Inventory 10674
Cape · 622 pages · 88 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
for the salvaging and administering of the goods washed ashore and found on the beaches in that vicinity was provided, his substitute Christiaan Godhelp Rudolphi and the orderly mounted messenger I: Cremer having been sent along; that to his utmost surprise he had to learn from the said Sieur de Wet as well as the substitute upon their return that they had not only met several wagons on their way there, loaded with various goods washed ashore from the aforesaid ship Nicobar belonging to the aforementioned field-sergeant Jacobus Fourie, Louis Fourie, Coenraad Johannes Groenewald, Burgert van Dyk, Mattheus Guilliaume, Christoffel Groenewald, Lucas Marthinus Marais, and Margaretha Radyn, widow of Wessel Wessels, but also upon their arrival at the beach had found no fewer than thirty wagons loaded with the same aforesaid goods, and learned that the largest part of the washed-up goods had already been transported from there; so that the repeatedly mentioned Sieur De Wet, having asked the collective persons to whom the wagons loaded with the washed-up goods belonged who had given them the right to act arbitrarily with those goods and to take them from there, they unanimously and as with one voice answered Jacob van Reenen, the defendant in this matter; that, the necessary legal proceedings having been initiated thereupon by the prosecutor ex officio against the abovementioned persons, both from the same and from the inquests previously obtained for that purpose it appeared, under respectful correction, that the robbing, stealing, and transporting of the washed-up goods from the aforesaid ship Nicobar must be attributed to the defendant in this matter, and that he, the defendant, gave the first inducement thereto; the prosecutor ex officio therefore considered it his indispensable duty also to request of Your Right Honourable Worships, as the prosecutor ex officio indeed requested and obtained from Your Right Honourable Worships on the 18th of January, a summons in person in order to hear such claim and conclusion or request or requests as the prosecutor ex officio should make and take on the appointed day, to answer thereto and further to proceed according to law; that the defendant, subsequently having been condemned by interlocutory sentence of Your Right Honourable Worships to answer to such articles as should be put to him on behalf of the prosecutor ex officio, upon his appearance before the Commissioners delegated for that purpose declared to them under numerous worthless exceptions and arrogant pretexts that he would not answer the articles; that the prosecutor ex officio, because of the declaration made by the defendant, found himself obliged to request of Your Right Honourable Worships that such provision might be made in this matter as Your Right Honourable Worships should judge proper for the execution of the said disposition; that the further disposition of Your Worships was finally of such effect that the defendant found himself persuaded to answer the articles put to him on behalf of the prosecutor ex officio; but that the defendant, in the answers he gave, continually attempted to verify his innocence with a certain legal opinion in the lawsuit of the late repatriated Independent Fiscal Mr. Willem Cornelis Boers and the burgher Jan Imst, given by the advocates Plas van Amstel, Lusac, and Le Seune; though he nevertheless deemed himself authorized, following that same opinion, to declare to the field-sergeant in the presence of the six persons present there on the beach that, nota bene, it was not the business of a burgher to look after a stranger's goods, but rather to bury the dead; that the prosecutor ex officio, nevertheless, under respectful correction, considered the defendant's confession insufficient to be able to make an extraordinary claim against the defendant; requested at the first meeting that the defendant might be admitted to an ordinary trial, as the defendant was indeed admitted thereto; that however little the prosecutor ex officio can agree, purely on the strength of the defendant's confession, to the conclusion limited to the giving of bad advice, which advice and inducement was also effectively the cause of the act, he nevertheless, both on the basis of the proofs annexed hereto and the defendant's confession, finds it necessary to occupy the attention of Your Right Honourable Worships for a moment with a clear demonstration of the crimes of which the defendant has made himself guilty, and with the examination of the punishment which the defendant has merited, since the crimes of the defendant are of a different nature; and namely firstly that he, as a burgher officer, instead of encouraging his subordinates to obey the orders given to them, attempted to divert them from their fair and no less lawful obedience.
Dutch transcription
10 't ot het bergen en administreeren der op„ gespoelde en aan de stranden daar omstreeks bevindende goederen was voorsien „ zyn substituet Christiaan Godhelp Rudolphi 12 En den ordonn. Rueter I: Cremer hebben, de meede gegeeven 13 van gem: S=r de Wet zoo wel als den substituat by hun te rux komst. 14 tot zyn uiterste surprese heeft moeten verneemen 15. dat zylieder niet alleen in het der„ waards ryden- op weg ontmoet hadden eenige wagens. - 16 beladen met differente van het voorsz: schip Nicobar opgespoelde goederen 17 toebehoorende aan den eevengem. velder wagtmeester Jacobus Fourie, Louis Frureen Coenraad Johannes Groeneuseld, Burgert van Dik Mattheus Tuellauwe Chris„ toffel Groeneesald, Lucas Marthinus Marais en Margaretha Radijn wede. Wessel Wessels. 18 maar ook by hun arrivement aan het strand wel dertig wagens belaaden met deselve voorsz: goederen hadden aangetroffen 19 en vernoomen dat het grotste ge„ deelte der opgespeelde goederen reeds van daar was vervoerd zo dat meerm. s D - wet aan de gesa„ mentlyke persoonen, aan dewelke de wa gens met de opgespeelde goederen beladen toekesamer 21 gevraagd hebbende wie hun regt gegeeven had, zes wille keuren met deselve goederen te handelen en na hier te neemen 22 zyl: eenparig en als uit eenen monde ge„ antwoord Jacob van Reenen der gede in deesen 23 dat door den R:O: eysschen daar op tegen de bewengem: persoonen de nodige pro„ cedures zynde g'entameerd 24 zoo uit deselve als uit de bevorens tot dat einde in peevonnene enquesten on der eerbiedige verbeeteringe is toegescheenen 25 het rorven, steelen en vervoeren der opge„ spoelde goederen van 't vorsz: schep Neco„ bar 26 aan den ged=e in deesen te moeten attrebueeren 27 en hy ged=e de eerste aanleedinge daar toe te hebben gegeeven. — 28 de R: O: eisscher dies van zynen, en dis„ pensabelen pligt heeft gemeend te zyn. 29 al meede van UwelEd Agtb: te moeten versoeken 30 gelyk den R: O eisschen dan erk op den 18 Jann. heeft versogt en g'obtineerd van Uwel Ed Agtb: dagvaardinge en persoon 31 ten einde te aanhooren zodanige eisch en Conclusie dan wel versoek ofte versoeken 32 als de R: O eisscher ter dage dienende zoude komen te doen en te neemen 33 daar op te antwoorden en voorts te pro„ cedeeren als # regten dat den ged=e vervolgens by enter locutoire vonnis van uwelEdele Agtb: gecondemneerd zynde te antwoorden op sodanige articulen als hem van weegens den R: O eisschen zouden worden vengehouden. t2 den vern - mren ert hres„ nis wede. 3a F Mt 34 by zyn - Comparitie voor Heeren Te Commis ten dien eerde aan denselven onder veel veldigen niets waardige exceptien en anogante praetexten heeft gedeclareerd 35 van niet te zullen- antwoord en op articalen 36 dat der R: Olisscher don de gedaane declaratie van den ged=e zyx heeft genoodzaakt gevonden van uwel Ed: Agtb: te versoeken, dat er deesen zodanige voorsieninge mogten werden genoomen 37 als uwel Ed: Agtb: ter executie, van deselve dispositie zonder oordeelen te behooren 38 dat de nadere dispositie van Uwel Ed: van eindelyk van dat effect is geweest. 39 dat der ged=e zig al gepersuadeert heeft gevonden te antwoorden, op de hem van weegers der RO: eisscher voorgehoedene articulen 4o dan dat hy ged=e by zyne gegeevene respo seven op Continuatie zyn onschuld heef getrapt te verifieeren 41 net zeeker advis in het proces van den see deet van huen gerepatrieerden Heer Indeperdent Fiscaal Mr: Willem Corneli Boers en der burger Jan Imst. 42 door de advocaten Plas van Amstel Lusac en Le Seune gegeeven 43 dog dat hy exter niet te min zegte voegd heeft gereekend omme rest k20. van het zelve advys. — 44 ter presentie van de zex aldaar aan stra bevendende persoonen te declareeren der veldwagtmeester. — 45 dat NB het net de zaak van een burge kwam te zyn Mt 46 opvreemde mans goederen te passen, maar wel de dooden te begraaven 47 dat de R: O: eisscher niet te min onder eerbiedige Correctie heeft gemeend 48 des ged=e Confesse - niet voldoende genoeg te zyn omme teegen den ged=e extra or„ denair eesch te kunnen doen 49 by de eerste vergadering heeft versogt 5o dat der ged=e mogte worden ontfangen in een ordinair proces 51 gelyk den ged:e dan ok daar toe is, g'admitteerd §2 dat hoe zeer ook den R: O: eisscher niet wel uit kragte van des ged=e Confessee, alleen to de Conclusie bepaald op eenen kwader raad gegeeven, welkers raadgeeving en aan„ leiding tot de daad ook effectiveelyk oorzaak is geweest, kan toetreeden 53 he exter zoo op fundament der by deesen g'annexeerde bewysen 54 als des ged=e Confessie nodig vind 55 de attentie van Uweled Agtb: een wynig te occupeeren met een lixuede betoog van de misdader waar aan den ged=e zig heeft schuldig gemaakt 56, en met het ondersoek der straffe welke hy ged=e heeft gemeriteerd gehad en daar de mesdaden van den ged=e zyn van eener differenten- aart. 58 En wel eerstelyk dat hy als eenen bun„ ger officier in steede van zyne minderen aan te zetter tot oediente van de ordres hun gegeeven deselve heeft getragt tfteleeden van derselver bellyke en niet minder regtmetige; gehoorsaamheid de vonden er ten rte
English
Article 59. And secondly, having admonished his subordinates through an opinion that they were authorized to violate the orders recommended to them and determined by the government. 60. And then finally, thirdly, in counseling, almost under the pretext of provisional salvage, that they might take into their possession all washed-up and stranded goods, and in order to have his advice executed immediately, the defendant was willing to take everything upon himself, whatever might come of it. 61. The plaintiff ex officio consequently judged himself obligated to deal with these different misdeeds in such a manner. 62. And just as the defendant then, in the first place, himself says in the first article of his interrogation, 63. to be Commandant of the Swellendam Invalids, 64. he will certainly not be able nor willing to deny, 65. that pursuant to his sworn duty, and as a man who, according to almost all his articulate answers in his interrogation, seems to want to claim a particularly great knowledge and understanding of the law to which a citizen in a Colony such as this is entitled, 66. the defendant clearly ought to know 67. that no society, much less a country, can exist without laws, 68. and that everyone ought to conduct himself according to those same laws. Article 69. And that the violators of the same in general, and that those who in particular are entrusted with a higher degree of observance of those same laws, 70. ought also to be punished more severely, 71. without anyone being authorized 72. to judge concerning the equity or inequity of the laws, 73. since this latter is entrusted solely to the rulers of the land. 74. And that the defendant thus, both by virtue of his capacity and the trust of the common people, and his superior knowledge, could be assured 75. that very quickly upon his plausible presentation, 76. and the influence which he, by his assurance of wanting to take everything upon himself, could arouse in the hearts of the listeners, 77. his advice would be followed; 78. and of which the consequences have then also produced the most undeniable proof. 79. So that the defendant, on account of the intentional, willful, and no less malicious use of his capacity and the sworn duty attached thereto, 80. does not merit to continue therein for a single moment longer. 81. And in order not to give an ignorant commonality any further opportunity to expose themselves to such wicked counsels, 82. furthermore to be deprived of all prerogatives, benefits, and rights of an ordinary citizen. Article 83. It is furthermore beyond all dispute 84. that from the defendant's misinterpretation and misapplication of an opinion which relates to a private lawsuit, 85. it is most strongly manifested what diligence he applied 86. to completely nullify the laws and orders of his government. 87. For the defendant was not content to let his malicious intention shine forth, as appears from the answer to article 50 of his interrogation, 88. with the comprehension and presumptuous knowledge that he thinks he has of the aforementioned opinion, 89. in order to reveal the same only to the field-watch master. 90. No, Honorable Gentlemen, he goes to the widow of Wessel Wessels and assures her that, which is well to be noted, the goods from stranded and foreign ships might freely be taken away, whenever no one was present with them. 91. And has the defendant, with the further communication of that which he understood from the opinions, 92. not sufficiently confessed this himself in article 25 of his interrogation? 93. What else indeed does the defendant say with this than: the laws which our lawful authority has given, 94. and which all of us, inhabitants of this Colony, have sworn so dearly to obey, 95. we disapprove of, notwithstanding our sworn duty, 96. and have thus thought fit to obey them no longer, Article 97. but a private opinion, which by the thousandth consequence cannot be accepted as valid, 98. we must all follow according to my wrong comprehension. 99. And has the defendant thus not shown by his entire conduct in this matter that he persuaded his subordinates 100. to violate all the established orders and laws of his authority? 101. And does not the deed prove that the defendant, according to the strict meaning of the law, deserves to be banished immediately as a wicked and harmful subject? 102. And has the defendant then finally, in the third place, not made the utmost effort 103. to carry his wicked counsel into execution, with the assurance of wanting to take everything upon himself, whatever might come of it? 104. What indeed could be invented that is more powerful to persuade persons present on the beach, 105. and to cause them to proceed to the robbing and stealing of the washed-up and stranded goods, 106. than that a person who held the highest capacity among all those present, 107. and from whom they all consequently reasonably expected a superior knowledge, 108. gave the assurance that the transporting and taking away of the stranded and washed-up goods 109. was an act permitted in every respect?
Dutch transcription
Aot 59 en tweeders deselve zyne minderen door een advis aangemaand bevoegd te zyn, tot het verbreeken van derselven aanbeverlere en door de reegeeringe bepaalde ordres 60 En dan eindelyk derdens in het Consulee van ren quase onder pretext van provisionee le berging, alle opgespoelde en gestranden goederen na zig te mogen neemen, en om zynen raad dadelyk te doen execu¬ teeren, hy gede alles op zig willen neemen wat er van kwam 61 de R: O: eisscher deselve differente mes„ daden dan ook dusdanig zig verpligt on¬ deeld af te handelen 62 En gelyk den ged=e dan ende eerste plaat zelve by het eerste articul van zyn ver„ hon zegt 63 Commandant der swellendamsche Invale„ des te zyn—. 64 zal hy wel niet kunnen nog willen ontken„ nen - 65 dat ingevolge zyn beder plixt en als eer man die volgens byna alle zyne articulativen antwoorden van zyn verhoor een byzondere grote kennis en weetenschap schynt te willen pa„ tendeeren, van het regt het welk een burger in een Colonie als deeser toe„ komt. — 66 hy ged=te perlyk behent te weeten 67 dat geene sociiteit veel minder een land, zonder wetten bestaan kan 68 en dat een yder zeg diendter bekent te gedragen na deselve wetten Art 69 en dat de overtreeders van deselve int ge„ neraal Oge en dat de geene die in't particulier een meer„ dere graad der observantie van deselve wet„ ten aanbetrouwd zynde 7o ook swaarder behoord gestraft te worden 71 zonder dat ymand bevoegd zy 72 over de cequiteit of de incequiteit der wetten te mogen Judiceeren 73 alsoo dit laatste alleenlyk aan de regenten van der lande is aanbestrouwd 74 en dat der ged=e zeg dus zoo uit hoofde van zyne qualiteit als het vertrouwen vaen het gemeen, en zyn meerdere kunde zig verseekerd konde houden 75 dat zeer ras op zyn waarscheynlyk voordragt 76 en der invloed die hy by zyn verseekering van alles op hem te willen neemen in de harter der aanhourende kon ver„ wekken 77 zyne raadgeeveng zoude volgen 78 en waar van de gevolgen dan ook het on weederspreekelykst bewys hebben op gelee verd 79 zoo dat den ged=e uit hoofde van het op„ settelyk moedwillig en niet minder kisaad aahtig gebruik van zyne qualiteit en daar aan verknogte eeder plit 80 peen openblik langer meriteerd daarin t Continueeren 81 En om een onkundig gemeen niet verder geleegerdheid te doen geeven van zig aan diergelyke boose raadgeevengen te exponeeren 82 bovensdien van alle praerogative beneficien en regter van een gemeen burger te worden verstoken onsulee visionee Stranden en „ me Caab. Gouverneur als ro 3 Art 83 het is wyders buiter alle Contest 84 dat uit het verkeerd uitleggen en plaatsen van den ged=e van eer advis, dwelke tot een particulier proces haare betrekking heeft 85 ten sterksten manefesteerd, welke vlyt hy aangeevend. heeft &6 de wetten en ordres van zyn regeering geheel te verwietigen. 87 want hy ged=e zig niet vergenoegd heeft zyne malitieuse intentie, blykens het anteoord op ait so van zyn verhoor te laten dar stralen 88 met het begrip en vermeetele kennis dat hy van het meerm: advys meent te hebben 89 omme deselve alleen aan den veldwaft meester te openbaaren 90 neer Agtb: Heeren, hy gaat by de Wede. Wessel Wessels en verseekerd haar dat quod bene notandum van gestrande en vreemde scheepen vry de goederen mogten worden weggenoomen, wanneer er niemand by was. 91 en heeft der ged=e met de verdere verdraag inge van het geen hy uit de advysen 1 heeft begrepen 92 dit niet genoegzaam zelve part 25 van zyn verhoor geconfesseerd 93 wat wel der ged=e daar meede anders zeggen als de wetten die onse wettige overigheid heeft gegeeven 94 en die wy alle ingeseetenen deeser Cchomen zoo duur besworen hebben te zullen gehoursaamen 95 disapprobeeren wy niet teegenstaanden onse eeden pligt 96 en hebben dus goedgevonden deselve niet langer te obedieeren Art97. maar een particulier advys het welk by de duysendste Consequentie voor geen niet kan werden aangenoomen 98 moeten wy alle na het verkeerde begrip van my opvolgen 99 en heeft den ged=e dus door zyn geheel gedrag in deeser niet betoond zyne minderen te persuadeeren - 188 tot het verbreeker van alle de bepaalde ordres en wetter van zyne overigheid 101 en bewyst niet de daad, dat hy ged=e na den stuchten zer van de wet verdiend dadelyk als een kwaad en schadelyk subject ver„ bannen te worden 102 En heeft hy ged=e dan eindelyk in de derde plaats, meet het uiterste aangewend . omme zynen booser raad ten uitvoer te brengen 103 met de verseekering van alles op zag te willen neemen wat er van kwam 104 wes en wel iets sterker uit te vinden omwe aan strand aanweesende personen te persuadeeren 105 en tot het roover en steelen der opge speelde en gestrande goederen over te doer gaan 106 als dat eer persoon die de hoogste qualiteit onder alle de aanweesende be„ kleede 107 en van dewelke zy allen dus gevolgelyk een meerdere kunde bellk verwagteden 108 de verseekering gof het verveeren en wegneemen der gestrande en opgespoelden goederen og eene allesints gepermitteerde daad te zyn laatsen tot een heeft vlyt Stralen nis end eer aar - Caab. Gouverneur al
English
Because it is clearly to be deduced from the aforementioned confession made in his own mouth: 111 While the veldwachtmeester made known to him what orders he had received, by guarding the goods that were washed ashore there, 112 the defendant immediately opposed those orders, assuring the said veldwachtmeester that it was not the business of a burgher to guard a stranger's goods. 113 The plaintiff ex officio also trusts that from an accurate review of the sworn depositions and further documents, 114 over and above the other testimonies, it is not established 115 that the defendant gave his advice according to the advice presented by him, 116 but on the contrary, by natural consequence, the court must conclude 117 that, even with the pretended good intention, 118 an arrogant, usurped authority was the driving force behind his advice, 119 in order, were it possible, to completely trample upon the laws given by his lawful authority, 120 121 and to mislead an ignorant populace, 122 in order to oppose good orders, 123 and to banish all obedience. 124 The plaintiff ex officio, with respectful reverence, having set forth according to his humble understanding the crimes of the defendant and wherein they actually consisted, with their true and essential circumstances, 125 and regarding which he otherwise refers to the proofs from which they were deduced by him, 126 believes it will be all the easier to discover 127 what punishments are set down for the same crimes, 128 and which of those punishments the defendant will have merited. 129 When one then considers the real and essential intention 130 that appears to have resided in the advice of the defendant, 131 then it would require little effort 132 to prove clearly from the conduct of the defendant, 133 to whom not the least authority or direction was entrusted in such cases as the stranding of ships, 134 135 that he, the defendant, by virtue of the pretended influence he had over the minds of an ignorant populace, 136 sought, were it possible, with his plausible exhortations 137 to draw them away from their oath and duty, 138 to cause them to disobey the laws of their lawful authority, 139 and thus consequently to disturb the public peace and tranquility, 140 and thereby to endanger the common weal. 141 And what punishment is determined by the laws for such crimes 142 is very easily demonstrated, 143 since the laws require that the counselor shall be punished with no other punishments 144 than those imposed upon the perpetrators. 145 Thus the plaintiff ex officio also considers himself bound to restrict himself solely 146 to the punishments that are imposed on those who carried out the evil upon the advice. 147 And who does not understand that it is just as bad not to prevent a wrongdoer in his wickedness when one can, 148 as it is to induce and incite him thereto by counsel? 149 And if the laws do not hold the former innocent, 150 how then could the latter be innocent, 151 since this one is not merely passive like that one, but even active to some degree? 152 And it is true according to the opinion of most jurists 153 that one who gives counsel to a villainy bears more guilt 154 than one who merely fails to prevent a villainy about to be committed, 155 especially if the execution followed the counsel. 156 And applying this fully to the defendant: 157 do not all the proofs dictate that good order was kept until the arrival of the defendant, 158 and that immediately upon the counsel given by the defendant, a beginning was made with the removal of the goods? 159 And they even preferred the counsel of the defendant so far above the orders of their government 160 that they even wished to oppose 161 those who were further specifically provided with a qualification from the Honorable Governor. 162 The plaintiff ex officio, without expanding his private reflections upon the evil consequences that could have arisen in other cases from such advice as that of the defendant, 163 maintains in the present case, subject to respectful correction in examining and determining the punishment 164 that the defendant has incurred, 165 that he does not act amiss when he especially cites the 175th article of the Criminal Constitutio Criminalis Carolina of Emperor Charles the 5th, 166 which was enacted after many disputes among the Roman jurists and those present at that time who commented on that subject.
