VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 10986

Cape · 984 pages · 314 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_10986_0322 view scan ↗

English

from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government the slave November, who, having his foregoing interrogatories read out loud, clearly and distinctly word for word, testified to persist and abide thereby, not desiring that anything more be added to or taken from it. Underneath stood: Thus done and recollected at the Cape of Good Hope, the 28 December 1786. Signed: and around it written, this mark the prisoner made with his own hand. Below it: for the translation, signed: Gend Matthijssen. Lower: present with me, signed: R: J: V: d: Riet, sworn clerk. In the margin: as commissioners, signed: C. L. Neethling and J: M: Bletterman. Articles prepared and caused to be made by and on behalf of the sworn clerk at the Secretariat of Justice, Rijno Johs van der Riet, as qualified in office to attend to the affairs of the Landdrost of Swellendam, the gentleman Constant van Nult Onkruijd, in order to hear thereon at his requisition the slave July of Bugis, belonging to the messenger of Swellendam, the responses to be given by him to be properly recorded in the margin hereof. Appeared before us, the undersigned gentlemen commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, the slave July of Bugis, who answered the adjacent questions as noted beside each of them. Article 1. The defendant's name, age, and birthplace. Says: July of Bugis, aged about 50 years. Article 2. Whose bondservant he is. Says: to belong to the messenger of Swellendam. Article 3. When and for what reason he, the defendant, ran away from his master. Says: a short time ago, namely for a month, and because he, the defendant, did not get enough to eat, for that reason he ran away, and also because he, the defendant, was castigated so much by his master. Article 4. Where he mostly stayed during his desertion. Says: to have intended to desert towards here. Article 5. Whether he, the defendant, was alone, or whether there were more boys with him, the defendant. Says: that he ran away with a slave of Jacobus Steyn. Article 6. Whether he, the defendant, in the past month of October, around the so-called Kluitjeskraal, met two persons. Says: Yes. Article 7. Whether he, the defendant, also knows those persons; if so, to state them. Says: as before. Article 8. Whether he, the defendant, did not wait for those two persons with his mate, with a knife in one hand and a knobkerrie in the other. Says: No. Article 9. If so, what he, the defendant, intended to do with them. Says: that he indeed had something in his hands, but had no intention of doing harm, and that those persons had told him, the defendant, and the other to come to them, which he, the defendant, and the other did; however, shortly thereafter he, the defendant, unexpectedly received a shot, whereby he, the defendant, was wounded in his body. Article 10. Whether those two persons did not ask him, the defendant, and his mate whose slaves they were. Says: Yes. Article 11. Whether it was not answered thereto by them: we do not know our master, but he lives across the Breede River, and we look after horses. Says: No, that they, the defendants, directly said, we are runaways and we ran away from our boss because we did not get enough food, and he, the defendant, had also said, shoot us dead rather than return to our boss. Article 12. Whether those persons did not ask thereupon: where are your horses then? Says: No, that they had not answered them. Article 13. Whether he, the defendant, did not answer: our horses are scattered in the veld. Says: that he, the defendant, had said no such thing. Article 14. Whether those persons did not then order him and his mate to put away their knives and go along with them to show where their masters lived. Says: as before. Article 15. Whether he and his mate were not unwilling to do so. Says: No. Article 16. Whether those persons, at that demonstrated unwillingness, did not order him, the defendant, and his mate to surrender as prisoners, or otherwise they would shoot at them. Says: No. Article 17. Whether it was not answered thereto: shoot me dead rather than bring me to my boss. Says: Yes, but that he had said: just shoot me dead rather than bring me to my boss. Article 18. Whether those persons did not then shoot at him, the defendant, and his mate. Says: that those persons indeed shot at him, the defendant, but not because the defendant had pursued those persons. Article 19. Whether he, the defendant, when the shot was fired, did not still strongly pursue the said persons. Says: No, because he immediately fell to the earth, to be wounded first. Article 20. Whether he, the defendant, and his mate, when they saw that those persons were retreating, did not pursue them. Says: as before. Article 21. Whether those persons did not shortly thereafter fire a second shot and wound one of them in the right arm. Says: that those persons had fired two shots, the one with a bullet and the other with buckshot. Article 22. If so, for what reasons and what they then intended to do. Says: with no intention in the world. Article 23. By whom this was answered. Says: as before.

Dutch transcription

uit den E: Achtb: Raad van Justitie dezzes gouvernements den Slaaf November dewelke zijne voorenstaande Interrogatoria van woorde tot woorde klaar en duide lijk voorgelezen wezende betuygde daarby te blyven persisteeren, niet begeerende dat er iets meer bij of van ge„ daan werden zal /:onderstond:/ Aldus gedaan en gerecolleerd aan Cabo de goede hoop den 28 december 1786 /:getekend:/ en daarom schreven, dit merk heeft de gev: eygenhoudig gesteld /:daaronder:/ voor de vertolking /:getekend./ Gend Matthijssen /:lager:/ mij praesent /:getekend:/ R: J: V: d: Het gezw: Clercq /:in margine:/ als gecomm: /: getekend:/ C. L. L. Neethung en J: M: Bletterman Articulen gedaan maken en aan Compareerde voor ons onderget: gecomm:d uit den E: Achtb: Raad Heeren gecomm: uit den E: Achtb: Raad van Justitie dezer Gouvernement van Justitie dezes Gouvernements door en van den Slaaf July van Boegies wegens den gezw: Clercq te Secretarije van Justitie Rijno Johs van der Riet dewelke op de nevenstaande vragen zodanig geantwoord heeft als besiden als in officio gequalificeerd ter waarnee een yjder aangetekend staat. „minge der zaken van den Landdrost van Swellendam de heer Constant van Nult Onkruijd omme daarop ter zijner requi sitie gehoord te worden den slaat July van Doegies toebehorende den Bode van Zwellendam, zullende deszelvs te gevene responsiven in margine deezer behoorlyk worden bekend gesteld. Art des ged. e Naam ouderdom en geboorte Zegt. Julij van boegee oud naa gissing 50 Jaaren plaats. wiens lijfergen hij is zegt de bode van Zwellendam toete boren Wanneer en om welke reden hij ged zegt voor nu korten tijd, en wel voor een Maand en omdat hij ged. van zijn lijfheer is opgedrost geeweeten genoeg kreeg daarom te zijn Opgedrost, en ook omdat hij ged: van zijn lyfheer zo gekathyd wierd. No: 4 ƒ. zegt na herwaards te hebben melen opdrossen. zegt dat hij met een slaad van Jacobu Steijn is op gedrost: zegt als vooren. Zegt Neen. Legt. wel iets in handen gehad„ maar geen intentie gehad te hebben Omkwaad te doen, en dat die perzonen tegens hem ged: en de andere gezegd hadde van naar hun te gaan 't geen hij ged: ende andere gedaan hebben„ egter dat hij ged: kort daarop op t onver wagst een schoot had ontvangen, waardoor hij ged: in zijn ligenaam gequetst geworden was. zegt geen intentie gehad te hebben. zegt Neen zijl: niet geant„ woord te hebben. — B. of die Perzonen daarop niet gevraagd zegt Neen! dat zij ged: direct ge„ zegd hebben wij zin, drossers en hebben, waarzijn danuwe Baardens wij zijn van onze baas gedrost, om dat ged: nog gezegd, schiet ons liever dood, als by onze baa te rug te komen: wij geen eeten genoeg kregen en had hij of daarop niet door hun is geant„ woord, wij kennen onze baken niet, maar hij woord over de breede rivier en wij passen Paarden op of die twee perzonen niet aan hem ged: en zijn makker gevraagd hebben wiens slaven zij waren. zo Jal wat hij ged: danvanzints was daarmede te doen. Of hij ged: niet met zijn makker met een mes in de eene en een Kirrij inde andere hand, die twe Perzonen hebben afgewagt of hij ged: niet in de gepasseerde maand October omtrend de Zogenaamde kluitjes kraal, twee Perzonen heeft ontmoet. of hij ged: die Perzonen ook kend. zo ja, dezelve op te geeven. of hij ged: alleen dan of er meer„ Jongens bij hem ged: geweest zijn. waar hy zech meest in zijn opdrossen heeft opgehouden. Art: 4 dattt Zegt Ja van uld zegt Ja te 11 10 9. Art. 14 zegt als voren. Zegt Neen. Zegt Neen. gevallen was ter aarde aew eerst te zijn. zegt als Voren. zegt Ja. maar dat hij gezegd had schiet mij maar dood liever als naa maar! mijn boas te brengen. zegt dat hij ger zulx gezegd heeft Zegt Neen of die perzonen toen niet op hem gu zeyd dat die perzonen hem ged: wel geschooten, maar niet om dat de en zijn makker hebben geschooten- ged: die perzonen zoude vervolgd hebben zegt Neeut want dat hij direct Of hij ged: wanneer de Schoot gedaan was niet de gem . perzonen nog sterk hebben vervolgd zegt van geen intentie ter waereld zegt dat die perzonen twee schoten gedaan hoeden de eene met Een kogel ende andere met hagel of die Perzonen niet kort daarna een tweede schoot hebben gedaan en een van hun in de rechter arm gequet H Zo Ja: om welke redenen en wat zij dan van' meening waren te doen. door wie zulxs beantwoord 20 of hij ged: en zijn makker wanneer zijl: zagen dat die Perzonen hun reti reerden, hun niet hebben vervolgd. Of niet daarop is geantwoord schiet Of die Perzonen op die betoonde onwilligheid niet hem gee: en zip makken gelast hebben om hun gevangen te geven, of anders op hun te zullen schieten of hij ged: niet geantwoord heeft onze Daarden zijn in't weld verstrooid of die perzonen hem en zyn makker toen niet hebben gelast, om hunne mes „sen weg te doen, en mede te gaan, om aanwijzing te doen, waar hunne lyfheeren woonden. Of hij ged: en zijn makker niet onwil„ „tig daartoe zijn geweest Art: 25. . 6 24

NL-HaNA_1.04.02_10986_0325 view scan ↗

English

Article 25 Whether, notwithstanding the received wounds, the defendant nevertheless ran at those persons with the drawn knife. Says not at all, as he had not been in any state to do so, since the defendant had fallen directly to the earth. Whether he, when he thought to deliver a stab to one of those persons, since that person was at close quarters, was not struck on the head with the butt of the gun by that person so that he fell to the earth. Says those persons simply shot and beat without having had cause, and without the defendant or his companion having intended to stab or beat them. Whether, when he had stood up, the defendant did not intend to give one of those persons a blow with a knobkerrie, and whether he was not prevented from doing so by receiving a second blow with the butt. Says as before. Whether or not the defendant or his companion remained lying on the spot from receiving the blows to his head. Says that the defendant had fallen directly upon the received shot. Which of the defendants attacked the other person. Says no one. Why the defendant did not want to surrender himself. Says that the other boy was taken prisoner by that person, while the defendant remained there on the spot because he was severely wounded, and whether that boy was taken prisoner with the help of both persons and brought in custody to Swellendam. Says that he was captured, so he could not surrender himself. Whether the defendant does not understand that wishing to stab with the knife and beating with the knobkerrie is evil, and whether such was of his own accord or whether he was incited thereto by Domingo. Says no. Says to have done no evil. Article 34 Whether the defendant does not know that he is thereby punishable in the highest degree. For he had still said to those two persons, shoot me dead rather than take me prisoner and bring me to my master. Says to have done no one evil. What he can advance for his excuse. States as before. Below stood: Thus interrogated and answered at Cape of Good Hope on 28 November 1786, before the gentlemen Johannes Martinus Horak and Andries van Sittert, members of the Honorable Court of Justice aforesaid, who have duly signed the minute hereof together with the defendant and me, sworn clerk. Below: Which I witness. Signed: R. J. van der Riet, sworn clerk. Account given in the presence of the commissioner gentlemen from the Honorable Court of Justice of this government, by and on behalf of the burgher Fredrik Jansz. van Rensburg, at the requisition of the landdrost of Swellendam, the gentleman Constantyn van Nult Onkruydt, the same reading as follows: That when the relator in the month of October last had been outspanned with the wagons of his father, the burgher Johannes Fredrik Jansz. van Rensburg, on the other side of the Breede River near the so-called Kluytjeskraal, it was then related to them by a certain Hottentot of the burgher Tobias Beyleveld that he had seen, not far from the wagons, a boy whom he believed to be a runaway, which the father of the relator having told to him and the burgher Petrus Laas to go after that boy, the relator had then proceeded with the same to where the place was indicated and pointed out to him by the said Hottentot. That the relator and the said Laas thereupon came to a ravine, and having then separated from each other, that same boy, belonging to the Heemraad at Swellendam Jacobus Steyn, together with another slave named Domingo belonging to the messenger at Swellendam, was discovered by the said Laas, whereupon the deponent, at the call of him, Laas, proceeded thither, and having then seen that each of those boys had a knife and a knobkerrie in hand, immediately took over the gun with which the aforesaid Laas had gone out. When the relator, having asked those same slaves to whom they belonged, and having been answered by them that they did not know their master, but that he lived across the Breede River and they were minding the horses, the deponent asked further where their minded horses then were, but that the relator having received as answer from them that the horses were scattered in the field, the relator grew too suspicious of the bold attitude of those slaves, and ordered them to put away their knives and surrender themselves, or else go with him to the place of their alleged master, to which they, however, showing themselves unwilling, the deponent had therefore threatened them that if they would not surrender, he would shoot at them; that thereupon the same slaves, while boldly answering "Just shoot!", came somewhat closer to the deponent, the deponent therefore seeing nothing but the greatest mischief ahead from the entire behavior of those boys, had retreated, the same slaves having then pursued the deponent and the aforesaid Laas for some distance with their knives in hand, without them however being able to overtake the deponent or the said Laas. That the deponent subsequently had agreed with the said Laas to go again to the same runaways and fire a blank shot in order to see if them

Dutch transcription

zegt Nieut, wans dat hy daartoe geen staat was geweest, vermits hy ged: direct ter aarde gevallen was. zegt die perzonen hebben maar geschooten en geslagen, zonder dat zij reden hebben gehad, of zonder dat de go of zijn makker van intentie waaren, om hun te steeken off: te slaan. zegt als vooren. zegt dat hij ged: direct gevallen was op de Ontvangene schoot zegt Niemand. zegt dat de andere Jonge gevangen en of die Jonge met behulp van alle genomend, door dee perzoon beide de Perzonen is gevangen genomen terwijl hij ged: daar ter plaatze ver bleeven, doordien hij sterk gequetst en na Swellendam in Legtenis gebragt. was. zegt dat hij gevangen was, dus zig niet gevangen heeft kunnen geven. zegt Neen. zegt geen kwaad gedaan te hebben of hij ged: niet begrijpt dat 't willen En of zulx is geweest uit zijn eigen dan off hy door dominge daartoe is aangezet. 92 Waarom hij ged: zig niet gevangen heeft willen geeven. wie van de ged de andere perzoon heeft geattacqueerd. of niet hij ged: of zijn makker op de Plaats is blyven leggen door 't ont „vangen vande slagen op zijn hoofd of niet hij ged: wanneer Opgestaan was, een dier perzoonen een slag met een kirrij heeft willen geven en of hy niet door een tweede slag met de kolf te ont„ „vangen, daar in is verhenderd geworden Of wanneer hij ged: een steek aan een dier Perzonen dagte toete brengen vermits die perzoon op 't lyf was niet door die perzoon met de kolf van't geweer op 't hoofd is geslagen dat hy ter aarde gevallen was Art: 25 of niet tegenstaande de ontvangend wonden vij ged: tog op die Perzoonen met het ontbloote mes is te geloopen. teken ren ƒ want 39 L 30 2 „ 26 want dat hy nog gezegd hied aan steken met het mes en't slaan met die twee Perzonen, schiek mij liever de kirrij kwaad is dood eer alse mij gevangen te neemen en naa mijn baas te brengen. zegt niempand kwaad gedaan te Legt als vooren. wat of hij tot zijn verschoning kan bybrengen. /:Onderstond:/ Aldus gevraagd en beantwoord aan Cabo de Goede Hoop den 28 Novbr: 1786 voor de Heeren Johannes Martinas Horak en Andries van Pittert leden uit den E: Achtb: Raad van Justitie voorm: die de minute dezer benevens de ged: en my gezw: Clercq moede behoor „lyk hebben Ondertekend. /:lager:/ T welk ik getuyge /:getekend R: J: V: d: Riet gedee Clercq. Relaas gegeven ten overstaan van Heeren gecommitt: uit den E: Achtb: Raad van Justitie dezes gouvernement door en van wegens den burger Fredrik Jansz: van Rentburg ter requisitie van den landdrost van Zwellendam de heer Constant, van Nuilt On Kruyd, luidende 't zelve als volgt. Dat wanneer de zel inde maand Octb: laatstl: met de wagens van zijn vader den burger Johannes Fredrik Jansz: van Rentburg aande overzijde vande breede revicr by de zogenaamde kluytjeskraal uitgespannen was geweest, als toen door Sekeren hottentot van den burger Tobias benode bij hun was verhaald dat hy niet verre van de wagens een Jongen die hij meende een drosser te zijn zoude gezien hebben, sulx den vader van den Holt aan hem en den burger Petru Laas gezegd hebbende om de dien Jongen af te gaan, den rel zig dan ook met denzelven Haar begeven had waar de plaets due door gem: kotten Art 34 Of hij ged: niet weet daardoor ten hoogsten strafwaardig te zijn: „tot hebben. „tot aan hem was beduijd en aangeweezen dat de zel en gem: laars daarop bij een kloof gekomen en toen vanden anderen gegaan zynde denzelven Jongen zijnde van den Heeraad te Zwellendam Jacobus Stein met en benevens een andere slaav gen=t domingo toebe„ „horende den bode te Zwellendam door gem: Laars was ontdekt zulx den Comp op het geroep van hem Iaars zig derwaards begeven, en als toen gezien hebbende dat ieder dier Jongens een mes en een kiren in handen had het geweer met welk voorm: Laars was uitgegaan terstond had overgenoomen, als wanneer den zel aan de zelve slaven gevraagd hebbende, wier zy toebehoorde en door dezelve te antwoord gegeven zynde, dat zij hun baas niet kende maar dat die over de breede rivier woonagtig was, en zij de Paardentppasten, den Comp al verder gevraagd hadde, waar hunne opgepast werdende paar „den zig dan bevonden dan dat den zels door hien ten antwoord bekomen hebbende, dat de paarden in't veld verstrooyd waren, had de rel op de brutaale houding van die slaven te veel agterdogt gekreegen, en hun gelast hunne messen weg te doen, en zig gevangen te geven, of wel met hem naadeplaats van hun voorgegeven lijfheer te gaan waartoe zij zig egter onwillig wonende den Comps hun derhalven gedreegd had, om wanneer zij hun dan niet wilde gevangen geven, op hun te zullen schieten dat daarop dezelve Slaven onder het stout „moedig antwoorden schiet maar! wat nader bij den Comp gekomen zynde de Comp derhalven in't heele gedrag van die Jongens niet als de grootste onheilen te gemroed ziende zig had geriteerd, hebbende dezelve Slaven als toen den Comps en voorm. Iaars eewend „weegs met hunne messen inde handen vervolgd, zonder dat zy egter den Comps of gem Laars hadde kunnen agterhalen Dat de Comp vervolgens met gem Iaars had„ afgesproken, om wederom naar dezelve drossers te gaan en een looze schoot te doen ten einde te zien of hun - 6 8S:

