Inventory 10984
Cape · 954 pages · 242 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
the said Hottentot having been informed where the aforementioned four prisoners Cupido, October, Jan and Maij were located, 91. immediately proceeded thither with the Hottentot Jan, 92. and upon their arrival found the aforementioned prisoners Cupido, October, Jan and Maij sleeping, 93. thus, also after some resistance shown by the aforementioned prisoner Jan, 94. nevertheless took them all prisoner. 95. The Officer, believing he has detailed all the crimes of the captured defendants extensively enough, 96. will now, in order to avoid all useless recapitulations, only remark beforehand 97. that the slave Job of Mahusa, who already several years ago was guilty of cattle theft and breaking and entering, 98. and having been punished for this, 99. subsequently became a fugitive, 100. about a full year ago now again made himself an accomplice 101. to the burglary and theft committed at Monsieur de Bonnaire's, 102. just as little as the slaves Alias and Carolus, could not be captured despite all efforts made; 103. and that with relation to the 3rd, 4th, 6th and 7th prisoners Mentor, Rampij, Fortuijn and November, 104. all of them had not made themselves guilty of any burglary or theft, 105. except for the last-mentioned November, who with the eighth prisoner, Pieter, broke open the window of the millhouse at the aforementioned Morkel's, 106. and stole the abovementioned goods from it, 107. which goods were however all taken from them again by a commando of burghers, 108. they all having gone directly thereafter to their respective masters, 109. whereupon they were very severely punished here in front of the prison house, 110. all, except for the sixth prisoner Fortuijn, 111. were riveted in heavy irons, No. 112 H 112. which punishment the Officer, with respectful reverence, believed to be sufficiently proportionate to their crimes, 113. proposed to the Commissioners from the Honorable Council who attended the interrogation held with the prisoners, subject to the approval of Your Honors, 114. to be allowed to release the said defendants Mentor, Rampij, Fortuijn and November, 115. to which their Honors had no objection; 116. they were then also released the following day, 117. under explicit recommendation and condition to their masters, 118. not to release them from their irons without the prior knowledge of the Honorable Lord President of this assembly; 119. and the Officer will now proceed to examine 120. what punishment the remaining prisoners Cupido, October, Pieter, Philip, Anthonij, Jan and Maij have incurred, and which of these ought to be inflicted upon each of the defendants. 121. The Officer believes that principally to be taken into consideration here are the 1st and 2nd prisoners and defendants, Cupido of Ternate and October of Madagascar, 122. who appear to have been the principal actors in all the committed thefts and burglaries, except in the stealing of the horses, 123. where the first prisoner only appears to have gone along to give assistance; 124. that however from whatever side one would wish to view the thefts and burglaries thus committed by the first and second prisoner, 125. the same cannot be said to fall under the terms of riotous and violent aggravated burglaries and thefts for which the punishment of death is decreed, 126. which the Officer, subject to correction, appears sufficiently to substantiate from the opportunity 127. which they both, the 1st and 2nd prisoner, had when they, alongside the still absent prisoner Job and Alias, stole from the wagon of the burgher Arnoldus Clock, 128. besides the fact that all the committed burglaries and thefts were carried out on no residential houses, 129. but only on such buildings, in such places where neither murder nor manslaughter were to be feared, 130. that consequently the necessary requisites which make the committed thefts punishable by the cord, 131. according to the doctrine of Carpzovius in Practica Criminalis, part 2, question 79, number 3 et seqq., being absent, 132. both defendants ought also not to be punished as such; 133. and departing herewith from both the first prisoners and defendants Cupido and October, 134. the Officer, concerning the remaining Pieter, Philip, Anthonij, Jan and Maij, will still have the honor to say briefly 135. that they made themselves guilty of a lesser share of crimes than both the 1st defendants, 136. as the aforementioned prisoners Pieter and Philip were indeed present at the stealing of the oxen and the wagon of the aforementioned Clock and appear to have lent a hand thereto, 137. but on the other hand had no part in the last committed theft, 138. of which principally the defendants Anthonij, Jan and Maij made themselves guilty, 139. concerning which, if one examines with some attention their responses to the interrogatory articles put to them, 140. and confronts the same concerning their committed theft at the farm of the aforementioned Nieuwkerken with the responses of both the first defendants, 141. one will immediately discover 142. that this theft committed by them occurred more by chance than with an absolute premeditation, 143. and that it must also be taken into consideration 144. that both defendants Anthonij and Maij not only did not break open the small chest of the wagon, but even took or received nothing whatsoever of the stolen goods.
Dutch transcription
dezelve kottentot g'informeerd geworden zijnde, waar ter plaatze de voorm: vier ged„ Cupido, october van en Maij zig quamen te bevinden 91: terstond met den hottentot Jan zig derwaards begeer 92. en bij hunkomst voorsz: ged, Cupido, october, Ian en Maij slapende gevonden. 93. dusdanci ook na eene min of meer door voorsz; geve, Ian betoonde tegenkanting 94. egter alle gevangen genomen hadden 9 5. de R. O. E. alle de misdaden der gev„enged, vermerende breedvoerig genoeg te hebben gedetailteerd 96. zal nu ter vermeijding van alle nutteloose recapi tulatien alleenlijk nog maar voor af remarqueeren 97. dat de Slaaf Job van Mahusa die zig reeds voor eenige Iaren van vee diefte en brake schuldig gemaakt. 98. en nieswegens afgestraft zijnde; 99 zig vervolgens fugatif gesteld. 100: voor nu omtrend een groot Iaar voorz: wederom meede. Schuldig heeft gemaakt.— 101. aande bij mons: de Bonnaire gepleegte huijsbraak en diefte. 102. zoo min als de slaaf Alias en Carolus, niet tegenst alle aangewende moeijte heeft kunnen gevangen worden 103. en dat met relatie tot de 3e 4, 6„en en 7. geven Mentor Rampij Fortuijn en November. 104. dezelve alle zig aan geen brake ofdiefte hebbende schuldig gemaakt.— 105. Behalven de laatsgem: November, die met de agtste gene, Pieter 't vengster van't molenhuijs bij voormij Morkel opengebrooken. — 106. en't bovengem: goed daaruijtgestoolen hebbende. 107. welke goederen alle door een Commando burgerem hun echter wederom ontromen zijnde 188. Zyt: alle direct daarop na hunne respe Lyfkeeren zijnde gegaan. 109. als wanneer zijt seer Streng alhier voor't gevangen huijs afgestraft zijnde 110. alle behalvende Sesde geve, Fortuijn 111. in sware eijsers waren geklonken No. 112 H 112. welke straffe den zo. O. Eijsscher /:onder Eerbiedige reverentie vermeende, eevenredig genoeg met derzelver midadem te zijn 113. aan H. H. gecommitt uit den E: agtb: raade dewelke het met den geve, gehoudene verhoor gevaceert hebben onder approbatie van uwE. agtb: heeft voorgedragen 114. dezelve ged:e Mentor, Rampij, Fortuijn en Novbr: te mogen relaxeeren 115. waarin hun E. E. geen bedenken hebben gedragen 116. dezelve dan ook daags daaraan zyn ontslagen geworden 117. onder expressen recommandatie en Conditie aan hunne lyfheeren. 1181 van dezelve niet uyt hunne Eyzers zonder voorkennis van den E. agtb: heer President deeser vergadering te ontslaan 119: en zal den E. O. Eijsscher nu overgaan te onderzoeken 120. welke straffe de overige ged„e Cupido, october Pieter Phelip, Anthonij Jan en Maij hebben g'incurreert in welke derzelve aan ieder der ged, behoord te worden g'infligeerd. — 121. de R. O. Eyst, vermeend dan alhier principaal in aanner„ king te moeten koomen de 17 en 27 ged, en gedo, Cupido van Ternaten en October van Madagassar 122 dewelke de voornaamste schynen geweest te zijn bij alle de gepleegde nievereijen en brake except bij 't steelen der paarden 123 alwaarde Eerste geve, alleenlijk tot adsistentie schynt meede gegaan te zijn— 124. dat echter van welke zeijde men dezelve alzoo door de Eerste en tweede geve, gepleegde nietstallen en braken ook zoude willen beschouwen 125. dezelve niet kunnen worden gezegd te vallen in de termen van oproerige en vislente gequalificeerde braken en diefstallen op welke de Straffe nes doods is gestatueerd. 126. het geende R. O. E. /onder Correctie /genoegsaam schijnt te fonsteeren uijt de geleegentheijd. 127. dewelke zy beijde 17 en 2=e, geve, hebben gehad wanneer zyt nevens den nog absente geve, Sob en alias de wagen vanden burger Anoldus Clock hebben bestoolen 128. behalven dat alle de gepleeyde braken en diefstallen zyn verrigt aan geen woonhuijzen 129. maar alleen aande zoodanige gebouwen, op de zodanig plaatzen waardoor nog moord nog doodslag te dugt waren. 130. dat gevolgelijk de nodige requisiten, welke door de g gepleegde diefstallen met de koorde strafbaar me 131. volgens de leere vande heer Carplz. in pracs. Crem: p quest 79. n„o 3: et segg ontbrekende 132: de beyde ges, ook niet dusdanig behoorde te worde gestraft. 133. en hier meede van de beijde eerste gev, en ged„e Cupide en october afstappende. 134. zal de R. O. E. ten belange vande overige, Pieter Phee„ anthonij Jan en Maij nog de Eere hebben kortelij te zeggen. 135. dat dezelve zig aan een geringere gedeelte van misdaden als de beijde 1„en ged: hebben schuldig gemaakt. 136. alzoo de voorsz: ged, Pieter en Phelip wel bij het steelenderossen, ende wagen van voorsz: verflock present geweest ende hand daartoe Schynt geleen te hebben. 137. echterdaartegen, aande laatsgepleegde niefte geen deel hebben gehad.— 138. waaraan zig principaal de ged: Anthonij Ian, en Maij hebben schuldig gemaakt. 139. waaromtrend men met eenige attentie derzelver responsiven op die aan hun voorgehoudene vraag„ articulen nagaande 140. en dezelve ten belange hunner gepleegde diefte op de plaats van voorsz Nieuwkerken, met de respondiven van de beijde Eerste ged, Confronteeren 141. terstond zal ontdekken 142 dat dezelve door hun gepleegde diefte meer bij Casualiteijd als met een absoluut opzet is geschiet 143. en dat almeede in aanmerking diend te koomen 144. dat de beijde ged„ Anthonij en Maij niet alleen 't kistje van den wagen, niet opengebroken hebben maar zelfs niets hoegenaamd van de gestolene goederen hebben genomen nog bekomen
English
145. consequently all their punishments can also never be equally severe 146. but ought to be reduced in proportion 147. about which Mr. Carpzov in Practica Criminalis part 2 question 87 numbers 38 and following has commented at length. 148. besides that according to the general principles of law customary in such cases the determination of the punishment must always be deemed to be left to the discretion of the judge. On which and other grounds and arguments, to be further deduced in due course if necessary, the Officer presenting his demand concluded that the 1st, 2nd, 5th, 8th, 9th, 10th and 11th prisoners shall be condemned to be taken to the place where criminal sentences are customary to be executed, and there, the 1st, 2nd, 5th, 8th, 9th, 10th, 11th prisoners being delivered to the executioner, the 1st and 2nd prisoners, named Cupido and October, shall be exposed under the gallows with the rope around their necks, furthermore together with the 5th, 8th and 10th prisoners, Pieter, Felix and Jan, severely flogged with rods on the bare back, the 1st and 2nd prisoners thereupon to be branded, and that after they shall all have been riveted in irons, the 1st and 2nd prisoners for the term of their lives and the 5th, 8th and 10th prisoners for the term of three years shall be confined on Robben Island, and further the 9th and 11th prisoners, Anthonij and Maij, to witness this execution, and thereafter, having likewise been tied to a post, to be soundly caned by the Caffers, further riveted to the chain and then returned to their masters to work in irons for a year alongside the discharged 3rd, 4th, 6th and 7th prisoners, Mentor, Rampij, Fortuijn and November, with condemnation in the costs and expenses of justice, or to such other penalties and punishments as Your Honours, according to the state of affairs, shall judge to be proper. At the bottom stood: Doing which etcetera. Signed: H. L. Bletterman. In the margin: Submitted in the Council of Justice the 15th of June 1786. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honourable Council of Justice of this government, the burgher Daniel Johannes Morkel of competent age, who, at the requisition of the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, the Honourable Hendrik Lodewijk Bletterman, declared to be true: That now about six to 7 months ago, without the deponent knowing or wishing to be bound to the exact day or date, having discovered on a certain morning that on the farm of his father, the former Heemraad of Stellenbosch, Monsieur Willem Morkel, situated in Hottentots Holland, where the deponent still resides, a theft had allegedly occurred in the mill, the deponent also found upon close inspection that the window of the mill had been broken open and the following was stolen from it, namely: A wood axe, a hand axe, two draw-knives, two shears, a chisel, and two saws. As well as on that same morning that a window standing in one of the cellars had been broken, without anyone having been able to enter it, because there were burglar bars in it. That about a month thereafter, on the occasion that the wagons of the burgher David Malang were outspanned at the farm of the deponent's father, that night three draught oxen belonging to the said Malang were also stolen from the kraal, without the deponent, notwithstanding all efforts made, having been able to discover the perpetrators thereof. Declaring nothing more, the deponent gives as reasons of knowledge as stated in the text, presenting to always confirm the same with a solemn oath when required. Thus occurred in the Castle of Good Hope the 4th of April 1786, before the Honourable Gerrit Hendrik Cruijwagen and Johannes Smuts, members from the Honourable Council of Justice aforesaid, who have properly signed the minute of this along with the deponent and me, the Secretary. Lower: Which I witness. Was signed: C. van Aerssen, Secretary. Review Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honourable Council of Justice of this government aforesaid, Daniel Johannes Morkel, who, this preceding declaration of his having been clearly and distinctly read to him word for word, declared to persist by it, desiring that nothing more shall be added to or taken from it. At the bottom stood: Thus done and reviewed at Cabo de Goede Hoop the 23rd of August 1786. Was signed: D. Morkel. Lower: In my presence. Signed: C. van Aerssen, Secretary. In the margin: As commissioners. Signed: C. L. Neethling and G. S. Meijer. At the bottom stood:
Dutch transcription
145: gevolgelyk alle derzelver straffe ook nooyt eeven gelik swaar kan zijn 146. maar na eevenredigheijd diend vermindert te worden 147. waarover de heer Carpz. in pract. Crim: p: 2: qulest: 87. D 38. et segg. breedvoerig heeft gecommenta„ rieerd. 148: behalven dat volgens de algemeene gronden, van regten in dergerlijken gevallen gebruijkelijk de bepaling der strafte altoos aan 't oordeel van den regter moet gerekend worden overgelaten te zijn. Mits welke en andere reedenen en middelen intyd en wylen /is 't nood nader te deducearen, de R. O. E. Eijsch doende Concludeerde dat de 1e 2en 5e 8:e 9:e 10e en 11e geven zullen worden gecondemneerd, emme gebragt te worden ter plaatze alwaar men gewoon is, Criminele Sententien ter Executie te leggen en aldaar de 1e, 2e 5e 8„e 9„e 10% H„e geve, aan den Scherpregter over geleeverd zijnde de eerste en Le„ geve, met namen, Cupido en october met de strop om de hals onder de galg ten pronk gesteld voorts nevens den 5e 8e en 10e geve, Pieter, felix en Ian met roeden op de bloote rugge Strengelijk gegeesseld de eerste en 2e geve, daarop gebrand merkt. te werden, en dat na dezelve alle in de Eysers zullen geklonken zijn de eerste en Le„ geve, den tijd hunnes Leevens en den 5„e 8. e en 10„e, geve, voor den tyd van drie Iaren ten robben Eyland zullen worden geconfineerd en wijders de 9„e en 11en geve anthonij en Maij om deeze Executie te aan Schouwen, en daarna door de Csta insgelijks aan een paal gebonden wesende door de Caffers dapper gelaarst voorts aan de ketting geklonken en dan aan hunnen ijsheeren te rug werden gegeenen omme een Jaar inde Eijzers neven de ontslagene 3e, 4, 67 en 77 gen Mentor, Rampij, forthuijn e November, te arbeijden met Condemnatie in de kosten en missen van Iustitie, ofte tot alzulken andere peenen en Dhraffe als voor uwE. agtb: na bevinding van zaken zal g'oordeelt worde te behooren. /:onderstond:/ T welk doende &a /:geteekend:/ H. L. Bletterman / in margin overgegeeven in raade van Justiti den 15. Iunij 1786: Compareerde voor ons ondergeteekende gecommit, uit den E. agtb: raad van Iustitie deeses gouvernements de burger daniel Joh„s Morkel van Competenten ouderdom, dewelke ter requisitie van den Land drost van Stellenbosch. en drakensteijn d' E. Hendrik Lodewijk Bletterman verclaarden hoe waar is Dat voor nu omtrend Ses à 7 maanden geleeden zonder dat den Comp den regten dag of datum weet te noemen of daarin bepaald wil zijn op een zeker morgen ontdekt hebbende, dat er op de plaats va zyn vader den oud Heemraad tot Stellenbosch mons: willem Morkel geleegen in hottentots Holland, alwaar de Comp„s als nog woonagtig is. in de molen zoude gestolen zijn, den Comp,„s aan ook bij nauwkeurig onderzoek bevonden heeft het vengster vande molen opengebrooken en daaruyt gestolen ware het volgende te weten Een houtbyl, Een handbyl, twee Snymessen, twee scharen, Een bijtel en twee Saagen als als meede nog denzelven morgen dat 'er in eene der kelderstaande vergster gebrooken was zender dat men daarin heeft kunnen koomen, vermits en dief Eysers in waren Dat omtrend Een maand daarna by gelegenheijd dat de wagens van den burger david Malang ter plaatze van des Comp„s vader uitgespannen zig bevonden, die nagt meede uijt de craal gestolen; waren, drie p„s trekossen gem: Mhalang toelie„ hoorende, zonder dat den Comp:, niet tegenstaande alle aangewende moeyte de daders daarvan heeft kunnen ontdekken Niets meer verclarende geeft den Comp: voor reedenen van wetenschap als in den text praesenteerende hetzelve wanneer het gerequireerd word altoos met solemneele Eede te Staven dat aldus passeerde In't Casteel de goede hoog den 4. april 1786. voord' EE o gerrit Hendrik Cruijwagen, en Joh„s, Smuts leeden uijt den E. agtb raad van Justitie voorm: die de minute deezes beneevens de Comp„e ende mij Secretaris meede behoorlyk hebben onderteekend /: Lager:/ 't welk ik getuijge /:was getekend:/ C. van Aerssen Secretaris Recollement Compareerde voor ons onderget: gecommitt„s uijt den E agtb: raad van Iustitie deezes gouverne„ ments voorsz. daniel Johs, Morkel, dewelke deeze zyne voorenstaande verclaring klaar en duijdelijk woordelijks voorgeleesen weesende verclaarde daarby te blyven persisteeren met begeerte daar niets meer by ofte van gedaan worden zal, /:onderstond:/ Aldus gedaan en gerecolleerd aan Cabo de goede Hoop de 23. aug„s 1786: /:was getee kend :/ D. Morkel. /:Lager:/ mij praesent /:geteekend:/ C. van Aerssen Secretaris. /: in margine :/ als gecommitt„s /:geteekend:/ C. L. Neethling en G. S. Meijer /:onderstond
English
Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, the burgher Johs, Otto, of competent age, who, at the requisition of the Landdrost of Stellenbosch and Drakensteijn, the Honorable Hendrik Lodewyk Bletterman, declared it to be true: That in the month of Junij or Julij of the past year 1785, on a certain night, without the deponent being able to determine the exact day or date, at the deponent's place situated across the Hottentots Hollands Kloof, near or around the Knoflooks Kraal, two horses belonging to the deponent were stolen from the stable, the deponent then having made further investigation regarding this having also discovered that the cellar had been broken into, without the deponent knowing for certain what might have been stolen from it. The deponent testifies that the padlock of the cellar door had been broken open by force, and presumably with a crowbar, which had lain on the ground not far from there, without knowing who the perpetrator thereof was. Declaring nothing more, the deponent gives as reasons for his knowledge as in the text, offering to substantiate this with a solemn oath whenever required. Thus done at the Cape of Good Hope on 4 April 1786, before the Honorable Gerrit Hendrik Cruijwagen and Johs Smits, members from the aforementioned Honorable Council of Justice, who duly signed the minute hereof along with the deponent and me, the Secretary. Below stood: Which I witness. Was signed: C. van Aerssen, Secretary. Verification. Appeared before us, the undersigned commissioners from the aforementioned Honorable Council of Justice, Johs, Otto, who, having had this his preceding declaration clearly and distinctly read out to him word for word, declared that he persisted in it, desiring that nothing more be added to or taken from it. Below stood: Thus done and verified at the Cape of Good Hope on 23 August 1786. Was signed: Johannis Otto. Lower: In my presence, signed: Cornelis van Aerssen, Secretary. In the margin: As commissioners, signed: C. L. Neethling and G. F. Meijer. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, the burgher Cornelis van Nieuwkerken, of competent age, who, at the requisition of the Landdrost of Stellenbosch and Drakensteijn, the Honorable Hendrik Lodewijk Bletterman, declared it to be true: That now some months ago, without the deponent being able to name the exact day or date or wanting to be bound to it due to the long time that has elapsed, during the night, six draft oxen were stolen from the deponent, which were grazing in the field near or around the deponent's place situated on this side of the Hottentots Hollands Kloof. That subsequently, about 14 days thereafter, also in the night, two turkeys were further stolen from the deponent's place. That finally, in the beginning of the month of March of this year, on the occasion that the burgher Coenraad Herhold from over the mountains was at the place of the deponent with his wagon, at that time also on a certain night, a small chest was stolen from the aforementioned wagon, in which, according to the statement of the said Herhold and his wife, the following was supposed to have been contained, to wit: A silver women's clasp purse, a pair of shoe buckles, a pair of gold earrings, about one hundred rixdollars in cash, a black silk gown-apron, a yellow chintz pouch and skirt, a ditto white ditto, a white chintz skirt, a ditto ditto with a border, three women's shirts, three men's ditto, six white cloths, a hat, a black pair of trousers, a ditto waistcoat, two knitted caps, two razors, and furthermore a small amount of clean linen, without the deponent, notwithstanding all efforts made, having been able to discover the perpetrators thereof. Declaring nothing more, the deponent gives as reasons for his knowledge as in the text, offering to substantiate this with a solemn oath whenever required. Thus done at the Cape of Good Hope on 4 April 1786, before the Honorable Gerrit Hendrik Cruijwagen and Johs Smits, members from the aforementioned Honorable Council of Justice, who duly signed the minute hereof along with the deponent and me, the Secretary. Below stood: Which I witness. Was signed: C. van Aerssen, Secretary. Verification. Appeared before us, the undersigned commissioners from the aforementioned Honorable Council of Justice, Cornelis van Nieuwkerken, who, having had this his preceding declaration clearly and distinctly read out to him word for word, declared that he persisted in it, desiring that nothing more be added to or taken from it. Below stood: Thus verified at the Cape of Good Hope on 31 August 1786. Was signed: C. van Nieuwkerken. Lower: In my presence, signed: C. van Aerssen, Secretary. In the margin: As commissioners, signed: W. J. V. Reede van Oudshoorn, Johs Smits. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, the slave Cupido of Ternaten, who, to the adjacent questions, Articles drawn up and delivered to the gentlemen commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, by and on behalf of the Landdrost of
Dutch transcription
