Inventory 10312
Malabar · 1,900 pages · 387 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
cut off the fortress by erecting cavaliers on the glacis. In the first case, I assume that the garrison will construct a half-gallery of woodwork, and with regard to the second case, that the cannons of the small flank will make the erection of cavaliers very difficult. Is it good, is it even necessary to defend the covered way with cannons? This is a question that deserves no serious answer. The proposal for it was made in the fifteenth century; it has since been renewed by several engineers, but finally a famous general and an enterprising nation brought it into use. In our time this is an established rule; consequently, one is permitted to acquiesce in the reasons that support it, but there are particular circumstances regarding the fortress of Koetsiem. Aside from the ravelin before the New Gate and the lunette between the bastion Holland and Gelderland, Koetsiem has no outworks. Meanwhile, there are more than 200 pieces of cannon there. How shall one use these pieces, which, when well served, must produce terrible effects? Must one store them in the arsenal, or must one, well preserved, surrender them to the enemy? 11 April 1782. His report regarding the bastion Holland. By proceeding in such a manner, one would betray the Company. It is therefore necessary to place the lightest cannons in the covered way. Even if some were to be captured, although it is not so easy, and even if some were to be ruined and the carriages shot to pieces, these destroyed remains will be as many trophies of victory for the garrison, for the Governor, and consequently for the nation. Koetsiem, 5 March 1782. Was signed: I. G. Fornbauer. Below stood: for the translation: C. S. Wikkerman. Inquiry concerning a part of the fortifications of the city of Koetsiem by Mr. Fornbauer, translated from the French. It is since long that one has with reason regarded the bastion Holland as the weakest among the fortifications of Koetsiem; formerly, however, it was not so. One still sees the remnants of the sea that inundated the space which extends from the bastion Holland to the river. This rendered the place unapproachable from that side, but it simultaneously forced the engineer, in order to fortify a polygon angle that does not measure 80 degrees, to diminish some works and to construct others as the terrain best permitted. This space having become dry, there is room enough to be attacked from that side. The face A being defended only very obliquely by two cannons, the work B was very wisely constructed; but all this is not sufficient to be sheltered from an attack. If one wishes to assume that our enemies have a plan of the fortress and possess knowledge of the surrounding areas, they will certainly resolve to penetrate through face E, although it is defended by the opposite flank and by a part of the curtain wall. Everything contributes to it, the situation as well as the bastion itself. 1. The environs of Koetsiem, particularly on the east side, are swampy, and it is only along the sea on the south side of the city where there is a space, sometimes up to 40 toises wide, very loose and sandy, and situated higher than the rest. Such a terrain is undoubtedly better than swampy ground for constructing the approaches. One can quickly work deep into the ground, and if one only makes the trenches deep enough, one is covered from the fire of the fortress. The seaside is therefore the most suitable terrain for the approaches. 2. It is probable that the enemy will land on the south side of the fortress. Transporting heavy artillery is more difficult over swampy than sandy ground; the way is also much shorter when one goes along the sea to reach the city; consequently, the enemy will arrive before this bastion Holland. 3. The sea covers the left wing of the approaches. 4. The shore of the sea is not defended by a direct fire; that is to say, the head of the approaches is not harassed. From this it follows that the enemy will advance in a straight line from his first place of arms to the salient angle of the glacis, while he will have ruined the cannons of flank D by ricochets; he will advance with all haste, because as he approaches, he receives the fire more from the side. But one will say it is easy to make sorties from that side; this I admit, but to wish to correct the faults of a fortress by making sorties would be to admit the fault itself; moreover, the enemy will easily cover himself by half places of arms. And what damage will the garrison after all be able to inflict upon him? It will destroy a few toises of the enemy approaches, which will be repaired again in one night. The enemy will therefore attack the bastion Holland, because the seaside is not defended by direct fire. 5. The enemy will attack the bastion Holland because a cavalier stands upon it. It must appear strange to anyone that I dare to place this work, only recently constructed, among the faults of the fortress; yet it is not I, it is the art of fortification that condemns it. As far as I know, such a cavalier has never been proposed by either the ancient or the modern engineers; nevertheless, I find much similarity between this work and the lowered points of Mr. Bombelle, a French engineer. I ought to say that the lowered points are less defective than a cavalier, and that on a spacious bastion like those of Mr. Bombelle, the
Dutch transcription
2 de vesting afsnijden door kavaliers op de Glaci op te richten - Jn het eerste geval onderstel ik, dat het garnisoen maakt een halve gal„ „derij van houtwerk, en ten aanzien van het tweede geval, dat de kanons van de klijne flank het oprigten van kavaliers zeer moeielijk maaken Is het goed, is het zelfs noodzaakelijk de bedekte weg met kanons te diffendeeren Dit is een questi, die geen ernstig antwoord ver„ diend. —. De voorslag daar toe wierd gedaan in de vijftiende Eeuw dezelve is zeeder ver „nieuwt door verscheide Jngenieurs, doch ein„ „delijk een beroemd Generaal en een onder„ „neemende Natie bragt het in gebruik. -. Jn onze tijd is dit een vaste reegel, gevolglijk is het gepermitteerd om te berusten in de reede„ nen die daar voor zijn, maar daar zijn be„ zonderheeden omtrend de vesting van koetsiem. Buiten het Ravelijn voor de nieuwe Poort en de lanette tusschen het bolwerk Hol„ „land en Gelderland, heeft koetsiem geene bui„ „ten werken. Ondertusschen zijn daar meer dan 200. stukken kanon Hoe zal men die„ ze stukken gebruiken, die wel bediend wor„ „dende van verschrikkelijke uitwerkingen moeten zijn Moet men ze in het arse„ „naal bergen of moet men ze wel bewaard Den 11. April 1782. aan deszel het bo Den 11. April 1782. deszelfs berich, nopens het bolwerk Holland aan de vijand overgeeven? Men zoude door op die wijze te werk te gaan, de komp: verraa„ „den. Het is dus noodzaakelijk de ligste kanons te plaatsen in de bedekte weg. - Mog„ ten er ook eenige worden vermeesterd, schoon het zoo gemakkelijk niet is, en mogten 'er eenige worden geruineerd en de affuiten in stukken geschooten, zullen deeze verstroorde overblijfsels zoo veel zegen teekens zijn voor het garnisoen, voor de Goeverneur en bij„ gevolg voor de Natie. Koetsiem den 5: Maart 1782. /was getc:/ I: G: Fornbauer /:onderstond:/ voor de ver„ „taaling:/ C: S: wikkerman Onderzoek, betreffende een ge„ deelte van de vestingwerken van de stad Koetsiem van den Heer Fornbauier uit 't fransch vertaald Het is zeeder lange dat men met reede het bolwerk Holland heeft aangemerkt voor het zwakste onder de vestingwerken van koetsiem, van te vooren is het echter zoo niet geweest, men ziet noch de overblijselen van de zee die de ruimte overstroomde, wel„ ke zich strekt van 't bolwerk Holland af. 2 Den 11. April 1782 af tot aan de Rivier. Dit maakte de plaats van die kant ongenaakbaar, doch het nood„ zaakte te gelijk de Jngenieur om een poligom hoek te versterken, die geen 80. graaden heeft eenige werken te verklijnen en andere zoo te maaken als het terrein dat best toeliet. Deeze ruimte droog geworden zijnde is er plaats genoeg om van die kant te worden geattakeerd. De face A: maar zeer oblig gede„ „fendeerd wordende door twee kanons, heeft men zeer wijslijk aangelegt het werk B: maar dit alles is niet toerijkende om voor een aanval beschut te zijn, zoo men wil veronderstellen, dat onze vijanden een plan hebben van de vesting en kennisse bezitten van de omleggende plaatzen, zullen ze zeeker besluiten om door de face E. in tedrin„ „gen, schoon ze gedefendeert word door de tegen overstaande flank, en door een gedeelte van de gordijn. - Alles kontribueerd er toe zo wel de geleegentheid als het bolwerk zelfs 1. / De environs van koetsiem voornamentlijk aan de Oost kant zijn moerassig en het is alleen langs de zee aan de zuid kant van de stad, alwaar een ruimte is zomtijds breed tot 40. toisen toe zeer los en zandig en hooger geleegen dan de rest zulk een terrain is ongetwijffelt beeter dan een moerassige grond Den 11. April 1782 grond om de approches aanteleggen. Men kan schielijk diep in de grond werken, en als men maar de loop graaven diep genoeg maakt, is men bedekt voor het vuur van de vesting: De zee kant is dus het bekwaam, ste terrain voor de approches. 2. / Het is waarschijnlijk, dat de vijand aan de zuidkant van de vesting landen zal Het vervoeren van het zwaar geschut is moeielijker over een moerastige dan een zandige grond, ook is de weg veel korter wanneer men langs de zee gaat om bij de stad te koomen, gevolglijk zal de vijand voor dit bolwerk Holland aankoomen 3. / De zee dekt de linker vleugel van de ap„ „proches 4. De oever van de zee word niet defendeerd door een direkt vuur, dat is te zeggen het hoofd van de approches word niet ontrust Hier uit volgt dat de vijand van zijne eer„ „ste wapenplaats in een regte linie gaan zal na de uitloopende hoek van de glaci„ terwijl Hij door de ricochets zal hebben gerui„ „neerd de kanons van de flank D. hij zal met alle haast naaderen, wijl na maate dat Hij naadert Hij het vuur meer van ter zijde krijgt. Maar men zal zeggen het is gemakkelijk van die kant uitvallen te doen doen, dit beken ik, doch om de fouten van een vesting te willen verbeeteren door uitval„ len te doen, zoude zijn de fout zelfs te wil„ „len toestemmen, ten anderen zal de vijand zich ligt dekken door halve wapenplaatsen. En wat zal hem het garnisoen toch voor schaade kunnen toebrengen ? Het zal eeni„ ge toisen van de vijandelijke approches ver„ „nielen, die in een nacht weeder zullen gerepa„ „reerd zijn. –. De vijand zal dus het bolwerk Holland attakeeren wijl de zee kant door geen direkt vuur word gedefendeert; 5. / De vijand zal het Bolwerk Holland attaker„ „ren om dat er een kavalier op staat Het moet iemand vreemd voor koomen, dat ik dit werk nu kortelings aangelegd durf stellen onder de fouten van de Vesting, doch ik ben het niet, het is de vesting bouw konst die het afkeurd. zoo veel ik weet ik zulk een kavalier noch door de oude noch door de hedendaagsche Jngenieurs noit voorgestelt, echter vind ik veel overeenkomst tusschen dit werk en de verlaag„ „de punten van de Heer Bombelle fransche Jngenuur. Jk diene te zeggen, dat de ver„ laagde punten minder gebrekkig zijn dan een kavalier, en dat men op een ruime bastion gelijk die van de Heer Bombelle Den 11. April 1782. de
English
11 April 1782. can permit lowered points, but the angle of the bastion Holland has no more than approximately 74 degrees. Consequently, that which was good on a spacious bastion becomes disadvantageous on a narrow bastion; moreover, Bombelle only made lowered points, but on Koetsiem a cavalier has been constructed. Let one pay heed, in the profile of the cavalier, to its situation and utility. The parapet is only 5 feet of masonry, whereas it ought to be 8 or 10, because kapok stones, not having the hardness of baked bricks, and furthermore being used in larger pieces, result in less mortar in a wall of kapok stones than in one of baked bricks. For this twofold reason I maintain that, of two walls of equal height and thickness, the one of baked bricks will be more difficult to breach by cannon than the one of kapok stones. There is also yet another reason, namely, that the cavalier, by its height, is exposed to the first attacks of the enemy, and that it should therefore be capable of offering some resistance against the fury of the assault. 11 April 1782. assault. Its profile is therefore too weak. When one considers its situation alone, one sees that the enemy can erect a battery wherever it pleases him and destroy the greatest part of the cavalier. To make matters worse, it is enfiladed and seen from the rear, so that a single cannon shot sweeping its flank can overturn a pair of cannons along with those who man them. The Engineer, having noticed this drawback, sought to remedy it by covering it with a single wall, but this remedy is even worse. The flying splinters will injure those who are on the bulwark, and the space between the cavalier and the point of the bulwark will be filled with falling debris. This cavalier, poorly constructed, has thus rendered more than a third of the faces useless. Finally, what is the utility of this cavalier? It sweeps the field in front of the salient angle when it is not necessary, and it sweeps nothing when the enemy has reached the capital line. I do not see why it was made, if not only 11 April 1782. only to remain master of a small height that is close to the sea and extends along the seashore. To command this height, it would only have been necessary to make its slope somewhat gentler in the vicinity of the fortress, which costs infinitely less effort than constructing any work. Thus, its utility is not essential. It is harmful, for it occupies the interior space of the bulwark so that the garrison cannot entrench itself in the gorge of the bastion, a defect common to all cavaliers constructed on a bastion. If the garrison does not entrench itself, it cannot await the assault that the enemy will undertake against the bulwark; if it cannot await the assault, the place must be surrendered as soon as the covered way is lost; if one surrenders after the loss of the covered way, what purpose then does the main rampart serve? Suppose there were still room enough for an entrenchment, does the enemy not have a strong battery by placing himself behind the cavalier? He needs only to make embrasures in the rampart of the cavalier; if he does not wish to take the trouble 11 April 1782. of raising his battery by a few feet, he can then fire upon the entrenchment in the town, and it remains to be seen whether he will then still be willing to grant honorable terms to the vanquished. But it will be said: is it certain that the enemy knows all these disadvantages? It may be that he does not know them, and that he will make the attack from another side; meanwhile, I dare not believe that the enemy would fail to profit from so many advantages. To remedy the fourth defect, I have proposed an outwork, the purpose of which is to sweep the seaside, an advantage such that the enemy, instead of advancing straight toward the salient angle of the glacis to avoid being enfiladed, is forced by this work to advance in zigzags almost to the end of the extended capital line of the bastion Holland. This fleche has one face toward this terrain, and I have made the other terminate at the sea to be better protected against ricochet shots. The parapet of the first face shall have a thickness of at least 20 feet, but the other no more than 10 11 April 1782. to 12 feet, since it cannot be fired upon by cannon. The ditch of the first face shall be defended by two cannons placed at E, and the ditch of the other by a cannon from the small flank. The ditches shall have 6 feet of water; if not, the berm shall be reinforced with fraises, or leaning palisades shall be placed in the ditch. Whichever of these obstacles is used around here, it is all the same. The work shall be raised only 3 to 4 feet above the common ground in order to better sweep the terrain. The communication with the covered way is effected by means of a lowered gallery, covered on the land side by a parapet in the form of a palisaded glacis and closed toward the fortress as well as the gorge of the fleche with palisades simply set into the ground, in order not to be surprised in case of attack. The palisades are everywhere defended by cannon if they are planted according to the dotted line. In this place there is nothing but barren sand; consequently, better soil would have to be brought in to make the parapet, which must be covered
Dutch transcription
Den 11. April 1782. de verlaagde punten toestaan kan, maar de hoek van de bastion Holland heeft niet meer dan 74. graaden omtrend: Bij gevolg het geen goed was op een ruime bastion word nadeelig op een smalle bastion, ook heeft Bombelle maar verlaagde punten gemaakt, maar op koetsiem heeft min een kavalier aangelegd laat men agt slaan bij het profil van de kavalier, op dies geleegenheid en nuttigheid De borstweering is maar van 5. voeten met „selwerk, terwijl ze van 8. of 10. zoude dienen te zijn, want de kapoksteenen de hardig heid niet hebbende van de gebakken steenen en boven dien aan grootere stukken ge bruikt wordende komt er in een muur van kapoksteenen minder kalk dan in een van gebakke steenen. Om deeze dubbelde reeden houde ik staan„ „de, dat van twee muuren van gelijke hoog„ te en dikte, die van gebakke steenen mocie„ lijker door het kanon zal te breeken zijn dan die van kapoksteenen, ook is er noch een reeden namentlijk, dat de kavalier door zijn hoogte bloot gesteld is aan de eerste aanvallen van de vijand, en dat Hij dier halven in staat diende te zijn, om eenige teegenstand te doen tegen de woede van de attake 2 Den 11. April 1782. attake. Dus is zijn profil te zwak. Wanneer men zijne situatie alleen be„ tragt, ziet men dat de vijand overal waar het hem behaagt een battarij kan opwerpen en het grootste gedeelte van de kavalier vernielen. Tot een overmaat van ongeluk word Hij g'enfileerd en van agteren gezien zodanig dat een enkelde kanon schoot die zijn flank bestrijkt, een paar kanons met de geene die ze bedienen kan, om ver„ „schieten. De Jngenieur dit inconvenient bemerkt hebbende, heeft het willen verhel„ „pen door het met een enkelde muur te dekken, doch dit middel is noch erger. De afspringende stukken zullen die geene kwetsen die zich op het bolwerk bevinden en de plaats tusschen de kavalier en de punt van het bolwerk zal van de afval„ lende brokken worden opgevult. —. Dee„ „ze kavalier kwaalijk aangelegd, heeft dus meer als een derde van de faces onbruikbaar gemaakt. Eindelijk wat is de nuttig„ „heid van deeze kavalier " Hij bestrijkt het velt voor de uitloopende hoek wanneer het niet noodig is, en Hij bestrijkt niets wanneer de vijand aan de kapitaale linie zal zijn gekomen. Jk zie niet waar„ „om men dezelve gemaakt heeft, als al„ „leen Den 11. April 1782. „leen om meester te blijven van een klijne hoogte, die digt aan zee is, en zich langs de oever van de zee uitstrekt: —. om deeze hoogte te bedwingen hadde men alleen noo„ „dig gehad om de helling daar van wat do„ ceerende te maaken, in de na bijheid van de vesting, het geen oneindig minder moei„ „te kost, als het aanleggen van eenig werk. Dus is, zijn nuttigheid niet weezentlijk Hij is schaadelijk, want Hij bestaat de binnen ruimte van het bolwerk zoo dat het garnisoen zich niet verschansen kan, in de keel van de bastion, een gebrek eigen aan alle kavaliers die aangelegd worden op een bastion. —. zoo het garnisoen zich niet verschanst kan het de storm niet afwagten die de vijand op het bolwerk onder„ neemen zal, zo het de storm niet afwagten kan, moet men de plaats overgeeven zoo dra de bedekte weg verlooren is, zoo men zich overgeeft na het verlies van de bedekte weg waar toe diend dan de hoofd wal r veron„ „derstel dat er noch ruimte genoeg was voor een retranchement, heeft de vijand dan niet een sterke batterij met zich te plaat„ „zen agter de kavalier. " hij behoeft maar embrasures te maaken in de wal van de kavalier wil Hij zich de moeite niet geeven 2 Den 11. April 1782. geeven van zijne battarij eenige voeten te verhoogen, dan kan Hij het retranche ment in de stad beschieten, en het zal te bezien staan, of Hij als dan noch honora„ „ble voorwaarden aan de overwonne zal willen toestaan Maar men zal zeggen is het zeeker dat de vijand alle deeze nadeelen weet. Het kan zijn dat Hij ze niet kend, en dat hij de at„ „taque van een andere kant doen zal, onder„ „tusschen durf ik niet gelooven dat de vijand van zoo veel voordeelen niet zoude weeten te profiteeren Om het vierde gebrek te verhelpen, heb ik voorgeslaagen een buitenwerk, waar van het oogmerk is om de zee kant te bestrijken een voordeel dat de vijand in plaats van regt uit tegaan na de uitloopende hoek van de glaei om niet g'enfileerd te worden, door dit werk genoodzaakt is te gaan in zic zac tot bij na aan het end van de verlengde kapitaalen linie van de bastion Holland Deeze pijl of fleche heeft de eene face na dit terzijn, en ik heb de andere doen uitkoomen aan de zee om te beeter gedekt te zijn tegen de rekochet schooten. . . De borstweering van de eerste face zal ten minsten hebben 20. voe„ „ten dikte, doch de andere niet meer dan 10. Den 11. April 1782. 10. â 12. voeten, wijl ze door het kanon niet kan worden beschooten. - . De graft van de eerste face zal gedefendeert worden door twee kanons, geplaatst op E: en de graft van de an„ „dere door een kanon van de klijne flank De graften zullen hebben 6. voeten water zoo niet zal men de berm met stormpaalen versterken of men zal overhellende pallissa„ „den zetten in de graft. -. welke van deezen hinderpaalen men hier omtrend gebruikt is het om het eeven. Min zal het werk eenelijk 3. a 4. voeten boven de gemeene grond verhoogen om beeter de kant te kun„ „nen beschieten. —. De kommunikaatsie met de bedekte weg geschied door middel van een verlaagde gallerij, bedekt aan de lant kant door een borstweering in de gedaante van een gepallisadeerde glaai en geslooten na de kant van de vesting zo wel als de keel van de fleche met pallissaden een„ „voudig in de grond gezet, om ingevalle van attaque niet te worden verrast, De palissa„ den worden overal door het kanon gedefen„ deerd als men ze plant na de gepunkteerde Linie. op deeze plaats heeft men niet dan barre zand, gevolglijk zoude men beetere aarde moeten laaten haalen om de borst weering te maaken, welk diend te worden bedekt
English
