VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 10660

Cape · 726 pages · 86 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_10660_0557 view scan ↗

English

to occupy the attention of Your Honorable Worships briefly with a clear deduction of the crimes of which the defendant has rendered himself guilty, and with the investigation of the punishment which he, the defendant, has deserved. And since the crimes of the defendant are of a distinct nature: and indeed, firstly, that as a burgher officer, instead of encouraging his subordinates to obey the orders given to them, he has attempted to lead them away from their fair and no less lawful obedience; and secondly, having urged these same subordinates by means of an opinion that they were authorized to break their commanded orders established by the government; and then finally, thirdly, in counseling that, under the pretense of provisional salvage, they might take for themselves all washed-up and stranded goods, and in order to have his advice executed immediately, he, the defendant, would take everything upon himself, whatever might come of it. The Officer Prosecutor therefore considers himself obligated to deal with these distinct crimes in such a manner. And as the defendant then, in the first place, himself states in the first article of his interrogation that he is Commandant of the Swellendam Invalids, he will neither be able nor willing to deny that pursuant to his oath and duty, and as a man who, according to almost all his detailed answers in his interrogation, seems to claim a particularly great knowledge and understanding of the law due to a burgher in a colony such as this, he, the defendant, is primarily bound to know that no society, much less any country, can exist without laws, and that everyone must and ought to conduct himself according to those same laws; and that the violators of the same in general, and those who in particular have been entrusted with a higher degree of observance of the same laws, ought also to be punished more severely; without anyone being authorized to judge the equity or inequity of those laws, since this latter is entrusted solely to the rulers of the country. And that the defendant, therefore, both by virtue of his capacity and the trust of the common people in his superior knowledge, could be assured that very quickly upon his plausible presentation, and the influence which he, by his assurance of wanting to take everything upon himself, could arouse in the hearts of the listeners, his advice would be followed, whereof the consequences have indeed provided the most irrefutable proof; so that the defendant, by virtue of the deliberate, willful, and no less malicious abuse of his capacity and the duty attached thereto, merits not a single moment longer to continue therein; and in order not to give an ignorant public further occasion to expose itself to such evil counsel, moreover to be deprived of all prerogatives, benefits, and rights of a common burgher. It is furthermore beyond all dispute that from the defendant's incorrect interpretation and application of an opinion which relates to a private lawsuit, it is most strongly manifested what diligence he has employed entirely to nullify the laws and orders of his government. For he, the defendant, was not content to let his malicious intention shine through, as appears from the answer to Article 10 of his interrogation, by the notion and the insolent knowledge which he believes he has of the aforementioned opinion, to reveal the same solely to the field sergeant. Gentlemen, Honorable Worships, he goes to the widow Wessel Wessels and assures her that according to the principle of salvage, goods could freely be taken from stranded foreign ships when no one was present; and with the distortion of what he understood from the legal opinions, has the defendant not sufficiently confessed this himself in Article 26 of his interrogation? What else does the defendant mean to say by this than: the laws which our lawful authorities have given, and which all of us inhabitants of this colony have so dearly sworn to obey, we disapprove of, notwithstanding our oath and duty; and we have therefore seen fit no longer to obey them; but a private opinion, which by the thousandth consequence cannot be accepted as valid, we must all follow according to my incorrect understanding. And has the defendant thus, by his capacity and his assumed authority, not shown through his entire conduct in this matter that he persuaded his subordinates to break all the established orders and laws of his authorities; and does not the act prove that he, the defendant, in the strictest sense of the law, deserves to be banished immediately as a wicked and harmful subject? And has he, the defendant, then finally, in the third place, applied the utmost efforts to have his evil counsel carried into execution, with the assurance of wanting to take everything upon himself, whatever might come of it? Could anything stronger indeed be devised to persuade the persons present on the beach and to make them proceed to the robbing and stealing of the washed-up and stranded goods, than that a person who held the highest capacity among all those present

Dutch transcription

„ 55 de attentie van UwelEd agtb een wynig te occupeeren met een Liquide beloog van de misdaden waaraan de gedt zig heeft schuldig gemaakt „ 56 en met het ondersoek der straffe welke hy ged„e heeft gemeriteerd gehad „ 57 En daar de misdaaden van den ged„,e zyn van eenen differenten aert. — „ 58 en wel Eerstelyk dat hij als een burger officier in steede van zyn mindere aan te zetten tot obedientie van de ordres hun gegeven, deselve heeft getragt af te leyden van derselver billyke en niet minder regtmatige gehoorsaamheyd 59 en tweedens deselve zyne mindere door een advys aangemaand bevoegd te zyn tot het verbreeken van derselver aan bevolene en door de regeeringe bepaalde ordres „ 60 en dan eyndelyk derdens in het Consuleeren van quasie onder praetext van provisioneele berging, alle opgespoelde en gestrande goederen na zig te moogen neemen, en om zynen Raad dadelyk te doen Executeeren; hy ged=e alles op zig wilde neemen wat ter van gaan de R. O Eyssr deselve differente mis„ 61 daden dan ook dusdanig zig verpligt oordeeld af te handelen — 62 En gelyk den ged dan in de eerste plaats zelve by het eerste articul van zyn verhoor zegd Commandant der Swellendamsche 63 Invaledes te zyn. zal hy wel niet kunnen nog willen „ 64 ontkennen. — 65 dat ingevolge zyn Eed en pligt en als een man die volgens byna alle zyne articulative antwoorden van zyn verhoor Confessie nodig vind art 54 als des ged„e een t d een bysondere groote kennis en weeten, schap Schynt te willen, praetendeeren van het regt het welk een burger in een Colonie als deesen toekomt Art 66 hy ged„ principalyk behourd te weeten. „ 67 dat geene societyd veel minder geen Land zonder wetten bestaan kan en dat een yder zig dient en behoord re „68 gedragen na deselfde wetten. — 46 69 en dat de overtreeders van deselve in t generaal „ 69½ en dat de geene die in 't particulier een meerdere graad der observantie van deselve wetten aanbetrouwd zynde „ 70 ook swaarder behoord gestraft te worden „ 71 zonder dat iemand bevoegd zy „72 over de aequiteyd of de incequiteit dier wetten te moogen Judiceeren. — alsoo dit Laatste alleenlyk aan de 73 regenten van den Lande is aanbetrouwd „ 74 En dat den ged zig dus zoo uyt hoofde van zyn qualiteyt als het vertrouwen van het gemeen in zyn meerder kunde zig versekerd konde houden dat zeer ras op zyn waarscheynelyk 1 voordragt. „ 76 en den invloed die hy by zyn verseeke„ „ring van alles op hem te willen neemen, in de harten der aanhoorende, kon verwekken 77 zyne raadgeving zoude volgen. . 78 en waar aan de gevolgen dan oik het onwederspreekelykste bewys hebben opgeleverd 79 zo dat den ged: uijt hoofde van het op settenik moedwillig en niet minder quaad„ „aartig gebruyk van zyn qualiteit en daar aan verknogten heden pligt. — 80 „ 1 2 te Continueeren. 81 en om een onkundig gemeen niet verder gelegendheyd te doen geeven van zig aan diergelijke boose raadgevingen te Erpo„ neeren. — bovensdien van alle praerogativen en 82 beneficien en regten van een gemeen- burger te worden verstoken. — „slet is wyders buyten allen Contest= „ 83 dat uijt het verkeerd uytleggen en „ 84 plaatsen van den ged van een advys dewelke tot een particulier proces haar betrekking heeft „ 85. ten „sterksten manifesteerd; welken G vlyt hij aangewend heeft. de wetten en ordres van zyn regeering „ 86 geheel te vernietigen. — 7 want hy ged, zig niet vergenoegd 87 heeft zyne malitieuse intentie, blykens het antwoord op art 10 van zyn verhoor te Laaten doorstraalen. — „ 88 met het begrep en de vermetele kennis die hy van het meerm advys meend te hebben omme deselve alleen aan den veld wagtmeester te openbaaren. — Heer Edele agtb Heeren hy gaat by de wede Wessel wessels en versekerd haar dat quad bene natandum van gestrande vreemde scheepen vrij de goederen mogten worden weggenomen wanneer er niemand by was „ 91 en heeft den ged: met de verdraag„ ing van het geen hy uyt de advijsen heeft begrepen. — dit niet genoegsaam zelve op art 26 92 van zyn verhoor geconfesseerd E wat wil den ged„e daarmeede anders „93 zeggen als de wetten die onse wettige overigheyd heeft gegeven. art 80 geen ogenblik langer meriteerd daarin „ 89 190 1 1 7 deeser Art 94 en die wy alle ingeseekenen bolonie, zoo duur beswooren hebben te zullen gehoorsamen. — 95 desapprobeeren wy niet teegenstaande onsen Eed en pligt. — „ 69 en hebben dus goedgevonden deselve met langer te obediceren. — maar een particuliere advijs het welk 97 by de duyzendste Consequentie voor geen niet kan worden aangenomen. — 98 moeten wi alle na het verkeerde begrip van my opvolgen. - 2 en heeft den ged„e dies door zyn qualiteit 99 ende hem toegeeygende bevoegdheijd. 3 door zyn geheel gedrag in deesen niet betoond zyne mindere te persuaceren „ 100 tot het verbreeken van alle de bepaalde ordres en wetten van zyn overigheyd 6 en bewyst niet de daad dat hy ged „. 108 na den streksten zin van de wet verdiend dadelyk als een quaad en schadelyk subject verbannen te worden. 102 En heeft hy ged dan Eyndelyk in de derde plaats met het uyterste aan gewend omme zynen boosen raad ter„ uytvoer te doen brengen. „ 103 met de versekering van alles op 2ig te willen. neemen wat er van quam 104 was er wel iets sterkers uyt te vinden omme de aan strand aanwiesende persoonen te persuadieren 105 en tot het rooven en steelen der opgespoelde en gestrande goederen over te doen gaan als dat een persoon die de hoogste 106 qualiteyt onder alle de aanweesende bekleede A. rt 107 1

NL-HaNA_1.04.02_10660_0561 view scan ↗

English

Article 107 and from whom they all consequently reasonably expected greater knowledge, 108 gave the assurance that the transporting and taking away of the stranded and washed-ashore goods 109 was in all respects a permissible act. — 110 For this can be deduced as clear as noonday from the previously cited confession made by his own mouth, 111 while the field watchman made known to him, by watching over the goods that had washed ashore there, what orders he had received, 112 and against which orders he, the defendant, immediately opposed himself, with the assurance to the same field watchman that it was not the business of a citizen to watch over another man's goods. — 113 The Officer Claimant also trusts that from an accurate review of the sworn statements and the further documents, 114 over and above the other testimonies, it is not established 115 that the defendant gave his counsel according to the advice presented by him; 116 on the contrary, one would have to conclude by natural inference 117 that not even the alleged good intention, 118 but an arrogant, assumed authority was the driving motive of his counsel, 119 in order, where possible, completely to trample underfoot the laws given by his lawful authorities, 120 121 and to mislead an ignorant populace, 122 in order to oppose good orders, 123 and to banish all obedience. 124 The Officer Claimant, with humble reverence, having presented the crimes of the defendant and wherein they actually consisted, according to his humble understanding, with their true and essential circumstances, 125 and regarding which he otherwise refers to the proofs from which they have been deduced by him, 126 believes that thereafter he will be able to find 127 what punishments are fixed for the same crimes, 128 and which of those punishments the defendant will have merited. — 129 If one then wishes to observe the real and essential intention 130 that appears to have resided in the counsel of the defendant, 131 then it would cause little difficulty 132 clearly to prove from the conduct of the defendant, 133 to whom not the slightest authority or direction in such cases as the stranding of ships is entrusted, 134 135 that he, the defendant, by virtue of the assumed influence that he had over the minds of an ignorant populace, 136 that he attempted, where possible, with his plausible exhortations, 137 to draw them away from their oath and duty, 138 to cause them to disobey the laws of their lawful authorities, 139 and thus consequently to disturb the public peace and tranquility, 140 and thereby to endanger the common weal. 141 And what punishment is fixed by law for such crimes 142 would very easily be adduced. 143 But since the laws require that the counselor shall be punished with no other punishments 144 than are imposed upon the perpetrators, 145 the Officer Claimant also believes he should only limit himself 146 to the punishments that are imposed on those who, upon the counsel, carried out the evil deed. — 147 And you do not understand, then, that it is not as bad not to prevent an evildoer in his wickedness, when one can, 148 as it is to encourage and instigate him thereto by counsel itself. — 149 And if the laws do not hold the former guiltless, 150 how would the latter be guiltless, 151 since this one is not merely passive like that one, but even somewhat active. — 152 And it is, according to the opinion of most legal scholars, truly the case 153 that a counselor to a rogue's deed bears more guilt 154 than one who does not prevent a rogue's deed about to be committed, 155 and especially so if the execution followed upon the counsel. 156 And this is fully applicable to the defendant; 157 do not all the proofs show that good order was maintained until the arrival of the defendant, 158 and that immediately upon the counsel of the defendant a beginning was made with the transport of the goods, 159 and that they even preferred the counsel of the defendant so far above the orders of his authority 160 that they even wished to oppose themselves 161 against the person who was furthermore specially provided with a qualification from the Honorable Governor? — 162 The Officer Claimant, without supplying his private reflections on the bad consequences that might have resulted from such advice as that of the defendant in other cases, 163 maintains in the present case, with respectful submission in examining and determining the punishment 164 that the defendant has merited, 165 that he does not act improperly when he primarily cites the 175th article of the Criminal Code of Emperor Charles V, 166 which was enacted after many disputes of the Roman and contemporary legal scholars who commented on this subject, Article 167

Dutch transcription

art 107 en van denwelken zy alle dies gevolglyk een meerdere kunde billyk verwagteden „ 108 de verseekering gaf het vervoeren en weg „neemen der gestrande en opgespoelde goederen.. „ 109 eene allesints gepermitteerde duid te ƒ zyn. — 110 want dit is middagklaar uyt de vooraangehaalde eygenmondige Confessie te defuceeren - terwyl de veldwagtmeester aan hem selve 11 door het oppassen op de goederen die aldaar opgespoeld waaren te kennen heeft gegeven welke ordres hij ontfangen hadde „ 112 en teegens welke ordres hy ged: zig ƒ dadelyk heeft aangekant met de verseekering aan deselve veldwagtmeester het met de zaak van een burger man te zyn om op vreemde mans goederen te passen. — „ 113 de R O Eysscher vertrouwd teffens dat uyt eene accurate resumptie der beedigde Relasen en de verdere documenten. — boven en behalven de andere getuygenisse „ 114 niet Consteerd. dat den ged zynen raad na het door „ 115 hem opgegevene advys heeft gegeven, „ 116 in teegendeel zoumen by natuurlyke „gevolgtrekking moeten besluyten. — dat zelfs niet de gepretenteerde 117 9 goede intentie maar eene arrogante aangematigde „ 188 aucthoriteyt de dryfveer van zynen raad zy geweest. 119 omme waar het mogelyk de wetten van zyne wettige overigheyd gegeven 120 1 n Art 120 ten eenemaal met voeten te treeden „ 121 en een onkundig gemeen te mesleyden „ 122 omme de goede ordres teegen te gaan „ 123 en alle gehoorsaamheyd te verbannen „ 124 de R O Eysscher /:onder eenbiedige reverentie/ de misdaden van den ged en waar in deselve eygentlyk hebben bestaan /:na zyn gering begrip:/ met desselfs ware en weesendlyke omstandigheeden, hebben voorgedragen. „ 125 en waaromtrend hij zig voor 't overige tot de liewysen waaruyt deselve door hem zijn gededuceerd zig refereerende „ 126 vermeend als na des Eeffacielder te zullen kunnen vinden „ 127 welke straffen op deselve misdaden zyn bepaald. — 128 en welken dier straffen den ged zal „ hebben gemeriteerd. — 129 Wanneer men dan de reeele en Essentieele intentie wil gade slaan „ 130 die er scheynt geresideerd te hebben in de raadgeving van den ged: 131 dan zou het wynig moeyte veroorsake „ 132 om klaarblykelyk uyt het gedrag van den ged: „ 133 aan denwelken geen de minste auc„ thoriteyt of directie in diergelyke gevallen als by het stranden van scheepen is aanbetrouwd.— 134 te kunnen bewisen. — 135 dat hy ged uyt kragte van den gearrogeerden in vloed die hy op de gemoederen van een onkundig gemeen hadde. 136 dat hy heeft getragt waare het mogeli met zyne aannemelyke exportatien „137 van hun Eed en pligt afte trekken 138 ƒ art 138 de wetten van hunne wettige overeg„ „heijd te doen dosobedieeren. 139 en dus gevolglyk de gemeene rust en vreede te storen. „ 140 en daar door het gemeene best in gevaar te stellen. „ 147 en welke straffe op diergelyke misdaden naar de wetten bepaald is „ 142 zou zeer ligt te zyn by te brengen. „143 dan daar de wetten willen dat den raad „geever met geen andere streeken zal worden gecorrigeerd.— „144 als de daders zijn opgelegd: — „ 145 zoo meend de R O Eysscher zig ook alleenlyk te moeten bepanlen „ 146 tot de streeffen dewelke aan die geenen zyn opgelegd, die op de raad¬ geeving het quaad hebben ter uitvreer gebragd. — „ 147 En u begrypt dan niet dat het niet zo erg is een borsdvender in zyne boosheijd, daar men ken niet te verkinderen. „ 148 als hem zelfs door raad ^ daartoe te beturgen en aan te zetten. — 149 en houden de rechten den eersten niet onschuldig „ 150 hoe zoude daode tweede onschuldig zyn. — „ 151 door deese niet enkeld lydelyk als die, maar zelfs eenigsints dadelyk is. — „152 En het is volgens het gevaelen der meesten regtkeeraaren waaragtig „ 153 dat een Raadgegver tot een schelm stuk meer schuld heeft. 154 dan die Regts een te pleegen schelm stuk net verhinderd 155 ende - tien voornamentlijk zoo de uijtvoering op de Art 155 raad gevolgd zy „156 en dit is ten vollen op den ged„e te appliceren „ 157 dicteeren niet alle de bewyssen dar er goede ordre is gehouden tot de komst van den ged „ 158 en dat men dadelijk op de raadgeeving 3 van den ged met het vervoeren der - goederen een begin heeft gemaakt 159 en zelfs de raadgeving van den ged zod „ verre boven de ordres van zyne overig„ heyd heeft gepraefereerd 160 dan men zelfs zeg heeft willen aan„ kanten — „ 161 teegens die geene die nog afsonderlyk met een qualificatie van den welEdelen gestrengen Heere gouverneur was. voorsien — „ 162 De R O Eysscher zonder op de quaade gevolgen die er uyt diergelyke raad gesingen, als die van den ged in andere gevallen zouden hebben kunnen veteeren, zyne particuliere te flexien te suppe„ diteeren. — 163 sustineerd in het teegenswoordige geval /: onder eerliedige Corrielie in het nagaan en bepalen der strafe „164 die den Ted heeft geenewireerd „166 niet qualyk te handelen, wanneer hij voornamentlyk het 775 art„ van de Cremineele hals ordonnantie van Kystr Carel de V. „ 166 het welk, na veele disputen der romeensche en tuen ter tyd aanweesende regts ƒ geleerden die over dit Sujet hebben gecommentarieerd, is gestatueerd Art 167

NL-HaNA_1.04.02_10660_0565 view scan ↗

English

article 167 takes as its instruction, reading as follows: "if someone knowingly and with evil intent helps a criminal in the execution of any crime with any help, assistance, or advice, or whatever name such may have, he shall be punished corporally for it, but according to the distinction of the cases" 168 and how far this is now to be applied to the crime of the defendant 169 can be clearly inferred from what was just cited 170 of the good orders that were maintained there on the beach until the arrival of the defendant 171 and regarding which no less reflection is merited by what the contemporary legal scholars establish 172 that, when the advice is of such a nature that one persuades someone to execute some offense or crime 173 and when, again, this persuasion consists in the use of pleasant and enticing words. 174 of this sort of advice, Mr. Carpzov says that it is unlawful and criminal 175 and he wishes such an advisor to be considered more of a helper than merely an instigator. 176 as the same Mr. Carpzov, Pars 4 Quaest 87 No 6, adduces this 177 consequently, the defendant ought also to be punished corporally; 178 yet, while the intention of Your Honorable Worships has imposed on the perpetrators of the crime itself lesser and lighter punishments. article 179 the Prosecutor ex officio also establishes, and it is in that certain expectation 180 that, however much the principal cause of the entire case is to be attributed to the defendant on the foundation of the partly sworn and as yet partly unsworn reports and depositions. 181 182 183 the Prosecutor ex officio cannot well conclude to a corporal or heavier punishment than was imposed on the perpetrators. For which and other reasons it is unnecessary to allege further, the Prosecutor ex officio, making his claim, concluded that the defendant mentioned in the heading of this document shall, by definitive sentence of Your Honorable Worships, be dismissed from his present capacity and consequently declared unworthy and incapacitated from ever again holding any civic honorary offices, and furthermore be condemned to a fine of Five Hundred Rixdollars for the benefit of the Prosecutor ex officio, with further condemnation in the costs and fees of justice, or to all such other punishment as Your Honorable Worships, according to their customary prudence, shall find to be proper. (was signed) D. V. Ryneveld in the margin: Exhibited in Court on 22 April 1784. Agrees Neethling Secretary Copy for Justice Thursday the 12th of February 1784, in the forenoon, present the Honorable Worshipful Mr. Pieter Hacker, President, and all the Members, except the gentlemen Colonel Robbert Jacob Gordon and the Merchants Messrs. Oloff Marthini Bergh and Adriaan van Schoor, as well as the Honorable Lodewijk Christoph Warneck, both by occupation and indisposition, with the assumption of the Three Burgher Councillors. The Junior Merchant and Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, the Honorable Daniel van Rijneveld, Prosecutor ex officio, plaintiff, against The Commandant of the burgher invalids, Jacob van Reenen, defendant in person, to hear such claim and conclusion, as well as request or requests as the Prosecutor ex officio shall come to make and take upon and against him, the defendant in person, to answer thereto, and further to proceed as according to law. The Prosecutor ex officio, under production of certain verified and sworn reports relating to the robbing and stealing of the goods from the Danish Asiatic Company's ship Nicobar, before taking any claim or conclusions, requests that the defendant shall be placed in civil arrest, and furthermore ordered to answer, in the presence of the delegated commissioners, to such articles of interrogation as shall be presented to him on behalf of the said Prosecutor ex officio. The defendant in person, having heard the request, says: that being an officer and a respectable burgher man, evidence will show whether he has made himself guilty of the said crime, and that such a request defames a respectable man, wherefore he requests an appeal to the Honorable Worshipful Council of Justice of the Castle of Batavia. The Prosecutor ex officio persists by way of reply in his made request. The defendant in person says by way of rejoinder that the appeal might be granted to him, because it would be for the account of the Council. The Council condemns the defendant Jacob van Reenen to answer to such articles as shall be presented to him in the presence of delegated commissioners from this Council, and holds for the present the further made request of the officer under advisement. Underneath stood: At the Cape of Good Hope, the day and year as above. Lower: In my presence signed C. L. Neethling, Secretary. Agrees. Secretary signed 68