Compareerde voor ons onderges: gecommitt uytderk agtb. raade van Iustitie deezes gouvernements. den burger Johs, Otto van Competenten ouderdom dewelke ter requisitie van den anddrost van Stellenbosch en drakensteijn d E. Hendrik Lodewyk Bletterman verclaarde hoewaard Dat in de maand Iunij of Julij als gepan seerden Iaars 1785. op een zeeker nagt zonder dat den Comps de Luijste dag of datum weet te bepalen ter plaatze vanden Comp„s geleegen over de hottentots hollands floot, by ofte omtrend de Rnoflooks snaal, twee paarden vande Comp„ uijt de stal gestoolen waren den Comp als toen verder onderzoek deswegens gedaan hebbende nog ontdeks hadden dat de kelder opengebroken was. zonder dat den Comp„, ten regten weet te zeggen wat daaruijt gestoolen zoude zijn. — Betuygende de Comp dat de hangslot der kelder deur met geweld overgebrooken geweest was. en praesumptievelijk met een koevoet, die daar niet verre vandaan op de grond geleegen had. zonder te weten wie daarde dader van geweest is Niets meer verclarende geeft de Comp„e voor reeden van wetenschap als in den text presenteerende zulx wanneer't gerequireerd word altoos met Solemneele Eede te Staven dat aldus passeerde aan Cabo de goede Hoop den 4. april 1786. voord' EEs gerrit Hendrik Cruijwagen, en Johs Smits Leeden uyt den E. Achtb: raad van Justitie voorm: die de minute deezes beneevens de Comp„ ende mij Secretaris meede behoorlijk hebben onderteekend /:onderstond 't welk ik getuijgen /:was geteekend:/ C. van Aerssen Secretaris Recollement. Compareerde voor ons ondergeteekende gecomm: uijt den E. achtb: raad van Iustitie voorm: Johs, Otto. dewelke deeze zine voorenstaande verclaring klaar en duijdelijk woordelijks voorgeleesen wesende verclaarde daarbi te blijven persisteeren met begeerte dat en niets meer - meer bij ofte vangedaan worden zal /:onderstond: Aldus gedaan en gerecolleerd aan Cabo de goede hoop den 23: aug„s 1786. /:was getekend:/ Iohannis otto. /:Lager:/ mij preesent /:getekend) Cornelis van Aerssen Secretaris /:in margine:/ als gecommitt„s /:geteekend C: L. Neethling en g. F. Meijer Compareerde voor ons ondergeteekende gecommitt„ uyt den E. achtb: raad van Iustitie dezes gouvernements den burger Cornelis van Nieuwkerken van Competenten ouderdom dewelke ter requisitie van den Landdrost van Stellenbosch en drakensteijn d' E. Hendrik Lodewijk Bletterman verclaarde hoe waar is. Dat voor nu eenige maanden geleeden, zonder dat de Comp door de lange tusschen teijd de regte, dag of datum weet te noemen of daarin bepaald wil zijn by nagtelijken tijd van den Comp„te is gestoolen geworden, ses p=s trekossen dewelke by ofte omtrend des Compts plaats geleegen aan deese zeijde der hottentots hollands sloot ter weijde in't veld zig bevonden hadden Dat vervolgens omtrend 14 dagen daarna meede in de nagt nog van des Compts plaats gestoolen waren twee p„s Calkoenen Dat eijndelijk in't begin van de maand maart. deeses Iaars bij gelegentheijd dat de burger Coenraad Herhold van overde bergen ter plaatze van den Comp„s met zyn wagen zig bevond als doen meede op een zeekeren ragt vande voorm: wagen was afgestolen geworden een kleijn kisje alwaar volgens zeggen van gem: Iberhold, en zijne huijs vrouw daarin zoude geweest zijn het volgende te weeten Een zilvere vrouwe beugeltas, Een paarden schoengeopen, Een paar goude oorkrabben, omtrend een hondert ryxd=s, aan Contanten 7 Een swarte zeijde gonentabelje, Een geel Clutze sakkie en roke Een d„o witte d=e, Een witte Chitze rok, Een ds ds met een rand, drie vrouwe hemden drie mans do,, zes witte doeken, Een hoed; Een Swarte broek, Een did, hemdrok, twee gebreijde mutzen, twee Scheermessen, en voorts nog een weijnig schoongoed, zonder dat den Comp„ niet tegenstaande alle aangewende moeyte de daders daarvan heeft kunnen ontdekken Niets meer verclarende geeft den Compt, voor reedenen van wetenschap als in den text prie„ senteerende zulx wanneert gerequireerd word met solemneele Eede te Staven dat aldus passeerde aan Cabo de goede Hoop den 4. april 1786. voor d' EE gerrit Hendrik Cruijwagen en Joh„s Smits Leeden uijt den E. achtb: raad van Justitie voorm:; die de minute deeses beneevens de Comp ende mij secretaris meede behoorlijk hebben onderteekend. /:onderstond:/ 't welk ik getuijgen /:was geteekend:/ C: van Aerssen Secretaris: Recollement 6 Compareerde voor ons onderget: gecommitt, uijt de E. Achtb: raad van Iustitie voorm: Cornelis van Nieuwkerken, dewelke deeze zyne voorenstaand verclaring klaar en duijdelijk woordelijks voorgeleen weedende verclaarde daarbij te blijven persisteeren met begeerte dat 'er iets meer bij ofte van gedaan worden zal. — /:onderstond:/ ende Aldus gerecolleerd aan Cabo de goede Hoop de 31. aug„s 1786: /:was getekend:/ C: van Nieuwkerken /:Lagers/ mij praesent /:getekend:/ C. van Aerssen Secretaris /:in margine:/ als gecommitt„s /getee kend:/ W JV Reede van Oudshoorn Joh„s Smits Compareerde voor ons enderg: Articulen gedaan maken en aan gecommitt„s uit den E: agtb: raad heeren gecommitt„s uyt den E. Achtb: van Iustitie deeses gouverne, raad van Iustitie deeses gou ments, den slaaffupido van vernements overgegeeven, door ternaten denwelken op de ende van wegens den Land drost nevensstaande vragen zodanig van
English
of Stellenbosch and Drakenstein has answered as stated, and the same stand recorded. Hendrik Lodewijk Bletterman, in order to be heard and interrogated thereupon at his requisition, the slave Cupido, belonging to the late citizen Thomas Dreijer, his answers to be given shall be duly made known in the margin hereof. No. 1. The prisoner's name, age, and birthplace, Says Cupido, born in Ternate, Says of the widow Thomas Dreijer. Whose bondservant he is. Says since 12 years, because the overseer mistreated him so, When and for what reasons he deserted. Says to have deserted alone, different ones having joined him from time to time and also left him again, Whether other slaves also deserted with him, or came to him during his desertion. Says at the Hangklip with a portion of other slaves, namely with Job of the widow Ekkert, October of Van Blerk, Anthonij and Jan of the widow of fire-master Sieur Arend van Wielig, Maij of the citizen Jan Krige, Jacob, Fortuijn, and November of the citizen Jan Buurman, Pedro of the burgher councillor Carnspek, Carolus of Cobus Louw, October of Gerrit Louw, Rampie, female slave of Pieter Weijdeman, Mentor of Jan Franke, Felip of Jan Lavocade. At what place he stayed during his desertion. Says that he was there with his gang, but that the horses were taken from the stable by Job of the widow Ekkert and Carolus of Jacobus Louw. Whether he, now about one year ago or in the month of June or July of the past year, on a certain night stole two horses from the stable at the farm of the citizen Jan Otto, and who assisted him therein. 4. Where he and his companions left the horses. Says to know nothing about that. Whether he, along with his companions, was pursued the next day by the said Jan Otto and the citizen Jan Wilken, and whether shots were fired at him and his companions. Says to know nothing about that. Whether he or any of his companions was hit. Says not himself, but Job was hit. 6 1/2. Whether he subsequently the same night broke off the padlock of the cellar and what he stole from the cellar. 8. Says yes. Whether he, about six to seven months ago, proceeded on a certain night to the farm of the former heemraad Willem Morkel the elder, and there broke open the window of the millhouse and subsequently stole from it: Two saws, two drawing knives, a hand axe, a wood axe, a brace bit, a pair of compasses, a foot rule, two pairs of hedge shears, a copper cooking kettle, two leather aprons, two pairs of scissors. 9. Says that he with some of his companions was at the Palmiet River, while the other portion was with Morkel, but that they used the same together. Whether he, the prisoner, on various occasions stole some poultry there at the farm of the said Morkel, and on a certain night stole three draft oxen from the kraal. 10. Says to have eaten them together. 13. Whether he, a short time thereafter, stole six oxen at night from the kraal at the farm of the citizen Cornelis van Nieuwkerken, and specifically from the same, and about fourteen days thereafter stole two turkeys from the farm, and who carried out the theft with him. Says to have driven them along the beach, one having fallen into the sea, four eaten by them, and one left to run. 14. Where he took the aforesaid six oxen and what he did with them. Says yes. 15. Whether he, a short time thereafter, went to the Knoflooks Kraal and who accompanied him thither. Says yes. 16. Whether he and his aforesaid fellow companions were thereupon driven away by a commando of citizens. Says yes. 17. Whether he, in the evening, saw a wagon outspanned there along with his aforesaid companions. 18. Whether he and his companions at night, from the wagon belonging to the citizen Arnoldus Esterhuijsen while that man had fallen asleep, broke open the wagon chest, and stole therefrom three pieces of paper currency, six rixdollars in silver money, three loaves of bread, and some spices, lead, and from the wagon, a steenbok and a sack of pickled herring. Says yes. 19. Whether he subsequently, on a certain night, proceeded to the farm of the former heemraad Johannes Albertus Mijburg and there broke out the staple with the padlock of the millhouse, and subsequently stole two bags with some flour, and who performed this with him. Says yes, but to have stolen only one schepel of flour in two bags, October of Van Blerk alone having accompanied him since the others were very dispersed. 20. Whether the same staple with the padlock therein was driven back into the frame of the millhouse by him, and by which of his fellow prisoners this was done. Says yes, helped by the aforesaid October. 21. Whether he, about four to five months ago aforesaid, at night drove a herd of oxen out of the kraal to below the kloof at the farm of the citizen Rudolph Cloete, and who subsequently helped him therein. Says not he, the prisoner, but Job and a Michiel of Van der Poel. 22. In what manner the entire herd of oxen was taken back from him and his companions. Says that a man came to them who asked them whose oxen those were, that they answered, "Cloete's," and subsequently abandoned the oxen. 23. Whether he, about 2 months ago, along with his fellow prisoners Anthonij, Jan, October, and Maij, went to the farm of the citizen Cornelis van Nieuwkerken, and whether they together saw a wagon standing there and found two Hottentots lying asleep under the same. Says yes.
Dutch transcription
van Stellenboshendrakensteyn g'antwoord heeft als beseijd dezelve aangetekend staan. Hendrik Lodewijk Bletterman omme daarop ter zijner requisitie te worden gehoord en ondervraagd den Slaat Cupido toebehorend wijlen den burger Thomas dreijer zullende desselvs te geevene responsiven, in margine deezer behoorlyk worden bekend gesteld. N: 1. des gev: naam, ouderdom en geboorte zegt Cupido geboren van Ternaten seyt vande wed: Thomas daeijer wiens Lyflygen hij is zegt zedert 12. Jaren om dat den wanneer en op welke reedenen hij knegt hem zoo mishandeld geve, is opgedrokt zegt alleen opgedrost te zijn Off 'er ook meerdere slaven met zijnde van tyd tot tyd hem geve opgedrost of geduurende differente bij hem ge„ zijn opdrossen by hem geve, ge koomen en ook weder van hem afgegaan koomen zin zegt aande honglip met een gedeelte waar ter plaatze hij geve, geduurende andere slaven, namentlijk zijn opdrossen zig heeft opgehouden met Job van de wede. Ekkert october van van Blerk Anthonij en Ian vande weden brandmeester S„r Arend van wielig, Maij vanden burger Ian Krigo, Iacob, forthuijn en November vanden burger Jan Buurman Pedro van den burgerraad Carnspek, Carolus van Cobus Loun, october van gerrit Louw, Rampie Slavin van Pieter weijdeman, Mentor van Ian franke, Felip van Ian Lavocade. — zegt dat hij met zijn bende daar off hij geve, nu omtrend Een Jaar dan geweest is dog dat de wel in de maand Iuny ofte Iulij paarden vande Htal des gepasseerden Iaars op zeekere zyn gehaald door nagt op de plaats vanden burger Lob van de wede Ekkert Ian otto twee paarden van de sal en Carolus van Iacobus heeft gestolen en wie hem geve, daarin behulpzaam is geweest Loun:— ie had: plaats 4 6½: zegt zelfs niet maar Sob zegt daar niets van te weeten zegt daar niets van teweten. zegt Ja zegt die te zamen te hebben opgegeeten. zegt dat hy met eenige van off hij geve voor omtrend Ses à seven 9 zyne makkers aande maanden, voort: op zeekeren Dalmiet rivier geweest nogt na de plaats van den oud is, terwijl de andere Leemraad willem Morkel ged: bij morkel zijn d'oude zig begeeven en aldaar 't geweest, dog dat zy vengster van't Molenhuijs open het zelve zamen gebruijkt gebrooken en vervolgens uyt hebben. hetzelve gestoolen heeft. Twee zagen, twee Snijmessen, Een handzijl, een houtbijl, Een omslag boor, Een passer, Een duijmstok twee thuijnscharen, Een kopere kookketel, twee schootsvellen twee Scharen. off hij gevangene tot differente reijsen, aldaar ter plaatze van gede Morkel eenig pluijmvee en op zeekere nagt drie trek offen uijt de Craal heeft gestoolen 10 waar hy geve, en zyne makkers de paarden gelaten hebben Off hy geve, of wie van zyne makken getroffen is. off hij geve, nevens zijne makkers des anderendaags door gem: Jan otto enden burger Ian wilken agtervolgd en op hun en zyne makkers geschoten is. getroffen te zin Off hij geve, vervolgens dezelve nagt de hangslot vande kelder afgebroken en wat of hy geve, uyt de kelder gestoolen heeft 1 1. 9 8: A 18 zegt Ia. zee gestort, vier door hun loopen zegt Ja. opgegeeten, en een laten te hebben, zijnde 'er een in zegt zas alle te zamen zegt za. zegt Ia. off hij geve, en zijne makkers des nachts vande wagen toebe hoorende den burger Arnoldus en perbloek terwijl die man inslaan was geraakt, 't wagenkistje opengebrooken, en daaruijt gestolet hebben drie stuks papiere geld munt, zes rijxd„s zilver geld drie brooden, en wat kruijden Loot en vanden wagen, een Steenbok en een zak met pekel haring off hij geve, des avonds nevens zijne voorsy makkers aldaar heeft zien uijtspannen, een wagen. 16. off hij geven korten tijd daarna na de Knoflooks Kraal is gegaan en wie hem gede, derwaards heeft vergeseld. off hij geve, en zijne voorsz, meede makkers daarop voor een Commando burgeren zyn verjaagd geworden. zegt die langs strand gedreeven waarhij geven de voorsz ses ofsen gebragt en wat daarmeede gedaan heeft Off hij geve, korten tyd daarna by de plaats van den burger Cornelis van Nieuwkerken en wel van den zelve des nachts uyt dekraal zes ossen en omtrend veerthien dagen, daarna twee Kalkoenen, van de plaats heeft gestoolen, en wie met hem de diet stal ter uijtvoer heeft gebragt 13. .. 14. 15. 17 A 18. zegt zal geholpen door zegt Ja. off hij geven vervolgens op zeekeren zeijt zal maar een schepel nagt zig heeft begeeven nade meel in twee zakke plaats vanden oud beemrand te hebben gestolen heb. Johs Albertus Theijburg en bende october van aldaar de kram met het hang van blerck alleen slot van het molenhuijs uijt hem verseld dewijl de andere zeer ver„ gebrooken vervolgens twee strooijd waren. zakken met wat weel ge„ stolen heeft en wie zulx met hem heeft verrigt october voorm: zegt niet hy geve, waar wel Job en een michiel van vander boel. 21 zegt dat 'er een man bij hem Hoedanig hem geve, ende zijne gekoomen is die hun de geheele troup ossen wederom gevraagd heeft wie die ontnomen is. ossen waren, dat zij g'antwoord hebben, van Cloete en vervolgens de ossen inde steek te hebben gelaten! off hij geve, voor omtrend 2. maanden nevens zijne meede geve anthonij Ian october en Maij nade plaats van den burger Cornelis van Nieuwkerken is gegaan en of zijt: te zamen aldaar een lragen hebben zie staan en onder dezelve twee hostentotten slapende vinden leggen off hy geve, voor nu omtrend vier vijf maanden voorz: des nagts à op de plaats van den burger Rudolph Cloete een troup ossen uijt de Craal tot onder de klorf heeft gejaagd en wie hem geve, vervolgens daarin heeft geholpen. 26. 19 6 off dezelve kram met het hang slot daarin wederom in de kozzijn van't molenhuijs door hem geve„ is ingeslagen, en door wien van zyne meede ged: zulx is geschied B3 22
English
Articles drawn up to be heard and interrogated by the gentlemen commissioners from the Honorable Court of Justice, the slave October of Madagascar, belonging to the burgher Simon van Blerck, and this at the requisition of the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Hendrik Lodewijk Bletterman, with the responses to be given by him to be properly recorded in the margin of this document. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, the slave October of Madagascar, who to the questions set forth alongside has answered as recorded next to the same. 1. The prisoner's name, age, and place of birth. Says October of Madagascar. 2. Whose bondsman the prisoner is. Says of the burgher Simon van Blerk. 3. When and for what reason the prisoner deserted. Says about 2 years ago, and that he received bad food. 4. Whether any other slaves deserted with the prisoner, or joined the prisoner during his desertion. Says to have deserted with his fellow slave Jephta of Mozambique. 23. Whether the prisoner, together with the aforementioned fellow prisoners, October, Jan, Anthonij, and Maij, lifted the rearmost chest from the same wagon, carried it to a certain distance from the dwelling house, and subsequently broke it open. Says Yes. 24. Whether the prisoner and his fellow companions found in the same chest the following goods, namely: A silver woman's clasp bag, A pair of shoe buckles, A pair of gold ear pendants, A black silk gown and apron, A yellow chintz jacket and skirt, A ditto, white ditto, A white chintz skirt, A ditto ditto with a border, Three women's shifts, three men's ditto, Six white cloths, a hat, A pair of black trousers, a ditto waistcoat, Two knitted caps, Two razors, and some further changes of linen. Says Yes. 25. Which goods the prisoner received thereof as his share. Says a waistcoat and black trousers. 26. The prisoner having been shown the silver clasp bag and shoe buckles, as well as the six and a quarter rixdollars in silver coin, and asked: Whether these are the same silver coin, clasp bag, as well as cash and buckles, which the prisoner, together with his companions, stole from the chest. Says Yes. 27. Where the prisoner and his fellow companions left the remaining goods. Says to have buried them in the ground. 28. Whether the prisoner did not afterward go with his just-mentioned companions to the place of the burgher Jan Krige, and what they did there. Says Yes, to fetch their companion Anthonij. 29. Whether they made an agreement with one another to kill Krige and his wife. Says No. 30. If not, why they then went to the same place on repeated occasions, and even entered the kitchen of the dwelling house. Says that they also wanted to have one Adam as their companion. 31. Whether Maij on a certain night did not call out in the kitchen: Adam, Adam. Says Yes. 32. Whether they, receiving no answer, went from there to the slave house. Says Yes. 33. Whether they, the night before their capture, when going from the kitchen to the slave house, discovered a Hottentot. Says not to have seen that, from which Adam states to have heard such. 34. Whether the prisoner apprehended the Hottentot from the front, and Jan from behind, and whether they intended to kill the Hottentot. Says to have threatened him to kill him in order to make him afraid. 35. Whether the prisoner took his assegai and wanted to stab the Hottentot with it. Says Yes. 36. Whether the said Hottentot thereupon said: I have also deserted and wanted to steal grapes, when I was chased away and left my jacket behind, and now I want to go with you. Says that all of them said such. 37. Whether the prisoner Maij then said: you must not kill him then, but let him come along as a comrade. Says as before. 38. Whether they then went together to the place of the burgher Van der Merwe, and intended to steal a sheep there, but because daybreak arrived, abandoned their intention. Says Yes. 39. Whether they thereupon promised the Hottentot to go to the Cape, and being there, to give him, the Hottentot, money to buy a musket. Says Yes. 40. Whether they, having then gone into a forest at a certain height, asked that Hottentot Jan whether he could shoot well and whether he could show the way to the Kaffir country, and whether that Hottentot answered thereto: Yes. Says Yes. 41. Whether they subsequently at that place of the prisoner Krige did not hear of a commando. Says Yes. 42. Whether they then told the Hottentot that, as they were going on the road with him, he was to shoot dead any Europeans who wanted to take them prisoner. Says Yes. 43. Whether they then lay down to sleep. Says Yes. 44. Whether the Hottentot Jan went a few paces from them into a forest standing there, to keep watch in case any men might approach. Says Yes. 45. Whether just after midday some men unexpectedly fell upon them and took them prisoner. Says Yes. 46. Whether the prisoner has also made himself guilty of further thefts, housebreaking, or murder or manslaughter. Says No. 47. Whether the prisoner knows that all thefts and housebreaking are unlawful and punishable in the highest degree. Says Yes, adding that he did it mostly to satisfy his hunger. 48. Whether the prisoner knows of anything to put forward in his defense. Says as before to satisfy his hunger, and requests to be punished. Thus asked and answered, as well as read out to the prisoner, who testified to persist therein, at the Cape of Good Hope, the 11th of April 1786, before the Honorable Salomon van Echten and Johannes Smuts, members from the Honorable Court of Justice aforesaid, who have duly signed the minute of this together with the prisoner and me, the Secretary. Below stood: Which I witness. Was signed: C. van Aerssen, Secretary.
Dutch transcription
M No. 23 zeijt Za. zegt Ja zegt Ia. zegt inde grond te hebben off hij geve, nevens de voorsz meede geve, october Jan, anthonij en Maij van dezelve wagen heeft geligt het agterste kistje en hetzelve op zeekere distantie van het woon huijs gebragt en vervolgens het zelve opengebroken. off hij geven en zyne weedemakkers in't zelve kisje gevonden hebben de volgende goederen als.— Een zilvere vrouwe beugeltees Een paard Schoen gespeel Een paar goude oorkrabben Een swarte zeijde gon en tabilje Een geel Chitze Jakkie en rok. Een do, witte & Een witte Chitze rok, Eend, d, met een rand. drie vrouwe hemden, drie mans den zes witte doeken, Een hoed, Een swarte broek, Eend, hemdrok twee gebreijde mutzen. twee scheermessen en nog een weijnig verschoning. 25. zegt een hembdrok en swarte welke goederen, hij gede, daarvan van zijn aandeel heeft bekenen 24. Een geve, de zilvere beugeltas en schoen gespen, beneevens de zes en een quart rijxdaalders zilvere munt te vertoonen, en hem aftevragen! off dit is dezelve zilvere munt beugeltas, mitsg„s Contanten, en gespen, dewelke hij geve, nevens zyne makkers uijt 't kistje gestoolen heeft. 27. waarof hy geve, en zyne meede makkers de overige goederen heeft geladen. begraven broek. 26. N 28. zeyt zal zegt Ia. makken anthonij te halen. zegt neen. zegt dat zij noch eenen adam tot hunnen makker wilde hebben. zegt niet gezien waarvande of zil: vervolgens aldaar ter slaat adam zulx plaatze van gede; krigo niet een Commando hebben vernomen gehoord te hebben. zeijt Ja 35 seyt hem gedreijgd te hebben off hij geven den hottentot van oen hem nu't leeven te brengen vooren, en Jan van agteren om hem gevreesd te maken off zyt den nagt voor hunne gevangenneeming wanneer uijt het Combuys naar 't Slavenhuijs gingen ontdekt hebben een hottentot 33 off zyt: geen antwoord bekomende vandaar na't Slavenhuijs zijn gegaan. off Maij op zekere nagt ende Cembuijs niet heeft geroepen adam, Adam 32. 30. off zyl: met malkanderen hebben afspraak genoomen om krigo en zijn vrouw em 't leeven te brengen: zoo neen. waarom zyt dan tot herhaald reijsen op dezelve plaats geweest zin en zelfs inde Combuijs van't woonhuijs zig begeeven 29. makkers daarna gegaan is na de plaats vanden burger Ian Krigo en wat aldaar hebben verrigt. zegt zas om hun meede off hij geve, niet zijne eevengem: 31. 34. zeyt als vooren. zegt dat zulx alle gezegd zegt za. zegt Ja zegt Ia. zegt Za. hebben. 38. off den geve, Maij als toen gezegd heeft moet hem dan niet boden maar laat hy als Cameraad meede gaan. off zyl: als toen te zamen gegaven zijn nade plaats van den burger„ vande en aldaar voornemens geweest zijn Een schaap te steelen dog vermits dedageraad door brak van hun voorneemen hebben afgezien. 40. off zyt: zig op zekere hoogte als toen in een bosch begeeven hebbende, aan dien kotten tot Jan hebben gevraagd of hij goed schieten en of hij de weg na't Catterland zou kunnen aan wijzen, en of dien hottentot daarop g'antwoord heeft van Zak 41. off zyt daarop den kosten tot beloofd hebben vade Caab te komen en aldaar zijnde hem kotten tot geld te zullen geeven om een snaphaante kopen. 39. E off gem hottentot daarop gezegd heeft ik ben ook gedrost en wilde druijven steelen toen den ik verjagd en heb mijn batje in de Steek gelaten, en nu wil ik met julluy meedegaan off hij geve zyn affegaan genomen en den kottentiet daarmeede heeft wille steelen hebbende staande gehouden, en off zyt voorneemens waren den kostentot om 't leene te brengen. ƒ ƒ N 36. N 42. zegt Za. zegt Zal zegt Ja. zegt Ia. Leit neen. zegt Ia: nog dat hy het meest heeft gedaan om zijn honger te stellen 48. zegt als vooren om zijn horger off hy geve, ook iets tot zyn verschoo te stellen en versoekt ning weet bij tebrengen waar afgestraft te worden. Aldus gevraagd en beantwoord mitsgaders 47. off hy geve, weet dat alle dievereijen en brake en geoorloofd en ten hoogsten Strafwaardig is 46. off hy geve, zig ook aan meerder dievereijen huijsbraak dan wel moord of doodslag heeft schulden gemaakt. off eeven na middag tijd eenige manschappen enverwagt hun overvallen, en hun gevangen genoomen hebben. 45. off de hotten tot Aan zig eenige treeden van hun in een aldaar staande bosch heeft begeeven omde wagt te houden zoodaar eenige manschappen mogten aankomen. 44. off zyl: zig als toen hebben te slappen gelegt. 43. off zyk als toen aan den hoften „tot hebben gezegd dat zy als aan met hem op weg komende, al wat van Europeesen hun gevangen wilde neemen zou hebben dood te Schieten mitsgs den gede, voorgeleesen denwelke betuygde daarbij te blijven Persisteeren aan Cabo de goede wop den 11 april 1786. voord'Eho Salomon van Echten en Iohs, Smuts, leeden uijt den E. agtb: raad van Iustitie voorm:, die de minute deeses beneevens de geve, ende mij Secretaris meede behoorlijk hebben onderteekend. /:onderstond:/ 't welk ik getuijge /: was geteekend:/ C: van Aerssen Secretaris Compareerde voor ons onderget: gecommitt„s uyt de E. agtb: raad van Iustitie deeses gouvernements den Slaaf october van madagas „can dewelke op de nevens staande vragen zodanig g'antwoord heeft als be Leyden dezelve aangetekend van Blerk wanneer en om welke reeden hij regt voor omtrend 2 Jaren en gen, is opgedrost dat hy slegte Spijze zeyt vanden burger Simon kreeg. off 'er ook meerdere slaven met zegt met zin meede slaak Sephta van mosambicque hem geve opgedrost of geduurende opgedrost te zijn. zyn opdrossen bij hem gede, ge„ koomen zyn. wiens LijfEygen hy geve, is. geboorte plaats zegt october van madagassar des gev„ naam, ouderdom en Articulen gedaan maken en aan heere gecommitt„, uijt den E. agtb raad van Justitie gehoord en ondervraagd te worden den slaaf October van Madagassan toebehoo rende aen dlager Simon van Blerck ende zulx ter requisitie van den Landdrost van Stellen bosch en drakensteijn Hendrik Lodewijk Bletterman zullende desselvs te geevene respondive in margine deezer behoorlijk worden bekend gesteld. staan. 4.
