Inventory 10314
Malabar · 564 pages · 104 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
honorable, far-ruling Lord, and noble, strict Lords! Your High Excellencies' humble and faithful servants. / was signed: / J: G: van Angelbeek, R: van Harn, F: von den Busch, N: W: Beijts, J: L: van Spall, C: G: Seijffer, A: J: S: Vernede, J: A: Cellarius, W: van Haeften, and J: A: Daimichen /: in the margin: / Koetsiem, the 1st of May 1782. J. Saels examined Agreed Girse sworn clerk gunpowder P. D. Meijn duplicate gunpowder 2 Batavia Introduction To His High Excellency, The Noble, Highly Esteemed, Far-Ruling Lord, Mr. Willem Arnold Alting, Governor General on behalf of the State of the Free United Netherlands and the General Chartered East India Company, and The Noble, Strict Lords Councillors of the Netherlands Indies. High and Noble, Highly Esteemed, Far-Ruling Lord, and Noble, Strict Lords! Since my last respectful separate letter of the 22nd of January, the copy of which is enclosed herewith, in which I informed Your High Excellencies, among other things, of the unexpected revolution in the Zamorin's Realm and of the adverse influence thereof on our interests, our situation remains just as uncertain and anxious, because our enemies, close to our borders, not only continue to hold their posts, but also grow stronger daily, of which I shall give a brief indication here. Our enemies grow stronger daily in the land of the Zamorin. To Ansjengo. French fleet. Thus they return to the North. The warships go to Kormandel. Seven transport ships. Their intention against Ceilon is thwarted by the news of the French fleet. In the beginning of January, three or four warships of Johnstone's fleet arrived at Bombai with a multitude of transport ships and three thousand Europeans under General Meddows. The warships went immediately to Kormandel, and on the 7th of February seven three-masted transport ships sailed past here toward Ansjengo, which we later understood to be English, namely transport ships from Johnstone's fleet, crowded with European soldiers. Without doubt this transport was intended to support the hostile operations on Ceilon, but before Ansjengo they received news from a Portuguese ship, Nossa Senhora da Arabida, which had come from Europe and had called at Mauricius, that a powerful fleet had set sail from the last-mentioned island on the 7th of December for these regions; whereupon they immediately returned to the north. In this manner, the mere news of the arrival of the French fleet has already had a fortunate effect for Ceilon, and I hope and wish that this fleet, now that it has actually arrived, will thwart all further designs of our enemies. They land the troops at Kalikut. Rumors of their intention against Koethiem. Probability thereof. Resolution to retain Kranganoor, and also to reinforce Aikotte. We, on the other hand, have thereby received a great superior force in our neighborhood, as most of the troops were landed at Kalikut, amounting according to accurate reports to about two thousand men. Kalikut itself had already been conquered previously by the English, and the Nairos had taken possession of Settua and Paponettij, and since then the rumors became general that they intended to besiege us during this very monsoon; to that end, the European troops were to be landed from the ships between St. Andries and Manikoorde, six hours south of Koetsiem, and the native troops were to advance overland from the north, and this became very probable because the King of Jrevankoor had a great quantity of provisions gathered from his country at the aforementioned place, not only of rice, but also of pigs, goats, chickens, etc., and because first his troops, and subsequently also those of the Pallietter, who had hitherto been stationed together with us at Aikotta, departed quietly and without warning. This brought about a great change in our previous resolution, which I have already had the honor to communicate, to abandon Kranganoor and Aikotte upon the approach of the enemies, for I now understood that we Their intention fails. Movements in the Zamorin's land. ought to delay the native troops of the enemies, who were to come from the north, as long as possible, until the rainy season made the siege of our city impossible. To that end, as appears from the secret resolutions of the 19th and 26th of February last, transmitted among the enclosures to this letter, we have resolved to have Kranganoor defended; Lieutenant Nachtrab has been placed there as commander, the garrison has been reinforced with twenty-five European privates and a company of sipahis, and supplied with everything necessary for defense to the satisfaction of the aforementioned commander. As a consequence of this resolution, Aikotte also had to be reinforced, all the more because the troops of the native princes had abandoned that post. Whether the reinforcement of Kranganoor and Aikotta, or rather the news of the approach of a detachment from the Nabob Haider Alichan, brought about a change in the intention of our enemies, I do not know, but so much is certain, that the same has failed, and that of the provisions that Jrevankoor had gathered, the rice was transported back inland, and a large portion of the livestock was brought for sale on our market. Since that time, our enemies in the Zamorin's land have, with the Nairos of that Realm and of the neighboring lands of Koteate, or Kottatte, Kollastri, [illegible]
Dutch transcription
voords „siem verbee achtbaare wijdgebiedende Heer, en weledele gestrenge Heeren! uwer Hoogedelheedens on¬ „derdaanige en getrouwe dienaaren. / was getee„ „kend:/ J: G: van Angelbeek, R: van Harn F: von den Busch, N: w: Beijts, J: L: van spall, C: G: Seijffer, A: J: S: vernede, J: A: Cellarius, W: van Haeften en J: A: Daimichen /: in margine:/ Koetsiem den 1:e Mai 1782. J Saels nagezien Akkordeerd Girse gez: klerk kruit PD Meijn duplicaat voordre „sieme verbee kruit 2 Batavia Jnleiding Aan zijne Hoogedelheid, Den Hoogedelen, Grootachtbaaren Wijdgebieden den Heer. M:r Willem Arnold Alting Van wegen den staat der vrije vereenigde Nederlanden en de Generaale geoktroieerde Oost-indische kompanie Goeverneur Generaal. en De weledele Gestrenge Heeren Raaden. van Nederlands Jndiën. Hoogedele Groot achtbaare Wijdgebiedende Heer en Weledele Gestrenge Heeren! Deeder mijne laaste eerbiedige aparte let„ „teren van den 22. ' Januari, waar van de weder„ „gade hier neevens, waar bij ik uw Hoogedelheeden onder anderen berecht gaf, van de onverwachte omwenteling in het Samorijnsche Rijk en van den onze vijanden worden in 't land van Samorijn dagelijx sterker „mandel. naar Ansjengo. fransche vloot dus keeren terug naar de den nadeeligen invloed van dezelve op onze belan„ „gen, blijft onze toestand eeven onzeeker en zorglijk, door dien onze vijanden, digt op onze grensen, niet alleen blijven post houden, maar ook dagelijx sterker worden, waar van ik hier eene korte aanwijzing zal doen. Jn het begin van Januari zijn drie of vier oor„ sot easten komen t an t os scheepen van Iohnstones vloot met eene meenigte transport scheepene en drie duizend Europeeschen onder de oorlegt scheepen gaan naar kor„ Generaal Meddows te Bombai aangekoomen - De oorlogs scheepen zijn ten eersten naar kormandel ge„ „gaan, en op den 7=de febr: zeilder hier zeeven drie zeeven transport scheepen met Mkliette mastige schepen voor bij naar Ansjengo die wij zeder verstonden Engelschen te zijn en wel transport schepen van Johnstones vloot, opgepropt met Europeesche soldaaten, Buiten twijfel heeft dit trans„ „hun voorneemen tegen Ceilon„ port zullen dienen om de vijandige peraatsien word veriedeld door detijding van de op Ceilon te ondersteunen, doch voor Ansjengo kree„ „gen zij van een Portugeesch schip Nossa Senhora da Arabida het welk uit Europa gekoomen en te Mauricius aangeweest was, de tijding, dat van laastgem: Eiland op den 7:' december eene mach„ „tige vloot naar deeze gewesten was onder zeil ge„ „gaan; waarop zij ten eersten naar de noord terug keerden. - op deeze wijze heeft de bloote tijding van de aankomst der fransche vloot reets eene gelukkige uitwerking gehad, voor Ceilon en ik hoope en wensche, dat deeze vloot, nu ze werklijk aangelandt Noord. zetten de troepen te kalikut aan land. tegen koethiem. waarschijnlijkheid van dien besluit om kranganoor te behouden, en aangelandt is, alle verdere desseinen onzer vijan„ „den zal veriedelen wij daar en tegen hebben hier door eene groote overmacht in onze buurt gekreegen, alzo de meeste troepen te kalikut aan land gezet zijn, volgens nauwkeurige be„ „rigten, omtrend twee duizend Man bedraagende. kalikut zelve was reets bevoorens door de Engel„ „schen veroverd en van settua en Paponettij hadden de Nairos bezit genoomen, en zeeder wierden geruchten van hun voorneemen de geruchten algemeen, dat men ons noch in deeze mousson beleegeren wilde; tot dat einde zouden de Europeesche troepen, met de scheepen tusschen S:t: An„ „dries en Manikoorde, ses uuren bezinden kost„ „siem, aan de wal gezet worden, en d' inlandsche troe„ „pen van de Noord over land aanrukken, en dit werd zeer waarschijnlijk, door dien de koning van Jrevankoor, ter eevengemelde plaatse, een groote mee„ „nigte leevens-middelen, niet alleen van rijs, maar ook van varkens, Bokken, hoenders, enz: uit zijn land bij een brengen liet, en door dien eerst zijne, mitsgaders daarna ook 's' Pallietters troe„ „pen, die tot dus verre met ons tezaamen te Aikotta geleegen hadden, zonder waarschuwing, en in stilte, vertrokken. – Dit maakte een groote verandering in ons voorig besluit, het welk ik reets de eere gehad hebbe te bedeelen, om kranga„ „noor en Aikotta, bij aannadering van de vijan„ „den, te verlaaten, want nu begreep ik, dat wij hun voorneemen blijft steken. beweegingen in 't samorijnsche land. wij de inlandsche troepen van de vijanden, die van de Noord koomen zouden, zoo lange behoorden op tehouden, als mogelijk zijn zoude, tot de regen„ „tijd het beleg van onze stad ondoenlijk maakte. Tot dat einde hebben wij dus, blijkens sekreete re„ „soluutsien van den 19. ' en 26. ' febr: jongstl: onder de bijlaagen deezes overgaande, beslooten, kranganoor te laaten verdeedigen; de Luitenant Nachtrab is 'er als kommandant ingelegt, het garnisoen is met vijf neevens Aikotte te versterken. en twintig Europeesche Gemeenen en eene kompanie sipahis versterkt en van al het noodige tot de de„ „fensie voorzien, ten genoegen van eeven gem: kom„ „mandant. Als een gevolg van dit besluit moest ook Aikotte versterkt worden, temeer wijl de troe„ „pen van d' inlandsche vorsten die post verlaaten hadden. - of de versterking van kranganoor en Aikotta, dan wel de tijding van de aannadering van een detachement van den Nabab:; Haider Alichan, in het voorneemen onzer vijanden verandering te wege gebragt hebbe, weet ik niet doch zoo veel is zeeker, dat het zelve is blijven stee„ ken en dat van de provisien die Jrevankoor verzaameld had, de rijs weer landwaard in ver„ „voerd, en het vee voor een groot gedeelte op onze Markt te koop gebragt is.— zeder dien tijd hebben onze vijanden in het samo„ „vijnsche land zich met de Naivos van dat Rijk en van de nabuurige Landen van koteate, of kottatte, Kollastri schip
English
The English make preparations anew for the siege. They embark the artillery. Kollastri and several others, as well as with the Moors of Sewakatti, under the notorious chiefs Aidros Koetij and Midien Moepen, increasingly reinforced and from time to time made such movements from which one had to conclude anew that a siege of this city was intended. I do not wish fruitlessly to weary the attention of Your High Nobles with a detailed account of all incidents and demonstrations of that nature. The Honorable Mr. van de Graaff, who during his presence witnessed the numerous reports, rumors, and appearances thereof, can testify that they almost never ceased; however, I believe I must specifically mention the following regarding this matter. Late in March, the English colonel commanding the troops in the Zamorin's country (his name is unknown to me, but he recently arrived from Europe with his regiment in the King's service) once again made immediate preparations to come and besiege us. Previously, I had already been warned from more than one source that this was his intention, and shortly thereafter I received concurring reports that the artillery, ammunition, and further army supplies were being loaded aboard. Their plan. Conduct of Travancore. This project is foiled again. refused to cooperate. They were being loaded into the English ships lying there, and into a multitude of shibars, bombaras, and other native vessels that had been hired and partly pressed for this purpose. The plan was, as the first time, to transport the European militia by sea to Mud Bay, or near St. Andries, and land them there, while the native troops would advance overland. The Prince of Travancore was to facilitate the landing, and to that end had not only permitted a large number of ballons to be kept ready near St. Andries in his country, which were ostensibly sent there from Anjengo, but also, just as the first time, had once again gathered a large store of fish, live cattle, and other provisions to entertain these guests well upon their arrival. He had also sent a regiment of sepoys thither and prepared other troops, probably to cover the landing or to join the enemy, although I have hitherto been unable to obtain any certainty regarding the actual purpose of the latter. But this project was foiled once again, because the chief, or the so-called Governor at Tellicherry, refused to lend a hand to it, and even refused to allow the Company's frigate, the Bombay grab, and further Company vessels to be used for it, pretending to have no orders from the Government of Bombay for that purpose. They unload what was put aboard. Their expedition against a detachment of the Nawab's men, which is put to flight. Second expedition against Palakkad fails. Sickness among their troops. The artillery and further goods were therefore brought back ashore, and the hired and pressed vessels were discharged. Since then, the rumors were, at one time, that orders and reinforcements were expected from Bombay, at another, that the matter was postponed until after the rainy season; and in the interim, they undertook an expedition against a party of troops belonging to the Nawab, Haidar Ali Khan, who had come down in the meantime, and who were now defeated and dispersed by them. Encouraged by this new success, they undertook a second expedition of greater importance, to conquer the fortress of Palakkad, which is said to be the key to the Kingdom of Mysore from this side. But this enterprise failed them, and they returned with losses, because the place was too strongly garrisoned, and on the march they were overtaken by heavy rains and simultaneously by the severe epidemic of which our general letter of the 5th of this month makes mention, and which, according to the latest reports, is causing great devastation among the Europeans and sepoys in their army, and among all inhabitants of the country. Digression concerning Travancore. His promise of neutrality finds credence, but is found false. Here I must allow myself a digression regarding the Prince of Travancore. At the beginning of the war, he had promised to remain neutral, and the Honorable Mr. Falck, as well as myself, were inclined to the view that out of fear of the English and the Nawab, Muhammad Ali Khan, he had to conceal his greater affection for us. Because of this, and because of the apparent cordiality with which he had urged the King of Cochin to lend us a regiment of sepoys, I was moved, in my previous letter to Your High Nobles, to present him in such a favorable light; and I was subsequently further strengthened in this opinion because, in response to my letter to him of 19 January, of which Your High Nobles recently received a copy, he sent his First Minister to me on 5 February with the strongest assurances of his affection and with promises of the strictest neutrality. And although several of his actions were not fully consistent with this, I nevertheless regarded them more as effects of his dependence on Muhammad Ali Khan and of his fear of the English, rather than as acts of voluntary partiality. But by his conduct described above, when he favored the siege of our city, and they
Dutch transcription
Engelschen maaken op 't nieuw aenstalt tot de kleegering. schepen de ortillerij in Kollastri en meer anderen, mitsgaders met de Mooren van Sewakatti, onder de beruchte Hoofden Aidros Koetij en Midien Moepen, meer en meer versterkt en van tijd tot tijd zulke beweegingen: gemaakt, waar uit men op het nieuw besluiten most, dat het op eene belee„ „gering van deeze stad gemunt was. Jk wil de opmerkzaamheid van uwe Hoogedel„ „heeden niet vruchtloos afmatten, met een om„ „standig verhaal van alle voorvallen en vertoo„ „ningen van dien aart. - D' Edele Heer van de graaff, die geduurende zijn aanweezen de meenig„ „vuldige berichten, geruchten en apparentsien daar van bijgewoond heeft, kan getuigens geeven, dat dezelven haast nimmer hebben stil ge„ „staan, echter meene ik, het volgende daar van speciaal te moeten melden. Jn 't laast van Maart maakte de Engelsche kollonel, die de troepen in het samorijnsche land kommandeerd /: zijn Naame is mij onbekend, doch hij is onlangs elrst met zijn Regiment in 's konings dienst uit Europa gekoomen:/ op het nieuw daadelijke aanstalten, om ons te koomen beleege„ „ren. — Vooraf was ik reets van meer dan eene hand gewaarschuwd, dat dit zijn voorneemen was, en kort daaraan kreeg ik over een stem„ „mende berichten, dat de artillerij, ammu„ „metsie en verdere Leger- behoeften afgescheept wierden hun plan gedrag van Jnevankoor dit ontwerp word weder veriedeld wel mede werken wierden, in de Engelsche scheepens, die daar lagen, en in een meenigte sibaars, Bombaras en andere inlandsche vaartuigen, die daar toe ingehuurd, en gedeeltelijk gepaelt waaren Het plan was, gelijk het eerste maal, om de Eu„ „ropeesche Milietsie over zee naar de Modder„ bai, of bij S:t Andries, te brengen, en daar te doen landen, terwijl de inlandsche troepen overland zouden aanrukken. - De vorst van Joevankoor zoude de landing bevorderen, en had daar toe niet alleen gepermitteerd, dat omtrend S:t Andries in zijn land eene groote meenigte van ballongs gereed gehouden wier„ „den, die daar, quanswijs van Angingo, ge„ „zonden waaren, maar ook even gelijk het eerste maal, wederom een grooten voorraad van vijs leevendig vee, en andere leeftocht verzameld, om deeze gasten, bij hunne aankomst, wel te onthaalen, ook had hij een Regiment Sipatus daar na toe gezonden en andere troepen ingereed„ „heid gebragt, waarschijnlijk, om de landing te dikken, of zich bij de vijanden te voegen, hoe wel ik van het eigentlijke oogmerk van dit laaste tot nu toe geene zeekerheid hebbe kunnen bekoomen. - Doch dit ontwerp werd wederom veriedeld, door dien het opperhoofd, of de zoogenaam „de Goeverneur, te Tellitscherij, weigerde, de hand door dien 't operhoof te Jelitscheni i't daar toe te leenen, en zelfs het komp: fregat, the twee ziek „rings ting weder aan land hunne expediettie tegen een troep rolk van den Nabab. het welk op de vlucht gedreven word tweede expedictsie tegen Palikatterij mislukt ziekte onder hunne troepen. the Bombai- Goerab en verdere kompt vaartuigen, daartoe te laaten gebruiken, voor„ geevende, daar toe van het Goevernement zij neemen het gelaadene blagen van Bombai geen order te hebben. - De artic„ lerij en verdere goederen wierden dus weder¬ „om aan land genoomen en de gehuurde en gepreste vaartuigen ontslagen. - zeeder waaren de geruchten, nu eens, dat men ordres en ver„ „sterking van Bombai verwachtede, dan eens dat de zack uitgesteld was tot na den regen„ „tijd, en tusschen beiden deeden zij eene expedietsie tegen eene partij troepen van den Nabab, Hai„ „der Alichan die middelerwijle af gekoomen waaren, en nu door henl: geslaagen en verstroid wierden; Door dit nieuwe sukces aangemoedigd ondernaamen ze eene tweede expedictsie van meer gewigt, om de vesting Palikatseeri te veroveren, die gezegt word, de sleutel van het Maisoersche Rijk van deezen kant te weezen. Dan dit toe„ leg is hen mislukt, en ze zijn met verlies terug gekoomen, door dien de plaats te sterk bezet was, en zij op den marsch overvallen wierden van zwaare regens en teffens van de heevige epidemie, waarvan onze gemeene brief van den 5. ' dezer gewoagt, en die, volgens de jongste berichten, onder Europeeschen en sipatus in hun leger, en onder alle jnwoonders van het land, groote verweesting aanricht. Hier digresse over Jnevan koor zijne belofte van onzijdigheid vindt geloof doch word valsch bevonden Hier moet ik mij eene digressie veroorloven, nopens den Vorst van Trevankoor. - Hij hod in den beginne van den oorlog beloofd, onzijdig te„ „zullen blijven, en de Edele Heer Falck, zoo wel als ik, neigden tot de denkbielden, dat hij uit vreeze voor d' Engelschen en den Nabab, Mahmedij Alichan, zijne meerdere geneegenheid voor ons most verbergen; Hier door, en door de uiterlijke hartlijkheid, waar meede hij den koning van koetsiem aangezet had, om ons een Regiment sipalus te leenen, werd ik bewoogen, hem bij mijnen voorgaanden aan uwe Hoogedelheeden in zulk een voordeelig daglicht te vertoonen en ik werd in dit gevoelen zeeder noch gesterkt, door dien hij; op mijnen brief aan hem van den 19. ' Januari, waar van uw Hoogedelheeden jongst een afschrift bekoomen hebben, zijnen eersten Minister op den 5. ' febr: bij mij zond, met de sterkste betuigingen van zijne toegeneegenheid, en met de beloften van de stiptste onzijdigheid en hawel daarmede verscheidene handelingen van hem niet ten vollen overeenstemden; zoo zog ik dezelven echter meer aan voor uitwerk„ „zelen van zijne afhanklijkheid van Mahmed Alichan en van zijne vreeze voor de Engel„ „schen, dan voor daadens van vrijwillige een zij „digheid. Doch door zijn voorwaards beschreeven gedrag, toen hij de beleegering van onze stad, en zij
English
