VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 10984

Cape · 954 pages · 242 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_10984_0700 view scan ↗

English

Says No. Says Stone. Says Yes. Says No. Lapses. Says that Andries showed those letters to the tailor who was there in the house. Article 45: Whether they then did not also show that letter. Says that when they arrived at the estate, Andries asked the boy of the house, who is here in the house, and can we get something to eat, because we are faint from hunger. 46: Which of them first proposed to take the lives of everyone there. Says further, when they wanted to go to sleep, first August and Andries, and afterward Damon and Welkom, said, come let us murder everyone here on the estate, to which they all willingly consented. Lapses. 47: Whether upon the report that he the witness brought to the others, it was not immediately decided to go to the estate. 52: Whether the remaining witnesses then stayed far from the estate. 5: Whether he the witness did not spy upon that household. 49: Whether this was consented to by all the witnesses. 47: Whether they also had any hatred or envy toward the household of the aforementioned Zotman. 46: Whether on that occasion it was not already decided among them, if time and opportunity allowed them to do so, to murder and to plunder. Says that the tailor asked this and not the woman. Article 53: Whether the woman of Rotman, since her husband was not at home, did not ask them for a pass letter. Says about toward the evening, and that was with the setting of the sun. 54: How late in the afternoon they arrived at the estate of Rotman. Says by his estimate around eight o'clock. 55: How late in the evening they went to sleep. Says that Andries had awakened them. 56: Whether they, instead of going to sleep, kept watch to seize their opportunity when the entire household had fallen asleep. Says Yes. 58: Whether an European servant was not in that household. Says Damon. 59: Who wounded that European. Says Jan. Says a woman, a tailor, three or four children, which he does not rightly know, three maids, one boy. 60: How many persons there were in the house, counting the children and slaves. Says Yes. Whether after they showed that pass letter, the woman did not shelter them and provide them with proper food and drink. Says Welkom and he the witness did not. 62: Who killed the slave Hector and in what manner and how many wounds. Says a machete. 63: Who chopped open the room in which the wife of the aforementioned Rotman and her children were, and with what. Article 61: Which of them stabbed all those people, to state the same distinctly and in what manner they carried all this out and executed it. Says he the questioned: Says that he the questioned stabbed the slave boy with two wounds, that he the witness nor the woman with the youngest child, after she had previously received a blow with a knobkerrie from Andries, who stood outside the window watching because that woman had wanted to flee out of the window, so that she fell inside; he the questioned had struck the woman with the child so long with a knobkerrie that she gave up the ghost. Damon stabbed two maids who were sleeping in the front room, as well as the tailor, also one of the children. Jonas the maid who lay under the bedstead. Welkom, he the witness did not see that he stabbed anyone, but he had heard from Welkom himself that he had stabbed another maid so that her excrement, saving your presence, came out of her belly; also the tailor, and that the knife remained in the belly of the tailor. Andries struck the woman who wanted to flee out of the window so that she fell inside. August stabbed no one as far as he the witness knows, he only went to search for the tailor. The slave Damon entering inside says that another child running around in the room was struck, but does not know who did this. Says further that he the mentioned only has it from hearsay that Damon killed a child. Article 64: Who killed the wife of him Rotman and in what manner. Says he the witness now that she had previously received a blow with the knobkerrie from Andries. 65: Who murdered the three children of him Rotman. Says only to know of two children, one whom he the witness killed, and the other whom Damon. 66: Who wounded the slave woman Martha. Says Jonas. 67: Whether the maid did not hide under the bedstead with two children of Rotman. Says that he indeed saw the maid, but not the two children. 68: Who of them incited the others the most, or whether they were all of one mind and carried out that murder with pleasure. Says that they all did it together, although Jonas, Damon, and Welkom went inside first. 69: Whether he the mentioned with the others did not, after committing the abhorrent murders, break open all the chests and closets that were in that house, and rob and steal whatever they could carry with them. Says Yes, that Welkom broke open all the chests and closets, and that furthermore all stole as much as they could carry. 70: What all they stole. Says six or seven coats, three watches, five satin rolls, two chintz linings, a pair of silver shoe and breeches buckles, and furthermore a lot of clothes and cash.

Dutch transcription

Zegd Neen. Zegd Steen zegd Ja. Zegd Neen. Vervald zegd dat Andrees die briefjes vertoond heeft aan de snyder die daar in huys 4 zegd dat toen zyl op de plaats wie van hun het Eerst gepro gekomen zyn had Andries poneerd heeft om aldaar alles gevraagd aan de Ionge van om 't Leven te brengen t huys wie is hier int huys en kunnen wy wel iets te eeten krygen want wy zyn flaauw van de Honger. zegd nader toen zy hebben willen gaan slaapen heeft Eerst August en Andries naderhand Damon en welk em gesegd komt Laaten wy hier op de plaats alles vermoorden en waar in zy alle gewillig hebben toegestemd. Vervald 52 - en op 't rapport dat hy get de andere ges gebragt Eeft niet direct is besloten na de plaats te gaan 5 of de overige get zig verre van de plaats als toen hebben opgehouden of hy get dat huyshouden niet heeft Verspied 49 of zulx door alle de get is toegestemd geworden! 47 of zyl ook eenigen haat of neyd op het huijshouden van even gem Zotman hebben gehad 46 of by die gelegentheyd onder hen niet alreeds beslooten was. om indien hun de tyd en gele gentheyd zulx toeliet als dan te woorden en te plaenderen. of zyt toen nuet dat briefje ook hebben vertoond! art 45 dat was. — ƒ - en wel met het ondergaan zegd dat de Snijder zulx gevraagd heeft en niet de Vrouw. zegd Jan. Legd Damon der zon. acht uuren wekt hadden zegd dat Andries hun opge¬ zegd. Ja. hoe veel persoonen er met zegd Een vrouw Een snyder drie a vier kinderen het de kinderen en slaaven meden geen hy niet regt en weet gerekend wel in huijs drie meyden Een Jongen waaren -60 of na dat zyl dat pad briefjen vertoond hebben niet de vrouw hun heeft geherbergd en van behoorlyk Eeten en drinken heeft besorgd. — 56 gaan slaapen zyn 5 of zyl niet in steede van te gaan slaapen hebben ge waakt om hun tyd waar te nemen wanneer het geheele huysgesin zoude in slaap geraakt zyn -58 of niet in dat huysgesin een Europeesche knegt zig bevond 59 Wie die Europees gewond heeft= zegd na zyn Gissing omtrent hoe laat in den Avond zyl 55 54 of de Vrouw van Rotman vermids haar man niet te huys was hent niet na een pad brief ten heeft gevraagd Ant 53 zyl ter plaatse van totman gekomen zyn. zegd omtrent tegens den avond hoe laat in den agtermiddag dat 2 zegd hij geva zegd Welkom en hy get. niet Art 61 zegd dat hy gevr de slaven Wie van hun alle die menschen gestooken hebben deselve Ionge heeft gestooken met twee wonden dat distinct op te geeven en op hy getz, nog de Vrouw wat manier zy dit alles heb met het Iongste kind, na ben in't werk gestelt en ter dat die alvoorens van uyt voor gebragt Andries die buyten het Vengster stont op te passen vermids die vrouw uyt het vengster had willen vlugten een slag met Een kerrij heeft gekreegen dat zij na binnen is gevallen, had hy gev de vrouw met het kind soo lange met een kirrij mede geslagen dat zy de geest gegeeven had, Damon heeft twee meyden gestooken die in't Voorhuij sliepen als meede de snijder ook een van de kinderen Jonas de meyd die onder de kadel geleegen heeft Welkom heeft hy getz niet gesien, dat iemand gestooken heeft, maar had hy zelvs van welkom vernomen dat hy nog een meyd zoude gestooken hebben, dat haar de drek s: V: uijt de buyk gekomen is ook de snyder en dat het mes nog in de buijk van de snijder gebleeven is. — Andries heeft de vrouw die uyt het Vengster wilde Vlugten geslagen dat zy na binnen gevallen is— August heeft niemand gestooken voor zoo verre hy get weet, als alleen heeft hy de Snijder gaan opsoeken de slaar Samon binnen vreedende zegd dat er nog een kind die in de kamer rond Liep is geslagen maar niet te weeten wie zulx gedaan heeft. zegd nader dat hy gem maar van hooren zeggen heeft dat Damon een kind zoude dood geslagen hebben een kapmes 63 wie de kamer daar de huisvrouw van bovengem Rotman met haare kinderen in waaren opengehakt en waar mede 62 Wie de slaaf Hector heeft om 't leven gebragt en op manus en hoe veel worden e Art 64 zeg hy get nu dat zy alooo wie de huysvrouw van hem rens Een slag met de kirrij Rotman heeft om't Leeven van Hodries Ontvangen had gebragt en op wat manier ! Wie de drie kinderen van zegd maar van Twee Kinderen hem Rotman hebben vermoordt te weeten een die hy getz en de andere die damon om 't Leeven heeft gebragt 65 Zegd Jonas zegd dat hy wel de meyd gesien heeft maar niet de twee kinderen Zegd dat zy alle te samen gedaan hebben hoe wel Jonas Samon en Welkom 't eerst na binnen zyn gegaan. zegd Ia dat welkom alle de kisten en Casten heeft open gebroken en dat voorts alle zoo veel gestoolen hebben als zy maar dragen konden zegd ses a seven Iassen drie Orologien vyf sattynen rollen Twee voering Chitsen een paar silvere schoe en broeksgespen en voorts een partij kleederen en Contanten. — 70 Wat zyl al gehoofd hebben. of hy gem. met de andere niet na 't pleegen der af schuwelyke moorden alle de kisten en Custen die in dat huys waaren hebben opengebroken en geroofd en gestoolen wat zyt muur mede konde voeren. Wie van hun wel het meeste de andere hebben aangesit dan of zy alle eens gesind waaren en die moord met genoegen hebben volbragt 68 67 of niet de meyd onder het Ledi kant zig heeft verstooken met twee kinderen van totman 66 Wie de slavin Martha ge wond heeft . text

NL-HaNA_1.04.02_10984_0704 view scan ↗

English

Article 71 Lapsed! states that he, the prisoner, does not know, but that Welkom was the last in the house. states until about midnight. 74 states towards the mountains and the forests. whither they betook themselves at that time. whether they went further inland or returned towards the Cape. 76 whether they had not intended to raid more farms. whether they did not follow several wagons in order likewise to plunder them. states yes, that Andries did indeed speak of following the wagons and plundering them, and that they had answered thereto, one sin is not yet past, and do you want to begin the other again? what hindered them therein? states as before. states No. states towards the Cape. 7 until what hour in the night or morning did they remain on the farm? 72 who did this or proposed it? what reason they, the prisoners, had for leaving five rijksdaalders in cash, as also a black coat, camisole, and breeches, and a piece of cloth, also a shirt for the woman and one for the man? text 79 whether they did not send one of their number to the farm of the burgher Hendrik Hop? states that he, the prisoner, with four of his other comrades, went on a certain night to the farm of Hendrik Hop at the Karnmelks River to steal sheep, while Jonas remained behind with the goods, and that he, the prisoner, having then strayed from his other comrades, was thus forced to return to that farm when day broke, where he was also taken prisoner. Lapsed. states Jan, as he heard, said, now it is time to fight, let us not surrender. 82 states by the Hottentot Captain Adam Pains on the farm of the aforementioned Hop. by whom and whereabouts were they taken prisoner? states Yes. 84 whether they also had any acquaintance in the house of the aforementioned Rotman? states that Jonas knew that household and said, he is a Smous, and that Andries wanted to go there by force while the others wanted to sleep in the field. 83 whether they had not intended to come here to the Cape in order to sell the stolen goods? whether, when they saw themselves betrayed, a unanimous resolution was not taken among them to defend themselves rather to the last man than to surrender voluntarily? 80 who that was, and whether this was not done to spy out the layout of the said farm? text 8 Lapsed. states No. Lapsed. Article 85 whether their committed murder was caused by a desire for revenge, or only occurred to steal and to plunder? states that he was forced to take part, for otherwise they would have killed him. states that he cannot give any reason for that. states No. states nowhere else than in the Hout Bay, where he stabbed a boy without that boy having died. to show the prisoner the murder weapons and to ask to whom belonged what he, the prisoner, had, and who used the others? states that the cleaver belonged to Welkom, and one of the krisses to Damon, and the other to Jonas. states No. 93 whether, upon absconding from here, they had intended to commit murder? if yes, to name them. 91 whether any more belonged to their plot? whether the prisoner, on his own account, has been guilty of more murders? if yes, to name them. 86 if not, how could they then in cold blood have murdered that household? 8 whether they have not killed more persons in particular or households? Lapsed. states No. states Yes, namely that he did wrong. states Yes. states Yes. states because the others did it, he did it as well. states that he knows of nothing in his excuse! 100 what he, the prisoner, can further bring forward in his excuse. Thus interrogated and answered. what then motivated him, the prisoner, to undertake so abominable and inhuman a murder? 98 whether he, the prisoner, is not conscious of being by this deed punishable in the highest degree and having deserved death? 95 whether they then did not recount this to anyone? 96 whether the aforementioned, now viewed in retrospect, does not understand that he did wrong? 97 and that one may murder no one without rendering oneself guilty of death! Article 94 if yes, who else were here that knew of their intention? At Cabo de Goede Hoop, the 11th of November 1786, before the Messrs. Johannes Marthinus Horak and Andries van Sittert, members of the Honourable Court of Justice aforesaid, who have duly signed the minutes hereof together with the prisoner and me, sworn clerk. Below was written: To which I testify. Was signed: R: J: v: d: Riet, sworn clerk. Recollement Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honourable Court of Justice of this government, the slave Saripa, to whom these foregoing articles of interrogation, with the answers given thereto, having been read aloud clearly and distinctly word for word, declared that he adhered and persisted therewith, not desiring that anything more be added thereto or taken therefrom, testifying all the foregoing to be the pure truth. Below was written: Thus recollemented at Cabo de Goede Hoop, the 17th of November 1786. Was signed: and around it described, this mark was made by the prisoner's own hand. Lower, for the interpretation, was signed: Hendk: Matthijssen. In the margin, as commissioners, was signed: J: M: Horak, Ands: v: Sittert. Yet lower: In my presence, was signed: R: J: v: d: Riet, sworn clerk. Articles

Dutch transcription

Art 71„ Vervalt! zegd dat hy get zulx niet en weet maar dat welkom t laatst in huys geweest zegd tot omtrent midder nagt. 74 zegd na de gebergte en de waar zyl als toen zig naar bosschen. toe hebben begeeven. of zil verder Landwaards in zyn gegaan dan wel ke rug Caab waards = 76 of zyt niet van meening zijn geweest meerder plaatsen afte Loopen ƒ £ of zyl niet verscheydene Wagens zegd Ia dat andries daar wel van gesprooken heeft zyn nagegaan om deselve mede om de wagens nategaan te spolleeren. en te spolieeren en dat zyl daar op geantwoord hadden de eene sonde is niet voorby en wilt gy weder de ander beginnen" wat hun daar in is hinderlyk geweest 2 zegd als vooren Zegd Neen zegd na de Caap 7 tot hoe laat in de nacht of morgen zyl op de plaats verbleeven zijn? 72 wie zulx gedaan of geprop¬ neert heeft wat reeden zy get gehad hebben om Vyf reyrd aan Contante als meede een swartte rok lamisool en broek en Lamphe ook een hemd voor de vrouw en een voor de man te laaten! is. 2 0 0 - text 79 of zyl niet nog een uijt hun zegd dat hy gevr met nog anderen vier van zyne makkers hebben gesonden na de plaats op een zeekeren nagt gegaen van den burger Hendrik Hop zyn na de plaats van Hendrik Hop na de Carmelks revier om schaapen te steelen terwil Ionas by de goederen is verbleeven en dat hy gevr toen van zyn andere mak kers verdwaald zynde dus genoodsaakt was geweest na die plaats te rug te gaan toen dag wiord alwaar hy dan ook gevangen genomen is geworden: Vervald. zegd Jan zoo als hy gehoord zouden nu is 't tyd om te Vegten overgeeven. Laaten wij ons niet 8Z zegd door de Hollentots Captain door wien en waar omtrent Adam Pains op de plaats zyl gevangen genomen zyn van evengen: Hoppe Legd Ja. 84 of zyl ook eenige Kennis in't zegd dat Jonas dat huyshouden ƒ huys van gem Rotman hebben gekend heeft en gesegd heeft het is een Smous en dat gehad Andries met geweld daar na toe heeft willen gaan terwijl de andere in't veld hebben willen slaapen 83 of zyt niet van meening zyn geweest om alhier na de Caab te komen ten eynde de geroofden goederen te verkoopen! of niet toen zyl zig verraden heeft Damon gesegd hebben zagen een besluyt onder hun Eenparig genomen is om zig tot de Laatste man Liever te verdedigen dan zig goedwillig over te geven 80 wie die geweest is en of zulx niet is geschied om de gelee gentheyd om de gem plaats af te sien? text - 8 Vervald Zegd Neen Vervald art 85: of hun gepleegde moord uijt zegd dat hij genoodsaakt is een Wraaklust is veroorsaakt geweest om meede te doen dan maar alleen is geschied om want anders soude zyt te steeten en te Zooven hem hebben om 't Leeven gebragt. zegd geen reeden daar van te kunnen geven. Zegd. Neen. houtbaaij daar heeft hy een Jonge gestooken zonder dat die Jonge gestorven is. zegd niet anders als in den zegd dat het Hakmes Welkom de gevz de moord geweezen en een van kressen aan te vertoonen en te vragen? Damon en de andere aan wat hem gevr heeft toe behoord Jonas toebehoord hebben en wie de andere gebruykt hebben Legd Heen 93 of zit bij hun opdrossen van hier van meening zyn geweest te moorden ƒ zoo Ja deselve op de geven 9ƒ of er nog meer tot hun Complos behoord hebben G of de gev voor zyn priven zig meer aan moorden heeft schuldig gemaakt! „ zoo Ja deselve op te geven 86 zoo neer hoe zyt dan in koelen moede dat huyt ge sin hebben kunnen vermoorden. 8 of zyl niet meerder persoonen in't bysonder of huijs gesinnen hebben om 't Leeven gebragt dat - & & 6 2 . Vervald. zegd Neen. dat hij zegd Ja wil te weeten kwaad gedaan heeft zegd. Ja. zegd Jan. zulx gedaan heeft daarom mede gedaan te hebben zegd om dat de andere zegd niet tot zyn verscho ning te weeten! 100 wat hy get verder tot zyn verschooning zal kunnen bybrengen. Aldus gevraagd en beantwoord dat hem geve dan gemo veerd om zoo een gruwelyken en ontmenschte moord te beginnen 98 of hy get niet beweest is door deese daad ten uyterste staafwaardig te zyn en de dood verdiend te hebben. 95 of zyl zulx dan aan niemand hebben verhaald! 96 - - of de gem nu van agteren beschouwd niet begrypt kwaad gedaan te hebben 97 En dat men niemand vermoorden mag zonder zig selvs de dood schuldig te maaken! ant 94 zoo Ja wie alhier nog zyn geweest die hun voornemen hebben geweeten? aan aan Cabo de goede roop den 11 November 1786 voor de Heeren Iohannes Marthi nus Horak en Andries van Sittert leeden uyt den E achtb Raad van Iustitie voorm die de minuute deses beneevens de gevz ende my gesw Clercq mede behoor lyk hebben onderteekend /onderstont) 't welk ik getuijge /was geteekend/ R: I: V: D: Riet gesw Clercq Recollement Compareerde voor ons ondergeteekenden gecommitteerdens uyt den E Achtb raad van Iustitie deses gouvernements de slaaf Saripa dewelke dese voorenstaande vraag articulen met de daar op gegevene antwoorden van woorde tot woorden klaar en duydelyk voorgeleesen Zynde verklaarde daar bij te blijven persisleen =ren niet begeerende dat er iets meer bygevoegd ofte van gedaan werden sal betuygende al 't voorenstaande de zuijvere waarheyd te zyn /onderstont:) aldus gerecolleerd aan Cabo de goedehoop den 17 November 1786 /was getekend. / en daar omme beschreven dit merk heeft den gevn eijgenhandig gestelt Lager voor de Vertolking (was gete: kend Hendk: Matthijssen (in Margine als gecommitteerdens /was getekend P: M: Starak Am sitbert /nog Lager mij present was getekend R: J: V:d: Riet Geor Clerq. ArteCeelen 2

NL-HaNA_1.04.02_10984_0709 view scan ↗

English

Articles drawn up and submitted to the Honorable Commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, in order to hear, at the requisition of the sworn clerk Rijno Johannes van der Riet, qualified in office to attend to the affairs of the Landdrost of Swellendam Constant van Nult Onkruijt, the slave Wilkom of Ternaten, bondslave of the widow Daniel Beets, his responses to be given being duly recorded in the margin hereof. Article 1. His name, place of birth, age, and whose bondslave he is. Says Welkom of Ternaten, aged approximately 27 years, and bondslave of the widow Daniel Beets. Article 2. When he, the interrogated, deserted from here. Says the 28th of the month of September last. Article 3. How many and who precisely deserted with him at that time. Says that besides himself, the interrogated, the following also deserted: Andries of Christian Velbron, August of the burgher David Benjamin D'Hillij, Damon of Jochem Janneke, Jonas of Willem van Reenen, and Zaripan of Jan Bierman. Article 4. Who was the first who spoke of deserting. Says Andries and August were the first to speak of deserting. Article 5. Whether, when he, the interrogated, arranged with his other companions to desert, it was discussed by one or more of them to take along a forged pass. Says that when Andries and August asked him to desert, they said to him, the interrogated, you need not be afraid, we will see that we get passes to take along. Article 6. To show the interrogated the passes and to ask whether these are not the passes that were taken along by them from here. Says that Andries had asked for this, and indeed that he heard from Andries himself, and says yes, those are the same passes, and that Andries, as the first named in those passes, also carried them in his pocket. Article 7. Whether he, the interrogated, also knows who wrote those passes. Says that he, the interrogated, heard that he had been to Valentyn of Tampour to get a pass again, just as they had previously had one from him according to what they said, but that because they could not get it done with him again, they obtained those passes from a youth who lives in the house of Captain Paulsen, residing here. Article 8. Whether that was not written by a person who lives at the house of the military Captain Paulsen, recently arrived here from Batavia, named Johannes Jacobus Fabritius. Says he does not know the name, but indeed that it was as stated before. Article 9. Who requested those passes from that youth. Says that he heard that Andries had deceived that youth. Article 10. Whether he, the interrogated, did not himself ask that youth for that pass. Falls away. Article 11. Whether that youth wrote this on his own, or whether it was dictated by one of his, the interrogated's, conspiracy, and by whom. Says he does not know, because he was not present. Article 12. And whether that youth was not incited thereto by his mother, who also lives with the said Paulsen. Falls away. Article 13. Whether that youth was not fetched out of school by his mother for that purpose. Says he does not know. Article 14. How much was paid for that pass, and by whom. Says that Andries paid two rixdollars for it, according to his own statement. Article 15. Who received that money for it. Says as before, to that youth. Article 16. Whether the one who received that money or wrote it also knew what the sign was, or what would be carried out. Says nothing other than that Andries said that he and his companions were butcher boys. Article 17. Whether their intention upon deserting from here was also to murder and rob, or if they continually spoke of that among one another. Says yes, that the two Africans continually spoke of murdering and robbing, but that they lacked the opportunity. Article 18. Whether he, the interrogated, or as far as he knows another of the conspiracy, also made that intention known to this or that good friend of theirs here. Says no. Article 19. If so, who they are, to specify them distinctly. Falls away. Article 20. Where the agreement was between him, the interrogated, and the others to assemble together. Says in the dunes. Article 21. Whether he, the interrogated, or one of them did not tarry for a while in the tavern at the Salt River. Says that Andries waited a whole day at the Salt River in the tavern. Article 22. Whether they also lodged there at night. Says no. Article 23. Whether he, the interrogated, or who among them was acquainted with the Mohammedan priest Norman. Says yes. Article 24. Whether that priest also knew of their intention. Says no. Article 25. To show the interrogated the lead amulet and to ask who provided them with it. Says that Jonas had it, but he does not know where he got it. Article 26. Whether they were also given any assurance of the power of the incantation, and by whom. Says that Jonas knew of it, but nothing further. Article 27. Whether the interrogated also knows what that lead amulet was actually intended for. Says he heard that such lead amulets were meant to provide safety. Article 28. Whether he, the interrogated, does not know the material content of the superscription. Says he knows nothing about that at present. Article 29. Whether all the interrogated believed in the efficacy of the execution of that pass. Says no. Article 30. Whether he, the interrogated, also knows who among them took the powders along. Says he does not know. Article 31. From whom they obtained those powders. Says Laripa, Damon, and Jonas had powders. Article 32. What was to be carried out with them. Says he does not know, but that Zaripa did sometimes burn and drink something. Article 33. Whether, after they had taken along all ingredients for their intention in order to succeed happily therein, each of them was not provided with deadly weapons. Says no. Says yes, a chopping knife, an ordinary knife, and an English sword that he, the interrogated, took with him from home.