Dutch transcription

aro 167 tot, zin voorschrift neemt, Luydende aldus:— indien iemand eenen misdadiger tot de „uijtvoeringe van eenig mesdaad wetentlyk „en met een quaad opset met eenig hulp, bystand of raad of wat naam zulx mag hebben helft, zal daar over aan den Lyve gestreeft worden, dog na onderscheyd dez gevallen„ „168 en hoe verre dit nu op de misdaad van den ged„e te appliceeren zy 169 kan men klaar opmaken uyt het eeven aangehaalde van de goede ordres die er aldaar aan „170 het strand heeft gearisteerd tot de komst van den ged: „ 171 en waaromtrend geene mindere reflexie meriteerd het geen de minste leeden daagsche regtsgeleerden vast stellen „ 172 dat, wanneer de raadgeving is van dien aart, dat men iemand overreeden dat hy eenig delict of misdaad uitvoere. - en wanneer wederom deese overreedinge „173 bestaat in het gebruyk van aange¬ naame en vlgende woorden. — van deese zoort van raadgeeving zegd „174 de Heer Carpzov: datse is onwettig en misdadig „ 175 en hy wil zoo een aanrader meer voor een helper als wel voor een aanvader gehouden hebben. — „ 176 zoo als denselven Heer Carpzov - Pars W Quaest 87 N„o 6 dit bybrengt 177 dienvolgens den ged ook aan den Lyve zou behooren gestraft te worden dan terwil de Intentie van Uwel Ed 178 agtb de daaders van de mesdaad zelve mindere en geringere straffe heeft ere heeft opgelegd. — art 179 steld de R O Eysscher ook vast en het is die zeekere verwagting op „ 180 Dat hoe zeer ook de principaalste oorsaak van het geheel geval op fundament van de gedeeltelijk „ 181 beëedigde en als nog gedeeltelyk on„ „beëëdigde Relaasen en verklaringe aan den ged toeteschreyven is. — „ 182 „ 183 de R O Eysscher niet wel tot een Liyf of Zwaardere Strafee als de daaders zyn opgelegd kan Concludeeren Mits welke en andere reedenen iis t. nood/ nader te allegueeren de R O Eysscher Eysch doende Concludeerde dat den in den hoofde deeses gem ged: by definitive Vonnisse van UwEd agtb zal worden gedeporteerd van zynen tegenswoordige qualiteyt en mitsdien verklaard onwaardig en inhabiel om ooyt wederom eenige burger Eer ampten te bekleeden en voorts gecondemneert in een boete van Vyf Hondert Ryxdaalders ten profijte van den RC Eysscher met verdere Condemnatie in de kosten. en wesen van Justitie e ofte tot al sulken andere Straffe als UW Ed„e agtb volgens derselver gewoone predentie zullen be„ vinden te behooren (:was geteekent) D: V: Ryneveld / in margine/. Exhebitiem in Judicio den 22 april 1784. - Accordeert letkling. G ƒ Servet Q: A Copie /: pro Justitie:/ Donderdag den 12: Februarij 1784, voordemiddags preesent den E. Achtb: Heere Pieter Hacker Praesident en alle de Leeden, Exceptis den Heeren Collonel Robbert Iacob Gordon en de Kooplieden de Heeren Oloff Marthini Bergh en Adri= „aan van Schoor, mitsg=s d' E. Lodewijk Christoph wanneck zo bij occupatie als Indispositie assumptie de Drie Burger RRaaden. - den R: O. Eijsscher onder produc: Den ondercoopman en Land drost tie van deenigen gerecolleerden en van Stellenbosch en drakensteij„ b' Eedigde Relaasen betrecke„ „lijk tot 't roven en steelen der d' E. Daniel van Rijneveld goederen van 't deensch asiatiee Rat: off: Eijsscher Comp:s schip Nicobar, alvorens „p ende Jegens eenigen Eijsch ofte Conclusien te nee„ „men, versoekt dat den ged„e zal wer=Den Commandant der burger „den gebragt en Civiel arrest, en Invalides Jacob van Reenen voorts geordonneert, omme ten over„ gedaagde in persoon omme te staan van Heeren gecommitteer= „dens te antwoorden op zodanigen aanhoren sodanigen Eijsch vraag articulen als hem van wegens en Conclusie, mitsgaders den 2d. O. Eijss:r zullen werden voorgehouden. verzoek ofte versoeken als den ged:e en perzoon 't versoek gehoord den Ratione off: Eisscher hebbende zegt: dat hij een officier en fatsoenlijk burger man zijnde, be„ op ende Jegens hun ged: in wijsen zal bijbrengen, dat hij zig aan persoon zal komen te doen gem misdaad schuldig heeft gemaakt en te neemen, daarop te ant= en dat een diergelijk versoek een fot„ „soenlijk man diffameerd, hij daaron woorden en voorts te proce= aan den E: Achtb: Raad van Justitie deeren als na regten — des Casteels Batavia appel ver„ zaekt. — den B. O. Eijsscher persisteerd voor replicq bij zyn gedaan versoek. — den ged:e in persoon voor duplicq zigt dat 't appel hem mogt werden toegestaan, want dat het voor reekening van den Raad zouden zijn. Den Raad Condemneert den ged:e Iacob van van Reenen omme te antwoorden op Lo„ „daanige articulen als hem ten overstaan van Heeren gecommitteerdens uijt dees„ Raade zullen worden voorgehouden en houd voor als nog 't verder gedaanen versoek van den officier en advijs /:ondertond. Aan Caba de goede Hoop die et anno ut supra /:lager:/ mij praesent /:getekend/ C. L Neethling Secretaris. — WVeerkling Accordeert. Seiret n „ no getekend 68

NL-HaNA_1.04.02_10660_0573 view scan ↗

English

Copy For the Honorable Company Report given before the Honorable Commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government and at the requisition of the Junior Merchant and Landdrost of Stellenbosch and Drakensteyn, the Honorable Daniel van Rijneveld, by and on behalf of the Orphan Master here, Mr. Hendrik Justinus de Wet. Reading as follows: That the relator, having departed from here on Friday, July 18, 1783, provided with an authorization from the Right Honorable Governor in Loco, in order to deal with the goods of the wrecked Danish Asiatic Company ship Nicobar, which was commanded by Captain Andries Christy, according to his own judgment; which vessel had run aground on the 11th of this month near the Ratel River situated at the Zoetendals Valley. That on Monday late in the afternoon, having arrived near the farm of the burgher Jacobus Johannes Tesselaar named the Groote Hagelkraal, the relator met on the road a wagon belonging to a certain Groenewald, which was being driven by a mixed-race Hottentot, and which wagon was loaded with two hogsheads of brandy, along with some planks and cordage; the relator having immediately caused this wagon to turn back to the above-mentioned farm of the aforesaid Tesselaar and be unloaded there, while the relator himself was just on his way proceeding to the same aforesaid farm. That upon the relator's arrival there, the aforesaid Mr. Tesselaar communicated to the relator that he had already written a letter to the relator, giving notice therein that he was salvaging the washed-up goods and awaiting further orders from the relator; and since the said Tesselaar had seen that the goods were being taken away by the neighbors residing nearby, he had already provisionally caused a quantity of goods to be hauled from the beach to his farm in order to hand them over to the relator, as indeed happened upon the relator's arrival there, which goods consisted of: A quantity of pine planks Boat oars Half a cask of sugar An empty copper Three empty casks A hogshead of brandy A cask of beer. That after staying a short time at the aforementioned farm, four wagons arrived there laden with planks, boat oars, a cask of brandy, two ankers of the same, furthermore some empty kegs, boxes, and chests, along with a quantity of ironwork, the same wagons being driven by their owners; and as the road passed across the yard of the said farm of the aforesaid Tesselaar, the relator had these wagons halted, and showed the aforesaid act of authorization to the people who were on them, consisting of eight to ten persons, by virtue of which the relator judged that these wagons ought to be unloaded immediately; but the relator's reasoning found little acceptance, as the same persons believed the hauling away of these goods to be entirely permitted, while they substantially declared that the burgher Jacob van Reenen had told them that it was a foreign ship and thus everyone was free to gather things, which they, along with the others, had proceeded to do. That, however, through much arguing back and forth, the same persons finally decided, though in a insolent manner, to fling the goods from the wagons, whereby not only did the cask of brandy fall to the ground in pieces and run out empty, but at the same time the other goods became scattered here and there on the ground. However, since there was no storage for the goods there, and apart from the two aforesaid ankers of brandy no goods of value were among them, the relator had them auctioned off right there on the spot by the substitute of Stellenbosch, who had traveled there with the relator, and indeed in the presence of the aforementioned persons; subsequently, in the evening, Field-Sergeant Lourie also arrived there on horseback, of whom the relator inquired how it happened that no better order had been maintained regarding the stranded and washed-up goods, to which he substantially answered the relator: That he had strictly forbidden each and every person who appeared near the stranded ship from gathering the goods, which had also been properly observed, and he with his watch had also prevented it, indeed everything had remained in fairly good order until the arrival of the burgher Jacob van Reenen, who gave everyone the freedom to take away everything they could, since he, Van Reenen, said he would take everything upon himself that might come of it; whereupon everyone had set about making themselves master of the washed-up goods, which it was then impossible for him, the Field-Sergeant, to prevent. That on Tuesday the 22nd, having set out very early in the morning for the farm of Marthinus Marais in order to speak with the chief mate of the wrecked ship, who was lodging with the said Marais, the relator discovered that many wagons had crossed over the road, which the relator presumes had come from the beach that past night; while a person from the wagons unloaded at the aforesaid Mr. Tesselaar's had thus ridden back to the beach, whom the relator also encountered upon his arrival at the beach, and whom the relator believes to be named a Lourie. That the relator subsequently, upon his arrival at the farm of the said Marais, learned that the aforesaid chief mate, along with the other persons from

Dutch transcription

Cops voor s'ECompƒ Belaas gegeven ten overstaan van EE„s ge„ Committeerdens uit den E agtb raad van Justitie deeses gouvernements ende ter requisitie van den onder Coopman en Landdrost van Hellenbosch en Drakensteyn d E Daniel van Rijneveld door ende van weegens de weesmeester alhier Tr Hendrik Justinus de Wer¬ Luydende als volgt Dat den rel„t op vrydag den 18 July 1783 voorsien zynde met een schadelyken qualificatie van den WelEdele Gestr Heere gouverneur in Loco van hier vertrocken was ten Eynde met de goederen van het verongelukte Deensch asiatisch Comps schip Nicobas waarop gecommandeert heeft Capitain Andries Christy te handelen na zyn redts. goeddunken welke bodem op den 11 deeser by de ratelrivier gezeegen aan de Puetendals Vallij was gestrand Dat den Eel„t op maandag Laat in de nademiddag naby de plaats van den burger Cornel Jacobus Johannes Tesselaar genaamt de gronte hagel baal, gekoomen zynde, de redt aldaar te gemoed was koomen tyden een wagen van eene groenewald die door een bastaard hottentot wierd voortgedreeven en welke wagen beladen was met twee brandewyn, beneffens eenige oxhoofden planken, en touw werk eit hebbende den tel dien wagen terstond doen de rug keeren, naar de bovengem Plaats van van voorsz Tesselaar en aldaar ontladen terwyl den zel„t zelve Juijst op weg en naa de eevengem plaats zig quam te begeeven. Dat by des rects aankomst aldaar voorsz Mins Tesselaar aan den relt hebbende ge „Communiceerd dat hy reets een brief aan den rel„e geschreeven en daar bi kannesse had gegeven, de opgespoelde goederen te bergen ende verdere ordre van den relt te blyven afwagten en terwyl gem Tesselaar gesien had, dat de goederen oor de aldaar aan stand zig bevindende bueren weggenomen wierd, had hy by voorraad ook reets een parthy goederen laten van strand naar zyn plaats op reiden om deselve aan den Ult te over„ „handigen gelijk ziele ook geschied is by des relfs komst aldaar en welke goederen bestaan hebben in Een parthij greijne planken _„ boots riemen Een half vat baker Een Ledige Koper Drie Leedige waten Een oxhoofd brandewyn Een Vat Bier Dat na een wynig tyds vertoevenis op meergem Plaats aldaar aangekoomen zynde vier wagens beladen ne t planken bootsziemen, Een vat brandewyn, twee ankers dito voorts eenige Leedige vaaljes, kisjes en kisten, beneffens een gedeelte Eijserwerk, werdende deselve wagens door de Eygenaars voortgedreeven, terwijl de weg over de werf van gem plaats van voorsz Ses selaar heenen ging had den tel deselve wagens doen stil houden, en aan de lieden die op deselve waaren, bestaande uit agt a thien persoonen des den relt voorsz acte, van qualificatiie vertoond, uyt welkers kragt de ret oordeelde, dat deese wagens direct moesten ontladen worden, dat des relk reeden wynig ingang gevonden hebbende alsoo deselve persoonen hadden gemeynd het opreijden van deselve goederen volkoomen gepermitteerd te zyn, terwyl zy l: substantieelyk betuigden dat door de berger Jacob van Beeren aan hun was gesegt, dat het een vreemd schep was en dis een yder vry stond om te roapen, waartoe zy aan nevens de andere waaren overgegaan. Dat egter door veel over ende weeder redeneren, deselve persoonen eyndelyk beslooten hadden dog op een brutale manier, de goederen van de wagens te Smyten, waardoor niet alleen het vat Brandewijn in stucken ter aarde viel en ledig liep maar teffens ook de andere goederen hier en daarop de aarde verspreyd raakte. Dan terwyl aldaar geen berging voor de goederen was, en buijten de twee voorsz ankers brandwyn ook geene goederen van waarde zig onder qaan te bevinden had den helt deselve aldaar ter plaatse door den substituit van stellenbosch die zig met den relt derwaards had begeeven doen opveylen en wel in t bynegesen van de voorgem Persoonen zynde ver¬ volgens des avonds almeede te paard aldaar aangekoomen den Veldwagtmeester sourie aan denwelke den rel„t gevraa hebbende hoe het quam dat omtrend de gestrande en opgespoelde goederen geen beter ordre was gehouden, denselven den zelt substantieelyk geantwoord had en e de keij 82 de had: dat door hem volstrekt aan alle ende een ygelyk die zig omtrend het gestrande schip vertoond had verbooden zynde geworden het oprapen der goederen zuh ook behoorlyk was geobserveerd en hy ook met zyn wagt zulx had tegen¬ „gegaan Ja alles in een tamelyke goeder ordre was gebleeven, tot de komst van ^ burger den Jacob van Reenen, die aan een yder de vryheyd had gegeven van weg te neemen alles wat zy konden alsoo hy van Reenen gesegt had alles op zig te willen neemen, wat daarvan quam, waarop zig dan ook een yder van de opgespaalde goederen had weezen meester te maaken, het welk hem veldwagtmeester als tien onmogelyk geweest is te kunnen beletten Dat op Dinsdag den 22 den zelt. des morgens zeer vraegtydig zig na de plaatse van Marthenus Marais begeven hebbende, om den opperstuurman van het verongelukte schip die by gem Marcus logeerde te spreeken, den rel had ont¬ dekt dat er veele wagens dwars over de weg waren gepasseerd, denwelken den relt praesumeerd dien gepasseerde nagt van staand te zyn gekoomen terwyl een persoon van de afgeladene wagens by voorsz mons Tesselaar te rug naar het strand dus gereeden, denwelken de rel„t by zyne komst aan het strand ook aangetroffen had, en die den rett. meend eene Pourie te zyn genaamd.— Dat den relt. vervolgens by zyn komst ter plaatse van gem Maraix vernomen hebbende, dat den voorsz opperstuurman, nevens de overige personen van

NL-HaNA_1.04.02_10660_0577 view scan ↗

English

of the wrecked ship had already departed for the Cape, the wife of the aforementioned Marais had pointed out to the deponent some pieces of red baize, red flag cloth, as well as two hogsheads of brandy, a barrel of beer, two cases of gin, and furthermore a wagon with planks and ropes, which she said had been driven from the beach by her husband. That the deponent, having subsequently proceeded to the beach, had there presented to the aforementioned Marais, for the lodging, food, and drink provided by him to the ship's crew, all the aforementioned goods pointed out by his wife, except the two barrels of brandy. Whereupon the deponent subsequently, having read his act of authorization to the persons present who had gathered together, declared to them his intention to publicly auction to the highest bidder the few goods that lay there on the beach as well as those found on the wagons, in addition to the one hogshead of brandy and one barrel of beer driven by the aforementioned Monsieur Tesselaar himself to his house, together with the two ankers of brandy brought to the aforementioned farm by the burgher Burgert van Dyk, just as the deponent had then also done. And at the conclusion of which sale it was also clearly evident that they had agreed among themselves not to bid more for the goods than the amount for which each would put up the portion he had acquired, since the aforementioned Burgert van Dyk also purchased the two ankers of brandy on that occasion, which the deponent presumes were brought by them to the farm of the aforementioned Monsieur Tesselaar. That before the public sale had commenced, the deponent having asked all the persons present who had given them the right to act so arbitrarily with the said goods and to take them for themselves, they had answered unanimously as if with one voice: Jacob van Reenen, because he had told them that they were completely free to take whatever they could get, since it was a foreign ship, and whatever came of it, he would take upon himself. And notwithstanding that the deponent pointed out to them the groundlessness of the statements of the aforementioned Van Reenen, this nevertheless found little acceptance with a portion of the insolent and reckless among them; on the other hand, the deponent had nevertheless succeeded in bringing the majority to a standstill. Declaring nothing further, the deponent gives as reasons for his knowledge as stated in the text, being prepared, if required, to confirm the same under oath. Underneath stood: Thus related and re-examined at the Cape of Good Hope, the 7th of August 1783, before the honorable Gerrit Hendrik Cruywagen and Hendrik Le Sueur, members of the honorable Council of Justice aforesaid, who duly signed the original minute of this together with the deponent and me, the sworn clerk. Which I witness, It was signed: H: L: Bletterman, sworn clerk. Appeared before us, the undersigned commissioners from the honorable Council of Justice of this government aforesaid, Monsieur Hendrik Justinus de Wet, who, having had this his preceding declaration read out clearly and distinctly word for word, declared that he persisted by it, desiring that nothing more be added to or removed from it; and therefore, in confirmation of the truth thereof, in the presence of the burgher Daniel Verwey, as the authorized representative of Monsieur Jacob van Reenen, spoke the solemn words: So help me God almighty. Thus re-examined and sworn at the Cape of Good Hope the 16th of June 1784. It was signed: H: J: De Wet. In the margin, as commissioners, signed: G: H: Cruywagen and J: Ramspek. Agrees: Weethling Underneath stood: Re-examination. For the honorable Company. Report given before the undersigned commissioners from the honorable Council of Justice of this government, and at the requisition of the Junior Merchant and Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Petrus Daniel van Ryneveld, by and on behalf of the substitute of the Stellenbosch magistracy, Christiaan Godlieb Rudolphi, of competent age, reading as follows: That the deponent, having received on the 18th of the past month of July a written order from the requisitionist shown at the drawing up of this, to proceed, for the assistance of the Orphan Master, Monsieur Hendrik Justinus de Wet, who acts as correspondent managing the affairs in this country for the Danish Asiatic Company, to the so-called Soetendals Valley situated beyond the Hottentots Holland mountains, and there to make and arrange such dispositions and measures as should be required and deemed best for the preservation and salvage of such goods as might have washed ashore from the Danish ship stranded there a few days previously, which, as the deponent was afterwards informed, was named Nicobar, and also to prevent all irregularities that might occur in that regard. That the deponent thereupon the following day, being Saturday the 19th of the said month, departed together with the aforementioned Monsieur de Wet from Stellenbosch, and on Monday the 21st of that month arrived at the farm of the burgher officer Johannes Jacobus Tesselaar, named De Hagelkraal, situated about three hours from the place where the aforementioned Danish ship was stranded, at which farm of the mentioned Tesselaar

Dutch transcription

van het verongelukte schip reeds na de Caab; vertrocken waaren had de huysvrouw van voortz Marais aan den rel„t aangeweesen, eenige lappen roode baaij roode vlagge doek, als meede twee oxhoofden brandewyn, een vat Bier, twee kelders geneverd en voorts een wagen met planken en tonwen die zi zeyden door haaren man van straad te zyn gereeden. Dat den rect. vervolgens zig na het strand begeeven hebbende, aldaar aen voorsz Marais voor huysvestinge eeten en drinken aan het scheepsvolk door hem gegeven alle de voorsz: door zyne huysvrouw aangeweesene goederen praesent had gedaan except de twee vaten Brandewyn, waarna de Eelk vervolgens aan de aanweesende persoonen die by elkanderen gekoomen waaren zynd acte van qualificatie hebbende voorgeleesen hun gedeclareerd had zyne intentie te zyn van de weinige goederen die aldaar zoo op het strand lagen als op de wagens zig bevonden nevens de door voorsz Mons Tesselaar zelve na zyn huys gereedene Een oxhoofd brandeyn en een vat Bier mitsgaders ne twee op de voorsz. Plaats door den burger Burgert van Dyk aangebragte Ankers Brandewijn aan de meest biedende publicq te willen op veylen zoo als den telt zulx dan ook had verrigt, en by het uijtEynde van welke verkooping het dan ook klaar dat zil het overeengekomen bleek, waren, voor de goederen niet meerder te geeven, als waarvoor een yder zin portie die hij opgeraakt had instellen zoude, alsoo voorsz burgert van Dik ook de twee ankers brandewijn by die 9 . die gelegentheyd heeft ingekogt dewelke den telf praesumeerd door - hun op de plaats van voorsz mens Tesselaar te zyn aangebragt Dat den rel„t alvoorens de publicque verkooping een aanvang had genomen hy rect. van alle de aanweessende persoonen gevraagd hebbende wie hun regt gegeven had met deselve goederen zoo willekeurig te handelen en na hun te neemen, zyl als uyt eenen mond eenparig g'antwoord hadden Jacob van Reenen, alsoo denselven aan hun gesegt had, dat zy volkoomen vryheid hadden na hun te neemen wat zy krygen konden, terwyl het een vreemd schip was, en wat er van quam hi op zig wilde nemen en niet tegen¬ staande den reqt hun de ongegronddheijd van de gesegdens van voorsz van Reenen voor oogen stelde vond zulx egter wynig ingang by een gedeelte brutaale en onbesonnene van hun daar en tegen het egter den rec„t had. gelukt de grootste parthi tot stilstand te brengen. Niets meer verklaarende geeft den ret„t voor reedenen van weetenschap als in den text bereyd zynde hetselve des gerequireerd werdende met Eede te lievenstigen. — /onderstond/ Aldus gerelateerd en gerecolleert aan Cabo de goede sloop, den 7 Augustus 1783 voor d' EE Gerrit Hendrik Cruy¬ wagen en Hendrik Le Sueur leeden uit den E agtb raad van Justitie voorn die de minute deeses benevens den tel„ ende mij geswoore Clercq meede behoorlijk hebben ondertekent /dager / T welk ik getuyge J: was /:was getekend/ H: L: Bletterman geswoore Clercq Compareerden voor ons ondergeteekende Grummeld„s uyt den E agtb Raad van Justitie deeses gouvernements voorm ƒ S„ Hendrik Justinus de wet, dewelke deese zyne voorenstaande verklaring van woorde tot woordig klaar en dilyde¬ voorgelesen lyk ^weesende, verklaarde daar bij te blijven persisteeren met begeerte dat er niets meer bijgevoegt ofte van gedaan werden zal; En spruk dierhalven ter bevestiging der waarheijd van dien ter praesentie van ven burger Daniel Verwij als gemagtigde van Mons Jacob van Reenen, de solemnele woorden soo waarlyk help mij god al„ magtig. Aldus gerecolleerd en b' Eedigt aan Cabo „de goede Hoop den 16 Iuni 1784 /:was getekent./. N I: De Wet /immargine / als gecommitts /getekent/ G: H: Cruywagen en I: Ramspek. — Accordeert- Weethling /onderstond:/ Recollement. - Servel ge D„ C51a voor d'EComp. Relaas gegeven ten overstaan van de ondergetekenden gecommitteerdens uijt den E agtb raad van Justitie deeses gouvernements, en ter requisitie van den ondercoopman en Landdrost van Stellenbosch en Drakensteijn P„s Daniel. van Ryneveld door ende van weegens den substituut der Hellenbosche drostdije, Chris¬ „tiaan Godheep Rudolphi„ van Compententen ouderdom Luijdende als volgt. Dat den rel„t op den 18 der Jongstl: maand Jielyy; door den reqt eene Schriftelyker ordre bij 't verleijden deeses vertoond, bekoomen hebbende, om zig ter adsistentie van den weesmeester S„ Hendrik Juestinus de Wet die als Correspendent de affaires heer te Lande van de deensche asiatische Comp:e komt waar te neemen, te begeeven na de soo ge„ naamde Soetendals Walley gereegen over it Slottentot tots hollands gebergte en aldaar zoda„ „nige schekkinge en maatzegelen te neemen en beramen als verEijscht worden zonder en 't best zouden worden geoordeelt ter Conservatie, en berging zodaniger goederen als van Z: voor wynige daager bevoorens aldaar gestrande deensch schip het welk zoo den Comps daarna verstendigt wierd Nicobas genoemd geweest was, opgespoeld zyn zouden teffens om alle ongeregelt „heeden die dienaangaande voorvallen konden voor te koomen. — Dat den Comp„t daarop 's volgenden daags ofte op Saturdag den 19 der gem Maand niet ende benevens voorsz S r. de wet van Stellenbosch vertrocken en op Maandag den 21 dier maand gekoomen waaren op de plaats van den burger officier Johannes Jacobus Pesselaar genaamd, de hagel Kraal geleegen Circus drie uuren van de plaats alwaar het voorsz Deensch schip gestrand was, op welk plaats van gerepte Ses