Why he wishes to appear neutral again His messages sent regarding this matter. and held our ruin here for certain, he had unmasked himself too much to be considered faithful and neutral any longer. Nevertheless, when the plan stalled, he sought once again to give me the appearance of goodwill and adherence. For on the 10.th of April last, he let me know through his Agent here, Ananda Male: that in a few days he would send his First Minister to me to speak about a letter from Madras of great importance, and thus requested to grant him an audience as soon as possible: and on the 15.th thereafter, Ananda Male came with the following message. The First Minister had intended to come speak in person about a letter that the King his Master had received ten days ago from the Nabab Mahmed Alichan, but was restrained by the fear that the English would become suspicious over this, and had therefore sent him, Ananda Male, to give me notice that the English were about to advance to besiege the city, and had requested the King to assist them with men and provisions; that His Highness had refused this, but that the English continued to urge this; That the Nabab Mahmed Alichan had also requested this same thing by a letter, of which he showed me a copy, which had been left unanswered until now; and that the King was at his wit's end how to conduct himself in this matter, as he would gladly remain neutral, but that he would thereby draw the wrath of the English upon himself and expose his country to devastation, since we had no force of men or ships at all to protect him, and that, even if He were willing to let it come to that, the Estates of his Realm would not listen to it because we had no power whatsoever. That his King had immediately written an ola to the English Colonel and to the King Zamorin to delay the enterprise against Koetsiem a while longer, but did not know whether he would succeed in this request. That the Second of Ansjengo had also recently been with the King to persuade him to provide the desired assistance, and had cited thereto that we assisted Huider Alichan, who was the King's enemy, with gunpowder and lead, that we had repeatedly and most recently at Koeriapullo committed hostilities against the King, but the English never, and that they alone were able to protect him against Heider Alichan; but that the King had nevertheless continued to excuse himself, but was now at his wit's end how to conduct himself further. I had a translation made of the letter which the Nabab Mahmed Alichan was said to have written to the King, by the First Clerk van Jongeren, which I, because it is very short, will insert here. I hear that the English troops have marched out to capture the city of Koetsiem; Your Highness is hereby requested to assist them with men, gunpowder and lead, provisions, and other necessities, as well as everything required for the capture of that city. I am obliged to Your Highness for the attention Your Highness gave regarding the sending of some troops to Tirneuelij to act against our enemy, whereby Your Highness has greatly obliged me to reciprocal service, and the tokens thereof Your Highness will experience in due time. If there is anything here for Your Highness's service, please let me know, as well as the outcome of the enterprise of the English, &c. Reflections regarding this the writer's opinion and answer The Honorable Mr. van de Graaff, who attended the conference, judged with me that it was best for the time being not to let on that we were so well informed about all the foregoing, and therefore suspected the Prince of partiality and his message of dissimulation, for then he would have dropped the mask entirely and used no more management, with which he now, as long as he believed he was not yet discovered, at least had to continue to act: thus, while van Jongeren and Ananda Male were busy with the translation, I drafted my answer to the message and also an answer for the King to the Nabab in writing, had both translated by van Jongeren, and handed to the envoy, in order to prevent any defective or bad reports. The first contained That I kindly thanked the Balliasavewaddikariakaren for the well-meaning message and warning, and requested him to reassure his Master that everything had been done on our part that was required for a vigorous defense of this fortress, and I thus hoped to repel with vigor the enemies who would wish to attack us. That I of His Highness
Dutch transcription
Wij wil weder neutraal schijnen zijne deswegen gedaane bootschappen. en onzen ondergang alhier voor zeeker hield, heeft hij zich te zeer ontmaskerd, om hem lan„ „ger voor getrouw en onzijdig te houden. Niet temin zocht hij, toen het ontwerp bleefsteeken, zich op 't nieuw bij mij het aanzien van welmeenendheid en aankleeving te geeven. Waat den 10. ' April J=oleedens liet hij mij door zijnen Agent alhier, Ananda Male weeten: „dat hij over een paar dagen zijnen eersten „ Minister bij mij zenden zoude om te spreeken „ over eenen brief van Madras van groot ge„ „wigt, en dus verzocht hem ten eersten ge„ 4„hoor te verleenen: en den 15. e daaraan quam Ananda Male met de volgende boodschap. „ D' eerste Minister was willens geweest, in „ perzoon te koomen spreeken, over eenen brief, „dien de koning zijn Meester voor tien dagen „ ontvangen hod van den Nabab Mahmed „ Alichan, doch werd wederhouden door de „vreeze, dat de Engelschen hier over argwaan „scheppen zouden, en had daarom hem /Anan„ „da Male /gezonden, om mij kennis te gee„ „ven, dat de Engelschen stonden aftekoomen „om de stad te beleegeren, en den koning „ verzocht hadden henl: te assisteeren met „ volk en leevensmiddelen, dat zijn Hoog„ „„heid zulx geweigerd had, doch dat de Engelschen a vervolg „ Engelschen daar op bleeven aandringen; „ Dat de Nabab Mahmed Alichan, dit zelfde „ ook verzocht had, bij een brief, waar van „ hij mij een kopij vertoonde, die tot nu toe on„ „ beantwoordt was gelaaten; en dat de koning „raadeloos was, hoe zich lierin te gedraagen, „ alzoo hij gaarne neutraal wilde blijven, doch „dat hij daar door den toorn van de Engelschen „ op zich laaden en zijn land aan verwoetting „ bloot stellen zoude, wijl wij in 't geheel geene macht van volk of schepen hadden, om „ „ hem te beschermen, en dat, al wilde Hij „ het 'er op aan laaten koomen, de staaten van „ zijn Rijk daar niet zouden willen na luiste „„ren om dat wij geheel geen vermogen hadden. „ Dat zijn koning ten eersten eene ola aan „ den Engelschen kollonel en aan den koning „ Samorijn geschreeven had, om de ondernee„ „„ming teegen koetsiem noch wat uit te stellen, „ doch niet wist, of hij in dit verzoek zoude „ slaagen. - Dat de sekunde van Ansjengo „ ook onlangs bij den koning geweest was, om hem tot de begeerde assistentsie te be„ „ weegen en daar toe aangehaald had, dat wij „ Huider Alichan die skonings vijand was, „ met kanid en lood assisteerden, dat wij „ te meermaalen en noch laast te koeriapullo „ tegen den koning vijandigheeden gepleegd hadden vervolg hadden doch d' Engelschen noit, en dat zij alleen in staat waaren, om hem tegen „ Heider Alichan te beschermen. doch dat „ de koning zich niet te min was blijven ver„ „„schoonen, maar nu te einde raad was, hoe „ zich verder te gedraagen. Ik liet van den brief, die de Nabab Mahined Alichan aan den koning zoude geschreeven hebben, eene overzetting neemen, door den Eersten soek van Jongeren, die ik, om dat ze heel kort is, hier zal insereeren. „ jk hoore dat de Engelsche trapes opgetrokken „zijn, om de stad koetsiem te vermeesteren; uwe „ Hoogheid word bij dezen verzogt, haar te assis„ „„teeren met volk, kanid en Lood, provisien, en „ andere benodigtheeden, mitsgaders alle het geene „wat tot het inneemen van die stad vereijscht „ werd. Jk ben uw Hoogheid verpligt voor de at„ „tentie die uw Hoogheid gebruikt heeft, om„ „trend het zenden van eenige manschappen „ naar Tirneuelij, om tegens onze vijand te „ageeren, waar door uw Hoogheid mij tot we„ „„der dienst grootelijx verpligt heeft, en de blijken „ daar van zal uw Hoogheid in der tijd onder„ „vinden. Hier iets van uw Hoogheids dienst „ zijnde gelieve mij te laten weeten, als ook „den uitslag van de onderneeming van de „ Engelschen &=a Bedenkingen dien aangaande des schrijvers gevoelen en antwoord D' Edele Heer van de Graaff die de konferent„ sie bijwoonde oordeelde met mij best, om voor eerst noch niet te laaten blijken, dat men van al het voorgaande zoo wel geinformeerd was, en den vorst mits dien van een zijdigheid, en zijne boodschap van geveinstheid, verdacht hield, want dan zoude hij het masker geheel afgelegt, en geen menagement meer gebruikt hebben, waarmede hij nu, zoo lange hij geloofde noch niet ontdekt te zijn, ten minsten moest blij„ „ven handelen: dus stelde ik, terwijl van Jon„ „geren en Ananda Male met de overzetting bezig waaren, mijn antwoord op de boodschap en teffens een antwoord voor den koning aan den Nabab ingeschrifte, liet het een en ander door van Jongeren overzetten, en aan den zen„ „deling ter hand stellen; om alle gebrekkige of quaade rapporten te voorkoomen. Het eerste behelsde „ Dat ik den Balliasavewaddikariakaren „ vriendelijk dankte, voor de welmeenende „ boodschap en waarschuwing, en hem ver„ zocht, zijnen Meester gerust te stellen, dat „ „ van onze zijde alles gedaan wat, wat tot „ eene wakkere defensie van deeze vesting „ vereischt wierd en ik dus hoopte, de vijanden die ons zouden willen aantasten, met na„ „ druk te zullen afwijzen. Dat ik van zijne Hoogheid vervolg. „
English
His Highness expected that on such an occasion he would maintain the strictest neutrality and thus render not the least assistance to our enemies, neither with provisions nor with men or ammunition; that this was the only means to preserve His Highness's country from ruin, to which he would infallibly expose himself and his country if he wished to abandon neutrality and break the alliance with our Company; that His Highness could rest assured that he would suffer no trouble from Haider Ali Khan as long as the Dutch Company remained established here, since we would advocate the interests of Travancore with the Nabob, but that he, the King, had to count firmly on his downfall soon following upon ours. The reply which I had drafted to the Nabob's letter, with the request to dispatch it accordingly, contained: That the King stood in a close alliance with the Dutch Company, just as much as with the English Company and with the Nabob, and therefore could choose no side without acting against that alliance. That His Highness had therefore already, from the beginning of the war onward, continuation Thus Travancore is revealed Cochin seems well disposed yet will have to conform. declared and promised both to the English and to the Dutch that he would remain neutral, and therefore requested that no troops be sent through his country and no troops or war material be disembarked in his land; that he hoped the Nabob would find this equitable, the more so because the King, by breaking neutrality, would expose his country to ruin. From this Your High Nobilities see what we have to expect from this Prince if we are besieged by the English. And although the good King of Cochin is heartily devoted to us, because he expects from our Company protection against the further oppression of Travancore, and possibly in a change of times also his restoration, he would nevertheless, if it should come to a siege of this city, be forced, to prevent his ruin, to join our enemies, or at least look on favorably while the besiegers made themselves masters of coolies, rice, and other provisions, as well as all other army necessities in his country. For, besides the fact that the English would use violent means for this which he would not be able to resist, he would also be remarkable example. letter from the King his dependence on Travancore. forced to do so by Travancore, upon whom he is so dependent that he must conform to their will in virtually all matters, or against whose will he at least dares undertake nothing of importance, which has only just become apparent to me while writing this from the following case. He had let me know a few days before that he wished on this occasion to write a letter to Your High Nobilities and make a request to send ships and men for the rescue of Malabar, and he had already ordered gilded paper to be fetched for that purpose; but in the meantime the Prime Minister of Travancore, who has now been staying in this vicinity for some weeks, arrived at His Highness's court, where he is still present at the writing of this, and then I received a letter from him, the translation of which is enclosed herewith, in which he requests that the Honorable Mr. van de Graaff be pleased to do this orally, which request he has since further urged upon His Honor through a solemn embassy. From which I believe I must conclude that he has not dared to carry out his intention to write to Your High Nobilities himself, out of fear that Travancore would find out about it and take it amiss. And now I return again to our At Bombay eight ships have again arrived from Europe with troops. whereupon reinforcements were sent to Calicut there lie 2 warships and 7 Company ships, as well as 3 snows the number of troops is unknown. Conjecture regarding their design. enemies in the Zamorin's Empire, and to their actions and further intentions. At Bombay, in the month of March, eight Company as well as transport ships have again arrived with troops from Europe, whereupon a considerable reinforcement was immediately sent again to Calicut. According to the latest reports, two warships, seven Company as well as transport ships, and three snows are currently lying there. The number of the newly brought troops has not yet become clearly known to me; those who state two thousand Europeans certainly speak with great exaggeration, one may probably assume half of that; very likely I shall obtain accurate reports before the closing of this, for no money is spared on this, and I shall then share them at the foot of this letter. Their design does not seem to be directed against us for the present, which I guess partly because the bad monsoon is at hand, which would make the siege almost impossible, or at least extremely difficult, and partly because they have disembarked their troops so far to the north. Rather, I believe that it serves to bring relief again to their countrymen on the Coromandel Coast, who in all probability are very hard-pressed by land and by sea.
Dutch transcription
„ Hoogheid verwachtede, dat hij in zulk eene „geleegenheid, zich bij de stiptste neutraliteit „ zoude houden en dus aan onze vijanden „geen de minste hulpe bewijzen, zoo min „ met leevensmiddelen als volk of ammuniet„ „ sie; dat dit het eenigste middel was, om zijn „ Hoogheids land voor onheil te bewaaren, „ waar aan hij zich en zijn land onfeil„ „baar zoude bloot stellen, indien hij de neu„ „„traliteit wilde verlaaten en het verbond „ met onze kompanie verbreeken, Dat zijne „Hoogheid gerust kost zijn, dat hij van Haider „ Alichan geen last zoude lijden, zoo lange „ de Hollandsche kompanie hier gezeeten „ bleef. alzoo uij de belangens van Jrevankoor „ bij den Nabab zouden voorstaan, doch dat hij „ koning vast most reekenen, dat zijn on„ „der gang op die van ons drâ zoude volgen. Het antwoord, het welk ik op 's Nababs brief opgesteld had, met verzoek, om het zelve indier„ „voegen afte vaardigen behelsde: Dat de koning met de Hollandsche kompa„ „ nie in eene nauwe verbintenis stond, eeven „ zoo zeer als met de Engelsche komp:e en met „ den Nabab, en over zulx geene partij kost „ kiesen, zonder teegen die verbintenis te „handelen. Dat zijne Hoogheid daarom reets „ van den beginne van den oorlog of aan Zoo vervolg Dus is Jrevankoor ontdekt koetsiem schijnt wel gezint doch zal zich wel moeten voegen. „zoo aan de Engelschen als Hollanders ver„ „klaard en beloofd had, dat hij neutraal „zoude blijven en daarom verzocht, dat geene „troepen door zijn land gezonden, en geen krijgs „voek of oorlogs tuig in zijn land ontscheept wier„ „„den, dat hij hoopte, dat de Nabab dit zoude „billijk vinden, temeer, wijl de koning, door het „verbreeken van de neutraliteit zijn land aan „onheil zoude bloot stellen. Hier uit zien uwe Hoogedelheeden, wat wij van dezen Voost te wachten hebben, indien wij van de Engelschen beleegerd worden. - En hoewel de goede koning van koetsiem ons van harten toege„ „daan is, /:wijl hij van onze komp:e bescherming tegen de verdere onderdrukking van Grevan„ „koor, en mogelijk bij verandering van tijden, ook wel zijne herstelling verwacht:/ zoo zoude dezelve echter, indien het tot eene beleegering van deeze stad mogt koomen, wel genoodzaakt wee„ „zen, tot voorkoming van zijnen ondergang, zich bij onze vijanden te voegen, of ten minsten met goede oogen aan te zien, dat de Beleegeraars zich van koelies, rijs en andere leevens midde„ „len mitsgaders alle verdere leger behoeften in zijn land, Meesters maakten. Want, behalven dat de Engelschen hier toe middelen van geweld zouden gebruiken, die hij niet zoude kunnen te keer gaan: zoo zoude hij hier toe wel genoodzaakt merk „koor. merkwaardig voorbeeld. brief van den koning zijne afhanklijkheid van Jevan„ genoodzaakt worden, door Trevankoor, van wien hij zoo zeer afhanklijk is, dat hij zich naar desselfs zin genoegzaam in alle zaaken moet schikken, of tegen wiens zin hij ten minsten niets van belang durft onderneemen, het welk mij noch eerst onder het schrijven dezes is gebleeken aan het volgende geval. Hij had eenige dagen bevorens aan mij laaten weeten, dat hij met deeze geleegenheid eenen brief aan uwe Hoogedelheeden schrijven en verzoek doen wilde, om, tot redding van de Mallabaar schepen en volk te zenden, en hij had daartoe reets ver„ „guldt papier laaten haalen, doch middelerwijle quam de eerste Minister van Jrevankoor (die zich nu al eenige weeken hier omstreex ophoudt / bij zijne Hoogheid, bij wien hij zich onder het schrijven deezes ook noch bevindt, en toen kreeg ik van hem eenen brief, waar van de overzetting hier nevens gaat, waarbij hij verzoekt, dat de Edele Heer van de Graaff dit mondeling geliefde te doen, welk verzoek hij zeeder door eene plechtige bezen„ „ding aan zijn Edele heeft nader aangedron„ „gen. — waar uit ik meene te moeten opmaa„ „ken, dat hij zijn voorneemen, om zelve aan uwe Hoogedelheeden te schrijven, niet heeft durven ter uitvoer brengen, uit vreeze dat Joevankoor daar achter koomen en zulx qualijk neemen zal. En nu keere ik wederom terugge tot onze te Bombai zijn weder agt schepen uit Europa gekoomen met troe„ „pen. — is naar Kalikut daar leggen 2. oorlogt en 7. komp:s het getal den troepen is onbekend. Vermoeden nopens hun toeleg. onze vijanden in het samorijnsche Rijk, en tot hunne bedrijven en verdere voorneemens. Te Bombai zijn in de maand Maart wederom agt zoo kompanies als transport schepen met waarop versterking gezonden troepen uit Europa aangelandt, waar op ten eersten wederom eene aanzienlijke versterking naar ka„ „likut gezonden is. — volgens de jongste berich„ „ten leggen daar thans twee oorlogs schepen, scheepen mitsgaders 3. pnauwen zeeven zoo kompanies als transport scheepen, en drie snauwen. Het getal van de jongst aan„ „gebragte troepen is mij tot nu toe niet recht gebleeken de geenen, die twee duizend Europee„ „schen opgeeven, spreeken zeekerlijk zeer bij vergrooting, waarschijnlijk mag men 'er de helft voorstellen, veel licht krijge ik voor het sluiten deezes nauwkeurige berichten /want hier aan word geen geld gespaard:/ en die zal ik dan aan den voet deezes bedeelen. — Hun voorneemen schijnt voor eerst niet tegen ons gericht te zijn, 't geen ik gisse, eens deels, om dat de quaade mousson voor handen is, die de beleegering bij na onmogelijk, im„ „mers ten uitersten moeilijk maaken zoude, en anderen diels, om dat zij hunne troepen al zoo hoog om de Noord ontscheept hebben. Eer geloove ik dat het zelve strekt, om hunnen landslie„ „den op Kormandel, die naar alle waarschijnlijkheid, te lande en ter zee, zeer geprangt worden wederom lucht te maaken lelijk het w
English
whether they confine themselves to an invasion of Maisoer and other lands of Haider Alichan, or whether they even venture to penetrate across the mountains into the Kingdom of karnatika. It is true, this latter plan might appear desperate to many, considering the great difficulties naturally attached to it and made almost insurmountable by the monsoon; yet it would not seem very strange to me from a people that shrinks from nothing and is currently in the position of having to shrink from nothing. However this may go, their firm resolution is and remains to besiege koetsien as soon as possible. The reasons why I state this with certainty were argued in the secret letter from me and the Council of the 1st of this month and in our secret resolution of 11 April last, to which I respectfully refer. In all probability they will begin this in the month of September or October. I hope then to be in a position to defend the fortress until the expected relief of men and ships, both from Europe and from Batavia, appears. Upon this will depend the preservation not only of this place, but also of Ceilon, and even of the whole of Netherlands Jndien. For although Ceilon has this time been fortunately preserved solely by the arrival of the French fleet, one cannot, after all, rely on it alone in the future, and it is moreover doubtful whether it alone will be able to stand against the English when the ships with which Admiral Kempenfelt is expected have joined the fleet of Admiral Hughes. For then the French fleet might be forced to leave these regions and seek reinforcements in the Islands. Nothing is more certain in such an unexpected event than that Haider Alichan and the Marattas will make peace at that very moment, and then the entire power of the enemy will fall upon Ceilon and upon koetsiem with a force that we cannot resist. And if we lose the west of Jndien, the French fleet can advance no further and remain there, finding refuge and the necessary refreshment nowhere. Consequently, our enemies might then employ their whole power, which would be further increased by our losses, against our eastern factories. If, on the other hand, the expected help arrives swiftly, then it is almost certain that we, together with the French and Haider Alichan, can subdue our enemies. And as long as our fleet and the French fleet are in the west of Jndien, the enemies will not dare to entertain the thought of attacking our settlements in the east, because they must then protect their own establishments. Thus, a relief of men and ships to the west of Jndien is at the same time the most powerful means to safeguard and preserve our possessions in the east against our enemies. Herewith I commend Your High Excellencies and the important interests of the Company to God's holy protection and remain with all respect and fidelity. Underneath stood: High Noble, Right Honorable, Widely-Ruling Lord and Honorable, Severe Lords, Your High Excellencies' most humble and faithful Servant. Was signed: J. G. van Angelbeek. In the margin: koetsiem, 2 May 1782. Agreed. Duplicate Separate Batavia To His High Excellency The High Noble, Right Honorable, Widely-Ruling Lord Mr. Willem Arnold Alting Governor General on behalf of the state of the free United Netherlands and the General Chartered East India Company, and the Honorable, Severe Lords Councillors of Netherlands Jndien. High Noble, Right Honorable, Widely-Ruling Lord, and Honorable, Severe Lords! As the ship has remained at anchor for a few more days, I address this to Your High Excellencies to impart the reports gathered in the meantime. The English colonel is named Humberston and lay on the 2nd of this month at Tanoer, south of kalikut, with eight hundred Europeans, fourteen hundred sepoys, and a great multitude of Moors and Nairs. At Panane, also south of kalikut, Major Tamson was then stationed with a captain of the Artillery, six subaltern officers, and two hundred sepoys. In settua lies a European commander with fifty Topasses. At Papanganware, one mile from settua, lie two European officers and two hundred sepoys. At kalikut, in the absence of Major Abington, Captain Lindroun holds the command pro interim; the garrison consists of seven hundred Europeans and two hundred sepoys. In addition to this, five hundred Europeans, including three hundred sixty Highlanders, and fourteen hundred sepoys have arrived in recent days with the ships from Bombai. This news is from very good authority; however, it may not be so precise regarding the number of officers and common soldiers, and some error may reside therein, yet this will not be great, and consequently the military force of the enemies in our vicinity can with the greatest probability be estimated at: 2000 Europeans, and 3500 Sepoys and Topasses together, 5500, excluding the Artillerymen, of whom I have not been able to obtain an exact count.
