VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 10984

Cape · 954 pages · 242 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_10984_0382 view scan ↗

English

than truly showing it, so these passages can properly be regarded by the defendant as settled and passed over as meriting no attention. Article 42. The Officer-Plaintiff says, having increased his claim only that his boy should be beaten on the back until the pieces fell from him, or until the pieces flew off him. The Officer-Plaintiff forces the defendant into the necessity of declaring that he has once again spared the truth here, since the defendant merely asked to be allowed to have his boy punished in front of the jail according to his satisfaction; whether the Officer-Plaintiff now wishes it to be understood that such rigorous punishments are to be meant by this is unknown to the defendant, but he believes that in such an enlightened century one should never have to account for more than what one has expressed. Articles 45, 46, 47, 48. The Officer-Plaintiff states that because the defendant, with the addition of all kinds of remarks and unpleasant speech, too lengthy and too vexatious to cite here, explicitly declared that he would leave the boy imprisoned at the Officer-Plaintiff's expense, since he could not be master over bondservants who belonged to him, who were born to serve him and only cost him, the defendant, money, and whose death was of no importance. The Officer-Plaintiff would have done very well, however unpleasant and vexatious those discourses may have been, to bring them to the table here; then Your Honors would have been able to judge whether the expressions used by the Officer-Plaintiff were not conflicting with the high character of the distinguished person he presently represents, and that, although he was entrusted with the maintenance of good order and discipline, relying too much thereon, it is ill-fitting to abuse it and to cast dishonorable expressions at an honest man. And concerning the declaration that the defendant is alleged to have made about leaving the said boy sitting at the expense of the Officer-Plaintiff, this only serves to make it appear to Your Honors that the defendant properly warned the Officer-Plaintiff not to undertake things that he could not maintain or justify, since he then declared that everything would be for his own account. As for the claim that his boy's death was of no importance to the defendant, how can any semblance of truth ever be attributed to this, as this would be a matter that would bring no small loss to the defendant; and since it is a boy who is still very young, he could very easily—not through a misplaced mercy and ill-placed pity, but through a fair and lawful chastisement—be brought back to his former duty, which the defendant trusts would already long since have been brought to that effect had he not been thwarted in his rightful demand for punishment. Articles 48, 49, and 50. The Officer-Plaintiff says that he found it most advisable to bring this matter to the knowledge of Your Honors, in order to devise therein, according to Your Honors' highest wisdom, the best means and measures, and was therefore qualified by Your Honors to institute an action in due form against the defendant. The Honorable Gentlemen, the defendant could have wished that the Officer-Plaintiff had been able to bring himself to keep his word given to the defendant, and solely to present his request to be permitted to have his boy punished favorably to Your Honors, the defendant holding himself then sufficiently assured of the equity and fairness of Your Honors, or else this action, in such a case, would not have been brought before Your Honors. The Officer-Plaintiff admitting that the insolence of some slaves is so extreme that they seek in every way to plague and taunt their lords and masters, and that the latter are certainly forced to inflict punishment and that a helping hand ought justly to be lent to this: the defendant believes he has demonstrated to Your Honors sufficiently by the conduct of the aforementioned slave boy that he has plagued and taunted his master in every way, and thus believes he falls within the terms of not only being allowed properly to chastise his boy, as the Officer-Plaintiff himself says, but that a helping hand also ought to be lent thereto; thus, in this case alone, not only can no action be found for the Officer-Plaintiff, but the defendant himself hopes that Your Honors will be pleased to grant the defendant's request, both for the correction of his slave boy himself and to serve as an example to the other slaves. The Officer-Plaintiff says in Articles 53 to 61 inclusive that, on the contrary, many masters can never be satisfied by their slaves, and treat these creatures with less respect and worse than the lowest sort of beasts, thus inevitably driving those poor people to desperation and to such steps as are contrary to duty and order; that the defendant in this case has gone beyond the bounds of a reasonable and fair man, etc. The Officer-Plaintiff believes, subject to correction, that here the judge ought, in the best manner,

Dutch transcription

dan 't waarlijk te toonen dus deze passagien, wel voeglijk door den gede kan werden aagemerkt als afgedaan en geen te flxci meriteerende, te pas„ „sseeren. art: 42. zegt den R:O: Eisscher hebbende hij zijn eisch na alleen vermeerderd dat zijn Jongen op de rug zouden geslagen worden; dat de stukken over zin hebben afhingen, often zelven de hebben in stukken gingen den R: O: Eisscher brengd den ged„e in de noodzak lykheid te declareren dat denzelven hier wedero den waarheid heeft gemenageert, dewijl aen ged alleenlijk heeft gevraagd om zijn Jongen naar zijn genoegen voor de tronk te mogen laten afstraf„ „sen of nu de R:O Eisscher hier onder begreepe wil hebben dat daar onder zodanige nigou„ „reusen straffoefeningen moeten werden verstaa is den gede onbewust maar hij vermeend dat me nimmer in zulx een verligte Eeuw meerder moe verantwoorden als waar over men zig heeft uit „gelaaten Part: 45. 46, 47, 48. Legt den R: O: Eisscher om dat den ged„e met bij„ „voeging van allerleij proposen en onaangenaam heb te wydloopig en te verdretig om hier aan te halen uitdrukkelijk declareerde den Iongen op des R: „O Eisschers kosten te zullen laaten zitten terwijl hij dog niet kost Meester zijn, overlijfeygene die hem toebehoorden, en hem ged:e alleen geld kosten om hem te dienen gebooren, en diens dood van geen belang was, den Heer R: O: Eisscher had zeer wel gedaan hoe onaangenaam en verarietig die discoursen ook mogen geweest zijn dezelve alhier ten borde te brengen, als dan hadden UE: Achtb: kunne Jugeeren, of de expressies door de R:O: Eessche gebruikt, niet waren strijdende, met 't hooge Character, welke aanzienlijke perzoon hij than repraesenteerd, en niet tegenstaande hem met den de handhaving der goede ordre en discipline was toebetrouwt echter zig daar te veel op verla„ „tende het weinig pasgeeft misbruik daar van te maken, en een Eerlijk de flitrissansie uitdruk„ „kingen toe te werpen En belangende de declaratie, die den ged:e zoude gedaan hebben van gem: Jongen voor reecq van den Heer R: O: Eisscher te laaten zitten, zulx is alleen dienende om aan UEd: Achtb: te doen aparee„ ren dat den gede den Heer Eissr behoorlijk heeft verwittigd, geene onderneemingen te doen die den„ „zelven niet konde mainteneeren of geregtigen de„ wijl als dan declareerde alles voor zijn eygen rekening te zijn. — Wat aanbetreft dat zijns Jongens dood den ged:e van geen belang was hoe kan zulx immer eenige schin van waarheid toegeschreven worden wat dit zoude een zaak zijn die den ged„e geen gering na„ deel zouden toebrengen & dewijl 't een Jongen is die nog zeer Iong is, konde denzelven zeer gemakke „ljk /: niet door een verkeerde barmhantigheid en qualijk geplaatst medelijden, maar door een billijke en rechtmatige kastijdinge:/ tot aes„ „zelvs voorigen pligt weder gebragt werden, het geen den ged:e vertrouwd, dat ook reeds lang tot dat effect zoude zijn gebragt geweest, waare hij niet in zine Regtvaardige straf„ „vordering gedwarsboomd geweest art: 48. 49. & 50. zegt den R: O: Eisscher dat raadzaamst gevonden had, om deze zaak ter Cognitie van uwelE: Achtb: te brengen, om daarin na hoogst uwelE: Achtb: wysheid den besten middelen en martregulen te beraamen, en door uE: Achtb: dan ook is gequalificeert om in Cor„ „ma actie tegen den ged:e te institueeren den Ed. achtb: Heeren den ged:e had wel gewenscht dat den Heer R: O: Eisscher van zig had kunnen orkrijgen, om desselvs gegevene woord, aan den ged:e te houden; en alleen deszelvs verzoek om zijne Jongen te mogen laten afstraffen gunstig aan aan uwelEd: Achtb voor te dragen, houdende zig den ged„e als dan genoeg verzekerd van de acquetijt en billykheid van ued: Achtb: of deele actie had in zulken gevallen, voor UEd: achtb: niet geen„ „thameerd geweest. avoreerende den Heer R:O: Eisscher, dat de Htoutheid van zommige slaven, zo verregaande is, dat zij hunne heeren en Meesters op alle wijs zoo „ken te plagen, en te tergen, en dezelve zeker„ lijk straffe te oefenen genoodzaakt zijn en ock billijk de hand daar toe moeten gebode worden den ged„e vermeend door het gedrag van voorm: slaven Jongen as sufficientiam aan uEd:e Achtb: te hebben aangetoond, dat denzelven zijn lijf„ „heer op alle wijze heefd geplaagde getergd, en dus vermeend in die termen te vallen van zijn Jongen niet alleenlijk te mogen behoorlijk kastijde, zo als den R: O: Eysscher zelve Legt, maar ook daartoe de hand behoord gebooden te worden, dus en alleen gevalle, niet alleen geene actie voor den Heer R:O: Eisscher kan gevon„ „den worden maar den ged„e zelve hoopt, dat uEt Achtb: des ged e verzoek wel zullen gelieven te wil„ „len accordeeren zo tot beetering van zijn slave Jonge Zelve als tot een exempel voor de andere slaven te verstrekken. den R: O: Eisscher zegt aat: 53 tot 61 in cluese„ ven egter ook ter Contrarie veele lyfheeren van hunne slaven nooijt kunne voldaan worden en deze schepzelen met mindere achting en erger als de slegsten soort van beesten trac„ „teeren. dus die arme menschen absoluit tot despe„ „ratie en tot zulke stappen moet doen over„ „gaan dewelke tegens pligt en ordre zijn. de ged:e in dit geval buiten de paalen van een kaisonnabbe en bellijk man is gegaan &c vermeend den R: O: Eesscher (:onder Correctie:) dat hier en van den Rechter op de beste wijze behoord

NL-HaNA_1.04.02_10984_0385 view scan ↗

English

ought to be provided for, and the defendant, on account of his inequity and misconduct, will still have to be arbitrarily corrected. The defendant could, Honorable and Worshipful Sirs, out of indignation over such unprecedented phrasing, make use of equally improper expressions, as he respectfully believes that the law can give no greater grounds for this to the Prosecutor than to the defendant; however, the respect which the defendant feels for the dignity of Your Honors prevents him from paying in kind in this matter, and he will only say that the vague posturing of the Prosecutor is as good as building castles in the air and making several loose, unfounded remarks about something of which there is not the slightest proof or evidence that such ever took place on the part of the defendant. The Prosecutor, petitioning Your Honors to arbitrarily correct the defendant for his mistreatment, but how far the Prosecutor extends this correction is unknown to the defendant, since it can be interpreted to include corporal punishments; the Prosecutor will certainly admit that these are only punitive exercises that can be applied in the military establishment and other servile states. The defendant, believing to have refuted to the satisfaction of Your Honors the principal points that could merit any reflection, and passing over the rest as worthless, not meriting the slightest attention, so as not to needlessly fatigue the precious attention of Your Honors. Wherefore, and for other reasons and arguments, if necessary to be further deduced, the defendant, answering, concludes that the claim and demand of the Prosecutor made and taken upon and against him, the defendant, shall be dismissed with costs, and the Prosecutor, on the contrary, by definitive sentence of this Honorable and Worshipful Court, shall be condemned to hand over to the defendant his slave boy named Mentor of Mosambique, free of cost and damage, in order to have him punished by the Kaffirs in front of the prison to his satisfaction, subsequently clamped in irons, following that which the defendant requested of the Prosecutor; and furthermore to the payment of all expenses and losses which the defendant has suffered and which have been caused on account of the refusal of the Prosecutor and the prolonged detention, with costs, or to such other ends as Your Honors, according to your highest usual equity and justice, shall find to be proper; imploring hereunto and for all this the noble and benign judicial office of Your Honors. Was signed: W: Versvelt. Lower: Exhibited in Court on the 1st of December 1783. I, the undersigned Willem Versvelt, declare upon oath taken, to be true and truthful, to the best of my recollection and knowledge, that my male slave named Mentor of Mosambique on several occasions, upon bringing the vegetable baskets to the market, came home late in the evening outside of the proper and ordinary time, against my orders. However, such was mostly met with verbal correction and threats of beatings. But on one occasion, being to the best of my knowledge around the middle of October, having to send for a half-aam of wine, the said Mentor, bringing the baskets to the market as usual, having ordered him, Mentor, that he had to remain sitting with my old vegetable seller at the market and wait there alongside another of my slaves, without absenting himself from the market or the place, until that man who is lodging with me should arrive there, and then they were to go with that man to fetch the half-aam of wine and bring it upstairs as quickly as possible; which man, having then gone at my request, arrived at the market, but having found no boys, and having been told by my old vegetable boy that the said boys had gone for a stroll, that man went to the burgher drill-ground to search for them, but in vain; going back to the former and ordained place, having found both boys, he went with both boys toward the aforementioned destination; but the boy Mentor, remaining standing on one of the street corners talking with another boy, and being called by that man, gave as answer, yes, go on, I am coming right away, but having been fetched by that man, they nevertheless came home late alongside that man. Having asked for the reason for the long absence, I was informed by that man of his experience and the reason for the long absence, along with the insolent treatment committed by Mentor, whereupon I judged myself to the utmost and on well-founded grounds obligated, for the maintenance of good order and direction

Dutch transcription

behoord voorzien, en den ged„e weegen zijn onbillijk en wangedrag nog arbitrair zal dienen geco„ „rugeerd te worden. den ged:e zoude E: Achtb: Heeren! door insignatie over zulke ongehoorde bewoordinge aan gedaan zig van evengelijk onbetamelijke uitdrukkinge kunne bedienen, als onder eerbied vermeende dat het regt daar geen meerder voet daartoe aan den Heer R:O: Eisscher als aan den ged„e kan geeven, egter den eerbied die den ged e voor de chtbaarheid van UEd: Achtb: is gevoelende be„ „let hem met gelijke munten in deeze te betaa„ len, en zal alleenlik zeggen dat 't schermen in vago van den Heer R: O: Eisscher eeven zo goed is als kasteelen en de lugt te bouwen en eenige lossen ongegronde aanmerkingen maaken op iets daar geen de minste bewijs of prowe van is, dat zulx oort bij den ged„e heeft plaats gehad. den R: O: Eisscher aan UEd: achtb: besollicitee„ „rende den ged:e over zijne mishandeling arbi„ „trair te Corrigeeren dan hoe zeer den Heer R: O: Eisscher deeze Corectie extendeert is den ged„e onbewust dewijl die tot Corporeele staffen inclusive kan uitgelegd worden, zal den R:O. Esscher wel avoneeren dat dit alleen straf¬ „oeffeningen zijn die bij 't militaire weezen en andere dienstbaren staaten geappliceerd kunnen werden. der ged:e vermeenende de voornaamste poinc„ „ten die eenige reflexie zoude kunnen mehitee„ „ren, ten genoege van uEd: achtb: te hebben tegen„ „gesproken, en de overige als geen de minsten aan „dagt meriteerende, om de pretieuse attentie van UEd:e achtb: niet nodeloos te fatigeeren als niets waardig gepasseerd. Mits welken en andere redenen en middelen is 't nood nader te de duceeren den ged„e ank„ woordende woordende Concludeerd, dat aen Eisch in Conclusie van den B:O Eissr op ende Jeegens hem gede gedaan en genoomen zal werden Ontzegd met kosten en den R: O: Eisscher daar en tegen bij vonnissen definitief van deeze Edelen achb „baren geregten zal werden gecon„ „demneerd aan den ged:e deszelvs slaven Jongen genaamd Mentor van Mosamtique kost en schade„ „loos te doen overgeeven ten einde den zelven door de Coffers voor de Tronk na desselvs genoegen te doen afstraffen, vervolgens in de Yzers geklonken, navolgende het geen den ged„e van den Heer R: Olis, scher heeft verzogt; en voorts tot de betaalinge van alle on„ „gelden en verletten, die den ged„e uit hoofde van 't refuijs van aen Heer R: O: Eisscher en de lang„ daarige detentie heeft geleeden en veroorzaakt zijn, met de kosten ofte tot al zalken aenderen finen als uEd: Achtb:re na hoogst derzelver gewoonen billykheid en rechtvaardigheid zullen vin„ „den te behooren Imploreeren, „den hier toe en op alles uEd: achtb: nobile atque Beniquam Judi„ „cio officium /:was getekend:/ W: Versvelt /:lager:/ Exhibic: in Judicio den 1 december: 1783. Ik ondergetekende Willem Versselt verklaar„ de bij inde op gedaane Eede waar en waarag¬ tig tig te zijn Naa myn best onthouwen en wetenschap, dat min mans slaaf genaamd mentor van mosam„ „bique eenige rijzen met het brengen der groente Mandis op de maakt des avonds laat buiten de behoorlijke en ordinaire tijd thuijs is gekoomen teegens mijn ordres. Egter zulx Meestertijds met mondelinge Correctie en areigementen van sla„ „gen doorgegaan is. Maar op een tijd zynde naa mijn beste weeten medio October geweest, Een half aan myn moe„ „tende laaten haalen den gemelde Mentor naa gewoonte de mandes naa de Maakt brengende hem mentor geordonneert hebbende, van bij mijn oude groente verkooper op de markt moest blijven zitten en aldaar wagte beneffens nog een mijner slaven, zonder zig van de markt of plaats ten apzenteeren, tot dat die man welke bij mij is logeerende aldaar zoude koomen, en als dan zy met die man moesten gaan het halfaam wijn haalen en ten spoedigste booven te brengen, welk man als dan op mijn verzoek gegaan zinde, op de markt is gekoomen, dog geen Jongens gevonden heb„ „bende, door mijn ouden groente Jongen gezegt zynde, „deszelve Jongens waare gaan kuieren, heeft zig die man naa het burger drie plaats begeeven, om dezelve te zoeken maar te vergeescht wederom naa de vorigen en verordonneerde plaats gaande, de beyde Jongens gevonden hebbende, is dezelve met de beide Jongens, ten einde voorn: heenen gegaan maar den Jongen Mentor op een der straat hoeken blyvende staan te praaten met een ande„ „ren Ionge en door die man geroepen zynde gaf tot antwoord, ja loop maar ik koom aanstonds, maar door die man gehaald zijnde, zijn zij be„ neffens die man Egter van buytenstijds thuijs gekoomen, Naa de reede van 't lang wegblijven gevraagt hebbende is mij door dien man zijn wedervaaren en de heede van 't lang wegbliven beneffens de door Mentor gedaane brutalen be„ „reegening verwittigd, waarop ik mij ten uiter„ sten en op geponden redenen verpligt geoor„ „deelt hebben, ter hanahaving der goede order„ Directie

NL-HaNA_1.04.02_10984_0388 view scan ↗

English

direction and lawful and reasonable authority among my serfs, having caused the said Mentor to appear before me and having questioned him about one thing and another, and fully discovering that Mentor sought to excuse himself with premeditated lies, and having further questioned him, Mentor, and said that I wished to know with which boy he had been talking, he said that it had been one of my slaves, who in his presence declared this to be an untruth, and that he had not seen Mentor at all, which is also confirmed by one of my boys who was with him, who said that it had been a strange boy. These lies, the failure to carry out the orders given to him by me, the insolence done to that man, added to several offences of that nature committed, I deemed it most necessary, on that account, to give him, Mentor, a reasonable punishment, which I also executed immediately and promptly. Whereupon that boy, early the next morning according to custom, went to work together with the other slaves, but instead of staying there, he absented himself and ran away, having subsequently given proper notice of this running away, which was willful and solely out of stubbornness, as also of the punishment executed upon him, all of which was heard by the honorable interim Fiscal while smoking his pipe, being dressed in a kabaja, the name of the boy recorded, and thus I subsequently departed or went away due to the further silence of the honorable Fiscal. The said boy was captured in the Zwartland and brought by the burgher and farmer Mattijs Basson on 24 October into the Lord's Stone or jail according to the Lord's provost and record book, for whom upon release on 26 October I paid 3 Rixdollars capture money money and one Rixdollar for the locking and unlocking, thus four Rixdollars besides the board money. And having heard from my boys on 24 October that my boy Mentor was in the jail, yet could not believe it, thinking that I would have been notified directly according to old custom; but as this had not happened up to the 26th, upon the statement made by my slaves on the 26th of the said month, I went to the house of the interim Fiscal Exter and was directly informed by him that my boy Mentor had already been brought into the jail on the 24th, to which I answered that I was very surprised not to have been permitted to have immediate knowledge thereof. Whereupon it was told to me by the honorable interim Fiscal Exter that that boy had been brought into the jail, and he, the honorable Fiscal, had had him examined, and found him to be barbarously, inhumanely, terribly, and utterly unchristianly beaten and treated. Which words struck me very much, saying that this must have happened on his journey to the Zwartland or by his captors, it being well known that I never applied such or similar punishments to my serfs, asking the honorable Fiscal who had done such to my boy. Whereupon it was answered by His Honour: "That did you." Those words and former expressions moved me greatly, yet calmly answering the honorable Fiscal thereto that it was completely evident that the rascal had not had enough, since he immediately took to running away again, for which reason I requested His Honour, being the interim Fiscal, to release the said boy, to have him punished to my satisfaction and to have him placed in irons, which first point of my request was directly and indisputably refused by the honorable Fiscal, as being unable to take such upon his conscience, and being also contrary to the laws, whereupon I then requested the irons, which immediately and even with the advice and approval of His Honour was approved, and a note granted and given thereto, with which note I then went to the jail and released the boy, with a friendly request to the Lord's provost to have the boy brought to the Honorable Company's yard to the blacksmith in order to have the boy put in irons according to the permission obtained from the honorable Fiscal, which was granted and carried out by the Lord's provost, but as I was leaving someone came to me and said that something still had to be paid, and asking what it was, gave as an answer a small bill from the doctor, yet not having it at hand, whereupon my response was that when it came into his hands, he should just send it to me, and payment would immediately follow. At the very same moment, departing from there to the master blacksmith, and arriving at the shop, seeing there a neck collar or ring with two projecting branches lying, I was then, by seeing that instrument, reminded of the promise previously made to the often-mentioned Mentor, having promised him during his last absence, when I had Mentor fetched by my other slaves at the house of the burgher Martinus Laurents Smit, that the first time he was absent again, I would have horns put on him, for which reason, seeing those horns, I recounted my remembered promise to the master blacksmith, and told him I would like to have those horns put on the boy as

Dutch transcription

directie en wettig en billijk ontzag onder mijne lyfeigene dezelve, mentor voor my te doen koomen en hem naar 't een en ander gevraagd hebbende en volkomen ondervindende dat Eej mintok met voorbedagten leugens zig tragten te verschonen, en verder hem Mentor gevraagd hebbende, en ge„ zegt te willen weeten met welke Jonge hij had staan praten zeijden zulx Een mijner slaven ge„ weest te hebben welke in zijn praesentie Lijde onwaarheid te zijn, en hem mentor in 't geheel niet gezien te hebben, 't welk mede bevestigd word, door de bij hem geweest zynde een myner Jon„ „gens welke zijde een vreemde Jongen geweest ten zijn. — deuze leugens, het niet voldoen mijner aan hem gegevene orders, de brutaliteyd aan die man ge„ „daan, gevoegd bij verscheidene die natuur ge„ „daane misdrijven hebben, ik het allernoodzaa„ kelykst geoordeelt, dies weegens hem mentor een billijke kastijning te geeven, het welk ik ook dadelijk en paratelijk geexcuteerd hebben. — Waar op die Jongen daags daar an des 's mor¬ „gens vroeg naar gewoonte, benevens de andere slaven naar 't werk is gegaan, maar in stee¬ „den van daar bij ten blyven zig geapsenteerd heeft, en weg gedrost is, hebbende, vervolgens van dit moedwillig en alleen uit koppigheid zynde Wegdrossen, behoorlijk kennis gegeeven, als me¬ den van den aan hem geexecuteerde straf het welke alles door den heer per interum Fiscaal onder het rooken van zijn pijp, in de Cabaij zijnde is aangehoord, de naam van den Jonge opge„ „tekend, en dus vervolgens door het verdere stilzwygen des Heer Fiscaal vertrokken of heen gegaan ben. derzelvden Jonge in het zwarte land: gevangen en door den burger en land bouwer Mattijs Basson op den 24 October in des Heeren Steen of Pronk ik gebragt volgens des Heeren geweldiger Pronk en annotatie boek voor welke bij het lossen den 26 Octob: hebben betaald 3 Rijxd: vang geld „geld en een Ryxd: voor 't sluiten en ontsluijten dus vier Ryxd:s buiten het kost geld En op den 24 October van mynen Jongens gehoord hebbende dat mijn Jonge mentot in de trink Lat„ egter zulx niet konde gelooven, als denkende zulx mij direct volgens out gebruik zoude zijn ver„ „wittigd geworden; maar tot op den 26 zulks niet geschied zynde, heb ik op gezegde aan mijn slaven op den 26 derzelver maand mij ten huize van de per interim Fiscaal Exter begeeven en door dezelve direct verwittigd dat mijn Jongen Mentor in de tronk reecs den 24 was in gebragt waar op ten antwoord gaf zeer verwonderd te zijn, daar direct geen kennis van gehad te mo„ „gen hebben. — Waarop door de Heer per interim Fiscaal Exter mij gezegd wierd dat die Jonge in den tronk gebragt was, en hij heer fiscaal hem had laten Fisenteeren, en bevonden te zijn barbaars, outmenst verschriklijk en ten eenemaal onchristelijk ge„ slaagen en behandeld te zin. welke woorde mij zeer Crappeerden Leggen„ „den zulx geschied te moeten zijn op zijn togt na 't zwart land of door zijn apprehendeers, wel weezende ik nooijt zulx of diergelijke straffe aan min lyfeijgen geappliceerd te hebben vragen, „den aan de heer Fiscaal wie zulx aan myn Jongen gedaan hadde. Waar op door zijn Ed„e geantwoord wierd dat heb Ji gedaan mij die woorden en voorige uitdrukkelen zeer ontroerde, egter bedaard daar op aan dan Heer Fiscaal ten antwoord gevende, dat het volkomen bleek, dat die Canailje niet genoeg gehad hadden, als zettende het direct wederom op 't drossen weshalven ik zyn Eas als per intrum Fiscaal zynde verzogt denzel„ „ven Jongen te lossen, naa mijn genoegen te doen straffen en in de yzers te laaten slaan, welk eerste poinct mijns verzoeks direct en ontegenspreekelijk afgeslagen wierd door den heer ffiscaal als konnende zulx niet op zijn Consi„ rentie neemen, en zinde ook strydig tegens de wetten waarop dan verzogt in de ysers 't welk de rect en zelver met aanrading en goedvinden van zin Ed„e wierd geapprobeerd, en een briefje daar toe verleend, gegeven wierd, met welk briefje ik als toen naa den tronk gegaan ben en de Jonge gelost, met vriendelik verzoek aan des heeren geweldiger om de Jonge op de E: Comp:s werff bij de vermidt te laaten brengen ten einde volgens verkregene permissie van den heer Fiscaal hen Jonge in de yzers te laa¬ ten slaan 't welk door des heeren geweldiger geaccordeert en volbragt wierd maar ik weg¬ gaande mij kan kwam en zeyde dat er nog iets betaald moesten worden, en vragende wat is zulx, gaf tot antwoord een klein reke„ ningje van de doktor, dog zulx nog niet heb„ bende, waarop mijn gelegden was, dat ze hem zulx ter handen kwam mij 't Lelvae maar toe te zenden zullende de betaaling direct volgen. — op zelvde oogenblek mij daarvan daan naa de Baas smit begevende, en op de win¬ „kel koomende, ziende aldaar een hals band of ring met twee uitsteekende takken leg„ „gen, mi als toen door het zien van dat in„ strument in dagtig wordende de voormaals gedaane belofte aan meer gem: Mertor hebben„ „den hem bij 't laatste absent blyven, toen ik hem mentor door mijn andere slaaven heb laaten haalen aan 't huis van den Burger Martinus Laurents Smiat belooft, dat de Eerste keer, als hij wederom absentbleef ik hem hoorens zoude laaten opzetten, wes¬ halven ik die hoorens ziende aan de baas Smit mijn invallende Beloften verhaalden, en hem zeiden ik die Hoorens de Jonge graag als