Dutch transcription
Artno want dAes middag klaar uit de vooaange haalde eygen mondige Confessie te de du„ ceeren 111 terwyl de veldwaftmeester aan hem zelve door het oppassen op de goederen die al daar op gespoeld waren te kennen gaf welke Ordres hy ontfanger hadde 112 er teegens welke ordres hy ged=e zeg da„ delyk heeft aanpekant, met verseekereng aan denselver veldwagtmeester, het naet de zaak van een burger man te zyn om opvreemde mans goederen te posser 113 de R: O: eisscher vertrouwd teffens, dat uiet eene accurate resumptie de beeede de relaser ende verdere documenten 114 boven en behalven de andere getuigenes ser niet Consteerd 15 dat den ged=e zyner raad na het door hem opgegeevene advyser kerft gegeeven 116 inteegendeel by natuurlyke gevolg t reg kirx moeten besluiten 17 dat zelfs met de gepraetexteerde goede intentie 118 maar eene arrogante aangemetende autoriteit de dryfveer van zynen raad zy geweest ko omme ware het mogelyk de wetten door zyne wettige overigheid gegeeven 120 ten eenemele met voeten te treeden 121 En een onkundig gemeen te mislyden 122 omm de goede ordres teege, te paar 123 en alle alle gehoursaamheid te verbanren 124 der R O: lisscher /:onder eerbiedige re„ verente, de misdaader van den ged=e en waar en deselve eigentlyk hebben bestaan aange bestaan, naar zyn gering begiep met deszelfs waare en weesentlike omstandig„ heeden hebben voorgedragen 125 en waar omtrend hy zig voor het overige tot de bewysen waar uit deselve door her zyn gededuceerd zig refereerende — 126 Vermeend als na des te facielder te zullen kunnen verder 127 welke straffen op deselve misdaden zyn bepaald 128 en welke dier straffen der ged=e zal heb„ ben gemeriteerd 129 Wanneer men dan de reëele en Esser„ tieele intentie- wil gade slaar 130 die er schynt geresideert te hebben en de raadgeeving van der ged=e 131 dan zoude het wynig moeijte verenza„ ker 132 omklaarblyklyk uit het gedrag van der ged=e 133 aan dewelke peer de minste auetne„ teet of directie in diergelyke gevallen als bestranden van scheepen saar¬ betrouwd. 134 te kunnen bewysen 135 dat hy ged=e rest kragte van den p'ano„ geeeder invloed dit hy op de pemoederen veen een onkundix gemeen hadde — 136 dat hy heeft getragt (ware het mogelyk met zyne aanneemelyk exhertatien 137 van hun Eed en pligt of te trekken 138 de wetten van hunne wettige Nerig„ heed te doen disobedieeren de die zelve die al af da eekern n zn om en t beeede her et e Caab. Gouverneur al 139 en dus gevolgelyk de gemeene rust en vreede te Hooren 140 en daar door het gemeene best in gevaar te stellen 141 en welke straffe op dier gelyke misdaden naar de wetter bepaald is. 142 zoo zeer ligt zyn by te brengen 143 dat daar de wetten willen, dat den raad geever met geene andere straffen zal werden gecerripeerd 144 als de daders zyn opgelegd 145 zes meerd der Ro eisscher zig ook alleen, lyk te moeten bepaalen 146 tot de straffen dewelke aan die geenen zyn opgelegt, die op de raadgeeven het quaad hebben ter uitvoer gebragt. 147 En wee begrypt dat niet, dat het net zoo erg is een boos doender en zyne boos„ heid, daar men kan niet te verhinderen 148 als hem zelfs door raad daar toe te beweegen er aan te zetten 149. en houder de regten der eersten niet onschuldig 150 hoe zoude dan de tweede onschuldig zyn 151: daar deese niet enkeld lydelyk als die maar zelfs eenigzints dadelyk is. 152. En 't is volgens het geveelen der meeste regtsleevaaren waaragtig 153 dat een raad geeven tot een schelmstuk meer schuld heeft 154 dan die slegts een te pleegen schel mnstuk„ niet verhinderd. zal ook alleen geenen den 2aad het het net hinderen bors„ niet deg zyn Mt 155 voornamentlyk zoo de uitvoering op de raad gevolgd zy 156 en dit ten vollen op den ged=e te appliceeren 157 dicteeren niet alle de bewyzen dat er goeden ordre is gehouden tot de kinest van der ged=e 158. en dat men dadelyk op de raad geeven van der ged=e met 't vervoeren der goederen een begin heeft gemaakt. 159 en zelfs de raad geeven van den ged=e zoo verre booven de ordres van zyne ove„ rexheid heeft gepraefereerd 160 dat men zelfs zex heeft willen aankan„ 161 ten teegens di geenen die nog afzon„ derlyk met een qualificatie aan den WelEd: Gestr Heere Gouverneur was versien 162 de R: I: eisscher zonder op de kwaad= gevolgen, die er uit diergelike raad gee„ vingen als die van den ged=e in andere gevallen zouden hebben kunnen exte ren, zyne particuliere reflexier te Eeppediteeren 163 sustineerd en 't teegenswonrdige geval onder eerbiedigs Correctis in't nagaan en bepalen der straffe 164 die der ged=e heeft g'incurreerd 165 niet kwalyk te handelen wanneer hy vernamentlijk 't 175 art van de Crimi„ neele hals ordonnantie van keyzer Carel de 5 166 't welk noveele desputen der Remeir sche en toen ter tyd aanweezende regts geleerden die over dat supt hebben gecommentarieerd, is gestatueerd v daden te en Caab. Gouverneur abret ^7 - te A. ls die eeste helm stuk i stuk
English
Article 167. Takes as its rule the following: if anyone knowingly and with deliberate intent assists a criminal in the execution of any crime with any help, aid, or counsel, or whatever name such may have, he shall be punished corporally for it, though according to the distinction of the cases. 168. And how far this is now to be applied to the crime of the defendant 169. can be clearly inferred from the aforementioned, 170. concerning the good order that had existed there on the beach until the arrival of the defendant, 171. and regarding which no less reflection is deserved by that which most modern jurists establish, 172. that, when the counsel is of such a nature that one persuades someone to carry out some delict or misdemeanor, 173. and when this persuasion in turn consists in the use of pleasant and flattering words, 174. of this kind of counseling, Mr. Carpzovius says that it is unlawful and criminal; 175. he indeed would sooner hold such an instigator to be a helper rather than merely an instigator, 176. as the same Mr. Carpzovius adduces this on page 11, question 87, number 6. 177. Consequently, the defendant also ought to be corporally punished. Article 178. But whereas the sentence of Your Worships has imposed upon the perpetrators of the crime itself a lesser and slighter punishment, 179. the plaintiff ex officio also assumes, and it is in that certain expectation, 180. that however much the principal cause of the whole affair, 181. on the foundation of the partly sworn and still partly unsworn reports and depositions, 182. is to be imputed to the defendant, 183. the plaintiff ex officio cannot well conclude to a corporal or heavier punishment than was imposed upon the perpetrators. For which and other reasons unnecessary to allege further, the plaintiff ex officio, making his demand, concluded that the defendant mentioned in the heading of this document shall, by definitive sentence of Your Worships, be dismissed from his present office, and thereby declared unworthy and incapable of holding any civic honorary offices, and further condemned to a fine of five hundred rixdollars to the benefit of the plaintiff ex officio, with further condemnation in the costs and expenses of Justice; or to such other punishment as Your Worships, according to your usual prudence, shall find appropriate. Was signed: D. V. Ryneveld. In the margin: Exhibited in Court on the 22nd of April 1784. Below stood: Agrees. Was signed: R. J. V. D. Riet, sworn clerk. M. Lorck, first clerk. Agrees. Report given before the commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government, and at the requisition of the junior merchant and Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, the Honorable Daniel van Ryneveld, on behalf of the Orphan Master here, Sieur Hendrik Justinus de Wet, reading as follows: That after the reporter, having departed from here on Friday the 28th of July 1783, provided with a written authorization from the Right Honorable Governor in loco, in order to deal at the reporter's discretion with the goods from the wrecked ship Nicobar of the Danish Asiatic Company, commanded by Captain Andries Kesti, which ship was stranded on the 11th of this month near the Ratelrivier, situated at the Zoetendaals Vallei; That when the reporter arrived on Monday afternoon near the farm of the burgher Jacobus Johannes Tesselaar, called the Grote Hartebeest Kraal, there came riding towards the reporter a wagon belonging to a certain Groenewald, which was being driven by a bastard Hottentot, and which wagon was loaded with two hogsheads of brandy, together with some planks and cordage, etc.; whereupon the reporter immediately caused that wagon to turn back to the aforementioned farm of the aforesaid Monsieur Tesselaar, and to be unloaded there, while the reporter himself was proceeding on the way toward the aforementioned farm; That upon his arrival there, the aforesaid Monsieur Tesselaar communicated to the reporter that he had already written a letter to the reporter, giving notice therein of saving the washed-up goods and of awaiting the reporter's further orders; while the aforementioned Tesselaar had seen that the goods were being taken away by the farmers who were there on the beach, he had already provisionally caused a consignment of goods to be carried from the beach to his farm in order to deliver them to the reporter, as was also done upon his arrival there, which goods consisted of: A quantity of pine planks, boat oars, a half barrel of butter, an empty chest, three empty barrels, one hogshead of brandy, and one barrel of beer. That after staying a short time at the aforementioned farm, there arrived four wagons loaded with planks, boat oars, a barrel of brandy, two anchors of the same, further some empty small casks, boxes, and chests, together with a
Dutch transcription
Art 167 Tot zyn voorschrift neemt, aldus, indien „iemand eenen misdadiger tot de uitvoering „van eenige misdaad weetentlyk en mete „kesaad opzet met eenige hulp, bestand „ofraad of wat naam zulks mag hebben „helft zal daar over aan den lyze ge straft worden, dog na onderscheid der gevallen 168 En hee verre dit nu op de misdaad van den ged=e te appliceeren zy 169 kan men klaar. spmaken uit het eeven aangehaalde 170 van de goede ordre die er aldaar aan 't strand heeft g'exesteerd, tot de komst van der ged=e 171 en waar omtrend geene mindere reflex merteerd, het geen de meeste heeden„ daagsche restsgeleerden vast stellen 172 dat, wanneer de raadgeeving is, van die aart, dat men iemand overreeden dat hy eenig delict of misbedryf uit voore 173 en wanneer weederom deese overreeding bestaat in't gebruik van aangename en vleyende worden 174 van deese soort van raad geeving, zegt de Heer Carpzer: dat ze is onwettigen misdaadig 175 hy wel zoo éér- aanraader meer voor een helper als wel voor een aanraaden gehouden hebben 176 Zeo als denselven Heer Carpor: pag 11 quaelt 87 N:o. 6 dit bybrengt 177 Dienvolgens den ged=e iok aan den lyven zoude behooren gestreft te vnden indien estvoering Art 178. Dan terwyl de sententie van UwEdaghb de daaders van de misdaad zelve mendere en geringere straffe heeft opgelegd 179 steld der R: O: eysscher ook vast en het is in die zeekere verwagting 180 dat hoe zeer ook de princepaalste oorzaak van het geheele geval 181 op furdament van de gedeeltelyk beeedigde en als nog gedeeltelyk onbeëedigde relazen en verklaaringen 182 aan den ged=e toete schryver is 183 de R: O Eisscher niet wel tot een lyf of swaardere straffe als de daaders zin opgelegd kan Concludeeren Mitswelke en andere ree denen is 't nood nader te allegneeren, de Roes, scher eysch doende, Con cludeerde, dat de in den hoofde deeses gem: ged=e by diffinctere vonnisse van uw Ed Agtb: zal worden ge„ deporteerd van zyner tee„ genswoordige qualiteit en mits dien verklaard onwaardig en inhabilem wit t weesen eenige burger Eerampter te be„ kleeden, en voorts geeen„ demneerd in een boete van Vyfhondert Ryxdalers ten profite van den R s: eysschen met verdere Condemnatie in de kosten en mesen van Justitie a ofte mete stand hebben e der van der het komst refler heeden ellen van eeden rest voor rreeding name Legt tigen vo aaden n 11 qaatt en nden lyven Caab. Gouverneur abaut l ƒ7 ofte tot alzulken andere straffe als uw Ed: Agtb: volgens derselver gewerne preedentie zullen bevinden te beherren /was geteekent/ D: V: Ryneveld /:in morgene:/ Exhebitum in Judicio der 22 april 1784 /:onderstond/ Accordeert /was get:/ R: J: V: D: Riet gesch: ber MLorak Eg Clere d Accordeert. Dat nadat der Rel=t op vydag der 28 July 1783 versien zynde met een schriftelyke qualificate van den WelEdelen Gestr: Heere Gouverneur in loco van hier vertrokken was, ten einde met de goederen van het verongeliette Deenseh ascatisch Comp. schip Nicobar waar op geeen man„ deerd heeft Capitain Andries Kesti te handelen, na zijn rel=t goeddunken welke bidem op den 11 deeser by de - ratelrieken, geleegen aan de voetendaals vallen was gestrard. Dat den Relt op maandag let en den namiddag naby de plaats van den burge Chrrst Mors: Jacobus Johannes Tesselaar genaamt de grete hapel Craal ge komer zynde den relt aldaar te gemoed was onmen ryden een wager van eene Groenewald, die door een bestaart slottentot wierd voor't vereeden en welke wager beladen was met twee oxhefden brandewyn, beneevens Relaas gegeeven ten over„ C: E: Gecom staar van mitteerdens uit den E: Agtb: raad van Justitie der ses Gouvernements ende ter requesitie van den onder„ koopman en Landdrost van Stellenbosch en Araken Aeij en D' E: Daniel van Ryneveld den ende van weegens den Weesmeester alhier S. r Hen„ drik Justenus de Wet luydende als volgt eenige lb: tie ed 1784 Caab. Gouverneur ab 1ae eenige planken en towwerk &= hebben de den rel=t dien wagen terstond doen te we keeren naar de bovengem. plaats van voosz: Mons. Tesselaar, en aldaar ont„ laden, tewwyl den rl=t zelve Jurst op den weg en na de bovengem: plaatszig kwam te begeeven Dat by deszelfs aankorst aldaar voorsz Mons„ Tesselaar aan den rel=t hebbende gecom„ municeerd, dat hy reeds een brief aan den rel=t geschreeven en daar by Gennisse had gegeeven de opgespoelde goederen te bergen ende verdere ordre van den relt te blyven afwagten, tewwel gem: Tesse laat gesien had, dat de goederen door de aldaar aan Strand zog bevindende boeren weg genoomen weerden, hadhy by vooraad ook reeds een parthy goederen laten van strand naar zyn plaats af„ ryden, om deselve aan den rel=t te overhandigen, gelyk zulks ook geschied is by deszells komst aldaar, en welke goederen bestaan hebben en Een parthy greene planken bosts riemen „ „half vat booter „Leedige kofter drie leedige vaaten Een oxhoofd brandewyn en Een vat bier Dat na een weynig tyds vertoevens op meergem: plaats aldaar aangekomen zynde vier wagers beladen met plan„ ken, bortsreemer, een vat brandeesen twee ankers dito, voorts eenige leedigen vastjes kasjes en kisten, beneevens een
English
a portion of ironwork, the said wagons being driven forward by the owners while the road went across the yard of the mentioned place of the aforementioned Tesselaar, the deponent had caused the said wagons to stop and showed to the people who were upon them, consisting of eight to ten persons, the deponent's aforementioned act of qualification, by virtue of which the deponent judged that these wagons had to be unloaded immediately, that the deponent's arguments having found little acceptance, since the said persons had thought the carting away of the said goods to be completely permitted, while they substantially testified that they had been told by the Burgher Jacob van Reenen that it was a foreign ship, and therefore everyone was at liberty to gather, whereunto they along with the others had proceeded. That however through many arguments back and forth the said persons had finally resolved, though in a insolent manner, to throw the goods from the wagons, whereby not only the cask of brandy fell to the ground in pieces and ran empty, but at the same time also the other goods became scattered here and there upon the ground. Then, while there was no salvage storage for the goods there, and besides the aforementioned two ankers of brandy no goods of value happened to be found among them, the deponent had the same carted off at that place by the substitute of Stellenbosch, who had proceeded thither with the deponent, and indeed in the presence of the aforementioned persons, there having subsequently arrived there on horseback in the evening also the field-cornet Roures, whom the deponent having asked how it happened that no better order had been maintained regarding the stranded and washed-up goods, the same had substantially answered the deponent that he had strictly forbidden all and everyone who had appeared near the stranded ship from picking up the goods, which had also been properly observed, and he had also opposed such with his watch, indeed everything had remained in a tolerably good order until the arrival of the burgher Jacob van Rheenen, who had given everyone the liberty of taking away everything that they could, since he, van Rheenen, had said he would take everything upon himself that should come of it, whereupon everyone had then also managed to make himself master of the washed-up goods, which it had then been impossible for him, the field-cornet, to prevent. That on Tuesday the 22nd the deponent having proceeded very early in the morning to the place of Maschinus Marais in order to speak to the chief mate of the wrecked ship, who was lodging with the said Marais, the deponent had discovered that many wagons had crossed the road, which the deponent presumes to have come from the beach that past night, while a person from the off-loaded wagons at the aforementioned Monsieur Tesselaar had ridden twice to the beach, whom the deponent had also encountered upon his arrival at the beach, and whom the deponent believes to be named one Fourie. That the deponent subsequently upon his arrival at the place of the said Marais, having learned that the aforementioned chief mate along with the remaining persons of the wrecked ship had already departed for the Cape, the wife of the aforementioned Marais had pointed out to the deponent some pieces of red baize, red flag fabric, as well as two hogsheads of brandy, a cask of beer, two cases of gin, and furthermore a wagon with planks and ropes, which she said had been ridden from the beach by her husband. That the deponent subsequently having proceeded to the beach, had there presented to the aforementioned Marais, in consideration of lodging, food and drink given by him to the ship's crew, all the aforementioned goods pointed out by his wife, except the two casks of brandy; whereafter the deponent subsequently, having read his act of qualification to the persons present who had assembled together, had declared his intention to be to offer for public auction to the highest bidder the few goods that lay there on the beach as well as were found on the wagons, together with the one hogshead of brandy and one cask of beer ridden to his own house by the aforementioned Monsieur Tesselaar himself, as well as the two ankers of brandy brought to the aforementioned place by the Burgher Burgert van Dyk, as the deponent had then also done, and from the outcome of which sale it also clearly appeared that they had agreed not to give more for the goods than that for which each would appraise his portion that he had gathered up, since the aforementioned Burgert van Dyk also bought in the two ankers of brandy on that occasion, which the deponent presumes to have been brought by them to the place of the aforementioned Monsieur Tesselaar. That the deponent, before the public sale had begun, having himself asked all the persons present who had given them the right to act arbitrarily with the said goods and to take them for themselves, they had answered as with one voice, Jacob van Reenen, since the same had said to them that they had complete liberty to take for themselves whatever they could get, as it was a foreign ship, and whatever came of it he would take upon himself.
Dutch transcription
een gedeelte ijzerwerk, werdende deselve wagens door de bigenaars voortgedreeven terwyl de weg over de werf van pem: plaats van voorsz: Tesselaar heenen ging, had den rel=t deselve wagers door stelhouden en aan de lieden die op deselve waren bestaande uit agt a tier persoonen, des den relk voorsz: acte van qualificatie vertoond, uit welkers kragt de relt on„ deelde dat deese wafens direct moesten werden ontladen, dat des relf:s reeden weynig irpang gevonden hebbende alzoo deselve persoonen hadden gemeind het opzyden van deselve goederen volkoo¬ men gepermitteerd te zyn, terwyl zijl: substantieelyk betuigden dat door den Burger Jacob van Reenen aan hon was gesegt, dat het eer- vreemd schep was, en dus een yder vrystond om te rapen, waar toe zy dat neevens de anderen waren overgegaan Dat exter door veele over ende weeder reedenen deselve persanen eyndelyk besloten hadden, dog op een butale manier de goederen van de wagers te swyten, waar door niet alleen het vat brandewen ter aarden instukken Vier en leedig liep, maar teffens sok de andere goederen hier en daar op de aarde verspryd raakten Dan terwil aldaar geen berging van de goederen was, en buiter, de voorsz: twee ankers brandewyn ook geene goe„ deren van waarde zig onder kwam te bevinden, had den relt deselve aldaar ter plaatse door den substitut van te we 1 t„ zig 2 2 den had rel=t Tesse door de hadhy deren d omen plan sen leedigen vens een - Mons. Caab. Gouverneur aba van stellenbosch, die zeg met den zel=t derwaards had begeeven doer opryden en wel en het beweesen vande voorgemt persoonen, zynde vervolgens des avonds al meede te paard aldaar aangekoomen den veldwagtmeester Roures aan dewelken den rel=t gevraagd hebbende hoe het tesam dat omtrend de gestrande en opgespoelde goederen geen beeter ordre was gehouden denselven den relt substantieelik ge„ antwoord had, dat door hem volstrekt aan alle ende een eygelyk, die zeg omtrend het gestrande schep vertoond had verbo„ den geworden het opraapen der goede„ ren sulks ook behoorlyk was geobserveerd en hy ook met zyn wagt zulks had teegen gegaan, Ia alles in eene tamelken goede ordre was gebleeven tot de konst van der burger Jacob van Rheenen die aan een yder de viyheed had gegeeven van weg te neemen alles wat zy konden alsoo hy van Rheenen gesegt had, alles op zeg te wellen, neemen wat daar van kesam, waar op zig dan ook een yder van de opgespoelde goederen had weeten meester te maken, het welk hem veldwogt meester als toen onmogelyk G geweest was te kunnen beletten Dat op dingsdag den 22 der rel=t des morgens zeer voep tyde zig naar de plaats van Maschinus Marais begee„ ven hebbende om den opperstuurman van het verongelutte schip die by geme maraes logeerde te spreeken, der rel=t had ont dekst dat er veele wagens wagers dwars over de weg waren gepasseert denwelken de relt praesumeerd dien ge passeerden nast van strand te zen gekoomen, terwyl een persoon van de afgeladene wagens by veorsz: Mons. Tes„ selaar te we naal het strand was gereeden, denwelken den relt by zyne komst aan het strand ook aangstroffen had, en die der zelt meend eere Fourie te zyn genaamd. Dat den relt vervolgens by zyn komst ter plaatse van gem. Marais, ver„ nermen hebbende, dat den voorsz: eppei„ stuurman neevens de overige persoonen van het verengelukte schep reeds naar de Caab vertrokken waaren, had de huisvrouw van voorsz: Marais aan den rel=t aanpeweesen eenige lappen zoden baay, rode vlagge doek, als meede twee oxherfden brandeuer een vat bier, twee kelders geneever, en voorts een wager met planken en touwen die zy zeyde door haren man van strand te zyn gereeden Dat den relt vervolgens zig na het strand begeeven hebbende, aldaar aan voorsz: Marais von huis vestirx eeten en diin„ ker, aan het scheepsvolk door hem gegeever, alle de voorzzy door zene huisvrouw aangeweezere goederen, pree„ sent had gedaan, except de twee vaten brandewyr; waar nader relt vervolgers aan de aanweesende personen die by elkanderen gekoomen waaren zyne acte van qualificatie hebbende voorgeleesen hier, gedeclareerd had zyne intentie te zyn van de weynige goederen 7 ouds al men dewelken A Kesam Spoelden houden A aan Arend verbo„ goede serveerd had welke korst endie eeven konden alles van van eeten em gelik begee„ 1 an des - 1 s d den ab. Gouverneur aba 7 180 goederen die aldaar zoo op het strand lagen als op de wagers zig bevonden neevens de den versz: Mors: Tesselaar zelve na zyn huis gereedene Een oxhofd brandewyn en eer vat bier mitsgs de twee op de versze plaats den der Burger Burgert van Dyk aan gebragte anker brandewen aan de meestbiedende publicq te willen op vylen zoo als der uelt sulks dan erk had verrigt, en Extuit kende van welke verkooping het dan ook klaar bleek dat zylieden het overeengekomen waren, voor de goederen niet meerder te geeven als waar voor een yder zynen portie die hy opgeraapt had en stellen zoude, alsoo vensz: Burgert van Dyk ook de twee ankers Brandewyn by die geleegendheid heeft ingekopt, denwelken der zel=t praesumeerd, door hun op de plaats van versz: Mons=r Tesselaar te zyn aangebragt. Dat de relt alvoorens de publicque ver„ kooping een aanvang had genoomen kyzelt aan alle de aanweesende per„ seinen gevraagt hebbende, wie hun rext gegeeven had met deselve goe„ deren zes wille keure te handelen, en na hun te neemen, zylieden als uit eenen mond een pare g'antwoord hadden Jacob van Reenen, alsoo den selver aan hier geseyd had, dat zy volkomen righeid hadden, na hun te neemen wat zi krijgen konden, terwyl het een vreemd schip was, en water van kwam hy op zig wilde neemen -
English
to take, and notwithstanding the deponent pointed out to them the groundlessness of the assertions of the aforesaid van Rheenen, this nevertheless found little acceptance with a brutal and reckless person from here, whereas on the other hand the deponent had succeeded in bringing the largest party to a standstill. Declaring nothing more, the deponent gives as grounds for his knowledge as stated in the text, being prepared to confirm the same under oath if required. Below stood: Thus related and reviewed at the Cape of Good Hope on 7 August 1783 before the Honorable Gentlemen Gerrit Hendrik Cruywagen and Hendrik le Sueur, members of the Honorable Worshipful Council of Justice aforesaid, who duly signed the minute hereof along with the deponent and me, the sworn clerk. Lower: Which I witness. Was signed: H. L. Bletterman, sworn clerk. Review There appeared before us, the undersigned Commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice aforesaid, Mr. Hendrik Justinus de Wet, who, this his preceding report having been read out to him word for word clearly and distinctly, declared that he persisted by it, wishing that nothing more shall be added thereto or taken away therefrom, and therefore spoke in confirmation of the truth thereof, in the presence of the burgher Daniel Verwey as authorized agent of Monsieur Jacob van Rheenen, the solemn words: So truly help me God Almighty. Below stood: Thus reviewed and sworn to at the Cape of Good Hope on 16 June 1784. Was signed: H. S. de Wet. Lower: In my presence, signed: H. L. Bletterman, sworn clerk. In the margin: As Commissioners, and signed: G. H. Cruywagen, J. Karnspeck. Below stood: Agrees. Signed: R. J. v. d. Riet, sworn clerk. Agrees. Report given before the undersigned Commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government, and at the requisition of the Junior Merchant and Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Pieter Daniel van Ryneveld, by and on behalf of the substitute of the Stellenbosch Drostdy, Christiaan Godlieb Rudolphi, of competent age, reading as follows: That the deponent, on the 18th of the past month of July, having received from the requisitionist a written order, shown at the execution hereof, to proceed, in assistance of the Orphan Master Mr. Hendrik Justinus de Wet, who acts as correspondent managing the affairs here in this country for the Danish Asiatic Company, to the so-called Soetendaals Valleij, situated across the Hottentots Holland mountains, and there to make and devise such arrangements and measures as required and as would be judged best for the conservation and salvage of such goods as might have washed ashore from the Danish ship that had run aground there a few days before, which, as the deponent was later informed, was named Nicobar, and also to prevent all irregularities that might occur in that regard; That the deponent thereupon departed the following day, being Saturday the 19th of the said month, with and alongside the aforesaid Mr. de Wet, from Stellenbosch, and on Monday the 21st of that month arrived at the farm of the burgher officer Johannes Jacobus Tesselaar, named the Hartebeest Kraal, situated about three hours from the place where the aforesaid Danish ship had run aground; at which place of the said Tesselaar, as they had arrived there, five further wagons had come from the beach, belonging to Jacobus Louw, the field-cornet Louis Fourie, Coenraad Johannes Groenewald, being a field corporal, and Burgert van Dyk, having been laden with brandy, beer, and planks, round timber, and some empty leaguers, which wagons the deponent had immediately seized, so that the goods laden on the wagons were unloaded, while the wagons subsequently departed from there and the unloaded beach goods were de facto sold by public auction by the aforesaid Mr. de Wet to the highest bidder; That at the aforesaid place, Hartebeestkraal, there was also present the field-cornet Jacobus Fourie, who had held the command on the beach over the burghers who had been commanded there in order to prevent all irregularities and beach thefts or robberies, and that the deponent had asked that man why
Dutch transcription