NL-HaNA_1.04.02_10986_0328 view scan ↗

English

they could not be struck with fear thereby, to which the mentioned Laars having consented, he went again with the said Laars toward the same slaves, whereupon the deponent, having first asked them whether they would not surrender, upon their brazen refusal, fired a blank shot, but that the same runaways, instead of becoming frightened, on the contrary came straight at the narrator, and that narrator quickly turned back once more, and having immediately loaded his gun, went toward them for the third time with the mentioned Laars, whereupon the same boys immediately came at him and the aforementioned Laar with their naked knives, so that the narrator immediately fired upon one of them, being the aforementioned Domingo, but that notwithstanding he was also struck in his right arm by that shot, he nevertheless rushed straight at the deponent and the other boy at the mentioned Laars, whereupon the deponent, as the mentioned Domingo, having a knife in his hand, sought to inflict a stab upon the deponent, struck him a blow on the head with his gun, from which he fell to the ground, yet immediately sought to recover himself again to defend himself with his kerrie, but that he, falling to the ground once more from a second blow by the same, remained lying there, the deponent then, since he thought that the mentioned Domingo who pretended to be dead was so, left him there, and the other slave who had gone after the aforementioned Laars and had been overpowered by him, notwithstanding his murderous intent and the necessary self-defense, was bound and brought into custody to Zwellendam. The narrator further declares that when the messenger of Antwerp had sent his cart to have the mentioned Domingo fetched, the same Domingo in the meantime had gone away from the place where he had lain, but that they then found him not far from there behind a forest, took him prisoner, and likewise brought him into custody to Zwellendam. Relating nothing more, he gives for reasons of knowledge as in the text, being prepared to confirm the same further. Below stood: Thus related at Cabo de Goede Hoop on 17 November 1786 before the Messrs. Johannes Martinu Horak and Andries van Sittert, members of the Honorable Council of Justice of this government, who have duly signed the minute hereof along with the narrator and me, sworn clerk. Lower: Which I witness: signed: R: J: V: D: Riet, sworn clerk. Re-examination Appeared before us, the undersigned delegated members from the Honorable Council of Justice of this government, the burgher Fredrik Janse van Rensburg, who, this his preceding account having been read clearly and distinctly from word to word, testified that he persisted therewith, desiring nothing more to be added to or taken from it. Below stood: Thus done and re-examined at Cabo de Goede Hoop on 18 Novbr: 1786. Signed: Fredrik Jan van Rensburg. Lower: In my presence, signed: R: J: V: D: Riet, sworn clerk. In the margin: as delegates, signed: J: M: Horak and A: v: Sittert. Account given in the presence of the undersigned delegates from the Honorable Council of Justice of this government and at the requisition of the landdrost of Zwellendam, Mr. Constant van Nolt Onkruydt, by and on behalf of the burgher Petrus Laats, of competent age, reading as follows: That he, in the beginning of the past month of October, without however having remembered the precise day, having ridden with the wagons of the burgher Johannes Fredrik Jansz: van Rensburg to the Cape, when the same wagons were unspanned on the road on the other side of the Breede River, was requested by the mentioned van Rensburg, because a certain Hottentot had related near the wagons that he had seen on the road a boy whom he suspected to be a runaway, to go with his son, the burgher Fredrik Jansz: van Rensburg, to approach him, in order to capture him if that boy happened to be a runaway, the deponent then having taken his gun and gone with the mentioned van Rensburg to the place that had been indicated to them by that Hottentot. That when the narrator and the mentioned van Rensburg had separated from one another near a kloof in order to be able to spot that runaway all the more easily, the narrator immediately discovered two boys, one belonging to the Heemraad at Zwellendam, the Honorable Jacobus Steyn, and the other belonging to the messenger there and named Domingo, so that the narrator, having called to van Rensburg, at the arrival of the mentioned van Rensburg had handed over his gun to him at his request, whereupon the aforementioned van Rensburg, having asked those boys whose slaves they were, and an answer having been given by them thereto that they were herding horses and that these were scattered in the field, as well as that their master lived across the Breede River, had wished to demand of them to show him the place of their master, or else to show a pass, but that the same slaves thereupon in a very insolent posture, each having taken their knives in hand besides a sufficient kerrie, at the threat of being shot at, had answered with a forceful voice, shoot then, wherefore he and the mentioned van Rensburg, since they had only one gun with them, in order to prevent mischief which they anticipated from the demeanor of those slaves, had resolved to return to the wagons, they being however followed a distance by the same boys at that time. That the narrator and the aforementioned van Rensburg, having reconsidered, subsequently agreed to go after those boys once more and to see whether they could strike some fear into them by firing a blank shot, which being done then by the mentioned van Rensburg,

Dutch transcription

hun daardoor geen vrees kon worden aangejaagd, waar in dan gem: laars toegestemrd hebbende, den zel„ alwe„ „derom met hem Iaars naar dezelve slaven was toege„ gaan, als wanneer de Comp hun eerst gevraagd heb„ „bende, of zij hun nog niet wilden gevangen geven, op hun brutaal weigeren, een looze schoot had gedaan dan dat dezelve drossers in stede van tzeelagtig te wor „den integendeel op den rel zijn afgekomen en was die rel toen al wederomschielyk te rug gekeerd, en ten eersten zijn geweer geladen hebbende, met gem Iaars voor de derde keer naar hun toegegaan als wanneer dezelve Jongens met hunne bloote messen terstond op den zelt„ en voorm: Laar waren afgekomen, zal den rel direct op een van hun, zijnde voors:z: dominge had losgebrand dan dat niet tegenstaande hij ook door die schoot in zin rechter Arm was getroffen egter regelrecht op den Compt ende andere Jongen op gem: Iaars was ingekomen zalx den EComp gem: Oomingo die den Comps met zijn en handen hebbend wes een steek voogde toe te brengen met zijn geweer een slag op 't hoofd gegeven had waarvan hij ter aarde gevallen zijnde, egter zig ten eersten weer Voogde te herstellen, om zig met zijn Chirry te verweeren dan dat hij door den zele een tweede slag andermaal op de aarde gevallen, en aldaar blijven liggen, hebbende den Comp als toen vermits hij meende dat gem: dominge die zig hield of hij dood was hem aldaar gelaten ende andere slaaf die op voorsz: Laars was afgegaan en door hem niet tegenstaande zijne moorddadige intentie en geboo den Eegenweer was overmeesterd had gebonden en naar Zwellendam in hegtenis gebragt. Verklarende de relt voorts dat wanneer den boode van Antwerpen zijn kar gezonden had om gem: domin, „go te laten halen denzelven domingo intusschen vande plaats alwaar hij geleegen had was weggegaan, heb„ bende zij hem egter als toen niet verre vandaar agter een bosch gevonden gevangen genoomen en insgelyx naar Zwellendam in hegtens Overgebragt. Niets meer relateerende, geeft den zelr: voor redene redenen van wetenschap als in den text, bereid zijnde zulx nader gestand te doen /:onderstond:/ Aldus gerelateerd aan Cabo de Goede Hoop den 17 No„ „vember 1786 voor de Heeren Johannes Martinu Hoak, en Andries van Sittert leden uit den E: Achtb: van Justitie dezes gouvernements, die de minute dezes benevens den Ril en mij gezw: Clercq mede behoorlyk hebben ondertekend /:lager:/ 't welk ik getuyge: /:getekend. R: J: V: D: Riet gezzie: Clercq Recollement Compareerde voor ons onderget: gecommitt: leden uit den E Achtb: Raad van Justitie dezes Gouvernement den barger Fredrik Janse van Rensburg dewelke dit zyn vooren „staande relaas van woorde tot woorde klaarEnduidelyk voorgeleezen zynde, betuygde daarbij te blijven Persisteeren niet begeerende dat er iets meer by gevoegd of van gad aan worden /:Onderstond:/ Aldus gedaan en gerecolleerd aan Cabo de goede Loop den 18 Novbr: 1786 /:getekend:/ Fredrik Jan van Rensburg /:lager:/ my Present /:get: R: J: V: O: Reet gehw: Clercq /: in margine:/ als gecommitt:/ getekend: J: M: Hedrok en A: O: Ciltert. Relaas gegeven ten overstaan van de Onderget: gecommitt: uit den E: Achtb: Raade van Justitie dezes gouverne„ „ments en ter requisitie van den land drost van Zwellendam de Heer Constant van Nolt Onkruid t. door en van wegens den burger Petrus Laats van Competenten ouderkom luidende hetzelve als volgt. dat de zel in het begin vande gepasseerde maand Ogto „ber zonder egter den praecieren dog onthouden te hebben met de wagens vanden burger Johannes Fredrik Jansz: van Rensburg naar de Caab gereeden zinde wanneer denzelven wagers op weg aande overzyde vande brede rivier rusgespannen ƒ Zal - P ƒ uitgespannen waren, door gem: van Rensbarg verzogt geworden was, om vermits zekere hotten tot bij de wagens verhaald had, dat hij een Jonge die hij verweende een drosser te zijn, op weg zoude gezien hebben, met zyne zoon den burger Fredrik Jansz: van Rensburg en op af te gaan, ten einde wanneer die Jonge een drosser kwam te zijn, hen, gevangen te neemen, ebbende den Comp als toen zijn geweer genomen en zig met gem:e van Rensburg begeven naar de plaats die door dien hottentot aan hun was beduyden aangewezen dat wanneer den rel aan gem: van Rensburg bij een kloof om dien drosser des te gemakkelyker te kunnen Ontwaren zig van den anderen gescheiden hadden den rec=t terstond twee Jongens een van den Heemraad te Zwelterdam d' E: Jacobus Steijn en den anderen vanden bode aldaar en domingo genaamd had ontdekt, zulx den rel„t naar op gan van Rensburg geroepen hebbende bij de komst van gem van Rensburg zijn geweer op verzoek vanderzelven aan hem had overgegeven, als wanneer voorsz: van Rensburg aan die Jongen gevraagd hebbende, wiens slaven zij waren en : : door hun daarop ten antwoord gegeven zijnde, dat zij Daarden hoedden, en dat die in't veld verstrooyd waren mitsg:s dat hun lyfheer over de breede rivier woond de, hun had willen vergen, om hem de plaats van hun baas aantewijsen, of wel een pad briefje te vertoonen, dan dat dezelve slaven daarop in een zeer brutaale houding ijder behalven een suffisante kirrij hunne messen mede handen genomen hebbende, op het dreigement van op hun te zullen schieten, met een forsse Item hadde geant„ „woord schiet maar weshalven den zel en gem: van Rens „burg vermit zi maar een geweer bij hun hadden ter voorke„ ming van Onheilen die zij uit de Contenance dier slaven te gemoed zagen te raden waren geworden om naar de wegens te rug te keeren werdende zy egter door dezelve Jongens als toen een endweegs agtervolgd. dat de relt en voorsz: van Nensburg zig nader bedagt hebbende, vervolgens waren overeengekomen, om andermaal op die Jongens af te gaan en tezien af zij hun niet door het doen van een looze schoot eenige vries zou konden aan jagen, het geen dan door gem: van Rensburg geschied zinde

NL-HaNA_1.04.02_10986_0331 view scan ↗

English

having had precisely the opposite effect, being as soon as the aforementioned van Rensburg had fired that shot, the same slaves immediately; that the deponent had stepped back, had loaded his gun quickly a second time, and having waited until the aforesaid Domingo, who came toward him van Rensburg, had approached him to a certain distance, had discharged the shot at the same Domingo; that although he Domingo was also struck in his right arm thereby, he nevertheless had advanced with his naked knife toward the aforementioned van Rensburg, while likewise that other slave of the aforesaid Heemraad Steijn having come furiously toward the deponent with a kerrie in one and a naked knife in the other hand, the deponent as well as he had been able had defended himself with stones in his fists, in such a manner that the deponent, notwithstanding that this slave with his knife and kerrie made every attempt, had overpowered him, and then with the assistance of the aforesaid van Rensburg, who had already felled the mentioned Domingo, secured him, and having thus brought them in custody to Zwellendam, that slave of Steijn, upon the question why he had dared to defend himself in such a murderous manner, answered that Domingo had always said that he should not give himself up as a prisoner, but had to fight as long as he had a drop of blood in his body, whereas if he surrendered himself willingly, he Domingo would then stab him to death. Declaring nothing more, the deponent gives as reasons for his knowledge as stated in the text, being prepared to confirm the same further. Below stood: Thus related at Cape of Good Hope the 17 November 1786 before the gentlemen Johannes Martinus Horak and Andries van Sittert, members of the Honorable Worshipful Council of Justice aforesaid, who have duly signed the minute of this along with the same and me, sworn clerk. Lower: Which I witness. Was signed: N: J: v: d: Riet, sworn clerk. Re-examination. Appeared before the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government the aforesaid citizen Petrus Laars, to whom this his preceding deposition having been read out clearly and distinctly verbatim, he testified to persist thereby, with the desire that nothing more shall be added thereto or taken away therefrom. Below stood: Thus done and re-examined at Cape of Good Hope the 18 Nov: 1786. Signed: Petrus Laars. Lower: In my presence. Signed: R: J: v: d: Riet, sworn clerk. In the margin: As commissioners. Signed: J: M: Horak and A: v: Sittert. November of Batavia, aged approximately 20 years, slave of the Heemraad of Zwellendam Jacobus Steijn, currently defendant, has voluntarily confessed and to the Honorable Worshipful Council of Justice of this government has further appeared from the documents produced in the trial: That the defendant, along with another slave named Julij of Boegies, belonging to the messenger at Zwellendam (who however meanwhile, pending the proceedings initiated against him by the officer, has passed away in custody), absconded from his aforesaid master about three months ago now, and in the latter part of the month of October of the year just past, on the other side of the Breede River near the so-called Kluytjes Kraal, having been encountered by a Hottentot of the citizens Fredrik Janse van Rensburg and Petrus Laars, who were driving with their wagons toward the Cape, upon the call of the persons that they must stand still and surrender themselves, instead of obeying that, at first took flight, but afterward remained standing, each with a knife and kerrie in their hands, and upon the questioning by the aforementioned persons whose boys they were, answered not to know their master, but that he was further back across the Breede River, and they were minding the horses there. That the aforesaid persons having further asked the defendant and his aforesaid comrade where the horses being tended by him were located, the answer was given by him that those horses had strayed into the veld. That nevertheless the aforementioned persons, having grown suspicious at the insolent attitude of those slaves, and having ordered them to put away their knives and to give themselves up as prisoners, or else to go along with them to the place of their master, they were unwilling to do so. That the very same persons thereupon having threatened the defendant that if they did not surrender willingly, they would shoot at them, to this was boldly answered by them: Just shoot. That furthermore the same persons having resolved to fire a blank shot at those slaves, in order to see whether fear might not be struck into them by this, which was also put into effect, but instead of fulfilling the expected purpose made them still bolder, so that they, the defendant, after some stubbornly offered resistance, in which the aforesaid July was struck by a shot and furthermore severely wounded by blows received, so that he remained lying on the spot, while the defendant was taken prisoner in this matter, and subsequently delivered into the hands of Justice. That, whereas such wanton outrage accompanied by far-reaching insolence and opposition offered by a base slave against European persons in a country where law and justice are properly maintained, can in no way be tolerated, but on the contrary ought to be punished as a deterrent to other insolent runaways. So it is that the Honorable Worshipful Council of Justice aforesaid, serving on this day, having read and resumed with all possible attention the documents and records submitted by the landdrost of Swellendam, the gentleman Constant van Nult Onkruyd, in his official capacity, upon and against the defendant, as well as having attended to all that served the matter and could move their Honorable Worships, administering Justice in the name and on behalf of the High and Mighty Lords States General of the United Netherlands, have condemned the defendant November of Batavia, as their Honorable Worships condemn the same by these presents, to

Dutch transcription

zijnde, juijst van een tegenstelde uitwerking geweest was, zijnde zo ras als gem: van Rensburg dien schoot gedaan had„ dezelve slaven terstond op den relt was terug geweeken zijn geweer andermaal schielijk had geladen, en afgewagt hebben „de tot dat voorsz: Romingo die op hem van Rensburg toekweem hem op zekere distantie genaderd was, de schout op dezelve Oominge had losgetrokken, dat dat hoe zeer hij domin „go ook daardoor in zijn rechter arm was getroffen denzelven egter met zijn bloot met naar gem: van Rensburg was toe„ „gegaan, terwijl insgelix dien anderen slaaf van voorsz Heemraad Steijn met een kirrij in de eene en een bloot mes inde andere hand verwoed op den rel:t afgekomen zijnde, Een rel zo goed hem doenlijk was geweest zig met steenen in zijne buysten had verweerd, zodanig dat den reltk dien slaar niet tegenstaande hy zo met zijn me al kirrij, alle pogingen deed had overmeesterd, en toen met behulp van voorsz: van Rensburg die meergedt domingo reeds had ter nedergeveld vastgemaakt, en zo naar Zwellendam in hegtenis overge „bragd hebbende, die slaad van Steijn op de vrage waarom hij zig op een diergelijke moorddadige wijze had durven verweeren! geantwoord, dat domingd altoos zoude gezegd hebben, dat hij zig niet moest gevangen geven, maar vegten moest, zo lang hij een dripel bloed in het lyf had, terwijl wan„ „neer hij hem goedwillig gevangen gaf hij domingo hem dan zoude dood steeken Niet meer relateerende geeft den relt voor redenen van wetenschap als in den text bereid zynde, zulx nader gestande te doen /:Onderstond:/ Aldus gerelateerd aan Cabo de goed Hoop den 17 November 1786 voor de heeren Johannes Martinus Lorak en Andries van Cetti lederrit den E: Achtb: Raad van Justitie voorm: die de minute dezer benevens denzelv en mij gezw: Clercq mede behoorlyk hebben ondertekend /:lager:/ 'T welk ik getuijge /:was getekend:/ N: J: V: d: Riet gezw: Clercq Recollement. Compareerde voor de onderget: gecomm: uit den E: achtb: Raad van Justitie dezes gouvernement den voorm: burger Detras laars, dewelke deze zijne Voorenstaande S voorenstaande depositie klaar en duydelyk woordelyx voorgeleezen zijnde, zo betuygde dezelve daarbij te blyven Pertesteeren, met begeerte dat er niets meer bij gevoegd af van gedaan worden zal /:Onderstond:/ Aldus gedaan en gerecolleerd aan Cabo de Goede Hoop den 18 Nov: 1786 /:getekend:/ Petrus Caas /:lager:/ mij Praesent /:getekend:/ R: J: V:/d: Riet gezw: Clercq /in mar„ gine /als gecomm: /getekend:/ J: M: Dorak en A: V: sittert 6620 November van Batavia oud nagissing 20 Jaren slaav van den Heemraad van Zwellendam Jacobus Steijn thans Heeren ged: Vrywillig beleeden heeft en den E: Achtb: Raade van Justitie dezes gouverne„ ments uit de ten processe gefourneerde stukken erders is gebleeken. dat de ged: benevens nog een slaav in naame Jalij van Bangies toebehorende den bode te Zwellendam /dog dewelke inmiddels hangende de tegen hem door den officier geEnta meerde procedurees in hegter is is komen te overlyden:/ voor nu Circa drie maanden van zynen voorm:e lyfheer opgedrost en in het laatst der maand October van het eeven afgewekene Jaar aan de overzyde van de brede riviee bij de zogenaamde Kluytjes kraal door een hottentot van de burgeren Fredrik Janse van Rensburg en Petrus Laars dewelke met hunne wagens Caabwaards reden aangetroffen zijnde, op het geroep van de perzonen, dat zyl: moesten blyven staan en zig gevangen geven, in stede van daaraan te gehoorzamen in het eerst de vlugt hebben genoomen, edoch naderhand zijn blyven staan, ieder met een mes en kirrij in de han„ den, en op de afvrage van gem: Perzoonen, wiens Jon gens zij waren geantwoord hebben, hunne baa niet te kennen, dog dat dezelve over de brede rivier voor agter was, en zij de paarden aldaar 8e vasten— Dat voorn: perzonen al verder aan den ged: en zijnen voorsz: makker gevraagd hebbende: waar zig de toor hem Opgepast wordende paarden dan bevonden, door hem E: ten antwoord is gegeven dat die paarden in het veld verthoogd waren. dat dat egter diek gem:e perzonen op de brutale houding dier slaven agterdogt gekregen, en hunE: bevolen hebben de hunne messen weg te doen, en zig gevangente geven of wel met hun naar de Plaats van hunne lyfkeer mede te gaan zyl: daartoe onwillig zijn geweest dat evengem: Perzonen de ged: daarop bedreigd hebbende, om wanneer zy zig niet goedwillig overga „ven, op hunl: te zullen schieten, hierop door hunl: Stoutmoedig geantwoord is; Schiet maar. dat voorts dezelve Perzonen beslooten hebbende om op die slaven een losse schoot te doen, ten einde tezien of hun hier door geene Vrees zoude kunnen wer „den aangejaagd zek ook werkstellig is gemaakt dog in stede van aan het verwagt oogmerk te voldoen harl: nogstontmoediger heeft gemaakt zo dat zyl: ged. naa eenige hardnekkigd gebooden tegenweer, waarbij de voorn: July door een Schoot getroffen en voorts nog door eerste bekome slagen zwaar gewond is zo dat dezelve daar terplaatze is bliven leggen, terwijl de ged: in daze gevangen genoomen, en vervolgens in handen van Justitie dan nademaal diergelyke moed willen autrgie gewoord met verre gaande brutaliteyt en tegen. kantig door een vili slaaf tegens Europeesche Perzoonen geboden in een land alwaar recht en gerechtig heid behoorlyk worden gehandhaald, geenzins kan hoorden geduld, maar integendeel ten afschrik van andere insolen „te drossers behoord te worden gestraft. zo is 't dat de E: Achtb: raad van Justitie voorm: ten dage dienende met alle mogelyke attentie geleezen en ge resumeerd hebbende, de stukken en munimenten wegens den landdrost van Swellendam de Heer Constant van Nult Onkruid nomine officie op ende Jegens den get ingediend mitsgs gelet op al 't gunt ter materie was dienende, en hun EE: Achtb: konde doen moveer en Recht doende uijt naam ende van wegens de Hoog Mogende Heeren Staaten generaal der Vereenigde Nederlanden den ge: November van Batavia hebben gecondemneerd gelyk hun EE: achtb: denzelven Condemneeren mits dezen Omme