Dutch transcription
hun voornaamste projekt telijk te beleegeren. Men hoopt zich te de„ „fendeeren. waar van 't behoud van alles afhangt. word. maaken, het zij, dat zij zich tot eenen inval in Maisoer en andere landen van Haider Alichan bepaalen, of dat zij zelfs wel bestaan, om over het gebergte tot in het Rijk van karnatika door te dringen. Het is waar, dit laaste ontwerp mogt veelen als wanhoo„ „pig voorkoomen, gemerkt de groote zwaarigheeden, die er van natuur aan vast zijn en door de mousson schier en overkoomlijk worden, doch mij zoude het niet heel vreemd voorkoomen, van een volk, dat niets ontziet, en thans in 't geval is, om niets te moeten ontzien. Doch hoe het hier mede ook gaa, hun vaste voornee„ lijft om ons zoodra mo„ men is en blijft, om koetsien zoo dra mogelijk te beleegeren; De reedenen, waarom ik dit vast stelle, zijn bij den sekreeten brief van mij en den Raad van den 1:ste deezer en bij onze sekreete resoluutsie van den 11. April Jongstleeden, betoogd, waar aan ik mij hier in eerbied gedraage. Naar de meeste waarschijnlijkheid zullen ze dit in de maand September of oktober beginnen, jk hoope als dan in staat te zijn, om de vesting zoo lange tot dat 'er sekoers komt te defendeeren, tot dat het verwachte sekoers van volk en schepen, zoo uit Europa als van Batavia, opdaagd. waar van het behoud niet alleen van deeze plaats, maar ook van Ceilon, en zelfs van het welk in den text betoogd heel Nederlands Jndien, zal afhangen, want hoewel Ceilon ditmaal door de aankomst der fransche vloot alleen gelukkig bewaard is, zoo kan kan men het doch in 't vervolg op haar alleen niet laaten aankoomen, en het is daar bij twijfelachtig, of zij alleen teegen d' Engelsche zal bestaan kunnen wanneer de schepen daar d' Admiraal kampenfeld mede verwacht word, zich met de vloot van Ad„ „miraal Hughes gekonjungeerd hebben want als dan zoude de fransche vloot kunnen genood„ „zaakt worden, deeze gewesten te verlaaten, en op d' Eilanden versterking te zoeken. — Niets is, en zulk een onverhoopt geval, zeekerder, dan dat Haider Alichan en de Maratten op dat zelfde oogenblik vreede maaken, en dan valt d' heele macht van den vijand op Ceilon en op koetsiem aan, met een geweld, dat wij niet wederstaan kunnen, en verlie„ zen wij de west van Jndien, dan kan de fransche vloot daar niet verder koomen, en blijven, als ner„ „gens toevlucht of de noodige verversching vindende„ gevolglijk kunnen onze vijanden als dan hunne heele macht, die door onze verliezen noch vergroot zoude zijn, tegen onze oostersche kantooren ge„ „bruiken. — komt daar en tegen de verwachte hul„ „pe spoed opdragen; dan is het bijna zeeker, dat wij met de Franschen en Haider Alichan te zamen onze vijanden te onder kunnen brengen. En zoo lange onze en de fransche vloot om de west van jndiën zijn; durven de vijanden niet in hunne Gedachten neemen, om onze bezettingen om de oost aan te tasten, wijl ze dan hunne eigene„ eta„ Nagezien stablissementen bewaaren moeten zoo dat een sekoers van volk en schepen naar de west van Jndiën teffens het kragtigste middel is, om onze bezittingen om de oost tegen onze vijanden te beveiligen en te behouden Hier mede beveele ik uwe Hoog edelheeden en de wigtige belangen der Maatschappije in Gods heilige bescherming en blijve met alle eerbied en trouwe. /:onderstond:/ Hoogedele, Groot achtbaare, wijd„ „Gebiedende Heer en Weledele Gestrenge Heeren Uwer Hoog edelheeden onderdanigste en getrouwe Dienaar. /:was getekend:/ J. G. van Angelbeek. /:in margine/ koetsiem den 2. Mai 1782. Akkordeerd. Oypje H. Baee gez: klerk. JHeijn gen Duplicaat Apart Batavia Aan zijne Hoogedelheid Den Hoogedelen Grootachtbaaren wijdgebiedenden Heer M:r Willem Arnold Alting van wegens den staat der vrije vereenigde Nederlanden en de Generaale Geoktroieerde oostindische kompanie Goeverneur Generaal De Weledele Gestrenge Heeren Raaden. van Nederlands Jndiën Hoogedele Grootachtbaare wijdgebiedende Heer, en Weledele Gestrenge Heeren! wijl het schip noch een paar dagen is blijven leggen zoo richte ik deeze, om aan uwe Hoogedelheeden de middelerwijle verzaamelde berichten te bedeelen. De Engelsche kollonel heet Humberston en lag den 2:e deezer te Tanoer, bezuiden kalikut met agthonderd Europeeschen veertienhonderd sipahis en een groote meenigte Mooren en Nairos Te en Te Panane, mede bezuiden kalikut lag toen de Majoor Tamson met een kapitain van d' Artilleri ses subalterne officiers en twee honderd sipahis. Jn settua legt een Europeesche kommandant met vijftig Toepas Te Papanganware eene mijl van settua leggen twee Europeesche officiers en twee honderd si„ „pahis. Te kalikut voerd, mits absentsie van den Majoor Abington, pro interim het kommando de ka„ „pitain Lindroun; het garnisoen bestaat uit zeeven honderd Europeeschen en twee honderd sipahis. Hier bij zijn deezer dagen met de scheepen van Bombai aangekoomen vijf honderd Europeeschen en daar onder drie honderd sestig Bergschotten en veertien honderd sipahis. Deeze tijding is van zeer goederhand, echter kan ze zoo nauwkeurig niet zijn omtrend het getal van officiers en Gemeenen, of er kan wel eenig abuis in resideeren, doch dit zal niet groot zijn, en dienvolgende kan men de krijgsmacht der vijanden in onze buurt met de meeste waar„ „schijnlijkheid stellen op. 2000. Europeeschen, en 3500. Sipahis en Toepassen tezaamen 5500: buiten de Artilleristen. waar van ik geen nette opgave hebbe kunnen machtig worden. — van
English
Of the ships before Kalikut, the five largest have departed to the south, probably to reinforce the fleet of Admiral Hughes; I have therefore immediately reported this to the French Admiral Suffren, and at the same time informed the Nabab Haider Alichan of the above in detail. I have also previously written at length to the French commissioner in the Nabab's army, Mr. Piveron, and to the colonel of the French corps in Haider's service, pointing out how necessary it is to offer resistance to the enemies in the Samorin country, whereby I also did not fail to argue how much it concerns the Lord Nabab and the French fleet to preserve Koetsiem, in order to come to our aid in case of a siege. The remaining transport ships were preparing to return to Bombai, and the troops were to spend the winter in the vicinity of Kalikut. Your High Mightinesses will perceive from this what situation we presently find ourselves in; and that it is highly probable that such a considerable military force (which can at any moment be reinforced with many thousands of Nairs and Moors, and to which Travancore can also add several thousands) is left in our neighborhood, chiefly with the aim of attacking us as soon as possible. We 12 Duplicate Examined We shall therefore redouble our zeal in fortifying this place, and employ all that is possible for that purpose. The garrison seems in good spirits and determined on a brave defense, and I hope that everyone will do his duty like an honest man. I have the honor to be with all respect and fidelity, underneath stood: High Noble and Right Honorable Ruler, and Noble, Right Honorable Gentlemen! Your High Mightinesses' most humble and faithful servant, was signed: J: G: van Angelbeek. In the margin: Koetsiem, the 5th of May 1782. Agreed, J. Verdijk, First Clerk Adriaan Bootvliet Examined Approved H. Sael Signed: Keleek I hear that the Honorable Director is now departing for Batavia, therefore I hope that Your Honor will have given the necessary information to his honor concerning the disasters and difficulties with which my kingdom is threatened. His honor is an intimate friend of mine, and I am in the confidence that his honor upon his arrival at Batavia will be pleased to deliver a proper report of all present affairs to the Lord Governor-General of the Dutch East Indies, and to ensure that the necessary orders for the welfare of the Company's affairs as well as ours may be sent. My aspiration is nothing other than to make the alliance between the Honorable Company and me grow and increase more and more, and I trust that for the redress of the Company's affairs and ours a good force will shortly arrive at Koetsien, upon which I await a wished-for answer from Your Honor. Signed by his highness. Underneath stood: For the translation, Cochin, date as above. Was signed: S: V: Tongeren. Agreed, Adriaan Bootvliet, First Clerk Translation of an ola written by the King of Cochin to the Honorable Commander Johan Gerard van Angelbeek: Received the 27th of April 1782. 12 v. Singelandt Homeland. To the Honorable, Right Worshipful Gentlemen, Mr. Johan Graafland Pietersz. and the other Directors and Advocates of the General Chartered Dutch East India Company, delegated to the Affairs of War, residing in Amsterdam. Honorable, Right Worshipful Gentlemen. With the last breath of the favorable monsoon, two snows are arriving here from Goa, one of which named Governa Felix is destined for Europe, and the other named St. Anna e Almas for the French Islands, and we make use of both to let Your Honors receive, under cover to Mr. Daniel Gildemeester, consul at Lisbon, and his Excellency Mr. Lestevenon van Berkenroode, ambassador at Paris, the duplicate and triplicate of our recent respectful letters to Your Honors dispatched on the 1st of this month via the French Islands, to which we now also add the copies of our secret and separate letters of the 1st, 2nd, and 5th of this month to the Supreme Indian Government, with the annexes mentioned in the register, except for the plans of the fortifications, which, propter causas sonticas, are withheld. Your Honors will perceive therefrom that the Extraordinary Councillor of the Dutch East Indies and former Director of Soeratte, Willem Jacob van de Graaff, who, according to the arrangement already communicated, was exchanged between us and the English government of Bombai, arrived here on the 7th of March with a war frigate from Goa, and departed again on the 7th of this month with a private Portuguese ship via Kolombo for Batavia. The rumor communicated to Your Honors in our last preceding letter, that vessels had been sent from Ceylon to retake possession of Tutukorijn, has since been found to be untrue; on the contrary, we are now informed that the Cattaponaik, to whom the Company's fort and remaining goods had been delivered for safekeeping, first plundered from it and from the private houses whatever pleased him, and subsequently surrendered the fort to the English, who took possession thereof on the 29th of February, and have since that time conducted themselves there in such a shameful manner, with plundering, robbing, ruining, and
Dutch transcription
van de scheepen voor kalikut zijn de vijf grootsten naar de zuid vertrokken, denkelijk om de vloot van Admiraal Hughes te versterken; Jk hebbe dus daar van ten eersten bericht gegeeven aan den Franschen Admiraal suffren, en teffens den Nabab Haider Alichan het bovenstaande omstandig bedeeld. ook hebbe ik bevoorens reets aan den franschen kom„ „missaris in 's Nababs Leger M:r Piveron en aan den kollonel van het fransche Corpsin Haiders dienst omstandig geschreeven en aangetoond, hoe noodzaaklijk het is, om de vijanden in het samo„ „rijnsche land tegenstand te bieden, waarbij ook niet verzuimd hebbe te betoogen, hoe veel den Heer Nabab en de Fransche vloot aan 't behoud van koetsiem geleegen legt, om ons in val van beleegering te hulp te koomen. De ovrige transport scheepen maakten zich gereed, om naar Bombai terug te keeren. en de troepen zouden omstreex kalikut overwinteren. uw Hoogedelheeden zien hieruit, in wat situ„ „aatsie wij ons tegenwoordig bevinden; en dat het ten hoogsten waarschijnlijk is, dat zulk een aanzienlijke krijgsmacht (die zich alle oogen„ „blikken met veele duizend Nairos en Mooren kan versterken, en waarbij Trevankoor ook eenige duizenden kan voegen :/ in onze buurt gelaaten worde, voornaamlijk met het oog„ „merk om ons, zoo dra mogelijk, aan te tasten. wij 12 duplicaat Nagezien wij zullen derhalven onzen iever in het versterken deezer plaatse verdubbelen, en daartoe, al wat mo„ „gelijk is, aanwenden. Het Garnisoen schijnt wel gemoet en tot een Dappere verdeediging gedeter„ „mineerd te zijn, en ik hoope, dat een iegelijk als een eerlijk Man zijne plicht zal doen. Jk hebbe de eere met alle eerbied en trouwe te zijn /:onderstond:/ Hoogedele Grootachtbaare wijd ge„ „biedende Heer, en Weledele Gestrenge Heeren! uwer Hoogedelheeden onderdanigste en getrouwe dienaar /:was geteekend:/ J: G: van Angelbeek /:in margine:/ Koetsiem den 5:e Mai 1782. Akkordeerd J„ „ Verdijk Eyklerk Adriaan Bootvlist Nagezien App H Sael get: keleek Ik hooze dat den weledele Heer Direkteur thans naar Batavia vertrekt, derhalve hoope ik dat Uwel Edele achtb: de noodige Informaatie aan zyn weledele zal gegeeven hebben, wegens de onheilen en moeilijkheeden waarmede mijn rijk gedrijgt word, zijn weled: is een Jntien vreend van mij, en ik ben in die vertrouwen dat zijn weledele met deszelfs arrivement op Batavia een behoorlijke rapport van alle de presente zaaken alen de heer Goeverneur Generaal van Nederlands Jndien zal gelieven te doen en te bezorgen dat er nodige orders zijn tot welweezen van s' komp:s zaaken als die van ons mogen gesonden worden, mijne betrachting is anders niet als de alleantsie tusschen de E: komp: en mij hoe langer hoe meer te doen aangroeien en toeneemen en vertrouwe dat tot redres van 'skomp. s affaires, en die van ons een goede macht op koetsien binnen korten komen zal, waarop ik een gewenscht antwoord van Uweled: Achtb verwagt, getv bij zijn hogh„t /onderstond/ voor de translaatsie, Cochim dato als boven /was geter/ S: V: Tongeren Akkordeerd Adriaan Boolvhek Eykloek Translaat ola door den koning van Cochim gesch: aan den weledele Achbaare Heer kom„ „mandeur Johan Gerard van Angelbeek: ontv: den 27:e April 1782. 12 „ # vSingelandt Patria. Aan de Weledele Grootachtbaare Heeren M=r Johan Graafland Pietersz: en de verdere Bewindhebberen en Advokaaten van de generaale Nederlandsche geoktroieerde Oostindische kompanie, gekommitteerd tot de zaaken van Oorlog, Resideerende Amsterdam. Weledele Groot achtbaare Heeren. Met het laaste hapje van de goede mousson koomen hiervan Goa twee snauwen, waarvan de eene genaamd Governa Telix naar Europa, de andere genaamt S=t Anna a Alma naar de fransche Eilanden bestemd is, en wij bedienen ons van beiden, om VW Weled: Groot achtb: daarmede, onder addresse aan den Heer Daniel Gildemeester, konsul te Lissabon en zijne Exellentsie den Heer Leftevenon van Berkenroode Ambassadeur te Parijs, te laaten toekoomen het duplikaat en treplikaat van onze jongste eerbidige letteren aan Uw Weledele groot achtb: van den 1=e deezer over de franscha Eilanden afgevaardigt, waarbij wij nu ook voegen de afschriften van onze sekreete en aparte brieven van den 1=e 2:e en 5 deezer, aan de Hooge indische Regeering, met de bijlagen ten te ten Register vermeldt, uitgezondert de plans van de fortifikaatsien, die, propter Caussas Sonticas, achterblijven. Uw weledele Grootachtbaare zullen daarbij ont„ „waaren, dat de Heer Raad Extraordinair van Nederlands Jndien, en geweezene Direkteur van soeratte Willem Iakob van de Graaff, die, volgens de reets bedeelde schikking, tusschen ons en het Engelsche Goevernement van Bombai, uitgewisselt is, op den 7:e Maart alhier met een oorlogs fregaet van Goa aangekoomen, en op den 7=e deezer met een partikulier Portu„ „geesch schip wederom over Kolombo naar Batavia vertrokken is. — Het bij onzen jongst voorgaanden aan Uw WelEd. Achtb: bedeelde gerucht, dat van Ceilon zouden vaartuigen gezonden zijn, om wederom bezet van Tutukorijn te neemen, is zeeder onwaar bevonden, daar en tegen zijn wij thans onderricht, dat de kattaponaik, aan wien s' komp:s fort en achterblijvende goederen ter bewaaring waaren overgegeeven, eerst daaruit en uit de partikuliere huizen, al wat hem aanstond geroofd, en het fort vervolgens aan de Engelschen overgegeeven heeft, die daarvan op den 29 febr: bezit genoomen, en daar zeder op zulk eene schandelijke wijze huisgehouden hebben, met plunderen, rooven, ruineeren en
English
and other dishonorable outrages, as may be seen in more detail in the enclosed deposition obtained here concerning this matter, to which we refer in this regard. We have, by the enclosed copy letters to Their High Excellencies, given a detailed report of our situation and of the condition and the intentions of our enemies in our neighborhood, as well as of our measures and actions for the security, defense, and preservation of what has been entrusted to us; to which we respectfully refer, and to which we now add a brief report of what has occurred and become known to us regarding war affairs since the 5th of this month. After the five English ships departed from Kalikut to the south, the native vessels, which according to the copy letter of the 2nd of this month had been lying around the Mud Bay for over a month and a half in order, according to the general and very probable rumor, to help the enemies from the ships ashore, also left their station, and at the same time the troops of Trevankoor, which according to the aforementioned copy letters were encamped around there, moved back inland, from which we therefore believe we may conclude with good reason that that the just-mentioned preparations of Trevankoor were indeed intended to assist our enemies against us, and that our enemies have for the present abandoned the siege of this fortress. Regarding the conduct of Trevankoor, the first signatory has expressed himself at length in the enclosed separate letter to the High Government dated the 2nd of this month, to which he here refers, and with respect to the second matter, we find besides other plausible reasons upon which we believe we may establish that, as long as affairs remain in the present state, we have no siege of Koetsiem to fear: for besides the fact that the rainy season has now actually broken, whereby so cumbersome an undertaking as a formal siege is made extremely difficult and nearly impossible, many troops of the Nabab Haeder Alichan are also now coming down from time to time to the land of the Samorijn, against whom they will for the present have to use their forces in order to maintain themselves in the possession of Kalikut and the other coastal places of that realm. Indeed, according to the latest reports, they already broke camp on the 9th of this month from Tanoer, a coastal place on this this side of Kalikut, and marched toward Palikatseeri, a fortress in the land of the Nabab Haeder Alichan, and that with an army of twelve hundred Europeans, three thousand Sepoys, and six thousand Nairos and Moors; which, on account of the illness of Colonel Humberston, who is suffering from the bloody flux, is commanded by Major Jameson; and because the troops of Haider Alichan under the command of one Golaam Alichan are estimated to be quite as strong, and according to the latest reports have advanced around Palikatscheerij, we are in all probability to expect daily news of an engagement between both armies, which, in case it arrives before the departure of the bearers of this letter, we shall communicate at the bottom. We shall apply with all diligence the time that will thus, in all probability, be further granted to us, in order to complete the intended improvements to our fortress. Of the military operations of the French naval and land forces and of the considerable armies of the Nabab Haeder Alichan on the coast of Kormandel, we have as yet no certain reports, but it is probable that Your Right Honorable Sirs will Verified from time to time receive them directly from France itself. Herewith we commend Your Right Honorable Sirs and the important interests of the Company to the protection of the Almighty and remain with all respect and fidelity, underwritten, Right Honorable Sirs, Your Right Honorable Sirs' most humble and faithful servants, was signed, I. G. van Angelbeek, R. v. Harm, F. van den Busch, N. W. Beits, I. L. van Spall, C. G. Seyffer, A. I. I. Vernede, I. A. Cellarius, W. v. Haeften, and I. A. Daimichen. In the margin, Koethem, the 18th of May 1782. Lower, P. S. After the closing of this letter, the enclosed letters from the Nabab's Army were received here. Agrees: Adriaan Pootvliet J. A. Weredijck, the clerk. 5 Duplicate Patria To the Right Honorable Sirs, Mr. Johan Graafland Pietersz. and the other Directors and Advocates of the General Dutch Chartered East India Company, Deputies for War Affairs, residing in Amsterdam Right Honorable Sirs! Our latest respectful letter of the 16th of March last we had the honor to dispatch with the Portuguese ship Nossa Senhora d'Arabida under address of Mr. Daniel Gildemeester. We hope that it will duly reach Your Right Honorable Sirs and let this letter, which departs via Mauritius with a Portuguese snow named Nossa Senhora de Cidade, which called at this roadstead in passing, serve solely to humbly inform Your Right Honorable Sirs of what has since been performed by us in the service of the Company and of the most noteworthy things that have since come to our knowledge. Concerning our actions, on account of the shortness of time, we request permission to
Dutch transcription
en andere onteerende baldaadigheeden, als nader te zien is bij de nevensgaande verklaaring, die daarvan alhier is ingewonnen, waaraan wij ons ten deezen gedraagen. wij hebben bij de nevensgaande kopij brieven aan Hunne Hoogedelheeden omstandig verslag gedaan, van onze situaatsie en van den toestand en de voorneemens onzer Vijanden in onze buurt, mitsgaders van onze maatregulen en verrichtingen ter beveiliging, verdeediging en behoudenis van het ons aanvertrouwde; waaraan wij ons in eerbied gedraagen, en waarbij wij nu een kort bericht gaan voegen van het geen zeder den 5: deezer, met betrekking tot de oorlogs zaaken voorgevallen en ons bekend geworden is. Na dat de vijf Engelsche schepen van Kalikut naar de zuid vertrokken waaren, hebben de inlandsche vaartuigen, die volgens kopij brief van den 2=e deezer omstreef de Modderbai, ruim anderhalve maand geleegen hadden, om volgens het algemeene en zeer waarschijnlijke gerucht, de vijanden van de schepen aan land te helpen, hunne standplaats ook verlaaten en terzelver tijd zijn ook de troepen van Trevankoor, die blijkens meermelde kopij brieven, daar omstreet gekampeerd lagen, weder om landwaard in getrokken, waaruit wij dus met veel grond vermeenen te mogen besluiten dat dat de zoo evengem: aanstalten van Trevankoor werklijk gedoeld hebben, om onze vijrenden tegens ons bij testaan, en dat onze vijanden voor eerst van de beleegering deezer vesting hebben afgezien. Nopens het gedrag van Trevankoor, heeft de eerste teekenaar zich in het breede uitgelaaten bij de nevensgaande aparte aan de Hooge Regeering van den 2„en deezer, waaraan hij zich hier gedraagd, en met opzicht tot het tweede stuk, vinden wij buiten des noch aanneemlijke reedenen, waarop wij meenen te mogen vast stellen, dat wij, zoo lange de zaaken in den teegenwoordigen toestand blijven, voor geeve beleegering van koetsiem te duchten hebben: want be„ „halven dat de regentijd riets werklijk door gebrooken is, waardoor eene soo omslag„ „tige onderneeming, als een formeel beleg, ten uitersten moeilijk en bijna onmogelijk gemaakt word, zoo koomen nu ook van tijd tot tijd veele troepen van den Nabab Haeder Alichan naar het land van den Samorijn af, waartegen zij hunne macht voor eerst zullen moeten gebruiken, om zich in het bezit van Ralikut en de verdere zeeplaatsen van dat Rijk te handhaaven. - zelfs zijn zij, volgens de jongste berichten reets op den 9=e deezer van Tanoer /eene zee plaats aan deeze deeze zijde van Kalikut :/ opgebrooken en op marsch gegaan naeer Palikatseeri /: eene vesting in het land van den Nabab Haeder Alichan:/ en zulf met een leeger van twaalf honderd Europeeschen, drie dui„ „zend Sipatus en ses duizend Nairos en Mooren; hetwelk mits de ziekte van den Kollonel Htam„ „berston, die aan de roodeloop laboreerd, door den Majoor Jameson gekommandeerd word; en wijl de troepen van Haiden Alichan onder bevel van eenen Golaam Alichan, ruim zoo sterk geschat worden, en volgens de jongste berechten, omtrend Palikatscheerij geavanceerd zijn, zoo hebben wij naar alle waarschijnlijkheid dagelijx de tijding van een engagement van beide legers te wachten, die wij ingevalle ze noch voor 't vertrek van brengers deezer inloopt, aan den voet zullen bedeelen. Wij zullen den tid, die ons dus, naar alle waar„ „schijnlijkheid verder gelaaten zal worden met alle neerstigheid besteeden, om de voorge„ „noomene verbeeteringen aan onze vesting tot stand te brengen. — van de krijgsbedrijven der fransche zee- en land-macht en der aanzienelyke legers van den Nabab Haeder Alichan op de kuste van kormandel, hebben wij tot nu, toe geene zeekere berichten, doch het is waarschijnlijk, dat Uw Weledele Grootachtbaare dezelven van Nagezien van tijd tot tyd uit Frankrijk zelve staan te ontvangen. Hiermede beveelen wij uw Weledele Grootachtbaare en de wigtige belangen der Maatschappije in de bescherming des Allerhoogsten en blijven met alle eerbied en trouwe /onderstond / weledele grootachtbaare Heeren, uwen Weledele Groot„ „achtb: onderdaanigste en getrouwe dienaaren /was getve/ I. G. van Angelbeek, R. v. Harm F: van den Busch, N: w: Beits I. L. van Spall, C. G Seyffer, A. I: I. vernede. I. A: Cellarius, W. v: Htaeften en en I. A. Daimichen /in margine / koethem den 18=e Mai 1782 /lager/ P: S. Na 't sluiten deezes worden nevensgaande brieven uit S' Nababs Leger hier ontvangen Akkordeer Adriaan Pootvliek J A„ Weredijck deklerk 5 Puplicaat Patria Aan de weledele Grootachtbaare Heeren, M:r Johan Graafland Pietersz: en de verdere Bewindhebberen en Advokaaten van de generaale nederlandsche Geoktroieerde oostindische komp: gekommitteerd tot de oorlogs zaaken resideerende binnen Amsterdam Weledele Grootachtbaare Heeren! onze jongste eerbiedige van den 16: Maart laast„ leeden hebben we de eere gehad met het portugees schip Nossa senhora d' Arabida onder addres van de Heer Daniel Gildemeester aftevaardigen we hoopen dat dezelve uw weledele Groot achtb:re wel zal geworden en laaten deezen, die afgaat over Mauritius met een portugeese snaauw ge„ „naamd Nossa senhora de Ciadade die en pas„ „sant op deeze Reede aangeloopen is, alleen dienen om uw weledele Grootachtb: needrig kennis te geeven van het geen zeeder door ons in den dienst van de komp: is verricht en van het weetens „waardigste dat zeeder tot onze kennisse gekomen is. omtrend onze verrichtingen verzoeken we uit hoofde van de kortheid des tijds verlof, om ons te
English