English
AD 4. Whether he, now about a year ago, or in the month of June or July of the past year, on a certain night at the farm of the burgher Jan Otto, stole two horses from the stable, and who was assisting him therein. Says no, but that during this horse theft he stayed with some of the gang at the Palmiet River. Where he, prisoner, and his companions left the horses. Says that they were brought by the other prisoners into the ravine of the Palmiet River. Whether he, prisoner, now about seven months ago, on a certain night went to the farm of the former Heemraad Monsieur Morkel the Elder, and there broke open the window of the millhouse and subsequently stole therefrom: two saws, two drawknives, a hand ax, a wood ax, a brace drill, a pair of compasses, a folding rule, two pairs of household scissors, a copper cooking kettle, two leather aprons, two planes. Says he was not present there. Whether he, prisoner, shortly thereafter at the farm of the burgher Cornelis van Nieuwkerken at night stole six oxen out of the kraal and about fourteen days thereafter two turkeys from the farm, and who helped him carry out that theft. Says that he did steal the oxen, but no turkeys there. At which place he, prisoner, stayed during his desertion. Says mostly at Hangklip. 8. Where he, prisoner, took the aforesaid six oxen, and what he further did with them. Says toward Hangklip, one having fallen into the sea and one let loose. Whether he, prisoner, and his companions thereupon were chased away by a commando of burghers. Says yes. Whether he, prisoner, shortly thereafter went to Knoflookskraal, and who accompanied him, prisoner, thither. Says yes. Whether he, prisoner, along with his companions, saw a wagon unharnessed there. Says yes. 14. Whether he, prisoner, and his companions at night broke open the wagon chest from the wagon belonging to the burgher Arnoldus Kotze while that man had fallen asleep in the wagon, and stole therefrom: three pieces of paper money, coin six rixdollars silver money, three loaves of bread, and some powder and lead, and from the wagon a steenbok, and a bag with pickled herring. Says yes, everything, but only two pieces of paper money instead of three. Whether he, prisoner, subsequently on a certain night went to the farm of the former Heemraad Johannes Albertus Meyburg and there broke out the staple with the padlock of the millhouse and subsequently stole two bags with some flour, and who carried this out. Says that he and Cupido did so alone. Whether the same staple with the padlock was driven back into the frame of the millhouse by him, prisoner, or whether this was done by one of his fellow prisoners. Says yes, that he drove it back in. Whether he, prisoner, now about four to five months ago, at night at the farm of the burgher Rudolph Cloete, drove a herd of oxen out of the kraal to a third ditch, and who helped him, prisoner, therein. Says he knows nothing of that. Whether he, prisoner, about two months ago, alongside his fellow prisoners Cupido, Jan, Anthoni, and Maij, went to the farm of Cornelis van Nieuwkerken, and whether they together saw a wagon standing there and found two Hottentots lying asleep under it. Says yes. Whether he, prisoner, alongside the aforesaid fellow prisoners Cupido, Ian, Maij, and Anthoni, lifted the rearmost chest from the same wagon and carried it a certain distance from the dwelling house and then broke it open. Says that he went to gather greens, subsequently came to the chest, and helped break it open. Whether he, prisoner, and his companions found in the same chest the following goods, namely: a silver woman's clasp bag, a pair of shoe buckles, a pair of gold earrings, a black silk gown and apron, a yellow chintz pouch and skirt, a ditto white ditto, a white chintz skirt, a ditto ditto with a border, three women's shirts, three men's ditto, six white cloths, a hat, a black pair of trousers, a ditto waistcoat, two knitted caps, two razors, and a small amount of linen. Says yes, but instead of three women's shirts one, instead of three men's shirts two, and in place of two knitted caps one, and no earrings. 21. Which goods he, prisoner, received for his share. Says a pair of cuffs, a woman's shirt, and a man's cap. Whether with him, prisoner, the silver money shown to him was found sewn in between the buttonholes of his waistcoat. Says no, that it was found on his fellow prisoner Ian. Where he, prisoner, and his companions left the remaining goods. Says that Ian tore up the remainder and threw it into the bushes. Whether he, prisoner, and his companions thereafter went to the farm of the burgher Jan Krüger, and what they did there. Says to fetch food. Whether they plotted with one another to put Krüger and his wife to death. Says no. If not, why they went to the same farm on repeated occasions and even entered into the kitchen of the dwelling house. Says that the slaves Jephta, Adam, and Februarij, as well as two female slaves, all belonging to the aforesaid Krüger, had said they would go with them. Whether the prisoner Maij on a certain night in the kitchen did not call Adam, Adam. Says yes, with Anthonij. Whether they subsequently at night at the farm of the said Krüger perceived a commando. Says no, but that Adam had nevertheless told them so.
Dutch transcription
AD 4. zegt daar niet bijgeweest te zyn. zegt zal de ossen maar geen Kalkoenen, aldaar gestolen te hebben. zeijt meestentijds aan de hanglip. zegt neen: dat hij zig geduu off hij geduurende nu wel een jaar rende deze paarden omtrend dan wel inde maand dievereije met eenige Junij of Jlij des gepasseerden daar van de bende aan den op zeekere nagt op de plaats palmiete rivier heeft van den burger Jan otto twee Opgehouden. paarden vande stal heeft gestol en wie hem gene, daarin behuld zaam is geweest. waarhij geve, beneevens zyne zeyt door de andere geve, in de makkers de paarden gelaten hebben sloof vande palmiete rivier gebragt te zijn. hij geve, voor nu omtrend Secâ seeven maanden geleeden, op zekere nogt na de plaats vanden oud Heemraad mons: Morkel d'oud zig begeeren en aldaar 't venester van't molenhuijs opengebroken en vervolgens daaruyt gestoll heeft Twee zagen, twee snijmes Een handbijl, Een houtbijl, Een omslag boor, Een passer, Een duijmstok, twee thuijs scharen Een kopere kookketel, twee schootsvellen, twee schaven! off hy gene, kort daarna by de plaats van den burger Cornelis van Nieuwkerken des nagts uyt de Craal ses ossen en omtrend veerthien dagen daarna twee kalkoenen vande plaats heeft gestoolen en wie hem die dief stal heeft helpen ter uytvoer brengen! waarter plaatze hy geven gedau rende zyn opdrossen zig heeft opgehouden 8. ƒ 1 zeijt Ia. zeijt Za:t alles maar allee twee stuk papiere zegt zat hy en Cerpido zulx zegt na de hanglix zynde een en een Laten loopen. zegt za Legt Ja geld in Steede van drie off hij geve, en zyne makkers des nagts vande wagen toebehorende den burger, Arnoldus flot terwijl die man inde wagen aanslaap was geraakt 't wagenkisje opengebroken, en daaruijt ge„ stoolen hebben, drie stuk papiere geld munt ses ryxd„s zilver geld drie brooden, en wat kruijd en Loot, en vande wagen Een steenbok, en een zak met pekelharing. 14. off hij gene, vervolgens op zekeren alleen te hebben verrigt? nagt zig heeft begeeven nade plaats van den oud heemraad Johannes Albertus Meyburg en aldaar de kram met het hang Seot van't molenhuis uytge broken en vervolgens twee zakken met wat meel gestoolen heeft en wie zulx heeft verrigtt off hij gene, beneevens zijne makken aldaer heeft zien uytspannen een wagen 12 off hij geve, korten tijd daarna rade Knoflooks kraal is gegaan, en wie hem geve, der„ waards heeft verzeld. off hij geve, beneevens zijne meede makkers daarop door een Commando burgeren, zijn verjaagd 8 geworden Nb: 10 waarheen hij geve, de voorsz: derzelve in zee gestort ses ossen, gebragt en wat naar meede gedaan heeft d tl „ 13. 11. 5: N 16. zeijt daarvan niets te zegt Ia zeyt zal dat hy t'er weer heeft ingeslagen. weeten. Ti Off hij geve voor nu omtrend vier à vijf maanden voort. des ragts op de plaats van den burger Rudolph Cloete een trou ossen uijt de Craal tot en derde sloot heeft gejaagd en wie hem geve, daarin heeft gehoepen off hij geve, voor omtrend twee maanden, nevens zijne meede geve Cupido, Aan, anthoni en Kaij na de plaats van Cornelis van Nieuwkerken is gegaan, en of zyt: te zamen aldaar een wagen hebben zien staan en en derdezelve twee hottencotsen slapende vinden Leggen. hij geve, nevens de woorty med O gev„ Cupido, Ian, Maije anthoni„ van dezelve wagen heeft geligt 't agterste kistje en 't zelve op zekere distantie van 't woonhuy gebragt en als toen opengebroken zeyt zal nogaat insteede off hij gene, en zijne meedemakken van drie vrouwe hemden in't zelve kisje gevonden hebben 1. in Stede van drie de volgende goederen als. mans hemden &. en in Een zilvere vrouwe beugeltas, Een plaats van 2. gebreijden paard„e schoengispen, Een paar goud mutzen 1. en geen oorkrab oorkrabben, Een swarte zeijde gou „ben. en tabelje, Een geel Chitze sakkie en rok, Een do witte do, Een witte Chitze rok, Een d. d met een rand, drie vrouw hemden, drie mansd, ses witte zeyt dat hij groente is gaan zoeken vervolgens uijt kisje gekomen en het zelve heeft helpen openbreeken. off dezelve kram vet het hangslot daarin wederom in't kazyn vant molenhuijs door hem geve, is. ingeslagen, of door een van zijn meede ged, zulx is geschied doeken 17. 18. 19 20. vrouwe hemd en een mans muts. zegt nee bij zin meedegene„ zegt Iasem Anthonij zeit nien dat adam hun zulx echter had gezegd Ian 't zelve te zijn gevonden kerpen en in de bossche heeft geworpen zeyt dat Ian het agterde te halen. zegt Neen. zoo neen. zeyt vat de slaven Sephta„ waarom zil: aan tot herhaald adam en februarij mitsg„s reijsen op dezelve plaats twee Slavinnen alle van geweest zijn en zelfs inde voorsz Krigo gezeyd hadden met hun meede Combuijs van't woonhuijs zig te zullen gaan. hebben begeeven zeyt Zal 27 off zijl: vervolgens des nagts aldaar ter plaatze van gede„ Rrigo net een Commando hebben vernomen. 28 off den geve, maij op zekere nagt in de Combuys niet geroepen heeft Adam, Adam 26 off zil met elkanderen hebben afspraak genoomen, en krigo en zijn vrouw om 't leeven te brengen. off hij geve, en zijne makkens daarna gegaan is na de plaats vande burger Jan Krigo en wat aldaar hebben verrijt 't waarof hij geve, en zyne meed makkers de overige goederen heeft gelaten 23. 24. off bij hem geve, het aan hem vertoonde zilver geld gevonden is ingenaaijd te zijn tusschen de knoopsgaten van zyn Cami „sool 22. Al 21. zeyt een paar wanchetten een welke goederen hy geven voor zijn aandeel heeft bekoomen doeken, Een hoed, Een swarte broek Eendo hembdrok, twee gebreyde mutzen, twee scheermessen en een weynig verschoning . 26
English
29. Whether the fellow prisoner Cupido confronted the Hottentot from the front and the prisoner Jan from behind, holding him at bay, and whether they intended to kill the Hottentot. Answers Yes. Says that Cupido said, "You must tell me the truth or I will stab you with an assegai." Says not Maij who said this. Whether the fellow prisoner Cupido took his assegai and wanted to stab the Hottentot with it. Answers Yes. Whether the said Hottentot said, "I am also a runaway; I wanted to steal grapes, then I was chased away and left my jacket behind, and now I want to go with you." Answers Yes. 34. Whether the fellow prisoner Maij then said, "Must not kill him then, but let him go with us as a comrade." Answers Yes. 30. Whether they, the night before their capture, when they left the kitchen of the slave house, discovered a Hottentot. Answers Yes. 31. Whether they, receiving no answer, went from there to the slave house. Answers as before. 32. Whether they then went together to the farm of the burgher Aande and intended there to steal a sheep, but because day was breaking abandoned their intention. Answers Yes. 33. 35. 36. Whether they, having proceeded to a certain height in a forest, asked the Hottentot Jan whether he could shoot well, and whether he could show the way to the Kaffir country, and whether that Hottentot answered in the affirmative. Answers Yes. 37. Whether they thereupon promised the Hottentot to go to the Cape, and coming there to give him, the Hottentot, money to buy a musket. Answers Yes, that Jan promised this. 38. Whether they then said to the Hottentot that when he came on the road with them, he would have to shoot dead any Europeans who wanted to capture them. Answers No. Whether they then lay down to sleep. Answers Yes. 40. Whether the Hottentot Jan went a few paces from them into an adjacent forest to keep watch in case any men should arrive. Answers Yes. 41. Whether shortly after midday some men unexpectedly ambushed them and took them prisoner. Answers Yes. 42. Whether the prisoner has also been guilty of further thefts, housebreaking, word, or manslaughter. Answers No. 43. Whether he, the prisoner, knows that all theft and breaking and entering is unlawful and worthy of the highest punishment. Answers Yes. 44. Whether he also knows anything to offer in his excuse. Answers to have done so to satisfy his hunger. Answers as before. Thus questioned and answered at Cape of Good Hope the 18th of April 1786, and read to the prisoner, who declared to persist therein, before the honorable Salomon van Echten and Johannes Smits, members of the honorable Court of Justice aforesaid, who have signed the original minute hereof together with the prisoner and me, the Secretary. Below, which I witness. Was signed, C: van Aerssen, Secretary. Articles prepared and submitted to the honorable commissioners from the honorable Court of Justice of this government, to examine thereon, at the requisition of the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Hendrik Lodewijk Bletterman, the slave Mentor of Madagascar, his answers to be duly recorded in the margin hereof. Appeared before us, the undersigned commissioners from the honorable Court of Justice of this government, Mentor of Madagascar, who to the questions recorded opposite has given such answers as are noted beside them. 1. The prisoner's name, age, and place of birth. Answers Mentor of Madagascar, about 20 years old. 2. Whose bondsman he is. Answers to belong to the burgher Jan Frank. 3. When and for what reason he, the prisoner, absconded. Answers in the month of March 1785, because his master had beaten him. 4. Whether any other slaves absconded with him, or came to him during his desertion. Answers that no one absconded with him, but on Table Mountain he found Job of the widow Acker, October of van Blerk, and the slave woman Rampi. 5. To what place he, the prisoner, stayed during his desertion. Answers to have gone to Hangklip and to have met there Tilis and afterwards Cupido. 6. Whether he, the prisoner, about a year ago, namely in the month of July or June of the past year, on a certain night stole two horses from the farm of the burgher Jan Otto, and who assisted him, the prisoner, therein. Answers that Carolus, Job, October, and Cupido went thither, stole the two horses, and brought them to their dwelling place. Whether he, the prisoner, alongside his companions, was pursued the next day by the burghers Jan Otto and Jan Wilkens, and was shot at with chopped bullets. Answers No, but indeed heard and saw that Rob was shot with chopped bullets. Whether he, the prisoner, subsequently that same night broke off the padlock of the cellar door and what he stole out of the cellar. Answers not to have been present there.
Dutch transcription
A 29. 6 zegt Ja hebben zeit Zal zeyt niet Maij waarhy gene, zulx gezegd te zegt Ia. Zey dat Cupido gezegd heeft 'T zijn meede geve, Cupido den gi moet mij de waarheijd kotten tot van vooren, en den gene zeggen of ik zal uw Jan van agteren hebbende ƒ met een assegaaij staande gehouden en of zyt.- steeken. V voorneemens waren, den rotten tot om 't leeven te brengen off de meede geve, sumdo zijn assagaay genomen en den holfen tot daarmeede heeft willen steken off gem: hotten tot gezegd heeft ik ben ook gedrosten wilde druijven, steelen toe ben ik ver„ joagd en heb mijn batje in de steek gelaten en nu wil ik met Gullni meede gaan. 34. op den meede geve Maij als toen gezegd heeft moet hem dan niet dooden waar laat Eem als Cameraad meedegaan off zyl: als toen tezamen gegaan zijn na de plaats van de burger Aande en aldaar voornemen geweest zyn een schaap te steelen, dog vermits den dageraad doorbrak van hun voorneemen hebben afgezien. zeijt Ia. zeyt als vooren. 30. off zyt den nagt voor hunne gevangenneeming wanneer uyt t Combuys va't Slavenhuis gingen ontdekt hebben een kotten tot 31. off zy t geen antwoord bekene van daarnat Slavenhuijs is gegaan. 1 . : 35 33: 32 M 36. zegt Ja zeyt Jat dat Jan zulx beloove heeft zegt veen. zegt Ia. zegt Ia. off zyt zig op zeekere hoogte in een bosch begeeven hebbende, aan den kottentot Aan hadden gevraagd of hy goed schieten konde, en of hij den weg na 't Catterland konde aanwijsen en of dien kosten tot daarop g'antwoord heeft van zal off zil: daarop den hotten tot beloofd hebben nade Caab te zullen gaan, en aldaarkomende hem Rotten tot geld te zullen geeven om een snaphaan 37. te koopen 38. op zyt als toen van den kosten tot hebben gezegd dat hij als aan met hun op weg komende al wat van Europeese hun gevangen wilde neemen zou hebben dood te Schieten off zijt hun als toen te slapen: hebben geleyd. 40. off de hotten tot Ian zig eenige treeden van hun in een daarbij zijnde bosch heeft begeeven van de wagt te houden zoo daar eenige manschappen mogten aankoomen off eeven na middag tijd eenige manschappen en verwagt hun overvallen en hun gevangen. 4 genoomen 42. off degen, zig ook aan meerdere dievereijen huijsbraak aan zegt neeut. zegt Ia. wel ƒ 41. zegt zal zulx te hebben gedaan om zyn hanger. te stillen Regt als vooren 441 off hij ook iets tot zijn verschoo„ ning weet bij te brengen /:onderstond:/ Aldus gevraagd en beantwoord aan Cabo de goede hoop den 18. april 1786. mitsg„s de geve voorgeleezen, dewelke betuygde daarbij te blijven persisteeren, voor d' EEs Salomon van Echten en Joh„s, Smits Leeden uijt den E. agtb: raad van Iustitie voorm: die de minute deeses beneevens de geve„ ende mij Secretaris meede behoorlijk hebben onderteekend. /: Lager:/ 't welk ik getuijgen /:was geteekend:/ C: van Aerssen Secretaris Articulen gedaan maken, en Compareerde voor ons onder aan heeren gecommitt„s uijt aen geteekende gecommitt„s uijt den E: agtb: raad van Iustitie E: agtb: raad van Iustitie deedes gouvernements deeses gouvernements omme Mentor van madagassar daarop ter requisitie van den dewelke op de nevens Landdrost van Sellenborh staande vragen, zodanigen en drakensteijn Hendrik vragen gegeeven heeft als Lodewijk Bletterman gehoord bezeiden dezelve aange te worden de slaat Mentor tekend staan. van Madagassar zullende desselvs responsive in mangine deezer behoorlijk worden bekend gesteld. omtrend 20: Iaren plaats Al1. zegt Mentor van madagasser des gev, naam ouderdom en geboorte wel woord of doodslag heeft schuldig gemaakt N 43. off hij geven weet dat alle dieverin en brake en geoorloofd en den hoogste Strafwaardig is 9 1 zeyt van den burger Jan 1 te zijn trank maart zegt inde maand ^ 1785. om dat zijn Lytheer hem geslagen had off er ook meerdere slaven zeyt niemand met hem te met hem opgedrost ofge„ zijn opgedrost maar aan de tavelberg te duurende zijn opdrogen bij hem gekoomen zijn . hebben gevonden Job van de wede. Akert, october van van blerk, ende Slavinne Rampi zegt nade hanglip gegaan waar ter plaatze hy gene„ geduurende zijn opdrossen zig te zijn en aldaar aangetroffen te hebben heeft opgehouden. tilis en daarna Capido. zeyt dat Carolus Job, october off hij geve, voor nu omtrend en Cupido derwaards een Jaar, aan wel inde zig hebben begeeven maand Julij ofte Iunij des de twee paarden gepasseerden Jaars op zeekeren gestolen, en aan hun nagt op de plaats vanden verblijf plaats gebragt. burger Ian otto twee paanden heeft gestoolen en wie hem gene, daarin behulpzaam is geweest geschooten is. zegt veen maar wel gehoord off hij geve, nevens zijne wakkens en gezien te hebben dat des anderen daags door de burgers Rob wet gekapte kogels Aan otto en Ian wilkens agter voegd en op hem en zyne wakkens geschooten is 't nogt de hangslot vande kelder deur afgebroken en wat op hij uijt de kelder gestoolen reep„ zegt daarniet bygeweest off hij geven vervolgens denselven wanneer en om welke reeden hij geve, is opgedrost wiens LijfEijgen hij is Al 2 3. 6. ƒ
English
To 9. says, as before, and then whether he, the interrogated person, or who among his companions was hit then to have gone home below stood Thus interrogated and answered, as well as read out to the interrogated person, who affirmed to persist therein, at the Cape of Good Hope on 18 April 1786, before the Honorable Gerhardus Hendrik Cruijwagen and Johannes Smits, members of the Honorable Council of Justice aforesaid, who properly signed the minute of this along with the interrogated person and me, the Secretary. Lower: Which I witness. Was signed: C. van Aerssen, Secretary. Articles drafted and handed over to the gentlemen commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, in order to hear and interrogate, at the requisition of the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Hendrik Lodewijk Bletterman, the female slave Rampie of Mandahar, who answered the questions put to her as is noted beside each of them, the responses to be given by her to be properly made known in the margin of this. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, the female slave of Mandahar, who answered the question points put to her as is noted beside each of them. To 1. says Rampij of Mandahar, aged about 30 years. The interrogated person's name, age, and place of birth. 2. says of the burgher Pieter Weijdeman. Whose bondservant she is. 3. says for more than 2 years, because one of her fellow slaves told her. When and for what reason she, the interrogated person, deserted. 4. says with October to have deserted, and at the Table Mountain to have found Job and Mentor, whereafter she went to the Hangklip and found there Cupido, Carolus, Alias, Riejs, Pieter, and October of Jacobus Louw. Whether also more slaves deserted with her, or came to her during her desertion. 5. says no, because she always stayed at their place of residence. Whether she, the interrogated person, now about one year ago, or in the month of June or July of the past year, on a certain night stole two horses from the farm of the burgher Jan Otto, and who was helpful to her, the interrogated person, therein. below stood Thus questioned and answered, as well as read out to the interrogated person, who affirmed to persist therein, at the Cape of Good Hope on 18 April 1786, before the Honorable Gerrit Hendrik Cruijwagen and Johannes Smits, members of the Honorable Council of Justice aforesaid, who properly signed the minute of this along with the interrogated person and me, the Secretary. Lower: Which I witness. Was signed: C. van Aerssen, Secretary. Articles drafted and handed over to the gentlemen commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, in order to hear and interrogate, at the requisition of the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Hendrik Lodewijk Bletterman, the slave Philip, the responses to be given by him to be properly made known in the margin of this. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, the slave Philip, who answered the opposite question points as is properly noted beside this. To 1. says Felix of Timor, aged by estimate 30 years. The interrogated person's name, age, and place of birth. 2. says of Jan Lavocade. Whose bondservant he is. 3. says for now five years, and because his house-comrade had a quarrel with him continuously. When and why he deserted. 4. says to have deserted alone, but that Job of the widow Ekkert, October of Van Klerck, and Rampij of Pieter Weijdeman had come to him near the Hangklip. Whether also more slaves deserted with him, the interrogated person, or came to him during his desertion. 5. says to know nothing about that. Cupido says to the interrogated person in his face that he was present when Job and other boys stole the horses. The interrogated person now says that he informed the other boys not to steal, and that he did not go along. The slave October says to the interrogated person in his face that he had gone along to steal the horses with Job and Carolus, however not to have stolen horses along. The interrogated person remains in the negative. The interrogated person now says to have been along, but not to have stolen. Whether he, the interrogated person, now about one year ago, or in the month of June or July of the past year, on a certain night stole two horses from the farm of the burgher Jan Otto, and who was helpful to him, the interrogated person, therein. 6. says to know nothing about that. Whether he, the interrogated person, about six to seven months ago, to the farm of the former heemraad The interrogated person, Cupido, and October
Dutch transcription