neemen, en niet teegenstaande den relt hun de ongegrondheid van de gesegdens van tde tensz. van Rheenen vonoger stelde, vond sulks exter wynig invang by een brutale er onbesonnenen van hier, daar en teeger het egter den d rel=t had gelukt de grootste party tot stelstand te krygen. Niets meer verklaarende geeft den rel=t voor reedenen van weetenschap als in der Text, bereid zynde het zelve - „ des gerequireerd werdende met Eede te bevestigen /:onderstond/ Aldus Gerelateerd en Gerecolleerd aan Cabo de Goede sloop den 7 Augs 1783 vao d' E: E. Gerr A Hendrik Cruxwagen en Hendrik le Pueur leeder ust der 1/n E: Agtb: raad van Justitie voorm: die de minute deeses beneevens den rel=t en de my. gesw: Clercq meede behenrlyk hebben onderteekend /: laper / T welk ik Getuigen /:was geteekend:/ H. L: Bletterman ges: Clercq Recollement Compareerde voor ons ondergeteekende Comms uit den E: Agtb: Raad van sustitee„ „ voormeld S=r Hendrik Sustinus de Wet dewelke deese zijne voorenstaand relaas van wonrde tot wonde klaar en dui„ delyk voorgeleesen weesende verklaarden aan daar by te blyven persisteeren met begeerte dat er niets meer bygevoegt oft van gedaan werden zal, en sprak dierhalven ter bevesiigire der waarheid van dien, ter praesentie van den 2 laar en Abier den aan de op vylen had 52 leek e den ne tellen bydie welken op de aan 2 en p hun er„ vee„ en de der zy hun d men Caab. Gouverneur aba den burger Daniel Verwey als ge magtigdens van Monsr. Jacob van Rheenen de solemneele worden zoo waar„ lyk help my Ged Almachtigh /onderstond/ Aldus Gerecelleerd en B'bedigt aan Cubo de Soede Hoop den 16 Juny 1784 /:was geteekend /: H: S: de Wet, /: lager/ my present /: geteekend/ H: L: Blet„ terman gesw: Clercq /:in margine:/ als Gecommitteerdens /en geteekend:/ G: H. Cruywager, I: Karnspek /onderstond / Accordeert /geteekend/ R J=: V D: Ciet gescleen Accordeert Lorak Eg Clercq over„ kenden el de teit r der„ dol„ gt Ed aand sen„ 21 Rheenen waar¬ A aan 1784 Lager Blet„ re d: gesicbeu Gouverneur raad rne van Land 2 te Rllaas gegeeven ten over„ staan van de ondergeteekende Pe Comm:s uet den E: Agtb: raad van Justitie deeses Gouverne ments en ter requisitie van der Onderkoopman en Land nst van stellenbosch en Drakenstein P:r Daniel van Ryneveld, door ende van weegens der substitut der stellenbesche drostdie Christiaan Podhelp Rudol¬ phi van Competenten onder„ don liiedende als volgt Dat den rel=t op den 18 der Jongstl: maand July door den requit eene schriftelyke ordre by het verlyder deeser vertoond, bekoomen hebbende om zeg ter adsisten„ tie van der Weesmeester F Hendrik Justinus de Wet die als Correspondent de affaire hier te laende van de deen sche ascatische Comp=e komt waar te neemen, te begeeven na de sope„ naamde soetendaals valleij, geleeger over het hittentots hollands gebergte en aldaar zodanige schelkingen en maatregulen te neemen en beramen als vereischt, en het best zouden ver„ der geendeeld ter Conservatie en berging zodaniger goederen als van het voor weynige dagen bevoorens aldaar gestrand deensch schep het welk zo den Comp=t daar na verstendigt wierd Ne„ cobar genoemd geweest was, opgespoeld zijn zouden, teffens om alle ongeree geldheeden die dier aangaande voor„ vallen konden voor te koomen dat Gouverneur a ƒ 7 180 Dat den Compt daar op des volgende daags ste op saturdag den 19 der gem: maand met ende beneevens versz: P: de Wet van Htellenbosch vertrokken, en op maandag den 21 dier maand gekoomen waaren op de plaats van den burger officier Johannes Jacobus Tesselaar genaamd de hapel Craal geleepen ma drie uuren van de plaats alwaar het vonrsz: deensch schip gestrand was, op welke plaats van ge„ repte Tesselaar, zoo als aldaar waren g'arriveerd, van het strand waren komen vyder vyf wagens, toebehoorende aan Jacobus Boure der veldwastmeester Lous Fourie, Coenraad Johannes Groene wald, zynde veld Corperaal en Burgert van Dyk, beladen geweest zynde met brandewyn bier en planken rondhouten en eenige leedige leggers welke wagens den rel=t opstond had g'arresteerd, invoegende op de wagens geladen geweest zynde goederen waren afgeladen, tewyl de wagens vervolgens daar van daar vertrekken en de afgeladene strand goederen de facto den voorsz: S=r de wet by opvee„ lirx zyn verkopt geworden aan de meestbiedende Dat op voorsz: plaats de hapelcraal meede praesent geweest zynde der veldwatmeester Jacobus Fourie die het Commando aan het strand over de aldaar gecommandeert geweest zyn de burgeren gehad hadde, ten einden alle ongereegeld heeden en strand dief of reverien te beletten, der Comp=t aan dien man had gevraagd waaren
English
why he, in accordance with his duty, had not maintained better order on the beach and had not prevented the taking away and transport of the beach goods? To which that man essentially replied that he had kept good order on the beach, but that subsequently the citizen Jacob van Reenen had arrived there on the beach and had said to the gathered people that it was finders keepers, that anyone could freely take away the goods washed ashore there from the ship on his responsibility, and that whatever might come of it was for his account and responsibility; following which statement made by Jacob van Reenen, he, the field cornet, had no longer been able to maintain any order, seeing that nobody wanted to listen to him anymore, but everyone did and took whatever they could lay their hands on. That the appearer, riding with the aforesaid Sr. de Wet the following day or on Tuesday the 22nd of July to the beach at the place where the wreck of the ship lay, they had beforehand stopped during their ride at the place of the farmer Marthinus Marais, where they had found lying a batch of beach goods, consisting of brandy, gin, circa twelve pieces of red and white flag cloth, as well as eight pieces [illegible] Caab. Gouverneur abrit ƒ 7 „ 1 100 pieces of red baize; and since the said Marais had housed the people saved from the stranded ship, the aforesaid Sr. de Wet made a present of the flag cloth and red baize to that man, while the brandy and gin were also sold at the public auction held on the beach; that arriving there on the beach later that same day, they had found circa thirty wagons and many people, all of which wagons were laden with goods from the stranded ship; to which people present there, both the deponent and the said Pieter de Wet having asked how they had dared presume to take away the aforesaid goods, load them onto their wagons in order to transport them from there, upon which those people appealed to the above-mentioned statement of the aforesaid Jacob van Reenen; so that the deponent as well as the said Pieter de Wet laid open to those people their unlawful and unreasonable conduct, but that it took much effort to convince them of their improper action, there even having been among those people some who asked Sr. de Wet whether he had a credential letter from the government! But upon which the said Pieter de Wet had said to them in return: you ask me for a credential letter, but why did you not also ask van Reenen whether he had a credential letter, and there were among those people some who then replied: yes, that is also true, we might as well have done that; subsequently the aforesaid goods, as they were loaded on the wagons, were put up for auction and sold, but that they fetched such a low price at the auction came from the fact that the country folk had mutually agreed and determined that none of them should presume to bid on the goods loaded on someone else's wagon, without the aforesaid Sr. de Wet or the deponent being able to prevent the same, since nobody placed a bid on those goods except the one on whose wagon the goods being auctioned were located. The deponent testifying that the aforesaid Pieter de Wet had offered to the country folk, as best the deponent remembers, fifty rixdollars if they would bring the two hogsheads of brandy to the Cape, but that they had refused to do so. Lastly, the deponent says that the aforesaid Sr. de Wet had his deed of qualification or credential letter, obtained from the Right Honorable Governor and carried with him, read out on the beach to the country folk present. Nees Caab. Gouverneur abautl ƒ 7-1100 11 1 Relating nothing more, the deponent gives as reasons for his knowledge as stated in the text, being prepared to confirm the same under oath. Underneath was written: Thus related at the Cape of Good Hope on the 7th of August 1783 before the Honorable Gerrit Hendrik Cruywagen and Hendrik Le Sueur, members of the Honorable Court of Justice aforesaid, who duly signed the minute hereof together with the deponent and me, the sworn clerk. Lower: In witness whereof, was signed: H. L. Bletterman, sworn clerk. Review Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government aforesaid, Christiaan Podhelp Rudolphi, who, having this preceding statement of his clearly and distinctly read out word for word, declared that he persisted in it, desiring that nothing more be added to or taken from it, and therefore, in confirmation of the truth thereof, in the presence of the citizen Daniel Verwey as authorized proxy of the Sieur Jacob van Reenen, spoke the solemn words: So help me God Almighty. turn over Underneath was written: Thus reviewed and sworn to at the Cape of Good Hope on the 24th of June 1784. Was signed: C: P: Rudolph. Lower: In my presence, signed: H: L: Bletterman, sworn clerk. In the margin: As commissioners, and signed: P: H: Cruywagen, J: Karnspek. Underneath was written: Agrees. Was signed: R: F: v: d: Peet, sworn clerk. Agrees. AhLora ƒ by Clercq Caab. Gouverneur al 7 —1122 11
Dutch transcription
waarom hy ingevolge van zyne plegt geen beetere ordre aan strand gehouden en het wegneemen en vervoeren der strand goederen niet belet had ? dien man daar op substantieelyk had gerexd, dat hy goede ordre aan strand had gehou„ der, dog dat vervolgens der burger Jacob van Reenen de Sorge aldaar aan strand wes gekoomen, en tot het te sa„ men gevloeede volk had gesegt, dat het 12x raapen was dat elk het aldaar van het schip opgespeelde goed op zyne ver antwoordinge vry wegzyden mogte en dat het geene daar van koomen mogte sulks voor zyn reekening en verantwoording was, op welk door sa„ cob van Rheenen gedaane Leggen hy veldwagtmeester geene ordre meer had kunnen houden, gemerkt niemand meer naar hem had willen laesteren maar elk gedaan en ge„ noomen had, wat maar had hun„ nen magtig worden. Dat den Comp=t met voorsz: S:r de Wet 's volgende daars ofte op Dings„ dag der 22 July naar het strand ter plaatse alwaar het wrak van het schip lag rydende, zy in het ryden bevorrens waren aangeweest op de plaats van den Landbouwer Mar„ thinus Marais, zyl: aldaar hadden verder leggen, een parthy strand goederen, bestaan hebbende in bran„ dewer Geneeven Cuca twaalff stukken rood en wit vlagge doek, mitsg:s agt stukken s maand van dog den 16 de ohannes axel van de schip waren Comen aan stet oene Bmdert nde leggers had olis lvs Aroyzen de pree¬ de aal der die de zyn einde d der d n en Caab. Gouverneur abrit ƒ 7 „1 100 stukken rode baax en dewyl, gem: Marais de van het gestaande schip gesalveerde menschen, gehuis vest had¬ gehad, vonrsz: s=r de wet aan dier man vlagge doek en rode baay preesent gedaan Terwyl de brandewyr en Geneever op de abnstrand geschedene vendutie, meede verkogt geworden is, dat zy als toen ten zelven dage nog aan Strand ge¬ kormen zynde, aldaar hadden ge¬ vonder circa dertig wagens en veele menschen, alle welke wagens beladen waaren met goederen van het gestran„ de schip, aan welke daar by zynde menschen, zoo wel der relt als gem: Pr de Wet gevraagd hebbende, hoe zylieden zig hadden durven onderstaan de voorsz. goederen weg te neemen, op hunne wa¬ gens te laden om deselve van daar te vervoeren, als wanneer die menschen hun beroepen hadden op het boovengem zeggen van voorsz: Jacob van Reenen invoegen der rel=t zoo wel als gem P: de Wet die wenschen ven ooper gesteld hadden hun onwettig en onbillyk gedoente, dog dat het veel moeyte gekost haddt, om deselve van hun onbetamelyk bedref te overtuigen, hebbende onder die menschen zelfs geweest die aan S: de wet hadden gevraagd of hy een geloofs briefje van de regeering hadde! dog waar op gem. P:r de wet aan henl: weeder had gesegd gylsvraagt my om een geloofs brief, maar waarom hebt ge aan van Rheenen ook niet gevraagd of hy ben een geleefs brief hadde, er onder die menschen geweest waaren, die dan op hadden vervat, sa dat is ook waar dat hadden wy eik wel mogen doen, zynde vervolgens de voorsz: goederen zoo als deselve op de wagens geladen waaren opgeveild en verkogt, dan dat deselve zoo een lage pres 67 de venditie gehaald hebben, was daar van daar gekoomen, dat de buiten lieden on„ derling hadden affgesproken en bestemd, dat zig niemand hunner zoude mogen onderstaan, om op de goederen op ymands anderen wagen geladen te mogen bieden, zonder dat vonrsz: s: de wet of den rel=t het zelve beletten kond, overmits niemand op die goederen bod gedaan had, als de geenen op wienswagen de opgeveelt werdende goederen zig bevonden Betuigende der rel=t dat voorsz: P=r de Wet aan de buiten lieden had gepraesenteerd, zoo hem rlt het best geheugd vyftig ryxds zes wanneer de twee ox hoofden brandeeyn naar de Caab welder brengen dog dat de selve sulks gewergert hadden Leegende den ul=t laatstelyk dat voorsz s=t de wet zyne van den WelEdelen Gestr Heer Preverneur verkreegere en by zig gehad hebbende acte van qualificatie of geloofs brief aan het strand aan de aanwee sende landlieden is voorgeleesen geworden. Nees Caab. Gouverneur abautl ƒ 7-1100 11 1 Niets meer relateerende geeft den relt voor reedenen van weete,schap als in der Text bereid zynde het zelve met beden te staven /:onderstond/ Aldus Terelateerd aan Cabo de Soede Hap den 7: Augustus 1783 voor d' E E: gerrit Hendrik Cruywagen en Hendrik Le sueur leeden uit den E: ApH: raad van Justitie voorm: die de minu te deeses beneevens der rel=t ende my gesw: Clercq meede behoorlyk hebben onderteekend. /:lager / 'T welk Petuige /was geteekend/ H. L. Blet„ termon gesw: Clercq. Recollement Compareerde voor ons Ondergeteekende Gecomm:s uit den E: Agtb: raad van Justitie deeses gouvernements voorm. Christiaan Podhelp Rudolphi de, welke deese zyne voorenstaande relaas van wonde tot woorde klaar en duidelyk voor geleesen zynden verklaarde daar by te blyven persis¬ teeren, met begeerte dat er niets meer bygevoegt ofte van gedaan wer¬ der zal en sprok dierhalven ter be„ Vestiging der waarheid van dien de ter presentie van den burger Daniel Verwey als gemagtegden van den Mons: Jacob van Geenen, de solem„ neele worden zoo waarlyk help my Gedt Almachtigh. verte /:onderstond/ Aldus Gerecolleerd en B'Eedigt n aan Cabo de Poede Hoop den 24 Juny 1784 /:was geteekend/ C: P: Rudolph /:laper/ H: L: Blet„ my present /:geteekend/ terman gesw: Clercq /:in margine:/ als Gecomm=s /en geteekend:/ P: H: Cruxwagen, I: Karnspek /onderstond:/ Accordeert /:was geteekend/ R: F: v: d: Peet gesw: Claccx.— Accordeert. AhLora ƒ by Clercq Caab. Gouverneur al 7 —1122 11
English
Copy Report given in the presence of the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government and upon the requisition of the Junior Merchant and Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Sr Daniel van Ryneveld, by and on behalf of Chief Mate Christoffel Schult, of competent age, who was appointed to the Danish Asiatic Company's ship Nicobar that was stranded near the Soetendaalsvallei, reading as follows: That on the 11th of July 1783, in the evening after sunset, the deponent reached the shore upon the rocks from the wreck Nicobar with injured arms and legs, and having spent the night on the ground, the deponent arrived the following day in the evening at a house about three miles from the beach, belonging to a man named Martinus Marais, who on the 13th thereafter, having fetched with his wagon the injured crew who lay on the beach, rendered both to him, the deponent, and the others all helpfulness and assistance, as much as was ever in his power. The deponent having mentioned to him about writing hither to the Orphan Master, Sr Hendrik Justinus de Wet, the said Marais declared that he had no paper, and that he would go to the beach to see if there was paper washed ashore, as the same Marais then also did; while in the meantime the deponent went to another house, and where having also arrived, a certain person, who stated that he was a servant of the field cornet, the deponent related to him the misfortune suffered by him and his shipwrecked fellow crewmen. Which person told the deponent that it was a matter for the field cornet, and the deponent having followed this person to his house, upon the deponent's arrival there, gave notice of the incident to the field cornet and requested proper assistance, namely to have a guard kept over the washed-up goods and to deliver a letter for him, the deponent, to the aforementioned Sr de Wet, for which the same directly showed his willingness. That the following morning the aforesaid field cornet with some men and the deponent having proceeded to the beach, and having arrived there at the goods already washed ashore, consisting of a quantity of chests and casks of wine, brandy, beer, and some other goods besides, had a proper guard posted, and at the same time such good order that little or nothing of importance could be lost, just as the deponent also, when he had gone to the house the following day to have the wounds on his legs dressed, upon his return to the beach found everything in the same good state and order as he, the deponent, had left it. At which time the same field cornet, also coming to the deponent, handed over to him, the deponent, a small glass with gold dust, together with a set of pinchbeck buckles, and other small items, besides some pieces of linen of about thirty ells, which goods he, the field cornet, had caused to be taken from a Hottentot, whereupon the deponent again went to his lodging with the aforesaid Marais. That the following day two persons who called themselves Jacob van Reenen and Kok, having come into the house of the aforesaid Marais, the aforesaid Jacob van Reenen said substantially to the aforementioned Marais in the presence of him, the deponent, and of Boatswain Cornelis Peterssen, Boatswain's Mate Jens Velsen, and Quartermaster Jan Kermis, who were present there: "You can take what you can get of the goods of the ship that is stranded, but what belongs to the crew, and they say what is theirs, that you must give to them, but all the other goods are good prize, and belong to those who salvage them." After which the aforementioned Van Reenen, Kok, and Marais went with the deponent to the beach, and having arrived there, the said Van Reenen, in the presence of the aforesaid Kok and Marais, substantially said to the country folk present there: "Take what is washed up there, it is good prize, and the accountability that has to be given for it or that comes from it, I will take upon myself, for it is a custom in the whole world that when a foreign ship strands, the goods are prize." Adding substantially thereto: "I have been in England and saw a Dutch ship strand there, where they acted just as I have said, over and above that they also stripped the rescued crew of their clothes." That the country folk present there, having thereupon come to the frequently mentioned Van Reenen, complained that they were not allowed by the field cornet to take away any of the washed-up goods, the same Van Reenen substantially said to them that it was not the field cornet's business, since his business was only to commit the washed-up dead to the earth and to make a report to the Landdrost of what happened in his district, but to forbid people to take anything away was not in the least the business of him, the field cornet. That before and prior to the aforesaid Van Reenen coming there, the deponent not
Dutch transcription
Copia Copie Relaas gegeeven ten over„ staan van de ondergeteeken„ de gecommitt=s uijt den Edele achtbaren raad van Justitie deeses gouverne„ ments en ter requisitie van den onderkoopman en Lan„ orost van Stellenbosch en drakenstein S=r daniel van ryneveld door ende van weegen den op het omtrend de Soeten„ daals valleij gestrande deens assatisCh Comp=s schip Nicobar bescheijden geweest zijnde opper„ „ sturman Christoffel Schult van Competenten ouderdoms, Luijdende als volgd. Dat den rel=t op den 11 Iulij 1783; 's avonds na zons ondergang van het wrak nicobas met geschondene armen en beenen op de klippen op het strand aangeland, zijnde en op de aarde doornagt hebbende was den relr 's daags daar na des avonds in een huijs omtrend drie mijlen van het strand bij een man gen=t Marttinus Marais aan„ gekomen, denwelke den 13 daar aan het be„ schadigde volk, het welk op het strand lag met zijn wagen afgehaald hebbende, zowel hem rett: als de andere overige alle dienst„ „vaardigheid en hulpe beneesen, zo veel maar immers in zijn vermogen was, den rel=t, hem om iss Caab. Gouverneur abaut ƒ 7-110 11: 1 om aan den weesmeester S=r Hendrik Iusti„ mis de niet na herwaards te schrijven ge„ waagd hebbende, had gem: Marais betuigd geen papier te hebben, en dat hij naar Strand zou gaan, om te zien of er papies op ija paad was, gelijk denselve marais dan ook Gevaan had, terwijl den relt in die tusschen tijd naar een andere huijs zig begeeven had, en alwaar meede gekomen zijnde, zekere persoon dewelke gezegd hebbende een knegt van den veldwag„ „meester te zijn, den rel=t het ongeluk hem in zijne meede schipbreuk geleedene scheepe„ „lingen aan denselven had verhaald, welke persoon aan den zel=t gesegd had, het een zaak van „den veldwagmeester te zijn, en welken per„ soon den relt: na zijn huijs gevolgd zijn„ „de, bij zijn rel=t komst aldaar aanden naar zijn veldwagmeester van het geval kennisse gegeeven en om de behoorlijke adsistentie had verzogt, niet bij de opgespoelde goe„ „deren de wagt te zullen laten houden en voor hem rel=t, een brief aan bovengem: s=r de niet te bezorgen waar toe denzelve direct zijn bereydwilligheid getoond had. — dat 's anderen daags des morgens de voorsz: veldwagmeester met eenige man„ schappen enden rel=t na het strand zig be„ geenen hebbende en aldaar gekomen zijnde bij de reeds op gespoelde goederen bestaande in een parthij kassen en vaten muin Brande„ mijn Bier en eenige andere goederen meer een behoorlijke wagt had doen stellen en teffens eene zodanige goede ordre dat er weijnig weijnig of niet van belang konde verlooren gaan, gelijk den rel=t aan ook wanneer daags daar aan om de wonden van zyne beenen te doen verbinden naar huijs geweest was bij zijn te rug komst aan het strand alles in eenen die goedenen staat en ordre bevon„ den, als hij relt. het verlaten had, als wanneer denselve veldwagmeester ook tot den rel=t ge„ komen zijnde, aan hem relt overhandig had een glaasse met stofgoud beneevens een guarnituur spinspekke gespen, en andere kleijnigheeden neevens eenige laste laten om„ trend dertig Ellen welke goederen hij veld„ wagtmeester van een holtentos had doen afneemen, waar op den rel=t zig wederom den naar zijn Loijement tot voorsz: Marais had begeeven — dat 's volgenden daags twee persoon die zig noemde Jacob van Beenen en kok in het huijs van voorsz: Marais gekomen zijnde den voorsz: Jacob van Reenen aangemelde marais ter presentie van hem rel=t ende aldaar zig bevindende Bootsman Cornelis Peterssen den Boots, mansmaat Iens velsen en den quartier, meester Ian Kermis substantiëelijk ge„ zegd had gij kunt neemen wat gij krijgen kunt van de goederen van het schip dat ge„ strand is, maar wat het volk toekoms en zij zeggen wat hun behoord dat moet gij hin geeven, maar alle de overige goederen zijn goede prijs, en belooven aan die geene die dezelve bergen, waarna meemd: van reenen Caab. Gouverneur abrit ƒ 7-100 „1 ersoon aan en zijn se tie de„ reenen kok en marais met den relt: hun ende naar het strand begeeven heb en aldaar ge„ komen zijnde had gem: van zeenen in Presen„ tie van voorsz: kok en Marais aan de aldaar aanweesende Landlieden substantiee lijk gezegd neems was daar opgespeld is, tet is goede prijs en die verantwoording die er van te doen is of die er van komt mil iks op wij neemen, want het is in de geheele neeereld een gebruijk, dat wanneer een vreedend schip strand de goederen prijs zijn, voegen„ de substantieelijk nog daar bij ik ben„ in Engeland geweest en heb daar een holland schip zig stranden waarmeede men gelijk ik gezegd had heeft gehandelt boven en be „halve dat zij aldaar nog het geborgene volk de kleederen hebben uijtgetrokken dat de aldaar aanweesende Land¬ „lieden daar op bij meerm: van reenen ge„ komen zijnde, zig beklaagd hadden, dat zij voor den veedwagmeester niet mogte neg„ neemen van de opgespoelde goederen, densel„ ven van reenen substantiëelijk aan dezel„ ve gezegt had, het niet de zaak van den veldwagmeester te zijn alzoo zijn zaak alleen was, om de opgestoelde dooden ter aarde te bestellen en aan den Landrost rap„ port te doen van het geene in zijn district passeerde, maar menschen te verbieden iets weg te neemen was in het geheel de zaak van hem veldwagmeester niet- dat voor ende aller de voorsz: van reenen aldaar gekomen was, den relt: niet nieet
English
knows that anything, at least of any importance, would have been taken away, but indeed since the arrival of the said van reenen, as the country people who were present there, directly upon the declaration made by the aforesaid van reenen, took away everything they could lay their hands on, whereupon the deponent having ridden home with the aforesaid persons, the aforesaid van reenen in the evening within hearing of the aforesaid persons had repeated his words spoken on the beach with the substantial addition, I truly wished I lived here; and then I would know what I had to do; that the deponent having proceeded again to the beach the next morning, upon his arrival there found everything in the greatest disorder, as each person was loading up whichever of the washed-up goods he could master, for the same country people had come to blows with one another over the aforesaid goods and the one among them who was the strongest appropriated the most; that the deponent finding his coat lying on one of the bushes, wanting to take it from there, one of those country people came up to the deponent, asking substantially, who gave your permission for that? to which the deponent answered that that coat belonged to him, the deponent himself, whereupon that countryman, who knows the deponent well by person though not by name, replied, I laid it out there to dry, and therefore it is mine, at the same time striking the deponent several blows with the sjambok across his back, adding substantially in his Dutch, take that now, with your permission, you damned motherfucker. that the deponent on the following 19th having gone to the beach and to the wreck for the last time, had found a party of people there on the beach with their wagons who, as before, were appropriating whatever they found, just as the same persons even took pieces of the wreck and other trifles home with them as quickly as they could, whereupon the deponent left the beach; and that the deponent subsequently having departed on 21 July with the wagon of the aforesaid marais, finally arrived safely here with the rest of the crew in a wagon hired by the aforesaid Pieter de wet. The deponent testifying that having been requested the day before yesterday to come to the Lieutenant of the Burgher Infantry Monsieur Iohannes van Reenen, he the deponent had indeed gone thither, and upon his arrival, having been asked about the whole aforementioned matter by the aforesaid Monsieur van Reenen, where his brother the said Jacob van reenen had in the meantime also joined them, and the same having been recounted to him by the deponent, the said Jacob van reenen said substantially, I did not say it that way, and even if I had said it, they should not do what I said, for if I had told them to jump into the fire, they surely would not have needed to do so or have done it, and in any case people neither dare nor can do anything to me on that account, I may give twenty-five rixdollars and that will be all, and he Jacob van reenen would also well know what his father would write to the deponent's principals in Europe. Declaring nothing further, the deponent gives as reasons for his knowledge as in the text, and therefore in confirmation of the truth thereof spoke the solemn words: So truly help me God Almighty. Underneath stood: Thus related, re-examined, and sworn to at the Cape of Good Hope on 7 August 1783, before the Honorable Gerhardus Hendrik Cruijwage and Hendrik Lesueur, Members of the Honorable Court of Justice aforesaid, who have duly signed the original of this together with the deponent and me, the sworn Clerk. Lower: Which I witness, was signed: H. L. Bletterman, sworn Clerk. Underneath stood: Agrees, was signed: R. I. van der Riet, sworn Clerk. Agrees. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, the former Boatswain Cornelis Pieterssen of full age, who was stationed on the Danish Asiatic Company's ship Nicobar which was stranded near the Soetendaals valley, who at the requisition of the Junior Merchant and Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, the Honorable Daniel van Rijneveld, declared it to be true: That when on 10 July the stern of the ship collapsed forward, the appearer having reached the open sea on spars lashed together, along with the Captain of the Company's vessel Andreas Christi, the Cooper, and several others, got back from there via a rope onto the mizzen-top on which six more men were located, on which mizzen-top they had sheltered together for nearly two hours, whereupon suddenly a heavy sea washed them all off again; but he the appearer reached the aforesaid mizzen-top again and remained there until after sunset, when he the appearer was again washed off the same top and was struck in his loins by a piece of spar, just as he the appearer at the same time was thrown back onto the top by a second sea, and was thus finally washed ashore around midnight; that the appearer in that condition remained lying on the beach in great pain and misery until the morning, when Chief Mate Schultz came to him the appearer.