NL-HaNA_1.04.02_10984_0391 view scan ↗

English

wishing to put them on as having promised to do so, to which the master blacksmith answered that it was fine, they had been made for someone else, but then one could make another such or a different one. Asking the master blacksmith whether these had to be riveted, he answered yes. Whereupon, speaking alone with the said master, I asked him whether he could not make those holes a little larger, so that I could put a padlock on them, thus being able to put it on and take it off at will, having had no other intention with it than to show the boy that I could keep my word, and to serve for some time as an example and deterrent to my others. But being occupied with several affairs and businesses, and being unable to wait until my given orders were carried out, I told the master blacksmith that when these were ready, the boy should be brought upstairs and home by the attending kaffer. Subsequently, I, the undersigned, having come home from the Caab the same late morning at past eleven o'clock, and passing through the garden of my neighbor Alexander van Breda, the same went along with me to my house. As soon as I came into my garden, I was informed by my slaves in his presence that Mentok had run away again. Whereupon I betook myself the next day to the pro interim Fiscal. After wishing his Honor a good morning, I said to his Honor, that to my regret I came to give him, the Fiscal, notice of the effect of the violent contradiction of my orders and the Lord Fiscal's mercy, as the said Mentor, after having been at home for a few minutes, had run away again. Whereupon the Lord pro interim Fiscal said that they were his orders, and his constables were so instructed that they did nothing beyond his orders. Whereupon I replied that I was very surprised that his Honor contradicted his own given and written orders, having after all a note from his Honor to the master blacksmith to have my boy put in irons, being without any specification of shape, place whereon, or weight thereof. I thus judged it was up to me as his master to do so according to my own discretion. His Honor answered, no, that is against the laws. Whereupon I answered that those laws were unknown to me. Having furthermore asked his Honor for whose account all those damages and expenses would now be, his Honor being well able to imagine that, being brought to this every time by such a willful evildoer, it was impossible for me in such a manner to support my wife and six children. Whereupon his Honor said, we shall easily find that out when he is captured. I, thereupon requesting his Honor that I might be informed as soon as the boy arrived in the tronk, departed. Subsequently, on the 28th of October, the repeatedly mentioned Mentor was captured again by the boys of the widow Mrs. Ekkart. Notice was given to me by the same Mrs., and I was informed that I had to have the boy fetched. Having no time to send upstairs, the named Mentor requested Mrs. to send him to the Tronk instead, which being done, I, while sitting at the market selling vegetables, was warned by a kaffer. Whereupon I went to the widow Eckhart the next day to hear where my boy had been captured by hers. And it being told to me by her Honor that it was behind the castle, and he was brought by her boy to her house, not wanting to go home, even with good intercession, but to the Tronk. Whereupon, having joined the Lord pro interim Fiscal from there, I told his Honor what was recounted to me by Mrs. Eekhart: that the boy did not want to be brought home, that her Honor had promised him to put in a good word and that he would not receive a beating, he not wanting such, but rather to be in the tronk; and that I thus was now confident that his Honor would be fully convinced that that rascal had not been properly and sufficiently punished. For which reason I requested his Honor de novo to be allowed to have the same Mentor punished before the tronk by the kaffers to my satisfaction, yet, in order to satisfy his Honor's mercy, to spare the skinned buttocks of him, Mentok, but to have his back skinned, which had never been skinned; and subsequently that the aforementioned horns might be put around his neck, and, for his running away again, that the chain with a block on it, which was already hanging ready in the yard or blacksmith's shop, might be attached to the ring around his leg, so that, if not completely prevented, it would at least be more difficult for him, the boy, to run away willfully without reason and whenever he pleases. Whereupon it was directly retorted to me by the Lord pro interim Fiscal that such was most barbarous, inhuman, and unchristian, and that I, acting in such a manner even worse than a Turk, might well have the boy beaten to death, and whether I did not know that they too were human beings, created by God just like us. Whereupon I replied that I did not know a

Dutch transcription

„als zulx beloofd hebbende willende opzetten, waar op de baas smidt antwoorde dat is goed zij waa„ „ren voor een ander gemaakt, maar dan kan men weer een d„o of een ander maken. — vragende aan de baas smedt of zulx geklon„ „ken moest worden, antwoorde Ja. waarop met gem: baas alleen spreekende zeijde hem, of hij die gaatjes niet wat grooter konde ma„ „ken, ten einde ik daar een hangslot op wilde doen, konnende als dan 't op en afdoen na wel„ „gevallen, hebbende geen ander intentie daar mede gehad, als hem Jongen te toonen mijn woord te kunnen voldoen, en eenige tyd tot Een Exempel en afschrik voor mijn andere te doen zyn. Maar als met maraeren affaires en beezig¬ „heeden geoccupeerd zijnde, heb ik niet kun„ „nende wagten, tot dat mijn gegevene or„ „ders verrigt waaren, aan de baas smid zeiden zulx klaar zijnde de Jonge door de byzynde Katfer booven en ten huis zouden bezorgt wor„ „den, vervolgens ik onaergetekende denzelfden voordemiddag zijnde over de klokke Elf uuren van den Caab thuis gekoomen, en over de tuen van mijn buurman Alexander van Bre„ „da gaande, is dezelve met mij mede ge„ „gaan, naa mijn huis zoara in mijn tuin komende door mijn slaven in zyn presentie wierd berigt, Mantok wederom weg te zijn, waar op ik mij des anderen daags by de per in„ „trum Fiscaal begeeven hebben, naa zijn Ed. een goeden morgen gewenscht te hebben, aan zin Ed: gezegd, hem heer fiscaal tot mijn leedwezen kennis kwam geefen van het uitwerksel van des geweldiger Contradictie mijner orders en des Heer Fiscaals barmhartigheid, als zyn„ „den den zeeven Mentor naa eenige minute 't huis geweest te hebben wederom weg geloo„ „pen waar. — waar „ Waarop de Heer pro interim Fiscaal zeiden zijnen orders te zijn, en zijn geweldigers zoo inrigt hadden dat zij niets buyten zijn orders deeden, waarop ik repliceerde dan zeer verwonaerd ten zijn, zijn Ed: deszelvs gegevene en geschrevene orders Con„ „tradiceerden hebben Immers een briefje van zijn Ed: aan de baas smit om min Jonge in den Yzers te doen slaan, zijnde zonder eenigen bepaa„ „ling van Fatzoen, plaats waar aan of gewigt van dien. — dus geoordeelt hadden het aan mij als lyf„ „heer stond zulx naar mijn goed vinden te doen, zijn Ed: antwoorde, neen, dat is tegens de wet„ „ten, waarop ik antwoorden mi die wetten on„ „bekend te zijn, verders aan zijn Ed: gevraagd heb„ „bende voor wiens reekening nu al die schade en onkosten zijn zouden, zijn Ed: wel kunnende denken dat ik telkens door een zo moedwilligen kwaardoender daar toe gebragt werdende, op zulk een wijs onmooglijk mijn vrouw en zes„ kinderen konden mainteneeren. Waarop zijn Ed: zeiden wij zullen dat wel vinden als hij gevangen is Ik zijn Ed: daarop verzoekende zoo dra de Jongen in de tronk kwaam kennis te moogen hebben, heen gegaan ben. vervolgens op den 28 October: de meergem. Mertor wederom door den Jongens van de Juffw den Wede. Ekkart gevangen, door dezelfden Jaff mij is kennis gegeeven, en laten weeten dat ik de Jongen moest laaten haalen, als geen tijd hebbende om naar boven te zenden verzogt genoemde Mentor hem Juff„w maar naar de Pronk te Lenden, het welk geschied zijnde door een kaffer aan mijn op de markt zittende groente verkoopen gewaarschouwt is waarop ik des anderen daags bij den wede. Eckhart gegaan ben om te hooren waar mijn Jongen Jongen door den haare gevangen was, en door haar E: mij gezegd zijnde, agter het kasteel en door haar Iongen ten haaren huizen gebragt was, niet willen„ „den na huis, zelve met goede voorspraak, maar naar de Pronk. Waarop ik mij van daar bij den Heer pro interim fiscaal gevoegd hebbende, zijn Ed: het door Juffw Eekhart aan mij verhaalden gezegd, dat den Jonge niet na huis gebragt wilden zijn haar Ed: hem beloofd hadden een goed woord te doen, en geen slaag te zullen krijgen, willen„ „de zulx niet, maar Vliever in de dronk, en ik dus nu in 't vertrouwen was, zijn Ed: te vollen overtuigd zoude wezen, dat die Canaillijen niet naa behooren en voldoenend gestraft was. weshalven ik zijn Ed: de movo verzogt den„ „zelven Mentor voor de tronk van den kaffers naa mijn genoegen te mogen laten ofstraffen, egter om zijn Ed: barmhertigheid te voldoen„ hem Mentok zijn ontvelde billen te ontzien, maar op desselvs rug die nooijt ontveld ge„ „weest was, te doen ontvellen en vervolgens die voornoemde Hoorens om de hals, en voor zijn wederom wegloopen die keeting met een blok er aan dien reeds op de werf of Smidswinkel klaar ning, aan de zin been zittende ring gezet mogt worden, ten einde hem Iongen het zonder Reeden moedwillig en als het hem goed vind moedwillig wegloopen zoo niet ten eenemaal konden wederhouden het hem egter moeylijker zijn zouden. Waarop direct door den Heer pro interim fiscaal mij is toegevoegd zulx aller barbaarst ontmenst, en onschristelijk was, en ik op zoo een wijs nog erger als een turk handelende hem Jongen wel dood konden laaten slaan, en of ik niet wist dat zi ook menschen waren, van god geschapen gelijk wij Waarop ik repliceerde, dat ik niet wist een —

NL-HaNA_1.04.02_10984_0394 view scan ↗

English

to be a barbarian, an inhumane or unchristian man, nor did I practice any Turkish manner of dealing, but well knew that I was a Christian and practiced lawful punishment that was justifiable, and he, the Lord Fiscal, having known me for a long time, had never heard, nor would know by experience, that I acted in such a manner, also knowing well that I was not a man who for pleasure and for such a boy, and indeed one who was worth so much money to me, would have him beaten to death and act so barbarously that in the end he would be reduced to nothing, whereby I could not satisfy my creditors, much less derive my livelihood from it, but that all my demands for punishment were framed solely with the intention and hope that the same might serve to turn the boy from his errant ways and compel him to duty and obedience, being still young. Whereupon the Lord Fiscal pro interim answered me in his own natural language: "Now then, I wish that God had granted that you were born in that country and were a slave." Acknowledging it to be true that these offensive words, added to all that preceded and had passed, made me very displeased, I nevertheless answered very calmly with a laughing countenance, although that aforementioned wish is not worthy of being answered, I nonetheless say thank you to Your Honour, bowing respectfully, at the same time asking His Honour whether he would believe himself better suited for that than I, being from generation to generation a free-born Dutchman having nothing other than Dutch blood in my veins, and thus could impossibly grow accustomed to slavery. But His Honour being a German, thus certainly born under a king, prince, or count, who always exercised a more or less slavish rule over their lawful subjects, and thus could adapt better than I, but that I had not come to His Honour at all to be cursed, but rather for the infliction of punishment on my slave, whom I well knew according to God's word had not remained men equal to us, but had been given by God only as a servant of servants and a bondservant, and thus the boy being my purchased bondservant, to be permitted to chastise him and have him chastised according to the conscientious conviction of his desert, wherefore I persisted in my request made and wished to know whether His Honour pleased to permit such. By His Honour it was answered to me that he could not do such a thing, and would not take it upon his conscience at all, but promised me on his word of honour that he would submit my request to the Council of Justice at the first session, and take their decision thereon, and if they found my claim proper, he would have nothing against it. Whereupon having asked His Honour whether he was not then a fiscal, for I knew no better than that such matters and the settlement thereof belonged to the department of the fiscal, otherwise I would have applied by petition myself directly to the Honourable Council, as I would now also do. Whereupon the Lord Fiscal was told once again to do so. Whereupon I said to His Honour that I would then do such for His Honour's protection, to which he answered yes. I thereupon requested His Honour to put the case as well as my claim on paper, and I would sign it. The Lord Fiscal asking me whether I did not trust him. I said the proverb was, be faithful and trust no one, yet I would trust His Honour on his word of honour, and at that time it was once again clearly said by His Honour that on his word of honour he would bring nothing but solely my claim concerning the punishment of my bondservant before the Council. Whereupon I said, it is well then, my Lord, if it cannot be otherwise, I shall rely upon your word, and consequently willingly and fully content myself with the decision of the Honourable Council, however the boy shall from now on remain at Your Honour's expense and I do not intend to pay any costs on that account. To which he answered, you have nothing to fear or worry about, wherewith I went away. Herewith concluding this my declaration, giving as reason of knowledge to have heard, said, and attended the foregoing, and to be of my own doing, and further presenting as in the text, if necessary, to confirm under oath after the re-reading. Beneath was written: Cabo de goede Hoop the 1st of December 1785 was signed W: fersvelt. Appeared before the Right Honourable Lord President and Council of Justice of the Castle of Good Hope, Gabriel Exter, Fiscal pro interim, in his official capacity, plaintiff on the one part, the burgher Willem Versfeld, defendant on the other part, 1. and caused to say 2. that however much foundation the defendant also in his answer, preceding own declaration given by and upon his oath taken in refutation of the Cape of Good Hope

Dutch transcription

een barbaar, ontmenst of onschristelijk man te zijn ook geen turkse handelwijs oefende, maar wel te weeten dat ik een Christ was, en schriftelijke straf oefende die bestaanbaar was, en hij Heer Fiscaal mij lang gekend hebbende, hij nooijt nog gehoord, nog bij ondervinding zoude weeten dat ik dus handelde, ook wel weetende dat ik geen man was, die voor placsier en voor zulken een Jonge, en wel zo een die mij zo veel geld waardig was, dood soude laten slaan en zo barbaars handelen, dat hij op het laatst niets meer zoude zijn, dat ik daar door mijn Crediteurs niet voldoen veel minder mijn be„ staan daar door hebben, maar dat alle mij¬ nen Eisschen den straffen alleen was ingerigt met die intentie en hoopen dat dezelve mogten dienen, om de Jonge te doen keeren van zijn dwaalwegen en hem tot pligt en gehoorzaam„ heid te dwingen zijnde nog Jong. Waarop door den Heer prointerim fiscaal mij op zyne natuurlijk taal is geantwoord Nu dan wens ik dat god gegeeven had, dat gij in dat land gebooren waart en een slaaf was. — Bekennende waar te zijn die gerievende woo den gevoegd bij al 't voorgaande en gepasseerde mij zeer misnoegd maakten, egter zeer bedaar met een laggende weezen antwoorden, alhoewe die gedenoteerde wens niet waardig is om ten beantwoorden, zo zeggen UEd: egter dank mij eer beedig buijgende, zijn Ed: teffens vragende of hij wel wilde gelooven daar beter toe ten schi „ken als ik, zynde van Ouder tot ouder een vry geoogten Nederlander hebbende niets anders als Nederlands Bloed in de aderen, en zus onmogelijk de slavernij zoude kunnen gewen „nen. maar zijn Ed: een duitzer zijnde, dus zek lijk onder een koning, Vorst, of graaff gebooren zynde welken altijd min of meer slaafse Re¬ „geering „geering over haaren schriften onderdane oefen„ „de, en dus beter als ik zoude schikken kunnen maar ik in het geheel niet bij zijn Ed: gekoo„ „men was om verwenscht te worden maar wel om strafoeffening van mijn slaaf, die ik vol„ „gends gods woord wel wist geen menschen ge„ „lijk wij gebleeven te zijn, maar van god ge„ „geeven te zijn alleen knegt der knegten en lyfeijgen en dus de Jongen als mijn gekogte lyfeygen zynde, te mogen kastijden en te doen kastijde naa gemoeds overtuiging der verdienste weshalven persisteerde bij mijn ge¬ „daan verzoek en te mogen weten of zijn Ed: zulx gelieft te permitteeren. — door zijn Ed: mij geantwoord is, zulx niet te kunnen doen, en in 't geheel niet op zijn Consccentie te willen neemen maar op zin woord van Eer mij beloofde, mijn verzoek aan den Raad van Justitie bij den eerste zetting zoude voor dragen, en deszelvs decisie daarop inneemen en indien mijn Eisch goed vond, er dan ook niet teegen hadden. — waarop aan zyn Ed: gevraagd hebbende dan geen fiscaal te zijn, want niet beeter wiste of zulken zaken en 't afdoen van dien aan het departement van den fiscaal hoorden anders mij zouden bij requesten zelve aan de achtbaren Raad vervoegd hebben, gelyk nu ook doen zouden Waarop de Heer Fiscaal wederom gezegd wierd zulx ten doen. — Waarop aan zijn Ed: zeeden zulks dan tot dek„ „king van zijn Ed: wilde doen, op antwoord van Ja„ Ik verzogt hier op zijn Ed: 't geval teffens mijn eesch op 't papier te willen zetten ik zulx ondertekenen zou„ den heer Fiscaal mij vraagende of ik hem niet vertrouwden. Ik zeide het spreek woord te zijn, weest trouw en vertrouwd niemand, egter ik aan zijn Ed: op des„ zelvs woord van Eer, zoude vertrouwen en als doen nog nogmaals duidelijk door zijn Ed: gezegd, dat op zijn woord van Eer niets aan Enkel mijn Eisch omtrend den straf van mijn lyfeigen zoude voor den Raad brengen. Waarop ik gezegd hebben het is dan wel mijn Heer, als het anders niet zijn kan, zal ik mij op uid woord vertrouwen, en vervolgens gewillige volkomen met de decisie van den achtbaaren Raad ten vreeden houden, egter den Jonge van nu af aan voor uEd: Rekening zitten en geen kosten deswee„ „gens denk te betaalen. — waar op antwoorden gij hebt niet te vrezen of te zorgen waar mede ben heen gegaan.— sluitenaen hier mede dit mijn declaratoir voor reeden van wetenschap geevende 't voorenstaande gehoord gezegd en bygewoond te hebben en van mijn eigen fait te zijn, en voorts als in den text praesen„ teerende des noods naar den precollement onder leden. /:Onderstond:/ Cabo de goede Hoop den 1 december 1785 /:was getekend:/ W: fersvelt. Compareerde voor den Wel E: Achtb: Heer praesident en Raade van Justitie des Casteels de goede Hoop gabriel Exter pro inte„ „rim Fiscaal R: O: Eiss:t ter een„ „ken den Burger Willem Versfeld ged:e ter anderen zijde 1. en dede zeggen 2 dat zo veel fondement den ged„e ook in de zyn antwoord voorgaande eygenen verklaring by ende op zijn gedaane Eed gegeven tot wederlegging des Ca„ Ho

NL-HaNA_1.04.02_10984_0397 view scan ↗

English

of the claim and conclusion taken against him. 3 and therefore, with not very great confidence, refers Your Honorable Court thereto. 4 The Plaintiff ex officio rejects this statement of the defendant in his own cause as frivolous and unlawful. 5 and thus, passing it by entirely, will only briefly observe, for further elucidation: 6 that if to the master nothing more than a domestic correction of slaves is permitted, 7 this stipulation being explicitly prescribed in the statutory laws of India under the article of slaves, 8 the defendant indisputably went beyond the bounds in punishing the boy in question. 9 wherefore, seeing this, he also wants to deny the skinning and the bruising of his buttocks, or attribute them to other accidents, which the Plaintiff ex officio will leave to the judgment of Your Honorable Court. 10 but that these are not the only reasons, which made the intentions of the defendant appear not very friendly and humane to the Plaintiff ex officio. 11 But much more the strong expressions and persistent efforts to torture that boy now still in various manners, 12 which also forced from the Plaintiff ex officio the expressions about which the defendant is so very indignant. 13 That the defendant, regarding the pretended second chastisement, may have the statement of the burgher van Breda in his favor, 14 certainly contradicts the Plaintiff ex officio, yet in no way can it be concluded from it 15 that the Plaintiff ex officio spared the truth, but rather that he was then lied to by the boy. 16 So much the more is it true then that the defendant demanded from the Plaintiff ex officio 17 to have his boy punished in the manners, and not less, as alleged in the claim. 18 And the Plaintiff ex officio trusts to have believed that 19 which an honor- and duty-loving man, as which he flatters himself to be generally known and seeks to be with all his might, and his post merits, and his office necessarily demands. 20 That furthermore the defendant very wrongly imagined of the Plaintiff ex officio 21 that he would be his advocate before Your Honorable Court, 22 having promised him nothing else than to submit the case with its circumstances to Your Honorable Court for decision, 23 because, on account of the alleged reasons, no other way remained open. 24 And the Plaintiff ex officio did not wish to proceed to any further explanation, 25 which would have been ill-placed and would have given occasion for greater dissatisfaction, which is to be expected from a hasty and self-important character. 26 That it is thus just as well the excessive chastisement as also, and predominantly, the conduct of the defendant and the just fears for the future caused thereby, 27 which constitute the foundation of this action instituted against him. 28 And which will legitimize the Plaintiff ex officio in every respect to that end and for his taken claim and conclusion. By which and other reasons and means to be further deduced in due time if necessary, the Plaintiff ex officio, contradicting and dismissing the arguments and assertions in the conclusion of answer as futile and irrelevant, persists with his replication. Was signed: G: Exter. In the margin: Exhibited in court this 14 September 1785. Duplication made and most respectfully submitted to the Honorable President Pieter Hacker and the Council of Justice of this Government, in the name and on behalf of the burgher Willem Versfeld, defendant, against the Fiscal pro interim Gabriel Exter, Plaintiff ex officio. Right Honorable President and Honorable Gentlemen. Before proceeding to this duplication, the defendant will have the honor of expressing his most humble thanks to Your Honorable Court for the granted copy of the replication and extension of time, as well as for the favorable granting of a copy of the memorial submitted to Your Honorable Court by the gentleman Plaintiff ex officio prior to litis contestatio, which memorial the defendant then will also, first and before proceeding to the refutation of the replication itself, examine a little and place before the eyes of Your Honorable Court, but only the principal points and specifically those which can be understood by the defendant, and pass over the rest without the slightest reflection as not understood and moreover not meriting the least attention from Your Honorable Court. The Plaintiff ex officio pleases to say in his memorial that about 8 to 10 days ago, the burgher W: Versfelt came to the undersigned here to report a slave boy named Mentor of Mozambique as a runaway, of which boy the gentleman's first provost had reported that same morning that the same boy had been brought into the jail; the defendant, with all due respect for the respectable persons of Your Honorable Court, will have the honor to say that the gentleman Reporter ex officio comes to present this occurrence remarkably mistakenly, since the aforesaid boy of his had already been brought into the jail two days before, before and ever the defendant presented himself to the gentleman Fiscal pro interim without having lawful notice thereof, which certainly is contrary to the statutory orders established regarding that, which dictate that as soon as a slave boy is brought into the jail, notice thereof must immediately, without any delay, be given to the masters. Further, the Reporter ex officio says: Finally, it was agreed by the reporter to have him placed in irons, the necessary order having been given about this, the aforementioned Versfeld, in addition to the same,