Dutch transcription

Compareerde voor ons onder Porticulen gedaan maaken geteekende gecommitteerdens en aan Heeren Gecommitteerd uyt den E achtb rund van Justiten uyt den E Achtb raade van deses gouvernements den slaas Iustitie deses Gouvernements welkom, dewelke op de neven overgegeven om ter requisitien van den gesw Clercq Rijno staande vragen zoodanige Johannes van der Riet in antwoorde gegeeven heeft Officio gequalificeert ter waar als bezyden een ieder derselve neminge der zaaken van staat aangeteekend= den Landdrost van Swellendam Constant van Nult Onkruijt gehoord te worden den Slaav Wilkom van Ternaten Leyt Eygen van de wede Daniel Beets zullende desselvs te gevene responsiven in margine deser behoorlyk worden bekend gestelt. Art„ des gen naam, geboorte plaats ouderdom en wiens Leyt Eygen hy is zegd den 28' der maand September Wanneer hy get van hier is laatstleeden opgedrost! hoe veel en wie deselve distinct Legd buyten hem gev zyn nog gedrost Andries van op te geven met hem als toen Christian Velbron August zijn mede gedrost van den burger David Benjamin D'Hillij Damon van Jochem Ianneke Jonas van Willem van Reenen Zaripan van Jan Bierman. Legd Andries en August hebben Wie de Eerste is geweest die van t eerst van drossen gesproken 't drossen gesprooken heeft oud na gissing 27 Jaaren en LeefEygen van de wed zegd Welkom van Ternaten Daniel Beets. ƒ art 5 zegd dat Andries zulx had gevraagd en wel dat hy van Andries zelfs Vernomen Legs dat wanneer Andries of wanneer hy get met zyn overige makkers afgesprooten en Auequst hem gevr hadde aangesogt om te drossen had, om te trossen niet door een dan wel meer is geproto zoo hebben zi tegen hem gevr: gesegd gij behoefd neerd om weeder een vals brieft niet bevreesd te zijn wy mede te neemen! zullen maaken dat wij briefjes mede krygen. de gevt de briefjes te Vertoonen zegd Ja dat zyn deselve briefjes en dat Andries en te vragen of dit niet de brief zulx als de Eerste in die jes zyn die door hier zyn mede briefjes genoemd ook in genomen2 zyn sak gedragen heeft. of hi get ook weet wie die zegd dat hy gevr gehoord heeft briefjes geschreeven heeft dat hy by Valentyn van Tampour geweest zij om weeder een briefje te krijgen, gelijk zyl volgens hun gesegde te vooren van hem een gehad hadden maar dat terwijl zijt bij hem niet weeder konde klaar raaken zoo hebben zyl die briefjes van een Iongeling die in't huijs van de hier remoreerende Captain Pauldn woond gekregen! zegd den naam niet te weeten off zulx niet is geschreven door maar wel dat zoo als een persoon die ten huijse van den Onlangs alhier van batavia aangekomene Capi tain militair Paulsen woond in naame Johannes Jacobus Fabritius! vooren. Ulhe die briefjes aan dien Jonge ling heeft versogt heeft dat hy die Iongeling zoud misleyd hebben dat 2 - - 2 v - Vervald zegd zulx niet te weeten vermids hy daar niet by is geweest. Vervald. zegt zulx niet te weeten zegt dat andries daar voor volgens zyn Eigen geseg dans twee reydds heeft betaalt. zegd als vooren aan dien Jongeling — 16 zegd niet anders als dat Andries af die geene die dat geld ont gesegd heeft dat hy en vangen of geschreeven ook zijn makkers slagter geweeten heeft wat het zes Jongens waaren seijn is geweest, of wat en zoude uytgevoerd worden of hun voornemen by ax Legd Ja dat den Twee Africaan ders geduurig gesprooken. drossing van hier ook hebben van moorden en geweest is om te moorden zooven maar dat 't hun aan de gelegentheyd ontbrooken heeft 1/6 Wie dat geld daar voor heeft ontvangen! 14 hoe veel voor dat briefje is betaalt en door wien! 13 of dien Iongeling tot dat eynde door zyn moeder niet is uyt School gehaald! 12 en op dien Iongeling niet door zyn moeder die meede by gem Paulsen woond daar toe is aangeset geworden. 1 - of hy get dien Iongeling om dat briefje niet selve heeft versogt? Art of dien Iongeling zulx geschre ven heeft uit zyn eygen, dan wel door een van zes gevr Com plot is voorgesegd en door wien 2 art vervald. Legd Neen. zegd in de duijnen zegd dat Andries een geheele dag aan het zoutte rivier in de Schaggery gewagt heeft.. Legd Neer zegd Ja. Zegd Neen zegd dat Jonas zulx gehad heeft maar waar hi 't gekregen heeft niet te weeten — - 25 den geva 't Lootje te Vertoonen en te vragen wie hun dat heeft besorgd! — 24 of die preeszer van hun voor nemen ook geweeten heeft 23 of hy get dan wel wie van hun kennis met den Maho metaanschen preester Norman hebben gehad 22 of zyl des nachts ook aldaar zyn gelogeert geweest 21 of hy get dan wel een van hun in de schaggerij aan de zoutte rivier niet een poosje hebben vertoefd! — 24 waar de afspraak was van hem get met de andere om by elkanderen te komen? 9 zoo Ja wie die zyn en deselve distinct op te geven 2 Ant 18 off hy gev. dan wel voor zoo verre hy get weet een ander van 't Complot dat voorneemen aan deese of geene van hun goede vrienden alhier ook hebben bekend gemaakt art 0 0 — zegd dat Jonas zulx wel geweeten heeft maar Verders niet. 27 of den gev ook weet waar zegd gehoord te hebben dat toe eygentlijk dat Lootje dienen„ diergelyke Lootjes tot zekerheid Dienden. zouden t Zegd Thans niets daar van te weeten Zegd Neen Legd zulx niet te weeten hebben poeijers gehad Zegd Laripa Damon en Jonas Zegd Neen - 32 zegd zulx niet te weeten maar wat daar mede zoude uytge„ dat zaripa wel somtyts voerd worden 2. iets gebrand en gedronken heeft. — Legd Jan Een Kapmes een ordinairen mes en Een Engelse deegen die hy get van huys mede genomen heeft. — of nadat zij alle in gredienten tot hun voornemen om daar in gelukkig te slagen mede hadden genomen niet ieder van hun van moord geweeren is voorsien ge¬ weest 3 van wien zy die poeijers gekregen hebben 30 of hy get ook weet wie van hun de poeyers heeft meden genomen. 29 of alle de gevs aan de Kragt der uytvoeringe van dat briefje hebben geloofd! 28 of hy get niet den zaaken lyken in hord van de Sueper scriptie weet ant 20 of hun ook eenige verseke¬ ring is gegeeven van de Kragt van de besweering en door wien Ant - 2

NL-HaNA_1.04.02_10984_0714 view scan ↗

English

fetched. have beaten off the rings says yes all together says Jan. says Jan and which of them was the chief says that August and Andries Captain were the heads of the plot and Jonas the guide says No that 34 35 5 whether there was not a conspiracy to remain true to Damon stepping inside one another. says the questioned to his face the truth thereof that they constantly swore the oath of loyalty, as long as they had wine, never to abandon one another and to die together the aforementioned says now that they indeed said we shall remain true to one another. says Yes says he cannot properly name whether they were not at various all the places places in their desertion — 40 where and with whom all. 38 whether Jonas did not serve as a guide ƒ whether they did not in the Dunes strike off the rings that their fellow prisoner Jonas had around his legs 36 whether after they met each other at the Salt River it was not directly their agreement to desert over the Hottentots Holland mountains to the Caffres „ not aat - - all the places, but finally they were at the place of Sebastian Rotman at the Heuning klip. says among other things that he witness had stolen money on the road in one of the Hottentot kraals, and Damon the clothes and that the Hottentots pursued them, being thereafter taken prisoner, and when they had returned the stolen goods they were then released again. says. Yes all together 42 says because they were still what prevented them therein provided with food thus being prevented by that. 4 says the one as well as the Who then were the instigators other spoke of it and thus in such a case spoke together. says Yes says Jan that Andries also showed those notes to the tailor showed them 46 says that Andries and August whether on that occasion it was not were the first who already resolved among them spoke of murder that if time and opportunity and indeed that permitted them so, to August said murder and plunder then. 45 whether they then [did not show] that note 44 whether they did not finally on the 21st of the just passed month of October arrive at the place the Honing klip belonging to the burgher Sebastiaan Rotman! text 41 whether they also had the intention to murder at one of those places has Art ƒ - says Jan. Lapses Lapses said on the occasion that they wanted to send him inside, by saying here is now the time now you can begin, for here are few people. says No knowing no reason. says that August and Andries who among them first first spoke of it proposed to put everyone to and that it was death there agreed to by all of them: — says No. says About towards the evening 53 how late in the afternoon did they arrive at the place of Rotman. 52 and upon the report that he witness brought to the other prisoners was it not directly decided to go to the place 5 whether the other witnesses then stayed far from the place? 50 whether he witness did not spy on that household! 49 whether that had been agreed to by all the aforementioned! Art 47 whether they also had any hatred or 7 envy towards the household of the aforementioned Rotman art - says Jan. says No the tailor himself asked. Art 54 whether the wife of Rotman, because her husband was not at home, did not ask them for a pass 55 whether after they showed that pass, the woman did not lodge them and provide them with proper food and drink! — 56 how late in the evening did they go to sleep 57 whether they did not, instead of going to sleep, keep watch, to take their time, when the whole household would have fallen asleep. — says Yes stayed awake and waited until all would have fallen asleep says estimated eight o'clock Art a 17 Says. Yes. two stabs and that tailor had still cried out O: God almighty and that he did not stab the servant as the others say, but that he witness only pretended such, because he was afraid that it would serve as a reproach against him. — 60 says One woman, how many persons, Two children, including the children, maids three maids and and slaves, were indeed two boys in the house! of whom one slept in the sheep kraal. — says Damon with whom that European lived art 58 whether an European servant was not in this household? art .. ƒ 0 Says Damon stabbed the Which of them prisoners stabbed tailor all the people, with two stabs to specify them distinctly and that Damon also and in what manner they stabbed two maids, the put all this into action one with one stab and carried it out and the other with six stabs, and that Damon also said, because he had to give so many stabs, God damn, how long the maid lives, can I not get her dead, and subsequently also a child inside in the room, which he witness himself has seen. — Zaripa wounded the boy Hector with two stabs, and subsequently when he prisoner Art 61 the says had opened the door with a pocket knife, then said Zaripa still struck the woman and the youngest child with a knobkerrie so long that he thought they were dead, and that Jonas wounded a maid under the bedstead, without knowing whether such was fatal, and while Andries and Jonas kept watch outside by the window so that no one should flee out, Andries gave the woman, who wanted to flee out from there because the door was opened, a blow with a knobkerrie, until she fell inwards, and that he witness committed no murders, but said such simply to satisfy his comrades, but that he aforementioned opened all the chests, robbed with violence and had stolen whatever he could get, and as far as he knows, August committed no murders. — now further that if the servant might have had three stabs, it might well be that he gave one stab art - 0

Dutch transcription

gehaald. hebben de rungen af zegd Ia alle te samen Legd Jan. Legd Jan en wie van hun de operste op Zegd dat August en Andries Capitain is geweest de hoofden zyn geweest van't Complot en Ionas de wegwijser Legd Neen dat 34 35 5 of er geen samen sweering is geweest om malkanderen Damon binnen treedende vrouw te blyven. zegd den gevr in facie de waarheyd daar van aan dat zy geduurig hebben geswooren den Eed van trouw als zy maar wyn hadden van malkanderen nimmer te verlaaten en te saamen te sterven de gem zegd thans dat zyl wel gesegd hebben wij zullen malkanderen getrouw blyven. Zegd Ja zegd alle de plaatsen of zyl niet op verscheyde plaatsen zyn geweest in hun opdrossen — 40 waar en bij wien al. 38 of Jonas niet als weg w ijser gediend heeft ƒ of zyl niet in de Duynen de ringen die hun mede gev Jona om de beeren had, hebben afgeslagen 36 of na dat zyl aan de Soutten revier bij malkanderen gekomen waaren niet direct hun af spraak was om over 't holtin tots hollands gebergte na de Caffers le drossen „ niet aat - - niet ten regten te kunnen noemen maar ten Laatsten zyn zyl geweest, op de plaats van Sebastian Rotman aan de Heuning klip. zegd onder anderen dat hi getr op de weg in een der Holtentots Craalen geld gestoolen had, en damon de Kleederen en dat de Hottentots hun vervolgd, zijnde daar na gevangen genomen, en wanneer zijt 't gestolen weder gegeeven hadden als toen weder gelargeert. zegd. Ia alle te samen 42 zegd om dat zyt nog van kost wat hun daar in heeft belet voorsien waren geweest dus daar door belet te zyn. 4 zegd de Een zoo wel als de Wie de aanraaders dan in andere daar van en dus zoo een geval zyn geweest te saamen gesprooken te hebben. Legd Ja Legd Jan dat Andries dre vertoont heeft briefjes aan de snyder ook hebben vertoond 46 Legd dat Andries en August of by die gelegentheyd onder hun de Eerste geweest zyn die niet alreeds beslooten was om indien hun de tyd en gele van moorden gesproken gentheyd zuld toeliet als hebben en wel dat dan te moorden en te plunderen. august gezegd 45 of zyl toen niet dat briefje 44 of zyt niet eyndelyk op den 21 der even afgeweekene maand October op de plaats de Honing klip den burger Sebastiaan Rotman toe behoorende zyn gekomen! text 41 of zy ook intintie hebben gehad om te moorden op een dier plaatsen heeft Axt ƒ - zegd Jan. Vervald Vervald heeft bij gelegentheyd dat zijt hem hebben willen na binnen zenden, met te zeggen hier is 't nu de tyt nu kund gyt beginnen, want hier zyn wynig menschen. zegd Neen geen reeden te weeten. zegd dat August en Andries wie van hun het Eerst daar 't eerst van gesproo geproponeerd heeft om alduar ken hebben en dat daar alles om 't Leven te brengen in door hun alle was toegestemd: — Zegd Neer. Legd Omtrent tegens den Avond 53 hoe laat in den agtermid dag zyt ter plaatse van Rotman gekomen zyn. 52 en op 't rapport dat hy get de ander gevs gebragt heeft niet direct is beslooten na de plaats te gaan 5 of de overige get zig verre vande plaats als toen hebben opgehouden? 50 of hy get dat huys houden niet heeft verspied! 49 of zuld door alle de gez. was toegestemd geworden! Art 47 of zyl ook eenige haat of 7 nyd op 't huys houden van evengem Rotman hebben gehad art - zeyd Jan. zegd Neen de snyder heeft zeeld gevraagd. Art 54 op de vrouw van Rotman vermids haar man niet te huys was, hun lieden niet na een padbriefje heeft ge vraagd 55 of na dat zylieden dat padbriefje vertoond hebben, niet de vrouw hun heeft geherbergd en van behoor lyk eeten en drinken heeft versorgt! — 56 hoe laat in den avoad zijlieden gaan slaapen zin 57 of zylieden niet in steede van te gaan slaapen hebben gewaakt, om hun tyd waar te nemen, wanneer het geheele huijs gesin¬ zoude in slaap ge zaakt zyn. — zegd Ja wakker gebleeven en gewagt tot alles zoude in slaap ge raakt zijn zegd na gissing agt uuren Art a 17 Zega. Ja. twee steeken en heeft had dien snyder nog geroepen O: god almagtig en dat hy de knegt niet gestooken heeft zoo als de andere zeggen, maar dat d hy get zulx alleen heeft voorgewend, om dat hij bevreest was, dat het hem tot verwijt soude strekken. — 60 zegd Een vrouw, hoe veele persoonen Twee kinderen, er met de kinderen drie meijden en slaven mede gere¬ twee Iongens kind wel in huijs waar van waaren! een in de schaape Craal geslaapen heeft. — zegd Damon met wie dien Europees gewoond art 58 of niet in dit huysgesin een Europeese knegt zig bevind? art .. ƒ 0 Zagd Damon heeft de Wie van hun geve alle snyder gestooken de menschen gestooken met twee steeken hebben deselve distinct en dat Damon nog twee Meyden ge op te geven en op wat stooken heeft de manier zij dit alles Eene met Een steek hebben in't werk gestelt en ter uijt en de andere voer gebragt met ses steeken, en dat Damon nog gesegd heeft om dat hy zoo veel steeken geven moest god dome, wat Leefd de meijd Lank, kan ik haar niet dood krygen en vervolgens nog een kind binnen in de Camer het geen hy getr zelfs gesien heeft. — Laripa heeft de Ionge Hector met twee steeken geword en nog vervolgens wanneer hy gevz Art 61 de zegt de deur geopend had met een kakmes„ zoo had gemelde zaripa nog de vrouw en 't Iongste kind met een kirrij zoo Lang geslagen, dat hy meende dat zijlie den dood waaren en dat Jonas Een meyd onder 't Ledekant gewond heeft, zonder te weeten of zulx doodelyk is geweest en terwyl andries en Jonas buyten bij het vengster de wagt hielden dat er niemand uyt vlugten soude, zoo heeft Andries de Vrouw die daar uijt vlugten wou vermids de deur geopend wierd een slag met een kirrij gegeeven, tot dat sy na binnen gevallen is, en dat hij get geen moorden gepleegd heeft, maar zulx simpel gesegd te hebben, om zyne makkers te vreede te stellen, maar dat hy gem. alle de kisten geopend heeft met geweld geroofd en gestoolen had wat hij maar krygen kan en voor soo verre hij weet heeft August geene moorden gepleegd. — thans nader dat zoo indien de knegt drie steeken mogte hebben het dan wel weesen kon dat hy een steek gegeeven heeft art - 0

NL-HaNA_1.04.02_10984_0721 view scan ↗

English

states Zaripan with two wounds states he the deponent with Zaripa states Zarepa states that Zaripalen and Damon murdered one child but of the others he does not know where they ended up. states Jonas. of the children he does not know states that they all together agreed to it and also carried everything out unanimously states Yes 68 which of them had incited the others the most or whether they were all of one mind and carried out that murder with pleasure 69 whether he the deponent with the others had not after committing the abominable murders broken open all the chests and cupboards that were in that house robbed and stolen whatever they could carry with them whether the maid did not hide under the bedstead with two children of Rotman states Indeed the maid but of who wounded the slave woman Martha 65 Who murdered the three children of him Botma! 64 Who killed the wife of him Rotman and in what manner 63 who chopped open the room where the wife of the aforementioned Rotman was with her children and with what! Cent 62: Who killed the slave Hector and in what manner and how many wounds! not the to 17 Lapsed Art 70 what all they have robbed! states seven coats as far as he the deponent knows six rolls of satin, three watches, a silver clasp purse, a pair of silver shoe and breeches buckles, two pieces of lining chintz and furthermore a quantity of clothes and cash as well as a gold ring and a pair of gold buttons. what reason they had to leave five rixdollars in cash as well as a black coat waistcoat and breeches and mourning crepe also a shirt for the woman and one for the man states he does not know about that 72 who did or proposed such states around midnight: until what time in the night or in the morning they remained on the farm. 74 where they went further inland or back towards the Cape states that they set out on the way back towards here with the intention to sell all the goods here at the Cape, and then, whenever all the goods might be sold, to set out on the way again with a false pass. art 75 states No. whether they had not intended to raid more farms states further that Jonas still went to the farm of a certain Smith to spy in order to rob and murder there as well because according to Jonas a man lives there alone however Jonas had said upon returning that there was no one and the farm was abandoned, whereupon he the deponent with Andries had gone there just to look at that farm. 76 whether they did not follow several wagons to rob them as well states that Andries proposed while they saw a wagon to go there to rob it but that it was unanimously said by them one guilt is not yet over and do you now want to begin another again. states as before whether they did not send one of their number to the farm of the burgher Hendrik Hop states that he the prisoner with two of his companions went to the farm of Hop in the night to steal sheep while Jonas remained with the goods and that Laripa when he that night through the darkness wandered that they were hindered in doing so steal. wandered off went back to the farm and was also captured there Lapsed states Yes. states that Damon said now is the time to defend ourselves we must not let ourselves be taken prisoner willingly but rather fight to the last man. 91 whether when they saw themselves betrayed a resolution was unanimously taken among them to rather defend themselves to the last man than to surrender willingly! 87 by whom and whereabouts they were taken prisoner states to have been taken prisoner by a Hottentot Captain Adam Prins and his men near the Melkhout River states: No! 84 whether their committed murder was caused by a desire for revenge or only happened to steal and to rob. whether they also had any acquaintance in the house of the aforementioned Rotman states from no evil heart but to have been forced by hunger and thus to have done such only to steal and to rob. 82 whether they had not intended to come here to the Cape in order to sell the stolen goods Art 79 Who that was and whether such was not done to reconnoitre the situation at the farm 0 lapsed Lapsed states to be unable to give any reasons for that. states No. states No. states the chopping knife belongs to him and the two krises to Damon of which Jonas used one having the others had knives states No. states No. if no, how they then in cold blood were able to murder that family. whether they upon their desertion from here, had intended to murder 94 if so to name them! 94 whether any more belonged to their plot 89 to show the prisoner the murder weapons and to ask what belonged to him the prisoner and who used the others 88 if so to name them! 87 whether the prisoner for his personal part had made himself guilty of more murders 86 whether they had killed more persons in particular or families 85: text Art E

Dutch transcription

zegd Zaripan met twee wonden zegd hy getz met Zaripa Zegd Zarepa zegd dat Zaripalen en Danson een kind ge moord hebben maar van de andere niet te weeten waar die beland zijn. Zegd Jonas. vande kinderen niet te weeten zegd dat zyt alle te samen daar in hebben gestimd en ook eenparig alles hebben uytgevoerd Legd Ja 68 ie van hun wel het meest de andere hebben aangesit dan of zy alle eens gesind waaren en die moord met genoegen hebben volbragt =: 69 of hy get met de anderen Ledekant zig heeft verstoo ken met twee kinderen van Rotman zegd In de meid wel maar of niet de meid onder het wie de slavin Martha ge wond heeft 65 Wie de drie kinderen van hem Botmeen hebben ver moord! 64 Wie de huysvrouw van hem Rotman heeft om 't Leeven gebragt en op wat manier 63 wie de Camer daar de huysvrouw van bovengem totman met haar kinderen in waaren opengehakt heeft en waar mede! Cent 62: Wie den slaaf Hector heeft om 't Leeven gebragt en op wat manier en hoe veel wonden! niet : de te 17 Vervald Art 70 zegd seven Iassen voor zoo wat zij al geroofd hebben! verre hy getr weet ses sattyne rollen, drie horologies, Een zilvere beugeltas„ Een paar zilvere schoe en broeksgespen, twee p=s. voering Chitsen en voorts Een party kleeren en Con tanten als meede Een goude ring en Een paar gouden knoopen. zegd daar van niet te weeten wat reeden zy gevr gehad hebben om vyf reyd aan Contante als meede Een swartte rok Camisool en broek en Lampher ook een hemd voor de Vrouw en een voor de man te laaten 72 wie zulx gedaan ofte gepro poneerd heeft zegd omtrent midder nagt: tot hoe laat inde Nagt of 'smorgens zyt op de plaats verbleeven zyn. 74 zegd dat zyl naar herwaards waar zyt verder landwaards weder op weg zyn gegaan in zyn gegaen dan wel te met intentie om al de goederen alhier aande rug Caabwaards niet na 't pleegen der afschuwen lyke moorden alle de kisten en Casten die in dat huys waaran hebben opengebrooken geroofd en gestoolen wat zil muar mede konde voeren baab art Caab te verkoopen, en dan, om zoo wanneer alle de goederen verkogt mogte zyn, als dan weder op weg te gaan met een vals briefje. art 75 Zegd Nteen. of zyl niet van meening zyn geweest meerder plaatsen zegd nader dat Jonas nog afte loopen na de plaats van eene Smith is gegaan om te spioneeren ten eynde daar meede te rooren en te moore den om dat volgens zeggen van Jonas daar een man alleen woond edog had Jonas by te rug komst gesegd dat er niemand en de plaats verlaaten was, wanneer hy get met Andries daar na toe waaren gegaan om maar naar die plaats te zien. — 76 of zyt niet verschyde wag zegd dat Andries gepropo„ neert heeft terwijl zyl gens zyn nagegaan om een wagen zagen om deselve mede te spolieeren daar na toe te gaan om die te spolieeren maar dat door hun eenparig is gesegd de eene schuld is niet voor bij en wild gij nu weder de andere beginnen. zegd als vooren of zit niet nog een uijt zegd dat hy gev met nog twee van zyne makkers hun hebben gesonden na na de plaats van Hop de plaats van den burger gegaan is des nagts Hendrik Stop om schaapen te steelen teverwijl Jonas bij de goederen verbleeven is en dat Laripa wanneer hy die nagt door den donker dat hun daar in is hender lyk geweest verswaald - Vervald zegd Ja. steelen. verdwaald weder na de plaats is gegaan en ook aldaar gevangen genomen zegd dat damon gesegd heeft nu is 't tyd om ons te weeren wy moeten ons niet goedwillig gevangen geeven maar Leever regten tot de Laatste man. gt of toen zyl zig verraden zagen een besluijt onder hun Eaten paarig genoomen is om zig tot de Laatste man Liever te verdedigen dan zig goed willig over te geven! 87 Legd gevangen genomen te door Wien en waar omtrent zijn door Een hottentots zyl gevangen genomen zyn" Capitain Adam Prins en Zyne manschappen omtrent de Carmelks revier Zegd: Neen! —84 zegd uyt geen kwaad hart maar of hun gepleegde moord uijt genoodsaakt geweest te zyn om de honger en een Uraaklust is veroor dus alleenlik ulx ge saakt dan maar alleen is daan te hebben om te geschied om te steelen en te rooven. of zyl ook eenige kennis in't huys van gem Rotman hebben gehad 82 of zyl niet van meening zyn geweest om alhier nade Caap te komen ten eynde de geroofde goederen te ver koopen Art 79 Wie die geweest is en of zulx niet is geschied om de gelegent heyd op de plaats af te sien= - 0 vervald Vervald zegd daar geen reedenen van te kunnen geeven. Zegd. steen. Zegd Neen. Zegd de Capmes hem toe te behooren en de twee krissen damon waar Jonas een van gebruykt heeft hebbende de overigen Messen gehad Legd Neen. Legd Neer of zyl bij hun opdrossen van hier, van meening zyn geweest te moorden -9L zoo Ja deselve op te geven! 94 of er nog meer tot hun Complot behoord te hebben 89 den gevr. de noord Ge weeren te vertoonen en te vragen vat hem gev: heeft toebehoord en wie de andere gebruykt halken 8 zoo Ja deselve op te geven! 8p off de gevt voor zyn prive zig meer aan woorden heeft schuldig gemaakt 86 of zijl niet meerder persoo nen in't bysander of huij gesinnen hebben om 't leven gebragt 85: text zoo neen, hoe zijt dan in koe„ len moeder dat huys gesin heb ben kunnen vermoorden. Art E