NL-HaNA_1.04.02_10986_0334 view scan ↗

English

to be brought to the place where criminal sentences are customary to be executed here, there delivered to the executioner, and being tied to a post to be severely flogged with rods on the bare back, further to be riveted in chains for the period of three consecutive years, thus to be sent home to his master, with condemnation in all the costs and expenses of justice. Thus done and sentenced at Cabo de Goede hoop on the 25th of January 1787, and pronounced in the Castle of Good Hope on the 3rd of the following month of February, and executed on the same day. Signed: J: I: Rhenius, S: C: Echten, Johs Smuts, J: M: Horak, C: G: Maasdorp, G: H: Meyer, C: L: Neethling, J: C: Gie, C: Matthiessen, P: de wet, J: M: Bletterman. Lower: In my presence, signed: C: Van Pleuerssen, Secretary. In the margin: Let execution be done. Signed: C: J: vande Graaff. Agrees. Van Herssel, Secretary. Underneath stood: Pieter Hacker, outgoing, and Johannes Isaac Rhenius, incoming President, together with the Council of Justice of the Castle of Good Hope, make known: that the Fiscal pro interim, Gabriel Exter, has orally made known to Us that Jan Michiel Engel of Straatsburg, carpenter; Johan Godlieb Hauwer of midlenburg, Georg Kampman of Maren, house carpenters; Johan Albregt Oosterhold of Oldenburg, Joseph Stansen of Carelsham, Cars Thoraberg of Carels Croon, assistant carpenters; Carl Houb of Manheim, ship's corporal; Carel Gunter of Hessen Cassel, mason; Jacob Hansen of Christiania, Johan Andries Harderslebin, sailmaker; Johannes Osteijn of Tourhout, blacksmith; Jan Andries Muller of Parken, coarse blacksmith; Harmen Albregt, fortification worker; Jan Francois van den broek of Hettenberg, stone breaker; Michael Ronssel of Paris, Andris Francis Raas of Meerelbag, Ignatius Lodewicus derteling of Enge, Johan Pieter Oosterman of Bronswyk, Hartwyk Herman Ooss of blaauwe, Johannes Litzel of Nystad, Jan Eenewald of Upsal, Jean Chivallier of Nantes, Jacobus Pieterse of Cabo, Matthias Lochwits of Vinle, Pierre Le Blang of de free, Jan Fredrik Pareij of Handan, Jan Fredrik Hoffman of Saxen, Johan Jacob Schuller van Meeringsteede, Andreas Lorert of Weijsenberg, Frans Anthonij Heinlin of Pakelberg, Jan Mulder of Keulen, Jan George Krieger of Aderits, François Loisour of S:r Martijn, Johan Joseph Dunaron of Numur, Johan Fredrik Grofman of altenburg, Pierre Laurent of Luxenbourg, Reynhard Harms of zulchen, soldiers; lodewijk kram of Bieda; Hendrik Hendrik Siel of Straalsund, Johannes Christiaan Barts of Pommeren, Paulus Iannes of Staat, Johannes Sneijders of Aelden, Fredrik Archilles of Bolshagen, Willem Michiel Pirchen of Bergen in Norway, Nils Augreen of Carelshaven, Jan Piet of Christiaanzand, Laurens Janse diepen of Wageningen, Christoffel Macken of Lange Eiland, Arij Engelke of Bremen, Hendrik Fokken of Harlingen, Jan Mellon of bordeaux, Johs Berends Melchert of Munster, Jonas Biel of Copenhagen, Johan Hendrik Oostwalet of Bremen, Jonas Griem of America, Ern Hendriks of Molguer, Pier Jessen of Danish Holstein, Jan de Nies of Amsterdam, Thomas Sasche of Bathemé, Oele Jierjans of Helmstad, Emanuel Leeuwenhagen of Carelscroon, Carel Gustaaf Fenerus of Finland, Marten Iaus of Bornholm, Joseph Milt of Brest, Johan Christoffel Vilgers of Worms, Johan Hendrik Jonkman of Obo, Johan Fredrik Tassemaker of Munster, Laurens Henssen in Norway, Laurens Janssen of gottenburg, Harmer Jacobs of Reval, Erik Pieterse of Stetingfort, Laars Nielsen of Christiania, Pieter Jona of Copenhagen, jonas Doman of Stockholm, Jan Simon of Baarte, Christiaan Endras of Christiaanzand, Jochem Best of Hamburg, Cornelis Janssen of Stockholm, Hendrik Olstium of Calmar, Johan fredrik Siedeler, Allexe Coyale of Venice, Andries Pieterse of Copenhagen, Pieter Joseph bouche of Iperen, Leurens Eramuussen of Burten, Cornelis Luurense of Copenhagen, Michiel Christiaan of Bloem, Sours lambeleijn of Lille, Jan Willems of dronthem, Jan Coenraad of Stade, Joseph Piet of Brussels, sailors; Are de Bruijn of Bekenes, mason; dirk Schouten of Amsterdam, Marthinus Thomasse of Cabo, Hendrik Coopman of Oldenburg, Manus Kusten of Kessel, Itoe Jansen of anjum, young sailors; Carel Hendrik Meijer

Dutch transcription

omme gebragt worden ter plaatze, daar men alhier ge„ woon is crimineele gewysdens ter uijtvoer te brengen aldaar den scherpregter overgeleverd, en aan een waal gebonden zijnde met roeden op de bloote ruggestrengelik gegeesseld te worden, voorts voor den tijd van drie agter eenvolgende Jaren in de ketting geklonken zinde, zodanig aan zijnen lyfheer te worden te huis gezonden met Condemnatie in alle de kosten en misen van Justitie Aldus gedaan en Gesententieerd aan Cabo de Goede hoop den 25 Jan: 1787. mitsgaders gemroneente eerd in 't Casteel de Goede Hoop den 3 der daaraan volgende maand February en geExecuteerd ten zelven dage. /:getekend:/ J: I: Rhenius, S: C: Echten, Johs Smats J: M: Horak, C: G: Maardorp, G: H: Meyer, C: L: J: C: Gie, C: Matthiessen, P: de wet J: M: Neethling Bletterman, /:lager:/ Mij present /:getekend:/ C: VanPlerssen Secret: /:in margine: Fiat Executie J: vande Graaff /:getekend:/ ƒ Secrets ccordeert. Van Herssel /:Onderstond:/ Pieter Hacker afgaand en Johan „nes Isaac Rhenius aankomend President benevens den Raad van Justitie des Casteels de goede Loop doen te weeten dat den pro interim Fiscaal Sr gabriel Exter aan Ons bij monde heeft te kennen gegeeven dat Jan Michiel Engel van Straatsburg timmerman Johan Godlieb Hauwer van midlenburg, Georg Kampman van Maren, houstimmerlieden, Johan Albregt Oosterhold van Oldenburg Joseph Stansen van Carels ham, Cars Thora berg van Carels Croon, ondertimmerlieden, Carl Houb van Manheim Scheeps Corporaal, Carel Gunter van Hessen Casses, Metzelaar, Jacob Hansen van Christiania Johan Andries Harderslebin Zylmaker Johannes Osteijn van Tourhout Smit, Jan Andries Muller van Parken GrofSmit Harmen Albregt Fortificatiewer ker, Jan Francois van den broek van Hettenberg, Klip penbreeker Michael Ronssel van Parijs, Andris Francis Raas van Meerelbag, Ignatius Lodewicus derteling van Enge, Johan Pieter Oosterman van Bronswyk, Hartwyk Herman Ooss van blaauwe Johannes Litzel van Nystad, Jan Eenewald van Upsal Jean Chivallier van Nantes, Jacobus Pie„ terse van Cabo, Matthias Lochwits van Vinle, Pierre Le Blang van de free, Jan Fredrik Pareij van Han¬ „dan Jan Fredrik Hoffman van Saxen, Johan Jacob Schuller van Meeringsteede Andreas Lorert van Weijsenberg Frans Anthonij Heinlin van Pakelberg. Jan Mulder van Keulen, Jan George Krieger van Aderits François Loisour van S„r Martijn, Johan Joseph Dunaron van Numur Johan Fredrik Grofman van altenburg. Pierre Laurent van Luxenbourg, Reynhard Harms van zulchen, soldaaten, lodewijk kram van Bieda Hendrik Hendrik Siel van Straals oud, Johannes Christiaan Barts van Poots Dommeren, Paulus Iannes van Staat, Johannes Sneijders van Aelden Fredrik Archilles van Bolshagen, Willem Michiel Pir chen van Bergen in Noorwegen Nils Augreen van Carelshaven. Jan Piet van Christiaan zand, Laurens Janse diepen van Wageniim, Christoffel Macken van linge Eiland, Arij Engelke van Brieme, Hendrik Fokken van Harlingen, Jan Mellon van bor„ deaux. Johs Berends Melchert van Munster, Jonas Biel van Coppenhagen Johan Hendrik Oostwalet„ van Dreemen, Jonas Griem van Amirika, Ern Hendriks van Molguer. Pier Jessen van Deensch Holsteijn, Jan de Nies van Amsterdam Thomas Sasche van Bathemé Oele Jierjans van Helmstad Emanuel Leeuwenhagen van Carelscroon. Carel Gustaaf Fenerus van Finland Marten Iaus van Bornholm, Joseph Milt van Brest, Johan Christoffel Vilgers van Worms, Johan Hendrik Jonk man van Obo, Johan Fredrik Tassemaker van Mun „ster Laurens Henssen int Norwege, Laurens Jans „sen van gottenburg Harmer Jacobs van Reval: Erik Pieterse van Steltingfort Laars Nielsen van Christia „nia Pieter Jona van Copperhagen, jonas Doman van Stokholm, Jan Simon van Baarte, Christiaan Endras van Christiaanzand Jochem Best van Hamburg, Corne lis Janssen van Stokholm Hendrik Olstium van Calmer Johan fredrik Siedeler, Allexe Coyale van Venetien Andries Pieterse van Coppenhagen, Pieter Joseph bouche van Iperen, Leurens Eramuussen van Burten, Cornelis Luurense van Coppenhagen, Michiel Christiaan van Bloem, Sours lambeleijn van Ryssel, Jan Willems van dronthem Jan Coenraad van Stade, Joseph Piet van Brussel Mattroozen Are de Bruijn van Bekenes metzelaar, dirk Schouten van Amsterdam, Marthi nus Thomasse van Cabo Hendrik Coopman van Oldenburg, Manus Kusten van Kessel, Itoe Jansen van anjum Jong Mattroozen, Carel Hendrik Meijer

NL-HaNA_1.04.02_10986_0339 view scan ↗

English

Meijer van P=r minde and Dirk Harmse van Esterner Ziel, ordinary seamen, all serving in the aforementioned capacities under this government, did not shrink, successively during the past year, from willfully deserting their assigned posts and the service of the Honorable Company, and rendering themselves fugitives, so that, notwithstanding all effort made, they could not be discovered. The said Pro Interim Fiscal requests, for this reason, that the above-mentioned fugitive persons may be peremptorily summoned in person by public ringing of the bell and edictal citation, in order to appear before us or commissioners from our College within a certain appointed day, to answer for their willful desertion and abandonment of service, on pain that, upon failure to appear, proceedings will be continued against them as by law prescribed. Thus it is that the Council, having considered the request of the oft-mentioned Pro Interim Fiscal, in pursuance of the drafted circular order of their High Excellencies the Lords of the High Indian Government for the administration of justice, has found it good to summon the above-mentioned fugitive persons by public edict and ringing of the bell, as we do summon and cite them hereby, to appear in person peremptorily before us within the time of the first coming four weeks, to present themselves and answer before our court, or commissioners therefrom, for their above-mentioned willful desertion and abandonment of service, on pain that, in case of neglect thereof, proceedings will be continued against them by default as by law prescribed. Underneath written. Thus done and granted at Cape of Good Hope, the 11th of Januarij 1787. Signed: P: Hacker. In the margin: the great seal of Justice pressed in red wax. And thereunder: By order of the Honorable and Worshipful Lord Presidents and the Honorable and Worshipful Council of Justice. Signed: C van Aerssen, Secretary. Article 1 And did state that the prisoner and defendant aforementioned, having been assigned and having served as a soldier under the battalion garrisoned here, did not shrink, about 10 to 11 months ago, from abandoning his service and rendering himself a fugitive; that the said prisoner and defendant directly went inland and initially stayed with the sailor Christiaan Janse, stationed at the Honorable Company's post 't Paradijs, and residing at Kersenbos, to which sailor the said prisoner and defendant pretended to be a butcher and to have come from the farm of Fokke Hendriks, where he had slaughtered a pig; that the prisoner and defendant, having then noticed in the room of the aforesaid sailor a silver watch, along with shoe and knee buckles and other pieces of clothing, and having judged these to be of good service in his circumstances and for his purpose, to make himself less recognizable with a part of them and to be able to use the other part in time of need or want, waited so long, and watched for the opportunity, until the aforementioned sailor went to the master of his post; whereupon the prisoner and defendant immediately made off, and after taking off his uniform and putting on other clothes, took the remaining goods together, and went away with them, leaving behind his uniform. Paragraph 3. These goods consisting of the aforementioned silver Appeared before the Right Honorable and Worshipful Lords President and Council of Justice of the Castle of Good Hope, the Pro Interim Fiscal Gabriel Exker, ex officio prosecutor in criminal cases on the one side, against Johan Litzel of Neustadt an der Haardt, prisoner and defendant in the aforesaid Castle on the other side. watch, 10 12 watch, A pair of shoe and knee buckles, A pair of ditto sleeve buttons, A large greatcoat, Two blue cloth waistcoats, A black silk neckerchief, A cocked hat, A pair of pepper-and-salt stockings, A black velvet pair of breeches, Two shirts, and A pair of shoes; that the prisoner and defendant, after having proceeded further into the country, as he says, sought his food in the veld and received it from herdsmen, and the clothes having worn out during his long wanderings, having only sold the watch and buckles to a countryman upon his return on this side of the Salt River, returned again to the Cape, where the prisoner and defendant was arrested towards the evening on the beach and handed over to justice; all of which will further appear to Your Right Honorable Worships from the annexed declaration and the prisoner and defendant's own confession made before the lords commissioners from this Honorable and Worshipful Council, to which the ex officio prosecutor otherwise takes the liberty to refer; that the ex officio prosecutor believes he can deduce and establish therefrom and from all other circumstances, that the prisoner and defendant, with intent and premeditation, 1. by abandoning his service, has rendered himself guilty of willful desertion, and no less 2. by stealing the goods of the oft-mentioned sailor, of an infamous theft, and has thus rendered himself subject to the lawful punishments for the same. 223 22 5 Article 14 Article 24 1

Dutch transcription

Meijer van P=r minde Dirk Harmse van Esterner Ziel, hooplopers alle in voormelde qualiteyten en der dit gouvernement sorteerende, hun niet hebben Ontzien geduurende het voorledene Jaar successivelyk hunne bescheidene Posten ende den dienst der E: Comp moed willig te verlaten, en hunzelven fugatief te stellen zodanig dat, niet tegenstaande alle aangewerde moeijte niet hebben kunnen worden ontdekt Verboekende gem: Pro interim Fiscaal, dieswegens, dat bovengem: vlugtige perzonen bij openbaare klokke geslag en Edictale citatie Peremptoir in perzoon mogen worden ingedaagd, omme binnen zekeren bepaalden dage, voor ons ofte gecommitteerdens uit ons Collegie te Compareeren ten einde hun wegens moedwilligd deserke en dienstverlating te komen verantwoorden, op Doene dat bij non Comparitie tegens dezelve bij continuacce zal werden geprocedeert als naa rechten Soo is't dat den Raad gelet hebbende op't verzoek van meergem: Pro interim Fiscaal in opvol„ „ging der beraamde circulaire ordre van haar hoog Edelens de Heeren der hooge Indiasche Regeering tot handhaving der Justitie goed gevonden heeft, de bovengem: vlugtige Verkopen, bij openbaare Edicte en klokke geslag te doen dagvaarden, gelijk wij hunlieden dagvaarden en indagen bij dezen, omme binnen den tid vande vier eerstkomende weken Deremp „toir in perzoon voor onste Compareeren, omme hun wegens hunne bovengem: moedwillige desertie en dient verlating voor onzen vechtbank, dan wel gecommitt uit denzelven te komen surgeeren, en verantwoorden op poene dat bij nalatigheid vandien, tegens dzelve bij continuacie zal werden geprocedeert als naar rechten Onderstand. Aldus gedaan en verleend aan Caddde goede goede Hoop den 11 Januarij 1787 /:get:/ P: Hacker /:in margine/ het groot zegul der Justitie in rooden lakke gedrukt /en daaronder :/ Ter ordonnantie van den E: Achtb: Heeren Presedenten en den E: Achtb Raad van Justitie /:getekend:/ C van Aerssen Seuret Art: 1 En deede zeggen dat den gev: en ged: voorm: als zoldaat onder't alhier guarnisoen houdende Bataillon bescheiden geweest en dienst gedaan hebbende Zig niet Ontzien heeft voor nu Omtrend 10 a 11 maanden zyn dienst te verlaten, en zig fugatief te stellen. dat zig denzelven ga: en ged' directelyk na buiten heeft begeeven en in de eerste Instantie zig opgehouden by den Mattroos Christiaan Janse, op 's E: Coma Post 't Paradijs bescheiden, en zijn Verblyf aan Kersenbos houdende aan welke Mattroos hij ged: en ged heeft voorgegeeven Een slagter te zijn, en van de plaats van Fokke Hendriks afgekomen, alwaar hij een varken had geslagt dat den ga: en gede dan en de kamer van voorsz: Matt:s een zilver Horologie, met schoe en krie gesden en andere kledings stukken waargenoomen hebbende En dezelve in zijne omstandighedens en tot zijn Voornomen van goeden dienst te zullen zijn geoordeelt Om zig met een gedeelte minder kerbaar te maken en 't andere intyd van nood of gebrek te kunnen gebruken zo lang gewagt, en de tyd in agt heeft genomen, daar den meer gem. Mattroos naar de baas van zijn Post is gegaan als wanneer den ged: en ged' zig dadelijk heeft onge maakt, en naar zijn Monteering uit en andere klederen aangetrokken te hebben, de overige goederen te Zamen genoomen En daarmede met teruglating van zijne monteering weg is gogaan §3 Zynde deze goederen bestaan in Voorm: zilvere Compareerde voor den wel E: Achtb Heeren Praesidenten en Raade van Justitie des Casteels de goede Doop den Wao interim Fiscaal Gabriel Exker R: O: Eijssr in cas Crimineel ter eenre Ca Joh Litzel van Neustad aan de Haard ged: en ged„e in voorsz: Caste andere zyde horrlogee 10 12 horologie Een Paar schoe en knie gessen Een Paar do. Mouw Knoopen Een groote sluijtjas twee blaauwe lakene Camisoolen Een zwart zijde halsdoek Een opgehoomde hoed Een paar Peper en zout kousen Een zwart fluweele Broek Twee hembden en Een Paar schoenen dat den ged en gede naar zig voorts verder in't land te hebben begeven zo hij zegt zijn kost int veld heeft gezogt en van veewagters Ontvangen En de klederen met zijn lang harm zwerven ver sleeten zijnde hebbende hij alleen d' Horohogie en geven bij zijne rugkomst aan deze zyde van 't zoute rivier aan een buytenman Verkogt wederom naa de Kaap is gekeerd. alwaar hij gev: en ged' tegens den avond aand Strand is gearresteert en aan de Justitie is overgeleverd geworden waarvan't een en ander aan UwelEd: Achtb uit d' annexe Verklaring en des ge en ged' eijgene Confessie, voor heeren gecomm: uit dezen E: Achtb Raade gedaan, nader zullende komen te blijken den R: O: Eiss:s voor't overige de vryheid neemd zig daaraan te refereeren dat den R: O: tyts daaruit en alle overige Omstandig „hedens vermeend te kunnen opmaken en vaststellen dat den ged: en ged:e met opzet en voorbedagten rade 1/ door de verlating van zyn dienst zig aan moed willige desertee, en niet minder 2 / door het roven der goederen van meergem: Mattroos aan een Ichan delijk diefstal heeft schuldig gemaakt en Ons aan derzelver wettige Stratfe onderheveg gemaakt 223 22 5 Art 14 Art: 24 1