may refer to our secret resolution of 11 April last, a copy of which is enclosed herewith. On the further improvements to the fortifications resolved upon therein, the supervision of which we have entrusted to Captain Johan George Fornbauer, who recently arrived here from the Netherlands, work is being carried out with all diligence. Several matters involved therein we did not dare to undertake earlier than now, so as not to be taken by surprise by the enemy in the midst of the work; but now that the bad monsoon is at hand, during which it becomes very difficult to besiege this city, we shall make use of this time in every possible way and spare no expense to have everything done to the fortress that is deemed necessary for its further reinforcement. From the aforementioned resolution Your Right Venerable Excellencies will furthermore see the grounds upon which it was judged that the garrison of Koetsiem ought to be increased to 3500 heads. The present strength thereof is entered in the resolution, and therein it is likewise indicated in what manner the augmentation of the native troops is to take place. In order to have proper service from these, it is absolutely necessary that they be commanded by European officers, and on these grounds we have resolved upon the promotion that is entered in the resolution. If matters could have suffered delay, we certainly would not have dared to proceed thereto without having requested the approval of Their High Excellencies; but in these times we hope that Your Right Venerable Excellencies will take it in good part that we have dared to take the aforementioned promotion upon ourselves, and that we furthermore have put in hand and executed without delay everything that, to the best of our knowledge, we deem to serve for the preservation of this place. Of the conquest of the Samorin's realm by the English, we had the honor to give Your Right Venerable Excellencies respectful notice in our latest dispatch. The force that the English brought into that realm on that occasion consisted, according to the best reports we have been able to obtain, of 1500 Europeans and 4000 sepoys. In the latter part of the month of March, the English colonel who commands these troops intended, as we have been assured, to attack Koetsiem. He could certainly have added to this at will a multitude of armed Samorin Nairs and Moors, and perhaps he also counted on that with which the King of Trevankoor could have increased this force, had he been compelled by the English finally to lift the mask; but the Chief of Tallicherij, who was requested by the aforementioned English colonel to lend a hand in this as well, and who, as it seems, had better understood the gravity of this enterprise, refused to interfere therein without special orders from Bombai, and thus this undertaking ground to a halt. Since then, the English have detached a corps of troops from Kalikoet to attack, so it is said, Palkatseerij, a place belonging to the Nabab Haider Ali, but these troops returned without having accomplished anything; they only had an engagement not far from Kalikoet with some troops of the Nabab, who, it is said, after suffering considerable loss, were forced to retreat. Now again recently, 9 three-masted ships and 3 two-masted grabs have arrived from Bombai at Kalikoet. As is said, a large detachment of Europeans was brought along with them, which is estimated by some at as many as 2000 men; also brought to Kalikoet with these ships was another party of sepoys, the estimate of which we have not heard. A good portion of these troops has already been put ashore at Kalikoet. What the English intend with all these preparations is hitherto very uncertain. The progress of the monsoon and the fact that they are landing these troops so far to the north lead us to think that it is not aimed at Koetsiem, and it therefore does not seem improbable to us that the English intend to march this force overland to the Coast of Kormandel, where their affairs, if rumors may be believed, are in a very bad state. Among the aforementioned 9 ships currently lying at Kalikoet are, as we hear, 2 warships. The remainder are presumably Company and transport ships, of which it is claimed that 8 vessels arrived at Bombai in recent days. The aforementioned 2 warships are most probably the same that intended to go south this spring, but which, as we indicated in our latest respectful dispatch, turned back on the way upon hearing that the French fleet had arrived in India. The squadron of the English Admiral Campenfeld has not yet arrived in these regions, as far as we know. We have had no direct news from the Coast of Kormandel since 21 February; among various
Dutch transcription
te moogen gedraagen aan onze sekreete resoluutsie van den 11. April Jongstleeden die in kopij hier neevens gaat. Aan de daar bij beslootene nadere verbeeteringen aan de vesting werken waar over we het op zicht hebben opgedraagen aan den onlangs uit Nederland hier aangekoomenen kapitain Johan George Fornbauer, word met alle naar„ „stigheid gearbeidt verschijde dingen, die daarbij voor„ „koomen, hebben we niet eerder dan nu durven laaten onder handen neemen om niet in 't midden van het werk door de vijanden te worden overvallen, doch nu de quaade mousson op handen is, waar in het zeer difficiel word, om deeze stad te belee„ „geren, zullen we ons deezen tijd op alle mogelijke wijze ten nutte maaken, en geene kosten ontzien, om noch aan de vesting te laaten doen alles wat tot meerdere versterking daar van noodig geoor„ „deeld word, Bij de voorschr: resoluutsie zullen uweledele Groot achtb: voorts zien de gronden, waar op geoordeelt is, dat het koetsiems garnisoen tot 3500. koppen diend te worden vergroot. — De tegenswoordige sterkte daar van is bij de resoluutsie en geschreeven en daar bij is teffens aangeweezen, op wat wijze de augmentatie der Jnlandsche troepen staat te geschieden. om van deeze de behoor„ „lijke dienst te hebben is het volstrekt noodig, dat ze door Europeesche officieren worden gekom„ „mandeerd, en we hebben op deeze gronden beslooten tot tot de promootsie, die bij de resoluutsie ingeschree„ „ven is. — Jndien de dingen hadden kunnen uitstel veelen, zouden we zeekerlijk daar toe niet heb„ „ben moogen treeden, zonder daar op „ af te hebben gevraagt het goedvinden van Hunne Hoogedel„ „heeden, doch in deeze tijd hoopen we, dat uweled: Grootachtbaare het ons in het goede zullen af„ „neemen, dat we de voorschr: promootsie hebben over ons durven neemen, en dat we voorts al het geene dat we naar onze beste kennis meenen te dienen tot behoud van deeze plaats, laaten tewerk leggen en uitvoeren zonder uitstel. van de vermeestering van het samorijnsche Rijk door de Engelschen hebben we de eere gehad uweledele groot achtb: bij onze Jongste eerbie„ „dige kennis te geeven, De magt die de Engel„ „schen ter dier gelegenheid in dat Rijk hebben gebragt, heeft volgens de beste berichten die we daar van hebben kunnen krijgen, bestaan in 1500. Europeeschen en 4000. sipaijen. Jn 't laast van de maand Maart was de Engelschen ko„ „lonel, die deeze troepes gebiedt, voorneemens, zoo men ons verzeekert heeft, om koetsiem te attakeeren. Hij zoude hier bij zeekerlijk naar willekeur noch een meenigte gewapende samorijnsche Nairos en Mooren hebben kun„ „nen voegen, en misschien heeft Mij ook gezee„ „kend, op het geen waar meede de koning van Trevankoor Trevankoor deeze magt zoude hebben kunnen vermeerderen, indien Hij door de Engelschen genood„ „zaakt was geworden, om eindelijk het masker te ligten, doch het opperhoofd van Tallicherij, die door den voorschr: Engelsche kolonel verzocht was, om ook hier toe de hand te willen bieden en welke, zoo het schijnt, het gewigt van deezen aanslag beeter had ingezien, heeft gewijgerd, om zich, daar meede te bemoeie onder speciaale last van Bombai, en is dit werk dus blijven steeken. — zeeder hebben de Engelschen een korps troepen van Kalikoet gedetacheerd, om zoo gezegt is, Palkatseerij, eene plaats van de Nabab Hai„ „der Ali, aan te tasten, doch deeze troepes zijn, zonder iets te hebben verricht, terug gekoomen, alleen hebben ze niet verre van kalikoet een engagement gehad met eenige troepes van de Nabab die, zoo men zegt, na vrij wat verlies te hebben geleeden, de wijk hebben moeten nee„ „men. Nu weeder op nieuw zijn deezer daagen van Bombai op kalikoet aangekoomen 9. drie mastige schepen en 3. twee mastige Goerabs. zoo men zegt zijn daar meede noch een groote partij Europeeschen aangebragt die door som„ „mige wel op 2000. Man worden begroot, ook zijn met deeze schepen te kalikoet aange„ „bragt noch een partij sipaijen, waar van we de begrooting niet gehoord hebben. van deeze troepes troepes is reets een goed gedeelte te kalikoet aan de wal gezet wat de Engelschen met alle deeze toerustingen in den zin hebben, is tot noch toe zeer onzeeker. Het verloop van de moesson en dat ze deeze troepen zoo hoog om de Noord doen landen, doed ons denken, dat het niet op koetsiem gemunt is en het komt ons mits dien niet onwaarschijn„ „lijk voor, dat de Engelschen voorneemens zijn, deeze macht overland te doen marcheeren naar de kust van kormandel, alwaar hunne zaaken, zoo men de geruchten gelooven mag, zeer slegt staan. — Onder de voorschreeven 9. schepen die thans te kalikoet leggen, zijn zoo we hooren 2. oorlogs scheepen. De ovrige zijn vermoedelijk kompanies en transport schepen, waar van men wil dat er in deezer daagen 8. stuks te Bombai aangekoomen zijn. De voorschreeven 2: Oorlogs scheepen zijn naastdenkelijk de zelfde, die in dit voorjaar de wil gehad hebben; naar de zuid, doch die, zoo als we bij onze Jongste eerbiedige hebben aangeweezen, op den weg terug gekeerd zijn, op het hooren, dat de fransche vloot in Jndien gekoomen was. Het Esquader van de Engelsche Admiraal Campenfeld is, zoo veel we weeten, in deeze gewesten noch niet aangekoomen. we hebben van de kust van kormandel geene direkte tijding zeeder den 21. febr: onder verscheide
English
Among the various native accounts that one hears from that quarter from time to time, the most probable to us appeared to be a report from a native sailor, who arrived here from Portonovo a few days ago, and from whom we have had a written account taken down, of which we take the liberty of sending a copy herewith. Recently, a two-masted snow arrived here from Ceylon, sent by the French Agent there, Mr. Monneron, to collect provisions for the fleet. With this vessel, which departed from Gale on 13 March, we received no letters from the Ceylon Government, nor was the Commander able to tell us anything extraordinary, except that he stated that upon his departure there were two small French frigates lying in the bay of Gale, which, so he believes, had strayed from the fleet by mistake. There are rumors here that the Governor Mr. Falck was said to have sent some of our vessels accompanied by one or more French frigates to Tutukorijn in order to take possession of this place once again, but what foundation these accounts have, we cannot say with certainty. We expect another Portuguese snow from Goa here shortly, with which we shall have the honor to write further and more extensively, for which the prompt departure of the bearer of this presently leaves us no time. We have received no ship from Batavia this year, and consequently no merchandise either. The High Government had therefore intended for us two hundred thousand guilders in money via Ceylon, but out of that only a consignment of bar copper to the purchase amount of 13566:- ropias and 63000: ropias in bills of exchange were received here, against which we had to make heavy purchases of rice and cowhides for that Government. However, a plentiful sale of fifty-two thousand pounds of Cloves and well over eight hundred sixty-nine thousand pounds of pepper has not only enabled us to make good our expenditures up to now, but has also, as of the present date, brought a remaining balance of around two hundred eighty-five thousand ropijen into our treasury, so that we are in a position to make new purchases of pepper and to continue covering our expenditures; and although this Item does not properly seem to belong in this report, we nevertheless thought it necessary to note it down here, in order to reassure your Right Honorables in that regard. We commend your Right Honorables and the interests of the Company to God's gracious protection, and testify with all respect and true fidelity to remain. — Below stood: Right Honorable Gentlemen! Your Right Honorables' humble and faithful servants. Was signed: J: G: van Angelbeek, R van Harn, F: von den Busch, N: W: Beijts, J: L: van Spall, C: G: Seijffer, A: J: S: Vernede, and J: A: Dannichen. In the margin: Koetsiem, 1 May 1782. Examined J Heerdijck Agrees Adriaan Boolvlert First Clerk Account provided by the Moorish Tindal Mangel Nanon. That four months ago now, he, the Relater, came with the French fleet, thirty sails strong, from Mauritius to Madras, where some English ships lay at anchor somewhat farther away; that the next day the French Fleet set sail to go to a place south of Pondicherij named Mamoedbander, being Portonovo, and to disembark men there because Haider's army was stationed nearby; whereupon the English fleet, consisting of twelve ships, also set sail and pursued the French; and arriving at the latitude of Pondicheri, which was around four o'clock in the afternoon, both fleets engaged in battle, and this lasted until six o'clock in the evening, when it grew dark and the ships could accomplish nothing more; that in this engagement the English ships were severely damaged and many lost their masts; that the next morning the French found that a ship, which was the hospital for the sick, was missing, and later heard that it had been taken by the English, but no English ship was to be seen any longer; that thereupon the French fleet set sail that very same day to reach Mamoedbander, but due to a storm that raged on that day, causing the ships to become separated from one another, was forced to wait for the ships to rejoin, and thus arrived at Mamoedbander two days later, and put several thousand men ashore, along with many munitions and Artillery goods, with the intention, as he, the Relater, heard, first to go and capture Koedeloer, and thereafter to march toward Madras; that in the meantime an English warship, coming to spy on the fleet of the French, was captured by the French ships, as well as some other minor private sloops and vessels, among others a small ship of Ada Ragia of Kannanoor; that he, the Relater, tarried at Mamoedbander for about a month and heard that three miles from there inland lay the army of Haider, very strong, whither the French army also departed; and also upon the departure of him, the Relater, which is today the thirtieth day, he heard it said that both armies were on the march toward Koedeloer; the Relater further reporting that after the unloading of the ships, he received permission from his captain to go to his country, and thus traveled hither, arriving here five days ago, having continued his journey past Ternuvellie through the country of the King of Trevankoor as a fakir or vagrant, finding all the lands in the Realm of Mahmet Ali Cham severely devastated and uncultivated. — Thus related within the city of Koetsiem on 26 April 1782. Below stood: Given to me. Was signed: Adriaan Pootvliet, First sworn clerk. Agrees. Adriaan Boowvlicht First Clerk J V Viersdijck Geelinck L. 8B.
Dutch transcription
verscheide Jnlandsche vertellingen die men nu en dan van die kant hoord, is ons het waar„ „schijnlijkste voorgekoomen een bericht van een Jnlandsche Mattroos, die deezer daagen. van Portonovo hier aangekoomen is, en die we daarvan hebben laaten geeven een schrifte„ „lijk relaas, waar van we de vrijheid gebruiken een kopij hier neevens te zenden. onlangs is hier aangekoomen een tweemastige snauw van Ceilon, gezonden door den franschen Agent, aldaar d' Heer Monneron om provisien voor de vloot aftehaalen. Met dezelve, die den 13:e Maart van Gale vertrokken is, hebben we geen brieven van het Ceilous Goevernement ontvangen, ook heeft de Gezaghebber ons niets zonderlings weeten te verhaalen, alleen heeft hij gezegt, dat er bij zijn vertrek in de baai van Gale lagen twee klijne fransche fregatten, die, zoo hij meend, bij vergissing van de vloot zijn afgedwaald. Daar zijn hier geruchten, dat de Heer Goeverneur Falck eenige van onze vaartuigen verzelt van een of meer fransche fregatten zoude gezonden hebben na Tutukorijn, om deeze plaats wederom in bezit te nee= „men, doch wat grond deeze vertellingen hebben, kunnen we niet verzeekeren, we verwach„ „ten binnen korten hier noch een portugeesche snauw van Goa, waarmeede we de eere zullen hebben hebben, naader en breeder te schrijven, waar toe het spoedig vertrek van den brenger deezes ons thans geen tijd laat. wij hebben dit Jaar van Batavia geen schip en dus ook geene handelwaaren gekreegen. De Hooge Regeering had ons dus twee tonnen schats aan geld toegedacht over Ceilon, doch daarop is hier eenlijk een partij staafkoper ten bedraagen van 13566:- ropias inkoops en 63000: ropias aan wissels ontvangen, waar teegen wij voor dat Goevernement zwaare inkoopen van rijs en koehuiden hebben moeten doen. Doch een ruime verkoop van twee en vijftig duizend ponden Nagelen en ruim agtmaal honderd negen en sestig duizend ponden peper heeft ons niet alleen in staat gesteld, om onze uitgaven tot nu toe goed te maaken, maar ook noch onder huidigen datum een restant van om„ „trend tweemaal honderd en vijf en tachentig ropijen duizend in onze kasse gebragt, zoo dat wé in staat zijn, om op 't nieuw inkoop van peper te doen en om onze uitgaven verder goed te maaken en hoewel dit Artikel niet eigent„ „lijk schijnt in deeze beschrijving te huis te hoo„ „ren, zoo hebben wij echter gemeent het zelve hier temoeten noteeren, om uw weledele Groot achtb: dien aangaande gerust te stellen. we beveelen uw weledele Groot achtbaare en de de belangens van de komp: in gods genodige be„ „scherming en betuigen met alle eerbied en waare trouwe te zijn. — /:onderstond:/ weledele groot„ „achtbaare Heeren! uwer weledele Groot achtb=re onderdanige en getrouwe dienaaren /:was geteek:d/ J: G: van Angelbeek, R van Harn, F: von den Busch, N: W: Beijts, J: L: van spall C: G: Seijffer, A: J: S: vernede en J: A: Dannichen /:in margine:/ Koetsiem den 1:e Mai 1782. Nagezien J„ Heerdijck Akkordeerd Adriaan Boolvlert Egklerk Dat nu vier maanden geleeden Hij Relatant met de fransche vloot, sterk dertig zeilen, van Mauritius gekoomen is voor Madras, alwaar wat verre van daan eenige Engelsche scheepen ten anker laagen, dat des anderen daags de Fransche Vloot onder Zeil is gegaan, om op eene plaats bezuiden Pondicherij gen.:t Mamoedbander /:zijnde Portonovo:/ te te gaan en aldaar volk aan land te zetten, om dat Htaiders leeger daarbij lag, wanneer de Engelsche vloot, bestaande uit twaalf schepen ook onder zeil ging en de Fransche vervolgde en op de hoogte van Pondicheri koomende, dat omtrend vier uur agtermiddag was, raakten die beide vlooten slaags, en zulx duurde tot ses uur des avonds; wanneer het donker werd en de scheepen niets meer kosten verrigten, dat in dit engagement de Engelsche scheepen zeer beschaadig zijn geworden en veele hunne masten verlooren hebben, dat des anderendaags morgens de Franschen een schip, dat het hospi„ „taal der zieken was gemist hadden /en nader„ „hand gehoord dat het door de Engelschen was genoomen /doch geen Engelsch schip meer te zien Relaas verleend door den moorschen Tandel Mangel Nanon. was was, dat daar op de fransche vloot dien eigensten dag onder zeil is gegaan, om op Mamoedbander te koomen, doch door een storm, die op dien dag heefft gewoedt, waar door de scheepen van mal„ „kander waaren geraakt genoodzaakt is ge „weest, om de scheepen weder in te wagten, en dus twee dagen daarna op Mamoedbander is gearriveerd, en eenige duizend man aan de wal heeft gezet, nevens veele ammonietsie en Artillerie goederen met voorneemen, zoo als hij Retatant gehoord heeft, eerst koedeloer te gaan neemen, en daarna naar Madras op te trekken dat intusschen een Engelsch oorlogs schip, komen„ „de om de vloot van Franschen te bespieden, door de Fransche scheepen genoomen is, ook eenige andere mindere partikuliere sloepen en vaartuigen, onder anderen een scheepje van Ada Ragia van Kannanoor; dat hij Rela„ „tant op Mamoedbanden heeft vertoeft om „trend een maandlang en gehoord heeft, dat drie mijlen van daar landwaarts het leeger van Haider lag, zeer sterk, werwaarts het fransche leeger ook vertrokken is, en ook bij vertrek van hem Relatant, dat heeden de dertigste dag is, heeft hooren zeggen, dat die beide legers in optogt waaren naar Koedeloer, relateerende hij Relatant voorts, dat na het ontlaaden van de scheepen Nagezien scheepen, hij permissie van zijn kapitain heeft gekreegen om naar zyn land te gaan, en alzoo dit heen is gekoomen, en voor vijf daagen hier is g'arriveerd, hebbende zijne reize vervolgd langs Ternuvellie door het land van den koning van Trevankoor als een fakkier of landlooper, vin„ „dende alle de landen in 't Rijk van Mahmet Ali Cham zeer gedestrueerd en onbevoekt. — Aldus Gerelateerd binnen de stad koetsiem den 26:e April 1782 /onderstond/ aan mij opgegeeven /was get/ Adriaan Pootvliet E. g. klerk Akkordeert. Adriaan Boowvlicht Eyklerk J„ V„ Viersdijck Geelinck L. 8B.
English
Today the 17. May 1782. appeared before me Adriaan Poolvliet Bookkeeper and first clerk of police of this Malabar commandement (present the witnesses to be named below) Domingo Novais former kanapel in the Company's Warehouse at Ponnekail, Komara Soeami son of the Company's merchant at Manapaar Tileanajagam Poela, waniapen former Aratchi at Manapaar, and Moettoe rawana former Aratchi at Tutukorijn, who at the requisition of the right honorable and worshipful Lord Johan Gerard van Angelbeek commander and supreme ruler of this coast, and through the translation of the assistant interpreter Barend Bles, attest and declare as follows: The first deponent declares that on the 22. February last two hundred English Sepoys from Tutukorijn arrived at Ponekail and asked him, the deponent, and the interpreter of Ponekail whether there were any goods of the Company or of the Company's servants there, and that he, the deponent, and the interpreter answered thereto that there was nothing there, as everything had been taken away from there to Tutukorijn in the month of July before, and that those English troops upon that statement of him, the deponent, and the interpreter, ordered that a certificate be passed passed, in which they had to acknowledge that no goods of the Company nor of their servants had been left or were to be found there, which he, the deponent, and the interpreter did; that subsequently on the 24. February six English gentlemen had come to Ponekail, among whom was only one whom he, the deponent, knew, namely the Paymaster of Paliankotte Mr Light, to whom the troops that had arrived two days before said that, according to the people there, nothing was to be found belonging to the Company nor to their servants; that thereupon the said gentlemen had the door of the warehouse broken open, and finding nothing inside, subsequently also had the house of the Resident and that of the second in command broken open, in which, likewise finding nothing, they then went to the flagpole and had it chopped down, and thereafter gave orders to take out all the doors and windows of the buildings, to break them into pieces, and to send the iron coming from them to Paliankotta, as indeed happened; after which those gentlemen departed for Tutukorijn that very same evening, taking with them all the men, except for fourteen Sepoys who were left there. Further, he, the deponent, declares that on his journey hither, arriving at Manapaar, he found there the Prince of the Paravas of Tutukorijn, named Dom Gabriel Waas Gomes, who related to him, the deponent, that at the end of the month of January the Chief of Tutukorijn, Mr Mekern, had summoned to the castle of Tutukorijn a Kattabomma Naik, who had arrived there on the 3: February, to whom the Chief had said that orders had come from Colombo to surrender Tutukorijn with everything belonging thereto and to be found therein to him, the Kattabomma Naik, and that he, the Chief, had to depart for Colombo with the Company's people, except for an orderly sergeant, twelve Topasses, and twelve Sepoys, who were to remain there and have with them a Company's flag and a document to show to the English in case they should come there; that the Kattabomma Naik, as soon as he had heard that news from the Chief, had ordered his people to simply take away everything that was in the house of the Chief, as they indeed did; that thereupon the Chief had his desk carried away to the house of the second in command at eight o'clock in the evening, and subsequently went into the sloop at eleven o'clock and departed for Colombo, leaving behind the first Resident of Manapaar, the junior merchant Keuneman, to pack up the remaining linens of the Company, who then also followed with them on the 5. February. That the Prince, on the same evening that the Chief embarked for Ceylon, had also departed for Manapaar, and that the Kattabomma Naik had also left then, but had sent the next morning twenty-one vallams and two donies to fetch all the Company's and private goods that were in the castle, as was also done, transporting with them, among other things, all the small cannons and ammunition goods to Patanamadoer, and as the large cannons could not be transported with them, they were taken away overland until the 19. February aforesaid, when the English arrived there and took away the remainder; that the English, upon their arrival at Tutukorijn, at once made a start with the demolition of the private houses, of the Company's Master, of the Chief Surgeon Dupuits, of the Caffre Kersse, and of several others, and subsequently also of the Dutch Dutch church and the hospital; further, they had the four corners of the castle undermined in order to be able to blow it up quickly; that the English subsequently also had wanted to have the houses of the natives demolished, and to that end had the hands of the European schoolmaster van Ek tied behind his back, and led him through the streets to point out the houses of those who possessed any means, striking him on the way now and then to make him do so; further, that the second in command of Kilkare, van Geijssel, together with his wife and a marriageable daughter, was also at Tutukorijn at that time, who was severely mistreated with many blows by the English because one of those six Englishmen who had come to Ponekail, having asked to marry the daughter of the said van Geijssel, the parents had not consented thereto; that subsequently the said van Geijssel was thus taken away with blows to Paliamkotte; he, the deponent, declaring to have seen with his own eyes at Kail Welho between Tutukorijn and Ponekail that the said van Geijssel was in such a bad state from mistreatment that he had to be carried away on a cot to Paliamkotte; further, that
Dutch transcription
