te brengen. Men zoude zich echter deerlijk bedriegen indien men hier uit wilde op maaken, dat wij ook in 't vervolg niets te vreezen hadden. Jn teegendeel meenen wij, natuur, lijker wijze te moeten vast stellen, dat onze vijanden hun toeleg met geen ander oogmerk gestaakt hebben, dan om het zelve, als zij meer macht aan handen krijgen, met de grooter nadruk te hervatten. De plaats zelve met het geen daar in is„ het Meesterschap over de heele kust Malabaar„ de daar aan geafsekteerde peperhandel; het gerief van Graanen en andere leevens middelen en behoeften, zijn reets wigtige voordeelen, die zij door de verovering deezer plaatze zou„ „den verkrijgen; Doch het nadeel, dat ze daar en wat nadeel Ceilon en de door aan Ceilon en aan onze en de fransche vlooten in deeze gewesten zouden toebrengen, is van noch meerder gewigt. want dat Eiland zoude als dan van alle hulpe van hier verstooken zijn, en alle qraanen van Batavia alleen moeten verwachten en de vlooten zouden geene plaats meer in deeze gewesten hebben, om zich van rijs, tarwe, die hier van buiten word ingevoerd
English
the decision based thereon to expend funds on reinforcement, regarding which we refer to the resolution. imported, and to provide all kinds of other provisions and necessities, and thus be forced to return repeatedly to Batavia and the French Islands, and this altogether would be subject to such inconveniences, uncertainty, and disadvantageous outcomes that the conquest of the precious Island of Ceylon would thereby be facilitated and greatly hastened in every way for our enemies. These reflections, and the lamentable examples of Nagapatnam and Trincomalee, have made us decide to employ everything possible toward the further reinforcement and defense of this fortress, without allowing ourselves to be deterred by the expenses that inevitably accompany it, judging it in any case better to sacrifice a part of what has been entrusted to us for the preservation of the whole, rather than to hasten the loss of everything through untimely timidity. With this aim, in the session of the 11. April last, after having first consulted on everything with the Noble Lord van de Graaff, we resolved upon several further improvements to the fortifications and at the same time an augmentation of our militia, the reasons and motives for which are extensively set forth in our currently dispatched secret resolution and the reports and advices recorded therein. However, since these turbulent times—in which we are still daily, and even while writing this, threatened with a siege—cause a multitude of distractions and extraordinary tasks, whereby we are prevented from devoting as much diligence and time to these our respectful advices as would be necessary to render a detailed account of everything to Your Right Noblenesses: we therefore very respectfully request for this time, regarding our aforesaid decisions, to be permitted to refer to the said resolution and to suffice with a brief indication thereof. After preceding consultation with the Noble Lord Ceylon's Governor Falck concerning the improvement of our counterscarp, and upon the written report and plan obtained through the kindness of His Right Honorable Lordship from the Captain-Engineer Brohier, as well as the written report and plan of the Infantry Captain Fornbauer, newly arrived here from the Netherlands, who is also experienced in military architecture, as well as upon the written advice of the Noble Lord van de Graaff, we have decided to fortify the re-entering places of arms of the covered way before the curtains with ditches, storm-poles, and palisades, to have the salient angles, or the places of arms before the bastions, bonetted, and to equip all of them with cannon. The reports and advices are recorded with the resolution, and the plans are annexed hereto in the custody of the Noble Lord van de Graaff. It was also decided, upon the written report and plan of the just-mentioned Fornbauer, in conformity with the advice of the highly esteemed Lord van de Graaff, to have the cavalier on the bastion Holland demolished and to restore the same to its former state, as well as to have a flèche constructed beside the same between it and the sea for its greater defense; the report is likewise recorded with the resolution, and the plan delivered to the frequently mentioned Noble Lord. In the same manner, it was decided to have the parapets on the bastions improved and, instead of the stone platforms—which noticeably increase the destruction from enemy cannonballs and bombs—to have others made of wood, and to begin all this upon the bastions Holland and Zeeland. The river between this city and the Island of Vypeen is in some places not even ninety rods wide, so the city can easily be cannonaded and bombarded from there, and the trees and houses, as well as the Roman church standing on the shore of that island, would favor this hostile undertaking and hinder us from properly resisting it. The Noble Lord van de Graaff is therefore of the opinion that the trees must be felled and the harmful buildings demolished, whereupon we have decided to have the trees chopped down and cleared away at once, but first to have the houses and church surveyed and appraised by commissioners, and then also to decide what is necessary concerning them. Furthermore, it was deemed necessary to have the bastion Overijssel and the curtain between it and Stroomburg—which are so low that they can easily be taken by surprise—
Dutch transcription
het daar op gefundeerde besluit versterking te koste te leggen waar omtrend men zich aan de resoluitie gedraagd. ingevoerd, en allerlij andere levens middelen en noodwendigheeden te voorzien, en dus genoodzaakt zyn, telkens naar Batavia en de fransche Eilanden te rug te keeren, en dit een en ander zoude aan zulke ongemakken onzeekerheid en nadeelige uitkomsten valt zijn, dat de vermeestering van 't kostelijke Eiland Ceilon daar door op allerlij wijze voor onze vijanden gefaciliteerd en veel verhoast zoude worden. Deeze overdenkingen, en de beklaaglijke voorbeelden van Nagapatnam en Jrinkene, male, hebben ons doen besluiten, om al wat mogelijk is, tot de verdere versterking en verdeediging deezer vesting in 't werk om al wat mogelijk is tot de te richten, zonder ons door de onkosten, die daar meede onvermeidelijk verzelt gaan, te laaten afschrikken, oordeelende het in allen gevalle beetert zijn, een gedeelte van 't geen ons is toevertrouwd, tot het behoud van het ge heel op te offeren, dan door ontijdige beschroomd, heid het verlies van alles te verhaasten. Met dit oogmerk hebben wij, ter sessie van den 11. April Jongstleeden, na ons eerst over alles met den Edelen Heer van de Graaff beraaden te hebben, ver„ „scheidene nadere verbeeteringen van de vestingwerken en teffens eene augmentaatsie onzer 13 geduit om de den bedekten esluit om de wapenplaatsen in onzer Milietsie gearresteerd, waar van de reedenen en motiven bij onze thans over„ „gaande sekreete resoluitsie en de daar bij en „geschreevene berichten en advisen in 't breede betoogd zijn. Doch, dewijl deeze onrustige tijden, daar wij noch dagelijx, en zelfs onder het schrijven deezes, met eene beleegering gedreigd worden, eene meenigte afleidingen en buiten gewoone bestellingen veroorzaaken, waar door wij belet worden, aan deeze onze eerbiedige advisen zoo veel vlijt en tijd te besteeden, als noodig zijn zoude, om aan uwe Hoogedelheeden van alles omstandige reekenschap te doen: zoo verzoeken wij zeer eerbiedig ons voor ditmaal, nopens onze voormelde besluiten, aan gemelde resoluutsie te moogen gedraagen en met een korte aanwijzing van dezelven te mogen volstaan, Na voor afgegaane raadpleeging met ten bedekten wegte fortificeeren den Edelen Heer Ceilons Goeverneur palck over de verbeetering onzer kontrescharpe, en op het, door de goedheid van zijn wel edele groot achtbaare erlangde schriftelijke bericht en plan van den kapitain Jngenieur Brohier, mitsgaders het schriftelyk be„ „richt en plan van den uit Nederland hier aangekoomenen Jnfanterij-kapitain Fornbauer, die in de krijgs bouwkunst mede omali „on Holland te sloopen aan te leggen waar on de Bordtweerings op de Bestions te verbeeteren. mede er vaaren is, mitsgaders op het schaif „hou be „telijk advis van den Edelen Heer van de Graaff, hebben wij beslooten, de inspringende wapenplaatsen van den bedekten weg voor„ de Gordijnen net grachten, stormpaalen en pallissaaden, te fortificeeren, de uit= „springende hoeken, of de wapenplaatsen voor de Bastions, te laaten bonnetteeren, en alle met kanons te bezetten. de berechten en advesen zijn bij de resoluut„ „sie ingeschreeven en de plans gaan hier neevens onder berusting van den Edelen Heer van de Graaff. Ook is, op het schriftelijk berecht en plan van eeven gem: Tornbauer, kon „form het advis van hoog gedachten Heer Het nieuwe werk op het Basti, van de Graaff, beslooten, den kavalier op het bastion Holland te laaten afbree„ „ken, en het zelve in zijn voorigen staat te herstellen, mitsgaders tusschen het zel„ de kerken bezijden het zelve een fleche ve en de zee eene fleche te laaten aan „ ten opneem leggen, tot meerdere verdeediging van het zelve, het berecht is meede bij de re„ soluutsie ingeschreeven en 't plan aan meermelden Edelen Heer afgegeeven Jnzelver voegen is beslooten, de borst laaten ver „weerings op de bolwerken te laaten verbee„ „teren, en in steede van de steene beddings, het bolwver tusschen het waar het zaa versterk de resoli houte bedetings te leggen Baipien te laaten opruimen de kerken huizen aldaar te laa„ ten opneemen. het bolwerk overijsel en de Gordijn tusschen het zelve en stroomburg te laaten verhoogen. waar door de verwoesting van de vijandige kogels en bommen merklijk grooter word, anderen van hout te laaten maaken en met dit een en ander op de bolwerken Holland en Zeeland te laaten beginnen. De rivier tusschen deeze stad en het Eiland. Baipin is op sommige plaatzen noch geene neegentig roeden breed, dus kan de stad van daar gemakkelijk beschooten en gebombardeerd worden, en de boomen en huizen mitsgaders de Roomsche kerk„ aan het strand van dat Eiland staande, zou„ den deeze vijandige onderneeming begun„ stigen en ons hinderen, om dezelve be„ „hoorlijk te keer te gaan. De Edele Heer van de Graaff is dus van gevoelen, dat de boomen gevelt en de schaadelijke gebouwen afgebrooken moeten worden, waar op wij beslooten hebben, het geboomte ten eersten te laaten weg-kappen en opruimen, doch de huizen en kerk eerst door Gekom mitteerden te laaten opneemen en tax„ „eeren, mitsgaders als dan ook daar om trend het noodige te besluiten. Wijders is noodig geoordeeld, het bol= werk Overijssel en de Gordijn tusschen het zelve en stroomburg, die zoo laag zijn, dat ze maklijk bij surprise kunnen be
English
To purchase timber for the siege. To assign the supervision of the works to Captain Tombaur. Reflections concerning the garrison. Why Cochin cannot provide the promised battalion. To be scaled, generally to be raised by four feet, and to dig a small ditch in front of it, as well as to construct a retrenchment with two cannons at both ends of the curtain. Furthermore, on the day aforesaid, we resolved to purchase the necessary timber for the construction of barracks and for the protection of the small gunpowder magazines on the bastions, as well as thirty-six beams of Angelique wood for the construction of pontoons in the city moats; and to ensure that all these improvements are properly executed, we have assigned the supervision thereof to the aforementioned military captain Joan Bauer; for all of which resolutions we respectfully request Your Right Noblenesses' approval. In order to properly defend this city in case of a siege, a garrison of three thousand five hundred men is deemed necessary, and we had also counted on this, because the King of Cochin had promised a battalion of sepoys—which was already put on a European footing by our officers some years ago—to the first signatory; but To resume the recruitment. To establish another battalion of Christians. To give rice. when the unexpected revolution in the Zamorin's Kingdom occurred, of which the first signatory provided a detailed report to Your Right Noblenesses in his respectful separate letter of 22 January of this year, the prince informed us that he dared not come to our aid with any men at present, partly because he needed them himself for the protection of his northern provinces against the Zamorin's Nairs, and partly because the English, currently being masters in the Kingdom of the Zamorin and thus his immediate neighbors, would then have a pretext to attack him hostiley. We have therefore resolved to resume the suspended recruitment, and to bring the sepoys up to full strength to two battalions, as well as to establish a second battalion from the so-called Christians, who can be of just as much service on this coast as sepoys and who earn lower wages. But the wages that these people earn are already very low compared to the sepoys, and in addition they receive no rice; we have therefore, in accordance with the advice of the Honorable Mr. van de Graaff, granted them two parras of unhusked rice per month, And to append the name of Cochin sepoys. Division of the native troops into battalions and companies. Subaltern officers with the companies. Captains placed over the battalions. and also resolved to distinguish them henceforth by the name of Cochin sepoys, and to organize the companies on the same footing as other sepoys. Furthermore, on the advice of the often-mentioned Honorable Mr. van de Graaff, and the written report of the commandant and other commissioned officers, the native troops have been divided into battalions; a subaltern officer and a sergeant have been placed with each company, and a captain as commandant over each battalion, which organization is judged to be strictly necessary if one is to draw proper service from them, especially in a siege, where fierce fighting must often take place in many places at once. The officers are everywhere, but especially then, the soul of the entire military service, and a common soldier will not hold his ground during a violent attack if he is not led by them, encouraged, and held to his duty. Above all, one has little to expect from native troops if they are not directed by European officers, for which reason the English, who achieve almost the same with their sepoys as others do with Europeans, What the Honorable Mr. Moens has already written about this. place a multitude of European officers and non-commissioned officers among them. The Honorable Mr. Moens has already argued the necessity of this to Your Right Noblenesses in a separate secret letter of 27 October 1780; the words with which this was done then apply too well to our present situation not to bring them back to Your Right Noblenesses' memory here. "If our native companies might then be organized in this manner, I do not doubt that we would be able to accomplish considerably more with our native troops than otherwise, and since the improvement in that article is presently so highly necessary that it cannot be introduced soon enough, I shall, in the hope of Your Right Noblenesses' favorable approval, already make an immediate beginning with the sepoys to organize our companies according to my proposal, but with regard to the land troops, namely the native Christians and Chegos, wait until I shall be further qualified thereto by Your Right Noblenesses, unless in the meantime circumstances should make such an organization unavoidable
Dutch transcription
Houtwerk voor de beleegering in te koopen het opzicht over de werken aan kaptn Tombaur op te draagen. om alie Bedenkingen over 't garnisoen 14 waar om koetsien kan 't beloofde battal„ son niet geeven beklommen worden, doorgaans vier voeten te verhoogen, en voor dezelve een kleen grachtje te trekken mitsgaders aan beide enden van de Gordijn eene afsnijding met twee kanons te leggen. Noch hebben wij ten dage voorschreeven beslooten, het noodige houtwerk tot het maa„ „ken van barakker en tot beveiliging van de kleene kruitmagazijntjes op de bolwerken te laaten inkoopen, gelijk ook ses en dertig mansjouws van Angelike hout, tot het maaken van ponten in de stads-grachten, en om verzeekerd te zijn, dat alle deeze ver„ beeteringen behoorlijk gemaakt worden, heb ben wij het opzicht daar over opgedraagen aan den voorm: kapitain Militair Joan baner; op alle welke besluiten wij uwer Hoogedelheeden approbaatsie in eerbied ver„ „zoeken. Om deeze stad, in kas van beleg, be„ hoorlijk te verdeedigen; word een Garni soen van drie duizend vijf honderd Man noodig geacht, en hier op hadden wij ook gereekend, door dien de koning van koet „siem een Battailjon sipalis, het welk reets voor eenige jaaren door onze Officiers op Europeeschen voet is, gebragt, aan dezelv aan den Eerstgeteekenden beloofd had, doch ras Neli toen het daar versterke de resolui noch op te richt De De werving te hervatten noch een battaljon kristanten op te richten. ras Neli te geeven toen de onverwachte omwenteling in het samorijnsche Rijk voorviel, waar van de Eerstgeteekende bij zijne eer biedige aparte van den 22. Januari deezes Jaars aan uwe Hoog Edelheeden omstandig rapport gedaan heeft, liet de vorst ons weeten, dat hij ons thans met geen volk durfde bijspringen, eens „deels, wijl hij het zelve zelfs noodig had tot bekherming zijner noordelijke provin„ cien tegen de samorijnsche Nairos, en anderen deels, om dat de Engelschen, thans Meesters in het Rijk van Samorijn en dus zijne naaste buuren zijnde, als dan een voorwendzel zouden hebben, om hem vijandig aantevallen. wij hebben dus be„ slooten de gestaakte werving te hervatten, en de sipahis tot twee battaljons toe voltallig te maaken, mitsgaders van de zoo genaamde kristanten, van welken men op deeze kuste eeven zoo veel dienst kan hebben, als van sipahis en die minder gasie winnen, een tweede Battaljon op te richten. Doch de gasie, die dit volk wint, is in vergelijking van de sipahis, reets zeer gering en daar bij genieten ze geene rijs, wij hebben dies konform het advis aan dezelven smaands twee par, van den Edelen Heer van de Graaff aan dezelven 's maands twee parras nelie toe en de naam van koetsiemsche sipahio toe te voegen. „te verdeeling van d'inlandsche in troepen in Battaljons en kompanien ciers het daar om al w waar om toegelegt, en teffens beslooten, om ze voortaan met den naam van koetsiemsche sipahis te distingueeren, en de kompaniën op den zelfden ove voet als andere sipalis in te richten. voorts zijn op het advis van meergem: Edelen Heer van de Graaff, en het schriftelijk bericht van den kommandant en verdere gekommitteerde Officieren de inlandsche troe„ „pen verdeeld in Battaljons, bij ieder kompa„ bij de komp: zijn subalterne offi„ nie is een subalterne officier en een serjant geplaatst, en over elk Battaljon een kapitain als kommandant, welke bij de battaljons kap=t geslaats inrichting volstrekt noodig geoordeelt is, als men van dezelven behoorlijk niet wel trek ken waar van reedenen gegeeven wij„ken, voor al in eene beleegering, daar dikwies„ en op veele plaatzen te gelijk, scherp gevoehten moet worden; De officiers zijn overal, doch voornaamlijk als dan, de ziele van den heele Militairen dienst, en een gemeen soldaat zal bij een geweldigen aanval geen stand houden, als hij niet van dezelven aange„ „voerd, aangemoedigd, en tot zijnen plicht gehouden word. voor al heeft men van inlandsche troepen weinig te verwachten als ze niet door Europeesche officiers bestier worden, weshalven de Engelschen, die met hunne sipahis genoegzaam het zelve uit„ richten, wat anderen met Europeeschen doe bij in he den. versterke de resolui wat d' Edele Heer Moens hier over reets geschreeven heeft. bij dezelven eene meenigte Europeesche Officiers en Onder officiers plaatzen. De Edele Heer Moens heeft de noodzaaklijkheid daar van reets bij aparte sekreete Missive van den 27. Oktober 1780. aan uwe Hoogedelheeden betoogd, de woorden, waar mede dit toen geschied is, passen te zeer op onze teegenwoordige situ„ „aatsie, om ze hier niet weer in het ge„ „heugen van uwe Hoogedelheeden te verteegen„ „woordigen. „jndien dan onze inlandse compenien op „deeze wijze mogten ingerigt zijn, dan „twijffel ik niet, of we zouden met onze „ inlandse troupes vrij meer kunnen „ uitvoeren als anders, en dewijl de verbe„ „teringe in dat artikul tans zoo hoog „ noodzaakelijk is, dat dezelve niet vroeg „genoeg kan ingevoerd worden, zoo zal ik „in hoop van uw Hoog Edelheedens gunstig „approbatie met de sipais reeds dadelijk „een begin maken om onze Compenien „na mijn voorstel interigten, dog niet „betrekkinge tot de land troupes nament= „lijk de Jnlandse Christenen en Chegossen, „wagten tot dat ik van uw Hoog Edelheedens „daar toe nader zal gequalificeerd zijn, ten „waare intusschen de omstandigheeden „een zoodanige inrigtinge onvermijdelijk mogten
English