covered with sods. The entrance to the gallery will be closed by a traverse or transverse cut. One sees at a glance that the enemy, having made himself master of the fleche, finds nothing to cover himself from the fire of the covered way; the defenders need only set fire to the palisades which close the gorge before they abandon the fleche. As regards the cavalier, the only remedy is to have it demolished; by removing this work one strengthens the bastion. I request to take the advice of an intelligent Engineer on this matter. For the rest, I ask for the indulgence of any Engineer whom my reasoning might offend. It is neither the desire to distinguish myself as an Engineer nor the inclination to criticize that has produced it, but it is my duty that has made me point out the defects, as I am fully convinced of everything I have demonstrated and I have on my side the testimony of the most celebrated Engineers. Koetsuim, the 5th of March 1782. Signed: I. G. Fornbauer. Below stood: for the translation, signed: C. S. Wikkerman. Letter from the Lord Commander van Angelbeek to the Noble Lord van de Graaff concerning the fortification and defense of Koetsien. The 11th of April 1782. To the Right Honorable, Severe Lord Willem Jacob van de Graaff, Extraordinary Councillor of the Dutch Indies. Right Honorable, Severe Lord, I have endeavored to make use of the presence of Your Right Honorable, Severe Honor, also with regard to the service of our Lords and Masters, by asking Your Right Honorable, Severe Honor in these perilous times of war for good counsel concerning the measures for the defense of this fortress, being assured that Your Right Honorable, Severe Honor will gladly take upon himself the trouble caused thereby. With this aim, I present herewith to Your Right Honorable, Severe Honor the secret resolution of the 19th of July, in which the first and principal measures are described, and I request you to express your thoughts thereon and to assist me with your good advice. I had already early on, with the same purpose, sent this resolution and the plan for the improvement of the covered way to the Noble Lord Falck at Kolombo, who had the same examined by the skilled Engineer Captain, Brohier, and sent me his remarks, entailing that the places of arms before the curtains ought to be retrenched according to a plan which he has attached thereto. Before this document and plan were received from Kolombo, the no less skilled Captain Fornbauer, who had arrived here from Europe in the meantime and was also consulted by me regarding the fortification of Koetsiem, had already indicated that the places of arms must be secured by a ditch with palisades and storm-poles, so that both Engineers, without knowing anything of each other, agree on the main point, although they differ from each other in the manner of execution. I have therefore requested the further reflection of Captain Fornbauer in writing, in order to be able to judge both designs the better, and His Honor has handed the same over to me along with the plan for it, which I therefore also lay before Your Right Honorable, Severe Honor. I am convinced of the great utility of this work, but dread the expenses that will have to be spent on it. On the point Holland, a cut was made in the year 1778, with the good intention of firing better upon the glacis before that point and the seashore. This new work is judged very harmful, and Mr. Fornbauer is of the opinion that it should be razed, against which he proposes to construct a fleche to the side of that bastion. I likewise hand over to Your Right Honorable, Severe Honor his report submitted concerning this, with the request to assist me in this regard also with your wise counsel. I have the honor to be with all high esteem, Right Honorable, Severe Lord, Your Right Honorable, Severe Honor's obedient servant. Was signed: I. G. van Angelbeek. In the margin: Koetsuem, the 29th of March 1782. The 11th of April 1782. Answer from His Right Honorable, Severe Honor to the same. To the Right Honorable, Worshipful Lord Johan Gerard van Angelbeek, Commander over the Company's possessions on the Coast of Mallabaar. Right Honorable, Worshipful Lord! I have received Your Right Honorable, Worshipful Honor's letter of the 29th of March last, with a copy of the Koetsiem secret resolution, as well as two reports and the plans belonging thereto from Captains Brohier and Fornbauer, concerning the manner in which these gentlemen think the re-entering places of arms ought to be retrenched, as well as in what manner cannon could be placed in the salient places of arms. Besides the aforementioned papers, I have also received a report from Captain Fornbauer, relating solely to the Bastion Holland and the terrain lying opposite it. Apart from the very useful precautions that have already been carried out on the fortifications in accordance with the aforesaid secret resolution, as much as was possible according to the circumstances of the times, it appears to me that the retrenching of the re-entering places of arms, as well as the laying of bonnets before the salient places of arms for the preservation of this city, is of the most obvious utility. Regarding the design of Captain Brohier, Captain Fornbauer clearly points out that this plan does not furnish enough earth. This difficulty is provided for in the design of Mr. Fornbauer, which moreover, for several reasons indicated in his report, according to my
Dutch transcription
2 bedekt met zooden. Den ingang van de galderij zal geslooten worden door een tra„ „vers of dwarse afsnijding: Men ziet met een opslag van het oog, dat de vijand zichMi meester gemaakt hebbende van de fleche niets vind om zich te dekken voor het vuur van de bedekte weg, de verweerders be„ hoeven maar de pallissaden in brand te stee„ ken, welke de keel sluiten voor dat ze de fleche verlaaten Wat aangaat de kavalier, het eenigste middel is om die te doen wegbreeken, door dit werk wegteneemen versterkt men het bolwerk, jk verzoeke hier over het advis van een verstandige Jngenieur te willen inneemen Voor het overige verzoek ik om verschoo„ ning aan de Jngenieur die mijne rede„ neering zoude kunnen beleedigen. Het is noch de lust om als Jngenieur uit te stee„ ken, noch de geneigtheid van te berispen die dezelve heeft voortgebragt, maar het is mijn pligt die mij de fouten heeft doen aanwijzen, wijl ik volkoomen over„ tuigt ben van al het geene ik aangetoond heb en dat ik aan mijne zijde heb de getuigens van de beroemste Jngenieurs Koetsuim den 5. Maart 1782: /:was ge„ „diging Den 11 April 1782. „teekend man den E over zich Missive van den Heer Kom„ mandeur van Angelbeek aan, den Edelen Heer van de Graaff. over de bevestiging en verdee„ „diging van koetsien teekend:/ I: G: Fornbauer /:onderstond:/ voor de vertaaling /:geteekend:/ C: S: wikkerman Aan den weledele Gest: Heer Willem Jacob van de Graaff. Raad Extra ordinair van Ne„ „derlands Jndiën Weledele Gestrenge Heer Ik trachte mij de aanweezendheid van uwe weledele Gest: ook met opzicht tot den dienst van onze Heeren Meesters ten nutte te maaken, door uw weledele gestrenge in deeze hachlijke oorlogs tijden om goeden raad te vraagen, over de maatregelen tot de de„ „fensie deezer visting, verzeekerd zijnde, dat uw weledele gestr: zich de moeite, die daar door veroorzaakt word, gaarne zal getroosten Met dit oogmerk biede ik uw weledele gestr: hier nevens aan de sekreete resoluut„ sie van den 19. Julij, waar bij de eerste en voornaamste maatregelen beschreeven zijn, en ik verzoeke uwe gedachten daar over te uiten en mij met uwe goede raadgeevingen bij te staan. Jk hadde reets vroeg met het zelfde oogmerk deeze resoluuitsie en het plan tot verbeetering van den bedekten Den 11. April 1782. weg 2 weg, aan den Ed: Heer Falck te kolomboge, „zonden, die het zelve, door den kundigen Jngenieur kapitain, Brohier, heeft doen exa„ „mineeren en mij deszelfs remarques toegezon„ den, behelzende dat de wapenplaatzen voor de Courtines dienen geritrancheerd te worden, volgens een plan, het welk hij daar bij gevoegd heeft. -. Eer dit schriftuur en plan van ko„ „lombo ontvangen wierden, had de niet min„ „der kundige kapitain Fornbauer, die mid„ „deler wijle uit Europa hier aangekoomen en door mij over de bevesting van koetsiem mede geraadpleegd was, reets opgegeeven, dat de waapenplaatsen moesten beveiligd worden door een gracht met pallissaaden en storm„ „paalen, zoo dat beide Jngenieurs zonder van elkander iets te weeten, in de hoofd„ „zaak overeenstemmen schoon ze in de wijze van uitvoering van elkander ver„ „schillen, jk hebbe dus de nadere beden„ „king van kapitain Fornbauer in ge„ „schrift verzocht, om over beide ontwerpen te beeter te kunnen oordeelen en zijn E: heeft mij dezelven, met het plan daar toe overgegeeven, die ik dus meede voor uw wil„ edele Gestr: open leggen. Jk ben van de groote nuttigheid van dit werk overtuigd, doch zie tegen de kosten op, die daar toe zul„ Den 11. April 1782. len Ant edele Den 11. April 1782. Antwoord van zijn wel edele gest: op dezelve „len moeten besteedt worden. op de punt Holland is in het Jaar 1778. eene afsnijding gemaakt, met het goede oogmerk, om het glacis voor die punt en het zee strand beeter te beschieten. —. Dit nieuwe werk word zeer schaadelijk geoor„ deeld, en de Heer Fornbauer, van begrip, dat het diend geraseerd te worden, waar tegen„ hij proponeerd, ter zijde van dat bastion eene fleche aanteleggen. Jk stelle uw weledele Gestr: zijn hier van ingediend bericht mede ter hand, met verzoek, om mij ook hier omtrend met uwe wijze raadgeeving bij testaan Jk hebbe de eere met alle hoog achting te zijn /:onderstond:/ weledele Gestrenge Heer uwer weledele Gestr: Gehoorzaame Dienaar /:was get:t/ I: G:s van Angelbeek /:in margi„ „ne:/ Koetsuem den 29. e Maart 1782. Aan den weledele Achtb: Heer Johan Gerard van Angelbeek Kommandeur over 's Komp=s bezittingen ter kuste Mallabaar. Weledele Achtbaare Heer! Ik heb ontfangen uw weledele Achtb: Missive van den 29:e Maart Jongstleeden met 2 met een kopij koetsiemse sekreete resoluutsie, mits„ „gaders twee berigten, en de daar toe gehoorende plans van de kapitains Brohier en Fomnbauer, over de wijze, waar op deeze Heeren denken, dat de insprin„ „gende wapenplaatsen behoorden te worden gere„ trancheerd mitsgaders op wat wijze er kanon zoude kunnen werden geplaatst in de uitsprin„ „gende wapenplaatsen. Noch heb ik nevens de voorsch: papieren ont„ „vangen een berigt van de kapitain Fombauw, alleen betrekkelijk tot het Bastion Holland en het daar teegens overleggende terrein Buiten de zeer nuttige voorzorgen die bereeds ingevolge van de voorsz: sekreete resoluutsie aan de fortifikaatsien ter uitvoer gebragt zijn, zoo veel als dat na tijds omstandigheeden is mogelijk geweest, komt het mij voor, dat het re„ „trancheeren van de inspringende wapen „plaatsen zoo wel als het leggen van bonnets voor de uitspringende wapenplaatsen tot het behouden van deeze stad, is van een aller zigt„ „baarste nuttigheid, omtrend het ontwerp van de kapitain Brohier, wijst de kapitain Forn„ „bauer duidelijk aan, dat dit plan geenaarde genoeg fourneerd. Teegens deeze zwaarigheid is voorzien bij het ontwerp van de Heer Fom„ „baue, het welk boven dien om verschijde ree„ „denen, die bij zijn berigt zijn aangeweezen naar Den 11. April 1782. mijn
English
11 April 1782. should in my view be preferred, and I believe I can consequently advise Your Right Honorable with confidence to have this design, both with regard to the re-entering and the salient places of arms, carried out by Mr. Fornbauer as it stands, the sooner the better. As regards the report of Captain Fombauer concerning the Holland point: The good intention with which the cavalier standing upon this point was constructed is achieved in a more complete manner by the fleche proposed by Captain Fombauer; and the hindrances indicated by this gentleman that are caused to the Holland point by the aforesaid cavalier are too great not to decide immediately upon the construction of the aforesaid fleche, once the cavalier can be demolished with safety. I think it is necessary to have Captain Fombauer investigate whether the parapets of the main rampart, at least as far as the bastions are concerned, ought to be thickened, and whether it would not be better to have their revetments, especially of the merlons, made of baked bricks instead of the laterite stones that have been used for that purpose until now. Also, wooden gun platforms ought to be manufactured instead of the stone platforms, which ought to be demolished. All the aforesaid works certainly cannot be done without great expense, but visibly necessary things, so far as their execution is possible, ought not to be neglected for any reason in the war in which we are currently involved, insofar as they may in any way serve to preserve a place of such great importance as is Cochin, both in itself and especially at the present time in relation to Ceylon, which Government can for a good part be provided from here with rice and other provisions, and even with native troops. The weight of this place is all the greater when one considers its favorable situation for being able to deliver provisions and other necessities, which can be purchased on this coast, to our fleets and to the French fleets on this side of the Indies; and these advantages, one cannot doubt, will be an additional reason for the English to attack Cochin, if not sooner, at least in the next upcoming good monsoon, as soon as they have the necessary force at hand for it. 11 April 1782. 11 April 1782. On the side of the Island of Vypeen opposite this fortress, the coconut trees that stood close to the river have been cut down, but there are still a multitude of small houses behind which the enemy would find great cover if he were to approach the city from this side, even if it were only with the intention of bombarding it. The Roman church in particular, which is quite a heavy building, is very dangerous in this respect, and I would therefore strongly advise having this church and everything else that stands within range of the cannon razed. I must confess there is some hardship in this, but in times of war everyone must bear that, and if the Company is fortunate enough to preserve this place, those who are affected by it can be compensated in one way or another. On these same grounds, I think that whatever on the landward side of the city is judged capable of being advantageous to an enemy in his approaches ought to be razed. For the defense of the place, it is absolutely necessary that there be a sufficient number of officers. I think that there ought to be no fewer than four captains for the European garrison, so that during a siege one can always have a captain of the day. The number of subaltern officers ought to be proportioned accordingly; and concerning the native troops, who ought to be increased somewhat further so far as good men are to be had, in order thereby to make up as much as possible for the shortage of Europeans, I would advise Your Right Honorable to divide them into battalions and to appoint European captains over them, and for each company of 100 men at least one subaltern European officer with a pair of European non-commissioned officers. The European officers and non-commissioned officers ought to apply themselves to learning the native language. The English, who draw very great services from their sepoys, give the officers who are posted with them a small monthly gratuity as soon as they can speak the native language; they have two European subaltern officers with each company of sepoys, and a European captain over each battalion; and everyone who knows what native troops are will readily acknowledge that, if anything good is to be accomplished with them, they must be led by European officers. Among the native troops at Cochin, the Christians, in comparison with the others, have too small a wage. They 11 April 1782. receive
Dutch transcription
Den 11. April 1782. mijn inzien diend te worden geprefereerd, en denke uw weledele Achtb: bij gevolg met ge„ „rustheid te kunnen raaden om dit ontwerp, zoo wel met betrekking tot de inspringende als tot de uitspringende wapenplaatsen, hoe eer zoo beeter door de Heer Fornbauer te laaten uit„ voeren zoo als het legt. Wat aangaat het berigt van de kapitain Fombauer over de punt Holland. - . Het goede oogmerk waarmeede op deeze punt aangelegd is, de daar op staande kavalier, word op een meer volkoomen wijze berijkt door de bij de kapitain Fombauer voorgestelde pijl /:fleche / en de hin„ „dernissen die deeze Heer aanwijst, dat door de voorsz: kavalier aan de punt Holland toege„ bragt worden, zijn te groot, om niet daade„ „lijk te besluiten tot het aanleggen der voorsz: pijl, wanneer de kavalier met gerustheid kan worden weggebrooken Jk denke, dat het noodig is om door den kapitain Fombauer te doen onderzoeken of niet de borstweeringen van de kapitaale wal„ immers zoo veel de bastions aangaat, behooren te worden verdikt, en of het niet beeter was de bekleedselen daar van, inzonderheid van de meerlons te laaten maaken van gebakke steenen in steede van kapok steenen, die tot nu toe daar toe zijn gebruikt. Ook dienen er houte ans 2 houte kanon beddings te worden vervaardigd in steede van de steene beddings, welke be„ hooren te worden weg gebrooken. Alle de voorsz: werken kunnen zeekerlijk niet zonder groote kosten gedaan worden, doch zigtbaar noodzaake„ „lijke dingen voor zoo verre de exekuutsie daar„ van moogelijk is, dienen in den oorlog, waar in we thans ingewikkelt zijn, om geen reeden te worden nagelaaten, voor zoo verre ze eeniger„ maaten dienen kunnen, om te behouden een plaats van zoo groot aanbelang als is koetsiem zoo op zich zelve als inzonderheid in de tegen„ „woordige tijd met relaatsie tot Ceilon welk Goe„ „vernement over een goed gedeelte van hier met rijst en andere levensmiddelen en zelfs met in„ „landsche troepen kan werden voorzien. het ge„ „wigt van deeze plaats is te grooter als men na„ denkt de voordeelige geleegenheid daar van, om bij de aan onze en aan de fransche vlooten aan deeze kant van Jndien te kunnen bezorgen provisien en andere noodwendigheeden die min ter deezer kuste inkoopen kan, en deeze voordeelen, men kan daar aan niet twijffelen, zullen voor de Engelschen een rede te meer zijn om zoo niet eerder, ten minsten in de naast koomende goede mousson koetsien aantelasten, zoo dra ze daar toe de noodige magt aan handen hebben. Den 11. April 1782. Op Den 11. April 1782. Op de kant van het Eiland Baipin tee„ „gens over deeze vesting zijnde klapperboomen die digt aan de rivier gestaan hebben, omge„ kapt doch daar staan noch een menigte klijne Huizen, waar agter de vijand groote bedekking zoude vinden, zoo hij van deeze kant de stad naderde, al was het ook alleen met oogmerk om ze te Bombardeeren. De Roomsche kerk in„ „zonderheid, dat een vrij zwaar gebouw is, is in dit opzicht zeer gevaarlijk, en ik zoude daar„ om zeer raaden om deeze kerk en alles wat voorts onder het bereik van het kanon staat te laaten raseeren. Jk moet het bekennen hier in steekt eenige hardigheid, doch in oorlogs tijden moet een ijder zich dat getroos„ „ten, en zoo de komp: gelukkig genoeg is om deeze plaats te behouden, kunnen die geene die daar bij geintresseert zijn, op de eene of de andere wijze worden te gemoed gekoomen. Op deeze zelfde gronden denk ik dat al wat aan de landzijde van de stad geoordeelt word een vijand in zijne aannaaderingen vorderlijk te kunnen zijn, behoord te worden geraseerd. Tot de defensie van de plaats is het vol„ strekt noodig, dat 'er een toerijkend getal of„ „ficieren is. Jk denke dat er niet minder dan vier kapiteins voor het Europeesche Gar„ nisoen dienen te weezen, op dat 'er bij een beleg altoos 2 altoos een kapitain de jour hebben kan. Het getal van de subalterne officiers behoord daar na te worden gepropossioneerd, en omtrend de Jn„ „landsche troupen die voor zoo verre er goed volk te krijgen is, noch wel wat dienden te worden ver„ meerdert, om het ontbreekende aan Europeeschen daar door zoo veel mogelijk te suppleeren, zouden ik uw weledele Achtb: raaden om die te ver„ „deelen in Battaillons en daar over aan te stellen Europeeschen kapitain en bij elke komp: van 100. Man ten minsten een subalterne Europeesche officier met een paar Europeesche onder officiers De Europeeschen officieren en onder officieren dienen zich toe te leggen om de inlandsche taal te leeren. De Engelschen die van hunne sipahis heele groote diensten trekken, geeven aan de officieren die daar bij geplaatst zijn een klijn mandelijks douceur, zoo dra ze de inlandsche taal spreeken kunnen ze hebben bij elke komp: sipaien twee Europeesche su balterne officieren, en een Europeesche kapitain over elk battaillon, en een ieder die weet wat de Jnlandsche troepen zijn, zal gereedelijk erken„ „nen, dat, zo er iets goeds meede zal worden uitgevoert, ze door Europeeschen Officieren moe„ „len worden aangevoert, onder de Jnlandsche troupen te koetsiem, hebben de kristanten, in vergelijk van de andere te klijne gagie. ze Den 11. April 1782. krijgen
English
The 11th of April 1782. receive no more than four rupees, and thus they should indeed enjoy a parra of rice or a couple of pacras velij monthly if they are to make ends meet in some measure, and if it might even be deemed necessary hereafter, in order to bind them more to doing their duty, I cannot see why one might not also increase their pay by one rupee; even then they would still have one rupee less than the Sipahis. One cannot protect oneself too much against a surprise, especially in the present war with the English, who are known by experience to be capable of the very boldest and most dangerous undertakings; against this, very good precautions have already been taken for the curtain between the points Stroomburg and Overijssel and for this latter point itself by placing a row of palisades along the riverbank; nevertheless, I think that for greater security it is very necessary that both the point Overijssel and the curtain between this point and the point Stroomburg be raised by at least another four feet or so. On the outside of the curtain, a small ditch could moreover be made, according as the terrain shall permit it, from which at the same time the earth necessary for the aforesaid raising can for a large part be obtained. I have the honour to be with all respect, It was signed: Right Honourable Sir, your Right Honourable's willing friend and servant, Signed: W. I. van de Graaff. In the margin: Cochin, the 6th of April 1782. Report from Major von den Busch, his Honour, concerning this subject. To the Right Honourable Commanding Sir, Johan Gerard van Angelbeek, Commander and Chief Authority on the Malabar Coast. Right Honourable, Respected, Commanding Sir, The undersigned have, in the presence of the Major, inspected the city and fortifications of Cochin, both with regard to the quartering of the garrison and with regard to a valiant defence, and find it necessary to show the following. In the quartering of the garrison, the main point is that those men who are not on duty are protected from the enemy's fire, except for bombs. Therefore, in the places behind the warehouse and the dispensary near the flagstaff tower, along the curtain of the bastion Groeningen, in the Company's garden, between the bastions Zeeland, Utrecht, and Holland, barracks can be built in times of siege, in which the men necessary for the defence of the fortifications shall lie. The construction is as follows: Every 12 feet in front of the inner revetment wall, beams 12 inches thick and 12 feet long must have one end inserted two feet deep into the revetment wall, and the other end joined onto the upright vertical beams, so that they together make an angle of 30 degrees. Crosswise over these, four beams 6 to 8 inches thick are nailed at equal intervals parallel to the revetment wall, without being let in; everything nailed over from above with planks at least 2 inches thick, or covered with fascines instead of planks, and covered with earth at least 2 feet high. Under each such section 6, and as it is made continuous, 7 to 8 men can lodge. As the wood, if erected in time, might rot before the place were besieged, all these beams, planks, or fascines can be prepared, and all parts numbered, holes made in the ground and the revetment wall, and the woodwork stored in magazines; if a siege comes, the barracks will be ready in 24 hours; if peace comes, the woodwork can be used for something else. Furthermore, the houses situated nearest to the curtains can be used for quartering in times of siege; one can use one to two rooms in each house for this purpose, and if necessary, pay the inhabitants quartering money. In the places remote from the attack, no great precaution is needed, and of those houses which are close to the attacked polygon, the roofs can be removed, and the walls covered with beams, planks, or fascines, and earth placed thereon; the same can be done with the barracks standing in the gorge of the bastions. The two large powder houses, the one between Utrecht and Vriesland, and the second between Holland and Gelderland, can also serve for quartering by means of placed beams and added earth. In the ravelin outside the Nieuwpoort, several hundred men can also lodge by means of barracks, who at the same time will serve as a reserve for the troops defending Stroomburg and Overijssel; for only the small sally port need be opened, and they are where it is needed in a few minutes. The enclosed space around the powder mill can serve as quarters for the wives of the sipahis and Christian women. Moreover, there still remain empty places on which the slaughter cattle in supply for the garrison can stand within a palisade enclosure. The small powder magazines on the bastions must be made with special care, using beams, fascines, and earth. With respect to the fortifications, the line from the command post to the tenaille galley all deserves serious strengthening. The works flank each other poorly, and in particular the curtain between Stroomburg and Overijssel is so low that two men helping each other can climb onto the wall, whereas the greatest strength of lines of this kind consists in height.