Dutch transcription
weet dat er iets ten minsten van eenig belang zoude zijn weggenomen maar wel zeeder dan komst van denselve van reenen, also de landlieden die aldaar presens waaren, direct op de declaratie door voorsz van reenen ge„ daan, al het geene weg genomen hebben was zij meester konde werden waarop de rel=t met de voorsz: persoonen na huijs ge„ reeden zijnde voorsz: van reenen 's avonds ten aanhooren van de voorsz: persoonen zijne reedenen aan het strand gedaan had hewas met substantieele bijvoeging, ik wenschte wel hier te woonen; en dan zou ik weeten wat ik te doen had dat de rel=t de anderen daags 's mor„ gens zig wederom naar het strand begee „ven hebbende bij zijn komst aldaar tille in de grootste disordren had aangetroffen alsoo een eyder van de opgespoelde goederen op lade het geen hij meester konde worden want dezelve landlieden met elkandere hand gemeen geworden waaren om de voorsz goederen en die van hun het sterkste was het meeste naaste„ dat de relt: zijn rock op een der Boo¬ schen vinden leggen het zelve daaraf willen„ „ƒ te neemen een dier landlieden bij den relt„ gekomen was, substantieelijk vraagende mier heeft uw permissie daar toe gegeeven ps op het welk de rel=t. geansmoord had, dat die rok: hem rel=t, zelve behoorde, waar op die landman die den relt: wel van persoon dog niet van naam kent gerepliceert had, ik heb het daar te drooge geleg, en daar om is het mijn, teffens den rec=t, eenige sla„ genn Caab. Gouverneur abaut ƒ 7-1100 „1 1 „gen met de Syambok over de rugge negrenen voegende substautieelijk op zijn hollands daer bij laap nou /: S: V: /Jou verdoemde moer„ „neuker. — dat den relt. den 19 daaraanvolgende voor de laatste rheijze zig naar Strand en bij het arak begeeren hebbende, aldaar aan strand aangetroffen had een partzij volk met hunne wagens die zig gelik benooren meester maakt van het geenen zij vonden gelyk dezelve persoonen zelfs te stukken van het wrak en andere kleijnigreeden na hun namen zo spoedig zij konde waar op de relt. het strand heeft verlaten n dat de relt vervolgens den 21 Julij met de wagen van voorsz: marais vanden selve vertrocken zijnde, eijndelijk met een door voor P=r de wet afgehuurde wagen alhier niet het overig volk behouden is g'arriveerd: — Betuijgende den relt, op voorgisteren bij den Lieutenant der Burger Infanterij Mon=sr Iohannes van Reenen alzie ver„ zogt geworden zijnde, hij ret=t zig den ook derwaards had begeeven, en bij zijn komst door voorsz: mons=r van Reenen alwaar de selfs broeder gem: Jacob van reenen in tus¬ schen meede gekomen was, na het geheel voorst: geval gevraagd geworden zijnde, en door hem relt: het zelve aan hem verhaald zijnde, had gem: Iacob van reenen substantie lijk gezegd, zo heb ik het niet gezegd, en al had ik het ook gezegd, dan moeten zij niet doen wat ik zeijde, mans zo ik gezegd had in het vuur te springen dan zoude zij dt in„ mers N „mers niet behoeven te doen of gedaan hebben, en in alle gevalle durf nog kan men mij de„ weegens niets doe, ik mag een vifen twintig rijxd=s geene en dat zal het al zijn, en daar zoude hij Iacob van reenen ook wel weeten was zijn vader aan zijn relts: principalen naar Europa zoude schrijven Nietsmeer verklaarende geeft den rel=t. voor reedenen van wetenschap als in„ den tex en sprak dierhalen ter bevestinge der waarheijd van dien de solemneele woorden zoo waerlijk help mij god almachtig. /:onderstond: Aldus gerelateerd gerecolleerd en beeedigt aan Cabo de goede hoop den 7 augustus 1783. voor d' EE gerhardus Hendrik Cruijwage en Hendrik Lesueur Leeden uijt den E achte raad van Justitie voormeld, die de minute deeses benevens den rel=t ende mij gesw: Clercq meede behoorlijk heb„ ben onderteekend /:lager:/ 'Twelk ik getuc„ ge /:was geteekend:/ H: L: Bletterman gesw: Clercq. — /:onderstond:/ Accordeert /:was getekend:/ R: I: van der Riet gesw: Clercq - - 6 Accordeert- Antlbrak Eelbery Caab. Gouverneur abaet 7-1102 „1 Compareerde voor ons ondergetekende gecommitteer„ dens uijt den E agtb: raad van Iustitie deeses gouvernements den op het omtrend de Soetendaals valleij gestrande deens accatisch Comp=s schip Nicobas bescheijdenen geweest zijnde Boots„ man Cornelis Pieterssen van Competen ten ouderdom dewelke ter requisitie van den onder„ Coopman en Landrast van Stellenbasch en Drakenstein d' E Daniel van Rijneveld verklaarde hoe waar is. - Dat den Comp„s wanneer op den 10 Iulij de agter„ steeven van het schip voorwaards sloeg met den Capitain van 's Comp=ts, Bodem Andre„ as Christi, den Kuijper en meer andere in zee op te te samen gesorde rondhouten aan„ gekomen zynde, weederom daar af op de kruijs mars waarop nog zes mannen zig bevonden wat ter touw gekomen, op welke kruijt mars zijt met hm sene zig bij na twee uu„ ren hadde geborgen als wanneer eens klagt een stort zee hun alle wederom daar apge„ slagen had; dog was hij Comp=t op de voorsz kruijsmars op nieuws aangekomen en zig daar op onthouden tot na zons ondergang wanneer hij Comp=t wederom van dezelve mans afge„ slagen en door een stuk rondhout in zin kruijst was getroffen, gelijk hij Comp=t ter zelver tijd door een tweede zee al weederom apdemars gemorpen zijnde dusdanig eijndelijk om trend middemagt aan land is gedreeven dat den Comp=t in dien toestand veel pijn en Elende op het strand zijnde blijven leggen, tot des morgens wanneer den opper„ „stuurman Schultz: bij hem Comp=s geke„ „nien N. 151 Caab. Gouverneur abaut 7-1100 1 ƒ
English
taken him along the beach and upon his return had covered the appearer with some opened bales of woolen cloth which he had found on the beach, and also had given the appearer a bottle of wine found there, after which the aforesaid chief mate had left the appearer in order to see whether they could find a house or dwelling; that the same day in the afternoon there came to the appearer on the beach two persons whom he, the appearer, took to be country folk, and of whom one, named Marthinus Marais, promised the appearer to come and fetch them the next day with the wagon, as he also did; the appearer was brought, accompanied by the boatswain's mate and quartermaster, together with the sailor Jens Christense, riding to the house of the aforesaid Marais; that the appearer, having arrived at the house of the aforesaid Marais, was, together with his unfortunate fellow shipmates and the chief mate Schultz, whom the appearer found there in the house, very well received by the people of the house, as they also took such good care of him, the appearer, while he could not carry himself at all, that he, the appearer, improved day by day with his acquired wounds; that during the time the appearer had been there, there had arrived at that place a person who said his name was Jacob van Reenen, having with him another person who was called a cook; that the appearer heard the said Jacob van Reenen say to Marthinus Marais that he should take from the stranded goods whatever he could get; but whatever belonged to the people had to be handed over to them, because all the remaining goods were prize and belonged to whoever managed to get them; that thereupon the said Marthinus Marais sent his wagon to the beach and, having had some stranded goods brought to his house therewith, the appearer saw lying there in the house two hogsheads, an empty leaguer, and a water cask, together with some planks of the ship, two ankers of brandy, and two cases of gin, as well as some muskets; after which the appearer on 23 July with a certain Christiaan Vlok, together with the mate Schultz and the boatswain's mate Jens, had ridden Cape-wards, when on the way they had also encountered the quartermaster Johannes Keunis, the sailor Jacob Christense, and a French sailor who had come aboard with them in False Bay, together with a black man and a black woman who had set out on foot ahead a few days before the appearer had departed from Marthinus Marais; and having been underway for a day, they were met by four wagons that intended to drive to the wreck, because they had heard that an auction would be held there of the stranded goods; whereupon the mate Schultz returned with the said wagons, while the appearer departed Cape-wards with the other castaways and arrived here on the 29th of the said month of July. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons of knowledge as in the text, and therefore spoke in confirmation of the truth thereof the solemn words: So help me God Almighty. Underneath stood: Thus passed, reviewed, and sworn at the Cape of Good Hope on 27 August 1783, by translation of the sailor Carel Edwald Ziewogel, before the honorable Gerrit Hendrik Cruywagen and Hendrik Lesueur, members of the honorable Court of Justice aforesaid, who have signed the minute hereof together with the appearer, and the translator, as well as me, the said clerk. Lower: Which I witness: was signed: H. L. Bletterman, sworn clerk. Underneath: Agrees: was signed: R. J. van der Riet, sworn clerk. Agrees. H. L. Bletterman, sworn clerk. Copy Appeared before us, the undersigned commissioners from the honorable Court of Justice of this government, the boatswain's mate Jens Olsen of competent age, having been assigned to the Danish Asiatic Company's ship Nicobar which was stranded near the Zoetendaals Valley, who, at the requisition of the junior merchant and landdrost, the honorable Daniel van Ryneveld, declared it to be true: that after the company's designated vessel was stranded on 10 July of this year at the so-called Zoetendaals Valley, the appearer, with the quartermaster Johan Kermis, came ashore the following day in the afternoon at about four o'clock; and having proceeded further inland, they discovered a house in the evening at estimated fully ten o'clock, whither they went, and thus came to a certain Marthinus Marais, living fully three miles from the beach, where the following day toward evening the mate Schultz also arrived, who said to him that of their people four white and four black males, together with a female, had also been saved, who were all lying on the beach unable to go any further; so that the aforesaid Marthinus Marais the next day
Dutch transcription
men en hem Comp=t langs het strand begee„ ven har en bij zijn te rug komst den Comp=s met eenige opgesprekken lasten lakendien hj aan strand had gevonden bedekt, en ook een al„ daar gevondene Boutellie mijn aanden Comp=ts gegeeven, waar na voorsz: opperstuurman van den Comp=t zig begeeven had, ten eijnde te zien of geen huijs of wooning vinden konden dat denselve daags 's nademiddags bij den Comp=t aldaar aan strand gekomen zijnde twee persoonen die hij Comp=t voor land„ „lieden aan sag, en waarvan de eene die Mar„ Crinus Marrais genaamd wierd den Comp=t beloofden de anderen daags met de wagen te zullen komen afhaalen, gelijk denselven ook gedaan had, was den Comp=s niet sensel„ ven meede brengende den Bootsmansmaat en quartiermeester neevens den mattroos Jens Christende naar het huijs van voorsz: Marrais gereeden dat den Comp=t: aldaar ten huijze van voorsz marrais gekomen zijnde, was den Comp=t: neevens zijne ongelukkige meede scheepelingen en den opperstuurman Schultz dit hij Comp=ts aldaar in huijs aantrof, vande huijslieden zeer wel ontfangen, gelijk dezelve ook zo goede zorge voor hem Compt terwijl zig in het geheel niet zelve konde telben draagen, dat hij Compt nagaandag met zij „ne bekomen winde beterde. dat geduurende den tid dat den Compt aldaar was gemeest daar ter plaat „se was gekomen, een persoon die hem wees gesegd Jacob van Beenen genaamd te zin, bij hem hebbende nog een persoon die kok genaamd wierd, den Compt gemelde Jacob Jacob van Reenen tot Marthinus marais had horen zeggen, dat hij van de gestrande goederen moest neemen, wat hij maar krijgen zoude; dog wat het volk toequam, het zelve aan hem moest overgeeven worden, want dat alle de overige goederen prijs waaren, en die geene toebehoorden die dezelve quamen te beregen — dat daar op gem: Marthinus ma¬ rais zijne wagen naar het strand gesouden, en daar meede eenige gestranke goederen na zijn huijs hebbende doe brengen, had den Compt aldaar in huijs zig leggen, twee oxhoofden Een ledige legger en een water vas, beneevens eenige planken van het schip„ twee ankers Brandewijn en twee kelders geneeves, als meede eenige geweeren, waar„ na den Comp=t op den 23 Iulij met eenen Chris„ tiaan Vlok beneevens den stuurman Schultz en den bootsman smaet Sens desen baabwaards gereeden waren zij toen op den weg ook hadde aangetroffen den quartiermeester Johannes Keunis, den mattrous Iacob Christense, en een Fransche mattroos die in de baaij fals bij hun aan boord was gekomen mitsg=s. een swarte man en een swarte vrouw die eenige daagen voor dat den Compts. van Marthinus Barrais was vertroc„ ken te voet voor uijtgegaan waaren, zijnde hun nadat een dag onderweegs gewees waaren vier wagens te gemoed gekomen die na ter wrak zeijde te willen reijden, vermits gehoord hadden dat aldaar van de gestrande goederen vendutie zoude wer„ den gehouden; sulx de stuurman schultz niet Caab. Gouverneur abrat 7 -1100 „1 s „ was ede chultz de lve met gem: wagens weder was te rug gekeert, terwijl den Compt=t met de andere strandelingen brabwaards vertrocken en op den 29:e des gem: maand: Iulij alhier g'arriveert wae- Niets meer verklaarende geeft den Comp=t voor reedenen van wetenschap als inden tex en sprak dierhalven ter bevestiging des waarheijd van die de solemneele woorden zoo waarlijk help mij god almachtig: /onderstond:/ Aldus gepasseert gerecolleert en B. Ee„ „digt aan Cabo de goede hoop den 27e au„ gustus 1783 bij vertolking van den mattroos Carel Edwald Ziewogel voor d' EE. Gerrit Hendrik Cruijwagen en Hen¬ drik Lesueur Leeden uijt den E agtb: raad van Iustitie voorm. die de menu te deeses benevens den Compt, en de den vertolker mitsg=s mij gem: Clercq meede behoorlijk hebben onderteekend /:lager/ T welk ik getuige: /:was getekend// H: L. Bletterman gesw, Clercq — /:onderstond// Accordeert /: was getekend:/ R=s I: e V: D: Riet gesw, Clercq. — Accordeert. - AhLLorak Eg Clercq is. met ter en den r be gen eert Caab. Gouverneur a e7 cobar ge 191 Copia Copia Copie Compareerde voor ons ondergeteekende gecommitt„s uit den E. agtb: raad van Justitie deezes Gouverne„ ments, den op het omtrent de zoetendaals valley gestrande deensche Asiatisch Comp„s schip Nicobar beschyden geweest zynde Bootsmansmaat Jens Olser van Competenten ouderdom, dewelke ter requisitie van den onderkoopman en Land„ drost de E: Daniel van Ryneveld verklaarde hoe waar is: dat na dat des Comp„s bescheiden Bodem op den 10 July deezes Jaars aan de zogenaamde zoetendaals vallen gestrand was, den Comp„ts met den quartiermeester Johan Kermis 's andere daags na de middags omtrent vier uuren aan land waren geraakt, en voorts land„ waards ingegaan zynde, 's avonds de Clocke nagissing ruim thien uuren een huis ont„ dekt hadden, werwaards zy hun begeeven hebbende, dus by eenen Marthinus Marais gekomen waren wonende wel drie mylen van 't strand, alwaar 's daags daaraan teegen den avond meede gekomen was, den stuurman schultz, die tot hem had ge„ zegd dat van hun volk nog waren geborgen vierwitte en vier zwarte manspersonen be„ neevens een vrouwspersoon die alle aan strandlagen, zonder verder te kunnen gaan dus voorsz: Marthinus Marais 's volgende daags Caab. Gouverneur aba
English
the next day had fetched those persons with his wagon, the appearer had ridden with the same Marais to the beach as well and together with the same Marais had remained that night at the beach, but had sent the above-mentioned persons to his place, whither the appearer followed the mentioned Marais the next morning, having taken along some washed-ashore clothes both for himself and the other castaways. That the appearer having subsequently gone to the beach daily, the field cornet had kept watch over the washed-ashore goods, the appearer on a certain day returning having met the mate Schultz together with the mentioned Marais, and in addition two strangers or persons unknown to him the appearer who were riding to the beach, the appearer however not knowing that during that time anything of importance from the washed-ashore goods had gone missing, but indeed that after that time the farmers took away and transported from there all the washed-ashore goods, which had consisted of barrels of tar, pipes, planks, hogsheads, leaguers, cellars of gin and the like. That when the appearer had been at the beach for the last time he had seen nothing else there than the pieces of the shattered ship, together with old woodwork and some old planks. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons of knowledge as in the text and therefore spoke in confirmation of the truth thereof the solemn words: So truly help me God Almighty. underneath was written: Thus passed, recollected and sworn to at the Cape of Good Hope on 7 August 1783, by interpretation of the sailor Carel Ewald Ziervogel, before the Honorable Gerrit Hendrik Cruywagen and Hendrik Le Sueur, members of the Honorable Worshipful Court of Justice aforesaid, who have duly signed the minute hereof together with the appearer and the interpreter as well as me, the sworn clerk. lower down: To which I testify: was signed: H. L. Bletterman, Sworn Clerk. underneath was written: Agrees: was signed: R. J. v: d: Riet, Sworn Clerk. Agrees. Cape. Governor about f 7-100 No. 1 F Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Court of Justice of this government, quartermaster Jan Hermis, of competent age, who was appointed to the Danish Asiatic Company's ship Nicobar which was stranded around the Soetendaals Valley, who at the requisition of the junior merchant and Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Sr. Daniel van Ryneveld, declared it to be true: That when the Company's appointed vessel Nicobar, after having departed from False Bay on the 10th of the past month of July, the same was stranded on the following day, or the 11th of that month, at the so-called Soetendaals Valley, the appearer and besides the boatswain's mate Jens Ielsen with the boat from the wreck, in which he had been with eight other men, pushed off to the land, but that boat in the meantime also being smashed to pieces, only the appearer and the mentioned boatswain's mate reached the shore and all the others perished, this having been in the afternoon around four o'clock. That they, having proceeded further inland to search for a house, found a house at about three hours in the evening according to their estimate and went there, the man of that house, whose name they subsequently heard was Marthinus Marais, having taken them for deserters, but after they had related to him their fate, the same had told them that they should stay there that night, but that he would ride to the beach the following day to see whether it was so as they said, which the same also did the following day, that man having nevertheless received the appearer and the aforesaid Ielsen kindly, and to the best of his ability, as it seemed to them, showed all philanthropy. That the appearer does not know that anything of the goods washed ashore from the wreck had gone missing, before another man, who the appearer heard was named Jacob van Reenen, came to the house of the aforesaid Marais with another person and substantially said: that the goods that were washed ashore on the beach belonged to the farmers according to the laws of the land, and they could take the same away unless they were the goods of the ship's crew, to whom, if they said that such belonged to them, the same must be given back again, adding further: but the other goods are prize, for it is not a Dutch Company ship, you can take what you like, for it is good prize. That after the aforesaid Van Reenen had said such to the people present there at the house of the aforesaid Marais, the appearer had gone to the beach, and seen several wagons standing there upon which parts of the stranded goods were laden, without the appearer knowing to whom those wagons belonged, the appearer at the same time having perceived that the stranded goods had already mostly all been carried away from there, and before the mentioned Van Reenen had been there the aforesaid Marthinus Marais had likewise taken to his house some salvaged clothes which he had given to the appearer and his fellow castaways who had been there, and also some red and yellow baize on which they had lain at night, as well as some firearms. The mentioned Marais had afterwards also fetched from the beach with two wagons two hogsheads of brandy, one empty leaguer and seven casks, together with two ankers of French brandy and two cellars of gin, as well as some ship's planks. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons of knowledge as in the text and therefore spoke in confirmation of the truth thereof the solemn words: So truly help me God Almighty. underneath was written: Thus passed, recollected and sworn. Governor about 7 1180
Dutch transcription
daags die persoonen met zyn wagen gehaald den Comp„t met denzelven marais meede na het strand gereeden en beneevens denzelven marais dien nagt aan het strand verblee„ ven was, dog de bovengem: Personen na zyn plaats gezonden had, werwaards den Comp„s gem: marais 's volgenden morgens gevolgt en eenige opgespoelde kleederen zo voor hem als de andere strandelingen meede genomen hebbende. Dat den Compt vervolgens dagelyx naar het strand gegaan zynde, den veldwagt meester op de opgespoelde goederen had zig passer, hebbende den Comp„t op zeekren dag te rug keerende ontmoet den stuurman schultz beneevens gem: marais, en nog daarby twee vreemden of hem Comp„t on„ bekende personen dewelke na het strand reeden, weetende den Comp„t egter niet, dat in dien tyd iets van belang van de opgespoelde goederen weggeraakt zyn, maar wel dat na dien tijd de boeren alle de opge„ spoelde goederen weggenomen en van daar vervoerd hebben, dewelke bestaan hadden in tonnenteer, pypen, planken, op hoof„ den, leggers, kelders met geneeven en diergelyke meer. Dat wanneer den Comp„t de laatstemaal aan aan 't strand was geweest hy niets anders al„ daar gezien had, als de stucken van 't ver„ bryzelde schip, beneevens oud houtwerk en wat oude planken. — Niets meer verklarende geeft den Comp„e voor reedenen van weetenschap als in den text en sprak dierhalven ter bevestiging der waarheid van die de solemneele woorden zoo waarlyk help my God almachtig. - /:onderstond:/ Aldus gepasseerd Gerecolleerd en n B'Eedigt aan Cabo de goedehoop den 7„n augustus 1783. by vertolking van den mattroos Carel Ewald Ziervogel, voor de E: E: Gerrit hendrik Cruywagen, en Hendrik Le Cueur Leeden uit den E: Agtb: Raad van Justitie voorm: die de minute deezes beneevens den Comp„t en den vertolker mitsg„s my gozw Clercq meede behoorlyk hebben onderteekend. /:lager. / 't welk ik getuige /:was geteekend:/ H: L: Bletterman Gezw: Clercq. — /:onderstond:/ Accordeert /:was getk:/ RJ v: d: riet gezw: Clercq— Lorak Accordeert. Caab. Gouverneur abrat ƒ 7-100 N: 1 be Cleren aal F Compareerde voor ons ondergeteekende gecommitt=s uijt den E achtb: raad van Iustitie deeses gouvernements, den op 't omtrend de soetendaals valleij gestrande deens Crasiatisch Comps schip Nicobar bescheijden geweest zijnde quartiermeester Jan hermis van Competenten ouderdom dewelke ter requisitie van den ondercoap mans en Landrost aan stellenboschen mrakenstein S=r Daniel van zijne veld verklaarde hoe waar is. Dat wanneer des Comp=s, bescheijden bodem Nicobas na dat op den 10 e der afgeree„ kene maand Iulij: uijt de baaij Fals vertrocken was, het zelve op den volgen„ den dag ofte den 11. dier maand aande Sogenaamde Soetendaals valleij gestrand is, zijnde den Compt, niet ende benevens den bootsman smaat Iens selssen niet de boot naar het wrak, waar in hij niet nog agt mannen geweest, na het land afgestooken, dog dat die boot in tusschen meede aan stukken geslagen zijnde, den Comp=t en gem Bootsmansmaat alleen aan de wal gekomen en alle de andere verongelukt waren, zijnde zulx geweest inden namiddag omtrend vier uuren. dat zyl: voorts Landwaards in gegaan zijnde, om een huijs op te zoeken, Zil: de Clocke na gissing 's avonds wel- drie uuren een huijs gevonden en zig derwaerds begeeven hadde, hebbende de man Caab. Gouverneur al 100 5„ man van dat huijs, wiens naam zij ver„ volgens hoorde Marthinus Marais was¬ hun aangezig voor deserteurs, doe, dat zyl: denselve hun lotgeval verhaald hebbende, denselven tot hun had gezegd, dat zijt, die nagt aldaar verblijven zoude maar dat hij 's volgenden daags na het strand rijden en zie zouden of het 20 ma„ als zij zeijde, het gunt denselue val gende daage ook gedaan had, hebbende dien man den Compt: en voorsz: velsen egter vriendelijk ontfanger, en na zijn ver mogen zo het hun toescheen alle mensch„ lievendheid betoond dat den Comp=t niet weet dat het van het wrak opgespoelde goed iets weggeraakt zijn zoude, voor en adler een man die zo den Comp=t, hoorde genaamd was Jacob van heenen, ten huijze van voorn marais niet een ander persoon gekomen was en substantieelijk gezeijd had: dat de goederen die op ter strand opgespoeld waaren, volgens 'slands regten de boeren toe„ quamen, en dezelve zulx negneemen konken ten ware tet goederen van het scheeps volk waaren, aan het welk zo zij Leijden dat hun zulx toebehoorden het zee„ „ve wederom gegeeven werden moet, met verder bijvoeging, maar de andere goede ren zijn prip want het is geen Hollands Comp=s schip, gij kunt neemen wat ex„ ƒ melt want het is goed preijs dat nadat voorsz van reenen sulx ten huijze van voorsz marais tot de Een hun aldaar bevindende menschen gezegd, had, had den Comp=t, zig na het Strand be geenen, en aldaar zig staan verscheijde wa„ „gens, waar op van de gestrande goederen gelaaden waaren, Sonder dat den Comp=t neet, mee die wagens toebehoorden hebbende der „ Comp=s teffens ontwaard, dat de gestrande goederen, reeds meest allen van daar weg ge„ rede waren en had voorsz: Marthinus Ma„ rais voor dat gem: van reenen aldaar was geweest ingelijx na zijn huijs Ge„ nomen eenige geborgene kleederen die denselve aan den Compt en zijn aldaar ge„ weest zijnde meede strandelingen had gegeeven, en zoo ook wat rooden geel latie op het welke zil: 'snagts hadden geleegen, als meede eenige geweere: Ek dende gem: marais daarna met twee wa¬ gens nog van het strand gehaald twee Oxhoofden Brandenijn Een ledige Leg¬ gew en seven vaten, beneevens twee an„ „kers Fransche Brandemijn en twee kelders geneever mitsgaders ook eenige scheeps planken.— Niets meer verklarende geeft de Compt voor reedenen van wetenschap, als inden Text en sprak dierhalve ter bevestinge der waarheid van die de solemneele woorden zoo waarlijk help mij god almagtig - -, /:onderstond:/ Aldus gepasseert gerecolleert en B' Eedigd b Gouverneur abaut 7 1180 de n ver sch ts
English