The circumstances are presently much more pressing to strengthen the same therefore in advance. Appointment of the necessary officers. Why the resolution was made. might make, in which case I flatter myself that your High Honours yourselves would expect that I, having first-hand knowledge here of the critical and worrisome circumstances of the time, and also being able to see the pressing necessity coming sooner than your High Honours, would do what is necessary, instead of neglecting what is necessary through a misplaced scrupulousness under the pretext of first having to receive orders. When the Honourable Mr. Moens wrote this, his Honour likely looked solely or primarily at the unrest with the Nabab Haider Alichan, and not at a war with the English; at least the circumstances could never become more critical, never more worrisome, nor make the prescribed arrangement more necessary or unavoidable than at present, as we have to deal with a European enemy with whom this arrangement is already actually taking place. We have therefore been obliged to proceed with the appointment of the officers necessary for this; yet, in order to do this with the utmost economy, we have appointed Captain von Sauer, who arrived overland from Europe and was still present here, as commander over a battalion of sipahis, and engaged three French officers who had come here from Goa and could find no opportunity to travel to Kormandel, named Captain Louis Alexander Michel chevallier De Lormier, and Lieutenants Pierre Burquez and Louis de Paradis, to serve during their stay here with our native troops in their capacity and for the salary and emoluments established for that purpose among us, the first as commander of the battalion of Cochin sipahis and the other two with as many companies, whereby so many permanent appointments have been saved, and from whom, in case of a siege, we promise ourselves much good, as they are very experienced officers accustomed to fire, and moreover speak the native languages. We have also refrained from making appointments to the two Ceylonese companies, and thus confined ourselves solely to the following. The three oldest Lieutenants, Godlieb Georg Gebhard, Jakob Bernhard Weinsheimer, and Justinus Andreas Nachtrab, have been appointed Captain Lieutenants; the first is stationed with the staff company, the second as commander with the second battalion of sipahis, and the third with the newly raised company of Topasses. Appointed as Lieutenants are the Ensigns Jan George Muller, Johan Andries Lintzer, Wilhelm Krans, Louis van Mander, and Johan Fredrik Andre; and appointed as Ensigns are the Under-Adjutants Daniel Bakker and Johannes Nikolaas Bisschop, as well as the Sergeants Fredrik Greiter, Gerrit van der Voort, Jakob Reemer, Gerrit Eernink, Koenraad Stelling, Hendrik de Leeder, George Wilhelm Trikke, Pieter Joseph according to the pay-books, but correctly named Pieter Josef de Kant, Johan Kasper Schoeman, Frans Willem Souborn, Jurgen Tdillinger, Christiaan David Milius, and Johan Ernst Jaber; as well as Sergeant Jakob Keizer, and Corporals Jan Adolf Alles, Nikolaas Roose, and Jan Baptist Coint, to Under-Adjutants. Promotion in the Artillery. The artillery is, in a siege, a matter of the utmost importance, and this department is here, as your High Honours know, very weakly staffed. We have therefore, as much for encouragement of the same as out of necessity for more officers, provisionally appointed thereto: Lieutenant Jakob Kraus, to whom at the session of 19 July 1781 the supervision over the ammunition house and the powder magazines, together with the command over the artillerymen, was provisionally entrusted, to Captain Lieutenant and Commander; the Supernumerary Lieutenant Andries van Eijk to Ordinary Lieutenant; the Ordinary Fireworkers Jan Hendrik Voogt and Leopold Beijer to Supernumerary Lieutenants; the Supernumerary Fireworkers Jan Diederik Pas and Karel Lodewijk Godlob von Krause to Ordinary Fireworkers; and the Bombardier Adriaan Snell, together with the gunners Pieter Elstendorp and Jan Jakob Greesing, as having the greatest skill for it, to Supernumerary Fireworkers. Request for approval. We very respectfully implore your High Honours favorably to approve all these appointments, as having been made out of pressing necessity and for the preservation of this place, and take the liberty at the same time to bring to the attention of the same how in these times, Proposal of the Master of Equipage to Skipper. Improvements to the powder mill. when one has to expect foreign and own warships and entire squadrons, an Equipage Master here ought to have at least some rank to be properly employed in his department, and on that account to recommend our Equipage Master Johannes van Blankenberg, who is vigilant in his service and gives satisfaction, to the favor of your High Honours for promotion to Skipper, the title and rank of which have been granted to him pro interim in the hope of high approval. We have informed your High Honours in our respectful letter of 24 November that, in order to provide ourselves with more gunpowder, we have put the old powder mill back into condition to grind. But in this we have encountered much adversity, for the entire mill seems from the beginning not to have been constructed in the best manner, and was besides now also old and dilapidated, so that it constantly broke down and had to be repaired while the work stood still for so long; moreover, it produced only poor powder, which
Dutch transcription
Domstandigheeden zijn thans veel dringenden het om al w ficiers. waar om de resolui „mogten maaken, in welk geval ik mij vlije, „„dat uw Hoog Edelheedens zelfs zouden ver„ „wachten, dat ik, die de Critique en zorgelijke „omstandigheeden des tijds, hier uit de eerste „hand hebbende, en ook vroeger dan uw „ Hoog Edelheedens de dringende nood kun „nunde zien aankoomen, het noodige „zoude doen, in steede van door eene ver„ „keerde schrupuleusheid het noodige te „ verzuinen onder pretext van eerst or„ „der te moeten hebben. Joen de Edele Heer Moens dit schreef„ zag zijn Edele waarschijnlijk alleen of voor= naamlijk, op de onlusten met den Nabab Haider Alichan, en niet op een Oorlog met de Engelschen, ten minsten de omstandig heeden konden noit kritieker, noit zorg lijker worden, nit de voorschreeven in „richting noodzaakelijker of onvermeide„ lijker maaken, dan tegenwoordig, daar wij met een Europeeschen vijand te doen hebben, bij wien deeze inrichting reets werklijk stan Benoeming van de noodige of „ grijpt. Wij hebben derhalven tot de aan„ „stelling van de hier toe noodige Officiers moeten treeden, doch om dit met het meeste menagement te doen, hebben wij den uit Europa overland aangekomenen kapitann von sauer, die zich noch hier bevond, tot het daar kaij versterke ver 15 vervolg vervolg vervolg. tot kommandant benoemd, over een Battal„ „jon sipahis en drie fransche Officiers, die van Goa hier gekoomen waaren en geene gelee„ „genheid naar kormandel vinden kosten, met naamen, Louis Alexander Michel chevallier De Lormier, kapitain, Pierre Burquez en Louis de Paradis Luite„ „nants, geëngageerd, om geduurende hun ver„ blijf alhier, bij onze inlandsche troepes, en hunne qualiteid en voor de gasie en emolu „menten bij ons daar toe staande, te dienen de eerste als kommandant van het Bat „taljon Koetsiemsche sipalis en de twee anderen bij zoo veel kompanien, waar door zoo veel vaste aanstellingen uitge„ wonnen zijn, en waar van wij ons, in „val van beleegering, veel goeds belooven, door dien zij zeer bedreevene en aan 't vuur gewoone Officiers zijn, en daar bij de in „landsche taalen spreeken. Ook hebben wij bij de twee Ceilonsche kompanien geene aanstellingen willen doen, en ons dus alleen bepaald tot de volgenden De drie oudste Luitenants Godlieb Georg Gebhard, Jakob Bernhard Weinsheimer en Justinus Andreas Nachtrab zijn benoemt tot kapitain Luitenants, de eerste is bij de staf kompanie, de tweede als vervolg waar om de resolui Avancement bij de Artillerij als kommandant by het tweede Battaljon sipalis, en de derde bij de nieuw opgerigte kompanie Joepas geplaast; Tot Luitenants zijn benoemd de vaandrigs Jan George Muller, Johan Andries Lintzer, wil„ helm krans, Louis van Mander en Johan Fredrik Andre, mitsgaders tot vaandrigs de onder Adjudanten, Da„ niel Bakker, en Johannes Nikolaas Bisschop, mitsgaders de serjants, predrik Greiter, Gerrit van der Voort, Jakob Reemer, Gerrit Eernink, koenraad stelling; hendrik de Leeder, George Wilhelm Trikke, Pieter Joseph volgens de soldij boeken, doch te recht genaamt Pieter Josef de kant, Johan kasper schoeman, Frans willem souborn, Jurgen Tdillinger, Christiaan David Milius, en Johan Ernstjaber, mitsgaders de serjant Jakob keizer, en de korpo= „raals Jan Adolf Alles, Nikolaas Roose en Jan Baptist Coint, tot on„ der adjudanten. De Artillerij heeft, bij eene belee„ „gering, eene allergewigtigste zaak, en dit departement is hier, gelijk uwe Hoogedel: heeden weeten zeer zwak besteld, wij heb„ ben derhalven, zoo veel tot aanmoediging verzoek van het daar om al ie versterken verzoek om approbaatsie van het zelve, als uit noodzaakelijkheid van meerdere Officiers, daar bij provisio „neel aangesteld: Den Luitenant Jakob kraus, aan wien ter sessie van den 19:e Juli 1781. het opzicht over 't ammonietsie „huis en de kruit-magazijns, mitsgaders het kommando over de Artilleristen provisioneel was opgedraagen tot kapitain Luitenant en kommandant; den Extra„- ordinair luitenant Andries van Eijk tot ordinair luitenant; de ordinaire vuur wer„ „kers Jan Hendrik Voogt en Leopold Beijer„ tot Extra ordinaire Luitenants, de extra ordinaire vuurwerkers, Jan Diederik Pas en Karel Lodewijk Godlob von krause, tot ordinaire vuurwerkers en den Bom„ bardier Adriaan Snell, mitsgaders de kanoniers Pieter Elstendorp en Jan Jakob greesing als daar toe de meeste bequaam„ „heid hebbende, tot Extra:ordinaire vuur„ „werkers. Wij imploreeren uwe Hoog edelheeden zeer eerbiedig, alle deeze aanstellingen, als uitdringende noodzaaklijkheid en ter behoudenis van deeze plaats gedaan zijnde gunstig te approbeeren, en bevrijmoedigen ons teffens, om onder het oog van Hoogst dezelven te brengen, hoe in deezen tijd voordragt van den Equipasiemeester tot schipper. verbeeteringen aan de kruit„ moolen waar om„ tijd daar men vreemde en eigene Oorlogs= schepen en heele Esquaders te wachten heeft, een Equipasiemeester alhier ten minsten eenigen rang diend te hebben, om in zijn departement behoorlijk te kunnen worden gebruikt, en om uit dien hoofde onzen Equipagiemeester Johannes van Blan „kenberg, die in zijn dienst vigilant is, en genoegen geeft, in de gunst van uwe Hoog edelheeden te rekommandeeren, ter bevor„ „dering tot schipper, waar van hem de titul en rang in hoope van hooge wel„ duiding prointerim is toegevoegt. Wij hebben bij onze eerbiedige van den 24. November aan uwe Hoogedelhee„ den kennis gegeeven, dat wij, om ons van meerder buskruit te voorzien, de oude kruitmoolen wederom in staat gebragt hebben, om te maalen. Doch hier in hebben wij veel tegenspoed ontmoet, want de heele moolen schijnt van den beginne af aan niet naar de beste wijze gekon„ „strueerd geweest te zijn, en was buiten des nu ook oud en bouwvallig, zoo dat ze geduurig onklaar raakte, en gerepa„ „reerd most worden wanneer het werk zoo lange stil stond, daar en boven lee„ „verde ze maar slegt kruit uit, het welk het daar om al wa versterken de resolui
English
which upon testing barely rose sixty feet high, notwithstanding that the sulfur and saltpeter were accurately refined, which latter defect also seemed to be the consequence of the poor construction of the mill; we therefore began to pound the powder in hand mortars by the coolies who were assigned to the mill, and in that simple manner obtained about two thousand pounds a month of exquisite powder rising over a hundred feet high; we have thereupon abolished the entire machine and currently have the powder prepared in that simple manner, as the natives do everywhere here, and according to several secret resolutions have doubled the number of coolies, and enlarged the necessary equipment proportionally, with which we hope to produce one hundred and ninety pounds of powder daily, not doubting that this will be agreeable to your High Nobilities. Regarding the state of the war and the native princes, the undersigned commander has taken it upon himself to report to your High Nobilities in a separate missive, to which we therefore respectfully refer, while we, with the purest feelings of respect and fidelity, remain, High Noble, Right Honorable, Wide-Ruling Lord and Noble, Stern Lords, your High Nobilities' humble and faithful servants, was signed, J: G: van Angelbeek, R: van Harn, P: von den Busch, N: W: Beits, J. L. v: Spael, C: G: Seijffer, A. J: S: Vernede, J: A: Cellarius, W: van Haeften, and J. A: Daimichen; in the margin, Koethem, the 1st of May 1782. Agreed. Adriaan Poowvliht First Clerk. Separate and secret. To His High Nobility The High Noble, Right Honorable, Wide-Ruling Lord, Mr. Willem Arnold Alting on behalf of the State of the Free United Netherlands and the General Chartered East India Company, Governor-General, The Noble, Stern Lords Councillors Of the Netherlands Indies. High Noble, Right Honorable, Wide-Ruling Lord, Noble, Stern Lords. Since my last respectful separate letters of the 22nd of January, the duplicate of which is enclosed herewith, in which I, among other things, informed your High Nobilities of the unexpected revolution in the Zamorin's empire and of its detrimental influence on our interests, our condition remains just as uncertain and worrisome, because our enemies not only continue to hold their posts close to our borders, but also grow stronger daily, of which I shall give a brief indication here. At the beginning of January, three or four warships of Johnstone's fleet with a multitude of transport ships and three thousand Europeans under General Meddows arrived at Bombay. The warships immediately went to Coromandel, and on the 7th of February seven three-masted ships sailed past here towards Anjengo, which we have since understood to be English, namely transport ships from Johnstone's fleet, packed with European soldiers. Without doubt, this transport was intended to support the hostile operations against Ceylon, but off Anjengo their purpose against Ceylon was foiled by the news they received from a Portuguese ship, Nossa Senhora de Arabida, which had come from Europe and had called at Mauritius, that on the 7th of December a mighty fleet had set sail from the last-mentioned island to these regions; whereupon they immediately returned to the north. In this manner, the mere news of the arrival of the French fleet has already had a fortunate effect for Ceylon, and I hope and wish that this fleet, now that it has actually arrived, will foil all further designs of our enemies. We, on the other hand, have thereby received a great superior force in our neighborhood, as most of the troops have been put ashore at Calicut, amounting according to accurate reports to around two thousand men. Calicut itself had already been captured beforehand by the English, and the Nairs had taken possession of Settua and Paponetty, and since then the rumors became general that they intended to besiege us during this very monsoon; to that end, the European troops would be put ashore with the ships between St. Andries and Manikoorde, six hours south of Cochin, and the native troops would advance over land from the north. And this became very probable, because the King of Travancore had a great quantity of provisions, not only rice, but also pigs, goats, chickens, etc., brought together from his country at the aforementioned place, and because first his troops, as well as thereafter the Paliath Achan's troops, who until then had been stationed together with us at Ayacotta, departed without warning and in silence. This brought about a great change in our previous decision, which I have already had the honor to communicate, to abandon Cranganore and Ayacotta upon the approach of the enemies; for now I understood that we ought to hold off the native troops of the enemies, who would come from the north, as long as possible, until the rainy season made the siege of our city impossible. To that end, according to secret resolutions of the 19th and 26th of February last past, we have under
Dutch transcription
welk bij de proef nauwlijx sestig voeten hoog sloeg, niet tegenstaande de zwavel en salpeter nauwkeurig geraffineerd waa„ „ren, welk laaste gebrek meede scheen het gevolg te weezen van de quaade konstrukkie der Moolen, wij begonnen dus het kruit, door de koelies die op de Moolen bescheiden waaren, in hand blokken stampen, en kreegen op die eenvoudige wijze 's maands omtrend twee duizend pond, kostelijk kruit over de honderd voeten hoog slaande, wij hebben daar op de heele machine afge„ „schaft en laaten thans het kruit op die eenvoudige wijze bereiden, zoo als de inlan„ „ders hier over al doen, en hebben blijkens meerm: sekreete resoluutsie het getal der koelies verdubbeld, en het noodige gereed„ „schap naar maate vergroot, waar meede wij dagelijx hoopen honderd en negentig pond kruit aan te maaken, niet twijffe, lende of dit zal uw Hoogedelheeden aangenaam zijn. Nopens den toestand des Oorlogs en de Jnlandsche vorsten, heeft de ondergetee„ kende kommandeur op zich genoomen aan uwe Hoog edelheeden bij eene aparte Missive rapport te doen, waar aan wij ons dus in eerbied gedraagen, terwijl wij om al w waar om wij met de zuiverste gevoelens van eerbied en trouwe blijven /:onderstond:/ Hoog edele Groot achtbaare wijdgebiedende Heer en weledele Gestrenge Heeren /:lager:/ uwer Hoog edelheedens onderdanige en getrouwe dienaaren /:was getekend:/ J: G: van An „gelbeek, R: van Harn, p: von den Busch, N: W: Beits, J. L. v: Spael, C: G: Seijffer A. J: S: Vernede J: A: Cellarius, W: van Haeften en J. A: Daimichen /:in margine:/ Koethem den 1. Mai 1782. Akkordeerd. Adriaan Poowvliht Egklerk het daar versterki de resolui apart en sekreef. om al wa waar om het daar versterkin de resolui nze an vijf La A. 17 Batavia Jnleiding en Samorijn dagelijx sterker Aan zijne Hoogedelheid Den Hoogedelen, Grootachtbaaren, wijd gebiedenden Heer. M:r Willem Arnold Alting van weegen den staat der vrije vereenigde Nederlanden en de generaale g'oktroieerde Oostindische kompanie Goeverneur Generaal De Weledele, Gestrenge Heeren Raaden. Van Nederlands Jndien. Hoogedele Grootachtbaare wijdgebiedende Heer, Weledele Gestrenge Heeren. Leeder mijne laaste eerbiedige aparte letteren van den 22. Januarij waar van de weedergade hier neevens, waar bij ik uw Hoogedelheeden onder anderen be„ „recht gaf, van de onverwachte onwenteling in het samorijnsche Rijk en van den nadeeligen invloed van dezelve op onze belangen, blijft onze toestand eeven nze vijanden worden in 't land onzeeker en zorglijk door dien onze vijanden, digt op onze grensen niet alleen blijven post houden, maar ook dagelijx sterken worden waar van ik hier eene korte aanwijzing zal doen. — apart en sekreef. Jn en en vloot met Milietsie koomen te Bombai de oorlogsscheepen gaan naar kormandel iij zeeven transport scheepen met Milietjie naar Ansjengs van de fransche vloot dus keeren terug naar de Noord. waar om„ aan land. Jn het begin van Januari zijn drie of vier Oorlogs de schepen van Johnstones scheepen van Johnsbones vloot met eene meenigte transport scheepen en drie duizend Europeeschen onder generaal Meddows te Bombai aangekoomen. De Oorlogs scheepen zijn ten eersten naar kormandel gegaan, en op den 7. febr: zeilden hier zeeven drie mas„ tige scheepen voor bij naar Ansjengo die wij zeder verstonden Engelschen te zijn en wel transport scheepen van Johnstones vloot, opgepropt met Euro„ „peesche soldaaten, Buiten twijfel heeft dit trans„ „port zullen dienen, om de vijandige operaatsien hun voorneemen tegen Ceilon op Ceilon te ondersteunen, doch voor Ansjengo word veriedeld door de tijding kreegen zij van een Portugeesch schip Nossa Senhora de Arabida het welk uit Europa gekomen en te Mouricius aangeweest was, de tijding, dat van laastgem: Eiland op den 7. december eene mach„ „tige vloot naar deeze gewesten was onder zeil gegaan; waar op zij ten eersten naar de noord hislus behou te rug keerden. - op deeze wijze heeft de bloote tij„ „ding van de aankomst der fransche vloot reets eene gelukkige uitwerking gehad, voor Ceilon, en ik hoope en wensch dat deeze vloot nu ze werk„ „lijk aangeland is, alle verdere dessiiren onzer vij„ „anden zal veriedelen. wij daar en teegen hebben hier door eene groote overmacht in onze buurt zetten de troepen te kalikoet gekreegen, alzoo de meeste troepen te kalikul aan land gezet zijn, volgens nauwkeurige be„ „rigten, omtrend twee duizend Man bedraagende kalikut het daar om al wa versterkin de resolui 18 geruchten van hun voor„ „neemen tegen koetsien besluit om kranganoor te behouden en kalikut zelve was reets bevoorens door de Engel„ „schen veroverd en van settua en Paponettij had„ „den de Nairos bezit genoomen, en zeeder wierden de geruchten algemeen, dat men ons noch in deeze mousson beleegeren wilde; tot dat einde zouden de Europeesche troepen met de scheepen tusschen St. Andries en Manikoorde ses uuren bezuiden koetsiem aan de wal gezet worden en d' inland„ „sche troepen van de Noord over land aanrukken waarschijnlijkheid van dien en dit werd zeer waarschijnlijk, door dien de koning van Trevankoor, ter eevengemelde plaatse, een groote meenigte lewensmiddelen niet alleen van rijs, maar ook van varkens, Bokken, hoenders, enz: uit zijn land bij een brengen liet, en door dien eerst zijne, mitsgaders daar na ook 'T Pallietters troepen, die tot dus ver„ „re met ons te zaamen te Aikotta geleegen hadden, zon„ „der waarschuwing en in stilte, vertrocken. - Dit maakte een groote verandering in ons voorig be„ „sluit, het welk ik reets de eere gehad hebbe te bedeelen om kranganoor en Aikotta, bij aannadering van de vijanden, te verlaaten want nu begreep ik dat wij de inlandsche troepen van de vijanden die van de noord komen zouden, zoo lange behoor„ „den optehouden, als mogelijk zijn zoude, tot regen tijd het beleg van onze stad ondoenlijk maakte. Tot dat einde hebben wij dus, blijkens sekreete resoluutsien van den 19. en 26. febr: Jongst leeden onder rlog
English
Movements in the Zamorin's land. Why, passing over the enclosures of this letter, it was decided to have Cranganore defended; Lieutenant Nachtrab was placed there as commandant, the garrison was reinforced with twenty-five European privates and one company of sepoys, and provided with everything necessary for defense, to the satisfaction of the aforementioned commandant. As a consequence of this decision, Aikotta also had to be reinforced, all the more because the troops of the native princes had abandoned that post. Whether the reinforcement of Cranganore and Aikotta or the news of the approach of a detachment of the Nabob Haider Ali Khan brought about a change in our enemies' intentions, I do not know, but this much is certain: that their intention stalled and that of the provisions which Travancore had gathered, the rice was transported further inland, and a large part of the livestock was brought for sale on our market. Since that time, our enemies in the Zamorin's land have reinforced themselves more and more with the Nairs of that kingdom and of the neighboring lands of Kottayam, or Kottatte, Kolattiri, and several others, as well as with the Moors of Chavakkad under the notorious chiefs Aidros Kutti and Moideen Mloepen, and have made such movements from time to time from which one had to conclude anew that an attack was aimed at a siege of this city. The English make preparations anew for the siege. I do not wish to wear out Your Excellencies' attention fruitlessly with a detailed account of all incidents and displays of that nature. The Honorable Mr. van de Graaff, who during his presence attended the numerous reports, rumors, and appearances thereof, can bear witness that they almost never ceased; however, I believe I must specifically mention the following. In the latter part of March, the English colonel commanding the troops in the Zamorin's land, whose name is unknown to me, but he recently arrived from Europe with his regiment in the King's service, again made active preparations to come and besiege us. I had already been warned beforehand from more than one hand that this was his intention, and shortly thereafter I received concurring reports that the artillery, ammunition, and other army supplies were being loaded into the English ships lying there and into a multitude of shibars, bombaras, and other native vessels, which had been hired and partly pressed for that purpose. The plan was, as the first time, to bring the European military by sea to the Mud Bay or near St. Andrews and have them land there, while the native troops would advance overland. Conduct of Travancore. The prince of Travancore was to assist the landing and had for that purpose not only permitted a large multitude of ballongs to be kept ready in his land around St. Andrews, which were ostensibly sent there from Anjengo, but also, just as the first time, had again collected a large store of rice, live cattle, and other provisions to entertain these guests well upon their arrival. He had also sent a regiment of sepoys thither and prepared other troops, probably to cover the landing or to join the enemies, although up to now I have not been able to obtain any certainty regarding the actual objective of the latter. This plan is thwarted again because the Chief at Tellicherry refuses to cooperate. They take the loaded siege equipment back on land. Yet this plan was thwarted again because the chief, or the so-called governor, at Tellicherry refused to lend a hand to it, and even to allow the Company's frigate, the Bombay grab, and other Company vessels to be used for it, alleging that he had no orders for it from the Government of Bombay. The artillery and other goods were therefore taken back on land, and the hired and pressed vessels were discharged. Since then, the rumors were at one time that orders and reinforcements were expected from Bombay, and at another time that the matter was postponed.