Dutch transcription
Den 11. April 1782. krijgen niet meer dan vier ropijen, en ze dienden dus wel een parra rijst of een paar pacras. Velij maandelijks te genieten zoo ze eeni„ „germaaten zullen rondschieten, en zoo het zelfs naderhand, ten einde hen meer tot wel doen te verbinden, mogte noodig geoordeelt wor„ „den, kan ik niet zien waarom men ze niet ook een ropij in gagie zoude moogen verhoogen ze zouden ook dan noch een repij minder hebben dan de Sipahis. — Men kan zich niet te veel dekken teegen een surprise inzonderheid in den tegenswoor„ „digen Oorlog met de Engelschen die men bij de bevinding weet, dat tot de aller Htoutste en gevaarlijkste onderneeming in staat zijn; voor de Gordijn tusschen de punten Stroomburg en Overijssel en voor deeze laatste punt zelve is daar teegens reeds een zeer goede voorzorge gebruikt door het zetten van een rei pullis„ „saden langs de rivier kant niet te min, denk ik dat het tot meerder zeekerheid zeer noodzaakelijk is, dat beide de punt over„ „ijssel en de Gordijn tusschen deeze punt en de punt stroomburg ten minsten noch een voet of vier worden verhoogt, Aan de buiten kant van de Gordijn zoude boven dien een klijne graft kunnen worden gemaakt, na maate dat het terzein dat toelaaten zal, waar Het daar In er„ hen h in L a Den 11. April 1782. bericht van den Majors von den Busch E: L: nopens dit on„ derwerp. waaruit teffens voor een groote gedeelte zal kunnen worden gevonden de noodige aarde tot de voorsz: verhooging. Jk heb de eer van met alle achting te zijn te zijn. /:onderstond:/ Weledele Achtb: Heer, uw weledele Achtb: dienstwillige Vriend en Die„ „naar /:was geteekend:/ W: I: van de Graaff /:in margine:/ Koetsiem den 6. April 1782. Aan den weledele Achtb: Gebiedende Heer Johan Gerard van Angelbeek, Kommandeur en Oppergebieder ter kuste Mallabaar. Weledele, Achtbaare, Gebiedende Heer. De Ondergeteekende hebben in presentsie van de Heer Majoor de stad en vesting werken van koetsiem, zoo wel in opzicht van de logeering van 't guarnisoen, als in opzicht van eene dappere verdeediging nagezien en vinden noodzaake„ „lijk volgendes aantetoonen Bij de logeering van 't garnisoen komt 't daar op aan, dat die geene Manschappen die niet in dienst zijn, voor het vuur van den vijand /: uitgenoomen Bomben :/ gedekt zijn Dierhalven kunnen op de plaatsen die agter het pakhuis en de Dispens bij de vlagge toosen zijn Den 11. April 1782. zijn, langst de gordein van 't bolwerk Groe„ „ningen, in de komp=s thuin, tusschen de bol„ werken Zeeland, utrecht, en Holland, ten tijden van belegering Barakken gebouwt worden, waarin de tot verdeediging der vesting werken, noodige Manschappen leggen de Construksion is. Het moeten van 12. tot 12. voet voor de bin„ „nenste bekleedings muur af 12. duim dikke en 12. voet lange balken, met het eene einde twee voet diep in de bekleedings muur inge„ laaten, en met het andere einde op den zink regten balken gevoegt, zoo dat zij eenen cirkel van 30. graaden te zaamen maaken. Dwars over deeze worden vier 6. a 8. duim dikke balken ingelijker ruimte paralleel met de bekleedings muur vast gespijkert, zonder ingelaaten! alles van booven met ten min „sten 2. duim dikke planken bespijkert, of met fachienen in steede van planken be„ „legt, en ten minsten 2. voet hoog met aarde bedekt, onder ieder zulken afdeeling kunnen 6. en terwijl het te zaamenhangd gemaakt word 7. tot 8. Man logeeren. Terwijl het Hout, indien het bij tijds opgeregt word, zoude kunnen verrotten, eer„ „der noch de plaats beleegert wierden zoo kunnen alle deeze balken, planken of Fa„ chinen zal de La Den 11. April 1782. „chinen klaar gemaakt, en alle deele nume„ reert gaaten in de grond en de bekleedings muur gemaakt en het houtwerk in magazeinen op be„ waart worden komt eene belegering zoo is de Barakken in 24. uuren klaar, wierd het vreede zoo is het houtwerk tot iets anders te gebruiken. Verders kunnen de het naast aan de Gor„ „deinen leggende Huizen in beleegerings tijd tot logeering gebruikt worden, men kan in ieder Huis eén a twee kameren daar toe gebruiken, en zoo het noodig is, de Jnwoonders quartier geld betaalen Aan de van den aanval afgeleegene plaat„ sen is geene groote voorzigt van nooden, en van die Huizen 't welk digt aan den aange„ „greepen Tolijgom zijn, kunnen de dakken af„ „genoomen, en de muuren met balken, plan„ ken of fachienen, en daar op gebragte grond ge„ „dekt worden, even dit kan met de in de keele der bolwerken staande kasernen ge schieden. De twee groote kruit Huizen, het eene tusschen utrecht en Vriesland, en het tweede tusschen Holland en Gelderland kunnen ook door middelst opgelegte balken en opgebragte aarde tot logeering dienen In 't Ravelijn buiten de Nieuwpoort kunnen door middel van barakken ook eenige Den 11. April 1782. eenige honderd Man logeeren, dewelke tege„ „lijk als eene reserve voor de troepen dienen dewelke stroomburg en overijssel verdeedigen want het durf maar bloot de kleene vlugt poort geopend worden, zoo zijn zij in eenige minuten daar, waar het noodig is De ingeslotene ruimte om de kruit moolen, kan de vrouwen van de sipahis en kriste„ „nen fra tot logeering dienen. Daar blijven boven dien noch leedige plaatsen over, waar op het in voorraad zijn„ de slagt vee van het garnisoen middelst eene verpaggering staan kan. De kleene kruit magazijn op de bol„ „werken moeten met bijzonderen vlijt, door balken, fachinen en aarde gemaakt worden. Jn opzicht op de vestings werken ver dient de linie van het kommandement tot aan het Tenaille gallion allemaal de ernstige bekragting. De werke flankeeren zich slegt en in 't bijzondere de gordijne tusschen Stroomburg en Overijssel zoo laag dat twee Man die zig malkander helpen, op de de muur klim„ men kunnen, daar doch de grootste sterkte der linien van deeze aart in de hoogte bestaat Het r
English
La It is necessary that this curtain wall and the bastion Overijssel be raised as high as Stroomburg, and that furthermore, in front of the curtain wall and the flanks, either several rows of palisades or a few rows of trous-de-loup fitted with stakes, or a small ditch, be constructed. On the wall itself, storming beams can be placed; from the bastion Overijssel onward, all firing is en barbette, and consequently the embrasures must be closed. Where Overijssel connects with the curtain wall, a palisaded traverse should be constructed, which could enfilade that curtain wall from the inside. At the canal near Stroomburg, a traverse or, even better, a kind of entrenchment with some light cannon should likewise be constructed, so that the enemy, once broken in, cannot expand, and the garrison gains time to drive him back, saber in hand. In front of the river gate itself, a tamboor of palisades must be made, with a barrier, partly to cover the gate somewhat, and partly to provide a secure retreat for the garrison stationed outside. One can quickly withdraw inside through the gate and, if necessary, barricade it, burn the bridge, and The 11th of April 1782 defend the gate directly opposite from behind a traverse of kapok bales. The two vessels Nehellenia and the Verwachting, which are lying near Kalwetti, must position themselves, one in front of Overijssel and the second in front of Stroomburg; then the enemy will not even dare to attack the line from the command post to Overijssel, as long as these vessels lie there, and the vessels themselves will lie under the artillery of the fortress, and it will be no easy matter to capture these vessels, and consequently: an attack from this side becomes impossible. It is necessary, if only to make the fortress more respectable, not to permit vessels to pass outbound or inbound after midnight. Just as little as passage through a gate is permitted at night, just as little can passage in a river upon which a fortress depends be permitted to vessels, through which it could be taken by surprise in a dark night and run into danger. Close to the command post, some cannon should be brought up to defend Gelderland; some swivel guns and storming beams on the line from the command post toward Stroomburg are The 11th of April 1782 likewise necessary. Furthermore, in all these places a supply of bombs, snares, hand grenades, pitch wreaths, pitch fascines, and storming scythes must be ready and at hand to repel an assault. Outside the river gate lie some stacks of kapok stones, which must be removed so that they do not obstruct the cannon of Stroomburg and Overijssel. All heavy cannon in the flanks must be removed and light ones installed in their place, in order to be able to fire more rapidly in case of an attack d'emblée; the maneuvering of large cannon is then too cumbersome and not rapid enough. If it later comes to a formal siege, heavier pieces can be placed in the flanks of the attacked polygon. In front of all sally ports, a traverse should be made on the inside, and a small cannon placed behind it, and likewise for all other sally ports. To bring the garrison fully and as far as ever possible to perfection requires the greatest attention, and we believe that this cannot be accomplished more quickly and fittingly for the good of the service than by the following proposal: First, assuming the post of Aikotta were to be withdrawn, and the post of Kranganoor, which they wished to keep garrisoned, were to be garrisoned only with the Europeans currently stationed there on detachment, the entire company of Poepasses, and the Tjegosses; Whereby the three companies of sepoys and two companies of native Christians return to the garrison, and can be divided in the following order: The grenadier company, considered as a bodyguard, is not included in the line. The three European and the two Eastern companies into the first battalion. The seven companies of sepoys, which according to the present establishment are too large to maintain proper order and to execute commands with the requisite speed in service, to be divided into ten companies, and these ten companies into two battalions, and whatever men are lacking must be recruited; each battalion to have a capable commander, who should be a captain, and for each company one European officer, among whom at least one must hold the rank of lieutenant, so that if the commander is wounded in an action, the lieutenant can immediately assume the command in his place; further, one under-adjutant, and for each company a European drillmaster. The 4 companies of Christians to be formed into 5 companies, and into one battalion, and since these 4 companies are already 511 common soldiers strong, no increase is needed to cover further attrition. To form the 4 battalions of this plan, in addition to the present officers, there are still needed: 3 captains as battalion commanders 1 captain for the company of Captain Frankena 1 ditto ditto ditto Lever 1 staff ditto ditto Major 5 lieutenants 15 ensigns 4 under-adjutants 2 officers for the Malays 3 captains 3 lieutenants for the sepoys 6 ensigns 1 captain for the Christians 3 arraatjes In this manner, in all events, the The 11th of April 1782
Dutch transcription
La Het is noodwendig dat deeze gordijne en de punt overijssel zoo hoog opgevoert worden als stroomburg is, dat buiten dien voor de gordijne en de flanquen ent weeder noch eeni„ „ge reien pallissaden, of een paar reegen Wolfs. „kuilen met paalen geschikt of eene klijne graft getrokken wierden Op de muur zelfs kunnen stonm balken gelegt worden, van de punt overijssel af, is alle„ „maal over bank te vuuren, volglijk moeten de schiet gaaten geslooten worden, daar waar overijssel met de gordijne te zaamen hangt, was eene verpallisadeerde Traverse aanteleggen, het welk die gordijne van binnen bestreiken kost Aan die opvaart bij stroomburg zoude ins„ „gelijk eene Traverse of noch bester een aard van verschansing, met eenige ligte kan ons aan„ „gelegt worden, daar mede zich de ingebrooke„ „ne vijand niet uitbreiden kan, en de bezit„ ting tijd gewinne, hem met de zaebel in de vuist te rug te dreiven. voor de rivierpoort zelfs moet van pallissaaden een tamboer ge„ „maakt worden, met een Barier, deels om de poort etwas te dekken, deels om de Bezet„ „ling dewelke buiten staat een zeekere retiraade te verscheeffen, men kan zig zoo dra door de poort binnen trekken, en zoo het noodig is dezelve verpaggeren, de brug afbrennen en Den 11. April 1782 regt Den 11. April 1782. regt de poort teegen over zich agter een Traverse van kapok-baalen verdeedigen De twee vaartuigen Nehellenia en de verwachting, dewelke bij kalwetti leggen moeten zich het eene voor overijssel en het sweede voor stroomburg leggen; dan durf 't de vijand niet eenmaal waagen, de linie van het kommandement tot overijssel aante„ „vallen, zoo lange deeze vaartuigen daar leggen en de vaartuigen zelfs leggen onder het ge„ schut van de vesting, en is dit geen ligte zaak om deeze vaartuigen wegteneemen, en bijge„ „volg: de aanval van deeze zijde onmogelijk Het is noodwendig, en was het ook maar om de vesting respektabeler te maaken, niet te permitteeren dat ten tijden naa midder„ nagt vaartuigen buiten en binnen passeeren. zoo weinig men de passagie 's nagts door een poort permitteerd, zoo weinig kan men ook vaartuigen de passagie in een ri „vier permitteeren daar van een vesting de„ „pendeert, en waar door bij een donkere nacht kan overompelt worden en gevaar loopen. Digt aan 't kommandement wassen eenige kanonnen optebrengen om Gelder „land te verdeedigen; eenige draaie bassen en storm balken, zijn op de linie van 't kommandement na stroomburg toe van Igelijks ne en de n„ lfs. 2 Den 11. April 1782. sgelijks noodzaakelijk, buiten dien moet op al„ „le deeze plaatzen een voorraad van Bomben, strikken, handgranaaten, pikkranzen, pik„ „fachienen, stormzenzen gereed en bij der hand weezen om een storm afteslaan. Daar leggen buiten de Rivier poort eenige staapels kapok steenen, dewelke weggenoo„ „men moeten worden, daar meede zij de ka„ „nonnen van Stroomburg en overijsel niet hinderlijk zijn Alle swaare kanons in de flanken moeten af en ligte in plaats gebragt worden om bij een attake d'emblee daar meede te schielijker kunnen vuuren, het manaeuwre van de groote kanons is als dan te bezwaar„ „lijk en niet schielijk genoeg, komt het naa„ „derhand tot eene formeele beleegering, zoo plaats men in de flanken van de aangetas„ ten polijgoon zwaarder stukken. Voor al vlugt poorten was van binnen eene traverse te maaken, en een kleen kanon daar agter te stellen, zoo ook voor alle overige uitvallen Om de bezitting volstaandig en zoo veel maar immer mogelijk tot volkomenheid te brengen, en vordert de grooste oplettentheid en wij gelooven dat zulx tot niet van de dienst niet schielijker, en voeglijker kunnen in Den 11. April 1782. in staat gebragt worden als navolgende voorslag. Ten voor uit gezet de post van Aikotta zouden ingetrokken worden. en den Posten kranganoor, den men wilde bezet houden, maar met de tegenswoordig aldaar op kom„ mando leggende Europeesen en den geheele komp: Poepassen, en met de Tjegossen te be„ zetten Waar door die drie Kompanien sipahis en twee kompanien kristanten, en 't garni „soen te rug komen, en in volgende ordre in„ „gedeelt kunnen worden. De Grenadiers kompanie als een lijf „gaarde gereekent word niet in rangeert De drie Europeeschen en de twee oosterse kompanien ten eerste Battailjon De zeevende kompanien Vipahis, welke na teegenswoordige vervatting te sterk zijn, om dezelve ingehoorige ordering te houden en in dienst de gehoorige schielijke volge te kunnen doen, in tien kompanien te deelen en deeze tien kompanien, in twee Battaljons en wat aan manschappen afgaat, moet rekruteerd worden, ieder bathaljon eenen ka„ pabelen kommandant en die kapitain be„ hoorde te zijn en tot ieder kompanie een Eu„ „ropeesche officier, waar onder ten minsten eener al, ge 2 eener Luitenants karakter hebben moet, in„ „dien bij eener action de kommandant ge„ kwets de luitenant in zijn plaats zoo gelijk het kommando vervatte kunne, verder nog een onder adjudant, en bij ieder kom„ „panie een Europeesche drilmeester De 4. kompanien kristenen in 5. kom„ „panien, en in een Battaljon te formeeren en daar deeze 4. kompanien reets 511. gemee„ nen soldaaten sterk zijn, zoo was tot verderen afgang geene vermeering van nooden Tot deeze ontwerp de 4. Battaljons, te formeeren was tot de tegenswoordige officieren nog van nooden. 3. kapitains tot Battailjons kommandanten 1. kapitain voor de komp: van kapt=n Frankena 1: _=o „„ d=o _=o Lever. 1. stafs d=o „ „ „. „ de Heer Majoor. 5. Luitenants 15. Vaandrigs 4. onder Adjudanten 2. Officiers bij de Maleiers 3. kapitains 3. Luitenants bij de Sipahis 6. Vaandrigs 1. kapitain kristanten 3. Arraatjes Jn diervoegen kunnen in allen voorvallen Den 11. April 1782. de
English
The 11th of April 1782. the service be provided with proper officers, and the vigilance and perfection of each battalion depends on the vigilance of its commander. If we cannot count on the two Ceylon companies, the total of the garrison remains: 1 battalion of Europeans and Malays, 2 ditto of Sepoys, and 1 ditto of Christians, the number amounting, excluding the Ceylon companies, to 2223 heads. These troops, divided according to the necessity in a siege into five parts, amount each day to 444 heads who are capable of mounting guard. And in this manner one must watch the movements the enemy will have to make, and then, with our economized reserves, reinforce the attacked posts. Officers, both European and native, are highly necessary, for one can easily understand that, however brave the native officers may be for themselves, it is nevertheless hardly possible that they can lead a troop against a European enemy. With the artillery, the same apportionment is required, which in strength is: 2 lieutenants, 3 fireworkers, 6 bombardiers, 22 gunners, and 120 assistants. Thus, there can be used for duty every day: 1 fireworker, 1 bombardier, 4 gunners, and 24 assistants, and one can always preserve the reserve thereof for the laboratory. However, a commander of the artillery must be able to request men from the Head of the Militia if he should need them, since otherwise the number of artillerymen would become too weakened. For it is too few to oversee the service of the artillery; therefore, one must support the artillery with Europeans from the two Cochin companies, while there are some 40 men with the company who have had instruction in the artillery. But if these should leave, our Europeans would be noticeably weakened, and this cannot be remedied otherwise than by an augmentation of our natives to the number of 3500 heads in the first plan; and without this, these considerable works of Cochin will absolutely be able to be defended only poorly or not at all. Furthermore, there would still be needed with the artillery, on account of the small number of officers: 1 effective captain, 2 lieutenants, 2 ordinary fireworkers, 4 extra ditto. Herewith we hope to have properly fulfilled our commission, and we have the honor to call ourselves with deepest respect: Below stood: Right Honorable Ruling Lord, your Right Honorable's very humble and obedient servants. Was signed: F. von den Busch, von Sauer, J. G. Vombauer, and J. Kraus. In the margin: Cochin, the 4th of April 1782. And having now proceeded to a careful consideration of the foregoing address, it was understood by all the members that nothing ought to be left unattempted that can serve to preserve this fortress further, without dreading the expenses that are required for it; for it is better to spend a part on the reinforcement and preservation than to lose the whole through timidity regarding the expenses, and that this argument must weigh all the heavier now that the preservation of Ceylon seems greatly to depend on the preservation of this place, since this island, currently having to do without the usual supply of grains from Coromandel and Bengal, can obtain relief nowhere else to the westward except here alone; while it would be extremely difficult for the Company and at the same time accompanied by very great risk to bring the entire requirement from Java. Above and beyond which, it should also still be taken into consideration that, if Cochin were to fall into the hands of the English, our fleets and the French fleets would not be able to obtain any provisions or other necessities anywhere in the entire west of the Indies, and thus be forced to return from time to time to Batavia or the islands to reprovision themselves and provide themselves with everything; and that it therefore does not come down to the expenses in this matter, but indeed to the question of whether the proposed means are necessary and useful for the preservation of this fortress. And it was therefore approved and agreed with unanimity of votes to consider each proposal more closely in particular, in order to resolve what is necessary upon it. Accordingly, in the first place, consideration was given to the proposals of Captains Brohier and Vombauer regarding the entrenching of the places of arms in the covered way: That this in itself is already a very great reinforcement, whereby the enemy is rendered incapable of capturing the counterscarp by storm or by main force, but forced to proceed to a formal siege; and that this will be of great utility especially for this fortress, because the re-entering places of arms must perform the work of ravelins, which are not found here; that this utility becomes even greater because one thereby needs fewer men to occupy a covered way; but that in order to draw this latter utility from it, not only
Dutch transcription
Den 41. April 1782. de dienst met behoorlijke officiers voorsien worden van en de waakzaamheid en volkomenheid ieder Battaljon hangt van de vigelance haares kom mandant af, Jndien wij ons geene reekening kun„ nen maaken op de twee Ceilonsche kompanien zoo blijft het Total van het garnisoen 1. Battaljon Europeeschen en Maleiers 2. _=o Sipahis en 1. d=o kristenen het getal bedragende buiten de Ceilonse kompanien 2223. koppen, deeze troepen volgens de noodzaake „lijkheid in beleegering gedeelt, in vijf deelen bedragende ieder dag 444. koppen die bekwaam zijn op de wagt te trek„ „ken, en diervoegen moet men zien op de be„ „weegingen die de vijand zal hebben te maa„ ken, en als dan met onze menageerde re„ „serven, de geattakeerde posten te versterken; Officiers zoo wel Europeeschen als Jnlanders zijn hoogst noodzaakelijk, dan men kan ligt na„ „gaan, hoe ook de Jnlandsche officiers braaf voor zig zelf zijn, zoo is het egter niet wel moogelijk dat zij eenen troep kunnen aanvoeren tegens een Europeesen vij and Bij de Artillerij is de zelfde rapartitie benoodigt dewelke sterk zijn in„ k 2 Den 11. April 1782. 2. Luitenants 3. vuurwerkers 6. Bombardiers 22. kanoniers, en 120. handlangers. dus kunnen alle dagen tot dienst gebruikt worden 1. vuurwerker 1. Bombardier 4. kanoniers en 24. handlangers. en kan men de reserve daar van voor 't La„ „boratorium altoos menageeren. Doch moet een kommandant der Artille„ „rij kunnen volk vraagen bij het Hoofd der Milietsie, indien hij het zoude noodig hebben, vermits anders het getal der Arthilleristen te veel verzwakt wierd: Den het is te min om den dienst der Artillerij te oversien, dierhalven moet men de Arthillerij met Europeezen van de twee koetsiemse kompanien ondersteunen terwijl zich eenige 40. Man bij de kompanie bevinden, die in de Arthillerij hebben onder„ „rigt gehad. Dog zo deeze afgaan zouden, wier„ „den onze Europeeschen merkelijk verzwakt en dit is niet anders te helpen dan door een augmentasie onzer inlanders, tot het getal van 3500. koppen primo plan, en zonder dit zullen Delibera zijn volstrekt 8 deeze Den 11. April 1782. Deliberaatsie over alle „deeze papieren volstrekt die aanzienlijke werken van koet„ „siem maar slegt of gaar niet kunnen ver„ deedigt worden. Verders zoude noch bij de Artillerij benoo„ „digt zijn weegens het geringe getal der officie„ ren. 1. Effektive kapitain 2. Luitenants 2. ordinair vuurwerkers 4. Extra d=o Hier mede hoope wij onze kommissie na behooren voldaan te hebben, en hebben de eere ons met diepst respekt te noemen /:onder„ „stond:/ weledele Achtbaare Gebiedende Heer uw weledele Achtbaare zeer onderdaanige en Gehoorzaame Dienaaren /:was get:/ F: von den Busch, von sauer. I: G: Fombauer en I. Kraus. /:in margine:/ Koetsiem den 4. April 1782. En als nu getreeden zijnde tot een aandachtige overweeging van het voorenstaande addres, zo werd bij alle de leden begreepen, dat men niets behoord onbezocht te laaten het geen strekken kan, om deeze vesting verder te behouden, zonder de kosten te ontsien, die daar toe vereischt worden, want dat het beeter is, een gedeelte tot de versterking en het L het behoud te besteeden, dat het geheel door beschroomdheid voor de kosten te verliesen en dat het argument thans te zwaarder moet weegen nu het behoud van Ceilon, van het behoud van deeze plaats grootelijks schijnt aftehangen, door dien dit Eiland de gewoone toevoer van graanen van Kormandel en Bengaale thans moetende missen, nergens anders om de west, als alleen hier, eenig ontzet kan bekoomen terwijl het voor de kompanie ten uitersten be„ „zwaarlijk vallen en teffens met zeer veel risiko verzelt zoude gaan, de heele benoodigdheid van Java aan te brengen waar en booven, ook noch diend in aanmerking te koomen, dat, als koetsiem in handen van d' Engelschen mogt vallen, onze en de fransche. vlooten nergens om de heele west van Jndien eenige leevens mid¬ „delen, of andere behoeftens zouden kunnen opdoen en dus genoodzaakt weezen, van tijd tot tijd naar Batavia of de Eilanden terug te keeren, om zich op 't nieuw te proviandee„ „ren en van alles te voorzien en dat het dus in deezen niet aankomt op de kosten, maar wel op de vraage, of de voorgeslaage middelen noo„ Den 11. April 1782. dig Beluit van den Den 11. April 1782. Besluit tot 't fortificeeren van den bedekten weg. „dig en dienstig zijn, tot behoud van deeze ves„ „ting, en is overzulx met eenpaarigheid van stemmen goedgevonden en verstaan, ieder voor„ „stel in 't bezonder nader te overweegen; ten einde daar op het noodige te besluiten. Dienvolgende is in de eerste plaats op de voorstellen van de kapitains Brohier en Vorn„ bauer nopens het retrancheeren van de wapen„ plaatsen in den bedekten weg in aanmer„ king genoomen. Dat dit op zich zelve reets een zeer groote versterking is, waar door de vijand gesteld word buiten het vermogen, om de konterscharpe stormenderhand, of de vive force te bemachtigen, maar genoodzaakt om tot een formeele beleegering overtegaan, en dat dit inzonderheid voor deeze vesting van groote nuttigheid zal zijn, wijl de inspringende wapenplaatsen aan dezelve het werk ver„ „richten moeten, van ravelijns die hier niet gevonden worden, Dat deeze nuttig„ „heid noch grooter word, wijl men daar door minder volk tot het bezetten van een bedek„ „ten weg noodig heeft; Doch dat om deeze laatste nuttigheid daar van te trekken, niet alleen
English
not only the re-entering angles, or the places of arms in front of the curtains, should be retrenched, but also the salient angles, or the places of arms in front of the bastions, ought to be bonneted and mounted with cannons, as was proposed by the aforementioned Captain Fornbauer. For by this means the glacis in front of the line or curtain lying between both places of arms is defended from both sides by the cannon from the faces, and so swept that no enemy will easily dare to attempt to break in there; and even if he should have broken in, he would still remain exposed to a tremendous fire, not only from the main fortress but also from the two cannons which stand on both sides of the places of arms inside the covered way and sweep the same from within, so that one only needs to garrison the fortified places of arms, without needing men in the further part of the covered way. And it has accordingly been unanimously, in conformity with the advice of the Noble Lord Councillor Extraordinary van de Graaff, approved and resolved to have the design of Captain Fornbauer regarding the fortification of the places of arms in the covered way executed. 11 April 1782. Resolution to place the cavalier on the bastion itself. To improve the parapets of the bastions. To demolish bastion Holland. To construct a fleche beside it. As it was indicated in the second report of the said Captain Fornbauer regarding the bastion Holland that the new work constructed upon it in the year 1778 under the name of demi-lune or fer à cheval is detrimental to the defense and therefore ought to be demolished, and instead of it a fleche ought to be constructed beside this bastion toward the seashore: it was, after deliberation, deemed absolutely necessary and consequently resolved unanimously to have that work, which was made with the best intention in the world but is now found not to fulfill it, razed, and to restore the bastion to its previous state, as well as to have the proposed fleche constructed beside it. Because the parapets on the main rampart are generally judged to be too weak, and 11 April 1782. To have wooden cannon platforms made instead of the stone ones. To have the trees on the island of Baipin cut down and the houses and church razed. are also constructed in a defective manner, particularly with respect to the embrasures, whose soles do not have a sufficient slope, and whose cheeks or sides are cut down perpendicularly and lined with a thin wall of brick: it was, after mature deliberation, approved and agreed to have the same improved on the bastions, and to begin with the bastion Holland. It was also, in conformity with the advice of the Noble Lord van de Graaff, approved and agreed to have the stone cannon platforms broken up and to lay others of wood in their place. With respect to the island of Baipin, it having been judged by the Noble Lord van de Graaff that the houses and Roman Catholic church on the inner side directly opposite this fortress are detrimental to it, since the river between them was found upon measurement to be in many places not ninety rods wide, and this city and fortress could thus easily be fired upon and bombarded from there, and that the same ought therefore to be demolished so that the enemy cannot hide behind them 11 April 1782. To raise and secure the bastion Overijssel and the curtain between it and Stroomburg. and construct his batteries without being seen and disrupted from the city: in order to resolve what is necessary regarding this, it was deemed useful beforehand to have the houses and huts standing in the way there surveyed, and along with the Roman Catholic church appraised by knowledgeable people by two members of this Council, who may co-opt other knowledgeable persons for this purpose, and to appoint for this the Chief of Cranganore the Honorable Cellarius, currently on site, and the Secretary of this Council the Honorable Deumichen. With respect to the bastion Overijssel and the curtain lying between it and the bastion Stroomburg, it having been observed that the same are much too low and thus lie open to surprise, which was indeed somewhat remedied by the palisading of the riverbank, but wherein it is judged one must not rest content, since one has to deal with an enemy who by nature has the greatest disposition for reckless undertakings: it was, in accordance with the advice of the Noble Lord van de Graaff and the proposal of the Honorable Major
Dutch transcription