Sworn at the Cape of Good Hope on 7 August 1783 through the interpretation of the sailor of the Honorable Company, Carel Edward Ziervogel, before the Honorable Gerhardus Hendrik Cruijwagen and Hendrik Le Sueur, members of the Honorable Council of Justice aforesaid, who have duly signed the original minute of this together with the appearer and me, the sworn clerk. Lower: Which I witness. Was signed: H: L: Bletterman, sworn clerk. Below was written: Agrees. Was signed: J: V: D: Riet, sworn clerk. Agrees. D: I: d: K: sworn clerk. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, Jens Christense, of competent age, having been stationed as a sailor on the stranded Danish Asiatic Company ship Nicobar, who, at the requisition of the Junior Merchant and Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Sr. Daniel van Ryneveld, declared it to be true: That after the wrecking of his Company's aforesaid vessel Nicobar near Soetendaals Valleij, the captain of that vessel, the cooper, one Johannes Koningsfeld, and he, the appearer, had taken to the spars and had attempted to reach land therewith; but that the cooper was washed off by the breakers, while the appearer, with the others, came ashore alive, the clock then being about six o'clock in the evening. That the appearer and aforesaid Johannes Koningsveld subsequently went inland to look for a house, without, however, discovering any house that night, so that the appearer parted from the said Koningsveld the following morning, because the latter could no longer walk; the appearer having gone back to the beach and found there the boatswain, who, due to severe bruising and injuries to his feet, could not help himself, and likewise a French sailor and Mate Schultz. That the appearers remained on the beach that day and night, while in the meantime a farmer named Marthinus Marais came to them on the beach, who told them that two of their crew had arrived at his farm, that man subsequently making a fire for them on the beach, after which, on the following day, the aforesaid Marais fetched them with his wagon and brought them to his house; the appearer then lay there without being able to walk because his legs were very injured from the rocks, while the people where he was in the house were very helpful and kind in the meantime. That when one Jacob van Reenen was there at the place and in the house, the appearer was not in the house, and thus did not hear that Van Reenen was alleged to have said that all the goods that had washed ashore from the stranded vessel were prize for whoever came to salvage them; but Mate Schultz had told the appearer that Van Reenen had said so, and had therefore also told the appearer that he, the appearer, should see to salvaging whatever he could get; the appearer subsequently asked Jens Olsen, as well as the boatswain and Quartermaster Johan Hermes, about that statement of Van Reenen, who assured the appearer that the said Van Reenen had indeed said so; the appearer testifying that when he left the beach the first time, a multitude of goods that had washed ashore lay on the beach, but that when the appearer subsequently came to the beach again, almost everything was gone, without the appearer knowing how it was removed. Declaring nothing further, the appearer gives as reasons of knowledge as in the text, and therefore, in confirmation of the truth thereof, spoke the solemn words: So help me God Almighty. Below was written: Thus passed, reviewed, and sworn at the Cape of Good Hope on 7 August 1783 before the Honorable Gerrit Hendrik Cruijwagen and Hendrik Le Sueur, members of the Honorable Council of Justice aforesaid, who have duly signed the original minute of this together with the appearer and me, the sworn clerk. Lower: Which I witness. Was signed: H: L: Bletterman, sworn clerk. And underneath: Agrees. Signed: R: J: v: d: Riet, sworn clerk. Agrees. Sworn clerk. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, the sailor Johannes Koningsfeld, aged sixteen years, having been stationed on the Danish Asiatic Company ship Nicobar stranded near Soetendaals Valleij, who, at the requisition of the Junior Merchant and Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Sr. Daniel van Ryneveld, declared it to be true: That when the appearer was shipwrecked on 10 July last with his aforesaid vessel at the so-called Soetendaals Valleij, having drifted towards the beach on the spars of the wreck with and alongside the captain of that vessel named Andreas Christi, the cooper, and a certain Jens Christense; the captain and cooper, however, were knocked off the aforesaid spars by the high-running sea of that time, but later washed ashore with the appearer; the appearer subsequently set out on the road together with the aforesaid Jens Christense in order to look for a shelter for themselves, nothing, however, being discovered by them that night. That the aforesaid Jens Christense the appearer...
Dutch transcription
B'Eedigt aan Cabo de goedehoop den 7 augustus 1783 bij vertolking vanden mattraas der E Comp=e. Carel Edwald ziervogel voor d' E E Gerlardus Hen drik Cruijwagen en Hendrik Lesueur Leeden uijt den E agtb: raad van Iustitae voormeld, die de minute deeses benevens den Comp=t, ende mij gesie: Clercq meed- behoorlijk hebben onderteekend / lager:/ T welk ik getuige /: was getekend:/ H: L: Bletterman gesw Clercq. — /:onderstond: Accordeert /:was getekend:J B I: V: D Biet gesie Clercq. — Accordeert Dldrak Eg Clercq Compareerde voor ons ondergeteek gecommitts uijt den E: agtb: Raad van Justitie deeser gorvere „nements den als mattroos op het gestrande deensch asiatis Comp:s schip Nicolas bescheijden geweest zynde Ians Christen„ se van Competenten ouderdom dewelke ter requisitie van den onderkoopman en Landdrost van stellenbosch en draken steijn: Sr daniel van Bijneveld verklaar„ de hoe waar is dat na het omtrend de soetendaals vol„ leij verongelukken van zijn Comp:s voorz: bodem, Nicobar den Capitain van dien kiel de Kuijper, eenen Johanna Ko„ ningsfeld en hij Comp:s zig op de bond„ 4outen begeeven en getragt hadden daar meede het land te bereijken, dog dat den kuyper door de brandingen daar afr ge„ spoeld, maar den Compt met de andere leevendig aan land gekomen was, de klokke toen wel omtrend ses Uuren in den avond geweest zijnde dat den Comp=t en voorsz: Iohannes Koningsveld voorts Landwaarde ingegaan weesende om een huys op te zoeken, zonder egter dien nagt en huys ontdekt te hebben, zulcx den Compt den volgende morgen van gem: Konings„ veld afgescheijden was, de wijl densel van niet meer gaan konde hebbende den Compt zig Caab. Gouverneur abant ƒ 7 „ : zig weeder na het strand begeeven en aldaar den bootsmang gevonden, die door het sterk stooten en beveezen zyner voeten zig zelfs niet helften konde, en zo ook gen frans mattroos en stuurman Schulltz:- dat den Compp:ts dien dag en nagt op het strand verbleeven, zynde bij den borkman intus„ schen aldaar aan strand was gekoomen, en Landbouwer en naame Marthinus Marris, de welke hun verhaalde dat bij hem op zyn plaats twee van hun volk waaren aangekoomen hebbende die man voor hun aan strand voorts vuur aan„ gemaakt, waar na den volgende dag voorsz: Marais hun met zyn wagen afgehaald en na zyn huis gebragt had, toen had den Compts aldaar geleegen zonder te hebben kunnen gaan ter zaake zyner beenen zeer gequest waren door het Hoo„ ten, zynde het volk ondertusschen daar hij zig in huys bevonden had zeer be„ hulpzaam en vriendelyk geweest dat wanneer eenen Iacob van Beenen aldaar ter plaatse en in huys geweest was, den Comp:ts zig niet in het huys be„ vonden had, en dus niet te hebben ge¬ hoord dat van Beenen zoude hebben gesegt dat alle de goederen die opge„ spoeld waaren van den gestranden bodem bodem prys waaren, voor de geene die deselve quamen te bergen dog stuurmans Schultz had aan den Comp:ts verhaald, dat van sheenen zulx had gesegd, en had daa„ zom tot den Comp=ts ook: opsegt dat hij Comp=t moest zien te bergen wat hij kryjgen konden hebbende den Compt vervolgens van Jens Olsen mitsg=s de bootsman en quar„ tiermeester Iohan Hermis na dat zeggen van van Reenen gevraagt, dewelke den Comp:s verseekert hadden, dat gem: van Beenen zulx in der daad had gesegd, be„ tuygende den Compt: dat wanneer het eerste maal het strand verlaaten had op strand een meenigte goederen had geleegen dat opgespoeld waer dog dat wanneer hij Compt vervolgens weeder aan strand was gekomen byna alles weg geweest was, zonder dat den Compts an weet hoe het weg geraakt is. Niets meer verklaarende geeft den Compt voor reedenen van Weetenschap als in den Text, en sprak dierhalven ter bevesti„ ging der Waarheijd van dien de Solem„ neele woorden zo waarlijk helft mij God almagtig. - /:onderstond:/ Aldus gepasseerd gerecolleerd en bbedigt aan Caab. Gouverneur abaat ƒ 7— „ 1 122 „ „ aan Cabo de goede Hoop den 7 augustus 1783 voor d E: E: Gerritt Hendrik Cruij waagen en Hendrik Le Suour Zeeken uit den E agtb: Raad van Justitie voorm=d die de minute deeses beneevens de Comp=t ende mij gesw: Clercq meede behoorlijk heb„ ben onderteekend /:lager:/ T Walk ik getuige /:was geteekend :/ o: L: Batter„ =man gesw: Clercq /: en daar onder:/ accor„ daak=t /:geteekend:/ R: I. V: A: Riurk gutw: Cbrecq Accordeert. — EgCleveq Mrlovak f Compareerde voor ons ondergeteeke gecommitt uit den E: agtb: Raad van Justitie deeses Gom„ =vernements den op het omtrend de soe„ tendaale valleij gestrande deensch asia„ tisch Comp:s Schip Nicobar bescheijden ge„ weest zinde mattroos Iohannes Konings„ feld oud sesthien Iaaren de welke ter bequi„ sitie van den onderkoopman en landdrost van Stellenbosch en Arakensteijn S:t Daniel van Arneveld verklaarde hoe waari dat den Comp:t wanneer op den 10:' Iulij Iongstl: met zijn voorm: bodem aan de Zogenaamde Soetendaals valleij Schip breuk geleeden had, met ende beneevens den Capit=n dier bodem in naame Andrias Christi, den kuiper en zeekere Jens Chris„ tense op de Eondhouten van het wrak na strand gedreeven zynde den Capitnn Kuij„ per egter door de ter dier tid hoogstaan„ de zien van de voorsz: rondhouten afge„ slaagen dog naderhand met den Comp=t aan het strand opgespoeld waaren, den Comp:s zig vervolgens met voorsz: Eens Christense te zaamen op weg begeeven, ten eyjnde voor hun een bergpplaats te zoeken, dien nagt egter niets door hun ontdekt was. dat voorsz: Iens Christense den Comp=t 4 die Caab. Gouverneur abact ƒ 7 1
English
who, on account of great fatigue, had remained lying there at that place, leaving the following morning, and the appearer, having tarried there a little while and resumed his journey, had finally, after wandering back and forth for three days, met a small Hottentot who showed the appearer a house where he obtained a little to eat and drink; that the appearer subsequently that night rode with that man to the beach where the wrecked vessel lay, and having arrived there the following morning, the aforesaid man unknown to him had fetched some cases of gin and brandy from the beach and hidden them behind the bushes standing there; that when the field sergeant, who had the necessary supervision there, became aware of this, he took it back, saying that it had to remain lying out on the beach until further orders, furthermore being taken by the said field sergeant also from a Hottentot, a small bottle of gold dust and a pair of copper buckles, which were handed over by him to the mate Schultz. Testifying that the appearer, after having tarried a short time, departed from there with a certain Marthinus Marais to his farm, the appearer upon his arrival there having found the rest of the surviving crew of the aforesaid wreck. The appearer testifying lastly that since the burgher van Reenen arrived at the beach, the farmers have taken the goods washed ashore there for themselves. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons for his knowledge as in the text, and testified the same to be the pure truth. underneath stood: Thus done and reviewed at Cabo de Goede Hoop on 7 August 1783 before the Honorable Gerrit Hendrik Cruywagen and Hendrik Le Sueur, members of the Honorable Court of Justice aforesaid, who have duly signed the original minute hereof together with the appearer and me, the sworn clerk. lower: Which I witness / signed: A: L: Bletterman, sworn clerk / underneath: agrees / and signed: R: J: v: d: Riet, sworn clerk A. H. Horak Agrees. Egllernq Articles drawn up and submitted to the gentlemen commissioners from the Honorable Court of Justice of this government by and on behalf of Daniel van Ryneveld, Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, in order that the Commandant of the Invalids at Swellendam, Jacob van Reenen, be heard and interrogated thereon at his requisition, whose responses to be given shall be duly noted in the margin. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, Mr. Jacob van Reenen, who answered the questions below as noted alongside each of them. Article 1 His, the interrogated party's, name, age, and place of birth, as well as what he is in capacity. Says: Jacob van Reenen, born at Cabo de Goede Hoop, aged 29 years, Commandant of the Swellendam Invalids. Article 2 Whether he, the interrogated party, at the time of the Danish ship Nicobar, recently wrecked near the Soetendaals Valley, was not present there. Says: Yes. Article 3 What he had to do there, or else to what end his presence was necessary there. Says: As to Art. 3. Says: Because I rode to my farms to attend to my affairs, and having met a man at the Houwhoek who brought a report to the Cape that the Danish ship had run aground, on which his, the interrogated party's, father had also arrived; and because those people had done his, the interrogated party's, father much kindness, he, the witness, rode thither to do those people some services if possible, and toward evening around four o'clock arrived at Marais' farm, situated four hours from the beach; and having met five Danes from the stranded ship there, learned from them that it was not the same ship on which his, the interrogated party's, father had arrived, but indeed another one, upon which he, the witness, wanted to ride back again, but that the Danish mate requested him, the witness, to ride along to the beach to see how the ship had been dashed to pieces on the rocks; he, the witness, therefore gave his own riding horse to that mate and, having taken his servant's horse himself, rode thither with him, and arriving on the beach, he, the interrogated party, found the field sergeant with two or three others. Article 4 Whom he found there upon his arrival at the beach. Article 5 Whether he, the interrogated party, has not learned that any orders regarding the people come ashore and goods washed ashore had been given and put into effect. Says: To have learned nothing of it. Article 6 How often he betook himself to the beach and how long he stayed there. Says: No more than once for half an hour. Article 7 Whether he, the witness, also knows whether any mistreatment was done to the crew members of that wrecked ship who came ashore, and by whom such was done. Says: To know nothing of it, but indeed to have seen and to have learned from the mate that Marais gave them all help and assistance and even bandaged their wounds. Article 8 Whether upon his, the interrogated party's, arrival at the beach, goods were actually washed ashore there. Says: To have seen a whole lot of chests lying on the beach, of which the bottom boards were already knocked out; that the interrogated party, having asked the field sergeant who had done this, received as an answer the Danes; and at Marais' he, the witness, had himself seen a whole lot of goods and three chests of goods, and heard from the Danish mate that they themselves had fetched the goods from the beach; just as he, the interrogated party, had also met three Danes with bundles of goods on the way to the beach, and that the burgher Kock had said to him, the interrogated party: I believe that the chief mate the
Dutch transcription
die vermits groote vermoeijdheid aldaar ter plaatse was blyven leggen den volgen morgen verlaaten en den Compt. na een wijnig aldaar vertoefd, zyne beijse weder aan genomen hebbende had eyndelyk na drie daagen ginse en weder gesworven te heb„ ben een kleyne kosten tot ontmoer die den Compt. een huijs wees alwaar een weinig gegeeten en drinken had bekomen dat den Comp=t vervolgens die nagt met dien man naar het strand alwaar het verongelukte wrak laggereeden en aldaar den volgenden morgen aangekoomen zijnde had de voorsz: hem onbekende maneem¬ ge kelders met genever en brandewijn van strand gehaalt en agter de aldaar staande bosjes verstooken. - dat wanneer den veldwagtmeester de„ welke aldaar de nodige toezigt had, zult gewaar geworden was, het zelve te bug genomen hadde onder het zeggen dat het voor op Strand moeste blyven leggen tot nadere ordre zynde voorts door gem: veldwagmeester, meede van een hotten tot :algenoomen, Een flesje goud stof en een paar kopere gispen, de„ welke door hem aan den stuurman schultz: is afgegeeven geworden. - Betuygende dat den Comp=t na een weynig tyds vertoeld te hebben van daar met zeekere Marthi„ nus Marais na dewelke plaats vero„ trocken zynde den Comp=t bij zyne komest aldaar de overige te beqr gekoomene manschappen van het voorsz: wrak had aangetroffen. - Betuygende den Compt. laatstelijk dat Zeedert den burger van Reenen aan strand gekomen was, de boeren de aldaar opgespoelde goederen hebben na zig ge„ nomen. Niets meer verklaarende geeft den Comp=s voor beedenen van weetenschap als in den Teelt, en betuigde hetzelve de zuijvere waarheijd te zijn /:onderstond:/ Aldus gepasseerd en gerecolleerd aan Cabo de goede Hoop den 7 augusts 1783 voor d' E: E: Gerrit Hendrik Cruywager en Hendrik Le Sueur Leeder uijt den E agtb: baad van Iustitie voorm die de minute. deeses beneevens den Compts ende mij getW: Clercq meede behoorlyk hebben. onderteekend. — /:lager:/ 'T welk ik getuijge /:was geteek:/ A: L: Bletterman gesw: Clercq /: daar onder :/accordeert:/ en geteekend:/ R: I: V: d: Riek gesw: Clercq AH Horak Accordeert. - Egllernq zeg=t Iacob van Reenen Commandant der zwel„ Ligt Ja Compareerde voor ons Articulen gedaan maaken ondergeteek gecommitt s en aan Heeren gecommitts uyt den E: agtb: baad van uit den E: agtb: Raad van Iustitie Justitie deeses gouverne„ deeses gouvernements over„ ments M:r Jacob van Bee„ gegeeven door ende van wee„ nen de welke op de onder gens daniel van Ryneveld staande vraagen zodanig Landdrost van Hellenbosch heeft g'antwoord als bezij„ en drakensteijn omme daar den een yder derselver aan„ op ter zijner bequisitie ge„ geteekend Staan. - hoord en ondervraagd te worden den Commandant de r Invalidee aan Swillendam Jacob van Reenen zullende desselfs ten geevene besponsiven in margine behoorlyk moeten werden bekend gesteld Artl geboortg oud 29 Jaaren rendamse Invalides Of hij gev: ten tijde van het onlangs omtrend de soe„ tendaals valleij veronge„ lukte deensche schip Nico„ bar, niet aldaar is pre„ sent geweest zin gev: naam ouderdom van Cabo de goede soop en geboorte plaats, mitsg=s wat denselven in qualiteijt isd „ 2 als op art. 3. Art:tl 3 wat hij daar te verrigten had, Ligt om dat ik na mijn plaatsen beid om mijn dan wel tot wat eynde zyn affaires, te verrigten en praesentiete aldaar nodig was 2 op de houwhoek een man ontmoet hebbende die naar de Caab rapport bragt, dat het diens schip zon zyn gestrand, waar zyn gev: vader meede gekoomen zijn gene: vader waer, en om dat die Menschen erig zienen veel plai„ sir gedaan hadden, was hij get: herwaards geteeken, om die menschen eenige diensten te doen als het mogelijk was, en teegens den avond omtrend vier Uuren bij ma bais op de plaats, vier Uuren van het strand geleegen, gekoomen, en vyf deenen van het gestranden schip, al„ daar ontmoet hebbende van deselve te hebben vernomen dat het niet het zelve schip was, waar meede zijn ger: vader gekomen was, maar wel een ander, waar op hij get: weeder te Eug heeft willen bijden, maar dat de veensche stuurman hem get: versogt had, om meede na het strand te bijden, om te zien hoe in gruijsen het schip op de klippen geslaagen was, hij get: daarom zyn eygen Eidpaard aan dien stuurman gegeeven en zelfs zyn Iongen & paard genomen hebbende, was hij meede derwaards geree¬ den, en op het strand komende had hij gev: den veldwagtmeester met nog twee a drie aangetroffen „15 zigt daar van nijets verno„ of hij gev: niet heeft vernom Wie hij bij zijn komst aan het strand aldaar gevonde heeft. 8 men te hebben L zegt niet meer als geens gedurende een half uur of hij get: ook weet of eenige zigt daar van niets te wee¬ ten, maar wel gesien te mishandelingen aan de van hebben en van de stuurmen dat verongelukte schip aan te hebben vernomen dat land gekoomene Scheepen„ Marais hun alle hulp lingen is geschieden door en bystand gedaan en zelf wie zulx is gedaan hunne wonden verbonden hadden ofe bij zijn gev: komst aan zigt een geheel parthij, kis„ ten op petstrand te hebben strandt Eykelyk goederen vinden leggen, waar van aldaar opgespoeld waaren. de onderste bodems beeds uyt geslaagen waren, dat den gev: daar op den veldwagmees ter gevraagd hebbende wie zulx gedaan had, tot antwoord had bekoomen de deenen, en bij Marais hij get: zelfs een geheel partij goed, en drie kisten met goed gezien had, en van de doensche stuurman gehoord te hebben, dat zij zelve het goed van strand gehaald hadden;, zo als hij gev: ook drie deenen met bundels met goed op weg naar strand ontmoet had en dat den burger Kock aan hem gev:e gesegt had, ik geloof dat den opperstuurman Art=s 6 Toe dikwijlen hij zig naar strand begeeven en hoe lang zig daar opgehouden heeft dat eenige ordres omtrend de aan land gekoomene mar schen en opgespoolde goederen waaren gegeeven en in het werk gestldd den
English
has caught the suspect, because he had wanted to lift one of the chests at Marais's house, but was unable to lift it; says after hearing from the boatswain that the chief mate had given Marais a note, and that he, the boatswain, had heard that they would search for him, the suspect, but that he had to try to get the note, because then he would discover that the chief mate is a bad man. Says nothing, except what the Danes have taken. Whether he, the witness, himself or anyone else has not sought to prevent this, as he, the witness, will be well aware that the taking away of stranded goods has always been forbidden by law as an evil deed. Says: when I arrived at the beach, I found all the dead who had been lying there for nine days, and then asked the veldwagtmeester's servants why they did not bury those bodies, and that it is the greatest evil to let such people be destroyed by wild beasts, whereas he, the wagtmeester at the beach, and four or five servants who were at Marais's house, could easily do so; that the wagmeester answered that he could not do such a thing, whereupon he, the witness, asked what he was doing there then, to which he answered: 10 Whether in his presence most of all those goods were not snatched away and transported. Article 9: that Says, as on Article 10, that he was guarding the goods, whereupon he, the witness, said again that he ought to bury the dead, and that it was not his business, as a citizen, to watch over a stranger's goods, and that he, the witness, had read the legal opinions of the advocates Ploos van Amstel, Lusac, and Le Senne, that if a foreign ship were wrecked and the owner abandoned the ship, the local inhabitants could ride it home, and if an inquiry came, they had to report, and then they would be paid for their trouble. Says this is not true, but that he did ask the chief mate how they could be so foolish as to abandon their ship while they were fresh and healthy, and told him that an English ship was wrecked here on the Caabse coast, and that all the goods had been taken from it, and why he, the chief mate, had not also just conveyed all his goods to Marais; or whether he, the witness, himself did not, whether through connivance or by words or deeds, give occasion thereto. Article 11 If not, why did he, the witness, then say such a thing to a certain Marais at his place in the presence of the chief mate Schultz, the boatswain Cornelis Pieterse, the boatswain's mate Jens Velsen, and the quartermaster Jan Kermis: you can take what you can get from the goods of the ship that is stranded, but what belongs to the crew, that you must give to them, but all the other goods are lawful prize. Whereupon he answered, the best that I could get, I brought here, at the same time asking the prisoner whether everything was not now prize there on the beach, whereupon the prisoner had answered what he had found in the aforesaid legal opinions of the aforementioned advocates. Says no. Says, as on Article 3, when Marais and the cook rode with him. Says, not so, but as on Article 10. Says, it was not so at all, but rather of an English ship that Whether he, the prisoner, did not also utter there: it is a custom in the whole world 16 Whether he did not say there, in the presence of the aforementioned persons, to the inhabitants present on the beach: take whatever washes ashore, it is lawful prize, and the accountability that must be given for it, or whatever comes of it, I take upon myself. 25 Whether he, the witness, on a certain day did not ride to the beach from the place of Marais with a cook and the aforementioned mate. Whether he, in England or elsewhere when he was in Europe, has seen a ship or ships stranded. 6th was 14 Says, as before, which was wrecked on the Caabse coast, as on Article 12, that when a foreign ship is wrecked, the goods are prize, with further insistence: I have been in England and saw a Dutch ship stranded there, with which they acted just as I have said, and moreover stripped the rescued crew of their clothes. Article 17: Whether he, the prisoner, is not convinced in his conscience that such conduct is punishable in all countries. Says, since he, the prisoner, did not say that it is bad, he cannot be punishable, and if the people had done what he, the witness, said, they would have done well. Whether some of the country folk present on the beach had not complained to him, the prisoner, that the veldwagmeester did not want them to take away any of those goods, and whether he did not answer that it was not the business of the veldwagmeester to prevent such things. Says, not to the people, but did say to the veldwagmeester, as on Article 10; says further, not to know well whether the other people present there heard anything of the legal opinions of which he, the witness, spoke. Whether he, the witness, did not promise 18 follows Says no. to have taken all the goods into safekeeping with him, the prisoner. Says to have said so. Whether he, the prisoner, did not on that same evening, in the presence of the two aforementioned persons, repeat his words, adding: I wish I lived here, then I would know what to do. Whether he, the witness, did not also further utter: had I my wagon here, I would see who would want or dare to prevent me from transporting or taking away those goods. Says: [illegible], but that his aforementioned brother had let him, the witness, walk in the presence of the mate, and where Whether he, the prisoner, upon his arrival at the Caab, was not in the company of his brother Johannes van Reenen, where the aforementioned mate 22 25 Article 20 follows by saying: the business of the veldwagmeester is to bury the dead who wash ashore and to notify the Landdrost, but not to forbid the people to take anything away.