Dutch transcription
om alwa beweegingen in 't samorijnsche land. waar om„ onder de bijlaagen dezes overgaande, beslooten, kran„ „ganoor te laaten verdeedigen; de Luitenant Nach„ „trab is er als kommandant ingelegt, het garnisoen is met vijf en twintig Europeesche gemeenen en eene kompanie sipahis, versterkt en van al het nodige tot de defensie voorzien, ten genoegen van eeven gem: kommandant Als een gevolg van dit be„ nevens Aikotte te versterken,„ sluit moest ook Aikotta versterkt worden temeer wijl de troepen van de inlandsche vorsten die post verlaaten hadden. — of de versterking van kran„ „ganoor en Aikotta dan wel de tijding van de aannadering van een detachement van den Nabab Haider Alichan, in het voorneemen onzer vij„ „anden verandering te wege gebragt hebbe, weet ik niet, doch zoo veel is zaker; dat het zelve is hun voorneemen blijft steeken blijven steeken en dat van de provisien die Trevankoor verzameld had, de rijs meer land„ „waard in vervoerd, en het vee voor een groot ge„ „deelte op onze Markt te koop gebragt is. — zeder dien tijd hebben onze vijanden in het samo„ „rijnsche land zich met de Nairos van dat Rijk en van de nabuurige Landen van koteate, of kottatte, kollastri en meer anderen, mitsgaders met de Mooren van Sawakatti onder de be„ „ruchte Hoofden Aidros koeti en Midien Mloepen, meer en meer versterkt en van tijd tot tijd zulke beweegingen gemaakt waar uit men op het nieuw besluiten most, dat het op eene het daar versterkin de resolui schepen hun leege d'Enge d'Engelschen maaken op 't rieuw aanstalt tot de be„ leegering. schepen de artillerij in hun plan eene beleegering van deeze stad gemunt was. „van uw Hoogedelheeden Ik wil de opmerkzaamheid niet vruchtloos af„ „matten met een omstandig verhaal van alle voorvallen en vertooningen van dien aart. - D' Edele Heer van de Graaff, die geduurende zijn aanweezen de menig„ „vuldige berichten, geruchten en apparentsien daar van bijgewoond heeft, kan getuignis geeven dat dezelven haast nimmer hebben stil gestaan, echter meene ik, het volgende daar van speciaal te moe„ „ten melden. — Jn't laast van Maart maakte de Engelsche kollonel, die de troepen in het Samorijnsche land kommandeerd, / zijn Naame is mij onbekend, doch hij is onlangs eerst met zijn Regiment in 's konings dienst uit Europa gekoomen /op het nieuw daade„ „lijke aanstalten, om ons te koomen beleegeren. — voor af was ik reets van meer dan eene hand ge„ „waarschuwd, dat dit zijn voorneemen was, en kort daar aan kreeg ik over eenstemmende be„ „richten, dat de artillerij, ammunietsie en verdere Leger behoeften afgescheept wierden, in de Engel„ „sche scheepen die daar laagen en in een meenig„ „te sibaars, Bombaras en andere Jnlandsche vaartuigen, die daar toe ingehuurd, en gedeel„ „telijk geprest waaren; - Het plan was, gelijk het eer„ „ste maal, om de Europeesche Milietsie over zee naar de Modderbai of bij S=t Andries, te brengen en daar te doen landen, terwijl de Jnlandsche troepen over 19 gedrag van Trevan Koor. Dit ontwerp word weder veriedeld. „litscheri niet wil mede werken om al wa waar om de resolui„ zij neemen het gelaadene be„ „leegerings ting weder aan land. overland zouden aanrukken. — De vorst van fre„ „vankoor zoude de landing bevorderen en had daartoe niet alleen gepermitteerd dat omtrend S=t Andries in zijn land eene groote meenigte van ballongs gerad gehouden wierden, die daar quanswijs van Anssingo „ gezonden waaren, maar ook even gelijk het eerste maal, wederom een grooten voorraad van rijs, leeven „dig vee, en anderen leeftogt verzameld om deeze gasten, bij hunne aankomst wel te onthaalen ook had hij een Regiment Sipahis daar na toe gezonden en andere troepen in gereedheid gebrogt waarschijnlijk, om de landing te dekken, of zich bij de vijanden te voegen, hoe wel ik van het eigentlijke oogmerk van dit laaste tot nu toe geene zeekerheid hebbe kunnen bekomen Doch dit ontwerp werd wederom vereideld door dien het opperhoofd, of de zoo genaamde goever„ door dien 't opperhoofd te Tel=neur, te Tellitscherij weigerde de hand daar toe te leenen en zelfs het komp=s fregat, the Di Bombai goerab en verdere komp„s vaartuigen daar toe te laaten gebruiken, voorgeevende daar j toe van het Goevernement van Bombai geen order te hebben. — De artillerij en verdere goederen wierden dus wederom aan land genoo„ „men en de gehuurde en gepreste vaartuigen ont„ „slagen. — zeeder waaren de geruchten, nu eens dat men ordres en versterking van Bombai verwachtede, dan eens, dat de zaak uitge„ „steld het daar versterkin
English
their expedition against a troop of people of the Nabab was postponed until after the rainy season, and in the meantime they made an expedition against a party of troops of the Nabab, Haider Alichan, who had come down in the interim and were now defeated by them, which were put to flight and scattered. Encouraged by this new success, they undertook a second expedition of greater weight to conquer the fortress Palikatseeri, which is said to be the key to the Maisoor empire from this side. But this design failed them, and they returned with loss, because the place was too heavily garrisoned, and they were overtaken on the march by heavy rains and at the same time illness among their troops from the violent epidemic, of which our general letter of the 5. of this month makes mention, and which, according to the latest reports, is causing great devastation among Europeans and Sipohis in their army, and among all inhabitants of the country. Here I must allow myself a digression regarding the prince of Trevankoor. In the beginning of the war he had promised in his promise of neutrality to remain neutral, and the Noble Lord Falck as well as I inclined to the ideas that out of fear of the English and the Nabab Mahmed Alichan he had to conceal his greater affection for us. Through this, and through the outward cordiality with which he had urged the king of Koetsiem to lend us a regiment of Sipahis, I was moved to present him in such an advantageous light to your High Honours in my previous communication, and I was further strengthened in this opinion since, in response to my letter to him of 19. January of which your High Honours recently received a copy, he sent his prime minister to me on 5. February with the strongest professions of his affection and with the promises of the strictest neutrality. And although several of his actions did not fully agree with this, I nevertheless regarded them more as effects of his dependence on Mahmet Alichan and of his fear of the English, than as deeds of voluntary partiality. But through his behaviour described above, when he considered the siege of our city and our ruin here to be certain, he unmasked himself too much to hold him any longer as faithful and neutral. Nevertheless, when the plan stalled, he sought anew to give himself the appearance of goodwill and attachment to me. For on 10. April of last year he let me know through his agent here Ananda Malehaten that he would send his prime minister to me in a couple of days to speak about a letter from Madras of great importance, and thus requested to grant him an audience as soon as possible. And on the 15. following, Ananda Male came with the following message: The prime minister had intended to come in person to speak about a letter that the king his master had received ten days ago from the Nabab Machmet Alichan, but was restrained by the fear that the English would conceive suspicion over this, and had therefore sent him, Ananda Male, to inform me that the English were about to come down to besiege the city, and had requested the king to assist them with men and provisions; that his Highness had refused this, but that the English continued to insist upon it. That the Nabab Mahined Alichan had also requested this same thing in a letter, of which he showed me a copy, which had been left unanswered until now; and that the king was at a loss how to behave in this matter, as he gladly wished to remain neutral, but that he would thereby incur the wrath of the English and expose his country to devastation, since we had no force of men or ships at all to protect him, and that even if he wished to risk it, the states of his realm would not want to listen to it because we had no power at all. That his king had immediately written an ola to the English colonel and to the king Samorijn to postpone the enterprise against Koetsiem a little longer, but did not know whether he would succeed in this request. That the Second of Ansjengo had also recently been with the king to persuade him to the desired assistance, and had cited to that end that we assisted Haider Alichan, who was the king's enemy, with powder and lead; that we had repeatedly and most recently at Koeriapulla committed hostilities against the king, but the English never; and that they alone were capable of protecting him against Haider Alichan; but that the king had nevertheless continued to excuse himself, but was now at his wit's end how to behave further. I had a translation made of the letter that the Nabab Mahmet Alichan is said to have written to the king, by the First Interpreter van Jongeren, which I, because it is very short, will insert here: I hear that the English troops have marched out to capture the city of Koetsiem; your Highness is hereby requested to assist them with men, powder and lead, provisions
Dutch transcription
hunne expedietsie tegen een troeps volk van den Nabab toe „ven word. tweede expedietsie teegen Palikatseeri muslukt Digressie over Trevankoor 20 „steld was tot na den reegen tijd en tusschen beiden deeden zij eene expedietsie tegen eene partij troepen van den Nabab, Haider Alichan die middelerwijle afgekoomen waaren en nu door hen l: geslaagen het welk op de vlucht gedree„ en verstroid wierden. Door dit nieuwe sukces aangemoedigd ondernaamen ze eene tweede expe„ „diessie van meer gewigt om de vesting Palikat„ „seeri te veroveren, die gezegt word, de sleutel van het Maisoersche rijk van deezen kant te weezen. Dan dit toeleg is hen mislukt, en ze zijn met verlies te rug gekoomen, door dien de plaats te sterk bezet was, en zij op den marsch overvallen wierden van zwaare regens en teffens ziekte onder hunne troepen van de hewvige epidemie, waar van onze gemeene brief van den 5. deezer gewaagt, en die, volgens de Jongste berichten, onder Europeeschen en Sipohis in hun leger, en onder alle Inwoonders van het land, groote verwoesting aanricht. Hier moet ik mij eene digressie veroorlooven nopens den vorst van Toevankoor. - hij had in zijne belofte van onzijdigheid den beginne van den Oorlog beloofd, onrzijdig te zullen blijven in de Edele Heer Falck zoo wel als ik, neigden tot de denkbeelden, dat hij uit vreeze voor d' Engelschen en den Nabab Mahmed Alichan, zijne meerdere genegenheid voor ons most verbergen; Hier door en door de uiterlijke hartlijkheid, waar meede hij den koning van Koetsiem aangezet had, om ons een vindt geloof om al wa versterkin Doch word valsch bevonden Hij wil weder neutraal schijnen zijne deswegen gedaane boodschappen. waar om de resolui een Regiment Sipahis te leenen werd ik bewoogen hem bij mijnen voorgaanden aan uwe Hoog „edelheeden in zulk een voordeelig daglicht te ver„ „toonen, en ik werd in dit gevoelen zeeder noch ge„ „sterkt door dien hij; op mijnen brief aan hem van den 19. Januarij waar van uw Hoog„ „edelheeden Jongst een afschrift bekomen hebben zijnen eersten Minister op den 5. febr: bij mij zond, met de sterkste betuigingen van zijne toegeneegenheid, en met de beloften van de stipste onzijdigheid en hoewel daar meede ver„ „scheidene handelingen van hem niet ten vollen over„ „eenstemden: zoo zag ik dezelven echter meer aan voor uitwerkselen van zijne afhanklijheid van Mahmet Alichan en van zijne vreeze voor de Engelschen, dan voor daaden van vrijwillige een zijdigheid. - Doch door zijn voorwaards beschree„ „ven gedrag, toen hij de beleegering van onze stad en onzen ondergang alhier voor zeeker hield, heeft hij zich te zeer ontmaskerd, om hem langer voor getrouw en onzijdig te houden. Niet te min zocht hij toen het ontwerp bleef steeken, zich op 't nieuw bij mij het aanzien van welmeenendheid en aan„ „kleeving te geeven. Want den 10. April J:o l: liet hij mij door zijnen Agent alhier Ananda Malehaten „dat hij over een paar dagen zijnen eersten „ Minister bij mij zenden zoude om te spreeken „ over eenen brief van Madras van groot gewigt het daar 2 en vervolg vervolg. en dus verzocht hem ten eersten gehoor te verleenen, en den 15. daar aan quam Ananda Male met de volgende boodschap. „ D' eerste Minister was willens geweest, in per„ „zoon te koomen spreeken, over eenen brief, dien „ de koning zijn Meester voor tien dagen ontvan„ „gen had van den Nabab Machmet Alichan, „doch werd wederhouden door de vreeze, dat de „ Engelschen hier over argwaan scheppen zouden, „en had daarom hem Ananda Male/ „gezonden om mij kennis te geeven, dat de „ Engelschen stonden aftekoomen om de stad te „belegeren, en den koning verzocht hadden, henl: „ te assisteeren met volk en leevensmiddelen „ dat zijn Hoogheid zulx geweigerd had, doch „ dat de Engelschen daar op bleeven aandringen. „ Dat de Nabab Mahined Alichan dit zelfde „ook verzocht had bij een brief, waar van hij „ mij een kopij vertoonde, die tot nu toe on„ „beantwoordt was gelaaten; en dat de koning „ raadeloos was, hoe zich hier in te gedraagen, „ alzoo hij gaarne neutraal wilde blijven, „doch dat hij daar door den toorn van de „ Engelschen op zich laaden en zijn land aan „verwoesting bloot stellen zoude, wijl wij „ in het geheel geene macht van volk of „scheepen hadden, om hem te beschermen, en „dat al wilde Hij het er op aan laaten koomen woogen r„ aan 21 vervolg vervolg waar om „koomen de staaten van zijn Rijk daar niet „ zouden willen na luisteren om dat wij geheel geen „ vermogen hadden. Dat zijn koning ten eersten „ une ola aan den Engelschen kollonel en aan den „ koning Samorijn geschreeven had, om de onder„ „neeming teegen koetsiem noch wat uittestellen, „ doch niet wist of hij in dit verzoek zoude slaagen. „ Dat de Sekunde van Ansjengo ook onlangs bij den „koning geweest was, om hem tot de begeerde assis„ „tentsie te beweegen en daar toe aangehaald had, „ dat wij Haider Alichan die 's konings vijand „ was met kruid en lood assisteerden, dat wij te „ meermaalen en noch laast te koeriapulla tegen Beden „den koning vijandigheeden gepleegd hadden, doch „ d' Engelschen noit, en dat zij alleen in staat waaren „ om hem tegen Haider Alichan te beschermen. „doch dat de koning zich niet te min was blij= „ven verschoonen, maar nu te einde raad was, hoe „ zich verder te gedraagen. Jk liet van den brief die de Nabab Mahmet Alichan aan den koning zoude geschreeven hebben eene overzetting neemen door den Eersten Tolk van Jongeren die ik, om dat ze heel kort, is des hier zal insereeren. „ Jk hoore dat de Engelsche troepes opgetrokken „zijn, om de stad koetsiem te vermeesteren; „ uwe Hoogheid word bij deezen verzogt, haar „ te assisteeren met volk, kruid en lood, pro„ „visien het daar om al wa versterkin de resolui
English
Reflections regarding this matter. The writer's opinion and reply. provisions and other necessities, as well as everything required for the capture of that city. I am obliged to Your Highness for the attention Your Highness has shown regarding the dispatch of some troops to Tirnewelij to act against our enemy, by which Your Highness has greatly obliged me to return the service, and Your Highness will experience the proofs thereof in due course. If there is anything of service to Your Highness here, please let me know, as well as the outcome of the undertaking of the English, etc. The Honorable Mr. van de Graaff, who attended the conference, judged with me that it was best for the time being not to let it appear that we were so well informed of all the foregoing, and on that account suspected the prince of partiality, and his message of dissimulation; for then he would have dropped the mask entirely and used no further management, with which he now, as long as he believed himself not yet discovered, had to continue to act at least. Thus, while van Jongeren and Ananda Male were busy with the translation, I drafted my answer to the message in writing, and at the same time an answer for the king to the Nabab, had both translated by van Jongeren, and handed them to the emissary continuation why to hand over in order to prevent all defective or bad reports. The first contained: That I kindly thanked the Balliasarewaddikariakaren for the well-meaning message and warning, and requested him to reassure his Master that everything required for a vigorous defense of this fortress had been done on our part, and I thus hoped to repel with vigor the enemies who might wish to attack us. That I expected of His Highness that on such an occasion he would maintain the strictest neutrality and thus render not the slightest assistance to our enemies, neither with provisions nor men or ammunition; that this was the only means to preserve His Highness's country from disaster, to which he would inevitably expose himself and his country if he chose to abandon neutrality and break the alliance with our Company. That His Highness could rest assured that he would suffer no trouble from Haider Alichan as long as the Dutch Company remained established here, since we would advocate the interests of Trevankoor with the Nabab; but that the king had firmly to reckon continuation. Thus is Trevankoor discovered. that his downfall would soon follow upon ours. The answer which I had drafted to the Nabab's letter, with the request to dispatch it in that manner, contained: That the king stood in a close alliance with the Dutch Company, just as much as with the English Company and with the Nabab, and therefore could choose no side without acting against that alliance. That His Highness had therefore, right from the beginning of the war, declared and promised to both the English and the Dutch that he would remain neutral, and therefore requested that no troops be sent through his country, and no soldiers or war material be disembarked in his country; that he hoped the Nabab would find this equitable, the more so because the king, by breaking the neutrality, would expose his country to disaster. From this Your Right Honorables see what we have to expect from this prince if we are besieged by the English. And although Koetsiem seems well-disposed, the good king of Koetsiem is cordially devoted to us (since he expects from our Company protection against the further oppression of Trevankoor, and possibly, with a change of Yet will have to comply. His dependence on Trevankoor. Remarkable example. times, also his restoration), nevertheless, if it should come to a siege of this city, he would be quite forced, in order to prevent his downfall, to join our enemies, or at least to look on with approval while the besiegers made themselves masters of coolies, rice, and other provisions, as well as all further army supplies in his country. For, besides the fact that the English would use violent means for this which he would not be able to resist, he would be quite forced to this by Trevankoor, on whom he is so dependent that he must accommodate himself to its wishes in virtually all matters, or against whose wishes he at least dares undertake nothing of importance; which has become evident to me only just now during the writing of this, by the following case. A few days before, he had let me know that on this occasion he wished to write a letter to Your Right Honorables and make a request to send ships and men for the rescue of the Mallabaar, and he had already had gilded paper fetched for that purpose; but in the meantime the Prime Minister of Trevankoor (who has now been staying around here for some weeks) arrived at
Dutch transcription
Bedenkingen dien aangaande. des schrijvens gevoelen en antwoord. „visien en andere benodigtheeden, mitsgaders alle „ het geene wat tot het inneemen van die stad „vereischt werd. Ik ben uw Hoogheid verpligt voor „de attentie die uw Hoogheid gebruikt heeft om„ „trend het zenden van eenige manschappen naar „ Tirnewelij om tegens onze vijand te ageeren, waar „door uw Hoogheid mij tot weder dienst groote„ „lijx verpligt heeft en de blijken daar van „zal uw Hoogheid in der tijd ondervinden. Hier „ iets van uw Hoogheids dienst zijnde, gelieve „mij te laaten weeten, als ook den uitslag van „de onderneeming van de Engelschen &=a D' Edele Heer van de Graaff die de konfe„ „rentsie bijwoonde oordeelde met mij best, om voor eerst nog niet te laaten blijken, dat men van al het voorgaande zoo wel geinformeerd was, en den vorst mits dien van een zijdigheid, en zijne boodschap van geveinstheid, verdacht hield, want dan zoude hij het masker geheel afgelegt en geen menagement meer gebruikt hebben, waarmeede hij nu, zoo lange hij geloofde noch niet ontdekt te zijn, ten minsten moest blijven handelen: dus stelde ik, terwijl van Jongeren en Ananda Male met de overzetting beezig waa„ „ren mijn antwoord op de boodschap en teffens een antwoord voor den koning aan den Nabab inge„ „schrifte, liet het een en ander door van Jonge„ „ren overzetten, en aan den zendeling ter hand stellen gen vervolg waar om„ stellen om alle gebrekkige of quaade rapporten te voorkoomen. Het eerste behelsde „ Dat ik den Balliasarewaddikariakaren „ vriendelijk dankte, voor de welmeenende „ boodschap en waarschuwing, en hem ver„ zocht zijnen Meester gerust te stellen, dat „ van onze zijde alles gedaan was wat tot „ eene wakkere defensie van deeze vesting „ vereischt wierd en ik dus hoopte, de vijan„ „den, die ons zouden willen aantasten met „ nadruk te zullen afwijzen. — Dat ik van „ zijne Hoogheid verwachtede, dat hij in zulk „ eene geleegenheid, zich bij de stiptste neutra„ „„liteit zoude houden en dus aan onze vijanden „geen de minste hulpe bewijzen, zoo min met „leevensmiddelen als volk of ammunietsie; dat „zit het eenigste middel was, om zijn Hoogheids „land voor onheil te bewaaren, waar aan hij „zich en zijn land onfeilbaar zoude bloot stellen, „ indien hij de neutraliteit wilde verlaaten en „ het verbond met onze kompanie verbreeken „ Dat zijne Hoogheid gerust kost zijn, dat hij „ van Haider Alichan geen last zoude lijden „ zoo lange de Hollandsche kompanie hier „gezeeten bleef, alzoo wij de belangens van „ Trevankoor bij den Nabab zouden voorstaan „doch dat hij koning vast most reekenen, dat het daar 22 om al wa versterkin de resolui koet Dus vervolg. Dus is Trevankoor ontdekt „dat zijn ondergang op die van ons drâ zoude „volgen. — Het antwoord, het welk ik op 's Nababs brief opgesteld had, met verzoek, om het zelve indier„ „voegen aftevaardigen behelsde: „ Dat de koning met de Hollandsche kompanie „ in eene nauwe verbintenis stond, eeven zoo zeer „als met de Engelsche komp:e, en met den Nabab„ „en overzulx geene partij kost kiezen, zonder „teegen die verbintenis te handelen. Dat zijne „ Hoogheid daarom reets van den beginne van „den Oorlog af aan zoo aan de Engelschen als „Hollanders verklaard, en beloofd had, dat hij „neutraal zoude blijven en daarom ver„ „zocht, dat geene troepen door zijn land ge„ „zonden, en geen krijgs volk of oorlogs tuig „ in zijn land ontscheept wierden dat hij hoop„ „te dat de Nabab dit zoude billijk vinden „te meer, wijl de koning door het ver„ „breeken van de neutraliteit zijn land „aan onheil zoude bloot stellen. - Hier uit zien uwe Hoogedelheeden, wat wij van deezen vorst te wachten hebben, indien wij van de Engelschen beleegerd worden. - En hoewel koetsiem schijnt wel gezint de goede koning van koetsiem ons van har„ „ten toegedaan is, (:wijl hij van onze komp=e bescherming tegen de verdere onderdrukking van Trevankoor, en mogelijk bij verandering van ten Doch zal zich wel moeten voegen zijne afhanklijkheid van Trevankoor merkwaardig voorbeeld. waar om van tijden, ook wel zijne herstelling verwacht:) zoo zoude dezelve echter, indien het tot eene belee„ „gering van deeze stad mogt koomen, wel genood„ „zaakt weezen, tot voorkooming van zijnen ondergang, zich bij onze vijanden te voegen, of ten minsten met goede oogen aan te zien, dat de Beleegeraars zich van koelies, rijs en andere leevensmiddelen mitsgaders alle verdere leger- behoeften in zijn land, Meesters maak„ „ten: want, behalven dat de Engelschen hier toe middelen van geweld zouden gebruiken, die hij niet zoude kunnen te keer gaan: zoo zoude hij hier toe wel genoodzaakt worden, door Trevan„ „koor, van wien hij zoo zeer afhanklijk is, dat hij zich naar deszelfs zin genoegzaam in alle zaa„ „ken moet schikken of tegen wiens zin hij ten minsten niets van belang durft onderneemen het welk mij noch eerst onder het schrijven dee„ te „zes is gebleeken aan het volgende geval. - Hij had eenige dagen bevoorens aan mij laa„ „ten weeten, dat hij met deeze gelegenheid eenen brief aan uwe Hoogedelheeden schrij„s „ven en verzoek doen wilde, om, tot redding van de Mallabaar, schepen en volk te zenden, daar scheep en hij had daar toe reets verguldt papier laaten haalen, doch middelerwijle quam de het eerste Minister van Trevankoor (die zich nu al eenige weeken hier omstreeks ophoudt bij het daar om al wa versterkin 23 de resolui bri