Ab 9. zeyt, als vooren en als toen off hij geve, of wie van zyne na huijs te zijn gegaan makkers als toen getroffen is /:onderstond:/ Aldus gevraagd en beantwoord mitsgs den geve, voorgeleesen zijnde betuygde denselve daarbij te blijven persisteeren aan Cabo de goede hoop den 18. april 1786. voor d' EE„ Gerhardus Hendrik Cruijwagen en Joh„s Smits, leeden uijt den E. agtb: raad van Justitie voorm:; die de minute deser beneevens de gene, ende mij Secretaris meede behoorlijk hebben onderteekend. /:Lager:/ welk ik getuijgen /:was geteekend:/ C: van Aerssen Secretaris. Articulen gedaan maken en Compareerden voor ons aan heeren gecommitt uijt den E. ondergetekende gecommitt agtb: rand van Iustitie dezes uijt den E. agtb: rand van gouvernements overgegeeven Iustitie deeses gouverne omme daarop ter requisitie ments de Slavin van van den Landdrost van Stellen Mandahar dewelke op de aan haar voorgehoudene bosch en drakensteyn Hendrik vraagpoincten zodanig Lodewijk Bletterman, gehoord g'antwoord heeft als en ondervraagd te worden bezeijnen een ijder derselve de Slavin Rampie van staan aangetekend. Mandahar zullende hare te geevene respondiven in margine deeser behoorlijk worden bekend gesteld Ab 1. zeijt Rampij van Mandahar der geve naam ouderdom en oud omtrend 30. Jaren. geboorte plaats L. zegt van den burger Pieter wiens UijtEijgen hy is weijdeman zeijt voor ruijm 2 jaren omdat wanneer en om welke reeden een van hare meedeslaven zij geven is opgedrokt haar heeft aangesagt 3. ƒ MC 4. zegt neer, dewijl zij zig altoos op hun verblijfplaats heeft opgehouden zeyt met october te zyn opge off 'en ook meerdere slave drost en aande tavelberg met haar opgedroot of geduu rende haar ged, opdrossen by te hebben gevonden sob en Mentor van naar haar gekoomen zijn . zy na de hanglix is gegaan en daar gevonden heeft Cupido Carolus, Alias, rieis, Pieter, en October van Jacobus off zij geven nu omtrend Een Jaar dan wel in de maand Junij ofte Iulij des gepasseerden Iaars op zeekere ragt op de plaats van den burger Ian otto twee paarden heeft gestoolen, en wie haar geve„ daarin is behulpzaam geweest. /:onderstond:/ Aldus gevraagd en beantwoord mitsg„s de geve, voorgeleesen, dewelke betuijgde daarbij te blijven persisteeren, aan Cabo de goede hoop den 18 april 1786: voor d' EE s gerrit Hendrik Cruywagen, en Johs Smits Leeden uijt den E agtb: raad van Iustitie voorm:, die de minute deedes beneevens de geve, ende mij Secretaris meede behoorlijk hebben onderteekend. . /: Lager/ 't welk ik getuijge /:was geteekend.:/ C: van Aerssen Secretaris. Articulen gedaan maken en Compareerde voor ons onderge aan heeren gecommitt„s uijt den E. teekende gecommitt„s uyt den agtb: raad van Iustitie dezes E: agtb: raad van Iustitie gouvernements overgegeeven deeses gouvernements den om daarop ter requisitie van slaat Philip dewelke op den nevensstaande vraagpoincten den Landdrost van Stellen„ zodanig heeft geantwoord bosch en drakensteyn Hendrik als bezeiden deser behoorlyjk Ladewijk Bletterman gehoord, staan bekend gesteld. te Louw. zegt telix van Timor oud na gissing 30: Jaren. zegt van Jan Lavocade. 2. wiens LijkEijgen hij is 6. zegt voor nu vijf Jaren en wanneer en waarom hij is opge„ omdat zijn huijscama drodt raad geduurien met hem twist had. zeet alleen gedrost te zijn off 'er ook meerdere slaven met hem geve, opgedrost of geduurende maardert Job vande zijn opdrossen bij hem gekomen wed: Ekkert october van van Klerck en zijn Rampij van Pieter weijdeman bij hem gekomen waren omtrend de hanglip zegt daarvan niets te weten (:off. hij geve„ nu omtrend Een Iaar Cupido zeyt de geve, en dan wel inde maand Juny ofte zijn facie dat hij er bij is Julij des gepasseerden Iaars op geweest toe zob ende zeekeren nagt op de plaats van andere Jorgens de den burger Ian Otto twee paarden paarden gestoolen heeft gestoolen en wie hem geve„ daarin is behulpzaam geweest. hebben den geve, zegt twans dat hy de andere Jongens bericht heeft van niet te steelen, en niet meede geweest te zyn. den slaat october zegt de gene, in facie dat hy meede was ge„ weest om de paarden te steelen, met Lob en Carolus, egter niet aeffaarden meedegestolen te hebben. de geve, blijft bijde negotive de geve, zegt thans meede geweest te zijn egter niet gestolen Off hij geve, voor nu omtrend ses zegt daarniets van te weeten. â seeve maanden, geleeden nade plaats van den and heemraad de geve, Cupido en october des get: naam, ouderdom en geboort plaats! te worden den slaat Phelip zullende deszelve te geevene respontiven in margine desen behoorlyk moeten worden bekend gesteld A 5 . te hebben. „ 6
English
not to know because he was not with them at that time. Saying that regarding the prisoner, this lapses. Says to know nothing of it. had been. Willem Morkel the elder, and there broke open the millhouse window and stole therefrom: Two saws, two cutting knives, one hand axe, one wood axe, one brace drill, one compass, one folding rule, two garden shears, one copper cooking kettle, two aprons, two planes; And who assisted him, the prisoner, in stealing the aforementioned goods. Whether he, the prisoner, at different times there at the place of the said Morkel stole some poultry, and on a certain night stole three oxen from the kraal. Whether he, the prisoner, a short time thereafter at the place of a burgher, Cornelis van Nieuwkerken, during the night from the kraal six oxen, and about 14 days thereafter October appearing says that not the prisoner, but indeed the aforementioned Cupido, Pieter alias, and then another two boys of Bierman, namely October and November, were present there. stole 2 turkeys from the place, and who helped him, the prisoner, therein. Cupido says that the prisoner was not along, but indeed Pieter, and further as October has said. Says to the Hanglip in their nest, and brought there by them and slaughtered and eaten together. Where he, the prisoner, brought those six oxen and what he did with them. Says yes. 12. Whether he, the prisoner, along with his companions was thereupon driven away by a commando of burghers. Says not he, the prisoner, but indeed Cupido of the widow Dreyer, Pieter of Mr. Carnspek, and Alias of Mr. Eksteen. And 10. Says yes. Says to know nothing of it. Whether he, the prisoner, also knows anything to put forward in his defense. Says to know nothing in his defense, requesting only pardon for this time. Thus done and answered at the Cape of Good Hope, the 22nd of May 1786, before the honorable gentlemen Christiaan Ludolph Neethling and Johannes Matthias Bletterman, members of the Honorable Council of Justice aforementioned, who have duly signed the minute hereof along with the prisoner and me, the sworn clerk of the Secretariat. Below: Which I testify. Was signed: R. J. van der Riet, sworn clerk. Articles drawn up and delivered to the gentleman commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, in order that upon the requisition of the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Hendrik Lodewijk Bletterman, the slave Fortuyn of Banda, belonging to the burgher Jan Bierman, be heard and interrogated thereon, the respective answers to be given by him to be noted in the margin hereof. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, the slave Fortuyn of Banda, who to the interrogatories put to him has answered as noted beside each of them. Underneath stood: 14. Whether he, the prisoner, knows that all theft and housebreaking is illicit and highly punishable. 13. Whether he, the prisoner, a short time thereafter went to the Knoflooks Kraal, and who accompanied him, the prisoner, thither. Says Fortuyn of Banda, about 40 years. The prisoner's name, age, and place of birth. No. 1. Says of Jan Bierman. Whose slave he is. 2. Says since a good year, when he was minding oxen and then deserted. When and for what reason he deserted. 3. Says his fellow slave November deserted with him, and then to have encountered Cupido, October, Pedro of the honorable Carnspek, Alias of Mr. Eksteen, Bampie, slave of Pieter Redelinghuys, Carolus of Jacobus Louw. Whether there were also more slaves who deserted with him, the prisoner, or who joined him during his desertion. 4. Says first in the Hout Bay near his master's place, and subsequently near the Table Mountain, from there to the Hanglip and Kogel Bay. In what place he, the prisoner, stayed during his desertion. Says no. Whether he, the prisoner, now about a year ago, or in the month of June or July of the past year, on a certain night from the place of the burgher Jan Otto stole two horses, and who assisted him, the prisoner, therein. The fellow prisoner Cupido appeared, who testified that the prisoner always, while his companions were out stealing, stayed in their hideout. Says no. Whether he, the prisoner, about six to seven months ago, on a certain night went to the place of the former heemraad Willem Morkel the elder and there broke open the window of the millhouse, and subsequently stole therefrom: Two saws, two cutting knives, one hand axe, one wood axe, Says that he himself went back to his master. 9. Says no, since he has done nothing else than having eaten two stolen sheep from his master. Whether he, the prisoner, also knows anything to put forward in his defense. Thus interrogated and answered, and read out again to the prisoner, who testified to persist thereby, at the Cape of Good Hope the 18th of April 1786, before the honorable gentlemen Gerrit Hendrik Cruywagen and Johannes Smuts, members of the Honorable Council of Justice aforementioned, who have duly signed the minute hereof along with the prisoner and me, the secretary. Below: Which I testify. Was signed: C. van Aerssen, sworn clerk. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, the slave November of the Cape, who to the adjacent questions has answered as noted beside each of them. Articles drawn up and delivered to the gentleman commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, in order that upon the requisition of the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Hendrik Lodewijk Bletterman, the slave November of the Cape be heard, the respective answers to be given by him to be duly noted in the margin hereof. Whether he, the prisoner, along with his fellow companions was thereupon driven away by a commando of burghers. One brace drill, one compass, one folding rule, two garden shears, one copper cooking kettle, two aprons, two planes. 8.
Dutch transcription
toen ter tijd niet bij hun niet kan weeten omdat hij zeggen dat de geve, daarvan vervalt. zegt daar niet van te weten. geweest was. willem Morkel de oude zig begeeven en aldaar het molenhuijs vengster opengebroken en daaruyt gestolen heeft. Twee sagen, twee Snijmessen Een handbijl, een houtbijl Een omslag boor, Een passer, Een duijm stok, twee thuijnscharen, Een kopere kookketel twee Schootsvellen, twee schaven wie hem geve by het steelen der voorsz goederen is behulpzaam geweest. off hij geve, tot differente reijden aldaar ter plaatze van gemelde Morkel eenig pluijmvee en op zeekeren nagt drie ossen uijt de Craal heeft gestolen off hij geve, kortentijd daarna bij de plaats van aen burger Cornelis van Nieuwkerken des nagts uijt de Kraal Ses ossen en omtrend 14. dagen daarna october Compareerende zegt dat 2. kalkoenen van de plaats heeft niet de geve, maar wel gestolen en wie hem geve, daarin voorsz: Cupido Pieter heeft geholpen . alias en dan nog twee bengens van bierman in name october en Aovbr: daarbij praesent geweest zijn. Capido zegt dat de geve, niet meede geweest is maar wel Pieter en voorts als koctober gezegd heeft. zegt na de hanglip in hun waar heen hij geve, die ses ossen nest en door hun te gebragt en wat daarmeede gedaan zamen geslagt en gegeten heeft zegt Ia. 12. off hij geve, beneevens zyne makkens daarop door een Commando burger zijn verjaagd geworden zegt hij geve, niet maar wel supido van de wed. dreijer Pieter van de heer Carn¬ Spek en alias van M Eksteen. nd 10. zegt Za: zegt daar niet van te weten Off hij geve, ook iets tot zyn zegt niets tot zyn verschoning te weten verzoekende verschoning weet bij tebrengen . alleen pardon voor deeze reijse. Aldus gedaan en beantwoord aan Cabo de goede hoop den 22. Maij 1786: voordE hs, Chris tiaan Ludolph Neethling en Joh„s matthius Bletterman leeden uijt den E. agtb: raad van Iustitie voorm: die de minute deeses benevens de geve, ende mij Secret gezwd- Clercq meede be„ hoorlijk hebben onderteekend /: Lager :/ 't welk ik getuijge /:was geteekend:/ R Jvd Riet gesmd: Clercq. Articulen gedaan maken en aan Compareerde voor ons onder heere gecommitt„s uijt den E: achtb: getekende gecommitt„ uit den raad van Iustitie deezes gou E. Achtb: raad van Justitie deezes gouvernements den vernements overgegeeven omme slaaf fortuyn van banda, daarop ter requisitie vanden Landdrost van Stellenboorh en dewelke op de aan hem drakensteijn Hendrik Lodewijk voorgehoudene vraagpoinc „ten zodanig g antwoord Bletterman gehoorden onder heeft als bezeyden een vraagd te worden den slaat ijaer derzelve staan fortuijn van Banda toebehoo„ aangetekend. — rende den burger Jan bierman zullende desselvs te geevene resp„e in margine deeser moete worden bekend gesteld- /:onderstond./ 14. off hij geve, weet dat alle dieveren en brake ongeoorloofd en ten hoogsten Strafwaardig is! A 13. Op hy geve, korten tyd daarna na de Knoflooks kraal is gegaan en wie hem geve, derwaards heeft vergezeld. „ zegt forthuijn van banda omtrend 40 Jaren zegt van Jan Bierman wan eer en om welke reeden hij zegt zedert een groot Iaar dat hij ossen heeft opge is opgedrokt past en toen gedroot is. legt zyn meede slaaf Noots Off er ook meerdere slaven met met hem opgedrost te hem gede, opgedrokt of geduurende zijn en toen gerencontreerd zijn opdrossen bij hem gekomen te hebben/ Cupido; zijn october, Pedro vandE. Carnopek, Alias van M. Eksteen, Bampie slavin van Pieter redeen, Carolus van Jacobus Louw. — zegt eerst in de houtbaaij by waar ter plaatze hij geve geduu zijn Lijtheere plaats en rende zijn opdroppen zig heeft vervolgens by de tavel opgehouden. berg vandaar nade hanglip en Kogelbaaij off hy geve, nu omtrend Een Jaar zegt neen. dan wel inde maand Iunij ofte Compareerde de meede Julij des gepasseerden Jaars Egeve, Cupido dewelke op zekeren nagt nade plaats betuygde dat de geve zig altoos teruij zijne vanden burger Ian Otto twee makkers in't steele paarden heeft gestolen en wie hem waren in hun verblijk geve, daarin is behulpzaam heeft opgehouden! geweest. zegt neen. Off hij geven voor nu omtrend ses â Seenen maanden, geleeden op zeekere nagt rade plaats van den oud Leemraad willem Morkel d'oude zig begeeven en aldaart vengster van't molenhuijs opengebrooken, en vervolgens daaruit gestolen hebben Twee zagen, twee Snijpmessen Een handbijl, Een houtbijl wiens LijfEygen hij is 't 2. plaats des ged, naam,/ ouderdom en geboort N 1. 4 3. 1 te zegt dat hij zelfs wederna zijn zi theer is terug gegeeven 9 zegt Neen terwijl hy niet off hij geve, ook iets tot zijn anders gedaan heeft verschoning weet in te brengen als van zyn lyfkeer twee gestolen schapen gegeeten te hebben. Aldus gevraagd en beantwoord mitsg„s de geven wederom voorgeleeden dewelke betuygde daarbij te blijven persisteeren van Cabo die goede hoop den 18 april 1786. voordEh„s gerrit Hendrik Cruijwagen, en Joh„s Srmits Leeden uijt den E. agtb: raad van Iustitie voor die de minute deezes beneevens de genezende mij secretaris meede behoorlijk hebben onderteekend: /. Lager:/ 't welk ik getuijge /:was geteekend:/ C. van Aerssen Le Cret= Compareerde voor ons Articulen gedaan maken, ondergetekende gecommitt, en aan Heeren gecommitt„s uijt den E. agtb: raad van uijt den E. agtb: raad van Justi Justitie deezes Gouver deeses gouvernements overge nements den Plaat No„ geeven omme daarop ter vember vande Caab dewelke requisitie vanden Landdro op de nevensstaande vragen van Stellenbooch en draken„ zodanig g antwoord heeft Steijn Hendrik Lodewijk als beseiden een ijaer derzelve aangetekend Bletterman gehoord te worden staat. den slaat Novbr: van de Caab zullende desselvs te geevene respe in margine dezer behoorlik moeten werden bekend gesteld. of hij geven beneevens zijne meede „makkers daarop door eene Commando burgeren zijn ver„ jaagd geworden. Een omslag boor, Een passer, Een duijmstok, twee thuijn scharen Een kopere kookketel, twee Schootsvellen, twee Scharen H 8.
English
says that he, the prisoner, and Pieter broke open the mill there and stole from it. A 1. The prisoner's name, age, and place of birth. Whose slave he is. When and for what reason he absconded. Says about eight months ago, because his master had beaten him for staying out too late with the wagon. Whether any other slaves absconded with him, or came to him during his desertion. Says that he absconded with Forthuijn and encountered Pieter belonging to the Honorable Carnspek, who brought him, the prisoner, to Hanglip, and there said he was a boy of Daniel Dego, where they found Cupido, October, Rampie, and Alias of M. Eksteen, and Felix of Jan Savocade. Where he, the prisoner, stayed during his desertion. Says at Hanglip. Whether he, the prisoner, about one year ago or in the month of June or July of the past year, on a certain night, stole two horses from the place of the burgher Jan Otto, and who assisted him, the prisoner, therein. Says no. Whether he, the prisoner, about six to seven months ago, on a certain night, went to the place of the former Heemraad Willem Morkel the Elder, and there broke open the window of the mill house and stole from it two saws, two drawing knives, a hand axe, a wood axe, a brace drill, a compass, a folding rule, two pairs of household scissors, a copper cooking kettle, two aprons, two pairs of shoes, alongside the said goods. Says as before. Who assisted him, the prisoner, in stealing the aforementioned goods. Says no. Whether he, the prisoner, at different nights stole from that place of the said Morkel some poultry, and on a certain night stole three draft oxen from the kraal. Says that Cupido, Job, and Alias of M. Eksteen, and October of van Blerck stole the six oxen, and that he, the prisoner, wanted to prevent it. Whether he, the prisoner, shortly thereafter, at night, stole six oxen from the kraal at the place of the burgher Cornelis van Nieuwkerken, and about 14 days thereafter stole two turkeys from the place, and who helped him carry out those thefts. Where he, the prisoner, brought the aforementioned six oxen, and what he did with them. Says that he drove the oxen along the beach to Hanglip. Whether he, the prisoner, together with his fellow deserters, was thereupon chased away by a commando of burghers. Says yes. Whether he, the prisoner, shortly thereafter went to Hanglip, and who accompanied him, the prisoner, thither. Says that he went nowhere else, but went directly home. Whether he, the prisoner, knows that all thefts and break-ins are unlawful and highly punishable. Says he knows this well, and therefore wanted to prevent the others. Whether he, the prisoner, knows anything to put forward in his defense. Says as before. Says November of the Cape, aged circa 24 years. Says of Jan Bierman. Thus questioned and answered, and read out to the prisoner, who testified to persist therein, at the Cape of Good Hope on 18 April 1786. Before the Honorable Gerrit Hendrik Cruijwagen and Johannes Smits, members of the Honorable Court of Justice aforesaid, who have duly signed the original of this together with the prisoner and me, the Secretary. Below: which I testify, was signed: C. van Aerssen, Secretary. Articles drafted and delivered to the undermentioned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, in order to hear and interrogate thereon, at the requisition of the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Hendrik Lodewijk Bletterman, the slave Pieter, whose answers to be given shall be duly recorded in the margin hereof. Appeared before the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government the slave boy Pieter, who answered the adjacent questions as noted beside each. Number 1. The said prisoner's name, age, and place of birth. Says Pieter of Manado, aged by estimate 30 years. Whose slave he is. Says slave of the former Burgher Councilor, Mr. Johannes Carnspek. When and why he absconded. Says nearly four months ago, and because he could not get sufficient food, and for that reason had also asked his master to be sold. Whether any other slaves absconded with him, the prisoner, or came to him during his desertion. Says he absconded alone, and during his desertion five boys were only with him, and that he had not wanted to join them, but that the boys of Bierman forced him, the prisoner, to go with them by throwing rocks, and that he, the prisoner, stayed with them for one day, and subsequently left them.
Dutch transcription
zeyt dat hy gene, en Pieter de molen aldaar open gebroken hebben en daaruyt gestolen hebben. A 1. des gev: naam ouderdom en geboorte plaats wiens Lyflygen hij is wanneer en nu welke reeden hij is zegt omtrend voor agt maanden om redenen zyn Lyfheer hem opgedrost had geslagen dat hy te laat was uijtgebleenen met de wagen. zegt met forthuijn te zijn off er ook meerdere slaven met hem opgedroot en te hebben opgedrost of geduurende zijns ged: geren contreerd Pieter opdrossen bij hem gekomen zijn 't van d'E. Carnspek dewelke hem geve heeft gebragt bij de hanglip en aldaar heeft gezegt een Ionge van daniel dego te zijn waarzijt: hebben gevonden Cupido, october, Rampie en alias van m. Ekstee Felix van Jan Savocade. — zegt aan de hanglip. zegt Meen nevens gem: goed off hij gene, voor nu omtrend Ses a seeven maanden geleeden op zekeren nagt na de plaats van den oud Heemraad Willem Morkel d'oude zig begeeven, en aldaar 't vergster vant molenhuis opengebroken en daaruijt gestoolen heeft! Twee Sagen, twee Snymesjen, Een handbijl een houtbijl, Een omslag boor, een passer, een duijmstok off hij geve, nu omtrend Een Iaar dan wel inde maand Junij ofte Julij des gepasseerden Jaars op zeekere ragt op de plaats vanden burger Jan Otto twee paarden heeft gestolen en wie hem geve„ daarin is behulpzaam geweest waar ter plaatze hij gene, geduu rende zijn opdrossen zig heeft opgehouden. zegt november van de Caab : oud Circa 24. Iaren. zegt van Jan Bierman. ren 8 O zegt als vooren Zegt Meen zeyt dat supido, Iob, en alias van M. Eksteen en october van van Blerck de ses offen hebben gestolen, en dat hij geve zulx heeft willen beletten. zegt langs strand na de hang Lip hy de ossente hebben gejaagd. zegt Ia. zegt dat hij voorts vergens meer geweest is maar zig voorts direct na huijs begeeven heeft. zegt zulx wel te weten en het Off hij geve, meet dat alle dievereyen daarom de andere te hebben en brake engeoorloofd en te hoogst willen beletten. Strafwaardig is 14. zegt als vooren. Aldus gevraagd en beantwoord mitsg„ dengeven 1 Off hij gene, ook iets tot zyn verschouin weet intebrengen Off hij geve, korten tyd daarna na de hanglip is gegaan, en wie hen geve, derwaards heeft vergeseld. off hij geve, beneevens zyne meede wackers daarop door een Comman burgeren, zyn verjaagd geworden 12. waar heen hij geve, de voorsz ses oppen gebragt en wat daarmeede gedaan heeft. op hij geven kortentijd daarna bij de plaats vanden burger Cornelis van Nieuwkerken des nagts uijt de Craa Ses ossen, en omtrend 14. dagen daarna twee Calkoenen van de plaa heeft gestoolen, en wie hem die diefsta heeft helpen ter uytvoerbrengen. op hy geve, tot differente regten aldaar ter plaatze van ged„e mo„ kel eenig pluijm nee en op zekere nogt drie trek ossen uijt de Craa heeft gestolen Twee thuijs Scharen, Een koopere ko ketel, twee Schoots vellen, twee scho Ab 2. wie hem geve, by het steelen den voor goederen is behulpzaam geweest . 11. 18 „ voorgeleesen dewelke betuygde daarbij te blyven per sisteeren aan Cabo de goede hoop den 18 april 1786. voord' Ed gerrit Hendrik Cruijwagen en Johs Smits Leeden uijt den E. agtb: raad van Iustitie voorm. die de minute deezes beneevens de gene„ ende mij secretaris meede behoorlijk hebben onderteekend /:Lager:/ 't welk ik getuijge /:was geteekend:/ C. van Aerssen Secretaris: Articulen gedaan maken en aan Compareerde voor ensonder H. gecommitt, uijt den E. agtb: raad van geteekende gecommitt„ uit de Iustitie deeses gouvernements E: agtb: raad van Justitie overgegeeven, omme daarop ter deeses gouvernements de slave requisitie van den Landdrost Jongen Pieter dewelke op van Stellenbosch en drakensteyn de nevensstaande vragen zodanig g'rantwoord heeft als Hendrik Lodewijk Bletterman beseijden een ijer aangetekend gehoord en ondervraagd te worden den Slaaf Pieter zullende desselvs te geevene antwoorden in mangine deezen behoorlijk moeten worden bekend gesteld. staat. zegt Pieter van Manado oud na gissing 30. Iaren. Plaats zegt slaaf van den oud burger wiens Lijt Eijgen hij is raad de heer Loh„s, karn spek — zegt bijne vier maanden en om wanneer en waarom hij is opge drost dat hij niet nagenoegen spijze kon bekoomen, en om die reede ook zin Lijtheer versogt had verkogt te worden. off 'er ook meerdere slaven met zegt alleen opgedrost te zijn hem geve, opgedrost of geduu„ en geduurende zin op„ drossen vijf- sorgens rende zijn opdrossen, bij hem bij hem alleenlijk geweest gekoomen zijn zijn en dat hij zig bij hun niet had willen vervoegen maar dat de Iongens van bierman met het smijten van klip steenen hem geve, gedwongen had met hun mede te gaan, en dat hij gen, een dag bij hun gebleeven was, en vervolgens zig van hun begeeven had. N 1. des ged, naam, ouderdom en geboorte aa byde van Cnaa blaa fste 2 3.