Heden den 17. Mai 1782. kompareerden voor mij Adriaan Poolvliet Boekhouder en eerste klerk van polietsie deezes Malabaarsen kommandements (: present de na te noemene getuigen:/ Domingo Novais geweezen kanapel in 'skomp:s Pakhuis te Ponnekail„ Komara Soeami zoon van 's komp. s koopman te Manapaar Tileanajagam Poela, waniapen geweezen Araatje te Manapaar, en Moettoe rawana geweezen Araatje te Tutukorijn, de„ „welken ter requisietsie van den weledelen achtb: Heer Johan Gerard van Angelbeek kom„ „mandeur en oppergebieder dezer kuste, en door vertaaling van den ondertolk Barend Bles, attesteeren en verklaaren als volgd: De eerste Attestant verklaard, dat den 22. februa„ „rij J. o leeden twee Honderd man Engelsche ^ zijn gekomen Siphis van Tutukorijn op Ponekail^ en hebben hem attestant en den Tolk van Ponekail gevraagd, of daar geene goederen waaren van de komp: of van 's komp. s dienaren, dat hij Attestant en de Tolk daarop hebben geantwoord, dat daar niets was, wijl in de maand Juli bevoorens alles daar van daan was weg gebragt naar Tutukorijn dat die Engelsche volkeren op dat gezegden van hem attestant en den tolk hebben geordonneerd een bewijs te passeeren passeeren, waarbij zij bekennen mosten, dat geene goederen van de komp: noch van hunne die„ „naaren aldaar gelaaten noch te vinden waaren, 't geen zij Attestant en de Tolk hebben gedaan, dat vervolgens den 24. febr: op Ponekail waaren gekoomen ses Engelsche Heeren, waar onder een maar die hij Attestant kende, naam„ „lijk de Paijmeester van Paliankotte M r Light, aan dewelken, de twee dagen bevoorens gekoomene volkeren zeiden, dat daar niets volgens zeggen van de aldaar zijnde menschen, van de komp: noch van hunne dienaaren waaren tevinden, dat daarop gem: Heeren de deur van het Pakhuis hebben laaten open breeken, en daar in niets vindende, vervolgens het huis van den Resident, en dat van de tweede ook hebben laaten openbreeken, waar in insgelijx niets vindende, vervolgens gegaan waaren naar de vlaggestok en dezelve hebben laaten om verkappen, en daar na order gegeven hebben om alle de deuren en vensters van de gebouwen uitteneemen, aan stukken te breeken, en het daar van koomend ijzer naar Paliankotta te zenden, zoo als ook geschiede; waarna die Heeren dien eigensten avond naar Tutukorijn zijn vertrok„ „ken, meedenemende al het volk, uitgenoomen veertien siparis, die daar gelaaten zijn, voorts verklaard hij Attestant dat in zijn herwaarts reize reize op Manapaar koomende, aldaar heeft ge„ vonden den Prins der Paroeas van Tutukorijn, Dom Gabriel Waas Gomes genaamd, dewelke aan hem Attestant verhaalde, dat in het laast van de Maand Januarij het opperhoofd van Tutukorijn de Heer Mekern had laaten roepen in het kasteel van Tutukorijn een kattoponaik, die den 3: februari daar gekoomen was, aan wien het opperhoofd had gezegd, dat er order van kolombo was gekoomen om Tutukorijn met al het geen daarbij gehoord, en daar in tevinden was, aan hem kattoponaik overtegeeven en dat hij opperhoofd, naar kolombo vertrekken „most met 's komp. s volk, uitgenomen een order serjant, twaalf toepassen en twaalf sipahis, die daar blijven en bij zich hebben zouden een 'skomp. s vlag en een geschrift om ingevalle de Engelschen aldaar mochten komen, dezelven aan hen te vertoonen, dat de kattaponaik zoo dra hij die tijding van het opperhoofd had gehoord deszelfs volk had geordonneerd om het geen in het huis van het opperhoofd was, maar weg te neemen, zoo als ze ook deeden, dat daarop het opper„ hoofd 's avonds om agt uur deszelfs Lessenaar had laaten wegdraagen naar het huis van den tweede, en vervolgens te elf uur in de sloep gegaan 170 1 gegaan en naar kolombo vertrokken was, achter„ „laatende den eersten Resident van Manapaar den onderkoopman keuneman, om de noch overig zijnde Lijnwaaten van de komp: afte pakken, die dan ook daar mede op den 5. febr: gevolgd was. - Dat hij Prins denzelfden avond dat het Opperhoofd zich naar Ceilon inscheepte ook naar Manapaar vertrokken was, en dat de kattaponaik toen ook weggegaan was, doch des anderen dags morgen gezonden had, een en twintig balons en twee toons om alle 's komp. s en partikuliere goederen die in het kasteel waaren aftehaalen, gelijk ook gedaan wierd, vervoerende daar mede onder andere alle kleine kanons en ammonietsie goederen naar Patanamadoer, en wijl de groote ka„ „nons daar mede niet hadden kunnen worden vervoerd, zoo waaren dezelven overland weg„ gebragt tot den 19. febr: voorm: wanneer de Engelschen daar quaamen en d'overrest wegnaamen, dat de Engelschen met hunne komste op Tutukorijn ten eersten een begin hadden laaten maaken met het afbree„ „ken van de partikuliere huizen, vande kompanjemeester, van de oppermeester Dupuits, van den kaffier kersse en van meer andere, en vervolgens ook van de Hollandsche Hollandsche kerk en het Hospitaal; voorts de vier hoeken van het kasteel laaten ondermeinen, om schielijk te kunnen doen springen, dat de Engel„ schen vervolgens ook de Huizen van de Jnlan„ „ders hadden willen laaten afbreeken en tot dat einde den Europeeschen schoolmeester van Ek de handen op den rugge hadden doen binden, en langs de straaten leiden om aanwijzing te doen van de huizen der geener die eenige mid„ delen bezaten, hem nu en dan op den wegslaan„ de om zulx te doen, voorts dat de tweede van kilkare van Geijssel nevens sijn vrouw en eene huwbaare dochter te dier tijd ook te Tu„ „tukorijn was, die door de Engelschen met veele slaagen deerlijk wierd mishandeld om de wille dat een van die ses Engelschen die op Pone„ „kail waaren gekoomen, de Dochter van gem: van Geijssel hebbende verzocht te trouwen, de ouders daar in niet hebben willen toestemmen dat vervolgens gem: van Geijssel in diervoegen met slaagen weg was gebragt naar Paliam„ kotte; verklaarende hij Attestant met zijne oogen te hebben gezien op kail welho tus¬ schen Tutukorijn en Ponekail, dat gem: van Geijssel door mishandeling zoodanig af was, dat hij op een katel most worden weggedraagen naar Paliam kotte, wijders dat sche sche
English
that the English had set fire to several houses on the Island of Allelande and had placed woodwork around the flagpole and thus set it on fire, that the said Prince had finally declared to him, the deponent, that he had suffered damages of over five thousand pagodas. The second deponent declares that while he was at Tutukorijn on the first of February of this year, the chief, Mr. Mekern, had summoned the Kattoponaik, who arrived the next day at the Mapeloer garden and remained there until the 3rd of February, and then entered inside the castle of Tutukorijn at five o'clock in the afternoon. That after a short stay, two pieces of cannon that stood in front of the church were carried away outside, and half an hour later another two; that he, the deponent, upon asking where they were being taken, received the answer that two cannons were given as a present to the said Naik, and the other two to Siwegerie waniaan; that he, the deponent, had also seen several mirrors and chairs being carried away; that subsequently, around nine o'clock, the said Naik departed again, and that he, the deponent, heard the following morning that the chief had departed for Kolombo with all the soldiers, except for one orderly sergeant, twelve topasses, and twelve sipahis, learning at the same time that the people of the Kattoponaik occupied the gate and the interior of the castle, and that no one could go in or out of the castle without the consent of the people of the Naik; that subsequently he, the deponent, went with Mr. Keuneman, who had still remained at Tutukorijn, to the warehouse to dispense rice to some easterners who were still there and were about to depart on a sloop that had arrived there that morning; and that while dispensing the rice, some people of the Kattoponaik came there and told Mr. Keuneman that they also had to have rice since they had been there the entire past night, to whom Mr. Keuneman caused four packages of rice to be dispensed; that in the meantime the people of the Naik had forced open the door of the armory by violence and carried away everything that was inside to Mapeloer, over which Mr. Keuneman, having become very distressed, went away from there; that Mr. Keuneman had owned two horses, for which sixty pagodas had already been offered and for which price Mr. Keuneman had also wished to transfer them, but that the Naik, hearing this, had caused those two horses to be seized and taken away by force, while saying that everything belonging to the white people at Tutukorijn now belonged to him; whereupon he, the deponent, departed from Tutukorijn for Manapaar, where one month later three English gentlemen arrived with about thirty sipahis, among which gentlemen was the Paymaster of Palienkotte, Mr. Light, who immediately asked the Manigaar where the young kanakappillai of Mr. Keuneman was, who replied thereto that with the departure of Mr. Keuneman he had also gone away; that thereupon the said three English gentlemen had caused the merchants to be searched for, but they were not found because they had gone into hiding; after which those gentlemen had caused the chests and old chairs that they found there in the houses of the merchants and of the residents to be taken away, and furthermore caused the doors and windows of the houses to be taken out and the iron knocked out of them; as well as all the iron that was here and there upon the houses, with orders to send all of it immediately to Paleamkotte and to set fire to the windows and doors, as was indeed carried out; and that they had not even let slip taking away from the house of a merchant a small pot of powdered sugar and a small pot of Amenieka seeds and sending them to Paliamkotte. The third deponent declares that one day before the departure of the Tutukorijn chief, Mr. Mekern, to Kolombo, which was in the beginning of the recently passed month of February, he, the deponent, being at Tutukorijn at the house of Mr. Keuneman, had learned that the said chief had summoned the Kattoponaik, who arrived thereupon the next day, and that after holding a secret conference that very same evening, one hundred sipahis of the said Naik had marched into the castle of Tutukorijn, and that he had heard that several cannons were given to the Naik; that around nine o'clock the Naik departed and the chief went to Mr. Keuneman and furthermore that very same night boarded a sloop that lay there, and subsequently departed for Kolombo; that during that night the people of the Naik had carried away the goods that were in the castle to Panjalangkoertje, and that the following afternoon a headman of the Naik had wanted to force open the door of the rice warehouse, which the orderly sergeant having wished to prevent, while saying that he was not allowed to do so, the people of the Naik pushed the sergeant against the chest, drove him away from there, and placed him under arrest along with four other sipahis; that subsequently the warehouse was opened, the rice that was inside taken out, shipped away in vessels, and also sent by land to Pattenamadoer; that they had also taken away the two horses of Mr. Keuneman that were there, against which Mr. Keuneman had wished to object, but fruitlessly, as he was told in response that he had to look after his own affairs and remain quiet; that thereupon the said Mr. Keuneman, seeing the violent acts of the Naik's people, immediately caused the Company's linen packages to be loaded onto a sloop that lay there, and subsequently also went on board the same and departed with it for Kolombo, after having first secured the two room doors of the house of the second in command
Dutch transcription
dat de Engelschen eenige huizen op het Eiland Allelande hadden in den brand gestooken en rondom de vlaggemast houtwerken gelegt en dezelve dus in den brand gestooken, dat gem: Prins eindelijk aan hem Attestant had ver¬ klaard, dat hij over de vijf duizend pagooden schaade gekreegen had. De tweede Attestant verklaard, dat hij op Tutukorijn zijnde den eersten februarij de„ zes Jaars het opperhoofd de Heer Mekern den Kattoponaik had laaten roepen, die des anderen dags in de tuin Mapeloer gekoomen en daar tot den 3. februari gebleeven, en toen des agtermiddags te vijf uur binnen het kasten van Tutukorijn gekoomen was. - Dat na een weinig vertoevens twee stukken kanon die voor de kerk stonden weggebragt wierden naar buiten, en een half uur daarna noch twee anderen, dat hij Attestant vraagende werwaards die wierden gebragt tot andwoord had gekreegen, dat twee kanons aan gemelde Naik tot present waaren gegeeven, en de andere twee aan Siwegerie waniaan, dat hij Attestant ook gezien had, dat eenige spiegels en stoelen wierden weg gedragen, dat vervolgens omtrend negen uur gem: Nack weder was weggegaan, en dat hij Attestant 's morgens daar aan had gehoord, dat het opperhoofd naar Kolombo kolombo was vertrokken, met alle de soldaaten, uitgenoomen een order serjant, twaalf toepassen en twaalf sipahis, verneemende tegelijk, dat het volk van den kattoponaik de poort en binnen het kasteel bezet hield, en dat niemand uit over in 't kasteel zonde gaan zonder konsent van het volk van den Valk, dat vervolgens hij Attestant met den Heer Keuneman, die op Tutukorijn noch was gebleeven, naar het Pakhuis was ge„ „gaan om rijs te verstrekken aan eenige ooster„ „lingen die daar nog waaren, en op hun vertrek stonden met een sloep die dien morgen daar was gearriveerd, en dat onder het afgeeven van rijs, eenige kattoponaikse volkeren daar waaren gekoomen, en tegens den Heer Kerine„ „man gezegd hadden, dat ze ook rijs hebben mosten wijl zij daar den geheelen gepasseerden nagt waaren geweest, aan wien den Heer keuneman vier pakken rijs had laaten verstrekken, dat intusschen het volk van den Naik de deur van de Wapenkamer met geweld had g'opend en alles wat daar in was weg¬ „gebragt, naar Mapeloer, waarover de Heer Keuneman zeer aangedaan geworden zijnde, daar van daan was weggegaan, dat de Heer Keuneman twee paarden had gehad, waar voor reets sestig pagooden gebooden waaren en voor welke prijs de Heer Keuneman dezelven ook ook had willen overdoen, doch dat de Naik dat hoo¬ „rende die twee paarden met geweld had laaten afhaalen en wegbrengen, onder het zeggen, dat alles wat de blanke menschen te Tutukorijn toebehoorde, hem nu toequam, waar op hij At„ „testant van Tutukorijn naar Manapaar was vertrokken, alwaar een maand daarna waa„ „ren gekomen drie Engelsche veeren met omtrend dertig siparis, onder welke Heeren was de Paijmeester van Palienkotte Mr. Light, die ten eersten aan den Manigaar gevraagd had waarof de eene Jonge kanakapel van de Heer Keuneman was, die daarop toediende, dat met het vertrek van den Heer Keuneman hij ook weg was gegaan, dat daarop gem: drie Engelsche Heeren de kooplieden hadden laaten opzoeken, doch niet gevonden, om dat ze zich schuil hadden gehouden; waar na die Heeren hadden laaten wegneemen de kisten en oude stoelen die ze daar in de Huizen van de koop„ lieden en van de Residenten hadden gevonden, en voorts de deuren en versters van de huizen laaten uitneemen en daar van het ijzer uitslaan; zoo ook alle het ijzer dat hier en daar aan de huizen was, met order om alle het zelve ten eersten naar Paleam¬ kotte te zenden en de vensters en deuren in brand brand te steeken, zoo als zulx ook in 't werk was gesteld, en datze zelfs niet hadden laaten slip„ „pen een kleene pot met poeder zuiker en een potje met Amenieka pitten uit het huis van een koopman weg te neemen, en naar Paliam„ „kotte tezenden. De derde Attestant verklaard, dat een dag voor het vertrek van het Tutukorijns opper„ hoofd de Heer Mekern naar kolombo, dat geweest was in het begin van de Jongst ge¬ „passeerde maand februarij, hij Attestant op Tutukorijn zijnde bij den Heer Keune¬ „man had vernomen, dat gem: opperhoofd „den Rattoponaik had laaten roepen, die daar op des anderen dag gekoomen was, en dat na het houden van een geheine konferentsie dien eigenste avond een honderd sipahis van gem: Naik in het kasteel van Tutukorijn waaren getrokken, en dat hij gehoord had dat eenige kanons aan den Nack gegeeven waa¬ „ren, dat omtrend negen uur de Naik weg was vertrokken en het opperhoofd gegaan naar den Heer Keuneman en voorts dien eigensten nacht naar boord van een sloep die daar lag, en vervolgens naar Kolombo, dat geduurende dien nacht het volk van den Naik de Goederen die in het kasteel waa„ ren „ „ren weggedraagen hadden naar Panjalang koertje, en dat den volgenden middag een hoofd van den Naik de deur van het rijs- pakhuis met geweld had willen openen, het geen de order serjant hebbende willen belet„ ten, onder het zeggen dat hij zulx niet mogte doen, het volk van den Naek hem serjant tegen de borst had gestooten, hem daar van daan weggejaagt, en hem in arrest gesteld met noch vier sipahis, dat vervolgens het pakhuis was g'opend, de daar in geweest zijn„ „de rijs uitgenoomen in vaartuigen afge„ scheept en ook te lande verzonden naar Pattenamadoer dat ze ook de twee paar¬ „den van den Heer Keuneman, die aldaar waaren, weg genoomen hadden, waartegen de Heer Keuneman zich had willen stellen, maar vrugteloos, alzoo hem daarop was toegediend, dat hij naar zijne zaaken most zien, en stil blijven, dat daar op gem: Heer Keuneman ziende de Geweldenarijen van 's Naiks volk, 'skomp- Lijnwaat pak¬ ken ten eersten had laaten afscheepen in een sloep die daar lag, en vervolgens ook naar boord van dezelve gegaan, en daarmede naar kolombo vertrokken was, na alvoorens de twee kamer deuren van het huis van den sekunde
English
secunde there, in which had been the goods belonging to him, Keuneman, and to Mr. van der Wall, that immediately after the departure of Mr. Keuneman the people of the Kattoponaik had forcibly opened the aforementioned two room doors and taken away all the goods that were inside, as well as the houses of Mr. Kramer and of Miss Meier, plundering everything that was to be found therein. That a few days later the English had also arrived in Tutukorijn and had taken away whatever was left of the goods, both of the Company and of the inhabitants, that while the English were there a Company boat carrying money, rice, gunpowder, and four cannons had arrived before Tutukorijn, whereupon the English had a Dutch flag unfurled from the castle, and sent a balang with some sepoys to it, and thus also captured that boat, on which had been one European quartermaster and seven native sailors, that he, the deponent, thereupon went to Manapaar, and being there had heard that the English were approaching, upon which rumor he, along with more people, ran into the woods and remained there until the English had departed from there again. The fourth deponent declares that two days before the departure of Mr. Mekern from Tutukorijn to Kolombo, which was in the beginning of the month of February last, the aforementioned chief had summoned the Kattaponaik, that two days later the same had come into the castle of Tutukorijn, and after holding a secret conference with the chief had gone to the garden called Mapeloer and remained there until the next morning, when he came into the castle again and after holding a further secret conference had gone again to the aforementioned Mapeloer, that on that very day in the evening at six o'clock the chief went from the castle to the house of the secunde, where Mr. Kenneman was, where there also came an emissary from the Kattaponaik who, having spoken with the chief, went away again, that subsequently during that night the chief went on board a sloop and departed with it for Kolombo, he the deponent declaring that a few days before, the chief had given the Kattaponaik four cannons with some flintlocks, that on the same day the chief departed, the people of the Kattoponaik had begun to carry away overland the goods of the chief and of the Company from the castle, both cannon, ammunition, and other goods to Panjalamkoertje, and that the Naik had also sent vessels and had other small goods such as household furniture, planks, etc. transported with them to Patnamadoer, that he, the deponent, thereupon went to Manapaar, and remained there for a month, when three English gentlemen arrived there, among whom was Mr. Light, Paymaster of Paleamkotte, whom the deponent well knew, having with him some sepoys, that the aforementioned English first asked for the Araatje and the merchants, and not finding them, went to the Company residency, and immediately had the doors and windows of the Company warehouse and of the dwellings of the First and Second Resident removed, had the same smashed to pieces and the iron taken off them, and after staying three days departed again, leaving behind fourteen sepoys with orders to send the ironwork of the doors and windows to Paliamkotte, after which he, the deponent, came here to Koetsien. Herewith the deponents conclude their given declarations, which they affirmed to be the pure and upright truth, giving as reason for their knowledge of all that is written above that they personally saw, heard, and witnessed it themselves, remaining accordingly prepared, if necessary or if required to do so, to confirm this their deposition further under solemn oath. Thus done and attested within the City of Koetsiem at the Police Secretariat, on the day, month, and year mentioned in the heading hereof, in the presence of Johannes Wolff and Frans Hendrik Nasse, clerks, as witnesses. Was signed with some Malabar characters by Domingo Navais, Komara Soeami, Waniapen, and Moetoe Ravana Selven. In the margin: Present before us. Signed: Johannes Wolff and F. H. Nasse. Lower: for the translation, signed: Barend Bles, former assistant interpreter. Still lower: In my presence, was signed: Adriaan Poolvliet, first sworn clerk. Examined Agreed Adriaan Boor First sworn clerk Peti Vasse La C: C. Depoleart Patria Mr. Johan Graafland and the further Directors and Advocates of the General Netherlands Chartered East India Company Commissioned to the Affairs of War and Peace Amsterdam. Right Honorable and Respected Gentlemen, On the 29th of October last, from Maskette in Arabia, under cover of the Jew and Company merchant here, Ephraim Kohein, was delivered a letter on behalf of His Excellency the Baron van Haeften, Ambassador of Their High Mightinesses to the Sublime Porte, addressed to the Company ministers in the Indies, stating that the enclosed packet, although addressed to the ministers in Soeratte, should be opened at the first office where it arrived. Accordingly, I unsealed the same and found therein your Right Honorable Missive of the 5th of March of this year, addressed to the ministers there, and an extract from the Missive to the Right Honorable Gentlemen of
Dutch transcription
sekunde daar te hebben verzegeld, waar in te vinden waaren geweest de goederen van hem Keuneman en van den Heer van der wall, dat ten eersten na het vertrek van den Heer Keuneman het volk van den kattoponaik, de gem: twee kamerdeuren met geweld had geopend en alle de goederen die daar in waaren weggenoomen, gelijk ook de huizen van den Heer Kramer en van Juffw Meier, roo„ „vende al wat daarin tevinden was. Dat eenige dagen daarna d' Engelschen ook te Tutukorijn waaren gekoomen en wat er van de goederen, zoo van de komp: als van de ingezeetenen noch gebleeven was, weggenoomen hadden, dat terwijl d' En„ „gelschen aldaar waaren een 'skomp. s boot met geld, rijs kruit en vier kanons, voor Tutukorijn was gekoomen dat daar op d' Engelschen een Hollandsche vlag hadden laaten uitwaaren van het kasteel, en een balang met eenige sipahis daarna toegezonden en alzoo die bood ook bemagtigt hadden, waar op eene Europeese quartiermeester en zeven in„ landse mattroosen geweest waaren, dat hij attestant daarop naar Manapaar was ge¬ „gaan, en daar zijnde gehoord had dat er Engel„ „schen aanquamen, op welk gerugt hij nevens meer meer menschen de bosschen ingeloopen en daar gebleeven was tot dat de Engelschen weder daarvan daan waaren weggegaan. De vierde Attestant verklaard, dat twee dagen voor het vertrek van den Heer Mekern van Tutukorijn naar kolombo, dat geweest was in het begin van de maand februarij Jongst leeden, gem: opperhoofd had laaten roepen den Kattaponaik, dat twee dagen daarop dezelve in het kasteel van Tutukorijn was gekoomen, en na het houden van een geheime konferent„ sie met het opperhoofd naar de tuin genaamd Mapeloer gegaan en daar gebleeven was tot den anderen morgen, wanneer weder in het kasteel gekoomen en na het houden van een nadere gereime konferentsie wederom naar gem: Mapeloer gegaan was, dat dien ei„ „gensten dag des avonds te ses uur het opper„ „hoofd van het kasteel was gegaan naar het huis van den sekunde, alwaar de Heer ken„ „neman was, alwaar ook quam een sendeling van den Kattaponaik die met het opper„ „hoofd gesprooken hebbende, wederom weg ging, dat vervolgens in dien nacht het opper¬ „hoofd naar boord van een Sloep gegaan en daarmede naar Kolombo vertrokken was, verklaarende hij Attestant dat eenige dagen bevoorens bevoorens het opperhoofd aan den Kattaponaik had gegeeven vier kanons met eenige snap¬ „haanen, dat op dezelfden dag het opperhoofd was vertrokken, het volk van den kattopo„ „naik had begonnen de goederen van het opper„ „hoofd en van de Komp: van het kasteel weg te brengen overland zoo wel kanon, ammo„ nietsie als andere goederen naar Panjalam„ koertje en dat de Naik ook vaartuigen had laaten koomen en daar meede naar Patnamadoer vervoeren andere kleine goe„ „deren als huismeubelen planken enz:, dat hij Attestant daarop naar Manapaar was gegaan, en aldaar een maand lang gebleeven was, wanneer aldaar drie Engelsche Heeren gekoomen waaren, waar onder Mr. Light Paimeester van Paleamkotte, dien de Attestant wel kende, bij zich hebbende eenige sipahis, dat gem: Engelschen ten eersten naar het Araatje en de Kooplieden ge¬ vraagd hadden, en dezelven niet vindende, naar 'skomp s residentsie gegaan waaren, en ten eersten de deuren en vensters van 's komp Pakhuis en van de wooningen van den Eerste en tweeden resident hadden laaten uitneemen, dezelve aan stukken laaten slaan en het ijzer daar van afneemen, en drie ns drie dagen vertoevens weder vertrokken waaren, achterlaatende veertien Sipahis met order om de ijzerwerken van de deuren en vensters naar Paliamkotte te zenden, waar na hij Attestant hier op koetsien gekoomen was Eindigende hiermede de Attestanten hunne verleende verklaaringen, die zij betuigden, de suivere en opregte waar„ „heid te zijn, geevende voor reeden van wee„ „tenschap van al het geen voorschreeven staat, alzoo zelfs in perzoon gezien, gehoord en bijgewoond te hebben, over zulx bereid blij„ 1 vende dit hun g'attesteerde des noods of daar toe gevergd werdende, nader met eede Solemneel te bevestigen. Aldus Gedaan en Geattesteerd binnen de Stad Koetsiem ter Sekretarije van Polietsie, ten daege, maand en jaere in den hoofde deezes gemeld, in presentsie van Johannes Wolff en Frans Hendrik Nasse, klerken als getuigen. (:was getekend ) met eenige Malabaarsche karakters door Domingo Navais, komara Soeami, wa„ „niapen en Moetoe ravana selven gesteld. /:in margine:/ Ons Present. /:getekend /. Johannes Wolff en F. s H:k Nasse. /:Lager/ /:Lager:/ voor de vertaaling /:geteekend:/ Barend Bles. gew: ondertolk. /: nog Lager:/ Jn mijn kennisse /:was getee„ „kend:/ Adriaan Poolvliet E: g. klerk lert Nagezien Akkordeerd Adriaan Boor Egklerk Peti Vasse La C: C. Depoleart Patria M:r Johan Graafland. en de verdere Bewindhebberen en Advokaaten van de Generaale Nederlandsche Geoktroreerde Oostindische kom„ „panie Gekommitteerd tot de zaaken van Oorlog en vreede Amsterdam. Weledele Grootachtbaare Heeren Den 29=e oktober Jongstl: werd van Maskette / in Ara„ „bien /onder koevert van den Jood en komp:s koop„ „man alhier, Ephraim Kohein, besteld een brief van wegen zijn Exellentsie den Heer Baron van Haeften, Ambassadeur van Hunne Hoogmogenden bij de Hooge Porte, aan 's komp=s Ministers in Jndien gericht, inhoudende, dat het daarin geslooten pakket schoon aan de Ministers te soeratte beschreeven, op het eerste kantoor, daar het aanquam moest geopend worden. — Dienvolgende ontzegelde ik het zelve en vond daarin uwer weledele grootachtbaare Missive van den 5. e Maart deezes Jaars, aan de Ministers aldaar gericht, en een extrakt uit de Missive Aan de Weledele, Grootachtbaare Heeren van Je
English