English
letter from the king At Bombai eight more ships from Europe have arrived with troops whereupon reinforcements were sent to kalikut. ships together with 3. snows. with His Highness, with whom he still resides at the time of this writing, and then I received from him a letter, a translation of which is enclosed herewith, in which he requests that the Noble Lord van de Graaff be pleased to do this orally, which request he has since pressed further through a solemn embassy to his Honour: from which I believe I must infer that he has not dared to execute his intention to write directly to Your High Honours, for fear that Trevankoor might discover it and take it amiss. And now I return to our enemies in the realm of the Zamorin and to their actions and further plans. At Bombai, in the month of March, eight more ships, both Company and transport vessels, carrying troops from Europe arrived, whereupon a considerable reinforcement was immediately sent again to kalikut. According to the latest reports, there are currently two warships, seven Company as well as transport ships, and three snows lying there. the number of troops is unknown The number of recently landed troops has not yet become clear to me; those who state two thousand Europeans certainly speak with great exaggeration; one may probably assume half of that. Quite likely, before concluding this letter, I shall receive accurate intelligence, for on this no money is spared, and I shall then append it at the foot hereof. conjecture regarding their intent. Their design appears at first not to be directed against us, which I surmise partly because the bad monsoon is at hand, which would make a siege nearly impossible or at least exceedingly difficult, and partly because they have disembarked their troops so far to the north. Rather, I believe that it is intended to bring relief to their countrymen on the Coromandel coast, who to all appearances are hard-pressed by land and by sea, whether they confine themselves to an incursion into Maisoer and other territories of Haider Alichan, or even venture to penetrate over the mountains into the realm of the Carnatic. It is true, this latter enterprise might appear desperate to many, given the great natural difficulties inherent in it, which become almost insurmountable due to the monsoon, yet it would not seem very strange to me from a people who shrink from nothing, and are currently in a position where they have nothing to spare. their chief design remains to besiege us as soon as possible. until succour arrives, on which the preservation of everything depends. which is demonstrated in the text. However this may be, their firm intention is and remains to besiege koetsiem as soon as possible; the reasons why I maintain this are demonstrated in the secret letter of myself and the Council of the 1st instant and in our secret resolutions of 11. April last, to which I respectfully refer here. In all probability they will begin this in the month of September or October. It is hoped to defend oneself I hope then to be in a position to give the enemies a proper reception and to defend the fortress until the expected succour of men and ships, both from Europe and from Batavia, arrives, upon which the preservation not only of this place, but also of Ceilon and indeed of the whole of the Dutch East Indies, will depend. For although Ceilon has this time been happily preserved solely by the arrival of the French fleet, one cannot rely on it alone in the future, and it is moreover doubtful whether it will be able to hold out against the English by itself once the ships with which Admiral Kempenfelt is expected have joined the fleet of Admiral Hughes; for then the French fleet might be compelled to quit these regions and seek reinforcements at the Islands. Nothing is more certain, in such an untoward event, than that Haider Alichan and the Marattas will make peace at that very moment, and then the entire might of the enemy will fall upon Ceilon and upon koetsiem with a force that we cannot withstand; and if we lose the West of the Indies, the French fleet can no longer remain there, finding no place of refuge or necessary victuals; consequently our enemies could then employ their entire power, which would be further augmented by our losses, against our eastern factories. If, on the contrary, the expected aid should arrive speedily: then it is almost certain that we, together with the French and Haider Alichan, will be able to subdue our enemies. And so long as our fleet and the French fleet are in the West of the Indies, the enemies will not dare to contemplate attacking our possessions in the East, as they must then protect their own establishments, so that a succour of men and ships to the West of the Indies is at the same time the most powerful means to secure and preserve our possessions in the East against our enemies. Herewith I commend Your High Honours and the weighty interests of the Company to God's holy protection and remain with all respect and fidelity, High Noble, Right Honourable, Far-ruling Lord, and Right Noble, Stern Sirs, Your High Honours' most humble and faithful servant. Was signed: J: G: van Angelbeek In the margin: koetsiem, the 2nd of May 1782. Agreed. W: V: Spael Sworn clerk
Dutch transcription
brief van den koning te Bombai zijn weder agt schepen uit Europa gekoomen me troepen waar op versterking gezonden is naar kalikut. scheepen mitgad:s 3. snauwen. bij zijne Hoogheid, bij wien hij zich onder het schrijven dezes ook noch bevindt, en toen kreeg ik van hem eenen brief, waar van de overzet„ „ting hier neevens gaat, waar bij hij verzoekt dat de Edele Heer van de Graaff dit monde„ „ling geliefde te doen, welk verzoek hij zeeder door eene plechtige bezending aan zijn Edele heeft nader aangedrongen: - waar uit ik meene te moeten opmaaken, dat hij zijn voorneemen, om zelve aan uw Hoogedel„ „heeden te schrijven niet heeft durven ter uitvoer brengen, uit vreeze dat Trevan„ „koor daar achter koomen en zulx quaalijk neemen zal. En nu keere ik wederom te rugge tot onze vijanden in het samorijnsche Rijk en tot hunne bedrijven en verdere voorneemens. se Bombai zijn in de maand Maart we„ derom agt zoo kompanies als transport scheepen met troepen uit Europa aangelandt waar op ten eersten wederom eene aanzienlijke versterking naar kalikut gezonden is. - vol„ „gens de Jongste berichten leggen daar thans den, daar leggen 2. oorlogs en 7: komp:s twee oorlogs scheepen, zeeven zoo kompa„ „nies als transport scheepen en drie snauwen het getal der troepen is onbekend Het getal van de Jongst aangebragte troe, „pen is mij tot nu toe niet recht gebleeken de geenen die twee duizend Europeeschen op geeven lee„ „ vermoeden nopens hun toeleg. waar om„ geeven, spreeken zeekerlijk zeer bij vergrooting waarschijnlijk mag men er de helft voorstellen veel licht krijge ik voor het sluiten dezes nauwkeurige berichten (want hier aan word geen geld gespaard /en die zal ik dan aan den voet deezes bedeelen. Hun voorneemen schijnt voor eerst niet tegen ons gericht te zijn, 't geen ik gisse eensdeels, om dat de quaade mousson voor handen is, die de beleegering bij na onmogelijk immers ten uitersten moeilijk, maaken zoude, en anderen deels om dat zij hunne troepen zoo hoog om de noord ontscheept hebben. - Eer geloove ik dat het zelve strekt, om hunnen Landslieden op kormandel, die naar alle waarschijn„ „lijkheid, te lande en ter zee, zeer geprangt worden, wederom lucht te maaken, het zij dat zij zich tot eenen inval in Maisoer en andere landen van Haider Alichan bepaalen, of dat zij zelfs wel bestaan, om over het gebergte tot in het rijk van karnatika door te dringen. Het is waar, dit laaste ontwerp mogt veelen als wanhoopig voorkoomen gemerkt de groote zwaarigheeden, die er van natuur aan vast zijn en door de mous„ „son schier onoverkoomlijk worden, doch mij zoude het niet heel vreemd voorkoomen van een volk dat niets ontziet, en thans om al wa versterkin de resolui in word het al wa 14 hun voornaamste projekt blijft, om ons zoo dra moge„ „lijk te beleegeren. 24 tot dat er sekoers koomt waar van 't behoud van alles afhangt. het welk in den text betoogd word. in 't geval is, om niets te moeten ontzien. — Doch, hoe het hier meede ook gaa, hun vaste voorneemen is en blijft, om koetsiem zoo dra moge„ „lijk te belegeren; De reedenen waarom ik dit vast stelle zijn bij den sekreeten brief van mij en den Raad van den 1=den deezer en bij onze sekreete resoluutsien van den 11. April Jongstleeden, betoogd, waaraan ik mij hier in eerbied gedraage. Naar de meeste waarschijnlijkheid zullen ze dit in de Men hoopt zich te defendeeren maand september of oktober beginnen, Jk hoope als dan in staat te zijn, om de vijanden be„ „hoorlijk te ontvangen en de vesting zoo lange te defendeeren, tot dat het verwachte sekoers van volk en scheepen, zoo uit Europa als van Batavia, opgedaagd. waar van het behoud niet alleen van deeze plaats, maar ook van Ceilon en zelfs van heel Nederlands Jndien, zal afhan„ „gen. Want hoewel Ceilon ditmaal door de aankomst der fransche vloot alleen, gelukkig bewaard is, zoo kan men het doch in het vervolg op haar alleen niet laaten aankoomen, en het is daar bij twijffelachtig, of zij alleen teegen de Engelschen zal bestaan kunnen, wanneer de schepen daar d'Admiraal kampenfeld mede verwacht word, zich met de vloot van Admi„ „raal Hughes gekonjungeerd hebben want als dan zoude de fransche vloot kunnen ge„ „noodzaakt worden, deeze gewesten te verlaaten, en waar om en op d' Eilanden versterking te zoeken, Niets is, in zulk een onverhoopt geval, zeekerder, dan„ dat Haider Alichan en de Maratten op dat zelfde oogenblik vreede maaken, en dan valt d' heele macht van den vijand op Ceilon en op koetsiem aan, met een geweld, dat wij niet we„ „derstaan kunnen, en verliezen wij de West van Jndien, dan kan de fransche vloot daar niet verder koomen, en blijven, als nergens toevlucht of de nodige verversching vindende; gevolglijk kunnen onze vijanden als dan hunne heele macht„ die door onze verliezen noch vergroot zoude zijn, tegen onze oostersche kantooren gebruiken. — komt daar en teegen de verwachte hulpe spoe„ „dig opdaagen: dan is het bij na zeeker, dat wij met de Franschen en Haider Alichan te zaamen onze vijanden te onder kunnen brengen. En zoo lange onze en de fransche vloot om de west van Jndien zijn: durven de vijanden niet in hunne gedachten neemen, om onze bezittin„ „gen om de Oost aan te lasten, wijl ze dan hunne eigene etablissementen bewaaren moeten, zoo dat een sekoers van volk en schepen naar de west van Jndien teffens het kragtigste mid„ „del is, om onze bezittingen om de oost tee„ „gen onze vijanden te beveiligen en te behouden. Hier meede beveele ik uw Hoogedelhee„ „den en de wigtige belangen der Maatschap„ „pije 8 om al wa versterkin de resoluie „pije in Gods heilige bescherming en blijve net alle eerbied en trouwe /onderstond:/ Hoogedele, Groot„ „achtbaare, wijdgebiedende, Heer, en Wel„ „edele, Gestrenge Heeren: uwer Hoogedel„ „heeden onderdanigste en getrouwe dienaar. /was geteekend: J: G: van Angelbeek /:in margine:/ koetsiem den 2: Mai 1782. Akkordeerd. W: V: Spael gezev: klert waar om de resoluii L:a B. om al wa versterkin
English
Apart 25 Batavia To his Right Honourable The Right Honourable, Highly Esteemed, Far-ruling Lord! Mr Willem Arnold Alting! on behalf of the State of the free United Netherlands, and the General Chartered East India Company, Governor-General and The Honourable Stern Lords Councillors of the Dutch Indies. - Right Honourable, Highly Esteemed Far-ruling Lord and Honourable Stern Lords! As the ship has remained here a few days longer, I address this letter to share with Your Right Honours the reports gathered in the meantime. — The English Colonel is named Humbertson and was stationed on the 2nd of this month at Janoer, south of kalikut, with eight hundred Europeans, fourteen hundred sipatis, and a large multitude of Moors and Nairos. At Panane, also south of kalikut, was stationed at that time Major Jeamson with a Captain of the Artillery, six subaltern officers, and two hundred sipatris. — In settua lies a European commander with fifty Joepas. — At Papanganware, one mile from settua, lie two European officers and two hundred sipatris. — At kalikut, owing to the absence of Major Abington, the command is held pro interim by Captain Lindrolan: the garrison consists of seven hundred Europeans and two hundred sipatris. — In addition to this, there have arrived these days with the ships from Bombai, five hundred Europeans, including three hundred sixty Scottish Highlanders, and fourteen hundred sipatris. — This news is of very good authority, yet it cannot be so precise regarding the number of officers and privates that some error may not reside in it, though this will not be great, and consequently the military force of the enemies in our vicinity can with the greatest probability be estimated at: 2000 Europeans and 3500 sipatis and Goepassen together, 5500, excluding the artillerymen, of whom I have not been able to obtain an accurate account. Of the ships off kalikut, the five largest have departed to the south, probably to reinforce the fleet of Admiral Hughes; I have therefore immediately informed the French Admiral [illegible] 26 Admiral Suffren, and at the same time extensively communicated the above to the Nabob Haider Alichan. I have also previously written in detail to the French commissioner in the Nabob's army, Mr Piveron, and to the colonel of the French Corps in Haider's service, and pointed out how necessary it is to offer resistance to the enemies in the Zamorin's country, wherein I have also not failed to argue how much the Lord Nabob and the French fleet depend on the preservation of Koetsiem, so that they may come to our aid in the event of a siege. — The remaining transport ships were preparing to return to Bombai, and the troops were to spend the winter in the vicinity of kalikut. Your Right Honours can see from this the situation in which we currently find ourselves; and that it is highly probable that such a considerable military force (which can at any moment reinforce itself with many thousands of Nairos and Moors, and to which Trevankoor can also add some thousands) has been left in our vicinity, chiefly with the intention of attacking us as soon as possible. — We shall therefore redouble our zeal in strengthening this place, and employ everything possible toward that end. The garrison seems to be in good spirits and determined to make a brave defence, and I hope that every one, as an honest man, will do his duty. — I have the honour with all respect and fidelity to be, Right Honourable, Highly Esteemed, Far-ruling Lord! and Honourable, Stern Lords: Your Right Honours' most humble and faithful servant was signed: J: G: van Angelbeek in the margin Koetsiem the 5th of May 1782. Agreed J: Paels Sworn clerk Letter C. [illegible] Secret Resolution taken in the Council of Mallabaar at the city of Koetsiem Tuesday the 22nd of January 1782. Present The Honourable Esteemed Lord Commander and Supreme Ruler Johan Gerard van Angelbeek The Honourable Lord Senior Merchant, Second, and Chief Administrator Reinier van Harn The Honourable Major and Head of the Militia Fredrik von den Busch The Honourable Merchant, Fiscal, and Cashier Mr Nikolaas Wendelin Beits. The Honourable Junior Merchant and Warehouse Master Ian Lambertus van Spall, The Honourable Junior Merchant and Pay Bookkeeper Coenraad George Seijffer The Honourable Junior Merchant and Purveyor Abraham Jean Scipion Vernede The Honourable Junior Merchant Willem van Haeften, and The Honourable Junior Merchant and Secretary of Police Iohan Andries Daimichen Upon the receipt of news that the English at Tellitscheri, reinforced by three hundred Europeans and three battalions of Sipahis from Bombai, and through a secret understanding with the Nairos of the Zamorin, Kolatte, and Kolastri, made a sortie during the night between the 7th and 8th of this month and surprised and defeated the army of the Nabob Haider Alichan, under the command of his General Sardarchan
Dutch transcription
Apart 25 Batavia Aan zijne Hoogedelheid Den Hoogedelen, Grootachtbaaren, wijdgebiedenden Heer! M:r Willem Arnold Alting! van wegen den staat der voije vereenigde Nederlanden, en de Generaale geoktroieerde Oost-indische kompanie, Goeverneur Generaal en De Weledele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlands Jndiën. - Hoogedele, Groot achtbaare Wijdgebieden de Heer en Weledele Gestrenge Heeren! Wijl het schip noch een paar dagen is blijven leggen, zoo richte ik deeze, om aan Uwe Hoogedelheeden de middeler wijle verzaamelde berichten te bedeelen. — De Engelsche Kollonel heet Humbertson en lag den 2=de dezer te Janoer, bezuiden kalikut met agt hon„ „derd Europeeschen, veertienhonderd sipatis, en een Groote meenigte Mooren en Nairos. Ge waar om„ Te Panane, mede bezuiden kalikut lag toen de Majoor Jeamson met een kapitain van d' Artillerij, ses su„ „balterne Officiers en twee honderd sipatris. — Jn settua legt een Europeesche kommandant met vijftig Joepas. — je Papanganware een mijl van settua leggen twee Europeesche officiers en twee honderd sipatris. — je kalikut voerd, mits absentsie van den Majoor Abing„ „ton, pro interim het kommando de kapitain Lindrolan: het garnisoen bestaat uit zeeven honderd Europeeschen en twee honderd sipatris. — Hier bij zijn deezer dagen met de scheepen van Bom„ „bai aangekoomen, vijf honderd Europeeschen en daar onder drie honderd sestig Bergschotten en veertien honderd sipatris. — Deeze tijding is van zeer goeder houd, echter kan ze zoo nauwkeurig niet zijn omtrend het getal van offi„ „ciers en gemeenen, of 'er kan wel eenig abuis in resideeren, doch dit zal niet groot zijn, en dienvolgen# „de kan men de krijgsmacht der vijanden in onze buurt met de meeste waarschijnlijkheid stellen op. 2000. Europeeschen en 3500. sipatis en Goepassen te zaamen 5500 buiten de Artilleristen waar van ik geene nette opgave hebbe kunnen mach„ „tig worden. van de scheepen voor kalikut zijn de vijf grootsten naar de zuid vertrokken, denkelijk om de vloot van Admiraal Hughes te versterken; jk hebbe dus daar van ten eersten bericht gegeeven aan den Franschen Admiraal het daar om al wa versterkin de resoluii 26 Admiraal Suffren en teffens den Nabab Haider Ali„ „chan het bovenstaande omstandig bedeeld. ook hebbe ik bevoorens reets aan den franschen kommissaris in 's Nababs Leger M.:r Piveron, en aan den kol„ „lonel van het fransche Corps in Haiders dienst omstandig geschreeven en aangetoond, hoe noodzaak„ „lijk het is, om de vijanden in het samorijnsche land tegenstand te bieden, waarbij ik ook niet verzuimd hebbe te betoogen, hoe veel den Heer Na„ „bab en de fransche vloot aan 't behoud van Koetsiem geleegen legt, om ons in val van beleegering te hulp te koomen. — De overige transport schepen maakten zich gereed om naar Bombai te rug te keeren, en de troepen zouden omstreex kalikut overwinteren. uw Hoogedelheeden zien hieruit, in wat situaatsie wij ons tegenwoordig bevinden; en dat het ten hoogsten waarschijnlijk is, dat zulk een aanzienlijke krijgs„ „macht (die zich alle oogenblikken met veele duizend Nairos en Mooren kan versterken, en waarbij Trevan„ „koor ook eenige duizenden kan voegen / in onze buurt gelaaten worde, voornaamlijk met het oogmerk om ons, zoo dra mogelijk, aan te tasten. — Wij zullen derhalven onzen iever in het versterken deezer plaatse verdubbelen, en daar toe, al wat moge„ lijk is; aan wenden. Het garnisoen schijnt wel gemoet en tot een dappere verdeediging gedetermineerd te zijn, en ik hoope, dat een iegelijk als een eerlijk Man zijne plicht zal doen. — Jk hebbe de eere met alle eerbied en trouwe te zijn ach„ waar om zijn /:onderstond:/ Hoogedele, Groot achtbaare, wijd ge„ biedende Heer! en weledele, Gestrenge Heeren: uwer Hoogedelheeden onderdanigste en getrouwe dienaar /:was getekend:/ J: G: van Angelbeek /:in mar„ „gine/ Koetsiem den 5. ' Mai 1782. Akkordeerd n :J: Paels Gezue: klerk L:a C. het daar om al wa versterkin de resolui Behaal al Schreete Resoluuitsie de Engelschen op s Nababs lee„ ger voor Tallitscheri Dingsdag den 22. ' Januari 1782. Prezent De weldele achtb: Heer kommandeur en oppergebieder Johan Gerard van Angelbeek De E: Heer opperkoopman Sekunde en Hoofd administrateur Reinier van Harn De E: Majoor en Hoofd der Milietsie Fredrik von den Busch De E: koopman Fiskaal en Kassier M=r Nikolaas wendelin Beits. De E: onderkoopman en pakhuismeester Ian Lambertus van Spall, De E: onderkoopman en soldij Boekhouder Coenraad George Seijffer De E: onderkoopman en Dispencier Abraham Jean Scipion vernede De E: onderkoopman Willem van Haeften, en De E: onderkoopman en sekretaris van Polietsie Iohan Andries Daimichen Op de bekoomene tijding, dat de Engelschen te Tellitscher Behaalde overwinning door versterkt door drie honderd Europeeschen en drie battal„ Jons Sipahis van Bombai, en door geheime verstand„ „houding met de Nairos van Samorijn kolatte en kolastri snachts tusschen den 7=e en 8=ste deezer een uitval gedaan en het Leger van den Nabab Haider Alichan, onder bevel van zijnen Generaal Sardarchan overvallen ge„ genoomen in Raade van Mallabaar ter steede Koetsiem slaagen
English