NL-HaNA_1.04.02_10660_0582 view scan ↗

English

Pesselaar, when they had arrived there, five wagons coming from the beach had arrived, belonging to Jacobus Pourie, the field sergeant Louis Pourie, Coenraad Johannes Groenewald, being a field corporal, and the burgher van Dyk, having been loaded with brandy, beer, and planks, round timber, and an empty leaguer, which wagons the relator had immediately seized, so that the goods loaded on those wagons were unloaded, while the wagons subsequently departed from there and the unloaded beach goods were de facto sold by the aforesaid Pieter de Wet at public auction to the highest bidder. That at the aforesaid place, the Hagelkraal, there was also present the field sergeant Jacobus Pourie, who had commanded the burghers ordered to the beach in order to prevent all disorders and beach theft or robberies; the appearer had asked that man why, in accordance with his duty, he had not kept better order on the beach and had not prevented the taking and carrying away of the beach goods, to which that man had substantively said: that he had kept good order on the beach, but that subsequently the burgher Jacobus van Reenen the Younger had come there to the beach and had said to the gathered people that it was free for the taking, that everyone was free to drive away the goods washed up there from the ship on his responsibility, and that whatever might come of it was for his account and responsibility. Upon which statement made by Jacobus van Reenen, he, the field sergeant, had been able to maintain order no longer, seeing that no one would listen to him anymore, but everyone had done and taken whatever they could get hold of. That the appearer, riding with the aforesaid Pieter de Wet the following day or on Tuesday the 22 July to the beach at the place where the wreck of the ship lay, had on the way previously stopped at the farm of the farmer Marthenus Marais; they had found lying there a quantity of beach goods consisting of brandy, gin, circa twelve pieces of red and white flag cloth, as well as eight pieces of red baize; and since the said Marais had housed the people rescued from the stranded ship, the aforesaid Pieter de Wet had made a present of the flag cloth and red baize to that man, while the brandy and gin were also sold at the auction held on the beach. That when they arrived at the beach on the very same day, they had found there some thirty wagons and many people, all of which wagons were loaded with goods from the stranded ship; when both the relator and the said Pieter de Wet asked the people present there how they had dared to presume to take the aforesaid goods away, to load them onto their wagons in order to transport them from there, those people had appealed to the above-mentioned statement of the aforesaid Jacobus van Reenen, so that the relator, as well as the said Pieter de Wet, had placed before those people their unlawful and unfair conduct, but that it had cost much effort to convince them of their improper action, there having even been among those people those who had asked Sr. de Wet whether he had a letter of authority from the government; to which, however, the said Sr. de Wet had said back to them: you ask me for a letter of authority, but why did you not also ask van Reenen whether he had a letter of authority? There were among those people those who had replied: yes, that is also true, we might well have done that. Subsequently, the aforesaid goods, as they were loaded on the wagons, were put up for auction and sold, but that they fetched such a low price at the vendue came about because the country folk had mutually agreed and determined that none of them should presume to bid on the goods that were loaded on another's wagon, without the aforesaid Sr. de Wet or the relator being able to prevent the same, since no one made a bid on those goods except the one on whose wagon the goods being auctioned were located. The relator attesting that the aforesaid Pieter de Wet had offered to the country folk, as he, the relator, best remembers, fifty rixdollars if they would bring two hogsheads of brandy to the Coub, but that they had refused this; the relator stating lastly that by the aforesaid Pieter de Wet his act of qualification or letter of authority obtained from the Honorable Gallant Lord Governor, and which he had with him, was read out aloud on the beach to the country folk present. Relating nothing more, the relator gives for reasons of knowledge as in the text, being prepared to confirm the same on oath. Underneath stood: Thus related at Cape of Good Hope, the 7 August 1783 before the Honorable Gerrit Hendrik Cruywagen and Hendrik Le Sueur, members of the Honorable Worshipful Council of Justice aforesaid, who have properly signed the minute hereof together with the appearer and me, sworn clerk. Lower: Which I witness. Was signed: H: L: Bletterman, sworn clerk. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, the aforementioned Christiaan Godhelp Rudolphi, who, having had this his preceding declaration clearly and distinctly read out to him word for word, declared to persist and abide by it, desiring that nothing more shall be added to it or taken from it; and therefore spoke, in confirmation of the truth thereof, in the presence of the burgher Daniel Verwey as the authorized agent of Mons. Jacob van Reenen, the solemn words: So help me God Almighty. Underneath stood: Thus verified and sworn at Cape of Good Hope.

Dutch transcription

Pesselaar zou als aldaar waaren g'arriveerd van 't strand waaren koomen reijden Vijf wagens toebehoorende aan Jacobis Poierie den veldwagtmeester Louis Piurie Coenraad Iohannes Groenewald zynde veld Corporaal en Burgert van Dyk beladen geweest zynde met Brandewyn bier, en planken, rondhouten en een Leedige Legger, welke wagens den relk opstonds hadde g'arresteerd invoegen de op die wagens geladen geweest zynde goederen waaren afgeladen, terwil de wagers vervolgens daarvan daan ver¬ trocken en de afgeladene strandgoederen defacto door voorsz P„r de wet by op„ Veyling zyn verkogt geworden aan de meestbiedende. Dat op voorsz plaats de hagelcraal meede praesent geweest zynde den veld wagtmeester Jacobus Pourie die het Commando aan het strand over de aldaar gecommandeert geweest zynde burgeren gehad hadden ten Eynde alle ongere¬ geltheeden en strand dief of rovereyen te beletten den Comp„t aan dien man had gevraagd waarom hij ingevolge van zyne pligt geene betere ordre aan strand ge„ houden en het voegnemen en vervoeren der strand goederen net belet had dien man daarop substantieelyk had gesegt: dat hy geelde ordre aan strand had gehouden gehad;, dog dat vervolgens den burger Jacobus van Reenen de Jonge aldaar aan strand was gekomen en tot het te zamen gevloeyden volk had gesegt, dat het vrij rapen was, dit elk het aldaar van 't schip op„ gespoelde goed, op zyne verantwoordinge vry weg reyden mogten, en dat 't geene er van koomen mogten zulx voor zyne reekening en verantwoordinge was. op welk door Jacobus ven Reenen gedaane gedaane seggen hy veldwagtmeester geene ordre meer had kunnen houden gemerkt niemand meer na hem had willen Luysteren, maar elk gedaan en genoomen had, wat maar had kunnen magtig worden. — Dat den Comp met voorsz P„r de Wel s' volgenden daags of op Dinsdag den 22 Iuly na het strand ter plaatse alwaar het arak van 't schip zag, reydende, syg in 't reyden bevorens hadden aangeweest op de plaats van den Land¬ bouwer Marthenus Marais, Zyl aldaar hadden vinden leggen, een parthy strand goederen bestaan hebbende in brandewijn, Genever, Circa twaalf stukken rooden wit vlagge doek mitsgs agt stucken roode baay en deuyl gem Maraes de van 't gestaande schep gesalveerde menschen gehuysvest hadden had voorsz P de Wet. aan diee man het vlagge doek en roode baay praesent gedaan terwijl de brande„ wijn en Genever op de aan strand gehouden vendutie meede verkogt ge„ worden is. — Dat zy als toen ten zelve dage - nog aan t strand gekoomen zynde, aldaar hadden gevonden, wel Circa Dertig wagens en veele menschen alle welke wagens beladen waaren met goederen van 't Gestrande schip aan welk daarbij zynde menschen zoo wel den reet als gem P. de wet gevraagd hebbende hoe zyl: zig hadde durnen onderstaan de voorsz goederen weg te neemen op hunne wagens te laaden om deselve daar van daan te vervoeren; als wanneer die menschen hun beroepen hadden op het boven gem: seggen van voorsz Jacobus van Seenen Invoegen den relt I„ de Wel die zoo wel als gem. menschen 7 1 menschen voor oogen gesteld hadden, hun onwettig en onbillyke gedoente dog dat het veel moeijte gekost hadde om deselve van hun onbetaamlyk bedryf te over„ tuijgen, hebbende onder die menschen zelfs geweest die aan Sr de Wet hadden gevraagt of hy een geloofs brief van de Regering hadde; dog waarop gem Sr de niet aan henz: weeder had gesegt gil. vraagt mij om een geloofs brief waar waarom hebt ge aan van Reenen ook niet gevraagt of hij eene geloofs brief hadde, er onder die menschen geweest, waaren die daarop hadden hervat Ja, dat is ook waar dat hadden wy ook wel mogen doen zynde vervolgens de voorsz goederen soo als deselve op de wagensgeladen waaren, opgeveijlt en verkogt geworden, dan dat deselve zoo een laage prys by de vendutie gehaald hebben, was daar van daan gekoomen, dat de buytenlieden onderling hadden afgesprooken en bestemd, dat zig niemand hunner zoude mogen onderstaan om op de goederen die op iemands anderen weegen geladen waren te moogen bieden; sonder dat voorsz sij de wet op den tel„ hetselve beletten konden overmits niemand op die goederen bod gedaan hadden als de geenen op wienswagen de opgeveilt werdende goederen sig bevonden. betuygende den relt. dat voorsz: P„r de aan de buytenlieden had gepreesen¬ wet teerd soo hem relt het lest geheugd Viftig Ryxd„s soo wanneer se twee oxhoofden Brandewyn na de Coub wilden brengen, dog dat deselve zulx ge¬ weijgert hadden; leggende den rel Laastelyk dat door voorsz P„r de wet zyne van de Weledele Gestrengen Heere verkreegene, en by zig gehad Gouverneur hebbende hebbende acte van qualificatie of gelooft brief van het strand aan de aanweesende Landslieden is voor geleesen geworden. Niets meer relateerende geeft den rel„t voor reedenen van weetenschap als in den text. bereyd zynde het zelve met Eede te staven, — /onderstond./ Aldus gerelateerd, aan Cabo de goede Hoop, den 7 Augustus 1783 voor d' E E Gerrit Hendrik Cruywagen, en Hendrik Le sueur leeden uyt den E agtb Raad van Justitie voorm: die de minute deeses benevens den Comp„t ende my geswoore Clerq meede behoorlyk hebben, ondertekent /Lager/ T welk ik getuyge /was gete„ kend/ H: L: Bletterman gesworre Clercq. — Compareerde voor ons ondergetekende gecom„ mitteedens uijt den E agtb. Raad van Justatie deeses gouvernements, voormelde Christiaan Godhelp Rudolphi, dewelke deese zyne voorenstaande verklaring van woorde tot noorde klaar en duydelyk voorge leesen weesende verklaarde daarby te blyven persisteeren met begeerde dat er niets meer bygevoegt ofte van gedaan werden zal; En sprak dierhalven her bevestiging der waarheyd van dien ter praesentie van den burger Daniel Verwij als gemagtigde van mons Jacob van Reenen de Solemneele woorden: Soo waarlyk help mi god almagtig /onderstond/ Aldus gerecolleerd en b'Eedigt aan Cabo de Eecollement. - goede 8 had 2 de

NL-HaNA_1.04.02_10660_0586 view scan ↗

English

Good Hope, the 24th of June 1784 was signed G Rudolphi lower present signed L: Blitterman sworn Clerk in the margin: signed as commissioners G H: Cruijwagen and I: Karnspek. Weethling. Agrees G Secret:s. 24 L: D Copy for the Honorable Company Relas given before the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government and at the requisition of the junior merchant and Landdrost of Stellenbosch and Drakensteijn S:r Daniel van Ryneveld by and on behalf of the first mate Christoffel Schultz of competent age, having been posted on the Danish Asiatic Company ship Nicobar stranded around the Soetendaals Valleij, reading as follows. That the relator having arrived on the 11th of July 1783 in the evening after sunset from the wreck Nicobar with injured hands and legs onto the rocks on the beach, and having spent the night on the ground, the relator came the next day in the evening to a house about three miles from the beach, belonging to a man named Marthinus Marcus, who, having retrieved on the 13th thereafter the injured people lying on the beach with his wagon, showed both him, the relator, and the other remaining ones all service and help, as much as was ever within his power; the relator the orphan master having asked him for paper to write to S:r Hendrik Justinus de Wet towards here, the said Marcus had stated having no paper, and that he would go to the beach to see if paper had washed ashore, as the same Marcus then also had done, while the relator during that time had proceeded to another house, and having also arrived there, a certain person who having said he was a servant of the Veldwagtmeester, the relator had recounted to the same the misfortune of him and his fellow shipwrecked crewmen, which person thereupon had said to the relator that it was a matter for the veldwagtmeester, and which person the relator having followed to his house, upon his arrival there gave notice of the event to the veldwagtmeester and requested the proper assistance, namely to have a guard kept by the washed-up goods and to deliver for him, the relator, a letter to the aforementioned S:r De Wet, to which the same directly had shown his willingness. That the next morning the aforesaid Veldwagtmeester having proceeded to the beach with some men and the relator, and having arrived there, had a proper guard posted by the goods already washed ashore, goods consisting of a quantity of boxes and barrels with Wine, Brandy, Beer and some other goods more, and at the same time such good order that little or nothing of importance could be lost, just as the relator, when he had been to the house the day thereafter to have the wounds on his legs dressed, upon his return to the beach found everything in the same good state and order as he, the relator, had left it, at which time the same veldwagtmeester also having come to the relator, had handed over to him, the relator, a small glass with gold dust, together with a set of pinchbeck buckles and other small items along with some remnants of cloth, about Thirty Ells, which goods he, the veldwagtmeester, had caused to be taken from a Hottentot, whereupon the relator had proceeded again to his lodging at the aforesaid Pieter Marcus. That the following day two persons who called themselves Jacob van Reenen and Kok having come into the house of the aforesaid Pieter Marcus, the aforesaid Jacob van Reenen had substantially said to the said Marais, in the presence of him, the relator, and the boatswain Cornelis Petersen present there, the boatswain's mate Jens Belsen and the quartermaster Jan Kermis: you can take what you can get of of the goods from the ship that has stranded, but what belongs to the crew, and they say that it is theirs, that you must give to them, but all the remaining goods are lawful prize and belong to those who salvage them; after which the aforesaid van Reenen, Kok, Marais with the rest having proceeded to the beach and having arrived there, the said van Reenen in the presence of the aforesaid Kok and Marais had substantially said to the country folk present there: take what has washed ashore there, it is lawful prize, and whatever accountability must be given for it or whatever comes of it, I will take upon myself, for in the whole world it is a custom that when a foreign ship strands the goods are prize, adding substantially thereto: I have been in England and have seen a Dutch ship strand there where they acted, as I have said, over and above that they there even stripped the salvaged crew of their clothes. That the country folk present there having thereupon come to the said van Reenen, had complained that they were not allowed by the veldwagtmeester to take away anything from the washed-up goods, the same van Reenen substantially again having said to the same folk: it

Dutch transcription

goede Hoop, den 24 Iuny 1784 /:was ge„ G Rudolphi /lager / my praesent/ rekent/ getekent/ : L: Blitterman geswoore Clercq /: /in margine:/ als gecommitt, s getekent/ G H: Cruijwagen en I: Karnspek. Weethling. Accordeert G Secret:s. 24 L: D Copia voor d' E Comp Helaas gegeven ten overstaan van de ondergeteekenden gecommitteerdens uyt den E agtb: Raad van Justitie deeses gouvernements en ter requisitie van den onderkoopman en Landdrost van Stellenbosch en Dra„ kensteijn S„r Daniel van Ryneveld door ende van weegens den op het omtrend de Soetendaals Valleij gestrande Deensch Asiatisch Comp schip Nicobas bescheyden geweest zynde opperstuurman Christoffel Schultz van Competenten ouderdom Luydende als volgt. Dat den rel„t op den 11 Julij 1783, 's avonds na Zons ondergang van 't wrak Nicobar met geschondene handen en beenen op de kleppen aan het strand aangeland zynde, en op de aarde, door nagt hebbende, was den rel„t 's daags daarna des avonds in een huys omtrent drie myzen van het strand, by een man genaamt Marthinus Marcus gekoomen, den „welken, den 13 daar aan 't beschadigde volk 't welk op het strand lag met zyn wagen afgehaald, hebbende, zoo wel hem tel, als de andere overiga alle dienstwaardigheyd en hulpe beweesen, zoe veel maar imers in zijn vermogen was, den helt hem den weesmeester hem om papier om aan Sr. Hendrik Justinus de Wet naar herwaards te schryven gevraagt hebben had gem Marces betuygd, geen papier te hebben, en dat hy haar strand zou gaan om te zien of er papier opgespoeld wel, gelyk denselven Marcus dan ook gedaan had, terwijl den relt. in dien tyd naar eenen anderen huys zig begeeven had, en alwaar meede gekomen zynde, zeeker persoon denwelken gesegt hebbende een knegt van den Veldwagtmeester te zyn, den rec„t het ongeluk hem en zyne meede schepbreuk geleedene schepe¬ lingen aan denselven had verhaald welke persoon daarop aan den zelt gesegt had, het een zaak van den veldwagtmeester te zijn, en welken persoon den relt. naar zyn huys gevolgt zynde, by zyn reets komst aldaar aan den veldwagtmeester van het geval kennisse gegeven en om de behoorlyke adsistentie had versogt, net by de opgespoelde goederen de wagt te willen laten houden en voor hem relt brief aan bovengem S„: De Wet„ te besorgen, waartoe denselven direct. zyn bereydwilligheyd betoond had. — Dat 's anderen daags des morgens - den voorsz Veldwagtmeester met eenige manschappen en den zelt naar het strand zig begeeven hebbende, en aldaar gekoomen zynde, bij de reeds opgespoelde goederen goederen bestaande in een parthij kossen en vaten met Wijn Brandewijn, Hier en eenige andere goederen meer een behoorlyke wagt had doen stellen en teffens een zodanige goede ordre dat er wynig of niets van belang konde vollooren gaan, gelyk den relt dan ook wanneer daags daar aan om de winden van zyne beenen te doen verbinden naar huis geweest was, bij zijn te rug komst aan het strand alles in nien dien goeden staat en ordre bevonden, als hij rel„ het verlaten had, als wanneer denselven veldwagtmeester ook tot den Eel„f gekoomen zynde, aan hem rel„t overhandigt had, een glaasje met goud, stof, beneuns een quarnitiur pensbekken gespen en andere klynigheeden neevens eenige Lappen Zaken, omtrend Dertig Ellen, welke goederen hy veld„ wagtmeester van een hotten tot had„ doen afneemen, waarop den rel„ zig wederom naar zyn Logement tot voorsz Pieter Marcus had begeeven. — Dat 's volgenden daags twee persoonen die zig noemden Jacob van Reenen en Kok in het huys van voorsz Pieter Marcus gekoomen zijnde, den voorsz Jacob van Reenen aan gem Marais, ter praesentie van hem tet. en de aldaar zig bevindende Boutsman Cornelis Petersen, den Bootsmans maat: sens belsen en den quartier meester Jan Kermis sub stantieelyk gesegd had gy kunt neemen wiet gy krygen kunt van d van de goederen van het schip dat gestrand is, maar wat het volk toekomt, en zy zeggen dat hun behoord, dat moet gry hun geeven, maar alle de overige goederen zyn goede Prys en behooren aen die geenen, die deselve bergen, waarna voorsz van Reenen Kok, marais met den rest hun naar het strand begeeven hebbende en aldaar gekomnen zynde, had gem van Reenen in praesentie van voorsz Kok en Marais aan de aldaar aan¬ weesende Landlieden substantieelyk gesegt, neemt wat daar opgespoeld is, het is goede Prys, en die verantwoording dier er van te doen is of die es van komt, wil ik op my neemen, want het is in de geheele waareld een gebruyk dat wanneer een vreemd schip strand de goederen prijs zijn, voegende substantieelijk nog daarbij ik hen in Engeland geweest en heb daar een Hollandsch schip zien stranden waarmeede in men, gelyk ik gesegd heb, heeft gehandelt, boven en behalven dat zy aldaar nog t geborgene volk. de kleederen hebben uitgetrokken. — Dat de aldaar aanweesende Land leeden daarop by gem van Reenen gekoomen zynde, zig beklaagd hadden, dat zij voor den veld¬ wagtmeester niets mogten wegnemen van de opgespoelde goederen, den selven van Reeren substantieelyk wederom lieden gesegt had, aan deselve het

NL-HaNA_1.04.02_10660_0593 view scan ↗

English

it was not the business of the field cornet, as his duty was only to see to the burial of the washed-up dead, and to give a report to the Landdrost of what occurred in his district, but to forbid people from taking anything away was entirely not the business of him, the field cornet. That before the aforesaid van Reenen had arrived there, the relator does not know that anything, at least of any importance, had been taken away, but indeed since the arrival of the same van Reenen, as the country folk who were present there, directly upon the declaration made by the aforesaid van Reenen, took away everything they could master; whereupon the relator having ridden home with the aforesaid persons, the aforesaid van Reenen in the evening, in the hearing of the aforesaid persons, had repeated his oaths made on the beach, with the substantial addition: I wish I were to collect here, and then I would know what I had to do. That the same, having gone to the beach again the next morning, had upon his arrival there found everything in the greatest disorder, as everyone loaded up whatever they could master of the washed-up goods, for the same country folk had come to blows with one another over the aforesaid goods, and whoever among them was the strongest took the most. That the same, finding his coat lying on one of the bushes and wanting to take it off, one of those country folk had come up behind him, asking substantially: who gave you permission for that? To which the relator had replied that that coat belonged to him, whereupon that countryman, who is known to the relator by appearance but not by name, had replied: I laid it there to dry and therefore it is mine, at the same time giving the relator several blows across the back with a sjambok, adding substantially in his Dutch: run off to P V Sou, damned motherfucker. That the relator having on the 19th following, for the last time, gone to the beach and by the wreck, had encountered there on the beach a party of people with their wagons who, just as they pleased, mastered whatever they found, just as the same persons even took the pieces of the wreck and other small items with them as quickly as they could, whereupon the relator left the beach. That the relator, having subsequently departed on the 21st of July with the wagon of the aforesaid Marais from the same, finally arrived here safely with the remaining people in a wagon hired by the aforesaid J De Wet. The relator attests that the day before yesterday, having been requested to come here by the Lieutenant of the Burgher Infantry, Arout Johannes van Reenen, he, the relator, had also gone thither, and upon his arrival, having been asked about the whole aforesaid affair by the aforesaid Arout van Reenen, where his brother Monsieur Jacob van Reenen had in the meantime also arrived, and the same having been recounted to him by the relator, the said Jacob van Reenen had said substantially: I did not say it like that, and even if I had said it, they should not have done what I said, for if I had said to jump into the fire, they certainly would not have needed to do it, nor would they have done so, and in any case no one dares nor can do anything to me on that account; I may give twenty-five rixdollars, and that will be all, and then he, Jacob van Reenen, would also know what his father would write to the relator's principals in Europe. Declaring nothing more, the relator gives as reasons of knowledge as in the text, and therefore spoke, in confirmation of the truth thereof, the solemn words: So help me God Almighty. Underneath was written: Thus related, re-examined, and affirmed under oath at the Cape of Good Hope, the 7th of August 1783, before the honorable Gerhardus Hendrik Cruywagen and Hendrik Le Sueur, members of the honorable Court of Justice aforesaid, who have duly signed the minute hereof along with the relator and me, the sworn clerk. Lower down: Which I witness, was signed: H: L: Hetterman, sworn clerk. Agrees. Appeared before us, the undersigned commissioners from the honorable Court of Justice of this government, the boatswain Cornelis Pietersen, of competent age, having been aboard the Danish Asiatic Company's ship Nicobar, stranded near the Rietvals Vallei, who at the requisition of the junior merchant and Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, the honorable Daniel van Ryneveld, declared it to be true: That when on the 10th of July the stern of the ship struck forward, the deponent having arrived at sea upon the lashed spars with the captain of the Company's vessel Andreas Christi, the coopers, and several others, came off them again and onto the mizzen top, where six more men were located, upon which mizzen top they, being seven with him, had sheltered for nearly two hours, when suddenly a breaker swept them all off it again; but he, the deponent, got onto the aforesaid mizzen top anew and remained upon it until after sunset, when he was swept off the same top again by the sea and was struck in his groin by a piece of spar, just as he, the deponent, at the same time being thrown once again onto the top by a second sea, was thus finally drifted away from the land around midnight. That the deponent having remained lying on the beach in that condition, full of pain and misery, until the morning, when the chief mate Schultz came to him, the deponent, and having seen him, the deponent, proceeded away from the deponent along the beach, and upon his return for the honorable Company