English
Lapses. says no. says behind the Table Mountain says during his absence to have stolen nothing, and also not to have been in that region. the mentioned Cupido and October say to the prisoner to his face that he was also around Hangklip, but not at the place of Otto. the prisoner says not to know the places here, believing that everything was behind the Table Mountain. says Arent. says no; never to have been at the place of the mentioned Morkel. the boys Cupido, October and Felix say to the prisoner to his face that he was also present at the stealing of the oxen. says now to have indeed gone along, but to have been seduced and drawn along by the other boys. Lapses. says no, and that the prisoner, after he had been with the boys Cupido, October and some other boys for two months, got separated from them, and that during the two months nothing was ever stolen by the boys or one of their gang with his knowledge, and that he was finally taken prisoner around the Table Mountain. Lapses. says to know that such is evil, and to have only stolen some vegetables here in the Cape gardens to satisfy his hunger. says as before to article 6. whether the prisoner, now about a year ago, or else in the month of June or July of the past year, on a certain night, stole two horses from the place of the burgher Jan Otto, and who assisted the prisoner therein. 5. whether the prisoner, about six to seven months ago, went to the place of the former Heemraad Willem Morkel and there broke open the window of the millhouse and stole from it: Two saws, two drawknives, a hand axe, a wood axe, a brace, a pair of compasses, a foot rule, two garden shears, a copper cooking kettle, two aprons, two scissors; who assisted the prisoner in stealing the said goods. 6. whether the prisoner, at different times there at the place of the mentioned Morkel, stole some poultry, and on a certain night stole three draft oxen from the kraal. 7. whether the prisoner, shortly thereafter, at night, stole six oxen from the kraal at the place of the burgher Cornelis van Nieuwkerken, and about 14 days thereafter two turkeys from the place of Morkel, and who helped the prisoner to carry out that theft. 8. whether the prisoner, shortly thereafter, went to the place the Knoflooks Kraal, and who accompanied him thither. 11. where the prisoner took the six oxen and what he did with them. 12. where the prisoner stayed during his desertion. 13. whether the prisoner, along with his comrades, was thereupon chased away by a commando of burghers. 14. whether the prisoner knows that all thefts and housebreaking are unlawful and punishable in the highest degree. 15. what the prisoner knows to put forward for his excuse. Thus interrogated and answered, and having been read out again to the prisoner and affirmed by him to persist therein, at the Cape of Good Hope, the 22nd of May 1786, before the gentlemen Christiaan Ludolph Neethling and Johannes Mathias Bletterman, members from the Honorable Court of Justice aforesaid, who have duly signed the original of this along with the prisoner and me, the Secretary. Below: Which I testify. Was signed: C. van Aerssen, Secretary. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, the slave Jan van Bengalen, who has answered to the adjacent questions as is recorded beside each of the same. says Jan van Bengalen, about 25 years old. says of Arend van Wieling. says about 3 months ago, because the servant did not treat him and his comrade Anthonij well. says with his comrade Anthonij. says to have stayed in the dunes, and around the place of Krige. says October and Cupido in the front dunes, and Maij was fetched by his fellow prisoner Anthonij. says yes. says that two Hottentots were lying under the same. Articles drawn up and given to the gentleman commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, to hear the slave Jan van Bengalen thereon at the requisition of the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Hendrik Lodewijk Bletterman. The responses to be given by him shall be properly recorded in the margin of this. the interrogated person's name, age and place of birth. 1. whose slave he is. 2. when and for what reason the prisoner deserted. 3. whether the prisoner deserted alone or with other slaves. 4. where the prisoner stayed most during his desertion. 5. whether and where the prisoner met the slaves October, Cupido and Maij. 6. whether the prisoner, about two months ago, went with his aforesaid fellow prisoner to the place of the burgher Cornelis van Nieuwkerken. 7. whether a wagon stood there in front of the dwelling house and whether there also. 8.
Dutch transcription
Vervalt. zegt neen. zeyt agter de tavelberg zegt geduurende zin absentie off hij geve, nu omtrend een Daar niets gestolente hebben, dan wel inde maand Junij ofte en ook indie Contereij Iulij des gepasseerden Iaars op niet geweest te zijn. zekeren nagt op de plaats vande de ged„ Cupido en october burger Jan Otto twee paarden zeggen degev, infacie aan heeft gestolen en wie hem geven dat hij meede omtrend daarin is behulpzaam geweest de hang Lip geweest is egter niet op de plaats van otto deger, zegt de plaatsen hier niet tekennen vermeenende dat alles agterde tavelberg geweest is zegt Arent off hij geve, voor nu omtrend Ses àsenen maanden, geleeden nade plaats van de oud Seemraad Willem morkel zig begeeven en aldaar 't vengster van't molenhuijs opengebroken en daaruijt gestoolen heeft. Twee sagen, twee Snijmessen, Een handtje Een houtbijl, Een onslagboor, Een passer Een duijmstok twee thuijn Scharen Een kopere kookketel, twee schoots vellen, twee scharen mie hem geve, bij't stelen dergemelde goederen, is behulpzaam geweest zeyt neen; nooijt op de plaats off hij geve, tot differente reijsen aldaar ter plaatse van gem: mork eenig pluijmvee, en op zeekeren nagt drie trek ossen uijt de Craal heeft gestoolen off hij geve, kortentyd daarna by de de Iongene, Capido, october en felix plaats van den burger Cornelis van zeggen de ged, intarie aan Nieuwkerken des nagts uijt de knaal dat hij meede is geweest Ses ossen en omtrend 14. dagen daar bijt steelen der ossen. zegt thans wel meede gegaan. twee kalkoenen vande plaats van Morkel geweest te zijn. waar ter plaatze hij geve, geduurende zijn opdrossen zig heeft opgehouden heeft M 5 6. ƒ 8. 10 heeft gestolen, en wie hem die dief waar daartoe verleijd en Stal heeft helpen ter uytvoer meede getrocken te zijn door de andere Iongens brengen Vervald. off hij geve, beneevens zijne meede zegt neent en dat hij geve, na dat hij twee maanden makkers daarop door een Comman bij dee Iorgens Cerpido „do burgeren zijn verjaagd geworden october en eenige andere Jorgens geweest was van hun was afgeraakt en dat geduurende de twee maanden nooyt door de Iorgens ofte een van hun Complot met zijn weten„ gestolen is geworden, en dat hij eijndelijk omstreep de tavel berg is gevangen genomen. Vervalt! zegt te weten dat zulx quaad is off hij geve, weet dat alle dieveneije en brake ongeoorloofd en ten hoog en alleenlijk eenige groen sten Strafwaardig is tens gestoolen te hebben alhier in de Caabsche tuijnen om zijn horger te stellen zeyt als vooren op art: O. Aldus gevraagd en beantwoord mitsg„s de geve, weder voorgeleesen wesende en door hun betuygd daarbij te blijven persisteeren aan Cabo de goedehoop den 22. Maij 1786: voorde Heeren Christiaan Ludolph Neethling en Ioh, mathias Bletterman Leeden uijt de E. achtb: raad van Iustitie voorm:, die de minute deezes beneevens de geve, ende mij Secretaris meede behoorlijk hebben ondertekend /: Lager:/ 't welk ik getuijge. /:was geteekend:/ C. van Aerssen Secretaris 15. wat hij geven tot zijn verschoning weet bij te brengen d' /:onderstond:/ off hij geve, kortentijd daarna na de plaats de Kroflooks Knaal is gegaan, en wie hem derwaards heeft vergeseld N: 11. waar heen hij geve, de ses ossen gebragt en wat daarmeede heeft gedaan „ 13. 14 12 Compareerde voor ons onder Articulen gedaan maken en aan geteekende gecommitt„s uyt den heeren gecommitt„s uijt den E. agtb: r van Justitie deezes gouvernement E. agtb: raad van Iustitie omme daarop ter requisitie van deezes gouvernements den den Landdrost van Mellenbonh Slaat Ian van bengalen en drakensteijn Hendrik Lodewik „dewelke op de nevensstaande vragen zodanig of antwoord Bletterman gehoord te worden heeft als bezeijde een ijder aen Slaaf Ian van bengalen derzelve aangetekend staat. Zullende desselvs te geevene resi in margine deser behoorlyk worden bekend gesteld. zeijt Aan van bengalen omtrend 25. Jaar oud. zeijt van Arend van wielig' wiens Lijtbijgen hij is:'t wanneer en om welke reeden hij zeijt voor omtrend 3 maanden geve, is opgedrokkt emdat de knegt hem en zijn makker anthonij niet wel trecteerde. zegt met zyn makker off hij geve, alleen of met andere slaven is opgedrost zegt inde duijnen zig opgehouden waar hij geve, geduurende zijn op te hebben, en omtrend de drossen zig het meest heeft opge plaats van Krigo. houden. zeijt october en Cumido en de voor off en waar hij gene, de slaven duijnen en maij door october, Cunido en maij heeft aange zijn meede geve anthonij trosfen afgehaald te zijn. zegt Za zegt dat twee kotten totten ende off aldaar een wagen voort woon dezelve te hebben geleegen huys heeft gestaan en of daarook off hij geve, voor nu omtrend twee maanden geleeden zig met zijne voorsz: meede geve, heeft begeenen rade plaats vanden burger Cornelis van Nieuwkerken 2. des gest naam, ouderdom en geboorte plaats Ab. 1. Anthonij 4. 6. ƒ. 8. x
English
says that he and Cupido, says that October broke it open, says Yes. says the clasp-purse, the shoe buckle, says Yes, broke open, whether he, the prisoner, and his companions found therein the following goods, namely: A silver woman's clasp-purse, a pair of shoe buckles, a pair of gold earrings, a black silk gown and apron, a yellow chintz jacket and skirt, a ditto white ditto, a white chintz skirt, a ditto ditto with a border, three women's shirts, three men's ditto, six white cloths, a hat, a black pair of trousers, a ditto waistcoat, two knitted caps, two razors, and some small change of clothing; which goods he, the prisoner, obtained for his share, as well as 6¼ rixdollars in silver money, a pair of gold earrings, a shirt, a striped jacket. 13. To show the prisoner the silver clasp-purse and shoe buckles, as well as the 6¼ rixdollars in silver coin, and to ask him: whether these are the same silver clasp-purse and buckles, as well as cash, which he, the prisoner, together with his companions, stole from the chest. says: having then broken open the chest together. 10. some people were lying upon, beside, or under the wagon. A. Whether he, the prisoner, and his fellow companions stole the rearmost chest from the same wagon, and subsequently carried it some distance away. 12. 11. says Yes. says no, Adam said that they would come. 14. says under the rocks in the bushes, without being able to point them out, because of the dark night when they hid it. Where he, the prisoner, and his companions left the remaining goods. Whether he, the prisoner, with his aforementioned companions, went afterwards to the farm of the burgher Jan Krijg, and what they did there. says Yes, because the slaves of Krijg agreed to go along with them. says no. Lapses. former fellow slave always had something to do there. says Yes. says Yes. to stab him. says Yes, though not he, but Cupido, and Cupido standing in front of him, whether he, the prisoner, held the Hottentot from behind, and whether they did not intend to kill the Hottentot. whether they, the night before their capture, when they went out of the kitchen of the slave house, discovered a Hottentot. 22. Whether they, receiving no answer, went from there to the slave house. Whether the fellow prisoner, Maij, in the kitchen, did not call out: Adam, Adam? Whether they subsequently that night did not observe a commando there at the place of the said Krijg. says because Anthonij with his repeated journeys had been to the same place, and had even gone into the kitchen of the dwelling house. If not, why they went repeatedly to the same place and even entered the kitchen of the dwelling house. If so, who spoke of it first, and how this was to be put into effect: whether they made an agreement with one another to kill Krijg and his wife. 15. 16. 17. 18. 19. 20. 21. 23. says as before. says to have said so all together. says Yes. says Yes. says Yes, Cupido said they would buy a musket for the Hottentot. says Yes. Whether they then went together to the farm of the burgher Naude, and intended to steal a sheep there, but because daybreak arrived, abandoned their intention. Whether they, having gone into a forest on a certain height, then asked the Hottentot Jan if he could shoot well, and if he could show them the way to Kaffirland, and whether that Hottentot replied Yes to this. Whether they thereupon promised the Hottentot to go to the Cape, and on arriving there to give him, the Hottentot, money to buy a musket. 28. Whether Maij then said: do not kill him, but let him go along as a comrade. 24. Whether Cupido took up his assegai and wanted to stab the Hottentot with it. 25. Whether the said Hottentot thereupon said: I have also deserted, I wanted to steal grapes, then I was chased away and left my jacket and stick behind, and now I want to go along with you. 29. 26. 30. says that the Hottentot said so himself. says Yes. says Yes. says Yes. says: no. says no. says nothing, except that he wanted to seek food for himself and on that occasion found the chest. What he, the prisoner, has to offer in his defense. 34. Whether he, the prisoner, has also made himself guilty of further thefts, housebreaking, or murder or manslaughter. 35. Whether he, the prisoner, knows that all theft and breaking and entering is unlawful and highly punishable. Whether shortly after midday some men unexpectedly fell upon them and took them prisoner. 33. Whether the Hottentot Jan went some paces away from them into an adjacent bush to keep watch, in case any men should arrive. Whether they then lay down to sleep. 31. Whether they then said to the Hottentot that he, coming on the road with them, should shoot dead any Europeans who wanted to capture them. 32. 36. Underneath stood: Thus questioned and answered, and read out to the prisoner, who testified that he persisted therewith, at the Cape of Good Hope, the 18 April 1786, before the Gentlemen Salomon van Echten and Johannes Smuts, members of the Honorable Worshipful Court of Justice aforesaid.
Dutch transcription
zeit zat hij en Cuipido zeyt dat october het oppen zegt Ja. zeyt de beugeltas de schoengesp zeyt Zas gebroken heeft off hij geven en zijne wakkens daarin hebben gevonden, de volgende goederen als. Een zilvere vrouwe beugelties Een paard, schoengespen, Een paar goede oorknabben, Een swarte zeijde gon en tabelje Een geel Chitz Lakkie en rok, Eendo witte d„o Een witte Chitze rok, Een d„o d, met een rand, drie vrouwe hemden drie mans do, ses witte doeken Een hoed, Een swarte broek Eende, hembdrok, twee gebreyde mutsen twee scheermesjen, en nogeen weijnig verschoning! welke goederen hy geve voor zyn aandeel heeft bekoomen, mitsg„s 6¼ r zilver geld, een paargoude oorkrobben een hembd, een gestreept batje 13. den geve, de zilvere bengeltas en Schoengespen, metrgden de 6¼ rx zilvere munt te vertoonen en hem aftevragen. — of als is dezelve silvere beugeltas en gespen, mitsg„s Centanten dewelke hij geve, nevens zine makkers uijt 't kietje gestolen hebben. op zyt: te zamen 't kisje als toen opengebroken hebbend 10. eenige menschen op big of onder de wagen hebben geleegen A. off hij geve, en zijne meedemakkers van dezelve wagen't agterste kisse gestoolen, en vervolgens een End weegs weggedragen hebben. e n een oorte ge ge ge 12 ƒ 11. zegt Ja zegt veen adam heeft gezegd MC 14. zegt en derde klippen in de bosschen waarof hij geve, en zyne makkens zonder daarvan aanweij de overige goederen hebben gelaten zing te kunnen doen vermits de donkene nagt toen zij 't verborgen off hij geven met zyne eevengemelde zegt zal om dat de Hlaven mackers daarna gegaan is, nade van krigt afspraak plaats vande burger Ian Krigo genoomen hebben om meede te willen gaan en wat aldaar hebben verrigt zegt neen. vervalt. gewesene mede slave daar altoos wat te doen had. dat zy komen zouden zegt Zas zegt Ja. steken denzelve te hebben willen zegt zal dag niet hij maar cemido off hij geve, de kosten tot van agteren en Cunido van vooren hebben staande off zyl: des nagts voor hunne gevangenneeming wanneer zijlieden uijt deCembuijs van 't slavenhuijs gingen oitdekt hebben een kottentot 22. off zyt: geen antwoord bekomende vandaar na't slavenhuijs zijn gegaan. off de meedegeve, Maij in de Cembui niet geroepen heeft adam adam off zyt vervolgens des ragts aldaar 3 ter plaatze van geden krigt niet een Commando hebben vernomen. zeijt om dat anthonij met zijne zoo neen waarom zijt aan tot herhaalde reijsen op dezelve plaats geweest zijn en zelfs inde Cembui van't woonhuijs zig hebben begeeven. zoo zal mie daarvan 't eerst gesprooken, en hoedanig zulx zou worden int werk gesteld: off zij met elkanderen afspraak hebben genomen om krigt zin vrouw om't leeven te brengen ge 15. 16. 17. 18. 19 9 20. 21. 23. zeyt als voorens zeijt zulx alle tesamen, te hebben gesegd. zegt Za. zeijt zal zeet Jas Cupido heeft gezeyd een snaphaan voorde zeijt Zas off zyt: als toen te zamen gegaan zijn na de plaats van de burger Naude, en aldaar voornemens geweest zijn een schaap te steelen dog vermits redageraad doorbrak van hun voorneemen hebben af gezien off zyt: op zeekere hoogte zig in een bosch begeeven hebbende als toen aan den hottentot Ian hebben gevraagd of hij goed schieten konde, en of hij hunden weg vat Casterland zau kunnen aanwijsen en of die hottentot daarop gant woord heeft van Ja off zil: daarop de kosten tot beloofd hebben nade Caab te gaan en aldaar koomende hem hotten tot geld te hottentot te zullen kopen zullen geeven, om een snaphaan te koopen 28. Off als toen Maij gesegd heeft moet hem dan niet dooden, waarlaat hij als Cammeraad meede gaan. gehouden en of zyl: niet van voor neemen waren, den kosten tot om't leenen te brengen Nl 24 op Cupido zyn assegaaij opgenomen en den hasten tot daarmeede heeft willen steeken! 25. off gem: kosten tot daarop gezeijd heeft ik ben ook gedrosten wilde druijven steelen, toen ben ik verjaagd en heb mijn batje ende. steek gelaten Een nu wil ik met julluij meede gaan buy .. d 29. „ 26. N= 30. zegt dat de kotten tot zulx zelfs heeft gezegd. zegt Ia zeyt Sa. zegt Ia. zegt: neen. zegt veen. zeyt niets als spijze voor wat hij geve, tot zyn verschoning hem te willen zoeken en bij weet bij tebrengen die gelegentheijd de kist te hebben gevonden. /:onderstond:/ Aldus gevraagd en beantwoord mitsg„s degeven voor geleesen dewelke betuijgde daarbij te blijven persisteeren aan Cabo de goede hoop den 18 april 1786: voorde Heeren Salomon van Echten en Joh„s Smuts Leeden uijt den E. agtb: raad van Iustitie voormeld; die 34. off hij geve, zig ook van meerder dievereijen huijsbraak aan wel moord of doodslag heeft schuldig gemaakt 35. off hij gene weet dat alle dievereij en braak en geoorloofd en ten hoogsten strafwaardig is. off eeven na middag tijd eenige manschappen en verwagt hun overvallen, en hun gevangen genomen hebben 33. off den kostentot Ian zig eenige treeden, van hun in een daarbij staande bosch heeft begeeven om de wagt te houden, zoo daar eenige manschappen, mogten aankoomen. off zyt zy als toen hebben te slap gelegt 31. off zyt als toen aan hem kotsend hebben gesegt dat hij als aan met hun op weg koomende al wat van Europeesen hun gevangen wild neemen, zou hebben dood te schiek 32. 36.
English
Articles drawn up and delivered to the gentlemen commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, in order to examine the slave Anthonij of Bengal upon the requisition of the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, the responses to be given by him to be properly recorded in the margin hereof. There appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, the slave Anthonij of Bengal, who answered the adjacent questions as is recorded beside each of them. 1. The prisoner's name, age, and place of birth. Answers: Anthonij of Bengal, about 30 years of age. 2. Whose bondservant he is. Answers: Of Arend van Wielig. 3. When and for what reason the prisoner deserted. Answers: Since three months ago, because the foreman mistreated him while his master was not in the bath. 4. Whether the prisoner deserted alone or with other slaves. Answers: Says he deserted with Jan. 5. Where the prisoner stayed during his desertion. Answers: At the Hanglip, Kogelbaai, and Vischhoek and thereabouts. 6. Whether and where the prisoner met the slaves October, Cupido, Jan, and Maij. Answers: Says in the outer dunes he met Cupido and October, and subsequently went to fetch Meij. 7. Whether the prisoner, about two months ago, went with his aforesaid fellow prisoners to the farm of the burgher Cornelis van Nieuwkerken. Answers: Says that he, October, and Meij went there. 8. Whether a wagon stood there in front of the dwelling house, and whether any persons were lying on, near, or under the wagon. Answers: Says that Jan and Jan brought the chest from the wagon to them. 9. Whether the prisoner and his fellow companions stole the rear chest from the said wagon and subsequently carried it some distance away. Answers: Says as before. 10. Whether they broke open the chest together at that time. Answers: Says that October broke the chest open. 11. Whether the prisoner and his companions found the following goods therein, namely: A silver lady's clasp purse, a pair of shoe buckles, a pair of gold earrings, a black silk gown and apron, a yellow chintz petticoat, a white ditto ditto, a white chintz skirt, a ditto ditto with a border, three women's shirts, three men's ditto, six white cloths, a hat, a black pair of trousers, a ditto waistcoat, two knitted caps, two razors, and some small change of clothes. Answers: Says he saw a part of it. 12. Which goods the prisoner obtained for his share. Answers: Says nothing except having seen the buckle. 13. The silver clasp purse and shoe buckles, together with the six and 4 silver coins, being shown to the prisoner, and asking him: Whether this is the silver clasp purse and buckles, as well as cash, which the prisoner along with his companions stole from the chest. Answers: Says nothing. 14. Where the accused and his companions left the remaining goods. Answers: Says he does not know. 15. Whether the prisoner went with his aforementioned companions afterward to the farm of the burgher Jan Krige, and what they did there. Answers: Says he only went there to steal grapes. 16. Whether the prisoner was driven away from there and where he went. Answers: Says he was not driven away, from which he went away of his own accord. 17. Whether the prisoner subsequently returned to the farm of the said Krige and was taken prisoner there by two Bastard Hottentots. Answers: Says yes. 18. Whether the prisoner knows that all thievery and housebreaking is punishable to the utmost. Answers: Says yes. 19. What the prisoner knows to bring forward for his excuse. Answers: Says he ran away to satisfy his hunger. Thus questioned and answered, as well as read out to the prisoner, who testified to persist therein, at the Cape of Good Hope, the 18th of April 1786, before the gentlemen Gerrit Hendrik Cruijwagen and Johannes Smits, members of the Honorable Worshipful Council of Justice aforesaid, who have duly signed the original hereof together with the prisoner and me, the Secretary. Lower: Which I witness. Was signed: C. van Aerssen, Secretary. Interrogatories drawn up and delivered to the gentlemen commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, in order to examine the slave Meij of Mozambique upon the requisition of the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Hendrik Lodewijk Bletterman, the slave Meij of Mozambique being now the prisoner of the authorities, his responses to be given thereon to be properly recorded in the margin hereof. There appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, the slave Meij of Mozambique, who answered the adjacent questions as is recorded beside each of them. 1. The accused's name, age, and place of birth. Answers: Meij of Mozambique, estimated age 25 years. 2. Whose bondservant he is. Answers: Of Jan Krige. 3. When and for what reason the prisoner deserted. Answers: Says since two months ago, because his master had beaten him and he was led away by his fellow slave Anthonie. 4. Whether the prisoner deserted alone or with other slaves. Answers: Says he deserted alone, and was fetched by Anthonie and Jan. 5. Where the prisoner stayed during his desertion. Answers: At the Hanglip, Kogelbaai, and Vischhoek. 6. Whether and where the prisoner met the slaves Cupido, October, and Jan. Answers: Says in the outer dunes. 7. Whether the prisoner, about two months ago, went with his aforesaid fellow accused to the farm of the burgher Cornelis van Nieuwkerken. Answers: Says yes. 8. Whether a wagon stood there in front of the dwelling house, and whether any persons were lying on, near, or under the wagon. Answers: Says that Jan said so. 9. Whether the prisoner and his fellow companions stole the rear chest from the said wagon and subsequently carried it some distance away. Answers: Says yes; while the prisoner with Anthonij and October were looking for food, Cupido and Jan took that chest.