Tuesday 22 January 1782. had defeated and entirely destroyed, and since made an attempt upon the country of the Zamorin in order to restore the old princes of the Zamorin's land, who had been driven out by the aforesaid Nawab and had since been hiding in Trevancore, back to their hereditary realm, without doubt with the political objective of thereby binding the inhabitants to themselves and the better to secure for themselves the supreme authority over all things, was submitted to the consideration of the Members by the Lord Commander in this assembly expressly convened for that purpose. That this unexpected revolution was very detrimental to the interests of the Honourable Company on this coast, as her enemies, the English, were thereby about to become masters of the whole Zamorin's Empire, and without doubt also of the lands of Chetwai, Pappinivattom, and Cranganore recently occupied by the Nawab Hyder Ali Khan, from whence they would be able to attack the Company's possessions with much less trouble and greater success than previously, when they would have been obliged to undertake a landing somewhere here in the vicinity for that purpose; and that in particular Fort Cranganore would then run great danger of being lost, as it lies on the borders of the last-mentioned lands; for although the same might rightly be called strong against an indigenous enemy who did not know how to make proper use of artillery in a siege, it would nevertheless not be able to defend itself for long against a European enemy, being, to say nothing of other defects, of so small a circumference and so densely built up that it could be forced to surrender by a few bombs; and furthermore, the circumstances of this principal fortress of Cochin, with regard to the strength of the garrison and the supply of powder and further ammunition, did not permit reinforcing the repeatedly mentioned Fort Cranganore with as many men, and supplying it with as much artillery, powder, and further war provisions, as would necessarily be required for a vigorous defence; which besides also did not seem advisable, because the repeatedly mentioned fort, for the reasons aforementioned, no matter how abundantly it might still be supplied with everything, would nevertheless have to surrender, and one would thus also lose the men and the presently so costly ammunition. Whereupon, having maturely deliberated, it was unanimously approved and resolved to leave Fort Cranganore for the present garrisoned on the current footing, as it was not yet certain whether the new conquerors would not first attempt to wrest back the country of Kolastri, which had also been conquered some years ago by the repeatedly mentioned Nawab, and in the meantime a change might very well occur through the appearance of the French fleet; but if it should be perceived that the enemy was advancing down towards this side and had the intention to attack the repeatedly mentioned Fort Cranganore, to abandon the same in good time, and at the same time also to evacuate Ayacotta, in order not further to weaken the Company's military force and war supplies through dispersal, at the risk of losing all by wanting to retain all. And to that end it was further resolved to send two gamels to Cranganore and one to Ayacotta, in order to send the cannon and ammunition hither therewith upon the first order. Furthermore, the Lord Commander communicated that at the same time that these revolutions of the Zamorin's country occurred, he had received report from the Chief of Quilon by letters of the 9th and 11th of this month that the English were also scheming to restore the Zamorin Princes to their realm, and to that end had made offers to them through the interpreter of Anjengo, with the promise that English troops would march from Palayamkottai through the country of Trevancore to escort them to their land; that, although the latter part of this news, the march of English troops from Palayamkottai through the country of Trevancore, did not appear very probable, as according to the latest reports from Tuticorin not many troops were stationed at Palayamkottai and Tirunelveli, His Honour had nevertheless deemed it expedient to address the King of Trevancore on this matter and to dissuade him in serious terms from granting permission for such passage, by a letter of the 19th of this month, the draft of which being reviewed in Council was found to read as follows: To the King of Trevancore. Rumours have been circulating here for some time that troops of the English or of the Nawab Muhammad Ali Khan will march from Palayamkottai and Tirunelveli through Your Highness's country to the north; and although I do not wish to believe that Your Highness will permit this, as such would be contrary to neutrality and to the express
Dutch transcription
Dingsdag den 22. Januari 1782. en hun desseinen omtrend dat een nadeelig schijn voor ons geeft waar om steld „slaagen en ten eenemaal vernield hadden, en zeder toeleg het land van den sammorijn maakten om de oude vorsten van het Samorijnsche land die door voorm Nabab verdreeven waaren en zich zeeder in Trevankoor Schuilhielden wederom in hun Erfrijk te herstellen, buiten twijfel met 't staatkun„ „dige oogmerk, om daar door de Jngezeetenen aan zich te verbinden, en zich zelven van het opperste gezagh over alles te beeter te verzeekeren werd door den Heer kom„ „mandeur in deeze daar toe expres belegde vergadering aan de Leden in overweeging gegeven. Dat deeze onverwachte staat wisseling zeer nadeelig was voor de belangen der E: komp: op deeze kuste, alzoo haare vijanden, d'Engelschen, daar door stonden Meesters te wor„ „den, van het heele Samorijnsche Rijk, en buiten twijfel ook van de Jongst door den Nabab Haider Alichan geokkupeerde landen van Settua, Paponettij en kranganoor, waar van daan zij skomp=s bezittin„ „gen met veel minder moeite en meer sukces zouden kunnen aantasten dan voorheen, toen zij genoodzaakt zouden geweest zijn, daar toe eene landing hier ergens in de buurt te onderneemen, en dat inzonderheid het en krangenoor ingevaar Fort kranganoor als dan groot gevaar zouden loopen besluit van verlooren te gaan, als leggende op de limieten 2n Julij ^stand van de laast gemelde Landen, want dat het zelve, hoe„ wel het daar om al wa versterkin de resoluie Dingsdag den 22 Januari 1782. indien tegenwoordigen „stand te laaten „wel het teegen een inlandschen vijand met recht sterk genoemd mogt worden, die geen behoorlijk gebruik van d' Artillerij in beleegering wist te maaken, zich echter niet lange zoude kunnen verweeren teegen een Europee„ „schen vijand, als zijnde /:om van andere gebreeken te zwij„ „gen:/ zoo kleen van omtrek en zoo digt bebouwd, dat het door weinig bommen tot de overgaave zoude kunnen ge„ „noodzaakt worden, en e aar en booven de omstandighee„ „den van deeze Hoofdvesting koetsiem, met betrekking tot de sterkte van de Milietsie, en tot den voorraad van het kruit en verdere ammunietsie niet toeliet om het meermelde Fort Kranganoor met zoo veel volk te versterken, en van zoo veel Artillerij, kruit en verdere oorlogs behoeften te voorzien, als tot eene vigoureuse defensie noodzaaklijk zoude vereischt wor„ „den het welk buiten des ook niet raadzaam scheen door dien het meermelde fort, om reeden voormeld onaangezien het zelve noch zoo ruim van alles mocht voorzien zijn, zich doch zouden moeten overgeeven en men dus het volk ende thans zoo kostbaare ammuniet„ „sie meede zoude quijt raaken Waar op rijpelijk gedelibereerd zijnde, zoo werd met besluit dat Fort als noch een paarige stemmen goedgevonden en verstaan, het fort Kranganoor, voor eerst wel op den teegenwoor„ „digen Dingsdag den 22: Januari 1782. „king van den vijand het zel„ „de te abondonneeren. door Nevenkoors land te trekken „digen voet bezet te laaten, door dien 't noch niet zeeker was, of de nieuwe overwinnaars niet eerst zouden trach„ „ten het land van kolastri het welk meede voor eenige Jaaren door den meermelden Nabab overmeesterd was, hem wederom te ontweldigen, en er middelerwijle veel licht door de verscheining van de fransche vloot veran„ doch bij herwaards afzak. „ dering koomen kost, doch wanneer bespeurd mocht worden, dat de vijand naar deezen kant quamen af„ „zakken en het voorneemen hadde om het meermel„ „den fort kranganoor aan te tasten, het zelve als dan bij tijds te abandonneeren, en ter zelver tijd ook Aikotte te verlaaten, ten einde skomp:s krijgsmacht en oorlogs voorraad, door verdeeling niet meer te verzwakken, met gevaar om alles te verliezen door alles te willen behouden - En werd tot dat einde verder beslooten, naar kranganoor twee gamels te zenden, en naar Aikotte een, om daar meede op de eerste order de kanons en ammunietsie herwaards te zenden: Voorts kommuniceerde de Heer kommandeur dat hij ter zelver tijd dat deeze omwentelingen van 't Samorijnsche was voorgevallen, van het opper„ Engelsche bewoegingen om „ hoofd van koilang bericht ontvangen had bij brie„ „ven van den 9=de en 11=e deezer, dat de Engelschen daar meede omgingen om de Samorijnsche Prinsen in hun Rijk al1e waar om de resolui om deur brief door Dingsdag den 22. Januari 1782 deur aan Trevankoor gesch om zulx te verhinderen Rijk te herstellen en daar toe aan dezelven, door den Tolk van Ansjengo aanbieding gedaan hadden, met belofte, dat van Paleamkotta, door het land van Tre„ „vankoor, Engelsche troepen zouden optrekken, om hen lieden naar hun land te geleeden, dat, of schoon 't laatste gedeelte deezer tijding de opmarsch van Engelsch krijgs„ „volk van Paliamkotta door het land van Trevankoor niet zeer waarschijnlijk voorkwam, door dien volgens de laaste berichten van Tutukorijn te Paleam en Tirne„ „velli niet veel troepen laagen, zijn Achtb echter had dienstig geoordeeld, den koning van Trevankoor daar over te onderhouden, en van het geeven van verlof tot dier „gelijken doortocht in ernstige termen aftemaanen, bij brief door den Heer komman, een brief van den 19=de deezer, waar van het opstel in Raade gerezumeerd zijnde, bevonden werd aldus te luiden Aan den Koning van Trevankoor De geruchten loopen hier zeeder eenigen tijd dat van Palleamkotta en Ternevellij krijgsvolk van de Engelschen of den Nabab Mahmed Alichan door het land van uwe Hoogheid zullen marchee„ „ren naar de noord; en hoewel ik niet wil gelooven, dat uwe Hoogheid dit zal toestaan, door dien zulx strijden zouden met de neutraliteit, en met de uit„ „druk„
English
Tuesday the 22. January 1782. approval of the Members regarding this why express promise of your Highness, I am nevertheless obliged to confer with your Highness on this matter, as these rumors are growing daily and are almost general, even the places being named where those troops will pass; I therefore request your Highness, for the preservation of friendship, to reassure me by your high answer regarding this, for if your Highness were to grant passage through your country to any troops of Mahmed Alichan or the English, as long as we are at war with them, or even merely allowed it under compulsion under whatever pretext it might be, yes, even if it were under the promise that this would not be directed against our Company, such would be regarded by our Company as an act of partiality, whereby your Highness would break the friendship that he is obliged to maintain with us according to the treaties. Whereupon, deliberation having been held, it was approved and agreed to conform fully therewith. Considering that by the previously cited change of affairs in the Samorin's country, and by the failure of the French fleet to arrive, the likelihood increases that the enemies might still in this monsoon decide upon a siege of this fortress, especially if the almost general rumors of peace with the Marathas should prove true, it was approved and agreed upon the proposal of the Lord Commander to now give effect to the clearing of the environs of this fortress provisionally decreed by secret resolution of the 25th September last, and thus to have the structures on the shipyard torn down, except for the dwelling house and the one shed under which the laborers work, which, being erected solely of wood and olas, can be destroyed by fire in a moment, and furthermore to have demolished all houses and gardens on this side of the bridge and brook of Mattanscheeri, in a straight line up to the great sacrificial tree, and furthermore the houses and structures of the so-called Canarese Bazaar and standing in the Pagodienjes, along with the trees, fences, and shrubs, but to leave the bridge of Mattanscheri intact for the time being, to maintain the necessary communication with that suburb and the Jewish quarter lying behind it. Thus Done, Resolved, and Decreed, in the Council of Malabar, in the city of Cochin, on the day, month, and year aforesaid. Signed: I: G: van Angelbeek; R: v: Harn; F: v: d: Busch; N: W: Beijts; I: L: v: Spall; C: G: Seijffer; A: J: S: Vernede; W: v: Haeften, and I: A: Daimichen. Tuesday the 22. January 1782. Agreed Adriaan Portvliek First clerk Secret Resolution taken in the Council of Malabar in the city of Cochin. Report that the English have captured Kalikut, Settua, and Paponetti. Monday the 18th February 1782. Present: The Right Honorable Lord Commander and Chief Ruler Iohan Gerard van Angelbeek, The Honorable Senior Merchant, Second, and Chief Administrator Reinier van Harn, Major and Head of the Militia Fredrik von den Busch, The Honorable Merchant, Fiscal, and Cashier Mr. Nikolaas Wendelen Beits, The Honorable Junior Merchant and Warehouse Master Jan Lambertus van Spall, The Honorable Junior Merchant and Pay Bookkeeper Coenraad George Seijffer, The Honorable Junior Merchant and Provision Master Abraham Jean Scipion Vernede, The Honorable Junior Merchant Willem van Haeften, and The Junior Merchant and Secretary of Police Iohan Andries Daimichen. After the conclusion of ordinary business, mentioned in today's common resolution, the Lord Commander made known that his Honor, having received report yesterday afternoon from all sides that the English had captured Kalikut, that the Nabob's troops had fled from the fortress Settua and from Paponetti, and that the enemies had already taken possession of those places, had immediately sent vessels to Aikotte and Kranganoor, in order to retreat hither upon the approach of the enemies pursuant to the secret resolution of the 22nd January last: so it was approved and agreed after mature deliberation to conform with this measure, and for further clarification of the order given for the departure, to write to the servants at Kranganoor: That, in that order for departure, it is assumed as firm and certain that the enemies would otherwise capture the fort by force, and that therefore no haste needs to be made with the execution thereof in case the servants, from the particular circumstances that cannot be foreseen or known here, might perceive that for the present there was as yet no fear of that, and that in such a case the private effects and whatever creates the most encumbrance ought to be shipped away beforehand, but the cannons and ammunition should still be retained until one shall further perceive what the enemies have in mind with respect to Kranganoor; and that one will be able to decide upon this with all the more reassurance if one is assured that among the
Dutch transcription
Dingsdag den 22. Januari 1782. goedkeuring van de Leden dien aangaande waar om „drukkelijke belofte van uw Hoogheid, zoo ben ikechter verpligt om uwe Hoogheid hier over te onderhouden besluit wijl die geruchten dagelijks grooter worden en schier deeze volg algemeen zijn, wordende zelvs de plaatzen genoemd, daar die troepen zullen passeeren; Ik verzoek derhal„ „ven uwe Hoogheid, tot konservaatsie van de vriend„ „schap, om mij bij hoog desselvs andwoord hier omtrent gerust te stellen, want indien uwe Hoogheid aan eenig krijgsvolk van Mahmed Alichan of de Engelschen zoo lange wij met hen in oorlog zijn, den doortocht door uw land vergunde of zelvs maar als gedwongen toeliet onder wat voor een protext het ook zijn mogt, Ja al was het zelvs onder de belofte, dat dit niet teegen onze kompanie zoude strekken zo zoude zulx bij onze kom„ „panie aangemerkt worden, als eene daad van partij„ schap, waar door uwe Hoogheid de vriendschap ver: „breeken zoude, die hij verpligt is volgens de traklaaten met ons te onderhouden Waar op gedelibereerd zijnde, zoo werd, goedgevonden en verstaan, zich daar meede ten vollen te konformeeren Aangezien door de voorwaards aangehaalde staat wil„ „seling in 't Samorijnsche land, en door het uitblijven van de fransche vloot, de apparentsien toeneemen, dat de vijanden noch in deeze Mousson tot eene beleegering van doch bi „king omalie versterk. de resolui Engel Dingsdag den 22. Januari 1782. besluit om de emirons van deeze stad te laaten opruimen volgens besluit van den 25 sep: J:o leeden van deeze vesting mogt besluiten, voor al indien de schier algemeene geruchten van den vreede met de Maratten mogten waar weezen zoo is op de proposietsie van den Heer kommandeur goedgevonden en verstaan de bij sekreete resoluutsie van den 25ste September Jongst leeden provisioneel gearresteerde opruiming van de emvirons deezer vesting, als nu te laaten gevolg neemen, en dus de opstallen op de scheepstimmer„ „werf te laaten weg breeken, op het woonhuis en de eene loots na, waar onder het volk staat te arbeiden, die eenelijk van hout en olas opgeslaagen zijnde, in een openblik tijds door het vuur kunnen vernield worden, en voorts alle huizen en tuinen, aan deeze zijde van de brugge en spruit van Mat¬ „tanscheeri, in een rechte lijn, tot aan de groote offerboom en voorts de huizen en opstallen van de zoogenaamde kannarijn„ „sche Bazaar en in de Pagodienjes staande, met de boomen, heining en struiken te laaten sloo„ „pen, doch de brugge van Mattanscheri voor eerst nog in weezen te laaten, tot onderhouding van de noodige kommunikaatsie met die voor„ „stad en de daar achter leggende Jooden buurte Aldus chte houden hier hal„ Aldus Gedaan, Geresolveerd en Gear: „resteerd, in raade van Mallabaar, ter steede Koet„ „siem ten daage maand en Jaare voormeldt /:was getekend:/ I: G: van Angelbeek; R: v: Harn; F: v: d: Busch; N: W: Beijts; I: L: v: Spall; C: G: Seijffer; A: J: S: vernede: W: v: Haeften en I: A: Daimichen Dingsdag den 22. Januari 1782. Akkordeerd Adriaan Portvliek Eg klerk L„r E „king dan om ali versterk waar om de resolu„ gr tijve plik Bericht Sehreete Resoluuisie Bericht dat de Engelschen tij vermeestert hebben. Deweledele Acht: Heer kommandeur en Oppergebieder Iohan Gerard van Angelbeek, De E: Heer opperkoopman, sekunde en Hoofd administrateur Reinier van Harn. Majoor en Hoofd der Milietsie Fredrik von den Busch, E: koopman, Fiskaal en kassier M=r Nikolaas wendelen Beits, de E: onderkoopman en pakhuismeester Jan Lambertus van Spall, de E: onderkoopman en soldij Boekhouder Coenraad George Seijffer, de E: onderkoopman en Dispencier Abraham Iean Scipion vernede, De E: onderkoopman Willem van Haeften, en „ 6: P=s onderkoopman en sekretaris van polietsie Iohan Andries Daimichen Na het afloopen van de gewoone zaaken, bij de gemeene resoluutsie van heeden vermeldt, gaf de Heer Komman„ „deur te kennen, dat zijn Achtbaare gisteren na mid„ kalikoet, settua en aponet, „ dag van alle kanten berecht gekreegen hebbende, dat de Engelschen kalikut vermeesterd hadden, dat 's Na„ „babs volk uit de Fortres Settua en van Paponet„ „ti gevlucht was, en dat de vijanden reets van die Maandagh den 18=en Februari 1782. Present genoomen in Raade van Mallabaar ter steede Koetsiem plaatsen op Maandagh den 18=de Februari 1782. de Heer kommes heeft op die tijding ten eersten orders naar kranganoor en Rikotte gezonden. nadere deliberaatsie omtrend kranganoor plaatsen bezit genoomen hadden, ten eersten vaartui„ „gen naar Aikotte en kranganoor gezonden hadde, om ingevolge sekreete resoluutsie van den 22:' Januari Jongstl bij aannadering van de vijanden, naar herwaards te retireeren: zoo is na rijpe deliberaatsie goedgevonden en verstaan, zich met deeze bestelling te konformeeren, en tot nadere opheldering van de gegeevene order, tot de opbraak aan de Bedienden te Kranganoor, aan te te schrijven: Dat, bij die order tot de opbraake, als vast en zeeker verondersteld word, dat de vijanden het Fort anders met geweld vermeesteren zouden, en dat der„ „halven met de uitvoering van dezelve geen hast diend gemaakt te worden, ingevalle de Bedienden, uit de bezondere omstandigheeden, die men hier niet voor„ „zien of weeten kan, mogten bespeuren, dat daar voor vooreerst noch niet te vreezen waare, en dat in zulk een geval de partikuliere goederen en 't geen den meesten omslag maakt, voor af dienen afgescheept, doch de ka„ „nons en ammonietsie noch aangehouden te worden, tot dat men nader bespeuren zal, wat de vijanden met opzicht tot Kranganoor in hun schild voeren; en dat men hier toe met te meerder gerustheid zal kunnen besluiten, als men verzeekerd is, dat zich bij de omalie versterk. waar om de resolui
English
Monday the 18th of February 1782. as also around Aikot, the Nairs and Moors, who have taken possession of Settua and Paponetty, have no English troops and no heavy artillery among them, and that the officials should therefore investigate these particular circumstances with the utmost accuracy and take their measures accordingly. Lastly, upon the proposal of the Lord Commander, it was approved and agreed to authorize and instruct the chief, Cellarius, by outgoing letter, to prescribe to the commandant of Aikotte, according to how he shall find matters, whether he shall proceed with the shipping off of the cannon or await further orders; and it was simultaneously resolved to write what is necessary regarding this to the last-mentioned commandant. Thus done, resolved, and decreed in the Council of Malabar at the city of Cochin on the day, month, and year aforementioned. Was signed: J: G: v: Angelbeek, R: v: Harn, F: von den Busch, N: W: Beijts, I: L: v: Spall, C: G: Seijffer, A: J: S: Vernede, W: v: Haeften, and I: A: Duimichen. Agreed. Adriaan Poolvles, First Clerk. Secret Resolution. Tuesday the 19th of February 1782. Present: The Right Honorable Lord Commander and Chief Ruler Johan Gerard van Angelbeek, The Honorable Senior Merchant, Second, and Head Administrator Reinier van Harn, The Honorable Major and Head of the Military Fredrik von den Busch, The Honorable Merchant, Fiscal, and Cashier Master Nicolaas Wendelin Beijts, The Honorable Junior Merchant and Warehouse Keeper Jan Lambertus van Spall, The Honorable Junior Merchant and Pay Bookkeeper Coenraad George Seijffer, The Honorable Junior Merchant and Purveyor Abraham Jean Scipion Vernede, The Honorable Junior Merchant Willem van Haeften, and The Honorable Junior Merchant and Secretary of the Political Council Johan Andries Duimichen. In this meeting specially convened for that purpose, the Lord Commander announced that all the reports received from the north since yesterday, after the adjournment of the meeting, agreed that Settua and Paponetty had been taken possession of solely by the country people of the Zamorin, without any English troops having been observed thereabouts until now; as also that a detachment of the Lord Nabob, Hyder Ali Khan, consisting of eight thousand men, both infantry and cavalry, had arrived at Palakkad with the intention of marching to Calicut and retaking the same, wherefore one might safely assume that Fort Cranganore and the post of Aikotta were hitherto in no great danger, because the people of the Zamorin alone, or without English troops, were not capable of undertaking anything against them with success, especially if everything were placed under proper order and the command over the military were entrusted to a capable and experienced officer. Whereupon, after deliberation and taking into consideration that the principal reason why the evacuation of Cranganore and Aikotta was provisionally resolved did not presently exist, and that those posts consequently ought to be retained and defended, it was now, in accordance with the secret resolution of the 18th of this month, further approved and agreed with unanimity of votes not to abandon Cranganore and Aikotta for the present, but rather to defend them against native enemies with all vigor; and to that end, upon the further proposal of the Lord Commander, it was approved and agreed to entrust the command over the military at Cranganore to Lieutenant Justinus Andreas Nachtrab, and at the same time to send Ensign Andre thither to perform his duty there until such time as the Ceylon company shall depart from here. Seeing that the whole company of Chegos of Cranganore, according to the letter of the Honorable Cellarius of yesterday, has run away with its officers and guns and weapons, without doubt in order now to settle again in their villages that have been wrested from the Nabob, and there is reason to think that the two other companies of Chegos will also endeavor to return to their native villages: so it was approved and agreed, upon the proposal of the Lord Commander, to send the company of Sepoys of Fakir Mahomed thither again, and to have the two remaining companies of Chegos questioned as to whether they are inclined to serve further, adding that whenever they have to do duty here in Cochin they shall enjoy one parra of rice per month with their pay, and that those who do not wish to serve may simply hand over their weapons and will immediately be discharged. Thus done, resolved, and decreed in the Council of Malabar at the city of Cochin on the day, month, and year aforementioned. Was signed: J: G: van Angelbeek, R: van Harn, F: von den Busch, N: W: Beijts, I: L: van Spall, C: G: Seijffer, A: J: S: Vernede, W: van Haeften, and I: A: Duimichen. Agreed. Adriaan Poolvles, First Clerk.