Dutch transcription

het niet de zaak van den veld¬ wagtmeester te zyn, alsoo zyn zaaken alleen was, om de opgespoelde dooden ter aarde te besorgen; en aan de Landdrost rapport te geeven van het geen in zyn district passeerde maar menschen te verbieden iets weg te neemen, was in 't geheel de zuuke van hem veldwagtmeester met Dat voor ende aleer den voorsz van Reenen, aldaar gekoomen was, den rel: niet weet, dat er iets ten mindsten van eenig belang zoude zyn weggenomen, maar wel zedert de komste van denselven van Reenen, alsoo de Zandleden die aldaar priesent waaren, direct op de decuratie door voorsz van Reenen gedaan, alle het geene weggenomen hebben, was zy meester konde werden; waarop den reqt met de voorsz Persionen na huys gereeden zynde voorsz van Reenen savonds ten aanhooren van de voorsz Persoonen zyne Eede aan het strund gedaan, had hervat met Sukstantreele byvoeging ik winschte wel hier te innen en dan zou ik weeten wat ik te doen had. — Dat den telf 's anderen daags 's morgens zig wederom naar het strand begeeven hebbende, by zyn komst aldaar alles in de grootste disordre had aangetroffen alsoo een ieder van de opgespuelde goederen oplade het geen hij meester konde worden, want deselve Land„ Landbieden met elkanderen handgemeen geworden waaren om de voorsz goederen en die van hum het sterkste was het meeste naaste. — dat den telf zyn Rok op een der Busschen vindende leggen het zelve daar afhebbende willen neemen een dier Landlieden by den reet gekomen was, substantieelyk vragende wie heeft en permissien daartoe gegeven. op het welk den rel„t geantwoord had, dat dien Rok hem hebt zelve behoonde waar op dien Landman die den relt wel van Persoon dog niet van Naame kent gerepliceert had: ik heb het daart te droogen gelegt en daarom is het min, teffens den relt eenige slugen, met een Sjambok over de rugge gegeven, voegende substantieelyk op zyn Hollandsch daarbi Loop nae P V Sou verdoemde Moerneuker. Dat den rel den 19. daar aan volgende voor de Laatste Rhise zig naar strand en by het vrak ƒ begeeren hebbende, aldaar aan strand aangetroffen had een parthy Volk met hunne vogens die zig gelyk lievoens meester maakte van het geen zij vonden, gelyk. deselve persoonen zeefs de stukken van het, wrak en andere klynigheeden, na hun namen zeo, spoedig zij kende, waarop den relt. het strand heeft verlaoten: Dat den rel, vervolgens den 21 July met de wages van voorsz Marais van den selae vertrocken zynde, eyndelyk met een door voorsz J De Wet afgehuurde wagen alhier met het overige volk behouden is gearriveerd. — Betuygende den telt op voor„ gisteren by den Lieutenant der Burger. In Canterij Aront Johannes van Reenen, alhier versogt geworden zynde, hy ult zig ook derwaards had begeeven, en by zyn komst door voorsz Aunt van Reenen, alwaar desselfs Broeder Mons Jacob van Reenen intusschen meede gekoomen was, na het geheel voorsz geval gevraagd geworden zynde, en door hem rel hetselve aan hem verhaald zynde, had gem Jacob van Reenen sub¬ stantieelyk gesegt, zoo heb ik het niet gesegt en al had ik het ook gesegt: dan moesten zy niet doen wat ik zeyde, want zoo ik gesegd had in het vuur te springen, dan zouden zy het immers niet behoeven te doen, of gedaan hebben, en in alle gevalle durf nog kan men mij desweegens niets doen ik mag een Vif en Twintig Rexd„s. geeven, en dat zal al zin en dan zoude hy Jacob van Reenen ook wel weeten wat zyn vader aan den rects. principalen naar Europa zoude schreyven— Niets meer verklaarende geeft den rel„t voor reedenen van weetenschap als in den text en sprak dierhalve ter bevestiging der waarheyd van dien de solemneele woorden soo Waarlijk help my god almagtig /onderstond/ Aldus Gerelateerd, Gerecolleerd en B'redegt aan Cabo de goede Hoop, den 7 Augustus 1783 Voor d' EE Gerhardus Hendrik Cruy waigen en Hendrik Le Sueur, Leden uyt den E agtb raad van Justitie voorm die de minute deeses benevens den relt. ende my gesw Clercq meede behoorlyk hebben ondertekent /Lager T welk ik getuyge /:was getekent/ H: L: Hetterman gesw Clercq Accordeert larnling sietel L: 8 Co ƒ C0 prs Compareerde voor ons Ondergetekende gecommitt„ uijt den E agtb Raade van Justitie deeses gouvernements, dan op omtrent de Pietendals Valli gestrande Deensch asialisch Compagnies schip Nicobar beseyden geweesst zinde Bootsman Cornelis Pietersen ouderdom, dewelke ter van Competenten requisitie van den ondercoopman en Landdrost van Hellenbosch en Drelensteyn d' E Daniel van Ryneveld verklaarde hoe waar is Dat den Comp„s wanneer op den 10 Juli d'agtersteeven van 't Schip voorwaards sloeg met den Capitain van des Comps bodel Andreas Christi den Kuypers en meer anderen in zeg op de te zaamen gesorde rondhouten aangekoomen zynde, wederom daaraf en op de kruijs mars waarop nog ses man zig bevonden wat ter houw gekoomen op welke kruys mars zylieden met hem seeven zig byna twee uuren hadden geborgen, als wanneer eens Klaps een Stortzee hun alle wederom daarafgeslagen had; dog was hy Compt op de voorsz Kruysmans op Nieuws aangekomen en zig daarop onthiuden tot na zons ondergang, wanneer hij bnys wederom van deselve mans afge„ slagen en door een stuk rond hout in zyn kruys was getroffen gelyk hy Comp„ ter zelver tid door een tweede zee alwederom op de Mhans geworpen zynde, dusdanig eyndelyk omtrent midderagt van Land is gedreeven. — Dat den Comp in dien toestand vol pyn en elende on't strand zynde blyven leggen, tot des morgens, wanneer den opperstuurman Schultz bi hem Comp gekoomen en hem Comp„t gesien had zig van den Comp Langs het strand begeeven End, en by zyn te rug voor d' EComp kemst

NL-HaNA_1.04.02_10660_0598 view scan ↗

English

came the deponent, covered with some washed-up rags that he had found on the beach, and also gave to the deponent a bottle of wine found there, after which the aforesaid chief mate had departed from the ship, in order to see whether any house or dwelling could be found. That on the same day in the afternoon, two persons came from the beach to the deponent there, whom he, the deponent, took to be country folk, and of whom one, who was called Marthinus Marais, promised the deponent that he would come to fetch him the next day with the wagon, which he also did; the deponent went with him, taking along the boatswain's mate and quartermaster, together with the sailor Jens Christense, riding to the house of the aforesaid Marais. That the deponent, having arrived there at the house of the aforesaid Marais, the deponent, along with his unfortunate fellow crew members and the chief mate Schultz, whom he, the deponent, found there in the house, was very well received by the household, and they also took such good care of him, the deponent, while he could not help himself at all, that he, the deponent, improved day by day from the wounds he had received. That during the time the deponent had been there, a person came to that place who, he was told, was named Jacob van Reenen, having with him another person who was called the cook; the deponent had heard the said Jacob van Reenen say to Marthinus Marais: that he should take from the stranded goods whatever he could get, but whatever belonged to the people, that had to be handed over to them; for all the other goods were prize and belonged to those who came to salvage them. That thereupon the said Marthinus Marais sent his wagon to the beach and having had some stranded goods brought with it to his house, the deponent had seen lying there in the house two hogsheads, an empty leaguer, and a water cask, together with some planks of the ship, as well as two anchors of brandy and two cases of gin, as well as some guns; after which the deponent on 23 July, with one Christiaan Vlok, together with the mate Schultz and the boatswain's mate Jens Olsen, had ridden towards the Cape. They then had also encountered on the road the quartermaster Johannes Hermis, the sailor Jacob Christense, and a French sailor who had come on board with them in False Bay, together with a black man and a black woman, who, some days before the deponent had departed from Marthinus, had gone ahead on foot; after they had been underway for one day, four wagons had come towards them, which said they wanted to ride to the wreck, since they had heard that an auction of the stranded goods would be held there; wherefore the mate Schultz had turned back again with the said wagons, while the deponent with the other shipwrecked persons departed towards the Cape and arrived here on the twenty-ninth of the said month of July. Declaring nothing further, the deponent gives for reasons of knowledge as in the text and therefore spoke, in confirmation of the truth thereof, the solemn words: So truly help me God Almighty. Underneath stood: Thus passed, reviewed, and sworn at the Cape of Good Hope on 7 August 1783, by interpretation of the sailor Carel Edwald Ziervogel, before the honorable Gerrit Hendrik Cruywagen and Hendrik Le Sueur, from the Honorable Court of Justice aforesaid, who have duly signed the minute hereof together with the deponent and the interpreter, as well as me, the sworn clerk. Lower: Which I witness. Was signed: H. L. Bletterman, sworn clerk. Agrees. P. Veerkring. Copy. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, having been stationed on the Danish Asiatic Company's ship Nicobar, stranded near Soetendaals Valley, the boatswain's mate Jens Olsen of competent age, who, at the requisition of the Junior Merchant and Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, the honorable Daniel van Ryneveld, declared it to be true: That, after the deponent's assigned vessel was stranded on 10 July of this year at the so-called Soetendaals Valley, the deponent, with the quartermaster Johan Fermas, came ashore the next day in the afternoon at about four o'clock and, having proceeded further inland, in the evening, by estimation well after ten o'clock, discovered a house, whither they went, and thus came to one Marthinus Marais, living fully three miles from the beach, where the next day towards evening the mate Schultz also came, who told them that of their people four white and four black male persons, together with one female person, had also been salvaged, who all lay on the beach without being able to go further; wherefore the aforesaid Marthinus Marais, the following day, fetched these persons with his wagon.

Dutch transcription

komst den Conijs met eenige opgespoelde Lappen zaaken, die hy aanstrand had gevonden bedekt, en ook een aldaar ge vordere bouteille wyn aan den Comp gegeven, waarna voorsz opperstuurman van den mnyt zig begeeven had, ten Eynde te zien of geen huys Wooning vande Kinde— Dat denselven daags 's nademiddags bij den Compt. aldaar van strand gekoomen zynde twee persoonen die hy Compt. voor Landlieden aansag en waar van de eene die Marthinus Manais genoemd werd den Compt beloofde des anderen daags met de wagen te zullen konen of halen gelyk denselven ook gedaan had, was den Compt met denselve meede, brengerde den Bootsmansmaat en quartiermeester nevens den Mattroos Iens Christense naar 't huys van den voorsz Marrais gereeden. Dat den Comp„ aldaar ten huyse van voorsz: Marrais gekoomen zynde, was den Comp„s nevens zyne ongelukkige meede scheepelingen en den opperstuurman Schulteh„ die hy Compt, aldaar in huys aantrof, van de huysheden zeer wel ontfangen, gelyk deselve ook zoo goede zorge voor hem Comp terwyl zig in't geheel met zelve konde helpen draegen dat hij Comp Dag aan Dag met zine bekoomene wonden beterde den Dat geduurende den tijd dat ^ Comp„ aldaar was geweest, daar ter plaatse was gekoomen een persoon die hem was gesegt Jacob van Reenen genoemd te zyn, by hem hebbende nog een persoon die kok genaamd vierd, den Conis, gemelde Jacob van Reenen tot Marthinus Marrais had hooren zeggen; dat hy van de gestrande goederen moest neemen, wat hi maar krygen kende, dog wat 't volk toeqaam, het selve aan hun moest overgegeven werden; want dat alle de overige goederen prys waaren en die geene toebehoorden die deselve quamen te bergen. - Dat daarop gemelde Marthinus Marrais zynen wagen na 't strand gesonden en daar meede eenige gestrande goederen na zyn Huys hebbende doen brengen, had den Compt aldaar aldaar in huys sien leggen twee oxhoofde Een Leedige Legger en Een Water vat benevens eenige planken van 't Schip, mitsgs twee ankers Brandewijn en twee kelders, Genever, als meede eenige geweeren, waarna den Compt op den 23 July met eenen Christiaan Vlok benevens den stuurman Schultz en den bootsmans maat Jens Olsen baabwaards gereeden waaren, zy toen op den weg ook hadden aangetroffen den quartier meester Johannes Hermis den mattroos Jacob Christense, en een fraische mattroos die inde Baay fals by hien aan Boord was gekoomen, mitsgaders een swarte man en een swarte vrouw, die eenige Daagen voor dat den Comp van Marthinus vertrocken te voet voor ^ zynde hun na dat eendag onderweegs geweest waaren was gegaan vaaren ^ viernaagens te gemaed G gekoomen die na 't wrak seyden te willen rijden, vermits gehoord hadden, dat aldaar van de gestrande goederen vendictie soude werden gehouden, sulx den stuurman schultz met gemelde wagens weeder ƒ was te rug gekeert, terwyl den Comp„ met de andere strandelingen Caubwaards vertrockten en op den Neegen en twinstigsten der gemelde maand Julij alhier gearriveert was Niets meer verklarende geeft den Comp, voor reedenen van weetenschap als in den text en sprak dierhalven ter bevestiging der waarheyd van dien de solemneele woorden: soo waarlyk help my god almagtig /onderstond/ Aldus gepasseert, Gerecolleert en b' Eedegt aan Cabo de goede Hoop den 7 Augustus 1783 on vertalking van den Mattroos Careld Edwald Ziervogel voor d' EE Gerrit Hendrik Cruywagen en Hendrik Le Sueur inden uyt den E agtb Raad van Justitie voormeld, die de minute deeses benevens den Compt. ende den vertolker mitsgaders mij geswoore Clercq meeden behoorlyk hebben ondertekent /Lager/ T welk ik getuijge /was getekend/: H: L: Bletterman gehervne „ koomen a kege t den de 1 geven e en lk aes L: P. geswoore Cariq. — Accordeert. — P Veerkring s.ove t Co pik Compareerden voor ins ondergesde gecommitt„s uijt den Eagtb Raad van Justitie deeses gouvernements, den op t omtrent de Seetendaals Valley gestrande Deensch asiatisch (myp schip Nicobas bescheyden geweest zynde bootsmans maat Jens Obsen van Competenten ouderdom, dewelke ter requisitie van den onderoopman en Zandvrost van Hellenbosch en Drakensteyn d E Daniel van Ryneveld, verklaarde hoe waar is. - rts Dat, nadat des Comps bescheyden bodem op den 10 Julij deeses Jaars aan de Eoogenaam de Soetendaals Vally gestrand was, den Compt met den quartiermeester Johan Fermas„ sanderen daags nademiddags omtrent vier uuren aan Land waaren ge¬ „raakt en voorts Landswaards in gegaan zinde, savonds de koeke na gissing ruim thien Uuren een huys ontdekt hadden verwaards zij hun begeeven hebbende, dus by eenen Marthinus Marcus gekoomen waaren, woonende wel Drie Meylen van Lt Strand, alwaar s daage daaraan teegen den avond meeder gekoomen was, den stuurman Schultz die tot hun had gesegd, dat van hen valk nog waaren geborgen, vier witte en vier swarte manspersoonen benevens een vrouws persoon; dier alle aanstrand Lagen zonder verder te kunnen gaan, dus voor z mar thinus Marais & volgende daags dier personnen met zynen ad Plae (voor d'EComp. nagen 2 „

NL-HaNA_1.04.02_10660_0602 view scan ↗

English

wagon fetched, the deponent having ridden with the said Marrais also to the beach and, together with the same Marais, had remained on the beach that night, but had sent the above-mentioned persons to his farm, whither the often-mentioned Marais followed the next morning, having taken along some washed-up clothes both for him and the other castaways. That the deponent, having subsequently gone daily to the beach, had seen the field-watchman guarding the washed-up goods; the deponent having, returning on a certain day, met the First Mate Schultz together with the mentioned Marrais, and in addition two strange persons or persons unknown to the deponent, who were riding to the beach, the deponent, however, not knowing that before that time anything of importance among the washed-up goods had gone missing, but indeed that during that time the farmers took away and transported from there all the washed-up goods, which had consisted of barrels of tar, pipes, planks, hogsheads, leagers, cases with gin, and more of the like. That when the deponent had been on the beach for the last time, he had seen nothing else there than the wreckage of the shattered ship, together with old woodwork and some old planks. Declaring nothing further, the deponent gives as reasons for his knowledge as in the text and therefore, in confirmation of the truth thereof, spoke the solemn words: So help me God Almighty. Underneath stood: Thus passed, reviewed, and sworn at the Cape of Good Hope, the 7 August 1783. Upon translation by the Matross Carl EEdwald Liervogel before the Honorable Gerhardus Hendrik Cruywagen and Hendrik Le Sueur, members of the Honorable Court of Justice, who, along with the deponent and the interpreter, as well as me, the sworn clerk, have properly signed the minute of this. Lower: Which I witness. Was signed: H. L. Bletterman, sworn clerk. Agrees. Beerlang, Secretary. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, Quartermaster Jan Hermer, of competent age, who was stationed on the Danish Asiatic Company's ship Nicobar, stranded near the Soetendaals Valley, who, at the requisition of the Junior Merchant and Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, the Honorable Daniel van Ryneveld, declared it to be true: That when the vessel Nicobar, on which the deponent was stationed, after it had departed on the 10 of the past month of July from the False Bay, stranded on the following day, or the 11 of that month, at the so-called Soetendaals Valley; the deponent, along with the boatswain's mate Den Velsen, having set off for land with the boat from the wreck, in which he had been with eight more men, but that this boat meanwhile was also smashed to pieces, the deponent and the mentioned boatswain's mate alone having reached the shore, and all the others having perished; this being in the afternoon around four o'clock. That they, having gone further inland to look for a house, found a house around ten o'clock in the evening by estimation and went there, the man of that house, whose name they subsequently heard was Marthinus Marais, having taken them for deserters, but that they, having told him of their adventure, the same had said to them that they could remain there that night, but that he would ride to the beach the following day and see if it was as they said, which the same also did the following day; that man, however, having received the deponent and the aforesaid Delsen kindly, and to the best of his ability, as it seemed to them, showed all humanity. That the deponent does not know that any of the goods washed up from the wreck had gone missing, before a man who, as the deponent heard, was named Jacob van Reenen, had come to the house of the aforesaid Marais with yet another person, and had substantially said that the goods that had washed up on the beach, according to the laws of the land, belonged to the farmers and that they could take the same away; unless they were goods of the ship's crew, to whom, if they said that such belonged to them, the same had to be given back again, with the further addition: but the other goods are prize, for it is not a Dutch Company ship, you can take what you want, for it is good prize. That after the aforesaid Van Reenen had said such to the people present there at the house of the aforesaid Marais, the deponent had gone to the beach and seen standing there several wagons upon which stranded goods were loaded, without the deponent knowing to whom those wagons belonged; the deponent having at the same time noticed that most all of the stranded goods had already been carried away from there, and the aforesaid Marthinus Marais, before the mentioned Van Reenen had been there, had likewise taken to his house some salvaged clothes, which the same had given to the deponent and his companions who were there.

Dutch transcription

37 „ wagen gehaald, den Comp met den selle Marrais meede nat strand gereeden en benevens denselven Marais dien nagt aan 't strand verbleeven waaren, dog de bovengem persoonen na zyn- plaats gesonden had, werwaards den beuyt gem Marais s volgenden morgens gevolgt en eenige opgespoelde kleederen soo voor hem als de andere strandelingen meede genomen hebbende Dat den Comp vervolgens dagelyks na t strand gegaan zynde, den veld wagtmeester op de opgespoelde goederen had zien passen, hebbende den Comp„ op zeekeren dog te rug keerende ontmoet den Stuurman Schultz benevens gem Marrais, en nog daarby twee vreemde of hem Compt onbekende persoonen, dewelke na te strand reeden weezende den Comp. egter niet, dat voor dien tyd iets van belang van de opgespoelde goederen wegt geraakt zyn maar wel dat in dien tyd de boeren alle de opgespoelde goederen weg genoomen en van daar vervoerd hebben, dewelke bestaan hadden, in tonnen Theer, bypen planken oxhoofden, leggers kelders met Jenever en diergelyke meer. — Sal wanneer den Comp, s de Laatste - maal aan strand was gemeent hy niets anders aldaar had, gesien als de Htuurij van & verbryselde schip benevens out hout werik en was oude planken. — Niets meer verklarende geeft den Com - 2 ƒ „ van d'Elo voor reedenen van weetenschap als in den text en sprak dierhalven ter bevesti„ ging der waarheyd van dien de Solemneele woorden: soo Waarlyk help mij God almagtig /onderstond/ Aldus Gepasseert Gerecolleert en Brudigt aan Cabo de goede Hoop, den 7 Augustus 1783. — by vertoeking van den Mattrigs Carl. EEdwald Liervogel voor d E E Gerhardus Hendrik Criuagen, en Hendrik Le Sueur reeden uit den E agtb raad van Justitie vorm die de minute deeses benevens den mijn ende den vertolker mitsg„s my gsworre Clercq meede behoorlyk hebben ondertekent / Lager/ T weik, ik getuijge /:was geteekend/ H L: Bretterman gesw Clercq Accordeert-- Beerlang Secrets en sielv creeden en aren en — elde bende veld oederen Comp„ de lz daarby de reeden dat Pt de guederen erd en lanken ver te en de 8 ks L„a 9 6 (voor d' EComp Compareerde voor ons ondergeteekende gecommitt„s uyt den Ed agtb Raad van Justitie deeses gouvernements, den op 't omtrend de Soetendaals Valley gestrande deensch asiatsch Comp„s schip Nicobas bescheyden geweest zinde quartiermeester Jan Hermer van Compettenten ouderdom dewelke ter requisitie van den ondercoopman en Landdrost van Hellenbosch en Drakensteyn St. Daniel van Ryneveld verklaarde hoe waar is Dat wanneer des Comps bescheyden bodem Nicobas, na dat op den 10: der afgeweekene maand July uyt de baaij Fuls vertrokken was 't zelve op den volgenden dag ofte den 11 dier maand aan de Tognoemde soetendaals valleij gestrand is; zynde den Compt niet, ende benevens den Bootsmans maat Den velsen met de boot van 't wrak waar in hy met nog Agt mannen geveelst was, na het Land afgestooken, dog dat die Bood intusschen meede aan stucken geslagen zijnde den Compt. en gemelde bootsmans maat alleen aan de wal gekoomen, en alle de anderen verongelukt waaren: zynde zulx geweest, in den nademiddag omtrent Vier uuren. — Dat ziL: voorts Landwaards en gegaan zynde, om een huijs op te zoeken, zyl: de klocke na gissing 's avonds wel Thien uuren een huys gevonden en zig derwaards begeeven, hadden, hebbende de man van dat huys, wiens naam zy vervolgens hoordden Marthinus Marais was, hun aangesien voor deser„ teurs, dog dat zyl denselven hun lotgeval verhaald hebbende denselve tot hun had gesegd, dat zyl dien nagt aldaar verbleeven konde maar dat hy s volgende daags na t straad C9p09 strand reijden en zien zoude of & zoo was als zy zeyden, t grnt derselven s volgenden daags ook gedaan had: hebbende dien man den Compt en voorsz delsen egter vriendelik ontfangen, en na zijn vermogen, zoo t hun toescheen, alle menschlievendheyd betoond. — Dat den Comp, niet weet, dat t van t wrak opgespoelde goed iets weg geraakt zyn zoude, voor en aleer een man die soo den Compt hoorde genaamd was Jacob van Reenen ten huise van voorsz Marais met nog een ander persoon gekoomen was, en substantieelyk gesegd had dat de goederen die op 't strand opge¬ spoeld waaren, volgens 's Lands regten, de boeren toequamen en deselve ziele weg neemen konden; ten waare het goederen van 't scheeps volk waaren aan 't welk zoo zij zeyden dat hun zulx toebehoorde hetselve wederom gegeven werden moest, met verdere bijvoeging; maar de andere goederen zyn prys want het is geen Hollandsch bonijs schip, gij kunt neenen wat gij wilt want tis goede Pryls Dat na dat voorsz van Reenen zulx ten huyse van voorsz. Marais tot de hun aldaar bevindende menschen gesegt had, had den Compt sig na het strand begeeven, en aldaar sien staan verscheijde wagens waarop van de gestrande goederen gelaaden waaren, sonder dat den Compt weet men die wogens toebehoorden; hebbende den Comp„t teffens ontwaard, dat de ge„ strande goederen, reets meest alle van daar weg geleden waaren en had voorst Marthinus Maraes, voor dat gem van Reenen aldaar was geweest insgelijx na zijn huys genoomen eenige geborgene kleederen, die denselven aan den Comp„t en zijne aldaar geweest zynde 1 -

NL-HaNA_1.04.02_10660_0607 view scan ↗

English

being also castaways had given, and so also some red and yellow things on which they had lain at night, as well as some goods; the aforementioned Marais having thereafter with two wagons fetched from the beach two hogsheads of brandy, one empty leaguer, and seven casks, besides two ankers of French brandy, and two cases of gin, as well as some ship's planks. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons for his knowledge as in the text, and therefore spoke, in confirmation of the truth thereof, the solemn words: So help me God Almighty. Underneath stood: Thus passed, re-examined, and sworn at the Cape of Good Hope, the 7th of August 1783, by interpretation of the sailor of the Honorable Company Carel Edwald Ziervogel, before the Honorable Gerhardus Hendrik Cruywagen and Hendrik Le Sueur, members of the Honorable Council of Justice aforementioned, who have duly signed the original hereof together with the appearer and me, sworn clerk. Lower: Which I witness. Was signed: H. L. Bletterman, sworn clerk. Agrees. F. Athlung, Secretary. Copy. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, Jen Christense, of competent age, having been stationed as a sailor on the stranded ship of the Asiatic Company named Nicobar, who, at the requisition of the Junior Merchant and Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Mr. Daniel van Ryneveld, declared it to be true: That after the wrecking of his Company's aforementioned vessel Nicobar near the Soetendal's Valley, the Captain Van den Heever, the cooper, one Johannes Koningsveld, and he, the appearer, went onto the spars and attempted to reach the land with them, but that the cooper was washed off by the breakers, while the appearer and the others came ashore alive, the time then being about six o'clock in the evening. That the appearer and the aforementioned Johannes Koningsveld thereupon went inland to look for a house, without, however, having discovered a house that night, so that the appearer parted from the aforementioned Koningsveld the following morning, because the latter could walk no further; the appearer having returned to the beach and found there the boatswain, who through the heavy pounding and injuring of his feet could not help himself, and also a sailor Hans, and the Chief Mate Schultz. That the appearer having remained on the beach that day and night with the boatswain, in the meantime a farmer named Marthinus Marais had arrived on the beach, who related to them that two of their crew had arrived at his place, he having made a fire for them on the beach that night, after which the following day the aforementioned Marais fetched them with his wagon and brought them to his house. Then the appearer had lain there without being able to walk, because his legs were very injured from the pounding; the people in the meantime while he found himself there in the house having been very helpful and friendly. That when one Jacob van Reenen had been there at the place and in the house, the appearer was not in the house, and thus did not hear that Van Reenen had allegedly said that all the goods that had washed ashore from the stranded vessel were prize for those who should come to salvage them; Chief Mate Schultz had related to the appearer that Van Reenen had said so, and had therefore also said to the appearer that he, the appearer, should see to salvage what he could get; the appearer having subsequently asked Jens Olsen, as well as the boatswain and quartermaster Johan Reruns about the statement of Van Reenen, who had assured the appearer that the aforementioned Van Reenen had in fact said so. The appearer attesting that when he had left the beach the first time, a multitude of goods that had washed ashore had been lying on the beach, but that when he, the appearer, subsequently came to the beach again, almost everything was gone, without the appearer knowing how it was removed. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons for his knowledge as in the text, and therefore spoke, in confirmation of the truth thereof, the solemn words: So help me God Almighty. Thus passed, re-examined, and sworn at the Cape of Good Hope, the 7th of August 1783, before the Honorable Gerrit Hendrik Cruywagen and Hendrik Le Sueur, members of the Honorable Council of Justice aforementioned, who have duly signed the original hereof together with the appearer and me, sworn clerk. Lower: Which I witness. Was signed: H. L. Bletterman, sworn clerk. Agrees. Underneath stood: Secretary.