La alleen de inspringende hoeken, of de wapen„ „plaatsen voor de Gordijnen dienen geretran„ „cheerd maar ook de uitspringende hoeken, of de wapenplaatsen voor de bastions gebonnet„ „teerd en met kanons bezet te worden. zoo als dat van evengemelden kapitain fornbauer beslu is voorgesteld. Want hier door word het glacis bastion voor de tusschen beide wapenplaatsen inleg gende linie of Courtine van weerskanten door het kanon uit de faces gedefendeerd, en zodanig bestreeken, dat geen vijand ligt zal durven onderneemen, om daar in te breeken a en zoo hij al mogt in gebrooken zijn, zoo zoude hij dan noch g'exponeerd blijven aan een geweldig vuur, niet alleen van de ka„ pitaale vesting maar ook uit de twee kanons die van wierskanten van de wapenplaatsen binnen den bedekten weg staan, en denzelven van binnen bestrijken, zoo dat men alleen de gefortificeerde wapenplaatsen behoefd te bezetten, zonder in het verder gedeelte van den bedekten weg volk noodig te hebben En is dienvolgende met eenpaarigheid van de borte bolwerken stemmen, konform het advis van den Edelen Heer Den 11. April 1782. Raad zelve te Den 11. April 1782. besluit om de kavalier op 't zalve te leggen De borstweeringen van de bolwerken te verbeeteren Raad Extra ordinair van de Graaff goedgevonden en beslooten, het ontwerp van den kapitain Fornbauer, nopens het fortificeeren van de wapenplaatzen in den bedekten weg te laaten exekuteeren Bij het tweede Berecht van gemelde ka„ bastion Holland of te breeken „ pitain Fornbauier nopens het bolwerk Holland aangeweezen zijnde, dat het daar op in 't Jaar 1778. aangelegde nieuwe werk onder de naam van demi Lune of fer à Cheval nadeelig is aan de defensie en dus diend afgebrooken, om een fleche berijden het mitsgaders in steede van dien een fleche be„ „zijden dit bolwerk naar Zeestrand toe aange„ „legt te worden: zoo is na deliberaatsie vol„ „strekt noodig geoordeeld en dien volgende met eenpaarigheid van stemmen beslooten dat werk, het welk met het beste oogmerk des werelds gemaakt is, doch thans bevonden word daar aan niet te voldoen, te laaten raseeren en het bolwerk in zijnen voorigen staat her„ „stellen, mitsgaders bezijden, het zelve de gepro„ „poneerde fleche te laaten aanleggen. Wijl de Borstweeringen op de kapitaale wal doorgaans te zwak geoordeeld worden, en ook L Den 11. April 1782. in steede van de steene kanon beddings houte te laaten maaken. de boomen op 't eiland baix in te laaten ouwerkappen en de huizen en kerk te laaten taseeren ook op eene gebrekkige wijze gekonstrueerd zijn inzonderheid met opzicht van de Embrasures, wel„ ker zoolen geen genoegzaame dosseering hebben, en welker bakken of zijden perpendikulair af„ „gesneeden en met een dun muurtje van ka, „pok steenen bekleedt zijn. zoo is na rijpe de „liberaatsie goedgevonden en verslaan, dezelven op de bolwerken te laaten verbeeteren, en met het Bastion Holland te beginnen Ook is konform het advis van den Edelen Heer van de Graaff goedgevonden en verstaan de steene kanon beddings te laaten opbreeken en anderen van hout in de plaats te leggen Met opzicht van het Eiland Baipien bij den Edelen Heer van de Graaff g'oordeeld zijnde, dat de Huizen en Roomsche kerk aan den binnen¬ „kant tegen deze vesting overstaande daar aan nadeelig zijn, alzoo de rivier tusschen beiden bij meeting bevonden is, op veele plaatsen geene ne„ gentig roeden breed te weezen, en deeze stad en Vesting dus van daar gemaklijk zoude kunnen beschooten en gebombardeerd worden en dat de„ „zelven derhalven dienen afgebrooken te worden op dat de vijand daar achter zich niet kan verschuilen het Bolwer gordijn tuss strbomburg en bevestigen Den 11. April 1782. het Bolwerk Overijssel en de gordijn tusschen het zelve en en bevestigen. verschuilen en zijne battarijen aanleggen, zonder van de stad gezien en gestoord te worden, zoo is om deezen aangaande het noodige te besluiten voor af dienstig geoordeeld, de huizen en hutten aldaar in de weg staande te laaten opneemen, en nevens de Roomsche kerk door kundige lieden te laaten taxeeren door twee leden uit deezen Raad, die hier toe andere kundige Per„ „zoonen kunnen assumeeren, en daar toe te be„ noemen het opperhoofd van kranganoor de E. Cellarius thans in loco, en de sekretaris deezes Raads d' E. Deumichen Met opzicht van het Bolwerk overijsel sroomburg te laaten verhoogen en de tusschen het zelve en het bolwerk stroom„ burg leggende Gordijn opgemerkt zijnde, dat dezelve veel te laag zijn en dus aan surprise open leggen, het geen door de pallissaadering van den oever der-rivier wel eenigsints verholpen is doch waar in men oordeeld, niet te mogen be„ „rusten, wijl men te doen heeft met een vijand die tot roekelooze onderneemingen van na„ „tuur de meeste disposietsie heeft, zoo is overeen„ „komstig het advis van den Edelen Heer van de Graaff en het voorgestelde van den E. Ma„ „Joor
English
11 April 1782. To have the timber for barracks etc. purchased. To entrust the supervision of the fortifications to Captain Fornbauer. Deliberation on the increase of the garrison that the King of Cochin can provide. Major von den Busch and the other committee members have approved and agreed to have that bastion, along with the adjacent curtain wall, raised four feet higher, to have a small ditch dug in front of it on the outside, and to construct a retrenchment at both ends of the curtain wall and occupy it with two cannons, in order to drive the enemy back by the fire from these cannons if, despite the aforesaid precaution, they should succeed in scaling that work. Furthermore, upon the proposals made to that effect by the aforementioned committee officers, owing to their evident utility, it was approved and agreed to have the timber for the barracks purchased in good time and prepared, to have the small powder magazines on the batteries properly provided for, to have traverses placed in front of the sally ports, and to have a tambour constructed in front of the river gate. And likewise, upon the proposal of the Commander, it was approved and resolved to entrust the supervision and direction of all these new works, as well as of the further fortifications in general, to the frequently mentioned Captain Fornbauer, who is very skilled in military engineering, in order to be better assured that everything is properly made and executed according to the plans and instructions. Regarding the augmentation of the troops, the Commander communicated that the King of Cochin had previously indeed promised him the battalion of sepoys in the event of a siege, but that one could not count on the promised battalion at present because His Highness, shortly after the political revolution that occurred in the land of the Zamorin, had sent word, first through the Company's merchant Anta Chellij and thereafter through his, the King's, brother-in-law, that he himself now needed the promised battalion to protect his adjoining lands against the Nairs, and moreover would not dare assist the Company with military forces, as the English might derive a pretext from that to treat him as an enemy and attack his Kingdom. Present strength of the garrison. That consequently the entire force of the Company on this coast, when Ayacotta and Cranganore are evacuated and their garrisons merged into ours, and the troops from Ceylon are also counted, according to the short strength report around mid-March last, consisted of the following men under arms: Europeans The Grenadier Company: 88 The Major's Company: 95 The Company of Frankena: 90 The Company of Liver: 74 Topasses: 95 Recruit guard, calculated as usable men: 48 Subtotal: 490 Orientals The Company of Bapa Salia: 106 The Company of Abdulla Patuakan: 94 Subtotal: 200 Sepoys The Company of Sied Jaffer: 96 The Company of Cheg Mira: 161 The Company of Abieboechan: 161 The Company of Medien: 127 The Company of Mierchan: 94 The Company of Abdul Kader: 85 The Company of Fakkier Mahmed: 91 Subtotal: 815 Carried forward: 1505 The garrison needs to be 3500 men strong. To complete the two battalions of sepoys and to recruit another battalion of Christians. 11 April 1782. Brought forward: 1505 Christians The Company of No. 1: 54 The Company of No. 2: 160 The Company of No. 3: 121 The Company of No. 4: 152 The Company of Sjegos: 112 The Company of Settua: 90 The Company of Paponetty: 90 The Company of Cranganore: 65 Subtotal: 844 Artillerymen Of the Europeans belonging to our garrison: 47 From Ceylon: 22 Subtotal: 69 Native Artillerymen: 21 Total: 2439 And to grant them two parras of paddy per month. The necessity of more officers, especially with the native troops. However, the committee members, not without good reason, deemed three thousand five hundred men necessary to defend this fortress as required. For this reason, the Commander proposed to me to bring this number up to that level by recruiting more sepoys, and especially so-called Christians. In this regard, it was particularly noted that one can derive just as much service from the Christians as from the sepoys, and that, as residents and subjects of the Company, they are fully as trustworthy, but that their present pay is too small to demand the same services from them as from the sepoys. Consequently, it was resolved to bring the sepoys up to strength to make two battalions, but to raise another battalion from the Christians and to add two parras of paddy per month to their present salary. Likewise, upon the advice of the Honorable Mr. van de Graaff and the report of the frequently mentioned committee officers concerning the necessary number of officers in the European militia and the posting of European officers to the native troops, it was taken into consideration that the officers are the soul of the entire military service, and that the common soldier, without being led and kept to his duty by a sufficient number of them, is of very little use; that, in particular, little good is to be expected from the native troops in war if they are not directed by Europeans, which is why the English, who with their
Dutch transcription
2 Den 11. April 1782. het houtwerk voor barakken enz: te laaten inkoopen Het opzicht over de fortifi„ kaalsien aan kapitain Forn„ bauer op te draagen „joor von den Busch en verdere gekommitteerden goedgevonden en verstaan dat bolwerk met de daar aangeleegene Courtine vier voeten hooger te laaten maaken, aan de buiten kant daar voor een kleene gracht te laaten trekken, en aan beide enden van de Courtine eene afsnijding te maa„ ken en dezelve met twee kanons te bezetten ten delib einde den vijand, indien het hem onaangezien meer de voorsz: voorzorge mogt gelukken, om dat werk te beklimmen, door het vuur uit deeze kanons wederom te verdrijven Voorts of op de daar toe gedaane voorstel„ De konen het beloof len van eevengem: gekommitteerde officieren leeveren wegens de zichtbaare nuttigheid van dezelven goedgevonden en verstaan, het houtwerk voor de barakken bij tijds te laaten inkoopen en in gereedheid brengen, de kleene kruit maga„ „zijns op de battarijen, behoorlijk te laaten voor„ „zien, voor de uitval poorten, traversen te laaten leggen, en voor de rivier poort eenen Jamboer te laaten extrueeren En is teffens op de proposietsie van den Heer kommandeur goedgevonden en beslooten het opzicht en de Direksie over alle deeze nieuwe werken Den 11. April 1782. deliberaatsie over de ver„ meerdering van 't garnisoen de koning van koetsien kan leeveren. werken, mitsgaders over de verdere fortifikaatsie in het algemeen op te draagen aan den meermel„ den kapitain Fombauer die in d' krijesbouwkunde zeer bedreeven is, om te beeter verzeekert te zijn, dat alles behoorlijk gemaakt en volgens de plans en voorschriften g'exekuteerd worde Nopens de augmentaatsie van de troepen kommuniseerde de Heer kommandeur, dat de koning van Kortsum voor heen wel de bat„ „taljon sipahis in val van beleegering aan Hem beloofd had, doch dat men daar op thans niet het beloofde Battauiljon met kost reekenen door dien zijn Hoogheid kort na de in het land van den Sammorijn voorgeval„ lene staat-wisseling eerst door 's komp=s koop„ „man Anta Chellij en daar na door zijnen /s ko„ nings /zwager had laaten boodschappen dat hij het beloofde battaljon thans zelfs noodig had om zijne naast aangrenzende landen teegen de Nairos te beschermen, en buiten des ook niet zouden durven de komp: met krijgs= volk assisteeren, wijl de Engelschen, daar van daan een protext kosten ontleenen om hem vijandig te handelen en zijn Rijk aantetasten. Dat den de ide aa„ n werk „ 2 Den 11. April 1782. tegenwoordige sterkte van 't garnisoen. Dat dus de heele Macht van de komp: op deeze kuste, wanneer Aikotta en kranganoor verlaaten en de garnisoen bij het onze inge„ trokken, mitsgaders de Ceilonsche troepen meede gereekend wierden, volgens de korte sterkte onder medio Maart geleeden, bestond uit de volgenden Manschap onder het geweer Europeeschen De Granadier kompanie.. .. „ Majoors. . d=o. . . . . . „ komp: van Frankena .. do „ Liver Toepassen - - - - rekruite wacht reekene op bruik„ „baare Manschap. 48. 490. Oosterlingen De kompanie van Bapa Salia 106. „ Abdulla patuakan 94: 200. Sipahis De komp: van Leid Jaffer 96. do Cheg Mira „ 161. Abieboechan 161. Medien . 127. Mierchan . 94. - Abdul Kader. . . . 85. Fakkier Mahmed 91: 811. Transporteere. . . . . . 1501. 88. 95. 90. 74. 95. _o - . .. de bezittin sterk te de twee voltalligt een batta te werven 1501. Den 11. April 1782. Transport de bezitting diend 3500. Man sterk te zijn voltallig te maaken en noch een battaljon kristanten aan te werven. Kristanten De kompanie van N=o 1. Sjegos. „ van Settua Paponettij Kranganoor Arthilleristen van de Europeeschen tot ons garnisoen 47. = van Ceilon. . 22. 69 Jnlandsche Arthilleristen. Somma 2439 Doch dat de Gekommitteerden niet zonder groote reeden drie duizend vijf honderd Man noodig oordeelden om deeze vesting naar vereisch te defendeeren weshalven Mij de twe battaljons sipahis Kommandeur proponeerde, om dit getal door het aanwerven van meerder siparis, en inzonderheid van zoo genaamde kristanten zoo hoog te brengen, waar omtrend inzon„ derheid werd aangemerkt, dat men van de kristanten eeven zoo veel dienst kan hebben als van de Sipahis, en dat dezelve als in„ „gezeetenen en onderhoorigen van de komp: 90. 90. 65. 245. 54 160 152. 112. 2. - ruim op 7 „ 3. . . . . 121. „ 4. .. -- - - Den 11. April 1782. en aan denzelven twee par„ ras Nelie smaands toeteleggen. De noodzaaklijkheid van meer officiers sche troepen. ruim zoo wel te vertrouwen zijn, doch dat hun teegenwoordig traktament al te ge„ ring is, om van hen dezelfde diensten te vorderen, als van de sipahis, en werd dien„ „volgende beslooten, de Sipahis tot twee Ba, taljons voltallig te maaken, doch van de kristanten noch een Bataljon op te richten en aan dezelven bij hunne tegenwoordige gasie smaands twee parras Nelie toe te voegen. Ook is op het advis van den Edelen Heer van de Graaff en het bericht van de meermelde gekommitteerde Officiers nopens het noodige getal van officieren bij de Europeesche Mi„ „lietsie en het plaatsen van Europeesche ofi„ ciers bij de Jnlandsche troepen, in aanmer„ inzonderheid bij d'inland Ring genoomen, dat de officiers de ziele zijn van den heele militairen dienst, en dat de gemeene soldaat, zonder door een toerijkend getal van dezelven aangevoerd en tot zijn plicht gehouden te worden, van zeer weinig nut is, dat inzonderheid van de inlandsche troepen in den Oorlog weinig goeds te wach„ „ten is, als ze niet van Europeschen bestierd worden, weshalven de Engelschen, die met hunne
English
11 April 1782. the opinion of the Honorable their sipahis accomplish almost the same as what others do with Europeans, placing among them a multitude of European officers and non-commissioned officers, whereby the Honorable Mr. Moens was already moved in the year 1780 to appoint to every company of sipahis one European officer as commander and two European non-commissioned officers as drillmasters, as appears from a separate secret missive to the Honorable High Government of the Netherlands Indies dated 27 October 1780, in which His Honor cited regarding the Christians and jegos that he wished to wait with that until he was authorized to do so by Their High Excellencies, unless circumstances in the meantime should make such an arrangement unavoidable, in which case His Honor would proceed thereto without neglecting what is necessary through a mistaken scrupulousness under the pretext of awaiting orders first. That one presently finds oneself in such pressing circumstances that everything deemed serviceable and necessary for the reinforcement, defense, and preservation of this fortress must immediately be put into effect, and consequently the necessary augmentation of officers must also take place without delay, without awaiting, as is otherwise dutiful, the approval and sanction of the Honorable High Government of Indies. 11 April 1782 To divide the sipahis and Christians into battalions. Over each battalion a captain as commander, and for each company a European subaltern officer and a drillmaster. Distribution of the same. And it is accordingly resolved and agreed by unanimous vote that the sipahis and Christians ought immediately to be divided into battalions, and over each battalion a European captain appointed as commander, and for each company a European subaltern officer, as well as a European non-commissioned officer appointed as drillmaster. And proceeding hereupon to the necessary appointment and distribution of the required officers, the Commander showed that, according to the proposal of the repeatedly mentioned Major and further commissioned officers, the following officers were needed, apart from the sub-staff: 11 April 1782. For the grenadier company: 1 captain, 1 lieutenant, and 2 ensigns For the staff company: 1 captain, 1 lieutenant, and 2 ensigns For two Ceylonese companies: 2 captains, 1 lieutenant, and 2 ensigns For the topasses: 1 captain, 2 lieutenants, and 4 ensigns For two battalions of sipahis: 2 captains, 2 lieutenants, and 8 ensigns For the companies of Malays: 1 captain, 1 lieutenant, and 2 ensigns For a battalion of Christians: 1 captain, 2 lieutenants, and 2 ensigns Thus together: 8 captains, 8 lieutenants, and 22 ensigns. However, that in his judgment, no officers from this garrison ought to be placed with the Ceylonese companies in place of those who had departed on leave to Ceylon before correspondence was held with the Honorable Mr. Falck about the matter, the command over them being able to be assumed ad interim by the staff captain of the Major's company; and that one could make use of a French captain and two French lieutenants, who had come here from the Islands and presently had no opportunity to reach Coromandel, for as long as they had to remain here, provided they were paid monthly from the Company's treasury, as long as they served, as much as Company officers of their rank enjoyed; that one ought also to employ with the troops the military captain Friedrich von Sauer, who had arrived here overland from Europe, which could not be done regarding Captain Formbauer, because the supervision over the fortifications had been entrusted to him, and the Commander intended to use him as an engineer in the upcoming siege; and that one would then only need three captain-lieutenants, five lieutenants, and fifteen ensigns. Whereupon, having deliberated with attention, it was deemed absolutely necessary by unanimous vote, and accordingly approved and agreed: Captain von Sauer appointed commander with the sipahis. Gephard, Weinsheimer, and Nachtrab to be captain-lieutenants. To place Captain von Sauer as commander with the first battalion of sipahis, to appoint the three senior lieutenants of the garrison, Gottlieb Georg Gephard, Jacob Bernhard Weinsheimer, and Justinus Andreas Nachtrab, as captain-lieutenants, and to place the first with the staff company, the second with the second battalion of sipahis, and the third with the newly raised company of topasses; 11 April 1782. To place three French officers during their stay. Appointment of five lieutenants. Fifteen ensigns. As well as four under-adjutants. To place the French captain Louis Alexander Michel Chevalier de Lormier as commander with the battalion of Cochin sipahis, and the two French lieutenants Pierre Burquez and Jean Louis Chasteigna de Paradis with two native companies; and further, the ensigns Jan George Muller, Johan Andries Lintzer, Wilhelm Krans, Louis van Mander, and Johan Fredrik Andree to be lieutenants; as well as the under-adjutants Daniel Bakker and Jan Nicolaas Bisschop, together with the sergeants Fredrik Freiter, Gerrit van der Voort, Jakob Reemer, Gerrit Erning, Koenraad Stelling, Hendrik de Leeder, George Wilhelm Trikke, Pieter Joseph de Kant, Johan Kasper Schoeman, Frans Willem Sonbom, Jurgen Dailinger, Christiaan David Milius, and Johan Ernst Faber to be ensigns; as well as the non-commissioned officers Jakob Keizer, Jan Adolf Alles, Nicolaas
Dutch transcription
Den 11. April 1782. 't gevoelen van den Edelen hunne sipahis bij na het zelve uitrichten, wat anderen met Europeeschen doen, bij dezelven een menigte Europeesche officiers en onder of„ „ficiers plaatsen waar door de Edele Heer Ba, ier toens dien aangaande Moens reets in het Jaar 1780. is bewogen, om bij ieder kompanie Sipahis eenen Europeeschen officier als kommandant en twee Europeeschen onder officiers als Drilmeesters aantestellen blijkens aparte sekreete missive aan de Edele Hoog Regeering van Nederlands Jndien van den 27. Oktober 1780. waar bij zijn Edele nopens de kristanten en 's jegos aangehaald heeft dat Hij daar mede wilde wagten tot dat Hij daar toe van Hunne Hoogedelheeden gequalifi„ „ceerd wierd, ten waare de omstandigheeden middelerwijle eene zoodaanige inrichtiging mogten onvermijdelijk maaken, in welk geval zijn Edele daar toe treeden zoude zonder door eene verkeerde scrupuluisheid het noo„ dige te verzuimen, onder pretext van eerst order te verwachten Dat men thans in zoo dringende omstan„ „digheeden bevindt dat al het geen dienstigen noodig g'oordeeld word tot de versterking, ver„ „diediging dat „ en sie L Den 11. April 1782 de sipahis en kristanten en battaljons te verdeelen. over ieder battaljon een kaptn als kommandant en bij ieder komp: een europeesche subatter„ rie officier en een Drilmeester. repartietsie van dezelven deediging en behoudenis van deze ves„ „ting ten eersten moet in het werk ge„ steld worden, en mits dien ook de noo„ dige augmentaalsie van officiers zon„ der verzuimd diend te geschieden, zon, der zoo als andersplichtmaatig is, het goed„ vinden en approbaatsie der Edele Hoo„ „ge Regeering van Jndien aftewachten En word dienvolgende met eenpaarig„ heid van stemmen goedgevonden en verstaan, dat de sipahis en kristan„ ten ten eersten behooren in Battal„ „jons verdeeld en over ieder Battaljon een Europeesche kapitain tot kommandant en bij elke kompanie een Europeesche subalterne officier, mitsgaders een Euro„ „peesche onder-officier als Drilmeester aan„ gesteld te worden. En hier op getreeden zijnde tot de noo„ „dige aanstelling en repartietsie van de vereischt wordende officieren. zoo vertoon„ „de de Heer kommandeur dat, volgens den voorstel van meerm: E. Majoor en verdere Gekommitteerde officieren de volgende oficieren noodig tegn Den 11. April 1781. noodig waaren buiten den Onder staf Bij de granadus komp: 1. kapitain 1. Luitenant en 2. vaandrigs d=o d=o staf „ 2. do twee Ceilonsche „ 2. „ toepassen „ twee Battaljons sipahis 2. „ d=o komp=s Maleiers —. „ „ een battabjon kristanten 1. „ Dus te zaamen. . . 8. kapitains 8: Luitenants en 22. vaandrigs. Doch dat min zijns Oordeels, bij de Ceilonsche kompanien geene officiers uit dit garnisoen be„ „hoorde te plaatsen, in steede van de geenen die met verlof naar Ceilon vertrokken, waa„ ren voor dat daar over met den Edelen Heer Falck zoude weezen gekorrespondeerd, kun„ „nende het kommando daar over ad interim door den stafs kapitain van Majoors kom„ „panie waargenoomen worden, en dat men van een franschen kapitain en twee fran sche Luitenants, die van de Eilanden hier gekoomen waaren en thans geene geleegen„ heid hadden om naar Kormandel te geraa„ ken, zoo lange zoude kunnen gebruik maa„ ken, als zij hier moesten blijven, mits aan d=o 1. d=o 1. d=o „ 1. „ 2. „ „ 2. „ 4. denzelven ves¬ 1. „ 2. „. . „ 8. —. „ 1. „. „ 2. „ . „ 2. „ „ „ 2 Den 11. April 1782. dant bij de sipahis Gephard, Weinsheimer e Nach„ trab tot kapitain Luitenants denzelven uit 's komp=s kassa maandelijk zoo„ lange zij dienst zouden doen, zoo veel betaa¬ lende als 's komp=s officiers van hunne ka, „rakter genooten; Dat men den kapitain Ali„ „litair Fredrich von Sauer, die overland uit de Europa hier gekoomen was, almede bij de troe„ „pen behoorde te Emploieeren, het welk om„ trend kapitain Formbauer niet kost geschie„ „den, door dien aan denzelven het opzicht over de fortifikaatsien opgedraagen was, en de Heer Kommandeur in d' aanstaande beleege„ „ring hem als Jngenieur meende te gebruiken en dat men als dan slechts drie kapitain Luitenants, vijf Luitenants, en vijftien vaan„ „drigs zouden noodig hebben. waar op met aandacht gedelibereerd zijnde: zoo is met eenparigheid van stemmen volstrekt noodig kapt=n von sauer kommen,„ geoordeeld, en dienvolgende goedgevonden en verstaan, Den kapitain von sauer als kom„ „mandant bij het eerste Battaljon sipahis te plaatsen, de drie oudste Luitenants van het garnisoen Godlieb Georg Gephard, Ja„ cob Bernhard Weinsheimer, en Justinus Andreas Nachtrab, tot kapitain Luite„ benoem „nants „ Den 11. April 1782. drie fransche officiers geduuren„ de hun verblijf te plaatsen. benoeming van vijf luite„ nants. „ vijftien vaandrigs Mitsgaders vier onder adju„ „danten. „nants aantestellen, en den eersten bij de staf kompanie, de tweeden bij het tweeden Bat„ taljon sipahis en den derden bij de nieuw opgerichte kompanie Toepas te plaatsen, den franschen kapitain Louis Alexander Michel Chevallier de Lormier als komman„ „dant bij het Battaljon koetsiemsche sipahis en de twee fransche Luitenants Pierre Bur„ „quez en Jean Louis Chasteigna de Paradis bij twee Jnlandsche kompanien te plaatsen en voorts de vaandrigs Ian George Muller, Johan Andries Lintzer, Wilhelm krans, Louis van Mander, en Johan fredrik An¬ „dree tot Luitenants, mitsgaders de onder-ad„ judanten Daniel Bakker en Jan Nicolaas Bisschop, mitsgaders de Serjanten Fredrik Freiter, Gerrit van der Voort, Jakob Reemer Gerrit Erning, Koenraad stelling, Hendrik de Leeder, George Wilhelm Trikke, Pieter Joseph de kant, Johan Kasper Schoeman, Frans willem Sonbom, Jurgen Dailinger, Christiaan David Milius en Johan Ernst Faber tot vaandrigs, mitsgaders de onder officiers Jakob Keizer, Jan Adolf Alles, Nicolaas
English
The 11th of April 1782 Provisional promotion in the Artillery To appoint Nikolaas Rose and Jean Baptist Coint as assistant adjutants. Also, for the good reasons given in the mentioned report and the evident necessity of more officers in the Artillery, it has been approved and agreed to appoint Lieutenant Jakob Kraus, to whom in the session of the 19th of July 1781 the supervision over the ammunition house and the powder magazines, as well as the command over the artillerymen was provisionally assigned, now, in view of the continued indisposition of the Captain Lieutenant and commander of that department, Johannes van Asbeek, as Captain Lieutenant and commander; the Extraordinary Lieutenant Andries van Eijk as Ordinary Lieutenant; the Ordinary Fireworkers Jan Hendrik Voogt and Leopoldus Beier as Extraordinary Lieutenants; the Extraordinary Fireworkers Jan Diederich Pas and Karel von Krause as Ordinary Fireworkers; the Bombardier Adriaan Snell and the gunners Pieter Elstendorp and Jan Jakob Greesing, as having the greatest competence for it, to appoint as Extraordinary Fireworkers, all subject to the approval of the High Government; and to respectfully implore the Noble High Indies Government favorably to approve these appointments, as having been made out of urgent necessity and for the preservation of this fortress. The 11th of April 1782 Their High Nobilities. To the Equipment Master Van Blankenberg the title of skipper granted, with a recommendation to the High Government. Pouedeers to the Battalions. Also, upon the proposal of the Commander, it has been approved and agreed to favorably recommend Equipment Master Johannes van Blankenberg to Their High Nobilities for promotion to skipper, and in the meantime to grant him the title and rank, since an Equipment Master in these times, when one expects foreign and own warships and whole squadrons, should at least have some status in order to be properly employed in his department. Since, according to the previously cited separate secret dispatch of the 27th of October 1780, twenty ropijen per month have been granted to the European subaltern officers with the native troops, which have also been provided up to now to the commanders and other European officers with the native troops, it has been deemed fair, and consequently decided, to continue with this, as well as in proportion thereof to grant to the Captains Commandant of the Battalions each fifty ropijen per month as a douceur. Authorization for the purchase of 36 mansjouws for pontoons in the moat. Twelve pontoons being necessary to maintain communication between the main fortress and the covered way, each consisting of three mansjouws, it has been approved and agreed—considering that the half-worn mansjouws or those made of bad wood and costing thirty to thirty-five ropijen must constantly be repaired and perish within a short time, whereby one might sometimes suffer an accident when transporting people or cannon, but that solid and new mansjouws of angelica wood can not only be used with peace of mind and endure the war, but after the same can still be sold again at a moderate loss—to purchase thirty-six new mansjouws of sound angelica wood at fifty to fifty-five ropijen a piece. The 11th of April 1782 Enlargement of the powder mill. Lastly, the Commander communicated that in repairing and getting the old powder mill running, for which a resolution was taken in the session of the 19th of July 1781, much adversity had been encountered, because the entire machine, from the beginning, did not seem to have been constructed in the best manner, and had now become so old and dilapidated that it constantly had to be repaired, whereby the work ground to a halt from time to time; and that the powder which had come from it was also found to be only of a middling quality, shooting barely sixty feet high, notwithstanding that the sulfur and saltpeter were refined with the greatest care, which latter defect seemed to have to be attributed to the poor construction of the mortars and pestles of the old mill; that therefore a trial had been made to have the powder stamped in the manner of the natives in hand mortars by coolies, for which eight mortars had been used up to now, as the number of coolies designated for the powder mill did not extend further, and also the kettle, pans, cooling vats and other tools for refining the saltpeter could not furnish any more material; and that the powder obtained from it in repeated trials in the presence of the Noble Lord Van de Graaff and of him, the Commander, had shot well over one hundred feet; but that with the present establishment not more than 2000 lb per month could be manufactured, wherefore His Honor had caused a report to be drawn up as to how this arrangement should be expanded and enlarged in order to be able to make daily two hundred pounds, or after deduction of 5 per cent for wastage, dust and grit, 190 lb of powder, the same reading as follows: To the Right Honorable Johan Gerard van Angelbeek, Commander and Chief Ruler on the Coast of Malabar with the dependencies thereof. Right Honorable, commanding Lord, Pursuant to Your Right Honorable's highly esteemed order of the 11th of April 1782.