NL-HaNA_1.04.02_10984_0726 view scan ↗

English

Lapsed Lapsed says Yes says Yes! to accomplish it. says to be convinced because he belongs under the plot death is also entailed says to accomplish the conspiracy 99 says No, not to know what he, the interrogated party, can further bring forward in his excuse, in his excuse! Thus questioned and answered at Cabo de Goede Hoop on the 10th of November 1786 before the Honorable Johannes Marthinus Horak and Andries van Sittert, members of the Honorable Court of Justice aforesaid, who have duly signed the minutes of this together with the interrogated party 98 what then motivated him, the interrogated party, to begin such a gruesome and inhumane murder 97 whether he, the interrogated party, is not aware of being, through this deed, deserving of the utmost punishment, and of having deserved death 96 And that one may murder no one without making oneself guilty of death 95 whether he, the interrogated party, now looking back, does not understand that he has done evil 94 whether they then told this to no one! Article 93 if so, who here has also been someone who knew their intention. having deserved 8 and me, the sworn clerk, which I witness, was signed: R: J: V:d: Riet, sworn clerk. Re-examination Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, the aforesaid slave Wilkom, who, these preceding question articles with the answers given thereto having been read out clearly and distinctly word for word, testified to stand by them and persist, with the desire that nothing more shall be added or taken away, testifying that all the preceding is the pure truth. Underneath stood, thus re-examined at Cabo de Goede Hoop on the 17th of November 1786, was signed X and therefore described: this mark the interrogated party has made with his own hand. In the margin, as commissioners: J. M. Horak and A: van Sittert. Lower, present me, was signed: R: J: V: de Riet, sworn clerk. Appeared before the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, the Hottentot Captain Adam Prins, of competent age, who, at the requisition of the merchant and Landdrost at Swellendam, the Honorable Constant van Nult Onkruyd, declared it to be true: That the appearer, who resides with three other Hottentots named Piet Kaalkop, Adam Prins, and Piet Prins on the farm of the burgher Jan Hoppe situated at the Carnmelks River, about twelve or thirteen days ago, without however wishing to be bound to the precise time, having been commanded by the Heemraden Pieter Ferraire and Piet Pienaar to go out after a plot of slaves who had committed a terrible murder on the farm of the burgher Sebastiaan Rotman, and to overtake the same murderers if possible and deliver them into the hands of Justice, as they, Ferraire and Pienaar, had received information that the aforesaid plot had not gone further inland from the farm of Rotman, but had turned back and might possibly attack the aforesaid farm of Hop, which lies along the road; wherefore the appearer, with the three aforesaid Hottentots and a certain person of that nation named Jan Paarl, who had just come to visit the farm of the aforesaid Hoppe, had prepared himself to seek out the aforesaid plot of slaves the next day as early as possible; that the day after, very early in the morning, one of the plot named Saripa having come onto the farm of the aforesaid Hoppe, had answered to the farmhand of the aforesaid farm named Leendert Franke, upon the question whose slave he was and where he came from, that he was a butcher's boy and had lost his pass; but that the appearer, having immediately become suspicious, immediately had that slave tied up, notwithstanding that he acted as if he knew nothing of the plot; That the appearer, having then discovered at the sheep kraal that on that same night, as has happened more often at that place, runaways had been in the kraal, had immediately thereupon resolved to follow with the aforesaid four Hottentots the tracks which could be clearly seen by the sheep kraal; just as the appearer, when he had followed the same tracks for barely half an hour, had come to the river, where he, having then discovered five slave boys in a bush there, had proceeded to the same bush with the four other Hottentots he had with him, whereupon the appearer, seeing that one of them, being a small yellow boy, had two knives in his chest, of which he immediately pulled one out and held it in his hand, first asked them whether they would come out of the bush and surrender willingly; that the appearer, discovering in their posture quite the contrary, fired his gun at them, whereby one of those slaves having been hit in the legs, the appearer had heard the aforesaid small yellow boy say to the other in the Malay language: "Now is our time, we must just do away with them too!" Wherefore the appearer, having immediately reloaded his gun, fired at them once more, without that shot, however, being able to hit them in view of the thick brush; That the appearer with his other people, however, having continually thrown stones at them, then finally brought it so far, as well through threats as otherwise, that they nevertheless came out of the bush and surrendered to the appearer, the appearer having then made them go before him, and after having advanced for a quarter of an hour he met Captain Zeer with the people he had with him, whereupon the appearer then bound the arms of the same five slaves, and brought them, along with the slave who had remained on the farm, in his own person into custody at Swellendam; declaring nothing more, the appearer gives as reasons of knowledge as being prepared in the text such

Dutch transcription

Vervald Vervald zegd Io zegd Ja! te volbrengen. zegd overtuygd te zyn Om„ sorteert mede de dood dat hy onder het Complote zegd om de samen sweering 99 zegd Neen niet te weeten wat hy gevr verder tot zyn tot zin verschooning verschoning zal kunnen bybrengen! Aldus gevraagd en beantwoord aan Cabo de goederoop den 10 november 1786 voor de Heeren Iohannes Marthinus Horak en Andries van Sittert leeden uyt den E achtb raad van Iustitie voorm die de minuute deser nevens den gevn 98 wat hem gev dan gemoveert heeft om zoo eene Gruwelyke en ontmenschte moord te beginnen 9 of hy get. niet bewust is door dese daad, ten uytersten straf waardig te zyn, ende dood verdiend te hebben — 96 En dat men niemand vermoor den moeg zonder zig selvs de dood schuldig te maaken 95 hij getr nu van agteren off ƒ beschouwd, niet begrypz kwaad gedaan te hebben 94 of zyle zulx dan aan niemand Of hebben verhaald! Art 93 zoo Ja wie alhier nog zy ge weest die hun voornemen hebben geweeten. „ verdient te hebben 8 en my gemw Clercq mede behoorlijk hebben ondertekend /onderstont/ 't welk ik getuygen /:was getekend/ R: J: V:d: Riet gesw: Clercq„ Recollement Compareerde voor ons ondergetekende ge„ Committeerdens uijt den E achtb raad van Justitien deses gouvernements de voorsz slaav Wilkom dewelke dese voorenstaande vraag Articilen met de daar op gegevere antwoorden van woorde tot woorde klaar en duydelyk voor geleesen zynde betuygde daar bij te blyven persisteeren met begeerte dat er niet meer bijgevoegd ofte van gedaan werden zal be„ tuygende alle het voorenstaande de zuijveren waarheyd is. (Onderstont/ aldus gerecollert Aan Cabo de goedehoup den 17 November 1786 /was getekend/ X en daarom beschreven dit merk heeft den gevr eygenhandig ge stelt /in margine / als gecommitteerd=s J. M Horak en A: ven Sittert /Lager/ mij present /was getekend/ R: In V: de Riet gem Clercq. — Compareerde voor de ondergetekendens gecommitteerdens uyt den E achtb raad van Iustitie deses gouvernements den Htottentots Capitain Adam Prins van Competenten Ouderdom dewelke ter requisitie van den koopman en Landdrost te Swellendam de Heer Constant van Nult onkruyd verklaarde hoe waar is. Dat den Compt die met drie anderen holtentotten in Naame Piet Kaalkop Adam Adam Prins en Piet Prins op de plaats van den burger Ian Hoppe aan de Carnmelks revier gelegen woonagtig is voor nu twaalf of dertien dagen geleden zonder egter in den precisen tyd te willen bepaald zyn door de Heemzaaden Pieter Ferraire en Pret Pienaar gecommandeert zynde geworden om op een Complot slaaven die op de plaats van den burger Sebastiaan Rot man een verschrikkelyke moord gepleegd hadden uijt te gaan en deselve moorden naars des doenelyk te achter haalen en in handen der Iustitie te Leveren alsoo zy Ferraire en Sienaar Kennisse hadde bekomen dat het voorsz Complot van de plaats van Rotman niet verder Land waards is gegaan; maar te rug gekeerd was en mogelyk wel de gem plaats van Hop, die aan de weg Leyd, zoude aan voorz doen: zulx den Compt zig met de drie hottentotten en zeekere van die Natie in naame Jan Paarl die Juyst op de plaats van gem Hoppe was komen kuijeren had gereed gemaakt om 's andersen daags, zoo vroeg doenelyk voorsz Complot slaaven op te soeken dat 's daags daar aan zeer Vroeg in den morgen stont een van't Complot in naame Saripa op de plaats van gem Hoppe gekomen zynde, aan de knegt van voorsz plaats Leendert Franke genaamd op de Vaage wiens slaav hy was en waar hij van daan kwam, geantwoord had, dat hy een slagters Iongen was en en zyn pad briefje kwijt geraakt was; dan dat de Compt ten eersten Agter dogt gekree gen hebbende dien slaav, tegenstaande hy zig hield als of hy van 't Complot niets wiste terstont heeft doen vast binden Dat den Compt als toen bij de schaap„ braal ontdekt hebbende, dat dienselven nagt gelyk op die plaats wel meer is gebeurd drossers in de kraal waaren geweest, ter stont daar op beslooten had, om met de gem vier holtentotten, de Spooren die by de Schaapen kraal, duydelyk konde gesien worden te volgen, gelyk den Compt dan ook wanneer hy deselve spooren naauwlyks een halv uur had nagegaan was gekomen by de revier alwaar hy dan in een Bosch aldaar ontdekt hebbende Vyf slaave Jongens, zig met zyn by zig hebbende vier andere holtentotten naar het selve bosch begeven had, als wanneer de Compt ziende dat een van hun, zynde een klyne geel Iongen, twee messen in zyn borst had, waar van hy ter stont een uijt haalde en in zyn hand hield, hun eerst gevraagd had, of zij uyt het bosch komen en zig goed willig overgeeven wilden, dat dat den Compt in hunne houding Juyst het tegendeel ontdekkende zin geweer op hun had Los geschooten waar waar door een van die slaaven in de beenen getroffen zynde had den Compt de voorm klynen geele Ionge in de Meeleijtsche taal tegen den anderen hooren zeggen: nu is onsen tyt wy moeten die ook maar van kant helpen! zulx den Compt. zin geweer terstont weer geladen hebbende, ander maal op hun had Los gebrand, zonder dat dien schoot egter ten arnsien van de dikke ruygte hun had kunnen treffen Dat den Comp=t met zyn ander volk hun egter geduurig met steenen gesmee ten hebbende het dan eyndelijk zoo door dreijgementen als andersints zoo verre hadd gebragt dat zy toeh uijt bos zyn gekomen en hun aan den Compt. hebben overgegeven, hebbende den Compt. hun als toen voor zig uit doen soo gaan en na een quartier Uurs te zyn geavanceert hy ontmoeten de Capitain Zeer met zyn byhebbende volk als wanneer den Compt deselve Vyf slaaven toen had gevleugeld, en hun nevens de op de plaats Verblevene slaaf in eygenear persoon te Swellen dam in Hegter is gebragt— iets meer verklaarende geeft den Compt voor reedenen van weeten schap als in den text bereyd zynde zalx

NL-HaNA_1.04.02_10984_0731 view scan ↗

English

to confirm this further. Thus passed at Cabo de goede hoop on 14 November 1786 before the Messrs. Johannes Marthinus Horak and Andries van Sittert, Members of the Honourable Council of Justice aforesaid, who have duly signed the minute hereof along with the Appearer and me, sworn Clerk /beneath stood/ which I witness /was signed/ R: J: V: D: Riet sworn Clerk. Verification Appeared before us, the undersigned commissioners of the Honourable Council of Justice of this Government, the Hottentot Captain, the Valiant Adam Prins, who, this his preceding declaration having been read aloud clearly and distinctly, declared to persist therein, desiring that nothing more be added to or taken from it, saying all the preceding to be the pure Truth. /beneath stood/ thus verified at Cabo de goedehoop on 11 November 1786: /was signed/ F and around it written this mark was made by the Appearer with his own hand /in the margin/ as commissioners was signed: J. M: Horak, A: v: Sittert (Lower) in my presence /was signed/ R: J: V: D: Riet sworn Clerk Appeared before the undersigned commissioners from the Honourable Council of Justice of this government, Piet Prins, Jonge Adam Prins and Piet Kaalkop, Hottentots all of competent age, who, at the requisition of the Merchant and Landdrost at Swellendam, Mr. Constant van Nult Onkruyd, declared it to be true: That the Appearers, on the orders of the Captain named Adam Prins who lives with the Appearers on the farm of the burgher Jan Hoppe, having gone out with the said Captain and also a certain Hottentot named Jan Paarl, some thirteen or fourteen days ago now without knowing the exact time, after a gang of slaves who had committed murder on the farm of the burgher Sebastiaan Rotman, had sighted the same slaves, consisting of five individuals, half an hour from the House near the so-called harmelk river in a forest; that the aforesaid Captain, having first ordered them to surrender willingly and this being refused by them, had subsequently fired at the same slaves, upon which one of them, being a yellow youth who had two knives with him, one of which he held in his hand, having spoken to the others in the Malay language, the said Captain had discharged his gun at them once again, while the Appearers the Appearers, together with the said Hottentot Jan Paarl, had surrounded the same slaves around the forest with large stones in their hands, whereupon they, finally upon the repeated demand of the Captain that they had to surrender, came out of the Forest, just as the Captain then first made them walk ahead of him and thereafter, upon the arrival of Captain Rees with his people, had them tied up and conveyed to the farm of the said Hoppe, the said Captain and the Appearers having transferred the same five youths, together with another slave who belonged to the gang and had already been captured in the morning on the farm, into custody to Swellendam. Declaring nothing more, the Appearers give as reasons of knowledge as in the text, being prepared to confirm the same further. Thus passed at Cabo de goede hoop on 10 November 1786 before the Messrs. Johannes Marthinus Horak and Andries van Sittert, Members of the Honourable Council of Justice aforesaid, who have duly signed the minutes hereof together with the Appearers and me, sworn Clerk /beneath stood/ which I witness /was signed/ R: J: V: d: Riet sworn Clerk Verification Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honourable Council of Justice of this Government, the Hottentots the Hottentots Piet Prins, Jonge Adam Prins and Piet Kaalkop, who, this their preceding declaration having been read aloud clearly and distinctly, word for word, declared to persist therein, desiring that nothing more be added to, or taken from it, saying that all the preceding is the pure truth. /beneath stood/ thus done and verified at Cabo de goede hoop on 11 November 1786 /was signed/ three crosses and around each written that the marks were made with their own hands by Piet Prins, Adam Prins and Piet Kaalkop /in the margin/ as Commissioners /was signed/ J: M: Horak and A van Sittert /Lower/ in my presence /was signed/ R: J: V: D Riet sworn Clerk. Appeared before the undersigned commissioners from the Honourable Council of Justice of this Government, the Hottentot Jan Paarl of competent Age, who, at the requisition of the merchant and Landdrost at Swellendam, Mr. Constant van Nult Onkruyd, declared it to be true: That when the Appearer, some thirteen or fourteen days ago now, without however having remembered the precise time, had gone for a walk to the farm of the burgher Jan Hoppen situated on the Carremelks river, he, the Appearer, on that occasion was ordered by Captain Adam Prins, who resides on that farm, to [illegible] the same and three other Hottentots likewise living on the same farm after a gang of slaves who had committed murder at the burgher Sebastiaan Rotman's

Dutch transcription

zulx nader gestand te doen. Aldus gepasseerd aan Cabo de goede hoop den 14 november 1786 voor de Heeren Iohannes Marthinus Horak en Andries van Sittert Leden uyt den E achtb raade van Justitie voorm die de minuute deses benevens den Compt en my gemw Clercq mede be hoorlijk hebben ondertekend /onderstont, 't welk ik getuigen /was getekend/ R: J: V: D: Riet geew Clercq. — Recollement Compareerde voor ons onsergetekende gecom mitteerdens voor den E achtb raad van Iusti tie deses Gouvernements den hollentots Capitain de Manhafte Adam Prins, dewelke dese zyne voorenstaande ver klaaring klaar ende duydelyk voor geleesen weesende verklaarde daar by te blijven persisteeren met begeerte dat er niets meer by ofte van gedaan werden zal zeggende al 't voorenstaande de zuyvere Waarheyd te zyn. /onderstont/ aldus 7 gerecolleert aan Cabo de goedehoop den 11 november 1786: /was getekend./ F en daaromme beschre ven dit merk heeft den Compt eijgen handig gestelt /in margine / als ge was getekend: =Committ:s I. M„r Hdrak A: v: Sittert (Lager) my present /was getekend/ R: J: V: D: Riet geen Clercq Compareerde voor de ondergetekende gecommit teerdens uyt den E achtb ruid van Iustitie deses gouvernements, Piet Prins, Ionge Adam Prins en Piet Kaalkop, Holtentotten alle van Competenten ouderdom dewelke ter requisitie van den Coopman en Landdrost te Swellendam de Heer Constant van Nult Onkruyd verklaarde, hoe waar is. Dat de Comp=ten op ordre van den Capitain in naame Adam Phins die nevens de Compten op de plaats van den burger Ian Hoppe woond, met gem Capitain 'er nog zeekeren hottentot in naame Jan Paarl voor nu wel dertien of Veertien dagen geleden zonder den regten tyt te weeten, op een Comptot slaaven die op de plaats van den burger Sebastiaan Rotman gemoord hadden, uytgegaan zynde, deselve slaaven bestaande in Vyf stuks Een ƒ half uur van Huijs by de zoo genaamden harmelk revier in een bosch hadden ontwaard, zulx voorsz Capitain hun eerst gelast hebbende zig goedwillig over te geven en dit door hun gewygerd zynde vervolgens op deselve Slaaven geschoten had, als wanneer een van hun zynde een geele Jongen die twee Messen waar van hy Een in zyne hand hield, bij zig had, tegen de andere in de Maleytsche taale gesprooken hebbende gem Capitain zyn geweer andermaal op hun had Los geschoten, terwil de Com paranten Comparanten nevens gem Htottentot Jan Paarl met groote steenen in de handen deselve slaaven rondom het bosch hadden beset, als wanneer zy Eyndelyk op het Eerhaald zeggen van den Capitain dat zy zig over moeste geven uyt het Bosch zyn gegaan, gelyk den Capitain hun als toen eerst voor zig heeft doen uytgaan en daar na by de komst van Capitain Rees met zyn volk heeft doen vast binden, en naar de plaats van gem Hoppe overbrengen hebbende gem Capitain en de Compten. deselven vyf Jongens beneevens Een andere slaap die bij 't Comptot behoorden en 's morgens reeds op de plaats was gevangen genomen, naar Swellendam in Hegtenis overgebragt. Niets meer Verklaarende geeft den Compte voor reedenen van Weetenschap als in den text bereyd zynde deselve nader gestand te doen. — Aldus gepasseerd aan Cabo de goede hoop den 10 november 1786 voor de Heeren Johannes Marthinus Horak en Andries van Sittert Leeden uyt den E achtb raad van Justitie voorm die de minuuten deser benevens de Comparanten ende my gesw Clercq mede behoorlyk hebben ondertekend /onderstont) 't welk ik getuyge /was getekend/ R: J: V: d: Riet geow Clercq Recollement Compareerde voor ons ondergeteekende gecommitteerdens uyt den E acht raad van Justitie deses Gouvernements de Hotten totten Hottentotten Piet Prins, Ionge Adam Prins en Piet Kaalkop, dewelke dese hunnen vooren staande declaratoir klaar en duidelijk woor delijk voorgeliezen wesende, verklaarde daar by te blijven persisteeren met begeerte dat er niets meer bij, ofte van gedaan werden sal, zeggende dat al 't voorenstaande de zuyvere waarheijd is. Onderstont/ aldus gedaan en gerecolleert aan Cabo de goede hoop den 11 November 1786 was getekend, drie kruysen en daaromme een yder beschreven dat de merken waaren gestelt eygenhandig door Piet Prins, Adam Prins en Piet Kaalkop /in margine / als Gescommitteerd=s /was getekend/ J„ M: Horak ^was getekend) en A van Littert /Lager/ my present R: V: D Riet geww Clercq. 2 Compareerde voor de ondergetekende ge Committeerdens uyt den E achtb raad van Justitie deses Gouvernements de Hottentot Jan Paarl van Competenten Ouderdom, dewelke har requisitie van den koopman en Landdrost te Swellendam de Heer Constant van Nult Onkruyd verklaarde hoe waar is. Dat wanneer de Comp„e voor nu wel sertien of veertien dagen geleden zonder egter den precisen tyd onthouden te hebben, zig om te kuyeren begeven had„ naar de plaatse van den burger Ian Hoppen aan de Carremelks revier gelegen hij Compt by die gelegentheyd door den op die plaats verblyf houdende Capitain Adam prins was gelast om denselven nog drie ins gelijks op deselve plaats woonende Hol tentotten op een Complot slaaven die by den burger Sebastiaan Rotman gemoord

NL-HaNA_1.04.02_10984_0735 view scan ↗

English

had murdered to set off. That the Appearer then also the next day in the morning, with the aforementioned Captain, had followed the tracks of the said slaves (who had been in the sheep kraal that night) and after half an hour discovered five of them near the Carremelks River in a forest, who at first did not wish to surrender, but later, when the said Captain Prins fired two shots at them and subsequently threatened them, came out of the forest, the said Captain Prins and the other Hottentots with the Appearer having then driven them before them toward the farmstead, and having proceeded for a quarter of an hour, met Captain Kees with his people, whereupon the aforementioned Prins with his men bound the same five slaves, caused them to go to the farmstead, and along with another slave who, arriving at the farmstead in the morning before their departure, had been captured and had remained there, brought them to Swellendam and delivered them into the hands of Justice. Declaring nothing more, the Appearer gives as reasons of knowledge as in the text, being prepared to confirm the same further. Thus done at Cabo de Goede hoop on 10 November 1786 before the Messrs. Johannes Marthinus Horak and Andries van Sittert, Members of the Honorable Court of Justice aforesaid, who have duly signed the minute hereof together with the Appearer and me, the said Clerk. Beneath stood: which I witness. Was signed: R: I: V: D: Riet sworn Clerk. Re-examination Appeared before us, the undersigned Commissioners from the Honorable Court of Justice aforesaid, the Hottentot Jan Paarl, who, this his preceding declaration having been read to him word for word, declared that he stands and persists by it, with the desire that nothing more shall be added to or taken from it, testifying all the foregoing to be the pure truth. Beneath stood: thus done and re-examined at Cabo de Goede hoop on 11 November 1786. Was signed with a cross and written around it: this mark was set by the Appearer's own hand. In the margin: was signed: as Commissioners, J M Horak and A: V: Sittert. Lower: in my presence, was signed: R: I: V: d: Riet sworn Clerk. List of the following stolen or missing goods: One gold Spanish dollar Three Kremnitz Ducats One Louis d'Or Four Pagodas One silver Spanish dollar One half Ducaton and eight stuivers One gold Watch with its chain One ditto with ditto One Pinchbeck ditto without a chain One silver bag-frame One set of silver buckles One gold thimble One copper ditto One silver preserve fork One pair of silver shirt buttons One pair of small gold buttons One roll of black satin One ditto One ditto One ditto One ditto One piece of satin One piece of lustring One chintz lining One ditto Goes off to the Cape: one night cabai One camlet woman's skirt One new blue cloth coat with ditto trousers Three brown overcoats Two ditto blue overcoats Two grey coats Two brown waistcoats One blue ditto One spotted ditto One white baize small jacket A lot of linen goods consisting of tablecloth, shirts, stockings, and a waistcoat One piece of domestic calico One piece of Chinese linen Two silk shawls Two pairs of women's gloves Goes off to the Cape: one chopping knife One pair of shoes with pewter buckles One child's hat A lot of miscellaneous items consisting of fire-steels, chopping knives, and some small items. Two razors Two packets of thread I, the undersigned, acknowledge having received from the hands of the Substitute Johannes Matthijs Persohn the above-mentioned goods for the benefit of my son-in-law Sebastian Rothman. Was signed with a cross and written around it: this is the mark of me Johan Christoffel Rog. Lower: in my presence, Claas Cruijt 1786. In the margin: Done Swellendam, 30 October 1786. Below the aforesaid text on the side: another gold ring found with one of them also delivered to the Substitute. August of the Cape, bondservant of the burgher David Benjamin d'Ailly, aged by estimation 26 years. Andries of Calcutta, slave of the dragoon Christiaan Velbron, aged by estimation 25 years. Jonas of Batavia, bondservant of the burgher Willem van Zeenen, aged by estimation 30 years. Damon of Bugis, slave of the burgher Jochem Jancke, aged by estimation 28 years. Saripa of Mandar, bondservant of the burgher Jan Bierman, aged by estimation 30 years. Welkom of Ternate, slave of the widow Daniel Beets, aged by estimation 27 years. Presently prisoners of the Lord, having voluntarily confessed and it having evidently appeared to the Honorable Court of Justice from the further documents produced in the proceedings: That the 1st prisoner August, together with the 3rd prisoner Jonas and a certain slave boy named Maij belonging to the burgher Johannes Engel, about a year ago now, having run away from their masters for the first time, then, for the greater security of their escape, requested a certain free black commonly called Valentijn of Malabar to be willing to make a pass or slaughterer's certificate for them, in order by that means, according to the plan they had made, to reach far inland among the Caffres; they having also agreed with the said Valentijn that he would provide them with such a certificate, on this condition that they would reveal it to no one, just as that certificate was also written by that Valentijn in the name of the Burgher-Lieutenant Jonas Albertus van der Poel, without, however, according to the confession of them the 1st and 3rd prisoners, the said Valentijn having known what they intended to do, while the same Valentijn received from them for this a copper watch. That after they had been provided with that certificate, they the 1st and 3rd prisoners with the aforementioned Maij set out on their way and proceeded to beyond the Gamtoos River, when that certificate, in crossing that