Dutch transcription

zynde meede strandelingen had gegeven en soo ook wat rood en geel zaaken, op 't welke zyl 's nagts hadden geleegen, als meede eenige goederen, hebbende gem Marais daar na met twee wagens nog van 't strand gehuuld twee Oxhoofden Brandewyn, Een ledige Legger, en seeven Vaten benevens twee ankers fransch Brandewyn, en twee kelders genever mitsg„s ook eenige scheepsplanken. — Niets meer verklarende geeft den Compt voor reedenen van weetenschap als in den text en sprak dierhalven ter bevestiging der waarheijd van dien de solemneele woorden soo Waarlyk help mij god almagtig /onderstond/ Aldus gepasseert Gerecolleert en Beledigt aan Cabo de goede Hoop, den 7 Aug. s 1783 by vertolking van den mattroos der E Comp Carel Edwald ziervogel, voor d' EE Gerhardus Hen„ drik Cruywagen, en Hendrik Le Sueus leeden uit den E agtb raad van Justitie voorm die de minute deeses benevens den Compt ende my gesw Clercq meede behoorlyke hebben ondertekent / Lager/ T welk ik getuijge /:was getekent/. H: L: Bletterman gesw Clercq.— Accordeert. F Athlung Secrets h andsch heyde deren wee de daar thinnes daar s den en 1 L a Copia Compareerde voor ons ondergetekende gecommitt„s uijt den E agtb Raad van Justitie deeses gouvernement, den als mattroos op 't gestrande diens adsatische Comp:s schip Nicobas be„ scheyden geweest zynde Jen Christense van Competenten ouderdom, dewelke ter requisitie van den onder Coopman en Landdrost van Stellenbosch en Drakenstegn, S„r Daniel van Ryneveld verklaarde hoe waar is. Dat na 't omtrent de Soeland als Vally verongelukken van zyn Comp„s voorsz bodem Nicobas, den Capitain van den hiel de kuyper, eenen Johannes Koningsveld en hy binyt zig op de rondhouten begeeven en getragt hadden, daarmeede het Land te beryken, dog dat den Ruyker door de bran„ dingen door afgespoeld, maar den Comp=t net de andere Leevendig aan Land gekomen was, de Clocke toen wel omtrend ses Uuren in den avond geweest zynde Dat den Compt in voorsz Johannes - Koningsveld voorts Landswaards ingegaan 36 weesende, om een huis op te steken sonder dien nagt egter een huys ontdekt te te hebben zulx den Compt den volgenden morgen van gem Koningsveld ap¬ gescheyden was, dewyl denselven niet F meer gaan konde, hebbende den Comp. zig weeder na 't strand begeeven en aldaar den bootsman gevonden die door het sterk stooten en beseeren zynen voeten zig zeefs niet heepen konde hans Mattroos, en den en soo ook een rans stuurman Schultz:. Dat den Comp„t dien dag en nagt op 't strand verbleeven zynde, by den bootsman, intusschen aldaar aanstrand was gekoomen een Landbouwer en Name, Marthinus Marais, dewelke hun verhaalde, dat voor d' ECoup by bij hem op zijn plaats twee van hun volk waaren aangekoomen hebbende dien nilen voor hun aan Strand, voorts Vuieer aangemaakt, waarna den volgende dag voorsz. Marais hun met zyn wagen afgehaald en na zyn huys gebragt had, taen hadde Comp aldaar geleegen zonder te hebben kunnen, Lorpen, ter zaake zyne beenen seer gequest waaren; door 't slooken zynde het volk ondertusschen dat hy sig daar in huis bevonden hoe seer behulp „saam en vriendelyk geweest. — Dat wanneer eenen Jacob van Reenen aldaar ter plaatse en in huys geweest wa den Compt zig niet in 't huijs bevonden had, en dus niet te hebben gehoord dat van Reenen zoude hebben gesegt, dat alle de goederen die opgespoeld waaren van den gestrande bodem prys waaren, voor de geene die deselve quaamen te bergen hoog stuurman Schultz had aan de Comps verhaald dat van Reenen zulx had gesegt: en had daarom tot den ook gesegt dat hy Compt. moest Congh zien, te bergen nat hy krijgen konde hebbende den Compt vervolgens aan Jens Olsen, mitsgs den oortsman en baar„ tiermeester Johan Reruns na daa leggen, van van Heeren gevraagt, dewelke den Comp versekert hadden dat gem van Reenen zah in den daad had gesegt. — Betuygende den Comp, dat wanneer het Eerste maal het strand verlaaten had, op strand eene meenigde goederen had geleegen, dat op gespoeld was, dog dat wanneer hy Compt vervolgens weeder aan staand was gekoomen, byne alles weg geweest was, zonder dat den Corpt weet hoe 't weg geraakt is — Nots Niets meer verklarende geeft den Compt voor reedenen van weetenschap, als in den tent, en sprak dierhalven ter bevestiging der waarheijd van dien de sulemneele woorden. soo waarlijk help mij god Almagtig. — Aldus gepasseerd gerecolleert en 6. Eedign aan Cabo de goede Horp, den 7 Aug„s 1783 voor de E E Gerrit Hendrik bluywagen, en Hendrik Le Lueur, Leeden uijt den E agtb Raad van Justitie voormeld, die de minute deeses benevens den Comp„ ende my gesworre Clercq meede behoorlyk, hebben onderreken Lager t welk ik getuige. /:was getekent/. H: L Bletterman gesd Clercq. — Accordeert. - Veethleng /onderstond:/ Servels 9 g en had e 2 de 14 talle de e L„o

NL-HaNA_1.04.02_10660_0613 view scan ↗

English

Copy for the Honorable Company Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government, the sailor Johannes Koningsveld, aged sixteen years, who had been stationed on the Danish Asiatic Company ship Nicobar that was stranded near the Soetendaals Valley, who, at the requisition of the Junior Merchant and Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Mr. Daniel van Rijneveld, declared it to be true: That when the deponent suffered shipwreck on the 10th of July last with his aforementioned vessel at the so-called Soetendaals Valley, having drifted to the beach on the spars of the wreck together with the captain of that vessel, named Andreas Christi, the cooper, and a certain Jens Christensen; however, the captain and the cooper were knocked off the aforementioned spars by the high seas running at that time, but were later washed ashore with the deponent; the deponent subsequently set out together with the aforementioned Jens Christensen in order to look for shelter for themselves, but nothing was found by them that night. That the aforementioned Jens Christensen abandoned the deponent, who had remained lying at that place on account of great fatigue, the following morning; and the deponent, after having lingered there a short while, resumed his journey and, after having wandered to and fro for three days, finally met a small Hottentot who showed the deponent a house where he received a little food and drink. That the deponent subsequently rode that night with that man to the beach where the wrecked vessel lay, and having arrived there the following morning, the aforementioned man, unknown to him, fetched several cases of gin and brandy from the beach and hid them behind the bushes standing there. That when the field cornet who had the necessary supervision there noticed this, he took the same back, saying that it had to remain lying where it was on the beach until further orders; furthermore, the said field cornet also took from a Hottentot a small bottle with gold dust and a pair of brass buckles, which were handed over by him to the mate Schulte. That the deponent, after having lingered a short time, departed from there with a certain Barthimeus Marais to his farm, the deponent upon his arrival there having met the rest of the surviving crew from the aforementioned wreck. The deponent finally testifies that since the burgher van Reenen arrived on the beach, the farmers have taken the goods washed ashore there for themselves. Declaring nothing more, the deponent gives as reasons of knowledge as in the text and testified the same to be the pure truth. Underneath stood: Thus passed and reviewed at the Cape of Good Hope, the 7th of August 1783, before the Honorable Gerrit Hendrik Cruywagen and Hendrik Le Sueur, members from the Honorable Worshipful Council of Justice aforementioned, who duly signed the minute of this together with the deponent and me, the sworn clerk. Lower: Which I witness / was signed: H. L. Bletterman, sworn clerk. Agrees. Appeared before the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government, Margaretha Radyn, widow of the late burgher Wessel Wessels, who gave to the questions set forth alongside such answers as are noted beside each of them. Interrogatories presented to the Honorable commissioned members from the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government by and on behalf of the Junior Merchant and Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Daniel van Rijneveld, in order to examine and interrogate at his requisition Margaretha Radyn, widow of the late burgher Wessel Wessels, her answers to be given thereto to be placed alongside the same in the margin. Article 1. Her, the respondent's, name, age, and birthplace. Says: Margaretha Radyn, widow of Wessel Wessels, aged 36 years, born at the Cape of Good Hope. Article 2. Whether she, the respondent, upon the stranding of the Danish ship Nicobar at the Ratel River, did not send a wagon belonging to her thither, and who had the supervision over it. Says: Yes, that she entrusted a Hottentot and a bastard Hottentot with the supervision thereof. Article 3. For what reasons she, the respondent, sent that wagon to the beach. Says: Because all the people, and previously at the stranding of Danish ships in the Mossel Bay, the people in that area had always taken the goods away without there ever having been any inquiry made about it; for if she, the respondent, had known that such was forbidden, she would not have concerned herself so much about it. Article 4. Whether, upon the arrival of Mr. de Wet and the substitute, among others, a wagon belonging to her with washed-up goods was not also stopped, and what that load consisted of. Says: That the same wagon, on the second trip, had on it a lot of staves and an empty leaguer, as she, the respondent, had learned, since she was not present there herself. Article 5. What goods she, the respondent, received at home from the beach before the arrival of Mr. de Wet and the substitute. Says: Two tar barrels and two broken casks. Article 6. Whether no more wagons belonging to her were there. Says: No more than just one wagon. Article 7. Whether she, the respondent, does not know that beachcombing is strictly forbidden by laws and edicts. Says never to have heard or known such, and to be able to assure this in truth. Article 8. Whether she, the respondent, was not fully aware that those goods did not belong to her. Says not to be aware, except that from the strandings

Dutch transcription

Coper (voor d' EComp: Compareerde voor ons ondergetekende ge= Committeerdens uijt den E. Agtb: Raad van Justitie deses Gouvernemente den op 't omtrend de Poetendaale valleij ge„ „strande Deensch asiatisch Compagnies schip Nicobas bescheijden geweest zijnde Mattroos Iohannes Koningsveld our sesthien Iaaren dewelke ter Requisitie van den ondercoopman en Landdrost van stellenbosch en drakensteijn S=r Daniel van Rijneveld verclaarden hoe waar is. - Dat den Comp=t wanneer op den 10 Iulij Iongstl: met zijn voorm: bodem aan de Zo= genaamde soetendaals valleij schip breuk geleeden had; met ende benevens den Capitain dien Bodem en naamen Andreas Christi, den kuijper en zeekere, Dens Christense op de rondhouten van 't vrak naar Strand gedreeven zijnde, den Capitain en kuijper egter door de ten dier tyd hoog staande zeen van de voorsz: rondhouten afgeslagen, dog naderhand met den Comp=t aan 't strand op gespoeld waren, den Comp=t zig vervol= „gens met voorsz: Iens Christense te zamen op weg begeeven ten Eijnde voor hun een bergplaats te zoeken dien nagt egter niets door hun ontdekt geworden was. — Dat voorsz: Jens Christende den Comp=t die vermits grote vermoeydheid aldaar ten plaatse was blijven leggen den volgenden morgen verlaten en den Comp=t na een wijnig aldaar vertoofd, zynen Rheijse Rheijse weder aangenomen hebbende had eijndelijk na drie dagen gins en weder ge„ „swarven te hebben eene klynen slotten tot ontmoet die den Comp=t een huijs aanwees al„ waar een wijnig eeten en drinken had bekomen Dat den Comp„t vervolgens die nagt met dien man naar 't strand alwaar 't veronge„ lukten waak lag gereeden en aldaar den volgenden morgen aangekomen zijnde had de voorsz: hem onbekende kan eenige kelders met genover en brandewijn van strand gehaald en agter de aldaar staand, bosjes verstoken.— Dat wanneer den veldwagtmeester de„ „welke aldaar de nodige toesigt had, zulk gewaar geworden was, 't zelven te rug ge„ „nomen hadde, onder het zeggen dat het voor op staand moeste blijven leggen, tot nader ordre, zijnde voorts door gem: Veldwagtmeester meede van een Stottentot afgenomen Een flesje met goud stoffen, een paar kopere gespen, dewelke door hem aan den stuurman Schulte is afge„ „geven geworden. — Dat den Comp=t na een wijnig tijds vertoeft te hebben, van daar met zekeren Barthimus Marais na desselfs plaats vertrokken zijnde den Comp=t bij zijnen komst aldaar de overigen te regt geko„ mene Manschappen van 't voorsz: wrrk had aangetroffen. Betuijgende den Compts Laatstelijk dat O dat zedert den burger van Reenen aan staand gekomen was, de Boeren de aldaar opgespoelden goederen hebben na zig genomen. — Niets meer verclarende geeft den Comp=t voor redenen van wetenschap als in den text en betuijgden het zelve de zuijveren waarheijd te zijn — /:onderstond:/ Aldus gepasseerd en gerecolleerd aan Cabo de goede Hoop den 7. Augus= „tris 1783. voor d' EE„ Gerrit Hendrik Cruijwagen en Hendrik Le Sueur, Leeden uijt den Ede Agtb: Raad van Iustitie voorm: die de minute deeses benevens den Comp=t ende mij geswore Clercq mede behoorlijk hebben ondertekend. /Lager:/ T welk ik getuijgen / was getekend:/ H. L. Bletterman gewore Cleriq. — Accordeert. Vlechling Serrots de zulk ter afge¬ De keren ak lijk op Compareerden voor Interrogatorien overge„ voor de Compp Ligt! om dat alle Menschen de ondergetekende gecom= geeven aan d' EE=s gecommitteer„ mitteerdens uijt den Edelen de Leeden uijt den E: Agtb: Agtb: Raade van Justitie Raade van Iustitie deses deses Gouvernements Gouvernements door ende Margaretha Radijn van wegens den ondercoopman sch wed=me wijlen den Burger en Landdroost van Stellenbosch Wessel Wessels, dewelke en drakenstein Daniel op de nevenstaande vraag van Rijneveld omme ter „poincten zodanige antwoorden zijner requisitie gehoorden gegeven heeft als beseijden ondervraagd te worden een ijder derselven aangeMangaretha Radijn tekend staat. wed=me wijlen den Burger Wessel Wessels, zullende haare daar op te geevene antwoorden beseyden dere „zelven in marginen behoren te worden gesteld. Zegt: Margaretha Radijn wedw Wessel Wessels van oud 36 Jaaren. babo de goede hoop geboorten en geboorte plaats zegt Ja: Een slottentot en een bosterd slotten tot de op= zigt daar van te hebben toebetrouwt. — 8 Om welke redenen zij gevrden deselve wagen na Strand en bevorens bij het stranden heeft gesonden! daar na toe gesonden hadden Of zij gevre: met het stranden van het deensch schip Ni= cobar aan de Ratelrivier niet een wagen van huar gedr: derwaards gesonden en wie daar over 't opzigt heeft ge¬ had Artl Haar gevr: Naam, ouderdom van van deensche scheepen in de Mosselbaaij altoos den meu daar omstreeks de goederen hadden weggehaald zonder dat 'er ooyt eenig navragen om geweest was, want als zij gevr: geweeten had dat zulx verboden was zij haar d zo veel niet aan geleegen zou hebben laten Leggen Art„l 4. Ligt: niet meer als maar Een wagen. twel stukkende vatee! Zegt: Twee teervaten en Legt sa: deselvden wagen Of bij de komst van S:a ae voor de tweede rheijse Een wet en substituit onder an parthij duijgen en een ledigen Legger opgehad dezen ook niet een wagem te hebben, zo zy gevr: heeft van haar gesr: met opge„ vernomen gehad, alzo zij spoelde goederen zijn aan„ gevr: niet zelfs daarbij gehouden en waar in die la„ „ding heeft bestaan Legt zulks nooyt gehoord of geweeten te hebben en zulx in waarheyd te kunnen versekeren. — zeys niet bewust te zyn buyten van de Strandenn Of zij gevr: niet weet dat Strandroor bij de wetten en placcaaten scherpelijk verboden is Op haar gevr: niet ten vollen dat de goederen aldaar bewust was dat die goederen haar niet toekwamens „ 8. Welke goederen zij gevr: voor de komat van S=r de Wet en substituit van strand heeft t' huijs gekreegen. Of niet meer wagens van haar gevr: aldaar zijn geweest. niet en is geweest. — „6.

NL-HaNA_1.04.02_10660_0619 view scan ↗

English

could not be removed and that she was therefore in no way permitted to appropriate nor transport the same, as she, the examinee, would not have concerned herself with it at all. She states: that she, the examinee, does not wish to be regarded as a robber or a thief, and that so many ships have been stranded before, even the Colebrooke, without her, the examinee, knowing that anyone was punished on that account, also never having known that such was forbidden, and that Jacob van Reenen had been at her residence and had assured her in person that goods might freely be taken from stranded foreign ships whenever no one was near them. Whether she, the examinee, is not convinced in her conscience that such greed is theft and punishable in the highest degree? Why she then exposed herself to this evil and punishment? She states as before. She states that she is entirely ignorant in that regard. What she, the examinee, can put forward in her defense? [below stood:] Thus questioned and answered, and the same having been read out again to the examinee, she declared she persisted therein at the Cape of Good Hope, the 13th of January 1786, before the Honorable Gentlemen L. C. Warneck and H. Le Sueur, members of the Honorable Worshipful Council of Justice aforesaid, who duly signed the original minute hereof together with the interrogate and me, sworn clerk. [lower down:] Which I witness, [was signed:] H. L. Bletterman, Sworn Clerk. Agrees. Copy For the Honorable Company. And delivered to the Commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government by and on behalf of Daniel van Ryneveld, Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, in order to hear and interrogate the Commandant of the Invalids at Swellendam, Jacob van Reenen, at his requisition, his responses to be given being entered in the margin. Article 1: His, the deponent's, name, age, and place of birth, as well as his official capacity. He says: Jacob van Reenen of the Cape of Good Hope, aged 29 years, Commandant of the Swellendam Invalids. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, Monsieur Jacob van Reenen, who answered the following questions as recorded next to each of them. Article 2: Whether he, the deponent, was not present on the beach at the time of the Danish ship Nyborg, which was wrecked recently near the Soetendal's Vallei? He says: Yes. Article 3: What business he had there, or to what end his presence was required there? He says: because I was riding to my farms to attend to my affairs, and having met a man on the Houwhoek who was bringing a report to the Cape that a Danish ship had been stranded, with which his, the deponent's, father had come, and because those people had done his said father many favors, he, the deponent, had ridden thither to render those people some service if it were possible; and arriving towards the evening around four o'clock at Marais's at the farm situated four hours distant from the beach, and having met five Danes from the stranded ship there, he learned from them that it was not the same ship with which his said father had arrived, but indeed another; whereupon he, the deponent, wanted to ride back again, but the Danish mate asked him, the deponent, to ride along to the beach to see how completely the ship was dashed upon the rocks; he, the deponent, therefore gave his own riding horse to that mate and, having taken his young horse himself, rode thither with him, and arriving on the beach, he, the deponent, found the field-cornet with two or three other farmers. Article 4: How often he went to the beach, and how long he remained there? He says: not more than once, for half an hour. Article 5: Whom he found there upon his arrival at the beach? As in Article 3. Article 6: Whether he, the deponent, did not learn that any orders were given and put into effect regarding the people who had come ashore and the salvaged goods? He says: No, having heard nothing of that. Article 7: Whether he, the deponent, also knows if any mistreatment occurred to the shipwrecked crew who had come ashore, and by whom it was done? He says: knowing nothing of that, but indeed having seen, and having heard from the mate, that Marais gave them all help and assistance, and even bandaged their wounds. Article 8: Whether upon his arrival at the beach, a great quantity of goods was washed ashore there, and he found a whole lot of chests lying on the beach whose bottoms were already knocked out? He says: that the deponent having asked the field-cornet thereupon who had done it, received for an answer: the Danes; and at Marais's he, the deponent, had himself seen a whole lot of goods and three chests with goods, and had heard from the Danish mate that they had brought the goods from the beach themselves, just as he, the deponent, had also met three Danes with bundles of goods on the way to the beach.