Dutch transcription

des tegens denzelven genomene Eissches en Conclusie vermeend te hebben 3 en dierhalven niet zeer groot vertrouwen uwE: Achtb: daarop is renvoyeerende 4 den R: O: Eisscher deze verklaring van den ged„e in zijn eigen zaak als frivol en onwettig rejecteerd. 5 en dus dezelve geheel voorbij gaande alleenig tot meerdere elucidatie kortelijks nog zal aan merken. 6 dat indien aan den lyfheer niet meer als een ddmistique Correctie der slaven gepermit„ „teerd is. 7 zijnde deze bepaaling uitdrukkelijk in de statuairen wetten van india red: art: van slaven voorgeschreeven. 8 den ged e ontensprekelijk in 't bestraffen van den quaest: Jonge buiten de palen is gegaan. 9 waarom hij ook dit ziende 't ontvellen en de kneusingen van dezelvs billen ontkennen often door andere toevallen veroorzaakt hebben wit dat den R: O: Eiss„r ter beoordeeling van uwE: Achtb: overlaaten zal. 10 dog dat dit niet alleen de redenen zijn, all den R:O: Eiss„r de gezenningen van den ged„e niet zeer vriendelijk en menschlijk hebben roen voorkomen. Is Maar veel meer de sterken expressien en aan¬ houdende bemoeijen om dien Jongen nu nog op verscheedene manieren te tortueeren, 12 dat aan ook den R: O: Esscher de uitdruk„ „kingen afgeperst heeft, waar over den ged„e zo zeer voleeren 13 dat den ged„e nopens de pretensive tweede kastijding wat de verklaring van den Bur„ ger van Breda voor zig heeft I4 den R: O: cissr zekerlijk tegenspreekt dog op geenaerlij wijze daaruit kan opgemaakt worden. 15. dat den B: O: Eiss„r den waarheid gespaard maar as maar wel dat hij dan den Jongen zal zijn beloogen geworden. H zo veel te meer is dan waar dat den gede van den R:O: Cesc„rt heeft gepretendeerd 17 Om zijn Jongen op de wijzen en niet minder te doen straffen, als bij Eisch geallegeerd is 12 en vertrouwd den R: Ouss„n den geene gelover„ te zullen hebben. 19 dewelke een eer en pligt beminnende man, waarvoor hij zig vleed in 't generaal bekend en uit allen kragten 't zoekt te zijn:/ en zijn post meriteerd en deszelvs Ampt noodzakelijk ver„ „eischd. 20. dat voorts den ged„e zeer onregt zig van aen R: O: Eesscher heeft verbeeld. 21. dat denzelven zijn zaak voerder uwE: Achtb: zijn zal. 22 hebbende denzelven niet anders beloofd, als den zaak met haare omstandigheeden uwE: Acht tot desicio voorteleggen. 23 om dat wegens de geallegeerde redenen geen anderen weg over (was. 24 En den R: O: Ass:t tot geene veraeren Epplicatie wilde overgaan. 25 dewelke qualijk geplaatst zouden geweest zijn en tot meerdere misvernoegen gelegend„ 6. „heid gegeeven hebben, 't geen van een driftige en zig meer verbeeldende Character te ver¬ „wagten is. 26: dat 't dus even zo wel de overmatige kastij„ „ding als ook en voornamentlijk 't gedrag van den gede en den daar door veroorzaakte geregten vreesen voor de toekomst is. 27 dewelke 't fundament dezer tegen hem geinstitueerde, actie uitmaken. 28: En den R: O: Eesc„t daar toe ten allen op„ „zigten en tot deszelvs genomene Eisch en Conclusie zullen legitimeeren. Mits welken en andere redenen redenen en middelen in tyd en wylen /: is 't nood:/ nader te ae„ „duceeren, den R: O: Eisscher Con„ „tradiceerende en afslaande de middelen en positeixe bij conclusie van antwoord als futil en irreberante persisteerd van replicq /:was getekend:/ G: Exter /: in mar„ „gine :/ Exhibl: in Judicio dien 14 7ber 1785. Suplicq geaaan Maaken en op 't aller Eerbiedigst aan aen Edelen Achtbaren Heer presi„ „dent pieter Hacker, en Raade, van Justitie dezes gouvernement overgegeeven uit Naamen en van weegens den burger Willem Versfeld ged.:e Contra den pro Interim Fiscaal ga„ „briel Exter R: O: Eesscher. WelEdele Achtbare Heer. en Heeren. Elvoorens tot dit duplicq over te gaan zal den ged:e de Eer hebben UEde Achtb op 't allernadrigst dank te betuigen voor ver„ „leende Copia van 't Replicq en attermina„ „tie van termijn als mede voor 't gunstig ver„ „leenen van Copia van 't vertoog door den Heer R:O: Eisscher voor deletis Contestatie aan uEd: achtb: overgegeeven, welk vertrog den 9ed„o 8 ged„e dan ook eerstelijk en alvoorens tot de des„ „contre van 't Repliecq zelven over te gaan, een weinig zal nagaan, en aan UEd: achtb: voor oogen leggen, egter den prinsepaalste po„ „incten en wel die geen, die bij den ged:e ver„ „staan kunnen worden, en de overigen als niet verstaande en buiten dien ook geene de min„ ste aandagt van ued: achtb: meriteerende zonder de geringste reflexie te passeeren. den R: O: Eiss„r aldaar vertoonen gelieft te zeggen, dat voor omtrend 8 à 10 dagen gele„ „den bij den ondergetekende gekoomen den burger W: Versfelt alhier om een slaven Jon¬ „gen in Naamen Mentor van Mosambique als gedrost op te geeven, van welken Jongen dien zelvden morgen 's Heeren eerste geweldiger rapport gedaan hebbende dat den zelven Jon¬ „gen in de Tronk was gebragt geworden, aen gede zal onder Eerbied voor de respectable perzoonen van uEde achtb: de Eer hebben te zeggen, dat den Heer R:O: Vert: dit voorge„ „vallene merkelijk abusie komt voor te stel„ „len, dewijl voorsz: zijn Jongen reeds twee da„ „gen bevoorens in den Prink was gebragt, voor en al eer hij gede zig heeft gevoegt bij den Heer per intrum fiscaal zonder wettelijke kondschap daar van te hebben, 't welk wel degelijk is strijdende met de daar om„ „trent gestatueerde Orders, die dicteeren dat zo wanneer een slave Jongen in de Tronk is gebragt dadelijk zonder eenig vertoeven, daar van aan den lyfheeren zal moeten wer„ „den kennis gegeeven verder zegt den R:O: vertoonen. — Eindelyk van den vertooner geaccor„ deert wierd denzelven in den ysers ten laten slaan hier over aan nodigen ordre gegeeven zijnde geweest heeft gem: versoeld. boven de„ „zelven

NL-HaNA_1.04.02_10984_0401 view scan ↗

English

further ordered an iron band around the neck of the boy with horns projecting on both sides of the head, and since this was not within the regulations of the provost marshal and could not be permitted, the said petitioner came back to the honorable exhibitor complaining about it, and saying in this manner the boy will immediately run away again, and who will then pay the costs. From this it will appear to your Honors that the defendant did not act propria auctoritate, but pursuant to the 6th article of the laudable statutes of India at his request with the consent of the officer had the same put in irons, without those irons being specified either there or in the consent slip of the Fiscal as to what they should consist of, since the defendant, as already quoted above, had found no specification of this, and precisely by chance finding those iron horns lying there, gave orders in accordance with the general consent of the Fiscal to put them on his boy, and thereby make running away for him, if not entirely impossible, at least quite difficult, whereupon it was said by the master blacksmith, Yes, that is good, they were made for another, but now I will put them on him, and make others again, which the defendant also expected would happen, but this being prevented by the provost marshal, he was sent home to the defendant with a single small bolt and ring around his leg, from which it clearly appears that the Lord Officer of Justice is not always consistent with himself, both in the punishment of crimes and in giving consent to punishments, which the defendant can demonstrate from various examples, and in case the Lord Officer of Justice requires such, it will also be brought forward to the satisfaction of your Honors as he hopes in his defense, if also, Honorable Gentlemen, the horns can indeed be made applicable to the punishment of a criminal, such must absolutely take place in the present case, since the accumulated misdeeds of the defendant's boy deserved a more than ordinary punishment, and concerning the refusal to allow the confinement in chains in such a manner as the defendant had wished, this has had such consequences as the Officer of Justice has, however, not truly presented to your Honors, the defendant says not truly, Honorable Gentlemen, for the Lord Officer of Justice, the exhibitor, claims that the defendant had come to him and had said, in such a manner the boy will immediately run away again, and who will then stand for the costs, which the defendant explicitly denies, but rather that after his boy had run away again, not because of ill-treatment and being brought to meals and without having eaten yet with blows and beatings in the same manner to his assigned work, but rather because he had not been properly punished and had not been riveted in such sufficient chains as would have prevented his flight, or at least made it quite difficult. Yet how does the Officer of Justice, the exhibitor, contradict himself here with his arguments brought forward in the claim, for here he says that the boy ran away because he was brought to food and work with blows and beating, and in the conclusion of the claim, that the defendant called him before him, and said where are you Mentor, and after having given him Mentor several blows with the sjambok, ceased again saying no, I will have you beaten better with rods, that the defendant also employed the help of some boys and therefore he also ran away, yet both being untrue, this falls away through the declaration of Alexander van Breda, already delivered into court, and concerning what the Lord Officer of Justice, the exhibitor, says was finally agreed to by him, denoting thereby having the boy put in irons, and the necessary orders having been given for that purpose, from this it will appear to your Honors that the Officer of Justice, the plaintiff, not only agreed to his last request, but even gave the order for it, how can the Officer of Justice, the plaintiff, then afterwards maintain an action on grounds of ill-treatment against the defendant, much less initiate it, since he not only, through the issued consent, fully approves in effect and head the domestic punishment applied by the defendant to the boy, but even maintains that there had not been enough of it, and for that reason himself gives orders to complete what was lacking therein by putting him in irons. Further it is said: The Officer of Justice, it is stated, would almost believe from this whole history that this was expressly fabricated and arranged in court in order to make the aforesaid Versvelt achieve his purpose, etc. How malicious this expression is, your Honors will be able to judge for yourselves, and the Lord Officer of Justice will possibly imagine that this is permitted to him ex officio above others, and that this, on whatever loose grounds, can be maintained.

Dutch transcription

zelve nog besteld een band om de hals van den Jongen met daar aan op beijde zeijde van het hoofd uitsteekende ooren, en zulx als buiten ordre zijnde van 's Heeren geweldiger niet kunnen de toegelaaten worden, is denzelven versoekt bij den B: Vertooner te rug gekoomen zig daar„ „over beklagende, en zygende op dezen wize zal den Jongen dadelyk weder drossen, en wie zal dan voor de kosten slaan. — Hier uit zal aan uEd„e agtb blyken dat den ged:e niet propria authoritate, maar in ge„ „volgen 't 6„de articul den lofselijke statulen van India op zijn verzoek met Consent van den officier dezelve in den yzers heeft laten slaan, zonder dat die izers aldaar even zo min als in 't Consent briefje van den Heer Fiscaal zijn bepaald, waar in dezelve moeten bestaan, door dien den ged„e zo als reeds ten vooren aan„ gehaald heeft daar geen bepaaling van ge„ „vonden had, en Juest bij geval die yzere no„ „rens aldaar vindende leggende, ordre gaf overeenkomstig den genen raalen toestemming van den Heer Fiscaal deszelvs Jongen die op te zetten, en hem daar door 't drossen zo niet geheel onmoogelijk ten minsten vrij moeije„ „lijk te maken, daarop door den baas smit wierd gezegt, Ja dat is goed, zij waren voor een ander gemaakt maar nu zal ik ze hem opzetten, ten maaken wederom anderen 't geen den gede ook verwagt hadde dat geschieden zoude, maar door 's Heeren geweldiger zulx verhinderd zynde, wierd denzelven met een Enkel boutje en king om 't been aan hem ged„e 't huis gezonden, waar uit ten klaatsten blijkt, dat den Heer R:O: zig niet altid gelijk is, zo in't straffen der misdaaden, als 't Con„ „sent geeven tot strafoefeningen 't geen den ged„e uit verscheedene voorbeelden kan aan„ „toonen „toonen, en in geval den heer R:O zulx requireer ook ten genoegen, van UEd: Achtb: zoo als hij ver„ „hoopt in zijn zalvatie zal werden bij gebragt indien ook Ed: achtb: Heeren de Hoorens imme oplicabel kunnen gemaakt worden tot de strag van een misdadiger moet zulx absoluit in 't ge „val voor handen plaats kunnen hebben. dewijl den opgekoopte ongeregeldheeden van des ged„e Jongen eenen meer als ordainairen straf ver „dienden en belangende het niet toelaaten van de sluiting op zodanig eene wijze in ketting als de gede wel gewenst haaden heeft het zelve zo danige gevolgen gehad als den R: O: aan UEd: Achtb: egter niet naar waarheid heeft vertoond den gede zegt niet naar waarheid Ed: Achtb: Heeren want den heer R: O: vertooner avan„ „ceerd dat den ged:e bij dezelven gekoomen was, en gezegd hadeden, op zodanig een wijze zal den Jongen dadelijk weder drossen, en wien zal dan voor de kosten staan het geen den ged„e wel Expresselijk ontkent, maar wel dat naa deszelvs Jonge wederom was weg¬ „gedrost, niet door de slegte behandeling en 't met stoten en slagen tot Eeten en zon„ „der nog gegeeten te hebben, op gelijke wijze naa zijn bestemb werk gebragt te worden, maar wel door dien hij niet behoorlijk was afgestraft en in zodanigen sufficanten keetenen was geklonken geworden die hem 't vlugten wel belet, ten minste vrij moeyelijk zoude gemaakt hebben. dog hoe spreekt den R: O: vertooner zig hier teegen met zyne middelen in den Eesch bigebragt, want hier zegt hij dat den jonge is weggeloopen, om dat hij tot 't Eeten en werk met slooten en slaan gebragt is en in Conclu „sie van Eisch, dat hij ged: hem heeft voor Lig zig geroepen, en gezegt waar zijt gij Menton, en na hem Mentor eenige slagen met de sjam„ „bok te hebben gegeeven, met ten zeggen neen ik zal souw beeter met roeden laaten slaan, weder„ „om uitgescheiden was, dat den ged=e ook niet hulpen van eenige Jongens in 't werk gesteld heeft en daarom ook is weggedrost, dog t een en ander onwaar zynde vervalt door de ver¬ „klaring van Alexander van Breda, reeds in Ju„ „dicid overgelevert, En wat betreft dat den heer R:O: vertooner, zegd Eindelijk van hem ge„ „accordeert wierd dezelven, denoteerende, daar mede den Jongen in den yzers te laten slaan, en den nodigen ordres daartoe gegeven geweest zijnde, hier uit zal aan uEd. achtb appareeren, dat den R: O: Eissr: niet alleen in desselvs laatst verzoek geaccordeert heeft maar zelvs daar„ „toe den ordre gegeven heeft hoen kan nu de R:O: Eess:t dan nog naderhand een actien uit hoofde van mishandeling tegen de ged:e susti„ „neeren veel minder enthameeren, daar hij niet alleen door uit gegeevene Consent de domestigue strafoefening door den ged:e aan den Jongen geappliceert ten vollen in effecten en kapiten approbeert maar zelvs mede sustineert daar aan niet genoeg gehad te hebben, en uit dien hoofden zelven orare geeft om het daar aan defecteerende door 't slaan in de yzers ten Completteeren, verder zegt men. den R: O: vertoond zoude bijna gelooven uit dezen geheelen historien dat zulx expresselijk gefabriceert en in gerigt was, om voorsz: Versvelt zijn doelwet te doen berijken & hoen lasif dezen uitdrukking is zullen uEd: Achtb: zelfs kunne beoordelen, en den Heer R:O: zal zig mogelijk verbeelden dat hem zulx ampts„ „halven als mede gepermitteerd is booven an„ „deren, en dat zulx op welke lossen gronden ook gesustineerd de ld

NL-HaNA_1.04.02_10984_0404 view scan ↗

English

maintained and brought forth, because it was advanced by the gentleman pro interim, not only must it be believed that the same has fabricated such evil practices that would always be punishable, but moreover it would have to be accepted as certain that the gentleman R: O: will please to allow that these expressions, added to what was cast at the said defendant verbally and the multitude of other insulting expressions of which the gentleman R: O: made use in his writings, are kept reserved by the said defendant in order to employ them in the action of injuria, which the R: O: plaintiff has compelled the defendant to institute against the same after this case shall have been terminated before the highest court. The R: O: petitioner, not considering himself authorized to execute such criminal executions, and even less having any instructions or precedents for it, nor being able to tolerate such impertinences and instructions in his office, on the contrary holding it his indispensable duty to oppose everything conflicting with humanity and equity, found himself compelled, in order to prevent further unpleasantness and dispute, to declare to the frequently mentioned Versvelt that he would bring this case under the judicial eye of your Honorable Worships. How the R: O: plaintiff again fights the wind there, bringing an accusation of not being able to tolerate such impertinences in his office &c, but Honorable Worshipful Gentlemen, where does the R: O: petitioner produce any proof of having been treated impertinently? The contrary thereof the defendant's given declaration will show; the R: A: plaintiff's writings are stuffed, even to the point of nausea, with citing such impertinences and unpleasant remarks without any proof; to the defendant it seems that the dignity of such a respectable court as that of your Honorable Worships is infringed upon by presenting such talk without a shadow of, much less the reality of, truth. The R: O: says he found himself compelled to declare to the frequently mentioned Versvelt that he would bring this matter under the eye of your Honorable Worships. Yet, Honorable Worshipful Gentlemen, the R: O: did not declare, but on his word of honor promised to present this matter with its true circumstances and whole course of events, and favorably as he expressed himself, to your Honorable Worships, as they could not nor dared take such upon themselves; herewith this representation, both from what is cited in this and what was already advanced in his answer, having answered to the satisfaction of your Honorable Worships as he respectfully hopes, the defendant will then proceed to the dissection of the already mentioned Reply. The R: O: plaintiff tries in art: 2. 3. 4 and 5 to make the declaration given in truth under the defendant's own hand appear to your Honorable Worships as having to remain without any consideration; but, Honorable Worshipful Gentlemen, the defendant trusts that the R: O: will possess more legal doctrine than he now wishes to make known and serves him in his case; the opinion and proposition of all jurists will be well enough known to the R: O: not to be fully convinced that a testimony in one's own case alone does not constitute sufficient proof, but is always held as half-proven, and in case the same is corroborated with others (as in the present case), according to law merits all credit, without those same laws attributing any greater authority or credibility to a person elevated above others in rank; on the contrary, an actor or plaintiff in his own case cannot claim as much credit as a defendant, and in case the same is put to the tender and reference of the oath, the oath is always deferred or permitted by a judge to a defendant. art: 6, 7 and 8 the R: O: plaintiff says that if to the master no more than a domestic correction of slaves is permitted— this stipulation being explicitly prescribed in the statutory laws of India vide art: on slaves. The defendant unquestionably exceeded the bounds in punishing the boy in question. The defendant would have wished, Honorable Worshipful Gentlemen, that the R: O: plaintiff had adduced the definition of the punishment from the statutes of India, since he believes to have acted absolutely in conformity with the same, since he has only found art: 6 title of slaves. Is the master permitted, when any faults are committed, to correct with domestic punishments, but they shall not be allowed to put the same in irons or fetters, much less to torture or otherwise mistreat them, unless with the knowledge and consent of the judge or the respective officers upon forfeiture of the same. Has not the defendant, Honorable Worshipful Gentlemen, proceeded in conformity with this article in all respects in punishing his boy, indeed yes, because of his manifold committed and accumulated irregularities he applied to him merely a domestic punishment, indeed even so slight that the same, after receiving it, took directly to flight to the Zwartland the very next day. The same

Dutch transcription

gesubstineerd en te beiden gebragt, om dat 't van den heer pro interum werd geadvanceert, niet alleen moet geboofd worden dat denzelven zoda„ „nigen quaden praticquen heeft gefrabiceerd die altijd strafwaardig zoude zijn, maar daar en booven voor zuiker zouden moeten worden op„ „genoomen dat den heer R: O: zal zig wel gelie„ „ven ten laten woegevallen, dat dezen expressien ge„ „voegd bij 't aan hem ged„e mondelijken toegeworpen en den menigten anderen beledigende uitdruk„ „kingen waar van den Heer R: O: zich in deszel schriftuuren bediend heefd, bij hem gede gere„ „serveert gehouden werden, omme te Emploij„ „eeren, in de actie van injuria, die den R:O: Eisscher den gede genoodzaakt heeft, nadat deze zaak voor de uiterste rechtbank zal wa „zen getermineerd Jegens denzelven, te moeten enthameeren. den R: O: vertoonder die diergelijke Crimi„ „neelen Executien te oefenen, zig niet bevoegd houdende, en nog minder eenige voorschrifte ofte voorbeelden daar toe kunnende, ook dier„ „gelijke inpertenentien en voorschriften in zijn officier niet kunnende gedoogen ter Contrarie het voor zijn indispersable pligt houd al„ „les met mensch en billykheid strijaende tee„ „gen ten gaan, heeft zig genoodtzaakt gevon „den ter verwyding van meerdere onaangena heden en discutie aan dikwyls gem: Versvelt ten declareeren dezen zaak onder het rechter„ „lik oog van uwEd: achtb: te zullen brengen. hoe schermt den R: O: Ess„r daar we„ „derom in den wind, eenen beschuldiging in Vagt diergelijke impertinentien in zijn officie niet kunnende gedoogen &c, dan Ed: Achtb: Hee„ ren waar brengt den R: O: Vertooner enig bewijs bij van impertinent bejegend te zyn 't Contrarie van dien zal des ged„e gegeeven declaratoir aan toonen des R: A: Eesschers schriftuuren zijn opgepropt met tot walgens toen toe van diergelyke inpertinenties en onaange„ „naame propos aan te haalen zonder eenig be„ wijs, aan de ged„e verneemd dat 't de achtbaarheid van zulks een respectable rechtbank als die van uEd: achtb: is te kort gedaan, zoodanige praat„ „jes zonder schijn van, veel minder waarheid zee¬ „ven voor te dragen. den R: O: zegt zig genoodzaakt heeft gevonden aan dikwijls gem: Versoelt te declareeren dezen zaak onder het oog van UEd: Achtb: te zullen bren„ „gen. dan Ed: achtb: Heeren, den R:O: heeft niet ge„ „declareerd, maar op deszelvs woord van een beloofd deze zaak met deszelvs waare omstan„ „digheeden en gantsche toedragt en wel gunstig gelijk hij zig uitliet aan UEd: Achtb: voor ten zullen houden deweil zijde zulx niet op zig zel„ „ven ten kunnen nog te durven neemen, hier me„ „den dit vertoog zo uit 't aangehaalde ten dee„ „zen als reeds in zijn antwoord geavanceerde ten genoegen van uwEd: achtb: zo als hij eerbie„ „dig verhoopt beantwoord hebbende, zal den ged„e als overgaan, ter ontlediging van 't reeds gemelde Repliecq. — den R: O: Eess„r tragt UEd: achtb: in art: 2. 3. 4 en 5. 't bij den gedt naar waarheid eijgen handig gegeven declaratoir ten doen voorkomen, als buiten eenige aanmerking te moeten blijven, van E. achtb: Heeren den ged:e ver„ „trouwt, dat den B: O: meerder Rechts doo„ „trine zal bezitten, als hy tans wil te kennen geeven en hem in deszelvs zaak dienstig is, den R: O: zal 't gevoelen en de stelling van alle Regtskundigen genoeg bekend zijn, om niet ten vollen overtuigd ten zijn, dat eene getuigenis in zyn eegene zaak alleenig geene genoegzaamen proeven uitmaakt maar altid ten halven voor geprobeerd gehoude werd, en in gevallen dezelve met anderen /:gelijk in 't geval voorhanden:/ gecorroboreert is, na rechten alle geloofmeni„ „teerd „teerd, zonder dat die zelvde Rechten eenige meer„ „dere authoriteit of geloofbaarheid toeschryven aan een perzoone booven andere in stand ver„ heven, ter Contrairie een actor of aanlegger in zijne eijgene zaak zo veel geloof niet kan Cooni peteeren als een verdediger en in gevalle 't zelven ter delatie en relatie van Eede gesteld word, al„ toos door aen rechter den Eed aan een verdedigen gedefereert of toegelaaten word. art: 6, 7 en t zegt den R: O: Eisscher dat indien aan den lyfheer niet meer als een domestique Correctie der slaven gepermitteerd is— zynde deze bepaaling uitdrukkelijk in de statuaire wetten van Indien vide art: van slaaven voorgeschreeven. — den ged:e ontegensprekelijk in 't bestraffen van de quaest: Jongen buiten den paale is gegaan den ged e had wel gewilt Ed: Achtb: Heeren dat den R: O eiss„r uit de statuten van Indien den bepaaling der straf had bygebragt dewijl derzelven vermeerd absolutelijk Comform &e¬ „zelve gehandeld te hebben, dewijl alleenlijk art: 6 titul van slaven heeft gevonden. Is den lyfheer toegestaan zo wanneer eenige fouten komen te begaan met domistique straf „fen te corrigeeren, maar en zulle dezelve niet vermogen in de ijzers of boeijen te slaan, veel mo te tortureeren of anders te mishandelen ten zij met kennis en Consent van den rechter ofte de respectice officieren op verbeurten derzelve is nu niet den ged„e E: Achtb: Heeren Conform dit articul in 't afstraffen van deszelvs Jongen in allen opzigten ten werk gegaan immers Ia door zijne menigvuldige gepleegde en op Een ge„ „hoopte ongeregeldheeden heeft hy aan den zelven enkelijk eene domistiquen straffe ge„ appuceert Ja zelvs zo gering dat denzelven naa 't ontvangen van dezelve zig directen wel 's anderen daags op den vlugt na 't zwart land begeeven heeft. — denzelven

NL-HaNA_1.04.02_10984_0407 view scan ↗

English

the same boy having not a little increased his crimes by this flight, therefore also deserved more than a domestic punishment, and because the defendant was aware that pursuant to the previously cited article he was not permitted to execute it himself, as soon as he had received news of his alibi (which however was only made known to him two days after his imprisonment in the jail, contrary to the edict published here in the year 1754 on September 5), he went directly to the officer claimant in the expectation that he would certainly have some preference over a black boy, which however turned out contrary to his thoughts, and made known to him the true course of the matter and requested of him a fair execution of punishment, which was partly granted and partly refused. How could the defendant ever or at any time better comply with the letter of the statute of [illegible], Honorable Sirs, and it would have been just as agreeable to the defendant if the officer claimant had produced against which article of that censuring law he, the defendant, has sinned; it would be better than your Honors simply holding up this entire article of slaves, for how could the defendant make a proper defense against the contents of those laws when unaware of their contents, had he not by good fortune become the possessor of those very loose statutes? The defendant specially requests that the officer claimant, in his reproaches, be pleased to cite such a law if any might exist outside the previously cited one, of which the same declares himself to be entirely ignorant. Article 9. The officer claimant says why he also, seeing the skinning and bruising of his buttocks, wants to deny it or have it caused by other accidents, which the officer claimant will leave to the judgment of your Honors. The defendant says still, Honorable Sirs, that in case such skinning or bruising ever took place, he was not the cause thereof, and how can that ever or at any time take place, Honorable Sirs, since the same boy only came into custody fourteen days after having received his domestic punishment, or that so-called bruising and skinning must have been inflicted on him by others. The defendant does not deny that such a slight skinning and bruising could have taken place, as the then chief surgeon in the Honorable Company's Hospital here, Sr. Johannes Leuver, said to the defendant, and upon which the interrogatories to hear him were arranged; however, the witness not having been heard there in the presence of the defendant, which the defendant nevertheless believed to be the custom everywhere, he was also not in the possibility of letting him answer any questions differently, and indeed as he himself said to the defendant; and if this examination is considered closely, Honorable Sirs, this bruising and skinning will possibly, like all the other and remaining accusations, vanish like smoke. Article 15. The officer claimant says regarding the declaration of Alexander Breda, whom the officer claimant nevertheless did not dare nor could contradict, that the truth was spared the officer claimant, but rather that he must have been lied to by the boy. Then, Honorable Sirs, is that enough, upon the loose sayings, if such is even true, of a dissolute boy who not only had to make himself known to the Fiscal, and further through his flight has deprived himself of all credibility, over and above his being a slave and a heathen who merited not the slightest attention, much less belief, to attack a burgher at law and to exhaust him with lawsuits, much less to present a judge with untruths upon such loose grounds; and that the officer claimant must have initiated his action solely upon those foundations is clearly to be understood, because the occurrence prior to that time, or the so-called rigorous execution of punishment, was already settled beforehand and approved by an officer, and fully acquiesced to therein. However, this argument will plead noticeably in favor of the defendant, for if one examines the 8th article of that same title of slaves, one will find that the same says: he who injures, causes any insult or dishonor, calumniates, or accuses his master or mistress of any shameful deed, shall for that be flogged and chained in irons, or otherwise punished according to the nature of the case. How can the officer claimant now still fail to grant the requested execution of punishment to the defendant, since he has not only through his lies injured his master, falsely accused, caused insult or dishonor, and calumniated, but has also lied to the officer claimant himself, without that slave ever being able to make any use of the allowance granted to them in article 7, because he could not have or has not had any great and pregnant reasons, and even if he had had them, he was not allowed to take flight, but should have gone to the jail immediately after the pretexted treatment.