NL-HaNA_1.04.02_10986_0343 view scan ↗

English

Article 24. That the prisoner and defendant indeed says that he had been drunk and had stayed away out of fear of punishment. 25. However, this excuse from a soldier of 9 to 10 years will be very misplaced. 26. Because their discipline is not so rigorous that one is accustomed to severely punish drunkenness off duty, 27. which otherwise would frequently happen to a great many, and daily give cause for punishments. 28. More would contribute to the excuse of the prisoner and defendant that he intended to return to the Cape to report and turn himself in, 29. if that had genuinely been done by him, and he had thereby shown his remorse, 30. and furthermore, this claim were not stripped of all foundation by the fact 31. that upon his return to the Cape, shortly beforehand, he sold the watch and buckles; 32. which he certainly would not have done to lessen his trouble, but would have handed them over to be returned to the owner, 33. so that it is more to be presumed that the prisoner and defendant returned solely to escape with foreign ships. 33½. That just as little as the prisoner and defendant can be excused regarding his desertion, 34. equally little can anything regarding the theft committed by him be taken into consideration for his excuse. 35. For even if it merited some consideration that the defendant had committed it primarily 36. to make himself less recognizable through different clothing, 38. he should not have robbed the poor sailor of the remainder of the goods, which constituted his entire fortune and for which he had to work long, 39. which he carried out with deliberate, shameful deceit after having gained his trust; Article 40. circumstances whereby the crimes of the prisoner and defendant are aggravated, 41. and he, having full knowledge of the punishment established thereon by the Articles of War, 42. the Officer Prosecutor, subject to correction, judges 43. that this punishment ought justly to be inflicted upon the prisoner and defendant as well. On which and other grounds and arguments, to be deduced in due course and time if necessary, the Officer Prosecutor, making his demand, concluded that by definitive sentence of the Honorable Court the prisoner and defendant shall be condemned to be taken to the place where criminal sentences are customary to be executed, and there, being delivered to the executioner, tied to a post with a rope, severely flogged on his bare back, and thereafter branded; that the prisoner and defendant shall furthermore be confined for the period of ten consecutive years to Robben Island, to work there in irons without pay on the public works, and after that time, with forfeiture of wages and bounty, to remain banished forever from this colony; with condemnation of the same in the costs and expenses of justice, or to such other punishments and measures as the Honorable Court shall deem appropriate. Signed: G. Exter. In the margin: Exhibited. Today, 9 February 1787, appeared before me, Rijno Johannes van der Riet, sworn clerk at the Secretariat of Justice of the Castle of Good Hope, in the presence of the undermentioned witnesses, Christiaan Jansen, sailor in the service of the Honorable Company, of competent age, who, at the requisition of the temporary Fiscal, the Honorable Gabriel Exter, declared it to be true that about 10 months ago, without the deponent being able to determine the exact time, when the deponent was still stationed as a woodcutter at the so-called Kersenbosch and had his lodgings there in a room or quarters, on a certain day there arrived at Kersenbosch a certain soldier commonly called squinting Pitzel, requesting the deponent that, as he was very fatigued from the journey he had made on foot from the Cape, he might therefore rest on the deponent's bunk; that the deponent, having first asked him who he was and where he was going, and having been answered by him that he was a butcher and had to go to the place of Fokke Hendriks to slaughter a pig, granted him his request, and that soldier had then also laid down on the deponent's cot to sleep; but that the deponent, having stepped out of his room for a moment to the house of the post master, when he returned to his room shortly thereafter, then discovered that the aforesaid soldier had left the room and had left his uniform behind there, which brought the deponent to no small suspicion that the man might well have taken something, whereupon he immediately checked his goods, finding missing: his watch with a steel chain, a pair of silver shoe buckles, a pair of ditto sleeve buttons, a large overcoat, two blue cloth waistcoats, Exhibited in court on 22 March 1787, a

Dutch transcription

Art: 24 dat den ged en ged wel zegt dat hij dronken was geweest en uit vreeze voor de bestraffing zij weggebleeven 25. Egter deze Excuse van een g af 10 Jarig en soldaat zeer sligt geplaatst zal zyn 2 C Omdat derzelver dik ip live even niet de rigoureus is dat men buiten den deenst bedronkene Plugt grootelyk aftestraffen 't geen anders een groote menigte dikwijls zoude overkomen moeten, en dagelyx tot bestratfingen gelegenheid geven 28 Meir zoude tot Verschoning des gev: en gede bijdragen dat hij na de Caab wederom gekeerd wil zijn Omzig te melden en aantegeven Indien 6 wezentlyk van denzelven was gedaan geworden en hij zijn berouw daardoor getoond had. voorts dit Voorgeven niet van allen grond daardoor beroofd wierd dat sij bij zijn terugkomst aan de Caab kort van te voren, de Horologie en geppen heeft verkogt dat hij zekerlijk om zijne Sorasse te minderen niet zoude gedaan, maar zulke overgegeven hebben om wederom aan den Eygenaar toegesteld te worden. zo dat meer te Praesumeeren is, dat den ged: en ged alleenig geretourneerd is; om met vreemde schepen weg te komen 33½ dat zo weijnig den ged: en gede omtrend zijne desertie kan geExcuseerd worden Evenzo min iets wegens 't van denzelven gepleegde diefstal tot deszelvs Verschoning zal kunnen in aanmerking komen. Want indien ook eenige Consideratie meriteerde dat den ged voornamentlik den zelven had gepleegd 36. Om zig door andere kleding minder kenbaar te maken 38 zo had hij dan niet den armen Mattroos van den overrest der goederen, die zijn geheel vermogen uit maakten, en waarvoor hij lang had moeten werken, zullen berooven dat hy nog met overlegen schandelyk bedrog naar 27 30 31. 32 33 34 35 naar Vertrouwen bij denzelven Verwekt te hebben heeft uitgevoerd Omstandigheden, waardoor bij de Crimen des ga: en Art: 40 ged' verzwaard worden 41 en denzelven de en de Kryge articelen daarop gestatueerde stratje volkomen geweeten hebbende 42 Den R: O: Eyss:r /: onder Correcte doen oordeelen 43 dat den ged: en ged ook deze straffe billijk zal behooren geinfligeert te worden Mits welke en anderen redenen en middelen intijd en wyle /:in 't nood, nader te deduceeren den R: O: Eisp Eijsch doende, Concludeerde dat by difinitive vonnisse van Cuwele Achtb de gel: en ged zal worden gecondemneert omgebragt te worden ter Plaatze alwaar men gewoon is Crimineele Sententien te Executeeren, en aldaar den Scheepregter overgeleverd zijnde met de Koorde aan een Paal vastgemaakt, op de bloote rugge strengelyk gegeeteld en daarna gebrandmerkt te worden, dat dan ged:e en gede voorts voor den tyd van tien agter eenvolgende Jaren zal worden geconfineert ten robben Eylande, Om aldaar in de Yzers geklonken zijnde, zonder loon aan de gemeene werkente arbeiden en naar dien tijd met Verlies van gage en Premie, ten eeuwigen dage uit deze Colonie gebannen te blyven met Condemnatie deszelven in de Kosten en Misen der Justihie ofte tot alzulken anderen straffen en Doenen als UwelEd: achtb zullen kinden te behooren /:ge tekend:/ G: Exter /:inmargine:/ Exhibiter Huiden den 9 February 1787 Compareerde voor mij Hijno Johannes van der Heet gezz: Clercq ter Secretirye van Justitie des Casteels de goede Hoop, praesent de nagen: getuigen, Christiaan Jansen Mattroos in dienst der E: Comp van Competenten Onder dom, dewelke ter requisitie van den Dro interim fiscaal d' E: Gabriel Exter, Verklaard: hoe waar is dat voor nu wel 10 maanden geleeden, zonder dat de Comps de Precisen tyd weet te bepalen, wanneer de Comp nog als hout kapper bescheiden was, aan het Zagenaamde Kersenbosch en aldaar in een kamer of Vertrek zijn logies had, opzekeren dag aldaar aan't Kersenbosch gekomen is, zekere Soldaat in de mandeling scheele Pitzel genaamd den Comp Verzoekende om terwijl hij van de Reeze die hij te voet van de kaap gedaan had, zeer Vermoeyd was, mitsdien op des Comps Kooy te mogen intrusten, dat de Comp hem eerst gevraagd heb bende, wie hij was en waar hij naa toe ging en door hem ten antwoord gegeven zynde, dat hij was een Slagter, en naar de plaats van Fokke Hendriks moest om een Varken te slagten, hem zijn verzoek heeft toegestaan, en had die soldaat zig dan ook op de Cadel van de Comp om te slapen nedergelegd om te slapen, dan dat de Comp zig eeven uit zyne kamer naar het huis van den baas van de Post begeven hebbende, wanneer hij kort daarna in zijn kamer was terug gekomen, als toen had ontwaard dat voorsz: soldaat uit de kamer gegaan was en zijn monteering aldaar agtergelaaten had, zulx de Comp in geen gering nadarken, dat die man wel iets kon mede genoomen hebben gebragt zynde, dan ook direct zijne goederen heeft nagezien, als wanneer denzelver hrrologie met een Staale ketting Een pr zilvere schoeen kuis getpen: Een ps dito mouwknoopjes Een groote Sluetjas twee blaauwe lakense Camisoolen Exhibitum in Judico den 22 Maart 1787 Eem

NL-HaNA_1.04.02_10986_0346 view scan ↗

English

One with and the other without sleeves One black silk neckerchief One cocked hat One pair of pepper and salt stockings One pair of black velvet breeches Two shirts and besides several other goods that have escaped the deponent's memory still One pair of new shoes are missed by the deponent The deponent having subsequently brought the aforesaid uniform to the Cape, and delivered it to the adjutant in the Castle Declaring nothing more, the deponent gives as reasons for his knowledge as in the text, being prepared to confirm the above always by oath below stood That this was thus executed at the aforesaid Secretariat in the presence of the clerks Willem Steph van Rijneveld and Nicolaas van Es as witnesses, who have duly signed the minute hereof along with the deponent and me, sworn clerk lower which I witness signed R: J: V: E: Riet sworn clerk Review Appeared before the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government the sailor of the Honorable Company Christiaan Jansen, who, having his above standing declaration read aloud word for word clearly and distinctly, declared he persisted thereby, desiring that nothing more shall be added to or taken from it; and immediately thereupon for confirmation of the truth thereof the solemn words so help me God Almighty. Below stood Thus reviewed and sworn at the Cape of Good Hope the 14 February 1787 signed Christiaan Jansen lower in my presence signed C: van Verssen Secretary in the margin as commissioners signed C: Matthyssen, and G: B: Meijer Articles. Appeared before us undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government the soldier Johannes Litzel who to the adjacent interrogatory articles has given such answers as are noted beside each of them. Articles caused to be drawn up and delivered to the gentlemen commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, in order to examine thereupon at the requisition of the Pro Interim Fiscal Gabriel Exter, the soldier Johannes Letzel of Nieuwstad on the Haardt, his answers to be given having to be duly noted in the margin hereof. Article 1 The person's name, birthplace and age. Says Johannes Litzel of Nieuwstad on the Haardt, aged by estimation 35 years. Article 2 What capacity the person held. Says soldier at this Castle. Article 3 Whether the person has not been a soldier in the service of the Honorable Company and as such served at this Castle. Says yes. Article 4 When the person left his service and became a fugitive. Says he has forgotten how long ago this is, yet thinks that it will now by estimation be 10 to 11 months ago. Article 5 Whither he went and how he got his living. Says that he went directly to the country until he had approached near Cafferland and sought his living both in the field and sometimes received it from cattle herders. Article 6 Where and with whom he mainly stayed. Says he stayed with no one. Article 7 Whether the person also took his uniform with him, and where he left it. Says that having been a few days at the Honorable Company's post the Witteboomen he left his uniform there and took the clothes of one of those people, which he stole from there. Article 8 Lapses. Article 9 Whether the person also knows the sailor Christiaan Jansen. Says he does not know that man by name. Article 10 And when the person was at the Kerssenbosch. Says that he the accused lodged with that man for 3 days at Kerssenbosch, without knowing whether that man is called Jansen. Article 11 Whether the accused coming to the Kerssenbosch did not go into the room of the aforesaid Jansen. Says he did. Article 12 Whether said Jansen did not ask the accused who he was, and where he was going. Says no. Article 13 If yes, what the accused answered thereto. Says that Jansen had not spoken to him. Article 14 Whether the accused did not pretend to the aforesaid Jansen that he, being a butcher, had to go to the place of Fokke Hendriks to slaughter a pig. Says yes: that he said he came from Fokke Hendriks behind the Paradijs as aforesaid, and further as the question dictates. Article 15 Whether the accused did not request of aforesaid Jansen to rest a little on his bed. Says he did. Article 16 Whether Jansen did not grant him this. Says yes. Article 17 Whether he then did not see lying in the room of the aforesaid Jansen, his silver watch, shoe and knee buckles and what more. Says that he said he was behind the Paradijs as aforesaid, without knowing whether it is called Kertsenbosch. Article 18 Whether shortly after the prisoner had lain down to sleep, aforesaid Jansen did not go out of his room. Says that Jansen had gone out and that he, the accused, had taken advantage of that opportunity. Article 19 When the prisoner saw that aforesaid Jansen had gone out of his room, whether the accused did not immediately also depart from there. Says shortly after Jansen went out, he also went away. Article 20 What goods the accused on that occasion took with him from aforesaid Jansen. Says to have stolen from that man a pair of silver shoe buckles, a pair of knee buckles, a ditto sleeve buttons, a large wrap-coat, two blue cloth waistcoats, a black silk neckerchief, a cocked hat, a pair of pepper and salt stockings, a black velvet breeches, two shirts, a pair of shoes, a silver watch. Article 21 Whether the accused from the room of aforesaid Jansen did not take with him: A pair of silver shoe buckles A ditto knee buckles A ditto sleeve buttons A large wrap-coat Two blue cloth waistcoats A black silk neckerchief A cocked hat A pair of pepper and salt stockings A black velvet breeches Two shirts A pair of new shoes. Says as on Article 19. Article 22 What the accused besides those goods also took from the room of aforesaid Jansen. Says nothing other than what is mentioned here before. Article 23 Whether and for what reason the accused left his uniform behind there. Says in order not to be recognizable.