Dutch transcription

wesh— niet mogten worden weggehaald en dat zij deselve daarom want zij gevz: haar daar in ook geensints mogt Eijge„ 't geheel niet zou hebben nen nog vervoeren laten aangelegen leggend. zigt: dat zi getr: voor of zy gevr: dan in haar geen rover of dier wil te gemoed niet is overtuijgd boek staan en dat er zo dat dergelijke rosfzugt is veele scheepen bevorens dieverij en ten hoogsten gestrand zijn, als zelfs Strafwaardigr de Colebroke zonder dat zij gevr: weet dat 'er ymand diswegens is gestraft daar ook nooit van geweeten te hebben dat zulx verboden is en dat Jacob van Reenen bij haar op haar woonplaats geweest is en haar in persoon versekert had, dat van gestaande vreemden scheepen vrij de goederen mogten worden weggenomen wanneer er niemand bij was. —. zigt als voren zigt dat zy geheel daar Wat zij gevn: tot haar verschoning weet intebren„ gem. omtrent onwetend is ge„ /:onderstond:/ Aldus gevraagd en beantwoord Mitsgaders de Gevr: wederom voorgelesen zijnde heeft deselve betuijgd daar bij „ 11. waarom zij zig dan aan dit quaad en straffe heeft blood gesteld: „ 16. Josch Art 9. te meuse zonder als haarde van zijn voor en 9 de an agers op „ la„ ie dat te elijk en vollen goed ren ƒ te blijven persisteeren aan Cabo den goede Hoop den 13 Jannuarij 1786. voor d' E E L. C. Warneck en H. Le sieur Leeden uijt den E. Agtb: Raaden van Iustitie voorm: die de minute deses be„ „nevens de g'interrogeerde ende mij gewore bleriq mede behoorlijk hebben ondertekend /Lagen:/ 'T welk Ik getuijgen /: was getekend:/ H. L. Bletterman gesm: Clerk D Veerhlurg Aecordeerk twelk L„a L=a Copi„ voor d' E Comp Segt Jacob van Heeren van Cabo de goede sloop, oud 29 Iaaren Commandant Compareerde voor ons ondergetekende gecommitt uyt den E agtb raad van Justitie deeses gouver¬ nements, Mons Jacob van Tienen, denwelken op de ondervolgende vraagen zodanig heeft g'antwoord als geseyden ieder derselver aangetekent staat. — LegtNa legt om dat ik na mijn plaatsen reed, om myn axaires te verrigten en op de houw hoek een man ontmoed hebbende die naar de Caab rapport bragt dat t diensch schep zou zyn gestrand waar zyn get vader meede gekoomen was, en om dat die menschen zyn ged vader veel plaisir gedaan hadden, was hy ged derwaards gereeden om die menschen eenige diensten te doen, als t mogelyk was, en teegen den avond omtrend Vier uuren by marais op de plaats vier uuren verre van 't strand geleegen, gekoomen, en Vyf Deenen van 't gestrande schep aldaar ontmoet hebbende, van deselve te hebben vernomen dat, niet 't zelve schip was, waarmeede zyn get vader gekoomen was, maar wel een ander, waarop hy get: weeder Wat hy daar toe verrigten had, dan wel tot wat Eynde zyn praesentie aldaar nodig was. of hy get ten tyde van 't in „langs omtrent de soelindals Vallen verongelukte Deensch schep, Nuitbar niet aldaar op 't strand is present geweest en aan Heeren geummitt uyt den Edelen agtb Rade van Justitie deeses gouvernements overgegeven door Ende van weegens Daniel van Ryneveld Landdrost van Stellenbosch en Drakensteijn, omme daarop aer zijner requisitie gehoord en ondervraagd te werden den Commandant der Jnvalides aan Swellendam Jacob van Reenen zullende desselfs te geevene responsiven in margine bekend gesteld behooren te worden, Art:1 zyn get Naam, ouderdom en geboorte plaats, mitsgaders wat denselven in kwaliteyt Viliculen gedaan maken der Sweltendamse Invalides is. e de e„ 6 3 2 Segt. Neen daar van niets vernomen te hebben. segt niet meer als eens geduurende hem get versogt had om meede naar 't strand te ryden om te zien hoe en gruysen 't schip op de klippen geslagen was, hy get daarom zyn Eygen redpaard aan dien stuurman gegeven en zelfs zyn Jongen paurd genoomen hebbende, was hij meede derwaards gereeden, en op 't strand, koomende had hy get den veldwagtmeester met nog twee a drie boeren aangetroffen. - te rug heeft willen ryden, maar dat de deensche stuurman als op art„l 3 Of hygen ook weet of eenige midts segt daar van niets te weeten handelingen aan de hun dat maar wel gesien te verongelukte schip aan Land hebben en van den gekomene sheepelingen is Stuurman te hebben vernomen dat marais hun alle hulp en bystand gedaan en geschied en door wie zt is gedaan. 8 of by zyn kimst aanstaand ry„ regt een geheele parthij „kelyk goederen aldaar op„ kisten op 't strand gespoeld waaren e hebben vinden leggen, waarzan de onderste bodems reets uijtgeslagen waaren dat den ged: daarop de Veldwagtsmeester gevraagd hebbende, wie uit gedaan had, tot antwoord had bekoomen, de Deenen en by Marrais hy gen selfs een geheel parthij goed en drie kisten met goed gesien had en van de Dansche. stuurman gehoord van Strand gehaald te hebben, dat zy zelve 't goe hadden, zoo als hij get ook drie deenen met bundels met guld op weg naar strand ontwoet haid, en dat sels hunne wonden verbonden heeft. Hoe de kuijle hy maar strand begeeven, en nae rang zig daarop gehouden hetz Ov hy get niet heeft vernomen dat eenige ordres omtrend de aan Land gekoomene menschen en opgehoelde goederen waaren gegeven en in 't werk gesteld art 4 Wie hy by zyn komst aan Strand aldaar gevonden had: Een half uur - „ 6

NL-HaNA_1.04.02_10660_0623 view scan ↗

English

that the burger had said to him, the prisoner: I believe that the chief mate has got the monkey, for he wanted to lift one of the chests at Marais’s house, but could not lift it. Further says to have heard from the boatswain that the chief mate had given a note to Marais, and that they now wanted to search him, the deponent, but that he, the deponent, had to try to get the note, and it would then be discovered that the chief mate is a bad man. Nothing else than what those have taken. Whether he, the deponent himself, or anyone else did not take steps to prevent this, as he, the deponent, would be well aware that the carrying off of stranded goods is in every sense wrong and prohibited by the laws. Says: when I arrived on the beach, I had found all the dead who had already been lying there for nine days, and I then asked the field cornet and the people why they did not bury those bodies, and that it was the greatest evil to let such people be destroyed by wild beasts, whereas he, the field cornet on the beach, and four or five men who were at Marais's house, could easily do so; that the field cornet had answered that he was unable to do so, whereupon he, the deponent, had asked what he was doing there, to which he answered that they were watching the goods; whereupon he, the deponent, had further said that he ought to bury the dead, and that it was not his business as a burger to watch another man’s goods, and that he, the deponent, had read in the legal opinions of the advocates Ploos van Amstel, Lusac, and Le Jayve that if a foreign ship stranded and the owner abandoned the ship, the surrounding inhabitants could cart it home, and if an inquiry was made for it, they had to report themselves and would then be paid for their trouble. Says as to article 10. Or whether he, the deponent himself, either by connivance or through words or deeds, gave occasion thereto. Article 9 Whether in his presence almost all those goods were not carried off and transported. 12 Article No. 12 Says no. Says as to article 3 when they rode with him. If not, why he, the deponent, then said to a certain Marais at his place in the presence of the chief mate Schultz, the boatswain Cornelis Pieterse, the boatswain’s mate Jens Velsen, and the quartermaster Jan Hermes: you can take what you can get of the goods of the ship that is stranded, but what belongs to the crew you must give to them, but all the remaining goods are good prize. Says this is not true, but that he did ask the chief mate how they could be so foolish as to abandon their ship while they were fresh and healthy, and said to him that an English ship had stranded here on the Cape coast, and that all the goods from it had been taken away, and why he, the chief mate, had not carted his goods to Marais's as well; whereupon he answered: the best of what I could get I brought here; asking at the same time of the prisoner whether everything was not now prize there on the beach, whereupon the deponent had answered what he had found in the aforementioned legal opinions of the aforementioned advocates. Or elsewhere where he has been in Europe, has seen ships strand. Whether he, the deponent, in England, has seen ships strand. Whether he, the deponent, on a certain day did not ride from the place of Marais, together with him, Marais, a cook, and the said mate, to the beach. Marais and cook. 15 13 14 Article 15 Says not so, but rather as to article 10. Whether he did not say there, in the presence of the said persons, to the inhabitants present on the beach: take what has washed ashore, it is good prize, and the accountability that must be given for it, or whatever comes of it, I take upon myself. 16 Whether he, the deponent, did not also utter there: It is a custom in the whole world that when a foreign ship strands, the goods are prize; with further insistence: I have been in England and saw a Dutch ship strand there, where they acted just as I have said, and moreover stripped the rescued crew of their clothes! 17 Whether he, the deponent, is not convinced in his conscience that such conduct is punishable in all countries. Says: since he, the deponent, did not say that it is wrong, he cannot be punishable, and if the people had done what he said, they would have done well. Says this is entirely not true, but rather of an English ship that stranded on the Cape coast, as on article 12. Says as before. Says yes, to have said. Says no. Whether some of the country people on the beach did not complain to him, the deponent, that the field cornet did not want them to take any of those goods away; and whether he did not reply thereto that it was not the field cornet’s business to prevent such! Says not to have said so to the people, but indeed to the field cornet, as on article 10. Further says not to know well whether the other people present there heard anything of the legal opinions of which he, the deponent, spoke. that he, the deponent, would then have taken all the goods into safe keeping with him. Whether he, the deponent, did not on that same evening in the presence of the persons already mentioned above continue his speech, adding: I wish I lived here, then I would know what I had to do. Whether he, the deponent, did not further utter: If I only had my wagons here, I would see who would want or dare to prevent me from claiming or carrying off those goods! 21 20 19 Whether he, the deponent, did not proceed to say: The field cornet’s business is to bury the washed-up dead and to give notice to the landdrost, but not to forbid the people from taking anything away. Article 18

Dutch transcription

der burge sich aan hem gev: gesegt had, ik gelooft dat den opperstuurman den aap beek heeft, want: hy een van de kisten by marais aan huys heeft willen ligten dog niet heeft kunnen zigten. zegt nader van den Boutsman gehoord te hebben, dat den opperstuurman aan Marags een briefje gegeven had, dat men nu hem ged. zou willen zaeken, dog dat hy ged moeste zien, t brefje te krygen, als dan ontdekken 2 in dat den opperstuukman een slegt man is regt niets als t' geen de geenen genoomen hebben. of hy get zelfs dan wel zegt twenj ik op stremd gekoomen ijmond anders dit niet ben, heb ik alle de dooden heeft saeken teegen ter die reets zeedert Neegen gaan, alsoo hen get wel Daagen, daar geleeden bewust zal weesen. hadden gevinden en aan dat 't weg neemen der gestrande goederen alle den veldwagtmeester ende Deeren als toen gevraagd, zints kwaad en by des waarom dat zy die leyken wetten verbooden is. niet begroeven, en dat het, 't grootste quaad was; zulke menschen van het wild gedierte te laaten vernielen, daarhy wagtmeester aan t strand en, vier a vyf Deeven die by marais aan huys waaren zulx rigt konde doen, de wagtmeester g'antwoord had, zul niet te kunnen doen, waarop hy get gevraagd had, wat of hy door deede, denselven geantwoord had dat zy op t goed paste waarop hy ged: needer geesegd had, dat hy de doode moest begraven, en zyn zaak niet was als een burger om op neemde mansgoederen te passen, en dat hy ged in de advysen van de advocaten ploos van Amstel Lusac en Le Javne geleesen had dat als er een vreemd schip strande ende eigenaar 't schip verliet, te Jngeseetenen omstreep het naar huijs konde ryden, en als er navraag na kwam zig moeste melden en dan voor hunne moeyte zoude betaald worden. zegt als op arl„t 10 Dan wel of hy get zelfs niet t zy oog luijkende of door woorden of doaden daartoe aanleyding heeft gegeven. Art 9 of in zyn teegenswoordigheid niet meest alle die. goederen zyn weggeraakt en vervoerd geworden. 12 ArNo: 12 Zegt Neen. zegt als op art 3 wanneer met hem gereeden waren. zoo neen waarom hy get dan zegt zulx niet waar te aan eene Marcus op zyn plaats zyn, maar wel de in praesentie van den opperstuur „opperstuurman gevraagd „man Schultz, den bootsman te hebben: hoe zyn Cornelis Piterse, den bootsmans zoo dwaar konden „maat Jens Velsen en den zyn hun schip te kwartiermeester Jan Hermis verlaten, terwil zy heeft gezegd, gif kunt neemen fres en gesondd waaren en aan hem gesegd, Wat Gy krygen kunt van de dat hier op de Caubse goederen van 't schip dat kust een Engelsch gestrand is, maar wat 't volk schip gestrand was, behoord dat moet gej hun en dat daar van al het geeven dog alle de overige goed weg genoomen goederen zyn goede pres was, en waarom hy opperstuurman de zyn goed ook maar niet na Barons heeft gereeden, waarop denselven heeft geantwoord het beste wat ik heb kunnen krygen heb ik hier na toe gebragt, vagende teffens aan den gev: of aldaar niet aan 't strand nu alles pris was, waarop den ged geantwoord had, het geen hy in de voorsz advysen van de voorn advocate heid gevonden. of Elders daar Europa is geweest, schip Stranden. op scheepen heeft zien O hy get in Engeland of hy ged op zeekeren dag van de plaats van Maraes zoo met hem Marais als. een kok en den gem. Stuurman niet is gereeden naar het strand. Maracs en Kok 15 ƒ 13 14 Art 15 zigt niet zo, maar wel als op artl 10 Of hy aldaar niet in prae„ „sentie van gem: personen aan de aan 't Strand zig bevinden hebbende ingesietenen heeft gesegd neemd wat er opgespoeld is het is goede Pris en de verantwoording die er van te doen is of die e te doen is, of die er van komt neem ik op my 86 of hy get zig aldaar ook niet heeft geuyt. Het is in de geheele waereld een gebruyk dat, wanneer een vreend schip Strand de goederen prys zyn - met verder aandrang ik ben in Engeland geweest en heb daar een Hollandsch 0 schip zien stranden, waar meede men gelyk ik gesegd heb heeft gehandeld en bovensdien het geborgene volk de kleederen uyt getrocken! 17 of hy ged niet in zyn zegt terwyl hy get niet gesegt heeft dat quaad gemoed is overtuygd dat dergelyke gedoente is hy niet straf in alle Landen strafbaar „waardig zyn kan en zoo is. de menschen gedaan hadden het geen by gesegt heeft, wel gedaan te zullen hebben zegt in 't geheel niet zer te zyn maar wel van een Engelsch Schip die op de Caabsche kiest gestrand is als op Part 12 dan laat uur ons ans de ek zegl als vooren zigt Ja. gesegt te zigt Neen of niet eenige der opstrand zegt aan de menschen niet zynde Landlieden aan hem maar wel aan den Veldwagtmeester als op gen geklaagd hadden dat d artl 10 gesegt te veldwagtmeester niet wilde hebben, hebben dat zij eenige zegt Nader niet wel dier goederen zouden weg te weeten of de andere aldaar aanweesende neemen; en of hy daar niet menschen van de advysen op heeft geantwoord het de daar hy ged. van zaak van den Veldwagtmeest gesproken heeft, iets niet was zulx te beleden! gehoord hebben hebben, al het goed als dan. by hem get in bewaaring te zullen hebben genomen of hy get niet op dien zelfden avond in teegenwoordigheyd van de boven reeds gen personen zyn reeden heeft vervat, met byvoeging ik wenschte wel hier te woonen dan zen ik weeten wat ik te doen had. of hy get ook niet verder heeft geuyt, had ik myn wegens, maar hier Ik zou eens zien wie my 't verweren of weg neemen dier goederen wil of duerfte beletten! 21 20 19 of hy get niet heeft vervolgd niet te zeggen de veldragt„ meester zyn zaak is de opgespoelde dooden te begraaven en de Landdoost kennis te geeven maar niet om de menschen te verbieden iets weg te neemen. art 18 orm

NL-HaNA_1.04.02_10660_0627 view scan ↗

English

Article 22. Says: Yes. Says to her what his aforementioned brother had called him to witness in the presence of the mate, and where he, witness, confronted the mate regarding what he allegedly said about him, as contradicting what he, the defendant, had said on the beach, just as has been set down hereinbefore. 26. Whether he, witness, did not subsequently add thereto: and in any case one cannot do anything to me regarding this; I may give 25 lb, that would be all, and then I would still know what my father would write to Europe. Says he never thought such a thing, much less said it, but indeed that he, witness, and his family would write to Europe about how he, the mate, had behaved here. 25. Whether he, witness, also went to the farm of the widow Wessel Wessels and told her that from the aforementioned reports, he was said to have said. Says: No, but that he did speak of the reports. Whether the defendant did not then answer: I did not say it that way, and even if I had said it, they should not have done what I said! 23. Whether he, witness, upon his return to the Cape, was not in company at his brother Johannes van Rheenen's, where the said mate had recounted his misfortune! Says: No! [illegible] Says to have seen nothing there that was plundered, except that which the Danes themselves took away. Says to have said nothing evil, and to be convinced in his conscience of having done no wrong, for he did not even lay a hand or finger on a single piece. Says that he said nothing with the intent to give them cause to take or enrich themselves from the goods, and even gave five ducatoons out of his own pocket to the suffering Danes. What he, the defendant, knows to bring forward in his defense. And that the same punishment also applies to those who gave counsel or occasion thereto. 28. Whether he, witness, is not persuaded in his conscience that this greed and inhuman conduct committed at the stranding of the Danish ship Nicobar is punishable in the highest degree. 27. Whether he, witness, did not also say that an edict had arrived from Holland whereby the scavenging from a foreign ship was permitted! Article 26. stran[ded] foreign ships could freely take away the goods. 29. Thus questioned and answered, and the same having been read back to the interrogatee, he affirmed that he persisted therein, at Cabo de Goede Hoop, the 13th of February 1784, before the Honorable Olof Godlieb de Wet and Johannes Karnspek, members of the Honorable Court of Justice aforesaid, who properly signed the original minute hereof together with the defendant and me, the sworn clerk. Below stood: Which I testify. Was signed: H. L. Blanckenberg, sworn clerk. Agrees: Veethling Cape Answer prepared and delivered to the Honorable President and the Honorable Court of this Government by and on behalf of the undersigned Daniel Verweij as general attorney of the Commander of the Swellendam Invalids, Senior Jacob van Reenen, defendant of the one part, against The Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Senior Daniel van Rijneveld, Officer Pursuer of the other part. Honorable Gentlemen of the Court. Since the task that the defendant in his capacity has to perform today is nothing but very difficult, he has resolved, in defending the same for the Honorable Company, to proceed in such a manner that on the one hand he shall endeavor to avoid all reasonable grounds for personal insults (which the Officer Pursuer has employed), and at the same time on the other hand advance the means of defense with arguments based on grounds and laws, as an honorable man who has taken the case upon himself and treats it according to honor and duty ought to do. However, much as the defendant in his capacity does not intend to occupy your Honors with these and similar useless and odious expressions, which ought not to be adduced in this proceeding, the attorney will have the honor to say that whereas the Officer Pursuer alleges in his accusation that the principal defendant does not fall within the terms of the law or orders of our government, or having sinned against them by evil incitement to beach theft and robberies, he has been improperly and unjustly sued by the Officer Pursuer. And since it must especially be taken into consideration here that the Officer Pursuer acts toward decreeing the claimed fines and forfeiture of the defendant's office, as well as being declared disqualified in provisional matter for the benefit of the Officer Pursuer, wherein according to law it is required, and a certainty, that the evidence must be so clear and plain that not the slightest doubt may be found therein. Since this is now so certain according to law, the defendant in his capacity, in defending his case, will not take upon himself to prove the contrary of what the Officer Pursuer is bound by law to do on his part, and the lack of which alone can be sufficient for the dismissal of the initiated action. With special appeal to Your Honors' attention to all of this, the defendant in his capacity will proceed to show that the request made by the Officer Pursuer, and tending toward the decree of a fine of five hundred Rijxdaalders for his benefit, as well as Your Honors' declaration regarding the forfeiture of the defendant's office, [illegible]

Dutch transcription

art 22 Zegt Ja zegt aan haar het geen zijn ged broeder hem get in praesentie van den stuurmeen had Laten roepen, en alwaar hy get den stuurman te reede heeft gesteld over het geen hy van aen m zou hebben gesegd, als Contrarieerende het geen hy ged aan het strand gesegd had, zoo als hier vooren is ter needer gesteld. 26 of hy get niet nog vervolgens zegt zulx nooyt gedagt veel minder gesegt daar heeft bygevoegd, te hebben, maar wel dat En in allen gevalle dierst hy get en de zyne nog kan men my dies¬ naar Europa zoude weegens niets doen, schreyven hoe hy ik mag 25 lb geven stuurman alhier dat zoude het al zyn, lig gedraagen had. en dan zoude ik nog wel weeten nat mijn ƒ vader naar Europa zoude schreyven. - voorsz: advysen had, gesegt te hebben. hy get. uyt de 25 of hy get ook niet is geweest op de plaats van de wede. Wessel Wessels en aan haar gesegd: dat van of de ged als toen niet heeft geantwoord, zoo heb ik het niet gesegd en al had ik het ook gesegd dan moesten zij niet doen wat ik zeyde! 23 komst aan de Caab niet is geweest in ge selschap by zyn broeder Johannes van Rheenen alwaar gem Stuurman zyn ongeval had verhaald! zegt Neen! maar dat of hy get by zyn te rug gestrande d hem dat de lde weg ƒ niet het de gincest en volgd ag de doost aar hen te elfde ing te eeten 1 van de advysen zegt Neen maar wel hebben gesprooken te zegt daar niets gesien te hebben, dat gehoofd is, als het geen de Daenen zelfs weg genoomen hebben zegt niets quaade gesegt te hebben en in gemoede overtuygde te zyn geen quaad gedaan te hebben want zelfs geen hand of Vinger aan een zegt dat hi niets gesegt heeft met opset om hun aanleyding te geenen tot het reven of verryken van de goederen, en zelfs aan de noodlydende Deenen Vyf ducatonnens uyt zyn get zak te hebben gegeven. V /onderstond:/ Aldus gevraagt en b'antwoord Wat hy ged tot zyn verschoning weet in te brengen. stuk gelegd te hebben. En dat deselve Straffe ook plaats vind in die geene die daar toe raad of aanleiding heeft gegeven. 28 27 of hy get niet in zyn gemoed is overreed, dat die hoofsugt en ontmenschte handelwyse by 't strande van 't Deensch schip Nicobas gepleegd, ten hoogsten Strafwaardig is. of hy get almeede niet heeft gesegt, dat er een placcaat uyt Holland gekoomen raapen is, waar by het van een vreemd schep gepermitteerd wierd! Art. 26 scheepen gestrande vreemde weg de goederen vry mogt neemen. 29 - mitsgaders den gev weederom voorgeleesen zynde heeft denselven betuygd daarby te bliven persisteeren, aan Cubo de goede Hoop den 13 Februarij 1784 voor d' EE olof Godlieb de Wet en Iohannes Karnspek, leeden uyt den E agtb Raad van Justitie voorm die de minute deeses benevens den ged ende my geswoore Clercq meede behoorlyk hebben ondertekend /laeger / T welk ik getuyge /:was getekend/ H: L: Blaterman gesworre Clercq Accordeert Veethling H sevel s t 80 M Capsk Antwoord gedaan maken en overgegeeven aan den Edelen Agtbaaren Heer Praesident en Edelen Agtb: Geregte deses Gou¬ „vernements door ende van wegens den onderge„ tekende Daniel Verweij als generale gemagtigde van den Commandant der Swellendamse Invalides S:r Jacob van Reenen verweerder ten Eenre Contra Den Landdrost van Stel„ „lenbosch en Drakenstein Sr. Daniel van Rijneveld R. O. Eijsscher ter andere zeyde Edele Agtbaare Heeren van 't Geregte Daar de taak die de qq ged=e heeden afte doen staat niet dan zeer moeijelijk is, heeft hij zig voorgenomen in 't De= „fendeeren, derzelve zoo te werk te gaan, voor d'EComp. dat dat hij aan de eene zyde alle billyke reedenen van personeelijke beledigin „gen, /: waar van den R. d. Eysscher zig bediend heeft:) zal tragten te vermyden en teffens aan de andere zyde de middelen ter Verweering aanvoeren met betoging op gronden en wetten zo als een Cordaat man, die de zaak op zig heeft genomen, en deselve na Eer en pligt behandelt pant„ Dan hoe zeer den qq ged:e niet voor „nemens is, om uwE Agtb: te occupeeren met deese en diergelijke onnutte en odiens expressies, welke tot dit geding niet be„ horen aangevoerd te worden. — zal de qq de Eer hebben te zeggen dat alwaar den R. O. Eijsscher in zijn accur voorgeefd, dat den p=en ged=te in de termen van de wet of ordre van onde overigheijd niet verseerende, of daar tegens hebbende gesondigd, met kwaade aanrading van Strandroof en dieverijen door den R. O. Eijsscher kwalijk en ten onregte is g'actioneert. — En daar voor al ten deesen in Consideratie moet komen dat den R. O. Eijsscher ageerd, tot decretement van de geEijschte Boeten en verbeurten van van 's gedaagdens qualiteijt; mitsga„ „ders voor inhabiel verclaard te werden in materie van provisie ten profijten van den H. O. Eijsscher waar in na ne regten verEijscht werd, en seker stoot, dat de bewijsen zo klaar en duijdelijk moeten zijn dat daar in geen de allerminste twijffel vermag gevonden te werden. — Daar dit dan nu regten zo zeker is, zal den 49 gedaagden in het de= „fendeeren zijner zaak niet op zig neemen ter Contrarie te bewysen, van 't geene den B. O. Eijsscher „ na regten gehouden is, zyner zyde te moeten doen, en welker gebrek alleenlijk tot ontsegging der g'en„ „tameerde actie, genoeg kan zijn. — Op allen 't welke uwelE Agtb: ƒ attentie bijsonderlik Emploreerende, zal den qq gedaagde, overgaan om te vertonen dat het versoek van den R. O. Eijsscher gedaan. — en tendeerende dat decretement van een Boete, van vyfhonderd Rijxdaalders ten profijte van hem 2 als meede UwelEde Agtb: declaratoir en nopens de verbeurten van 's gedaagdens qualiteyt 1 e zig den de inge daa part. elk 1 od be„ eggen accuda d kw ver ian te ten tog 9 t