Dutch transcription
twee geweest zijnde Cupido Compareerde voor ons enderg: Articulen gedaan maken en aan heeren gecommitt„s uijt den E. agtb: raad gecommitt, uyt den E. agtb: raad van van Justitie deeses gouverne Iustitie deeses gouwernements over ments den slaaf, Anthonij gegeeven, omme daarop ter requisitie van bengalen, dewelke op den van den Landdrost van Stellenbosch :nevensstaande vragen zodanig endrakensteijn gehoord te worden g'antwoord heeft als beseid Anthonij van bengalen zullende des een ieder aangetekend staat. selvs te geevene responsiven in margine deeser behoorlijk worden bekend gesteld. omtrend 30. Iaren zegt van Arend van wielig dat de knegt terwijl zijn Lytheer nut bad was hem mishandeld had. Off hij gene, alleen of met andere zegt met Jan opgedrost te slaven is opgedrond t zegt aande hanglip, kogelbaaij waar hij geve, geduurende zijn en vischhoek en daaromstreex opdrossen zig heeft opgehouden off en waar hij geve, de slaven zegt inde voorduijnen Cupida october, Cupido Jan en Maij heeft en october en vervolgens Mheij te zyn gaan afhalen aangetreffen d. zeyt dat hij, octeben en Meij en dus off aldaar een wagen voor't woonhuijs heeft gestaan en of daar ook eenige Off hij geve, voor nu omtrend 2. maanden geleeden, met zijne voorsz weedeged„ zig heeft begeeven nade plaats van denburger Cornelis van Nieuwheuken wiens Lyt Eygen hij is zegt zedert drie maanden, om wanneer en om welke reeden hij geve, is opgedroad. zegt anthonij van bergalen oud des gev„e, naam ouderdom en geboorte A de minute deezes beneevens degeve, ende mij Secretaris meede behoorlijk hebben onderteekend. /:Lager:/ 't welk ik getuijge /:was geteekend:/ C: van Aerssen Secretaris — lap bij aa zijn i zegt Jak 6. 4. 2. plaats Zegt Niets zegt niets als de gesp gesien te en Ian, het kize van de menschen op bij of onder de wagen wagen bij hun gebragt hebben, hadden geleegen zegt als vooren. zeyt dat october 't kisjen heeft off zyt: te zamen als toen't kisen opengebroken opengebroken hebben 10. zegt een gedeelte daarvan gesien of hij geve, en zijne makkers daarin 3 hebben bevonden de volgende goeder te hebben als Een zilvere vrouwe beugeltas Een paarde schoengespen, Een paargand oorkrabben, Een swart zeide gon en tabelje Een geele Chitze saken rok; Een witte do„ d„o Een witte Chitze rok, Een d„o d, met een rand drie vrouwe hemden, drie mansd„ Zes witte doeken, Een hoed, Een swarten broek Eend, hemdrok twee gebreyden mutzen twee scheermessen, en nog een weijnig verschoning. welke goederen hij geve, voor zin van dee heeft bekoomen 13. de geve, de silvere beugeltas en schoen gespen mitsgs de zes en 4 r zilvere munt te vertoonen, en hemafte vragen. off dit is de zilvere beugeltasen gespens mitzgs Contanten, dewelke hij geve, nevens zijne makkers uijt het kisje gestoolen heeft waarof hij gedaagde, en zyne mak kers de overige goederen hebben gelaten. hebben. zegt zulx niet te weeten. M. 9. off hij geve, en zijne meedemakken van dezelve wagen 't agterste kige gestolen en vervolgens een Endwen gedragen hebben : 2. 14. A 15. zegt daar alleen natoegegaan te zijn omdruijvente zeyd te zijn, weggelopen em zyn hongen te stillen. steelen. zegd Ja. zeyd sas /:onderstond:/ Aldus gevraagd en beantwoord mitsg„s den geve, voorgeleesen dewelke betuijgde, daarbij te blyven persisteeren, aan Cabo de goede Hoop den 18. april 1786: voorde heere gerrit Hendrik Cruijwagen, en Joh„s Smits Leeden uijt den E: agtb: raad van Iustitie voorm:, die de minute deezes beneevens den geve, ende mij Secretaris meede behoorlijk hebben onderteekend /: Lager:/ 't welk ik getuijge /: was geteekend:/ C. van Aerssen Secretaris. — Compareerde voor ons onderget: Interrogatorien gedaan maken gecommitt„s uijt den E. agtb: raad en aan Heere gecommitt, uijt den E. van Iustitie deeses gouvernen agtb: raad van Iustitie deeses wents den slaaf Meij van gouvernements overgegeeven omme Mosambicque dewelke op de daarop ter requisitie vanden nevensstaande vragen zodanig Landdrost van stellenbooch en g'antwoord heeft als beseyd drakensteijn Hendrik Lodewijk een yder derzelve aangetee Bletterman gehoord te worden. kend staat wat hij geve, tot zyn verschoning weet intebrengen off hij geve, weet dat alle dievereije en huijsbraak is ten uytersten Strafwaardig off hij geve, vervolgens wederom ter plaatze van gem: krigd gekoomen en aldaar door twee bastaard Kottenlotten gevangen genoomen is zelven te zijn heen gegaan? werwaards zig heeft begeeven! zegt niet verjaagd waar uijt zig off hij geve, vandaar is verjaagd en off hij geve, met zijn eevengemelde makkers daarna gegaan is, rade plaats vanden burger Ian Krigo en wat aldaar hebben verrigt 't Rig yd e 18. 16. oud nagissing 25 Jaren plaats zegt van Ian Krigo. 3. zegt zedert twee maanden om wanneer en om welke reeden hi dat zijn Lijtheer hem geve, is opgedrost gelastijd had en door zyn meede slaaf Anthonie vervoerd te zijn zegt alleen te zyn opgedrost off hij geve, alleen of met andere slaven is opgedrokt en door Anthonie en Ian te zijn afgehaald. waar hij geve, geduurende zijn op zegt aande hanglip, kogelbaaij drossen zig heeft opgehouden en visch hoek. zeijt in de voorduijnen. zegt Ja zegt dat Jan zulx heeft gezegd. zegt Ia: terwijl hij geve, met an„ off hij geve, en zijne meede wakkers thonij en october kost van dezelve wagen 't agterste Rigen zogten hebben Cupido en gestolen en vervolgens een End wegge„ Aan dat kistje genomen dragen hebben off aldaar een wagen voor't woonhuijs heeft gestaan, en of daarook eenige wenschen op, bij of onder de wagen geleegen hebben off hij geve, voor omtrend twee O maanden geleeden, zig met zijne voorsz: meede ged„e heeft begeeven na de plaats van den burger Cornelis van Nieuw kerken Off en waar hij geve de slaven Cupido, october, en Aan heeft aan getroffen wiens Lijflijgen hij is zeijt Meij van Mosambicque des ged, naam, ouderdom en geboorte den slaat Meij van Mosambucque thans s' heeren geve, zullende desselvs daarop te geevene respe, in margine deesen moeten worden bekend gesteld Ab 4. „ 8.
English
says that October, Cupido and Jan broke open the chest itself, while he and Anthonij were standing by in the woods and rocks, and there looked for some food. 10. Whether they opened the chest together at that time, and whether the respondent and his comrades found therein the following goods, namely: A silver woman's clasp bag, a pair of shoe buckles, a pair of gold earrings, a black silk [goncentabelje], a yellow chintz jacket and skirt, a ditto white ditto, a white chintz skirt, a ditto with a border, three women's shirts, three men's ditto, six white cloths, a hat, a black pair of trousers, a ditto waistcoat, two knitted caps, two razors, and a little linen, as well as about one hundred rijxdollars in cash; says that he, the respondent, and Anthonij received nothing, but that Cupido and October divided everything. 11. Which of these goods he, the respondent, obtained for his share; to show the respondent the silver clasp bag and shoe buckles, as well as the six and a quarter rijxdollars in silver coin, and to ask him: 12. Whether this is the same clasp bag and buckles, as well as cash, which he, the respondent, together with his comrades, stole from the chest; says yes. 13. Where he, the respondent, and his fellow defendants left the remaining goods; says they hid them. 14. Whether he, the respondent, with his aforementioned comrades, went afterwards to the place of the burgher Ian Krigo, and what they did there; says yes. 16. Whether they made an agreement with one another to put Krigo and his wife to death, and how that was to be carried out, so that whoever of them first— says no. 17. If not, why they then went repeatedly to the same place and even entered the kitchen of the same dwelling house; says because the house slaves Jephta, Februarij, Adam, and two slave women had said that they had to come back because they also wanted to desert. 20. Whether he, the respondent, did not call into the kitchen on a certain night: "Adam, Adam"; says yes, having heard this from Adam. 21. Whether they subsequently at night did not perceive a commando of burghers there at the place of the said Krigo; says yes. 22. Whether they, receiving no answer, went from there to the slave quarters; says yes. 23. Whether they, the night before their capture, when going from the kitchen to the slave quarters, discovered a Hottentot; says yes. 24. Whether his fellow defendant Cupido held the Hottentot from the front and Jan from behind, and whether they intended to put the Hottentot to death; says yes. 25. Whether Cupido took his assegai and wanted to stab the Hottentot with it; answers as before. 26. Whether the aforementioned Hottentot thereupon said: "I have also deserted and wanted to steal grapes, then I was chased away and left my small bundle behind, and now I want to go along with you"; says that the Hottentot told them this. 26. Whether he, the respondent, then said: "You must not kill him, but let him go along as a comrade"; says that Cupido said let us stab him to death, but that the other defendants said they should not do that, because the aforementioned Hottentot could still guide them to the Kaffir country. 27. Whether they then went together to the place of the burgher Naudé and intended to steal a sheep there, but because daybreak arrived, abandoned their plan; says yes. 28. Whether they, having then gone to a certain height in a forest, asked the Hottentot Jan whether he could shoot well and whether he could show the way to the Kaffir country, and whether that Hottentot answered yes to this; says yes. 30. Whether they thereupon promised the Hottentot to go to the Cape and, arriving there, to give the aforementioned Hottentot money to buy a musket; says yes. 31. Whether they then told the Hottentot that, when on the road with them, he was to shoot dead anyone of the Europeans who wanted to capture them; says yes. 32. Whether they then lay down to sleep; says yes. Whether that Hottentot Jan went a few paces from them into a nearby bush to keep watch in case any men should arrive; says yes. 33. Whether just after midday some men unexpectedly fell upon them and took them prisoner; says yes. 34. Whether he, the respondent, has also made himself guilty of other thefts, housebreaking, or murder and manslaughter; says no. 35. Whether he, the respondent, knows that all theft and breaking and entering is unlawful and punishable in the highest degree; says yes. 36. Whether he, the respondent, can bring forward anything in his excuse; says that he did this for reasons as in Article 9 and to seek food. Thus interrogated and answered, as well as read out to the respondent, who declared that he persists therein, at Cabo de Goede Hoop, the 18th of April 1786, before the gentlemen Gerrit Hendrik Cruijwagen and Johannes Smits, members of the Honorable Worshipful Council of Justice aforesaid; who, together with the respondent and me, the Secretary, have properly signed the minute hereof. Below: Which I witness. Was signed: C: van Aerssen, Secretary. Whereas October of Madagascar, bondservant of the burgher Simon van Blerck, Felix of Timor, slave of the burgher Ian Lavocade, Pieter of Mandhar, slave of the burgher Councillor the gentleman Ian Barnspek, Anthony of Bengal, bondservant of the burgher Fire-Master Sr. Arend van Willig, each aged about 30 years, Jan of Bengal, slave of the aforementioned—
Dutch transcription
zeyt dat october Cupido en zan't zelve kisse hebben opengebroken gebroken, hebben terwijl hij met anthonij erbij zegt inde bosschen ende klippen zegt Za en aldaar wat spijze stond. AC 10. off zyt: 't kisje te zamen als toen open off zij geve, en zyne makkers daarin hebben gevonden, de volgende goederen als. Een zilvere vrouwe beugeltas Een paarde, schoengespen, Een paar goude oorsrabben. Een swarte zeyde goncentabelje Een geel Chitze sakkie en rok Een do„ witte d„o, Een witte Chitze rok, Eend„o„ met een rand, drie vrouwe hemden. drie mans d„o, ses witte doeken, Een hoed, Een swarte broek, Eend, hembdrok, twee gebreijde mutzen twee scheermessen, en een weijnig verschoning mitsgs omtrend Een hondert rijxd„s aan Contanten zegt dat hij geve, en anthonij niets welke goederen hij geve, daarvan voor gekreegen heeft maar dat zijn aandeel heeft bekoomen den geve, de zilvere beugeltas en schoe gespen, mitsg„s de ses en een quart rijxd„s silvere munt te vertoonen en hem aftevragen! off dit is dezelve beugeltas en gespen mitsg„s Contanten, dewelken hij geve, nevens zijne makkens uyt 't kissen gestolen heeft waarof hi geven en zyne meede ged„ de overige goederen hebben gelaten. 14. Off hij geve, met zijn eevengem: makkens daarna gegaan is na de plaats van den burger Ian krigo en wat aldaar hebben verrigt 16. off zyt: met elkanderen hebben afstaak genomen, om krigo en zijn vrouw om 't leeven te brengen. gezogt te hebben. zegt neen. dezelve te hebben verstoken zegt za. Van Cunido en october alles gedeeld hebben.. daro deesen d te rte zegt Ia dere aan e ve li huij g 13. 12. 11. vervalt. A. 17. zegt Ja. zegt Ia. zeijt Ia. van adam zulx te zoo neen waarom zyt dan tot der zegt omdat de huisslaven lephta haalde reijsen op dezelve plaats Februarij, adam, en twee geweest zijn en zelfs in't Combuijs slavinnen hadden gezegd van't zelve woonhuijs zig begeeren. dat zij moesten weerom koomen om dat zy meede wilde drossen. hebben gehoord. zegt Ja. zegt Ja. teit als vooren. zegt zal 25. off gem: kottentot daarop gezegt heeft ik ben ook gedrost en wilde druyke steelen, toen den ik verjaagd en heb mijn batje inde Steek gelaten en nu wil ik net jullin meede gaan! off Cupido zyn assegaan genoomen ende Lottentot daarmeede heeft willensteeken. off zijn meede ged, Cupido den hosterd van vooren, en Jan van agteren staande heeft gehouden, en of zyt: voornemens waren, den hottentot om 't leeven te brengen. off zyt: geen antwoord bekomende vandaar na 't Slavenhuis zyn gegaa 22. off zijt: den ragt voor hunne gevangen neeming wanneer uyt het Cembuys na 't slavenhuijs gingen ontdekt hebben een slotten tot 20. off hij geve, Meij op zekeren nagt inde inde Cembuijs niet geroepen heeft adam, adam Off zyl: vervolgens des nagts aldaar ter plaatze van gede, krigo niet een Commando burgeren hebben ver„ nomen sprooken, en hoedanig zulx zou worden in't werk gesteld. zoo Dat wie daarvan 't eerst ge„ 26 124. 3 1 21. 23. 24. zeyt Ia. zeyt Zer. zeyt dat de hotten tot hun zulx gezegt heeft. zegt Ja. N 26. zeyt dat supido gezegd heeft laten wy off hij geve, als toen gezeyd heeft hem dood steeken, dog dat moet hem dan niet nooden, maar de andere ged: hebben laat hij als Cameraad meede gaan. gezegt zulx niet te moeten doen, wijl gem: hottentot hun nog na't Catterland konde brengen. zegt Za. op zijt: als toen tezamen gegaan zijn nade plaats vanden burger Aaudé en aldaar voornemens geweest zijn Een schaap te steelen dog vermits den dageraad doorbrak van hun voorneemen hebben af gezien off zyl: op zeekere hoogte in een bosch zig als toen begeeven hebbende aande hotten tot Dan hebben gevraagd of hij goed schieten kon en of hij den weg na 't Casterland zou kunnen aanwijzen, en of dien kotten tot waarop g'antwoord heeft van Ja: 28. off zit: daarop aenhosten tot beloofd hebben nade Caat te zullen gaan en aldaar komende gem: hottentos geld te zullen geeven, om een snaphaan te koopen off zijz: als toen aanden kotten tot hebben gezeijt dat hij als aan met hun op weg koomende al wat van Europeesen hun gevangen wilde neemen zou hebben dood te Schieten off zyt: als toen te slapen hebben gelegt. off die hottentot Ian zig eenige treeden van hun in een daarbij staande bosch heeft begeeven omde wagt te houden zoo daar eenigen manschappen mogten aankomen zegt zal e en ee heeft Bruyken 32. 31. 30. Ee „ 27. zegt za. Zegt Neen Zegt Meen. Legt Neen 36. — zeyt dat hij zulx heeft gedaan op hij geve, ook iets tot zin verschonin om reedenen, als in weet intebrengen. art: 9. en om voedzel te zoeken Aldus gevraagd en beantwoord mitzgs aenged„ voorgeleezen dewelke betuygd daarbij te blyven persisteeren aan Cabo de goede hoop den 18 april 1786: voorde heeren gerrit hendrik Cruijwagen en Joh„s Smits Leeden uijt den E. agtb: raad van Iustitie voorm:; die de minute deezes beneevens de geve, ende mij Secretaris meede behoorlijk hebben onderteekend: /: Lager:/ 't welk ik getuijge /: was getekend:/ C: van Aerssen Secretaris. Nademaal october van Madagassar Lyteygen vande K burger Simon van Blerck Pelix van Timor Slaat van den burger Ian Lavocade, Pieter van Mainada slaaf van den burger raad de heer Ian Barnspek Anthony van Bengalen, Lijteygen vanden burger brand meester Sr Arend van willig ieder oud nagissing 30 Iaren, Aan van Bengalen, slaaf vande voormelde /:onderstond: 35. Off hij geve, weet dat alle dievereije en brake ongeoorloofd en ten hoogsten Strafwaardig is 34. off hij geve, zig ook aan meerdere dievereijen, huijsbraak van wel moord en doodslag heeft schuldig gemaakt. 34. off hy geve, zig ook aan meerdere dievereijen, huijsbraak van wel moord of doodslag heeft schuldig gemaakt. 33 A off eeven na middag tijd eenige man schappen en verwagt hun overvallen en hun gevangen genome hebbend.
English
burgher firemaster Sr Arend van Mielig. Maij of Mosambicque slave of the burgher Ian Krigo each aged about 25 years, Carolus of Madagassar slave of the burgher Iacobus Louw aged about 30 years, Damon of Bougies slave of the burgher Iacobus Bierman aged about 40 years, and October of Nias slave of the burgher Ian Bierman aged about 25 years, presently the lord's prisoners, have freely confessed and to the Honorable Court of Justice it has become evident. That the prisoners October of Madagassar and Felix of Timor together with Mentor slave of the burgher Ian Franke, Bampij female slave of the burgher Pieter Weijdeman, Fortuijn and November slaves of the burgher Ian Bierman, having deserted from their masters and gone to the Hanglip and having found there the also deserted slave Cupido of Ternaten belonging to the widow of the late burgher Thomas Dreijer, who having fallen ill in prison subsequently passed away, and on account of the thefts so numerously committed by him was dragged to the outer place of execution and buried there under the gallows. That the prisoner Carolus with the aforesaid Cupido and the still absent slave Job belonging to the widow Ekhard having gone to the farm of the burgher Dan Otto and having stolen two horses there out of the stable, were pursued the following morning by the aforesaid Otto and the burgher Ian Wilkens. That the aforesaid Otto, having then hit the said Job with a shot of chopped bullets, they nevertheless transported both horses to their place of stay without any of them being taken prisoner, nor that the aforesaid Job died from the wound he received. That subsequently the prisoner Pieter with the aforesaid November having gone to the farm of the former Heemraad Sr Willem Morkel, having broken open the millhouse there, had stolen therefrom two saws, a hand axe, two carving knives, a wood axe, a brace and bit, a compass, a ruler, two garden shears, a copper cooking kettle, two leather aprons, and two skates, which aforesaid goods, however, a short time later were all found again by a commando of burgers and handed back to the repeatedly mentioned Morkel. That after this theft had been committed, the aforesaid Mentor, Fortuijn, and November having returned to their respective masters were very severely punished in front of the prison, and Mentor and Fortuijn were riveted into irons, which punishment the Court thought to be proportionate to what they had committed, wherefore their Honors let the matter rest there and left them in chains for one year. That subsequently the prisoners Cupido, October of Madagassar, Felix, Pieter, and October of Nias, together with the still absent Iacob and Job, having gone to the farm of the burgher Cornelis van Nieuwkerken, had stolen six oxen there, but wishing to transport them to their place of stay at the Hanglip, on the way one of them plunged into the sea and another escaped from them, they having however eaten the remaining 4 partly together with the prisoner Damon. That the aforesaid prisoners Cupido, October of Madagassar, Felix, and Pieter together with the just mentioned still absent Job and Alias having thereupon gone to the Knoflooks Kraal and having seen there the unharnessed wagon of the burgher Arnoldus Pflock, at night when that man had fallen asleep, had broken open the rear wagon chest and stolen therefrom: three pieces of paper money currency, six pieces of silver money, three loaves of bread, and some powder and lead. And further from the wagon also a steenbok and a bag with pickled herring. After which the prisoners separated and became parted from one another, so that Cupido and October of Madagassar remained alone. That the aforesaid Cupido and October of Madagassar some time thereafter having gone to the farm of the former Heemraad Sr Johs Albs Meijburg, had there with great caution forced open, lock and all, the staple into which the hasp of the pad lock closes, and having stolen in two bags a schepel of flour, had driven the same staple back in again in such a way that no person at that place knew or noticed anything of that theft or break-in until the prisoners, being apprehended, the said bags marked with the name of the aforesaid Meijburg were found with them. That the said Cupido and October of Madagassar some time thereafter wishing to go hitherward had met in the outer dunes the prisoners Anthonij and Ian, whereupon they
Dutch transcription
burger brandmeester S„r Arend van mielig. — Maij van Mosambicque Slaat vanden burger Ian Krigo ieder oud nagissing 25 Iaren, Carolus van Madagassar Slaat van den burgen Iacobus Louw oud nagissing 30. Iaren, Samon van bougies Slaaf vanden burger Iacobus Bierman oud na gissing 40: Iaren. en october van Nias Lijteijgen vanden burger Ian Bierman oud na gissing 25. Iaren, thans s heeren geve, vrywillig beleeden hebben ende E: agtb: raad van Iustitie enident gebleeken is. Dat de gev„ october van Madagassar en felix van Timor beneevens mentor slaaf van den burger Ian Franke, Bampij Slavin vanden burger Pieter weijdeman, fortuijn en November Lykeygenen van den burger Van Bierman van hunne Lytheere opgedroot zijnde zig begeeven hebbende, na de hanglip en aldaar gevonden hebbende, den meede opgedrooten slaaf Cupido van Ternaten vande weduwe wijlende burger Thomas Dreijer dewelke in de gevangenis ziek geworden zijnde voorts overleeden en uyt hoofde der door hem zoo menigvuldig gepleeyde dief stallen na't buijtengeregt gesleept, en aldaar onder den galy begraven is. — Dat aen geve, Carolus met voorm: Cupido en den nag absent zijnde Slaaf Job: vande wed=e Ekhard gegaan zynde nade plaats vanden burger Dan Otto, en aldaar uijt destal gestoolen hebbende twee paarden, des anderendaags morgens agtervolgt waren door voorsz otto ende burger Ian wilkens. Dat voorm: otto als toen gem: Job met een schoot gekapt kogels hebbende getroffen, zijt: egter de beijde paarden na hun verblijf plaats hebben getransporteerd zonder dat een hunner gevangen genoomen, nog dat voorsz Job aan zijne bekoomene wonde, was komen „ te sterven. Dat vervolgens aeger, Pieter met voorsz November gegaan zijnde nade plaats vanden oud Deemraad S„r willem Morkel aldaar het molenhuijs gebroken hebbende, daaruyt gestoolen had Twee Lagen Een handbijl, twee Cnijmessen, Een houtbijl Een omslag boor Een passer, Een duijmstok twee thuynscharen, Een kopere kookketel, Twee Schoots„ vellen en twee Schaatsen welke voormy goederen er alle bben schuldig ste honin 37 7 echter alle weijnig tijds daarna door een Commando bengenen wederom gevonden en aan meerm: Morkel zin ter hand gesteld geworden. Dat na deese gepleegte diefte, voorm: Mentor fortuijn en November te rrug na hunne resp:e tijt heeren gekeert zijnde zeer Strengelijk voor't gevangenhuis afgestraft en Mentonen fortuijs in de bijters geklonken waren welke afstraffing den raad heeft gedagt evenredig te zijn met het geene zyd: misdreeven hebben, weshalven hun EE. Achtb: daarbij blijven berusten, en hunders een Daar inde ketting hebben gelaten. Dat vervolgens den geve, Cupido, october van Madagassar Felip, Pieter en october van Nias, nevens de nog absente Iacob en Job, zig hebbende begeeven na de plaats van den burger Cornelis van NieuwBerken, aldaar Ses ossen gestolen hadden, dog dezelve na hun verblijf plaats aande hang Lip, willende transporteeren, op weg een van dezelve in zee gestort en een ander hun entlopen was, hebbende zyt egter de overige 4. te zamen met den geve, damon, gedeeltelijk opgegeeten Dat de voorsz: gene, Cupido, october van Madagassar felix en Pieter nevens evengem: nog absent zijnde Tob en Alias daarop zijnde gegaan nade Knoflooks kraal, en aldaar hebbende zien uijtspannen den wagen vanden burger Arnoldus pflock, des nagts wanneer die man in slaap was geraakt 't agterste wagenkisje opengebroken en daaruijt gestoolen hadden. drie stuks papiere geld munt, ses stuks zilver geld drie brooden en wat kruijd en loot. En voorts van den wagen nog. Een steenbok en een zak niet pekelharing. waarna de ged, verdeeld en van den anderen zijn geraakt zoo dat Cumdo en october van Madagassar alleen zyn gebleven Dat voorn: Cupido en october van Madagassar eenige tijd daarna nade plaats van den oud Heemraad Sr Iohs, albs Meijburg zijnde gegaan, aldaar met veel omzichtigheijd de kramdaar't overwerp van't slangslot opsluijt, met slot en al opengebrooken, en in twee zakken, een schepel meel gestolen hebbende, dezelve kram wederom zodanig inge„ slagen hadden, dat aldaar ter plaatze geen mensch van die diefte ofte brake, iets geweezen of vernomen heeft als toen, wanneer de ged, g'apprehendeert de zeyde zakken met de naam van voors1 Meijburg gemerkt bij hun gevonden waren. Dat gem: Cupida en october van Madagassar eenige teijd daarna zig na herwaards willende begeeven, in de voorduijne hadden ontmoet de ged, Anthonij en Ian, wanneer Lijst zig 3
English
they had gone together to the poffertjies kraal of the burgher Dankrigd, having stolen some garden produce there together, after which they had returned to the Hanglip. That the said Cupido of Madagassar, October, Anthonij, Jan and Maij, having wandered around together for several days to seek food, had finally gone to the farm of the aforesaid Cornelis van Nieuwkerken, where, having seen a wagon standing in front of the dwelling house and finding two Hottentots lying asleep beneath it, the said Cupido and Jan nonetheless had the audacity to lift the rearmost small chest from the wagon; and to bring the same to the said October of Madagassar, Anthonij and Maij, who in the meantime had gone into the slave garden to seek fruits and vegetables. That the small chest, having then been broken open by the said Cupido, October of Madagascar and Jan, there was found inside: A silver lady's clasp purse, a pair of shoe buckles, a pair of gold earrings, a black silk gown and apron, a yellow chintz jacket and skirt, a white ditto ditto, a ditto chintz skirt; a ditto ditto with a border, three women's shirts, three men's ditto, six white cloths, a hat; a black pair of trousers, a ditto waistcoat, two knitted caps, two razors, a little clean linen, while the accused all say that they found no paper money therein, which, if it was indeed among it, the accused presume was in a packet that they mistook for letters, torn up and hidden away along with a large portion of the women's clothing in the woods and rocks, without the same having been able to be pointed out by the accused Jan, or found again, the accused Cupido and October as ringleaders and the accused Jan having taken a large portion of the aforesaid goods for themselves, whereas the said Anthonij and Maij had obtained nothing of the same. That the accused having thereupon gone to the Palmiete River, the said Anthonie had strayed from the rest and subsequently, having gone to the farm of Krigd, was discovered there by the slave Sephta of the aforesaid Krigd and taken prisoner with the help of two Bastard Hottentots present at the said place. That the said Cupido, October of Madagassar, Jan and Maij aforesaid, also having missed the accused Anthonie, had gone to the farm of the aforesaid Krigo, as some of the accused claim, in order to look for their comrade Anthonie, but as most say, to fetch the rest of the slaves [illegible] from the said Krigo; the accused Maij had gone through the back door of the dwelling house into the kitchen and there called to the slave Adam who usually slept there, where a Hottentot named Jan had been stationed at the time, and receiving no answer, had gone with the said Cupido, October of Madagassa and Jan, who were standing before the kitchen door, to the slave lodge. That meanwhile the aforesaid Hottentot Jan had gone around the outside to the front door of the dwelling house, and upon his knocking the house door being opened, the wife of the aforesaid Krigo was informed by the Hottentot that the runaway slaves were there, upon which the wife of the said Krigo ordered the Hottentot to go to her nearby living son-in-law, the burgher Daniel Loubert, and bring the same to his knowledge. That this Hottentot, under the supposition that the aforesaid accused were then in the slave lodge, going around the back of the same intending to make his way to the said Loubert, had discovered the accused Cupido and Jan. That the said Hottentot, at the sight of the just mentioned accused, having gone to lie down on his belly upon the ground, in the hope of not being noticed by them, both of the said accused nevertheless came upon him, whereupon having stood up, the accused Cupido threatened the Hottentot to run him through with an assegai, but upon the advice of the accused October and Maij, who had joined them in the meantime and who had been posted along the path to see if anyone was coming, and upon the pretext of the Hottentot that he himself was a runaway and, wishing to steal grapes, had been chased away and had even left his jacket behind in his flight, did not do so, but accepted the Hottentot as a comrade. That the accused Cupido, October of Madagascar, Jan and Maij, taking the Hottentot with them, had gone from the farm of the said Krigo to that of the burgher Van der Merwe in order to steal a sheep there, which had failed because dawn was breaking. That the accused, having walked through the entire night and consequently being very tired, had gone together to the side of the dunes, onto a certain height in a forest, and had lain down to sleep there, while the Hottentot under the pretext that if he remained lying with them, and Europeans should come, they would capture them all as runaways, but if they let the Hottentot go alone a little distance from them into a nearby bush, the Hottentot would then, in case Europeans should come, be able to pretend that he had been sent by their master, along with the accused whom he would say had laid down there, to search for oxen.