Dutch transcription

Eene met en 't ander zonder Mouwen Een zwarte zijde halsdoek Een Opgetoomde hoed Een Psr Peper en zout kousen Een zwart fluweele Broek Twee hembden en behalve nog Verscheide andere goederen die den Compt ontgaan zin nog Een p'r nieuwe schoenen door den Comp zijn vermist Hebbende de Comp Vervolgens de voorsz: monteering aan de kaap gebragt, en aan den adjudcent in't Casteel overgegeven Niets meer Verklarende geeft de Comp voor redenen van Wetenschap als in den text, bereid zynde het vooren „staande altoos met Eede te staaven /:onderstond:/ dat Aldus passeerde ter Secretarije voorm:t ten bijweezen der Clercquen Willem Steph van Rijnevele en Nicolaas van Es als getuigen, die de minute dezer be nevens den Compt en mij gezw: Clercq mede behoorlyk hebben ondertekend /:lager :/ 't welk ik getuijge /:getekend:/ R: J: V: E: Riet gezed: Clercq Recollement Compareerde voor de onderget: gecomm: uit den E: Achtb: Raad van Justitie dezes gouvernements de Mattroos der E: Comps Christiaan Jansen dewelke zijne voorenstaande Verklaring van woorde tot woorde klaar en duidelijk voorgeleeken wezende, belingde daar bij te blijven Persisteeren, met begeerte dat daar niet meer bij af van gedaan worden zal: en strak dierhalven ter bevestiging der waarheid vandien de solemneele woorden zo waarlijk help mij god Almagtig. /:Onderstond: Aldus gerecolleerd en beeedigd aan Cabo de goede hoop den 14 febr: 1787 /:getekend:) Christiaan Jansen /:lagers/ hm Praesent /:getek:t:/ C: van Verssen Sares /:in margine :/ als gecomm: /: get: C: Matthussen, en G: B: Meijer Articulen. Compareerde voor ons Onderget: Articulen gedaan maken en aan gecomm: uit den E: Achtb: raad Heeren gecomm: uit den E: Achtb: van Justitie dezes Gouvernement raade van Justitie dezes gouverne de soldaat Johannes Litzel „ments overgegeven, omme daarop ter dewelke op de nevenstaande requisitie van den Prointerim fiscaal vraag articulen zodanige ant Gabriel Exter gehoord te worden, den woorden gegeven heeft als bezijden soldaat, Johannes Letzel van een ider staan aangetekend. Nieuwstad aan de haart, zullende deszelvs te gevene respontiveer in mar„ „gine dezer behoorlijk worden bekend gesteld. Zegt Joh Litzel van Nieuw stad aan de haard oud na gissen 35 Jaaren. zegt soldaat ten dezen Casteel zegt Jas zegt Vergeeten te zijn hoe lang zulx geleden is, egter te denken dat 't nu na gissing 10 a 11 maanden zal geleden zyn. zegt dat hij zig direct naar buiten, heeft begeeven tot dat hy Omtrend Casserland genaderd was en zijn O E kort zo int Veld gezogt als zomtyds van Veewagters Ontvangen te hebben zegt bij niemand zig Opgehouden te hebben. zegt dat hij op 's E: C: Post de witte Of hij ged: zijne monteering ook mede boomen een Daar dagen geweest zinde genoomen, en waar hij die gelaten heeft zijn monteering daar heeft gelaaten en van een dier Menschen de klederen genomen, die hij daarvan daan gestollen heeft. Werwaards hij zig begeven heeft en hoedanig hij aan de kost gekomenis. waar en bij wer hij zig Voornamentlijk heeft opgehouden. Wanneer hij ged: zijnen dienst Verlaten en zig fugatief gesteld heeft Of hy ged: niet is geweest soldaat in dienst der E: Comp en als zodanig ten dezen Casteele heeft dienst gedaan. Welke qualiteyt hij ged: gehad heeft. Art: ƒ Des gel: Naam, geboorte plaats en Ouderdom. Art: 8. en Vervalt. Zegt een. Zegt Jal Zegt Ja: dat hyj van fokk Hendriks zogt agter 't Paradijs gelyk voorm: geweest te zijn, zonder te weeten of die Kertsenbosch heit zogt met Naame die kan niet te keunen. zegt dat hij ged: bij die Marza3 dagen is gelogeert geweest aan kers „lsen bosch, zonder te weeten of die Man Janssen heet zegt Neen! afkwam en voorts zo als de Vraag dicteerd. of hij ged: aan voorsz: Janssen niet heeft voorgegeven, dat hij een slagter Zijnde, naar de Plaats van fokke Den driks moest om een varken te slagten Of hij ged: aan voorsz: Janssen niet heeft verzogt, om op zijn korn een weijnig uittereesten. Of Jansen hem zulx niet heeft toe gestaan Of hij toen niet in de kamer van voorsz: Santen, deszelvs zilver Horologie, schoe, kree getpen kroos „jes en wes meer heeft zig leggen. of kort na dat de gev: zig omto slapen had nedergelegt, voorsz: Jan sen niet uit zijn kamer gegaan is zegt dat Janssen Was uitgegaan en dat hij ged: die gelegen heid had waargenoomen. gezegt heeft zegt dat Janssen hem gev: niet zo Ja wat hij gee daarop heeft geant„ woord. of gen: Janssen aan de ged: niet heeft gevraagd, wie hij was, en waarhij naar toe moest Of hij ga: aan't Kirssenbosch komende niet is gegaan in de kamer van voorsz Jansen o hij ga: ook kent den Mattroos Christiaan Joensjen en wanneer hij ged: aan 't Kerssenbosch geweest is Aat Art: 18. Art: 18 zogt niets als hier Voren is gemeld. gaan, ook weggegaan te zijn zigt Een paar zilvere Schoegets in nP„s Kreed Een do Mouw snoopen Een groote Sluijtjas Twee blaauwe lakense Camisoolen Een zwart zijde halsdoek Een opgetoomde Boed Een ps Diperen zout koussen Een zwarte fluweele broek Twee hembden Een Ps Schoenen Een zilver horologie van dien Mangestoolen te hebben. 0 of en om wat reden hij get: zijn mon„ „teering aldaar heeft agtergelasten! Zegt. als op Art: 19 zegt om niet kenbaar te zijn. Of hij ged uit de kamer van voorsz: Jansen niet heeft mede genoomen. Een P Zilvere Gespen d„ Een Kreed — Knoopen Een Een groote Sluijtjas Twee blaauw lakense Kamisoolen Een zwarte zijde halsdoek Een opgetoomde hoed. Een Ps Dever en zout Koussen. Een zwarte fluweele Broek Twee hembden Een Paar nieuwe Schoenen. Wat hij get: behalven die goederen nog uit de kamer van voorsz: Janssen heeft weggenomen. 19. welke goederen hij ged: bij die gelegen heid van voorsz: Janssen heeft mede genoomen! Janssen uit zijn Kamer gegaan is hy ga: terstond ook niet van daar Ver„ „trokkenis. zegt Kort na dat Jansse is, uitge o toen de gev: gezien heeft dat Vvorrg Art: 23. 108 2

NL-HaNA_1.04.02_10986_0350 view scan ↗

English

states that the clothes are worn out and that he sold the silver buckles and watch to a countryman upon his arrival Capewards on this side of Salt River; states that he was taken prisoner on that very day when he arrived at the Cape, and that he came to the Cape on purpose to surrender himself; states yes to being punishable, and to request a merciful court; states that he was drunk and then was afraid of punishment, therefore stayed away. Below stood: Thus questioned and answered at Cabo de Goede Hoop on 15 March 1787 before the gentlemen Salomon van Echten and J: Coenraad Gie, members of the Honorable Court of Justice aforesaid, who have duly signed the minute hereof together with the prisoner and me, sworn clerk. Lower: Which I witness. Signed: R: J: V: D: Riet, sworn clerk. Reconfirmation Appeared before the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government, the soldier Johannes Litzel, who, having had these his preceding interrogatories clearly and distinctly read out to him, declared that he persisted and persevered therein, with the desire that nothing more shall be added to or removed from them. Below stood: Thus done and reconfirmed at Cabo de Goede Hoop on 21 March 1787. Signed: a cross, and around it written: this mark was made by the prisoner's own hand. Lower: In my presence, signed: R: J: V: d: Riet, sworn clerk. In the margin as commissioners: signed: S: v: Echten and J: C: Gie. What he, the prisoner, knows to put forward for his excuse. Whether he, the prisoner, must not confess to have made himself punishable in the highest degree, both by willfully abandoning his post and stealing the aforementioned goods, according to the contents of the Articles of War. How long he, the prisoner, has been here at the Cape before his apprehension, and with whom he stayed. Where he, the prisoner, left the same goods. Thursday 6 5 4 to be. Thursday, 14 June 1787 In the forenoon Present: the Honorable Johannes Isaac Rhenius, President, and all the members, except the gentleman Van Echten due to indisposition. Hereafter came to the table the respective documents delivered by the Prosecutor ad interim against the soldier Johannes Litzel; which having been deliberated upon, and having considered all that merited any reflection, their Honors, administering justice in the name and on behalf of the High and Mighty Lords States General of the United Netherlands, have condemned the prisoner and accused Johannes Litzel to be scourged by the executioner in the presence of the gentlemen commissioners of this court, and subsequently to be banished for life from this country and the jurisdiction thereof, with forfeiture of his wages from the day of his desertion, and condemnation in all the costs of justice. Below stood: At Cabo de Goede Hoop, day and year as above. Lower: In my presence, signed: C: van Aerssen, Secretary. Still lower: Agrees. Signed: R: J: V: d: Riet, sworn clerk. Van Aerssen, Secretary. Agrees. S. Appeared before the Honorable President and Court of Justice of the Castle of Good Hope, the sworn clerk Rino Johannes van der Riet, as ex officio qualified by the high government of this country to attend to the affairs of the Landdrost of the Colony of Swellendam, Constant van Nult Onkruydt, Prosecutor in criminal matters, on the one side; against 1 Regina of Bengal, widow of Hendrik Plooy 2 Willem Bierwerd 3 Claas Coert 4 Piet Sekeur 5 Heyntje de Plooy 6 Daniel Paul 7 Thys Albregt the Younger 8 Thys Albregt the Elder 9 Willem Albregt 10 the Hottentot woman Sara, and 11 Martha Maria van Nimwegen, widow of Hendrik Plooij, prisoners and accused in the aforesaid case, on the other side. And the Prosecutor briefly declared, in accordance with the truth: 2 that in the beginning of this year, after the 5th prisoner and accused was taken prisoner by one Adriaan Jonker, residing in the district of Swellendam, 4 it was very simply confessed by him upon the questioning of that man 5 that he had received the money found on him, from the stolen goods at the place of the burgher Sebastiaan Rotman, 6 for his share as a reward from the first prisoner and accused; 7 that said Jonker, on the grounds of that confession, delivered the same Hottentot into custody to Swellendam, 8 and from there having sent him hither, 9 he was examined as soon as possible by the Prosecutor on such articles as had been framed by him for that purpose, and presented before the Gentlemen Commissioners from this Honorable Court; 10 that that Hottentot, in his answers given, having presented the case with all its circumstances very plausibly, 11 the remaining prisoners and accused were subsequently and successively brought into criminal prison here with the prior knowledge of Your Honors and upon representations repeatedly submitted by the Prosecutor, 12 and having also immediately been examined before the Gentlemen Commissioners from this Honorable Court on interrogatories, the committed deeds were then fully confessed by a part of them upon confrontation with the accusers, 13 while the 5th, 6th, and 8th accused, together with the already deceased Hendrik de Plooy, unanimously and obstinately remained persisting in the negative, 14 so that the Prosecutor was forced on 31 May of this year to conclude against them to torture, 15 just as such was also completely granted to the Prosecutor by an interlocutory order; 16 that the torture having been applied in part to two of them, they all confessed in accordance with the truth, and the next day, free of irons and bonds or the least threat thereof, remained persisting therein; 17 and to the contents of which the Prosecutor takes the liberty, in order to avoid all prolixity, to refer; 18 that the Prosecutor having directly, at an extraordinary meeting, implored Your Honors' highly wise advice, 19 to please inform him whether one could proceed to formulate the capital demand,

Dutch transcription

zegt de Klederen Versleeten te zijn en de zilvere geppen a horologie aan een buite Man bij zijn komst Caabwaards aan deze zyde van Zoute riveer Verkogt te hebben zegt dat hij dien eygenste dag toe hij aan de Caab is gekomen is gevangen genoomen en dat hij extres is aan de Caab gekomen om zig aan te geeven zegt Ja Strafwaardig te zijn en genodige Thoffe te verzoeken zegt dat hij dronken is geweest en toen bevreest te zijn geweest voorstraf, daarom weg gebleven /:Onderstond:/ Aldus gevraagd en beantwoord aan Cabo de Goede hoop den 15 Maart 1767 voor d heeren Salomon van Echten en J: Coenraad Gieleden uit den E achtb: Raade van Justitie voorm: die de minute dezer benevens den ged: en my gezw: Clercq mede behoorlijk hebben ondertekend /: lager 't welk Ik getuyge /:get:/ R: J: V: D: Riet gezn: Clercq Recollement Compareerde voor de Ondergez: gecomm: uit den E: Achtb: raad van Justitie dezes Gouvernements, den soldaat Johannes Litzel dewelke deze zine Voorenstaande en terrogtoria klaas en duijte lyk voorgeleezen wezende Verklaarde daarby te blyven Derhsteeren, met begeerte dat er niets meer bij gevoegt of van gedaan Werden zal /.Onderstond: Aldus gedaan en gerecolleerd aan Cabo de goede hoop den 21 Maart 1787 /get:/ kruijs /: en daaromschreven /dit werk heeft begevr eygenhandig gesteld /:lager:/ My Praesent get: R: H: V: d: Reet g C: /:in margine als geconmt: / get: S: V: Echter en J: C: Gee Wat hij gev: tot zijn Verschoning weet inte brengen. Of hij ged: niet moet bekennen zo door het moedwillig Verlaten van zin Post als het steelen van de voorgem: goederen, naar inhoud der Krijgs acte C: zog ten hoogsten Straff waardig te hebben gemaakt. Doe lang hij ged: voor zijn givange neeming alhier aande Caab is geweest en bij wien zig heeft opgehouden. gelaaten. Certs waar hij ged: dezelve goederen heeft Donderdag 6 5 v te zijn. Donderdag den 14 Juny 1787 present den E: Achtb: Heer 'S Voordemiddags Johannes Isaac Rhenius President en alle de leden, demptis den Heer van Echten bij indispositie Hier na Kwam ter Taffel de bij de zerp Leden zond geleke re stukken van den Dro interim Fiscaal Contra den Polcaat, Johannes Litzel waar over gedelibereert zijnd mitsg gelet op al het guent eenige reflexie meriteerde zo hebben hun EE: Achtb Recht doende uit Naam ende van wegens de Hoog Hogende Heeren Staaten Generaal der VerEenigde Nederlanden den ged: en ged Johannes Litzel gecondemneert, omme ten overstaan van Heeren gecomm Heden dezer Vierschaar door de Kassers gelaatst te werden, en Vervolgens ten eerwigen dage uit dezen lande met den ressorte vandien gebannen te worden met ver klaring van zyne gage van den dag zijner detertie en Condemnatie in alle de Kosten van Justitie /:Onderstond:/ van Cabo de Goede Doop die et Anno at sapra /:lager:/ mi present /:get:/ C: van Aerssen Secret /:nog lager:/ Accordeert /:getekend:/ R: J: V: d: Riet geza: Clercq F Secrets Van Herssen ccordeert. S. Compareerden voor den wel Edelen Agtb: Heere President en Raade van Justitie des Casteels de goede Hoop den gesw: Clercq Rino Johannes van der Riet als door de hooge we„ righeyd deeser Lande ex officio gequalificeerd ter waarmee minge der zaaken van den Landdrost der Colonie swel„ lendam, Constant van Nult onkruyt rat: off: Eysscher in Cas Cremineel ter eenre tRegina van Bengalen we wede Hendrik Plooy 2 Willem Bierwerd. 3 Claas Coert Piet Sekeur //5/ Heyntje de Plooy 6Daniel Paul J This albregt de Jonge 8 Thys albregt de oude g/Willem Albregt 10/ de Hottentottinne Sara en 11 Martha Maria van Nimwegen wedwe Hendrik Plooij gev: en ged:e in het voorsz: Caster andere zyde Ende deede de rat: off: Eysscher kortelyx Conform. de waarheyd zeggen 2/ dat in het begin deeses Jaars door eenen Adriaan Jonker en het district van wellendam wonagtig 3 den 5 gev: en ged:te gevangen genomen zynde, 4 door hem op de afvrage van dien man zeer eenvoudig is geconfesseerd 5 dat hy het byzig gevonden geld, uyt de gestoolen Contra goederen „ goederen ter plaatse van den Burger se bas„ tiaan Rotman voor zyn aandeel tot loon ontfangen had, van den eerste gev: en ged: 7/ dat gem: Jlonker denselven Hotten tot op grond dier bekenten is, na swellendam in regtenis 8/ en van daar (na herwaards opgesonden hebbende 9 door den r: O: Eysscher zo ras doenlyk op sodanige ar„ ticulen is gehoord, als ten dien eynde door hem waaren geformeerd, en voor Heeren Gecommitt„s uijt deesen E agtb: raade zyn voorgehouden; 10 dat dien Slotten tot by zyne gegeevene responsiven, het geval met alle desselfs omstandigheeden zeer waarschinelyk hebbende opgegeeven W1. de overige gev: en ged. e vervolgens successief met voorkennisse van UE agtb: en op door den E: O: Eys„ scher by herhaaling ingeleeverde vertoogen in Crimineele gevangenis alhier zyn opgebragt ge„ worden, 12 en meede terstond voor Heeren gecommitteerdens uyt deesen E agtb: raade gehoord zynde op draag articulen, als toen door een gedeelte van hun by Conpontatie der beleyders de gepleegde Erve daaden volmondig zyn geconcesseerd 13 / terwyl de 8 6 en 8 get: met ende beneevens de reeds overleedene Hendrik de Plooy eenparig en halstarrig by de negative zijn blyven persistee„ 14 zo dat de r: O: Eysscher genoodzaakt is geworden tegens hun op den 31 may deeses Jaars byschad Forturam te doen. 15 gelyk sulx dan by eene interlocutoire dispositie ook aan den 7: O: Eysscher Compleetelyk is g'ac„ cordeert 16 dat de Fortuur voor een gedeelte aan twee van hun g'appliceerd zynde, zyl: alle Conform de waarheyd hebben beleeden, en des anderen daags buyten zyn en banden ofte de minste bedrey„ ging van dien, daarby zyn blyven persisteeren; 17 en aan welkers inhouden van H: O: Eysscher de vry„ heyd neemd, om alle prolixiteyten te menageeren zig te refereeren 18 dat den r: O: Eysscher direct by eene extra ordi„ naire vergadering uwer welE agtb: hoogwys advis g'emploreerd hebbende 19. hem te willen informeeren, of men tot het for„ meeren van den Eysch ad mortem konde overgaan, op ren - 8 ƒ -

NL-HaNA_1.04.02_10986_0355 view scan ↗

English

upon the complete confession and a pair of buckles as a part of the corpus delicti, whether one ought to have a further corpus delicti; 21 that it then pleased Your Honorable Worships to adopt the view that the Officer-Prosecutor should suspend the presentation of his claim until such time as one had more goods in hand, 22 which a commission of the Landdrost and Heemraden of Swellendam, appointed to that end, should come to trace; 23 that on last Saturday, it was made known to Your Honorable Worships by the Officer-Prosecutor in a remonstrance 24 the difficulty which the execution of such a commission entailed in this season, 25 and that while awaiting the outcome of that commission, 26 it was reasonably to be feared that due to the poor accommodation in the prison, as well as due to cold, the greater part of the imprisoned defendants 27 might thereby lose both their health and their lives, 28 whereby the execution that ought to be applied to their committed heinous deeds would then be rendered illusory; 29 that it thereupon, after mature deliberation and serious consideration, pleased Your Honorable Worships, 30 after having first observed the likelihood residing in the representation of the Officer-Prosecutor, 31 to enjoin the Officer-Prosecutor to make his claim in principal, without delay; 32 thus the Officer-Prosecutor was moved to submit his claim today, on an extraordinary occasion, in Your Honorable Worships' illustrious assembly as briefly as possible, 33 without reciting the species facti, as such can be seen from the documents appended hereto, and which will be abundantly known to Your Honorable Worships upon reading the claim ad torturam along with the documents; 34 thus nothing else remains other than briefly to cite what was done by each of the prisoners in particular, 35 and the determination of the punishments for their committed deeds, 36 and then finally what might be brought forward in their excuse. 37 In the first place, then, it is undeniable, yea, it admits of not the least contestation, 38 that the first prisoner, the widow Plooy, with her deceased son Hendrik Plooy, are the principal cause of the execrable murders committed at the place of Rotman on 21 October 1786, 39 with the six butcher's servants who already in the month of December of the preceding year 1786, upon the claim of the Officer-Prosecutor, 40 were condemned to death by Your Honorable Worships and also executed with such punishment as they had justly merited in accordance with their crimes; 41 by harboring them in her, the prisoner defendant's, house for some days; 42 assisting the same with counsel and deed; 43 giving them directions where they might best succeed; 44 providing them with assistance, sending along some Hottentots for the transportation of the goods to be stolen; 45 and after the committing of those murders, receiving the goods with gratification and giving orders for their concealment; 46 of which latter point of accusation, though she, the prisoner, refuses to admit any knowledge, it is nevertheless most strongly confirmed by the confessions of the other accomplices; 47 and likewise that which she, the first prisoner, upon her interrogation in the torture chamber, indeed confessed word for word to having said to the six servants in substance: 48 "You must overrun the place of Bastiaan Rotman," 49 which statement, when she, the first prisoner, was asked upon re-examination whether she indeed understood the force of the word "overrun" and what explanation of that word was given by her, 50 was stated by her, the first prisoner, with a distortion of words, to mean by "overrun" running from one place to another, without having intended what the force of that word actually implies; 51 yet it admits of not the least contestation that, whatever meaning is given by her, the first prisoner, to that expression, 52 the execution of the heinous murders committed by those six butcher's servants demonstrates most clearly 53 that by them, by "overrunning," nothing else was understood 54 than to murder everything and to despoil; thus they completely fulfilled their commission, and those servants acted in accordance with their instructions; 55 and finally, that she, the first prisoner, according to the statement of Rotman, has long lived in enmity with his murdered wife. 56 Coming further to the charge of the 2nd, 3rd, 4th, 5th, 6th, and 7th prisoners and defendants: 57 1. That they went armed from the place of the first prisoner to that of Rotman; 58 2. That they knew the reason why they had to go, although this was somewhat disguised by them, 59 as is nevertheless evident from the circumstances stated by them, 60 where they in plain words, each in particular, say to the interrogatory articles put to them 61 3. That they remained in a kloof close to the house of Rotman, 62 while the six butcher's servants went towards the house of Rotman, 63 and that they remained there until they were called by the servants when it was time; 64 from which it is evident that they knew that their errand was to be of perilous consequences; 65 4. And that they, the defendants, partly saw those murders being accomplished, whereas it was in their power to oppose those murders or to withdraw from there; 66 on the contrary, during the despoiling, they saw the murdered and agonizing corpses without this rousing any remorse or pity in them; 67 5. That they, the prisoners, each in particular, took up a post outside the house so that none of the persons inside the house might escape or evade their dangerous intentions; 68 6. That they, or at least a part of them, helped to transport those goods, and the second prisoner furthermore, that he in mockery laid out some mourning clothes ready for the husband, so that whenever he might come home, he would find everything ready that belongs to the sorrowful mourning attire.