Dutch transcription

gemoord hadden af te gaan Dat den Compt dan ook 's anderen daags 'S morgens, met voorsz: Capitain de Spooren van gem slaaven (die op dien nagt in de schaapen kraal geweest waaren / nagegaen zinde na een half uur vif stuks bij de Carremelks revier in een Bosch had ontdekt, die eerst zig niet hebbende willen gevangen geeven edog naderhand, wanneer gem: Capitain Prins op hun twee schooten gedaan en hun vervolgens gedruijgd, uyt het Bosch zin gekomen, hebbende gem Capitain Prins en de andere Stottentotten met den Comp=s hun als toen voor zig uyt naar de plaats gejaagt, en na een quartier uurs gevorderd te zyn, den Capitain Kees met zyn volk ontmoet als wanneer voorsz Prins met zyn manschap deselve vijf slaaven heeft vastgebonden, naar de plaats doen gaan en nevens een ander Slaaf die des morgens voor hun Vertrek op de plaats komende ge vangen en aldaar verbleeven was nuur swellendam gebragt, en in handen van Justitie overgeleverd.— Niets meer Verklaarende geeft den Comp voor reedenen van Weetenschap als in den text bereyd zynde zulx nader gestand te doen. Aldus gepasseerd aan Cabo de Goede hoop den 10 November 1786 voorde Heeren Johannes Marthinus Horak en Andhies van Sittert Leeden uijt den E Achtbraad van Justitie voorm die de minuute deses benevens den Compt ende mij gemn Clercq mede behoorlyk hebben ondertekend /onderstont/ 't welk ik getuijge / was getekend/ R: I: V: D: Riet gesw Clercq ra - - Recollement Compareerde voor ons ondergetekende Ge Committeerdens uyt den E achtb raad van Justitie voorm de Htolten tot Jan Paarl dewelke dese zyne voorenstaande verklaaring van woorde tot woorde voorgeleesen Wesende verklaarden daar bij te blijven persisteeren, met begeerte, dat daar niets meer by of van gedaan werden zal betuygende al 't vooren staande de zuyvere waarheyd te zijn. /onderstont/ aldus gedaan en gerecolleerd aan Cabo de goede hoop den 11 November 1786 was getekend Kruys en daaromme beschre ven dit merk heeft den Compt eygenhandig als g Committeerden gestelt /in margine:/ was getekend/ als J M Horak en A: V: Sittert /Lager/ my present /was getekend/ R: I: V: d: Rut gesw Clercq. — Leiste van de Volgende gestoolen of vermiste goederen Een goude Spaanse mat Drie Crimnitse Ducaaten Een Louis d'Vr Vier Pagooden Een silvere spaanse mat Een Halve Ducaton en Agt stuijvers Een Goud Horologie met zijn ketting Een Dito met Dito Een Pinsbekken Dito zonder ketting Een silver Beugel Een guarnituur silvere Iespens Een goude Vingerhoed Een Copere Dito Een 9 Een zilvere Confituur vonkje Een paar zilvere Hemdsknoppe Een paar klijne goude knoopjes Een Rol Swart Sattin Dito denD Een D=o Dito Dito Een D=o Een D=o Dito Een stuk Sattyn Een Stuk Lustring Een Voerchits Een Dito gant af naar de Caap Een Nagt Cabaaij Een gryne Vrouwe Rok Een Nieuwe Blaauwe Lakense Rok met een Dito broek Drie Bruyne Sassen Twee Dito blaauwe Jassen Twee gryse Rokjes Twee Bruyne Camisoolen Een Blaauwe Dito Dito Een Bonte Een Witte Baaije Baaijtje Een party Linne goed bestaande Tafellaaken hemden Coussen en Een Borst rokje Een stuk vaderlands bont Een stuk Chinees Linnen Twee zide Sjalies Twee i2 Twee paar vrouwen handschoenen gaat af naas Caba Een Capmes Een paar schoenen met tinne Gespens Een kinder hoed Een partij romling bestaande in Vuur slagen, Capmessen en eenige klynig heeden. Twee Scheermassen Twee pakjes garens Ik ondergetekende bekenne Ontvan gen te hebben uijt handen van den substituit Johannes Matthijs EPersohn de bovenstaande goederen ten behoeve van myn Schoon zoon Sebastian Rothman /was getekend kruijs en daar omme beschreven, dito is 't merk van mij Johan Christoffel Rog (Lager mij present Claas Cruijt 1786 / in margine/ Actum Swellendam 30 October 1786 /onder 't voorsz stork aan den Zand/ nog een goude ring by eene gevonden mede aan de Substituute overgegeven. E - : 6l800 August van de Caab Lyteygen van den burger david Benjamin d'aillij oud na gissing 26. Jaren. Andries van Kalkuta Slaaf van den dragonder Chris tiaan velbron oud na gissing 25 Jaren Ionas van Batavia Lijteijgen van den burger willem van zeenen oud nu gissing 30 Jaren Damon van Bougies Hlaar vanden burger Jochem tancke oud na gissing 28. Jaren. Saripa van Mandahar Lyteygen van den burger Ian Bierman oud na gissing 30. Jaren welkom van Ternate Slaav vande wed=e daniel Beets oud na gissing 27. Jaren thans s heeren ged: vrywillen beleeden hebben ent den E. Achtb: rande van Justitie uyt de verderen ten processen gefourneerde stucken evident gebleeken is.— Dat den 1. ger, august beneevens den 3=e geve„ Ionas en zeekere Slaven Iongen in name Maij toebehoorende den burger Johannes Engel voor nu omtrend een Iaar van hunne Lyfheeren voorde eerste reijze opgedroot zynde geweest als toen ter meerdere zeekerheijd hunner aufgie, van zeekere vryswart in de wandeling genaamd valentijn van dapaer hebben vertogt om een geleij of slagters briefje voor hun te willen maken, ten eynde door dien weg; volgens hun gemaakt project, verre landwaards in by de Cattens te geraaken, zinde zijt: met gem: valentijn aanook overeengekoomen dat hy zodanig een briefje aan hunf: zoude besorgen, onder deese Conditie dat zit: zulx aan niemand zoude openbaren, gelijk aan dat briefje ook door die valentijn is geschreven op den naam van den burger Luijtenant Jonas albertus vander Poel, zonder dat echter volgens bekentenis van hun 1=e en 3. gev=e gem: valentijn zoude geweeten hebben wat zit van mening ware te aven, terwijl dezelve valentije daarvoor van hun ontfangen heeft een koper horologien. Dat nadat zijt van dat briefje waren voorsien zyt: 1„ en 3e gev=e met eevengem Maij hun op weg hebben begeeren en gevordert zin tot over de gantonnus rivier, wanneer dat briefje in't overgaan dier -

NL-HaNA_1.04.02_10984_0742 view scan ↗

English

river had strayed, just as they also some time thereafter, namely in the month of March of this year, were taken prisoner by one Pieter Le Roux and brought in custody here, the aforementioned Maij having then been sold by his aforementioned master to one residing far inland. That all six prisoners subsequently having agreed among themselves in the month of September last to run away again, and to provide themselves with two notes instead of one so that in case one might be lost they could provide themselves with the other, the first, second, and third prisoners, August, Andries, and Jonas, took upon themselves the procurement of the false passes, to which end they again went to the frequently mentioned Valentijn van de Poel, who then refused to accommodate them again as before. That the first three prisoners, seeing themselves frustrated in this intention of theirs, went to the house of the military captain Paul Paulsen residing here to ask the youth living there by the name of Johannes Jacobus Fabritius to write and prepare a similar note for them in the name of the aforementioned Jonas Albertus van der Poel; because the aforementioned Fabritius was not at home but at school, and he was called from school up to two different times by a maid of the aforementioned Paulsen named Eva, he finally came home, and upon the request made by the first three prisoners, he at first absolutely refused to write such a note, but upon the repeated assurances of the prisoners that they were slaves of Van der Poel, had lost their notes, and did not dare go to their masters to ask for others, as well as upon the repeated persuasion of the aforementioned slaves, the aforementioned youth finally allowed himself to be persuaded to write the notes, the contents of which the second prisoner, since he did not know what he had to write, dictated to him, while the second prisoner, with the consent of the first prisoner and third prisoner, paid him two rixdollars in paper currency for it, without, according to the confession of all the prisoners, the aforementioned Fabritius or anyone of the household having known anything of the plot forged by the prisoners—the said Fabritius, who surely by reason of his youthful innocence could not foresee the dangerous consequences thereof, having however been discharged from his detention by resolution of the Honorable Council of Justice and the person under whose supervision he stands here having been ordered to send him away from here at the first opportunity. That they, having thus achieved their purpose herein, then considered means for the actual desertion, just as the first, second, and third prisoners after receiving those notes also went to the remaining prisoners and declared to them in joyful terms that they were now provided with double passes and thus ready. That furthermore the third prisoner also took along a small square piece of lead on which some letters seeming to be Malay were written with a pin, and that this third prisoner, according to his own confession, was provided this by the Mohammedan priest named Norman, who was banished hither from Batavia in the year 1770, without the third prisoner wishing to acknowledge that this was an incantation by which they could be protected from misfortune and detection, but only saying that he received that piece of lead from Norman when he, the third prisoner, was still living with the burgher Elias Voberg, and that such a piece of lead is actually an incantation not to be torn apart by wild animals and nothing else, while the fourth prisoner says that this is an incantation to protect the body and that, according to what others say, such a piece of lead protects a person from all misfortunes, also from being captured when running away. That the third prisoner, having shown this piece of lead to the fourth prisoner on the way, the fourth prisoner, based on the description that the third prisoner had of it, also gave belief to it; but after the aforementioned Norman, when he was interrogated before commissioned members from the Honorable Council of Justice, continued to deny all of the above and there were not sufficient proofs to be able to convict him, the well-mentioned Council has deemed fit and resolved provisionally to banish the said priest Norman to Robben Island until such time as further evidence regarding this shall have come to hand, while the aforementioned Valentijn, for writing the false note, has likewise been duly punished, and has furthermore been confined to Robben Island.

Dutch transcription

rivier was weijgeraakt gelyk zijt dan ook eenige tyd daarna en wel in de maand Maart deeses Iaars door eenen Pieter Le Roux gevangen genoomen en in hegtenis alhier zy overgebragt geworden, zynde als toen de voorm Maij door zijnen bovengem: Lijtheer aan eender buyten Leden verre Landwaards in verkogt geworden Dat alle ses de gev, vervolgens in de maand septb: Iongstz onder elkandere afgesprooken hebbende, om wederom op te drossen, en zig in steede met een met twee briefjes te voorsien ten eijnde ingevalle er een mogte verlooren gaan zig van't andere te kunnen voor zien, de 1„e 2„7 en 37 gene august andries en Ionas de besorging der valsche passen op zig genoomen hebben ten welken finen zy zich wederom na dikwilsgem: valentijn van de poer hebben begeeven dewelke als toen heeft geweijgerd hun wederom als voorheen te gerieven Dat de drie eerste ged, zich in dit hun voorneemen gefrustreerd ziende hun begeeven hebben ten huize van den alhier remoreerende Capitain militair Paul paulsen om de aldaar woonende Iongeling in naamen Iohannes Iacobus Fabritius aantezoeke om eenderge„ lijk briefje op de naam van eenengem: Ionas albertin van der poel voor hun te schrijven, en in gereedheijd te brengen; aandewijl gem: Fabritus, niet te huijs maar in't School was, en dezelve door een meijd van voorsz: paulden in naame ena tot twee differente reijsen van uijt het school was geroepen dezelve eijndelijk thuijs gekoomen was, en nagedaanen aanzoek der drie eerste gev, in't eerst volstrekt geweij gent had, dusdanig een briefje te schrijven, doe op de herhaalde verzeekering aen gev dat zij ged, slaven van vander poel waren, hunne briefjes verlooren hadden, en bij hunne Lyfheeren niet dorsten koomen, om andere te vragen mitsg„s op de herhaulden perduatie van voorsz, slaven zoo had gem: Jonge ding zig eijndelyk laten overhalen ende briefjes te schrijven, welkers inhoud de 27 geve, hem vermits hy niet wist wat hij schrijven moest heeft voor gezegd terwyl de 2e geve, wet genoegen der 1„egeve, en 3„e geve, hem daarvoor heeft betaald twee ruxd„s aan papiere munt zonder dat volgens de Confessie van alle de ger: gem: fabritius of iemand van't huijsgezin van hun gev, gesmeed project iets hebben geweeten— zinde deede Fabrituis egter die zeterlijk teyt hoofde zyner Iorgen onnoselheijd de gevaarlyke gevolge daarvan kiet heeft kunnen indien volgens besluijt vanden E. achtb: raad van Iustitie uyt zyne detentie ontslagen ende geene onder wiens opzigte hy hierstaat aangeseyd denzelven by eerstkoomende geleegentheijd van hier te versenden, Dat zy get dus hun oogmerk hierin bereijkt hebbende als toen waarop middelen bedagt geweest zijn tot de dade„ lyke opdrossing, gelijk zy 1e 2e en 3. e geve na't ontfangen dier briefjes aan ook zyn gegaan bij de overige ged„ en in verheugde termen aan hun heeft gedeclareerd dat zy na van dubbelde passen voorzien en dus klaar waren. Dat voorts dederde geve, meede genoomen heeft een kleijn vierkant Lootje waarop met een speld eenige letteren schijnende maleits te zijn geschreeven waren, en dat hem dende geve, volgens zijne eygene bekentenis door den in den jaare 1770. van Batavia na herwaards gerelegeerd mahometaanse Priester in naame Norman is besorgd geworden, zonder dat hij 3e, geve, heeft willen weeten dat zulx eene besweering zoude zijn waardoor zyt bewaard konden blyven voor onheijlen en naspeuring maar alleen zegt dat hi dat Lootje van Norman gekreegen heeft toe hy de 3e, geve, nog by den burger Elias voberg woorde, en dat viergelyk Lootje eygentlyk eene besweering is om niet van het wild gedeerte verscheurd te worden, en anders niets terwijl de 4e, gene, zegt dat dit besweering is om het Lighaam te bewaren en dat volgens zeggen van anderen, zodanig een lotje den mensch voor alle onheijlen bewaard ook voortgevaa gen neeming by opdrossing Dat de 3„e geve, dit Lootje op weg aande 4e, geve, vertoond hebbende, hy te, geve, op de verteekening ne de 3e geve, daarvan had, meede daaraan heeft geloof geslagen dan nadat gem: Norman wanneer hy voor gecommitt Leeden uyt den E. achtb. raad van Iustitie is verhoord geworden, uit voorenstaande alles is blijven negeeren en er geene genoegsaame preuves waren em denzelven te kunnen overtuijgen, zoo heeft welgem: raade goedgevonden en beslooten denzelve Driester Norman Provisioneel te relegeeren op 't robben eijland tot tijd en wijlen hier omtrend nadere bewijzen zullen zijn aan handen gekoomen terwijl voorm: valentig over het schrijven van het valsche briefje almeede na behooren gepunieerd geworden, en voorts ten robben eijlande geconfineerd geworden is.

NL-HaNA_1.04.02_10984_0744 view scan ↗

English

That furthermore the 3rd, 4th, 5th, and 6th prisoners were all provided with five different sorts of powders, without them however being truly willing to confess for what purpose these served, one saying that this was a sort of incense to fumigate the aforementioned amulet at night, in order to keep the spell powerful, another that he had also taken this for his health, a third again that this served only to protect them from all evil, without however wishing to admit in the least anything either concerning the power of the powders or regarding the purpose for which these were taken along by them, while nonetheless the 5th prisoner Saripa added a sort of incantation to the powders, which he had written in Malay characters on a piece of paper, and that he, the 5th prisoner, confessed to having received this from the 4th prisoner Daman, which was also admitted by the aforementioned 4th prisoner. That the prisoners, when they were thus provided with everything that appeared to them to be conducive to their cursed undertaking, even having been equipped for murder, finally bound themselves mutually to one another, never to abandon each other, but to die with one another, which pact made here among them was further confirmed by them with an oath of loyalty as often as they could obtain wine along the way. That the prisoners, having set out on the run from here on 28 September last, then determined the place of their meeting to be at the Salt River, or as most prisoners say, behind the Castle. That the 2nd and 6th prisoners having left here half a day earlier, and having made their way slightly towards the dunes or so-called flat lands, and the 1st, 3rd, 4th, and 5th prisoners therefore not having found these 2nd and 6th prisoners at the appointed place, the prisoners were obliged, instead of continuing their journey further, to search for one another, until the second day, when they found one another again in the vicinity of the Salt River. That thereupon the prisoners, having first made their way again to the dunes, there struck off the irons that were riveted around the legs of the third prisoner by means of a file and subsequently with a chopping knife that was taken along by the 6th prisoner from his mistress. That the prisoners, having gone further from there to the Moddergat to the former heemraad of Stellenbosch Jacobus Conterman, after having lingered there a little and bought bread and wine, continued their journey to the kloof-maker below Hottentots Hollandskloof where they likewise lingered a little, subsequently passed over the Kloof and arrived at a certain Christoffel Kock living on the Bot River, from there to a certain Willem Willems at the Wolwe Kraal, where the third prisoner says that the 2nd prisoner sold two blue jackets belonging to the 6th prisoner for the sum of ten schellingen, and for which the prisoners in turn bought two large loaves of bread and two bottles of wine. That the prisoners, having proceeded as far as a certain Barend Gildenhuys, there likewise bought 2 loaves of bread and 1 flask of wine with the remainder of their money, while the prisoners went from there to a certain Christiaan Koen, living on the Kwartel River, further to the widow of Hans Jurgen Linde where the prisoners slept one night, from there to the Stormsvlei to a certain Gerrit Kemp where they bought two bottles of brandy and half a loaf of bread. After which the prisoners continued their journey further, through the Nieuwe Kloof until the prisoners came to a Hottentot kraal and stayed there for two days and 2 nights, some money having then been stolen by the sixth prisoner and some clothes by the 4th prisoner from the Hottentots, whereupon the aforementioned Hottentots pursued and captured the prisoners when they had departed about one day from them, but upon the return of the stolen goods, since they were provided with travel passes, released them again and allowed them to go their way. That the prisoners then further made their way to a widow Van Eede situated on the Breede River, subsequently through the Riviersonderend to the place of a certain Jan van Reenen, having passed from there across the river the Breede to the place of a certain Pieter Du Preez situated around the Kafferkuils River, while the 2nd prisoner further confessed, which was also admitted by the 3rd and 4th prisoners, that the 3rd prisoner in passing by proposed to go to the place of a certain smith or wagonmaker living on that route who earned his living selling ironwork in a small house situated along the road, to murder him since that man lived there alone with a few slaves and was possessed of some money, and to rob him of everything, whereupon the 2nd, 3rd, and 6th prisoners also made their way to that place with the intention to murder and to rob; however, when they had arrived at the place of that smith and found no one there, since the place was deserted, they returned from there to their remaining companions without having accomplished anything.

Dutch transcription

Dat wyjders de 3„e 4e7 5e, en 67 geven alle van een vyf ondersoort van poeders zyn voorsien geweest, zonder dat zik: egter regt hebben willen bekennen, tot wat einde dezelve diende als zeggende de een vat zulx is geweest een zoort van wierook om het boovengem: Lootje des rynags te berooken, ten eijnde de besweering van kragt te doen blijven, een ander zulx meede te hebben genoomen voor zyne gesondheijd, een derde wederom dat zulx alleen dienstig is, om hun voor alle kwaad te behoeden, zonder echter in't minst iets te willen weeten, zoo vande kragt vande poeders als van't oogwerk waarom dezelve door hun zyn meede genoomen terwijl des niet tegenstaande de 5„en gene Saripa nog Ai de poeders een zoort van bedweering gevoegd heeft, gehad, op een stuk papier met maleitsche Characters beschreeven en dat hy 5e, gene, van den 4e geve, daman bekend te hebben gekreegen het gunt ook door gem: 47 gene„ is g'advoueerd geworden. dat de gev, wanneer zyt dus van alles 't geen hun toescheen tot hun vloekwaardig voorneemen bevonden lyk te zullen zyn voorsien waren tot zelfs van moord geweezen zig eindelyk nog onder ven anderen enderling hebben verbonden, om elkanderen nimmer te zullen ver„ laaten, maar met den anderen te zullen sterven welke verbintenis alhier onder hun geslooten nog nader met den Eed van trouwe door hun is bevestigd geworden zoo dikwerf zy maar mijn op den weg konden bekomen. Dat zy ged, op den 28. Septb: Iongstl: van herwaards op rents zijnde gegaan als toen de plaats hunnen bij eenkomst hebben bepaald aande zoute rivier of zoo als de meeste gev, zeggen agter 't Casteel. Dat de L=„e, en 67 geven een halve dag te vooren van hier gegaan zijnde, en zich een weijnig nade duijnen of zooge naamde rlakte begeeven hebbende en dus de 1e, 3e 4 en begeven deze en 6e gen, op de bestemde plaats niet hebbende aangetroffen, zy get, in steede van hunne kouts verder te neemen genoodsaakt geweest zijn om naa elkanderen te zoeken, tot op den tweede dag, wanneer zy malkanderen weder omstreep de zoute rivier hebben aangetroffen dat daarop de get, zig eerst weder nade duyven hebbende begeeven aldaar voor middel van een feijl en vervolgens met een kijkmes dat door den 67 gene„ van zyne Lyfvrouw was meede genoomen de Eyders die om de beenen, van den derde geve, geklonken waren hebben afgeslagen Dat zy gew„e weijders vandaar zijnde gegaan na 't modelergas bij den oud heemaand tot Stellenbosh Jacobus Conterman, na aldaar een weijnig vertoevd en brood en wijngekogt te hebben, runnen togt hebben vervolgd tot nadensloofmaker onder kottentots hollandssloof alwaar zy zich meede een weijnig vertoefden, vervolgens gepasseerd zijn over de Cloof en aangekoomen by zekeren Christoffel kock woonende aande botterwier vandaarby eenen willem wilkens aande wolve Craal alwaar delderde gen, zeyt dat de L=e gene, zoude verkogt hebben twee blauwe batjes den 6„e gene, toebehoorende voor de somma van thien sch: ijaer en waarvoor zij geven weder gekogt hebben twee groote brooden en twee flessen wijn, Dat zy geve, voortgegaan zijnde tot bij zeekenen barend gildenhuis aldaar meede nog van't restand hunnen penn: gekogt hebben 2 broden en 7. fees wijn, terwijl zy geve, van daar zijn gegaan, na eene Christiaan Koen, wonende aande kwartel rivier, wijders nade wed=e Hans Iurgen Linde daar zij gevs, een nagt geslopen hebben, van daarna de Storm valleij by eene gerrikkemp alwaar zit: twee boddels brande wijn en een half brood gekogt hebben. Waarna zy get hunne koute verder genoomen hebben, door de nieuwe Cloof tot dat zi get, bij een hottenlots Craal zyn gekomen en daar twee dagen en 2. nugten vertoefd hebben zynde als toe door de zesden gene, eenig geld en door den 4e, gene„ eenige kleederen van nie hottentotten gestoolen geworden waarop gem: hottentotten, de ijev, wanneer dezelve ontrend eendag van hunz: vertrocke ware agtervolgd en gevangen genoomen dog op de te ruggaave vant gestoolene vermits zijges, van padbriefjes voorzien waren wederom losgelaten en hunnes weegs hebben doen gaan dat de get, zig toen al wyders hebben begeeren bij eene medde van Eede bij onder de Rraade rivier vervolgens door den kammmels rivier va de plaats van zekere Jan van reenen van daarde rivier de donau gepasseert zynde nade plaats van eenen Pieter aupreez geleegen omtrend de katterkuijls rivier terwijl de 2e gene, nog tbekend heeft het geen door den 3 en t geven meede zyn g'advoueerd dat de 3 eene int voorbygaan nade Plaats van zeekere op die route gewoond hebbende Smit of wagemakers werk te verkoopen in een kleijn huysje aan den weg geleegen erneerd tad, heeft geprononeerd vermits die wan daar alleen met een paar slave woonde, en van eenig. geld voorzien was te vermoorden, en van alles te beroonen gelyk dan ook de 2, 3, en 6, genen hun na die plaats hebben. begeenen met intentie omte woorden en te nooren, edoch wanneer zyt: ter plaatse van die Smit gekoomen waren en daar niemand vermits de plaats verlaten gevonden hadden zyn zij vandaar onverrigten zaaken na hunne overige makkers te rug gekeerd.