Dutch transcription
zig gesamentlyk hadden begeeven na de proflooks knaal vande burger Dankrigd aldaar te zamen eenige thuijn vrugten gestoolen hebbende vervolgens wederom nade hanglip waren gekeert. Dat zi get Cupido van Madagassar october, anthonij Aan enikaij eenige dagen met den anderen rondgesworven hebbende, om voedzee te zoeken zig eijndelijk hadden begeeven nade plaats van voorsz: Cornelis van Nieuw „kerken, alwaar tijt een wagen voor't woonhuijs heb„ „bende zien staan en twee hottentotten, daaronder slapende vinden leggen, de get: Cupido en Ian des niet tegenstaand de stontheijd hebben gehad om 't agterste kisje van de wagen te ligten; en hetzelve te brengen bij de ged: october van Madagassar, anthonij en Maij dewelke inmiddens in den Slaven thuijn vrugten en groentens waren gaan zoeken. Dat als toen door de ges„t Cupita october van Madagassar en Ian't kisje opengebrooken zijnde daarin bevonden was. Een zilvere vrouwe beugeltas, Een paard Schoengespen Een paar goude oorkrabben, Een swarte zeijde gou en tabelje Een geel Chitze jakkie en rok, Een witt d, 8, l, Een d„o Chitze rok; Een d. d, met een rand, drie vrouwen hemden drie mans d, Ses witte doeken, Een hoed; Een swarte broek, Eend, hembdrok, twee gebreyve mutzen, twee Scheermessen, Een weijnig Schoonlinnen terwijl zyt geve, alle zeggen geen papiere geld daarin gevonden te hebben, 't welk indient'er bij mogt geweest hebben, zij ged: praesumeeren in een pacquet 't welk zy voor brieven aangesien hadden, verscheurd en nevens een groot gedeelte van de vrouwe kleederen inde bosschen en klippen weg gestooken, te hebben, zonder dat dezelve door den geve„ Ian, hebben kunnen aangeweesen, of wederom gevonden worden, hebbende de geve, Cupido en october aengering ende geve, Aan een groot gedeelte vande voorsz: goederen na zig genoomen, waartegens de ged, Anthonij en Maij niets vandezelve bekoomen hadden, Dat zy ged„e zig daarop na de palmiete rivier begeeven hebbende de ges, Anthonie van de overige verdwaald en vervolgens nade plaats van krigd gegaan zijnde aldaar door de Slaar Sephta van voorsz: krigd ontdekt en met behulp van twee ter gem: plaatze ligbevin dende bostaard hottentotten gevangen genomen is. Dat de ged„ Cupida, october van Madagassar Ian en Maij voorsz meede geve Anthonie hebbende vermist na de plaats van voorsz: krigo zig vervoegd hadden, omgelijk eenige denger, voorgeeven, na hunne makker anthonie te zoeken dog gelik de meeste zeggen omde overige slaven goed. — van one Jacob gen stole lang zelve in de Zyt de n en ve b de van gem: krigo aftehalen, den geve Maij door de agterdeur van't woonhuijs zig begeeven had inde Cembuijs en aldaar den gewoonlijk daar slapende slaas adam toegeroepen hebben alwaar als toen een hottentot in name Ian geplaatst was, en geen antwoord bekoomende zig met de voorde Combuijs deurstaande ged: Cupido, october van Madagaga en Ian na 't Slavenhuijs had begeeven. Dat middelerwijl de voorn: Hottentot Ian buytenom nade voordeur van't woonhuijs gegaan, en op zijn aan„ kloppen de huijsdeur g'opend zijnde door hem Rottent aande huijsvrouw van voorsz: frigo was bekend gemaakt dat de drossende slaven aldaar waren, wanneer de vrouw van gem: krigo hem hottentot had gelast na haren daar na bij woonende Schoonzoon den burgerdaniel Loubert te gaan, en zulx denselven ter kennissen te brengen Dat dien hottentot inde suppositie dat de voorsz: ged: als toen in't slavenhuijs waren, agter het zelve om, zig na gem: soubert willende begeevende ged, Cupido en Ian had ant dekt 3 Dat dezelve Tottentot op het gezigt der evengem: ges, op zijn buijk op de aarde zijnde gaan Leggen, inde hoop van door hun niet te zullen worden bemerkt, dezelve beijde ged„ egter bij hunz: waren gekoomen als wanneer hij opgestaan zijnde, den geve, Cupido hem Pottentot had bedreijgd met een assegaaij over hoop te zullen steeken, dog op het aanraden vande intusschen bijgekoomene ged„e October en Maij dewelke aanden weg gepisteerd waren, om te zien of 'er ook iemand aankwam, en op het voorgeeven van hem hottentot dat hij zelve een drosser zijnde en druijve willende steelen verjaagd en zijn batje zelfs inde vlugt agtergelaten had, zulx niet gedaan maar hem hotten tot als een meede makker aangenoomen had. Dat de get Cupido october van Madagascar Ian en aij hem hottentot meede neemende vande plaats van gem: krigo nadien van den burger vande zig hadden begeeven om aldaar een schaap te steelen, 't geen hun vermits de dageraat doorbrak was mislukt. Dat de ged„e de geheelen nagt aoorgeloopen hebbende, en gevolge lyk zeer vermoeijd geweest zijnde, gezamentlyk nadekant vande duijnen, op zeekere hoogte in een bosch zig begeeven en aldaar te slapen hadden gelegt, terwijl de hottentot ender voorwendsel, dat wanneer hij bij hun bleef Leggen, en 'er Europeesen komen mogten, dezelve hun alle als aan, als drossers zoude gevangen neemen, dog wanneerlijk hem kottento een End weegs van hun in een daarbij geleegen booch alleen lieten gaan seggen, hi hottentot als aan ingeval en Europesen mogten koomen, zoude kunnen voorgeeven, dat hij door hun baas met hunged, dewelke hij aanzeggen zoude zig aldaar te hebben nedergelegt, gesonden was, om ossente gaan zoeken
English
and that the same Europeans would not take them prisoner at all, he had merely retired into a bush situated closer to the road. That the same Hottentot, noticing that the aforementioned defendants Cupido, October van Madagassar, Ian, and Maij had fallen asleep, creeping along the ground, having advanced a distance away from them, had subsequently hurried and within a short time had come this far, to this side of the so-called Papenburgskloof and so forth to the place of the aforementioned Krige, where, perceiving from afar on the road to Stellenbosch the frequently mentioned burgher Daniel Joubert with some burghers, he had called out so long until the same, turning around and becoming aware of him, Hottentot Ian, had returned to the place of the aforementioned Krige and had waited there until he, Hottentot, had reached them, whereupon the aforementioned Joubert, with the aforementioned burghers and two bastard Hottentots, having been informed by the same Hottentot Ian of the place where the aforementioned four defendants, Cupido, October van Madagassar, Ian, and Maij, were located, immediately proceeded thither with the Hottentot Ian, and upon their arrival found the aforementioned defendants Cupido, October van Madagascar, Ian, and Maij sleeping, and after a resistance more or less displayed by the aforementioned Ian, nevertheless took them all prisoner, and they were further, together with the other prisoners, delivered into the hands of Justice. And whereas such desertion, accompanied by breaking and theft in a country where law and justice are maintained, can by no means be left unpunished, but must be punished as an example and deterrent to similar villains, So it is that the Honorable Worshipful Council of Justice aforesaid, serving on this day, having read and considered with emphasis the written criminal claim and conclusion made and taken by the merchant of Stellenbosch and Drakensteijn, Mr. Hendrik Lodewijk Bletterman, ex officio, upon and against the defendants, and also having noted the defendants' voluntary confessions, as well as everything that was relevant to the matter and could move their Honorable Worships, administering justice in the name and on behalf of the High and Mighty Lords States General of the United Netherlands, have condemned the defendants, as their Honorable Worships condemn the same by these presents, to be brought to the place where it is customary here to execute criminal sentences, and there the defendants October van Madagaskar, Felix, Pieter, Anthonie, Jan, and Maij, and Carolus to be delivered to the executioner, subsequently tied to a post, the defendant October van Madagassar severely flogged with rods on the bare back and thereupon branded, furthermore to be riveted into chains for the period of 3 years, to be sent home immediately in such manner to his master; the defendants Felix, Pieter, Jan, and Carolus delivered to the executioner, subsequently tied to a post, likewise severely flogged with rods on the bare back, further to be riveted into chains for the period of two years, to be sent home immediately in such manner to their masters; the defendants Anthonij and Maij also severely flogged with rods on the bare back, subsequently riveted into chains for the period of one year, to be sent home immediately in such manner to their masters; the defendants Damon and October van Nias to behold this aforementioned execution, thereafter to be caned by the Caffers and riveted into chains for the period of one year, to be sent home to their masters; with condemnation in the costs and expenses of Justice, and rejection of the officer's further or otherwise made claim and taken conclusion. Beneath was written: Thus done and sentenced at the Cape of Good Hope, the 24th of August 1786; as also pronounced in the Castle of Good Hope, the 2nd of the following month of September, and executed on the same day. Was signed: P. Hacker, G. E. Cruijwagen, Joh. Smuts, J. Blanken, Assistent, J. M. Horak, W. F. v. Reede van Oudshoorn, C. L. Neethling, G. J. Meijer, P. J. de Wet. Lower: In my presence. Signed: G. van Aerssen, Secretary. In the margin: Fiat Executio. Signed: C. J. van de Graaf. Agrees: H. Kist, Sworn Clerk. Shows with due respect the undersigned Landdrost of Stellenbosch and Drakensteijn: That on the 22nd of March of this year at Stellenbosch, information was given by the burgher Ian de Villiers Jacobsz that, as he, de Villiers, went to his vineyard to the people who were busy cutting grapes, he had met a strange boy of the burgher Anthonij Fick, named Forthuijn, who, being asked by him where he was going, had answered that the people of him, de Villiers, were drunk, and had thrown him, Forthuijn, to the ground and beaten him; whereupon, he having told this boy to come along in order to investigate who had done this, the same Forthuijn, pointing toward the dwelling house while uttering some unintelligible words, had departed from him, while he, de Villiers, departed toward the people. That he, de Villiers, was thereupon met by his little slave boy, Sephta, aged about twelve years, who told him: "Master, the boy of Toon Fick has stabbed me," whereupon he, Villiers, then called out to the people to take the aforesaid Forthuijn prisoner, as the same Forthuijn was then also taken prisoner, and was subsequently transferred to Stellenbosch. To the Right Honorable Worshipful Pieter Hacker, President, together with the further gentlemen members of the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government.
Dutch transcription
en dezelve Europeesen hun als aan niet gevangen zoude nemen zig alleen in een nader aanden weg geleegen Oosch had begeeven Dat dezelve Hottentot bespeurende dat de gem: ged„ Cupido, october van Madagassar, Ian en Maij in slaap waren geraakt al langs de aarde pruijpende, een End weegs verre, van dezelve gevordert zijnde vervolgens zig gespoed had en binnen kortentyd dus verre gekomen was, tot deese zeijde vande zoogenaamde Papenburgs bloof en zoo voorts tot de plaats van voorsz: krigo wanneer hij van verre op den weg na Stellenbosch den meergen: burger Daniel Soubert met eenige burgeren ontwaar geworden zijnde zoo lange had geroepen tot dat dezelve zig omkeerende en hem hotten tot Aan gewaar wordende nade plaats van gem: krigd te rug gekeert aldaar vertoefd hadde tot dat hij hottentot bij hun was gekomen als wanneer gem: Goubert met de voorn: burgeren en twee bostaard hottentotten, van dezelve hotten tot Iang informeerd geworden zijnde waarterplaatze de gem: 4. gev: Cupido, october van Madagassar, Ian en Maij zig bevonden terstond met den kostentot Aan zig derwaards begeeren, en by hun komst voorsz: ged, Cupido, october van Madagascar Aan enchaij slapende gevonden hebben, dezelve na een min of meer door voorsz: Dan betoonde tegen Ranting, egter alle gevangen genomen hebben, gelijk dezelve voorts beneevens de overige gevangens in handen van Iustitie overgeleevert zijn geworden Dannademaal diergelijke aufugie gepaard met braken en diefstal in een Land alwaar regt en geregtigheyd gehand haafd word geensints en gestrafd aangelaten worden maar ten Spiegel en afschrik van soortgelijke fielten gepumeert werden moet zoo is 't dat den E. agtb: raad van Iustitie voorm: ten dage dienende, met nadruk geleesen en overwogen hebbende, den schriftelijke Crimineelen Eykch ende Conclusie door den koopman van Stellenbosch en drakensteijn de heer Hendrik Lodewijk Bletterman nomine offici op ende Teegens de get, gedaan ende genoomen, mitsg„s gelet op der ged: vrijwillige Contessien mitsg„s op al het geen ter materie denende was, en hun EE. Achtb: konde doen moveeren, segt doende uijt name ende van wegens de hoogmogende heeren Staten generaal den vereenigde Nederlanden, deged, hebben gecondemneerd gelijk hun EE, agtb: den zelven Conden neeren mits deesen, omme gebragt te worden ter plaatze alwaar men alhier gewoon is, Crimineele Sententien te 5 te Executeeren, en aldaar de ged october van Madagagar teeix Pieter, Anthonie, Jan en Maij en Carolus de Scherp regter overgeleevert vervolgens aan een paal gebonden de ged: October van adagassar met roeden op de blate rugge strengelijk gegeesseld en daarop gebrandmerkt voorts voorde tijd van 3. Iaren inde ketting geklonken zijnde zodanig terstond aan zijnen Lijtheer te worden thuijs gesonden, de ged, felip, pieter, Ian en Carolus de Scherpregter overgeleevert vervolgens aan een Paul gebonden insgelijks met roeden op de bloote rugge strengelijk gegeesseld wijders voor den tijd van twee Iaaren in de ketting geklonken zijnde zodanig hunne Lyfheeren terstond te huijs gesonden te worden, de ged„ Anthonij en MMaij almeede met roeden op de bloote rugge Strengelijk gegeesseld vervolgens voorden tijd van Een Jaar in de ketting geklonken, zijnde misdanig terstond aan hunne lijfheeren te worden thuijs gesonden, de ged„ damon en october van Nias; omme deese voorn: Executie te aanschouwen, daarna door de Caffers gelaarst en voor den tijd van Een Jaar inde ketting geklonken zijnde aan„ haare tytheeren te worden te huijs gesonden, met Condemnatie inde kosten en misen van Iustitie en ontsegging van den verderen of anders gedaanen Eysch en genoomene Conclusie van den officier /:onderstond:/ Aldus gedaan en gesententieerd aan Ceboden goede hoop den 24. aug„s 1786: mitsg„s gepronuntieerd In't Casteel de goede hoop den 2. der daaraanvol „gende maand Septbr: en g'executeerd ten zelven dage. /:was getekend:/ P. Packer g. 5. Cruijmagen Johs, mits, 'S vlchten, Avsittent; I: M. Torak W70 Reede van oudshoorn, C. L. Neethling, G. I. Meijer P. J. dewet. /: Lager:/ mij present. /:geteekend:/ G. van Aerssen secretaris. /:in margine/ Ficit Executie /getekend:/ C. I. van de graaf. — Accordeert H Kiet gem Clere Vertoond met Schuldigen Eerbied den ondergetek: Landdrost van Stellenbosch en drakensteijn. Dat op den 22: maart deeses Iaars tot stellen bosch door den burger Ian de Villiers Jacobsz, bericht is geworden, dat hij de villiers na 't volk dat bezig was druijven te sneiden, zig na zijn wijngaard begeeven had, een vreemde Iongen van den burger Anthonij Fick in naame Forthuijn had ontmoet, die door hem gevraagd zijnde, waarheen hij ging g'antwoord had, dat het volk van hem de Silliers dronken was, en hem Forthuijn op den grond gesmeeten en geslagen had, op 't welk hij dien Iongen gezegd hebbende van meede te gaan, ten eijnde te onderzoeken wie zulx gedaan had, dezelve Forthuijn na 't woonhuijs weijdende, onder het uijten van eenige onver„ Staanbaare woorden, van hem vertrocken was, terwijl hij de silliers na't volk ver„ trocken was. — dat hem de Villiers daarop zijnde ontmoet zijn kleijne Slaave Iongen, Sephta oud omtrend Twaalf Zaken, denzelven hem gezegd had: Baas de Iongen van Thoon Fick heeft mij gestooken, zulx hy villiers als toen 't volk toegeroepen had, om voorsz forthuijn gevangen te neemen, zoo als den zelven Forthuijn dan ook gevangen genoomen, en vervolgens na Stellenbosch is overgebragt geworden. Aan den welEdelen Achtb: Heer Pieter Hacker Praesident beneevens de verdere heeren Leeden van den E. Achtb: raade van Iustitie deeses gouverne ments.— an te
English
that he, de Villiers, when the aforesaid Forthuijn was taken prisoner, having asked him why he had stabbed the said Sephta, was answered by him: I did not stab that boy, but he fell into the knife. That the same aforesaid de Villiers, inquiring into the reasons for one thing and another, the same Sephta had recounted to him: that some time ago he had sold a four-horse whip to the same Forthuyn, and having spoken to him for payment thereof, he, Forthuijn, had always refused this; that he, Sephta, having then called the aforesaid Forthuijn into the vineyard that same day, had threatened to take his coat he was wearing as a pledge for the whip, upon which they both wrestled with each other, and having thrown Forthuijn to the ground, he, Jephta, sat upon the body of Forthuijn, while Forthuijn supposedly immediately said S. v. motherfucker, let me go; that he, Sephta, immediately got off Forthuijn, and the latter having stood up, picked up the knife previously used by Jephta for cutting the grapes and inflicted a stab on him low in the abdomen. That after this notification from the aforesaid de Villiers, delegated Heemraden, assisted by the Secretary together with the Surgeon Christoph Bernhard Le Sueur, having proceeded to the place of the aforesaid de Villiers, not only performed an inspection of the wounds inflicted on the said Sephta, but at the same time also took an account from the aforesaid Jephta, and having also shown the more-mentioned Forthuijn to him, he testified that he was the same person who had inflicted the stab on him, Jephta; the aforesaid Surgeon having testified to the delegates that he was unable to judge the lethality or non-lethality of the wound, for the reason that the weak condition in which the said Sephta found himself did not well permit opening the wound further and reinserting the protruding intestines, although he also states according to his further, separately issued Surgical Certificate: that the following day, having enlarged the wound and reinserted the intestines, it appeared to him in retrospect that the inflicted wound had been the cause of death of the said Jephta; the said Sephta having also died the day after receiving the stab; as Your Honours, if you please, will be able to examine more closely both the inspection certificate and Surgical Certificate attached hereto, along with the statement given by the aforesaid Sephta at the requisition of the presenter, and the declaration given by the aforesaid de Villiers to the aforesaid delegated Heemraden from this Honourable Council of Justice. That the presenter, furthermore, having twice consecutively examined the prisoner Forthuijn upon interrogatories framed for that purpose in the customary manner, the prisoner not only continued to deny the deed, but even stubbornly persisted in denying having had the knife in his hands, and that, on the contrary, the same Sephta supposedly fell into the knife. That, however much it is on the one hand beyond all contestation that the crime with which the prisoner has been charged is of such a nature that, being proven according to the general laws, the ordinary punishment of death ought to be inflicted thereupon, and that consequently, the matter having been so situated, one would not need to hesitate to constrain the defendant to a further confession by means of a harsher examination; on the other hand, according to the presenter's understanding, under correction, it ought to be no less certain that one ought always to make use of such a perilous means as torture with the greatest caution, and not readily apply it unless the evidence brought against a prisoner is so clear and decisive that one will find no difficulty in demanding sentence against a prisoner in an ordinary trial on the foundation thereof without the least confession. That Your Honours, approving the humble understanding of the presenter, and subsequently examining the evidence, he also fairly trusts that Your Honours will soon be convinced that the same evidence is quite deficient in legality and sufficiency, and one would consequently resort quite rashly to the remedy of torture in the present case; for not only is there no other evidence at hand besides the statement given by the aforesaid Sephta than the declaration of his master, which is based solely upon the same statement, but one could also never bring any suspicion home to the prisoner from which any appearance of sufficient reasons could be deduced that gave him cause for the deed, the stab having been inflicted by the knife of him, Sephta, himself, without any single sufficient piece of evidence being found whereby one would be enabled to judge in truth who held the knife in hand at the moment when Sephta felt the stab or when it was inflicted upon him. Which
Dutch transcription
dat hy de Villiers wanneer voorsz: Forthuijn gevangen genoomen is, aan denzelven gevraagd hebbende: waarom hy gem: Sephta gestooken had, door denzelven daarop is gfantwoord: ik het dien Iorgen niet gestooken maar hy is int mes gevallen dat eevengem: de Villiers zig informeerende nade reedenen van't een en ander, denzelven lephta aan hem verhaald had: dat hij voor eenigen tid een vier paarde zweep aan dezelve Forthuyn hebbende verkogt, en hem om de betaling daarvan aangesprooken hebbende, hij Forthuijn zulx altoos had geweijgert dat hij Sephta als toen denzelven dag voorsz: Forthuijn in den mijngaard hebbende geroepen gedreygd had zyn aanhebbende kleere batje in pand voorde zweep afteneemen, op 't welk zy beijden met elkanderen gestoeijd en Forthui„ op de grond gesweeten hebbende, was hij Jephto op 't lijf van Forthuijn gaan zitten, terwijl Forthuijn terstond daarop zoude gezegd hebben S. v. Smoerneuker laat mij los /dat hij Sephta zig opstonds van Forthuijn begeeven denzelven opgestaan het door Jephta eeven bevoorens gebruijkte wes, tot het Sneyden derdruijven opgenoomen, en hem een Heek onder in de buijk toegebragt had. — Dat nadeese kennis geeving van voorsz, de Villiers gecommitteerde Heemraden g'adsisteerd door den Secretaris nevens den Chirurgijn Christoph Bernhard Le Sueur zig nade plaats van voorsz: de villiers begeeven hebbende, niet alleen vande toegebragte wonden aan gem: Sephta Schouwing gedaan, maar ook teffens van voorsz: Jephta een relaas genoomen en teffens aan denzelven meergemeld Forthuijn hebbende vertoond hy betuygd had dienzelvden te zijn die hem Jephta de steek zoude hebben toegebragt, hebbende voorsz Chirurgijn aan de gecommitt„s betuijgd over de doodelijkheijd of niet dodelijkheijd vier wonde niet te kunnen oordeelen, om reedenen de Swakke gesteldheijd waarin zig gem: Sephta bevond niet wel permitteerde de wonde verder te openen, en't uijtgepuijlde gedarmte verder inte brengen, hoe zeer hij ook volgens zijne nadere in't bijzonder verleende Chirurgicaale Certificaat zegt: dat hy daags daaraan de wonde vergroot en't gedarmte ingebragt hebbende, van agteren hem voorgekoomen was de toegebragte wonde oorzaak als doods van gem: Jephta geweest te zijn zijnde gem: Sephta daags nade bekoomene Steek ook overleeden zoo als uw E. agtb: zulx alles des gelievende zoo neevens deeze gevoegde schouw Cedulle en Chirur gicaal Certificaat mutsg ter requisitie van den vert: door voorsz: Sephta verleend relaers ende voorsz: Ab. H. gecommitt„s uyt deese E. agtb: raade van Iustitie door voorsz: de villiers verleende verclaringe nader kunnen beoogen Dat de vert: voorts tot twee successive reijsen den geve, forthuijn op articulen ten dien fine geformeerd more soliti doen hooren, den geve, het fait niet alleen is blyven ontkennen, maar ook zelfs halstarrig is blyven negeeren het mes niet in zyn handen te hebben gehad, en dat ter Contrarie denzelven Eephta in't wes zou zijn gevallen. Dat het hoe zeer ook aanden eenen kant is buijten alle Contestatie dat de misdaad waar meede den geve, is beschuldigd geworden van dien aard is, dat dezelve beweesen zijnde vol„ gens de algemeene wetten, daarop de ordinaire straffe des doods zoude behooren te worden zaak g'infligeerd, en dat dezelve gevolgelyk daar na, gesitueerd geworden zijnde men niet zou behoeve te heziteeren, omme door middel van Scherper Examen, den gede, tot eene nadere Cen 7 Confessie te Constringeeren, dan dat het ook aan den anderen kant volgens het begrip vanden vert: /onder Correctie /. niet minder zeeker behoord te zijn, dat men van't zoo hachelijk middel van dortuure altoos met de grootste voorsigtigheijd behoord gebruyk te maken en niet wel eerder aantewenden, of de bewyze dewelke tegens eenen geve„ zyn ingebragt moeten zijn zoo klaar en decedif dat men geen swarigheijd zal maken; om op fundame van dien zonder de minste Confessie in een ordinaire proces tegens eenen geve, Eijsch te doen. — Dat uwE. agtb: gouteerende 't gering begrip van den vert: en vervolgens examineerende de bewysen hij aan ook billijk vertrouwd dat uwE. agtb: spoedig zullen worden overtuijgd dat aan dezelve bewijzen, al vrij wat van de Legalitij en suffisance deficieert en men mitsdien al vrij temeraire tot het remedie van fortuur in't voorhanden zijnde geval, zijn toevlugt zou neemen, want niet alleen dat 'er buijten het relaer het welk door voorsz Sephta is gegeenen geene andere bewijsen voor handen zijn, als de verclaring van zyn Lijtheer, dewelke alleen„ zig grond op hetzelve relaas, waar ook dat men nimmer eenige suspicie op den geve, zou kunnen te huijs brengen, waaruijt eenige schijn van voldoende reedenen, zou kunnen worden afgelegd hem aanleijding tot de daad te hebben gegeeven, als zinde de Heek door het mes van hem Sephta zelve toegebragt zonder dat 'er een eenige voldoende bewys gevonden word waardoor men instaat zou worden gesteld om na waarheijd te kunnen oordeelen wie of het mes op het ogenblik wanneer Sephta de Heek heeft gevoeld of aan hem toegebracht is, in handen zou hebben gehad. welk