Dutch transcription
2 Den 11. April 1782 provisioneele bevordering bij de Artillerij Nikolaas Rose en Jean Baptist Coint, tot onder adjudanten aantestellen Ook is om de daar van bij 't gemelde be„ recht gegeevene goede reedenen en de baar„ blyklijke noodzaaklijkheid van meerdere of„ „ficiers bij de Artillerij goedgevonden en ver„ „staan den Luitenant Jakob kraus, aan wien ter sessie van den 19. Juli 1781. het opzicht over 't ammunietsiehuis en de kruitmaga, „zijns, mitsgaders het kommando over de Arthilleristen provisioneel is opgedraagen als nu, mits de aanhoudende indisposietsie van den kapitain Luitenant en komman„ dant van dat departement, Johannes van Asbeek aantestellen tot kapitain Luitenant en kommandant, den Extra ordinair Luite„ „nant Andries van Eijk, tot ordinair Lui„ tenant, de ordinaire vuurwerkers Ian Hen, „drik Voogt en Leopoldus Beier tot Extra or„ dinaire Luitenants, de Extra ordinaire vuur„ „werkers Jan Diederich Pas en karel von krause tot ordinaire vuurwerkers, den Bom„ „bardier Adriaan Snell en de kanoniers Pieter Elstendorp en Jan Jakob Greesing, als daar Hooge vence Den 11. April 1782. hunne Hoogedelheeden. aan den Equipasiemeester van Blankenberg de titel van schipper toegevoegt met voordracht aan de Hooge regeering Pouedeers aan de Battatjons daar toe de meeste bekwaamheid hebbende, alles op d'approbaatsie van tot Extra ordinair vuurwerkers aan te stellen en d' Edele Hooge indische Regeering eerbiedig te imploreeren, dat deeze aanstellingen als uit dringende nootzaaklijkheid en tot behou„ denis van deeze vesting gedaan zijnde gun„ „stig te willen approbeeren Ook is op de proposietsie van den Heer kom„ mandeur goedgevonden en verstaan den Equi„ „pagiemeester Johannes van Blankenberg aan Hunne Hoogedelheeden ter bevorde„ ring tot schipper gunstig voor te draagen, en hem middelerwijle den titel en rang loete voegen, alzoo een Equipagiemeester in deezen tijd daar men vreemde en eigen Oorlogs scheepen en heele Esquaders te wachten heeft, ten minsten eenige qualiteid diend te hebben, om in zijn departement behoorlijk gebruikt te kunnen worden Aangezien blijkens voorwaards gesiteerde aparte sekreete Missive van den 27. Oktober 1780. aan de Europeesche subalterne officier bij de Jnlandsche troepen twintig ropijen 'smaands zijn toegelegd, die ook tot nu toe verstrekt 2 kommandanten en verdere Eu„ ropeeschen officiers bij de Inland„ sche troepen. qualis katie t bt inkoo„ pen van 36. Mansjourws tot ponten in de grach verstrekt worden, zoo is billijk geoordeeld, en dienvolgende beslooten om daar bij te blijven verg kontinueeren, mitsgaders in eevenreedigheid van dien aan de kapitains kommandanten van de Battaljons ieder vijftig ropijen 'smaands tot een douceur toeteleggen Tot het onderhouden van de komunikaat„ „sie tusschen de hoofd vesting en den bedekten weg twaalf ponten noodig zijnde, bestaande ieder uit drie Mansjouws, zoo is uit aanmer„ „king, dat de half sleetene Mansjouws of de zul„ „ken, die van slegt hout gemaakt worden en dertig tot vijf en dertig ropijen kosten, geduu„ „rig moeten gerepareerd worden en binnen korten tijd vergaan, waar bij men somwijlen noch bij 't overzetten van volk of kanons een ongeluk zoude krijgen kunnen, doch dat hechte en nieuwe Mansjouws van Angelika hout, niet alleen met gerustheid gebruikt en den Oorlog uithouden, maar na denzelven noch weder met een maatig verlies verkocht kunnen worden, goedgevonden en verstaan ses en dertig nieuwe Mansjouws van deugd„ „raam Angelika hout tegen vijftig en vijf mool Den 11. April 1782 en 8 „ ƒ 8 vergrooting, van de kruit„ moolen. en vijftig ropijen 't stuk te laaten inkoopen Laastelijk kommuniceerde de Heer kom„ mandeur, dat men bij het herstellen en aan den gang helpen van de oude kruitmoolen waar toe besluit genoomen is ter sessie van den 19. Juli 1781: veel teegenspoed had ontmoet, door dien de heele machine, van den begin„ ne afaan, niet naar de beste wijze scheen ingericht te weezen, en thans zoo oud en bouw vallig geworden was, dat er geduurig aan moest gerepareerd worden, waar door het werk van tijd tot tijd was blijven steeken, en dat ook het kruit het welk daar van afgekoo„ men was, maar van een middelbaare qualiteit was bevonden als slaande nauw„ lijks sestig voeten hoog, niet teegenstaande de zwavel en salpeeter met de meeste zorg„ vuldigheid geraffineerd waaren, welk laaste gebrek aan de kwaade konstruksie van de blokken en stampers van de oude moolen scheen te moeten worden toegeschreeven, Dat men derhalven eene proeve had genoomen om het kruit, op de wijze van de Jnlan„ ders in handblokken door koelies te laaten Den 11. April 1782. stampen 2 stampen, waar toe tot nu toe agt blokken ge„ „bruikt waaren, alzoo het voor de kruitmoolen bepaalde getal koelies niet verder strekte, en ook de ketel, pannen, koelvaten en verdere gereedschap tot het raffineeren van de salpee„ „ter geen meer speetsie konde fourneeren, en dat het daar van gekoomen kruit bij de herhaalde proeven in tegenwoordigheid van den Edelen Heer van de Graaff en van hem kommandeur verre over de honderd voeten ge„ „slaagen had, doch dat met den tegenwoordige omslag niet meer dan 2000. lb: 'smaands kost vervaardigt worden, weshalven zijn Achtb: een bericht had laaten opmaaken, hoedanig deeze aanstalt zoude moeten uitgezet en vergroot worden om dagelijks twee honderd pon„ „den of na aftrek van 5. p„r C=to voor spillasie stof en gruis 190. lb: kruit te kunnen maa„ ken luidende het zelve als volgt. Aan den weledele Achtb: Heer e Johan Gerard van Angebbeek Kommandeur en oppergebieder ter kuste „Mallabaar met den resorte van dien. Weledele Achtb: welgebiedende Heer Ingevolge uw weledele Achtb: hoog geeerde Den 11. April 1782. ordre
English
order, the undersigned has taken into consideration what may still be required for the service of the gunpowder mill, in addition to what is already in use there, in order to keep gunpowder manufacturing going and to be able to manufacture 190. lb: of gunpowder daily. First The large drying frame on which the powder is dried needs to be taken up and provided with good planks, also with a thatched roof, and all around with flaps of bamboo mats against the rain. 1. piece copper kettle, four feet in diameter at the top and 3. feet deep, for the refining of saltpeter. 2. copper cooling pans for the congealing of the saltpeter. 4. copper skimmers with iron handles. 2. ditto ladles. 6. wooden shovels for stirring. 1. ditto cooling vat with its tap and diameter of 3¼. feet at the top and 4¼. feet at the bottom. 1. wooden gutter to let the saltpeter drain off. 3. wooden tubs, 3½. feet high, 2½ feet wide at the top and at the bottom. The 11. April 1782. The 11. April 1782. 2. pieces wooden carrying tubs 1. ditto water bucket 3. wooden rubbing tables 9. ditto wooden rubbers 12. wooden drying troughs 6. wooden mortar blocks in which the powder must be pounded 14. wooden pestles 1. wooden graining frame 36: wooden double sieve rims 12. wooden hair sieves 36. drumheads for graining sieves 6. large homeland brushes of hog bristles to sweep the composition together with. 64. common rice winnowing fans to winnow the dust from the powder. For processing the above-specified quantity of pounds of gunpowder, in addition to the twenty-four coolies who are already busy with powder making and saltpeter refining, another twenty-six need to be added, so that fifty coolies must be put to work daily, as follows: 24. coolies for pounding 12. ditto at 6. rubbing tables 8. ditto at 3. graining boxes 2. coolies to carry the drying troughs up and down from the drying frame The 11. April 1782. frame and to turn the powder. 4. coolies to refine saltpeter and burn charcoal. Wherewith I hope to have fulfilled your Right Honorable, highly esteemed order to satisfaction, and take the liberty to call myself with all respect /:below was written:/ Right Honorable, commanding Sir, your Right Honorable humble and obedient servant /:was signed:/ Iacob Kraus /:in the margin:/ Koetsiem the 3. April 1782. —. Whereupon the Lord Commander continued that, in view of the multitude of work in the Company's carpenter's shop, he had investigated whether the necessary tools, such as powder troughs, blocks, and pestles, rubbing woods, and tables, could not be made by private carpenters, and that he had found that this could be done for little money, according to an estimate which, having been read aloud, was found to run as follows: Estimate Estimate of what is needed for the service of the powder mill, to wit: 1. piece graining frame, for wood and labor: 2. rupees 14: wooden pestles at ¾. rupees each: 10. ½. 12. powder troughs at 3. rupees each: 36. —. 6. mortar blocks at 2½. rupees each: 15. —. 9: rubbing woods at 1/5. rupees each: 1 4/5. 3. ditto tables at 6½. rupees each: 21. ½. Total rupees: 86. 2/5. For the construction of an ola shed above the frame, for the drying of powder, as follows: 150. pieces long bamboos at 20. rupees per 100. pieces: 30. — rupees 450: bundles of ola leaves at 5. rupees per 100. bundles: 22½ rupees 20. coolies for 8. days at 1/10. rupees each: 16. —. rupees 1: mukadam ditto at 1/5. rupees each: 1 3/5 rupees Subtotal rupees: 70 1/10 Total rupees: 156 9/10. For making a furnace for embedding a saltpeter kettle in masonry: 32. —. rupees From stock: 60. lb: nails. Sum total rupees: 188 9/10. Koetsiem the 4. April 1782. /:was signed:/ J:s Vijverberg And it having been taken into consideration that all possible means must be employed to increase the supply of gunpowder, that the expenses of the necessary wooden tools are very moderate, The 11. April 1782. and that the further outlay will likewise cause no great expenses, which will moreover be richly compensated by the larger quantity of powder, and consequently, after mature deliberation, it was approved and agreed to carry out this enlargement of the gunpowder mill forthwith. However, since there is no copper in stock in the warehouses for this purpose, and none is for sale from private individuals either, it was approved and agreed upon the further proposition of the Lord Commander to authorize the overseer of the blacksmith's shop, Andries van Eijk, to purchase manufactured copperware from private individuals and to have the necessary kettle and pans made from it. Thus done, resolved, and decreed in the Council of Malabar at the city of Koetsiem, on the day, month, and year aforesaid /was signed:/ I: G: van Angelbeek, The 11. April 1782. R: v: Harn, F:k v: d:r Busch, N: W: Beijts, I: L: v: Spall, E: G: Seijffer, A: J: S: Vernede, J: A: Cellarius, W: v: Haeften, and I: A: Daimichen. Agreed Adriaan Lootlieg Egklock No. 5.
Dutch transcription
ordre heeft den ondergeteekenden in overden„ „king genomen wat ten dienst van de kruit„ moolen booven 't geen reets aldaar in het ge„ „bruik loopt, noch mogt noodig weezen om 't kruit maaken aan de gang te houden en dagelijks 190. lb: buskruit te kunne aanmaa„ „ken Voor eerst Dient de groote droog stelling waar op 't kruit gedroogd word, opgenomen en met goe„ „de planken, ook met een das-dak, en rondom met klappen van bamboe-matten voor de reegen voorzien te werden 1. p:s kopere ketel boven van vier voet en Dia„ meeter en 3. voet diep tot het raffineeren van salpeeter. 2. „ kopere koel-pannen tot het stollen van de salpeeter. 4. „ kopere schuim lepels met ijzere steelen 2. „ _=o schep koppen. 6. „ houtte schoppen om omteroeren. =o koelvat met zijn kraan en dia 1. „ „meeter van booven 3¼. voet van onder 4¼. voet. 1. „ houtte goot om de salpeeter te laaten afloopen. houtte balies a 3½. voet hoog van boven 3. en van onder 2½ voet wijd Den 11. April 1782. 2. p=s 2. „ 2 Den 11. April 1782. 2. ps houte draag balies 1. „ d=o water emmer 3. „ „ wrijff tafels 9. „ „ do houten 12. „ „ droog bakken 6. „ „ stamp blokken waar in 't kruit ge„ „stampt moet worden 14. „ „ stampers 1. „ „ korrel raam 36: „ „ dubbelde zifranden 12. „ „ haare ziften 36. „ tromvellen tot korrel zitten 6. „ groote vaderlandsche schuijers van var„ kens borsels om de speesie daar meede bij malkaar te veegen. „ gemeene rijs wannen om 't stof van 't 64. kruit uit te wannen. Tot het bearbeiden van de boven gespecifi„ ceerde quantiteit ponden buskruit, dient noch boven de vier en twintig koelies, die reets aan 't kruitmaaken en salpieter raffineeren bee„ zig zijn, noch ses en twintig te weezen alzo dat er dagelijks vijftig koelies aan het werk moeten gestelt, werden, als. 24. koelies tot stampen 12. d=o aan 6. vrijf tafels 8. . „. „ 3. korrel kisten 2. . . „ om de droog bakken van de droog stelling Den 11. April 1782. stelling op en neer te draagen en het kruit te keeren. 4. koelies om salpeeter te raffineeren en kool te branden. Waar meede verhoope uw weledele Achtbaare hoog g'eerde order ten genoegen volbragt te hebben, en mij met alle Eer„ bied bevrijmoedige te noemen /:onder„ „stond:/ Weledele Achtbaare wel gebieden„ „de Heer, uw weledele Achtbaare onder„ „daanige en Gehoorzaame Dienaar /:was ge„ „tekend:/ Iacob Kraus /:in margine:/ koet„ siem den 3. April 1782. —. Waar na de Heer Kommandeur vervolgde dat hij uit aanmerking van het meenigvuldige werk op 's Kompa„ nies timmerwinkel had onderzocht of het noodige gereedschap, als kruitbakken blokken, en stampers, vrijfhouten en ta„ fels, niet door partikuliere Timmerlie„ den kost gemaakt worden, en dat hij bevonden had dat zulx voor gering geld kost geschieden volgens een kalku„ laatsie die opgeleezen zijnde bevonden werd aldus te luiden Kalkulaatsie La Kalkulaatsie, van het geen Be„ noodigt is, ten dienste van de kruit Moolen, te weeten. 1. p:s korrel rhaam aan hout en maaklom rop:s 2. „ 10. ½. 14: „ Houtte stampers a ¾. ros=s ieder - „ 36. —. 12. „ kruit bakken „ 3. „ 15. — 6. „ stamper blokken. „ 2½. „ „ „ 1 2/5. .„ — 1/5. „ „ „ 9: „ vrijf houten 21. ½. „ 6½. „ „ do Tafels „ . 3. „ rop 86. 2/5. Tot het maaken van een ola Mandoe boven de Jafel, tot het droogen van kruit, als 150. p=s lange bamboesen a 20. rop=s de 100. p=s rops:s 30. — 450: bossen de kolassen - - „ 5. „ „ 100. bossen „ 22½ 20. koelies voor 8. dagen „ — 1/10. „ ider . . - „ 16. —. 1: Makadon d=os „ 1/5. „ „. 1 12/5 70 1/10 rop: 156 9/10. Tot het maaken van een vernuis tot het „ 3.2. —. inmetselen van een salpeter ketel uit voorraad. 60. lb: spijkers Somma ros. 18 9/10. Koetsiem den 4. April 1782. /:was getc:t/ J=s Vij„ „verberg En is in aanmerking genoomen dat men alle mogelijke middelen diend aantuwenden, om den voor„ raad van Buskruit te vermeerderen, dat de onkosten van het noodige houte gereetschap zeer maatig zijn, Den 11. April 1782. en . en dat de verdere omslag mede geen groote kosten zal veroorzaaken, die bui„ „ten des door de ruimere quantiteit kruit rijkelijk vergoedt zullen worden, en dien„ volgende na rijpe deliberaatsie goedge „vonden en verstaan, die vergrooting van de kruitmoolen ten eersten te laaten ge„ volg neemen. Dan dewijl daar toe geen koper in de Pakhuizen in voorraad, en ook bij partikuliere niet te koop is zoo is op de nadere proposietsie van den Heer kommandeur goedgevonden en ver„ staan den opziender der Smits- winkel Andries van Eijk te qualificeeren om gemaakte koperwerken van partiku„ „lieren in tekoopen en daar uit de noodige ketel en pannen te laaten aanmaaken. Aldus Gedaan, Geresolveerd, en G'arresteerd in Raade van Mallabaar ter steede Koetsiem, ten dage, maand en Jaare voormeld /was getl:/ I: G: van Angel„ Den 11. April 1782. beek „beek, R: v: Harn, F=k v: d=r Busch, N: W: Beijts, I: L: v: Spall, E: G: Seijffer, A: J: S: Vernede, J: A: Cellarius, W: v: Haeften en I: A: Daimichen. Akkordeerd Adriaan Lootlieg Egklock No. 5.