NL-HaNA_1.04.02_10660_0636 view scan ↗

English

capacity, with declarations of incapacity, in so far as the principal defendant still holds any, ought to be dismissed; with condemnation in costs, and to absolve the principal defendant from all actions. Thus, in defending the same, the defendant will follow the Officer of Justice Plantiff step by step, and thereby maintain the order observed in the claim of the Officer of Justice Plantiff. In following this, the qualified defendant must naturally limit himself to these two principal points, namely firstly: From the law under which the Officer of Justice Plantiff acts. and secondly: to the accusation formed by the Officer of Justice Plantiff. Concerning the law, the Officer of Justice Plantiff states in the premises of his claim that an adviser to a villainy is more guilty than one who merely fails to prevent a villainy from being committed, especially if the execution followed upon the advice, citing in addition as an argument Article 175 of the Criminal Constitutio Criminalis Carolina of Emperor Charles the Fifth, which, after many disputes of the Roman and then present jurists who commented on this subject, was enacted as its rule, that if someone shall assist a criminal in the execution of a crime substantially and with an evil, obstinate intent with any help, assistance, or advice, or whatever name it may have; they shall be punished corporally, but according to the distinction of the cases, in so far as such crimes are to be applied to the principal defendant. From this presentation, verbatim containing the premises of the Officer of Justice Plantiff's claim, it will immediately be evident to Your Right Honorable and Worshipful Court that the framer of the claim saw fit to present the law in a somewhat mutilated manner. Therefore, for a better understanding of that law, it will well be worth the trouble to investigate and to limit it to those who have actually committed crimes, and have given advice and deed thereto with violence, where no crime had yet been committed. And a proper order (as the Officer of Justice Plantiff alleges) having been dispatched to the field sergeant Jacobus Fourie present there, notoriously no bad advice and deed on the part of the principal defendant could have taken place. On the contrary, one sees that there was no order from either the Government or the Officer of Justice Plantiff, and if there had been one, why was it not submitted with the claim, with valid evidence? That when the principal defendant is alleged to have said to the aforesaid field sergeant: you may freely ride the goods away, and that contrary to the order of the Government, which the Landdrost in the countryside represents, then surely the more cited field commandant would have presented his contrary orders from the Officer of Justice Plantiff to the principal defendant. Ergo it flows from the arguments that the accusation of the Officer of Justice Plantiff is false and completely torn out of its context, partly through concealment of the true circumstances, and partly through violation of the truth. In order to proceed to the examination of the law cited by the Officer of Justice Plantiff: First, what the moving reasons were for the enactment of such laws, and to which persons the same was applicable. Secondly, what was commanded and forbidden regarding those persons, or rather what evil, according to the intention of the Roman legislator, was to be restrained and prevented thereby. The qualified defendant considers above all that he must dwell upon these two main points, because only after the investigation and determination thereof can it truly appear whether he, the defendant, finds himself within the terms of the same law, and whether the principal defendant has in any respect made himself guilty of crimes or offenses of such villainous counseling contrary to the order of the authorities, and thus would have incurred the penalties enacted thereon. As regards then the motives or inducement for making the cited law by the Roman Legislator, and the persons to whom the same was made applicable, it is generally known, as is comprehensible from the words of the law, where the law speaks: if someone assists a criminal in the execution of any crime substantially and with evil intent with assistance or advice or deed, etc., he shall be punished corporally, but according to the distinction of the matters; This deserves particular remark, that such a law is applied to the principal defendant, where there was no law or order, much less spoken to anyone else than to the widow Wessel Wessels on her farm, who was about to ride from there toward the beach, and he asked her, where is your journey heading to, to which she made known to the principal defendant, a certain

Dutch transcription

qualiteyt, met inhabiel Verklaringen voor zoo verre hij pp=ten gedaagden nog besittende behoord te werden ontsegd; met Condemnatie in de koo„ „ten, en den pp=ten gedaagden te abaol„ „veeren van alle actien. Dus zal den verweerder in 't defendeeren derselve den R. O. Eijsschen op den voet volgen, en mits dien de ordre houden, als bij Eijsch van den R. O. Eijsscher is geobserveert. wiens volgende den qq verweerder zig dan natuurlijkerwyse moet be„ „paalen, tot deese twee voornaamen poincten, als ten Eersten Uijt de wet waar uijt den R. O. Eijsscher ageerd. - en ten Tweeden. tot de beschuldiging door den R. O. Eijsscher geformeerd. Omtrend de wet Legd den RO. Eijsscher bij de praemissien van zijnen Eijsch, dat een Raadgeever, tot Eem Schelmstuk meer schuld heeft, dan die slegts een te pleegen schelwi„ „stuk niet verhinderd, voornament= „lijk zoo de uijtvoering op de raad gevolgd is, daarbij aanhalende tot tot argument het 175 articul van de Crimineelen Hals ordonnantie, van Keyser Karel de Vijfde, het welk na veele disputen der Romeijnsche en doen ter tijd aanweesende Regts„ „geleerden, die over dit Lujct hebben gecommentarieerd, is gestatueerd, tot zijn voorschriften, indien iemand een Misdadiger tot de uijtvoering van een Misdaad wesendlijk en met een kwaad opstenaat opset eenig= hulp, bijstand, of raad of wat naam zulx mag hebben, helpen zal; daar over aan den Lijve gestrafd werden, dog na onderscheyd der gevallen, in zo verre dat zodanigen misdaden op den pp=len gedaagden te appliceeren zij, uijt deese voordragt woordelijk Vervattende de praemissen van I R. O. Eysschers Eijsch, zal het aan UwelEd: Achtb:r al direct gebleeken zijne dat het den insteller van den Eijsch heeft goed gedagt, de wet eenigsints verminkt voortestellen, waarom dan tot beter verstand van die wet, wel de moeyte waardig zal zijn, te onderzoeken, en die te bepalen„ op ringe den vol Eijscher n van eert. — weerder be¬ men R. O. R. O. op zoodanige die dadelyk mis„ daden begaan hebben, en daar aan met geweld Raad en daad gegeven heeft, daar nog geen misdaad ge= pleeyd was, en Een goede ordre / zoo als den R. O. Eijsscher het voorgeefd:) aan de aldaar zijnde veldwagtmeester Jacobus Fourie afgevaardigd, kond notoir geen kwaade raad en daod plaats vinden van den px=len gedaagden, het Contrarie ziet men dat er geene Ordre nog van de Regeering of den R. O. Exp„ geweest zyn, en zo deselve al geweest was, waarom dezelve dan bij den Eijsch niet overgelegd, met vallable bewijsen Dat doen den pp=ten gedaagden te„ „gens de voorm: Veldwagtmeester zoude gesegd hebben, gij kunt de goederen vrij wegriden, en dat wel tegens de ordre van de Regeering, dewelke den Drost ten platten Landen presenteerd, zoo zoude gewisselijk den meer geci= „teerden Veld Commandant zijne Con„ „trarien ordres van den R. O. Eysscher den pC=ten gedaagde voorgelegd heb„ „ben. — Ergo zo vloeijd uijt de redenen, dat de de accusatie van den R. O. Eijsscher valsch en gantsch uijt zyn verband gerukt is, eens met verswijginge der waare omstandigheeden, dan we„ „derom met verkragtiging der waarheijd Omme tot onderzoek van de aangevoerde wet van den R. d. o Eijsscher toetetreeden Cdent welke de bewegende Reedenen zijn geweest tot het doen vaatstel= „lem van zodanige wetten, en op welke personen het selve is betrekkelyk geweest. — 2=dens wat omtrend die personen bevolen en verboden, of wel eijgent= „lijk 't kwaad zij, dat na het oogmerk van den Romynschen wetgever, dan daar door moeste beteugeld ende ge„ weerd worden. Den qq gedaagde oordeeld vooral, dat hij bij deeze twee hoofdpoincten moet stil staan, om dat na het onder „zoek en bepaaling derselven, dan eerst regt kan blijken, of hij verweerder zig bevind in de termen van deselven wet, en of den pp=len verweerder in eenige opsigten, zig aan Misdaden of mis„ „drijven van zodanige Schelmsche raad: geeving aan ge„ zoo geefd m 3 plaats het Ordre O. Eys eest Eijs wijse te„ oude z de e heb„ dat de ko d ter en an „geeving, tegens de ordre van de overigheijd heeft schuldig gemaakt, en dus g'ineur „reerd zoude hebben de straffen daar op g' statueert. — wat dan betreft de beweegredenen of aanleyding tot het maken der aan„ gevoerde wet, van den Roomschen Wet„ „geevert, en de personen waarop deselve betrekkelijk gemaakt, zo is alomme bekend, gelijk uijt de woorden van de wet vatbaar is, daar de wet spreekt: indien iemand een misdadiger tot de uijtvoering van eenig misdaad wesend= lijk en met een kwaad opzet bistand of raad of daad ensz: zal aan den Lijve gestraft werden, dog na onderscheyd der Zaken; — Dit verdiend zonderlinge op mer„ kingen, dat zodanige wet g'appliceert werd op den pp=len gedaagden, daar 'er geen wet of ordre was, nog veel minder tegens ijmand anders gesproken als tegens de wedme Wessel wessels op haar plaats die derwaards stond na de strand te rijdend en haar vraagde waar gaat Uw rijs zo naar toe, dewelke zij den pp=len gedaagde te kennen gaf, een waar

NL-HaNA_1.04.02_10660_0641 view scan ↗

English

Whereupon the principal defendant warned her that she could indeed freely load the washed-up goods, but had to declare it, does this now prove to be contrary to the true intention of our government, that the goods shall be preserved for the care of those to whom they belong. Or was the intention of the citizen Cornelis Johannes Jacobus Tesselaar any different? Who came driving onto the beach and asked the people what they were doing, to which it was answered: hauling away the washed-up goods according to the words of the principal defendant, that we are freely allowed to do so; whereupon the cited Tesselaar replied, yes, but you must declare it. If the more frequently cited Tesselaar also knew of the orders which the Officer of Justice dispatched so promptly to the Commandant to maintain good order, then he would be even more culpable than the defendant, since he immediately drove goods away for the salvage of the same. [illegible] For which reason it is furthermore very noteworthy that, although the Officer of Justice is very well aware and knowledgeable of the motives of the Roman legislator, as appears through the citations and initiations of his procedural documents, notwithstanding the express designation coming from the Roman legislator as to whom and what persons the same shall be enforced upon, one nevertheless in the claim omits that designation from the quoted words of that legislator, and thus, the representative defendant believes, intentionally conceals it. The representative defendant repeats, intentionally conceals, because it appears that this was necessary on the part of the Officer of Justice, in order to gloss over the intention of the legislator, and to make it appear as if the Roman legislator at that time had in mind matters to which one now seeks to resort with a misplaced application in order to justify an unfounded action. Reasons, Noble and Honorable Sirs, [illegible] which are not in the least applicable to the conduct of the principal defendant, with the citations and intentional concealments of that law of Charles the Fifth; then, it is more difficult to determine to whom the Roman legislator applied this, since the Romans at that time were slaves, and were deprived of their natural and original rights. The representative defendant nevertheless believes that if one consults sound reason and equity, one can give a definition to the crime of bad counsel toward beach plunder and thefts. Namely, if one takes the word counsel in a punishable sense, it can be understood as nothing other than making persons ridiculous and contemptible, by presenting their good counsel and honest actions in a ridiculous light, and thereby making those persons themselves contemptible, either by distorting them or finally by defaming them through untruthful representations, not only, [illegible] but depriving them of honor and reputation, and slandering them, and this with premeditation in bad faith, cum dolo. Just as it is clear under general law regarding all delicts that they cannot be understood to occur sine dolo; that is, without an actual intent to offend: as can be seen in: paragraph 8, Institutes de obligationibus quae ex delicto, Lex 46, paragraph 7, Digest de furtis, Book 53, Digest eodem, and especially Lex 47, Digest ad Legem Corneliam de sicariis. For which reason Huber in his Contemporary Jurisprudence, Volume 2, Book 1, Chapter 1, says that facts alone, without intent and evil purpose, do not constitute a crime. And Matthaeus on Crimes in his introduction, first section, paragraph 2. This now especially applies to all crimes, among which notoriously belongs the crime that the Officer of Justice wrongly seeks to impute the principal defendant with having committed regarding the matter in question. On which one can consult Carpzovius in his treatise on Capital Crimes, Chapter 8, and the laws cited by him there, as well as the just-mentioned Matthaeus on Crimes, Book 47, Title 4, Chapter 5, paragraph 7, boiling down to the principle that malice, intent, and evil design constitute the crime of all evil, and that without them no crime is committed. And truly, the accusation used in the claim by the Officer of Justice regarding the laws of Emperor Charles cannot and may not be understood in any other sense than when this occurs with evil intent, through the actual execution of the crime, with counsel and deed, for which the Roman legislator then decreed it, because the legislator declares this to be excluded therefrom. If this is so, then it must naturally follow that such a law cannot be applied to the principal defendant by the counsel and deed suggested by the defendant, since there was no order on the beach, near the stranded ship and stranded goods, or at least he had not heard of it.

Dutch transcription

waar op den pp=en verweerder haar waar= „schouwde, datze wel vrij goederen konde de opladen van de opgespoelde goederen, maar moest het aangeeven blijkt dit nu anders te weesen als de waare Intentie van onze overigheyd, die wel tot Sorgdragingen van die geene die het toebehoord, de goederen bewaard zullen werden. — Oe de intentie van den Burger Cornel Iohannes Jacobus Tesselaar dan an„ „ders geweest ? die op strand is komen rijden, en gevraagd aan de Luijden wat „ze maakten, waar op g'antwoord wierd, de opgespoelde goederen weg te riden, volgens geseyden van den pp=len gedaayden dat wij het vrij doenen mogen, waar op geciteerden Tesselaar repliceerde La maar gij moet het aangeeven, heeft meergediteerden Passelaar nu ook van de ordres geweeten, welke den R. O. Eijsschen zo vroegtijdig afgevaardigt heeft, aan den Commandant om een goede ordre te houden, dan zoude hij nog strafbuarder weesen als den gedaagden terwijl hij dadelijk goederen heeft weggereeden tot berging der selve. — Waartom heijd d ur d en aan„ t: E tand Lijve heijd mer eer der als op d raagde en d ns Waarom het dan al verder zeer op merkzaam is, dat alhoewel den 2. d. Eijsscher van de Motiven der Roomschen wetgever zeer wel bewi en kundig is, als schynd door de aan„ „voeringen en entameeringen zijner Proces stucken, niet tegenstaanden de uijtgedrukte benaming van den Roomschen wetgeever voortkomende, op wien en wat personen deselve vol= bragt zal werden, men nogthans bij Eijsch die benoeming uijt de aan= gehaalde woorden van dien wetgever uijtlaat, en zoo den qq verweerder ge= „loofd met op zet verswijgd. — Den q9 verweerder herseyd met opset verswijgd, om het voorkomt dat men zulx aan de zijde van den B. d. Eysscher nodig had, ten eynde om het oogmerk van den wetgeever te verbloemen, en het zo te doen voorkomen als op de Roomsche Wetgeever toenmaals bedagt zij geweest op zaaken waartoe men thans om een ongegronden actien goed te maken, een toevlugt met een verkierde appropos wil neemen. — Redenen Edele Agtbaare Heeren dit die in 't allerminste niet te appliceeren zijn op het gedrag van den pp=le gedaagden, met aanvoeringen en opzettelijke versmij= gingen dier wet van Carel de vijfden dan, het is moeijelijker te bepalen op wien de Roomschen wetgeever zulks bepaald heeft, daar de Romeijnen in dien tyd slaven waaren, en van haare natuurlijke en oorspronkelijk Regt ontstoken waaren. — Den 99 verweerder geloofd nogthans„ dat als men met de gesonde reedenen en billijkheyd raadpleegd, men aan den Misdaad van kwade Raadgeeving tot strandroof en dieverijen eene bepalingen kan geeven. — Namentlijk als men het woord Raad: in eenen strafbaren zin opneemd, zo zal daar door niet anders kunnen verstaan dan het bespottelijk en het veragtelijk maaken van persoonen, door hunnen goeden Raad en Eerlijken handelingen, in een bespottelijken Ligt voortestellen, en even daar door die personen zelve veragtelijk te maken, of door deselve te verdraaijen of eijn¬ „delijk door onwaaragtige voorstellingen deselve te bekladden, niet alleen, maar zeer r e bewis aan. den ans aan= tgever 4 8. omt komen maals aartoe tie in Heeren d de maar van Ear en Faam te berooven, en zwart te maken, en dit met voorbedagten raade ter kwader trouwen Cum dolus Gelyk het omtrent alle de licten naar algemeenen Regten kennelijk is, dat deselve niet kunnen werden begrepen plaatsen te hebben fine dolo; dat is zonder een dadelijk opset om te sondigen: zo als dat te zien is. — 5: 8. institut: de obig que px de„ „licto L: 46. 3. 7. f de furtie Lib: 53. af: erd, en bijsonder de L. 47. ff ad Ligem Corneliam de fi= „cariis. — Waarom Huber in zijn hedend: regts„ geleerdC 2. deel 1. boek Cap. 1. zegt feijton nogthans alleen zonder opzet en boos voorneemen, maaken geen misdaad. — En Mattheus over de Misdaden in desselfs inlyding eerste afd, 52. — Dit heeft nu bijsonder plaats over alle misdaden, waar onder notoir „lijk behoord de misdaad die de R. O. Eysscher ten onregte den pp=en gedaagden zoekt aan te wrijven begaan te hebben; over de zaak in queestie. — Waar over men zien kan Carpsorius in in zijn verhandeling der Lyfstraffelijke Misdaden Hoofdstuk 8. g. S s. Z. B. en de wetten door hem aldaar aangehaald, als meede de zo evengenoemde Mattheus over de Misdaden Lib 47. tot 4. Caps. § 7. daar op nederkomende, dat Liet, opset en boos voornemen de misdaad van alle kwaad uijtmaken, en dat buij„ ten deselve de misdaad niet werd begaan. En waarlijk dat de accusatie bij den Eijsch door den B. O. Eijsscher gebeesigd over de Wetten van Keijser Carel„ in geen anderen zien kunnen of mogen werden opgevat, dan wanneer zulx met een kwade op zet geschied, door wesendlijke uijtvoering der misdaad, met raad en daad, waarom de Room„ sche wetgeever zulx dan heeft gesta= „tueerd, want dit verklaard de wetgever uijt zulks te willen sluijten. — Is dit zoo, dan zal daar uijt van zelfs moeten voortvloeijen, dat zodanigen wet op de pp=len gedaagden niet kan ge„ appliceerd werden, door de Raaden daad van den gedaagden aan de hand geeven, terwijl 'er geen ordre op strand, bij 't gestrand schip en gestrand goed was, ten minsten er niet van gehoord heeft ten

NL-HaNA_1.04.02_10660_0646 view scan ↗

English

has, that drive the goods away freely but report it, was a crime, whereas the principal defendants first obtained such an opinion in the advice of Ploos van Amstel and C. W. Dekker, and found it from Mr Lusac and Mr Le Jeune. That the plaintiff ex officio has argued that because of the two aforementioned opinions, this cannot by a thousand consequences be held as law, the defendant in his capacity admits, since this arose from a provisional case with the former Independent Fiscal Boers and Jan Smit Juriaansz, caused by way of an agreement, transaction, composition, or redemption of such criminal actions and proceedings as the aforesaid Fiscal Boers maintained pertained to him as plaintiff ex officio against the aforesaid Smit on account of the alleged crime of beachcombing, public violence, and abuse of an assumed authority and disrespect for justice charged to the said Smit. That not only the aforementioned advocates have advised on this, but even the faculty of the City of Leiden, where it matters most, to expose the conduct of the oft-mentioned Smit to the judgment of the entire equitable public. If the defendant in his capacity admits to the party that this is not acceptable in thousands of cases, then the plaintiff ex officio shall also concede to the defendant in his capacity that this is a specific case, whereas the same provisional case of the said Fiscal Boers arose from beachcombing, of which he had also repeatedly accused Smit; that the well-founded arguments which the aforementioned advocates will have inserted into their opinions have demonstrated what beachcombing and public violence are, and what one is obligated to do in such cases of shipwrecks, just as was expressed verbatim by the principal defendant to the widow Wessels, that those coming onto the beach might indeed cart the goods away, but they had to report it, after which the principal defendant had said this, Johannes Jacobus Tesselaar likewise came onto the beach and warned the people in that manner, and not only warned the people, indeed what is more, had some wagonloads of the washed-up goods carted away from the beach, and upon his arrival there reported it to the Burgher Orphan Master Hendrik Justinus de Wet as Commissioner of the Danish Nation, which was sold by the already mentioned De Wet to the said Tesselaar. What shall one now say: that the said Tesselaar, as well as the principal defendant, is guilty not only of bad advice and the deed of a crime in giving the criminals an occasion for execution, as the previously cited Roman lawgiver brought forward by the plaintiff ex officio entails, but would even directly have committed beachcombing? It would have been somewhat reckless of our high superiors in the Fatherland, if the intention of the Roman lawgiver were to be applied to this existing case, that they, by placards and laws, should have declared such things against the ordinance of the Roman lawgiver who introduced such placards, as the plaintiff ex officio wishes to knock the bottom out of with one blow. See in this regard Bataviaasch Arcadia, pages 296 and 297, effectively teaching about the placard of the year 1784, and by that explicit placard provision has been fully made in this matter for the inhabitants, as can be seen in the placard on flotsam added to the Charters of Amsterdam, page 192, containing that one shall take possession of goods found at sea and flotsam, and preserve them for the benefit of the rightful owner for a reasonable salvage fee, without anyone else being allowed to seize them, nor salvage them for their own use, or conceal them for their own profit, etc. In which manner the High Court of Holland in the year 1599 fully condemned under the management of the Hof the inhabitants of the Island of Terschelling, who had brought the grain of a stranded ship first to land and thereupon each into his own sluice, however much the skipper protested against it; and since, according to the regulations which were issued regarding goods found on the beach, they seemed openly punishable because they had stored the goods not in a public place, but in private places without witnesses, the Court ordered that the documents of the trial should be presented to the Fiscal, and that criminal action should be taken against those who had not observed the order, namely to salvage the washed-up flotsam for the benefit of the owner. What else does this mean, then, when the principal defendant advised those people to cart the goods away and report them? Is this giving of advice then outside the true intentions of the lawmakers? Did the principal defendant then give that advice by virtue of the repeatedly cited opinions to cart the goods away and report them, since he knew of no other orders of the authorities, or by virtue of the