Dutch transcription

op de Compleete Confessie en een paar gespen, als een gedeelte van het Copies delicte zo dan wel of men een nader Corpus de licte diende te hebben 21 't als toen uwelE agtb: behaagd heeft te vallen in het begrip, dat den r: O: Eysscher met het produ„ ceeren van zynen Eysch zoude supercedeeren, tot tyd en wylen men meer goederen aan handen had 22 die een Commissie van Landdrost en Heemragden van wellendom, tot dat eynde benoemd zoude komen op te speuren 23 dat op laatstl: saturdag door den R: O: Eysscher bij vertoog aan uwelE agtb: is te kennen gegeeven 24 de moeyelykheyd die in dit Saytoen de Executie van een diergelyke Commissie in zig behelsde 25 en dat men na de uytslag dier Commissie moeste wagten 26 met billykheyd te dugten stond, dat door het slegte Logement in het gevangenhuis, zo wel als door koude, het grootste gedeelte der gev: ged„e 27 zo hun gesondheyd als Leeven daarby zoude kun„ nen inschieten 28. waardoor dan de Executie die op hunne bedreevene gruwelyke feyten, diende te werden g'appliceerd, Illusoir zoude werden gemaakt 29 het als doen na rype deliberatie en serieuse over„ weeging uwelE agtb: behaagd heeft 30 na alvoorens ingesien te hebben, de waarschyne„ lykheyd die er in het voordragt van den r:O: Rys„ schen resideerde 31 de r: O: Eysscher te injungeeren Eijsch ten p:l in„ screpris te doen 32 dus den r: O: Eysscher gepermoveert is geworden zy„ nen Eysch op heeden, by eene Extra ordinaire gelegend„ heyd in uwer wel E agtb: illustre vergadering in te leeveren zo kort doenelyk 33 zonder aanhaaling van de species facti, als kun„ nende sulx uijt de deesen bygevoegde stucken werden gesien, en die door UwE agtb: by het lee„ sen van den Eysch ad Forturam met de stucken overvloedig zullen bekend zyn 34 dus niets anders overblyft als alleenlijk kortelyk aan te haalen, wat door yder der gev: in het byzon„ der is gedaan 35 en de bepaaling der straffen op hunne bedreevene feijten 36: en dan eyndelyk wat tot hunne verschoning zoude kunnen werden gebragt 37. in de eerste plaatse dan is het onweeder sprekelyk Ia Leyd geene de minste Contestatie 38 dat de eerste gev: wedwe plooy met haar overleedene zoon Hendrik Plooy zyn de voornaamste oorsaak van de ter plaatse van Rotman op den 21 october 1786 gepleegde Execrable moorden, 39 met de ses slagters Jongens /: die reeds in de maand december des voorl: Jaars 1786 op den Eysch van den r: O: Eysscher. 40 door uw E agtb: ter dood zyn gecondemneerd, en ook g'executeerd met sodanige straffe als overeenkom„ „stig hunne misdaaden billyk hadden gemeriteerd U in haar gev: en gede huys eenige dagen op te houden 42 deselve met raad en daad te adsisteeren 43 hun aanwysing te doen waar zyl: best zouden kun„ nen klaar Raken 44 hun van hulp te voorsien, met eenige hottentotten ter transporteering der te steelene goederen meede te geeven. 45 en na het plegen dier moorden, de goederen met vergenoe„ ging te ontfangen en last te geeven ter verberging 46 van welkers laatste poinct van beswaar zit ge: wel niet weeten wil, zo word sulx egter ten sterk„ sten bevestigd door der andere Confessien der andere meede Complices. 47. en zo meede het geen zy eerste gev: by haar verhoor in de pijnkamer wel woordelijx heeft geconfesseert aan de ses Jongens gesegt te hebben in substantie U8 gy moet de plaats van Bastiaan Rotman aflopen de welk gesegde door haar by recollement wanneer zy eerste gev: wierd gevraagd, of zy de kragt van het woord afloopen wel verstond, en welke explicatie door haar van dat woord werd gegeeven 50 door haar eerste gev: met verdraaging der woorden is gesegt door afloopen te verstaan, van de eene plaats na de andere te loopen, zonder te hebben gemeend wat eygentlyk de kragt van dat woord meede brengt. 51 zoleyd het dog geene de minste Contestatie dat wat Lin door haar 1 gee: ook aan die uytdrucking gegeeven word §2 de uytvoering der door die ses slagters Jongens gepleegde gruwelyke moorden ten klaarsten aantoond 53 dat door hun door afloopen niets anders is verstaan 2 verstaan als alles te vermoorden en te spocieeren 34 dus Compleetelyk aan hunnen last hebben voldaan en door die Jongens zyn gehandeld overeenkomstig hun„ ne Jnstructie 55 en eyndelyk dat zy eerste gev volgens de verklaring van Rotman haer anne in vijandschap met zyne vermoorde vrouw geleefd heeft 56. Komende voorts ten lasten van den 2, 3, 4, 5, 6 en 7 gev: en get„ 57 dat zy met gewapender hand zijn gegaan van de plaats / der Eerste gev: na die van Rotman 582 dat zy geweeten hebben de reeden, waarom zy l: gaan moesten, hoe wel sulx door hun wel eenigsints Over„ den verdequiseerd. 59. zo blijkt het dog aan de door hun opgegeevene om„ standigheeden 60 daar zyl: met ronde woorden, een yder in het byson„ der o de hun voorgehoudene wraag articulen zeggen 6„ dat zyl: in een Cloof digt by het Thuys van Rotman zyn verbleeven 62 terwyl de ses slagters Jongens na het huys zyn toegegaan van Rotman 63 en dat zyl: daar verbleeven zyn, tot dat door de Jongens doen sulx tyd was geroepen zyn gewor„ 64 waaruyt Consteert dat zy geweeten hebben dat hunne Commissien van aangereuze gevolgen moes„ te weesen 63 "n dat zy get: voor een gedeelte die moorden heb„ ben zich volbrengen, daar het in hun magt is ge„ weest die moorden tegen te gaan, daarvan daan lig te retireeren 66 integendeel zy zien by het spolieeren, de vermoorde en ziehtoogende lyken, zonder dat sulx een berouw of meedelijden in hun verwekte 676 dat zy gev: een yder in het bysonder buiten het huis hebben post gevat, dat er geen van de binnen in het huys bevindende persoonen echappeeren, ofte hun„ ne gevaarlyke voorneemens ontkomen 68. 5. dat Zyl: of ten minste een gedeelte van hun, die goederen hebben helben vervoeren en de tweede gev: nog daaren boven, dat hy eenige rouw kleederen Spotsgeweyde voor de man klaar heeft gelegt om zo wanneer hy te huijs mogte komen, alles gereed te vinden, dat tot het bedrukte rouw gewaad voor 2. . dan

NL-HaNA_1.04.02_10986_0358 view scan ↗

English

was required for him, 69. while the remaining prisoners may not be accomplices, they are nonetheless punishable in a certain sense, 70 because, after the completion of those gruesome murders and robbery, they were properly informed of everything, and even the 8th witness also assisted at the burial, 71 that no means whatsoever was employed by them to deliver the robbed goods to the rightful owner, or thereby to give the necessary notice to the Judge, 72 thus it is even to be assumed that they, when the division of those stolen goods would take place, would also be principal participants, 73 and in that case can be considered as resetters. 74 This having been dealt with, the Officer Prosecutor finds himself in the second place compelled, for the determination of the punishments that ought to be applied to such a crime, briefly to cite that, according to the opinions of the renowned Carpzovius in his treatise on capital crimes under the 22nd chapter on highway robbery, which constitutes this crime, it is indeed explicitly stated in § 16, which says that highway robbery is not only committed by him who kills his fellow human with his own hands, but also by those who stand on guard, and in that manner offer help and assistance to the highwayman, also by such a person who gives his consent to the commission of that crime, approves it, and shares in the booty, for such a person is just as well a highwayman, and makes himself just as subject to the punishment for highway robbery as if he had committed and performed the manslaughter and robbery with his own hands, 75. 1. because he who intentionally and after prior deliberation provides help and assistance, makes himself guilty of the ordinary punishment for that crime, and it is moreover incontrovertible that, the help having been rendered with the prior knowledge and consent of the helper himself, the helper can by no means evade the ordinary punishment, 76. 2. he makes himself subject to the punishment for highway robbery, who was able to capture a highwayman yet did not seek to do so, L. V. D. de receptat., much much more such a person who gives his consent to the commission of the highway robbery, and for the execution thereof does not shrink from offering assistance, becomes subject to the very same punishment, 77. 3. because in a manslaughter committed intentionally and after prior deliberation, all become subject to the ordinary punishment, it being all the same whether they all or only one killed, and consequently all those shall also be accountable for highway robbery who concerned themselves with that crime, approved it, and shared in the booty, although they had not all lent a hand thereto. 78. 4. It is well to note that highway robbery is described as a manslaughter committed for the sake of robbery or gain, 79 and in § 21 herefrom it appears that it is all the same how much the highwaymen obtained from the booty or shared, for must not the robber of the most trivial things undergo the punishment of the wheel no less than he who by virtue of the committed highway robbery was greatly enriched and enjoyed profit, 80. and subsequently in § 33, and the cruelty of this crime has now and then recommended making use of the ordinary punishment of the wheel, which, however harsh it may appear, is nevertheless very well reconcilable with the principles of law, 81 that legal scholar agreeing in that respect with all those who have commented on the matter of highwaymen and their punishment. 82. Thus the Officer Prosecutor, in order to avoid all prolixity, has judged it sufficient to leave it at this. 83. It is enough that it irrefutably appears that a portion of them can indeed not evade the death penalty, 84 although in their excuse in the third place could be advanced, 85 on the one hand their pressing poverty, 86. and on the other their prolonged detention, which has already lasted six months for some, furthermore their reasonable wish to have those vagabond runaways removed from the place, may well have been able to move them 87 to point out another place to the six lads where they could manage better, 88 yet it is and remains a truth of great importance that the prisoners and defendants be punished in an extraordinary manner, 89 in order thereby to prevent unfortunate households from being exposed again to similar gruesome deeds. For which and other reasons and means, in due time and place if necessary to be further deduced, the Officer Prosecutor, making his demand, concluded that all the witnesses and defendants mentioned at the head hereof shall be brought to the place where one is accustomed here to execute criminal sentences, and there being delivered to the executioner, the first prisoner, Regina of Bengal, widow of Hendrik Plooy, to be tied to a stake and strangled until death ensues, and furthermore the 2nd, 3rd, 4th, 5th, and 6th prisoners, Willem Bierwerd, Claas Coert, Piet Rigeur, Heyntje de Plooy, and Daniel Paul, to be punished with the ropes at the gallows in such a manner that death ensues, thereafter the dead bodies of the six prisoners to be dragged to the outside place of execution, and there being hung again upon the gallows, thus to remain until they shall have been consumed by the air and the birds of heaven; further, the 7th, 8th, and 9th witnesses, Thys Albregt the Younger, Thys Albregt the Elder, and Willem Albregt, each to be tied to a stake, and severely flogged with rods upon the bare back, with the first available

Dutch transcription

voor hem benodigt was, 6 9. terwil de overigt gev„e wel geene Complices zijn, egter in een zekere zen strafbaar, 70 om dat zy na het volbrengen dier gruwelyke moor den en rook, van alles behoorlyk zyn onderregt, Ja zelfs den 8e: get: meede heeft g'adsisteerd bij de be¬ graving /1 dat door hun geen eenig middel is in het werk gesteld, om de geroofde goederen aan den regten eygenaar te besorgen, of daardoor de nodige kennis aan den Regter te geeven, 72 dus zelfs te supponeeren is, dat zyl: wanneer de verdeeling deer gestoolene goederen geschieden zoude, meede hoofd perticipanten zoude zyn 73 en in dat geval als meede heelders kunnen wer„ den geconsidereerd . 74 dit dan afgehandeld zijnde zo vind den r: O: Ees„ scher in de weede plaats zig genoodsaakt; tot de bepaaling de straffen, die op een dierge„ lyk crunen diende te werden g'appliceerd korten llyx aan te haalen, dat volgens/ de gevoelene van den berugten Carptorius in zin verhandeling van de Lyfstraffelken misdaadens onder het 22 hoot stuk van Straatschenderye welke dit Crimen uytmaakt wel uytdrukkelyk gesegd word in ƒ5 16 At seg dat Straatschendery niet slegts ge„ pleegd word, door hem die zyn sevenwensch by„ genhandig doot, maar ook door de geenen die op scheldwagt staat, en op die wyse den straatschender hulp en bystand bied, ook door den zodanigen, die tot het plagen dier misdaad zyn toestemming geeft, goed„ keurd en van de buit deeld, want zulk een is zo wel een Straatschender, en maakt zig de Straffe van Straatschendery zo zeer on„ derhevig, als of hy den doodslag en roof ey„ genhandig gedaan en gepleegd hadden „ 75. 1. , om dat hy die opsettelyk en na voorgaan„ de overleg hulp en bystand toebrengt, zig aan de gewoone straffe dier misdaa schuldig maakt, en het bovendien inwraatbaar is, dat de hulp met voorkennis en toestemming van den helper zelve, toegebragt zynde, de helper geensints de gewoone straffe ontduy„ ken kan 76:2: hy maakt zig onderhwig aan de Straffe van straatschendary, die een straatschen der heeft kunnen van gen dog sulx te doen niet gesogt heeft L: V. A V. de receptat: 20 veel veel te meer den zodanigen die tot het plegen der straatschendery zyne toestemming geelt, en ter uitvoering van dien zig niet ontziet hulp te bie„ den aan dieselfde straffe onderhevig worden 77. 3. / om dat in de met opset en na voorafgaande wer„ leg gepleegde doodslag, alle der gewoone Atrafse onderhevig worden, zynde om het even of zyl:t alle dan wel een alleen gedood hebben, en mitsdien zullen ook voor straatschendery, alle de zulke verantwoordelyk zyn, die zig met die mis„ daad bemoeyd, goedgekeurd, en van den buit gedeeld hebben, alschoor zy niet alle daartoe de hand geleend hadden. 78. 4. het is wel aan te merken dat Straatschen dery, beschreeven word te zin een opkoop van roop of gewin gepleegde doodslag 79 en op § 21. hieruyt blykt dat het om het even is, hoe veel de straatschender uyt de buyt bekoo„ men of gedeeld hebben, want moet den roover der allerminste zaaken, niet min de straf„ se des rads ondergaan, dan hy die uyt kragte van gepleegde Straatschindery grootelyk is bevoordeeld geworden, en winst genooten heeft 80. en vervolgens op § 33. en heeft de grusaamheyd deeser mitdagd nu en dan aangeraaden, om de gewoone Straffe des rads gebruik te maa¬ ken, het welk hoe zeer ook hard voorkomende egter met reeden des regts zeer wel is overeen te brengen 81 Stemmende dien regtsleezaar daaromtrend over„ een met alle die geene die over de materie van straatscheuders en haare straffe hebben gecommen tarieerd. — 82. dus den 7: O: dus den z: O: Eysscher om alle wydloo„ pigheeden te menageeren, g'oordeeld heeft hier„ meede te kunnen volstaan 83. Genoeg is het, dat onwedersprekelyk blykt, dat een gedeelte van hun de doodstrafe wel niet kunnen ontwyken 84 of Schoon ter hunner verschoning in de derde plaats zoude kunnen werden bygebragt 85 Eensdeels hunne drukkende armoede 86. en ten andere hunne langduurige ditentie die nu reeds ses maanden van zommige zyn, daar nae ook hunne billyke weese om die drossende nagebonden van de plaats te hebben, hun daartoe wel hebben kunnen Vermovens ƒ permoveeren 87/ om de ses Jongens een ander plaats aan te wysen, waar zy L: beeter zoude kunnen klaar raken 88 zo is en blyft dit tog een waarheyd waar veel aan geleegen legt, de gev: en gedte op eene Extra ordinaire wyze werden gepunieerd, 89 ten eynde daar door te procaveeren dat onge„ lukkige huys gesinnen niet weder werden bloot gesteld aan zoort gelyke gruweldaaden. Mits welke en andere reedenen en middelen, in tyd en wylen /:is 't nood:) nader te doen deducee¬ ren den E: JO: Eysscher Eysch doende Concludeerde dat alle de get: en gede in den hoofde deeses gemeld zul„ len worden gebragt ter plaatse alwaar men alhier gewoon is, Cri„ mineele sententien te Executee„ ren, aldaar den scherpregter over„ geleverd zynde, de eerste gev Regina van Bengalen wede Hendrik Plooy aan een paal gebonden en gewurgt te werden dat er de dood navolgt, en voorts de 2, 3, 4, 5 en 6 gu: Willem Bier„ werd, Claas Coert, Piet Rigeur, Heyntje de Flooy en Daniel Paul, zodanig met de koorden aan de galg te werden gestraft dat er de dood navolgt, daarna de doode Lichaamen der Ses gev: na het buiten geregt ge„ sleept, en aldaar weder aan de galg opgehangen zynde dus te verblyven tot dat door de lugt en vogelen des hemels zullen zyn verteerd, wyders de 7, 8 en 9 get: Thys albregt de Jonge, Thys albregt z'oude en Willem Albregt yder aan een paal gebonden met roeden op de bloote rugge Strengelyk gegeesseld zynde, met de eerst voorkomende