English
Translation of an ola, written by the King of Cochin to the Right Honourable Commander Johan Gerard van Angelbeek, received on the 27th of April 1782. I hear that the Right Honourable Director is currently departing for Batavia; therefore, I hope that your Right Honourable will have given the necessary information to his Honour regarding the calamities and difficulties with which my kingdom is threatened. His Honour is an intimate friend of mine, and I am in the expectation that his Honour, upon his arrival at Batavia, will be pleased to deliver a proper report of all the present affairs to the Governor-General of the Dutch Indies, and to see to it that the necessary orders may be sent, both for the well-being of the Company's affairs and for those of ours. My intention is nothing other than to make the alliance between the Honourable Company and myself grow and increase more and more, and I trust that for the redress of the Company's affairs and those of ours, a good force will shortly arrive at Cochin, upon which I await a wished-for answer from your Right Honourable. Signed by His Highness. Subscribed: for the translation, Cochin, date as above. Was signed: S. van Tongeren. Agrees, H. V. Saels, Sworn Clerk. No. 46. Netherlands Malabar To the Right Honourable Johannes Gerardus van Angelbeek, Commander over the Company's important trade and business on the said coast, together with the Council. Having flattered ourselves with the expectation of a favourable reply to my letter sent to your Right Honours alongside the Honourable Geeke on the 22nd of January past, a copy of which I offer herewith, and as the same has not appeared up to now, the utmost necessity has compelled me to make use of the qualification favourably obtained from your Right Honours, both to pay off our debts here and to make good the further expenses which I am obliged to incur in this army, and to draw on your Right Honours the five thousand Mangalore pagodas requested in the aforesaid missive, which, after much effort expended, I have obtained at a discount of 7½ percent from the banker here, Josjokana Mankara Chettij, to be paid to his factor at Coimbatore, Balla Goernada Chettij, or order, either in that currency itself, or the value thereof in Venetian ducats or Surat rupees, with this express condition nevertheless, that the money must be delivered to Palakkad without risk to him. However reluctantly, I was obliged to accept this disagreeable condition, since I could not obtain a bill of exchange otherwise, and the service of the Honourable Company, under the present state of times and affairs, is of the utmost importance that the credit of Their Honours here be completely preserved; begging your Right Honours, for that reason, to be pleased to have the said amount of 5000 Mangalore pagodas counted out in a secure manner at the aforesaid place, Palakkad, and accordingly to honour my said bill with precise payment. The Honourable Geeke was sent by the Nabob to proceed via Tranquebar to Colombo and to request the Right Honourable Governor Falck to send the necessary ships and men to this coast, in order to repossess the lost places of the Honourable Company. He departed from here overland on the 9th of this month. No definite report has been obtained up to now concerning the battle between the French and English fleets, mentioned in our respectful letter of the 21st of February last. Although the French claim the victory, one cannot really vouch for it; but this much is known for certain: that the English ships disappeared due to a storm that arose during the battle and the darkness of the night that followed upon it, without the French, who had sought them afterwards in vain, being able to trace the place of their retreat. The French are currently busy disembarking at Porto Novo the troops, etc., which they brought with them. I hope that our letters of the 15th and 27th of January, as well as the 2nd of February last, sent by the post of the Nabob, will have been properly delivered to your Right Honours. While commending your Right Honours and the Company's precious interests to the protection of God, I call myself with all respect, Right Honourable Sir and Sirs, your Right Honours' humble and obedient servant, Signed: J. D. Simons. In the margin: At the Army of Bahadur, the 16th of March 1782. Below: P.S. Following the instance of the aforesaid banker, I request that upon giving report of the settlement of the bill, you add one of your Right Honours' lascars, to bring the news thereof hither. Letter A Netherlands Cochin To the Right Honourable Johannes Gerardus van Angelbeek, Commander over the Company's important trade and business on the Coast of Malabar, etc., etc. Right Honourable Sir, My indisposition for the past half month, from which I have just recovered, as well as the painful emotion over the untimely passing of my two beloved brothers, Jakob Simons at Madras and Isaak Reinier Simons here, in the space of less than two and a half months, has deprived me of the fortune and pleasure of writing to your Right Honourable in particular; but I hope to satisfy myself in that regard shortly and to [illegible] to your Right Honourable the received Nagapattinam reports [illegible] the Hope [illegible] deliver for further dispatch; we enclose herewith the triplicate of our letters of the 8th of January [illegible]
Dutch transcription
Translaat ola, door den koning van Koetsiem geschreeven, aan den weledele achtb: Heer Kommandeur Iohan Gerard van Angelbeek ontfangen den 27. ' April 1782. p Jk hoore dat den weledele heer Direkteur thans naar Batavia vertrekt, derhalve hoope ik dat uweledele achtb de noodige informatsie aan zijn weledele zal gegeeven hebben, wegens de onheilen en moeielijkheeden waarmeede mijne rijk gedrijgt worden, zijn weled: is een jntime vriend van mij, en ik ben en die verwagting dat zijn weledele met deszelfs arrivement op Batavia, een behoor„ „lijke rapport van alle de presente zaaken aan de heer Goeverneur Generaal van Nederlands Jndien zal gelieven te doen, en te bezorgen dat er noodige orders zoo tot wel weezen van 's komp:s zaaken, als die van ons mogen gezon„ „den worden, mijne betragting is anders niet als de alli„ „antie tusschen de E: komp: en mij hoe langer hoe meer te doen aangroeien, en toenemen en vertrouwe dat tot redres van 's komp: affaires, en die van ons een goede magt op koetsiem binnen korten koomen zal, waar op ik een gewenscht antwoord van uweled: achtb: verwagt. geteekend bij zijn Hoogheid /:onderstond:/ voor de Trans„ „latie koetsiem datum als boven /:was geteekend:/ S: van Tongeren. Akkordeert H. V. Saels Gezw: Klerk ƒ 2 : No. 46. Nederland Mallabaar Aan den weledelen Achtbaaren. Heer Iohannes Gerardus van Angelbeek kommandeur over 's komp:s importanten handel en ommeslag ter gem: kuste nevens den Raad - - Ons geflatteerd hebbende op een favorabel antwoord op mijn nevens den E: geeke aan uweledele Achtb:s afgezonden schrijvens van den 22: Januari passato, waar van Copia hier nevens aanbiede, en het zelve tot nog toe niet opdaagende heeft de hooge noodzaakelijkheid mij gedrongen om van uwel edele Achtb: gunstig erlangde qualifikaatsie gebruik te maaken, zo om onze schulden hier aftelossen, als om de verdere ongelden die ik verpligt ben in deeze armee are te doen, goed te maaken, en op uwel edele Achtb:s te trek„ ken de bij voorsz: missive verzogte vijf duizend Man„ „galoorsche pagooden, welke ik na veele aangewende moeite met een rabat van 7½. p:r C:t van den bankier alhier Josjo„ „kana Mankara Chittij geobtineerd heb, om aan zijn factoor te koimpoetoer, Balla Goernada Chettij, ofte ordre, betaald te werden, 't zij in die munt zelve, dan wel de waarde van dien in venitiaansche ducaaten of sou„ kas met ratsche ropijen, met deeze uitdrukkelijke voorwaarde het nogtans, dat het geld, buiten zijn risico te Palekadoe moet bezoogd worden. Ik ben hoe noode ook verpligt geweest deeze onaangenaame Condietsie te amplecteeren, S vermits ik anders geen wissel heb konnen krijgen en den Ul dienst van dE: komp: in deeze konstitutie van tijden en ede„ zaaken ten hoogsten gelegen is, dat het Credit van Haar afzenden; Edele alhier volkomen geconserveerd werde; biddende zal deeze uwel vorerss vanot de Hoop ter verdere bestellinge overgeeven, wij voegen hier bij het Triplikaat van onze letteren van den 8 Januari bida Cochim. Weledele Achtbaare Heer en Heeren Griplikaat J„leeden Z:a H. uweledele Achtb: uit dien hoofde het gem: bedraagen van 5000:—. Mangaloorsche pagooden op eene sucuure wijze ter voorsz: plaat„ ze Palicadoe te willen doen tellen, en dien volgens gem: mijnen wissel met preciese betaaling te vereeren. DE. Geeke is door den heer Nabab afgezonden, om over„ granquebare naar kolombo te gaan en den weledele groot achtb: Heer Gouvern:r Falck te verzoeken de noodige scheepen en volk naar deeze kust te zenden, om de verloore plaatzen der E. Komp: weder in bezit te neemen. Mij is den 9. deezer van hier over land vertrokken. Men heeft tot nog toe geen vast berigt erlangd van het gevegd tusschen de fransche en Engelsche vlooten, vermeld bij onze Eerbiedige van den 21. e febr: J:o leeden schoon de franschen de overwinning toeschrijven, kan men echter niet wel daar op Eijfferen, dog dit weet men zeeker dat de Engelsche scheepen door een onder het gevegt ontstaane onweder, en de daar op gevolgde donkerheid van de nacht verdweenen zijn, zonder dat de franschen die hen naderhand te vergeefs opgezogt hadden, de plaatze hunner retraite konnen nagaan. De Franschen zijn tegenwoordig bezig om hunne meede gebragte trouppes etc: te Por„ tonovo te ontscheepen. Jk hoop dat onze brieven van den 15. en 27. Januari, mitsg:s 2. febr: J: leden per de post van den Heer Nabab afgegaan, bij uwel edele achtbaarens behoorlijk zullen besteld weezen. Terwijl ik uweledele Achtb: en 's komp:s dierbaare belangens in de be= „scherminge Godes beveelende, met allen eerbied mij noeme /:onderstond/ Weledele Achtb: Heer en Heeren, uweledele Achtb:s onderdanige en gehoor„ „zaame dienaar /:was getek:d/ J: D:e Simons / in marsine:/ p het Leger van Bahadoer den 16. Maart 1782. /lager:/ P: S: Jngevolge de instantie van den voorm: bankier, verzoek ik bij het geeven van berigt der voldoening van den wissel, een uwer weledele Achtb: las korijns bij tevoegen, om de tijding daar van herwaards te brengen. koetsiens L„a 5 Nederland Roetsiem Aan den weledelen Achtbaaren Heer Iohannes Gerardus van Angelbeek kommandeur over 'skomp:s Jmportanten Handel en ommeslag ter kuste Mallabaar & a &. a Weledele Achtbaare Heer Mijne indisposietie zedert eenen halve maand herwaards, waar van ik pas hersteld ben, zoo meede de smertelijke aandoening over het ontijdig overlijden van mijne twee geliefde broeders Jakob Simons te Casje et Madras en Isaak Reinier Simons alhier, in den 8 tijd van nog geen twee en een halve maanden A heeft mij van het geluk en genoegen beroofd, om aan uwel ed: Achtb: in het bijzonder te schrijven; dog ik hoop eerstdaags daar omtrend mij zelven te voldoen en el de„ uwelEdele Achtb: de ontfangen Nagapatnamse be„ z n riglen l ze Hoop ter verdere bestellinge overgeeven, wij voegen hier bij het Triplikaat van onze letteren van den 8 Januari da Jriplikaat J„leeden 5000: —. plaat„ mijnen ver groot h van hier pen tusschen 21 e de lijk „ ond gehoor„ het de
English
Letter H. to provide information. In the meantime, I trust that my letters of 12 and 31 January will have been delivered to your Right Honorable Sir. According to a letter received today, the Nagapatnam castle is being extraordinarily reinforced, and the British intend to defend themselves against the forces of Bahadoer down to the last man. Note: not against us or the French, who will open the campaign by attacking Koedeloer. Mr. Bouthenot, commander of a French corps of both infantry and cavalry, has very strongly urged me to request from your Right Honorable Sir: A pair of good trumpets, either of brass or silver. I take the liberty of putting this into effect herewith; the costs thereof will be remitted with the greatest gratitude. I have the honor, with profound respect, to call myself, below stood: Right Honorable Sir; Your Right Honorable Sir's very humble and obedient servant, was signed: J: D: Simons, in the margin: In the Army, 16 March 1782. Agreed. H. Spael Sworn Clerk Netherlands To the Right Honorable, Highly Esteemed Gentlemen Directors at the Assembly of Seventeen, representing the General Chartered Dutch East India Company, at the Presidial Chamber of Amsterdam. Honorable, Highly Esteemed, Sovereign Gentlemen! We let this serve to accompany a small chest of papers addressed to the Secret Committee, which we are sending with the Portuguese ship Nossa S=ra de Arabida into the hands of the supercargo Manuel Ioze Machado Sam Pajo to Mr. Daniel Geldemeester, consul of our state in Lisbon; another small chest with the duplicate papers this man will deliver to the Ministers of the Cape of Good Hope for further dispatch. We add hereto the triplicate of our letter of 8 January last, with the triplicate list of an assignment mentioned therein, and hope that all of this may obtain a safe delivery. While we give ourselves the honor to remain with profound respect, Honorable, Highly Esteemed, Sovereign Gentlemen! Your Right Honorable, Highly Esteemed's Humble and faithful servants, J G van Angelbeek R. V. Harn F v. n Busch A: W: D Beijl C V. Kuijsser A J Vernede J. A. Cllarius W: V: Haeften J: N Damnichen D D: Sael Koetsiem, 16 March 1782 Report provided by the Moorish Tindal Mangel Nanon. That, four months ago now, he, the informant, arrived off Madras with the French fleet, thirty sails strong, from Mauritius, where some English ships lay at anchor somewhat farther away; that the following day the French fleet set sail to go to a place south of Pondicherij named Mamoedbander, being Portonovo, and to put men ashore there, because Haider's army lay nearby; whereupon the English fleet, consisting of twelve ships, also set sail and pursued the French; and arriving at the latitude of Pondicherij, which was around four o'clock in the afternoon, both those fleets engaged in battle, and this lasted until six o'clock in the evening, when it grew dark and the ships could do nothing more; that in this engagement the English ships were very heavily damaged and many lost their masts; that the following morning the French had missed a ship that served as the hospital for the sick, and later heard that it had been captured by the English, but no English ship was to be seen any longer; that thereupon the French fleet set sail that very same day to reach Mamoedbander, but due to a storm that raged on that day, whereby the ships were separated from one another, it was compelled to wait for the ships to reassemble, and thus arrived at Mamoedbander two days later, and put several thousand men ashore, together with much ammunition and artillery goods, with the intention, as he, the informant, heard, first to take Koedeloer and after that to march on to Madras; that meanwhile an English warship, coming to spy on the fleet of the French, was captured by the French ships, as well as some other minor private sloops and vessels, among others a small vessel belonging to Ada Ragia of Kannanoor; that he, the informant, stayed at Mamoedbander for about a month, and heard that three miles from there, inland, the army of Haider was stationed, very strong, whither the French army also departed, and also upon the departure of him, the informant, which is today the thirtieth day, he heard it said that both those armies were on the march toward Koedeloer; the informant further relates that after the unloading of the ships he received permission from his captain to go to his home country, and thus traveled here and arrived here five days ago, having continued his journey along Ternewellie and through the land of the King of Trevankoor as a fakir or wanderer, finding all the lands in the realm of Mahmet Alichan severely destroyed and depopulated. Thus related within the city of Koetjen on 26 April Anno 1782. below stood: stated to me, was signed: Adriaan Poolvliet, First Sworn Clerk. Agreed. W: V: Balle Sworn Clerk
Dutch transcription
L:a H. „rigten te bedeelen. ondertusschen vertrouw ik dat mijne brieven van den 12. en 31. Januari bij uweledele Achtb. zullen besteld weezen. volgens een brief heden ontvangen, word het Nagapatnams kasteel ontzaggelijk versterkt en de Dritten zijn van voorneemens zich teegen het volk van Bahadoer tot op den laasten man te verdeedigen. NB: niet tegen ons of de franschen, die de Campagne zullen openen met het aantasten van koedeloer De heer Bouthenot, kommandant van een Cor franschen zo wel jnfanterij als kavalleaij, heeft mij zeer geinsteerd om van uwel edele Achtb: „te verzoeken: Een paar goede trompetten, 'tzij kopere of zilvere,: Jk neeme de vrijheid zulx bij deezen werkstellig te maaken; zullende het kostende met de grootste dankbaarheid geaemitteerd werden. Jk heb de eere met diepen eerbied mij te noemen /:onderstond/ weledele Acttbaaren Heer; Uwel edele Achtb: zeer nedrige en gehoorzame dienaar /was getekend:/ J: D: Simons /in marsine:/ Jn't Leger den 16: Maart 1782. —. Akkordeerd. ee H. Spael GGez: Klerk 2 o Nederland Aan de Weledele Hoog achtbaare Heeren Bewindhebberen Ter vergaderinge van zeeventienen Representeerende de generaale Nederlandsche g'oktroijeerde Oostindische kompanie, ter Praesidiale kamer Amsterdam. Edele, Hoog achtbaare, wijdgebiedende Heeren! Wij laaten deezen dienen ten geleide van een kasje met papieren, gerigt aan het geheim Committe; het welk wij met het portugeesch schip Nossa S=ra de Arabida in handen van den superkarga Manuel Ioze Machado Sam Pajo aan den Heer Daniel Gelde„ meester konsul van onzen staat in Lessabon afzenden; een ander kasje met de duplikaat papieren zal deeze man aan de Ministers van de kaap de Goede Hoop ter verdere bestellinge overgeeven, wij voegen hier bij het Triplikaat van onze letteren van den 8 Januari Jriplikaat J„leeden mijn Achtb. ine ge ledele a 1 Leger was Koetsiem den 16. Maart 1782: j„oleeden, met de triplikaat lijst van eene Assignaatsie daar bij vermeldt en hoopen dat het een en ander een goede bestellinge mag erlangen. terwijl wij ons de eere geeven met diepe eerbied te blijven Edele, Hoog achtbaare, wijdgebiedende Heeren! Uwer weledele Hoog achtbaaren Onderdanige en getrouwe dienaaren J G van Angelbeek R. VHlarn F vn Busch A: W: D Beijl C V. Kuijsser A J Vernede J. A. Cllarius W:V: Haeften J: N Damnichen . DD: Sael 2 Nez en 2 Dat nu vier maanden geleeden Hij Relatant met de fransche Vloot, sterk dertig zeilen, van Mauritius ge„ „koomen is voor Madras, alwaar wat verre van daan eenige Engelsche scheepen ten anker laagen dat des anderen daags de fransche vloot onder zeil is gegaan, om op een plaats bezuiden Pondicherij genaamt Ma„ „moedbander (zijnde Portonovo / te gaan, en aldaar volk aan land te zetten, om dat Haiders leeger daar bij lag, wanneer de Engelsche vloot, bestaande uit twaalff scheepen ook onder zeil ging en de Fransche vervolgde, en op de hoogte van Pondicherij koomende dat omtrend vier uur agtermiddag was, raakten die beide vlooten slaags, en zulx duurde tot ses uur des avonds, wanneer het donker werd en de scheepen niets meer kosten verrigten, dat in dit ingagement de Engelsche scheepen zeer beschaadigd zijn geworden en veele hunne masten verlooren hebben, dat des anderen dags morgens de franschen een schip dat het hospitaal der zieken was, gemist hadden / en na„ „derhand gehoord dat het door de Engelschen was geno„ „men / doch geen Engelsch schip meer te zien was, dat daar op de fransche vloot dien eigensten dag onder zeil is gegaan, om op Mamoidbander te koo„ „men, doch door een storm die op dien dag heeft gewoedt, waar door de scheepen van malkander Relaas verleend door den moor„ „schen Tandel Mangel Nanon waaren 2 waaren geraakt, genoodzaakt is geweest, om de schee„ „pen weder intewagten en dus twee dagen daar na op Mamoedbander is g'arriveerd, en eenige duizend man aan de wal heeft gezet, neevens veele Amoniet„ „sie en Arthillerie goederen met voorneemen zoo als hij Relatant gehoord heeft eerst koedeloer te gaan neemen en daar na naar Madras optetrekken, dat intusschen een Engelsch oorlogs schip komende om de vloot van de Franschen te bespieden, door de fransche scheepen genoomen is, ook eenige ander mindere partikuliere sloepen en vaartuigen onder anderen een scheepje van Ada Ragia van kannanoor dat hij Relatant op Mainoedban„ „der heeft vertoeft omtrend een maand lang, en gehoord heeft dat drie mijlen van daar land, „waards het leger van Haider lag zeer sterk werwaards het fransche leeger ook vertrokken is, en ook bij vertrek van hem Relatant, dat heeden de dertigste dag is, heeft hooren zeg„ „gen dat die beide leegers in optogt waaren naar koedeloer relateerende hij Relatant voorts dat na het ontlaaden van de scheepen hij permissie van zijn kapitain heeft gekreegen om naar zijn land te gaan en alzoo dit heen is gekoomen en voor vijf dagen hier is g'arriveerd; hebbende zijne reize vervolgd langs Ternewellie, en door het land van den koning van Trevankoor als een fakkier of landlooper, vindende alle de landen . landen in 't Rijk van Mahmet Alichan zeer gedestrueerd en onbevolkt. Aldus Gerelateerd binnen de stad koetjen den 26: April Ao 1782. /onderstond:/ aan mij opge„ „geeven /was geteekend:/ Adriaan Poolvliet. E: G: klerk. Akkordeerd. W: V: Balle Gez: klerk 2 „
English
Today, the 17th of May 1782. Appeared before me, Adriaan Poolvliet, Bookkeeper and First Clerk of Police of this Malabar Commandment, in the presence of the witnesses to be named hereafter: Domingo Novais, former warehouse assistant in the Company's warehouse at Ponnekail; Komara Soeami, son of the Company's merchant at Manapaar, Tileanajagam Poela; Waniapen, former Araatje at Manapaar; and Mattoe Rawana, former Araatje at Tutukorijn, who, at the requisition of the Right Honorable Lord Johan Gerard van Angelbeek, Commander and Supreme Ruler of this coast, and through the translation of the Assistant Interpreter Barend Bles, testify and declare as follows. The first deponent declares that on the 22nd of February last, two hundred English Sepoys from Tutukorijn arrived at Ponekail and asked him, the deponent, and the Interpreter of Ponekail whether there were any goods belonging to the Company or to the Company's servants there; that he, the deponent, and the Interpreter answered thereto that there was nothing there, because in the month of July previously everything had been carried away from there to Tutukorijn; that upon these statements by him, the deponent, and the Interpreter, those English troops ordered them to execute an affidavit wherein they had to admit that no goods belonging to the Company nor to their servants were left or to be found there, which he, the deponent, and the Interpreter did; that subsequently, on the 24th of February, six English gentlemen arrived at Ponekail, among whom only one was known to him, the deponent, namely the Paymaster of Paliankotta, Mr. Light, to whom the troops who had arrived two days earlier said that according to the statements of the Company's people there, nothing belonging to the Company or their servants was to be found there; that thereupon the said gentlemen ordered the door of the warehouse to be broken open, and finding nothing therein, subsequently also ordered the house of the Resident and that of the Second to be broken open, wherein likewise finding nothing, they then went to the flagpole and had the same chopped down, and thereafter gave orders to take out all the doors and windows of the buildings, to break them to pieces, and to send the iron coming therefrom to Paliankotta, as indeed happened; after which those gentlemen departed that very evening for Tutukorijn, taking with them all the troops, except for fourteen Sepoys who were left there. Furthermore, he, the deponent, declares that on his journey hither, arriving at Manapaar, he found there the Prince of the Paravas of Tutukorijn, named Dom Gabriel Waas Gomes, who related to him, the deponent, that in the latter part of the month of January, the Chief of Tutukorijn, Mr. Mekern, had summoned the Kattaboma Naik to the castle of Tutukorijn, who arrived there on the 3rd of February, to whom the Chief had said that orders had come from Colombo to hand over Tutukorijn with everything belonging thereto and to be found therein to him, the Kattaboma Naik, and that he, the Chief, had to depart for Colombo with the Company's people, except for an Orderly Sergeant, twelve Topasses, and twelve Sepoys, who were to remain there and have with them a Company's flag and a document to show to the English in case they should arrive there; that as soon as the Kattaboma Naik heard this news from the Chief, he ordered his people simply to take away whatever was in the Chief's house, as they indeed did; that thereupon, at eight o'clock in the evening, the Chief had his writing desk carried away to the house of the Second, and subsequently boarded the sloop at eleven o'clock and departed for Colombo, leaving behind the First Resident of Manapaar, the Junior Merchant Keuneman, to pack up the remaining Company's linens, who then also followed therewith on the 5th of February. That the said Prince, on the same evening that the Chief embarked for Ceylon, also departed for Manapaar, and that the Kattaboma Naik also left then, but on the morning of the following day had sent twenty-one ballons and two dhonies to fetch all the Company's and private goods that were in the castle, as was also done, transporting therewith, among other things, all small cannons and ammunition stores to Patanamadoer; and because the large cannons could not be transported therewith, they were carried away overland until the forementioned 19th of February, when the English arrived there and took away the remainder; that the English, upon their arrival at Tutukorijn, immediately ordered a beginning to be made with the demolition of the private houses, of the Company's Master, of the Chief Surgeon Dupuits, of the Cashier Kersse, and of several others, and subsequently also of the Dutch Church and the Hospital, and further had the four corners of the castle undermined in order to be able to blow it up quickly; that the English subsequently also wished to have the houses of the natives demolished, and to that end had the European schoolmaster Van Ek's hands tied behind his back and led him through the streets to point out the houses of those who possessed any means, beating him now and then along the way to make him do so; furthermore, that the Second of Kilkare, Van Geijssel, together with his wife and a marriageable daughter, was at Tutukorijn at that time, who was severely mistreated with many blows by the English because one of those six Englishmen who had arrived at Ponekail, having asked to marry the daughter of the said Van Geijssel, the parents did not consent thereto; that subsequently the said Van Geijssel was carried away in that manner with blows to Paliamkotta.