Dutch transcription
den rap:beet heeft, want hij een van de kisten bij Marais aan huys had willen ligten dog niet heeft kunnen ligten zeg:t nade r. van den bootsman gehoords te hebben, dat den opperstuurman, aan Marais een briefje gegeeven had en dat hij bootsman gehoord had, dat men na hem gesz: zou willen zoeken, dog dat hij moeste zien het briefje te krijgen, als don ontdekken zou dat de op„ perstuulman een slegt man is. - zegt niets als het geen de deenen genoomen hebben of hij get: zelfs dan wel zegt toen ik op strand ymand anders dit niet gekomen ben, heb ik heeft zoeken tegen te gaan alle de dooden, die beets alzo hem get: wel bewust zeedert negen daagen zal weesen, dat het weg daar geleegen hadden neemen der gestrande goe„ gevonden, en aan den dezen alle sints quaaden veldwagtmeester. bij de wetten verbooden is. - dienen als toen gevraagd warom dat zij die lijken niet begroeven, en dat het het grootste quaad is, zulke menschen van het wildgedeerte te laaten vernielen daar hij wagtmeester aan het strand en Vier en vyf dienen, die bij Marais aan huys waaren zulk ligt doen konde, die wagmeester g'antwoord had, zulx niet te kunnen doen, waar op hij get: gevraagd had, was of hij daar dan deede, denselven g'antwoord had„ „. 10 Of in zyn teegenswoordig heyd niet meest alle die qua„ deren zyn weggeraapt en vervoerd geworden Art=l 9 dat ƒ L zegt als op artl 10 dat hij op het goed paste, waar op hij get: weeder gesegt had, dat hy de dooden moest begraafen, en zyn zaak niet was, als een burger om op vreemde mans goed te passen, en dat hij get: en de advysen van de advoccaten Ploos van Amstel Lusac en Le Senne geleesen had„ dat als er een vreemd schip Strande en de eijgenaar het schip Verliet de Ingezeetenen omstreeks het naar huys konde bijden en alser naveraag na quam zig moesten meldenen dan voor hunne moeyte zoude betaald worden. — zegt zulx niet waar te zijn zo neen warom hij get: zulkx maar wel den opperstuur„ dan aan eene Marais op man gevraagd te hebben zin plaats in praesentie hoe zil: Ladwaas kon„ van den opperstuurman de zijn, hun schip te „schultz de bootsman Cor„ verlaaten terwijl zij nelis Pieterse den boote„ fris en gesond waaren mans maak Jens Velsen en aan hem gesegt, dat hier op de Jaabse kust en den quartiermeester Jan een Engels schip gestrand Kermis heeft gesegt, gij kunt neemen wat gy kryken kun was, en dat daar van al het goed weggenomen van de goederen van het schip was, en waron hij op„ dat gestrand is, maar wat perstuurman al zyn het volk behoord dat maert gij goed ook maar niet na hun geeven dog alle de overige Marais heeft gereeden, goederens zyn goede prys dan wel of hij get: zelfs niet het zij vog luykende of door woorden of daaden daar toe aanlijding heeft gegeeven Art: 11 waar 1 12 waar op denselven heeft g'antwoord, het beste wat ik heb kunnen krijgen heb ik hier na toe gebragt, vraagen„ den teffens aan den gev:, of aldaar niet aan het Strand nu alles prijs was, waar op den gev: g'antwoord had, het geen hij in de voorsz: advysen van de voorm advocaaten had gevonden. - Ligt nien Legt als op art= 3 wanneer Marais en kok met hem gereden zegt niet zo maar wel als op art:l 10 zigt in het geheel zo niet te zyn maar wel van een Engels schip die of hij gev: zig aldaar ook n heeft g'uyt Iek is in de ge¬ heele waereld een gebruy „ 16 of hij aldaar niet in pre„ sentie van gem persoonen aan de aan het strand zig bevonden hebbende Ingeseek„ nen heeft geseg neemd waker opgespoeld is, het 2 is goede prijs en de vorant„ woording die van te doen iss of die er van komt niem ik op mij „ 25 of hij get: op zeekeren dag van de plaats van Maraa als eene kook en den gem: „stuurman niet is gereeden na Strand of hij in Engeland of elders daar hij tn Europan is ge„ weest schip of scheepen heeft Zien Stranden 6de was ƒ „14 zegt als vooren die op de Caabse Rui gestrand is als op art:l 12. dat wanneer een vreemd schip Strand, de goederen prijs zyn, met verder aandrang ik ben ih Engeland geweest en heb daar een Holl:s schip zien standen, waar meede men gelijk ik gesegt heb, heeft: gehandelt, en boven dien het geborgene volk de kleederen uytgetrokken Art:l 17. of hij gev: niet in zijn ge„ zegt terwijl hij gev: niet gesegt heeft dat moed is overtuijgd, dat quaad is, hij niet straf„ diergelyke gedoente in waardig zijn kan, en zo alle landen strafbaar is de menschen gedaan hadden hyt geen hij get: gesegt herft wel gedaan te zullen hebben of niet eenige der opstrand zeg aan de Menschen zijnde landlieden aan hem niet maar wel aan den gev: geklaagd hadden, dat veldwagmeester als op artl 10 gesegt te hebben de veldwagmeester niet wilde hebben, dat zij eenige zigt nader niet wel te weeten of de andere al„ dier goederen zonden weg„ daar aan weesende naamen en of hij daar niet Menschen van d' advijsen op heft g'antwoord, dat daar hij get: van ge¬ het de zaat van de veld sprooken heeft iets wagmeester niet war gehoord te hebben. - zulx te beletten of hij get: niet heeft ver„ „18 volgt 1 - 2 45 zigt neen ^alhet goed als dan bij hem gev: in bewaar„ ring te zullen hebben genoomen.- zegt Ion gesegt te hebben of hij gev: niet op dien zilf„ den avond in teegens woor„ digheijd van de boven beide gen: persoonen zyne beeden heeft vervat met byvoeging ik wenschte wel hier te woo„ nen dan zouik weeten wat ik te doen L Of hij get: ook niet verder heelt g'uit, had ik myn wagen naar hier ik zou eens zien, wie mij het ver¬ voeren of wegnamen dier goederen wil of durfde beletten Leg=t men: waaer dat of hij gev: bij zijn te Eug„ zyn ged: broeder hem komst aan de Caab niet is get in presentie van geweest in gezeldschap bij den stuurman had zyn broeder Johannes van laaten loopen, en alwaar te Beenen alwaar gem: stuur „ 22 „ 25 Artl 20 volgt met te zeggen de veld„ Ragmeester zijn zaak is ter be„ de opgespoelde dooden graaven en de Landdrost kennis te geeven, maar niet om de Menschen te Verbieden ie te weg te neemen mar A N
English
Says yes. Explains to her what he, the deponent, persuaded the mate to do and set him at ease about, which he is said to have said about the said man, as contrary to what he, the interrogated party, had said on the beach, as set down herebefore. Says never to have thought such a thing, much less to have said it; but indeed that he, the deponent, and his people would write to Europe how he, the mate, had conducted himself here. he, the interrogated party, had said to have from the aforementioned advices. Whether he, the interrogated party, had also not been to the place of the widow Wyssel Wessels and told her that from stranded foreign 25 Whether he, the deponent, had not furthermore added thereto: And in any case one neither dares nor can do anything to me on that account, I may give 250 rixdollars, that would be the sum, and then I would still like to know what my father would write to Europe. 24 Article 23 Whether he, the deponent, had not answered at that time: I did not say it that way, and even if I had said it, they should not have done what I said. man had suffered his accident. ships then not 1 Says no, but indeed to have spoken of the advices. Whether he, the deponent, had not also said that a placcaat had come from Holland whereby the taking of a foreign ship was permitted. Whether he, the deponent, is not convinced in his conscience that this greed and undesirable conduct committed at the stranding of the Danish ship Nicobar is punishable in the highest degree. 28 And that the same punishments also Says to have said nothing evil, apply to those who gave counsel or occasion and to be convinced in his conscience thereto. to have done no evil, for he did not even lay a hand or a finger on a single piece. What he, the interrogated party, knows to present for his defense. Says that he said nothing with the intention of giving them occasion to take or enrich themselves with the goods, and even at the distress says to have seen nothing there that was looted, except that which the Danes themselves took away. 2 Article 26 ships one may freely take away the goods. the 29 he prefer to have given five ducatoons out of his, the interrogated party's, pocket to the Danes. Thus questioned and answered, and having been read out again to the interrogated party, the same declared to persist therein, at the Cape of Good Hope, the 14th of February 1784, before the Honorable Oloff Godlieb de Wet and Johannes Karnspek, members of the Honorable Court of Justice aforesaid, who have duly signed the original of this along with the questioned party and me, the sworn clerk. Below was written: To which I testify, was signed: H. L. Bletterman, sworn clerk. Below that: Agrees, was signed: B. J. V. A. Riet, sworn clerk. Agrees. Underneath was written: Answer prepared and submitted to the Honorable President and Honorable Court of this government by and on behalf of the undersigned Daniel Verwey, as general proxy of the Commander of the Swellendam Invalids, Johannes Jacob van Reenen, defendant of the one part, against the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, J. Daniel van Rijneveld, Officer Demandant of the other part. Honorable Gentlemen of the Court. Since the case which the said proxy has to conclude today is nothing but very difficult, he has resolved, in defending the same, to proceed in such a manner that on the one hand he will try to avoid all just reasons for personal insults which the Officer Demandant has employed, and at the same time on the other hand present the means of defense with arguments based on grounds and laws, as befits a resolute man who has taken the case upon himself and treated the same according to honor and duty. However much the said proxy does not intend to occupy your Honors with these and similar useless and odious expressions which ought not to be introduced into this suit, the proxy will have the honor to say that whereas the Officer Demandant alleges in his accusation that the principal defendant, not being within the terms of the law or order of our authorities, or having transgressed against them by bad counsel of beach robbery and the like, has been wrongfully and unjustly prosecuted by the Officer Demandant; and therefore it must come into consideration in this matter that the Officer Demandant acts toward the decreed forfeiture of the demanded fine and the loss of the defendant's office, as well as being declared disqualified, and matters of provision to the profit of the Officer Demandant, wherein according to law it is required and established that the proofs must be so clear and evident that not the slightest doubt may be found therein. Since this is so certain according to law, the said proxy, in defending his case, will not take it upon himself to prove the contrary of that which the Officer Demandant is bound by law to do on his part, and which defect alone can be sufficient for the dismissal of the instituted action. Imploring your Honors' particular attention to all of which, the said proxy will proceed to show that the request made by the Officer Demandant, tending to the decree of a fine of five hundred rixdollars to his profit, as well as your Honors' declaratory judgment regarding the forfeiture of the said office with disqualification so far as the principal defendant still holds it, ought to be dismissed with condemnation in costs, and the principal defendant to be absolved from all actions. Thus the defendant in defending the same will follow the Officer Demandant step by step, and consequently keep the order as observed in the demand of the Officer Demandant, pursuant to which the said defendant must then naturally restrict himself to these two principal points: first, from the law from which the Officer Demandant acts, and second, to the accusation formed by the Officer Demandant. Regarding the law, the Officer Demandant says at the premise of his demand that an advisor to a villainous act is more guilty than one who merely commits a villainous act.