NL-HaNA_1.04.02_10986_0361 view scan ↗

English

to be sent from here upon the first occurring opportunity of a passage, in order to remain banished forever from this government and its jurisdiction, and finally the two remaining defendants, after having witnessed the execution of justice, each to remain banished for the period of ten years in the Honorable Company's slave lodge, and after expiration of which time to be banished from that district where they have lived, with condemnation of all the defendants in the costs and expenses of justice, or to such other punishment as Your Honorable Worships shall deem necessary in accordance with the nature of the case. was signed R: I: van der Riet in the margin Exhibitum in Judicio the 1 August 1787. To the Right Honorable Worshipful Lords Pieter Hacker, outgoing, and Johannes Isaak Rhenius, incoming Presidents, together with the Honorable Worshipful Council of Justice Right Honorable Worshipful Lords With dutiful respect, the undersigned, qualified to attend to the affairs of the Landdrost of Swellendam Constant van Nult Onkruijt, shows that a certain Hottentot named Heyntje de Plooy, having been taken prisoner some time ago by one Adriaan Jonker residing in the district of Swellendam, because upon questioning by that man the truth was very simply confessed by him, that he had received the money found on him as his share from the stolen goods of the Burgher Sebastiaan Rotman, and that he had received it as wages from the widow Hendrik de Plooy, living on the other side of the Gourits River in the Outeniqualand. That the said Jonker subsequently sent the same Hottentot to Swellendam in custody, and from there sent hither by the Landdrost, he was examined by the petitioner as soon as possible on such articles as had been drawn up for that purpose by him and were presented before the Lord Commissioners from this Honorable Worshipful Council. That this Hottentot in his given responses stated the case with all its circumstances very plausibly, to the contents of which the undersigned petitioner takes the liberty to refer for brevity's sake, as these are annexed, the undersigned petitioner on the basis of the same could also very easily have requested a personal summons for the aforesaid widow de Plooy, but since the corpus delicti as a principal requirement is lacking, and the undersigned petitioner maintains that the aforesaid widow, being guilty, will not appear on a simple summons, and in any case a personal summons to her, being a free woman, is far too honorable, and the distinction residing between one Burgher and another is so great that the personal summons in the subject case, besides what has been mentioned, also brings into consideration the act committed by her, thus a bodily apprehension, whenever a corpus delicti is evident, will yield no small advantage in this case and remove many unnecessary and difficult requisitions out of the way. Which is the reason that the petitioner, under respectful interpretation, has deemed it best to turn to Your Honorable Worships, humbly requesting here that it may please you to qualify the Landdrost and Heemraden of Swellendam, in order to proceed, with and alongside the secretary of that colony, in the presence of the Burgher Sebastiaan Rotman, to the place of the widow de Plooy, and there on the spot to conduct a proper inspection and search to see if goods belonging to the said Rotman are discovered, and if goods are found which Rotman recognizes as his own, immediately to take all the goods found at that place under a proper inventory; furthermore to take into apprehension the said widow, her sons, and all Hottentots found at that place, subsequently to send them to the Cape at the earliest opportunity; and that the decision to be taken hereupon by Your Honorable Worships may be communicated in writing by the secretary on behalf of the council to the Landdrost and Heemraden there, so that the execution of the resolution to be taken is not made illusory through delay; and since in the meantime a reasonable period may elapse which, through the lengthy duration in closed confinement, could expose the Hottentot currently imprisoned to sickness and discomfort, and upon whose preservation, because of the narration of the simple truth, much depends, to take such decision regarding him, and to place him in such a manner that his health is not only preserved, but also proper care can be taken that he does not escape justice, in order to be able to be confronted at all times with those who will yet fall into the hands of justice. Which doing, etc. was signed R: J: van der Riet. To the Right Honorable Worshipful Lords Pieter Hacker and Johannes Isaak Rhenius, Presidents, together with the other Gentlemen Members of the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government Right Honorable Worshipful Lords With all respect, the Landdrost of Swellendam Constant van Nult Onkruyt shows that it having pleased Your Honorable Worships, upon the representation exhibited by and on behalf of the undersigned in the month of January of this year

Dutch transcription

voorkomende octage van hier ver„ sonden te worden, omme ten Eeu„ wigen dage uyt dit gouverne„ ment en den ressorte van dien gebannen te blyven en eyndelyk de twee overige ged„,e omme na de Justitie aanschouwd te heb„ ben, yder voor den tyd van Thien Jaaren in 's E Comp:s slaven logie gebannen te blyven, en na epi¬ ratie van welke tid gebannen te werden uyt dat district waar zyl: hebben gewoond met Condemnatie van alle de gede. en de kosten en misen van Jus„ titie ofte tot sodanige andere straffe als uw E agtb: overeen„ komstig den aard ter zaake no„ dig oordeelen zullen. /:was getekend:/ R: I: van der Riet /:in margine:/ Exhebitum in Judicio den 1 augustus 1787. — Aan de wel Edele Agtb: Heeren Pieter Hacher afgaande en Johannes Isaak Rhenius aankomende Praesidenten beneevens den E agtb: raad van Justitie Wel Edele agtbaare Heeren Vertoond met Rligtschuldigen Eerbied den onderge„ teekende gequalificeerd ter waarneeminge der zaaken van den Landarost van Swellendam Constant van Nult enkruijt dat zekeren hot„ den tot genaamt Heyntje de Plooy voor nu eeni„ gen tyd door eenen Adriaan Jonker in het dis„ tregt Swellendam woonagtig gevangen genomen zijnde vermits door hem op de afvrage 3. van dien man zeer eenvoudig de waarheijd wierd geconfesseerd, dat hy het by zig gevondene geld voor zijn aandeel genoten had uyt de gestolene goederen van den Burger Sebastiaan Rotman, en dat hy tot loon ontfangen had van de weduwe Hendrik de Plooy woonende aan de overzyde van de gous rivier in het oute nequa land. dat gem: Jonker denselven hotten tot vervol„ gens na swellendam in hegtenis, en van daar door den Landdrost na herwaards opge¬ sonden zynde, door den vertoonder zo res doene lyk op sodanige articulen is gehoord, als ten dien eynde door hem waaren geformeerd en voor Heeren gecommitteerdens uyt deezen Edele agtb: raade zyn voorgehouden. dat dien slotten tot by zijne gegeevene responti„ ven het geval met alle desselfs omstandigheeden zeer waarschynlyk hebbende opgegeeven, en aan welkers inhoude den r: O: vertoonder kortelyx hal„ ve de vryheyd neemt zig te refereeren, als zynde deese g'annexeerd, den r: O: vertoonder ook op grond van deselve zeer Faciel zoude hebben hun„ nen versoeken, dagvaarding in persoon op even„ gem: weduwe de Plooy, dan dewyl het CorpuD delicti als een voornaam requisit komt te man„ gueeren en den r: O: vertoonder sustineert, dat even„ gem: wedwe schuldig zijnde, op een simpel dag¬ vaarding niet Compareeren, zal daar ook in alle gevalle een dagvaarding in persoon aan haar als een vry meijd zynde veels te hono¬ rabel is, en het onderschijt die er resideert tusschen een Burger en Burger zo groot is, dat de personeele dagvaarding in Cas subject buyten het gementioneerde nog in aanmerking brengt het fit door haar bedreeven dus een forporeele apprehensie, zo wanneer er een Corpus delicti Consteert van geen geringe voordeel in dit geval zal komen uyt te leeveren, en veele onnoodige en moeyelyke perquisiten uijt de weg ruymen dat de reden is dat den vertoonder onder Eerbiedig welduyding best geoordeelt heeft zig te wenden tot uwel Ed: agtb: ootmoedig hier„ soekende dat het van derselver welbehagen zyn moge Landdrost en Heemraden van Zwel¬ lendam te qualificeeren, omme met ende be„ nevens den secretaris dier Colonie ten overstaan van den Burger Sebastiaan Rotman naar de plaats van de wedwe de Plooy hun te begeeven, en aldaar ter plaatse te doen behoorlyke behoorlyke schouwing, en nasoek op er goederen ontdekt worden, gem: Rotman toebehoorende, en zo er goederen worden gevonden, die Rotman erkent voor de zyne, direct alle de goederen daar ter plaatse gevonden werdende onder behoor„ lyke Inventaris te neemen, voorts gem: wedwe haare zoonen, en hottentotten alle die daar ter plaatse gevonden werden te neemen in appre¬ hensie vervolgens ten eersten Caabwaards te zenden, en dat de van uwelEdele agtb: het hier op te neemene besluit, door den secretaris s raads wegen mogte aanschryving geschieden aan Landdrost en Heemraden aldaar, ten eynde d' Executie der te neemene resolutie niet door versuym werden gemaakt Illusoir en ver„ mits er intusschen een redelyke tyd verloopen kan, die de thans gevangen zynde hotten tot door de Langduuzigheid in beslooten hegtenis aan ziehte en ongemak konden exponeeren en aan welkers behoud vermits het verhaal der eenvoudige waarheyd veel geleegen is, over hem zodanig besluyt te neemen, en te plaatse zodanig dat zyne gezondheyd niet. alleen geconserveerd, maar ook behoorlyke zorge gedragen werden kan, dat deselve de Justitie niet echappeert, om ten allen tyde te kunnen werden geconwonteert met de geene die nog in handen der Justitie zullen gereken. — ƒ /:onderstond:/ „ ƒ 'T welk doende & /: was geteekend:/ R: J: van der Riet. Aan de wel Edele agtbaaren Heeren Pieter Hacker en Johannes Isaak Rhenius presidenten benevens de verdere Heeren Leeden van den E agtb: raad van Jus¬ titie deeses gouvernements Wel Edele agtbaare Heeren Vertoond met alle Eerbied den Landdrost van swellendam Constant van nult onkruyt dat het uwelEd: agtb: op het door ende van wegens den ondergeteekende g'exhibeerd vertoog in de maand January deeses Jaars hebbende geleeven

NL-HaNA_1.04.02_10986_0364 view scan ↗

English

pleased to enjoin the undersigned to convene a Commission of Heemraden at the said residency and to proceed, in the presence of the burgher Sebastiaan Rotman, to the place of a certain free maid Regina of the Cape, widow of the late burgher Hendrik de Plooy, and there to conduct a search for goods which, according to the confession of her nephew the Bastard Hottentot Heyntje de Plooy, were allegedly located at that place, and which were carried off and brought thither by her son and some Hottentots during the commission of the execrable murders by the already executed slaves August cum suis at the place of the aforementioned Rotman; and furthermore, in case goods should be discovered which Rotman acknowledged as his, to apprehend both the aforementioned Regina and her dependents, without the petitioner having been able to do so, since he maintained that those goods acknowledged by Rotman as his not only provided absolutely no proof of the corpus delicti, but also because those who assisted the Commission contradicted the goods acknowledged by Rotman as his by saying, "The widow de Plooy bought this or that from me," whereby the Commission judged itself unable to carry into execution your Honorable Worships' resolution regarding that widow, as your Honorable Worships will be able to observe further from the accompanying report signed by the commissioned Heemraden; that meanwhile, having been brought Capewards, the Hottentot Piet Pikeur and his wife Sara, having lived with the said widow de Plooy, and a certain Thys Albregt, grandson of the said widow de Plooy, who were immediately interrogated by the petitioner on interrogatories before the Commissioners from this Council, and thereby fully confessed that the goods stolen during the murder and robbery at the place of the aforementioned Rotman are still located at the place of the said widow, and are buried there in a ravine together with a stolen bag of cash; and not only that the aforesaid widow was the principal cause of the murders and robbery committed, but indeed that she allegedly said in substance to the slaves August cum suis, already sentenced and executed by your Honorable Worships: "Just go to Rotman's place, and you will find many goods; see to it that you rob and murder there; I will send Hottentots along, so that I may obtain a portion thereof"; and since it is crystal clear from the foregoing deduction that the aforementioned widow de Plooy and her children must not only be regarded as the principal cause of what occurred at Rotman's place, but must also in any event be considered as concealers of the stolen goods, this therefore provides, on the basis thereof, complete proof to apprehend all accomplices without contradiction; yet, as the difficulty presents itself, owing to the great remoteness of their dwelling place, to secure their persons in a suitable manner, the petitioner finds himself once again compelled to turn to your Honorable Worships, humbly requesting that it may please your Honorable Worships to grant the petitioner physical apprehension of the persons to be mentioned below, and consequently to enjoin the petitioner and Heemraden of Swellendam to convene a Commission once again, and to proceed to the place of the aforementioned widow in order, well-armed, to apprehend the said widow de Plooy together with her children and other persons found there, and subsequently to investigate where the goods and money are hidden and buried, and after a complete investigation to deliver the aforementioned widow and dependents here Capewards into close custody. Which doing, etc. Was signed: C. v. Nult Onkruyt. Appeared before the Honorable Worshipful Council of Justice of this government the sworn Clerk of the judicial secretariat, the Honorable Johannes van der Riet, as qualified ex officio by the high authority of this country to act in the affairs of the Landdrost of Swellendam, the gentleman Constant van Nult Onkruyt, official plaintiff, against Regina of Bengal, widow of the late Hendrik de Plooy, Hendrik Willem Plooy, Willem Albregt the elder, and the Hottentot Daniel Paul, prisoners and defendants. Article 1. And the official plaintiff stated: 2. That the prisoners and defendants mentioned in the heading hereof, according to the interrogatories put to them and answered before the Commissioners from this Noble and Worshipful Council, as well as reviewed, 3. have stubbornly continued to deny the deeds testified against them to their face, 4. by the Hottentots Heyntje de Plooy and Piet Pekeur, as well as the grandson of the first prisoner, Thys Albregt the younger, 5. which are further corroborated in the strongest terms by the confessions of the person of Willem Albregt, the Hottentot women Sara, Catryn, and Jacomyn, 6. as well as the confession made yesterday upon review to the face of the prisoners by the Hottentots Willem Bierwerd and Claas Coert, 7. and to the contents of which, as well as those of the prisoners and defendants, the official plaintiff takes the liberty, for the sake of brevity, to refer, 8. from which the contradictory nature of their denial is crystal clear, 9. the defendants and accused attempting to manage by denying everything, 10. and to declare their accusers liars, notwithstanding that they maintained their accusations to their faces, 11. the official plaintiff appealing to the Commissioners of this Honorable Worshipful Council who officiated at the interrogation regarding the demeanor maintained by the prisoners and defendants as well as their accusers; 12. thus the official plaintiff will only endeavor further to demonstrate how, in case there were no further proof

Dutch transcription

gelieven te behagen den ondergeteekende t' in¬ jungeeren om een Commissie van Heemraden ter gem: drostdye te beleggen en te begeeven ten overstaan van den Burger Sebastiaan Rot¬ man, na de plaats van zekere vrye meijd Re„ gina van de Caab wedwe wylen den Burger ƒ Hendrik de Plooy en aldaar nazoek te doen, na goederen die daar ter plaatse volgens Con„ fessie van haaren neef den Bastaart Not ten tot Heyntje de Hlooy zoude bevinden en die door haaren zoon en eenige hottenloten by het plegen der Gecrable moorden, door de reeds g'executeerde slaven august C. S. op de plaats van evengem: Rotman, zyn vervoerd en derwaards gebragt geworden en voorts om¬ in geval er goederen mogte werden ontdekt die Rotman erkende voor de zyne, als aan evengemelde Regina en aanhorige te neemen in apprehensie, zonder dat sulx door den vertoonder heeft kunnen werden gedaan vermits hy sustineerde dat die goederen door Rostman voor de zyne erkend, niet al„ leen volkomen daaruyt Consteerde geene Probatie van het Corpus delicti maar ook om dat die geene die by de Commissie g'ad¬ sisteerd hebben, die goederen dewelke door Rotman voor de zyne erkend wierd Contra„ diceerde met te zeggen, dit of dat heeft de weduwe de plooy by my gekogt, waardoor dan de Commissie oordeelde niet in staat te zyn uwerwel E agtb: besluyt ten opsigte dier wedwe te brengen ter Executie, gelyk UWE agtb: dit een en ander nader zullen kun¬ nen beoogen, uyt de deesen nevensgaande relaas door gecommitteerde Heemraaden onderteekend. — dat intusschen Caabwaards zynde gebragt geworden, af Hotten tot Piet Pikeur en zyn wyl Sara bi gem: wedw de Plooij ge¬ woord hebbende en zekere Thys albregt Klynzoon van gem: wedue de plooy, de welke door den verz: terstond op articulen voor Heeren gecommitteerdens uyt deesen raade zyn verhoord en daarby volmondig hebben geconfesseerd dat de gestoolene goe„ deren by de moord ter plaatse van evengem: Rotman geroofd voor als nog ter plaatse van gem: wedee bevinden, en aldaer in een „ een Cloof met een geroofde zak Contanten begraven leggen niet alleen maar dat voorm: weduwe de voor naamste oorsaak van de gepleegde moorden, en roof en wel dat zij aan de reeds door uwel Ed: agtb: gesen„ tentieerde en g'executeerde slaven august C: S: in substantie zoude gesegt hebben, gaat gil: maar na de plaats van Rotman dan zult gy veel goederen vinden, ziet daar te rooven en te moorden, ik zal hotten tots meede zenden, op dat ik een part daar„ van krygen, kan, en vermit zonneklaar uyt het hier vooren gededuceerde Consteerd, dat evengem: wedwe de plooy en haar kinderen niet alleen als de voor„ naamste oorsaak van het voorgevallene ter plaatse van Rotman moeten werden aangemerkt maar ook in allen gevalle als heeldens van de gestoole, ne goederen moeten werden geconsidereerd dus op grond van deselve eene volkomen preuve uijt leverd, om alle meede pligtige zonder tegenspraak te neemen in apprehensie, dan daar de moeyelykheyd vermits de verre afgelegendheyd hunner woonplaat„ Te zig doet om op een gevoegelyke wyze van haar persoon zig te verseekeren, zo vind zig den vert: andermaal genoodsaakt zig te keeren tot Uwel„ Ed: agtb: ootmoedig versoekende dat het van uwelEd: agtb: welbehagen zyn moge aan den vert: te verleenen apprehensie Corporeel op de onder te meldene persoonen en mitsdien den vert„ en Heemraden van Swellendam te injungeeren wederom een Commissie te beleggen, en hun te be„ geeven ter plaatse van evengem: weduwe ten eynde wel gewapend, gem: wedwe de plooy beneevens haa„ re kinderen en verdere daar ter plaatsen lig„ bevindende persoonen, te neemen in apprehentie en vervolgens ondersoek te doen waar de goederen en het geld verscholen en begraven zyn, en na een Compleet ondersoek evengem: wedwe en aanhoo¬ rige alhier Coebwaards in beslootene hegtenis ver te leveren. — /:onderstond:/ 'T welk doende &a /: was getekend:/ C: v: Nuelt onkruyt. Compareerde voor den E agtb: Raade van Justitie deeses gouvernements der gesw: Clercq ter secretarie van Justiede Repo Johannes van der Riet als door de hooge overigheijd deezer deeser Lande exofficis gequalificeerd. ter waarneeminge der zaaken van den Landarost van wellen„ dam de Heer Constant van Nult onkreist r: O: Eysscher op ende Jegens Regina van Bengalen wedwe wylen Hendrik de Plooy Hendrik Willem Plooy Willem Albregt de oude en den Hottentot Daniel Paul gev:s en ged„e Art: 1. en deede den R: O: Eysscher leggen 2. dat de gev: en ged„e in den hoofde deeses gemeld vol„ gens de hun voor Heeren gecommitteerdens uyt deezen Edelen agtb: raaden voorgehoudene en beantwoorde mits„ gaders gerecolleerde waag articulen Bhalstarrig zynde blyven negeeren, de hun in facie op geteygde enwel daaden 4 door de Hottentotten Heyntje de Plooy en Piet Pekeur mitsgaders de kleynzoon van den eerste gev: Thys albregt de Jonge 5. dewelke nog ten sterksten gecorroboreerd werden, door de Confessien van den persoon van Willem Albregt de Sottentottinnen Sara, Catryn en Jacomyn 6. als meede de by recollement op gisteren gedaane Confessie in facie van de gev. door de Hottentotten Willem Bierwerd en Claas Coert. 7 en aan welkers inhouden zo veel als die van de gev„en ged„e de r: O: Eysscher de vryheyd neemd kortelyx halve zig te refereeren ƒ 8 waaruyt Zonneklaar het Contradictoire van hunne negative Consteerd gtragtende de gede. en gede hun te behelpen met alles te negeeren 10 en hunne beschuldigers niet tegenstaande zyl.- hunne beschuldigingen in facte staande hiefden voor leugenaars/ te declapeeren 11 beroepende zig den r: O: Eysscher op heeren gecommitt„s deeser E agtb: raade die bij het verhoor hebben geva ceert, wegens de door de gete en ged„e zo wel als hunne beschuldigers gehoudene Contenance 12 dus den r:O: EEysscher alleeenlyk nog zal tragten aan te toonen, hoe dat ingevalle daar geene nadere bewyls „