NL-HaNA_1.04.02_10984_0746 view scan ↗

English

That the prisoner, finally upon the report of the 3rd prisoner Jonas, namely that the burgher Sebastiaan Botman was a merchant and had many goods and cash, directed their journey to the place of the aforementioned Botman, and having approached the same on the 21st of October last, mutually agreed to stay near that place for the night, in order to carry out the murder and robbery proposed to them there. That, however, upon the frequent and persistent remonstrances of the 2nd prisoner Andries not to remain in the field but rather to take up their lodging in the house that very evening, they, the prisoners, finally decided among themselves to go to that place, just as they, the prisoners, then also arrived around nightfall, and upon the inquiry of the servant named Kramer who was present at that place, showed their passes or safe-conducts. That the wife of the aforementioned Rothman, while her husband was not at home, assuming that the prisoners according to their passes were genuinely servants of the butcher Van der Poel and suspecting no evil, provided the prisoners with proper food and drink and arranged a good sleeping place for them; the second prisoner Andries then already asked the house-boy named Hector van de Caab how many European slaves and Hottentots were in the house, and upon receiving the answer and report went outside with the 6th prisoner Welkom, apparently in order to consult about the matter. That furthermore the 2nd and sixth prisoners, upon their return into the house, agreed further with the other prisoners to send the 1st prisoner inside, since they, the prisoners, were lodged in the kitchen, in order to spy out the layout of the house, which was refused by him, the 1st prisoner, with the addition, here are few people, now is the time if we want to begin something. That subsequently it was further deliberated among them to stay awake instead of going to sleep until the entire household had fallen asleep, which was also done by them until they, the prisoners, arose around the hours of 10 to 11 o'clock to carry out their heinous intention, the last four prisoners saying that they were incited thereto by the first two prisoners saying now is the time. That thereupon the prisoners, having risen together, each of them took up a separate post, namely the first prisoner at the back door to watch that no one should escape, and the other prisoners at the front door and the window of the room where the woman was, in order to prevent her from leaving. That subsequently the [illegible] prisoner first went to the servant or tailor Kramer and having stabbed him with two wounds in the belly, went to the two maidservants who lay sleeping in the gallery, and after having killed one of them with a stab, wounded the second with several stabs, and according to the word of the 6th prisoner, when that maidservant did not die immediately, went to sit on her and while continuously stabbing her used these blasphemous terms, God damn it how long this maid stays alive, can I not get her dead. That the 4th prisoner, who was armed with a kirri and a knife, when the woman, having heard the noise, wanted to escape through the window with one of her children, struck her with the kirri such a blow that she, who had already climbed onto the window seat, fell down from it and onto the ground. That the 3rd prisoner, when the door of the room in which the woman was had been broken open by the 5th and 6th prisoners and he had stepped inside, upon the indication of the 4th prisoner that there was a maid who in the meantime had taken hold of the suckling child and another small girl and was lying with those two children under the bedstead, went up to that maid and dealt her several stabs with a kris which he had received from the 4th prisoner. That since that maid had only screamed once and subsequently kept quiet, he, the 3rd prisoner, was under the assumption that she was dead, whereas the maid was only wounded in the legs, the little girl escaped with a light wound to the head, and the suckling child remained completely uninjured. That according to the confession of the 5th and 6th prisoners, the prisoner also deprived of life a child that was in the room with the mother; that the 5th prisoner Saripa, after having put to death with two wounds the slave Hector van de Caab who lay sleeping in the kitchen, and subsequently having gone inside, and having forced open the door of the room in which the woman was with the help of the 6th prisoner using an axe or chopping knife, stepped into the room and with a kirri cleaved in two the head of the child that the mother was holding in her arms, furthermore also struck the woman with a kirri in such a manner that he thought that she likewise had given up the ghost. That furthermore the 6th prisoner, having forced open, as aforesaid, the door of the room where the woman was together with the 5th prisoner, further having broken open all cupboards and chests by means of a chopping knife that he had taken with him upon his desertion from his mistress, with all the prisoners thus

Dutch transcription

Dat de gev: eyndelijk op't rapport van den 37 genen Ionas nament lyk dat de burger Sebastiaan Botman een negotiant was en en veele goederen en contanten hadden, hunne koute na de plaats van eevengem: Rotman hebbende ingericht en dezelve op den 21. affbr: Jongstz: genadert zijnde onderling afspraak genoomen Zynde om die nagt digt by die plaats te blyven, ten eynde als aan hun gepropiteerde moord en aoof aldaar ter uyt voer te brengen dat echterop de menigvoldigen en aanhoudende remonstan tien vanden 2. geven andries om niet in't veld te blijven maar Lieven denselve avond daarin huijs hun intrek te neemen zij geve, aan eijndelijk onder hunt: beslooten hebben omdaar ter plaatze te gaan, gelyk zy ged, daardan ook tegens het vallen vanden avond gekomen zijn, ^ en op den afvragen van den knegt die zich daar ter plaatze bevond in naamen kramer hunne geleij briefjes op passen hebben vertoond gehad. Dat de vrouw van eevengem: Rothman terwijl haar man niet te huijs was, in die suppositie dat de gede ingevolgen hunne briefjes werkelijk sorgens van den slagten van der poel waren, en geenes kwaads bedugt. degen, van behoorlyk spijs en drank voordien mitsg„s aan hun een goede slaap Plaats bezorgd hebbende de tweede zeven andries toen reeds aande Jonge van't huijs in naame Hector vande Caub gevraagd heeft hoe veele Europeesche slaven en kotten„ totten, zig wel daarin huijs bevonden, en op 't bekoomen antwoord en berigt met den 6„e geve, welkom na buyten is gegaan ten eynde apparentelyk om over 't een en anderte raadpleegen dat voorts de 2e, en sesde gene, bij hunne te rug komst in huijs met de overige gedd: verder hebbende afgesprooken om den 1e,gen, vermits hij geve, in de Combuijs gelogeert waren na binnen te zenden ten eijnde de geleegentheijd van't huijs te verspieden zulx door hem 1e geve, is gewey gend geworden wet byvoeging hier zy weynig menschen het is nu tyd als my iets willen beginne dat vervolgens onder hun ijde, verder beraadslaagd zinde omin steede vante gaan slapen, wakken te blijven tot dat het geheele huijsgezig zoude in slaap geraakt zyn zulx ook door hun gedaan is tot dat zy ged, omtrend de klocken 10: â 11. uuren opgestaan zyn om hun gruwelijk voorneemen ten uytvoer te brengen seggende de vier laatste gers dat zy daartoe door de twee eerste get, zyn aan geset geworden met te zeggen nu is 't tijd dat daarop deged, gesamentlijk opgestara zynde een ieder hunner een afzonderlijke kost heeft gevat en wel de eerste ges: aande agterdeur om op te dassen daar niemand zoude uijtvlugten en oedrgeve, van de voordeur, en 't vergster vande kamer daarde vrouw zig in bevond, ten eynde dezelve het uytgaen te beletten. - dat vervolgens dewe, gene, zig eerst naden kregt of sneijder knamer begeeven en denzelve met twee wonden in de duyk gestooken hebbende gegaan is nade twee weijde die inde gaanderei te seupen dagen, en na de eene met een steek om't leeven te hebben gebragt, de tweede met verscheijden steeken geword heeft, en volgens het zegge vanden 6' gene, wanneer die meijd niet terstond steert op water was geven zitten en onder het geduurig Steeken nog deese godslasten lyke termen gebruykt heeft, goddome wat leevt die meyd Lang kanik haar net dood krygen Dat de Le geve, die met een kirrij en een wes gewapen was, de vrouw wanneer de op 't genoorde gerugt zig met eene van haare kinderen uyt het vengster met de vlugt had willen Lauveeren met de kirrij zodanigeen slag heeft toegebragt dat zy die reeds op de vengster bank was geklommen; waarvan af en op de grond gevallen is dat de 37 geven wanneer de deur van de kamer door de vrouw zig in bevond door de 5e e 6egeve, open getakt en hy na binnen getreeden was op de aanwijzing vanden 4„e, tgene, dat er een meijd dewelke zig intusschen meester had gemaakt van't zuijgend kind en nog een kleijn meijtje met die & kinderen enden het Ledi kant lag, vaor die meijd toegegaan is, en dezelve met één kris die hy van den Ageve, gekreegen End eenige steeten had toegebragt. dat vermits die meijd waar eens geschreeuwd en vervolgen zig stil gehouden had hij 37 geve, in de suppositie geweest is dat zy dood was terwijl ale meijd maar enkeld in de beenen is gequetst geweest het meijtje met heen ligte wonde aan het hoofd vrygemaakt en het zuijgend kind gantwch onbeschadigt is gebleeven. dat volgens bekentenis van den 5:e en 6 ge, veged, nog van't leenen beroofd heeft een kind dat zig in de kamer bij de moeder bevond dat de 5,e gene Saripa nadat dezelve de slaaf Hector van de Caab die in de Combuijs te seapen lag met twee worden ter dood had gebragt en vervolgens na binnen gegaan zijnde, ende deur vande kamer daarde vrouw zig in bevond met behulp vanden 6. ' geve, met een byl of hakmes opengetrukt had, de kamer ingetreeden is en't Kind dat de moeder op de arme hield met een kinrij het hoofd in twee gekliefd voorts de vrouw meede met een kerrij zodanig geslagen heeft dat hy dagt dat zij insgelijks de geest gegeeven had- dat alwyders de 6e geve, gelyk voorm: redeur van de kamer waarzigde vrouw bevond, beneevens de 5, geve, open gerakt hebbende, voorts alle kosten en kisten door middee van een hakmes dat hy by zijne opdrossing van zyne Lyfvrouw had meede genoomen opengebrooken hebbende, met alle de ged„ zoo

NL-HaNA_1.04.02_10984_0748 view scan ↗

English

took with them as many goods as they could possibly carry, the prisoners having been unable to state in court what had actually been stolen by them; that the remaining prisoners have further unanimously accused the sixth prisoner that, although they did not see it, the words of the sixth prisoner, when they had accomplished the aforementioned gruesome murders and departed from that place, on the way discussing their committed atrocities among one another as a sort of heroic feat, recounted to them that he, the sixth prisoner, had also given the servant Cramer a thrust such that the knife remained stuck in his belly, and in addition had wounded one of the women in the belly to such an extent that, with your permission, the feces came out of her belly; which, however, is denied by the sixth prisoner under the pretext that he had only said such things in order not to stand ashamed before his companions and so that he might not be accused of cowardice by them, yet adding with respect to the servant Cramer that in case that servant should have three wounds, he might easily have received one from him, the sixth prisoner; that, after they had accomplished those execrable murders and provided themselves with everything they thought fit, around twelve or one o'clock at night they set out on their way hither, and having postponed their project of going to the Kaffir land until such time as all the plundered goods should have been disposed of here, made an agreement among themselves to complete their began journey thither after that; that the prisoners subsequently, on the following day, having caught sight of a wagon or two, and the second prisoner Andries having again proposed to attack and plunder that wagon as well, this was rejected by the other prisoners with the words that one trouble is barely over, and you want to start another, by which it was also prevented; that finally, a few days after the committed murders, the prisoners went at night to the place of one Hendrik Hop, situated on the Karremelks River, in order to steal some sheep from there, while the third prisoner remained in their hiding place to guard the goods stolen from the place of Rotman, since he had a sore leg; that the fifth prisoner, when he had provided himself with a sheep and was initially on his way to their hiding place, having strayed from his companions in the dark, was forced, when day broke, because he was still close to the place of the aforementioned Hop, to go to the aforementioned place, where he, the fifth prisoner, was captured, notwithstanding his pretext of being a butcher's boy and having strayed from his wagons; that furthermore, the Hottentot Captain Adam Prins, who was present at that place and had already received orders to search for the prisoners, thereupon went on commando with his subordinate men, and upon passing the sheep kraal of the aforementioned Hop, having discovered by the wetness and muddiness that strange people had been there that night, followed those tracks until, having been occupied therewith for about half an hour, he discovered the prisoners in the thicket around the Karremelks River, who, as soon as they perceived the Hottentots, immediately put themselves in a posture of defense, with one of them saying, it is time now, now we must defend ourselves; yet, notwithstanding this, the prisoners were finally apprehended, subsequently transferred to Swellendam, and thereafter delivered here into the hands of Justice; that whereas such outrages, paired with gruesome murders and violent robberies, in a country where law and justice are properly maintained, can by no means remain unpunished, but on the contrary, as an example and deterrent to other such bloodthirsty villains, as well as for the safety and security of the good inhabitants living so widely scattered in the remote districts and their possessions, ought to be punished rigorously; so it is that the Honorable Court of Justice aforementioned, serving in these days, having read and considered with all attention the written criminal demand and conclusion made and taken against the prisoners on behalf of the Landdrost of the colony of Swellendam, Mr. Constant van Niert Onkruijd, as well as having considered their voluntary confession, further everything that was serving to the matter and could move their Honors, administering justice in the name and on behalf of the High and Mighty Lords States General of the United Netherlands, have condemned all the prisoners, as their Honors condemn them hereby, to be taken to the place where criminal sentences are customarily executed here, to be delivered there to the executioner, each to be stripped naked and bound to a cross, to have pieces of flesh torn from the fleshiest parts of their bodies in eight different places with glowing pincers, further to be broken on the wheel alive from the bottom up without the stroke of mercy, and to remain lying thus until they have given up the ghost; further, the dead bodies to be dragged to the outside place of execution, there placed upon wheels and the heads placed upon spikes, thus to remain until they shall be consumed by the air and the birds of the heavens, with condemnation of all prisoners in the costs and expenses of justice, and rejection of any further or other claim.

Dutch transcription

zoo veele goederen meede genoomen heeft als zy maar konde dragen hebbende de gev, niet te regten munnen opgeene wat eijgentlijk door hun gestoolen is — dat de overige ged, nog eenparig den begeve, hebben beschuldig= dat hoewel zit zulx niet gesien hebben, echter woorden 6' gene„ wanneer zijt: de voornoemde afgrijselijke moorden hadde vol bragt en van die plaatze vertrocken waren, op weg hunne gepleegde gruweldaden, nog als een zoort van geldenstuk onder elkandere verhandelden, aan hun verhaald heeft dat hij 6e, geve, aen knegt Cramer meede een Heet gegeeven heeft dat 't wes hem in de buyk was blyven zitten en daar en boven een der weijden zodanig in de buijk gewond heeft, dat haar / S. V. / de derek uijt den buyk gekoomen is. / 't geen, echter door hem 6 geve, is en kend ender voorwendsel, dat hy zulx eeniglyk gezeyt heeft omdaardoor niet beschaamd te staan voor zijne mackens en op dat hij door hun niet van Latheijd mogten beschuldigd worden, voegende nogthans ten opzigte van den sregt kramer daar nog bij dat ingevalle die knegt drie wonden mogt hebben hy en als dan wel ligtelijk wel een van hem be, eene, konde bekoomen hebben. dat zij gesnadat zit: die execrable moorden volbracht en en zig van alles wat hun goed dagte voorzien waren, omtrend Twaalf of een uuren des nagts zig van daarop weg na herwaards hebben begeeren, en hun gemaakt project om nu't Catterland te gaan, uytgesteld hebbende tot dat tyt alle de geroofden goederen alhier zouden hebben verdebiteerd, onder elxanderen afspraak hebben genoomen, om als dan weder na derwaards hunne begonne regze te volbrengen dat zij geve, vervolgens des andere daags een wagen of twee in't gesigt gekreegen hebbende ende tweede geve andries wederom geproponeerd hebbende om dien wagen almeede te attonqueeren en te spolieeren, zulx door de voerige gev is afgeslagen geworden onder 't zeggen d'eene soude is pas voorbij, en gy niet weder een ander beginnen waardoor den dat ook gestuyt geworden is. dat eijndelijk eenige dagen vade gepleegde moorden zyger, des nagts nog gegaan zijn nade plaats van eenen Hendrik Hop geleegen aande Karremelks rivier teneijnde vandaar eenige schapen te Steelen terwijl de 3e geve, als wagten by de op de plaats van Rotman gestoolene goederen, vermits deselve een zeer been had in hun Schuytnekt verbleeven is. datoe 57 get, wanneer hij van een schaap voorsign was en zich eerst op weg naar hun schuijlhoek begeeven wilde door den donkere van zyne makkers afgedwaald zijnde toe de dag aanbrak genoodsaakt is geweest wijl hy zig nog digt by de plaats van eevengem: hop bevond, na voorm: plaats te gaan alwaar hij 5e geve, aan ook niet tegenstaande hij voorgaf een slagtens Ionge en van zyne wachens verdwaald te zijn gevan gen genoomen is- . dat voorts de hostentots Capitain Adam Prins, die zig daar ter plaatze bevond en reeds ordre bekoomen had om op de gier, uyttegaan die aan dan ook met zijne onderhoorige manschappen op Commando is gegaan, en bij't passeeren den schappen Craal van dnkgem: hop door de vat en modderigheijd ontdekt hebbende dat er die nogt vreemd volk aldaar geweest was, die spooren, nagevolgd is tot dat hy ongeveer Een half uur daarmeede bezig geweest zijnde als toen in de ruijgte omstreexde harremelks rivier de gev ontdekt heeft, dewelke zoo dra zyt: de hottentotten ontwaarden terstond, zig in postuur van tegenweerstelden onder het zeggen van een hunner 'z is nu tijd nu moeten wij ons verdedigen, zynde egter des niet tegenstaande veger eijndelijk g'apprehendeert, vervolgens na Swellendam Overgebragt en daarna alhier in handen van Iustitie over geleevert geworden. dan nademaal diergelijke anfugie gepaard met gauwe„ lyke woorden en geweldndige nietstalle in eenland alwaar Regt en geregtigheijd behoorlijk gehandhaafd word geensints ongestraft kunnen blijven maar integendeel ten Spiegel en afschrik van andere soortgelyke moord Iugtigen fielten mitsgs ter beveijliging en zeekerheijd den in de verafgeleegene districten zoo verspreyd woo vende goede ingeseetenen en derselven bezittingen rigourenselijk behooren te worden gestraft zoo is 't dat den E. achtb. raad van Justitie voorm: te daagen dienende met alle oplettenheyd geleezen en overwoogen hebbende den schriftelijke Crimineelen Eijsch en conclusie wegens aen Landdrost der Colonien Swellendam de heer Constant van niet onkruijd nomine opp op ende Teegens de geve gedaan en genoomen mitsg„s gelet op aergezz vrywillige Contessie voorts op aet gunt ter matenie was dienende en ein Ers„ achtb. konde doen moveeren Regt doende uyt naamende van wegens de hoogmogende heere Staten generaal der verbenigde Nederlanden, alle de ged, hebben gecondemneerd gelijk hun EE. Achtb: dezelve Condemneeren by deezen, omme gebragt te worden ter plaatze alwaar men alhier gewoon is, Crimineele Sententie te Executeeren aldaar de scherp regten overgeleevert, ieder rakend uytgekleed en op een kruys gebonden zynde met gloeyende nijttangen op agt differente plaatzen uyt de vleesagtigste gedeeltens van hunne Lighaamen stucken vleesch uijttereijzen voorts van onderen op Levenden geleedebraakt te worden zonder slag van gratien en zodanig te blijven ziggen tot dat den geest zullen gegeeven hebben wijders de doode zigkaamen, naar't buiten gerecht gesleept aldaar op raderen ende hoofden op pennen gesteld zijnde dus te verbliven tot dat door de Luyt en vogelen des hemels zullen zyn verteerd, met Condemnatie van alle veger in de kosten en mizen van Iustitie en ontzegging vanden verderen of anders gedane

NL-HaNA_1.04.02_10984_0750 view scan ↗

English

Thus done and sentenced at the Cape of Good Hope on the 23rd of the month of November 1786; also pronounced in the Castle of Good Hope on the 2nd of the following month of December, and executed on the same day. Signed: J. Hacken, P. I. Rhenius, I. V Echten, Joss. Smits, E. M. Florak, A. v Littert, W. f. V Reede van Oudshoorn, J. M. Bletterman, C. L. Heekling, C. G. Maasdorp, C. Matthiessen, G. I. Meijen, P. de Wet. Below: in my presence, signed: C. van Aenssen, Secretary. In the margin: Let execution be done, signed: C. J. van de Graaf. Demand and concluded claim of the Officer. Below stood: Agrees, M. Kiel. Appeared before the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, the sworn clerk at the Secretariat of Justice here, as qualified in office to attend to the affairs of the Landdrost of Swellendam, Constant van Nuld Onkruijd, prosecutor in criminal cases by virtue of his office, on the one part; against the free black Valentijn van de Poer, prisoner and defendant in the aforementioned Castle, on the other part. And declared, as is the truth in fact: 1. That the prisoner and defendant made himself guilty of the crime of forgery. 2. By giving along with the defendants August and Jonas at the end of the past year 1785 a forged butcher's note in the name of the burgher lieutenant Jonas Albertus van der Poel. 3. As appears more fully from the interrogation articles answered and recollected by the prisoner and defendant before the commissioner gentlemen from this Honorable Worshipful Council, attached hereto. 4. As well as extensively expressed by the prosecutor ex officio in the claim presented by him today against the aforementioned August and companions in your Honorable Worships' formidable court. 7. And to the contents of which the prosecutor ex officio, for the sake of brevity, takes the liberty to refer. 8. He will only note here: 9. That when the prisoner and defendant was heard on the aforementioned interrogation articles, 10. during the confrontation of the said defendants August and Jonas, 11. he was further confronted by the prisoner and defendant; 12. that he, the prisoner, wrote that note for the said defendants in the evening, around 10 o'clock; 13. and that he, the prisoner, further said to the other prisoners when they departed from him, 14. in substance: do not get yourselves caught here at the Cape. 15. From which it appears that the prisoner and defendant knew that the boys were runaway slaves, 16. which must sufficiently serve to the considerable disadvantage of the prisoner. 17. The prosecutor ex officio thus considers that the act committed by the prisoner and defendant is fully proven, and that nothing more is needed to subject him to that punishment which is established for the crime of forgery. 19. However, it is always left to the judgment of the judge to apply the punishment according to the aggravating or mitigating circumstances, 21. as to what may be fitting for the crime committed. 22. In this regard, the prosecutor ex officio will take the liberty only to suggest for consideration: 23. that although it is quite certain according to the known disposition of the law that a judge, in inflicting punishment, ought always to choose the milder rather than the harshest path, 25. yet on the other hand, through too lenient an administration of criminal justice, no occasion ought to be given for the reckless violation of the laws. 26. And that consequently, in a country like this, and under the circumstances in which one finds oneself, 27. wherein one is compelled in the countryside to place faith in such notes 28. when residents wish to conduct cattle trade, 29. upon whose good faith and credit the interests of this Colony would otherwise be exposed to dangerous ends, 30. a rigorous punishment ought therefore to be inflicted upon the prisoner and defendant. 31. And whereas to the crime of forgery belong these three principal main points, namely: 32. an evil intention, 33. an alteration of the value, and 34. an intent to deceive another. 35. Thus it appears as clear as the sun from everything that the prisoner and defendant has erred and sinned against all three of these principal main points. 36. Because a qualified forgery, which is commonly called falsity, 37. is a crime according to the doctrine of Simon van Leeuwen in his Roman-Dutch Law, Book 4, Page 33, Number 13, in which the public has a great interest. 38. And mostly according to the definition of Carpzov in his second volume, Chapter 85, Paragraph 53, it must be punished according to the circumstances, indeed even with death. 39. And if, Honorable Worshipful Gentlemen, it were enough for the prosecutor ex officio to present all the aggravating circumstances to your Honorable Worships, 40. and if he imagined that he could suffice with the allegation thereof 41. to demand a rigorous punishment, 42. the prosecutor ex officio could very easily have contented himself, after a presentation regarding the aggravating circumstances, 43. with causing the deed perpetrated by the prisoner and defendant to be considered as a crime of forgery in the absolute sense, 44. and consequently also punishable according to the strict content of the respective laws emanated against it. 45. Yet the prosecutor ex officio, with the impartiality that ought to accompany the execution of his office, 46. as well as satisfying the punishments established against such enterprises, 47. which demands of an officer the investigation of innocence as much as of guilt, 48. considers himself most strongly obligated 49. to furnish to your Honorable Worships everything that, according to his humble thoughts, could with any possibility be brought forward in excuse of the prisoner and defendant. 50. He has thus considered himself obligated, in exculpation of the prisoner and defendant, to submit 51. that the prisoner's advanced years, which in all cases may be counted among those of second childhood,