Dutch transcription

denzelven Jongen door dezen vleegt zijne mis„ „daaden niet weinig vermeeraerd hebbende verdierde daar door ook meerder als eene domestique straffe, en doordien den ged:e be„ „wust was, die ingevolgen 't reers aangehaalde Articul niet zelven te mogen verrigten, heeft hij zo ara tijding van deszelvs alibe bekomen had /: 't geen echter Twee dagen naa deszelvs gevangen neeming in de tronk Eerst aan hem teegen 't placcaat alhier in den Jaare 1754 den 5 september geplubliceerd strijdende is bekend gemaakt geweest:) zig direct bij den Heeren R: O begeeven in verwagting dat denzelven zeekerlijk eenig praeferentie booven een swar„ „te Jongen zoude hebbe 't geen evenwel teegens zyne gedagten is, uit gevallen, en aan denzelven de waaren toedragt der zaak te kennen ge„ „geeven, en billijk strafoefening van zijn E: ver„ zogt, 't geen gedeeltelijk geaccordeert is, en voor een gedeelte ook afgeslagen hoe kon nu den ged=e immer ofte ooit beter aan den Letter van den statute, van Inacen voldoen, Ed: achtb: Heeren, en 't had den ged„e wel zo aangenaam geweest dat den R: O Eissr hadden bygebragt teegen welk articul van die synosureerende wet hij ged„e gezondigd heeft, beeter waare dat, als uEd: achtb: zo maar blootelijk dit gant„ „schen articul van slaaven voortehouden want hoe„ konde den ged e een behoorlike defentie doen tegen den inhoud van die wetten, als van der„ „zelver inhoud onbewust, waaren hij niet bij geluk in indien zelve bezitter van die losse„ „lijke statuten geworden den ged e verzoekt wel speciaal dat den 23: duss„r in deszelfs reproches gelieven aan ten haalen zodanige wet dien er buiten den keers aangehaalde mogt ex„ „teeren waar van denzelven verklaard geheel onkundig te zin. Arti 9. zegt den R: O: Eissr waarom hij ook dit ziende 't ontvellen en de keusing van desselvs „deszelvs billen ontkennen ofte door andere toevallen veroorzaakt hebben wil, dat de R: O: Eess„r ter be„ „oordeling van UEd: Achtb: overlaten zal. den ged„e zeg als nog Ed:e Achtb: Heeren dat in„ „gevalle zodanige ontvelling of keusing al eens heeft plaats gehad, daar geene oorzaak van ge„ „weest te zijn, en hoe kan dat immer ofte ooit ook plaats hebben E: Achtb: Heeren, daar desselve Jongen veertien dagen eerst na zijne domestique straf ontvangen te hebben, is in hande gekomen of hem moete die zogenaamde kneusing en ont„ „velling door anderen weezen toegebragt, den ged„e ontkend niet dat er eene zodanige ligten ontvel„ „ling en keusing kan hebben plaats gehad, als, den thoen den opperchirargijn in 's E: Comp„s Hospitaal alhier Sr Joh„s Leuver aan den ged e heeft gezegt en waarop de vraagpoincten ommer denzelven te hooren waaren ingerigt dan den gerequireer„ „de niet ten overstaan van den ged„e aldaar requi gehoord zijnde 't geen den ged„e egter vermeenden al omme Costiemies te zijn, ook niet in de mo„ gelykheid is geweest denzelven eenige vragen anders te laaten beantwoorden en wel zo als hij zelve aan aen ged„e heeft gezegd en als dezen ex„ „aminatie eens op den keeper beschouwd word, Ed: Achtb: Heeren zal mogelijk deze kneuzing en ontvelling gelyk als al het andere en den overigen beschuldegingen, gelijk rook verdwijnen art. 15 zog den R: O' fiss„t nopens den verklaring van Alexan „der Breda die den R:O: Eess„r eevenwel niet heeft deerven nog konnen tegen spreken. dat aen R: O: Eissr de waarheid gespaard maar wel dat hij van den Jongens zal zijn beloogen ge¬ „worden. dan Ed: Achtb: Heeren is dat genoeg om op de losse gezegdens zo zulx al waar is van een losbandige Jongen die zig niet alleen bij den Heer Fiscaal moest bekend ge „maakt maakt hebben, en nog door zijn vlugt en alle geloof benoomen boven en behalven denzelve een slaaf en een heide is die geen de minste aandagt veel minder geloofmeriteerde, een burger in rechten te attaqueeren en door procedures te matteeren, veel minder een Rechter op zulke losse gronden onwaarheden voor te houden en dat den R: O: Eisscher al„ „leen op die fandamenten zijne actie moet geenthameerd hebben is klaar te begrijpen, dewijl 't voorgevallene voor dien tijd of de zo„ „genaamde rigoureusen strafoefening reeds te vooren was afgedaan, en door een R: O: geapprobeert en daar in volkoomen geacquees„ „ceert, echter zal dit argument merke„ „lyk in faveur van den ged„e pleijten als men 't 8 artl van dien zelfde titul van slaven naziet bevinden zal dat het zelvde Legt. die zyn lyfheer of vrouw injurieerd eenige hoon of smaad aangedaan gecalumniseerd of te met eenige schanden betigtigd zal hebben zal daarover gegeeselt en in de ket„ „ting geklonken of anders gestraft werden, naar gelegenheid van zaake Hoe kan nu den R: O: Eisscher nog in ge„ „breke blijven de verzogte strafaefening aan den ged:e te accordeeren daar hij niet alleen door zin leugens zyn lyfhier heeft geinjuri„ „eerd, valsehtelijk beligt hoon of smaad aan gedaan heeft en gecalumnipeerd maar ook den R: O: Eyssr zelve heeft voorgelogen zon„ „der dat die slaaf immer eenig gebruik van den toelaating aan hun art: 7 toegestaan kan maken dewijl geene groote en preguante„ redenen konde hebben of gehad heeft en al waare 't dak hij die gehad had, mogt hij zig niet op de vlugts maar dadelijk na de gepretexteerde behandeling na de tronk be„ „geeven „

NL-HaNA_1.04.02_10984_0410 view scan ↗

English

have given; the Plaintiff ex officio claims in Articles 18 and 19 by virtue of his office and on the grounds that, being an honor- and duty-loving man, as which he seeks to be known, he ought to be believed. However, Honorable Gentlemen, his office gives him, as has already been shown, no more credibility than anyone else, just as little as his title of an honorable man, since the defendant believes that as far as possible he adheres to the duties imposed solely upon us, and maintains that he is known as such, since the general rule of law states that everyone is presumed to be an honorable man until the contrary has been proven against him or has become known through public punishment; and the defendant, being a man whose descent and birth are known to a multitude here, can give and produce evidence that even from his earliest youth he has committed no transgressions that conflict with honor and virtue, and also claims that he ought to be regarded as an honorable man just as well, and especially not less than, the Plaintiff ex officio, and thus also merits belief. Articles 20, 21, 22, 23, and 24 concerning the promise of the Plaintiff ex officio having already been answered, the defendant will pass over them here in silence. Article 25 states, says the Plaintiff ex officio, which would have been misplaced and given cause for further discontent, which is to be expected from a drift-driven and self-conceited character. However confused and jumbled together this Article now is, and thereby rendered incomprehensible, it is nevertheless no less insulting when one manages to find some coherence in it; the defendant could reply very suitably to it, but the respect that the defendant feels for the persons of Your Honors will restrain him from answering this, the more so because the truth always wants to be spoken, but not willingly willingly heard. The Plaintiff ex officio wishes in Articles 26, 27, and 28 to legitimize the foundation of this action of his by once again citing excessive chastisements and the fear for the future caused thereby, but, Honorable Gentlemen, since the Plaintiff ex officio adduces no accusations, at least none that are sufficient, the defendant does not need to trouble Your Honors again with defenses that he already believes he has demonstrated to Your Honors' satisfaction, and thereby needlessly tire Your Honors' precious attention with repetitions; the defendant only requests that the Plaintiff ex officio demonstrate somewhat more judicially and soundly in his reproaches in what and to what extent the defendant has exceeded the prescribed limits. The defendant, for the present still believing he has sufficiently refuted the principal points that merited any reflection, or waiting to see what reproaches will be made thereon, in order to make the necessary defense with a suitable reply, for which and other reasons and means to be deduced further as has been said, the defendant, debating the aforesaid alleged means set down in the Plaintiff's reply, with express denial, frivolity, and impertinence, and under benefit of his well-founded answer, persists thereon for rejoinder. Underneath stood: Exhibited in Court on 12 January 1786. Was signed: W: Verspelt. Today, 28 November 1785, appeared before me, Christiaan Ludolph Neethling, Neethling, Secretary of the Honorable Court of Justice of this Government, in the presence of the undersigned witnesses, the citizen Alexander van Breda, of competent age, who, at the requisition of the fellow citizen Willem Versveld, declared it to be true: That when the appearer, as best as he remembers, in the latter part of the recently passed month of October, without being able to determine the exact day or date, on a morning at the hour, as he believes, between 9 and 10 o'clock, was present in his garden situated in this Table Valley, the appearer had seen a kaffir coming up from the Cape who had with him a slave boy of the requisitionist named Mentor, who was brought to the requisitionist's garden by that kaffir. That the appearer had also gone behind the aforesaid kaffir and slave boy Mentor to the requisitionist's garden, and had seen then that the requisitionist was not at home, but his wife was; and the appearer, when the requisitionist's wife had seen the boy, heard her say to him in the presence of the appearer that he, Mentor, should just go to the garden, which that boy also did; and the appearer, when returning to his garden, had also seen the said Mentor in the garden. 68 That subsequently, as the appearer believes, between eleven and twelve o'clock, when the appearer was standing on a height in his garden, the requisitionist having come from the Cape arrived at the appearer's in his garden, and they both, thus strolling, went their way to the requisitionist's garden, whereupon one of the requisitionist's slaves who was busy watering there told his said master that the said slave Mentor had already run away again; which, when the appearer had come with the requisitionist into his house, by the

Dutch transcription

„geeven hebben; den R: O: Eisscher praetendeert Art: 18 en 19 amp „halve en uit hoofde dat een Eer en pligt bemin„ „nende man, waar voor zoekt bekend /: zoo als hyj zeg ten zyn geloof te zullen hebben. dan E: Achtb: Heere zijn ampt geeft hem ge¬ „lyk reeds aangetoond is geen geloof boven een ander zo min als deszelvs titul van een Eerly man, dewijl den ged„e vermeend zo veel mogelyk is zig aan de plegten ons alleen opgeligt te houden en sustineerd daar voor bekend te zyn „wijl de generale rechterlijke regul zegt dat ieder een Eerlijk man erd overondersteld te zin tot zo lang hem het tegendeel is beweesen of door publicquen strafoefening is bekend geworden en den ged„t zynde een man wiens afkomst en geboorte aan een menigte alhier bekend is du bliken kan geven en bibrengen, dat zelfs van zy Eerste Jeugd af geen uitstappen heeft begaan die tegen Een en deugd zyn strijdende ook praetenceert zo goed en voor al niet minder¬ als den B: O: Eisscher als een eerlijk man te moeten werden aangezien en dus ook gelooften meriteeren. — den art: 20, 21, 22, 23, en 24, nopens de belofte van den R:O: Eisscher reeds, zijnde beantwoord zal den gede die alhier stelzwygende voor bij gaan art 25 zegt den R: O Eiscr dewelke qualijk geplaatst zouden geweest zin en tot meerder misvernoegen gelegendheid gegeven hebben, 't geen van een criftigen en zig meer verbeeldende Caracter ten verwagten is. Hoe zeer dit Art: nu verward en door Elkan deren gesteld is, en daar door onverstaan„ „baar geworden is, is het egter niet minder beledigend als men een weinig zamenhang aan het zelven weet te maken, den ged„e zoude daar zeer gepast op kunnen repliceeren aan den Eerbied die den ged„e voor den perzoonen van uEde. achtb. gevoelt zullen hem weerhouden¬ hier op te antwoorden, te meer dewijl de waarheid wel altid wil gezegd, maar niet gaarnen gaarnen gehoord werden. den R: O: Eiss„r wil art: 26, 27 en 28 7 fundament tot dezen zyne actien legitimeeren door 't we„ „der aanhalen van overmatige kastijdingen en den daar door veroorzaakt ten vreezen voor 'te toekoomende, aan E: Achtb: Heeren, dewijl den R: C: Eess„t geen beschuldigingen immers die voldoende zijn bijbrenge behoefd den ged„e uEd„e Achtb: ook niet wederom met verdedigingen die reeds vermeerd ten genoegen van uede Achtb: te hebben aangetoond, lastig te vallen en daar door hoogst uEd achtb: praetensie attentie nodeloos met redites te fatiqueeren, alleenlik verzoekt den ged„e dat den Heer Eess. R: O: bij zijne reproches wat meer der rechterlijk en gefundeert aantetoonen, waar in en in hoe verre den get„s de voorgeschrevene paalen heeft te buijten gegaan. — den ged„e voor als nog vermeenende genoegzaam de voornaamste poincten die eenige reflexei meriteerden te hebben tegengegaan, of wagten„ „den wat men daar op zal reprocheeren, omme bij een gepasten salvatie de nodige defentie te doen Mits welke en anderen redenen en middelen nader zo als gezegt is, te deduceeren den ged„e debat„ „teerende de voorsz: geallegueer„ „de middelen bij des Eissr repleecq ter neder gesteld, bij Expressen de„ „negatie frivoliteijt en imperti„ „nentie, en onder benevicie van zijn welgefundeerd antwoord per„ „sisteerd daar op voor duplieq /:onderstond:/ Exhibitum in Ja„ „dicio den 12 Januarij 1786 /: was getekend:/ W: Verspelt.— Huiden den 28 November 1785 Compareerde voor mij Christiaan Ludolph Neetlling Neethling Secretaris van den E: Achtb: rade van Justitie dezes gouvernements praesent aen Naten: getuigen, den burger Alexander van bre¬ „da van Competenten ouderdom dewelke ter re„ „quisitie van den mede burger Willem Fersveld verklaarden hoe waar is. dat wanneer den Comp„t zo hem best geheugt in 't laatst van den Jongstl: maand October zonde den positiven dag of actum te kunnen bepalen op een voordemiddag de klokke, zo hij ver¬ „meend tusschen 9 en 10 uuren zig in zijn in dezen tafelvalleij geleegen Thuyn bevinden had, den Compt had gesien een Cassen van de Caab af opwaarts koomende die een slave Jongen van den reqt. in Naamen Mentor bij hem gehad hadde dewelke door dien Caffer na de req„ts thuijn was gebragt. Dat den Comp:s agter voorsz: kaffer en slaven Jongen Mentar meede na aen thuijn des reqts. zijn de gegaan als doen had gesien den reqt. niet te huis was, maar wel desselfs huysvrouw hebbende de Compte wanneer des reqts. huisvrouw den Jonge had gesien, teegens denselven ter prae „sentien van hem Comp:t gesegt dat hij mentor maar na de thuin moest gaan het gans die Jongen ook gedaan had, en had den Comp„t wanneer weder na zynen thuijn te rug keerden gem: Mentor ook in den thuijn gesien. 68 Dat vervolgens soo den Compt vermeijnd tusschen Elf of twaalf uuren wanneer hij Comp„t in sinen thuijn op eene hoogte stond de reqt. van de Caab gekomen zynde denselven bij hem Compt in zynen thuijn aangekomen, en zylieden beijden dus alwannelende den Cours na des reqts. Truijn op gegaan waren als wanneer een der slaaven van den reqts. die aldaar met gieten beesig geweest was synen gemelde Lyfheer gesegt had dat gem. slaaf Mentor reets weeder weg geloo„ „pen was, 'T welk wanneer de Comp:t met den reqt. in desselvs huijs gekomen waaren, door des

NL-HaNA_1.04.02_10984_0413 view scan ↗

English

the petitioner's female slave had also been confirmed. Declaring nothing further, the appearer gives as reasons for his knowledge as stated in the text, offering always to confirm the same on oath. below: Thus took place in the Castle of Good Hope, at the Secretariat of Justice, in the presence of the clerks Coenraad Nelson and Ian Pieter Fauren as witnesses, who have duly signed the original of this along with the appearer and me, the Secretary. lower: Which I attest: was signed: C: L: Neethling, Secretary. Review. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government aforesaid, Alexander van Breda, who, after this his preceding declaration had been read aloud to him clearly and distinctly word for word, declared that he persisted in remaining by it, desiring that nothing more be added thereto or taken therefrom, and therefore spoke in confirmation of the truth thereof the solemn words: So help me God Almighty. below: Thus reviewed and sworn at Cabo de Goede Hoop, 2 Febr: 1786. was signed: A: V: Breda. lower: Present before me signed: R: J: V: D: Riet in the margin: as commissioners and signed: S: V: Echten and A: V: Sittert. Interrogatories ordered to be made and submitted to the Honorable Worshipful Council of Justice of this government by and on behalf of the burgher Willem Versfeld, petitioner here, in order to examine thereon the second chief surgeon of the Honorable Company's Hospital, Sr. Johannes Leuver, who answered the adjacent questions as noted beside them. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, the second chief surgeon of the Honorable Company's Hospital, Johannes Leuver, questioned: Art 1. To ask the respondent his name, age, birthplace, and profession. Says Johannes Leuver of Amsterdam, aged about forty years. 2. Whether he does not recall having given a declaration on 2 Novbr: last at the requisition of the ad interim Fiscal, Mr. Gabriel Exter. Says that the specific date has slipped his mind, but that he gave a declaration more than a month ago. 3. Whether the respondent did not state therein that the male slave belonging to the petitioner in this matter was found upon examination to have his buttocks entirely skinned and bruised. Says he did not say that the buttocks were entirely skinned and bruised, but skinned and bruised in that place where one usually inflicts punishments. 4. Whether the respondent must not admit that such bruising and skinning must occur with the slightest punishment. Says the bruising can occur with a punishment, and with a greater punishment a skinning can occur. 5. Whether the respondent does not recall having said to the petitioner, when speaking with the petitioner about his boy, that no skinning, however slight, could occur without being accompanied by bruising. Says that, as said previously to the petitioner, he stated that it was a punishment which, when [illegible] used and seen afterward, posed no danger. Art 6. Whether the respondent must not or cannot recall having said that the bruising and skinning which occurred on the same boy provided no proof whatsoever or can show of a severe chastisement, but rather that it was a minor indication of a slight punishment. [illegible] In the Castle of Good Hope, 29 Decbr: 1785. signed: W Versveldt Thus questioned and answered at Cabo de Goede Hoop, 2 Jann: 1786, before the Honorable Solomon van Echten and Johannes Smuts Zeeve, from the Honorable Worshipful Council of Justice aforesaid, who have duly signed the original of this together with the respondent and me, the Secretary. lower: Which I attest was signed: C: L: Neethling, Secretary. Review. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government aforesaid, Sr. Johannes Leuver, who, after these preceding questions with his answers given thereto were read aloud clearly and distinctly, declared that he persisted in remaining by them, desiring that nothing more be added thereto or taken therefrom, and therefore spoke in confirmation of the truth thereof the solemn words: So help me God Almighty. below: Thus reviewed and sworn at Cabo de Goede Hoop, 2 Februarij 1786. was signed: Johannes Leuver lower: Present before me was signed: R: J: V: d: Riet, sworn clerk in the margin: as commissioners and signed: S: V: Echten and A: V: Sittert. To the Honorable Worshipful Mister President Pieter Hacker and further Councillors of Justice of this government Humbly shows Willem Versfelt, free burgher residing here: That he, the petitioner, found himself involved in an unpleasant lawsuit with the Officer Fiscal, and, not contrary to his expectation, was able to hear a brilliant satisfaction pronounced in his favor by sentence of Your Worships dated 24 Maij 1786 in that matter, expressly requiring that the Officer Fiscal Plaintiff be ordered, after having kept the slave in question in chains for the term of two years, to restore him immediately to the defendant in such state; further dismissing the Officer Fiscal's claim with compensation. That he, the petitioner, was then also in the reasonable confidence that the said sentence would be fulfilled by the Officer Fiscal in the strictest sense. That he, the petitioner, notwithstanding all this, to