from the Right Honorable Gentlemen Seventeen to the High Government at Batavia dated 19 February prior, and furthermore a sealed letter addressed to the highly esteemed Government of the Indies; and because our trading station at Surat had already been taken by the English and the ministers there were prisoners of war, I took upon myself the orders contained therein and immediately sent copies of the aforementioned papers to the Honorable Governor of Ceylon, Falck, with the request to deliver the same to the Governor of Coromandel, for which there was no opportunity here. However, because the sea was closed by the English cruisers, and the overland route through the Kingdom of Travancore to Tuticorin was also not safe for letters sent in the ordinary manner, the aforementioned copies had to be concealed in the walking sticks of the letter-carriers, just as they were safely delivered in that manner to the chief at Tuticorin; but this could not be done with regard to the letter to the High Indian Government, and therefore it is still awaiting a secure opportunity by neutral vessels to Ceylon or Batavia. In order, however, that the highly esteemed Government should not thereby remain deprived of the entire contents of that dispatch, I informed the Honorable Falck of its retention and requested, if an opportunity to the capital should present itself in the meantime, to transmit the aforementioned copies to Their Right Honorables with it. This humble letter of mine goes under the same cover to Muscat, to the Jew and merchant Ezekiel Silon, and from there to Basra to the Jew and merchant Jacob Aaron, who will send the same to His Excellency Van Haeften in Constantinople; and I let it serve principally to give Your Right Honorable and Highly Esteemed Sirs by this route some report of the condition and fate of our establishments to the west of the Indies, and in particular to report on the command entrusted to me. When the news of the breach of peace reached the Indies, the English at Bombay were entangled with the Marathas, and on Coromandel with the Nawab of Mysore, Haider Ali Khan, in severe wars, which up to that time had had unfavorable consequences for them. For from Bombay a second expedition against the Marathas had again turned out unfortunately, and on the Coromandel coast the Nawab, Haider Ali Khan, had captured by far the greatest part of the interior, and the English army, under the command of General Coote, after several bloody encounters, was forced to retreat to Madras with great loss. Due to these circumstances, the English, when the news of the war arrived here, notwithstanding their great superiority of force in these regions, were not in a position to undertake anything else against us other than taking possession of our defenseless trading stations in Bengal and Surat, and taking away our small factories on the Coromandel coast at Bimilipatnam, Jagannathpuram, Palakollu, Pulicat, and Sadras, of which no other particulars have become known to me than that at Surat all the Company's effects were seized and the servants made prisoners of war, but left in possession of their goods; it is probable that the Company's possessions and servants in Bengal and on Coromandel were treated more or less on that very same footing. Had the French fleet, already expected here for so long, come to our aid at that time, or had we been able to add even just three thousand men, Europeans and Malays, to the force of Haider Ali Khan, we would have had a great chance not only to recover what was lost on the Coromandel coast, but also to subdue the common enemy further before he could obtain new reinforcements. For the Governor Van Vlissingen had concluded a treaty with the aforementioned Nawab Haider Ali Khan, whereby the latter promised his assistance against the common enemy and in particular the protection of the city of Nagapattinam, which was then encircled by sea by the hostile fleet under Admiral Hughes, and was threatened from the land side with a siege by an army which the English were assembling in the country of Tanjore. But the French fleet failed to arrive; our helplessness did not permit us to reinforce Haider Ali Khan with more than six hundred men, mostly natives; and, on the other hand, there appeared at Madras a numerous fleet of warships and Company ships with troops from Europe and a mighty reinforcement of many battalions of sepoys from the northern provinces, and especially from Bengal, whereby our enemies became capable anew of attacking the Nawab Haider Ali Khan again. Since then, a general rumor has been circulating here that the aforementioned Nawab has been defeated and forced
Dutch transcription
van de Hoogedele Heeren Zeeventienen aan de Hooge Regeering te Britavia sub dato 19. febr: bevoorens en voorts eenen verzegelden brief aan hooggedachte Regeering van Jndien gericht; en wijl ons kan „toor te soeratte toen reets door de Engelschen ingenoomen en de Ministers aldaar krijgsge„ „vangen waaren: zoo hebbe ik de beveelen, daarbij vervat mij aangetrokken en ten eersten van de voormelde papieren afschriften aan den Edelen Heer Ceilons Goeverneur Falck gezonde„ met verzoek om dezelven aan den Heer Goever„ „neur van kormandel te bedeelen, waar toe hier geene geleegenheid was. Dan dewijl de zee door de Engelsche kruissers geslooten, en de landweg door 't Rijk van Fre„ „vankoor naar Tutukorijn, voor brieven op de gewoone wijze overgaande, meede niet veilig was: zoo mosten de voorm: afschriften in de wande tstokken van de briefdraagers verbor„ „gen worden, gelijk ze dan ook op die wijze veilig aan het opperhoofd van Tutukorijn besteld zijn; doch dit kost omtrend den brief aan de Hooge indische Regeering niet gepraktiseerd worden en daarom legt dezelve noch te wachten, op eene sekuure geleegenheid met neutraale scheepen naar Ceilon of Batavia. Opdat echter Hoog gedachte Regeering daardoor niet niet mogte verstooken blijven van den geheelen inhoud van die Missive; zoo hebbe ik den Edelen Heer Falck van derzelver aanhouding verwittigd en verzocht, indien er middelerwijle geleegenheid naar de Hoofdplaats mogt voorkoomen, om daarmeede de voorsch: kopijen aan hunne Hoogedelheeden te verzenden. Dit mijn eerbiedig schrijven gaat onder het zelf„ „de koevert naar Maskette, aan den sood en koopman Eechiel Silon, en van daar naar Bassora aan den Jood en Koopman Jakob Aaron, die hetzelve zenden zal aan zijn Excel„ „lentsie van Haeften te Konstantinopel; en ik laate hetzelve voornaamlijk dienen, om uw weledelen Grootachtbaare langs dien weg eenig bericht van den toestand en het noodlot onzer Etablissementen om de West van Jndien te geeven, en van het mij toevertrouwde kommandement inzonderheid rapport te doen. - Toen de tijding van de vrede-breuk in Jndien quam, waaren de Engelschen, te Bombai met de Maratten, en op Kormandel met den Nabab van Maisoer, Haider Alichan, in zwaare oorloogen verwikkeld, die tot dien tijd toe, voor henlieden ongunstige gevolgen gehad hadden. want van Bombai uit was eene tweede expedietsie tegen de Maratten weder om ongelukkig uitgevallen, en op de kuste kormandel had de Nabab, Haider Alichan, de binnen landen, voor verre het grootste gedeelte, vermeesterd, en de Engelsche Armee, onder bevel van Generaal Coote, na verscheidene bloedige gerechten, genoodzaakt met groot verlies naar Madras te retireeren. — Door deeze omstandigheeden waaren de En„ „gelschen, toen de tijding van den oorlog hier quam, onaangezien hunne groote overmacht in deezen gewesten, niet in staat, om iets anders tegen ons te onderneemen, dan datze zich, in Ben„ „gale en Soeratte, van onze weerlooze kantooren meester maakten, en, op de kuste kormandel, onse kleene faktorijen, te Bimilipatnam Jagernaik-poeram, Palikol, Paliakatte en sadraspatnam, wegnamen waarvan mij geene andere bezonderheeden bekend geworden zijn, dan dat te Soeratte alle Komp:s effekten aan„ „geslaagen en de Dienaaren krijgs gevangen gemaakt, doch in het bezit van hunne goede„ „ren gelaaten zijn, het is waarschijnlijk, dat, met s' komp:s bezittingen en Dienaaren, in Bengaale en op kormandel, mede min of meer opdien eigensten voet gehandeld zij. - Waare op dien tijd de reets zoo lange alhier verwachte Fransche vloot toegeschooten, of hadden wij ook maar drie duizend Man Europeeschen en Malaiers bij de macht van van Haider Alichan kunnen voegen: zoo zouden wij groote kans gehad hebben, niet alleen , om het verloorene op de kuste kormandel te herwinnen maar ook om den gemeenen vijand verder te onder te brengen, voor dat hij nieuwe versterking kost bekoomen. - Want de Heer Goeverneur van Vlissingen had met meerm: Nabab Haider Alichan, een traktaat geslooten, waarbij deze zijne hulpe tegen den gemeenen Vijand en in„ „zonderheid de bescherming van de stad Naga„ „patnam beloofde, die toen ter zee, van de vijandige Vloot onder Admiraal Hughes inge„ „slooten was, en van de landzijde met eene beleegering gedreigd werd van een leger, hetwelk de Engelschen in het land van Tansjouw te zaamen trokken. - Doch de fransche vloot bleef uit; onze onmacht liet niet toe, om Haider Ali„ „chan meer dan ses honderd Man, meest Jnlanders bij te zetten en daar en tegen verscheen te Madras eene talrijke vloot van Oorlogs en kompanies scheepen met krijgsvolk uit Europa en een machtig sekoers van veele battaljons sipahis uit de Noordelijke Provinsien en inzonder„ „heid uit Bengale, waardoor onze vijanden op het nieuw in staat raakten, om den Nabab Haider Alichan op het nieuw aan„ ^ algemeen „telasten. - zeder loopt hier een gerucht dat meermelde Nabab geslaagen en ge„ „noodzaakt
English
was forced to retreat as far as Ankat, and that Nagapatnam is actually besieged by water and by land. If this is true—and there are all too many reasons to hold it for truth—I fear that that place will surrender to the enemies, whereby we would then lose everything on that coast. Ceilon, as far as I know, has remained unattacked until now, and it is very much to be wished that the speedy arrival of the French Fleet, and especially of the aid expected from the Netherlands, may happily avert all calamities that threaten that precious Island. Now I must also render some further report on the state of the command of Mallabaar, which has been entrusted to me. From the day that we received the news of the war here, I have applied all that was in my power to secure and preserve it. Because this letter must not become very large, for fear that it might then remain undelivered, I cannot detail everything here, and even less append any enclosures, but must refer to the secret Dispatch written by me and the Council under date of 24 9ber to the Supreme Government of the Indies at Batavia, and sent off on a small Portuguese vessel to Kolombo, and which is to be delivered to Your Right Honourable Worships with the ships from Cailon. I therefore now only report the absolute essentials in brief words. With the Nabab Haider Alichan, I have attempted to make peace, which has succeeded to the extent that He declares us to be his friends and has ordered his Governor of the adjacent Samorin lands to assist me with as many people as I might need or require. The old disputes over Pettua and Paponettij have not yet been settled, but since the principal objective for the present circumstance has been achieved in this manner, I shall await a more favorable moment for their decision, which I hope to obtain soon, once our fleet or the French fleet has appeared, and we will thus have gained greater prestige with him. I have appealed to the kings of Koetsiem and Trevankoor for aid. The Former has promised it to me in the most cordial manner, and has also proven it in deed thus far, by accommodating us with the necessary laborers for the fortifications, and with all necessities from his country, and he will attach to us a battalion of one thousand Sipahis in case of siege, which has since been drilled in the use of weapons by European officers and Non-commissioned officers from our garrison, for which, however, we need make no payment until we find ourselves in the circumstance of having to use them. The king of Trevankoor, who is a vassal of the Nabab Mahmed Alichan, and thus must show consideration for him, or rather for his Masters, the English, has declined the request for immediate assistance, but in return has promised a strict neutrality, and I believe that for the present we may not demand more of him. If we wished to urge him too strongly to choose sides, we would run the danger of him declaring against us, not out of greater affection for the English, but out of fear of their displeasure, which he would otherwise surely bring upon himself. The pepper which the king of Trevankoor delivers at Porka and Kalikorlang lay there without the least protection, a prey to the very first enemy vessel that wished to seize it, and has thus been transported from there to Koetsiem without any costs being incurred. Because among all establishments to the west, Ceilon is by far the most important, and we easily foresaw that the auxiliary troops who had been stationed here throughout the unrest with the Nabab Haider Alichan would be needed in these times even there, we have arranged the recruitments of Topasses—descendants of Portuguese and of other Europeans with native women—and of good sipahis in such a way that we not only return the borrowed companies, but can also come to the aid of Ceilon with a good corps in case of need. We have purchased such a large supply of rice in good time at the usual prices that we are not only amply provided for our own use for a full year, but can also accommodate Ceilon with the six hundred lasten that the Ministers have requested from us; and in addition we have engaged so much that the French Fleet, which is expected here daily, will be able to find its requirements with us, which they would otherwise have been able to obtain only with difficulty in these regions. The principal fortifications of this city were already excavated from their ruins and restored to a good state under the previous administration; however, some defects that exposed us to surprise had to be remedied, the details of which are excused here for the aforementioned reasons, but will come before the eyes of Your Right Honourable Worships with the copy of the Dispatch to Batavia already cited above. Furthermore, the remaining preparations are being made here that against an imminent
Dutch transcription
„noodzaakt geweest is, tot naar Ankat te retireere„ en dat Nagapatnam werklijk te water en te lande beleegerd is. — Jndien dit waar is /: en daar zijn maar al te veel reedenen, om het voorwaar te houden:/ zoo vreese ik, dat die plaats zich aan de vijanden zal overgeeven, waar door wij dan alles op die kust zouden verliezen. — Ceilon is tot nu toe, zoo veel ik weet, onaange„ „vochten, en het is zeer te wenschen, dat de spoedie„ komst van de fransche Vloot; en vooral van de uit Nederland verwacht wordende hulpe, alle onheilen, die dat kostbaare Eiland dreigen ge„ „lukkig afwenden moogen. - Nu diene ik ook eenig nader rapport te doen, van den toestand van het kommandement Mallabaar„ het welk aan mij is toevertrouwd. van den dag af aan, dat wij hier de tijding van den oorlog kreegen, hebbe ik al wat in mijn vermoogen was aangewendt, om hetzelve te beveiligen en te behouden. — wijl deeze brief niet heel groot vallen mag, uit vreeze dat hij dan mogt onbesteld blijven: zoo kan ik hier niet alles detailleeren en noch minder eenige bijlaagen bijvoegen, maar moet mij beroepen, op de sekreete Missive die, van mij en den Raad onder den 24=e 9ber:, aan de Hooge indische Regeering te Batavia, geschreeven en met een Portugeesch scheepje naar kolombo afgezonden is en aan Uwe Weledele Grootachtbaar met met de schepen van Cailon staat bezorgt te worden. Ik melde dus thans eenelijk het allerzaaklijkste met korte woorden. — Met den Nabab Haider Alichan, hebbe ik getracht vreede te maaken, het welk mij in zoo verre gelukt is, dat Hij ons voor zijne vrienden verklaart en zijnen Goeverneur van de naastleggende Samorijnsche landen aanbevoolen heeft, mij met zoo veel volk, als ik noodig hebben of eisschen mogt, te assisteeren. De oude geschillen over Pettua en Paponettij zijn noch niet afgedaan, doch wijl het hoofd oogmerk voor de tegenwoordige omstandigheid op die weeze bereikt is, zoo zal ik, tot derzelver beslissing, een gunstiger tijdstip waarneemen, hetwelke ik haast hoope te bekoomen, als onze of de fransche vloot maar eerst opgedaagd zijn, en wij dus bij hem meer aanzien zullen verkreegen hebben De koningen van Koetsiem en Trevankoor hebbe ik om hulpe aangesprooken. De Eerste heeft mij dezelve op de hartelijkste wijze beloofd, en ook tot nu toe met der daad beweezen; doordien hij ons gerieft met de noodige arbeiders voor de vesting werken, en met alle noodwendigheeden uit zijn land, en aan ons een battaljon van duizend Sipahis, inval van beleegering, zal bij zetten, het welk zeder door Europeesche officiers en Onderofficiers uit ons garnisoen in den wapenhandel geoefend word, doch waar„ „aan ireer r „aan wij geene betaaling behoeven te doen, voor dat wij in het geval koomen, van ze te moeten gebruiken De koning van Trevankoor, die een vasaal van den Na„ „bab Mahmed Alichan is, en dus denzelven, of liever deszelfs Meesters, de Engelschen, ontzien moet, heeft het verzoek om daadelijken bijstand gedekli„ „neerd, doch daarteegen eene stipte neutraliteid beloofd, en ik meene, dat wij vooreerst niet meer van hem mogen vergen. - wilden wij al te sterk aandringen, om partij te kiezen, wij zouden gevaar loopen, dat hij zich tegen ons verklaarde, niet uit meerdere geneegenheid voor de Engelschen, maar uit vreeze voor hunne ongenaade, die hij anders vast op zich laaden zoude. — De peper, die den koning van Trevankoor te Porka„ en kalikorlang leeverd, lag daar zonder de minste beveiliging, ten proi van het eerste het beste vijan„ „dige vaartuig, dat er zich Meester van wilde maaken, en is dus van daar naar koetsiem getransporteerd, zonder dat daarop eenige kosten gevallen zijn. wijl onder alle etablissementen om de west, aan Ceilon verre het meest geleegen is, en wij ligt voor„ „zaagen, dat daar de hulp troepen, die hier Ieder de onlusten met den Nabab Haider Alichan geleegen hebben, in deezen tijd zelfs zouden noodig zijn: zoo hebben wij de wervingen van Toepassen Afstammelingen afstammelingen van Portugeesen en van andere Eu„ „ropeeschen met inlandsche vrouwen / en van goede sipahis zoodanig ingericht, dat wij niet alleen de geleende kompanien terug geeven, maar Ceilon ook inval van nood, met een goed korpste hulp kunnen koomen; wij hebben bij tijds zulk een grooten voorraad van rijs voor de gewoone prijzen ingekocht, dat wij niet alleen voor ons eigen gebruik voor een rondjaar ruim voorzien zijn, maar ook Ceilon gerieven kunnen, met de ses honderd lasten, die de Ministers van ons gevraagd hebben; en wij hebben daar en boven noch zoo veel besprooken, dat de fran„ „sche Vloot, die hier dagelijx verwacht word, haare benoodigheid bij ons zal kunnen vinden waaraan ze anders in deeze gewesten bezwaarlijk zouden hebben kunnen geraaken. De kapitaale vesting werken deezer stad zijn reets onder het voorig bestier uit hunne ruinen opgedolven en in een goede staat hersteld, echter hebben eeni„ „ge gebreeken moeten verholpen worden, die ons aan surprise bloot stelden, waarvan het detail hier, om reedenen voormeldt ge exkuseerd word, doch met de kopij van de voorwaarts reets geci „teerde Missive naar Batavia, onder het gezicht van Uw Weledele Grootachtbaare staat te koomen. — wijders worden hier de verdere aanstalten gemaakt, die tegen eene kort aanstaande at
English
will be necessary for an upcoming siege. The moats are being deepened, and where they are too narrow, made wider; the covered way is being provided with banquettes, palisades, and traverses, the cannon platforms have been surveyed and leveled, the embrasures repaired; the sorties opened and provided with gates, and pontoons are being placed in the moat that can transport fifty men at a time across into the covered way and are shielded against musket balls; and with all these preparations I think I shall be finished still in this year, or at the latest in the coming month of January. By this means, this fortress is secured not only against a surprise attack, but also against a violent assault, and put into such a state of defense that it cannot be subdued except by a formal siege, for which such a military force and so great an undertaking would be required that our enemies from Bombai, who are our nearest neighbors, will not easily undertake it as long as they have the Marathas as enemies. However, should they succeed in placating them, then I must certainly expect their entire force before this fortress; which has therefore also prompted me to make the aforementioned improvements and preparations, which inevitably had to be carried out if, in such an event, I wished properly to defend the fortress and effects entrusted to me. I also hope that in such an event we shall all do our duty and hold out at least long enough to give the fleet, which we then hope will have appeared in these regions, the necessary time to rush to our aid. Finally, I have the pleasure of informing Your Noble Grand Worships that I have arranged for the Council Extraordinary Mr. van de Graaff to be released from his prisoner-of-war status and exchanged for the Senior Merchant and Second of Tellitscherij, Mr. Michael Firth, who, unaware of the rupture, came here to obtain provisions for his post besieged by Haider, and fell into our captivity. The said Mr. van de Graaff is thus expected here in the coming month of January. I commend Your Noble Grand Worships and the interests of the Company to the protection of the Almighty, and have the honor to be with all respect. Was signed: Noble Grand Worshipful Sirs, Your Noble Grand Worships' humble and obedient servant, was signed: J. G. van Angelbeek. In the margin: Koetsiem, the 18 Dec. 1781. Below: Duplicate L:a B. Below: P.S. As this letter has turned out more concise than I had thought, I enclose herewith a copy of our secret resolution of 19 July, which indicates in more detail our principal measures for our security. Agreed, Adriaan Boobelies, First Clerk Examined, J. d. Werdijck To the Noble Grand Worshipful Sir, Mr. Johan Graafland, and the other Directors and Advocates of the Chartered East India Company, Committee for matters of Peace and War, Amsterdam. Noble, Grand Worshipful Sirs. We have the honor humbly to present herewith to Your Noble Grand Worships the copies of our secret and separate dispatches of the 24th of November last and of the 22nd of this month, with the resolutions and further annexes belonging thereto, all relating to the present war. The two plans of this fortress mentioned among the annexes of the first-named dispatch under No. 8 and 9 have, in order not to be too much damaged by folding, been packed in the paper box for the presiding chamber; but since we do not know by what opportunity our dispatches from Ceilon to Europe can be forwarded, the Noble Lord Governor of Ceilon, Falck, is informed of these plans and requested to assess the presenting opportunity, whether to entrust the plans to it, and to leave them in the box or take them out, according to the state of affairs. From these papers Your Noble Grand Worships will see how matters stand with us here, and what has been resolved and put into effect by us to defend and secure the fortress entrusted to us against our mighty enemies. Also enclosed herewith is the duplicate of the separate dispatch from Commander van Angelbeek to Your Noble Grand Worships sent overland, dated the 18th of Dec. last. Yesterday evening the Military Captain Georg Fornbauer arrived here on a native vessel from Maskette, with the esteemed dispatch from the Lords Directors at the Presiding Chamber of Amsterdam of 3 Jan. 1781; the fellow Captain Fredrich von Sauer mentioned therein landed here a few days earlier with a vessel from Soeratte, but without dispatches, as he was forced on the voyage from Siez to Bombai to throw them into the sea in order not to fall into the hands of our enemies. Both
Dutch transcription
aanstaande beleegering noodig zijn. - De grachten worden uitgediept, en waarze te smal zijn, tree„ „der gemaakt; de bedekte weg word van bankets, pallisaden en traversen voorzien, de kanon =beddings zijn opgenoomen en waterpas gelegt de embrasures gerepareerd; de sorties geopend en van poorten voorzien, en in de gracht koomen ponten te leggen, die vijftig Man te gelijk in den bedekten weg kunnen over„ „zetten en tegen Musket kogels verschank zijn, en met alle deeze aanstalten denke ik noch in dit Jaar, of op zijn hoogst in d' aanstaande maand januarij, klaar te koomen. Hier door is deeze vesting niet alleen teegen over „„rompeling, maar ook tegen een geweldigen aanval beveiligd, en in zulken staat van defensie gestelt, dat ze niet anders, dan door eene formeele beleegering, kan bedwongen worden, waartoe zulk eene krijgsmacht en zoo groot een omslag vereischt zoude worden, dat onze vijan„ „den van Bombai, die 't naast in onze buurt zijn dezelve niet ligt zullen onderneemen, zoo lange zij de Maratten tot vijanden hebben. Doch indien het henl: gelukken mogte, dezelve te bevreedigen: zoo moet ik zeekerlijk haare heele macht voor deese Vesting verwachten; het„ „welk mij derhalven ook heeft aangezet, over de voorsz: verbeeteringen en toebereidzelen te maaken maaken, die onvermeidelijk moesten in het werk gericht worden, bij aldien ik, in zulk een val de mij toevertrouwde vesting en effekten, behoorlijk wilde verdeedigen. Jk hoope ook, dat wij allen in zulk een val onzen plicht doen en ten minsten lang genoeg uithouden zullen, om aan de vloot, die wij als dan hoopen, dat in deeze gewesten opgedaagd zal zijn, den noodigen tijd te geeven, om ter onzer hulpe toeteschieten. — Laastlyk hebbe ik het genoegen uw Weledele Groot achtb: kennis te geeven, dat ik bewerkt hebbe, dat de Heer Raad extra ordinair van de Graaff uit zijn krijge gevangenschap ontslaagen en uitgewis„ „seld is, tegen den Senior Merchand en Sekande van Tellitscherij M=r Michael Firth, die onkun„ „dig van de rupture hier quam om levensmid„ „delen voor zijne door Haider belegerde plaats op te doen, en in onze krijgsgevangenschap verviel. - Welgem„e Heer van de Graaffword dus in de aanstaande Maand Ianuarij hier verwacht. Ik beveele Uw Weledele Grootachtbaare en de belangen der Maatschappij in de bescherming des Allerhoogsten en hebben de eere met allen eerbied te zijn. — /onderstond/ Weledele Grootachtbaare Heeren uwer Weledele Grootachtbaare onderdaanige en gehoorzaame dienaar /was geter: /. I: G: van Angelbeek /:in margine / koetsiem den 18 dec: 170, / Lager duplicaat L:a B. /Lager / P: Swyl deeze brief beknopter uitgevallen is, dan ik gedacht hadde: zoo voege ik hierneevens een kopij van onze sekreete resoluutsie van den 19=e Iuli, die onze voornaamste maatre„ „gelen tot onze beveiliging nader aanwijst. — Akkordeerd Adriaan Boobelies Eyklerk Nagezien J„ d„ Werdijck Satria Aan de Weledele Grootachtbaare Heer. sser M Johan Graafland. en de verdere Bewindhebberen en Advokaaten van de geoktroieerde Oostindische komp: Gekom„ „mitteerd tot de zaaken van Vreede en oorlog Amsterdam. Weledele, Grootachtbaare Heeren. Wij hebben de eere aan Uwe Weledele Groot achtb: hier „neevens onderdanig aantebieden de afschriften van onze sekreete en aparte Missiven van den 24=e Novemb: Jongstl: en van den 22=ste deezer, met de resoluutsien en verdere bijlaagen daartoe gehoorende, allen betreklijk tot den tegenwoordigen oorlog. De twee plans van deeze vesting onder de bijlaagen van eerstgem: Missive sub N:o 8 en 9 vermeldt, zijn om door het vouwen niet te veel beschadigt te — „orden, in de papiere doos voor de presidiale kamer afgepakt, doch dewijl wij niet weeten, met welke geleegenheid onze depeches van Ceilon naar Europe zullen kunnen afgevaardigd worden te worden: zoo word de Edele Heer Ceilons Goeverneur Falck van deeze plans verwittigd en verzocht, om de voorkoomende geleegenheid te willen beoordeelen of de plans daar aan te vertrouwen, en dezelven in de doos te laaten of daaruit te neemen, naar bevinding van zaaken. uit deeze papieren zullen uw Weledele Grootachtb: zien, hoedanig het hier met ons gesteld is, en wat door ons beslooten en in het werk gesteld word om de ons toevertrouwde vesting tegen onze machtige vijanden te verdeedigen en te beveiligen. — Ook gaat hiernevens over het Duplikaat van de aparte Missive van den kommandeur van Angelbeek aan uwe Weledele Grootachtb:e overland afgevaardigt gedateerd den 18 dec: Jongstl: Gisteravond is hier met een inlandsch vaartuig van Maskette aangekoomen de kapitain Militair Georg Fornbauer, met de geeerde Missive van Hee„ „ren Bewindhebberen ter Presidiale kamer Amsterdam, van den 3 Jan: 1781. , de daarbij vermelde mede - kapitain Fredrich von Sauer is eenige dagen vroeger hier aangelandt, met een vaartuig van soeratte, doch zonder depe„ „ches, alzoo hij op de reize van siez naar Bom„ „bai genoodzaakt geweest is, dezelven in zee te smijten, om niet in de handen onzer vijanden te vallen. — Beide