Dutch transcription

Aldus gedaan en gesententieerd aan Cabo de goede hoop den 23. der maand November 1786: mitsg„s gepronuntieerd In't Casteel de goede hoop den 2. der daaraan volgende maand december mitsg„s g'executeerd ten zelvendage. /:geteekend:/ J„s Hacken, P. I. Rhenius, I, VEchten, Ioss, Smits E. M. Florak, Av Littert, Wf V Reede van ouds hoorn J M. Bletterman, C. L. Heekling, C. g. maasdorp, C. Matthiessen, G. I. Meijen, P. de wet. /:Lager:/ mij praesent /:geteekend:/ C. van Aenssen Secretaris /:in mangine :/ fict Executie /:geteekend:/ C. J. van de graaf Eijsch en genoomen Cenclusie van den officier /:onderstond:/ Accordeert M Kiel gemlery A Compareerde voor den welEdelen achtb: raade van Iustitie deeses gouvernements den gezwd. Clercq ter Secretarije van Iustitie alhier als in offici gequali ficeerd ter waarneeminge derzaken van den Landdrost van Swellendam Constant van Nuld onkruijd rat: off: Eijsscher in cas Crimineel ter eenre op ende Teegens den vrijswart valentijn van de poer geven en gede, in't voorsz: Caster andere zeijde Endeede zeggen zoo als in facto de waarheijd is. dat den geve, en gede, zig heeft schuldig gemaakt aan 't Crimen faldi met aande ged, august en Joncis int laatst van den gepasseerden Iaare 1785. — Een valsch slagters briefje meede te geeven op den naam van aen burger Luijtenant Jonas albertus van der boel. breeder blijkende bij des ges en ged: hier nevens gevoegde voor Heeren gecommitt„s uijt deesen E. achtb: raade b'antwoorde en gerecolleerde waag articulen mitsgs omstandig doorden r. O. Eijsscher bi den Eijsch door hem op ende Tegens voorsz august C. S. op heeden in uwelE: achtb: gedugte vierschaar overgeleevert g'expresseerd. - 7. en aan welkers inhouden den E. O. E. Kortheijds halve de vrijheijd neemd zig te refereeren 8. alleenlyk nog maar alhier zal aanmerken 9. dat wanneerde gev, en geden op de voorm: vraag articulen is gehoord 10. bij de Confrontatie der gem: get, August en Jonas. 11. doorde gev, en ged, nog is geconfronteerd. 12 dat hij geven dat briefje voorde gem: ged, geschreeve heeft des avonds en wel om 10. uuren. 13 en dat hij geve, nog gesegd heeft aan de andere gev„ wanneer zijz: van hem gegaan zijn. ƒ 2. 3. 4. 5. 6: 2 in substantie maakt niet dat gij hier aan de Caab op Nl 14. gevangen word. waaruijt blijkt dat de geve, en ged„e geweeten heeft 15. dat de Iongens drossende slaven waren 't geen merkelijk tot nadeel van den geve moet sufficieerens den R. O. dus vermeend dat 't feyt door den geve, en gede„ bedreeven. volkoomen is beweesen, en 'er niets meer nodig is om hem te doen overgaan die straffe die op het Crimen falsi is gestatueert. - 19. egter altoos aan't oordeel vanden regter is overgelaten omme na mate der aggraveerende of verligtene oordeen 20. de straffe te appliceeren 21. welke de gepaste op de gepleegde misdaad zij 22. waaromtrend den R. O. E: de vrijheijd neemen zal alleenlijk in Consideratie te geeven 23. dat hoe zeert volgens de bekende dispositie van't regt vrij zeeker is. dat een regter in't infligeeren der straffe altid meer „der Laeste als de strafste parthij behoord te verkiesen egter aanden anderenstant door eene alte zagte 25. handhaving der Crimineele Iustitie geene occage tot Ligtvaardige overtreedinge der wetten behoord gegeeven te worden. 16. 18. 24. 26. en dat mits dien in een Land als dit, en inde om standigheeden in welke men bevind. 27. waarin wen genoodsaakt is ten platten Landen geloof aan diergelijke briefjes te slaan 21. willende Ingeseetenen aen vee handel drijven 29. van welkers goede trouw en Credit de belangens deezer Colonie dan gevaarlijke uyteijndens zoude g'exponeerd worden. 30. dus eene rigoureuse straffe aan de geve, en gede„ behoord te worden g'infligeerd. 31 en vermits tot het Crimen falsi behooren deese drie voorname hoofdpoincten als. 32. een quaad voorneemen 33. een verandering aan de waardij en 34. een opzet om een anderte bedriegen 35. zoo blijkt uijt het een en ander zonne klaar dat de 17. ger, en ged„e tegens alle drie deeze voornaame hoofd poincten heeft misgaan ende gezondigd. Nc: 36. wijl een gequalificeerd faldum dat men gemeenelyk - falsheid noemd. — 37. eene misdaad is volgens de Leere van Simon van Leeuwen in zyn rooms hollandsch regt Lib: 4. pag: 33. Num: 13. waaraan't gemeen veel geleegen is. — 38. en meestendeels volgens de diffinitie van Carpzor: in zijn tweede veel Cap: 85: 8 53. naar mate der omstandigheeden moeten worden gestrafd Ia zelfs met de dood. 39. en indien E. achtb: heeren 't genoeg was dat den r. 3: Eijss„s alle de verswarende omstandigheeden van uw E. agtb: voorte dragen 40. en praefigureerde te kunnen volstaan met de alle„ gatie derzelve. 41. eene rigoureuse straffe aftevorderen 42. zouwen zig vande zeijde vanden R. O. E: na eene voordragt wegens de verswarende omstandigheeden zeer gemakke„ lyk hebben kunnen Contenteeren 43. met 't doorde geve, en geden geperpetreerde feijt te doen considereeren als een Crimen falsi inde volstrekte zin. 44. en gevolgelijk ook punisabel na den strikten inhoud der respe, wetten, daartegens gemaneerd. 45. aan den R. O. E. met de onzeijdigheijd welke met de waarneeming zijner officie behoord gepaard te gaan 46. als te voldoen aan de straffe die tegens diergelyke onderneemingen zijn gestatueerd. — 47. welke zoo veel van een officier afvordert het onderzoek der onschuld als der Schuld. - 48. zig ten sterksten verpligt reekend 49. omme aan uw E. agtb: te suppediteeren alles wat maar na zijne geringe gedagten met eenige mogelijkheijd ter verschoning vanden gewo„ en gede, zou kunnen werden bygebragt — 50 heeft zig dus verpligt of agt tot Excutatie van den geve, engeden te moeten voordragen 51. dat dls geve, hooggaande Iaren dewelke bij en in allen gevallen onder die vande kindsheijd 6 me een een

NL-HaNA_1.04.02_10984_0756 view scan ↗

English

must be reckoned. Note 52. That numerous examples have taught us that persons who have reached the age of 75 years, or even below that, have lapsed into second childhood, dotage, and senselessness. 54. Although, Honorable Worshipful Gentlemen, this is no fixed general rule, it nevertheless ought to be of no small consideration in this case. 55. To which is added that most doctors of law unanimously state 56. that when, in the commission of the Crimen falsi, a third party has not also been injured — 57. which comes into consideration in this case: 58. Firstly, that the prisoner and defendant claims not to have known that those boys belonged to another master, to Jonas van der Poel. 59. Nor that they were runaway slaves; 60. and finally, thirdly, that those boys did not use that note, but lost it in crossing one of the rivers; 61. thus, through this, they could not have injured any third party. 62. It is on this basis that the Officer, in consideration thereof, 63. and the lawful arguments that could be deduced therefrom, 64. has been moved to adopt the view 65. that the ordinary punishment which has been instituted against such a crime and cited hereinbefore, 66. could not, without notable hardship, be executed upon the prisoner and defendant; 67. but that in respect of him, an extraordinary punishment suited to the nature of the case 68. and in accordance with the political interests of this colony ought to be inflicted according to the discretion of the judge. 53 By virtue of which and other reasons and means to be further reduced in due time and place if necessary, the Officer, demanding, concludes that the prisoner and defendant mentioned in the heading hereof shall be brought to the place where criminal sentences are customary to be carried into execution here, there delivered to the executioner, exposed to public view with a rope around his neck under the gallows with a paper pinned to his chest on which the word Falsaris shall be written, thereafter to remain banished to Robben Island for the period of ten consecutive years, with condemnation in the costs and expenses of Justice, or to such other punishment as your Honorable Worships shall find to be appropriate in accordance with the committed offense. Signed: R. J. van der Riet In the margin: Exhibited in the Court on November 1786. Articles drawn up and submitted to the Honorable Worshipful Council of Justice of the Castle of Good Hope, by and on behalf of Ryno Johannes van der Riet, sworn clerk in office, qualified to attend to the affairs of the Landdrost of Swellendam, Constant van Nuld Onkruydt, to be heard and interrogated thereon, the free black Valentijn van Dapoer, his answers to be given to be duly noted in the margin hereof. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, the said Valentijn van Dapoer, who answered the adjacent interrogatories as is noted beside each of them. 1. The defendant's name, age, and birthplace. Says Valentijn van Dapoer, aged 75 years, a native of this region. 2. Whose bondsman the prisoner previously was. Says of the Honorable Company. 3. Since how long the prisoner has been set at liberty. Says to have been in freedom since the year 1758. 4. Wherewith the prisoner earns his living here. Says to earn his living as an undertaker's attendant for the freedmen. 5. Whether the prisoner also knows the slave August of the Cape. Says no. The slave August, stepping inside, says that he knows the prisoner, and that he went to him at ten o'clock in the evening to have the note written. The prisoner persists in the negative, but now says he knows him. 6. Whose bondsman the same is. Says not to have known otherwise than that he was a boy of van der Poel. 7. As also Jonas of Batavia. Says no. Jonas, stepping inside, also says as the said August stated on the previous article. The prisoner now says he knows him. 8. Whether the prisoner does not know that the four slaves were slaves of the burghers David Benjamin d'Ailly and Willem van Reenen. Says that he did not know otherwise than that they were slaves of the burgher lieutenant Jonas Albertus van der Poel. 9. And that they thus belong to no one else. Says as on the previous article. 10. Whether those two boys were not with the prisoner in the month of November or December of the year 1785. Says yes. 11. At what time and when they were with the prisoner. Says in the afternoon around half past three o'clock. Jonas and August, stepping inside, say to the defendant's face that they came to the prisoner in the evening around 9 o'clock, and that they stayed until 10 o'clock, and that the prisoner further said, while August was standing outside and 10 o'clock had struck, "Come inside, otherwise the rattle watch will catch you," and furthermore, when they received that note from the prisoner, "See to it that you are not caught at the Cape." The prisoner persists in the negative. The defendant now says that such is the truth. 12. What they came to do at the prisoner's place. Says that they asked the prisoner to write a note because they had lost their note at the Salt River. 13. Whether they did not request a travel pass from the prisoner. Says yes. 14. Whether the prisoner did not consent thereto. Says that the prisoner at first refused, but afterwards agreed thereto. 15. If so, in whose name did it happen? Says in the name of the butcher Jonas Albertus van der Poel. 16. Whether the literal contents thereof were dictated to the prisoner, or whether he wrote such out of his own head. Says that he wrote a pass for three boys to the distant Piketberg.

Dutch transcription

moet worden gereekend. Nb 52. het geende meenigvuldige voorbeelden ons hebben geleerd dat perzoonen die den ouderdom van 75: Iaaren ook wel daar beneeden hebben bereijkt tot kinds„ heijd, suf en weesenloosheijd zijn geraakt. 54. hoe wel het E. achtb: heeren geene vaste stel regul is, egter in deeze van geene geringe Consideratie dient te zijn. 55. daarlij komt nog dat de meeste regtsdoetoren een parig zeggen 56. dat zoo wanneer bij't pleegen van't Crimen falsi eenderde niet meede werd beradeeld. — 57. gelijk indit geval in aanmerking komt. 58. Eerstelijk dat de geve, en ged=e voorgeevt niet geweeten te hebben dat die Jorgens een ander heer aan Ionas van der poel toebehoorden. 59. ook niet dat zij dropende slaven waren 60. en eijndelijk ten derden dat die Iongens dat briefje niet gebruykt, waar int overgaan van eener der rivieren verlooren hebben 61. dus daardoor geen derde hebben kunnen benadeelen 62. het is aan dat de R. O. E. ter Consideratie van dien 63. ende wettige argumentatien welke men daaruyt zoude kunnen afleijden 64. gepermoveerd is geworden te vallen in't begrip 65. dat de ordinaire Strafte welke tegen een diergelijk misdrijf is gestatueerd geworden en hier voren aangehaald. 66. niet zonder natabele hardigheijd aanden geve, en gede„ zou kunnen worden g'executeerd. 67. maardat ten zijnen opzigten eene extra ordinaire straffe geschikt na den aard der zaake 68. en overeenkomstig de politicque belangens van deeze belangens Colonie na't arbitruim van den rechter behoord te worden g'infligeerd. 53 Mits welke en andere reedenen en middelen intijd en wijlen /is 't nood/ nader te reduceeren den R. O. E. Eijsch ervende concludeerd dat den dengeve, en ged=e„ in den hoofde deezes gemeld, zal werden gebragt ter plaatze alwaar men hier gewoon is Crimineele Sententie ter Executie te brengen, aldaar den Scherprechter overgeleevert met een strop om de hals onder de gaen met een papier voorden bordt gespeld, waarop het woord Falsaris geschreeven zal moeten staan ten pronk gesteld zynde, daarna voor den tyd van Thien agter een volgende Iaaren ten robben Eylande gebannen te blijven met Condemnatie inde kosten en misen van Iustitie ofte tot zodanige andere strafte als uwelE. achtb: overeenkomstig 't geperpetreerde feijl zullen bevinden te behooren /:was geteekend:/ RRJOO Riet /:in margine:/ Exhibitum in Indicio den Novbr: 1786. Articulen gedaan maken en aan Compareerde voor ons onderget: heeren gecommitt tijt den E. achtb: gecommitt„s uijt den E: achtb: raad raad van Justitie des Casteels de goede van Justitie deeses gouverne„ hoop overgegeeven door ende van ments gem: valentijn van weegens Rijno Joh„s van der Riet dapoer dewelke op de nevens gezw. Clercq in officie gequalificeert staande vraagpoincten zodanig ter waarneeminge der zaken van g'antwoord heeft als bezeyden den Landdrost van Swellendam een ijder derzelve aangetee Constant van Huld onkruijd kend staat. — om daarop gehoord en ondervraagd te worden, de vrijswart valentijn van dappoer zullende deselvs te geevene respe. in margine deezer behoorlijk te worden bekend gesteld. — bben ds de¬ zegt ratentijn van dapoer oud 75 Jaren van deezen uijt hoek geboortig. zegt vand' E. Comp„e zegt zedert 't Jaar 1758. in vrijdom geweest te zijn zegt als aanspreeker der vrijgegeevene zig te erneeren. zegt neen off zy geve, ook kend de slaaf de slaat august binnen august van de Caab treedende zeyt dat hij den geve, kend en dat hij s' avonds om thien uuren nog geweest is om 't briefje te laten schrijven de geve, blijft bij de negative dog zegt thans hem te kennen. zegt niet beter geweeten te wiens lijfeijgen denzelven is 't hebben of dat het een Iongen van van der poel is geweest. als meede Jonas van Batavia zegt neen. Jonas binnen treedene zeyt meede als de august op 't vorig artl: heeft gezegt de geve, zeyt thans hem te kennen zeyt dat hij niet beter geweten off hij gene, niet weet dat de Lijf heeft of het zin slaven heeren vier slaven zijn geweest vande burgerluijte de burgers david benjamin nant Jonas albertus d'aillij en Willem van Beenen vander Poel. waarmeede hij geve, zig hier erneerd van wien hij geve, te vooren een Lyfeyge is geweest zedert hoe lange hij geve, in vrijdom is gesteld. des ged, naams ouderdom en geboorte ƒ plaats 2. ƒ A 1: 4. 5. 8 zegt als op 't vorig artc: zegt Ia. zegt in de agtermiddag omstree hoe laat en wanneer zij gene, bij hem geweast zyn half vier uuren -: Jonas en august binnen treedende zeggen die ged: in facien dat zijt bij hem gene gekoomen zijn des avonds omtrend 9 uuren en dat zil: tot 10. uuren naar zijn gebleeven en dat hij geve„ nog gezegt heeft terwijl hij august buijten stond en't 10. uuren geslagen had komt binnen anders zal de ratelwagts uw opvangen en nog wanneer zijt: dat briefje van hem geve, ontfangen hebben, maakt niet dat gij aande Caab opgevangen word. de gev: blijft by de negotive de ged, zeijt thans dat zulx de waarheijd is. zegt dat zij hem gev„ gevraagd wat zijh: bij hem gev„n zijn komen doen hebben om een briefje te schrijven wijl zijt: hun briefje verlooren hadden aan't zoute rivier 13. off zijt: niet aan hem geven hebben verzogt om een padbriefje 14. zegt dat hij geven in't eerst gen off hij geven daar niet in heeft toe weijgert heeft dog nader gestemd. hand waarin te hebben toegestemd 15. zoo ja. op wiens naam't is ge„ zegt op de naam van de slag Schied! „ter Ionas albertus van der Poel. zeyt dat hij geschreeven heeft off hem geve, de woordelijke inhoud een pas voordrie jon, daarvan is voorgezegd dan wel„ gens tot verde zicquet of hij zulx uyt zijn eygen geschree bergen. ven heeft zegt za. R. off die twee Iongens niet bij hem geve in de maand Novbr: of de Cor des Jaars 1785. geweest zyn A 9. en dat zy dus niemand anders toe behooren. ƒ 11. 12. 6.

NL-HaNA_1.04.02_10984_0760 view scan ↗

English

says Yes. says Yes. 9. what he, prisoner, received as a reward for it says a copper watch from the slave Jonas. 20. whether Jonas did not pay him, prisoner, a watch for it. says no says as before whether those boys did not, a few months ago now, ask him, prisoner, again for a similar note says no the Head Andries entering says to the prisoner's face that he was with the prisoner, where this was refused by him. the prisoner says it may well be, but it has slipped my mind says now that his wife once said there was a boy here who asked for a slaughter note, but that he told his wife you must turn the boys away if they come again the prisoner says now that those boys were with him, prisoner, for the second time and asked for a note. says no to have refused that. whether he did so 23. says that he refused them because he was afraid to do so for the second time and that he had therefore turned them away if no, why he, prisoner, refused it 24. 22. whether he, prisoner, also knows what the project of those boys was when they asked for the note? 18. if Yes, whether he did not then draft it in such a manner. whether they also asked to put it in the name of Jonas Albertus vander Poel. 17. 8 21. may be true otherwise not. says Yes with the papers says Yes says Yes. says Yes. 19. and that he, prisoner, does not understand that making those false passes is punishable says Yes, but to request a merciful punishment 30 says to beg pardon and never to have done such a thing before. what he, prisoner, can bring forward in his defense. Thus asked and answered at Cabo de Goede Hoop on 13 November 1786 before the Messrs. Johannes Martinus Horak and Christiaan George Maasdorp, members from the Honorable Court of Justice aforesaid, who have duly signed the minute hereof along with the Appearer and me, sworn Clerk. Below: Which I witness. Was signed: R. J. v.d. Riet, sworn Clerk. Review. Appeared before us the undersigned commissioners Below was written: 28. and that he could be the cause of many disasters and that he thus violated the good faith among the inhabitants whether he, prisoner, does not know that one may not grant a false signature. 27. 26. 25. whether he, prisoner, did not already understand then that he did wrong from the Honorable Court of Justice of this government, the free black Valentijn van Dapoer, who, these his preceding answered interrogation articles with the answers given thereto having been clearly and plainly read out to him word for word, declared that he persists by them, not desiring that anything more shall be added to or removed from it, saying that the preceding is the pure truth. Below was written: Thus reviewed at Cabo de Goede Hoop on 17 November 1786. Was signed: V. V. Dapoer. Below: Present to me. Signed: R. J. v. d. Riet, sworn Clerk. In the margin: As commissioners. Signed: J. M. Horak, A. v. Sittert. Inventory of Documents made and submitted to the Honorable Court of Justice by the sworn Clerk of the Secretariat of Justice, Rijno Johannes van der Riet, as qualified in office for taking care of the affairs of the Landdrost of Swellendam, Constant van Nuld Onkruydt, Officer Prosecutor in a Criminal Case on the one side, against a free black Valentijn van Dapoer, prisoner and defendant in the aforesaid case on the other side. Inventory marked with the Letter A. Criminal Claim and Conclusion made and taken by the Officer Prosecutor against the prisoner, marked with the Letter B. Interrogatories upon which the prisoner and defendant was questioned before gentlemen commissioners from this Honorable Court, with his answers given thereto, marked with the Letter C No. 1. Serving as justification of the facts charged against the prisoner and defendant in the aforesaid Claim by the Officer Prosecutor, and consequently for verification of articles 2 to 16 of the aforesaid claiming Conclusion of the Officer Prosecutor. The remaining articles of the same Claim are introductory, matters of public notoriety, or in confesso, and consequently need no special proof. Brief on the law, if necessary, to be drawn up and then to be marked with the Letter D. Signed: R. J. v. d. Riet Agrees H. M. Kiel, Sworn Clerk Honorable Gentlemen With due respect, the sworn Clerk of this Court, qualified in office for the Landdrost of Swellendam, shows That the slaves August and accomplices, who, after having formed a plot in the country, had committed a most cruel murder and robbery on the farm of the burgher Sebastiaan Rotman, having asserted both at their capture and in the articles answered before gentlemen commissioners that a certain exile residing here, being a so-called Mohammedan priest and named Norman, had handed over to one of them, in the name of Jonas of Batavia, a certain small lot on which he had written some lines in the Arabic language with a pin, under assurance, according to the words of the slave Damon belonging to the burgher Willem Tenneke, that the same, as being an incantation or absolution granted by him as a holy man, would be able to protect them against the wilderness as well as capture and even against all adversities in their flight; that the Officer Prosecutor, having soon come to the understanding that, however ridiculous and however trifling the same manner of thinking or so-called point of religion must be considered by every Christian, this sort of superstition nevertheless in general has no small influence To the Honorable Gentlemen Pieter Hacker and Johannes Isaac Rhenius, Presidents, together with the further Honorable Court of Justice of this government.

Dutch transcription

zeyt Sa. zegt Ial 9. wat hij geve, voor beloning daar zegt een koper horologie van voor heeft gekreegen de Slaaf Ionas. 20. off. Jonas hem geve, niet een korolo„ gie daar voor heeft betaald. zeyt neen zeyt als vooren off die Jorgens niet voor nu een zegt neens paar maanden, hem ged, wederom de Hoof Andries binnen hebben verzogt om een diergelijk treedende zegt aengeve„ briefje in facie dat hij by de geve is geweest waardat zulx door hem is geweijgert. degev=e zegt het kan wel weesen maart is mij ontschoten zeyt thans dat zyn vrouw eens gezegt heeft daar is een bongen hier geweest die gevraagd heeft om een slogter briefje dog dat door hem aan zyn vrouw was gezegd gij moet de jongens afwijsen als zy weder koomens deyed, zeyt thans dat die zongens ten tweede maalen bij hem geve, geweest zijn en om een briefje hebben versogt. zegt neen zulx te hebben off hij zulx heeft gedaan geweijgert. 23. zeyt dat hij hun gerefuseert zoo neen waarom hij geven zulx heeft omdat hij be„ gerefuseert heeft vreesd was, zulx voor de tweede reijze te doen en dat hij daarom hun had afgeweesen 24. 22. off hij geve, ook weet wat 't project is geweest van die Iongens toen zij om't briefje hebben gevraagd? 18. zoo Ja. of hij zulx dan ook niet ousdanig heeft gesteld. off zijt ook hebben verzogt om zulx op de naam van Jonas albertus vander boel te stellen. A 17. 8 21. kant weesen waar anders niet. segt Iat met de papieren zegt Jas zegt Ia. zegt Ia. E9. en dat hij geve, niet begrijpt dat zegt Ja. . maar een barmhar die valsche passenmaken straf tige straffe te ver„ waardig zijn 't zoeken 30 zeit pardonte verzoeken wat hij gene, tot zijn verschoning en zulx nimmer te weet inte brengen. vooren gedaan te hebben. Aldus gevraagd en beantwoord aan Cabo de goedehoop den 13. Novbr: 1786: voorde heere Ioh„s Marth„s Horak en Christiaan geore Maasdorp Leeden uijt den E. achtb: Raad van Justitie voorm: die de minute deezes beneevens de Comp„ ende mij gezw: Clercq meede behoorlijk hebben onderteekend /: Lager:/ 't welk ik getuijgen /:was geteekend:/ B. J. Vd Riet gezw. Clercq. — Recollement. Compareerde voor ons ondergeteekende gecommitt„ /:onderstond: 28. en dat hij oorzaak kon zijn van veele enheijlen en dat hij dus de goede trouwe onder de ingeseetene geschonden heeft d off hy geve, niet weet dat men geen valsche handteekening mag verleenen. 27. 26. AC: 25. off hij geve, toen niet reeds heeft begreepen dat hij qualijk gedaan heeft uijt den E: achtb: raad van Justitie deeses gouvernemen„ de vrijswart valentijn van dapoer dewelke deese zyne voorenstaande beantwoorde vraagarticulen met de daarop gegeevene antwoorden kan woorde tot woorde klaar en duijdelijk voorgeleesen weesenden betuijgde daarbi te blyven persisteeren, niet begee„ rende dat 'er uts meer bij ofte van gedaan werden zal, zeggende dat 't voorenstaande de zuyvere waarheijd is. /:onderstond:/ Aldus gerecolleerd aan Cabo de goede koop den 17 Novbr 1786 /:was geteekend:/ V. V. dapoer /:Lager:/ mij present. /:geteekend:/ R. J. V. d. Riet gesw: Clercq /:in margine:/ als gecommitt„s /:geteekend:/ I. M. Jlorak A: v: Sittert. Inventaris van Stucken gedaan „maken en aan den welEdelen achtb: raade van Iustitie over gegeeven, door den geswore Clercq ter Secretarie van Eeustatie Rijno Joh, vander Biet als in officie gequalificeert ter waarnee minge der zaaken van den Landdrost van Swellendam Constant van Nuld' onkruijd rak off. Eijsscher in Cas Crimineel ter eenre op ende Teegens Een vrijswant valentijn van dapoer geve, en ged=e in't voorsz: Cas ter andere zeijde Inventaris gequoteerd met Litta. Crimineelen Eysch en Conclusie doorden R. O. Eijsscher op ende Tegens de geve„ gedaan ende genoomen, gequoteerd. met de Letter Interrogatorien waarop den geve en ged=e voor heeren gecommitteerd„s uijt deesen E. achtb. raade is, onder vraagd geworden met desselvs B. . f - CN„o 1. daarop gegeevene responsiven gequoteerd met de Letter. Dienende tot Justificatie van de faiten aan den gene, en ged=e bij de voorsz Eysch door den r. O. Eysscher ten Lasten geleyd en mitsdien tot verificatie van art: 2. tot 16. van des R. O. Eijsschers voorm: Eijschende Conclusie De Gverige articuler van denzelven Eijsch zijn introductie, notoir turis of in Confesso, en hebben mitsdien geen Speciaal bewijs nodig. Memorie van rechten /: is 't nood :/ te formeeren en als dan te quoteeren met de Letter L. . /:geteekend:/ RJVd bbiek Accordeert HMKiel GemClery WelEdele agtbaare Heeren Vertoond met schuldigen Eerbied degeswoore Clercq deeses raads voorden Zanddroat van Swellendam in officio gequalificeerd Dat de slaven august C. S: dewelke na zig in een Complot ten platten Lande te hebben begeeven, op de plaats van den burger Sebastiaan Rotman een aller wreedste moord en opolierverdeld hadden gepleegd zoo wel by hun gevangennee„ „ming als de voor heeren gecommitt, beantwoorde articulen hebbende voorgegeeven dat zeekere alhier remoreerende bammeling zynde een zoogenaamde mahometaansch priester en geheeten Norman eendergen, in naame Jonas van Batavia zeeker Lootje waarop hij in de arabische taale met een speld eenige regels geschreeven had, zoude hebben ten hand gesteld onder verzeekering volgens seggen vanden Slaaf damon toebehoorende den burger Soslem Tenneke /dat hetzelve als zijnde eene beswering of absolutie door hem als een heijlige verleend hun voor't wild gedeelte als 't opvangen en zulfs voor alle tegenheeden in hunne vlugt zouden kunnen beveijligen, dat de r. O. vent: al spoedig zijnde gevallen int begrip dat hoe bespottelijk en hoe benselagtig dezelve manier van denken, of zoogenaamde poinct van godsdienst bij ieder Christen moet worden geconsidereerd, deeze zoort van bygeloo vigheijd egter in't generaal geene geringe influentig Aande welEdele agtbaare Heeren Pieter Hacker en Lohs, Isaac Rhenius praesidenten beneevens de verdere E. agtb: raade van Iustitie deeses gouvernements.