English
which latter, according to the statement of Zephta, who is said to have reached the age of 12 years, could only bring about a mere suspicion against the prisoner, which cannot yet be placed entirely beyond all doubt, and concerning which doubt article XXXII established on the style of proceeding in criminal cases expressly dictates that where there is no half or full proof, or also where the proof is uncertain and doubtful, it is forbidden to apply the rack; that however much it appeared to the Prosecutor, on account of the aforesaid defective evidence and other reflections, that one could not very suitably apply torture in this matter, and on account of the defendant's constant denial, it is by no means possible to make an extraordinary claim against the prisoner, no more than sufficient ground would be found to proceed ordinarily against the prisoner, the Prosecutor nevertheless, with respectful deference of opinion, is of the mind that apart from the presumed suspicion which in any case results from the report, no small difficulty would arise in dismissing the prisoner for lack of sufficient evidence and setting him entirely at liberty, wherefore the Prosecutor has deemed it most advisable to bring the matter before the eyes of your Honorable Worships, not doubting that your Honorable Worships, in accordance with your prudence and enlightened knowledge, will make such disposition as shall be deemed proper in law. Below stood: Which doing etc. Was signed: H. L. Bletterman. In the margin: Exhibited in Court on the 27th of July 1786. On Tuesday the 28th of March 1786, the undersigned heemraden, assisted by the Secretary and Surgeon Christoph Bernhard Lesueur, upon a report made that at the place of the burgher Jan de Villiers Jacobsz a slave boy of his, de Villiers, named Sephta, was wounded by a certain boy by name of Forthuijn belonging to the burgher Anthonij Fick, proceeded thither, examined the body of the said Sephta, and found on him a wound in the cavity of the belly on the left side about three finger-breadths beside the navel, from which wound a part of the intestines was protruding, and since according to the declaration of the Surgeon, on account of the narrowness of that opening, the intestines could not be reduced again except by enlarging that wound, the undersigned could therefore by no means judge whether that wound was mortal or not mortal. Below stood: Done and dated as above. Was signed: P. G. Wium, C. Joel Ackerman. Lower: In my presence, signed: A. A. Faure, Secretary. By order of the Honorable Landdrost here, I, the undersigned, proceeded to the burgher Jan de Villiers and found with him a boy named Zephta, who had a stab with a blunt knife on the left side, the length of a large half inch, one finger-breadth beneath the short ribs, and three finger-breadths beside the navel, and at the same time a considerable distension of the intestines, continual vomiting and a convulsive pulse; upon the widening of the pulse I discovered a considerable quantity of blood in the cavity of the belly, which prevented me from making further examination, from which I had to judge firmly that a more important blood vessel must have been injured than could be perceived outwardly, while the effusion of the intestines completely closed the wound, which rendered the wound lethal, while outwardly it did not appear so dangerous, and was nevertheless the cause of the patient's death. In witness of the truth I have signed this. Was signed: Christoph Bernhard Lesueur. In the margin: Stellenbosch, the 31st of March 1786. Report given before the undersigned heemraden Messrs. Pieter Gerhard Wium and Christiaan Joel Ackerman, and at the requisition of the titular Merchant and Landdrost, Mr. Hendrik Lodewijk Bletterman, by and on behalf of the slave boy Sephta of Bengal, aged circa 12 years, belonging to the burgher Jan de Villiers Jacobsz, signifying as follows: That the deponent today, before noon, being in the vineyard of his master with the other fellow slaves to cut grapes, was then hailed from afar by a certain boy by name of Forthuijn belonging to the burgher Anthonij Fick, who called to him to come to him; that he, the deponent, answered him that he, Forthuyn, had to come to him in the vineyard; which he, Forthuyn, having done, he, the deponent, asked him, Forthuijn, when he, Forthuijn, would pay him, the deponent, for the whip that he had bought from him; that he, Forthuijs, answered that he would indeed pay for the whip; that the said Forthuijn wishing to leave thereupon, he, the deponent, and Plaatje then took him by the hand, and playfully threw him, Forthuijn, to the ground, while he, the deponent, had laid down the knife with which he had cut grapes on the bank not far from himself; whereupon the said Forthuijn, having become angry, took up the knife of the deponent, and inflicted a stab on him on the left side, immediately thereupon threw the knife away, and took to flight; while the said Forthuijn having been shown to him, the deponent, he, the deponent, declared him to be the same person who had inflicted the stab on him. Relating nothing more, the deponent gives as reasons for his knowledge as in the text, declaring the foregoing to be the pure truth. Below stood: Thus related at the dwelling place of the burgher Jan de Villiers Jacobsz on the 28th of March 1786, before the Messrs. Pieter Gerhard Wium and Christiaan Joël Ackerman, who, together with the deponent and me, the Secretary, have also duly signed the minute hereof. Lower: Which I witness, was signed: A. A. Faure, Secretary. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, the burgher Johs. de Villiers Jacobsz, who, at the requisition of the Landdrost of
Dutch transcription
welk laatste volgens de opgaaf van Zephta die den ouderdom van 12. Jaren zou hebben bereijkt ook alleenlyk aan de eenige Suspicie ten lasten van de geve zoude kunnen te weeg brengen, 't welk aan nog niet geheel en al, buyten alle twijffeling kan worden gesteld, en omtrend welke tyfdeling XXX II arth: gestatueerd op den stijl van procedeeren in Crimineele zaaken wel uytdrukkelijk dicteerd dat daar geene halve of volle preuven is, of ook daar de preuve onzeeker is, en twijffelagtig verbooden word de pijnbank te appliceeren. dat hoezeerde r. O. verl: uijt hoofde vande voorsz: defectueuse bewijsen en andere reflexien meer is voorgekoomen dat men in deesen niet zeer gevoegelijk de tortuure zou kunnen appli ceeren, en uijt hoofde van des ged Constante Ontkentenisse, met geen mogelijkheijd een extraordinaire Eijsch jegens den geve, kan worden genomen, zoo min als dat er een genoegsaam fundament zou worden gevonden omme ordinairie tegens den geve te procedeeren de R. O. vert: egter /onder Eerbiedige reverentie van begrip is, dat buijten de presumpte suspicie welke in alle gevallen uijt 't relaas resulteerd er geene geringe swarigheijd zig zou opdoen, den geve, ter zaake van gebrek aan voldoende bewijs te oitslaan en ten eenemaal op vreije voeten te stellen, des den R. O. vert: het raadsaamst heeft voor „deelt uit een en ander te brengen onder het oog van uwelE. Agtb: niet twiffelende of uuE. agtb: zullen naderzelver pondentie en verligter kunde zoodanige dispositie neemen als in regten zullen vermeenen te behooren. /:onderstond:/ 't welk doende &, /:was geteekend :/ H. L. Bletterman /:in war„ gine /Exhibitum in Iudicio den 27. Julij 1786: i laen Op dingsdag den 28. Maart 1786. hebben de onderget: heemaaden, g'adsisteerd me„ den Secretaris en Chirurgijn Christoph Bernhe Lesueur op gedaan rapport dat ter plaatse van den burger Jan de Villiers Jacob Zee Slaven Iongentje van hem de Villiers gent, Sephta door zeekere Iongen innaame forthuijn toebehoorende den burger Ankho„ Fick zoude zijn gequetst zig derwaards begeeven, 't lighaam van denzelven Sephta bezigtigd en aan denzelven bevonden, ben Heer in de holligheijd des buijks aan de Linker zeijde omtrend drie vingeren breed bezeyden de navel uijt welke wonde eene gedeelte der ingewonden quamen uijttepuijlen, en vermits volgens declaratie van den Chirurgijn wegens de Engheijd dier opening de Ingewanden niet dan door vergroting dier wonde wederom konde worden ingebracht, hebbende onderg: dus over de doodelijkheijd of niet doodelyk heijd dier wonde geensints kunnen oordeelen /:onderstond. Actum datum ut Supra /:was geteekend:/ P. G. Wium, C. Poel Ackerman; /:Lager:) mij praesent /:geteekend:/ A. A. Faure Secretaris. P„r ordre vanden welE: heer Landdrost alhier, hebben mij ondergeteekende begeeven, by den burger Ian de viliers en by denselven bevonden een Jonge gent, Zephta dewelke een seek met een stomp mes, aande linker zeyde had de Lengte van een groot half duijm, een vinger breed en derde korte ribben, en drie vingeren breed bezeyden de Nabel en teffens een Considerabele uytzetting van de Entestina, een geduurige braking en Confuesive poes, onderde verweijtering vande pols ontdekte ik een Considerabele quantiteid bloed bloed, inde holligheijd van de buijk, het welk mij belette om verder onderzoek te doen, waaruijt ik vast oordeelen moest gewigtiger beved vat geledeert moest zijn, als men uiterlijk gewaar kond worden, terwijl de uijtstorting vande Ingewonden, de wond volkoomen besloot, 't welk de wond Laethal gemaakt heeft, terwijl zy uyterlijk niet zoo gevaarlyk scheen te zijn, entog de oorzaak van des patients dood was, ten teken der waarheijd hebbe mij onderteekend. /: was getekend:/ Christoph Bernhard Lesueur /:in margine: Stellen bosch den 31. Maart 1786. Relaas gegeeven ten over staan vande ondergetekende heemraden Megrs Pieter gerhard wium en Christiaan Ioel Ackerman ende ter requisitie van den titulair Coopman en Landdrost de heer Hendrik Lodewijk Bletterman, door ende van wegens de slaave Clorgetje Sephta van bengalen oud Circa 12. Jaren toebehoorend den burger aan de villiens Jacobsz, duijdende aldus— Dat den Comp op heeden voordemiddag inden wijngaard van zijn Lijfheer met de andere meede slaaven bevonden hebbende, om druijne te sneijden als toen van verre door zeekere Clengen in naame Forthuijn toebehoorende den burger Anthonij Fick had hooren toeroepen van by hem te koomen, hij relt, hem daarop tot antwoord had gegeeven, dat hy forthuys by hem in de wyngaard koomen moeste 't geen hy Forthuyn gedaan hebbende, had hij reet, hem forthuijn gevraagd wanneer hy Forthuijn hem relt, de sweep die hy van he gekogt betalen zoude, had hy forthuijs dae g'antwoord, dat hij de sweep wel zoude be„ Dat gem: forthuijn daarop willende vertre hij reet, ende Plaat Ean hem als toen by de hand genoomen, en al kortswijlende hem Forthuijn op den grond gesweeten hadden terwijl hy relt, het mes waarmeede hy dang had gesneeden, op de wal niet verre van zig had nedergelegt, waarop gem: forthuijn driftig geworden zijnde het wes vanden relt, had opgenoomen, en hem een steek aan de Linkenzeijde toegebragt terstond daarop het mes weggesmeeten, en zig op de vlugt had begeeven, terwijl gem: Forthuijn hem reet vertoond zijnde, hij relt, had betuijgd die zelfde te zijn die hem de Steek had toegebragt. — Niets meer relateerende geeft aen relt„ voor reedenen van wetenschap als in den text betuijgende het voorenstaande de zuijvere waarheijd te zijn. /:onderstond:/ Aldus gerelateerd ter woonplaatse vande burger Ian de Villiers Jacobsz: op den 20 maart 1786: voorde messrs Pieter gerhard wium en Christman Joël Ackerman die de minute deezes beneevens den relt„ ende mij Secretaris meede behoorlijk hebben onderteekend. /: Lager:/ 't welk ik getuijgen /:was geteekend:/ A. A. Faure Secretaris. Compareerde voor ons ondergeteekende gecomm: uijt den E. agtb: raad van Iustitie deeses gou„ vernements den burger Iohs, de villiers Iactt denwelke ter requisitie van den Landdrost van
English
of Stellenbosch and Drakenstein, Hendrik Lodewijk Bletterman declared how true it is. That the Appearer, having gone to his vineyard during the last pressing season in the recently passed month of March to see the people who were busy cutting grapes, had there met a strange boy of the burgher Anthonij Fick named Forthuijn, who, having been asked by the Appearer where he was going, had answered that the other people in the vineyard were drunk and had thrown him, Forthuijn, to the ground and beaten him, whereupon the Appearer had replied, come, go then with me to ascertain who did such a thing; the said Forthuijn, who pointed to the house and uttered some words without them being understood by the Appearer, had left the Appearer, while the Appearer thereupon went to his people. That the Appearer's slave named Jephta thereupon coming towards the Appearer, had said to him, Master, that boy of Thoon Fick has stabbed me; that the Appearer subsequently having asked for the reason thereof, the said Jephta had thereupon related to the Appearer that some time ago he had sold a four-horse whip to the aforesaid Forthuijn and, having frequently asked him for payment thereof, he, Forthuijn, had always refused this under some pretexts. That he, Jephta, called the said Forthuijn that day into the vineyard and playfully threatened to take away the jacket he was wearing as a pledge for it, whereupon he, Jephta, having thrown the said Forthuijn to the ground, he, Jephta, went to sit on the side of him, Forthuijn; and while the aforesaid Forthuijn thereupon said, motherfucker let me loose, he, Jephta, had immediately removed himself from the said Forthuijn, upon which he, Forthuijn, got up, and took the knife used just before by him, Jephta, to cut grapes and lying on the ground near there, and with it had dealt him, Jephta, a stab low in the belly; the Appearer finally testifying that before and prior to the circumstances of the matter being recounted in detail to the Appearer by the aforesaid Jephta, the Appearer, on the first communication from his slave Jephta that he was stabbed, had caused the aforesaid Forthuijn to be arrested, and having then questioned him as to why he had stabbed Jephta, it was answered thereto by him, Forthuijn, I did not stab the boy, but he fell onto the knife; the aforesaid Jephta having thereupon died the following day in the evening. Declaring nothing more, the Appearer gives as reasons of his knowledge as in the text, offering, if required, always to confirm the same by solemn oath. Underneath stood: Thus happened at the Cape of Good Hope on 19 April 1786, before the Honorable Gerhardus Hendrik Cruijwagen and Johannes Smuts, members from the Honorable Court of Justice aforesaid, who have duly signed the minute hereof together with the Appearer and me, the sworn Clerk. Lower: Which I testify. Was signed: C. van Aerssen, Secretary. Articles framed, submitted by and on behalf of the undersigned Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Hendrik Lodewijk Bletterman, in order that thereupon, at his requisition, Forthuijn of Malabar, slave of the burgher Anthonij Fick, be heard; the answers to be given by him will have to be duly recorded beside each article. Appeared before us the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, Forthuijn of Malabar, slave of the burgher Anthoni Fick, who gave such answers to the adjacent questions as are recorded beside each of them. 1. The defendant's name, age, and place of birth; whose bondman he is. Answers: Forthuijn of Malabar, age estimated at 25 years. Says Anthonij Fick. 2. Whether he the defendant, some days ago, was not in the vicinity of the vineyard of the burgher Jan de Villiers, Jacob's son. Answers: Yes. 3. How and in what manner he the defendant arrived there. Answers: Having brought a letter for his master to Dirk Hofman, and having gone into the vineyard on the way back. 4. Whether he the defendant, being there, did not then see a certain boy named Jephta, belonging to the aforesaid De Villiers, cutting grapes in the vineyard, and whether he the defendant did not call out to him to come to him the defendant. Answers: Having found that boy Jephta in the wagon road beside the vineyard and not in the vineyard. 5. Whether the same Jephta did not answer thereto that he the defendant had to come to him in the vineyard. Answers: He called me to go along. 6. Whether he the defendant did not do so. Answers: Says yes, to have done so. 7. Whether said Jephta, when the defendant had come to him in the vineyard, did not then ask him the defendant when he would pay for the whip bought from him, Jephta. Answers: Says yes, that Jephta had asked him that, while he met him in the wagon road. 8. What he the defendant answered thereto. Answers: Said that the boy Jephta had asked the defendant for the money that the defendant owed him for a whip, and that he the defendant answered that he, Jephta, still owed him a knife, and if that should not be sufficient, he the defendant would then pay him more. 9. Whether he the defendant wanted to leave directly thereupon or remained there a while longer. Answers: Says to have lingered a little while that boy offered to let him the defendant eat grapes. 10. Whether said Jephta, along with his fellow slave Adam, did not want to prevent him the defendant when he the defendant did so. Answers: Says yes, and that Azar was present.
Dutch transcription
van Meltenbosch en drakensteijn S„t Hendrik Lodewijk Bletterman verclaarde hoe waar is. Dat den Comp:s met de laatste perstid zijnde geweest inde Iengst gepasseerde maand Maart zig na het volk dat bezig was druijvente sneijden te zien in zijn wyngaard begeenen hebbende, aldaar een vreemde Jengen vande burger Anthonij Fick in naame forthuijn had entmoet, die door den Comp, gevraagd zynde waar hij heenen ging, g'antwoord had dat het ander volk inde wijngaard dronken was, en hem forthuijn op den grond gesmeten en geslagen had, op 't welk aen Comp„s had hervat, komt gaat dan met mij, omte verneemen wie zulx gedaan heeft, denzelven Forthuijn die na het huijs wees, en eenige woorden uijtte, zonder dat die door den Comp verstaan zyn geworden, van den Comp gegaan was, terwijl den Comp„s zig waarop van zijn volk begeeven had.— Dat des Comp=ts, Slaaf in naame Sephta aen Comp„s daarop te gemoed koomende, aan denzelven gezegd had, Baas die Iongen van thoon Fick heeft mij gestooken, dat den Comps vervolgens nade reeden daarvan gevraagd hebbende, had denselven Sephta daarop aan den Comp„e verhaald, dat hy voor eenigen tijd aan den voorsz Forthuijn, een vier paarde Sweep verkogt en hem dikwerf om de betaling daarvan aangesprooken hebbende, had hy Forthuijn zulx altoos onder eenige voorwend sels geweijgerd. Dat hij Jephta denzelven Forthuijn die dag in de wijngaard geroepen en denzelve speelende gedreijgd, hem zijn aanhebbende kleeren batje in pand daarvoor afteneemen, op aenwelke hij Sephta denzelven forthuijn op den grond gegooijd hebbende, was hy dephta Sephta op 2 Lijt van hem forthuijn gaan zitten en terwijl voorsz: forthuijn, daarop quam te zeggen, moerneuker daat mij los hadde hij Sephta zig opstonds van denselven forthuijn begeeven, op 't welk hy forthui opgestaan, en het door hem Sephtaeeven bevoorens met druijven te Sneiden gebruij en daaromstreep op de grond leggende me genomen en hem Sephta daarmeede een steek onder in de buik toegebragt had detuijgende den Comp„, Laatstelijk, dat voor en aleer den toedragt der zaake door voorsz, Sephta omstandig aan den Comp„s was verhaald hij Compt voorsz forthuij op de eerste Comminicatie van zyn slaat sephita dat hij gestooken was, had doen gevangen neemen, en denzelven als toen afge vraagd hebbende: waarom hij Sephta gesta had ? was door hem Forthuijn daarop gan woord, ik heb de Ionge niet gestooken wo hij is in't mes gevallen zijnde voorsz: Sephta daarop 's'anderen daags avonds overleeden Niets meer verclarende geeft den Compt, voor reedenen van wetenschap als in den text praesenteerende 't zelve des gerequireerd werdende altoos met solemneele Eede te Stavt /:onderstond:/ Dat aldus passeerde aan Cabo de goedere den 19 april 1786. voor d'EEs, gerhardus Hendrik Cruijwagen en Johs Smutsleed uijt den E. Achtb: raad van Justitie voorm: die de minute deeses beneevens den Comp„ ende mij gesw: Clercq meede behoorlijk hebben onderteekend /: Lager:/ 't welk ik getuijge /:was geteekend:/ C. van Aerspe Secretaris. Articulen gedaan maken Compareerde voor ens ondergeteekende gecommitt=en aan heeren gecommitt„s uyt den E. achtb. raad van Iustitie uyt den E. agtb: raad van deeses gouvernements overge„ Justitie deeses gouverne geeven door ende van wegens ments Forthuijn van den ondergeteekende Landdrost mallabaar slaaf vanden van stellenbosch en draken burger Anthoni Fick Steijn Sr Hendrik Lodewijk dewelke op de nevens staande vragen zodanigen Bletterman, omme daarop antwoord gegeeven heeft ter zijner requisitie gehoord als bezeijden een ijver te worden forthuijn van derzelve zyn bekend Ballabaar slaaf van de gesteld burger Anthonij Fick zullende desselvs te geevene antwoorden beseijden ijder articul behoorlijk moeten worden bekend gesteld. Zegt Anthonij Fick. oud na gissing 25. Jaren: geboorte plaats 1 zegt Ja gebracht te hebben, en in het te rugkomen in den wijngaard gegaan te zijn zegt dien Iongen Zephta in off hij geve, zig aldaar bevindende den wagen weg bezeiden als toen zeekere Tengetje met de wijngaard gevonden naame Sephta toebehoorend te hebben en niet inde voorm: de Villiers inde wijn wijngaard. zegd een brief voor zin Lijf Hoe en op welke wijze hij heer bij dirk hofman geve, aldaar gekomen is off hy gene voor eenige dagen geleeden zig niet heeft bevonden omtrend den wijngaard van den burger Jan de Villier Jacoz wiens Lytlygen hij is. A zegt forthuijn van mallabaar des ged, naam ouderdem en gaard 2 3. 4. te gaan. geroepen om meede zegt zal hij heeft mij zegt Ial zulx gedaan te hebben off gem: Sephta wanneer den zegt zal dat Zephta geve, bij hem in den wyngaa hem zulx gevraagd had, terwijl hy hem gekoomen was, als toen Een in de wagen weg geve, niet heeft gevraagd ontmoeken. wanneer hij de van hem Sephta gekogte sweep zoud betalen zeyd dat den Iengen Sephta wat hy geve, daarop heeft g'ant aanden gene, gevraagd woord had om het geld dat den geve, hem Schuldig was, voor een sweep en dat hij geve, g'antwoord heeft dat hij Jephta hem nog een mes schuldig was, en zoo dat niet voldoende mogte zijn hij gene, hem dan meer betalen zoude off hij geve, daarop direct zegt nog een weijnig heeft willen vertrecken aan vertoevd te hebben terwijl dien Jongen wel nog wat aldaar gebleeven hem gene, druijven is. te leeten gepreesenteerd 10. had. — off gem: Zephta benevens desselve zegt Ia. en dat Azar daarbij is geweest meede slaaf Edan hem geve„ wanneer vertrecken, wilden hij gene, zulx heeft gedaan O dan niet A C. off denzelven Sephta daarop niet heeft g'antwoord dat hij geve, by hem in de wijngaand koomen moeste t gaard heeft zien druijven sneyde en of hy geve denzelven niet heeft toegeroepen, van bi hem geve, te koomen al ƒ. 8. 17.