Dutch transcription
Heden den 17. Mai 1782. Kompareerden voor mij Adriaan Poolvlie Boekhouder en eerste klerk van polietsie deezes Mallabaarsen kommandements /: prezent de na te noemene getuigen: Domingo Novais geweezen hand„ kapel in 's Komp:s Pakhuis te Ponnekail, koma„ ra Soeami, zoon van 's Komp:s koopman te Mana„ paar Tileanajagam Poela, waniapen geweezen straatje te Manapaar, en Mattoe rawana gewee„ zen Araatje te Jutukorijn, dewelken ter requisietsie van den weledelen Achtb: Heer Johan Gerard van Angelbeek kommandeur en oppergebieder deezer kuste, en door vertaaling van den Ondertolk Barend Bles attesteeren en verklaaren als volgd. De eerste attestant verklaard, dat den 22. febru„ ari Jleeden, twee Honderd man Engelsche Sipahis van Tutukorijn op Ponekail zijn gekoomen, en hebben hem attestant en den Tolk van Ponekail gevraagd of daar geene goederen waaren van de komp: of van 's komp:s dienaaren, dat hij Attestant en de Tolk daar op hebben g'antwoord, dat daar niets was, wijl in de maand Juli bevoorens alles daar van daan was weggebragt naar Tutukorijn, dat die Engelsche volkeren op dat gezegden van hem attestant en den tolk hebben g'ordonneerd een bewijs te passeeren, waar bij zij bekennen mosten, dat geene goe„ „deren van de komp: noch van hunne dienaaren, aldaar gelaaten noch te vinden waaren, 't geen hij attestant en 2 en de Jolk hebben gedaan, dat vervolgens den 24. febr: op Lonekail waaren gekoomen ses Engelsche Heeren, waar onder een maar die hij Attestant kende, naamlijk de Paijmeester van Taliankotte M=r Light aan dewel, ken, de twee dagen bevoorens gekoomene volkeren, zei„ „den, dat daar niets volgens zeggen van de aldaar zijnde menschen van de komp: noch van hunne dienaaren waaren te vinden, dat daar op gem: Hee„ ren de deur van het Pakhuis hebben laaten open„ breeken en daar in niets vindende, vervolgens 't huis van den Resiedent, en dat van de tweede ook hebben laaten openbreeken, waar in insgelijx niets vindende, ver„ volgens gegaan waaren, naar de vlaggestok en dezelve hebben laaten om verkappen, en daar na order gegeeven hebben om alle de deuren en vensters van de gebouwen uit„ teneemen, aan stukken te breeken en het daar van koomend ijzer naar Paliankotta te zenden, zoo als ook geschiede, waar na die Heeren dien eigensten avond naar Tutukorijn zijn vertrokken, meede neemende al het volk uitgenoomen veertien sipahis, die daar gelaaten zijn, voorts verklaard hij Attestant dat in zijn herwaards reizse op Manapaar koomende, aldaar heeft gevonden den Prins der Paroeas van Tutukorijn, Dom gabriel waas Gomes gen„t dewelke aan hem attestant verhaalde dat in het laast van de Maand Januari het opperhoofd van Tutuka, „rijn de Heer Mekern had laaten roepen in het kasteel van Tutukorijn den kattaponaik, die den 3. febr: daar gekoomen was, aan wien het opperhoofd had gezegd dat er er order van kolombo was gekoomen om Tutukorijn met al het geen daar bij gehoord, en daar in te vinden was aan hem kattoponaik overlegeeven en dat hij opperhoofd naar kolombo vertrekken most met 's komp:s volk, uitge„ „nomen een order serjant, twaalf toepassen en twaalf sipa„ „his, die daar blijven en bij zich hebben zouden, een 'skomp:s vlag en een geschrift om ingevalle de Engelschen aldaar mochten komen, dezelven aan hen te vertoonen, dat de kattaponaik zoo dra hij die tijding van het opper„ hoofd had gehoord deszelfs volk had geordonneerd om het geen in het huis van het opperhoofd was, maar weg te neemen, zoo als ze ook deeden, dat daar op het opper„ hoofd savonds om agt uur deszelfs Lessenaar had laaten wegdraagen naar het huis van den tweede, en ver„ volgens te elf uur in de sloep gegaan en naar kolom„ „bo vertrokken was, achterlaatende den eersten resident van Manapaar den onderkoopman Keuneman, om de noch ovrig zijnde zijnwaaten van de komp: afte„ pakken, die dan ook daar meede op den 5. febr: ge„ „volgd was. Dat hij Prins denzelfden avond dat het opperhoofd zich naar Ceilon inscheepte ook naar Mana„ paar vertrokken was, en dat de kattaponaik toen ook weggegaan was, doch des anderen dags morgen ge„ zonden had een en twintig balons en twee toonies om alle 's komp:s en partikuliere goederen die in het kasteel waaren aftehaalen, gelijk ook gedaan wierd, vervoeren, „de daar meede onder andere alle kleene kanons en ammonietsie goederen naar Patanamadoer, en wijl de febr: lve 2 de groote kanons daar meede niet hadden kunnen worden vervoerd, zoo waaren dezelven over land weggebragt, tot den 19. febr: voorm:, wanneer de Engelschen daar quaa„ „men en d' overrest weg naamen, dat de Engelschen met hunne komste op Tutukorijn ten eersten een begin hadden laaten maaken met het afbreeken van de partikuliere huisen, van de kompanjemeester, van de oppermeester Dupuits, van den kassier Kersse en van meer anderen en vervolgens ook van de Hol¬ landsche kerk en het Hospitaal, voorts de vier hoeken van het kasteel laaten ondermeinen om schielijk te kunnen doen springen, dat de Engel„ schen vervolgens ook de Huisen van de Jnlanders hadden willen laaten afbreeken, en tot dat einde den Europeeschen schoolmeester van Ek de handen op den rugge hadden doen binden en langs de straaten lei„ „den om aanwijzing te doen van de huizen der gee„ ner die eenige middelen bezaten hem nu en dan op den weg slaande om zulx te doen, voorts dat de tweede van Kilkare van Geijssel nevens zijne vrouw en een huwbaare dochter te dier tijd ook te Jutuko, zijn was die door de Engelschen met veele slaagen deerlijk wierd mishandeld om de wille dat een van die ses Engelschen die op ponekail waaren gekoo„ men, de dochter van gem: van Geijssel hebbende ver„ willem zocht te trouwen, de ouders daar in niet hebben toe„ stemmen, dat vervolgens gem: van Geijssel in dier„ voegen met slaagen weg was gebragt naar Paliam„ „kotte
English
kotte; the deponent declaring to have seen with his own eyes at kailwelho between Tutukorijn and Ponekail that the said van Geijssel, through mistreatment, was in such a state that he had to be carried away on a cattel to Paliamkotte; furthermore, that the English had set fire to some houses on the island of Allelande and had placed woodwork around the flagpole and set it on fire; that the said Prins had finally declared to him, the deponent, that he had suffered over five thousand pagodas in damages. The second deponent declares that, being at Tutukorijn on the first of February of this year, the Chief, Mr. Mekern, had summoned the Kattaponaik, who arrived the next day at the garden of Mapeloer and remained there until the 3rd of February, and then came into the castle of Tutukorijn in the afternoon at five o'clock. That after a short stay, two pieces of cannon standing in front of the church were carried outside, and half an hour later another two; that he, the deponent, inquiring where they were being taken, received the answer that two cannons had been given as a present to the said Naik, and the other two to Suvegerie Waniaan; that he, the deponent, had also seen some mirrors and chairs being carried away; that subsequently, around nine o'clock, the said Naik had left again, and that he, the deponent, had heard the following morning that the Chief had departed for Kolombo with all the soldiers, except for one orderly sergeant, twelve topasses, and twelve sipahis; learning at the same time that the people of the Kattaponaik occupied the gate and the interior of the castle, and that no one could enter or leave the castle without the consent of the Naik's people; that subsequently he, the deponent, with Mr. Keuneman, who had remained at Tutukorijn, went to the warehouse to provide rice to some orientals who were still there and on the verge of departing on a sloop that had arrived that morning; and that while dispensing the rice, some of the Kattaponaik's people arrived there and said to Mr. Keuneman that they also had to have rice, as they had been there the entire preceding night, to whom Mr. Keuneman had four packs of rice issued; that in the meantime the people of the Naik had opened the door of the armory by force and carried everything inside it away to Mapeloer, at which Mr. Keuneman, being very distressed, departed from there; that Mr. Keuneman had two horses for which sixty pagodas had already been offered and for which price Mr. Keuneman had also been willing to part with them, but that the Naik, hearing this, had those two horses forcibly seized and taken away, saying that everything belonging to the white people at Tutukorijn now pertained to him; whereupon he, the deponent, departed from Tutukorijn to Manapaar, where a month later three English gentlemen arrived with about thirty sipahis, among which gentlemen was the paymaster of Palienkotte, Mr. Light, who first asked the Manigaar where the young kanakapel of Mr. Keuneman was, who replied that he had also departed with the departure of Mr. Keuneman; that thereupon the said three English gentlemen had search made for the merchants, but did not find them because they had hidden themselves; after which those gentlemen had the chests and old chairs they found there in the houses of the merchants and of the Residents taken away, and furthermore had the doors and windows of the houses removed and the iron stripped from them, as well as all the iron that was here and there on the houses, with orders to send all of it immediately to Paleamkotte and to set fire to the windows and doors, as was indeed executed; and that they had not even let slip taking away from a merchant's house a small pot of powdered sugar and a small pot of castor seeds and sending them to Paliamkotte. The third deponent declares that one day before the departure of the Tutukorijn Chief, Mr. Mekern, for Kolombo, which was in the beginning of the recently passed month of February, he, the deponent, being at Tutukorijn with Mr. Keuneman, learned that the said Chief had summoned the Kattaponaik, who thereupon came the next day, and that after holding a secret conference that very evening, one hundred sipahis of the said Naik moved into the castle of Tutukorijn, and that he heard that some cannons had been given to the Naik; that around nine o'clock the Naik departed and the Chief went to Mr. Keuneman and furthermore, that very night, on board a sloop lying there, and subsequently to Kolombo; that during that night the people of the Naik carried the goods that were in the castle away to Panjalangkoertje, and that the following afternoon a headman of the Naik attempted to open the door of the rice warehouse by force, which the orderly sergeant tried to prevent, saying that he was not allowed to do so; whereupon the Naik's people struck him, the sergeant, against the chest, drove him away from there, and placed him under arrest along with four sipahis; that subsequently the warehouse was opened, the rice that was in it removed, shipped off in vessels, and also sent overland to Pattenamadoer; that they also took away the two horses of Mr. Keuneman that were there, which Mr. Keuneman tried to oppose, but in vain, as he was told that he should look after his own affairs and keep quiet; that thereupon the said Mr. Keuneman, seeing the violent acts of the Naik's people, immediately had the Company's linen packs
Dutch transcription
„kotte; verklaarende hij Attestand met zijne oogen te hebben gezien op kailwelho tusschen Tutukorijn en Ponekail, dat gem: van Geijssel door mishandeling zodanig af was, dat hij op een kattel most worden weg gedraagen naar Paliamkotte, wijders dat de Engelschen eenige huizen op het Eiland Allelande hadden in den brand gestooken en rondom de vlagge, mast houtwerken gelegt, en dezelve dus in den brand gestooken, dat gem: Prins eindelijk aan hem attestant had verklaard, dat hij over de vijf duizend pagooden schaade gekreegen had De tweede attestant verklaard, dat hij op Jutuko„ zijn zijnde, den Eersten febr: dezes Jaars het Opper„ „hoofd de Heer Mekern den kattaponaik had laaten, roepen die des anderen dags in de tuin Mapeloer gekoomen en daar tot den 3. febr: gebleeven en toen des agtermiddags te vijf uur binnen het kasteel van Tutukorijn gekoomen was. —. Dat na een weinig vertoevens twee stukken kanon die voor de kerk „stonden weg gebragt wierden naar buiten, en een half uur daar na, noch twee anderen, dat hij attestant vraagende werwaards die wierden ge„ bragt, tot andwoord had gekreegen, dat twee ka„ nons aan gem: Naik lot present waaren gegeeven, en de andere twee aan suvegerie waniaan, dat hij Attestant ook gezien had, dat eenige spiegels en sloeten wierden weg gedragen; dat vervol„ „gens omtrend negen uur gem: Naik weeder was worden 2 was weggegaan, en dat hij attestant smorgens daar aan had gehoord, dat het opperhoofd naar kolombo was vertrokken, met alle de soldaaten uitgenoomen Een or„ der serjant, twaalf toepassen en twaalf sipahis, ver„ neemende tegelijk dat het volk van den kattaponaik de poort, en binnen het kasteel bezet hield, en dat nie mand uit of in het kasteel konde gaan, zonder konsent van het volk van den Naik, dat vervolgens hij attestant met den Heer Keuneman, die op Tutukorijn noch was ge„ bleeven, naar het Pakhuis was gegaan om rijs te ver„ „strekken aan eenige oosterlingen die daar noch waaren, en op hun vertrek stonden met een sloep die dien mor„ gen daar was g'arriveerd, en dat onder het afgeeven van reis eenige kattaponaikse volkeren daar waaren gekoomen, en tegens den Heer keuneman gezegd had„ den, dat ze ook rijs hebben mosten wijl zij daar den geheelen gepasseerden nagt waaren geweest aan wien den Heer Keuneman vier pakken rijs had laaten verstrekken, dat intusschen het volk van den Saik de deur van de wapenkamer met geweld had g'opend en alles wat daar in was weggebragt, naar Mapeloer, waar over de Heer keuneman zeer aangedaan gewor„ den zijnde, daar van daan was weggegaan, dat de Heer Keuneman twee paarden had gehad waar voor reets sestig pagooden gebooden waaren, en voor welke prijs de Heer Keuneman dezelven ook had willen overdoen, doch dat de saik dat hoorende die twee paarden met geweld had laaten afhaalen en wag„ brengen, onder het zeggen, dat alles wat de blan„ ke menschen te Jutukorijn: toebehoorde hem nu toe„ quam, waar op hij attestant van Tutukorijn naar Manapaar Manapaar was vertrokken, alwaar een maand daar na waaren gekoomen drie Engelsche Heeren met omtrend dertig sipahis, onder welke Heeren was de paij-meester van Palienkotte M=r Light die ten eersten aan den Manigaar gevraagd had waar of de eene Jonge kanakapel van de Heer Keuneman was, die daar op toediende, dat met het vertrek van den Heer Keuneman hij ook weg was gegaan dat daar op gem: drie Engelsche Heeren de kooplieden hadden laaten opzoeken, doch niet gevonden, om dat ze zich schuil hadden gehouden, waar na die Hee„ ren hadden laaten wegneemen de kisten en oude stoelen die ze daar in de Huizen van de kooplieden en van de Residenten hadden gevonden, en voorts de deuren, en vensters van de huizen laaten uit neemen en daar van 't ijser uitstaan, zoo ook alle het ijser dat hier en daar aan de huisen was, met order om alle het zelve ten eersten naar Paleamkotte te zenden en de vensters en deuren in brand te steeken, zoo als zulx ook in 't werk was gesteld, en datze zelfs niet hadden laaten slippen, een kleene pot met poeder zuiker en een potje met Amenie„ ka pitten uit het huis van een koopman weg te neemen en naar Paliamkotte te zenden De derde attestand verklaard, dat een dag voor het vertrek van het Tutukorijns opperhoofd de Heer Mekern naar kolombo, dat geweest was in het begin van de Jongst gepasseerde maand februari „ hij altestant op Putukorijn zijnde bij den Heer keune„ man had vernomen, dat gem: Opperhoofd den katta„ ponaik had laaten roepen, die daar op des anderen dag gekoomen was, en dat na het houden van een daar was k on ƒ sent t n La een geheime konferentsie dien eigensten avond een honderd sipahis van gem: Naik in 't kasteel van Tu„ „tukorijn waaren getrokken, en dat hij gehoord had dat eenige kanons aan den Naik gegeeven waaren, dat omtrend negen uur de Naik weg was vertrokken en het opperhoofd gegaan naar den Heer Keuneman en voorts dien eigensten nacht naar boord van een sloep die daar lag, en vervolgens naar kolombo dat geduu„ rende dien nacht het volk van den Naik de goederen die in het kasteel waaren weggedraagen hadden naar Panjalang koertje, en dat den volgenden mid„ „dag een hoofd van den Naik de deur van het rijs pakhuis met geweld had willen openen, het geen de order sergant hebbende willen beletten, onder het zeggen dat hij zulx niet mogte doen, het volk van den Naik hem serjant tegen de borst had geslooten, hem daar van daan weg gejaagt en hem in arrest gesteld, met noch vier siparis, dat vervolgens het pakhuis was g'opend, de daar in geweest zijnde rijs uitgenoomen, in vaartuigen afgescheept, en ook te lande verzonder naar Patte„ „na madoer dat ze ook de twee paarden van den Heer Keuneman die aldaar waaren weg genoomen hadden, waar teegen de Heer Keuneman zich had willen stellen, maar vrugteloos, alzoo hem daar op was toegediend, dat hij naar zijne zaaken most zien, en stil blijven, dat daar op gem: Heer Keuneman ziende de geweldenarijen van 's Haiks volk, 's komp:s Lijnwaat pakken ten eersten had
English
had loaded into a sloop that lay there, had subsequently also gone on board the same and had departed with it to Kolombo, after first having sealed the two room doors of the house of the second in command there, in which had been found the goods of him, Keuneman, and of Mr. van der Wall; that immediately after the departure of Mr. Keuneman, the people of the Kattoponaik had opened the aforementioned two room doors by force and had taken away all the goods that were inside, as well as the houses of Mr. Kramer and of Miss Meier, robbing everything that was to be found therein. That a few days thereafter the English had also arrived at Tutukorijn and had taken away whatever remained of the goods of both the Company and the inhabitants; that while the English were there, a Company boat with money, rice, gunpowder, and four cannons had arrived off Tutukorijn; that thereupon the English had flown a Dutch flag from the castle and sent a balang with some sepoys thither and thus had also captured that boat, on which had been a European quartermaster and seven native sailors; that he, the deponent, had thereupon gone to Manapaar, and being there had heard that English were approaching, upon which rumor he, along with other people, had run into the woods and remained there until the English had departed from there again. The fourth deponent declares that two days before the departure of Mr. Alekern from Tutukorijn to Kolombo, which was in the beginning of the month of February last, the aforementioned chief had summoned the Kattoponaik; that two days thereafter the same had come into the castle of Tutukorijn, and after holding a secret conference with the chief had gone to the garden called Mapeloer and remained there until the next morning, when he came again into the castle and, after holding a further secret conference, had gone again to the aforementioned Mapeloer; that on that very day, at six o'clock in the evening, the chief had gone from the castle to the house of the second in command, where Mr. Keuneman was, where also arrived an envoy of the Kattoponaik, who, having spoken with the chief, went away again; that subsequently that night the chief had gone on board a sloop and departed with it to Kolombo; he, the deponent, declaring that a few days before the chief had given the Kattoponaik four cannons with some flintlocks; that on the very day the chief had departed, the people of the Kattoponaik had begun to carry off the goods of the chief and of the Company from the castle overland, both cannon, ammunition, and other goods to Panjalamkoertje; and that the Naik had also had vessels come and had other small goods such as household furniture, planks, etc., transported therein to Patnamadoer; that he, the deponent, had thereupon gone to Manapaar and had remained there for a month, when three English gentlemen arrived there, among whom was Mr. Light, paymaster of Paliamkotte, whom the deponent knew well, having some sepoys with them; that the aforementioned English had immediately asked for the Aratchi and the merchants, and not finding them, had gone to the Company residency, and immediately had the doors and windows of the Company warehouse and of the dwellings of the First and Second Resident removed, had them smashed to pieces and the iron taken off them, and after a stay of three days had departed again, leaving behind fourteen sepoys with orders to send the ironwork of the doors and windows to Paliamkotte, after which he, the deponent, had arrived here at Koetsiem. Herewith the deponents conclude their given declarations, which they affirmed to be the pure and sincere truth, giving as reason for their knowledge of all that is written above that they personally had seen, heard, and been present at the same, remaining therefore prepared to confirm this their attestation further under solemn oath if necessary or required to do so. Thus done and attested within the city of Koetsiem, at the Secretariat of Police, on the day, month, and year mentioned in the heading hereof, in the presence of Johannes Wolff and Frans Hendrik Nasse, clerks, as witnesses. Was signed with various Tamil characters and written around it: set by Domingo Navais himself, set by Komara Soeami himself, set by Wanapen himself, set by Moettoe Rawana himself. In the margin: in our presence, was signed: Johannes Wolff and F:s H:k Nasse. Lower: for the translation, was signed: B: Bles, sworn translator. Still lower: in my presence, was signed: Adriaan Poolvliet, sworn clerk. Agrees, Adriaan Poolvliet, Sworn Clerk. Patria Amsterdam. Triplicate To the Right Honorable Gentlemen, Mr. Iohan Graafland Pietersz. and the other Directors and Advocates of the General Netherlands Chartered East India Company, committee for War Affairs, residing in Amsterdam. Right Honorable Gentlemen, Our most recent humble letter of March 16th last we had the honor to dispatch with the Portuguese ship Nossa Senhora d' Arabida, addressed to Mr. Daniel Gildemeester. We hope that the same will reach Your Right Honors safely, and we let this present letter, which is departing via Mauritius with a Portuguese snow named Nossa Senhora de Piedade that has called at this roadstead in passing, serve only to give Your Right Honors humble notice of what has since been performed by us in the service of the Company and of the most noteworthy things that have since come to our knowledge. Regarding our proceedings, owing to the shortage of time we request permission to refer
Dutch transcription
had laaten afscheepen in een sloep die daar lagen vervolgens ook naar boord van dezelve gegaan en daar meede naar kolombo vertrokken was, na al„ voorens de twee kamer deuren van het huis van den sekunde daar te hebben verzegeld, waar in te vinden waaren geweest de goederen van hem keu„ „neman en van den Heer van der wall, dat ten eer„ sten na het vertrek van den Heer Keuneman het volk van den kattoponaik, de gem: twee kamer deuren met geweld had geopend en alle de goederen die daar in waaren weggenoomen, ge„ „lijk ook de huizen van den Heer Kramer en van Juffw Meier, roovende al wat daar in te vinden was. Dat eenige dagen daar na d' Engelschen ook te Tutukorijn waaren gekoomen en wat er van de goederen zoo van de komp: als van de inge„ zeetenen noch gebleeven was, weg genoomen had„ „den, dat terwijl d'Engelschen aldaar waaren een komp:s boot met geld, rijs, kruit en vier ka, „nons, voor Tutukorijn was gekoomen, dat daar op d' Engelschen een Hollandsche vlag hadden laaten uitwaaren van het kasteel, en een balang met eenige sipahis daar na toe gezonden en alzoo die bood ook bemagtigt hadden, waar op een Euro„ „peese quartiermeester en zeven inlandse mattroo„ sen geweest waaren, dat hij attestant daar op naar Manapaar was gegaan, en daar zijnde gehoord had dat er Engelschen aanquaamen op welk ks La welk gerugt hij nevens meer menschen de bos„ schen ingeloopen en daar gebleeven was, tot dat de Engelschen weeder daar van daan waaren weg gegaan De vierde Attestant verklaard, dat twee daagen voor het vertrek van den Heer Alekern van Lutu„ korijn naar kolombo, dat geweest was in het be„ gin van de maand febr: poleeden gem: opperhoofd had laaten roepen, den kattaponaik, dat twee dagen daar op dezelve in het kasteel van Tutukorijn was gekoomen, en na het houden van een ge„ heime konferentsie met het opperhoofd naar de tuin gen„t Mapeloer gegaan en daar gebleeven was tot den anderen morgen, wanneer weder in het kasteel gekoomen en na het houden van een na„ dere geheime konferentsie wederom naar gem: slapeloer gegaan was, dat dien eigensten dag des avonds te ses uur het opperhoofd van het kasteel was gegaan naar het huis van den sekunde, alwaar de Heer Keuneman was, al„ waar ook quam een sendeling van den katta„ „ponaik die met het opperhoofd gesprooken hebben „de, wederom weg ging, dat vervolgens in dien nacht het opperhoofd naar boord van een sloep gegaan en daar meede naar kolombo vertrok„ ken was, verklaarende hij attestant dat eenig dagen bevoorens het opperhoofd aan den katto „ponaik had gegeeven vier kanons met eenige snaphaanen snaphanen, dat op dezelfden dag het opperhoofd was vertrokken, het volk van den kattaponaik had begonnen de goederen van het opperhoofden van de komp: van het kasteel weg te brengen over land zoo wel kanon, ammonietsie als andere goed„ „ren naar Panjalamkoertje en dat de Naik ook meede vaartuigen had laaten koomen en daar „ naar Patnamadoer vervoeren andere kleine goederen als huismeubelen, planken enz: dat hij attestant daar op naar Manapaar was gegaan, en aldaar een maand lang gebleeven was, wanneer aldaar drie Engelsche Heeren gekoomen waarin, waar onder M:r Light paimeester van Paliamkotte, dien de attestant wel kende, bij zich hebbende eenige sipahis, dat gem: Engelschen ten eersten naar het Araatje en de kooplieden gevraagd hadden, en dezelven niet vindende, naar 's komp=s residentsie gegaan waaren, en ten eersten de deuren en ver¬ „sters van 's komp:s pakhuis en van de wooningen van den Eerste en tweeden resident hadden laaten uitneemen, dezelve aan stukken laaten slaan en het ijser daar van afneemen, en drie dagen vertoevens weeder vertrokken waaren achterlaa„ „tende veertien sipahis met order om de ijserwerken van de deuren en vensters naar Paliamkotte te zenden, waar na hij attestant hier op koetsiem ge„ „koomen was. Eindigende hier meede de Attestanten, hunne verleende weg na¬ ane verleende verklaaringen, die zij betuigden, de suive„ „re en opregte waarheid te zijn, gevende voor reeden van weetenschap van al het geen voorschreeven staat, alzo zelfs in perzoon gezien gehoord en bijge„ „woond te hebben, overzulx bereid blijvende dit hun geattesteerde des noods of daar toe gevergd werden„ „de nader met eede solemneel te bevestigen Aldus gedaan en geattesteerd, binnen de stad koetsiem, ter sekretarije van Polietsie, ten daage, maand, en Jaare in den hoofde deezes gem: in presentsie van Johannes Wolff en Frans Hendrik Nasse klerken als getuigen /:was get:/ met verscheiden tamoelse karakters en daar omme geschreeven door Domingo Navais selfs gesteld, door komara Soeami selfs gesteld, door wanapen selfs ge„ „stelde door Moettoe rawana selfs gesteld /:in marsine:/ ons prezent /:was get:/ Johann=s Wolff en F:s H=k Nasse /:lager:/ voor de vertaling /:was get:/ B: Bles gesw: translateur /:nog lager:/ in mijn kennis /: was getl:/ Adriaan Poolvliet Egklerk. Akkordeerd Adriaan Poolvliet Eyklerk. La 3 Patria aan de weledele Grootachtbaare Heeren. M:r Iohan Graafland Pietersz. en de verdere Bewindhebberen en Advokaaten van de generaale nederlandsche geoktroieerde Oostindische komp:e gekommitteerd tot de Oorlogs-zaaken resideerende binnen Weledele, Grootachtbaare Heeren Onze Jongste eerbidige van den 16. Maart laastleeden hebben we de eere gehad met het portugees schip Nossa Senhora d' Arabida onder addres van de Heer Daniel Gildemeester aftevaardigen. we hoopen dat dezelve Uweledele Grootachtb: wel zal geworden en laaten deezen, die afgaat over Mauritius met een Portugeese snaauw genaamt Nossa senhora de Piadade die en passant op deeze rheede aangeloopen is, alleen dienen om uweledele Groot achtb: nedrig kennis te geeven van het geen zeeder door ons in den dienst van de komp: is verricht en van het wee„ „tenwaardigste dat zeeder tot onze kennisse ge„ „komen is. Omtrend onze verrichtingen verzoeken we uit hoofde van de kortheid des tijds verlof, om ons te moogen Amsterdam. Triplikaat gedraagen suive„ h erden, hun de gem: ans get:/ self N 13 is (:was Bles ƒ mme
English
referred to our secret resolution of 11 April last, which is attached hereto in copy. Work is being pursued with all diligence on the further improvements to the fortifications decided upon therein, the supervision of which we have entrusted to Captain Johan George Fornbauer, who recently arrived here from the Netherlands. Several matters arising in connection therewith we did not dare have undertaken until now, in order not to be surprised by the enemies in the midst of the work; however, now that the bad monsoon is at hand, during which it becomes very difficult to besiege this city, we shall make use of this time in every possible way, and spare no expense to have everything still done to the fortress that is deemed necessary for its greater reinforcement. From the aforementioned resolution, your Right Honourable Worships will further see the grounds upon which it was judged that the Cochin garrison should be enlarged to 3500 men. The present strength thereof is recorded in the resolution, and it is likewise indicated therein in what manner the augmentation of the native troops is to take place. In order to have proper service from them, it is absolutely necessary that they be commanded by European officers, and on these grounds we have decided upon the promotion that is recorded in the resolution. If matters could have brooked delay, we certainly should not have been permitted to proceed thereto without first having requested the approval of their High Mightinesses; however, in these times, we hope that your Honourable Worships will take it in good part that we have dared to take the aforementioned promotion upon ourselves, and that we furthermore have all that which we believe, to the best of our knowledge, serves for the preservation of this place, set to work and carried out without delay. Of the conquest of the Samorin's realm by the English, we had the honour of informing your Right Honourable Worships in our latest respectful dispatch. The force which the English brought into that realm on that occasion consisted, according to the best reports that we have been able to obtain thereof, of 1500 Europeans and 4000 sepoys. At the end of the month of March, the English colonel commanding these troops intended, so we are assured, to attack Cochin. He certainly could have added hereto at will yet a multitude of armed Samorin Nayars and Moors, and perhaps he also counted on that with which the King of Travancore might have augmented this force, had he been forced by the English to finally lift the mask. However, the Chief of Tellicherry, who was requested by the aforementioned English colonel to lend a hand to this as well, and who, so it seems, had better understood the weight of this undertaking, refused to meddle therein without special orders from Bombay, and this enterprise has thus remained stalled. Since then, the English have detached a corps of troops from Calicut to attack, so it is said, Palghat, a place belonging to the Nabob Hyder Ali Khan; however, these troops returned without having accomplished anything, except that, not far from Calicut, they had an engagement with some troops of the Nabob, who, it is said, after having suffered considerable losses, had to retreat. Now again recently, 9 three-masted ships and 3 two-masted gurabs have arrived from Bombay at Calicut; so it is said, yet a large number of Europeans were brought therewith, who by some are estimated at as many as 2000 men. Also brought with these ships to Calicut were yet a number of sepoys, the estimate of which we have not heard; a good part of these troops has already been put ashore at Calicut. What the English intend with all these preparations is hitherto very uncertain. The progress of the monsoon, and their landing these troops so far to the north, leads us to think that it is not aimed at Cochin, and it therefore appears not improbable to us that the English intend to march this force overland to the Coast of Coromandel, where their affairs, if one may believe the rumours, stand very badly. Among the aforementioned 9 ships currently lying at Calicut, there are, so we hear, 2 warships. The remainder are presumably Company and transport ships, of which it is claimed that 8 vessels arrived at Bombay in recent days. The aforementioned two warships are in all likelihood the same ones that intended to go south this spring, but which, as we indicated in our latest respectful dispatch, turned back on the way upon hearing that the French fleet had arrived in the Indies. The squadron of the English Admiral Kempenfelt has, as far as we know, not yet arrived in these regions. We have had no direct news from the Coast of Coromandel since 21 February. Among various native accounts that one hears now and then from that direction, that which appeared most probable to us was a report from a native sailor who arrived here in recent days from Porto Novo, and from whom we have had a written account taken.