Dutch transcription

des reqts Lyfvrouw meede was bevestigt geworden Niets meer verklaarende geeft den Compt: voor redenen van wetenschap als in den text, praesentee„ „rende 't zelve altoos met Eede te staven. /:onderstond:/ Dat aldus passeerde In 't Casteel de goede Hoop, ter secretarijen van Iustitie ter presentie der Clercquen Coenraad Nelson en Ian Pieter Fau„ „ren als getuijgen die de minute dezer benevens aen Compts en aen mij secretaris mede behoorlijk hebben ondertekend. — /:lager:/ 'T welk ik getuij„ „gen: /: was geteekend:/ C: L: Neethling Secretaris Recollement. Compareerde voor ons ondergetekende gecommitt: uit den E: Achtb: Raad van Justitie deses gouvernements. voorsz: Alexander van bre„ da, dewelke deese zijne voorenstaande verklaa¬ „ringe van woorden tot woorden klaaren duidelijk voorgeleesen weesende betuijgende daar bij ten blyven persisteeren met begeerte dat er niets meer bij of van gedaan werden sal, en sprak dierhalven ter bevestiging der waarheid van die de solem„ „neele woorden zo waarlijk help mij gad almagtig /:onderstond:/ Aldus gerecolleerd en B:Eedigt aan Cabo den goede Hoop den 2 Febr: 1786. /:was getekend:/ A: V: Breda. /:lager :/ Meij praesent /:getekend:/ R: J: V: D: Riet /:in man „gene :/ als gecommitteerdens /: en getekend:/ ff S: V: Echten en A: V: Sitlert. — Interrogatoria gedaan maken Compareerden voor ons onder„ „getekende en „getekende gecommitteer„ „dens uit den E: Agtb: Raad „titie deses gouvernements overge„ van Iustitie deeses gouver„ geeven door ende van weegens „nements de tweed opperchiru„ den burger Willem Versfeld regt „gijn van 's E: Comp. e Hospitaal alhier S„r Ioh„s Leuver dewel„ omme daar op te hooren de twe„ „ken op de nevenstaande ora„ „de opperschirugijn van 'sE: Comp:s „gen sodanig g' antwoord hospitaal Ioht Leuver geregd„ heeft als besyden deselve staat aangetekend. en aan de Edele agtb: Raad van Jus„ Art 1. den geregt te vragen desselvs zegt Johs. Leever van naam ouderdom geboorten plaats Amsterdam oud Circu Veer„ en beroepe tig Jaren. off deselve niet bekend is op zegt. dat de dag hem ont¬ 2 den 2 Novbr: Laatstl: ter requisi „gaan is, dog dat een de„ tien van de Heer ad intrim fis¬ „claratoir heeft gegeven „caal gabriel Exter te hebben en meer als een maand geleeden. — gegeeven een declaratoir „ 2. zegd niet gesegd ten hebben dat If den geregd daar in niet heef den billen in't geheel ontveld gesteld adt de mans slaaf toe„ en gekneusd waren maar ontveld en gekneusd op zie „behoorende den reqt. in deese by examinatie is bevonden plaats daar men gewoon„ desselvs belle geheel ontveld lijk den straf oeffeningen en gekneusd te zijn doet. zegt den kneusing kan bij Off den gezegt niet moet eene strafaeffering wel ƒ bekennen dat zodanige kneu¬ plaats hebben dan bij eenen „sing en ontvelling bij de ge„ meerdere straffeffening „ringste straf toeffening moet kan eene ontfelling plaats plaats hebben hebben. — off de geregt niet voor staat zegt zoo als bevorens aan den reqt. gesegt ten hebben met den reqt. over zijn Jonge spreekende heeft geseyd dat er geen ontvelling hoe gering ook kond. plaats hebben of desel moest 8 ende off 3 „ 4. „ 5. 1 2 zegt ten hebben gesegd dat het „ken wanneer hhiep gebruijken en daarna gesien wierd geen eene srafoeffening was dewel„ gevaar hadden. In 't Casteel de goede Hoop. de 29 decbr: 1785. /:getekend:/ W Versveldt Aldus gevraagd en beantwoord aan Cabo de goeden Hoop. den 2 Jann: 1786. voor d' E E:s Solomon van Echten en Joh:s Smuts Zee„ „ve; uijt den E: Agtb: raad van Justitie voorm: dien de minute deeses beneevens de geregd„ ende my secretaris meede behoorlijk hebben ondertekend. — /:lager:/ T welk ik getuijgen /:was getekend:/ C: L: Neethling Secretaris. — Eecollement. Compareerden voor ons ondergetekende gecom„ „mitteerdens uijt den E' Agtb: Raaden van Justitie deses gouvernements voorm: S. r Joh. s Ruever de„ ^welke deesen voorenstaande vraagen met zijn daar op gegevene antwoorden klaar en duydelijk voor„ geleezien zijnde betuijgende daar bij te blyven persisteeren met begeerte dat er niets meer bij of van gedaan werden zal en sprak dier¬ halven tet bevestiging der waarheid van die :onderstond: Arv: 6. Off de geregt: zig niet moet of kan te binnen brengen gesegt en hebben, dat de kneusing en ont„ velling bij deselve Ionge plaats gehad hebbende geen den minste blijken opgeleverd heeft of kan aantoonen van een sware kas„ „teijding maar wel dat het een kleynen blijk is geweest van een geringe straffoefeninge. moest met eene kneusing ver„ „seld gaan! den twe„ p E est den solemneele woorden zo waarlijk help mij god Almagtig. /:onderstond:/ Aldus gerecolleerd en B: Eedigt aan Cabo der Goede Hoop den 2 Februarij 1786. /:was getekend:/ Ioh:s Leuver /:lager:/ Mij praesent /:was, getekend:/ R: J: V: d: Riet geswe Clercq /:in margine:/ als gecommitt. /:en getekend:/ S: V: Echten en A: V: Sittert Aan den Ed: Achtbare Heer President Pieter Hacker en verdere Raaden van Iustitie deses gouvernements heeft reverentelijk ten kennen willem Vers¬ felt Vryburger woonende alhier Dat hij supp„lt zig in eene onaangename proceauren met het O: Fiscaal heeft in gewikkelt gevenden en niet tegen zijne verwagting eene voor hem supp„t: Eclutante satisfactie bij von„ nis van UE Achtb: de dato 24 maij 1786. in die zaak heeft mogen horen pronuntieeren wel Ex„ „presselijk beheesende dad aan den R: O: Eys„ scher geordonneert wierd aen staat in qu tien na alvorens voor aen tijd van twee Jaren in de ketting gesloten ten sijn zodanig ter stord aan den gedaagden te restitueeren Ontsegt den R: O: Verders sijn Eysch niet Com¬ „pensatie. — Dat hij supplt. dan verder ook in dat bil¬ „lijken vertrouwen was, dat aan gem: vonnis door het O: Fiscaal in aen striksten zin zoude werden voldaan Dat hij supplt. niet tegenstaande dit alles tot t

NL-HaNA_1.04.02_10984_0417 view scan ↗

English

to his greatest astonishment on the 1st of this current month of June in the evening around seven o'clock he saw coming into his house two servants of justice, with a slave boy sitting on one of their backs. That when the petitioner asked them what they had come to do, he received as an answer from them, in substance, that they had brought the petitioner's slave boy named Ventor of Masambique with them, in the name of the provost marshal Matthijssen, in order to hand him over to the petitioner. That the petitioner asked them to wait a little, and having summoned two of his neighbors, had taken them as witnesses to how the matter had occurred in this instance. That the petitioner thereafter, in the presence of the said witnesses, again ordered the said two servants of justice to take the aforementioned slave boy back with them, as this was in no way in conformity with the sentence of the Honorable Council. That the said servants of justice were not inclined to do so, but after some debate requested from the petitioner a note confirmed with the petitioner's signature stating that they would then take the aforementioned slave boy back with them, under these or similar words: "for otherwise we will get a beating from Mattheijsen." That the petitioner thereupon hastily wrote a note, to this effect: "Provost Marshal Matthijsen, what moved you today, or what law authorized you to send the boy home to me half-dead, in no way in accordance with the sentence of the Honorable Council of Justice, and knowing well that you are in no way aware of what remains for me to do, you shall receive him back just as you sent him." That the said servants then also immediately departed with the slave boy. That the cause of the proceedings with the Independent Fiscal is already too well known to Your Honors for the petitioner to need to recount it again. That by this arbitrary conduct maintained by the Independent Fiscal, the petitioner has remained deprived of his rightful claim, and no small infringement is caused to Your Honors' so lawful sentence. That also the sending home of the said slave was much too premature, as the petitioner had not yet been able to obtain a copy of the sentence, and the Independent Fiscal could not know whether the petitioner would wish to appeal from this. That furthermore the said slave boy had not, in conformity with Your Honors' aforementioned sentence, been provided with such a chain as would, if not entirely prevent, at least partially make it more difficult for him to run away or desert. That the said slave already had that small iron on during his detention, and therefore the petitioner would not have needed to ask for the said chain if the petitioner had understood that it was sufficient to prevent him from deserting. That on this account mainly the completed lawsuit took its origin. That also subsequently, after the pronounced sentence of Your Honors, its contents were further not fulfilled, since the said slave was fresh and healthy at his detention, and at that time the petitioner had most expressly protested against the Fiscal for all damages that might be caused thereby, expressing himself in these or similar words: "he sits at your account," as appears from the sworn statement submitted by the petitioner to Your Honors. That besides and in addition to all this, the said slave boy, upon being sent home, was very ill, possibly not out of danger of losing his life, and thus was not in that healthy state as when the petitioner had reclaimed his slave from the Independent Fiscal before the proceedings in order to have him properly punished immediately. That if this had happened, the said slave would not have become ill in the jail either. That the petitioner most respectfully understands that the Independent Fiscal alone ought to bear the costs of this and of its consequences. That the petitioner, having taken into consideration the aforementioned danger to his slave in which he then found himself, went to the house of the President of Your Honors' assembly; that the petitioner asked the Honorable President for an extraordinary meeting day in order to bring forward his interests concerning this. That the petitioner's request was refused, and he therefore found himself under the necessity of devising other means to prevent his imminent danger. That the petitioner therefore, after all this had passed, caused the court messenger D. Jurgens on the 2nd of this current month of June 1786 to serve notice upon and protest against the Fiscal against all maneuvers regarding the non-execution of the sentence of Your Honors dated 1 June of this year imposed on the Independent Fiscal, and further against all costs and damages which the petitioner might come to suffer through illness, death, or other inconveniences caused to his slave by those maneuvers. That the said Fiscal was pleased to express himself in these words: "I do not consider myself to be in the position to accept a protest from the burgher Versfelt, much less to answer it." That the petitioner indeed understands that this his

Dutch transcription

tot sijne grooste verwondering op den 1„en dezer maandt Iunij des avondts omtrent seven uuren bij hem heeft sien inkomen twee dinaaren der Justitie met een slave Ionge op een van hun beyder rug zittende. Dat hij supplt hun vragende wat zij kwame doen, ten antwoord van hun had bekomen, in sub„ „stantie dat hij uit naam van 's heeren gewel„ „diger Matthijssen: des supp„t slave Jongen genaamt Ventor van Masambique, met zig haade ge„ „braelt om aan hem suppl:t te overhandigen. — Dat hij supplt hun gevraagt heeft een weijnig te wagten, en twee van zinen buuren, geconvo„ ceert hebbende deselve als getuijgen had ge¬ „nomen hoe het geval zig in dezen had toege„ „draagen. — Dat hij supplt. daar na gem: Twee denaaren den Justitie in praesentie van gem: getuijgen, x: Wederom had bevolen den meergem: slaven Ionge met hun te neemen dewyl zulks geenzints was conform het vonnis van den Ed: achtb: Raad Dat gem: dienaren der Justitie daar toe niet indineerde dog na eenige debatten den supplt versogten om een briefjen met des supplt handtekening bekragtigt dat zij dan meergem: slaave Iongen weederom met sig zoude ne„ „men onder dese of diergelijke bewoordingen want anders kreggen wij nog slaage van Mat„ „theijsen — Dat aen Supplt. daar op in haast een briefje heeft geschreven en wel van dese inhoudt. 's Heeren gewelaiger Matthijsen wat heden u gemoveert; of wat regt u geouthoriseert heeft om mij den Jonge 't huijs te zenden half dooden geen Zints over eenkomstig het vonnis van aen E: achtb: Raadt van Justitien en wel wetende 't jouw geensints bewust is t welk mij verder te doen zal staan, zo is 't gij hem weaerom ontvangt zoo als gesonden hebt. Dat gem: dienaren dan ook terstondt met den 1 : den slave Jonge sijn vertrocken. Dat de oorzaak de proceduren met het O: Fiscaal al ten wel aan uE: Agtb: zijn bekent dan dat hij sub plt den selve wederom zouden behoeve op te halen Dat hij supplt door dit willekeurig gehouden ge drag van het O: Viscaal verstoken is gebleven van zijn goed regt en geen geringe inervatie aan UE: agtb: zo regtmatig vonnis komt te leyden. Dat ook het 't huis zenden van gemelde slaaff veel ten prematuur was, dewijl de supplt. nog geen Coppij van het vonnis hadden kunnen be¬ „komen, en het O: Fiscaal niet weten konden, of den suppl„t hier van zoude willen appelleeren. Dat gem: slave Jonge verder ook niet Conform ue achtb: meer gem: vonnis was voorzien geweest van zodanige ketting, als waar door hem we „lopen of arossen zoo niet geheel belet ten minst ten delen moeyelijker zouden werden gemaakt. Dat gem. slaaff ook reets dat kleijne yser bij synen retensien hadden aanhad en derhalve, de supplt. niet zouden hebben behoeven te vragen om den gem: ketting, indien den supplt begrepen hadt dat dezelve genoegsaam was om hem het aroo¬ „sen ten beletten. — Dat hij uijt desen hoofden wel voornamentlijk het voldongen Proces zijn oorsprong heeft genom Dat ook vervolgens na het uitgesproken vonnis van UE: Achtb: al verder niet is voldaan aan dies inhoud dewijl de gem: Slaaff Fris en gezon was bij zynen vertensie en op dien tid door den suppl:t tegens den Fiscaal wel Expresselijk was geprotesteerd van alle schaaden die daar door zoude kunnen werden veroorzaakt zig in dese of diergelijke bewoordinge heb¬ „berden uijtgelaten hij zit voor rekening, blij„ „kers door den supplt aan UE Achtb: overgeleg„ „den verklaring onder Eede. Dat buyten en behalve dit alles gem: slaven Jon¬ „gen bij zijne ten huijs zendinge zeer ziek, mo„ „gelijk niet buijten gevaar zijn leeven te ver„ „liesen „liesen en dus niet in dien gezonden staat was als toen hij supplt. synen slaaff van het O: Fis„ caal voor de procedeeren hadden wederom be¬ geert om denzelve daadelijk te laten afstraf„ „fen na behoren. — Dat indien zulks was gebeurd gem: staat dan ook niet in den tronk ziek zoude zijn ge„ „worden. — Dat hij suppl„t Eerbiedigst begrijpt dat het O: Fiscaal hier van en van dies gevolgen alleen de kosten behoort te dragen. — Dat hij supplt in overweging. hebbende ge„ „nomen het meergem: gevaar zynen slaaff waar in hij toen verseerden zig heeft vervoegt ten huijsen van den presixent van uwe Achtb: vergadering dat hij suppl„t den E Achtb: praesident hheeft ge„ „vraagt om eene Extraordinaire vergaaerdag ten eynde zijn belangen hier over in te brengen Dat hem supplt zyn verzoek was afgeslagen en derhalve zig in de noodzakelykheid, heeft gevonden anderen midaelen te beraamen om zijn drygent gevaar voor te komen. — Dat hij supplt: daarom na dat dit alles was afgelopen den Fiscaal door den geregtsboden D. Jurgens op den 2 dezer Lopende maand Junij 1786, heeft laten in sinueeren en geprotesteert te „gen alle Marchies omtrend het niet ten uyt„ „voer brengen van het vonnis van UE: Agtb: dato 1 Junij deses Jaars aan het O: Fiscaal op „gelegd en wijders tegen alle kosten en schaden welken den suppl:t door ziekte aflewigheid of andere ongemakken door die de marchies zynen slaaf veroorzaakt zouden komen te leiden. — Dat het gem: Fiscaal heeft kunnen gelus„ „ten zig in deze bewoordinge uijt te laaten ik denk niet in 't geval te zijn van den burger Versfelt een protest aan te nemen veel min„ „der daar op te antwoorden. Dat hij supplt. wel de gelijk begrijpt dat desen zijne .

NL-HaNA_1.04.02_10984_0420 view scan ↗

English

his insinuation, because already alleged perils in mora concerning the possibility of the death of his bondsman must have a very great effect against the said Fiscal. That he, the petitioner, although the said Fiscal had been pleased to protest against it, must nonetheless assume that the Fiscal saw himself somewhat cornered by this employed legal remedy. That he, the petitioner, then also the next day, to his surprise, again received at home the said boy shackled in irons, accompanied by the provost Custer and two caffres, and from this necessarily had to infer that the said protest in this case had at least not sorted its effect, in so far that the boy was much more heavily ironed, yet once again not in conformity with the contents of the sentence of Your Honorable Worships, was shackled in a chain. That the petitioner then also partly on this account, and further on account of the situation of his bondsman who was now in danger, once again protested, after convening the neighbors as witnesses, and refused to accept the said slave. That the petitioner was thereupon told by the provost Custer: we leave him here, it is in the name of the Honorable Council. That he, the petitioner, could impossibly assume such a thing, as this was once again contrary not only to the sentence, but also that to him, as a citizen, such messages or orders from Your Honorable Worships had always arrived through a court messenger, and for that reason it was also once again protested by the petitioner. That nevertheless the said provost went away with his two servants. That he, the petitioner, then also immediately betook himself to the Honorable President Hacker and related the case exactly as it had occurred. That he, the petitioner, had then also received in answer from the said Lord President that the Honorable Council had so ordered. That he, the petitioner, then replied again that he had not received the slave in irons in conformity with the aforementioned sentence. That thereupon the petitioner was once again told by the president: we will have him fetched and have him riveted in the chain in conformity with the sentence. That he, the petitioner, also spoke again with the Lord President about the costs, damages, and interests which he had suffered through the long retention of the said slave boy in the prison, not only that, but might still come to suffer through his illness and possibly his death. That he, the petitioner, under respectful correction, understands that all these damages should fall upon the Officer Fiscal, as the petitioner had expressly protested against this upon the retention of the said boy. That if such did not happen, the petitioner would suffer an important damage rather than prosecute his lawful right through the gratuitous and equitable sentence pronounced for him, the petitioner, by Your Honorable Worships. That he, the petitioner, is all too well convinced of the equitable manner of thinking of Your Honorable Worships, and therefore also dares to flatter himself that these steps taken by him will be esteemed in the highest by Your Honorable Worships. Wherefore the petitioner turns to Your Honorable Worships, humbly requesting that it may graciously please Your Honorable Worships to enjoin the Officer Fiscal to reimburse to the petitioner the damages which the petitioner has come to suffer through the long incarceration of his slave, constituting a major branch of his means of livelihood, and furthermore to provide such surety for the said slave as the actual value of the said boy, which might amount for the petitioner himself to one thousand Rixdollars, with the understanding that when the said boy shall again be judged by competent doctors to be completely recovered, the said surety may be lifted again, and that the Fiscal shall be enjoined to pay to him, the petitioner, the costs caused thereby, along with the daily loss through the deprivation of that boy, according to the taxation of Your Honorable Worships. Below stood: Doing which, etc. Was signed: W: Versfelt. In the margin: Exhibited in Court the 15th of June 1786. Beside the head stood: Exhibited in Court the 15th of June 1786. The apostille was: The Honorable Council, after reading and mature deliberation upon the request of the petitioner, dismisses the same. Lower stood: By order of the same. Was signed: V: Aerssen, Secretary. Agrees. H Meel. 1. And made say: 2. that the abovementioned April of Bengal, bondsman of the Reverend Mr. Serrurier, having gone with his fellow-slave Alexander of the Cape on Thursday the 20th of April in the year [illegible], in the morning, 3. to carry two trash tubs to the beach, 4. furthermore, the last-mentioned Alexander, after they had cleaned one, having gone to fill it with sand, and 5. the prisoner and defendant on the other hand having left the other lying and having betaken himself into one of the others standing there, 6. it happened that this tub was missing; 7. that they thereupon having come home with one tub, and being asked by their master where they had stayed so long, 8. it was answered by the prisoner and defendant: they have stolen the tub; 9. whereupon the master replied that this was a [illegible], that they had watched it poorly, 10. but the prisoner and defendant on the contrary saying: he did not watch it; 11. then the master asking again whether he was not just as obligated to do so as Alexander, 12. and he, the prisoner and defendant, giving in an insolent manner as answer: Alexander should have watched it; 13. his said master raised his hand to give a slap, 14. which he, the prisoner and defendant, however, avoided by pulling back his head; 15. that he, the prisoner and defendant, then still continuing to use abusive language. April of Bengal, bondsman of the minister here, the Reverend Mr. Serrurier, prisoner and defendant in the aforementioned case, on the one side, and appeared before the Worshipful Lord President and Court of Justice of the Castle of [illegible], the Pro Interim Fiscal [illegible], Officer Plaintiff in the case, on the other side.

Dutch transcription

zijne onzinuatie vermits reets geallegeerde peric „len in mora om de mogelykhijd van het afster„ „ven zijn Lyfeygen van zeer veel Effect moet zijn tegen gem: Fiscaal Dat hij supplt of schoon gem: Fiscaal daar te„ „gen hadden gelieven te protesteeren egter moet veronderstellen dat den Fiscaal zig door ait ge„ „bruykte middel van regt eenigsints in het naauw heeft gebragt gesien. Dat hij supplt dan ook des anderen daags tot zijn verwondering al wederom gem: Jongen in den yzers geklonken heeft 't huijs gekregen verzeld door den geweldiger Custer en twee Caffers en daar uijt noodzakelijk moest elnie „ren dat gem: protest in uit geval ten minsten zyn niet had gesorteerd in so verren dat den Jongen veel swaarder in de izers Egter al wedw „om niet Conform den inhoud van het connis van UEd Achtb: was in ren ketting geslagen. Dat den suppl„t dan ook ten delen hier van een verder van den situatie van seyne thans in ge vaar zynde Legteygen al wederom heeft gepro¬ testeert na convocatie der buuren als getuijg en geweigerd, gem: slaaff aan te nemen. Dat hem suppl„t daar op door den geweldeger Custer is toegevoegt wij laten hem hier int het is uijt naam van den Achtb: Raad. — Dat hij supplt. zalks onmogelyk kende veron„ „derstellen dewijl dit al wederom was strijdig het vonnis niet alleen maar zelf dat hem als burger zodanigen boodschappen of orders van UE: Achtb: altijd door ren geregtsboden waren toegekomen en daar om ook al wederom door den supplit: is geprotesteert. — Dat niet te min de gem: geweldiger met zynen twee dienaren is weggegaan. Dat hij supplt. aan ook terstondt zig heeft ver¬ „voegt bij den E: Agtb: Heer president Hakker„ en het geval verhaalt zodaaning als 't zelven zig had „had toegedragen. — Dat hy suplt dan ook van gem: Heer prie„ „sident had ten antwoord bekomen, dat den E Achtb: Raadt zulks hadde geordonneert. Dat hij supplt dan wederom heeft geantwoordt den slaaf niet zodanig in de yzers Conform het meer gem: vonnis had ontfangen. — Dat dan ook wederom den supplt door den praesicent is toegevoegd wij zullen hem laten haalen en Conform het vannis laaten klinken in den ketting. — Dat hij suplt. ook weder met den Heer prae„ „sicent heeft gesproken over de kosten schaden en interessen welke hij door de lange retensie van gem: slave Jonge in den tronk hadden ge„ „leden, niet alleen, maar door zyne ziekte en mogelijk zynen dood nog zoude komen te leiden Dat hij supplt onder Eerbiedige Correctie begrypt dat alle desen schade zouden moeten resalieeren op het O: Fiscaal als zinde daar van door den suppl„t bij de retensie van gem: Jongen wel Expresselijk geprotesteerd. — Dat in dien zulks niet gebeurde aan supplt veel eer eenen in portanten schaaden zouden leyden dan wel zyn goed zegt door het gra¬ tuisen en billeke vonnis voor hem supplt. door uwE achtb: gepronuntieerd zoude komen te pro„ „sequeeren. Dat hij supplt. van den acquitable manniere van denken van UE: achtb: al te wel overtuyge is, en zig daar om ook durst te flateeren dat dese sijne gehouden de marchies ten hooge „sten door UEd: achtb: zullen werden geqoatteert. wes halven den suppl„t zig keert tot uE: Achtb: ootmoediglijk versoekende dat het uE: achtb goed gunstelijk mogen behagen het O: Fiscaal te injangeeren die schaae welke den supplte door het lange incareereeren van zinen slaaf als een grote Tak van zijn middel van bestaan bestaan uytmakende heeft komen te lyven aan den suppl„t te doen renboursceeren en verder zoaaanige Cautie voor gem: slaaf, ten stellen als de wesenlijke waardeij van gem: Jonge welke aen supplt zelven duyzent 't Rea„ daalders zoude kunnen bedragen met dien verstande, dat wanneer gem: Jonge weder¬ „om door kundige doctoren zal geoordeelt, werden volkomen herstelt te zijn aan gem: Cautien weder zal kunnen werden opgeheven en aan hem Fiscaal zal werden geinjugeer de kosten daar door veroorzaakt met het dagelyksen verlies door het gemis van dien Jongen ter Taxatie van uE achtb: aan„ hem suppl„t te doen betalen. — /:onderstond:/ 'T welk doende &„a /:was getekend:/ W: Versfelt /:in margine:/ Exhibitum in Judicio den 15 Juny 1786. /: be„ „side 't hoofd stond:/ Exhibitien in Judicio d„ 15 4 Junij 1786. /:de apostille was:/ den E: Achtb: Raad na Lecturen van een rypen deliberatie over het verzoek van den supplt wyst 't zelve van de hand. /:lager:) ter ordonnantie van dezelve /:was getekend:/ V: Aerssen Secretaris. Accordeert. H Meel lezen M 1. En deede zeggen 2. dat bovengem: april van bengalen lykeijgen Eerw: heer Serrurier met desselvs meede se „der vande Caab op donderdag den 20 april Ao smorgens gegaan zijnde 3. om twee vuijlnis balies naar de strand te bid 4. voorts den laastgem: Alexander naar d'eene hebben Schoon gemaakt gegaan zinde omme met zand te vullen, en 5. den geve, en gede, daar tegen de andere liggen en zig in een vande andere aldaar staande begeeven hebbende. 6. 't g'arriveert is dat deeze Ialij is abzent ge 7. batzijl: daarop met een balij thuijs gezoor hun lyfheer gevraagd geworden zijnde waar lange waren gebleeven 8. van den geve, en gede, is g'antwoord gewo hebbende balij gestoolen. 9. waarop den lyfheer repliceerende, dat dit een was, dat zyt: ter slegt op gepast hadden 10. maarden geve, en gede, daartegen zeggende heeft niet daarop gepast. 7 11. dan den Lijfheer weder vragende: of hy niet e als alexander daartoe verpligt was. 12. en hij geve, en gede, op eene insolente wijze ten antwoord geevende Alexander moest gepast hebben 13. gem: zyn lijfheer de hand heeft opgelegt een klap te geeven. 14. dewelke hij geve, en ged=e, egter met te rugte van zyn hoofd ontweek. 15: dat hij geve, en gede, toen nog Continueerende monds te praten Apol van bengalen lijter 10 predikant alhier d'eere heer Terrurier geve, en voorsz: Cas ter andere & Compareerde voorden W agtb: heer Praesident en re Iustitie des Casteels de den Pro Interim fiscael Exter r: O. Eijsscher in Cas ter eenre. 4