English
Both captains parted ways in Alexandria: von Sauer took the route via Grand Cairo to Suez and from there to Mocha, from where he was obliged to travel to Bombay for lack of any other opportunity, from where he was sent by the English to Surat, and after being detained for three months without being discovered, received permission to depart for this place. Fornbauer continued the journey via Aleppo, Baghdad, and Basra to Muscat, and both encountered great obstacles along their way everywhere from the English, who must have had wind of this mission, or at least suspected something of the kind, since all sorts of countermeasures had been taken by them everywhere against it, so that it was impossible for the aforementioned captains, who will draw up a detailed and precise report of their journey, to proceed swiftly on their way. Concerning their employment, the Honourable Lord Falck will be consulted. We have the honour to be, (was written below:) Right Honourable, Highly Respected Lords, Your Right Honourable, Highly Respected Lordships' humble and faithful servants, (was signed) I. G. van Angelbeek, R. v. Harn, F. v. den Busch, N. W. Beits, I. L. van Spall, C. G. Seeffer, A. S. S. Verneden, W. v. Haeften, and I. A. Daimichen. (In the margin: Cochin, the 23rd L. a C. 23rd January 1782. Duplicate Adriaan Doolvles Examined J. d. Verdijck Agrees. Een klock Patria To the Right Honourable, Highly Respected Lords, Mr. Johan Graafland Pietersz. and the other Directors and Advocates of the General Dutch Chartered East India Company, Commissioned for the Matters of War, etc. Amsterdam Right Honourable, Highly Respected Lords. We avail ourselves of the opportunity that the vessel which brought Captain Georg Fornbauer here from Muscat is returning, to send to Your Right Honourable, Highly Respected Lordships overland the duplicate of our latest respectful letter of the 23rd of January dispatched via Ceylon, and the triplicate of the Commander's separate letter of the 18th of December previous, of which the original, like this one, was sent overland to the Lord Ambassador van Haeften in Constantinople. With regret we must report, in continuation of the news given therein, that Nagapatnam surrendered by capitulation on the 12th of November 1781. The Governor, the garrison, which is estimated to be five thousand men strong including the auxiliary troops of Haider Ali Khan, and all other Company servants are prisoners of war and have already been conveyed to Madras. The property of private individuals has not been touched, but the Company's native merchants, interpreters, and other prominent natives were forced to pay a ransom. The fortifications of the city have been razed, and a beginning had also been made with demolishing the castle, but since then it has been restored and work is currently being done on the fortification of the same. Trincomalee, according to general rumours and private letters which we cannot doubt, has likewise fallen to the enemy, and that on the very day the English fleet of thirteen sail, under the command of Admiral Hughes, appeared before it. Thereby the ships Groenendaal and Kanaan have also fallen into the enemy's hands, which had been sent from Batavia to Coromandel before the rupture was known, but had entered the bay on account of the war. According to what we have heard of it, the bullion and the cash were removed from them and carried overland to Colombo, but the rest of the cargoes have beyond doubt likewise become the enemy's plunder. What that fleet, which according to credible reports is weakly manned, has since undertaken and carried out is not yet known to us, but the English naval power in this part of the world has since been considerably reinforced by the squadron which, under the command of Commodore Johnstone, was intended against the Cape of Good Hope, but after the failure of that enterprise continued its voyage to the East Indies, except for the ship Romney, with which the aforementioned Commodore went to St. Helena, because, it is said, he did not wish to serve under the command of Admiral Hughes. Of this fleet, which consists of five warships, four frigates, four sloops, one fireship, one bomb-galliot, ten armed transport ships, and fifteen Company ships, and had five thousand land troops on board under the command of General Meddows, a part has arrived at Madras, whereby the Nawab Haider Ali Khan was checked in his progress on the Coromandel Coast, and the English were given a free hand to undertake the siege of Nagapatnam. The other ships of that squadron set their course for Bombay, but lingered for a long time along the Arabian coast and thus only arrived at Bombay on the 4th and 7th of January. It is said that they already found orders there from Admiral Hughes to join him. At all events, shortly thereafter several detachments passed before this fortress from north to south, namely: on the 13th of January three three-masted vessels of medium size; on the 21st of the same, four very heavy ships and a two-masted vessel. On the 7th of this month, seven three-masted vessels, namely two stout ships of at least 150 feet, and 5 small ones, by sight of 130 and 120 feet. The three first-mentioned vessels are still cruising off and on Anjengo; the four heavy ships continued their course to the south, but the seven last-mentioned came to anchor before Anjengo and received news there from the Portuguese private ship Nossa Senhora de Arabida, which had departed on the 3rd of July from Portugal and on the 22nd of December from the island of Mauritius, that the French fleet, consisting of eleven ships of the line, three large
Dutch transcription
Beide kapitains hebben zich te Alexandrie gese„ „pareerd: von sauer heeft de route genoomen over groot kairo naar suez en van daar naar Mocha„ van waar hij naar Bombaij heeft moeten gaan door gebrek van andere geleegenheid, van waar hij door d' Engelschen naar Soeratte gezonden wiend en nadaar drie maanden aangehouden te zijn, zonder ontdekt te worden, verlof kreeg, naar her„ „waarts te vertrekken, Fornbauer heeft de reize voortgezet over Aleppi, Bagdad en Bassora naar Maskette, en beiden hebben overal groote hindernissen op hunne weg ontmoet door de Engelschen, die van deeze bezending licht moeten gehad, of ten minsten iets diergelijks ver„ „moedt hebben, wijl daar tegen door henl: over„ „al allerlij maatregelen genoomen waaren, zoo dat het aan meer melde kapitains die van hunne reize een omstandig en nauwkeurig bericht zullen opstellen, ondoenlijk geweest is, hunne reize spoedig voort te zetten. — over hun em„ „ploi zal de Edele Heer Falck geraadpleegt worden: wij hebben d'Eer te zijn /onderstond:/ Weledele Grootachtbaare Heeren, uwer Weledele Grootachtb. onderdanige en getrouwe dienaaren (was getekent/ I: G: van Angelbeek. R: v: Harn, F: v: den Busch N: W: Beits, I. L: van Spall, C: G. Seeffer, A: S: S: verneden, W: v: Haeften en I: A: Daimichen / in margine Koethem den 23=e L. a C. 23=e Januarij 1782. — duplicant Adriaan Doolvles Nagezien J, d„ Verdijck Akkordeert. Een klock Patria Aan de Weledele Grootachtbaare Heeren M=r Johan Graafland Pietersz: en de verdere Bewindhebberen en Advokaaten van de Generaale Nederlandsche geoktroieerde Oostindische komp:s Gekommitteerd tot de zaaken van Oorlog &c Amsterdam Weledele Grootachtbaare Heeren. Wij bedienen ons van de geleegenheid, dat het vaartuig, het welk den kapitain Georg Fornbauer, van Maskette hier gebragt heeft, weder terug gaat, om Uw Weledele Groot achtb: over den landweg toekoomen te laaten het duplikaat von onzen Jongsten eerbiedigen van den 23. e Januarij over Ceilon afgevaardigt en het tri„ „plikaat van s' kommandeurs aparten van den 18. december bevoorens, waarvan het orig: gelijk deeze, over land, aan den Heer Ambassadeur van Haeften te Konstantinopel verzonden. — Met leetweezen moeten wij, ten vervolge van te ta8 van de daar bij gegeevene berichten, melden, dat Nagapatnam op den 12:de 9ber: 1781. bij kapi„ „tulaatsie is overgegaan. De Goeverneur, het garnisoen het welk met de hulp troepen van Haider Alichan, vijf duizend Man sterk geschat word, en alle verdere komp=s dienaaren zijn krijgsgevangenen, en reets naar Madras vervoerd; De goederen van Partikuliere zijn niet aangetast, doch s' komp=s inlandsche kooplieden, Tolken en verdere aanzienlijke Jnlanders, hebben eene brandschatting moe„ „ten opbrengen. De vesting-werken van de stad zijn geslecht, en men had ook al een begin gemaakt met het kasteel afte„ ti „breeken, doch zeder is het zelve hersteld ^ van het zelve en thans word aan de versterking ^ gear„ „beidt. — Trinkonomale is, volgens algemeene geruch„ „ten, en partikuliere brieven die wij niet mogen in twijfel trekken, mede aan de vijanden overgegaan, en zulx op den eigensten dag, dat d'Engelsche - vloot van dertien zeilen, onder bevel van den Admiraal Hughes, daarvoor verscheen„ Daarmede zijn ook in s' vijands handen gevallen de scheepen Groenendaal en kanaan, die van Batavia, voor dat de ruptuere bekend was, naar Kormandel gezonden gezonden, doch wegens den oorlog in de bai„ binnen geloopen waaren, Het baar goud en de kontanten zijn volgens het geen wij er van gehoord hebben, daaruit geligt en overland naar kolombo gebragt, doch de verdere laddingen zijn buiten twijfel mede den vijanden tot een roof geworden. wat die vloot, die volgens geloofwaardige berichten zwak bemant is, zeder onder„ „noomen en uitgevoerd hebbe, is ons noch niet bekend, doch de Engelsche Zeemacht in dit wereld„ „deel is zeder merklijk versterkt geworden, door het Esquader het welk onder bevel van Commodore Johnstone geschikt was tegen de kaap der goede hoope, doch na het mislukken van dat dessein „re reize naar Oostindien vervorderd heeft, op het schip Ramneij na, waarmede voorm: kommo„ „dore naar S=t Helena gegaan is, om dat Hij, zegt men, niet onder 't bevel van Admiraal Hughes staan wilde. - Van deeze vloot, die uit vijf oorlog scheepen, vier Fregatten, vier sloepen, een Brander, een Bombardeer-gallivot, tien g'armeerde Transport schepen en vyftien kompanies schepen bestaan, en vijfduizend Man landtroepen onder bevel van Generaal Meddows aan boord gehad heeft, is een gedeelte te Madras aangekoomen, waardoor de Nabab Haider Alichan, in zyne progressen op de kust kust kormandel gestuit werd, en d' Engelschen vrije handen kreegen, om de beleegering van Nagapatnam te onderneemen. d' ovrige schepen van dat Esquader stelden de koers naar Bombai, doch hebben onder de Arabische kuste lange gesukkeld en zijn dus eerst op den 4=den en 7=den Januari te Bombai aangekoomen. Men zegt, dat ze daar reets order van Admiraal Hughes vonden, om zich bij hem te vervoegen, Al„ „thans kort daarna passeerden, voorbij deeze vesting, van de noord naar de Zuid, verschei„ „dene smaldeelen, als: op den 13 Januari drie driemastige bodems van middelbaare groote, op den 21=e gusdem, vier heele zwaare schepen en een tweemastig vaartuig. Op den 7. dezer zeeven driemastige bodems, te weeten twee kloeke schepen van ten minsten 150 voet, en 5. kleenen, op het oog van 130 en 120 v=t De drie eerstgemelde vaartuigen kruissen noch af en aan Ansjengo, de vier zwaare schepen hebben hunne koers om de Zuid vervolgd, doch de zeeven laastgem: gingen voor Ansjengo ten anker en kreegen daar bericht van het portugeesche partikuliere schip, Nossa Senhora de Ara„ „bida, het welk den 3:e Iulij uit Portugal en den 22. Dec: van het Eiland Mauritius vertrokken was, dat de fransche-vloot bestaande uit Elf schepen van Linie, drie groote
English
large and six small frigates, and eight armed transport ships, had set sail on the 7th of December last from the Islands for the Indies. Whereupon these ships have returned to the north. According to reliable reports they were crammed with European militia, wherefore it appears highly probable that they were destined to reinforce and support the English fleet in prosecuting its designs against the Island of Ceylon, which we hope will have been foiled by the appearance of the aforementioned French fleet. Further we have no reports from Ceylon, but the servants of Tuticorin have informed us by a letter of the 2nd of this month that they were ordered to break up the office and cross over to Ceylon to reinforce Colombo, which has also occurred according to letters from the residents of Cape Comorin, which factory was left in existence and provisionally placed under our administration, as lying in the country of the King of Travancore, where it will not easily be attacked by the enemies. We have also given that prince immediate notice of this change, and at the same time given him to understand that the Company, on account of the promised neutrality of His Highness, expects that he will ensure that our defenseless factory in his country is subjected to no molestation by anyone. As for our situation here, we have given a detailed account of it, and of the means employed by us for acquisition and preservation, in our secret papers dispatched to your Right Honourable Sirs via Ceylon, a second set of which lies ready to be sent by sea as opportunity arises. But this our situation has since considerably worsened, because the English have lately made themselves masters of the Zamorin's country, which lies adjacent to the country of Cochin, whereby they have immediately become our nearest neighbors on this mainland, and from where they can now attack us with much less difficulty and more success than before, when they would have been obliged to first land somewhere in our vicinity to that end. Especially Fort Cranganore, lying on the outermost borders, runs great danger of being attacked and captured by them; and because the same is not in a condition to withstand a formal siege by a European enemy, and we therefore, by wishing to defend it, would weaken ourselves even more, we have resolved to abandon it when we perceive that it is about to be attacked by the English, for to put it in a proper state of defense against them we would have to expend a large part of our garrison and of our war supplies, with the apparent danger of losing all of that within a short time, whereby the defense of Cochin itself would also be proportionally weakened, whereas we will now reinforce ourselves with the garrison and war supplies of the aforesaid fort and thus better enable ourselves to defend this main fortress, on which the preservation of the entire establishment depends, with all the more vigor. However, we will not proceed to the breaking up of Cranganore until we are further and more certainly convinced of the intentions of our enemies. Lastly we also have the honor to report to your Right Honourable Sirs that on the 24th of January last an express arrived here from Basra, with three packets from your Right Honourable Sirs under cover of the Ambassador Van Staeften, and among them your Right Honourable Sirs' esteemed letter and extract letter to the Noble High Government of the Indies of the 4th of June 1781. The letters received alongside them for Their High Mightinesses and for the Ceylon Ministers were forwarded that very same day to the Noble Governor Falck, with a Portuguese vessel that departed for Colombo with a cargo of rice. But the letters for the Ministers in Bengal and Surat have been retained. We have the honor to be, below written, Right Honourable, highly esteemed Sirs, your Right Honourable Sirs' humble and faithful servants. Was signed: I. G. van Angelbeek, R. V. Harn, F. von den Busch, N. W. Beits, I. L. van Spall, C. G. Seyffer, A. I. S. Vernede, W. v. Haeften, and I. A. Daimichen. In the margin: Cochin, the 28th of February 1782. Agrees. Adriaan Boosvliek J. V. Everdyck First clerk Secret Colombo. To the Right Honourable Sir, Mr. Iman Willem Falck, Ordinary Councillor of the Dutch Indies, as well as Governor and Director of the Island of Ceylon and the Coast of Madurai, etc. along with the Secret Council. Right Honourable, Stern, Valiant, Prudent, very Generous Sir and Friends. I have had the honor to receive your Right Honourables' secret letter of the 11th of November last on the 20th of this month with lascars from Tuticorin. Since the first news of the war with England I have already, of my own motion, consulted with the Noble Sir Falck concerning the matters relating thereto; your Right Honourables will therefore easily understand that it was very agreeable to me to be allowed to see, from the aforementioned secret letter and further from the secret missive of the High Government of the Indies of the 10th of July last received therewith, that this accords so very much with the pleasure of Their High Mightinesses, and that Most
Dutch transcription
groote en ses kleene fregatten, en agt gearmeerde transport schepen den 7=e dec: Jongstl: van d' Eilanden naar Jndien was onder zeil gegaan. Waarop deeze schepen naar de noord zijn terug gekeerd. — volgens verzeekerde be„ „richten waaren dezelve opgepropt met Europee„ „sche Milietsie, weshalven het ten hoogsten waar„ „schijnlijk voorkomt, dat ze gedestineerd ge„ „weest zijn, om de Engelsche- vloot tot het voort„ „zetten haarer desseinen tegen het Eiland Ceilon te versterken en te ondersteunen, die we koopen door dat ^ de verschijning van de eevengem: Fransche =vloot zullen veriedeld zyn. Wijders hebben wij geene berichten van Ceilon, doch de Bedienden van Tutukorijn hebben ons bij een brief van den 2=e dezer kennis gegeeven, dat zij last hadden, het kantoor op te bree„ „ken en naar Ceilon, tot versterking van kolom„ „bo, overtegaan, het geen ook Ieder geschied is, volgens brieven van de Residenten van kaap komorijn, welke Faktorij in weezen gelaaten en pro interim onder ons bestier gesteld is, als leggende in het land van den Koning van Trevankoor, daar ze zoo legt niet door de vijanden zal aangetast wor„ „den. — wij hebben dien vorst ook van deeze verandering ten eersten kennis, en teffens te verstaan gegeeven, dat de komp: uit hoofde van de beloofde neutraliteit van zyne zijne Hoogheid verwacht, dat hij zorgen zal, dat onze weerlooze faktorij in zijn land door niemene eenige overlast aangedaan worde. — wat nu onzen toestand alhier betreft, wij hebben daarvan en van de door ons in 't werk gestelde middelen tot verwerving en behoudenis breed„ „voerig verslag gedaan bij onze sekreete papie„ „ren over ceilon aan uw weledele Grootachtb: afgevaardigd. waarvan een tweede stel gereedlegt, om bij voorkomende geleegen„ „heid over zee verzonden te worden. Doch deeze onze toestand is zeder merklijk ver„ „slimmerd, door dien de Engelschen zich deezer dagen Meesters gemaakt hebben van het samorijnsche land, het welk naast het land van koetsiem legt, waardoor te dies onze naaste buuren op dit vaste land geworden zijn, en van waarze ons tegen„ „woordig met veel minder moeite en meer sukses kunnen aantasten, dan voorheen wanneer ze zouden genoodzaakt geweest zijn, tot dat einde eerst ergens in onze buurt te landen. - voornaamlijk loopt het Fort kranganoor, op de uiterste grenzen leggende, groot gevaar, van door hen aangetast en vermeesterd te worden; en wijl het zelve niet in staat is, tegen eene formeele beleegering van een een Europeeschen vijand, en wij dus, door hetzelve te willen defendeeren, ons noch meer verzak„ „ken zouden, zoo hebben wij beslooten het zelve te verlaaten, wanneer wij bespeuren, dat het door d' Engelschen zal aangetast worden, want om het daar tegen in een behoorlijken staat van defensie te stellen, zouden wij een groot gedeelte van ons garnisoen en van onzen Oorlogs voorraad moeten besteeden, met oogenschijn„ „lijk gevaar, van dat alles binnen korten tijd quit te raaken, waardoor dan ook de defensie van Koetsiem zelve naar geraade zoude verzwakt worden, daar wij ons nu met het garnisoen en oorlogs behoeften van het voormelde Fort zullen versterken en dus te beeter in staat stellen, om deeze hoofdvesting, waarvan het behoud van het heele etablisse„ „ment afhangd, met te meer nadruk te ver„ „deedigen. - Echten zullen wij tot het op„ „breeken van kranganoor niet treeden voor dat wij van het voorneemen onzen vijanden nader en zeekerder overtuigd zullen weezen. Laastlijk hebben wij noch de eere uw Weledele groot achtbaare te melden, dat den 24=e januarij jongstl: hier een Expresse van Bassora aangekoomen is, met drie pak„ „ketten van Uw Weledele Grootachtb: onder koevert da 6 2 „ D. duplicaat Nagezien koevert van den Heer Ambassadeur van Staeften en daaronder uwer Weled: Grootachtb: geeerde Missive en Extrakt Missive aan de Edele Hooge indische Regeering van den 4 Iuni 1781. De daarnevens ontvangene brieven voor Hunne Hoogedelheeden en voor de Ceilonsche Ministers zijn noch dien zelven dag weg gezonden aan den Edelen Heer Gouverneur Falck, met een Portugeesch vaartuig, het welk met eene laading rijs naar Kolombo vertrok. — Doch de brieven voor de Ministers in Bengale en soeratte zijn aangehouden. wij hebben de eere te zijn /onderstond./ Weledele, grootachtbaare Heeren, uwer Weled: grootachtbaare onderdanige en getrouwe Dienaaren /was geteekent:/ I: G: van Angel„ „beek, R: V: Harn, F von den Busch, N: W: Beits, I: L: van Spall, C: G. seijffer, A: I: S: vernede, W: v: Haeften en I: A: Daimichen /in margine / koetsiem den 28=e february 1782. Akkordeert. Adriaan Boosvliek J„ V„ Everdyck Egklerk O sekreet Kolombo. Aan den weledelen Groot achtbaaren Heer; M. r Iman willem Falck. Raad ordinair van Nederlands Jndien, mitsgad.s Goeverneur en Direkteur van het Eiland Ceilon en de kuste Madure &a. dr. nevens den sekreeten Raad. Weledele Erntfeste Manhafte voorzienige zeer Genereuse Heer en vrienden. Ik hebbe de eere gehad uwer weledelen sekreeten brief van den 11:te November Jongstleeden op den 20:en deezer te ontvangen met Laskorijns van Tutu korijn. zeder de eerste tijding van den oorlog met Engeland hebbe ik reets, uit eigene beweeging, over de zaaken daartoe betreklijk met den Edelen Heer Falck geraadpleegd, uwe weledelen zullen der„ halven ligt begrijpen, dat het mij zeer aange„ naam geweest zij, uit eeven gemelden sekreeten brief en nader uit de daarmede ontvangene sekreete missive van de Hooge Indische Re„ geering van den 10de. Juli jongstleeden temogen zien, dan dit met het welbehaagen van Hunne Hoogedelheeden zoo zeer overeenstemd, en dat Hoogst
English
Most High directly assign this to me at present. Since Their High Honours have left it to me either to establish a secret Committee for the management of matters of peace and war, or to bring such points thereof as I might deem fitting and just to the knowledge and deliberation of the Political Council, I shall provisionally adhere to the latter course, since most matters of that nature have already been settled, and those which also concern the native princes must be handled by me alone, and especially because, by establishing a secret Committee, I would, in matters where I most needed good counsel, deprive myself of the advice of the most knowledgeable Members, who sit too low in the assembly to be preferred over others. Secrecy, the principal objective, is gained here because I handle and even write down myself the matters concerning which it is necessary, and keep detailed notes of everything, to serve, in the event of my death, for the instruction of my successor. The negotiations with the Army Commander of the Nabab, Haider Alichan, have advanced so far that he has not only promised me all friendship and assistance against our common enemy, but has also sent a copy of a letter written to him by his Master, containing the order to treat us as friends and to request from us the necessary ammunition against payment, as well as to assist us here with men and with everything else we may need. Thus, the principal aim for the present state of affairs has been achieved. The old dispute concerning Settua, Paponettij, and the sandy land is indeed not yet settled, but I do not intend to make haste with that, but rather to await a more favourable time for it than the present. The Prince of Trevankoor has made repeated promises that he will observe strict neutrality during this war; more, I think, we shall not be able to obtain from him, at least not so long as our enemies maintain the upper hand on land and at sea over us and over Haider Alichan. If our present condition should change so far for the better that Haider Alichan could again withstand the English on land, and that the long-expected French fleet and, above all, a Dutch Squadron should appear and triumph over the enemy naval force, then I believe that Trevankoor might well be induced to conclude an advantageous contract, without threats, which at present are of little weight and thus fruitless, and might even have an adverse effect. The requisition of our necessities is forwarded with the Company's letter from me and the Council, whereby the merchandise is also made known which we had demanded for this Year from Batavia, which I hope can at least partly be supplied from the cargoes of the Batavian ships destined for Kormandel that have arrived over there. I hope that Your Honours may find an opportunity to send with the French fleet the two hundred thousand guilders allocated to us from Batavia, as we need them most urgently. Coir must be purchased here during the wet monsoon and is currently not to be had in large quantities; however, the Master Attendant will do his best to collect at least one hundred thousand pounds. I immediately undertook a trial of baking ship's biscuit, and obtained from one kandijl /500 lb/ of wheat three hundred and seventy pounds of well-dried biscuit, of which a sample is forwarded in a sealed canister; the hundred pounds costs fifteen rupees, and I have contracted it for that price to the five bakers who are here, provided that the wheat is delivered to them at cost price; but because their ovens are too small, I am having four large ones built in the Company's garden, by which means I think to manage it so that roughly seventy-five thousand biscuits can be baked monthly, and thus 300,000 pieces in about four months, over which I have entrusted the supervision to the Purveyor, who shall enjoy five percent for it, which is not too much, as he must first store the wheat and issue it to the bakers, and afterwards receive and store the biscuit again, for which latter task he is obliged to rent rice paddies from private persons. Also, so far as could be done without commotion and excessive inflation of prices, I have secured the wheat that was still unsold; however, the stock thereof is not sufficient for the requested three hundred thousand pieces, and therefore I shall buy up whatever is still brought in, though whether that supply will be large enough to provide also forty lasts for Kolombo from it is somewhat doubtful; nevertheless, I shall use my utmost endeavours for that as well. Furthermore, the fleet will be provided with rice and coconut oil, for which early provision has already been made; however, I need to know as soon as possible whether the rice supplied to the French fleet may be deducted from the six hundred lasts that have been stored for Ceilon, or must be delivered in addition to that, for now there is still an opportunity to purchase it, but later I fear great high prices and even scarcity, because the Army of Haider Alichan near Arkat must be provisioned from the lands on this side of the mountains. The Deputies and Resident of Nagapatnam in the army of the Nabab Haider Alichan have, on account of the surrender of that city to the English, addressed themselves to me and the Council by letters of the 26th of November and the 3rd, 5th, and 6th of this month, wherein they ask us for advice as to what they should do further, and at the same time request four thousand star pagodas for their expenses; I attach the answer of myself and the Council hereto.