Dutch transcription
Maandagh den 18=e Februari 1782. zoo meede omtrend, Aikot„ de Nairos en Mooren, die Settua en Paponettij in be„ „zit genoomen hebben, geene Engelsche troepen en geen zwaar geschut bevinden en dat de Bedienden der„ „halven deeze bezondere omstandigheeden op het nau„ „keurigste dienen uit te vorschen, en daar na hun„ „ne maatregelen te neemen. Laastelijk is noch op de proposietsie van den Heer kommandeur goedgevonden en verstaan, het opperhoofd, Cellarius, bij afgaand schrijven te autoriseeren en te gelasten om naar maate hij de zaaken bevinden zal, aan den kommandant van Aikotte voor te schrijven, of hij met den afscheep van het kanon zal voortgaan, dan wel nader order afwachten; en is teffens beslooten, hier van ook het noodige aan laast gemelden kommandant aante schrijven Aldus Gedaan, Geresolveerd en Gearresteerd in Raade van Mallabaar ter steede Koetsiem ten daage, maand en Iaare voorm /:was getve:/ J: G: v: Angelbeek R: v: Harn; F: von den Busch; N: w: Beijts; I: L: v: spall, C: G: Seijffer; A: J: S: vernede; w: v: Haeften en I: A: Daimichen Akkordeerd Adriaan Poolvles Egklerk. ƒ te La C wa de l alleen landvol Tettua Dekreete Resoluuitsie Pettua en Paponettij zijn„ Dingsdag den 19 Februarij 1782 Present De Welede Achilb Her komanduren oppergeleder Johan Gerard van Angelbeek, De E Her opperkoopman sekuende en Hoofd adminstrateur Reinier van Harn, De E Major en Hoofd der Militsie Fredrik von den Busch, De E: Kkoopman, Fiskaal en Kassier M:r Niholaas Wendelin Beijts, De E: Onderkoopman en Pakhuismeester Ian Lambertus van Spall, E:' Onderkoopman en soldij Boekhouder Coenraad George Seijffer, E Onderkoopman en Dispencier Abraham Jean Saipion, Vernede, E: Onderkoopman Willem van Haeften, en d Onderkopman en sekrelars van Polithe Johan Andries Duimichen In deeze expres daar toe gekonvoceerde vergadering gaf de heer kommandeur te kennen, Dat alle de, zeder gisteren, na het scheiden van de vergadering, ontvangene berichten van de noord daarin overeenstemden, dat settua en Paponel„ land volk indezet genoomen ij alleen door het landvolk van den Samorijn in bezit genoomen waaren, zonder dat men daar omstreex tot nu toe eenige Engelsche troepen bespeurd had, als mede dat de Palikatscheerij een detachement van den Heer op Genoomen in Raade van Mallabaar ter steede Koetsiem Nabab tijding dat s Nababs volk over Palikatscherij komt afzakken dus voor eerst, voor kranga„ besluit kranganoor en Dingsdag den 19 Februari 1782 Nabab, Haider Alichan, was aangekoomen, bestaande als uit agt duizend Man, zoo infanterij als Kavallerij, met mit voorneemen, om naar kalikut optetrekken, en het zelve te herneemen, weshalven men gerust mogt „noor niet te vreezen is veronderstellen, dat het fort kranganoor, en de post Aikotta tot noch toe geen groot gevaar liepen, door dien volk van den Samorijn alleen, door een of zonder Engelsche troepen niet in staat was, om daar teegen iets met vrucht te onderneemen, voor al„ wanneer op alles behoorlijke order gesteld, en het kom„ „mando over de milietsie aan een bequaamen en ervaaren offecier werd opgedraagen Waar op gedelibereerd en in aanmerking genoomen stikotte niet te verlaaten zijnde, dat de voornaamste reeden, waarom de op„ braake van Kranganoor en Aikotta provisioneel was beslooten, thans niet exsisteerde, en dat derhal„ ven die posten behoorden aangehouden en gedefen„ en deerd te worden, zoo werd als nu in overeenstemming met de sekreete Resolte van den 18=de deezer, nader met eenpaarigheid van stemmen goedgevonden en verstaan, kranganoor en Nikotta voor eerst noch niet te verlaaten maar veel meer tegen inlandsche vijanden met alle vigueur te defendeeren, en werd daar toe, op de verdere proposietsie van den heer kommandeur goedgevonden en verstaan, het werd Kommando om ali versterk waar om de resolui Dingsdag den 19 Februari 1782 staande en Luitenant Nachtrab als kommandant over de te plaatzen een komp. sjegos op kran„ „ganoor, „pahis derwaards te zenden ende verdere sjegos daar af te zoo niet maar afdanken kommando over de Milietsie te kranganoor aan milietsie op kranganoorden Luitenant, Justinus Andreas Nachtrab, op te draa„ „gen, en teffens den vaandrig Andre derwaards te zenden, om daar zijnen dienst te presteeren, tot tijd en wijle de Ceilonsche komp: van hier vertrekken zal: Aangezien de heele kompanie sjegos van kranga„ door het wegloopen van noor volgens brief van den E: Cellarius van gisteren, met haare officiers en geweer en wapenen weggeloopen is, zonder twijfel om zich nu wederom in hunne dorpen, die den Nabab ontweldigd zijn, neder te zetten, en men reedenen heeft te denken, dat ook de twee andere komp=n sjegos trachten zullen, wederom naar hunne woon„ „dorpen te rug te keeren: zoo werd op de proposietsie werd beslooten een komp: si: van den Heer kommandeur goedgevonden en verstaan, de kompanie Spahis van Fakkier Mahmed wederom derwaards te zenden, en de twee overige kompanien sjegos te laaten ondervraagen, of ze geneegen zijn verder vraagen of zij blijven willen te dienen, onder bijvoeging, datze, zoo wanneer zij hier te koetsiem dienst moeten doen smaands eene parra rijs bij hunne gasie zullen genieten, en dat de geenen, die met dienen willen, hunne waapens maar kunnen afgeeven, en terstond zullen afgedankt worden Aldus Gedaan Geresolveerd en Gearresteerd, in raade van Mallabaar ter steede Koetsiem t koetsiem ten dage, maand, en Jaare voormeld /was getekend/ I: P: van Angelbeek, R: van Harn, F von den Busch, N: W Beijts, I: L: van Spall, C: G: Seijffer, Dingsdag den 19 Februari 1782: A: I: S: Vernede, W: van Haeften en I: A Daimichen Akkordeerd Adriaan Boowhet Eyklock L a C d om resolu de waa De kon genoor
English
Secret Resolution taken in the Council of Malabar at the city of Cochin. Tuesday, the 26th of February 1782. Present: The Honourable Commander and Supreme Authority Johan Gerard van Angelbeek; The Honourable Senior Merchant, Second and Chief Administrator Reinier van Harn; The Honourable Major and Head of the Military Fredrik von den Busch; The Honourable Merchant, Fiscal and Cashier, Mr. Nikolaas Wendelin Beijts; The Honourable Junior Merchant and Warehouse Master Jan Lambertus van Spall; The Honourable Junior Merchant and Pay Bookkeeper Coenraad George Seijsser; The Honourable Junior Merchant and Provision Master Abraham Jean Scipion Vernede; The Honourable Junior Merchant and Chief of Cranganore Johan Adam Cellarius; The Honourable Junior Merchant Willem van Haaften; The Honourable Junior Merchant and Secretary of Policy Johan Andries Daimichen. After the transaction of ordinary matters mentioned in the general resolution of today, the Commander produced two letters exchanged between him and the Commandant of Cranganore concerning the defense of that fort. And since it appeared therefrom that the said Commandant was prepared to undertake that defense, provided that instead of some disabled soldiers as many other capable ones were sent to him, along with the necessary provisions and ammunition, it was, after recapitulation of the secret resolutions of 22 January last and of the 13th and 14th of this month, now taken into consideration that the rumors are almost universal, and that all circumstances also seem to indicate, that the English at Calicut are preparing to besiege Cochin yet during this monsoon, for which their force there is estimated at two thousand Europeans, five thousand sepoys, and many thousands of Nairs; and that it would therefore be a very desirable thing if the enemies, who intending to advance by land from Calicut must first reduce Cranganore, could be held up before that fort for some time, because their plan might then easily be frustrated by the approaching bad monsoon. It was therefore approved and resolved by unanimous vote to provide the Commandant of Cranganore with what is necessary to that end. Next was read a translated ola from the King of Cranganore, giving to understand that the stockade at Kodormo had been abandoned by the Nabob's troops, on which account His Highness requested to know whether he might resume possession of his lands, to which he was urged by the King of the Zamorin. Whereupon, after deliberation and having observed that this could not tend to the disadvantage of the Company, it was approved and resolved to answer him that the Company had no objection to His Highness re-entering into possession of his land, provided he remained in the same dependency on the Company under which he had previously governed it, as before. After this, the Commander informed the members that according to reports received, the King of Travancore was having provisions collected and sheds prepared at St. Andries and at Manikoorde, which, according to the rumors, were destined for English troops that were to be disembarked there in order to besiege the city of Cochin; that the King had previously indeed promised to give the English no passage through his land, and that the Travancore ministers who had recently been here had also made good and repeated promises to that effect, but that it now appeared as though the King, notwithstanding these promises, had nevertheless chosen the side of the English and was favoring them against us. The Commander thereupon put to the question whether one should write further to the King in this regard and make representations against allowing English troops to pass through His Highness's land. Whereupon, after deliberation and having observed that the King would undoubtedly make good promises again, but if he were truly intending to choose the English side, he would not heed our writing and his promises anyway, it was approved and resolved by unanimous vote not to write any more about it for the present, but to employ all means to discover further the King's intentions, but to remain watchful of what his intention is. Next was read a writing from the Jew Pascha Surjon, inhabitant of Bassora, stating that the Jew Achan Roeben at Bassora had entrusted him with the delivery of a Dutch packet of letters, under order of secrecy and with the promise that if he should perhaps obtain no payment of the expenses here, the same would then be reimbursed to him upon his return to Bassora; that he, Surjon, hereupon for of [illegible]
Dutch transcription
Schreete Resoluuitsie ganoor is bereid dat fort te defendeeren Dingsdag den 26. Februari 1702. prezent De Weledelen Achtbaaren Heer Kommandur en opergebede Johan Gerard van Angelbeek; De E: Heer Operkoopman, sekeende en Hoofd- admaihistrateur Reinier van Harn De E: Majoor en Hoofd der Milietsie Fredrik von den Busch De E: Koopman fiskael en Kassier, M:r Nikolaas Wendelin Beijts, De E: Onderkoopman en Pakhuismeester Jan Lambertus van Spall, De E: Onderkoopman en soldij Boekhouder Coenraad George Seijsser De E: Onderkoopman en Dispencier Abraham Jean Seipion Vernede, De E: onderkoopman en kranganonsche Opperhoofd Johan Adam Cellarius, De E. Onderkoopman Willem van Htaeften De E: Onderkoopman en sekretaris van polietsie Johan Andries Daimichen, Na het verhandelen van de gewoone zaaken bij de gemeene resoluutsie van heeden vermeld produceerde de Heer Kommandeur twee brieven, tusschen hem en den kommandant van Kranganoor over de defensie van dat fort, gewisseld, en vermits daarbij bleek De kommandant van kram, dat gemelde Kommandant bereed was, om die defensie op zich te neemen, mits hem in steede van eenige inpotente soldaaten zoo veel andere bequaamen toegezonden wierden met de noodige provisie en ammunietsie: zoo werd, na renapitulaatsie van de genoomen in Raade van Mallabaar ter steede Koetsiem, sskreete Dingsdag den 26. Februari 1782. „lueeren zelsomden vijan een tijd lang van koetsiem aftehouden besluit hem kommandant van het noodige te voorzien kranganoor of hij weder bezit van zijne landen zal mogen gaan neemen als bevoorens Trevankoor preparaatsie sekreete resoluutsien van den 22 Januari Jongstl: en van den 18: en 14. deezer, als nu in aanmerking genoomen, dat de getuchten schier algemeen zijn, en dat ook alle omstandigheeden schijnen aan aanmerking dat zulx vel kontin te duiden, dat de Engelschen te kalikut toelegmaaken, om koetsiem noch in deeze mousson te beleegeren, waar toe hunne macht aldaar op twee duizend Europeeschen, vijf duizend sipahis en veele duizenden Nairos begroot word; en dat het derhalven eene zeer wenschlijke zaak zijn zoude, als men de vijanden, die van Kalikut over land willende aanzutken kranganoor eerst moe„ „ten wegneemen, voor dat fort eenigen tijd kost ophouden, wijl als dan hun voorneemen, door de aanschietende quaade mousson ligt kost veriedeld worden, en werd derhalven met eenpaarig„ „heid van stemmen goedgevonden en verstaan, den Kommandant van Kranganoor tot dat einde van het noodige te voorzien. Vervolgens is geleezen een Translaat ola van den koning van Kranganoor, geevende te kennen, dat de pagger te Kodormo vraage van den koning van door 's Nababs volk was verlaaten, weshalven zijn Hoogheid verzocht te moogen weeten of hij weeder bezit zoude moogen neemen van zijne land, waar toe hij door den Koning van Sammorijn G: wierd aangemaand, waar op gedelibereerd en aangemerkt Zijnde dat dit niet tot nadeel van de Komp: kost strekken, zoo werd besluit hem zulx toetestaan goedgevonden en verstaan daar op te antwoorden dat de Komp: die wel mogt lijden dat zijn Hoogheid weeder in het bezit van B zijn land trad, mits blijvende in deselfde afhankelijkheid van de Kompanie, waar meede hij die bevoorens had beheerd. Wier na gaf de Heer Kommandeur aan de leden kennis, dat ten voordeele van de Engelschen volgens ingekoomen berigten de Koning van Trevankoor je S=t An„ Lekluu van de „dries om alie versterk waar om de resolui voor ee men Dingsdag den 26. Februari 1782. voor eerst daar over meer te schrij„ „ven, maar te blijven afzien wat zijn voorneemen is. Pektuura van een geschrift die 'skomp:s brieven van Bassora heeft meede gebragt „dries en te Manikoorde provisien liet vergaderen en opstallen klaar„ maaken, die, volgens de geruchten, gedestineerd waaren, voor Engel„ „sche troupen, die daar zouden ontscheept worden, om de stad Koetsiem te belegeren dat de Koning bevoorens wel had beloofd de Engelschen geene passasie door zijn land te zullen geeven, en dat de Jongst hier geweest zijnde prevankoorsche Ministers daar toe ook goede en herhaalde belofte had gedaan, doch dat het thans scheen, als of de koning onaangezien deeze belofte, nochthans de zijde der Engelschen gekoozen had, en dezelven tegen ons be„ „gunstigde, brengende de Heer Kommandeur hier op in omvrage of men nader deezen aangaande aan den Koning zoude schrijven en vertoogen doen, teegen het laaten passeeren van Engelsche toepen men vind niet raadzaam hem door zyn Hoogheids land, waar op gedelibereerd en aangemerkt zijn„ „de dat de koning daar op buiten tuijfel wel wederom goede belofte doen, doch zoo hij werklijk mogt voorneemens zijn, de Engel„ „sche zijde te kiezen, zich aan ons schrijven en zijne beloften doch niet zoude stooren, zoo werd met eenpaarigheid van stemmen voor goedgevonden en verstaan, daar over „ eerst niet meer te schrijven, doch alle middelen aantewenden, om het voorneemen van den Koning nader te ontdeken Vervolgens weerd geleezen een geschrift van den Jood, Pesica van den Jood Jasila surjon Turjon inwoonder te Bassora houdende dat de Jood Achan Roeben te Bassara hem ter bestellinge opgedraagen had, een Hollandsch pakket met brieven, met last van geheimhouding en belofte dat indien hij hier somtijds geen betalinge mogt erlangen van de onkosten dezelve als dan bij zijn terug komst te Basso„ „ra aan hem zouden worden voldaan dat hij surpon hier op voor van
English
Tuesday, the 26th of February 1782. Expenses incurred by him for that purpose. Decided to pay the same. The owners of the houses that stood in the environs request compensation. for his person and baggage he had hired a place on a dhow to Masquette for 230 rupees, and arriving there again on another dhow to Mallabaar for an equal amount, which freight charges he had also paid to the owners of the said dhows, and therefore requested that the same might be paid to him; whereupon the Lord Commander declared that this man had brought here letters from the Lords Principals in Europe for this office, also for Ceilon and Kormandel, as well as for the Supreme Government in Batavia, and added thereto that, although he might not have come here expressly for the delivery of those letters, one ought nevertheless to pay him those expenses, because he would otherwise ask for and receive them from the Jew Achan Roeben at Bassora, who would then claim that amount again from the Company, to which furthermore this harm might arise, that if more packets were sent by the Lords Masters via that route, they might possibly not be delivered. Whereupon, this having been deliberated, it was resolved by unanimous vote to pay the expenses of four hundred and sixty rupees to this letter carrier. Pursuant to the secret resolution of this table of the 22nd of January last, the trees and houses outside the city standing within range of the artillery having been cut down and demolished, their owners have made a request for compensation for the damages suffered thereby, and for that purpose submitted a list of forty-two houses appraised at two thousand one hundred and fifty-two rupees, which the Lord Commander produced and thereby made known that these houses, although they seemed to have been built surreptitiously, Tuesday, the 26th of February 1782. To submit to the Supreme Government. Reading of the letters regarding the abandonment of Tutukorijn and that Cape Kommorijn is left under Mallabaar. 1500 pagodas owing by the Company to the merchants there. The Residents from there request orders from here. Decided to submit their request to the Supreme Government. or at least gradually without permission, without proof of ownership, one ought nevertheless to have prevented such from the very beginning, and that these were generally destitute and poor people, to whom this damage fell very hard. Whereupon, this having been deliberated, it was agreed to submit this request to the Supreme Government of the Indies and to request a decision thereon. Lastly were read and summarized two letters, to wit one from the Tutukorijn officials dated the 2nd of this month, containing notification that by order of the Ceylon Government they had to evacuate the Madure Coast and had only placed a small post of natives in the fort as proof of possession; but that they had not been able to abandon the residency at Cape Kommorijn, as it lay too far out of the way, but had to let the servants and goods remain there until there should be an opportunity to collect them from Kolombo, and that in the meantime they had ordered those Residents to make a report of their situation to this Commandery and to receive orders from here, requesting to consider that residency henceforth as belonging under the Commandery of Mallabaar; communicating at the same time that fifteen hundred pagodas were owed to the merchants there, which the Residents, for lack of money, had not been able to pay. The other letter from Cape Kommorijn written hither on the 7th thereafter by the Residents Trek and Wiltschut, to accompany a duplicate copy of the Tutukorijn letter and notification that Tutukorijn was abandoned, and that they would await orders from here as to what they should now have to do, and how they Tuesday, the 26th of February 1782. Expenses. Written to the King of Trevankoor and requested his protection for that factory. Instructed to return the unpaid linens lying there to the merchants and to provide 300 pagodas for the paying off of the servants. should act with the linens and other goods, under further notification that they were destitute of cash for paying off the native servants. Upon which papers, having deliberated and noted that the Lord Commander had immediately upon this news dispatched a letter to the King of Trevankoor and thereby given notice of this change, as well as claimed His Highness's protection for the factory at the said Cape and the servants residing there, but that one could not rely much on his protection at present, and the English might also attack that lodge against His Highness's will, as well as that it would involve much risk and difficulty to transport the linens lying there hither; it was deemed most advisable and consequently resolved to instruct the Residents that they must try to return the still unpaid linens to the merchants for the same prices as they were accepted, and furthermore resolved to have three hundred pagodas paid to the Residents by one of the Company's merchants here who has the best opportunity to do so, in order to be able to pay off the native servants therewith. Thus done, resolved, and decreed in the Council of Mallabaar, at the fortified town of Koetkiem, on the day, month, and year aforesaid. Signed: J: J: van Angelbeek, R: V: Hain, J: von den Busch, S: C: Celgarius, N: W: Beits, I: L: van Spall, C: G: Seiffer, A: J: s: Verneden, I: van Haeften, and I: A: Deimichen. Accords. Adriaan Bootvliek, First Clerk.