Dutch transcription
2 gedraagen aan onze sekreete resoluutsie van den 11. April Jongstleeden die in kopia hier neevens gaat. Aan de daar bij beslootene nadere verbeeteringen aan de ves„ „ting werken waar over we het op zicht hebben e gedraa„ „gen aan den onlangs uit Nederland hier aangekoo„ „men kapitain Johan George Fornbauer, word met alle naarstigheid gearbeid, verscheide dingen die daar bij voorkoomen hebben we niet eerder dan nu durven laaten onder handen neemen om niet in 't midden van het werk door de vijanden te wor„ „den overvallen, doch nu de quaade mousson op handen is waar in het zeer difficiel word om deeze stad te beleegeren zullen we ons deeze tijd op alle mogelijke wijze ten nutte maaken, en geen kosten ontzien om noch aan de vesting te laaten doen alles wat tot meerder versterking daar van noodig geoordeeld word, Bij de voorschr: resoluutsie zullen uweledele Grootachtb: voorts zien de gronden waar op g'oordeelt is, dat het koetsiems garnisoen tot 3500. koppen diend te worden ver„ „groot. - De tegenswoordige sterkte daar van is bij de resoluutsie ingeschreeven en daar bij is teffens aangeweezen op wat wijze de augmentatie der Jnlandsche troepen staat te geschieden, om van deeze de behoorlijke dienst te hebben is het volstrekt noodig datze door Europessche Officieren worden gekommandeerd, en we hebben op deeze gronden beslooten tot de promootsie die bij de La 3d de resoluutsie ingeschreeven is -. Jndien de dingen hadden kunnen uitstel veelen zouden we zeekerlijk daar toe niet hebben moogen treeden zonder daar voor af te hebben gevraagt het goedvinden van Hunne Hoogedelheeden doch in deeze tijd hoopen we dat uwel Edele achtb: het ons in het goede zullen afneemen dat we de voorschreeven promootsie hebben over ons durven neemen, en dat we voorts al het geene dat we naar onze beste kennis meenen te dienen tot behoud van deeze plaats laaten te werk leggen en uitvoeren zonder uitstel. van de vermeestering van het samorijnsche Rijk door de Engelschen hebben we de eere gehad uwel„ „edele Grootachtb: bij onze Jongste eerbiedige kennis te geeven. De magt die de Engelschen ter dier gelee„ „genheid in dat Rijk hebben gebragt, heeft volgens de beste berichten, die we daar van hebben kunnen krijgen, bestaan in 1500. Europeeschen en 4000. – sipaijen. Jn 't laast van de maand Maart was de Engelsche kolonel die deeze troepes gebied voor„ „neemens zoo men ons verzeekert heeft, om koet„ „siem te attakeeren. Hij zoude hier bij zeeker„ „lijk naar willekeur noch een meenigte gewa„ „pende Samorijnsche Nairos en Mooren hebben kunnen voegen, en misschien heeft Hij ook geree„ „kend op het geen waar meede de koning van fre„ vankoor deeze magt zoude hebben kunnen vermeerderen indien Hij door de Engelschen genood„ „zaakt was geworden om eindelijk het maske te Ap April ves„ gedraa„ koo„ 9 en wor¬ op ten en ie het ren ze 2 te ligten doch het opperhoofd van Tallicherij die door de voorschreeven Engelsche kolonel verzocht was om ook hier toe de hand te willen bieden, en welke zoo het schijnt het gewogt van deeze aanslag beeter hadde ingezien heeft geweigerd om zich daar mede te bemoeien, zonder speciaale last van Bombai en is dit werk dus blijven steeken; zeeder hebben de Engelschen een korps troepen van kalikoet gedetacheerd om zoo gezegt is Palkatserij een plaats van de Nabab Haider Aliaan te tasten, doch deeze troepes zijn zonder iets te hebben verricht te rug ge„ „koomen, alleen hebben ze niet verre van kalikut een engagement gehad met eenige troepes van de Nabab die zoo men zegt na vrij wat verlies te heb„ „ben geleeden, de wijk hebben moeten neemen. Nu weeder op nieuw zijn in deezer daagen van Bombai op kalikut aangekoomen 9. driemastige scheepen en 3. twee mastige Goerabs zoo men zegt zijn daar meede noch een groote partij Europee scher aangebragt die door sommige wel op 2000. Man worden begroot ook zijn met deeze scheepen te kali„ aangebragt noch een partij sipaijen, waar van we de begrooting niet gehoord hebben van deeze troepes is reets een goed gedeelte te kalikut aan de wal gezet. wat de Engelschen met alle deeze toerustingen in den zin hebben is tot noch toe zeer onzeeker. Het verloop van mousson en datze deeze troepen zoo hoog om de Noord doen landen sa landen, doed ons denken dat het niet op koetsiem gemund is en het komt ons mits dien niet onwaar„ „schijnlijk voor dat de Engelschen voorneemens zijn deeze macht overland te doen marcheeren na de kust van kormandel alwaar hunne zaaken zoo men de gerugten gelooven mag zeer slegt staan„ onder de voorschreeven 9. scheepen die thans te kalikoet leggen, zijn zoo we hooren 2: Oorlogs scheepen. De overige zijn vermoedelijk kompanies en transport scheepen, waar van men wil dat er in deezer dagen 8. stuks te Bombai aange„ „koomen zijn. De voorschreeven twee oorlogs scheepen zijn naastdenkelijk de zelfde die in dit voorJaar de wil gehad hebben naar de zuid doch die zoo als we bij onze Jongste eerbidige hebben aangeweezen op den weg terug gekeerd zijn op het hooren dat de fransche vloot in Jndien gekomen was. Het Esquader van de Engelsche Admiraal kampenfeld is zoo veel we weeten in deeze gewesten noch niet aangekoomen. We hebben van de kust van kormandel geen direkte tijding, zeeder den 21. febr: onder verscheiden „ nu Jnlandsche vertellingen die men „ en dan den daepe„ van die kant hoord, is ons het waarschijnlijk, „ste voorgekoomen een bericht van een Jnland„ „sche Mattroos, die deezer dagen van Portonovo hier aangekoomen is, en die we daar van hebben laaten geeven een schriftelijk relaas waar 1oor w as welke bee e n ze ge„ t 1 d heb„ Nu astige nen gt i„ van ze an doen 4
English
La of which we take the liberty to enclose a copy herewith. Recently there arrived here a two-masted snow from Ceilon, sent by the French Agent there, Mr. Monneron, to collect provisions for the fleet. By the same, which departed from Gale on 13 March, we have received no letters from the Ceilon Government, nor was the Commander able to tell us anything extraordinary, only he stated that at his departure there lay in the bay of Gale two small French frigates which, as he believes, had strayed from the fleet by mistake. There are rumors here that Governor Falck was to have sent some of our vessels accompanied by one or more French frigates to Tutuckorijn to retake possession of this place, but what foundation these accounts have, we cannot ascertain. We expect here shortly another Portuguese snow from Goa, with which we shall have the honor to write more closely and at greater length, for which the speedy departure of the bearer of this leaves us no time at present. We received no ship from Batavia this year, and thus also no merchandise. The High Government had therefore intended for us two tons of gold in money via Ceilon, but on that account only a parcel of bar copper to the purchase amount of 13566 ropias and 63000 ropias in bills of exchange were received here, against which we had to make heavy purchases of rice and cowhides for that Government. However, an ample sale of fifty-two thousand pounds of Cloves and well over eight times one hundred sixty-nine thousand pounds of pepper has not only enabled us to make good our expenditures up to now, but also placed into our treasury as of the present date a remainder of around two times one hundred and eighty-five thousand ropijen, so that we are in a position to make purchases of pepper anew and to further make good our expenditures, and although this item does not properly seem to belong in this description, we have nevertheless deemed it necessary to note the same here in order to reassure your Noble Grandly Right Worshipfuls in that regard. We commend your Noble Grandly Right Worshipfuls and the interests of the company to God's gracious protection and profess with all respect and true fidelity to be. Koetsiem the 1st of May 1782. Noble, Grandly Right Worshipful Sirs! Your Noble Grandly Right Worshipfuls' humble and faithful servants. H G van Angelbeek W V Karn F: vdn Busch A W: R Beijt H Sael A J Vernede J. A. Cellarius J: A Danncheuz vSinelandt Netherlands To the Noble Grandly Right Worshipful Gentlemen Directors, At the Assembly of Seventeen, Representing the General Dutch Chartered East India Company, at the Presidial Chamber Amsterdam. Noble, Grandly Right Worshipful, Sovereign Gentlemen! With a Portuguese snow, named Governo Felix, which departs from here for Lisbon, we send, addressed to Mr. Daniel Gildemeester, consul there, the triplicate of our respectful letters of 16 March last, together with the copy of our latest letter to their High Mightinesses at Batavia of the 5th of this month, as well as a packet to the secret committee at Amsterdam, and have the honor with all respect and fidelity to be. Noble, Grandly Right Worshipful, Sovereign Gentlemen! Your Noble Grandly Right Worshipfuls' humble and faithful servants. G G van Angelbeek A Harn F vd: Busch N: W: Beijk A Rij A J Vernede J. A. Cellarius W: V: Haesen J: A Dannichar D Srueg Koetsiem the 18th of May 1782. Duplicate 75 Patria To the Noble Grandly Right Worshipful Gentlemen Mr. Johan Graafland Pietersz and the other Directors and Advocates of the General Dutch Chartered East India Company commissioned to the affairs of war; residing at Amsterdam Noble Grandly Right Worshipful Gentlemen! With the last gasp of the good monsoon two snows arrive from Goa, of which the one, named Governo Felix, is destined for Europe, the other, named St Anna e Alma, for the French Islands, and we make use of both to let your Noble Grandly Right Worshipfuls receive, addressed to Mr. Daniel Gildemeester, consul at Lisbon, and his Excellency Mr. Lestevenon van Berkenroode, Ambassador at Paris, the duplicate and triplicate of our latest respectful letters to your Noble Grandly Right Worshipfuls dispatched on the 1st of this month via the French Islands, to which we now also add the copies of our secret and separate letters of the 1st. Duplicate 2nd
Dutch transcription
La waar van we de vrijheid gebruiken een kopij hier neevens te zenden. onlangs is hier aangekoomen een tweemastige snauw van Ceilon gezonden door de fransche Agent aldaar de Heer Monneron om provisien voor de vloot aftehaalen. Met dezelve die den 13. Maart van Gale vertrokken is, hebben we geen brieven van het Ceilons Goevernement ontvangen, ook heeft de Gezaghebber ons niets zonderlings weeten te verhaalen alleen heeft Hij gezegt dat 'er bij zijn vertrekt in de baaij van Gale, laagen twee klijne fransche fregat„ „ten die zoo Hij meend bij vergissing van de vloot zijn afgedwaalt. - Daar zijn hier geruchten dat de Heer Goeverneur Falck eenige van onze vaartuigen verzeld van een of meer fransche fregatten zoude gezonden hebben na Tutuckorijn om deeze plaats wederom in bezit te neemen, doch wat grond deeze vertellingen hebben, kunnen we niet ver„ „zeekeren. we verwachten binnen korten hier noch een portugeesche snauw van Goa waarmeede we de eere zullen hebben naader en breeder te schrijven, waar toe het spoedig vertrek van den brenger deezes ons thans geen tijd laat. Wij hebben dit Jaar van Batavia geen schip en dus ook geene handelwharen gekreegen, De hier De Hooge Regeering had ons dus twee ton„ nen schats aan geld toegedacht over Ceilon, doch daar op is hier eenlijk een partij staafkooper ten bedraagen van 13566. ropias inkoops en 63000. ropias aan wissels ontvangen, waar teegen wij voor dat Goevernement zwaare in„ „koopen van rijs en koehuiden hebben moe„ „ten doen. Doch een ruime verkoop van twee en vijftig duizend ponden Nagelen en ruim agtmaal honderd negen en sestig duizend ponden peper heeft ons niet alleen in staat gesteld om onze uitgaven tot nu toe goed temaaken, maar ook noch onder huidigen datum een restant van omtrend tweemaalhonderd en vijf en tachen„ „tig duizend ropijen in onze kassa „gebragt, zoo dat we in staat zijn, om op 't nieuw inkoop van peper te doen en om onze uitga„ ven verder goed temaaken en hoewel dit Artikel niet eigentlijk schijnt in deeze be„ schrijving te huis te hooren, zoo hebben wij echter gemeent, het zelve hier te moeten noteeren om uw weledele Grootachtbaa„ „re dien aangaande gerust te stellen. We beveelen uw weledele Grootachtbaa„ „re en de belangens van de komp:e in Gods ge„ „nadige astige en e we ft ten geen Koetsiem den 1=ste Mai 1782. Weledele, Grootachtbaare Heeren! Uwer Weledele Groot achtbaare onderdanige en getrouwe dienaren. H G van Angelbeek WV Karn F: vdn Busch A W: R Beijt F H Sael sser A J Vernede J. A„ Cellarius ften J: A Danncheuz G „nadige bescherming en betuigen met alle eerbied en waare trouwe te zijn. - V 2 vSinelandt abied Nederland Aan de wel edele Hoog achtbaare Heeren Bewindhebberen, Ter vergadering van zeeventienen, Representeerende de Generaale Nederlandsche g'oktroieerde Oostindische kompanie, ter Presidiale kamer Amsterdam. Edele, Hoog achtbaare, wijdgebiedende Heeren! Met een Portugeesche snauw, Governo Jelix genaamd, die van hier naar Lissabon vertrekt, zenden wij onder addresse, aan den Heer Daniel Gildemeester, konsul aldaar, het triplikaat van onze eerbiedige letteren van den 16. Maart j:o leeden, nevens de kopij Duplicaat 75 van re 6 van onzen Jongsten brief aan hunne Hoogedel„ „heeden te Batavia van den 5=en dezer, zoo meede een pakket aan het geheime kommitte te Amsterdam, en hebben deere met alle eerbied en trouwe te zijn. Edele Hoog achtbaare, wijd gebiedende Heeren! uwer weledele Hoog achtb:s onderdanige en getrouwe dienaaren. G G van Angelbeek AHarn „„ F vd: Busoh N: W: Beijk ARij ƒ A J Vernede J. A. Collarius W:V: Haesen J: A Dannichar Koetsiem den 18.' Mai 1782. ƒ ƒ D Srueg La - . Hoogedel„ meede dat 2 Patria Aan de Weledele Grootachtbaare Heeren M:r Johan Graafland Pietersz en de verdere Bewindhebberen en Advokaaten van de Generaale nederlandsche geoktroieerde oostindische kompanie gekommitteerd tot de zaaken van oorlog; resideerende Amsterdam Weledele Grootachtbaare Heeren! Met het laaste hapje van de goede mousson koomen van Goa twee snauwen, waar van de eene, genaamd Governo Felix, naar Europa, d' andere, genaamd St Anna e Alma, naar de Fransche Eilanden bestemd is, en wij bedienen ons van beiden, om uw' weledele Grootachtbaare daarmede, onder addresse aan den Heer Daniel Gildemeester, konsul te Lissabon, en zijne Excellentsie den Heer Lestevenon van Berkenroode, Ambassadeur te Parijs, te laaten toekoomen het duplikaat en triplikaat van onze jongste eerbiedige letteren aan uwe weledele groot= achtb=re van den 1:e deezer over de fransche Eilanden afgevaardigd, waar bij wij nu ook voegen de afschrif„ „ten van onze sekreete en aparte brieven van den 1:e Duplikaat 2de te 8
English
2nd and 5th of this month to the High Indian Government, with the annexes listed in the register, except for the plans of the fortifications, which, propter caussas souticas, are withheld. Your Noble and Great Worships will observe therein that the Councilor Extraordinary of the Dutch East Indies and former Director of Soeratte, Willem Jakob van de Graaff, who, according to the arrangement already communicated, has been exchanged between us and the English Government of Bombay, arrived here on 7th March with a war frigate from Goa, and departed again on 7th of this month on a private Portuguese ship via Colombo for Batavia. The rumor communicated to Your Noble and Great Worships in our last preceding letter, that vessels had been sent from Ceylon to retake possession of Tutukorijn, has since been found to be untrue. On the contrary, we are now informed that the Kattaponaik, to whom the Company's fort and remaining goods were handed over for safekeeping, first plundered from it and from private houses everything that pleased him, and subsequently surrendered the fort to the English, who took possession of it on 19th February, and have since carried on there in such a scandalous manner, with plundering, robbing, ruining, and other dishonorable outrages, as may be seen further in the accompanying deposition that was obtained concerning this matter here, to which we refer in this regard. We have, in the accompanying copies of letters to Their High Excellencies, given a detailed account of our situation, and of the state and intentions of our enemies in our neighborhood, as well as of our measures and activities for the security, defense, and preservation of what has been entrusted to us, to which we respectfully refer, and to which we now add a brief report of what has occurred and become known to us since 5th of this month regarding the affairs of war. After the five English ships departed from Kalikut to the south, the native vessels, which, according to the copy of the letter of 2nd of this month, had been stationed near the Modderban for more than a month and a half—according to the general and very probable rumor, to assist the enemies from the ships ashore—also abandoned their station. At the same time, the troops of Trevankoor, who, as shown by the aforementioned copies of letters, lay encamped in that vicinity, also withdrew back inland. From this, we believe we may conclude with good reason that the aforementioned preparations by Trevankoor were indeed aimed at assisting our enemies against us, and that our enemies have, for the time being, abandoned the siege of this fortress. Regarding the conduct of Trevankoor, the primary signatory has expressed himself at length in the accompanying separate letter to the High Government of 2nd of this month, to which he refers here. With respect to the second matter, we furthermore find plausible reasons upon which we believe we may determine that, as long as affairs remain in their present state, we have no siege of Koetsiem to fear. For, besides the fact that the rainy season has already actually broken out, which makes such an extensive undertaking as a formal siege extremely difficult and nearly impossible, many troops of the Nabob Haider Alichan are now also descending from time to time into the country of the Samorijn, against whom they will first have to employ their force in order to maintain themselves in the possession of Kalikut and the other coastal places of that realm. Indeed, according to the latest reports, they already broke camp on 9th of this month from Tanoer, a coastal place on this side of Kalikut, and have marched toward Palikatscheerij, a fortress in the country of the Nabob Haider Alichan, and this with an army of twelve hundred Europeans, three thousand sipahis, and six thousand Nairos and Moors, which, owing to the illness of Colonel Humberston, who is suffering from the red flux, is commanded by Major Iameson. And since the troops of Haider Alichan, under the command of one Golaam Alichan, are estimated to be quite as strong, and according to the latest reports have advanced near Palikatscheerij, we may in all probability expect daily news of an engagement between both armies, which, in case it arrives before the departure of the bearers of this letter, we shall communicate at the foot. We shall employ the time that will thus, in all probability, be granted to us further, with all diligence to accomplish the planned improvements to our fortress. Of the military operations of the French naval and land forces and the considerable armies of the Nabob Haider Alichan on the coast of Kormandel, we have no certain news up to now, but it is probable that Your Noble and Great Worships are to receive them from time to time from France itself. Koetsiem, 18th May 1782. Postscript: After the closing of this letter, the accompanying letters from the Nabob's Army were received here. Noble and Great Worshipful Sirs! Your Noble and Great Worships' most humble and faithful servants, J G van Angelbeek A Blarn Wodu Busch MWWr: Beijt AJ Vernede J. A. Cellarius W:V: Haefsen J: A Dannicheus HV: Spael Herewith we commend Your Noble and Great Worships and the important interests of the Company to the protection of the Almighty and remain with all respect and fidelity.
Dutch transcription
2 2:e en 5:e deezer aan de Hooge indische Regeering, met de bijlagen ten register vermeldt uitgezonderd de plans van de fortifikaatsien, die, propter Caussas souticas, achter blijven. uw weledele Grootachtbaare zullen daarbij ontwaa„ „ren, dat de Heer Raad Extra ordinair van Nederlands Jndien en geweezene Direkteur van soeratte, willem Jakob van de Graaff, die, volgens de reets bedeelde schikking, tusschen ons en het Engelsche Goevernement van Bombai, uitgewisseld is, op den 7=de Maart alhier met een oorlogs-fregat van Goa aangekoomen, en op den 7=de deezer met een partikulier Portugeesch schip wederom over kolombo naar Batavia vertrokken is. Het bij onzen jongst voorgaanden aan uw weledele Groot achtbaare bedeelde gerucht, dat van Ceilon zou„ „den vaartuigen gezonden zijn, om wederom bezit van Tutukorijn teneemen, is zeeder onwaar bevonden, daar en tegen zijn wij thans onderricht, dat de kat„ „taponaik, aan wien 's komp:s fort en achterblijven„ „de goederen ter bewaaring waaren overgegeeven, eerst daaruit en uit de partikuliere huizen al wat hem aanstond geroofd en het fort vervolgens aan de Engelschen overgegeeven heeft, die daarvan op den 19:' februari bezit genoomen, en daar zeder op zulk eene schandelijke wijze huisgehouden hebben, met plunderen, rooven, ruineeren en andere onteerende baldaadigheeden, als nader tezien is, bij de nevens„ „gaande verklaaring, die daar van alhier is ingewonnen waar waar aan wij ons ten deezen gedraagen. wij hebben bij de nevensgaande kopij=brieven aan Hunne Hoog edelheeden omstandig verslag gedaan van onze situaatsie, en van den toestand en de voorneemens onzer vijanden in onze buurt, mitsgaders van onze maatregelen en verrichtingen, ter beveiliging, verdeediging en behoudenis van het ons aanvertrouwde, waar aan wij ons in eerbied gedraagen, en waarbij wij nu een kort bericht gaan voegen, van het geen zeeder den 5:' deezer, met betrekking tot de oorlogs zaaken, voorgevallen en ons bekend geworden is. Na dat de vijf Engelsche scheepen van kalikut „naar de zuid vertrokken waaren, hebben de in„ „landsche vaartuigen, die, volgens kopije brief van den 2:e deezer, omstreep de Modderban, ruim anderhalve maand geleegen hadden, om volgens het algemeene en zeer waarschijnlijke gerucht, de vijanden van de scheepen aan land te helpen, hunne standplaats ook verlaaten, en terzelver tijd zijn ook de troepen van Trevan„ „koor, die blijkens meermelde kopij=brieven, daar omstreep gekampeerd lagen, wederom land„ „waard in getrokken, waaruit wij dus met veel grond vermeenen te mogen besluiten, dat de zoo eevengemelde aanstalten van Trevankoor werklijk gedoeld hebben, om onze vijanden tegen ons bij te staan, en dat onze vijanden voor eerst van met de s us waa„ ds hier op chip is. van „ „ 19: 2 van de beleegering deezer vesting hebben afgezien. Nopens het gedrag van Trevankoor heeft de eerste Teekenaar zich in 't breede uitgelaaten bij de ne„ „vensgaande aparte aan de Hooge Regeering van den 2=den deezer, waar aan hij zich hier gedraagd, en met opzicht tot het tweede stuk, vinden wij buiten des noch aanneemlijke reedenen, waar= op wij meenen te mogen vast stellen, dat wij, zoo lange de zaaken in den teegenwoordigen toe„ „stand blijven, voor geene beleegering van koet„ „siem te duchten hebben. - want, behalven dat de regentijd reets werklijk door gebrooken is, waar door eene zoo omslagtige onderneeming, als een formeel beleg, ten uitersten moeilijk en bij na onmogelijk gemaakt word, zoo koomen nu ook, van tijd tot tijd, veele troepen van den Nabab Haider Alichan naar het land van den samorijn af, waar teegen zij hunne macht voor eerst zullen moeten gebruiken, om zich in het bezit van kalikut en de verdere zeeplaat„ „sen van dat Rijk te handhaaven. - zelfs zijn zij, volgens de jongste berichten, reets op den 9: =de deezer van Tanoer eene zee-plaats aan deeze zijde van kalikut / op gebrooken, en op marsch gegaan naar Palikatscheerij, / eene vesting in het land van den Nabab, Haider Alichan/ en zulx met met een leger van twaalfhonderd Europeeschen, drie duizend sipahis en ses duizend Nairos en Mooren, hetwelk, mits de ziekte van den kol„ „lonel Humberston, die aan de roode loop labo„ „reerd, door den Majoor Iameson gekommandeerd word; en wijl de troepen van Haider Alichan, onder bevel van eenen Golaam Alichan, ruim zoo sterk geschat worden, en volgens de jongste berechten, omtrend Palikatscheerij geavanceerd zijn, zoo hebben wij, naar alle waarschijnlijk„ „heid, dagelijx de tijding van een engagement van beide legers te wachten, die wij, ingevalle ze noch voor 't vertrek van brengers deezer inloopt, aan den voet zullen bedeelen. — wij zullen den tijd, die ons dus, naar alle waarschijnlijkheid, verder gelaaten zal worden, met alle neerstigheid besteeden, om de voorge„ „noomene verbeeteringen aan onze vesting tot stand te brengen. van de krijgs bedrijven der fransche zee- en land macht en der aanzienlijke legers van den Nabab Haider Alichan op de kuste van Kor„ „mandel hebben wij tot nu toe geene zeekere berich„ „ten, doch het is waarschijnlijk, dat uw weledele groot achtbaare dezelven van tijd tot tijd uit Frankrijk zelve staan te ontvangen. Hier zien. wi = aar een a ook, ab Na 10 Koetsiem den 18=de Mai 1782: Ps: sluiten Na het deezes worden nevensgaande brieven uit 's Nababs Leger hier ontvangen. Weledele Grootachtbaare Heeren! Uwer weledele Grootachtb=re onderdaanigste en getrouwe dienaaren J G van Angelbeek A Blarn Wodu Busch MWWr: Beijt AJ Vernede J. A. Cellarius W:V: Haefsen J: A Dannicheus Hiermede beveelen wij uw weledele Groot achtbaare en de wigtige belangen der Maatschappije in de be„ „scherming des Allerhoogsten en blijven met alle eerbied en trouwen. HV: Spael 2 ren