NL-HaNA_1.04.02_10984_0766 view scan ↗

English

seems to have caused among the greatest multitude of slaves, while furthermore it particularly had no lesser effect upon the foolish notions and prejudices of the same criminals, such that they, having placed full faith in the power thereof, not only took it upon themselves to run away, but also reached that abominable degree of cruelty of making themselves guilty of such a premeditated and terrible murder as from which even the greatest brute could never refrain from manifesting a sensible horror in every respect, and that therefore the same so-called Priest Norman should absolutely be considered to be the immediate cause, or at least to have provided very much occasion thereto; That the petitioner has caused the same Norman, who had already been apprehended as a precaution upon the rumor of the aforementioned, to be questioned on such articles as were framed for that purpose by the petitioner and handed over by the commissioners, but that the same in his given responses has not only declared to know nothing of the token shown to him by the commissioners, and thus never to have handed the same to those criminals, but even in the presence of all the said defendants conducted himself steadfastly and with the greatest tranquility, as if he had never seen nor spoken to the slave Jonas, to whom he was said to have given that token, indeed that he knew nothing of either one thing or the other, and that whatever effort was made during the said interrogation, he could nevertheless not be brought by his own answers to sufficiently establish the law regarding the same accusations against him; That although, on the one hand, it is beyond all dispute that the crime of which the accused has been charged is of such a nature that, being proven, it would without doubt merit a very severe punishment, and that provided all circumstances were disposed accordingly, one ought also not to hesitate to constrain the defendant to a confession by means of a sharper examination, yet on the other hand, according to the opinion of the Officer petitioner, it should nevertheless be no less certain that one must always use the very perilous means of torture with the greatest caution, and not employ the same lightly unless the evidence brought against the defendant is so clear and so decisive that one would have little difficulty in making a claim against the accused on the basis thereof without the least confession; That if this same opinion of the petitioner is embraced by your Honors and the evidence militating against the same Norman is subsequently examined, the Officer petitioner fairly trusts that your Honors will soon be convinced that the said evidence is quite lacking in the aforementioned legality, and that it would otherwise be quite imprudent on the part of the petitioner, without special authorization from the judge, to resort to the aforementioned remedy of torture in the present case, in consideration that the testimonies brought against the accused consist merely of accusations by persons who are themselves already convicted and persuaded of the most enormous and dreadful crimes, and that however much the same may produce a vehement suspicion against the accused, the one and the other could nevertheless be taken into consideration as hardly more than half-proof; wherefore it occurred to the Officer petitioner, because of the weak evidence and several other reflections, that on account of the defendant's constant denial one could not possibly proceed against the accused to the act of an extraordinary claim, yet the Officer petitioner is of the opinion, under respectful deference, that apart from the presumptions resulting from the confluence of circumstances to the disadvantage of the defendant, no small difficulty would arise in setting the accused at liberty again; Wherefore the petitioner has deemed it most advisable to bring all of this before the penetrating judgment of your Honors, with the humble request that your Honors take such disposition concerning the same Norman, either through a special order for the petitioner to make a claim of torture against him, Norman, or through a resolution to banish him to Robben Island until such time as one might possibly obtain some further evidence, or else in another manner, as your Honors shall deem proper for amputating all unlawful fear of calamities. The petitioner further takes the liberty humbly to request your Honors that, since the person of Johannes Jacobus Fabritius, accused by the aforementioned criminals of having made himself guilty of writing two false butcher's notes in the name of Jonas Albertus van der Poel, has fully confessed and admitted the truth thereof in his interrogations answered before the commissioners from this Honorable Council of Justice, your Honors may therefore also be pleased to grant him, the petitioner, a decree of apprehension against the person of the aforementioned Johannes Jacobus Fabritius. Which doing, etcetera. Signed: R. J. V. d. Poel. In the margin: Exhibited in court the 16 November 1786.

Dutch transcription

op de grootste menigte van Slaven Schynt te hebbe veroorzaakt terwijl het voorts in't byzonder ook op de dwase begrippten en't vooroordeel van deselve misdadigers geene mindere uijtwerking gehad heeft zodanig dat zy aande kragt daarvan volkoomen geloof geslagen hebbende niet alleen hun tot het drossen begreepen, maar ook zelfs tot die verfoeijlijk mate van wreedheijd zijn gekoomen van zig zelfs schuldig te maken van een zodanig gepremediteerd en verschrikkelijke moord als waarvan de grootste wreedaard zig nimmer zoude kunnen onthouden in allen opzigten een gevoelig afgrijzen te manifesteeren, en dat dus dezelve zoogenaamde Priester Norman, absoluut voor de onmiddelijke oorzaak ten minsten vandaar toe zeer veel aanleijding te hebben begeeven zoude behooren te worden geconsidereert Dat de vert: denzelve Norman die reeds op 't gerugt van't vooreng'allegueerde in't precautie was g'apprehendeert, heeft doen hooren op zodanige arthculen, als bij den vert: ten dien eijnde waaren geformeerd en van heeren gecommitt overgegeeven dan dat dezelve by zijne gegeevene responsiven niet alleen verclaart heeft van 't Lootje dat hem door heere gecommitt„s is vertoond niets te weeten en dus dezelve nimmer aan die misdadigers te hebben ter hand gesteld maar zelfs in farie van alle dezelve ged, zig standvastig en met de grootste tranquiliteijd heeft gehouden als of hij den slaat Jonas /aan wien hy dat Loodje zoude gegeenen hebben, / nooijt had gezien nog gesprooken ja dat hij nog van't een nog het ander iets wist, en dat welke moeyte men ook bij 't zelve verhoor heeft aangewend, het egter daartoe niet heeft kunnen worden gebragt omdoor zijne eygene antwoorden in't een op ander dezelve beschuldigingen tegens hem de regten voldoende te doen sufficieeren Dat hoe zeer het nu aanden eenenkant wel 1 is buijten alle tegenspraak gesteld dat de misdaad waarmeede aengeven is beschuldigt geworden, is vandien aard dat dezelve beweesen zijnde buyten twijffel een zeer strenge straffe zoude meriteeren en dat mits die alle omstandigheijd daarna geditueerd zijnde men ook niet zoubehoen te dralen, om door middel van scherper Examen den geden tot een Confessie te Constringeeren, aan dat het aanden anderen kant, volgens het begrip van den R. O: verz: egter niet minder zeker behoord te zijn dat men van't zoo hagge lijk middel van tortuur altoos met de grootste voorsigtigheijd behoord gebruijk te maken, en hetzelve niet ligt te emploijeeren of de bewuijsen welke aandengede, zyn ingebragt moeten zijn zoo klaar en zoo decisief dat me„ niet veel swarigheijd zou behoeven te maken om op fundament daarvan zonder deminste Confessie tegens den geven Eijsch te doen. Dat hetzelve begrip van den verkbij uw E. agtb: werdende g'emplecteerd en vervolgens g'examineerd de bewijsen welke tegens den„ selve Norman militeeren, de E. O. vert: billyk vertrouwd dat uwE. agtb: spoedig zullen worden overtuijgd dat aan dezelve bewysen al vrij wat vande gem: Legaliteijd ontbreekt en dat menders sonder speciale authorisatien van den regter al vrij wat envoorzigtig vande kant vanden vert: tot het voorm: remedie van tortuur inhet voor handen zynde geval zyn toevlugt zou neemen in Consideratie vat de getuijgenissen tegens den geve, ingebragt enkel bestaan, in beschuldiging van perzoonen dewelke zelve reeds vande evormste en gauwe lykste miseraden zyn geconvinieerd en over tuijgd en dat hoe zeer dezelve wel een rehe„ mente suspicie tegens aengeve, uijtleeverd 't een en ander egter voor niet anders als nauwelijks voor een halve preuve, zoukunnen koomen in consideratie weshalven het den R: O. verl: om't swakke bewijs en verscheijde andere reclexien meer zinde voorgekoomen, dat men uyt hoofde van des ged: Consrante ontkentenis met geen mogelykheijd tegens den geve, tot het ave van een extra ordinaire Eijsch zoude kunnen overgaan, de R. O. vert: egter onder eerbiedige reverentie van begrip is dat buijten de prie„ sumptien, welke uijt de samenloop der zaake ten nadeelen vanden geden resulteeren, er geene geringe zwarigheijd zig zoude opdoen, om den geven wederom te stellen op vrije voeten Waaromme de vert: raadzaamst heeft gfoordeelt dit eens en ander te brengen onder het penetrant oordeel van uwE. agtb: met eerbiedig verzoek dat uuE. omtrend denzelve Norman 't zij door een speciale ordre van den vert: omme tegens hem norman Eijsch ad forturam te doen, of door een besluijt om hem tot tijd en wijlen men mogelik het een of ander nadere bewijden mogten aan„ handen krijgen naa't robben eijland te relegeen dan wel op eenen andere wijze zodanig dispositie te neemen, als uE. agtb: tot het amputeeren van alle onregtmatigen vrees voor onheijlen zullen vindente behooren. s Devert: neemd al verderde vrijheijd uwel Eds oot= moedig te verzoeken, dat vermits de door voorm: misd digers beschuldigde perzoon van Iohannes Jacobus fabritius, dat dezelve zig aan't schrijven van twee valsche slagters briefjes op den naam van Joras Albertus van der Poel zoude hebben Schuldig gemaakt bij zijne voor heeren gecommitt„s uijt deese Edele agtb: raade van Justitie beantwoorde Interr: de waarheijd naar van Compleet heeft bekend en beleeden uwE. agtb: derhalven ook aan hem vert: gelieven te verleenen decreet van apprehensie op den persoon van gem: Iohannes Iacobus fabritius /:onderstond :/ 't welk doende &s„a /:geteekend:/ R. J. Vd Pbiel /:in margine :/ Exhibitum in Iudicio den 16. Nvvbr: 1786

NL-HaNA_1.04.02_10984_0769 view scan ↗

English

says Johannes Jacobus Fabritius, aged over 12 years, native of Samarang. says as before. says with the Captain Paul Paulsen residing here, who is his uncle. says no. says on a Friday afternoon in the latter part of the month of September, this having been the very same afternoon just as a deserter had been executed the Monday before. says yes. says as before. says the slaves Leentje and Patjar, who said on the first occasion you must come home there is a letter to write, and on the second occasion those two said you must come home there is a letter from your uncle. says that they had said, write us a letter for we have lost our letter, and he the respondent had answered why do you not ask master, whereunto they had answered we are afraid to do so. says as before. says yes. says that a certain female slave also in the house of the said Paulsen, named Mawaar, had told and advised the respondent to write that letter. says yes. says yes. says that the boys had pretended to be slaves of the retired Lieutenant Jonas Albertus van der Poel and that they had lost their letters, and that those boys stayed near the house of the respondent until toward the evening. says no, and if the respondent had known that those boys were runaways, that the respondent would not have done so. says no. says yes. says yes. says two rixdollars in paper currency. says that being still young he did not know to have done so greatly amiss thereby. says not to have thought that far. says not to have thought that those boys would go so far. says because the respondent thought that those boys were not runaways, he therefore wrote it. says not to have known that he would do wrong thereby. Articles drawn up and presented to the gentlemen commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of the Castle of Good Hope, by and on behalf of Ryno Johannes van der Riet, sworn clerk at the aforesaid secretariat, qualified in office to attend to the affairs of the Landdrost of Swellendam Constant van Nuld Onkruijd, in order that the youth Johannes Jacobus Fabritius of Samarang may be heard and interrogated thereupon; his responses to be given shall be duly recorded in the margin hereof. To 1. The respondent's name, age and place of birth? 2. Where the respondent resides? 3. Whether the respondent also knows the slaves August, Jonas and Andries? 4. When they were with him the respondent? 5. Whether those boys did not come to the respondent while he was at school? 6. Whether this was not in the month of September last past? 7. Whether the respondent also had prior knowledge of those boys, and if so, how many times? 8. Who came to fetch him from the school, and how many times? 9. What those who fetched him from the school pretended in order to get the respondent home? 10. Whether when the respondent went home, he did not find the three boys in the house? 11. If so, what they directly said? 12. Whether they did not ask for a butcher's pass? 13. If so, what they pretended? 14. Whether the respondent did not directly show himself willing thereto? 15. Whether the respondent's mother did not advise him to write such? 16. Whether the respondent also knew to whom those boys belonged? 17. What pretext those slaves used? 18. Whether those slaves also said that they intended to run away? 19. Whether he then did not proceed to write those letters? 20. To show the respondent the letters and ask whether these are not the same letters that were written by him? 21. What he received as a reward for that? 22. Whether he does not know that he has committed a great offense thereby? 23. And whether he is not the cause of the boys committing such an atrocious murder? 24. And whether he does not realize in retrospect that if he had not written that letter, they would not have come to that step? 25. Whether he does not confess to having done wrong and deserved punishment? 26. What he can advance for his excuse? Thus questioned and answered at the Cape of Good Hope on 13 November 1786, before the gentlemen Johannes Marthinus Horak and Hendrik de Wet, members of the Honorable Worshipful Council of Justice aforesaid, who have duly signed the minute hereof together with the respondent and me, sworn clerk. Below was written: Which I witness. Signed: R. J. v. d. Riet, sworn clerk. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, the youth Johannes Jacobus Fabritius of Samarang, who gave such answers to the adjacent interrogatories as are noted down beside each of them. Articles drawn up and presented to the undersigned gentlemen commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of the Castle of Good Hope, by and on behalf of Ryno Johannes van der Riet, sworn clerk at the Secretariat of Justice, qualified in office to attend to the affairs of the Landdrost of Swellendam Constant van Nuld Onkruijd, in order that the convict Norman banished here may be heard and interrogated thereupon; his responses to be given shall be duly recorded in the margin hereof. Appeared before the undersigned gentlemen commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, the convict Norman, who answered to the adjacent interrogatories as is noted beside each of them.

Dutch transcription

zeyt Joh„s Jac, fabritius oud ruijm 12. Jaren, van Samarang zegt als vooren. Articulen gedaan maken en Compareerde voor ons onderget: aan heeren gecommitt„s uyt den E. gecommitt„s uijt den E: agtb: raad van Justitie deeses gouverne agtb: raad van Iustitie des Casteels ments den Jongeling Ioh„s jact de goede hoop overgegeeven, door fabritius van Samarang dewelke E van wegens Rijnd Iohannes op de nevensstaande vraagpoincten van der Biek gezw: Clercq ter zodanige antwoorden gegeenen heeft voorm Secretarije in officio gequa„ als beseiden een ijder derzelve lificeerd ter waarneeminge der zaaken van de Landdrost van staat aangetekend. — Swellendam Constant van Nuld onkruijd omme daarop gehoord en ondervraagd te worden den bongeling Iohannes Jacobus Fabritius van Sammarang zullen desselvs te geevene responsiven in margine deeser behoorlijk worden bekend gesteld. — Ab 1. des ged, naam, ouderdom en geboorte plaats 2. waarhij geven woont t Off hij geve, ook kend de slanen August, Jonas en andries 3. teijt op een vrijdag agtermiddag wanneer dezelve bij hem gede„ in't laatst der maand Septb: geweest zijn! zynde zulx geweest die eijgenste middag zoo als een vercatters smaandeis te vooren of executeerd geworden zegt Ja. off die Jongens niet bij hem geve¬ gekoomen zijn dewijl hij zig inde School bevond off zulx niet is geweest ende maand Septbr: laastleeden. Capitain Paul Paulsen dewelke zijn oom is zegt bij de hier remoreerende zegt Ia. geboortig. „ ƒ was. 4. A zeyt de slaven Leentje en patjar wie hem uijt de school is kamen reijze gezegt hadden gij moet thuijs komen daaris een brief te schrijven en voorde tweede maal hadde die weiden gezegd gij moet thuijs komen daar is een brief van uw oom. zegt als vooren. zegt Ia. zeyt dat zij gezeyd hebben zoo zal wat zij direct hebben schrift ons een brief want gezegt t onse brief hebben wij ver„ „looren, en had hij gen, daarop g'antwoord waarom vraagd gij nu baas niet degene, daarop gtantwoord hadden wij zijn bevreesd om zulx te doen zegt Ia. zegt als vooren off zijn ged, moeder niet hem gene„ zeyt vat zeekere slavin E heeft aangeraden om zulx te meede int huijs van gem: Paulsen in name schrijven Mawaar den geve, gesegd en aangeraden had om dat briefje te schrijven. 14. zeijt Za off hij geve, zig niet direct daar „toe goedwillig heeft betoond 12. aff zij niet om een slogters pad briefje hebben gevraagd t zoo zal wat zy hebben voorgewend: off toen hij geve, na huijs ging de drie sorgens niet heeft aange troffen in huijs wat die geene die hem uijt de school haalde hebben voorgewend om hem geven te huijs te krijgen off hij geve, ook kennis aan die Jongen te vooren gehad heeft dewelke voorde eerste halen, en wel hoe veel malen zegt neen ƒ 8. ƒ 10 15. zegt twee rd„s aan papiere voorgewend slaven vande gebruijkte Luijtenant Jonas albertus vander Poel te zijn en dat zil: hun briefjes waren quijt geraakt en dat die sorgens tot tegens den avond van't huijs vanden gene, gebleeven zijn zegt dat die sorgens hadden zeijt neen, en als hij geve, geneten off die slaven ook hebben gezeyd had dat die Jongens dat zy van mening waren te drossers waren, dat hij drogen geve, zulx niet zoude gedaan hebben. zegt steen. zegt Ias segt Jas wat hij tot beloning daarvoor heeft genotend 22. off hij niet weet dat hij daar zegt dat terwijl hij nog lonke zulx iet geneten te hebben door gaotelijks misdaan heeft zegt zoo verre niet gedagt te hebben. zegt niet te hebben gedagt dat die sorgens zoo verre zoude gaan. munt. en of hij niet de oorzaak is. dat de Iongens een dusdanig gauwelijk moord hebben gedaan. en of hij nu niet van agteren begrijpt dat indien hij dat briefjen niet geschreeven had zyt: niet tot die stap zouden gekoomen zijn t. 21. dengeve, de briefjes te vertoonen en te vragen of dit niet dezelfde briefjes zijn die door hem zijn geschreeven off hij toen niet aan't Schrijven dier briefjes gegaan is 20. 18. off hij geve, ook west wie die Iongens toebehoorde A 16. wat voorwendsel die slaven : 17. 19. 23 24. M 25 zegt omdat hij geve, gemeend had off hij niet bekend kwaad gedaan en straf verdiend te hebben dat die sorgens geen drossers waren daarom zulx geschreeven te hebben zegt niet geweten te hebben wat hij tot zijn verschoning kan dat hij daaraan zoude bijbrengen misdoen. Aldns gevraagd en beantwoord aan Cabo de goede hoop den 13 Novbr: 1786. voorde heeren Johannes Marthinus Horak en Hendrik de wet Leeden uijt den E: agtb: raad van Justitie voorm:; die de minute deeses beneevens de geve, ende mij gesw. Clercq meede behoorlijk hebben onderteekend: /: Lager:/ 't welk ik getuijgen /:geteekend:/ R. J. V. d. Riet gesw: Clercq.— Articulen gedaan maken en aan Compareerde voor de onderget: gecommitt„s uijt den E. agtb: raad heeren gecommitt„s uijt den E. agtb: & van Justitien deezes gouverne raad van Iustitie des Casteels de ments den bandhet Horman goede hoop overgegeeven door enden dewelke op de nevensstaande van wegens Rijno Iohannes vraagpoincten zodanig g'ant van der Riet gezw: Clercq ter woord heeft als bedeijden een Secretarije van Justitie in ijder derzelve aangetekend officie gequalificeert ter waar staat. neeminge der zaaken vanden Landdrost van Swellendam Constant van suld Onkruijd omdaarop gehoord en onder vraagd te worden, den alhier gerelegeerden Norman zullende desselvs te geevene respontive in margine deeser behoorlijk worden bekend gesteld. — /:onderstond:/ : 26. ƒ

NL-HaNA_1.04.02_10984_0773 view scan ↗

English

The prisoner's name, age, and place of birth. Says Norman, aged approximately 69 years, born in Masantie. Where he has resided, in what year he was sent here from Batavia, and for what reason. Says he has resided in the slave quarters, since a long time ago without knowing how long, and without knowing for what reason he was sent hither. Whether he has not practiced the Mohammedan religion here as a priest since that time. Says no. Whether he has not gained a particular following among his people and is thus believed as a soothsayer. Says no. Whether persons have not come to him daily at his house, who consulted with him about this or that matter. Says no. Whether he did not support those persons with his advice, and to provide greater certainty or proof, to put them at ease, give them something to take with them. Lapses. What it was that he gave to them. Says he knows nothing about it. Whether that could also protect them from misfortune and from detection. Lapses. And whether he was not assured that those persons, being ignorant, believed in his superior abilities. Says he knows nothing about it. Whether he did not add an incantation to that which he distributed to them for greater effect. Says no. Whether he also knows the slave Jonas of Batavia, bondsman of Willem van Reenen, formerly belonging to one Voberg or commonly called boatswain Elias. Jonas entering, the prisoner said that he has known him at present on the Island. Whether he did not also sometimes give that slave Jonas something as an assurance and incantation against all misfortunes. Jonas entering says that the prisoner gave him a small amulet or incantation. The prisoner persists in the negative. Against what misfortunes he gave it to him. Lapses. To show the prisoner the amulet and ask whether he does not recognize it. Says he does not recognize that amulet. What that is used for. Says he does not know. Whether Jonas did not receive that from him upon his running away. Says I know nothing about it. And whether that amulet does not serve to be protected from detection. Says he likewise knows nothing about it. Whether he also believes in the power of that incantation. Lapses. Whether someone who has that amulet, according to his opinion, can also be apprehended. Says I do not know. Whether he thus gave assurance to another and also to Jonas of the power thereof. Says no. What persons besides have received such amulets or slips of paper from him, and to name them. Says he knows nothing about it. What the substantial content of the inscription is. Lapses. Whether he does not understand that by giving such amulets or slips of paper he has deceived many innocent persons. Lapses. Whether there are more persons here, besides him, who perform such incantations, to name them. Says he knows nothing about it. Thus questioned and answered at Cape of Good Hope, 13 Novbr 1786, before the gentlemen Johannes Marthinus Horak and Christiaan Georg Maasdorp, members of the Honourable Court of Justice aforesaid, who have duly signed the minutes hereof together with the deponent and me, sworn clerk. Below: Which I witness, signed, R. J. v. d. Riet, sworn clerk. Concurs. To the Right Honourable, the Gentlemen Presidents together with the further Honourable Council of Justice of the Castle of Good Hope. Right Honourable Gentlemen, Shows with due respect the fiscal pro interim, Gabriel Exter: That the Right Honourable Governor and the Council of Policy, having by resolution of the 1st of this month of November seen fit to place into the hands of the remonstrant such persons as, although not fully convicted, nevertheless lie under strong suspicion of having taken part in the conspiracy of certain eleven criminals who, regarding an attempted enterprise to make themselves master of said vessel and the cargo contained therein by killing the officers and other crew members of the Honourable Company's chartered private ship De Jonge Frank, lying here again ready for its departure, were executed ex delicto by the same officers, and were brought over here; meanwhile, upon investigation, both from certain circumstances and the declaration hereunto annexed, it has appeared to the remonstrant, that the commander of the soldiers assigned to that vessel, Casimir Lempe, not only