Dutch transcription
Dingsdag den 26 Februari 1782. onkosten door hem daar toe gedaan besluit dezelve tevoldoen de Eigenaars van de huizen die op de environs gestaan hebben verzoek vergoeding voor zijn perzoon en bagasie eene plaats op eene douw had ingehuurt naar Masquette voor 230. kopijen en daar koomende weeder op een ander douw naar Mallabaar, voor een gelijk bedraagen dat hij die vragtpenningen ook had betaald aan de eigenaars der gem: douws en dus verzocht dat dezelven aan hem mogt worden betaald waar bij de Heer Kommandeur verklaarden, dat deeze man hier had aange„ „bragt brieven van de Heeren Majores in Europa voor dit komp„ „toir, ook voor Ceilon en Kormandel mitsgaders voor de Hooge Regeering te Batavia, en voegde daar bij dat, schoon hij niet ex„ „pres hier gekomen mogt zijn ter bestellinge dier brieven men hem echter die onkosten diende te betaalen, om dat hij dezelven anders doch van den Jood Achan Roeben te Bassora zouden vraagen en ontvangen, die dat bedraagen als dan weeder van de Komp: zoude vorderen, waar bij dan noch dit quaad zoude kunnen koomen, dat zoo meerder pakketten door de Heeren Mees„ „ters langs dien weg wierden gezonden, dezelve mogelijk niet zouden besteld worden waar op gedelibereerd zijnde, zoo werd met eenpaarige stemmen beslooten, de onkosten van vierhonderd sestig repias aan deezen brief draager te betaalen Volgens schreete resoluutsie deezer tafel van den 22. Janua: Jongstleeden de boomen en huizen buiten de stad onder het berijk van het geschut staande weggekapt en afgebrooken zijnde, zoo hebben derzelver Eigenaars verzoek gedaan om vergoeding van, de daar door geleedene schaade, en daar toe ingeleeverd eene lijst van twee en veertig, huizen getaxeert op twee duizend een honderd twee en vijftig repijen welke de Heer Kommandeur produceerde en daar bij te kennen gaf, dat deeze huizen wel als ten Sluck m ali versterk on de resoli deRes Dingsdag den 26: Februari 1782 de Hooge Reegering voor te dragen Lekluura der brieven nopens opbraake van Cutukorijn en dat kaap kommorijn onder Mallabaar gelaaten 1500 pagooden bij de komp: ooken. de Residenten van daar verzoeken orders van hier sluik, of ten minsten zonder permissie gaande weg scheenen aange„ „bouwd te zijn, zonder bewijs van eigendom, doch dat men zulx van den beginne af aan had behooren te beletten, en dat het door„ „gaans behoeftige en arme Lieden waaren, die deeze schaade besluit hem verzoek aan, zeer hard viel; waar op gedelibereerd zijnde is verstaan, dit verzoek aan de Hooge Indiasche Regeering voor te draagen en daar op disposietsie te verzoeken Laastelijk zijn geleezen en geresumeerd twee brieven als een van de Jutukorijnse Bedienden gedateerd 2. deezer houdende bekentmaaking datze ter order van de Ceilonsche Regeering de Kust Madure moesten verlaaten en alleen een kleene post van inlan„ „ders in het fort tot een beuijs van possessie hadden geplaats; doch datze de Rezidentsie aan de Raap Kommorijn als te verre van de hand leggende, niet hadde kunnen opbreeken, maar dienaaren en goederen daar moeten laaten blijven tot er gelegentheid zijn zouden om dezelven van Kolombo aftehaalen, en dat ze intusschen die Resi„ „denten hadden gelast, van hunne staat aan dit kommande„ „mert verslag te doen en van hier ooder te ontvangen verzoe„ „kende die residentsie voortaan als onder het Kommandement de kooplieden van daarstaan van Mallabaar gehoorende aan temerken; bedeelenden teffens dat den kooplieden aldaar vijftien honderd pagooden te vooren, stonden, die de Residenten, mits gebrek aan geld, niet hadden kun„ „nen betaalen De andere brief van Kaap Kommonijn door de Rezidenten Trek en Wiltschut den 7. daar aan naar herwaards geschreeven ten geleiden van een Kopia duplikaat Tutukorijnse brief en bekentma„ „king, dat Jutukorijn was verlaaten, en datze ordres van hier zouden verwagten watzen nue zouden hebben te doen, en hoedanig zij Dingsdag den 26. Februari 1782. onkosten aan der koning van Crevankoor gesch: en zijn protexie voor die faktorije verzocht schrijven de daar leggende onbetaalde lijw aten aan de kooplieden terug te geeven en 300: pagooden tot het bezorgen die op de de Eigenaa zij met de Lijwaaten en andere goederen zouden handelen onder verdere bekentmaking, dat ze ontbloot waaren van kontanten tot afbetaa„ „ling der inlandsche Dienaaren Op welke papieren gedelibereerd en aangemerkt zijnde, dat de Heer Kommandeur heeft de Heer Kommandeur ten eersten op deeze tijding een brief aan den koning van Jrevankoor afgevaardigt en daar bij van deeze verandering ken„ „nis gegeeven, mitsgaders zijn: hoogheids: protixie voor de faktorje aan meerm: Raap en de zich daar onthoudende Dienaaren geteklam„ „meerd had, doch dat men op zijne bescherming thans niet zeer vertrouwe kost en de Engelschen die losie ook wel, tegens zijn Hoogheids wille zouden kunnen aanvallen mitsgaders dat het veel tesiko en moute zoude beslut de residenten aan te inhebben, de daar leggende lijwaaten herwaards te transporteeren; zoo werd haadzaamst g'oordeeld en dienvolgende beeslooten, de Rezz„ „denten aan te schrijven dat ze moeten trachten den noch onbetaalden, lijwaaten weeder aan de Kooplieden te rug te geeven voor deselfde prijsen als ze g'axceepteerd zijn, en verders beslooten aan de Reziden„ afbetaalen der dienaaren te „ ten drie honderd pagooden te laaten tellen, door een van 's Komp=s Koop„ „lieden alhier, die best daar toe gelegenheid heeft om daar meede de Inlandsche dienaaren te kunnen afbetaalen Aldus Gedaan, Geresolveerd en Gearresteerd in Raade van Mallabaar, ter verteede Koetkem ten dage, maand en Jaare voorm: /:was geteekend:/ J: J: van Angelbeek, R: V: Hain, J: von den Busch gS: C: Celgarius N: W: Beits, I: L: van Spall, C: G: Seiffer, A: J: s: Verneden „ 1: van Haeften en I: A: Deimichen Anhordeerd Adriaan Bootvliek Eyklerk toe geda besluitdle hebben ver= onder oing ker„ La C D Ed. heer neerd het gadering.
English
The Honorable Mr. van de Graaff declines the presidency in the meeting. Thursday, April 11, 1782, Present: The Honorable and Worshipful Commander and Chief Officer Johan Gerard van Angelbeek. The Honorable Senior Merchant, Second, and Chief Administrator Reinier van Harn. The Honorable Major and Chief of the Military Fredrik von den Busch. The Honorable Merchant, Fiscal, and Cashier Mr. Nikolaas Wendelin Beijts. The Honorable Junior Merchant and Warehouse Master Jan Lambertus van Spall. The Honorable Junior Merchant and Pay Bookkeeper Coenraad George Seijffer. The Honorable Junior Merchant and Purser Abraham Jean Kipion Vernede. The Honorable Junior Merchant and Chief of Cranganore Johan Adam Cellarius. The Honorable Junior Merchant Willem van Haeften, and The Honorable Junior Merchant and Secretary of Policy Johan Andries Daimichen. Secret Resolution taken in the Council of Malabar at the city of Cochin. First of all, at the request of the Commander, it was approved and understood to note down here that the Honorable, Right Honorable Extraordinary Councillor of the Dutch East Indies Willem Jakob van de Graaff, having been requested by His Worship to preside over this meeting, had politely declined. Further, the Commander presented and had read in Council the following address: Letter C. Address from the Commander. April 11, 1782. To the Honorable Members of the Political Council. Gentlemen, On July 19 of the previous year, I laid before Your Honors my considerations regarding the foremost, most necessary, and readiest means for the fortification and defense of our city. These have since been put into execution, and we may probably attribute to them in part that the enemies have undertaken nothing against us in the monsoon now drawing to an end. We would, however, deceive ourselves grievously if we wished to conclude from this that we had nothing to fear in the future either. On the contrary, I believe I may naturally assume that in the coming monsoon our enemies will leave nothing unattempted, but will exert their utmost powers to make themselves masters of this place, not only April 11, 1782. because the city of Cochin is in itself already a very desirable object, since they would thereby become masters of the entire Malabar coast, and of the pepper trade, as well as of a great abundance of grains and timber that the country supplies, but especially because Cochin is the only place in the western part of India that can compensate Ceylon in this war for the lack of rice and paddy that were brought in during times of peace from Bengal and Coromandel, and where our fleets and the French fleets can supply themselves with this indispensable food and many other provisions; so that by conquering Cochin, our enemies would bring Ceylon into the utmost embarrassment and would force the fleets to have to abandon these regions, whereby the conquest of that precious island would be significantly accelerated. These are reflections that follow naturally from the nature of the matters and the circumstances themselves, but in addition to that, I have also been warned from more than one side that in Bombay eyes are set on Cochin, and that all forces will be exerted toward its capture. These warnings come from so good a source that we April 11, 1782. need not doubt them in the least. The surrender of Nagapatnam and what is even more to be lamented, the conquest of Trincomalee, are painful warnings for us to apply in good time everything within our power to strengthen this fortress further and to place ourselves in a state for its vigorous defense. With this intention, I sent the secret resolution of July 19 aforesaid, together with the plan of the improvements to our fortifications adopted therein, specifically to the covered way, early on to the Honorable Governor Falck, with the request to have the same examined, and to elucidate me further on the matter. The said exalted gentleman has had the goodness to send me a written advice from Captain Brohier, mainly containing that the places of arms before the curtains ought to be retrenched, according to a plan annexed thereto. Before I received this from Colombo, owing to the arrival of the military captain Johan Georg Fornbauer, who is very experienced in military engineering, I had the opportunity to consult on this matter with that gentleman as well, and among April 11, 1782. other improvements, he also proposed the retrenchment of the places of arms as extremely useful and necessary. He thus agreed on the main point with Captain Brohier, but whereas the latter only wanted to retrench the re-entering angles, Captain Fornbauer maintained that this ought to be done also regarding the salient angles, or the places of arms before the bastions. When I therefore received the remarks on the plan of Mr. Brohier, I requested Mr. Fornbauer to communicate to me further his thoughts regarding the actual manner of execution, which his honor did with a detailed report and further plan according to which this work, in his judgment, can and must best be made. Among the further improvements to the fortress, his honor also counted the demolition of the raised work on Bastion Holland, and the restoration of this bastion to its former state, as well as the construction of a fleche beside the same, all according to a detailed report and plan annexed thereto, in which the necessity and utility of this alteration is argued in detail. I intended first to send these two reports and plans of Mr. Fornbauer to Colombo, and regarding them, the advice of the Honorable Mr. Falck and the
Dutch transcription
D' Ed. heer van de Graaff dekli, gadering Donderdag den 11. April 1782, Prezent De weledelen Achtb: Heer Kommandeur en oppergebieder Johan Gerard van Angelbeek. de E. Heer opperkoopm=n sekunde en Hoofd administrateur Reinier van Harn„ de E. Majoor en Hoofd der milietsie Fredrik von den Busch, de E: Koopman Fiskaal en kassier M=r Nikolaas Wendelin Beijts. de E. Onderkoopman en Pakhuismeester Jan Lambertus van Spall, de E: onderkoopman en soldij Boekhouder Coenraad George Seijffer. de E: Onderkoopman en Dispensier Abraham Jean kipion Vernede de E. Oonderkoopman en kranganoors opperhoofd Johan Adam Cellarius de E: onderkoopman Willem van Haeften en de E: onderkoopman en sekretaris van Polietsie Johan Andries Daimichen Voor af is op 't verzoek van den Heer Kom„ „neerd het presidite in de ver„„mandeur goedgevonden en verstaan hier te no„ teeren, dat de weledel Gest: Heer Raad Extra ordinair van Nederlands Jndien Willem Jakob van de Graaff door zijn Achtb: verzocht Threete Resoluutsie genoomen in Raade van Mal¬ „labaar ter steede Koetsiem. zijnde op La C Addres van den Heer kom„ mandeur. zijnde om in deeze vergadering te willen presideeren zulx beleefdelijk had gedeklineerd Voorts werd door den Heer Kommandeur overgelegt en in Raade geleezen het volgen„ de addres. Aan de E: Leden van den Politieken Raad Mijne Heeren op den 19e. Julij des voorl: Jaars legde ik ƒ voor UwEd=s open mijne bedenkingen over de voornaamste, noodigste en gereedste midde„ „len tot de versterking en verdeediging van onze stad, deselven zijn zeder in 't werk ge¬ steld, en waarschijnlijk mogen wij daar aan voor een gedeele toeschrijven, dat de vijanden in de nu ten einde loopende mousson niets tegen ons ondernoomen heb„ ben. Wij zouden ons echter deerlijk bedrie„ „gen indien wij hier uit wilden opmaaken dat wij ook in 't vervolg niets te vreezen hadden, Jnteegendeel meene ik natuur„ „lijker wijze te mogen vast stellen, dat onze vijanden in de aanstaande mousson niets onbezocht laaten, maar hunne uiterste vermogens opbieden zullen, om zich van deeze plaats Meesters te maaken niet al„ Den 11. April 1782. „leen Den 11. April 1782 „lein, om de stad Koetsiem op zich zelve reets een zeer begeerlijk voorwerp is, door dien ze daar door Meesters worden, zouden van de heele Malabaarsche kuste, en van den peper handel, mitsgaders van een groote meenigte graanen en houtwerk, die het land uitleeverd, maar inzonderheid, om dat koetsiem de eenig, „ste plaats om de west van Jndien is, die Cei„ „lon in deeze Oorlog het gemis van rijs, nelie die in tijden van vreede van Bengale en kormandel aangevoerd wierden, wederom kan vergoeden, en waar zich onze en de Fran„ „sche vlooten van dit montbeerlijk voedzel en veele andere leevensmiddelen kunnen voor„ zien; zoo dat onze vijanden, met koetsiem te veroveren, Ceilon in de uiterste verleegen„ heid brengen en de vlooten noodzaaken zouden, deeze gewesten te moeten verlaaten, waar door de verovering van dat kostlijk Eiland merklijk zouden verhaast worden. Dit zijn reflexien die uit de natuur van de zaaken en de omstandigheeden van zelve volgen, doch daar en boven ben ik ook van meer dan eene kant gewaarschuwd dat men te Bombaij het oog op Koetsiem heeft, en tot deszelfs vermeestering alle krachten zal inspannen. Deze waarschu„ „wingen koomen van zoo goeder hand, dat wij wij daar aan in 't minste niet behoeven te twijfelen. De overgave van Nagapatnam en 't geen de verovering van trinkonomala noch meer te beklaagen is, zijn voor ons smer„ „telijke waarschuwingen, om bij tijds al wat in ons vermogen is aan te wenden, om deeze Vesting verder te versterken en ons tot derzel„ ver krachtige verdeediging in staat te stellen. —. Met dit oogmerk hebbe ik de se„ „kreete resoluutsie van den 19. Julij voorm: en teffens het plan van de daar bij gearres„ „teerde verbeeteringen aan onze Vestingen speciaal aan den bedekten weg al vroeg aan den Edelen Heer Goeverneur Falck gezonden met verzoek om dezelve te laaten examinee„ „ren, en mij dien aangaande nader te eluci„ „deeren, Hoog gedachte Heer heeft de goedheid gehad, mij een schriftlijk advis van den Heer kapitein Brohier toetezenden, behelzende voor„ „naamlijk dat de wapenplaatzen voor de gordijnen behooren geretrancheerd te worden, volgens een plan, het welk daar nevens ge„ „voegt is - Eer ik dit van kolombo ontving„ had ik, mits de aankomst van den Mili„ „tair kapitain, Johan Georg Fornbauer, die in de krijgsbouwkinst zeer ervaaren is, ge„ „leegenheid gehad, over dit stuk, met dien Heer meede raad te pleegen, en hij sloeg, onder Den 11. April 1782. meer Den 11. April 1782. meer andere verbeeteringen, ook het retranchee„ „ren van de wapenplaatsen als ten uitersten nuttig en noodig voor, Hij stemde dus in de hoofdzaak met kapitain Brohier over een, doch daar deeze de inspringende hoeken alleen wilde retrancheeren zoo beweerde kapitain Fom„ „bauer dat dit ook omtrend de uitspringende, of de Wapenplaatsen voor bastions behoorden te ge„ schieden. Toen ik derhalven de aanmerkingen in het plan van den Heer Brohur kreeg, ver„ „zocht ik den Heer Fombauer, om mij zijne ge „dachte nopens de eigentlijke wijze van de uit „voering nader meede te deelen, het geen zijn E: gedaan heeft bij een omstandig bericht en na„ „der plan, waar na dit werk, naar zijn oordeel, best kan en moet gemaakt worden. Onder de verdere verbeeteringen aan de vesting reekende zijn E. ook het afbreeken van het verhoogde werk op het Bastion Holland, en het herstellen van dit Bastion in zijn voorigen staat, mitsga„ „ders het aanleggen van een fleche bezijden het zelve, alles volgens een omstandig bericht en daar bij gevoegd plan, waar bij de noodzaake„ lijkheid en nuttigheid van deeze verandering omstandig word betoogd. —. Jk was voorneemens deze twee berichten en plans van den Heer Fombauer eerst naar Kolombo te zenden, en daar over de advisen van den Edelen Heer Falck en den
English
to take in Mr. Brohier, but found no opportunity for it, and in the meantime we were honored here by the arrival of the Noble Mr. van de Graaff, Extraordinary Councillor of the Dutch Indies, whose skill in military architecture is known to us all. I thought I ought to make use of this fortunate opportunity, and therefore requested, concerning all these matters and everything further pertaining to the defense of this fortress, his advice and good counsel, by a letter of the 29th of March last. To which his Right Honorable in writing was pleased to reply. This reply mainly comprises: 1. That it appears to his Honor that the entrenchment of the places of arms is of the most obvious utility for the preservation of this city, and that the design made for that purpose by Mr. Fornbauer deserves preference for several reasons, and therefore, as it stands, must be carried out as soon as possible. 2. That the cavalier on the Bastion Holland must be demolished, and the fleche projected by Fornbauer must be constructed. 3. That one ought to examine whether the parapets of the main rampart, at least The 11th of April 1782. The 11th of April 1782. as far as the bastions are concerned, ought not to be thickened; and whether the same, but especially the merlons, ought not to be revetted with masonry brick! 4. That the stone cannon platforms ought to be broken up and others made of wood in their place. 5. That the houses and Roman church on Baipin, which lie opposite this fortress, ought to be demolished. 6. That there ought to be four captains in the European militia; that the native troops ought to be divided into battalions, and with each battalion a European captain as commander, as well as each company to be provided with a European subaltern officer and a non-commissioned officer as drillmaster. 7. That the point Overijzel and the curtain between this point and Stroemburg must be raised by four feet, as well as a retrenchment for two cannons made at both ends of the curtain, the Slooterdijk or the ditch on the inside of the curtain deepened, and a ditch also cleared out on the outside of the curtain. I have also instructed the Honorable Major van den Busch, the two captains von Sauer and Fornbauer, and the Lieutenant Commandant of the artillery Kraus to search for suitable places within this fortress where the people can best be billeted during a siege, and to inspect the fortifications and give their thoughts regarding the improvement of the same, as well as regarding the division of the militia during the siege, which report arrived on the 4th of this month, and mainly comprises: 1. That the necessary timber must be prepared in time for barracks that ought to be erected everywhere on the squares, or empty spaces close to the ramparts, as well as in the ravelin outside the New Gate, of which they provide a precise description with their report. 2. That the two powder magazines also be used for this purpose (since the powder must be kept in the cellars during the siege) and furthermore one or two rooms in each private house lying closest to the curtains, provided that the roofs are removed from the houses in the vicinity of the attack and the ceilings covered with fascines and earth, which also ought to be done regarding the barracks on the ramparts. 3. That especially the small powder magazines on the bastions ought to be carefully covered with beams, fascines, The 11th of April 1782. The 11th of April 1782. and earth. 4. That with regard to the fortifications, the line from the command post up to the point Overijssel requires the greatest precaution, for which the means are subsequently indicated, among which the proposal to raise the bastion Overijssel and the curtain between it and Stroomburg, and to place a retrenchment with light cannons on both sides, as well as the erection of a tambour in front of the river gate, is the most principal. 5. That the two vessels, the Nehalennia and the Verwachting, ought to be stationed on both sides of this line, from which they promise themselves great service. 6. That passage on the river along the fortress ought to be prohibited after midnight. 7. That a traverse with a cannon ought to be placed in front of every sortie or sally port, and finally 8. That the garrison, with regard both to the privates and principally to the officers, ought to be augmented and better distributed, on which they enter into broad detail, resulting in the following: That the same ought to be 3500 head strong. That there ought to be appointed to the European militia three captains, namely: one to the company of Frankena, one to that of Lever, and one to the staff company. That the companies of Sepoys and Christians, which I fixed at 150 privates and for the most part have already brought to that number, are too strong to keep in order and ought to be set at one hundred men; that two battalions should be formed of the Sepoys and one of the Christians, and that in each company a European non-commissioned officer, in each battalion a captain as commander and a European sub-adjutant ought to be appointed; and that finally the following officers would also still be needed in the artillery: one effective captain, two lieutenants, two ordinary fireworkers, and four extraordinary fireworkers. All these proposals are of the utmost importance, they tend to the preservation of this fortress and of this entire establishment, and the execution thereof requires considerable expenses. In both these respects they deserve very serious consideration, and to this end I have called this meeting. The 11th of April 1782.