Dutch transcription

heeft, dat ryd de goederen vrij weg maar geeft het aan eene Misdaad zij, terwijl de pp=ln gedaagden zulx in 't advijs van Plovs van Amstel en C: W. Dekker eerste ingewonnen en van mr Lusav en m„r Le Jeune gevonden heeft. — Dat den R. d. Eijsscher zulks aan heeft gevoerd van wegens de twee voor gementioneerde advijsen, dat dit bij Duij„ „send Consequenties voor geen wet kan gehouden werden, stemt den 99 verweerde toe, vermits zulks is voortgesproten uijt een proces van Namptissement, met de geweesene Heer Independent fiscaal Boers en Ian Smit Iuriaansz: ver= oorzaakt bij wijze van accoord, tran= „sactie Compositie of redemptie, van zodanige Crimineelen actien en pour„ suites als den voorsz: Heer Friscaal Boers sustineerde hem als R. O. Eijsscher tegens Smit voorm: te Compa„ „teeren ter saaken van geciteerden Smit ten Lasten gelegden, praetense misdaad van Strandroop publicq geweld, mits „gaders misbruijk maaken van eenen g'arrogeerde auctoriteijt en 't Respect der Justitie. Dat Dat niet alleen voor geciteerden Heeren Advocaaten, daar over g'ad„ viseert hebben, maar zelfs de facul= teijt der Stad Leijden daar het meert op aan komt, om het gedrag van meergem: smit aan het oordeel van 't geheele cequitablen publicq te exponeeren. — temd den q9 verweerder aan de par„ tij het toe, dat zulx bij duijsenden Con„ sequentien van zaaken niet aannemelijk is, dan zal den R. O. Eijsschen den qq. ver„ weerder ook toestaan, dat dit Een be„ „palingen is, terwijl hetselven proces van gemelde Heer Fiscaal Boers tot namptissement voortgevloeijt is, uijt strand roof daar hij Smit meerm: meede betigt heeft, dat de gegronde argumenten, door de voorgen: Heeren Advocaaten, bij derselver Advisen geinsereerd zullen hebben, aangetoond, wat strandroop en publicq geweld is, en wat ijmand verpligt is, bij dier= gelijke gevallen van scheepen Stranden te doen staat, zo als het woordelijx ver„ „vat geworden is van den pp=len gedaagden tegens de wed:e Wessels, dat die geene op strand komende, de goederen wel weg t ect weg mogten ryden, maar zy moesten het aangeeven, 't welk na dat den ppen gedaagden zulx heeft geseyd, is Jo= hannes Jacobus Tesselaar insgelijks aan strand gekomen en die Luijden also gewaarschouwd, en niet alleen de Luyden gewaarschouwd Ja zelf wat meer is, eenige vragten van de aange„ spoelde goederen daar van de strand laten wegryden, en aan den Burger Weesmeester Hendrik Sustinus de wet als Commissionair der Deenschen Natie bij zijn aankomst aldaar aangegeven, dewelke door reeds gesegden de Wet, aan gem: Iesselaar verkogt is. — wat zal men nu zeggen dat gem: Tes„ „selaar al zo wel als den pp=len gedaagden schuldig is, niet alleen door kwade raad en daad van middaad, om de misdadigers tot een uijtvoer aanlyding te geeven, als de vooraangehaalde Roomsche wetgever, door den R. O. Eijsscher aan= „gevoerd meede brengd, maar zelfs da„ „delijk zoude strandroop begaan hebben/ het zoude wat onbedagt geweest zijn, van onse hogen superiorieuren in 't Patria, wanneer de bedoeling van den Roomschen wetgever, op dit exteerend geval geval te appliceeren waaren, dat ze bij placcaaten en wetten, zult: tegens de ordonnantie van de Roomsche wetgever„ die zodanige placcaten ingevoerd hebben, hebben verclaard als den 28. d: o Eijsscher met Een klap den bodem wil inslaan. - ken zie dienaangaande Bataviaar Arcadia pag: 296. en 97. proefkandig Leraard van t Placcaat des Iaars 17874. en is door dat uijtdrukkelijk placcaat, ten vollen in deese zaak voorsien, voor de inwoonderen, gelijk te zien is in 't placcaat van de Zeedriften gevoegd in de Handvesten van Amsterdam, pag mihi 192. inhoudende dat men de zee vonden en de zee driften zal aan= „vaarden, ende bewaaren tot behoefte van den regten eijgenaar, voor Een redelijke bergloon, zonder dat ijmand anders die mag aantasten, nog bergen tot zyn behoeven, of versteeken tot eijgen„ „baat enz: In welken voegen den Hogen raad van Holland in 't Jaar 1599. de inwoon„ „ders van 't Eyland ter schelling, die de granen van Een gestrand schip, eerst aan Land, en daar op een ijder in zijn sluijs had gebragt, hoe zeer de schipper daar tegens tegens protesteerde, heeft ten vollen onder het bestier van 't Slof gecon„ „demneert en nadien na den instellingen, dewelke van goederen aan strand ge„ „vonden uijtgegeven zijn, zij openbaar strafwaardig scheenen, om dat ze de goederen niet op een publicque, maar in bijsondere plaatsen zonder getuijgen hadden opgelegd, zo heeft den Raad belast dat de stucken van 't Proces aan den Fiscaal zouden werden vertoond, en dat men Crimineel tegen de geenen zoude ageeren, welke de ordre niet ge„ observeerd hadden, namentlijk de zee driften opgespoeld te bergen, ten profijten van den Eijgenaar. — Wat wil dit dan anders zeggen als den pp=ten gedaagden die Luijden geraden heeft, om de goederen weg te rijden en aan te geeven, is deese Raad„ geeving dan buijten de waare intentien van de wetgeevers heeft den ppen gedaag „den, dan: uijt kragt den meergesit: advijsen die Raad gegeven om de goederen weg te rijden en aan te geeven, terwijl hij van geen andere ordres der overigheyd en wiste, ofte uijt kragt van den

NL-HaNA_1.04.02_10660_0651 view scan ↗

English

the cited placarts of our lawful authority, affirmed in its placarts, the defendant in his capacity does not believe that anyone would harbour such base ideas, that public persons such as the said Gentlemen Advocates are, would not allege such laws and ordinances enacted by the States General in such cases as they have already done in the opinions, bringing it to the light of day by twisting words. Meanwhile, the defendant in his capacity cannot refrain from having to make a reflection upon the words of the Official Plaintiff, marked with the sign of NB, that the principal defendant then said to the Field Commander that it was no burgher matter to keep watch over foreign ship goods. Secondly, that the Official Plaintiff posits so scoffingly, with contempt, that the principal defendant believes he understands the country's laws and customs. The defendant in his capacity shall touch upon this in passing with a single stroke as if with the finger, and remark upon these two ridiculous points. It seems as if the Official Plaintiff in the first point attributes it as a crime to the principal defendant that it was no burgher matter to keep watch for the guarding of stranded goods. No, says the defendant in his capacity, it is not burgher matters to keep such watches, much less to undertake land expeditions, as long as it does not proceed from their own motives; the same would be the laughing-stock of the whole world, of such institutions, or of those who consent to it. That is what the soldiers are for, who enjoy their pay from the High Authority for their service. Just as the defendant in his capacity has seen the conduct on a certain occasion in Texel and on the Helder, when sixteen ships stranded, of the Schout and Bailiff, and the collection of the goods by the inhabitants there, this conduct of the Official Plaintiff, with all due respect, is completely contrary to the salutary purpose of our lawful authority in the Fatherland, which wills that the washed-up goods of sunken and stranded ships shall be collected and preserved for the benefit of the owners and not left as prey on the beach, to the entrapment of this or that person who might help themselves to it; just as the true intention of the principal defendant was none other than to have the goods of the Danish Nation carted away and declared, as appears from the true circumstances, otherwise: while this advice was given not for self-interest, but for the benefit of those to whom it belonged. Whereby it also comes into consideration that this advising regarding those goods could indeed occur sine animo furandi, and the principal being no vagabond or unknown scoundrel, but a good burgher, having a farm and dwelling here, standing in good name and fame, wherefore no offense can be presumed here, much less such a heavy offense as the accusation of instigation to beach robbery and thievery, according to the known rule, quod semper ea capiatur praesumptio qua delictum excluditur, and consequently, as soon as doubt arises, absolutely no offense is presumed, why then even more in acts which can occur in good faith, without offense, the offense is not presumed, as all this is unanimously taught by the Doctors, especially appealing to the Lex quod naufragium D. de incendio, ruina, naufragio, which is of particular application here, the words of the law in that regard being very notable: Sed enim additum est, dolo malo: quia non omnis qui recipit statim etiam delinquit; sed qui dolo malo recipit, aut quid, si ad hoc recipit, ut custodiret, salvamque faceret ei, qui amiserat? utique non debet teneri. The common law of the Placarts enacted by the States General; and in part alleged hereinbefore from the Batavische Arcadia, and shall be further demonstrated. And in the second point of accusations, corresponding, when the same express themselves in this manner: and although no one else is permitted to seize such goods or flotsam and to conceal them for his own self-interest and profit; from which it is to be seen that beach robbery not only requires that they have been taken or seized, unowned or masterless goods, but that they have been taken, by advice of the principal defendant, for self-interest and profit, and that, as is said in l. 1 § 24 D. ad Senatusconsultum Silanianum, Liquere igitur debet, scelere interemptum, ut Senatus Consulto Locus Sit, thus it can also be said in this case, Liquere debet animo furandi, res fuisse receptas, ut huic Legi Locus Sit, and as the inducement to theft may not be presumed in itself, so it may even less be presumed, or said, that inducement to beach robbery was given against a known burgher who stands in good name and fame. Since it is also a known rule of law that good name and fame cause the presumption against the supposition of an offense to prevail, furthermore in this matter the advice of the principal defendant can come into consideration; that even the suspicion of that crime cannot take place, of giving inducement to beach robbery, while such was said openly in the presence of the cook to the widow Wessel Wesselse, cart the goods away and declare them, as was also the very words of the oft-cited Tesselaar, that the principal defendant not being accused of having said it in a clandestine manner for self-interest and profit, thus there is not the slightest reason to defame the principal defendant in the act of giving such advice, with giving evil advice unto beach robbery and thievery. All of which reasoned arguments can also be made applicable to the imputation of public violence and abuse.

Dutch transcription

de aangevoerden placcaten van onse wettige overigheijd, in haar placcaaten g'affirmeerd, de qq verweerder vermeend niet dat ijmand dusdanigen Laage denkbeelden voeden zal /: dat Publicque persoonen als gemelde Heeren Advodaaten zyn :/ zodanige wetten en ordonnantien van de generaale staaten g'emaneert, niet bij dierge= lijke gevallen allegueeren als ze reeds in de advijsen gedaan hebben /met verdraaijing van woorden in het dag ligt te brengen. — Intusschen kan den qq verweerder niet afzijn eene reflexie te moeten maken, op de woorden van den R. O. „Eijsscher, met het merkteeken van NB. dat den pp=len gedaagden dan de Veld Commandant gesegt heeft, dat het geen Burger zaak was, op vreemden scheeps goederen de wagt te houden. — Tweeden dat den R. do Eijsscher zoo schamperig posseert, met ver= agtigingen, dat de pp=tlen gedaagde ver„ „meend 's Lands wetten en Costumen te verstaan. Den q9 verweerder zal met een Enkelden trek trek en passant als met de Vinger aan„ roeren, en deese twee bespottelijke poincten remarqueeren. — T Schind of den R. O. Eysscher in 't E eerste poinct, den pp=len ged=n het als een misdaad toeschrijft, dat het geen Burger zaak en was, om wagten te houden tot het oppassen van gestranden goederen, neen zigt den q9 verweerder, dat zijn geen Burger zaaken, zodanige wagten te houden, veel minder Land togten te doen, zo lange het uijt haare Eijgenen motiven niet voortkomt, hetselve zoude tot spot van de geheele weereld. weesen, van zodanige Instellingen, of van de geene die het inwilligen, daar zyn de soldaten voor, die hunnen besolding van de Hoge overigheyd genieten voor haare dienst. — Soo als den qq verweerder het gedrag /: by zeker gelegentheyd in texel en op de Helder van Sesthien scheppen stranden:/ gesien heeft, van de Schout en Bailliuw, en het insamelen der goederen, van de Inwoonderen aldaar, dit gedrag van den R. O. Eijpscher /:onder reverentie gesegd:/ is gantsch Strijdig strijdig tegens het heilsaam oogmerk van onze wettige overigheijd in 't Patria; die wil dat de opgespoelde goederen van gesonke en gestrande scheepen zullen ingesameld en bewaard werden, ten profijte van de Eijgenaars en niet ten provij gelaaten op het Strand, tot verstrikking van deese of geene, die zig daar aan vergrijpen mogten; zoo als de waare Intentie niet anders geweest is, van den pp=ln gedaagde als de goederen der deenschen Natie weg te doen rijden en aan te geeven, blijkt uijt de waare omstandigheeden, anders: terwijl deese Raadgeevingen met ten= eijgenbaat, maar ten profijte van die geene die het toebehoorde geschied is. — Waar bij dan nog in Consideratie komt, dat dit aanraden van die goederen zelve wel kon geschieden, Sine Animo Curandi en den pp=len geene Landloper of onbekende schooijer, maar een goed Burger zijnde, hier gehoefd, en ge„ huijsvest, ter goeder naam en faam staande, over zulks hier geen delict gepraesumeert kan worden, veel min zoo een zwaar delict, als de accusatie van voor va van aanrading tot strandroof en dieverijen volgens den bekenden Regul, quod Semper ca: Capiatur praesumptio qua delectum excluditur, en mits dien zo ras als 'er twijffelingen vald, volstrekt geen delict gepresumeert werd, waarom: dan ook te meer in daaden welken ter goeder trouwen, zonder de„ „liet kunnen geschieden, het delict niet gepreesumeerd word, gelijk dit alles met eenparigen stemmen door de D. D. geleerd werd, zig speciaal beroepende op de E. quo naufragium p de intendio, ruina, nautr: die hier van een bijsondere applicatie is, zijnde de woorden van de wet deswegen zeer Notabel: Sed aenim additum est, dolo malo quia non omnis qui recipit statim diam delenquit; sed qui dold„ male recipit, ^ aut quid, siad hoe re¬ „cipit, ut Custo-direk, sal vague faceret ci, qui anniserat r ulique non debet teneri. het gemeenen Regt der Placcaaten door de gene„ „raalen staaten g'Emaneerd; en ten deele hier voren uijt de Batavische Arcadia geallegeert, en nog nader betoogd zal werden. — En In het tweede pointh van beschuldigingen, overeenkomstig, wanneer deselve zig uijtdrukken in deeser voegen, ende hoe wel niemand anders geoorloofd is, zulke goederen of zeedriften te aan „vaarden ende te versteeken tot zijn zelfs eijgenbaas ende profeyt, waar uijt te zien is, dat strand roof niet alleen requireerd, dat is genomen of aanvaard zijn; onbekeerden of meester Loose goederen, maar dat die genomen zijn, /:door aanraden van den pp=ten gedaagden/ tot Eijgenbaat ende profijt en dat gelijk ml: 1824. F: ad set Sijllan: geseyd werd, Lique„ „ne igitur debet, soelere interemptum nit Lenalus Consulto Locus Lit dus ook in deese gesegd kan worden, Liquere debes animo furandi, rec fuisse reveptas, it huir Legi Locus Lut en gelyk de aanlyding tot diefstal op zig zelve niet gepresumeert mag worden, zo mag die te minder ^ of geseid gepresumeert worden, aanlijding tot strandroof gegeven te hebben, :tegen eenen bekenden Burger die ter goeder Naam en faam staat, Vermits verijen etooyd beto vermits het meede een bekenden Regul van regten is, dat de goeden naam en saam de praesumptie tegen het voor„ onderstellen, van een delist doen prae„ valeeren, kunnenden verders nog ten deesen de raadgeevinge van den pp=len gedaagden, in Consideratien komen; dat zelfs de suspurren van die misdaad geen plaats mag grijpen, van aanlyding te geeven tot Strandroof, terwyl dat zulx in 't openbaar ten aansien van de Kock aan de Wedwe. Wessel Wesselse gesegt geworden is, ryd de goederen weg en geefd het aan als meede de eijgene woorden van den meer geciteerden Tesselaar ook geweest is, dat den pp=len gedaagde niet beschuldigt zijnde, van dat hij op=len gedaagde het op een Clan„ „desting wijze zoude gesegd hebben, tot Eijgenlaat ende profijt, dus ook geen de minste redenen is, om in 't bedrijf van zodanigen raadgeeving den pp=e ged:t te bekladden, met kwaden raadgeeving, tot Strandroof en dieverijen. — Al het welke beredeneerde ook van applicatien kan gemaakt worden op de imputatie van publicq geweld en mis= bruijk

NL-HaNA_1.04.02_10660_0657 view scan ↗

English

make use, contrary to the good orders that were supposed to have been issued by the R. O. Plaintiff, regarding which imputations it should further be noted that it is undetermined that such orders existed, and that the same were made known to the principal defendant, running vaguely and generally contrary to the maxim, quod non sit vagandum cum periculo alienae existimationis, and that from these vague imputations, not a single specific deed is named, nor is it stated in the Claim, that the principal defendant was aware of that order and acted contrary to it. As to the second point, regarding the claim that the principal defendant was so presumptuous as if he thoroughly understood the laws and customs of the country, the representative defendant remarks that it would be no more than natural, so far as the laws and orders have not been obscured, as can and may be said in this existing case. A native-born citizen, so far as the laws and placards are public, can and must know them, since he was born here and did not arrive here as a sailor or soldier, who absolutely cannot know the customs or usages of the laws, as appears with regard to the late Honorable A. Horak, who as the then Landdrost of Swellendam, at a certain stranded ship in the Flesh or Fish Bay, just as well as the surrounding country folk, had the washed-up beach goods carted away for his own benefit and profit; what crimes did this man then commit during the administration of the late Honorable, Most Worshipful Lord Governor Rijk Tulbagh, when there were no public Placards, and he could have had absolutely no knowledge of the secret matters, since in earlier times he undoubtedly arrived here as a sailor or soldier; yet departing from this until it is required to deduce this further with valid proofs. Thus the representative defendant hereby proceeds to the second or last point of the general accusation, namely to that which is imputed to the principal defendant, that he, within the terms of the laws and orders of our lawful authorities, is alleged to have transgressed the same, and on that account, according to the aforementioned Roman laws, ought to be punished in his person, etc. The representative defendant asks since what time this giving of advice, to cart away and report the washed-up goods, has become a crime, since that advice was not given for self-interest or profit; had a predatory desire for self-interest prevailed with the principal defendant, then that would have been proven by the R. O. Plaintiff, of which there is as yet no evidence, nor will there be, since it cannot be unknown to him, the R. O. Plaintiff, that the means would not have been lacking to the principal defendant, if he, the principal defendant, had been covetous, to enrich himself with other people's goods, even to profit from the goods, without needing to give advice to anyone else for their profit, contrary to the laws and orders of the R. O. Plaintiff. Under the general denomination of authority, of which the R. O. Plaintiff is a member, representing the countryside as far as their district extends, are our lawful sovereigns, the High and Mighty States General of the Republic, under which all foreign colonies fall; these, by virtue of sovereignty, have appointed others for their maintenance to exercise the laws and orders which they have made and issued, and to maintain a good mutual understanding, which mandates have been given by the entire notable body for the protection of their interests; and on the grounds of that voluntary mandate, everyone is obliged to offer them their homage and obedience, obedience to the laws which they make and give, so that it follows from this that everyone is bound by specific laws and orders, but they must be open and public, so that no one unwittingly comes to transgress against them, as appears from the placards, chronicles, and daybooks, from which it is notoriously and evidently proven what the laws and orders dictate, as shown by the placards issued concerning shipwrecks and washed-ashore and washed-up goods, placards of 4 November 1606, 24 May 1613, 25 April 1620, 31 October 1626, 4 February 1648, 17 May 1651, 2 December 1663, 2 April 1674, 24 February 1698, Ordinance of the States General of 7 March 1749; it being further manifest from this that the principal defendant did not act contrary to the placards, orders, or laws with his recommendation, since there were no orders, or at least they were kept concealed from the principal defendant, and if the contrary could be proven, such would certainly have been produced with the claim, along with the orders dispatched to the Field Watchmaster, from which those notable proofs would appear that the principal defendant the orders of the authority

Dutch transcription

„bruijk maken, tegens de goede ordres, die 'er van den R: O. Eijsscher zoude geweest zijn, omtrent welke imputatien nog te noteeren staat, dat deselve is ongetermineerd, dat 'er zulke ordres was, en deselve den pp=ten gedaagden be„ „kend gemaakt, Vaque en generaal aan„ „lopende tegen de morimen, quod non sit Vagandum, Cum periculo: alie„ na; eris timationis, en dat van dien waquen imputatien, geen een specialen dood opgenoemd, of in den Eijsch bekend is, dat den pp=ten gedaagden van die ordre bewust is geweest, en daar tegens aan gehandeld heeft. — Wat dan 't tweeden poinct aan„ betreft, van dat den pp=en ged=e zig zo Vermetel vond, als of hij 's Lands wet¬ „ten en Costumen grondig verstaande remarqueerd den 99 verweerder, dat het niet meer als natuurlijk zouden weesen, zoo verre de wetten en ordres niet verduisterd geworden is, als bij dit exteerend geval kan en mag ge„ seid worden. — Eene gebooren burger zoo verre de Wettens en placcaten publicq is, kan en moet het weeten, terwijl hij hier ge„ boren is, en niet voor Mattroos of soldaat te soldaat alhier aangekomen is, de„ „welke het volstrekt niet weten kun= „nen de Castuumen ofte usantien der wetten als blijkt, ten opsigten van wijlen d' E. A. Hlorak, die als doenmaligen Landdroot van Swellendam bij zeker gestrand schip in de vlees of vis baaij, al zo wel als de omleggen„ de Landlieden de opgespoelden strand„ goederen heeft laten wegrijden; tot zijn Eygenbaat en profijt, welke mis= daaden heeft deese dan /:onder de Regeeringen van wijlen den welEdelen Groot Agtb: Heere gouverneur Rijk Tulbagh:/ gepleegd, terwijl terwijl 'er geen publicque Placcaten waaren, en hij van de geheijmen absolut geen kundigheijd konde gehad hebben, terwijl hij in vroegeren tijd, zonder dubiet als Mattroos of soldaat hier aangekomen /dog hier van afstappende tot dat ver„ Eijscht werd, zulx nader te deduceeren met vallabelen bewijsen. — Zo gaat den qq verweerder hier meede over tot het tweede of laatste poinct der algemeenen beschuldiging, wamentlijk tot die welke men den pp=len pp=ln ged„t aanwrijft, dat hij in den termen der wetten en ordres van ons wettige overigheeden deselve overtre= „den zouden hebben, en daar over volgens de vooraangehaalde Roomsche wetten, aan den Leijven behoord te werden ge= straft enz: — Den q9 verweerder vraagd zedert welk een tijd deese Raadgeevingen, van de opgespoelden goederen weg ten rijden en aan te geeven, een misdaad ge„ „worden is, terwijl die raad niet tot Eij= „genbaat of profyt geschied is, heer schte bij den pp=en ged=e een roofzugt tot eijgenbaat, dan zouden het van den R. O. Eijsscher bewesen zijn geworden daar nog geen blijk van is; of komen zal, terwijl het hem R. d. Eijsscher niet ignorant kan zijn, dat het aan de vermogens van den pplen. ge¬ daagden niet ontbroken zouden hebben, om wanneer hij pen ged=t baatzugtig„ was, zig met andersbant goederen te verrijken, zelfs van de goederen te profiteeren, hij aan geen anderen Raad tot profijt behoefde te geeven, tegens de wetten en ordres van den B. O. Eijsscher. — onder Onder de algemeenen benaming van overigheijd /: waar van den R. O. Eijsscher een Lid is, praesenteerende ten platten Lande, zo verre als derselver district uijtmaakt:/ zijn onse wettige souve„ „rainen de Hoog mogende Generaale staaten van 't Republicq, waar onder allen uijtheemschen Colonnies sorteeren, deese uijt kragten van 't Souverainen, andere tot subsistentie van haar aangesteld om de Wetten en ordres die zij gemaakt en gegeeven hebben, en een goede verstandhouding te Excer= „ceeren welke opdragten zijn geschied, van 't geheelen Notabele Lighaam, tot beschermingen van haaren belangen, en uijt hoofden van dien vrijwillige opdragt, is een ijder verpligt aan ten bieden haare hulden en gehoorsaamheijd, gehoorsaamheyd der wetten, die zij maaken en geeven, zo dat daar uijt voortvloeijt, dat een yder aan bepaalden wetten en ordres verbonden is, maar 't moet openbaar en publicq weesens, op dat niemand daar aan aenweetende komt te zondigen, gelijk uijt de placcaten Jaar en dag boeken komt te Consteeren Consteeren, waar uijt notoir en evident beweesen werd, wat de wetten en ordres dicteeren, blijkens den placcaaten g'emaneert over stranden van scheepen en aangedreevenen en opgespoelden goe= „deren, placcaaten van den 4. Novb=r 1606. „ 24 Maij 1613. „ 25 April 1620. „ 31 October 1626. „ 4. Febr=i 1648. „ 17. Maij 1651. 2. Decemb:r 1663. „ 2 April 1674. „ 24. Febr=j 1698. — Ordonnantie van de Staaten Generaal 7. Maart 1749. zijnde verder nog manifeet daar uijt, dat de perp=en ge= daagde niet tegens de placcaaten ordres ofte wetten met derselver aanrading /heeft gehandeld, terwijl er geen ordres was, of ten minsten is het dan voor den pp=len gedaagden verholen gehouden, en zo het Contrarie konde beweesen worden, zoude zulx wel met de ordres aan de Veldwagt= meester afgevaardigt, bij den Eijsch overgelegd geworden zijn, waar uijt die notabele bewijsen zoude Consteeren, dat den pplen gedaagden de ordres der overigheyd hied tot

← previousnext →