Dutch transcription
Zigt Ia Legt aan haar het geene hij get: den Stuurman te beede heeft gesteld over haald. e het geen hij van den gew: zom hebben gesegt als contrarieerende het geen hij gev: aan het strand geseg had, zo als hier voren is ter needer gesteld.- Logt zulx nooyt gedagt veel minder gesegt te hebben; maar wel dat hij get: en de zine naar buropa zoude schrijven hoe hij stuur„ man alhier zig gedraan gen had. — hij gev: uijt de voorsz: adwysen had gesegt te hebben of hij gev: ook niet is ge„ weest op de plaats van de Wede: Wyssel Wessels en aan haar gesegt dat men van gestrande vreemde „ 25 of hij get: niet nog ver„ volgens daar heeft bijge voogd, En in allen gevalle durff nog kan men mij diesweegens niet dozen 1k mag 256: xd:s geeven dat zoude te tal zijn en dan zoude ik nog wil weeten wat myn vader naar En ropen zouden schrijven „ 24 Art: 23 of hij get: als toen niet heeft g'antwoord, zo heb ik het niet gesegt en al had ik het gesegd, dan moeste zij niet doen wat ik zeyden man zyn ongeval had ver„ Scheepen b dan niet 1 Ligt neen maar wel van de advysen gesproo„ ken te hebben of hij get: al meede niet heeft gesegt, dat er een plac„ caat uit Holland gekomen was, waar bij het baapen van een vreemd schip ge¬ permitteerd word. of hij get: niet in zine gemoet is overtuigd, dat die hoof„ zug en ontwenschte han del wyze bij het Stranden van het deensch schip Ni„ cobar gepleegt ten hoogsten straf waardig is. „ 28 En dat deselve Straffen ook zigt niets quaads gesegt plaats vind in die geene te hebben, en in gemoe„ die daar toe baad of aan¬ de overtuygd te zijn leijding heeft gegeeven geen quaad gedaan te hebben, want zelfs geen hand of vinger aan een stuk gelegt te hebben wat hij gev: tot zyn ver„ zigt dat hij niets gesegt schooning weet in te ben heeft met opseb on hun aanleijding te gez d geeven tot het booven of verrijken der goederen, en zelfs aan de noodlig zegt daar niets gezien te hebben, dat gerooft is, als het geene de deenen zelvs weggenoo„ men hebben. - „ 2 Art=l 26 scheepen de goederen vrij mag weg neemen den ƒ x 29 di MLorak Eellever dinder deenen vyf ducatonnen uygt zyn gev: zak te hebben gegeeven. — Aldus gevraagd en b'antwoord mits„ gad: den gev: weederom voorgeleesen zynde heeft denselven betuygd, daar bij te blijven persisteeren, aan Cabo de goede Hoop den 14 Febr: 1784 voor A: E: E: Oloff Godlieb de Wet en Iohannes Karn„ spek Leeden Uit den E: agtb: Raad van Sustitie voormt, die de minute deeses beneevens den gevraagde ende mij gesw: Clercq meede behoorlyk hebben onderteekend. /:lager:/ 'T welk ik ge„ tuijge /was geteekend:/ H: L: Bekterman gesw: Clercq /:daar onder:/ accordeert/ =geteekend :/ B: I: V: A: Riet gesw: Clercq. — Accordeert. — /:onderstond:/ - ƒ Antwoord gedaan maken en overgegeeven aan de Edele Agtb„ Heer praesident en Edele Agtb: geregte deses gouvernements door ende van weegens den onder„ „get: Daniel verwij als generale gemagtigde van den Commandant der Zwellendamse invalides, J:s Iacob van Reenen verweerder ter eenre Contra den Landdrost van Stellenbosch en Drakenstein I: Daniel Van Rijneveld E: C: Eijsschen ten andere zijde Edele Agtb: Heeren van het Gerechte. Daar de Zaak die de qq ged: heeden af te doen staat niet dan zeer moeijelijk is, heeft hij zig voor genomen, in't deffendeeren derselve zo te werk te gaan, dat hij aan de eene zijde alle billijken reeden van personeele beleedigingen waarvan den E: O: Eijsscher bediend heeft zal vragten te vermijden en teffens aan de andere zijde de middelen ter verweerin„ „ge aanvoeren met betogingen op gronden en wetten zo als een Cordaat Man die de zaak op zig heeft genomen en deselve na eer en pligt behandeld past„ dan hoe zeer de qq ged: niet voornemens is, om UE: Agtb: toccupeeren met deze en diergelijke onnutten en odieuse expressies welke tot dit geding niet behoren aangevoerd te worden. zal de q9 de Eer hebben te zeggen dat alwaar de r:O Eijsschen in syn accusatie voorgeeft, dat de Hp:lo get: in de termen van de wet of ordre van onze overigheid niet verseerende of daarteegens hebbende gezondigd met kwade aanrading van Strand roof en dier vrijen door door den E: O: Eijss: kwalijk en te onregte is g'actioneert, En daarvoor de ten desen in Consideratie moet komen, dat den E: O: Eijss:r ageent tot decretement van de g'Eijschten boete en verbeurte van des ged: qualiteit mitsg:s voor inhabil verklaard te worden en materien van provisie ten profijte van den E: O: Eijss:r Waarin na rechten vereischt word en zeeker staat dat den bewijzen zo klaar en duidelijk moeten zijn, dat daar in geen de allerminsten twiffel vermag gevonden te worden. daar dit dan na rechten zo zeeker is, zal den q9 ged: in't diffendeeren zijner zaak niet op zig neemen ter contrarie te bewijzen van het geene den R: O: Eijss: na rechten gehouden is, sijner zijds, te moeten doen en welk gebrek alleenlijk tot ontzegging der g'entameerde actie genoeg kan zijn. Op al het welk UwEd: Agtb: attentie bijzonder „lijk imploreerende zal den 49: Ged: over gaan om te vertonen dat het versoek van den r: O: Eijff: gedaan en tendeerende dat decretement van een boeten van Viff Hondert Rijxd ten profijten van hem als mede uw Ed: Agtb: declaratoir nopens de verbeurten van 't ged: qualiteit met inhabiel„ verklaring voor zo verre hij p:l ged: nog bezit„ tende behoord te werden ontregt met Condemnatie in de kosten en de pp:lo ged: te absolveeren van allen actien dus zal de verweerder in't desfendeeren derselve den E: O: Eijss:r op de voet volgen en mitsdien de ordre houden als bij Eijsch van den E: d: Eijss:r is g'observeert wiensvolgende den 99 verweerder zig dan natuurlij „ker wijze moet bepalen tot dese tweee voornamen poincten als ten eersten uit de wet waaruit de E:O: Eyss:r ageert en ten tweeden, tot de beschuldiging door den p: O: Eyss:r geformeert. Omtrend de wet zegt den r0. ypp: bij de permiss Van sijn Eijsch, dat een raadgeever tot een schelmstuk meer schuld heeft dan die slegh een te pleegen schelm Stuk
English
does not prevent, especially if the execution followed upon the counsel. Citing in addition as an argument Article 175 of the Criminal Code of Emperor Charles the Fifth, which, after many disputes of the Roman and then existing legal scholars who commented on that subject, holds to its provisions that if anyone essentially and with an evil, obstinate intent shall give any aid, assistance, or counsel, or whatever name such may have, to a criminal for the execution of a crime, they shall be punished corporally for it, yet according to the particular nature of the cases, in so far as such crimes are to be applied to the principal defendant. From this presentation, verbatim containing the allowance of the Honorable Officer Plaintiff's claim, it will have been immediately apparent to Your Honorable Worships that the drafter of the claim saw fit to present the law somewhat mutilated, which is why, for a better understanding of that law, it will indeed be worthwhile to examine it and determine it to apply to those who have actually committed crimes and gave violent counsel and deed thereto, where no crime had yet been committed, and a good order, as the Honorable Officer Plaintiff alleges, dispatched to the sergeant Jacobus Gorie present there, could notoriously not constitute evil counsel and deed by the principal defendant; the contrary is seen, that there were no orders yet from the Government or the Officer Plaintiff, and even if there had been, were they not submitted with the claim accompanied by valid evidence: firstly, that when the principal defendant allegedly said to the aforementioned field sergeant, you may freely cart away the goods, and that indeed against the order of the government which represents the Drost in the countryside, the repeatedly cited field commander would certainly have presented his contrary orders from the Honorable Officer Plaintiff to the principal defendant. Ergo, it follows from the reasons that the accusations of the Officer Plaintiff are false, and completely torn out of context, now by concealing the true circumstances, then again by violating the truth. In order to proceed to the examination of the applied law of the Honorable Officer Plaintiff: firstly, what were the moving reasons for establishing such laws and to which persons the same pertained; secondly, what was commanded or forbidden regarding those persons, or rather what actually is the evil that, according to the purpose of the Roman legislator, had to be curbed and averted thereby. The qualified defendant considers above all that he must dwell upon these two main points, because only after their examination and determination can it properly appear whether he, the defendant, finds himself within the terms of that same law, and whether the principal defendant has made himself guilty in any respects of crimes or offenses of such rogue counsel against the order of the authorities and thus would have incurred the punishment established thereon; as for the moving reasons or inducement for making the cited law of the Roman legislator and the persons to whom it was made applicable, it is publicly known, as is understandable from the words of the law, where the law states: if anyone essentially and with an evil intent gives assistance or counsel and deed, etc., to a criminal for the execution of any crime, they shall be punished corporally, yet according to the distinction of the matters; it deserves singular attention that such a law is applied to the principal defendant, where there was no law or order, much less spoken to anyone else than to the honorable Wessel Wessels at her place, who was about to drive to the beach thither and asked her, where is your journey going to, which she made known to the principal defendant, whereupon the principal defendant warned her that they could indeed freely collect the washed-up goods, but had to declare it; does this now appear to be anything other than the true intention of our authorities, that the goods shall be preserved for the care of those to whom they belong. Has the intention of the citizen Cornelis Johannes Jacobus Tesselaar then been different, who came driving onto the beach and asked the people what they were doing, to which it was answered that they were carting away the washed-up goods according to the statement of the principal defendant that we may freely do so, to which the cited Tesselaar replied, yes, but you must declare it; if the repeatedly cited Tesselaar now also knew of the orders which the Honorable Officer Plaintiff dispatched so early to the Commander to maintain good order, then he would be even more punishable than the principal defendant, whereas he immediately carted away goods for their salvage; wherefore it is then furthermore very remarkable that, although the Honorable Officer Plaintiff is very well aware and informed of the motives of the Roman legislator, as appears through the introduction and opening of his trial documents, despite the express designation of the Roman legislator appearing as to whom and what persons the same shall be executed upon, one nevertheless leaves that designation out of the quoted words of that legislator in the claim and, as the qualified defendant believes, intentionally conceals it. The qualified defendant repeats, intentionally concealed, because it appears that this was necessary on the part of the Honorable Officer Plaintiff in order to disguise the purpose of the legislator, and to make it appear as if the Roman legislator was at that time contemplating matters to which one now, in order to make good an unfounded action, wishes to have recourse with an improper application. Reasons, Honorable Worshipful Gentlemen, which are not in the very least applicable to the conduct of the
Dutch transcription
stuk niet verhindert voornamentlijk zo de uitvoe„ „ring op de raad gevolgd is. daarbij aanhalende tot argument het 175 Art: van de Crimineelen hals ordonnantie van Kijzer Carel de vijfde hetwelk na veele dispunten der romainschen en toen ter tijd aanweesende rechtsgeleerden die over dat Sujet hebben gecommentarieert tot sijn voorschriften, indien ijmand een misdadiger tot de uitvoering van een misdaad weesentlijk en met een kwaad opstinaat op zet eenig hulp bijstand, off raad off wat naam zulx mag hebben helften zal, daarover aan den Lijve gestraft worden, dog na inzonderheid der gevallen in zo verre dat zodanige misdaden op den pp:l ged: te appliceeren zij uit desen voordragt woordelijk vervattende de permissie van den E: O: Eijss:r Eijsch zal het aan UwelEde Agtb: al direct gebleeken zijn, dat het den insteller van den Eijsch heeft goedgedagt, de wet eenigzints, verminkt voor te stellen, waarom dan tot beter verstand van die wet wel de moeiten waardig zal zijn te onderzoeken en die te bepalen op zodanigen die dadelijk misdaden begaan hebben. en daar aan met geweld raad en daad gegeeven heeft, daar nog geen misdaad gepleegd was, en een goede ordre /:zo als den E: O: Eijss:r het voorgeeft:/ aan de aldaar zynde wagtmeesters Iacobus Gorie afgevaardigt konde notoir geen kwade Raad en daad plaatsvinden, van den p:l ged:e, het Contrarie ziet men, dat 'er geene ordres nog van de Regeering of den r: dEijss:r geweest zijn, en zo deselve al geweest was, waren deselve bij den Eijsch dan niet overgelegd met valable bewijzen: - le dat doen den pp: ged: tegens de voorm: veld, wagtmeester zoute gezegd hebben, gij kunt den goederen vrij weg rijden, en dat wel teegens de ordre der regeering dewelke den Drost ten platten Landen e praesenteert zo zoude gewisselijk de meer geciteerde veld Commandant syne Contrarie ordres van den r: O: Eijss:r de pp=le ged: voorgelegd hebben. — Erge zo vloeit uit de reedenen dat de accusatien van den r: O: Eijss:r valsch is, en gantsch uit sijn verband gerukt ioneert. et an gerukt is, eens met verzwijginge der ware omstandig „heeden, dan weederom met verkragtiging der waarheid. — omme tot onderzoek van de aangewende Wet van den E: O: Eijss.:r toe te treeden stens ten welke de beweegende reedenen zijn geweest tot het doen vaststellen van zodanige wetten en op welke Perzonen hetzelve is betrekkelijk geweest dens 2=„a wat omtrend die Perzonen bevolen o/ verboden of wel eigentlijk het quaad zij dat na het oogmerk van den Romamschen wetgeever dan daardoor moesten beteugeld ende geweert worden— den q9 ged: oordeeld vooral dat hij bij deese Twee hoofdpoincten moet stilstaan, om dat na het onderzoek en bepalinge derselve, dan eerst regt kan„ blijken, of hij verweerder zig bevind in de termen„ van deselve wet en off den p:l ged: in eenige opzichten zig aan misdaden off misdrijven van zodanige schelmsche raadgeening teegens de ordre van de overig„ „heid heeft schuldig gemaakt en dus g'incurreert zoude hebben de straffe daarop gestatueert; wat dan betreft de beweeg reedenen of aanleiding tot het maken der aangevoerde wet van den komijnsche„ wetgeever en de perzonen waarop deselve betrekken „lijk gemaakt, zo is alomme bekend, gelijk uit de woorden van de wet vatbaar is, daar de wet spreekt indien ijmand een misdadiger tot de uitvoering van eenig misdaad, weesentlijk en met een kwaad op zet bijstand of raad en daad enz: zal aan den Lijve gestraft worden dog naonderscheid der zaken, dat verdiend zonderlinge opmerking dat zodanige wet g'appliceert werd op den pp:l Ged: daar er geen wet of ordre was, nog veel minder teegen ymand anders gesproken als tegen de weld: wessel wessels op haar plaats, die derwaards stond na het strand te rijden en haar vraagden waar gaat uwe reis zo natoe, dewelke zij den pp=l ged: te kennen gaff en waarop den pp=le verweerder„ haar waarschouwde dat ze wel vrij goederen konden ophalen op halen van de opgespoelde goederen, maar moest het aangeeven blijkt dit nu anders te weesen als de ware intentie van onze overigheid die wel tot zorgdraginge van die geene die het toebehoord de goederen bewaard zullen worden. Is de intentie van den burger Cornel Joh:s Iacobus Tesselaar dan anders is geweest, die op Strand is komen rijden en gevraagd aan de Luiden wat ze maakten, waarop geantwoord wierd, de opgespoelde goederen weg te zijden volgens gezegde van den pp:l ged: dat wij het vrij doenen mogen, waarop geciteerde Tesselaar, repliceerde Ia maar gij moet het aangeeven, heeft tmeer geciteerde Tesselaar nu ook van de ordres geweeten, welke den E: O: Eijssr zo vroegtijdig afge„ Vaardigt heeft aan den Commandant om een goede ordre te houden dan zoude hij nog strafbaarde weesen als de pp:lo ged:e Terwijl hij dadeijk goederen heeft weg gereeden tot berging derselve waarom het dan al verder zeer opmerkzaam is, dat alhoewel den E: O: Eijss:r van de motiven des roomschen wetgeever zeer wel bewust en kundig is, als schijnt door de aanvoeringe en entameeringen syner proces stukken niet teegenstaande de uitge„ „drukten benaming van de roomsche wetgeever voort, „komende op wien en wat personen deselve volbragt zal worden, men nochtans bij Eijsch die benoeming uit de aangehaalde woorden van dien wetgeeven uitlaat en zo den 99 verweerder gelooft met opzet verzwijgd. — den 99 verweerder herzegt met opzet ver„ „zuijgd om dat het voorkomt dan men zulx aan de zijde van den E: O: Eijss:r nodig had, ten einde om het oogmerk van de wetgeever te verbloemen, en het zo te doen voorkomen als off de roomse wetgeever toenmaals bedagt zij geweest op zaken waartoe men thans om een ongegronde actie goed te maken een toevlugt met een verkeerde apropos wil neemen. reedenen Edele Agtb: Heeren die in het aller, minste niet t'appliceeren zijn op het gedrag van den andig
English
Principal Defendant, with the citation and deliberate concealment of that law of Charles the Fifth, for it is possible to determine upon whom the Roman legislator determined such, since the Romans at that time were slaves and were deprived of their natural and original rights. The 99th defendant believes, however, that if one consults sound reason and equity, one cannot give a definition to the crime of evil counsel leading to beach robbery and thievery. Namely, if one takes the word counsel in a punishable sense, nothing else can be understood by it than the ridiculing and disparaging of persons by presenting their good counsel and honest dealings in a ridiculous light and thereby making those persons themselves contemptible, or by distorting the same, or finally by defaming them through untruthful representations, not only to deprive them of their good reputation and blacken them, and this with premeditated counsel and in bad faith cum dolo, as is evident regarding all offenses under common law, that the same cannot be understood to take place sine dolo, that is without an actual intent to harm, as can be seen in § 8: Instit: de obligationibus quae ex delicto Lib: 4, § 7 ff de furtis Lib 53 eodem, and particularly the L 47 § ad Legem Corneliam de sicariis. Wherefore Huber in his Contemporary Jurisprudence second volume book 6 chapter 1 says, facts alone without intent and evil purpose do not constitute a crime. And Mattheus on Crimes and its Introduction first section 82. This now particularly applies to all crimes, among which notoriously belongs the crime which the Officer Plaintiff wrongfully seeks to impute to the Principal Defendant having committed regarding the matter in question. Whereupon one may see Carpzovius in his treatise on Capital Crimes chapters 8 and 9 § 2 and 3 and the laws cited by him there, as well as the just-mentioned Mattheus on Crimes Book 47 Title 4 Chapter 1 § 7, coming down to the fact that deceit, intent, and evil purpose constitute the crime of all evil, and that without the same the crime is not committed. And truly, the accusation in the demand used by the Officer regarding the laws of Emperor Charles the Fifth cannot and may not be understood in any other sense than when such occurs with an evil intent through actual execution of the crime with counsel and deed, which is why the Roman legislator then enacted such, for the legislator declares to conclude from this. If this is so, it must naturally follow therefrom that such a law cannot be applied to the Principal Defendant through the counsel and deed given by the Defendant on the beach, while there was no order on the beach near the stranded ship and stranded goods, at least having heard nothing of it, that taking the goods away freely provided it is declared is a crime, while the Principal Defendant first obtained such in the opinion of Ploos van Amstel and C: W: Dekker and found it from Monsieur Lusac and Master le Jeune. That the Officer Plaintiff has cited this on account of the two aforementioned opinions, which by a thousand consequences cannot be held as valid, the 44th defendant admits, since such arose from a lawsuit of provisional payment with the former Honorable Independent Fiscal Boers and Jan Smith Jurriaansz, caused by way of agreement, transaction, composition, or redemption of such criminal actions and pursuits as the aforesaid Fiscal Boers maintained pertained to him as Officer Plaintiff against Smith aforesaid regarding the cited Smith's charged alleged crime of beach robbery, public violence, as well as abuse of an assumed authority and disrespect of Justice. That not only the cited advocate gentlemen advised there, but even the faculty of the city of Leiden, which matters most to expose the conduct of the frequently mentioned Smith to the judgment of the entirely equitable public. The 99th defendant admits to the party that such is not acceptable by a thousand consequences of matters, then the Officer Plaintiff will also grant the 99th defendant that this is a definition, while the same lawsuit of the said Fiscal Boers for provisional payment flowed from beach robbery, of which he also accused the frequently mentioned Smith, that the well-founded arguments inserted by the aforesaid advocate gentlemen in their opinions will have demonstrated what beach robbery and public violence are, and what one is obliged to do in such cases of shipwrecks, as was literally stated by the Principal Defendant to the widow Wessel Wessels, that those living on the beach were indeed allowed to drive the goods, but they had to declare them, after which the Principal Defendant having said such, Johannes Jacobus Hesselaar likewise also arrived at the beach and warned the people accordingly, and not only warned the people, indeed even what is more, had some loads of the washed-up goods driven away from the beach and declared them upon his arrival there to the Burgher Orphan Master Hendrik Justinus de Wet as Commissioner of the Danish Nation, which goods were sold by the already mentioned de Wet to the said Tesselaar. What will one say now, that the said Hesselaar is just as guilty as the Defendant, not only through evil counsel
Dutch transcription
pp:r Ged: met aanvoeringe en opzettelijke verzwijging dier wet van Carel de vijfde, dan het is mogelijke te bepalen dat op wien de roomse welgeever zulx bepaald heeft, daar de romainen in dien tijd slaven waren en van hare natuurlijke en oorspronkelij ke recht ontstoken waren. — den 99 verweerder gelooft nochtans dat als men met de gezonden reeden en billykheid raad, pleegd men aan de misdaad van quade raad geen „ving tot Drandroossen diverij eene bepaling kan geeven Namentlijk als men het woond raad in eene sthrafbare zin opneemd, zo zal daar door niets anders kunnen verstaan dan het bespottelijk en veragtelijk maken van perzonen door kunnen goede raad en eerlijke handelinge in een bespot„ „telijk ligt voor te stellen en eene daardoor die perzonen zelve veragtelijk te maken, of door dezelve te verdraaijen off eindelijk door onwaarag „tige voorstellingen dezelve te bekladden niet alleen maar van Eeven Faam te beroven en zwart temaken, en dit met voorbedagte raden ter Reader trouwe Cum dolus gelijk het omtrend alle delicten naar algemeene rechten kannelijk is, dat deselve niet konnen worden begreepen plaats te hebben ten fine dolo dat is zonder een dadelijk op zet om te zodigen zo als te zien is §8: instit: de obegque ex de licto Lib: 4, 8 S: 7ff de furtis Lib 53„ efeod en bijzonder de L47 sad ILigem Corneliam de secarus Waarom Rubel in sijn reedendaagse rechtsgeleerd„ heid tweede deel 16o ek Cap 1 Zegt feiten nog thans alleen zonder opzet enboos voorneemen maken geen misdaad En mattheus over de misdaad en desselfs inlij„ „ding eerste afd: 82. dit heeft nu bijzonder plaats over allen misdaden waar onder notoir behoord de misdaad die e le die de r: O: Eijss:r ten onregte den pp: Ged: zoekt aan wrijven begaan te hebben, over de saak in questie Waarover men zien kan Carpsavrues in sijn verhandeling der Lijfsthaffelijke misdaden hoofds: 8 en 987. 2 en 3 ende wetten door hem alhaar aangehaald als mede de zo evengem: Mattheus over de misdaden Leb 47. Tit 4 Cap: 1 § 7 daarop nederkomende dat List opzet en boos voorneemen de misdaad van alle quaad uitmaken en dat buiten deselve de misdaad niet werd begaan. — 9 En waarlijk dat de accusatie bij de Eijsch door den E: Olijff gebeezigt over de wetten van Kijzer Carel de vijfde in geen andere zin kunnen of mogen werden opgevat dan wanneer zulx met een kwade op zet geschied door weesentlijke uitvoering der middaad met raad en daad waarom de roomsche wetgeever zulx dan heeft gestatueert, want dit verklaard de wetgeeven uit zulx te willen sluiten, Is dit zo, dan zal daaruit van zelfs moeten voortvloeijen, dat zodanige wet op den p:l ged: niet kan g'appliceerd werden, door de raad en daad van de ged: aan de band gegeeven, terwijl 'er geen ordre op strand bij 't gestrand schip en gestrand goed was, ten minste 'er niet van gehoord heeft, dat zijd de goederen vrij weg maar geeft het aan eene misgaad zij terwijl de pp:l ged:s/ zulx in het advis van ploos van Amstel en C: W: Dekker eerst ingewonnen en van mons: Lusac en M:r le jeune gevonden heeft. dat den E: O: Eijss:r zulx aan heeft gevoert Van weegens de Twee voor gementioneerde advisen, dat dit bij duijzend Consequenties Voor geen roet kan gehouden worden, stemd den 44 „ verweerder toe vermits zulx is voortgesproten uit een proces van namptissement met de geweese Heer Independent Fiscaal Boers en Jan Smith Iurriaansz veroorzaakt bij wijze van accoord transactie Compositie of redemptie Van van zodanige Crimiheele actiën en pour suiles als de voorsz: Heer fiscaal boets sustineerde hem als r: O: Eijss:r tegens Smit voorm: te Competee„ „ren ter zake van geciteerde Smith ten lasten gelegden praetense misdaad van Strandnoof publiq gemeld mitsg:s misbruik maken van eene gearrogeerde authoriteit en het Respect der Iustitie dat niet alleen voor geciteerde Heeren advocaten daar gadviseert hebben, maar zelfs defaculteit der stad Leiden daar het meest op aan komt om het gedrag van meerm: Smith aan het oordeel van't geheel Equitabel publicq te exponeeren stemd den 99 verweerder aan de party het toe dat zulx bij duijzend Consequenties van zaken niet aanneemelijk is, dan zal den E0: Eijss:r den 99 verweerder ook toestaan dat dit een bepalinge is terwijl hetzelve proces van gem: Deel Fiscaal Boers tot namptissement voortgevloeid is uit strand roof daar hij Smith meerm: mede betigt heeft dat de gegronde argumenten door de voorm: Heeren advocaten bij derselver advisen g'insereerd zullen hebben aangetoond wat strandroof en publicq geweld is, en wat ijmand verpligt is bij diergelijke gevallen van scheepen stranden te doen staat zo als het woordelijk vervat geworden is van den pp:l ged: teegens de weede: wessel wessels dat die geene op strand wonende de goederen wel mogten rijden maar zij moesten het aangeeven hetwelk nadat den pp:l ged:e zulx heeft gezegd, is Iohannes Iacobus Hesselaar insgelijx mede aanstrand gekomen, en de luiden alzo gewaarschouwd en niet alleen de Luijden gewaarschouwd ja zelfs wat meer is, eenige vragten van de aangespoelde goe„ deren daarvan de strand laten weg rijden en aan den burger weesmeester Hendrik Justinus de wet als Commissaris der deensche Natie bij syn aankomst aldaar aangegeeven dewelke door reeds gez: dewet aan gem: Tesselaar verkogt is. — wat zal men nu zeggen dat gem: Hesselaar also wel als de ged: schuldig is, niet alleen door Kwaa raad
English