NL-HaNA_1.04.02_10984_0426 view scan ↗

English

to strike him 17. he nonetheless warded off that blow in a threatening manner with a raised arm, holding a small knife in his hand 18. whereby his aforementioned master found himself obliged to deliver the same into the hands of Justice. 19. which, from both statements made before the commissioner gentlemen and the prisoner and defendant's own and unforced confession, comes to be established completely and even more clearly. 20. it will only remain for the prosecutor to ascertain what punishment the defendant will have merited through his crime. 21. that regarding this, the Statutes of India, which must primarily be taken into consideration here in the article on Bondservants, teach: 22. that if any male or female slaves should go so far as to commit the outrage of striking their masters or mistresses with their hands, even though without a weapon, they shall be punished with death for it without mercy. 23. and it is apparent therefrom that the prisoner and defendant had made himself all the more subject to the said punishments 24. because he availed himself of a knife, which is categorized as a weapon. 25. however, the prosecutor, subject to correction, believes 26. that this law might not be completely applicable in the present case. 27. the same stating expressly: whoever comes to strike his master with his hands, etc., with or without a weapon 28. which did not happen in this case, the prisoner and defendant having only kept himself in a threatening posture with a knife in his hand 29. without actually striking his master with his hand 30. and although it could be positively concluded from the circumstances 31. that the prisoner and defendant was indeed of the intention to strike his master with his hand and to make use of his weapon. 32. and here the will ought to count for the deed 33. the specified punishments, however, will not be able to take place 34. because this intention is not fully established 35. and the prisoner only confesses to having threatened with the knife. 38. that the prosecutor, subject to Your Honors' better judgment, believes it possible to determine 39. that the same differs only in a very slight degree from that described in the law. 40. and thus should be proportioned accordingly by the judge 37. the crime of the prisoner being, however, of such a nature Wherefore and for other reasons and means to be further reduced in due time and place, the prosecutor, making demand, concluded that the prisoner and defendant Apol of [illegible] shall, by definitive sentence of the Court of Justice, be condemned to be brought to the place where criminal sentences are customary to be executed, and being handed over to the executioner, to be bound to the post with the rope around his neck and there severely scourged on the bare back and branded; that he, the prisoner and defendant, shall further ad dies vitae be sent to the island, in order there, being placed in irons, to labor on the public works, with condemnation in the costs and expenses of justice, or to such other punishments as Your Honors shall judge to be proper. was signed: G. Exter. in the margin: Exhibited in Court on 15. June 1782 Appeared before us the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, Alexander of the Cape, bondservant of the Reverend Serrurier, who, upon the requisition of the Fiscal Gabriel Exter, declared that having been out with two tubs, he, the deponent, having rinsed one of the tubs in the sea, and being busy filling a bucket with sand, the mentioned Apol, the other tub, which he had also brought along, instead of watching over it, left it lying in the sea and meanwhile had gone into one of the tents standing on the shore to drink, in which meantime the aforementioned tub was drifted away by the current, he, the deponent, returned with the aforementioned Apol with only one tub; that furthermore his, the deponent's, master, the Reverend Mr. Serrurier, having asked the deponent and Apol where the other tub was, Apol gave as an answer that the same was stolen, whereupon his mentioned master, wishing to call him, Apol, to reason, raising his hand to give him a blow, the mentioned Apol had threatened his aforementioned master to stab him with a knife, against which, being said by his aforementioned master: how dare you threaten me with a knife? he, Apol, answered in a insolent tone: I shall; that further his master immediately had him, Apol, tied up and taken away. Declaring nothing more, the deponent gives as reasons of knowledge as in the text, being prepared, if necessary, to confirm the same further. underneath stood: Thus passed at the Cape of Good Hope on 12. June 1786. before the Honorable Marthinus Horak and Johannes Matthias Bletterman, members from the aforementioned Worshipful Council of Justice, who have duly signed the minute of this along with the deponent and me, the sworn clerk. Lower: Which I witness. was signed: R. J. van der Riet, sworn clerk. Review. Appeared before us the undersigned commissioners from [illegible] with his

Dutch transcription

hem te slagen 17. hij niet minder dien slag met een opgeheeven arm een kleijn mes in de hand houdende, op een dreijgende wijze heeft afgehouden 18. waardoor meergem: zijn Lijfheer zig verpligt heeft gehouden, denzelven in handen der Iustitie overtelee veren. 19. 't welk uijt de beijde voor heeren gecommitt„s gepasseerde verclaringen en de gev, en gede, eijgene en ingedwongene Confessie komende volkoomen en nog duijdelyker te Consteeren. „20. den r. O. Eijsscher alleenig zal overblyven omme nategaan welke straffe den gede, door zyne misdaad zal hebben gemeriteerd. — 21: dat hieromtrend de Indiesche Statuten dewelke hier voornamentlijk in aanmerking moeten koomen in 't articul van Lijteijgenen Leeren. 22. dat zoo eenige slaven ofte slavinnen haar zoo verrekwan te vergrijpen dat haare handen aan hare lijfheere ofte Lijfvrouwen kwamen te slaan schoon ook zonder geweer zy daarover zonder genade ter dood gepunieerd worden zullen. 23. en't daaruijt zonder blijken dat den gene, en ged„e„ zig aan reede straffen dies te meer had onderhevig gemaakt. 24. omdat hy zig van een mes dat onder het geweer gesteld word heeft bediend. 25. egter den r. O. Eijsscher /onder Correctie /vermeend. 26: dat deese wet in Casu Substracto niet volkoomen applicabel zijn mag. — 27. zeggende dezelve uijtdrukkelijk, wie komt de hande te slaan aan zyn Lyfheer Es, met of zonder geweer 28. dat in dit geval niet is geschied, hebbende zig den gen en gede, alleenig in een dreijgende postuur met een mes in de hand gehouden. 29. zonder zijne hand dadelijk aan zyn Lytheer te slaan 30. en hoe wel uyt de omstandigheedens positive zoude kunnen opgemaakt worden. 31. dat de gene, en gede, dog van intentie geweest is zine hand te slaan aan zyn Lijtheer en gebruijk van zijn geweer te maken. — 32. en hier dewil voorde daad moest geldende zijn 33. zoo zal de bepaalde straffen, dog niet kunnen plaats hebben - 34. omdat deeze intentie niet volkoomen Consteerd 35: enden geve, alleenig advoueerd wel met het wes te weijze gedreijgd te hebben. 38. dat den r: O. Eijsscher /onder uw E. agtb: beter vermeend te kunnen vaststellen 39 dat dezelve alleenig in een zeer geringe gra in de wet beschreevene verschillende is. 5 40. en dus evenredig van de regter zal behoor te worden 37. zijnde egter de misdaad des gev, zodanig gee„ Mits welke en andere reed middelen in tyd en wijlen e nader te reduceeren, den 16. Eysch doende Ceniludeerde a geve, en gede, apol van bij definitive vonnis van Ro„ zal worden gecondemneert gebragt te worden ter alwaar men gewoon is Crei Sententien te Executeeren en den Scherpregter overgege zijnde met de koorde om d de gaeg vast gemaakt en n op de bloote rugge Streng gegeesseld en gebrandmert worden, dat hy geve, en voorts ad dies vitie ten eijlande zal worden geca omme aldaar in de Eykers ge zynde aan de gemeene n te arbeyden met Cendemne de Kosten en mide van ofte tot alzulke anderen d en Straffen als uuE. agt oordeelen te behooren. /:was geteekend:/ G. Exter /:in margine Exhibitum in Iudicio den 15. Junij 1782 Compareerden voor ons ondergeteekende g uyt den E. agtb. raad van Iustitie deezes gom„ Alexander vande Caab Lyfeygen van den Eed Ferrurier dewelke ter requisitie vanden fiscaral gabriel Exter verclaarde hoen - zynde geweest met twee balies hij Comp:s de eene die„ balies in See uytgespoeld hebbende, en bezig zynde een Emmer met zand te vullen gem: apol de andere balie, welke hy meede had genoomen in Steede van daar op te passen liet leggen in zee en middelerwijl in eene W der aanstrand staanden tenten was gaan drinken in welke tusschen teijd voorm: balie door de Stroom weggedreeven zijnde hij Comp„t met appol voorm: met maar een balie is te rug gekoomen dat voorts zyn Comp„ts Lyfheer de Eerw: heer Serrurier aan den Comp en appol gevraagd hebbende waarden andere balie gebleeven was apol te antwoord gegeenen heeft, dat dezelve gestolen was, waarop gemelde zyn Lyfheer hem apol hebbende willen te reede stellen de hand opligtende om hem een slag te geeven gem: opol zyn voorm: Lytheer gedreygd had om hem met een mes te steeken waar tegen door voorm: zyn lijfheer gezegd zijnde hoe durfd gij mij met een mes te dreijgen hy apol op een brutale toon heeft g'antwoord zal dat wijders zin Lijfheer hem apol ter„ stond heeft laten vast binden en wegbrengen Niets meer verclarende geeft aen Cemp, voor reedenen van wetenschap als in den text bereijd zijnde hetzelve des noods nader gestand te doe /:onderstond:/ Aldus gepasseerd aan Cabo de goedehoop den 12. Junij 1786. voordE Ed, marthinus Horat en Iohs matthias Bletterman leeden uijt denb achtb: raad van Iustitie voorm: die de minute deezes beneevens de Comp ende mij gesw Clercq meede behoorlyk hebben onderteekend /: Lager 't welk ik getuijge /:was geteekend:/ R. J. V. ORiet gesm. Clercq Recollement. Compareerde voor ons onderget: gecommitt„ uyt met zyn

NL-HaNA_1.04.02_10984_0429 view scan ↗

English

says Apol of Bengalen, aged by estimation 25 years, slave of the Reverend from the Honorable Council of Justice of this government, the slave Alexander of the Cape, who, having had this his above statement clearly and distinctly read to him, declared that he abided and persisted by it, not desiring that anything more should be added thereto or taken therefrom, testifying the foregoing to be the pure truth. Below stood: Thus reviewed at the Cape of Good Hope, the 14th of June 1786. Was signed: cross, and around it written: this mark was made by the appearer's own hand. Lower down: in my presence, signed: R. J. van der Riet, sworn clerk. In the margin: as commissioners, signed: J. M. Horak and C. G. Maasdorp. Articles drawn up and submitted to the gentleman commissioners from the Honorable Council of Justice of the Castle of Good Hope, in order that at the requisition of the pro interim fiscal Gabriel Exter, Apol of Bengalen, slave of the minister here, the Reverend Mr. Serrurier, now a prisoner of the authorities, may be heard upon them, whose answers to be given shall be properly noted in the margin of these. Article 1. The prisoner's name, place of birth, age, and whose slave he is. Mr. Serrurier. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, Apol of Bengalen, who to the adjacent interrogation points has answered in such manner as is noted beside each of the same. Says twelve years, and to have brought wood. Says yes. Says yes. Says yes, and that he had said to Alexander to go into a tent in order to watch the tub while he had gone into one of the tents, and that through this he was neglectful. Says yes. Says yes. Whether he, instead of putting away the other tub, did not leave the same lying on the beach and let it be washed away by the sea. Whether it was not answered by him, the prisoner, to that: they have stolen the tub. Whether he, the prisoner, coming home with his companion subsequently with one tub, was not asked by their master where they had stayed so long. Whether the said Alexander, after having cleaned one tub, did not go to fill the same with sand. Whether he, the prisoner, did not on Thursday the 20th of April last, with his fellow slave Alexander, help carry two garbage tubs to the beach. Number 2. How long he, the prisoner, has been in the service of the said his master, and what his daily duties have been. 2. 3. 4. 5. Says yes. Article 8. Says yes. Says yes. Whether he, the prisoner, upon the rebuke of his master that they must have looked after it poorly, did not in an insolent and insolent manner say: Alexander should have watched it. Whether he, the prisoner, with a slap with the flat hand which his master wanted to give him, by pulling back his head, sought to dodge, and also actually dodged. 10. And whether he, the prisoner, further still muttering under his breath, awaited the second blow with an upraised arm, holding a knife in his hand. Says a knife that he usually carried on him, and that he later threw the knife into the woodshed. Says no, not to have intended to use such knife against his master or to put up a resistance, but to have done so solely to show the knife to make his master afraid. What kind of knife it was that he, the prisoner, had had in his hand, and where it has ended up. Whether he, the prisoner, actually was of the intention to injure his master. 11. 12. Article 13. Says yes. 14. Says because he, the prisoner, had become angry because his master wanted to strike him. Says yes, to know such. Says to request a merciful punishment, if he, the prisoner, can adduce anything more for his excuse. Thus interrogated and answered at the Cape of Good Hope the 12th of June 1786, before the Honorable Johannes Marthinus Horak and Johannes Matthias Bletterman, members from the Honorable Council of Justice aforementioned, who have duly signed the original of this along with the prisoner and me, the sworn clerk. Lower down: which I attest, was signed: J. J. van der Riet, sworn clerk. Review. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this 15. Whether he, the prisoner, his master noticing the knife and asking him: do you dare threaten me with a knife? did not answer: well, yes, good. 16. government, the slave Apol of Bengalen, who, having had these his interrogatories written on the other side clearly and distinctly read out verbatim, declared that he abided and persisted by them, not desiring that anything more should be added thereto or taken therefrom; for the rest he testified all the foregoing being the pure truth, to abide and persist thereby. Thus reviewed at the Cape of Good Hope the 14th of June 1786. Was signed: cross, and around it written: this mark was made by the appearer's own hand. Was signed: R. J. van der Riet, sworn clerk. In the margin: as commissioners, signed: J. M. Horak, C. G. Maasdorp. Whereas Apol of Bengalen, slave of the minister here, the Reverend Mr. Serrurier, aged by estimation 25 years, now a prisoner of the authorities, has freely confessed, and it has become evident to the Honorable Council of Justice of this government: That the prisoner, on Thursday the 20th of April last, in the morning, having brought two garbage tubs to the beach with his fellow slave Alexander of the Cape, the aforementioned Alexander, after having cleaned one tub, having gone to fill the same with sand, the prisoner, on the contrary, left the other lying and having gone into one of the tents standing there, that tub in the meantime was lost. That they both thereupon with only one tub 2 f

Dutch transcription

zeit apol van bengalen oud na gissing 25 Jaren Lykeygen van den Eerm: uyt den E. achtb: raad van Justitie deezes gouvernements de slaaf Alexander vande Caab dewelke deese zyne ommestaande, verclaring klaar en duijdelijk voorgeleesen weesende verclaarde daarby te blyven persisteeren niet begeerende dat 'er iets meer bijgevoegd ofte van gedaan werden zal betuygende 't voorenstaande de zuijvere waarheijd te zijn /:onderstond: Aldus gerecolleerd aan Cabo negoede hoop den 14. Iunij 1786. /:was geteekend:/ Kruijs en daarom beschreeven / dit teken heeft den Cemp:s eijgenhandig gesteld /:Lager:/ mij praesent /:geteekend:/ R. J. VO Riet often Clercq /:in margine ::/ als gecommitt„ /:geteekend:/ I. M. Horak en C. g. Maasden Articulen gedaan maken een aan Heeren gecommitt„s uijt den E. agtb: raad van Iustitie der Casteels de goede hoop overge geeven omme ter requisitie van den pro Interim fiscaal gabr: Exter daarop genoord te worden apol van bengalen lykeygen vanden praedikant alhier de heeruw heer serrurier thans sheeren geve, zullende desselve te geevene respensiven in margin deesen behoorlijk genoteerd worden. Ab„ 1. des gev„ naam geboorte plaats ouderdom en wiensLyfeigen hij is. heer serrurier Compareerde voor ons onderget: gecommitt: uit den E: Achtb. Raade van Justitie dezes Gouver mements Apol van Bengalen derwelken op de nevenstaande vraag poincten zodanig geantwoord heeft als bezijden en ieder derzelver aangetekend staat Legt twaalf Jaren en houd gedragen te hebben. zegt Ja. zegt Ja. off hy gene, in plaats van de zegt zal en dat hy aan alexander gesegd had andere balij te bergen niet in een tent is gegaan hebbe om op de balij te passen terwijl hij gene, zulke aan strand laten leg ve een der tenten gegaan en door de zee weyspoelen was, en zulx doordien singen versuijmd te zijn. zegt Ia. zegt Ja. off niet van hem geve, daarop is g'antwoord geworden zy hebben de balij gestolen off hy geve, met zyn maat voorts met een balythuijs koomende zyt: niet van hun Lytheer is gevraagd geworden waarzit: zoo lang waren gebleeven. off gem: Alexander na d' eene baeij te hebben Schoon gemaakt niet is gegaan dezelve met Land te vullen. of hy geve, niet op donderdag den 20. april Lengstl: niet zijne meede slaaf Alexand twee vuijlnis balies naa strand heeft helpen dragen. Nb 2. hoelang hij geve, in dienst van gem: zin lijfheer is en wat zyn dagelykse verrigting geweest zijn 2: 3 4. 5. zegt Ia. AC 8. zegt Ia. zegt Ia. off hy geve, op het toevoegen van zyn lyfheer dat zyt'er slegt of moesten gepast hebben niet op eene assurante en brutaale wyze heeft gezeijd alexander moest daarop gepast hebben. off hy geve, met een klap met de vlakke hand dewelke zyn lyfheer hem wilde toebrengen met 't te rug trecken van zyn hoofd heeft zoeken te ontweijken en ook wezendlyk uitweken is. 10 en of hy geve voorts nog binnensmonds pratende de tweede slag met een opgeheeven arm een mes in de hand houdende heeft aggewaght wat het voor een wes geweest zegt een mes, die hy gewoonlyk is dat hy gene, in de hand by zig droeg en dat by heeft gehad en waar't beland het mes naderhand is in de houthok heeft geworpen. off hy geve, aan wezendlyk zegt neen niet van meening van intentie is geweest te zijn geweest en zin Lyfheer te quetzen naar zodanig mes tegen zijn Lyf zulx eenelijk gedaan te heer te gebruijken ofte tegen hebben om't mes te weyten weer te doen zyn Lythier bevreesd te maken dag et 11. 12. 0 Ab 13. Legt Za. 14. Leyt omdat hy gene„ wat hem geve, tot dit zoo quaad was geworden vermetele bestaan heeft dewijl zin lyfheer kunnen bewegen. hem gene„ wilde slaan off hy niet bekennen moet zeijt Ial zulx te zig door zijne raad hoogst weeten. schuldig en Strafwaardig te hebben gemaakt. zeyt een genadige Straffe off hy geve nog iets meer tot zijne verschoning zal te verzoeke bijbrengen kunnen. Aldus gevraagd en beantwoord aan Cabo de goede Hoop den 12 Junij 1786. voord' EEs, Sohs, marthinus Horak en Joh„s matthius Bletterman leeden uijt den E. achtb: raad van Iustitie voormeld vie de minute deezes beneevens de geve„ ende mij gesw: Clercq meede behoorlijk hebben onderteekend /: Lager:/ 't welk ik getuijge /:was geteekend :/ I. J. Vd Riet gesw. Clercq. — Recollement. Compareerde voor ons ondergetekende gecam uijt den E. agtb: raad van Iustitie deeses 15. off hy geve, zyn lythier t met gewaar wordende en hem vragende of dirrft gy my met een mes dreijgen niet heeft g'antwoord wel Ia„ goed 16. O gouvernements den slaaf apol van bengalen dewelke deeze zyne ommestaande Interrogat: klaar en duijdelijk woordelijks voorgeleesen weesende verclaarde daarbij te blijven persisteerende niet begeerende dat 'er iets meer bij ofte van gedaan worden zerl„ voor't overige betuygde hij al 't vooren staande als de zuijvere waarheijd zijnde vaarbij te blijven persisteeren Aldus gerecolleerd aan Cabo de goede hoop den 14. Junij 1786. /:was getekend / kruijs / en daarom beschreeven dit teken heeft de Comp„e eijgenhandig gesteld /:was geteekend:/ rJVd Riet gesw. Clercq /:in margine :/ als gecem mitteerdens /:geteekend:/ I. M. Honak C. g. maasdorp. Aangesien Apol van Bengalen Lijfeijgen vanden predi kant alhier de Eerw. heer serrurier oud na gissing 25 Iaaren, thans s' heeren geve, vrijwillig heeft beleeden en den E. Achtb: raad van Iustitie deezes gouvernements evident gebleeken is. Dat den geve, op donderdag den 20 april Iongstl des morgens met zijne meede slaaf Alexander van de Caab twee vuijlnis balies na Strand gebragt hebbende, de eevengem: Alexander nade eene balie te hebben schoon gemaakt gegaan zijnde om dezelve met zand te vullen den geve, daarentegen de andere heeft laten Leggen en zich in een der aldaar staande tenten begeeven hebbende, die balie inmiddens absent geraakt is. dat zy beijde daarop slegts met eene balij 2 ƒ

NL-HaNA_1.04.02_10984_0434 view scan ↗

English

returned home instead of two, and being asked by their master why they had stayed away so long, it was answered by the prisoner, they having stolen the tub, upon which the said master having added that this was proof that they had watched it poorly, the prisoner had replied thereto, Alexander did not watch it. That the said master, having asked him, the prisoner, again whether he was not obligated to do so just as well as Alexander, the prisoner answered in an insolent manner, Alexander should have watched it, wherefore his said master raised his hand to give him, the prisoner, a slap, which he, the prisoner, however, avoided by pulling back his head; that the prisoner, then still continuing to mutter under his breath, his master raising his hand once more to strike him, the prisoner awaited that blow in a threatening manner with a raised arm, holding a small knife in his hand; that thereupon his master having asked him, do you dare threaten me with a knife, this was answered by him, the prisoner, in a malicious and fierce tone with yes, whereby the said master was then compelled to deliver the prisoner into the hands of justice; but whereas such wicked undertakings and dangerous threats in a country where justice is maintained can by no means be left unpunished, but on the contrary must be punished as a deterrent and example to other such villains; So it is that the Honorable Worshipful Council of Justice aforesaid, having read and considered the written claim and conclusion made and taken by the pro interim fiscal the Honorable Gabriel Exter nomine officii upon and against the prisoner, as well as having attended to everything that was relevant to the matter and could move their Honorable Worships, administering justice in the name and on behalf of the High and Mighty Lords States General of the United Netherlands, have condemned the prisoner, Apol of Bengal, as their Honorable Worships condemn the same by these presents, to be brought to the place where criminal sentences are customary to be executed here, there delivered to the executioner, and being tied to a post, severely flogged with rods on the bare back, thereupon branded, and furthermore being clapped in irons, to be banished to Robben Island, there to labor for the term of his life without wages on the Honorable Company's public works, with condemnation in the costs and expenses of justice, and rejection of the further claim made and taken by the officer. underneath stood: Thus done and sentenced at Cabo de Goede Hoop the 15. June 1786, as well as pronounced in the Castle of Good Hope the 24. of the same month, and executed on the same day; was signed: P. Hacker, Johs. Smits, S. Vlchten, A. V. Littert, S. M. Horak, J. M. Bletterman, W. J. V. Rheede van Oudshoorn, C: G: Maasdorp, C: L. Neethling, G. P. Meijer, P. de Wet. lower: in my presence, signed: C: van Aerssen, Secretary. in the margin: fiat execution, signed: C: F. van de Graaf. H. H. D. Kiel, clerk. Agrees. To the Right Honorable and Worshipful Lord, President Pieter Hacker, In the Council of Justice of the Castle of Good Hope. Right Honorable and Worshipful Lord and Lords. Shows with due respect the undersigned pro interim fiscal G. Exter, that some months ago the burgher Jacobus Kruger, complaining, represented to the petitioner that the day before, his wife having some company with her, had noticed a strong stench coming from the yard of her next-door neighbor, the widow Harmen Aarts, which he himself noticed at the same time; that his neighbor the former bookkeeper Cromhout having come thither and conversed with him about this, and about the nuisance that he had to suffer from her pigs despite his numerous complaints, he had resolved, in order to fully convince himself of the nuisance of this stench, to look on a ladder over the wall towards the yard of the aforesaid widow, where he then noticed that it came from a filth-tub which was being emptied into a hole next to the foundation of the said Kruger by two boys, and with which they were still busy; the petitioner forbade this, but they nevertheless continued in their work. That his wife in the meantime having come thither and wondering at such a foul action, wanting to see it herself, had also climbed on the ladder, and was then insulted by the frequently mentioned widow, who was then in the yard, saying in substance, you beast, you wretch, damned whore, what do you need here, that does not concern you, I can do what I want in my yard; on which grounds he then requested that such proceedings be forbidden to the widow and satisfaction be given to his wife; that the petitioner in his official capacity having summoned the aforesaid widow Aarts before him and presented this to her, the widow denied neither the one nor the other, only answering against it that Kruger's wife had also cursed and that she had no business looking into her yard. Whereupon the petitioner in his official capacity ordered her to refrain from doing the like in the future, and concerning the insult committed against the wife of Kruger, to meet with her and make her reparation of honor, of which notice was also given to the frequently mentioned Kruger. Yet this widow having hitherto remained in default, and continuing in her usual obstinacy which she has shown so often, Kruger furthermore insisting on the dictated satisfaction, and the petitioner, the plaintiff, under your Honorable Worships' better judgment, being of the opinion that the person and the matter are too minor to institute an action in ordinary proceedings, the petitioner in his official capacity has deemed it best to present this respectfully to your Honorable Worships with the no less respectful request that it may please the same the aforesaid widow Harmen