Dutch transcription

zegt steen: zegt Neen Vervald. zegt steen. Zeyt Norman oud na gissing 69 Jaren van masantie geboortig. zeyt in't welk hok te woonen! waardezelve woonagtig is geweest ten wat Jaar hij gene, van batavia zegt zedert nu een lange tijd zonder te weten hoe lang na herwaards is gezonden en om welke reeden geworden, en om welke reeden. zegt Neen. off hij geve; niet als priester de mahometaande religie zedert dien tijd alhier heeft g'exerceert off hij geve niet onder de zijne en bijzondere opgang heeft gemaakt en dus geloofd word als een waar zeggen! off het niet dagelijks bij hem geve„ aan huijs perzoonen gekomen zijn, die met hem geve, raad pleegden, over deze of geene zaaken. off hij geve, dan die perzoonen niet met zijn raad ondersteunde en tot meerdere zeekerheijd ofte tot bewijs, om hun gerust te stellen niet iets mede gaf t wat zulx dan was dat hij dan heeft meede gegeeven. off hun dat ook bewaren kon voor onheijlen ook voor naspeuring. en of hij geve, aan niet versekert was dat die perzoonen als onnosel zijnde aan zijn meerdere kunden geloot sloegen zegt nergens van te weeten. Zegt steen des gev: naam, ouderdom en geboorte plaats. e 8 1 O 5 6. A. 2. Nb 1. 8. 10. Al 11. Vervald. zegt ik weet vergene van. zegt Meen Jonas binnen treedende zoo heeft den geve, gezeyd dat hij hen thans heeft gekend op 't Eijland. Fff hij geve, die slaaf Jonas meede niet somtijds iets heeft gegeeven Jonas binnen tredende zegt dat tot verzekering en besweering tegen den geve„ hem een Lotje of alle onheijlen beswering gegeeven heeft degeve, blijft bij de negative. zegt seen. vervald. zegt dat Lootje niet te kennen. zegt zulx niet te weeten. waartoe zulx gebruijkt word off Jonas zulx niet van hem geve„ zegt ik weet nergens van heeft gekreegen by zijn opdrossing En of dat Lootje niet en diend om zegt meede niets daarvan te bewaard te blijven voor raspen„ weten. ring vervald. off hij geve, ook geloofd aande kragt van die beswering! 20. off zoo een die dat Lotje heeft vol„ gens zijn sentement ook agterhaald kan worden den geve, het lootje te vertoonen en te vragen off hij geve, dat niet en kind. ! tegens welke onheijlen hij geven aan zulx gegeeven heeft. 14. off hij geve, ook kend: den slaaf Jonas van Batavia Lyteygen van willem van Reenen, voormaals behoord hebbende aan eenen voberg of in de wandeling genaamd bootsman Elias off hij geve, bij dat geene wat hij aan de zulken uytdeelde niet tot meerderen bekragtiging een besweering voegden . 12. 23. 5 16. 18. N 21. vervald. zegt daarvan niets te zegt ik weet niet. zegt neen. weeten. /.onderstond:/ Aldus gevraagd en beantwoord aan Cabo de goede hoop den 13. Novbr: 1786: voorde heeren Iohannes Marthinus Horak en Christiaan georg Maasdorp Leeden uijt den E. agtb raad van Justitie voorm: die de minute deezes beneevens de Comp„e ende mij geswore Clercq meede behoorlijk hebben onderteekend. /: Lager:/ 't welk ik getuijge /:geteekend:/ r. J. v. d. Riet gezw: Clercq.— Accordeert off hij geve, niet begrijpt dat hij door 't geeve van diergelyke Lootjes of papiertjes veele onnodele persoonen verleijd te hebben. off nog meer perzoonen, buijten hem geve, alhier zijn, die dierge lijke besweering doen dezelve op te neemen 25: 24. 22. wat aen zakelyke inhoud der Superscriptie is 23. wat perzoonen meer diergelijke Lootjes of Papiertjes van hem geve, hebben gekreegen ende zelve op te geeven. off hij geve, dus aan een ander en zoo meede aan Jonas ook verzekering heeft gegeeven van de kragt derzelve H Miel H gemCleren WelEdele Achtbaare Heeren Vertoond met verschuldigde Eerbied den prointerim fiscaal gabriel Exter Dat den wele gestr: Heer gouverneur en E agtbaare raade van Politie bij besluijt van den 1 deser maand november hebbende gelieven goed te vinden, in handen van den vertoonder te stellen zodanige perzoonen, als dewelke schoon niet volkomen overtuijgd, egter onder sterke suspicie leggen„ van aan de Conspiratie van zeekere Elf misdadigers, die ter zaake eener getendeerde onderneeming, om door 't ombrengen der overheedens ende verdere schee„ „pelingen, van 't alhier wederom op zijn vertrek leg„ „gend s'E Comp„s ingehuurd particulier schip d' Jon„ „ge Frank, zig van dien bodem en de inhebbende La„ „ding meester te maaken, door dezelve overheedens ex dico zijn geexecuteerd, te hebben deel gehad en alhier zijn overgebragt 't intussen bij onderzoek zowel uijt zommigen omstandigheedens als de dezen overge„ „logde verklaaringe aan den R: O vertoonder gebleeken is, dat den op dien bodem mede bescheydene Com„ „mandeur der soldaaten casimir Lempe niet Aan de welEdele Achtbaare Heeren Heeren Presidenten benevens den verderen E achtbaaren raade van Justitie des casteels de goede Hoop. alleen

NL-HaNA_1.04.02_10984_0778 view scan ↗

English

not only seemed to have given considerable occasion and cause, through his conducted behavior, to the revolt committed on the aforementioned vessel, or rather the insolent demand for instructions for larger rations and otherwise; but that he, Lempe, also had prior knowledge of the bold enterprise that followed thereupon, without having made the slightest overtures thereof to the captain, nor, in compliance with his indispensable duty, having suppressed and opposed the beginnings thereof among his soldiers; the presenter, fulfilling the role of the public prosecution, consequently finds himself placed in the unavoidable necessity of having to act ex officio against the said Commander Lempe. Yet, in order to institute the necessary procedures in a criminal case, authorization being required from this Honorable Council; the presenter, fulfilling the role of the public prosecution, has deemed it most advisable to turn to your Honors' pleasure, to grant to the presenter its decree, by which he is qualified to hear the person of the aforementioned Casimir Lempe before Commissioners upon such articles as shall be presented to him by the presenter, fulfilling the role of the public prosecution, with authorization from the aforementioned Commissioners, after examination of matters, to cause the said Lempe to be taken into apprehension; or that your Honors may be pleased to take such other disposition as your Honors shall deem proper. Which doing, was signed, G: Exter; in the margin was written, Exhibited in court the 30th of November 1786. To the Honorable Pieter Hacker and Johannes Isaak Rhenius, Presidents, together with the further Honorable Council of Justice of this government. Honorable Sirs. Shows with due respect the undersigned acting Fiscal Gabriel Exter. That the presenter, by resolution of your Honors dated 30 November last, was authorized to hear the person of Casimir Lempe, former commander of the soldiers on the private ship de Jonge Frank chartered by the Honorable Company, before Commissioners from this Honorable Council upon such articles as the presenter, fulfilling the role of the public prosecution, on the serving day should deem necessary to supply to the Commissioners, and this predominantly for the reason that the said Lempe, through his conducted behavior on that vessel, had not only made himself suspected of having in some way favored the intended enterprise on the same ship de Jonge Frank on the 16th of July of this year by several soldiers and some sailors who were under his jurisdiction and command, to run away with their vessel and overpower it with violence, or else having been negligent in keeping the soldiers in that proper discipline to which the accurate compliance with his indispensable duty necessarily ought to have prompted him. The presenter, fulfilling the role of the public prosecution, has accordingly caused the said Commander Lempe, in compliance with the same disposition, to be heard upon such articles as were formed by him for that purpose, which he now takes the liberty respectfully to present herewith to your Honors. Yet that it having abundantly appeared to the presenter, fulfilling the role of the public prosecution, at the same interrogation that all accusations, of which the majority are never acquitted of partiality, brought against the said Lempe are by no means so convincing that they, notwithstanding his satisfactory answers given before the Commissioners with the greatest tranquility, wherein he has very clearly demonstrated that in every respect, and predominantly at the time of the tumult, as much was put into effect by him with the requisite vigilance as the critical circumstances and the confused moment in which he found himself permitted; could still provide against him, Lempe, the slightest foundation to remain subject to the further perquisition of the fiscal office. That, therefore, not the slightest semblance of grounds having remained with the presenter with respect to the said Lempe from which the presenter could ever deduce any of the slightest further presumptions to the charge of the said Lempe, and by which the presenter would be able to prosecute his proceedings against him, Lempe; the presenter is consequently, under respectful submission, of the opinion that he ought entirely to desist from and renounce the further perquisition. For which and other reasons and means to be further deduced in due course, the presenter, making a declaration, declared to find no foundation in the world for an action against the repeatedly mentioned Lempe regarding the matter aforementioned, to renounce it herewith completely and entirely, and consequently to request that it may kindly please your Honors to discharge the same Commander Casimir Lempe from all further judicial prosecutions concerning that matter. Which doing, etc., was signed, G: Exter; in the margin was written, Exhibited in court the 28th of December 1786. Thursday the 30th of November 1786. After this, the acting Fiscal Gabriel Exter having served the following memorial, which having been read and its contents deliberated upon, the Council authorizes the presenter to hear Commander Casimir Lempe in the presence of Commissioners, members of this tribunal, upon such points of inquiry as shall be presented to him by the same presenter, fulfilling the role of the public prosecution; while the Council, with respect to the further requested apprehension, provisionally denies the presenter's request until such time as the guilt of the aforementioned Casimir Lempe shall have further appeared to the Council. Below was written, Agrees; was signed, C: van Aerssen, Secretary. Appeared Extract from the criminal court roll held at the Cape of Good Hope on F. S.

Dutch transcription

alleen tot de op voorsz: bodem gepleegde revolte, of wel 't brutaal afvorderen van de Jnstructies meerder rand„ „soenen als andersints door zijn gehouden gedrag zeer veel voet en aanleyding schijnt gegeeven te hebben; maar dat hij Lempe ook van de daarop gevolgde stoute on„ „derneeming bevoorens eenige wetenschap gehad heeft zonder daar van aan den capiteijn de geringste ou„ „vertures gedaan te hebben, nog in opvolging van zijn indispensabelen pligt de beginselen daar van onder zijne soldaaten te hebben gesluijt en tegengegaan; de R: O. vertoonder derhalven zig in de onvermeijde „lijke noodzakelijkheid gebragt ziet, om tegens den„ „zelven Commandeur Lempe ex offecis te moeten ageeren. Dan, om de noodige procedures in cas Crimineel te institueeren, vereyscht wordende qualificatie van dezen E Agtbr raade; heeft den R: O vertoonder 't raad. „zaamst geoordeelt zig, te keeren tot uwE agtbr welbe„ „hagen zijn mogte, aan den vertoonder te verleenen wel derzelver decreet, waardoor denzelven word ge„ qualificeerd, om de perzoon van't gem: Casimir Lem „pe voor Heeren gecommitteerdens te mogen hooren op zodanige articulen, als hem door de vertoonder r: O: zullen worden voorgehouden, met authorisatie van welgem: Heeren Gecommitteer„ „dens, om na bevinding van zaaken denzelve Lempe te doen neemen in apprehensie; ofte dat uwele agtbr zodanige andere dispositie gelieven te neemen, als uw Ed: Agtbr zullen oordeelen te behooren behooren /:onderstond:/ 'T welk doende /:was geteekend:/ G: Exter /:in margine stond:/ Exhibitum in Iudicio Den 30. 9ber 1786. Aan de welEdele Achtbaare Heeren Pieter Hacker en Johannes Isaak Rhenius presidenten beneevens den verderen Edelen Achtbaren Raad van Justitie deezes gouvernements WelEdele Achtbare Heeren. Vertoond met verschuldigde eerbied de onderge„ „teekende prointerim fiscaal Gabriel Exter Dat de vertoonder bij besluijt van UwelEd: Agtb: de dato 30 November ll: zijnde gequalificeerd ge worden, omme de perzoon van casemir Lempe gewezene commandeur der soldaten op het by d' E comp. e ingehuurd particulier schip de Jonge Frank„ voor Heeren gecommitt„s uijt desen Edelen Achtb: raade te moogen hooren op zodanige articulen als den r. O vertoonder ten dage dienende zoude vermijnen aan Heeren gecommitt„s te moeten sup„ pediteeren en zulks wel voornamentlijk ter zaake, dat denzelve Lempe zig door zijn gehoudene condui„ „ten op dien bodem niet alleen zou hebben verdagt gemaakt van de op het zelve schip de Jonge Frank op den 16 Iulij deezes Jaars door verscheydene onder zijn ressort en bestier gestaan hebben soldaaten en eenige ma„ „troosen getendeerde onderneeming om hunnen bodem af te loopen en met geweld te overmeesteren, eeni„ „germaaten te hebben begunstigd, dan wel nalatig te zijn geweest, om de soldaaten te houden in die ge„ „schikte discipline, als waartoe de accurate opvolging van zijnen indispensablen pligt hem noodwendig zoude hebben behooren aan te zetten, De R: O: vertoonden denzelven commandeur Lempe dan ook in opvol„ „ging van deselve dispositie heeft doen hooren op zodanige articulen, als ten dien einde door hem waaren geformeerd en hij tans de vrijheid neemt nevens deesen aan UwelEd Achtb. reverentelijk aan te te bieden Dan dat aan den R: O: vertoonder bij het zelve ver„ hoor overvloedig gebleeken zijnde, dat alle beschuldi„ gingen /. waar van de meeste nimmer van partia„ „liteit worden vrijgekent:/ teegens denzelve Pempe ingebragt, geenzints zijn zo convaincant, dat deselve, niet teegenstaande zyne voor Heeren Gecommitt. met de grootste tranquiliteit gegeeven voldoende. antwoorden, waar bij hij wel zeer duydelijk heeft gemanisesteerd, dat door hem in allen opzigte en wel voornamentlijk ten tijde van het tumult met de vereyschte vigilantie zo veel is in het werk gesteld, als de critique omstandigheeden en het consuse tydstip, waar in hij zig bevonden heeft, hebben hebben toegelaaten; nog tegens hem Lempe zou kunnen opleeveren het geringste fundament om aan de verde„ „re perquisitie van het officie fiscaal te moeten onder„ hevig blijven. Dat bij den vertoonder ten opzigte van denzelve Lempe dan oversulx geene de minste scheijn van gronden zijnde overgebleeven uit dewelke de vertoonder maar immer eenige de geringste verdere presumtien ten laste van denzelve Lempes zoude kunnen aflij„ den en waar door de vertoonder in staat zou zin, zijne procedures teegens hem Lempe te kunnen prosequeeren, de vertoonder dierhalven onder eerbie„ „dige reverentie van begrip is, dat hij van de ver„ „dere perquisitie ten eenemaal zoude behooren te disisteeren en afte zien, Mits welke en andere reedenen en Middelen en tijd en wijlen na„ „der te deduceeren, de vertoonder doende declaratoir verklaarde geen fundament ter wereld tot actie teegens den meergld:e Lempe ter zaake voorsch: te kunnen vin„ „den, daar van bij deesen geheel en al af te zien en gevolglijk te verzoeken dat het uwEd: Achtb: goedgunstig behagen mooge, desel„ „ve Commandeur casimir Lempe van alle verdere rech„ terlijke poursuites dien aan„ gaande 666 gaande te ontheffen /:onderstond:/ 'T welk doende &c:a /:was getekend :/ G: Exter / in margine stond :/ Exhibitum in Judicio den 28 de„ „cember 1786. — Donderdag den 30 Novbr: 1786. Zijnde hier na door den prointerim fiscaal d' E Gabriel Exter gediend van 't vol„ gende vertoog 't welk geleezen en over dies inhoude gedelibe„ „reerd zijnde; qualificeert de Raad den 70. vertoon „der, omme den Commandeur Casimir Lempe ten overstaan van Heeren gecommitt„s Leden deze vierschaar te hooren op zodanige vraagpoinciten als hem door denzelven R: O: vertoonden, zullen wor „den voorgehouden; terwijl de Raad, ten opzigte der wijders verzochte apprehensie, provisioneel des r:O. vertoonders verzoek ontzegt, tot tijd en wijle de schuld van voorn: casimir Lempe den Raade nader zal zijn gebleeken. /:onderstond:/ Accordeert /:was geteekend:/ C: van Aerssen. Secret„s — Compareerde Extract uit de crimineele Regt Rolle gehouden aan Cabo de goede Hoop op F. S. -

NL-HaNA_1.04.02_10984_0783 view scan ↗

English

Appeared before the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, the valiant captain of the outgoing private Company ship de Jonge Frank, Jacob Veer, who, at the requisition of the pro interim fiscal, the Honorable Gabriel Exter, declared it to be true and truthful: That with respect to the revolt that occurred on board his Company vessel, he, the appearer, refers to those reports that he has delivered regarding this matter to the government here, and specifically to that which he handed over yesterday to the Honorable Valiant Lord Governor of this government; after which, regarding the commander of the soldiers of his vessel, Casimer Lempe, he declared that on Sunday morning, the 16th of July, before the rebels came above decks to demand from him, the appearer, his instructions and what they further demanded at that time, the same spoke with them below decks and came above decks at the same time as them; at which time he said to the chief mate Pieter Pieters that in the event the appearer did not give them what they demanded, they would then take it by force; just as he further, after the appearer had granted the rebels what they had demanded, shook hands with their chief named Graviere de Valbonne and asked whether he, Valbonne, had anything against him; to which Valbonne gave their commander Lempe the answer in the French language: No, sir, against you I have nothing. The appearer declared further that when, just before the revolt, the mentioned Lempe was between decks under the pretext of making the rounds, the French corporal La Droite had attempted to draw him, Lempe, aside and speak with him, with the intention of revealing to him what was about to happen; that he, Lempe, at that time continually sought to avoid this La Droite and told him that if he had anything to say, he should then come above decks. While the appearer further declares that at the moment of the attack, the rebels shouted, "Where is the commander?", and also that whenever the appearer spoke with the mentioned Lempe about this case and gave him to understand that he, the appearer, feared a revolt, he, Lempe, always gave as an answer: it would surely turn out fine, just give them their demand, then it will possibly [illegible]. The appearer further testifies that from this he had to conclude that he would be able to have little assistance from this Lempe, as later became evident, for when one of the rebels had come above decks while he, Lempe, stood with sword in hand, he did him no harm, but only wrestled with him a little, as it were. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons for his knowledge as stated in the text, being prepared, if required, to confirm the same at all times with a solemn oath. Below was written: Thus done and passed at Cabo de Goede Hoop on 22 Novbr: 1786, before the gentlemen Johannes Martinus Horak and Johannes Matthias Bletterman, members from the Honorable Worshipful Council aforesaid, who have also duly signed the minute hereof along with the appearer and me, the Secretary. Below was written: Which I witness; was signed: C: van Herssen, Secret. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice aforesaid, the valiant captain of the ship de Jonge Frank lying at the roadstead here, Jacob Veer, who, this foregoing statement of his having been read out clearly and distinctly word for word, testified to persist therein, wishing that nothing more shall be added to or taken from it, except only that he, the appearer, after the revolt had taken place, still heard from the mentioned Lempe that the mentioned Valbonne had already caused an uproar in the depot in Vlissingen and had therefore already been locked up, without the mentioned Lempe having said so previously; and therefore, in confirmation of the truth thereof, spoke the solemn words: So help me God Almighty. Below was written: Thus re-examined and sworn at Cabo de Goede Hoop on 28 November 1786. Was signed: Jacob Veer. Lower down: In my presence; was signed: R: J: V: D: Riet, sworn clerk. In the margin was written: as commissioners: J: M: Horak, A: van Sittert. Re-examination. Appeared before the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, the former commander of the military of the ship de Ganges, who arrived here as a passenger on the ship de Jonge Frank, Coenraad van de Busch, of competent age, who, at the requisition of the pro interim fiscal here, the Honorable Gabriel Exter, declared it to be true: That the appearer, who, because his assigned vessel the Ganges had met with disaster, had taken passage on the aforesaid vessel de Jonge Frank, when the same ship de Jonge Frank had barely reached or was in the vicinity of the Canary Islands, already then, and thus long before the revolt existed on the aforesaid vessel, was addressed by the commander of the soldiers stationed on the same ship, named Lempe, saying that he, Lempe, believed that the people, or rather the soldiers, were being curtailed in their lawful rations, adding substantially: surely you know how it was on the Ganges; but that the appearer, convinced that the people on the Jonge Frank were treated no worse than on other ships, and as far as he was aware no one lacked anything, had answered thereto that here precisely the contrary was the case, for the appearer, having already sailed on 19 ships, had never seen things managed more orderly with the crew, and in proportion to circumstances, more generously with the distribution of rations, etcetera, and furthermore that whenever the appearer the ship's

Dutch transcription

Compareerde voor de ondergetekende gecommitt„s uit den E achtb: Raad van Justitie dezes gouvernement de manhafte capitain van 't uitkomend particulier d'sComp„s schip de Jonge Frank Jacob veer dewelke ter requisitie van den prointerim fiscaal d'E ga„ „briel Exter verklaarde waar en waarachtig te zijn. Dat hij Compt ten opzichte der revolte, dewelke aan boord van zijn Comp„s Bodem is voor gevallen zich refereert aan die relaasen, dewelke hij des aangaan„ „de aan het gouvernement alhier heeft overgegeeven. en speciaalijk aan dat geene, dat hij Comp„s op giste„ ren aan den welEd Gestr: Heer gouverneur dezes gouvernement heeft inhandigt, waarna, hij ten belange van den Commandeur der soldaaten van zijnen bodem casimer Lempe verklaarde, dat dezelve des zondags morgens den 16 Julij voor dat de rebellen boven zijn gekoomen om hem Comp ts zijne instructie en het geene zij als toen verder geeischt hebben af te vorderen, met hunlieden beneden gesprooken, en te gelijk met hem boven gekomen is; wanneer hij aan den opperstuurman Pieter Pieters gezegd heeft, dat bij aldien de Comp„s hun niet gaf, het geene zij eischten, zijl: het als dan met geweld zouden neemen gelijk hij wyders, na dat de Comp„te de rebellen had toegestaan dat geen, dat zij ge„ „eischt hadden, aan 't opperhoofd van hun in naame graviere de valbonne, de hand gegeeven, en ge„ vraagd heeft, of hij valbonne ook iets tegen hem had; waarop valbonne hun Commandeur Lempe ten andwoord had gegeeven in de fransche taal; Neen Mijn Heer tegens u heb ik niets verklaarende verklaarende de Comp„t voort, dat wanneer eeven voor de revolte gem: Pempe zich tusschen deks had„ bevonden, onder pretext van de ronde te doen, de fransche Corporaal Pa droite hem Pempe hadele pogen: ten zeijde te trekken, en te spreeken, met oog merk om hem 't geen er stond te gebeuren, te open„ baaren, hij Limpe als toen dien La ardite geduurig heeft zoeken te ontwyken, en hem gezegd, dat hij alsiet te zeggen had hij als dan boven moest koomen. terwijl de Comp„e alwyders verklaard, dat op het ogen„ „blik van den aanval, de rebellen hebben geroepen waar is de Commandeur dat ook wanneer de Comp„t gem: Lempe over dit geval onderheeld en den zelven. te kennen gaf, dat hij Comp:s vreesden voor een revol„ „te hij Lempe altoos, ten andwoord, gaf: H. zou ze„ wel schikken. Betuijgende de Comp verders dat hij hier uit moest besluiten, dat hij weinig adsistentie van deezen Lem„ „pe zoude kunnen hebben, gelijk naderhand, gebleeken is want een der rebellen bovengekomen zijnde, ter„ wijl hij Lempe met den degen in de hand stond, had hij denzelven geen leed gedaan maar alleen een weijnig met hem guasi geworsteld. Niet meer verklaarende geeft den Comp„t voor reedenen van wetenschap als in den text be„ reid zijnde 't zelve des gerequireerd wordende ten allen tijde met solemneele Eede gestand te doen. /:onderstond:/ Aldus gedaan en gepasseerd aan Oabo de goede Hoop den 22 Novbr: 1786. voor de Heeren Johannes Martinus Horak en Johannes Matthias hunnen Eisch maar geeven, dan zal het mogelijk Bletterman — Bletterman Leeden uit den E Achtb: Raade voorm: die de minute deezer beneevens den Compt en mij Secretaris mede behoorlijk hebben onderteekend. /:onderstond:/ 't welk ik getuijge /:was geteekend:/ C: van Hers sen Secret. — Compareerde voor ons ondergetekende gecommitt„s uijt den E achtb: Raad van Justitie voorm: de manh: Capi„ „teijn van 't alhier ter Rheede leggend schip de Jonge Frank Jacob veer, dewelke deeze zijne voorenstaande verklaaring van woorde tot woorden klaar en duydelijk voorgeleezen wezende betuijgden daarbij te blijven per„ „sisteeren, met begeerte dat er niets meer bij ofte van gedaan worden zal als alleenlijk dat hij Compt nog van gem: Lempe na dat de revolte voorgevallen was, gehoord heeft, dat gem: valbonne in de Depo le Vlis „singen reets opvoer gemaakt had, en daarom reets was vast gezet geweest, zonder dat gem: Lempe zulks te vooren had gezegt; en sprak dierhalven ten bevestiging der waarheijd van dien de solemneele woorde soo waarlijk help mij god Almagtig /:onderstond:/ Aldus gerecolleerd en beeedigt aan Cabo„ - de goede Hoop den 28 November 1786. /:was geteekend :/ Jacob veer /:laager:/ Mij present /:was geteekend :/ R: J: V: D: Riet. gesw Clercq /:in margine stond/ als gecommitt: J: M: Horak A: van Sittert Recollement. Compareerde — Compareerde voor de ondergetekende gecommitt. s Uijt den E agtb raad van Justitie deezes gouvernement den met het schip de JongeFrank als passagier alhier aangekoomene oud Commandeur der militaire van 't schip de ganges coenraad van de busch van Competenten ouderdom, dewelke ter requisitie van de pro Interim fiscaal alhier d'E gabriel Exter ver„ „klaarde hoe waar is. — Dat de Comp„t die vermits zijn bescheijden bodem de ganges was koomen te verongeluken, zig op voorm: kiel de Jonge Frank begeeven had wanneer het zelve schip de Jonge Frank naauwelijks bij of omstreep de Canarise Eijlanden gevordert was, toen reeds en dus lange voor dat de revolte op voorm: bodem heeft g'exteerd door de op het zelve schip bescheijdene Commandeur der soldaaten, in naame Lempe was aangesprooken dat hij Lempe ver„ „meende dat men het volk of wel de soldaten in hunne wettige randsoenen verporte met substan„ „tieele bijvoeging gij weetimmers hoe het op de ganges geweest is, dan dat den Comp:s overtuijgd dat men het volk op de Jonge Frank niet minder dan op andere scheepen behandelde en voor zoo verre hem bewust was niemand iets ontbrak daar„ op g'antwoord had, dat hier Juijst het tegendeel plaats had want dat de Comp: reeds op 19 scheepen gevaren hebbende, nimmer ordentelijker met het volk en na maate van de omstandigheeden met de Uijt„ „gaar der randsoenen ruimer hadde zien te werk gaan &=a, en voorts dat wanneer de Comp„s de scheeps

← previousnext →