advice and abetment of crimes, to give the criminals cause to execute them, as the aforementioned Roman lawgiver cited by the Honorable Officer Claimant implies, but would even directly have committed beach robbery, it would have been somewhat ill-considered of our high superiors in the Fatherland if the intention of the Roman lawgiver were to apply to this existing case, which by placards and laws contrary to the ordinances of the Roman lawgiver, those who introduced such placards have declared, as the Honorable Officer Claimant wishes to knock the bottom out with a single blow. One sees in this regard Bataviasche Arcadia pages 296 and 297, empirical teacher of the Placard of the year 1574, and by that explicit Placard provision is fully made in this matter for the inhabitants, as can be seen in the Placard of the flotsam added to the charters of Amsterdam page mihi 192, containing that one shall take possession of and preserve the flotsam and jetsam found for the benefit of the rightful owner for a reasonable salvage fee, without anyone else being allowed to seize it or salvage it for his own needs and turn it to his own use. In which manner the High Council of Holland in the year 1599 commanded the inhabitants of the island of Terschelling, who had brought the grains from a stranded ship first to land and thereupon each into his own house, however much the skipper protested against it, entirely under the direction of the Court. And since, according to the regulations which were issued regarding goods found on the beach, they appeared publicly punishable because they had stored the goods not in a public place but in private places without witnesses, the Council ordered that the documents of the trial of the Fiscal should be presented and that one should proceed criminally against those who had not observed the order. Namely, to salvage the washed-up flotsam for the benefit of the owner. What else does this mean, then, when the principal defendant advised those people to cart away the goods and report them? Is this advice-giving then contrary to the true intention of the lawgiver? Did the principal defendant then, by virtue of the repeatedly cited legal opinions, give that advice to cart away the goods and report them, while he knew of no other orders of the authorities, or by virtue of the cited placards of our lawful Authority affirmed in their placards? The representative defendant does not believe that anyone will harbor such low thoughts that public persons, as the said gentlemen advocates are, would not allege such laws and ordinances emanating from the States General in such cases as they have already done in the opinions, bringing them to the light of day by twisting words. Meanwhile, the representative defendant cannot refrain from having to make a reflection on the words of the Honorable Officer Claimant with the mark of NB, that the principal defendant told the field commander that it was no citizen matter to keep guard over foreign ship goods. Secondly, that the Honorable Officer Claimant poses so mockingly, with contempt, that the principal defendant presumes to understand the laws and customs of the land. The representative defendant will, with a single stroke and in passing, touch upon with a finger and remark on these two ridiculous points. It appears as if the Honorable Officer Claimant in the first point imputes it to the principal defendant as a crime that it was no citizen matter to keep watch to look after stranded goods. No, says the representative defendant, those are not citizen matters, to keep such guards, much less to undertake land expeditions, as long as it does not proceed from their own motives. The same would be to the mockery of the whole world, more of such institutions or of those who consent to it. The soldiers are there for that, who enjoy their pay from the High Authority for their service. Just as the representative defendant has seen the conduct on a certain occasion in Texel and on the Helder upon the stranding of sixteen ships, of the sheriff and bailiff and the collection of goods by the inhabitants there, this conduct of the Honorable Officer Claimant, respectfully speaking, is entirely contrary to the beneficial purpose of our lawful authority in the Fatherland, which wills that the washed-up goods of sunken and stranded ships shall be collected and preserved for the benefit of the owners, and not left as prey upon the beach to ensnare this person or that who might help themselves to it. Just as the true intention of the principal defendant was nothing other than to have the goods of the Danish nation carted away and reported, it appears differently from the true circumstances, since this advice was given not for self-interest but for the benefit of those to whom it belonged. Whereby it also comes into consideration that this advising regarding those goods could very well happen sine animo furandi, and the principal defendant is no vagrant or unknown scoundrel, but being a good citizen, possessed of house and home here, standing in good name and fame, on which account no crime can be presumed here, much less such a grave crime as the accusation of incitement to beach robbery and thievery, according to the well-known rule quod semper ea capiatur praesumptio qua delictum excluditur, and consequently, as soon as doubt arises, it is absolutely presumed; wherefore the more so in acts which can be done in good faith without a crime, the crime was not presumed, as all this with unanimous voices by
Dutch transcription
raad en daad van misdaden, om de misdadigers tot een uitvoer aanleiding te geeven, als de voor„ aangehaalde roomse wetgeever door de r:O: Eijss: aangevoerd mede brengd maar zelfs dadelijk Strand rooff zoude begaan hebben, het zoude wat onbedagt geweest zijn van onze hoge superieuren in't pathia, wanneer de bedoeling van de roomse wetgeever op ditexteerend geval t'appliceeren waren dat bij Placcaten en wetten zulx tegens de ordonn: van de roomse wetgeever die zodanigen Placcaten ingevoerd hebben, hebben verklaard als de r: O: Eijss=r met een klap de bodem wil inslaan men ziet dienaangaande Bataviasche arcadia pag: 296 en 197 proefkundig leeraar van het Placcaat des Iaars 1574. en is uit dat uit„ drusckelyk Placcaat ten vollen indeze zaak voor zien voor de Inwoonderen gelijk te zien is in het placcaat van de zeedriften gevoegd in de handvesten van Amsterdam pag: Mithi 192 inhoudende dat men de beevonden en zeedriften zal aan= „vaarden en bewaren tot behoeften van den regten eigenaar voor een reedelijk bergloon zonder dat ijmand anders die mag aantasten nog bergen „tot sijn behoeven en verstrekken tot eigenlaaten In welkervoegen den rogen raad van Holland in't Iaar 1599 de inwoonders van't Eijland ter Schelling die de granen van een gestrand schip eerst aan Land en daarop een ieder in sijn huijs had gebragt, hoe zeer de schipper daar teegen protesteerde heeft ten vollen onder het bestier van't Hoff gecommandeert en nadien na de instel„ „lingen welke van goederen aan Strand gevonden uitgegeeven zijn zij openbaar strafwaardig scheenen om dat ze de goederen niet op een publicque maar in byzondere plaatzen zonder getuigen hadden op gelegd, zo heeft den raad belast, dat de stukken van't proces van den Fiscaal zouden werden vertoond en dat men Crimineel teegens de geene zoude ageeren welke d'ordre niet geobserveert e geobserveert hadden, Namentlijk de Zeedriften opgespoeld te bergen ten profijte van den eigenaar wat wil dit dan anders zeggen als den pp:l ged:e die Luijden geraden heeft om de goederen weg te rijden en aan te geeven, is deze raad geeving dan buiten de ware intentie van den wetgeeven heeft den pp:l ged: dan uit kragte der meer geciteerde advisen die raad gegeeven om de goederen weg te rijden en aan te geeven, terwijl hij van geene andere ordres der overigheid en wiste ofte uit kragten van de aangehaalde Placcaten van onze wettige Overigheid in haar Placcaten g'affirmeert den 99: verweerder vermeend niet dat ijmand dusdanige lage denkbeelden voeden zal /:dat publicque Perzonen als gem: Heeren advocaten /zijn:// zodanige wetten en ordonn: van de generalen staten g'Emaneerd niet bij diergelijke gevallen allegueeren als ze reeds in de advisen gedaan hebben, met verdraaijing van woorden in het dag ligt te brengen. Intusschen kan den q9 verweerder niet af zijn eene reflexie te moeten maken op de woorden van den E: O: Eijssr met het merkteeken van NB. dat de p:lo ged: aan den veld Commandant gezeg heeft dat het geen burger zaak was op Vreemde scheepsgoederen de wagt te houden. — Tweedens dat den E: O: Eijss:r zo schimpig posseert, met veragtinge dat de p:l ged: vermeend 's Lands wetten en Costumen te verstaan. - den qq verweerder zal met een enkelde trek en pas„ „sant als met een Vinger aanroeren en deze twee bespottelijke poincten remarqueeren het schijnd, off den E: O: Eijff in het eerste poinct den p:l ged:t het als een misdaad toeschrijfd dat het geen burger„ zaak was, om wagten te houden tot het oppasser van gestrande goederen, neen zegt den 99: verwe „der dat zijn geen burger zaken, zodanige wagten te houden, veel minder Landtogten te doen zo lange het uit hare eigene motiven niet voortkomt hetzelve zoude tot spot van de geheele waereld meer Van zodanigen instellingen of van de geene die het ƒ inwillig inwilligen daar zijn de Soldaten voor die hunnen bezolding van de Hoge overigheid genieten voor haren dienst. - So als den 99: verweerder het gedrag bij zekeren geleegendheid en Texel en op de helaar van den sesthien Scheepen stranden gezien heeft, van de schout en ballluw en het inzamelen der goederen van de Inwoonderen aldaar dit gedrag van den E: O: Eijss: /:onder reverentee gezegd:/ is gantsch strijdig tegen het heilzaam oogmerk van onze wettige overheid in 't Patria die wil dat de gespoelde goederen van gezonken en gestrande scheepen zal ingezamelden bewaard worden, ten profijte der Eijgenaars en niet ten prooij gelaten op het Strand tot verstrikking van deze en geene die zig daaraan vergrijpen mogte. zo als de ware intentie niets anders geweest is, van den pp:l ged:e als de goederen der deensche Natie weg te doen rijden en aan te geeven blijkt uit de ware omstandigheeden anders, Terwijl deze raadgeeving niet ten eigen baat maar ten profijten van die geene die het toebehoorde geschied is.- waarbij dan nog in Consideratie komt dat dit aannading van die goederen zeer wel kon geschieden Sine animo Jurandi en den pp:l ged: geen Landloper off onbekende Schooijer, maar een goedburger zijnde hier gehoefd en gehuiwest ter goeder Naam en Faam staande over zulx hier geen delict gepraesumeert kan worden veel min zo een zwaar delict als de accusatie tot aanrading tot Strandroofs en diverijen volgens de bekende Regne quad Semper la Capiatur presumptio qua delictum excluditur en mits dien zo ras 'er vertwijffeling vald volstrekt gepraesumeert werd, waarom dan ook te meer in daden dewelke ter goeder mouwen zonder delict kunnen geschieden het delict niet gepreesumeert werd, gelijk dit alles met eenparige stemmen door aan 1eg
English
borrowed by the doctors, specifically appealing to the law regarding shipwrecks, namely concerning fire, collapse, and shipwreck, which is of particular application, the words of the law in that regard being very notable: indeed, regarding what was received with malicious intent, because not everyone who receives immediately commits a crime, but he who receives with malicious intent; for if someone receives unwittingly, or receives it in order to safeguard it and return what had been lost, he certainly ought not to be held liable; the common law of the Placaats enacted by the States-General and cited here previously from Batavia to Arcadia, and further argued, has been found. In the second point of accusation, corresponding when they express themselves in this manner: and although no one else was judged to accept such goods or remnants and conceal them for his own personal gain and profit, it is foreseeable that beachcombing robbery does not only require that unclaimed or ownerless goods were taken or accepted, but that they were taken upon the advice of the principal defendant for his own gain and profit; and that, as is said in the Digest ad legem Juliam, it must be clear that it was intended with criminal purpose so that the Senatus Consultum has a place; which is also said in this case, that it must be clear that they were received with the intention of stealing so that this law applies; and just as the incitement to theft cannot in itself be presumed, it may be presumed or said even less to have given incitement to beachcombing robbery against a well-known Burgher of good name and reputation, since it is also a well-known rule of law that good name and reputation cause the presumption against assuming the crime to prevail; furthermore, the advice of the principal defendant may come into consideration in this matter, that even the suspicion of that crime cannot take place regarding giving incitement to beachcombing robbery, while that was said in public in the presence of the cook to the widow Wessel Wessels: haul the goods away and declare them; as also the very words of the aforementioned Pesselaar were that the principal defendant is not accused of having said it to the principal defendant in a clandestine manner for his own gain and profit; thus there is not the slightest reason, in the act of giving such advice, to taint the principal defendant with giving bad advice toward beachcombing theft. All of which reasoning can also be applied to the imputation of public violence and misuse against the good orders that were supposed to have been issued by the Honorable Company, concerning which imputation it should also be noted that it is undetermined that there were such orders and that they were made known to the principal defendant, running vaguely and generally against the maxim that one should not wander about with the danger of another person's reputation, and that from the vague imputation not a single specific act is mentioned or known in the claim that the principal defendant was aware of that order and acted against it. What then concerns the second point, that the principal defendant was so presumptuous as though he thoroughly understood the laws and customs of the country, the representative defendant remarks that it would be nothing more than natural in so far as the laws and orders have not been obscured, as can and may be said in this present case. A native-born citizen, in so far as the laws and placaats are public, can and must know them, while he was born here and did not arrive here as a sailor or soldier, who cannot possibly know them, the customs or usages of the laws, as appears with respect to the late Honorable A: Borak, who as the then Landdrost of Swellendam, at a certain shipwreck in the Vleesch or Visbaai, as well as the surrounding country folk, had the washed-up beach goods hauled away for his own gain and profit; which crime did he then commit during the administration of the late Right Honorable Master Governor Rijk Tulbagh, while there were no public Placaats and he could have had absolutely no knowledge of the secrets, while in earlier times he without doubt arrived here as a sailor or soldier; however, departing from this until it is required to deduce this further with valid proofs. Thus the representative defendant proceeds herewith to the second or last point of the general accusation, namely to that which is blamed on the principal defendant, that he, under the terms of the laws and orders of our lawful authority, would have [illegible] the same authorities, and for that, according to the Roman laws cited above, ought to be corporally punished, etc. The representative defendant asks: since what time has this advice to haul away washed-up goods and declare them become a crime, while that advice was not for self-interest or profit; if a predatory lust for self-interest had prevailed with the principal defendant, then it would have been proved by the Officer Claimant, of which there is no evidence yet, nor will there be; while it cannot be unknown to him, the Officer Claimant, that the means of the principal defendant would not have been lacking, if he, the principal defendant, had been covetous to enrich himself with another's goods, to profit even from the goods, without needing to give any other advice for profit against the laws and orders of the Honorable Officer Claimant. Under the general denomination of Authority, of which the Officer Claimant is a member, representing in the countryside as far as their district
Dutch transcription
door de DD: geleend worden zig speciaal beroe„ „pende op de L quo naufragem s: de incendio ruina naufr: die van een byzondere applicatien is, zynde de woorden van de wet desweegens zeer notabel Led enim ad ditum et dolo wald quia non ommis qui recipia: statum diam ddelinquit sed qui dolo molo reciped quid inem li ignaris reciped ant quid Lied hoe reciped ut Casto diret sal vaque facered ce qui amniserat utique non debet tenere het gemeend recht der Placcaten door de generale Slaten g'Emaneerd en ten desen hier voren uit de Bataviasche aan arcadia g'allegueerd en nog nader betoogd bewonden. — In het tweede poinct van beschuldiginge over„ eenkomstig wanneer deselve zig uitdrukken in deeser voegen en hoewel niemand anders geoordeeld is, zulke goederen of Leedristenten aanvaarden ende te versteeken tot sin zelfs eigen baat ende profijt vooruit te zien is dat Strandroof niet alleen requireerd dat is genomen of aanvaart zijn onbekeerde of meesterlose goede„ „ren maar dat die genomen zijn door aanraden van den p:l ged: tot eigen baat ende profijt en dat gelijk in't 1824. pf:s ad sed lyllan gezegd word liquere et gitur debet scelere interentur ut Denatus Consulto Locus L:a A: die ook in deesen gezegd word liguere debit animo furandiris fusse receptis et huic legi Locus sut engelijk de aanleiding tot diefstal op zig zelven niet gepra„ sumeent kan worden, zo mag die te minder ge„ „praesumeert of gezegd worden aanleiding tot Strandrooss gegeeven te hebben teegen eenen bekenden Burger die ter goeder Naam en Faam Staat vermits het meede een bekende Reegul van regten is, dat de goede Naam en Faam de praesumptie teegen het veronderstellen van het delict doen prae„ „valeeren kennende verders nog ten deesen de haadgeeving van den pp:l ged:e in consideratie komen dat zelfs de suspicie van die misdaad geen plaats „plaats mag grijpen van aanleiding te geeven, tot Strandrooff terwijl dat zulx in't openbaarten aan, „zien van de kok aan de weed=me wessel wessels gezegd geworden is, reid de goederen weg en geef het aan, als mede de eigene woorden van den meer geciteerde Pesselaar ook geweest is, dat de p:l ged: niet beschuldigt zijnde van dat hij pp:lo ged: het op een Clandestine wijze zoude gezegd hebben tot eigen baat en profijt dus ook geene de minste ree„ „denen is om in het bedrijf van zodanige raad geen „ving de p:lo ged:te te bekladden met kwade raad, „geeving tot strandroossen diverij Al het welk beredeneerende ook van ap„ plicatie kan gemaakt worden op de impertatie van publicq geweld en misgebruik maken teegens de goede ordres die er van den E0: rijss„ zouden geweest zijn, omtrend welke impertatie nog te noteeren staat, dat dezelve is ongetermi„ „neert dat 'er zulke ordres waren en deselven den pp:lo ged: bekend gemaakt vaque en generade aanlopende teegens de morime quad non sit vagandam Cum perculo aliena eristem ationis en dat van de vaque imputatie geen een speciaal daad opgenoemd of in den Eijsch bekend is, dat de p:l ged: van die ordre bewest is geweest en daar teegens aangehandeld heeft. wat dan het tweede poinct betreft van dat den p:r ged: zig zo vermetel vond, als of hij 's Lands wetten en Costumen grondig verstaande remar„ „queert den 99 verweerder, dat het niet meer als na„ stuurlijk zoude weesen zo verre de wetten en ordres niet verduistert geworden is, als bij dit exteerend geval kan en mag gezegd worden. — Een geboren burger zo verre de wetten en placcaten publicq is, kan en moet het weeten, terwijl hij hier geboren is en niet voor Mattroos of zoldaat alhier aangekomen is, dewelke het volstrekt niet weeten kunnen, de Costumen ofte usantiën der wetten als blijkt ten opzigte van wijlen d'E A: Borak die als toenmaligen Landdrost aan Zwellendam bij bij zeeker gestrand schip in de vleesch of visbaar de zo wel als de omleggende Landlieden de op„ „gespoelde strandgoederen heeft laten weg rijden tot syn eigen baat en profijt welke misdader heeft deesen dan /:onder de Regeeringe van wijlen den wel Edelen Gestr Heere Gouverneur Rijk Tulbach :/ gepleegd, terwijl ter geene publicquen Placcaten waren en hij van de geheimen absolu geene kundigheid konde gehad hebben, terwijl hij in vroegere tijd, zonder dubiet als mattroos op zoldaat alhier aangekomen dog hiervan af„ „stappende tot dat vereischt wond zulx nader te deduceeren met valabele bewijzen zo gaat den 99 verweerder hiermeede over tot het tweede of laatste poinct der algemeene beschuldiginge namentlijk tot die welke men den pp:o ged: aanwrijpt dat hij in de termen den wetten en ordres van onze wettige overigheid de „zelve overheeden zouden hebben, en daar over volgens de vooraangehaalde roomsche wetten, aan den Lyve behoord te worden gestraft enz: den q9 verweerder vraagtzeedert welk een tijd deze raadgeeving van opgespoelde goede rueg te rijden en aan te geeven een misdaad gewor „den is, terwijl die raad niet tot eigenbaat off profijt is heerschten bij den p:l ged: een roofzugt tot eigenbaat, dan zoude het van den r: O: Eijff beu „zen zijn geworden daar nog geen blijk van is, off komen zal, terwijl het hem r: O: Eijsf niet ignorant kan zijn dat het aan de vermogens van de pp:lo ged:t niet ontbroken zoude hebben om wanneer hij p:l ged: baatzugtig was zig met andermans goederen te verrijken zelfs vanden goederen te profiteeren hij aan geen andere raad tot profijt behoefde te geeven tegens de wetten en ordres van den H: O: Eijss„ Onder de algemene benaminge van Overig „heid /: waarvan de R: O: Eijff een Lidtispresentee„ „rende ten platten Landen zo verre als derselver district
English
constitutes a district, our lawful sovereigns are the High and Mighty States General of the Republic, under whose jurisdiction all foreign colonies fall. These sovereigns, by virtue of their sovereign authority, have appointed others for their maintenance, in order to exercise the laws and orders they have made and given, as well as a good mutual understanding. Which commissions have been made by the entire notable body for the protection of their interests, and by virtue of that voluntary commission everyone is obliged to render their homage and obedience to the laws they make and give, so that it follows from this that everyone is bound by the specific laws and orders. But it must be public and manifest so that no one may transgress them unknowingly, as is evident from the edicts and daybooks, from which it is notoriously and clearly proven what the laws and orders dictate, as appears from the edicts issued concerning shipwrecks and washed-ashore and salvaged goods. Edicts of 4 Novemb: 1606 24 Maij 1613 25 april 1620 31 Octob: 1626 4 febr: 1648 17 Maij 1651 2 Decemb: 1663 2 April 1674 24 Febr: 1698 Ordinances of the States General of 7 Maart 1769. It is furthermore manifest from this that the principal defendant did not act against the edicts, orders, or laws with the approach thereof, since there were no orders, or at least they were kept concealed from the principal defendant. And if the contrary could be proven, it would indeed have been submitted with the claim along with the orders dispatched to the field sergeant, from which those notable proofs would be evident that the principal defendant trampled upon the orders of the authorities, and it would not have been necessary to proceed upon this unfounded accusation. As regards the fact that the Honorable Officer Plaintiff acts so triumphant, as if it were an act of bravery when one can help someone to the gallows, claiming that the principal defendant had come to a confession in the 25th article of his interrogatories, where he, the principal defendant, answered that the Well-born Wessels had said such things as he had stated from the legal opinions: the question is whether this shall now be called a confession. What then is stated in the legal opinions? Nothing other than what is shown in a certain passage in the lawsuit of the Fiscal Boers and Smith, that the collecting, loading, and transporting to his former place cannot be regarded as beach robbery committed, as appears particularly from the second opinion of Mr. Lusac, citing the edicts and ordinances of the States General enacted therein, determining how everyone is obliged to conduct themselves at stranded ships and in the collection of washed-ashore goods. But no, the Honorable Officer Plaintiff prefers to persist in an outward continuation, as if he were persuaded to institute this action against the principal defendant, whereas not the slightest prejudice can be drawn from the answers of the principal defendant, which the Honorable Officer Plaintiff has sought to bring forward on the aforesaid matter during the interrogatory, in order to keep them as a reserve, and in which an implicit threat is enclosed, perfectly designed to intimidate the principal defendant. Yet, if put into effect, this would only show that the Honorable Officer would rather risk a reckless lawsuit than abandon an unfounded charge. And with this now having been shown most clearly to Your Honorable Worships in what false light, out of context, and contrary to the express intention of the principal defendant the Honorable Officer Plaintiff has framed his accusation, also contrary to law and reason: So the defendant in his capacity says, by overturning the Honorable Plaintiff's unfounded arguments, that the defendant does not fall under the terms of bad advice, of beach robbery, and of violation of the laws and locally given and established orders, for there was no malicious intent on his part. The petitioner, the principal defendant, had not yet heard of any local orders, unless the principal defendant was kept blinded, just as little as he knew of the commissioner of the Danish nation, Sr. Hendrik Justinus dewet, when the defendant came to the beach or to the stranded ship. That the defendant in his capacity has not submitted any depositions, which would most strongly defeat the Plaintiff's unfounded accusations regarding his deponent and relators, has its particular reasons, and they were intentionally withheld in order to deduce the following documents in more detail when one proceeds on his side as well as regarding his deponents and relators. And whereas the conclusion drawn on this side is thereby substantiated, it is well and rightly trusted that the same will be adjudicated with costs. Namely, that the claim and conclusion of the Honorable Officer will be denied with costs, and on the contrary the defendant will be honorably and profitably discharged and acquitted from this defamatory action, making a claim for costs on everything, etc. Imploring hereupon for swift and proper justice. was signed D: Verweij in his capacity in the margin: Exhibited in court on 3 Iuny 1784. underneath: Agrees was signed R: J: v: d: Riet sworn Clerk Agrees A Blerck Eg Ilberg
Dutch transcription
district uitmaakt:/ zyn onze wettige Souverainen de hoog Mog: Gener:l staten van't republicq waaruit alle uitheemsche Coloniën sorteeren dese uit kragte van het souveraine andere tot subsistentie van haar aangesteld, om de wetten en ordres die zij gemaakt en gegeeven hebben en eene goede verstandhouding t'Exerceeren welke opdragten zijn geschied van't geheele notable Lighaam tot bescherminge van hare belange en uit hoofde van die vrywillige opdragt is een ieder verpligt aan te bleden hare hulde en gehoorzaamheid der wetten die zij maken en geeven, zo dat daaruit voortvloeijd dat een ieder aan de bepaalde wetten en ordres verbonden is, maar het moet openbaaren publieq weesen op dat niemand daaraan onweetende komt. te zondigen, gelijk uit de Placcaten Iaaren dag boeken komt te Consteeren, waaruit notoir en evident beweesen word, wat de wetten en ordres, dicteeren blijkens de Placcaten g'Emaneert over stranden van scheepen en aangedreevenen en opgespoelde goederen. Placcaten van den 4 Novemb: 1606 „ 24 Maij 1613 „ „ 25 april 1620. „„ 31' Octob: 1626. 4 febr: 1648. „ 17 Maij 1651. 2 Decemb: 1663. „n „ 2 April 1674. „ „ 24 Febr: 1698. Ordonn:n van de Staten Generaal 7 Maart 1769. zynde verder nog manifest daaruit dat de ple /ged. niet teegens de placcaten ordres ofte wetten /:met derselver aannading:/ heeft gehandeld terwijl er geen ordres was, ofte ten minsten is het dan„ voor de pp:le ged: verholen gehouden en zo het Contrarie konde beweesen worden, zoude zulx wel met de ordres aan den veldwagtmeester afgevaar„ „digt bij den Eysch overgelegd geworden zijn, waaruit O „„ die baar die notable bewijzen zouden Consteeren, dat den pp:lo ged: de ordres der overigheid met voeten vertreeden, en niet nodig e hed over deze ongegronden accusatie te procedeeren. Wat aangaat, daar den E: O: Eyjss:r zo trium „phant als of het een Cordaatheid is wanneer men den een off ander aan den galge helpen kan, dat de p:lo ged: tot Confessie zoude gekomen zijn, het 25 art: van syn Vraag poincten waar hij pp:lo ged: antwoorde de weld: wessels zulx gezegd te hebben het geen hij uit de advisen ge„ zeid had, zo is de vraag off dit nu een Confessie zal hieten wat staat dan in de advisen niets anders als bij zeekere passagie in het proces van de Fiscaal Boers en Smith aangetoond word, dat het inzamelen opladen en overvoeren naar syn geweesen plaats niet voor strandzooff gepleegd kan aangemerkt worden als bij zonder blijkt uit het tweede advijs van M„r Lusac en daarbij allegueerende placcaten ordonn: van de Staten Gener: gestatueert hoedanig een ieder verpligt is zig te gedragen bij de gestrande scheepen en in zameling van opgespoelde goederen Maar neen den R: O: Eijffr blijft liever bij een uitterlijke continuatie persisteeren als of hij daartoe gepersuadeert was, om dese actie teegens den p:le ged: te institueeren, daar dog geene de minste praejudicie kan worden gemokken uit de antwoorden van den p=le ged: welke de E: O: Eyss:r ter zake voorsz bij de interrogatoriuw heeft zoeken voor te brengen, om die tot een reserve te houden en in dewelke eene ingewik, „kelde bedrijging legt opgesloten te regtgeschap om de p=lteo ged:e te intimideeren, dog die te werk gelegd zijnde alleen zoude tonen dat den E: O: rij„ liever den temeraire proces zoude willen wagen dan van een ongefundeerde Calange af te zien En hiermede nu aan uwel Ed Agtb: ten duidelijkste zijnde aangetoond in wat verkeert dagligt, bui„ ten re verband en teegen het uitdrukkelijk oog„ „merk van den pp:le ged: den E: O: Eyss:r sine be„ schuldiging ook teegens regt en reedenen heeft opgemaakt. - „ zo zegd den 99 ged: bij omkeeringe van 's Heer Eijs=rs ongegronde argumenten dat de ged: niet verseerd in de termen van kwade raad van Strandrooss en overtreedinge der wetten en plaatselijk gegeeven en gestelde ordres want er lag geen malus dolus bij hem den suppp:l ged: had nog geen plaatzelijke ordres gehoord often zij dat den p:le ged: verblind is gehouden zo min als hij van de Commissionair der deensche Natie, S:r Hendrik Justinus dewet geweeten heeft, doen den ged: aan het strand of bij het gestrande schip quam. — dat den q9 verweerder geene Verklaringen heeft overgelegt, welke teegens 's Eijss:r ongegronde, accusatien in syn deposant en relatanten ten sterksten db Heeren zoude heeft sijne bijzonderen reedenen reedenen, en is met opzet te rug gehouden om de volgende stukken nader te deduceeren wanneer men ter sijner zijde avanceert zo wel als syne deposanten en relatanten En dewijl dan daarmeede de Conclusie deser zijds genomen is geadstrueert zo word wel en te regt vertrouwd dat deselve met de kosten zal werden g'adjudicieert Namentlijk dat den Eijsch en conclusie van den Heer officier met de kosten zal werden ont „zegt en daar en teegen den ged: honorabel en profitabel van deeze diffameerende actie ont„ heft en ontslagen worden maa„ kende de ronde 9 Imploreerende hierop om kort en goed recht. /:was get:/ D: Verweij qq /:in margine:/ Exhibitums in Iudicio den 3 Iuny 1784. /:onderstond:/ Accordeert /:was get:/CR: J: :d: Riet gezwv: Clerer Accordeert ABlorak Eg lleveq keende op alles Eijsch van Kosten &=a 1