Dutch transcription

in steede van twee thuijs gekoomen, en door hunnen Lytheer gevraagd geworden zijnde waarom zy zoo lang uytgebleeven waren, doorden gene„ is g'antwoord geworden, zij hebbende balij gestoolen, op 't welk zunt: lytheer hun toege voegd hebbende, dat dit een bewijs was, dat zy er slegt opgepast hadden, de geve daarop gerepliceert had, Alexander heeft 'er niet opge past. dat des ged. Lijtheer hem geve, wedergevaam hebbende, of hy niet zoo wel als alexander daartoe verpligt was, de gev, op eene insolente wijze ten antwoord heeft gegeeven, Alexander moest daarop gepast hebben, weshalven gemeld zyn Lijfheer de hand heeft opgelegt, om hem gew„ een Klap te geeven, dewelke hy geve, echter met het te rug trekken van zin hoofd heeft entweden dat de geve, toen nog Continueerende om binnen monds te praten zyn Eytheer andermaalde hand opheffende om hem te slaan den geve dien slag met een opgeheeve arm, een kleyn mes in de hand houdende, op eendreygende wize heeft afgewagt dat daarop zyn lijtheer aan hem gevraagd hebbende durft gij mij met een mes dreigen zulx door hem geve, op een kwaadaardige en forsje toon is beantwoord geworden met Ia„ waardoor dan des ges, Lijtheer is genoodsaakt geworden den geve, in handen van Iustitie overteleeveren dan nademaal dergelijke snoode onderneming en gevaarlijke bedreijgingen in een Land alwaar de Iustitie gehandhaafd word geensints ongestraft kan worden gelaten maar inteegen deel ten afschrik en voorbeeld van anderen soortgelijke booswigten gepunieert worden moeten — Soo is 't dat den E Agtb: raad van Iustitie voorm: geleesen en overwogen hebbende, den schriftelijken Eijsch en Conclusie door den pro Interem fiscaal dE: gabriel Exter nomine officii op ende Teegens den gede, gedaan ende genoomen, mitsgs, gelet op alles wat ter materie dienende was, en haar E. achtb: konde doen moveeren segt doende uijt naame ende van wegens de hoogmogende Heeren Staten generaal der verEenigde Neder „landen den geve, Apol van Bengalen hebben gecondemneerd gelijk hun E: agtb: den zelve Cendemneeren mits deezen omme gebragt te worden ter plaatze alwaar men alhier gewoon is Crimineele geweijsdens te Executeeren aldaar den Scherpregter overgeleevert, en aan een paal gebonden zijnde met roeden op de bloote rugge Strengelyk gegeesjeld daarop gebrandmerkt en voorts in de ketting geklonken, zijnde op 't robben Eijland gebannen te worden, aldaar aen tijd zyn's Leevens zonder Loon aan S E. Comp„s gemeene werken, te arbeijden, met Condemnatie in de kosten en misen van Iustitie, en ontzegging van den verderen Eijsch bij den officier gedaan ende genomen /:onderstond:/ Aldus gedaan en gezententieerd aan Cabo de goede Hoop den 15. Iunij 1786. mitsgs gepronuntieerd in't Casteel de goede hoop den 24. derzelve maand en g'executeerd ten zelven dage, /:was geteekend:/ P. Hacker Johs, Smits S. Vlchten, A V Littert, S. M. Horak, J. M. Bletterman WJV Rheede van oudshoorn C: g: Maasdorp C: L. Neethling, g. P. Meijer P. dewet /:Lager:/ mij present /:geteekend:/ C: van Aerssen Secretaris /:in margine:/ fiat Executie /:getekend:/ C: F van de graaf. HH D Kiel geinCleren Accordeert Aan den welEdelen agtb: heer Praesident Pieter Hacker Ten raade van Justitie des Casteels de goede Hoop. WelEdele Achtbare Heer en Heeren. Vertoond met Schuldigen Eerbied den onderget: pro Interim fiscaal 9. Exter, dat eenige maanden geleeden den burger Jacobus Kruger by den vert: klagende heeft voorgesteld dat sdaags te vooren zijne huijsvrouw eenig gedelschap bij haar hebbende, een sterke stank had waargenomen koomende van't Erf van dezelvs huis buurvrouw de weduwe Harmen Aarts, 't welk hy zelve ter zelver tyd waarnam, dat hy zyn buurman den oud boekhouder Cromhout daartoe gekoomen zijnde, en deese met hem daarover gediscou reerd hebbende en wegens den overlast die hy van hare varkens, niet tegensstaande zyne weenigvuldige klagten moest leyden te raade was geworden, om zig volkomen van den overlast dies stanks te overtuijgen op een ladder over de muur naa 't Erf van voorm: weduwe te zien, waarhy dan ontwarende, dat het afquam van een vuijl „nis balij dewelke van twee Iongens naast het fondament van zijn gem: kruger gebonden in een gat uytgegooijt is geworden en waaraan zi nog bezig waren, kunt: zulx verbood, zy echter in hun werk continueerd Dat zijne huijsvrouw intusschen daartoe gekoomen en zich over een zoo vuyle handeling verwonderende, zulx zelfs hebbende willen zie zien ook op de ladder was geklommen, en als toen van meergem: weduwe die zig toen op de plaats bevond, was uytgescholden geword in Substantie zeggende, jouw beest jou Loeder, verdomde hoer wat hebt gij hier van nooden, dat raakt jouw niet ik kan op mijn plaats doen wat ik wil uyt welke hoofde hij dan verzogt dat aand weduwe diergelijke gedoente verbooden en aan zyn huijsvrouw Satisfactie gegeeven wie dat den E. O. vert: voorsz: weduwe Aarts hebbende doen voor zig koomen, en aan dezelve zulx voorgehouden, de wed=e nog het een nag het ander heeft ontkend, alleenig daarteege antwoordende dat de krugerse huijsvrouw ook had gescholden en dat zy op haar plaats niet te zien had. waarop aan den E. O. verl: amptshalven haar gelast heeft zig diergelyke te doen voor de toekomst te wagten, en omtrend d'injar tegens de huijsvrouw van Kruger gepleegd zig met dezelve te vinden, en haar repar tie van honneur te doen, waarvan ook aan meergem: Kruger ook kennis is gegeev geworden dog deeze weduwe tot hiertoe in gebrek zijnde gebleeven, en in hare gewoonlyke halsturrigheijd, die zy zoo dikwils heeft getoond Continueerende, voorts kruger op de gedicteerde Satisfactie insteerende, ook den E. O. Eysscher /onder uwE. agtb: beter oordeel/ van gevoelen zijnde, dat de perzoo„ en de zaake te gering is, om eene actie op int ordinair proces te institueeren, heeft den R. O. verl: voor best gehouden zulx aan uw E. agtb: eerbiedig voorte dragen met 't niet minder Eerbiedig verzoek dat 't wel dezelve mooge behagen voorsz, weduwe Harmen

NL-HaNA_1.04.02_10984_0439 view scan ↗

English

to compel Aerts to the imposed satisfaction, and on account of her disobedience, to correct her to maintain the authority of the R. O. Prosecutor, or to take such highly favorable resolution as your Honors shall find to be proper according to order and equity. Beneath was written: Which doing, etc. Was signed: G. Exter. In the margin: Exhibited in the Court of Justice on 13 July 1786. To the Right Honorable and Venerable Pieter Hacker, President, together with the Honorable and Venerable Council of Justice of this Government. Right Honorable and Venerable Sir and Honorable and Venerable Gentlemen, The undersigned commissioned members of your Right Honorable court, having executed on the 20th of this current month of July the commission decreed by your Honors on the 13th previously upon the representation submitted by the pro interim Fiscal r. o. regarding the atrocious verbal insults inflicted by a certain widow Harmen Aerts upon the wife of the burgher Jacobus Kruger, the undersigned caused the parties to be summoned before them, and presented to the said widow Aerts the resolution taken by your Honors. In carrying out this resolution, some hesitation was initially found in her; however, when the undersigned placed the consequences before her eyes, [illegible] she finally proceeded to do so, and indeed in such manner that she, widow Aerts, after the aforesaid Kruger and his wife were also called inside, asked for an excuse for the insults inflicted upon the aforesaid Kruger and his wife, with the declaration that she was heartily sorry for that which she had uttered to the dishonor of him, Kruger, and his wife, and that the same had escaped her through passion and in her anger, and furthermore that she knew nothing of the conduct of the said Kruger and his wife other than what belongs to honor, and therefore retracted all her statements as having been made in haste. With this, the said Kruger and his wife declared they took good satisfaction, and the parties, after the aforesaid widow Aerts was subsequently reprimanded by the undersigned in compliance with the said resolution, departed well-satisfied with one another, and thus also from the undersigned. Wherewith the undersigned, believing they have complied with the honored intention of your Right Honors, let this serve as a dutiful report. Delivered in the Council of Justice at the Cape of Good Hope on 27 July 1786. Was signed: W. J. v. Rheede van Oudshoorn, C. G. Maasdorp. Lower: Present with us. Signed: R. J. v. d. Riet, Sworn Clerk. Agrees: H. Kier, Sworn Clerk. Shows with the greatest respect the undersigned Landdrost of Stellenbosch and Drakensteyn: That to the petitioner, on the 20th of the past month of April upon his arrival here in Stellenbosch, it was reported by the Secretary that the day before, upon a report received from the wife of the burgher David Malang Davidzoon, who was on an expedition in the Cambdebo, that one of her slave boys named Galant, having been recaptured, had been punished for repeated desertion and had died on the fifth day after the punishment; the commissioned Heemraden, the Honorable Pieter Gerhard Wium and Philip Wouter de Vos, assisted by the Secretary and a Surgeon, had on the aforesaid 19th proceeded to the place of the said Malang situated in Hottentots Holland, whereupon an inspection of the corpse of the aforesaid slave boy was made by the aforesaid Commission. That the same Commission, having found no direct signs of mistreatment on the corpse which could have absolutely caused the death of the said Galant, but rather presupposed that neglect to apply the necessary remedies and carelessness had given occasion to the death of that slave boy, the petitioner thus found himself obliged to investigate to what extent the same neglect and carelessness in the aforesaid case could be attributed to the wife of the oft-mentioned Malang, while he at the same time presumed To the Right Honorable and Venerable Pieter Hacker, President, together with the other members of the Honorable and Venerable Council of Justice of this Government. that he could not act against the wife of the said Malang alone without her husband, and thus had to suspend the matter until the arrival of the aforesaid Malang. That the same Malang, having returned home a few days later from his expedition made in the Cambdebo and subsequently having come to the petitioner, stated that upon his return, having been informed of the aforesaid case by his wife that the worthy Burgher Lieutenant Johannes Brink and burgher Cornelis Mosterd Davidzoon had been present at the punishment of the said slave Galant, he, Malang, since the aforesaid case had occurred during his absence, had gone to them, at which time they had declared that the slave of him, Malang, had received far fewer lashes than that of the said Brink, which both slaves, both that of him, Brink, and that of the said Malang, had deserted together, and that the slave of him, Malang, had in no way been excessively chastised, and even less mistreated, and that furthermore the same slave Galant had in no way come to die through neglect of his wife, and that both he, Brink, and the same Mosterd were prepared to depose to all this under oath. That the petitioner, having thus further informed himself directly from the said Brink and Mosterd after this statement made by the aforesaid Malang, was assured by both of them that the aforesaid Galant, the day after the lashes received, had worked of his own accord with the other slaves, and four days thereafter they had even seen the same Galant go from the river to the dwelling house, without having been able to perceive superficially that anything whatsoever was the matter with the boy, of which the same Brink and Mosterd to

Dutch transcription

Aarts tot de opgelegde Satisfactie te Censtrin geeren, en wegens derzelve engehoorsaam heijd tot maintenuie van des R. O. Eysschers gezag te Corrigeeren ofte zodanig hoog gunstig besluijt te neemen als uE: agtb: naar ordre en billijkheijd zullen vinden te behooren. — /:onderstond:/ 't welk doende &„a /:was geteekend:/ g. Exter /:in margine:/ Exhibitum in Indicio den 13. Julij 1786. Aan den welEdelen agtb: heere Pieter Hacker praesident beneevens den E. Achtb: rade van Iustitie dezes gouvernements. WelEdele Achtb: Heer en E. Achtb: Heeren De onderget: gecommitt: leeden uwer welE: agtb: regtbank op den 20: deeser Loopende maand Iulij werkstellig gemaakt hebbende de door uwE. agtb: op den 13. bevorens op't door den pro Interim fiscaal r: O. ingelee verd vertoog nopens de door zeekere wed=e wede. Harmen Aerts de huijsvrouw van de weduwe burger Jacobus Kruger toegevoegde attroce verbale Enjurien gede„ cerneerde Commissie zoo hebben de onderget: partheijen voor hun doen appoincheeren en aan gem: weduwe Aerts voorgesteld 't door uwE. agtb: genoomene besluijt welk besluyt uijttevoeren in't begin wel eenige haditatie by haar vond egter wanneer de onderget: haarde gevolgen voor agenstelde als op onden hier g en ouw er d par zelv en eijndelyk daartoe getreeden is, en wel in diervoer dat zy wede. Aerts de voorsz: Kruger en zyne huijsvrouw toegevoegde Injurien na dat zijd meede waren binnen geroepen, omme excus versogte met betuijging dat ae het geene door haar tot deshonneur van hem krugen en zyne huysvrouw gtuyt was, van harten leed reed en hetzelve doordrift en in haar tigheijd haar ontvallen te zijn, mitsgs dat zy op 't gedrag van eevengem: kruger en zyne huijsvrouw niet anders wist als het geene der Eere toestandig is, en mitsdien alle hare gezegdens als in overeijling gedaan retracteerde, waarin gem: krngeren zijne huijsvrouw hebben betuijgd te neemen goed genoegen, en zijn partheijen /na dat de voorsz. weduwe Aerts in opvolging van't gede, besluijt door de ondergeteekende was gereprimendeert, /vervolgens wel vergenoegd van den anderen, en dus meede van de ondergeteekendens vertrocken Waarmeede de onderget: vermeijnende aande g'eerde intentie uwer welE: agtt voldaante hebben, deezen laten dienen voor pligtschul „dig rapport. Overgegeeven in raade van Iustitie aan Cabo de goede Hoop den 27. Julij 1786 /:was geteekend:/ WJV Rheede van ouds hoorn, C. G. Maasdorp. /:Lager:/ wij Praesent /:geteekend:/ R. J. VO Riet gesw: Clercq. — Accordeert H Kier gem Clery Vertoond met de meeste Eerbied den onderget: Land doak tot Stellenbosch en drakensteyn Dat aan den verk: op den 20. der gepasseerde maand April by zyn komst van hier tot stellenbosch door den Secretaris zijnde berigt, dat daags bevoo„ ƒ „rens op ingekoomen rapport van de huijsvrouw van den op een togt inde Cambdebo zig bevindende burger david Malang davidz dat een haarer slaven Iongens met naame galant opgevangen zynde wegens herhaald opdrossen afgestrafd en de vijfde dag nade afstraffing overleeden was, de gecommitt: Heemraden, dEh: Pieter gerhard wium en Philip wouter devos g'adsisteerd met den Secretaris en een Chirurgin op den 19. voorscz: zig ter plaatze van gem: Malang in hottentots holland geleegen, begeeven hadden, wanneer door de voorsz Commissie Schouwing van't lijk van voorsz: slaven Iongen was genoomen. Dat deselve Commissie aan't lijk geene directe teekenen van mishandeling hebbende bevonden dewelke de dood van gem: galant absolutelijk hadden kunnen veroorzaaken, maar veel meer gepresupponeerd dat verzuijm tot appli Ceering vande nodige middelen en verwaarloo„ sing aanleijding tot de dood van die slaven Iongen zoude hebben gegeeven. den vertoonder zig dus verpligt gevonden te onderzoeken in hoe verre hetzelve verzuijm ende verwaar Looding int voorsz: geval, zou kunnen worden toegereekend aande huijsvrouw van meergem: Malang, terwijl hyj teffens ver Aan den WelEdelen achtb: heer Pieter Hacker praesident benee vens. de verdere leeden van den Edele achtb: raad van Iustitie deezes gouvernements. — vermeende, Tegens dezelve huijsvrouw van gem: Malang niet alleen zonder haaren man te kunnen ageeren; en dus met de zaak te moeten supperse „deeren, tot de komst van voorsz Malang:— Dat dezelve Malang weijnige dagen daarna va zijne in de Cambeebo gedaane togt te huijs en vervolgens bij den vertoonder gekoomen zijnde heeft gezegd, dat hy by zyn komst van't voorsz geval door zijn huijsvrouw g informeerd zijnde dat den manh: burger Luijtenant Ioh„s Brin„ ende burger Cornelis Mosterd davidz, bijt afstraffen van gem: slaat galant praesent ware geweest zij Malang vermits het voors geval by zijn afwesendheijd had g'exteerd zig by hunz: had vervoegd, als wanneer dezelve hadden gedeclareerd. de slaaf van hem Malanc veel minder slagen te hebben gehad als die van eevengem: Brink welke beijde slaven zoo van hem Brink als die van eevengem Malang te zamen opgedrost waren, ende slaa van hem Malang in geenen deele overmatig gekasteijd, en nog minder mishandelt te zijn en dat teffens dezelve slaat galant geenzints door verzuijm van zijn huisvrouw was komen te sterven en dat zoo wel hij Brink als dezelve Mosterd bereijd waren dit een en ander onder Eede te deposeeren Dat den vert: alzoo na deeze gedaane opgaaf van voorm: Malang zig na eevengem: Brink en Mosterd zelfs nader hebbende g'informeer door hunz: beijde was verzeekert, dat voorsz galant daags nade ontfangene slagen, uyt eijgen motief met de andere slaven g'arbeijd en vier dagen daarna zelfs denzelven galant uijt de rivier zien gaan na't woonhuijs, zenden oppervlakkig te hebben kunnen bespeuren dat de Jonge iets hoegenaamd mangueerde waarvan dezelve Brink en Thosterd aan

NL-HaNA_1.04.02_10984_0443 view scan ↗

English

then also granted both declarations annexed hereto under letters C and d to the narrator, and from which, contrary to what was presupposed by the commissioned Heemraden and the surgeon as if the death of the aforementioned Galant was caused by neglect and negligence of the necessary remedies which the wife of the said Malang ought to have provided for, it seems to have to be taken into account in favor of the same, that which was established by the same both declarations under offer of oath, that the said slave Galant shortened his life and was the cause of his death more through maliciousness and his own negligence than on account of committed neglect and negligence of the wife of the said Malang. That thus, from his same information and obtained declarations, no sufficient foundation appeared to the narrator to be able to proceed ordinarii modo against the aforementioned Malang in the capacity as husband and guardian of his wife or against the same wife assisted by him, Malang, but on the contrary, under respectful correction, understanding the administered punishment and subsequent death of the aforementioned Galant to be of such a nature that the same may conveniently be considered to have to remain outside of all further claim to be made by the narrator, consequently he also believed himself to be under the necessity of having to give the necessary disclosures regarding these matters to Your Honorable Worships, in order on the one hand to take care that crimes are not left unpunished, and on the other hand, conversely, that the innocent are not punished on a loose footing. Wherefore the narrator turns to Your Honorable Worships with humble request that Your Honorable Worships may be pleased to have the goodness to declare whether Your Honorable Worships concur with the view to keep this matter outside of all further claim to be made ex officio by the narrator, or else to provide in this matter in such other manner as Your Honorable Worships shall find to be proper according to the circumstances of the case. Which doing, etc. Was signed: H. L. Bletterman. In the margin: Exhibited in court on 27 July 1786. On Wednesday the 19th of April 1786, the undersigned commissioned Heemraden, assisted by the secretary and surgeon Christoph Bernhard Lesieur, upon a report made that a certain slave boy named Galant of Madagassar, belonging to the burgher David Malang Davidtsz, was punished on the 12th of this month and passed away on the 17th thereafter, proceeded to the place of the said Malang situated in Hottentots Holland, inspected the body of the same Galant, which on account of the severe heat had already completely passed into decay, and found on the same a contusion on the thick part of both buttocks up to a handbreadth above the same, together with a smaller ditto on the penis and swelling of the scrotum, as well as a slight wound on the left knee with an injury of the right eyeball, while it finally appeared to the undersigned that the cause of death can be attributed not so much to the inflicted wounds, as well as to neglect of the necessary remedies and negligence. Actum datum as above. Signed: P. G. Wium, P. W. de Vos. Lower: In my presence, signed: N. A. Faure, Secretary. Upon the requisition of the Honorable Landdrost here, I hereby declare to have examined a boy of the burgher David Malang, and found a contusion on both buttocks which extends a good handbreadth onto the vertebrae lumbales, furthermore a contusion on the penis, a swelling on the scrotum, furthermore a slight contusion on the left knee and the loss of his right eyeball, which accidentally had been eaten out by rats after the passing of the deceased; the entire body was completely putrefied, from which it clearly appears that, with the said accidents and with neglect of the necessary remedies, the extravasated blood assumed an acrimony, corrupted the entire mass of the blood, and thereby caused the death of the deceased; in witness of the truth I have signed this. Was signed: Christoph Bernhard Le Sueur. In the margin: Stellenbosch, the 21st of April 1786. The undersigned declares upon the requisition of Mr. Hendrik Lodewyk Bletterman, Merchant and Landdrost of Stellenbosch, that Mrs. Elisabeth Malang, wife of the burgher David Malang Davidtsz, on 12 April 1786, had one of her slave boys named Galant of Madagaskar held by other boys and also had him beaten in the presence of the undersigned and Mr. Johannes Brink, so that it did not in the least resemble premeditated abuse, but through wilfulness and neglect of himself he passed away on 17 April, which I can confirm with a solemn oath. Hottentots Holland, the 23rd of June 1786. Was signed: Cornelis Mosterd DZ. The undersigned declares upon the requisition of Mr. Hendrik Lodewik Bletterman, Merchant and Landdrost of Stellenbosch, that on Wednesday, being the 12th of April 1786, the wife of David Malang Davidtsz, in the absence of her husband, had one of her slave boys named Galant of Madagassar, being an inexperienced slave boy, because the same had deserted up to two times, beaten and held by other boys in such a manner that it did not in the least resemble abuse, much less was it fatal. The undersigned also declares to have seen the aforementioned slave boy, it being Sunday the 16th of April, walking from the river to the dwelling house as if nothing ailed him and he had no injury whatsoever to his eyes; whereafter it appeared that the same brought about his own death through his own maliciousness and neglect of himself, which the undersigned can confirm with solemn oaths. Cape of Good Hope, the 15th of June 1786. Was signed: Js. Brink. Agrees, [illegible] Sworn Clerk

Dutch transcription

dan ook aanden vert: ne beijde verclaringen deezen sub litt, C. en d: g'annexeerd hebben verleend en uyt dewelke tegen het gepredupponeerde van gecommitt Heemraden ende Chirurgij als af de dood van eevengem: galant door verzuijm een verwaarloozing der benoodigde hulpmiddelen waar voorde huijsvrouw van gem: Malang hadde behooren te zorgen zoude zijn veroor„ zaakt, ten voordeele van dezeeve schijnt in aanmerking te moeten koomen, 't by dezelve beijde verclaringen, onder Praesentatie van Eede vastgestelde, dat dezelve slaat galant meer door quaadaardigheijd en eijge verwaarlosing als uijt hoofde van gepleegd verzuijm en verwaarloosing van de huijsvrouw van gemelde Malang zyn leeven verkort en oorzaak tot zijn dood zou geweest zijn. Dat de vert: dus uijt dezelve zijne informatie en ingewonne verclaringen geen genoegzaam fundament zijnde voorgekoomen, omme ordi „narii modo tegens voorsz Malang in qualiteijd als man en voogd van zyn huijsvrouw of Tegens dezelve huijsvrouw g'adsisteerd door hem Thalang te kunnen procedeeren, maar ter Cen„ trarie onder eerbiedige serrectie begreijpende de gedaane afstraffing en daarop gevoegde dood van voorsz, galant te zyn van dien aard, dat dezelve gevoegelijk zal kunnen worden aange„ merkt, te moeten blyven, buiten alle te doene verdere aanspraak vanden vert: mitsdien ook heeft gemeend, zig inde noodsakelykheijd te bevinden om van dit een en ander uwelE agtb: te moeten geeven de noodige ouvertuures ten eynde aanden eenen kant te moeten zorge dragen, dat de misdaden niet ongestraft worden gelaten, en dat aan de andere kant daarenteegen de onschuldige niet op een lossen voet worden gepunieerd Waarom den vert: zig keert. tot uwelE Agtb: met ootmoedig verzoek dat uw E. agtb: de goedheijd geliev te hebben omme te reclareeren of uwE. agtb: gunne vallen in't begrip, omme deeze zaake te houden buyten alle verdere exofficie te doene aanspraak vanden vert:dan wel indeeze op zodanige andere wijze te voorzien als uwE: agtb: vande omstandig heeden der zaake zullen vinden te behooren. /:onderstend:/ 't welk doende &a /: was getee„ kend :/ H. L. Bletterman /:in margine:/ Exhi bitum in Iudicio den 27. Iulij 1786. Cp woensdag den 19 April 1786: hebbende ender getek gecommitteerde Heemraden g'adsisteerd met den secretaris en Chirurgijn Christoph Bernhard Le sieur op gedaan rapport dat zeekere slaven jongen in naame galant van Madagassar toebehoorende den burger David Malang davidt op den 12. desen was afgestraft en op den 17. daaraan was komen te overleijden zig begeeven ter plaatze van eene gem: Malang in hottentots holland geleegen 't lighaam van dezelve galant dat wegens de sware hitte reeds ten eenemaal tot het bederf was overgegaan, bezigtigd en aan't zelve bevonden eene fontudie op 't dik der beyde billen tot een handbreet boven dezelve mitsgs een kleyndere do, aande penei en Swelling aan't Scrotum als meede eene ligte wonde aande Linker knien met quetzing der regter oog appel, Terwijl 't eijndelijk aan de ondergeteekendens gebleeken geweest is, de oorzaake des doods zoo zeer niet aan de toegebragte wonden, als wel aan verduy van de noodige middelen en verwaarlosing kan worden toegeschreeven /:onderstond:/ Actum datum ut supra /:geteekend:/ P. G. Waum P. W devos /:Lager/ mij praesent /:geteekend:/ N: A. Faure Secretaris: Per requisitie vande welE. heer Landdrost alhier, ver claare met deezen, een Iongen vanden burger david Malang gevisiteerd te hebben, en bevonden Een Contusion aan beijde billen dewelke zig uijtstrekk wel een handbreet op de vertebere Lumbricorum verders een Conticion aan den penem, een Swelling aan't Scrotum verder een ligte Contusion aan de Linken knien en't verlies van zijn regter oog appel, dewelke toevalliger weyze van de rotten uijtgevreeten waare, va't overleijden van den leijden, het geheele lighaam was volkomen putrificeert waaruijt klaarlik blijkt dat by gem: accidenten, en by versuym vande noodige hulpmiddelen het Extrarasiente bloed een scherpheijd heeft aangenoomen, de geheele massa van't bloed bedorven, en daardoor den leijden den dood veroorzaakt, ten teeken der waarheijd hebbe mij onderteekend. /: was geteekend:/ Christoph Bernhard Le Sueur /:in margine:/ stellenbosch den 21. april 1786. de onderteekenaan verclaare ter requisitie vande heer Hendrik Lodewick Blesterman Coopman en Landdrost van Stellenbosch, dat de Iuffrouw Elisabeth Malang huijsvrouw van den burger david Malang d' Z: op den 12. april 1786. eene van haare Slave Iongens genaamd galant van Madagaske van andere Iengens heeft laten vasthouden en ook laten slaan in praesentie vande ondertekenaar en mons: Iohannes Brink zoo dat het in't minste na geen voor bedagte mishandeling geleek maar door moedwil in verwaarlosing van zig zelfs op den 17. april is overleeden, 't welk ik met Solemneele Eede kan bevestigen Hottentots holland den 23. Junij 1786: /:was geteekend:/ Cornelis Mosterd DZ den ondergetek: verclare ter requisitie vande heer Hendrik Lodewik Bletterman Coopman en Land drost van Stellenbasch. dat op woensdag zynde den 12. April 1786. de huis. — vrouw van david halang dZ. bij absentie van haren„ man, een van haar slaven Iongens gent, galant ve Madagassar zijnde een baarse slaven Iongen, varde dezelve tot twee malen was gedrost geweest, heeft van andere Sorgens laten slaan, en vasthouden indiervoegen, dat het minste na geen mishandelin geleek veel minder dodelijk was. — ook verclaard den ondertekenaar voorm: slaven Iongen zijnde zondags den 16. april heb gezien gaande uyt de rivier na't woonhuys als of de zee niets endeerde en hoegenaamd geen letzel aan desselvs oogen hadde: waarna gebleeken is dat dezelve zig door eijg quaadaardigheijd en verwaarloding van zig zelf de dood heeft aangedaan, het welk den ondertee kenaar met Solemneele Eeden kan bevestigen. /:onderstond./ Cabo de goede Hoop den 15. Iunij 1786 /:wa geteekend:/ J„s Brink. — Accordeert Miel gem Clerc