Dutch transcription
La den Heer Brohier inteneemen doch vond daar toe geene geleegenheid, en middelerwijle wierden wij hier vereerd, door de komste van den Edelen Heer van de Graaff, Raad extra ordi„ nair van Nederlands Jndiën, wiens kundig „heid in de krijgs-bouwkunde ons allen be „wust is. —. Deeze gelukkige geleegenheid meen„ „de ik mij ten nutte te moeten maaken, en verzocht dus omtrend alle deeze dingen, en al het geen verder tot de defensie deezer vesting behoord, zijn advis en goeden raad geeving, bij eene Missive van den 29e Maart Jongstleeden. waar op zijn weledele Gestrenge ingeschrifte heeft gelieven te antwoorden. — Dit antwoord be helst voornaamlijk, 1. / Dat het zijn Edele voorkoomt, dat het re„ „trancheeren der wapen-plaatsen van een al„ „lerzichtbaarste nuttigheid is tot het behouden van deeze stad en dat 't daar toe gemaakt ontwerp van den Heer Fornbauer om verschei„ „dene reedenen de priverentsie verdiend en dus„ zoo als het legt hoe eer hoe beeter, moet ter uitvoer gebracht worden 2:/ Dat de kavalier op het Bastion Holland afgebrooken, en de door Fornbauer geprojek„ teerde fleche aangelegt moet worden. 3. / Dat men diend te onderzoeken, of de borst„ weeringen van de kapitaale wal, ten min„ 8 „ „. „ Den 11. April 1782. „sten Den 11. April 1782. sten voor zoo ver de bolwerken betreft niet be„ hooren te worden verdikt; en of dezelven, doch voornaamlijk de merlons, niet behooren met metzelsteenen bekleedt te worden! 4. / Dat de kanons beddings van steen, dienen op„ gebrooken en in derzelver plaats anderen van hout gemaakt te worden. 5. / Dat de huizen en Roomsche kerk op Baipin, die teegen deeze vesting overleggen dienen afge„ „brooken te worden 6. / Dat bij d' Europeesche Milietsie vier kapi, „tains dienen te zijn; dat de inlandsche troe„ „pen in battaljons dienen verdeeld, en bij elk battaljon een Europeesche kapitain als kom, „mandant, mitsgaders elk Komp: een Europe„ „sche subalterne officier en een onder officier als Drilmeester diend geplaatst te worden. 7. Dat de punt overijzel en de gordijn tusschen deeze punt en stroemburg vier voeten ver„ hoogt, mitsgaders aan beide enden van de Gordijn eene afsnijdinge voor twee kanons gemaakt, slooterdijk of de gracht aan de binnen zijde van de gordijn uitgediept, en aan de buiten kant van de Gordijn mede een gracht opgehaalt moet worden. Ik hebbe ook den E. Majoor van den Busch de twee kapitains von sauer en Hombauer en den Luitenant Kommandant van de arthilleri La arthilleri Kraus opgedraagen om bekwaame plaats binnen deze vesting optezoeken, waar het volk in eene beleegering best kan gelo„ „geert worden, en om de vesting-werken te be„ „zichtigen en hunne gedachten nopens der„ „zelver verbeetering, als mede nopens de ver„ „deeling van de Milietsie, geduurende het beleg optegeeven, welk bericht den 4. deezer ingekoomen is, en hoofdzaakelijk behelst; 1. / Dat bij tijds het noodige houtwerk moet in gereedheid gebragt worden, tot barakken die over al op de pleinen, of leedige plaatsen digt aan de wallen, als mede in 't ravelijn buiten de nieuw poort dienen opgericht te worden waar van zij eene nauwkeurige beschrijving bij hun bericht doen. 2. / Dat hier toe ook de twee kruithuizen gebruikt worden (door dien het kruit geduurende de be„ „leegering in de kelders moet bewaard worden/ en voorts een of twee vertrekken in ieder par„ „tikuliere huis naast aan de gordijnen leggende, mits van de huizen, in de buurt van de at„ „taque, het dak afgenomen en de soldering met fachinen en aarde bedekt worden, 't geen ook diend te geschieden, omtrend de ka„ „sernen op de wallen. 3. / Dat vooral de kleene kruitmagazijnen op de bolwerken zorgvuldig met balken fachinen, Den 11 April 1722 Den 11. April 1782. en Den 11 April 1782. en aarde dienen gedekt te worden 4. / Dat met opzicht tot de vesting werken de linie van het kommandement tot aan de punt Overijssel de meeste voorzorge ver„ eischt, waar toe vervolgens de middelen aan„ geweezen worden, waar onder de voorstel om het bastion Overijssel en de gordijn tusschen het zelve en stroomburg te verhoogen, en aan weerskanten een afsnijding met ligte kanons te leggen, als meede het oprichten van een tamboer voor de rivier-poort het voornaamst is 5. / Dat de twee vaartuigen, de Nehalennia en de verwachting, aan weerzijden van deeze linie dienen geplaatst te worden, waar van ze zich groote diensten belooven. 6. / Dat de passasie in de rivier langs de ves„ „ling na middernacht diend verboden te worden 7. / Dat voor ieder sortie of uitval poortje eene traverse met een kanon diend geplaatst te worden en eindelijk 8. / Dat het garnisoen, zoo met opzicht, zoo tot de gemeenen, als voornaamlijk tot de of„ „ficiers, diend geaugmenteerd en beeter verdeeld te worden, waar over zij in een breed detail treeden, hier op uitkoomende Dat het zelve diend sterk te zijn 3500. –. kopen Dat bij de Europeesche Milietsie dienen aangesteld 2 aangesteld te worden drie kapitains, als een bij de komp:ran Frankena een bij die van Lever, en een bij de stafs kompanie. Dat de komp„en Sipahis en kristanten die ik op 150. gemeenen bepaald en voor 't grootst ge„ „deelte ook reets gebragt hebbe te sterk zijn, om in orde te houden en op honderd Man behooren gesteld te worden, dat men van de sipahis twee battaljons behoorde te formeeren en van de kristanten een, en dat bij ieder kompanie een Europeesche onder officieren bij elk battaljon een kapitain als komman„ dant en een Europeesche onder adjudant behoord gesteld te worden; en dat eindelijk ook bij de Arthillerij noch de volgende offi„ „ciers zouden noodig weezen. een Effektief kapitain twee Luitenants twee ordinair vuurwerker, en vier Extra ordinair vuurwerkers Alle deeze voorstellen zijn van de uiterste importantsie, ze strekken tot de behoudenis van deze vesting en van dit heele Etablis„ „sement, en de uitvoering daar van vereischt aanmerklijke kosten. in deeze beide op„ zichten verdienen zij eene zeer ernstige overweeging, en hier toe hebbe ik deeze ver„ Den 11. April 1782 gadering n
English
The 11th of April 1782. meeting expressly called, and to facilitate the same I lay before your Honors the papers mentioned herein, consisting of the following documents: 1. Remarks of the Captain Engineer at Kolombo, Jan Brohier, concerning the fortification of the covered way of Koetsiem, with the plan belonging thereto. 2. Report of the Military Captain Johan Georg Fombauer, regarding the plan of the aforementioned Brohier, also accompanied by a plan belonging thereto. 3. Second Report of Captain Fombauer with the plan belonging thereto, concerning the bastion Holland. 4. Letter from the undersigned, dated the 29th of March last, to the Right Honorable Extraordinary Councillor of the Dutch East Indies, Willem Jakob van de Graaff, containing a request for the advice of His Right Honorable regarding the preparations and means of defense. 5. Answer of His Right Honorable of the 6th of this month. 6. Report of the Head of the Militia, Major Fredrik von den Busch, the Captains Friederich von Sauer and Johan George Fombauer, and the Commandant and Lieutenant of Artillery, Jakob Krause. I have the honor to be, was below, your Honors' obedient friend, was signed, J. G. van Angelbeek, in the margin, Koetsiem, the 11th of April 1782. All of which papers having been read and examined with attention, it was beforehand unanimously approved and agreed to insert the same here. Dutch translation of the remarks of Mr. Brohier concerning the places of arms in the covered way of the fortress Koetsiem, drafted in the French language. The fortifications of Koetsiem, having cannon in the salient and re-entering places of arms of the covered way, of which the embrasures are made in the revetment of the glacis, invite an enemy to make himself master of them, because there is nothing that can hold them back, as the openings of the embrasures make it easy for him to scale them after the firing of the cannon; but if the re-entering places of arms are raised with a small ditch of 9 feet at the bottom, the upward slope of the revetments of the battery and of the glacis will bring this ditch to the width of 17 feet, and this ditch must be deepened level with the surface of the water in the ditch of the fortress, so that the rain falling into this small ditch can discharge into it. These batteries erected in such a manner will be covered against a surprise attack or an assault, especially if the palisades of the covered way are planted at a distance of 3½ feet from the revetment of the glacis, which will form a small ditch that will be too formidable for an enemy to dare venture such a reckless undertaking. In order to carry out such a work, the line of the parapet of the glacis, as is evident from the plan of Koetsiem, must form the interior revetment of the parapet of the battery, and one must extend the parapet, ditch, and revetment of the glacis 43 feet, according to the plan and profile of the project annexed hereto. As regards the 4 re-entering places of arms on the south-east side, if they are retrenched according to the project, they will cover the salient angles of the glacis with 10 pieces of cannon, namely 5 pieces on each face of these re-entering places of arms; and the musket fire from the covered way, being well provided with palisades, will cover the place against a surprise and greatly hinder the enemy in the progress of his approach, since the salient places of arms are too small to be retrenched, and a good palisade with its banquette is much better than batteries of that construction, as can be seen in the plan of Koetsiem. A good cunette of 20 to 30 feet, having 6 feet of water below in the middle of the ditch, is capable of preventing the advance of an enemy when one does not have the time or the means to deepen the ditch in a sufficient manner, that is to say at least to 6 feet of water throughout the entire width of the ditch. Below stood, for the translation, signed, C. S. Wikkerman. Remarks regarding the retrenched places of arms of Mr. Fombauer, translated from the French. The proposal bearing the title of Project to improve the re-entering places of arms, etc., appears to me impracticable, although this is a very good work of its kind; for the lunette having to be raised at least twelve feet above the ordinary ground, the author has for that purpose nothing other than a ditch 13 feet wide at the top, 9 feet at the bottom, and 6 feet deep, as can be seen in the profile. A single glance of the eye is enough to show that this ditch cannot furnish the necessary earth for erecting the lunettes; meanwhile, according to the calculation I have made of it, more than four hundred thousand cubic feet of earth are lacking. The author is therefore requested to point out the means to find it. Moreover, there must be earth for the bonnets at the salient angles of the places of arms and to raise the glacis a few feet. Furthermore, one must observe that the sandy ground does not permit constructing any work that is somewhat elevated without revetting it; whatever care one takes, it will be nothing other than a heap of sand.
Dutch transcription
Den 11. April 1782. „gadering expres beroepen, en tot facilitaatsie van dezelve legge ik de in deezen vermelde papieren voor uw Ed=s open bestaande in de volgende stukken 1. /. Aanmerkinge van den kapitain Jngenieur te Kolombo, Jan Brohier, over de bevestiging van den bedekten weg van koetsiem, met het daar toe gehoorende plan 2: / Bericht van den kapitain Militair Johan Georg Fombauar, nopens het plan van even gem: Brohier, meede verzelt van een daar toe gehoorende plan 3. / tweede Bericht van kapitain Fomnbauer met het daar toe gehoorende plan, betreffende het bastion Holland. 4. / Brief van den ondergeteekenden, van den 29. Maart Jongstleeden aan den weledele gest: Heer Raad extra ordinair van Neder„ „lands Jndien Willem Jakob van de Graaff, houdende verzoek om het advis van zijn weledele Gestr: nopens de aanstalten en mid„ „delen van defensie 5:/ Antwoord van zijn weledele Gestr: van den 6. deezer. 6:/ Bericht van het Hoofd der Milietsie den Majoor Fredrik von den Busch, de kapi„ tains Friederich von Sauer, en Johan George Fombauer, en den kommandant en Luite nant 2 besluit om aeze de bijlagen te inbereeren. Bericht van den kapt=n Jegeni„ cur Brohier nopens lomze vesting werken nant van de Artillerij Iakob Krause Ik heb de eer te zijn /:onderstond/ uwer Ed=s dienstwillige vriend /:was get:/ J: G: van An„ „gelbeek /:in margine:/ Koetsiem, den 11. April 1782. Alle welke papieren met aandacht geleezen en g'examineerd zijnde: zoo werd voor af met eenpaarigheid van slemmen goed gevonden en verstaan dezelve hier te insereeren, Nederduitsche vertaaling van de aanmerkingen van den Heer Bro„ „hier over de wapenplaatsen in den bedekten weg van de ves„ ting Koetsiem, in de fransche taale opgesteld. De vesting werken van koetsiem, kanon hebbende in de uitloopende en inspringende wapen, plaatsen van de bedekten was, waar van de embrasures gemaakt zijn in het be„ kleetzel van de glacie nodigen een vijand om zich daar van meester te maaken, om dat er niets is dat hun kan wederhouden alzoo de openingen van de embrasures het hem ge„ makkelijk maaken, om ze te bespringen na het afschieten van het kanon, maar zoo de inspringende wapen plaatzen worden Den 11. April 1782. verhoogt „ Den 11. April 1782. verhoogt met een klijne graft van 9. voeten beneeden, zal de opgaande schuinte van de bekleedzelen van de batterij en van de gloci„ deeze graft brengen tot de breette van 17. voeten en deeze graft diend te worden verdiept ge, „lijk met de oppervlakte van het water in de graft van de vesting, op dat de reegen die in deeze klijne graft valt, zich daar in ontlasten kan. Deeze batterijen op zulk eene wijze opgericht zullen bedekt zijn voor een onverwachte aan „val of een storm, voor al zoo de pallisaden van de bedekten weggeplant zijn op den af„ „stand van 3½. voet van het bekleedzel van de glaci, het geen formeeren zal een klijne graft die te ontzaggelijk zal zijn voor een vijand om eene zo roekelooze onderneeming te durven waagen Om een diergelijk werk ter uitvoer te brengen moet de linie van de borstweering van de glaci /:zo als dat blijkt bij het plan van koetsien:/ formeeren het binnenste bekleedzel van de borstweering van de batterij, en men moet de borstweering graft en bekleedzel van de glaci 43. voeten uitzetten, volgens het plan en profil van het projekt hier nevens leggende wat aangaat de 4. inspringende wapen„ „plaatsen aan de zuid Oost kant zo dezelve worden L Aanmerkingen van den kapitain Fomnbauer op dat bericht worden geretrancheerd na het projekt, zul„ „len ze de uitloopende hoeken van de glacie door 10. stukken kanon dekken te weeten 5. stukken aan elke faci van deeze insprin „gende wapen plaatsen, en de musketschooten van de bedekten weg, wel voorzien zijnde met pallissaden, zullen de plaats voor een verrassing bedekken, en de vijand zeer hinde„ „ren in den voortgang, van zijne aannade, „ring, aangezien de uitspringende wapen plaatsen al te klijn zijn om ze te retran„ „cheeren en dat een goede pallissaden met dies banket veel beeter is, als de battarijen van die konstruksie als te zien is bij het plan van Koetsiem, Een goede Cunnet van 20. a 30. voeten, beneeden hebbende 6. voeten water in het midden van de graft, is in staat de voortgang van een vijand te beletten, wan„ „neer men de tijd of de middelen niet heeft om de graft te verdiepen, op eene genoeg„ saame wijze, dat is te zeggen ten minsten tot 6. voeten water door de geheele breette van de graft /:onderstond:/ voor de vertaa„ „ling /geteekend:/ C: S: wikkerman Aanmerkingen omtrend de getrancheerde wapen-plaat„ sen van den Heer Fombauer, Den 11. April 1782. uit uit het fransche vertaald Den voorslag die den titul voert van pro„ „jekt om de inspringende wapen-plaatsen te verbeeteren etc: komt mij onuitvoerlijk voort schoon dit een zeer goed werk in zijn zoort is, want de Lunette moetende werden ver„ „hoogt, ten minsten twaalf voeten boven de ordinaire grond, heeft den autheur daar toe niets anders dan een gragt breed, van boven 13. voeten van onderen 9. voeten en diep 6. voeten, gelijk men zien kan bij het profil; Een enkeld opslag van het oog is genoeg om te doen zien, dat deeze gragt niet fourneeren kan de noodige aarde tot het oprigten van de lunetten, ondertusschen na de bereeke ning die ik 'er van gemaakt heb mankeert er meer dan vier maal honderd duizend kub ik voeten aarde —. De autheur word dier„ „halven verzocht de middelen aantewijzen om die te vinden. Boven dien moet er aarde zijn voor de bonnets aan de uitloopende hoeken van de wapen-plaatsen en om de glaci eenige voeten te verhoogen. - Noch moet men aanmerken, dat de zandige grond niet toelaat om eenig werk dat wat verheeven is aanteleggen, zonder het te be„ kleeden wat zorg men ook voordraagt, zal het niet anders dan een hoop zand zijn Den 11. April 1782. Jk zul„ lacie
English
For some time I have recognized all these difficulties. One must be on the spot to grasp things clearly. My proposal is to retrench the places of arms. At a distance of 24. feet from the revetment of the glacis from the outside, there should be made a dry ditch, 4. to 6. toises wide, according to the convenience of the site, and according to the earth that will be needed for other purposes. This ditch must be made everywhere so deep that it is nearly level with the main ditch of the fortress. The palisades that currently stand on the banquette must be placed in the ditch, leaning in the same manner as the outer revetment of the ditch at a distance of 3. to 4. feet. Three feet below the crest of the glacis, or rather of the parapet, a berm must be left, which must be covered with storm-poles. In the parapet, including the two small flanks that will be erected, 13. embrasures for light cannons must be made, of which one on the capital line, four toward the land side, four along the glacis, and four others along the covered way on the inside. About half of the face of the place of arms should be made a few feet higher than the rest, that is to say, a bonnet must be made. The cannon platforms will each be separate, and between them a double banquette must be made. The communication must be maintained by rafts with blinds, which have already been ordered to be made. I shall give reasons why it is, so to speak, inevitable to retrench the places of arms. The garrison of koitsiem is too weak to be able to occupy the covered way with it in case of a general attack. One would need 5. to 6000. men for its defense, and thus it is certain that it will be taken by storm. One will doubt it less if one pays attention to what has happened in the present war, and to the bold and enterprising character of our enemies. But when one retrenches the places of arms, one can defend the covered way with twelve hundred men, and be in a position to hold one's ground against a larger force, or at least to make the taking of it bloody. Thus, one retrenches the places of arms so that the covered way is not taken by storm on account of the weak garrison. One can even defend the ditch of the place of arms when the cannons of the bastion that protect it have been dismounted; one only needs to place one of the rafts with blinds in the main ditch of the fortress, or a couple of small cannons on the berm, covering the gunners with wool bags. Moreover, one can increase the obstacles in this small ditch in various ways. Although the defenders, by this disposition, are masters of the covered way, not only to occupy the re-entering places of arms, embrasures must nevertheless be made in the salient places of arms through the glacis for some light pieces, in order to be able to make use of them in case of a formal attack. One must especially place a piece on the capital line, for from whatever side it may be, no piece faces as many targets as this one. To be convinced of this, one only needs to inspect a plan of attack. In case the places of arms were attacked by storm, one can defend oneself in the following manner. When the enemy has advanced to the foot of the glacis, one will fire the last shot with canister, pull back the cannon, and secure the half-palisade with the two wooden pins. One will bring the cannon backward near the counterscarp, and as soon as the enemy shows himself on the crest of the glacis, fire upon him. I assume the worst, that is, that after having fired a single cannon shot, we are obliged to retreat and abandon the cannons, for as long as the enemy has not constructed the cavaliers for the trench, one must not throw the cannons into the main ditch of the fortress when one does not have time to save them. Let those who fear for these cannons say how the enemy can make himself master of the cannons or spike them, flanked as the covered way is with four cannons or with 80. muskets. There are only two means to take the retrenched place of arms: either the enemy must drive away those who defend it by a multitude of bombs, grenades, and stones, or he must cut off the communication with the main rampart of the
Dutch transcription
La Jk heb zeeder eenige tijd alle deeze zwaarig„ „heeden ingezien, Men moet op de plaats zijn om de dingen duidelijk te bevatten. —. Mijn voorslag is de wapenplaatsen te retranchee„ „ren -. op den afstand van 24. voeten van het bekleedzel van de glaci van buiten diend 'er gemaakt te worden, een drooge gragt, breed van 4. tot 6. toisen, volgens de geleegentheid van de plaats, en volgens de aarde die men noodig zal hebben, tot andere oogmerken Deeze gragt diend over al zoo diep te worden gemaakt datze ten naasten bij gelijk is met de hoofd gracht van de vesting. - Men diend de palissaden die thans staan op de banket, te zeitten in de graft, overhellende op gelijke wijze als het buitenste bekleedzel van de graft op den afstand van 3. a 4. voeten. Drie voeten onder de kroon van de Glaci of eigentlijk van het parapet, diend men een berm te laaten die men met stormpaalen moet dekken. - Jn het parapet, daar onder begreepen de twee klijne flanken die opge„ rigt zullen worden, diend men te maaken 13. embrasures voor ligte kanons, waar van een op de kapitaale linie, vier na de land kant, vier langs de glaci, en vier andere langs de bedekte weg van binnen - omtrend de helfte der face van de wapenplaats diend Den 11. April 1782. men Den 11. April 1782. nen eenige voeten hooger te maaken dan de rest, dat is te zeggen men moet een bonnet maa„ ken De konon beddigs zullen elk op zich zelve zijn, en tusschen dezelve diend er te worden ge„ „maakt een dubbeld banket. - De kommuni kaatsie diend te worden onderhouden door vlot„ ten met blindes die men reets heeft laaten maaken Jk gaa- reeden geeven waarom het om zoo te spreeken onvermijdelijk is om de wapen„ „plaatsen te retrancheeren. Het garnisoen van koitsiem is te zwak om den bedekten weg daar mede te kunnen, bezetten, ingevalle van een generaale attaque. —. Men diende tot haare deffensie te hebben 5. a 6000. Man, en dus is het zeeker, dat ze stormenderhand zal worden ingenoomen. - Men zal er minder aan twijffelen als men agt geeft op het ge „passeerde in de tegenswoordigen oorlog, en op het stout en onderneemend karakter van onze vijanden -. Maar wanneer men de wapen-plaatsen retrancheert, kan men met twaalf honderd Man de bedekten weg defendeeren, en in staat zijn van zich staande te houden tegens een grooter magt, of ten minsten het neemen daar van bloe„ „dig te maaken —. Dus retrancheert men de wapenplaatsen op dat de bedekten weg uit hoofde La hoofde van het zwakke Garnisoen stor„ menderhand niet word ingenoomen. Men kan de graft van de wapen-plaats zelfs als dan deffendeeren, wanneer de kanons van het bolwerk die dezelve beschermen, zullen zijn gedimonteerd; men behoeft maar alleen een der vlotten met blindes te plaatsen in de hoofd gragt van de ves„ „ling, of een paar klijne kanons op de berm dekkende de kannoniers met wollen zak„ ken. —. Boven dien kan men de verhinderin, „gen in deeze klijne graft op verschijde wij ze vermeerderen -. Schoon de verdiedigens door deeze disposietsie meesters zijn van de bedekte weg, niet alleen te bezetten de inspringende wapen-plaatsen diend er echter in de uit„ loopende wapenplaatsen embrasures ge „maakt te worden door de glaci voor eenige ligte stukken, ten einde daar van gebruik te kunnen maaken, ingevalle van een for„ „meele attaque. - Men diend voornaament„ „lijk een stuk te plaatsen op de kapitaale li „nie, want van welke kant het ook zij, ont, moet geen stuk zo veel voorwerpen als dit Men behoefd om zich hier van te overtuigen maar in te zien een plan van attaque Jngevalle dat de wapen plaatsen stormen„ „derhand wierden aangevallen, kan men Den 11. April 1782. zich Den 11: April 1782. zich op de volgende wijze verweeren Wanneer de vijand genaderd is tot aan de voet van de glaci, zal men de laatsten schoot doen, met schroot, het kanon te rug trek„ ken, en de halve pallisaad vastzetten door de twee houte pennen. - . Men zal het ka„ non agterwaards brengen bij de kontrescarp„ en zo dra als de vijand zich vertoond op de kroon van de glacie, op hem schieten Jk veronderstelle het ergste dat is, dat we na een enkeld kanon schoot te hebben gedaan, verpligt zijn te retireeren en de kanons te verlaaten, want zoo lange de vijand niet gemaakt heeft de kavaliers voor de trancha moet men de kanons niet werpen in de hoofd graft van de vesting wanneer men geen tijd heeft om te te sauveeren laaten die geenen die voor deeze kanons vreezen zeggen, hoe de vijand zich kan meester maaken van de Kanons of dezelve vernagelen, ge„ „flankeerd zo als de bedekte weg is met vier kanons of met 80. geweeren Daar zijn maar twee middelen om de ge„ „retrancheerde wapenplaats te neemen, of de vijand moet die geene die ze deffendee, „ren verjaagen door een menigte van bom „men, granaaten en steenen of hij moet de kommunikaatsie met de hoofd wal van de