Dutch transcription
Hoogst dezelven mij daar toe thans expres overwijzen. wijl Hunne Hoogedelheeden het aan mij gelaaten hebben, om, tot de behandeling van de zaaken van vreede en oorlog, een geheim Committé opte richten, dan wel daar van zoodanige poincten, als ik gepast en billijk oordeelen mogte, ter kennis en deliberaatsie van den politieken Raad te brengen, zoo zal ik mij bij provisie aan het laaste houden, wijl de meeste zaaken van dien aart reets hun beslag hebben, en de Geenen, die de inlandsche vorsten mede aan„ „gaan, door mij alleen moeten behandeld worden, en inzonderheid wijl ik mij, door het oprichten van een geheim Committé, in zaaken, daar ik goeden raad het meest behoefde, berooven zoude van de advisen der kundigste Leden, die te laag in vergadering zitten, om anderen voorge„ trokken te worden. De geheimhouding, het voornaamste oogmerk, wint hierhij, doordien ik de zaaken, omtrend welken ze noodig is, alleen behandele en zelfs beschrijve, en van alles omstandige aanteekeningen houde, om, bij mijn overlijden; tot naricht van mijnen vervanger te dienen. De onderhandelingen met het Legerhoofd van den Nabab, Haider Alichan, zijn zoo verre gevorderd, dat hij mij niet alleen alle vriend„ schap en hulpe teegen onzen algemeenen vijand beloofd s a beloofd, maar ook een afschrift gezonden heeft van eenen brief van zijnen Meester aan hem geschreeven, inhoudende het bevel, om ons als vrienden te handelen en van ons de noodige ammunietsie tegen betaaling te verzoeken, mitsgaders ons hier, met volk en met al wat wij verder noodig hebben, te assisteeren. Hierdoor is dus het voornaamste oogwit, voor de tegenwoordige tijds=omstandigheid bereikt. Het oude geschil over Settua, Paponettij, en het zandige land is wel noch niet vereffend, doch daar meene ik geenen haast mede te maaken, maar daar toe een gunstiger tijdstip dan het tegenwoordige waar te neemen. De Vorst van Trevankoor heeft herhaalde beloften gedaan, dat hij, geduurende deezen oorlog, eene stipte neutraliteit in acht zal neemen, meer, denke ik, dat wij van hem niet zullen kunnen verkrijgen, althans voor al niet, zoo lange onze vijanden de overhand te lande en ter zee over ons en over vaider Alichan behouden. - Mogt onze teegen„ „woordige toestand zoo verre ten goeden veranderen, dat Harder Alichan den En„ „gelschen te lande wederom het hoofd kost bieden, en dat de zoo lang verwachte Fran„ „sche vloot en voor al ook een Hollandsch Esquader Esquader opdaagden en over de vijandige Zeemacht zeegepraalden; dan geloove ik, dat Trevankoor zich tot het sluiten van een voordeelig kontrakt, wel zoude laaten beweegen, zonder dreigementen, die thans zonder klein en dus vruchtloos zijn en zelfs wel eene verkeerde uitwerking doen zouden. De eisch van onze benoodigdheeden gaat met 's komp. s brief van mij en den Raad over, waar bij ook de koopmanschappen bekend gesteld zijn, die wij voor dit Jaar van Batavia ge-eischt hadden, die ik hoope dat uit de laadingen der Bataviasche schepen voor kormandel, die ginter ingevallen zijn, ten minsten voor een gedeelte zullen kunnen vol„ „daan worden. Ik hoope dat uw weledelen geleegenheid vinden moge, de ons van Batavia toegedeelde twee tonnen gouds met de fransche vloot toe te zenden wijl wij die ten hoogsten noodig hebben. De Kaijer moet hier in de natte mousson ingekocht worden, en is thans niet bij groote partijen te bekoomen, echter zal de Equipa„ „siemeester zijn best doen, om ten minsten een maal honderd duizend pond bij een te brengen Jk hebbe ten eersten eene proeve genoomen van het bakken aan scheepsbisschuit en uit een kandijl /500. lb / tarwe drie honderd zeeventig pond pond wel gedroogde bisschuit bekoomen, waar van een monster in eene verzeegelde trommel overgaat; de honderd pond komt te staan op vijftien ropijen, en ik hebbe ze daarvoor aan de vijf bakkers die hier zijn aanbesteedt mits hun de tarwe daartoe voor inkoops prijs bezorgt worde, doch wijl hunne ovens te kleen zijn; zoo laate ik vier grooten in 'skomp. s tuin aan„ „leggen, waardoor ik denke het zoo vertebren„ „gen, dat maandelijx min of meer vijf en zeeventig duizend beschuiten zullen kunnen gebakken worden en dus 300'000. p. s in omtrend vier maanden, waar over ik het toezicht aan den Dispensier hebbe opgedraagen, die daar voor vijf percent genieten zal, hetwelk niet te veel is, door dien hij eerst de tarwe opleggen en aan de bakkers verstrekken en daarna de bisschuit wederom ontvangen en bewaaren moet, tot welk laaste hij genoodzaakt is, van partikuliere menschen rijs-pattijs in huur teneemen. - Ook hebbe ik, voor zoo veel zulx zonder ophef en al te groote verduuring geschieden kost, mij meester gemaakt van de noch onverkochte tarwe, doch de voor„ „raad daar van rijkt niet toe, voor de ver„ „zochte driemaalhonderd duizend stux en daarom zal ik, al wat er noch aangebragt word, inkoopen, doch of die aanbreng zoo groot zal zal zijn, om daar uit ook noch veertig lasten voor kolombo te bezorgen, is wat twijfelachtig echter zal ik ook daartoe mijn uiterste best aanwenden. voorts zal de vloot van rijs en kokus-olo voorzien worden, waar voor reets vroeg gezorgt is, doch ik diene hoe eer hoe liever teweeten, of derijs, die aan de fransche vloot verstrekt word, van de ses honderd lasten, die voor Ceilon opgelegt zijn mag afgetrokken, dan wel daar boven moet geleeverd worden, want nu is er noch kans, om ze in tekoopen, doch nader„ hand vreeze ik voor groote duurte en zelfs voor schaarsheid, door dien het Leger van Haider Alichan bij Arkat, uit de landen aan deezen kant van 't gebergte moet voor„ „zien worden. — De Gekommitteerden en Resident van Nagapatnam in 't leger van den Nabab Waider Alichan hebben zich, mits de over„ „gave van die stad aan de Engelschen, aan mij en den Raad geaddresseerd bij brieven de ^ de van den 26. ste November en 3. e 5:eo en 6:e deezer, waar bij zij ons om raadvraagen, wat ze verder doen zullen, en teffens om vier duizend sterre pagooden tot hunne onkosten verzoek doen, ik voege het antwoord van mij en den Raad hier
English
Examined. Enclosed herewith for the esteemed speculation of Your Honors, and this all the sooner because the same are also requesting advice, by the letter that accompanies this. I commend Your Honors to the protection of the Almighty and remain with respect and esteem. Below stood: Honorable, Valiant, Prudent, very Generous Sir and friends! Your Honors' obedient friend and Servant. Was signed: J. G. van Angelbeek. In the margin: Koetsiem, the 30th of December 1781. Agreed: J. Veerdijck Eykleek Adriaan Poowlier L.P. Beelvinck Secret Resolution beginning the 19th of July 1781 to 1782 Duplicate Secret Resolution taken in the Council of Mallabaar at the city of Koetsiem, Thursday the 19th of July 1781, before noon. Present: The Honorable Worshipful Lord Commander and Chief Ruler Johan Gerard van Angelbeek, The Honorable Senior Merchant, Second and Chief Administrator Reinier van Harn, The Honorable Major and Chief of the Military Frederik von den Busch, The Honorable Merchant Fiscal and Cashier Master Nikolaas Wendelin Beits, The Honorable Junior Merchant and Warehouse Master Jan Lambertus van Spall, The Honorable Junior Merchant and Pay Bookkeeper Coenraad George Seijffer, The Honorable Junior Merchant and Purveyor Abraham Jean Scipion Vernede, The Honorable Junior Merchant Willem van Haeften, and The Honorable Junior Merchant and Secretary of Police Johan Andries Daimichen. Receipt of a Tutucorin, a Colombo, and a Cape letter, with a copy ditto from the Honorable van Berkenroode. Containing news of the war between England and Holland. Request from the Ceylon Government for rice and paddy. It is judged necessary to stockpile grains here. After the transaction of the ordinary business noted in today's common Resolution, the letters received overland from Tutukorijn, from Kolombo dated the 6th of June and from the Kaap de Goede Hoop dated the 3rd of April last, were reviewed, which latter was accompanied by a copy missive from the Honorable Lestevenon van Berkenroode, Ambassador of the State at the Court of Versailles, dated Paris the 29th of December 1780, all containing the news that on the 20th of the last-mentioned month a declaration of war against our Republic was published in London; and it was resolved and agreed beforehand to thank both Governments cordially for the prompt communication of this important news. Hereafter deliberations were held on the request made in the first-mentioned missive of the Ceilonsche Government, to stockpile a good quantity of rice and paddy for them and to send it thither as soon as possible, taking into consideration that here, too, one must provide oneself with that indispensable foodstuff for the duration of two years, and thereby not only count on the ordinary rations, but also on extraordinary distributions, both to our warships and other vessels that might call here, and to the additional soldiers that one will now be obliged to take into service, but especially also on the heavy distributions to which, in case of a siege, one would be obliged to make to destitute families and residents, as well as to a multitude of servants which would then be required; and that one must therefore stockpile at least eight hundred last of rice for own use, besides a good supply of paddy for the cattle; furthermore, that because of the heavy consumption of Ceilon, one may safely assume that the Ministers by a good quantity mean at least five or six hundred lasten, and that through the purchase of such an unusually large quantity, the price will naturally increase and one should therefore by no means stockpile more than Ceilon will specifically need, so as not to give even more reason for price increases; and consequently it was approved and agreed to request the Ceilonsche Government to state at once how many lasten of each sort they desire from here. Furthermore, it being taken into consideration that the remaining cash in the main treasury presently amounts to only about one hundred and ninety thousand ropijen, out of which not only the pepper to Trevankoor must be paid and the ordinary household expenses settled, but also the extraordinary payments will have to be made before
Dutch transcription
Nagezien hier nevens tot geëerde spekulaatsie van uw weledelen en zulx te eerder wijlze Hoogst dezelve meede om raad verzoeken, bij den brief die hier neevens gaat Jk beveele uw wel edelen in de bescher„ „ming des. Allerhoogsten en blijve met eerbied en achting. /:onderstond:/ Weledele Erntfeste, Manhafte, voorzienige zeer Genereuse Heer en vrienden! uwer wel„ edelen dienstwillige vriend en Dienaar. (:was getekend:) J. G. van Angelbeek. /:in margine:/ koetsiem den 30. December 1781. Akkordeerd J : Veerdijck Eykleek Adriaan Poowlier L.P Beelvinck Sekreete Resoluutsie beginnende den 19e. Juli 1781: 1782 Duplicaat Sekreete Resoluutsie genoo= „ men in Rade van Mallabaar ter steede Koetsiem Donderdag den 19:e Iuli 1781. voor de middag Present kommandeur en oppergebieder Johan Gerard van Angelbeek, an, sekunde en Hoofd-administrateur Reinier van Harn, der Milietsie Frederik von den Busch, aal en kassier M:r Nikolaas wendelin Beits, en Pakhuismeester Jan Lambertus van Spall, en soldij Boekhouder Coenraad George Seijffer, en Dispencier Abraham Jean Scipion vernede, man Willem van Haeften en sekret:s van Polietsie Johan Andries Daimichen, Na het verhandelen der gewoone zaaken bij de gemeene Resoluutsie van heeden aange= rijn„ teekend werden geresumeerd de van Tutukorijn over den landweg ontvangene brieven van kolombo van den 6:e Junij en van de kaap de goede hoop van den 3:e April Jongstleeden, welke laaste verzeld was van eene kopij missive van den Heer op en d: de. 2 Sekreete Resoluutsie genoo= „se, eenen kolombose en eenen kaabse brief, met een Kopia d:o van den H:r van Berkenroode. Donderdag den 19:e Iuli 1781. voor de middag Present Den weledele Achtb: Heer Kommandeur en oppergebieder Johan Gerard van Angelbeek, Den E: Heer opperkoopman, sekunde en Hoofd-administrateur Reinier van Harn, Den E: Majoor en Hoofd der Milietsie Frederik von den Busch, Den E: koopman Fiskaal en kassier M:r Nikolaas wendelin Beits, Den E: onderkoopman en Pakhuismeester Jan Lambertus van Spall, Den E: onderkoopman en soldij Boekhouder Coenraad George Seijffer, Den E: Onderkoopman en Dispencier Abraham Jean Scipion vernede, Den E: onderkoopman Willem van Haeften en Den E: onderkoopm: en sekret:s van Polietsie Johan Andries Daimichen, Na het verhandelen der gewoone zaaken bij de gemeene Resoluutsie van heeden aange= ontvangst van eenen Jutukorijn „ teekend werden geresumeerd de van Titukorijn over den landweg ontvangene brieven van Kolombo van den 6:e Junij en van de kaap de goede hoop van den 3:e April Jongstleeden, welke laaste verzeld was van eene kopij missive van den op „ men in Rade van Mallabaar ter steede Koetsiem Heer behelschen tijding van den oorlog tusschen Engeland en holland verzoek van de Ceilonse Regeering om Rijs en Nelie men oordeelt nodig hier granen op te leggen. Heer Lestevenon van Berkenroode Ambassa„ „deur van den staat bij het Hof van Versailles, gedagteekend Parijs den 29=sten december 1780. al= „len inhoudende de tijding, dat op den 20=sten van laastgemelde maand te London eene de klaraatsie van oorlog teegen onze Republiek was gepubli= „ceerd geworden en werd voor af goedgevonden en verstaan beide Regeeringen voor de spoedige mede deeling van deeze wigtige tijding vriendelijk te bedanken. Hier na werd gedelibereerd over het bij eerstge= „melde Missive van de Ceilonsche Regeering ge- „daane verzoek, om voor haar eene goede partij Rijs en Nelie opte leggen en zoo dra mogelijk derwaards te zenden, en daar omtrend in aan „merking genoomen, dat men zich hier ook van dat onontbeerlijk voedzel voor den tijd van twee Jaaren diend te voorzien en daar bij niet slechts op de gewoone rantsoenen te reekenen, maar ook op buitengewoone verstrekkingen, zoo wel aan onze oorlogs en andere scheepen, die hier invallen mogten, als ook aan de meer= „dere Militairen, die men thans genoodzaakt zijn zal in dienst te neemen, doch inzonder= „heid ook op de zwaare verstrekkingen, waar toe men inval van beleegering zoude genood= „zaakt den 19:e Juli 1781. „zaakt zijn aan noodlijdende Huisgezinnen en inwooners mitsgaders aan een meenigte dienstvolk, het welk als dan zoude vereischt worden, en dat men dus ten minsten agt hon= „dert last rijs voor eigen gebruik diend op te doen, buiten een goeden voorraad van Nelie voor het vee, voorts, dat men weegens de zwaare konsumpsie van Ceilon veilig veronderstellen mag, dat de Ministers onder eene goede partij ten minsten vijf of ses honderd lasten verstaan, mitsgaders dat door het opkoopen van zulk eene ongewoon groote partij, de prijs natuurlijker wijze zal opslaan en men dus voor al niet meer behoord op te doen, dan Ceilon bepaaldelijk noodig zal hebben, om niet noch meer aanleiding tot prijs verhooging te geeven; en werd dienvolgende goedgevonden en verstaan de Ceilonsche Regeering te verzoeken, om ten eersten te willen opgeeven, hoe veel lasten van ieder soort zij van hier begeerd. voorts in aanmerking genoomen zijnde, dat het geld restant in de groote kas teegenwoordig maar omtrend honderd en neegentig duizend ropijen bedraagd, waar uit niet alleen de peper aan Trevankoor betaald ende gewoone uitgaven voor de huishouding goedgemaakt maar ook de buiten gewoone betaalingen zullen moeten gedaan eer
English
and to request the cash for the purchase. as well as vessels to fetch it. Considerations of the Lord Commander regarding the defense of the Company's possessions on this coast and the decisions made thereon. Insertion of that document. done of more rice and other provisions, and to more military personnel whom one will need to enlist, as well as to the fortifications, which require a notable and costly improvement, and it is very doubtful whether that demand for merchandise from Batavia will be fulfilled this time, and even if this happens, whether the merchandise can be sold and converted into cash in these troubled times, in which cases one will soon run short of cash: thus, upon the proposal made thereto by the Lord Commander, it has been approved and agreed to inform the Government of Ceylon of this situation and consequently to request that they provide us with cash for the payment of the rice they desire from here, with the offer that, in case trade should bring in cash beyond expectation, Ceylon will again be assisted therewith according to our ability. Regarding the second request of the said Government, that the rice should be sent from here to them, considering that one has no vessels on hand here for that purpose, nor can any be hired; as well as that it is very uncertain whether one will receive a large ship from Batavia this year: thus it has been approved and agreed to make this likewise known to the said Government, so that they may send the necessary vessels hither, in case one should not obtain a large ship from Batavia this time, or also in so far as their demand might exceed the cargo of such a ship. Hereafter, the Lord Commander produced a brief document containing his considerations and proposals regarding the measures that ought to be put into effect under these present circumstances for the security and defense of the Company's effects and possessions on this coast, which document having been read with attention, and considered maturely point by point, such decisions were taken thereon as are noted alongside each point and proposal, and it was subsequently approved and agreed to insert that document here with the marginal decisions upon the same. 19 July 1781. To the Honorable Members of the Political Council. Gentlemen! The general necessity of putting oneself in a state of defense against this powerful and dangerous enemy without loss of time, and of using all possible means to that end, is acknowledged and agreed to by all Members, who also unanimously understand that it would be necessary and expedient to settle the disputes with the Nabab Haider Alichan, but since this matter has until now been handled solely by the Chief Ruler: this matter is left to the conduct and direction of the Lord Commander. The meeting agrees with this proposal. The unexpected breach of peace with England demands that we immediately devise means to secure and defend the places and effects entrusted to us against this powerful and dangerous enemy. To this end, it is first necessary: 1st, That we try to settle the disputes with Haider Alichan, toward which I have already taken the first step, and will further do my best, in the hope that I will succeed in this; and 2nd, That we secure the assistance, or at least the neutrality, of the neighboring princes; to that end, I am going myself tomorrow to pay a visit to the King of Cochin at Tripontare and demand his assistance, whereby I will mainly try to persuade His Highness to supply a generous quantity of rice and paddy, and to provide coolies for the improvement of the fortifications and for further conveniences, under the promise that he will be included in the peace treaty with Haider Alichan. 19 July 1781. This mission to the King of Travancore having been deemed necessary, the Honorable Members Koenraad George Seiffer and Johan Andries Daimichen were commissioned thereto upon the further proposal of the Lord Commander, to whom an extract from this document will be delivered to serve as their instructions. To the King of Travancore, whose greater attachment to the English is known, we ought to send commissioners, in order to notify His Highness of this war, and first to demand his help, and if he excuses himself from that, to demand the observation of a strict neutrality, and especially to make known that the Company expects that He will strictly observe the third article of the latest Treaty, whereby it is stipulated: That His Highness will not tolerate the English expanding further into his land than where they are at present, namely at Brinjan, Anjenga, and Eddewa, to which three places they are expressly limited by that Treaty; and especially also that His Highness will not prevent the supply of provisions from his land, nor tolerate that it be prevented by others; furthermore, that His Highness please deliver the pepper here at Cochin during this war, because it does not lie safely at Kalikoilang and Porka, on which matter they must insist, pointing out that to wish to refuse this
Dutch transcription
en de kontanten tot den inkoop te versoeken. gedaan worden van meerdere rijs en andere provisien, en aan meerdere Militairen, die men zal dienen in dienst teneemen, mitsgaders aan de vestingwerken, die eene merklijke en kostbaare verbeetering vereischen, en het zeer twijffelachtig is, of die eisch van koopman= „schappen van Batavia ditmaal voldaan, en indien dit al geschied of de koopmanschappen in deeze onrustige tijden, wel zullen kunnen vertierd en tot geld gemaakt worden, in welke gevallen men eerlange gebrek aan kontanten zal krijgen: zoo is op de daar toe gedaane pro= „posietsie van den Heer Kommandeur goed„ „gevonden en verstaan, de Ceilonsche Regeering van deeze gesteldheid te onderrichten en mits dien te verzoeken, om ons tot de afbetaaling van de rijs, die zij van hier begeerd, met kon= „tanten te voorzien, onder aanbieding, dat men ingevalle, de handel boven verwachting kon: „tanten mogt aanbrengen, Ceilon daarmeede wederom naar vermoogen zal bijspringen. Omtrend het tweede verzoek van welgemelde Regeering, dat men de rijs van hier aan Haar wilde toezenden in aanmerking genoomen zijnde, dat men daar toe hier geene vaartuigen aan handen heeft, en ook niet in huuren kan 2 den 19:e Juli 1781. zoo meede vaartuigen om die aftehaalen. bedenkingen, van den Heer kommandeur nopens de verdeediging van 's komp:s besittingen ter dezer kuste en de daar op gevallene dispositsies. kan; mitsgaders, dat het zeer onzeeker is, of men dit jaar wel een groot schip van Batavia zal krijgen: zoo is goed gevonden en verstaan zulx almeede aan welgemelde Regeering te ken= „nen te geeven, op dat dezelve de noodige vaartui= „gen herwaards zende, ingevalle men ditmaal geen groot schip van Batavia mogt aan han= „den krijgen, of ook voor zoo verre haar eisch meer dan de laading van zulk een schip mogt bedraagen. Hier na produceerde de Heer Kommandeur een schriftuurtje inhoudende zijne bedenkin„ gen en voorslagen nopens de maatreegelen, die men in deeze tijds omstandigheid tot beveili„ „ging en verdeediging van 's komp:s effekten en bezittingen op deeze kuste behoorde in 't werk te stellen, welk schriftuur met aandacht ge„ „leezen, en post voor post rijpelijk overwoogen zijnde, zoo werden daar op zodaanige besluiten genoomen als bezijden ieder post en voor= „stel zijn aangeteekend en werd vervolgens goedgevonden en ver= „staan, dat schriftuur met de Jnsertsie van dat geschrift marginaale disposietsien, op het zelve hier te insereeren. Aan De algemeene noodzaaklijkheid om zich, zonder tijd verlies tegen deezen machtigen en ge= „vaarlijken vijand in staat van defensie te stellen en daar toe alle mogelijke middelen aan te wenden, word van alle Leden Nabab Haider Alichan bij teleggen dan dewijl deze zaak tot nu toe alleen door den Hoofdgebieder is be„ „handeld: zoo word dit stuk aan het beleid en de direksie van den Heer kommandeur over gelaaten. — Met deezen voorstel konfor= „meerd zich de vergadering. erkent en toegestemt. die ook eenpaarig begrijpen, dat hier toe noodig en dienstig zijn zoude, de geschillen met den De onverwachte vreedebreuk met Engeland eischt, dat wij ten eersten middelen beraamen om de ons toevertrouwde plaatsen en effekten teegen deezen machtigen en gevaarlijken vijand te beveiligen en te verdeedigen. Hier toe is voor af noodig. 17 Dat wij trach„ „ten de geschillen met Haider Alichan bijte„ „leggen, waar toe ik reeds den eersten stap gedaan hebbe, en verder mijn best zal doen, in hoope, dat ik hier in zal slaagen, en 2:e Dat wij ons van den bijstand, of ten minsten van de Neutraliteit der nabuurige vor„ „sten, verzeekeren; tot dat einde gaa ik mor„ „gen zelve, bij den koning van koetsiem te Tripontare, een bezoek afleggen en zijne assistentsie eischen, waar neevens ik voor= „namelijk zal trachten, zijne Hoogheid tot het leveren van een ruime quantiteit rijs en nelie, en tot het bezorgen van koelies, bij de verbeetering der fortifikaatsien en tot ver„ „dere gerieflijkheeden te persuadeeren, onder belofte, dat hij in het vreedes Traktaat Mijne Heeren! Aan de E: Leden van den Politieken Raad met aan 16 om om den 19:e Juli 1781. Deeze bezending aan den koning van Trevankoor noodzaaklijk ge= „oordeeld zijnde zoo wierden daar toe op de nadere proposietsie van den Heer kommandeur gekommitteerd d' E: Leden Koenraad George seiffer en Johan Andries Daimichen, aan welken extrakt uit dit schriftuur zal worden afgegeeven om te dienen tot hunne instruksie met Haider Alichan begreepen zal zijn. Aan den koning van Trevankoor, wiens meerdere aankleeving aan de Engelschen be„ „kend is, dienen wij gekommitteerden te zen„ „den, ten einde aan zijne Hoogheid van deezen oorlog kennis te geeven, en eerst zijne hulpe, mitsgaders als hij zich daar van exkuseerd, het observeeren van eene stipte neutraliteit te eischen en speciaal te kennen te geeven, dat de komp:e verwacht, dat Hij naauwkeu„ „rig zal naarkoomen, het derde Artikel van het Jongste Traktaat, waar bij vast gesteld is: Dat zijne Hoogheid niet gedoogen zal, dat de Engelschen zich in zijn land verder uitbreiden, dan daar ze thans zijn, te weeten te Brin„ „Jan, Anjenga en Eddewa tot welke drie plaat„ „sen zij bij dat Traktaat expres bepaald zijn; en speciaal ook, dat zijne Hoogheid den toevoer van leevensmiddelen uit zijn Land niet beletten, en ook niet gedoogen zal, dat die door anderen belet worde; voorts dat zijne Hoogheid de peper geduurende deezen Oorlog hier te koetsiem gelieve te leeveren, wijl ze te kalikoilang en Porka niet veilig legt, op welk stuk ze moeten aan„ „dringen, onder vertooning, dat dit te willen weigeren eland men