NL-HaNA_1.04.02_10984_0449 view scan ↗

English

Honorable Lord President Pieter Hacker and all members of the Honorable Court of Justice of this government, the Landdrost of Stellenbosch and Drakensteijn, Hendrik Lodewijk Bletterman, representing the Plaintiff in a Criminal Case on the one side, Appeared before the Honorable Court: Cupido of Ternaten, bondsman of the late burgher Thomas Dreijer; October of Madagassar, bondsman of the burgher Simon van Blerck; Mentor of Madagassar, bondsman of the burgher Ian Franck; Rampij of Mandahaar, female slave of the burgher Pieter Weijdeman; Phelip of Timor, slave of the burgher Ian Lavocade; Forthuijn and November, bondsmen of the burgher Ian Bierman; Pieter, slave of the burgher councillor Mr. Johannes Carnspek; Anthonij and Jan of Bengalen, slaves of the burgher fire warden Mr. Arend van Wielig; and Maij of Mosambicque, slave of the burgher Ian Krigo; currently prisoner and prisoners in the aforementioned case on the other side. 1. And the Officer Plaintiff stated and declared: 2. That the declarations annexed hereto and the answered interrogatories confirm in further detail: 3. That the first prisoner and defendant Cupido, having run away about 12 years ago from the farm of his mistress situated at the Tygerbergen; 4. and finally, having wandered hither and thither, finally went to the Hanglip; 5. Subsequently, the second, third, 4th, 5th, 6th, and 7th prisoners joined him, namely October, Mentor, Rampij, Phelip, Forthuijn, and November; 6. That he, the first prisoner, together with the two slaves who are still absent, namely Job belonging to the widow Ekhard and Carolus belonging to the burgher Jacobus Louw, having gone to the farm of the burgher Jan Otto, took two horses from the stable; 7. The following morning they were pursued by the aforementioned Otto and the burgher Ian Wilkens; 8. That the aforementioned Otto then struck the aforementioned Job with a shot of chopped bullets; 9. Nevertheless, they transported both horses to their place of stay; 10. Without any of them being captured, nor did the aforementioned Job die from the wounds he received; 11. That subsequently the 7th and 8th prisoners, November and Pieter, having gone to the farm of the former Heemraad Willem Morkel; 12. Having broken open the millhouse there, had stolen therein: Two saws, a hand axe, two drawknives, a wood chisel, a brace drill, a pair of compasses, a foot rule, two garden shears, a copper cooking kettle, two aprons, and two pairs of scissors; 13. Which aforementioned goods, however, all a short time thereafter; 14. Were found again by a commando of burghers; 15. And were handed back to the aforementioned Morkel; 16. That after this committed theft, the 3rd, 6th, and 7th prisoners, Mentor, Forthuijn, and November, having returned to their respective masters; 17. Were very severely punished in front of the prison, and the 3rd and 7th prisoners were riveted in irons; 18. That subsequently the 1st, 2nd, 5th, and 8th prisoners, Cupido, October, Phelip, and Pieter, alongside the still absent Jacob and Alias, having gone to the farm of the widow Cornelis van Nieuwkerken; 19. Had stolen six sheep there, but wanting to transport the same to their place of stay at the Hanglip; 20. On the way one of them fell into the sea and another escaped from them; 21. That the aforementioned 1st, 2nd, 5th, and 8th prisoners, together with the aforementioned still absent Jacob and Alias, thereupon went to the Knoflookskraal; 22. And having seen the wagon of the burgher Arnoldus Pflock unhitched there; 23. At night, when that man had fallen asleep; 24. Had broken open the rear wagon chest and stolen therefrom: Three pieces of paper money; Six pieces of silver money; Three loaves of bread and some powder and lead; and furthermore from the wagon a steenbok and a cask of pickled herring; 25. After which the prisoners separated and became parted from one another, so that both of the first defendants remained alone; 26. That the first and 2nd prisoners, some time thereafter, having gone to the farm of the former Heemraad Johannes Albertus Meyburg; 27. There with great caution broke out the staple where the hasp of the padlock fastens, together with the lock; 28. And after having stolen a schepel of flour in two sacks; 29. Had driven the same staple back in such a manner; 30. That no person at that place knew or noticed anything of that theft or break-in; 31. Until the defendants were taken prisoner and both sacks marked with the name of the aforementioned Meyburg were found with them; 32. That the 1st and 2nd defendants, wishing to proceed hither some time thereafter, had met the 9th and 10th prisoners, Jan and Anthonij, in the foredunes; 33. That they had gone together to the farm of the burgher Jan Krigo, where the 11th prisoner, named Maij, was fetched, and having stolen some garden produce together, had subsequently returned again to the Hanglip; 34. That these 1st, 2nd, 9th, 10th, and 11th prisoners, Cupido, October, Anthonij, Jan, and Maij, having wandered about together for several days to look for food; 35. Had finally gone to the farm of the aforementioned Cornelis van Nieuwkerken; 36. Where, according to the unanimous confession of the same defendants, having seen a wagon standing in front of the dwelling house; 37. And finding two Hottentots lying asleep under it; 38. The first and 10th prisoners, Cupido and Jan, nevertheless had the audacity; 39. To lift the rear chest from the wagon; 40. And bring the same to the 2nd, 9th, and 11th prisoners, October, Anthonij, and Maij; 41. Who in the meantime had gone into the slave garden to look for produce and vegetables; 42. That the chest having then been broken open by the 1st, 2nd, and 10th prisoners, Cupido, October, and Jan, there was found therein: A silver lady's clasp purse, a pair of shoe buckles, a pair of gold ear pendants, a black silk gown and apron, a yellow chintz jacket and skirt, a white [illegible], a ditto chintz skirt, a ditto ditto with a border, three women's shirts, three men's ditto, six white cloths, a hat, a black pair of trousers, a ditto waistcoat, two knitted caps, two razors, and a small quantity of clean linen goods; while all the prisoners say that they found no paper money there; 43. Which paper money the defendants nevertheless presume in a packet

Dutch transcription

agtb: heer praesident Pieter Hacker en alle reLeeden van den E. agtb: raad van Iustitie deeses gouvernements den Landdrost van Stellenbosch en drakensteijn Hendrik Lodewijk Bletterman rat aff: Eijsh„s in Cas Crimineel ter eenre Compareerde voorden Edelen Cupido van Ternaten LytEygen vanden burger wijlen thomas Dreijer. October van Madagassar lyteygen van den burger Simon van Blerck Mentor van Madagassar Lijteygen van den burger Ian franck Rampij van Mandahaar Slavinnen van den burger Pieter weijdeman Phelip van Timor Slaaf van aen burger Ian Lavocade, Forthuijn en November Lijfeijgene van den burger Ian Bierman Pieter Slaaf van den burger raad de heer Ioh„s Carnspek Anthonij en Jan van bengalen slaven van den burger brandmeester Sr, Arend van wielig en maij van Mosambicque Slaaf van den burger Ian Krigo thans ged, en ged„s in't voorsz: Caster andere zeijde 1: En deede de r. O. Eijsschen zeggen 2. dat de nevens deeze gevoegde verclaringen en beantwoorde Interrog: met meerdere visteeren 6 dat Ca 3. dat den Eerste gene, en ged„e Cupido voor omtrend 12. Iaren, van zijne Lifvrouwe plaatze aande tyger 1 bergen geleegen opgedroot zijnde. 4. en eyndelyk gints en herwaards gesworven eyndelyk zig na die hanglix heeft begeeven. 5 Vervolgens by hem waren gekoomen, de tweede derde 4. 5. 6 en 7. geve; met naame october mentor Rampij, phelip forthuijn en Aovbr. 6. dat hij eerste geve, met de beijde nog absent zijnde slaven in name Sob vande wede. Ekhard en Carolus vanden burger Jacobus Louw gegaan zynde nade plaats van den burger Tanotto uijt de Stal gehaald hebbende twee Paarden 7. des anderendaags morgens agtervolgd waren door voorsz: Otto ende burger Ian wilkens 8: dat voorsz: Otto als toen gem: Tob met een schoot gekapte kogels hebbende getroffen g. echter de beijde paarden na hun verblijf plaats hadden getransporteerd 10. zonder dat een hunner gevangen genoomen nog dat voorsz, Iob aan zyne bekoomene worden was koomen te sterven. 11. dat vervolgens de 7. en 8. gene, Aovbr en Pieter gegaan zijnde na de plaats van den oud Teemraad Willem Morkel 12. aldaar het molenhuijs opengebroken hebbende daarin gestoolen hadden Twee zagen, Een handbijl, twee Snijmessen, Een houtbe Een oslag boor, een passer, Een duijmstok, twee truijnscharen, Een kopere kookketel, twee schoot vellen, en twee scharen 13. welke voorsz, goederen echter alle weijnige tyd daa na. 14. door een Commando burgeren wederom gevonden 15. en aan voorsz: morkel zyn ter handen gesteld geworden. 16. dat na deeze gepleegte diefte den 3, 6 en 7. geve„ mentor, forthuijn en Novbr: te rug na hunne respe, Lyfheeren gekeert zijnde 17. zeer strengelik voor't gevangenhuijs afgestraft ende 3 en 7. geve, in de byters geklonken waren 18. dat vervolgens 1,2, 5 en 8. geve, Cupido october en phelip en Pieter nevens de nog absente Iacob en Alias zig hebbende begeeren na de plaats van de wede, Cornelis van Nieuwkerken 1lj. aldaar Ses aijen gestoolen hadden dog dezelve na hun verblif plaats aan de hanglip willende transporteeren 20. op weg een van dezelve in zee gestort en een ander hun ontloopen was. — 21. dat de voorsz, 1;2; 5. en 8. geve, neevens eeven gem: nog absent zijnde Iacob en Alias daarop zynde gegaan na de knoflookssraal 22: en aldaar hebbende zien uytspannen den wagen van den burger Arnoldus Pflock. 23. des nagts wanneer die man in slaap wer geraakt. 24 het agterste wagenkisje opengebrooken en daarwy gestoolen hadden. drie stuks Papiere geldmunt. Ses stuks zilver geld— drie brooden en wat kruijd en Laak. en voorts nog vanden wagen Een Steenbok en Een cak met pekelharing. — 25. waarna degev, verdeelt en vanden anderen zijn geraakt, zoo dat de beijde Eerste ged alleen gebleeven zijn. 26. dat de Eerste en 2. ' gene, eenige tyd daarna verde plaats van den oud Heemraad Iohannes Albertus Meyburg zijnde gegaan 27. aldaar met veel omzigtigheijd de knam waar't overwerp van't hangslot opsluijt met slot en al uijtgebrooken. 28. en nadat in twee zakken Een Schepel meel gestoolen. 89. dezelve kramdusdanig wederom ingeslagen hadden 30. dat aldaar ter plaatze geen mensch van die diefte af brake iets geweeten of vernomen heeft. 31. als tot dat de ged, gevangen genomen ende beyde zakken met de naam van voorsz: meijburg gemt. by hun was gevonden. 32: dat de 1 en 2 ged, eenige tijd daarna zig na herwaars willende begeeven in de voorduynen ontmoet hadde aen 9. en 10. geve, Ian en Anthonij 33. Zijt: zig gezamentlijk hadde begeeven na de plaats van den burger Dankrigd alwaar den 11. geve„ met name Maij afgehaald en tezamen eenige thuijn vrugten gestoolen hebbende vervolgens wederom nade hanglip waren gekeert. 34. dat zit: 1, 2, 9, 10. en 11. gene, supido, October Anthonij, Ian en Maij eenige dagen met den andere rondgesworven hebbende, om roedzel te zoeken. 35. zig eijndelyk hadden begeeven nade piaats van voorsz: Cornelis van Nieuwkerken 36. alwaar volgens de Eenparige Confessie van dezelve ged„e zijt: een wagen voor't woonhuijs hebbende zien staan 37. en twee hottentotten daaronder slapende vinden leggen. 38. d' eerste en 10=de geve, supido en Ian, des niettegenstaande de Houtheijd hebben gehad. — 39. vandewagen 't agterste kistje te ligten 40. en't zelve te brengen by de L=a 9„' en 11e gene october Anthonij en Maij. 41. dewelke intusschen in den Slaven thuijn vrugtens en groentens waren gaan zoeken 42. dat als toen door de 1„e 2,„e en 10. gene, Cupido, october en Ian't kistje opengebrooken zijnde daarin bevonden was. — Een zilvere vrouwe beugeltas, Een paard„e schoengespen Een paar goude oorkrabben, Een swarte zeijde gou en tabelje, Een geele Chitze Sakkie en rok, Een witte 8 88 Een do Chitze rok, Een d, d, met een rand, drie vrouwe hemden, drie mans do, Ses witte doeken, Een hoed, Een swarte broek, Een do, hemdrok, twee gebreyde mutzen, twee scheermessen, en een weijnig Schoon Linnen goed. — E termijl zijt: alle gev, zeggen, geen papiere geld daar bevonden te hebben 43: welke papiere geld de ges: egter presumeeren in een pacque

NL-HaNA_1.04.02_10984_0453 view scan ↗

English

which, having taken them for letters, he tore up, 44. and having hidden them, together with a large part of the aforesaid woman's clothes, in the bushes and rocks, 45. without the same having been able to be pointed out or found again by him, the 10th prisoner, 46. while the first and 2nd prisoners, Cupido and October, took a small portion, and the 10th prisoner, Ian, took a large portion of the aforesaid goods with them, 47. whereas the 9th and 11th prisoners, Anthonij and Maij, obtained nothing of the same; 48. that the prisoners, having thereupon proceeded to the Palmite Rivier, 49. the 9th prisoner, Anthonij, having strayed from the rest and subsequently gone to the farm of the aforesaid Krigo, was there discovered by the slave Sephta of the aforesaid Krigo and, with the help of two Bastard Hottentots present at the aforesaid place, was taken prisoner; 50. that the said Cupido, October, Ian, and Maij, having also missed their fellow prisoner Anthonij, 51. had gone to the farm of the aforesaid Krigo, as some of the accused claim, to go search for their fellow prisoner Anthonij, 52. but as most say, 53. to fetch the remaining slaves of the aforesaid Krigo; 54. that the prisoner Maij, having entered the kitchen through the back door of the dwelling house and having called out there to the slave Adam, who usually slept there, 55. where at that time a Hottentot, Ian, had been placed, 56. and receiving no answer, had gone to the slave quarters with the 1st, 2nd, and 10th prisoners, Cupido, October, and Ian, who were standing in front of the kitchen door; 57. that in the meantime, the aforesaid Hottentot Ian, having gone around the outside to the front door of the dwelling house, and the house door having been opened upon his knocking, 58. it was made known by him, the Hottentot, to the wife of the aforesaid Krigo that the runaway slaves were there, 59. whereupon the wife of the aforesaid Krigo had ordered him once again to go to her son-in-law living very nearby, the burgher Daniel Joubert, and to bring the same to his knowledge; 60. that the Hottentot, assuming that the aforesaid accused were at that time in the slave quarters, 61. wishing to proceed around the back of the same toward the said Joubert, had discovered both the accused Cupido and Jan; 62. that according to the statement made by the same Hottentot Ian, which for the most part squares with the answered interrogatories of the last-mentioned prisoners, 63. he, the Hottentot, at the sight of both the aforesaid accused Cupido and Ian, had lain down on his stomach on the earth, 64. in the hope of not being discovered by both the aforesaid accused; 65. yet both the same accused had come up to him, 66. whereupon, he having stood up, the first prisoner Cupido had threatened to run him through with the assegai, 67. but on the advice of the prisoners October and Maij, who had joined them in the meantime, 68. who were posted by the road to see if anyone was coming, 69. and on the pretext of him, the Hottentot, that as he himself was a runaway who, having wanted to steal grapes, had been chased away and had even left his jacket behind in his flight, 70. did not do so, but accepted him, the Hottentot, as a comrade; 71. that the accused Cupido, October, Ian, and Maij, taking him, the Hottentot, along with them, 72. had proceeded from the farm of the said Krigo to that of the burgher Naude in order to steal a sheep there, 73. which had failed them because daybreak intervened; 74. that the accused, having walked the entire night and consequently having been very tired, 75. had gone together toward the side of the dunes on a certain height into a wood and had lain down to sleep there, 76. while the Hottentot, under the pretext that if he remained lying with them and Europeans should come, 77. the same would then take them all prisoner as runaways, 78. but if they would permit him, the Hottentot, to go lie alone some distance away from them in a wood situated nearby there, 79. he, the Hottentot, in case Europeans should come, would then be able to pretend 80. that he had been sent by his master to go search for oxen with them, the accused, whom he would then say had lain down there, 81. the same Europeans would then not take them prisoner, 82. had managed to go lie down to sleep alone in a wood situated closer to the road; 83. that the same Hottentot Ian, noticing that the aforesaid accused Cupido, October, Jan, and Maij had fallen asleep, 84. he, the Hottentot, crawling along the earth, having advanced some distance away from the same, 85. subsequently hastened, 86. and within a short time thus arrived at this side of the so-called Saxenburgshe Cloof, 87. and so on to about the farm of the aforesaid Krigo, 88. whereupon he, the Hottentot, having perceived from afar on the road to Stellenbosch the frequently mentioned burgher Daniel Joubert with some burghers, 89. had called out until the same turned around and, noticing him, the Hottentot Ian, returned to the farm of the said Krigo and had waited until he, the Hottentot, had come up to them, 90. whereupon the said Joubert with the aforesaid burghers and two Bastard Hottentots of

Dutch transcription

't welk zijt. voor brieven aangezien hebbende verscheurd. 44. en nevens een groot gedeelte van de voorszz vrouwe klederen in de bosschen en keippen weggestoken hebbende. 45. zonder dat dezelve door hem 10„e geve, hebben kunnen worden aangeweesen of wederom gevonden worden 46. terwijl de eerste en 2„e geve, Cupidoen october een gering en de 10„e gen, Ian een groot gedeelte vande voorsz: goederen na zig genomen hebben 47. daarentegen de 9„e, en 11„e geve, Anthonij en maij niets van dezelve bekoomen hebben - 48: dat den gene, zig daarop na de palmite rivier begeeven hebbende. 49 de 9 e geve, Anthonij vande Overige verdwaald en vervolgens nade plaats van voorsz krigd gegaan zijnde, aldaar door de Slaaf Sephta van voorsz krigo ontdekt en wet behulp van twee ter voorsz, plaatze zig bevindende bastaart hottentotten gevangen genoomen is. 5 50. dat de ged„e Cupido, October, Ian en Maij voorsz meede geve, Anthonij hebbende vermist 57. nade plaats van voorsz: krigo zig vervoegd hadden om gelijk eenige der ged: voorgeeven na hun meede geve„ Anthonij te gaan zoeken. 52: dog gelijk de meeste zeggen. 53. om de overige slaven, van eevengem: krigo afte halen. 54. den geve, Maij door de agterdeur van't woonhuijs zig inde Combuijs begeeven en aldaar toegeroepen hebbende, den gewoonlijk aldaar slapende Slaaf Adam 55: alwaar als toen een hotten tot Ian was geplaast. 56 en geen antwoord bekoomende zig met devoor de Combuijs deur staande 1e 27 en 10. gev=e, Cupido october en Ian, na 't slavenhuijs had begeeren. 57. dat intusschen de voorm: hottentot Ian buijten om nade voordeur van't woonhuijs gegaan, en op zijn aankloppen ve huijsdeur g'opend zijnde 58. door hem Pottentot aande huijsvrouw van voorsz krigo bekend was gemaakt. dat de drossende slaven aldaar waren 59. wanneer de vrouw van voorm: Krigo hem andermaal had gelast na haren zeer nabij woonende Schoon Zoo 1 zoon den burgerdaniel Joubert te gaan en zulx den selven ter kennisse te brengen. 60. dat den hottentot in suppositie dat den voorsz ged„ als toen in 't Slavenhuijs waren; Et. agter hetzelve om zig na gem: soubert willende begeeren, de beijde ged„e Cupida en Jan had ontdekt. — 62. dat volgens de gedane opgaaf van den zelven hottend Ian, het welk voort grootste gedeelte met de bean woorde Interrogatorien der laatsgem: gevangen quadreert. 63. hij kottentot op 't gezigt der eevengem: beijde ged„ Cuipido en Ian op zijn buijk op de aarde zynde ge leggen. 64. En hoop van door dezelve beijde voorsz: ged: niet te zullen worden ontrekt. 6. 5. dezelve beijde ged: echter by hem waren gekoomen 66. als wanneer hij opgestaan zijnde de eerste geve„ lupido hem had bedreijgd met de assegaai over hoop te zullen steeken 67. dog op 't aanraden van den intusschen bygekoomen geve, october en Maij— 68. dewelke bij den weg geposteerd waren om te zien of 'er ook iemand aanquam 69. en op het voorgeenen van hem Hottentot als na hy zelve een droper zijnde druijven hebbende wil steelen verjaagd en zyn batje zelve inde vlugt agtergelaten had. —. 70: zulx niet gedaan waar hem Plotten tot als een meede makker aangenomen had. 71. dat de ged: Cupido, october, Ian en Mayj hem hotten tot meede neemende. 72. vande plaats van gem: krigo na die van den burger Naude zig hadden begeeven om aldaar een schaap te steelen. 73. het geen hun vermits de dageraat doorbrak was mislukt. 74. dat de ged, de geheelen nagt doorgeloopen hebben en gevolgelijk zeer vermoeijd geweest zijnde.— 75. gezamentlijk nadekant vande duijnen op zeeke hoogte in een Bosch zig begeeven en aldaar te slapen hadden gelegd —. 76. terwijl den hottentot ender voorwendzel dat wanneer hy by hun bleef leggen en 'er Europeese koomen mogten 77. dezelve hun alle als dan als drossers zoude gevangen neemen. 78: dag„ wanneer zyt hem kosten tot wilde permitteeren een endweegs van hun in een aldaar nabij zig bevindende Bosch alleen te gaan leggen. 79. hij hottentot ingeval er Europeesen mogten komen als dan zout kunnen voorgeeven. 80. dat hy door zyn baas met hun ges, dewelke hy dan zeggen zoude zig aldaar te hebben neder gelegd gezonden was om ossen te gaan zoeken. t1. dezelve Europeesen hun als dan niet gevangen zoude neemen. 82: zig alleen in een nadere aanden weg zig bevinden Bosch had vermogen te gaan slapen Leggen 83. dat dezelve sottentot Aan bespeurende dat de eevengem: ged, Cupido october Jan en Maij in slaap waren geraakt. 84. hy Hottentot al langs de aarde pruijpende een Endweegs verre van dezelve gevordert zijnde 85 vervolgens zig gespoed. 86 en binnen korten tyd dusdanig gekoomen, tot deze zeijde vande zoogenaamde Paxenburgshe Cloof 87. en zoo vervolgens tot omtrend de plaats van voorsz, krigo. 88. wanneerhij Pottentot van verre op den weg naa Stellenbosch den meergem: burgerdaniel Loubert met eenige burgeren entwaar geworden zijnde 89. zoo lange had geroepen tot dat dezelve omkee„ „rende en hem hotten tot Ian gewaar wordende na de plaats van gem: krigo te rug gekeert en zoo lange vertoefd hadden tot dat hy hoffen tot by hun was gekoomen;. 90. als wanneer gem: Goubert met de voorsz burgeren en twee bastaard hottentotten van „ .

← previousnext →