NL-HaNA_1.04.02_10986_0367 view scan ↗

English

proofs are at hand, torture proves to be of no small application toward the elucidation of a committed crime. 13 One finds in the Dutch Law Dictionary, in the first volume, this remarkable passage 14 from the Attorney General M: W: Notbelling, prosecutor ex officio, against Moses Bendix in a case of theft and housebreaking, initiated pursuant to the accusation of two accomplices in crime, 15 to be found under the heading of challenge of witnesses, 16 which case bears very much similarity with respect to this matter. 17 Thus, the prosecutor ex officio has also been compelled, considering both the pros and the cons, to proceed to the conclusion to be taken at the end hereof, 18 and whereas an accomplice in crime against another accomplice especially deserves credence according to the doctrine of all legal authorities, in case the four following conditions concur, as is evident in the subject case: 19 namely, that when the accomplice has confessed all the circumstances to the court, at what place, time, and manner she was aided by her accomplice with his help or presence; 20. 2 That between him and the one whom he claims to be his accomplice, there was no enmity or dispute; 21. 3 That the one whom the guilty party names as his accomplice is burdened with such suspicion that it is probable that he committed the crime with the guilty party; 22. 4 And that the guilty party continues to persevere in naming that accomplice until death. 23 Which requisites are fully to be found in this case. 24 Thus, one may proceed very easily and without the slightest hesitation to the otherwise very precarious measure of torture. 25 And since the measure of torture 26 is at present, in our enlightened century, 27 applied only in the case of concealed crimes, 28 rather than to those wherein one can sufficiently prove the matter with witnesses, 29 according to the doctrine of the renowned Carpzovius, 30 and wherewith all renowned criminalists agree, who are omitted here to avoid prolixity, 31 the more so because all the authors who have commented on this matter unanimously say 32 that they cannot positively express the indications and necessary circumstances for torture, says Regina of Bengal, widow of Hendrik Plooy, aged by estimation 60 years. 33 but that such is left deferred to the enlightened discretion of the judge according to the distinction of the cases. Wherefore, and for other reasons and means to be further deduced in due time and place if necessary, the prosecutor ex officio, making his demand, concludes that the named and accused mentioned in the heading of this document shall be brought one after the other to and subjected to full torture as is customary here, in order subsequently, out of their bonds, to confess the truth again, or for such other purpose as Your Honorable Worships shall deem necessary and appropriate according to the circumstances of the case. Signed: A: J: van der Riet. In the margin: Exhibited in Court the 31 May 1777. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government, the free maid Regina of Bengal, widow of the late burgher Hendrik de Plooy, who to the adjacent interrogatory articles has given such answers as are noted beside each of the same. Articles drawn up and submitted to the gentlemen commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government by the sworn clerk of the well-mentioned Council, Ryno Johannes van der Riet, qualified in his official capacity to attend to the matters of the Landdrost of Swellendam, Constant van Nult Onkruydt, in order that the free maid Regina of Bengal, widow of the late burgher Hendrik Plooy, may be heard thereon at his requisition, her responses to be given having to be duly noted in the margin hereof. Article 1. The prisoner's name, place of birth, and age: Article 2. Where she, the prisoner, has resided: Says on her farm named the Riet Valley, situated on the other side of the Gourits River. Article 3. Whether she, the witness, also knew those boys or any of them before; if so, what they were named: Says no. Article 4. Whether she, the witness, also knew the six boys who were with her, the witness, in the month of October last under the name of the butcher Jonas Albertus van der Poel: Says she does not know the boys, nor has seen them. The prisoners Piet Pekeur, Heyntje de Plooy, and Thys Albregt, stating to the prisoner's face that the boys were with her at the farm, the witness persists in the negative. Article 5. What those boys came to do with her at the farm: Says no, to know nothing of it, says the boys were not at her farm. The prisoner Heyntje de Plooy states to the prisoner's face that the boys came there to buy wethers; the accused persists in the negative. Article 6. How long those boys were there with her, the prisoner: Says the boys were not on the farm. The prisoners Heyntje de Plooy and Thys Albregt state to the witness to her face that the boys were a few days with her at the farm; the prisoner persists in the negative. Article 7. Whether those boys were constantly with her, the prisoner, in the house, or whether those boys hid themselves during the day in the field, and at night came back to her, the prisoner, in the house: Says not to have seen the boys. The witness Heyntje de Plooy states to the prisoner to her face that four of the boys kept themselves hidden during the day in the bushes, while two of those prisoner boys kept themselves hidden during the day in the house, and at night all on the farm. The prisoners Thys Albregt and Piet Pikeur state to the prisoner to her face that the boys were all in the field during the day to hide themselves, and at night all at or in the house of Regina. The prisoner persists in the negative.

Dutch transcription

bewysen voor handen zyn, de Fortuur van geen geringe applicatie ter elucidatie van een gepleegd Crimen komt te zyn. 13 men vind in het hollands regtsgeleerd woorden boek in het eerste deel deese zonderlinge Passage 14 van de procureur generaal M: W: Notbelling r: O: Eysscher Contra Moses Bendix in Cas van dieste en huijsbraak in gevolge beschuldiging van twee Locuis Crimines gemoveert 1I te vinden onder de titul van reproche van getuygen U6 welk geval met betrecking tot deese zaak zeer veel overeenkomst heeft. 17 dus den r: O: Eysscher dan ook genoodsaakt is geworden met overweeging zo van het pro als Contra ttot 't in 't slot deeses te neemene Conclusie over te gaan 18 en daar een socius Criminis tegens een socuis voorna¬ mentlyk geloof verdiend volgens de Leere van alle did: ingevalle deese vier navolgende zaaken Concurreeren gelyk in Cas subject Consteerd. 19 als dat wanneer socius alle de omstandigheeden van het regt bekend heeft, op welke plaats tyd en wyze zy door zyne socius met desselfs hulp of tegenswoordighed is geholpen 20. 2 dat tusschen hem en de geenen die hy regt zyn so„ dus te zyn, geen vyandschap of t wist is geweest D. 3 / dat de geene die de schuldige zyn socries noemd, met sodanige suspicie is gegraveert, dat het waarschyne lyk zy, dat hy het aelict met de schuldige heeft begaan 22. 4. en dat de schuldige in het noemen van die Jituis tot de dood toe blyft volharden 23 welke requisiten volkomen in dit geval te vinden 24 dus zeer faciel en zonder de minste hositatie tot het an„ ders zeer haggelyk middel van Fortuur kan worden ver„ gegaan 25 en vermits het middel van Fortuur 26 alleenlyk thans in onse verligte Eeuw 27 g'appliceerd word ingevalle, van verborgen misdaaden IB. eerder als tot de zulke alwaar min de zaak suffisant met getuygen kan bewysen 29 volgens de Leere van den berugten Carpsorius 30 en waarmeede alle vermaarde Crimina listen over¬ eenstemmen die alhier om prolixiteiten te mene„ geeren worden overgeslagen W te meer also alle de autheuren eenparig die over die materie hebben gecommentarieerd zeggen. 32 dat zy de indicien en nodige Circumstantien tot zyn „ regt Regina van Bengalen wede. Hendrik Plooy oud na gissing 60 Jaaren tot de Fortuur niet positief kunnen uytdrucken 33 maar dat sulx na onderscheyd der gevallen aan de ver„ ligte kunde des regters gedetereerd gelaaten werd. — Mits welke en andere reeden en middelen in tyd en wylen /:is 't nood:/ nader te deduceeren den r:O: Eysscher Eysch doende Concludeert dat de gete. en ged: in den hoofde deeses gemeld den een na den anderen zullen werden gebragt tot en aan de volle Portuir zo als alhier gebruykelyk is emme vervolgens buyten syn„ en banden weder de waarheid te Confesseeren ofte tot zodanige andere fine, als uwel E agtb overeenkomstig zaaks omstan= digheeden nodig oordeelen zullen te behooren. — /:was geteekend:/ A: J: van der Riet /: in margine:/ Exhebitum in Judicio den 31 may 1777.. - Compareerde voor ons ondergetee„ Articulen gedaan maken kende gecommitt„s uyt den E en overgegeeven aan Heeren Agtb: raad van Justitie deeses gecommitteerdens uyt den E Gouvernements de vry meyd agtb: raad van Justitie deeses Regina van Bengalen gouvernements door den getw: wedwe wijlen den Burger Clercq van welgem: raade Ry„ Hendrik de Plooy den no Johannes van der Riet welke op de nevenstaande als in officio gequalificeert ter waag articulen zodanige waarneeminge der zaaken van antwoorden gegeeven heeftt den Landdrost van Swellendam als beseyden een yder der„ Constant van Nult onkruydt selve staan aangeteekend. omme daarop ter zyner requisitie gehoord te worden de vrymeyd RRegina van Beugelen wedwe wylen den Burger Hendrik plooy zullende desselfs te gee„ vene responsiven in margine deeses behoorlyk moeten worden bekend gesteld. — A Arto 1 des gev. s naam geboorte plaats en ouderdom: waar zegt op haar plaats genaamt de Riet valley geleegen aan de oversyde van de gourits rivier. zegt de Jongens niet te kennen nog gesien te hebben de gev„: Piet Pekeur Heyntje de Plooy en Thys albregt zeggende gevs. in facie aan dat de Jongens by haar ter plaatse geweest zyn de get: blyft by de negative zegt neen nergens van te weeten zegt de Jongens by haar ter plaatse wat die Jongens by haar ter plaatse zyn komen doen. niet geweest te zyn de gev„e Heyntje de Plooy zegt de gev: in facie aan dat de Jongens daar gekomen zyn om hamels te kopen de ged: blyft by de negotive zegt de Jongens zyn op de plaats niet geweest. de gev: Heyntje de Plooy en Thys albregt zeggen de gevt: in facis aan, dat de Jongens eenige dagen by haar ter plaatze geweest zyn; de gev: blyft by de negative of die Jongens geduurig by haar gev„ Legt de Jongens niet gedien te hebben in huys zyn geweest dan of die de get: Heyntje de Plooyzegt Jongens hun overdag in het veld de gev: in facie aan dat vier verschoolen hebben, en 's nagts van de Jongens overdag in de wederom by haar gev: in huis zyn bosjes hun verscholen hielden gekomen. terwil twee van die gev: Jon„ gens overdag zig in huys schuyt hielden en 's nagts allemaal op de plaats de gev: Thys albregt en Piet Pikeur zeggen de gev e in facie aan dat de Jongens wverdag alle in het veld zin geweest om hun te verschuylen en 's nagts alle by of in het huys van Regina hoe lange die Jongens daar by haar gev: geweest zyn. of zij get: ook die Jongens ofte een hunker te vooren gekend heeft! zo Ja hoe deselve genaamd zyn geweest of zy get: ook gekend heeft de ses Jongens die by haar get: in de maand october laatstl: onder de naam van de slagter Jonas Albertus van der Poel ge„ weest zyn. Waar zy gev: woonagtig is geweest 5. ge zegt neen s n tie „ den de gev: blyft by de negative 3 „ 4 Art: 2

NL-HaNA_1.04.02_10986_0370 view scan ↗

English

Article 9 Whether she, the prisoner, also knows the Hottentots Piete Pikeur, Claas Coert, Daniel Paul, Jantje Boom, Willem Ruyter, Andries Jantje, Abraham, and Zakhals. She says she knows the Hottentots, except Sakhals. The witnesses Piet Pikeur, Willem de Rooy, and Thys Albrecht tell the prisoner to her face that she knows Sakhals very well, since that Hottentot had often been at that place; Piet Pekeur further saying that that Hottentot came to her, the prisoner, on the evening before the boys left the farm, and afterward, upon completing everything, went back again to the Brakke Rivier. The prisoner says she does not know that Hottentot. Article 10 For what reasons those Hottentots were called. She says to know nothing about it, and to have called no Hottentots. Article 11 Whether those Hottentots who do not live with her, the prisoner, had been together at her place precisely at the time when these aforementioned boys were at her, the prisoner's, place. She says that those Hottentots were not at her place together. Piet Pekeur, Heyntje de Plooy, and Thys Albregt say that the boys and Hottentots left the farm together that evening for de Heuning Klip, the farm of Rotman. The prisoner persists in the negative. Article 12 What she, the witness, agreed with these aforementioned boys, whether those boys were called to her, the prisoner. She says she knows nothing of any boys and that the accusation has been fabricated. The prisoner Heyntje de Plooy and Thys Albregt tell the prisoner to her face that the boys left her farm one afternoon for the farm of Rotman. The prisoner persists in the negative. Article 13 When the six aforementioned boys left her, the prisoner's, farm. She says she saw no boys, and knows nothing about it, and gave no order to that effect. The prisoner Heyntje de Plooy says that he went along with the other Hottentots on the order of Regina; that Regina had also given him a ropij and a bottle to fetch brandy, and that he then had to bring back two schellingen. The Hottentot Piet Pikeur also tells the prisoner to her face that since he was not at home that day when the boys left her farm, upon his arrival home toward evening he received orders from Regina to follow the aforementioned Hottentots and boys, to go with them to the farm of Rotman, and indeed with these substantial words: "You must go," in response to the refusal that was shown by him, Pikeur. The prisoner persists in the negative, saying that she knows nothing about anything. Article 14 Whether the Hottentots aforementioned here went along, and on whose orders. The prisoner Heyntjen de Plooy says, as before, that he received no other order than to bring the brandy. The prisoner Piet Pikeur says to the face of the prisoner that he received orders from her to bring along goods and money from the farm of Rotman. The witness persists in the negative, saying she does not know such a thing. The aforementioned three prisoners say to the face of the prisoner that the orders were to go to the farm of Rotman as aforementioned to fetch goods. The prisoner persists in the negative, saying she knows nothing about it. Article 15 Where those Hottentots and boys were supposed to go, and what orders those Hottentots had. She says: "I know nothing at all about that; I never saw the boys." Article 16 When her, the witness's, son Hendrik de Plooy left her, the prisoner's, farm with her, the prisoner's, grandson Thys Albregt, and with how many horses. The prisoner Thys Albrecht says that toward evening he went with Hendrik de Plooy, his uncle, with three horses to the farm of Rotman, and indeed had been called by Hendrik while he was busy milking his father's cows, and upon being called was forced to go along. The prisoner says she knows nothing about anything. Article 17 When those boys and Hottentots returned, and what they brought with them. The prisoner Heyntje de Plooy says that it was around daybreak when he came home, and that he carried nothing other than an empty bottle. Piet Pikeur, appearing, says that it was around daybreak when he came home with the Hottentots, and that he carried a bag of money. Thys Albregt says that he rode home on horseback with Hendrik Plooi, and that a bag of money was lying on the lead horse. The prisoner stubbornly persists in the negative.

Dutch transcription

zegt de Hottentotten te kennen Art: 9 laaten roepen de get: Piet Pikeur, Willem de Rooy en Thys Albrecht zeg„ „gen de gev: in facie aan, dat zij sakhals heel wel kind vermits die hotten tot dikwils daar ter plaatse geweest is zeggende Piet Pekeur nog dat die hotten tot 's avonds voor dat de Jongens van de plaats zyn gegaan by haar gev: gekomen is, en naderhand na het volbrengen van alles weder te rug na de brakke rivier gegaan is. de gev: zegt die hotten tot niet te kennen zegt daarvan niets te weeten en of die slottenlotten die by haar gev: dat die slottentotten niets by niet woonen, Jugst ter dier tyd toen haar ter plaatse te zamen deses voorn: Jongens by haar gev: ter plaatse waaren geweest zyn Piet Pekeur Heyntje de Plooy aan of die Jongens by haar gev: ge„ en Thys albregt zeggen dat den Jongens en Stottenlotten te zamen die avond van de plaats gegaan zyn na de heuning klip de Plaats van Rotman roepen zyn. geweest zyn. de gev: blyft by de negotive regt geen stottentots te hebben zegt van geen Jongens te weeten en dat de beschuldiging opge„ zegt geen Jongens gesien te hebben de gev: Heyntje de Plooy en Thyf albregt zeggen de gev: in facie aan dat de Jongens op een middag van haar plaats zyn gegaan na de de plaats van Rotman. — de gev: blyft by de nagative zegt daar niets van te weeten en tgeen ordre daartoe gegeeven te de gev: Heyntje de plooy zegt dat hy met de andere hottentotten is meede gegaan op ordre van Regina, dat regina hem nog een ropey gegeeven had en een Boddel om fBrandewyn te halen, en dat hy dan twee schel„ lingen moest weder brengen de Hotten tot Piet Pikeur zegt de gev: meede in facie aan dat vermits of de hottentotten hier voorm: zijn meede gegaan, en op wiens ordre. wanneer de ses voorm: Jongens van haar gev: plaats zyn afgegaan. wat zy get: met deses voorm: Jongens heeft afgesprooken om welke reedenen die stotten totten zyn geroepen. Piete Pikeur Claas Coert daniel Paul Jantje Boom Willem Ruyter Andries Jantje Abraham en Zakhals. — of zy gev: ook kend de sottentotten except Sakhals . 9 2 10 „ 11 „ 12 8. 1 „ 13 1 1 2„ hebben maakt is wat die hottentotten voor ordres en was by zyn te huys komst dien daar tegens den avond van Regina ordre gekreegen had, om de voorm: Hottentotten en Jongens agter aan te gaan, om met hun meede na den plaats van Rotman te gaan, en wel met deeze substantieelen bewoordingen gy moet gaan, op de weygering die door hy dien dag toen de Jongens van haar plaats zyn gegaan niet thuys hem pikeur getoond wierd. de gev: blyft by de negotive zegt dat zy nergens van en weet de gev: Heyntjen de Plooy zegt als vooren dat hy geen andere ordre gekreegen heeft als van de Brandewijn de gev: Piet Pikeur zegt in facie van de gev: dat hy ordre van haar ont„ te brengen. de get:n blyft by de negotive „fangen heeft om goederen en geld van de plaats van Rotman meede zegt sulx niet te weeten de voorm: drie gev: zeggen in facie van de gev: dat de ordres waaren om na de plaats van Rotman te gaan gelyk voorm: om goederen te halen de gev: blyft bij de negotiee zogt daar niets van te weeten de gev: Thys albrecht zegt dat hy met Hendrik de Plooy zyn oom, tegens den avond met drie paarden na de plaats van Rotman gegaan is, en wel geroepen te zyn door Hendrik, toen hy met het melken van zyn vaders Roeijen besig was, en geroepen tot het meede gaan ge„ dwingen te zyn de gev zegt nergens van te weeten zegt daar weet ik niets met al van, ik heb de Jongens nooyd na de gev. . Steyntje de Plooij, zegt dat het omtrent dag is geweest toen hy te huys is gekomen, en dat hy niets anders heeft gedragen als een Ledige Bottel Piet Pikeur Compareerende zegt dat het omtrend dag is geweest toen hy met de hottentosten thuys is gekomen, en dat hy een zak met geld gedragen heeft Thys albregt zegt dat hy te paard na huys gereeden is, met Hen„ drik plooi en dat er een zak met geld op het hand paard ge„ leegen heeft. de ge: blyft halstaerig by de negative gesien. wanneer die Jongens, en Hotten tot„ ten zyn te rtug gekomen, en wat zy hebben meede gebragt wanneer haar get: zoon Hendrik de Plooy met haar gev: kleyn zoon This albregt van haar plaats zijn afgegaan en met hoe veel paarden. Jongens gaan moesten waarna toe die hottenlotten en 75 Art:14 en - 8 ƒ hebben gehad! „ 16 „17 e.

NL-HaNA_1.04.02_10986_0372 view scan ↗

English

Art: 18 Whether she, the prisoner, did not hide that money and those goods. Says, that I cannot say; I cannot say anything that I do not know. Says, I know nothing of the goods; I would have had to have a place to store them. The prisoner Thys Albregt says that it was buried in a kloof below the house. The prisoner Piet Pigueur says that she hid the money in her chest, but where it ended up afterward, he does not know. The prisoner persists in the negative, says that she hid no goods. The aforesaid three prisoners say to the face of the prisoner the contents of their previous answer. The prisoner persists in the negative. The aforesaid prisoners say to the face of the prisoner that it was buried in a kloof beside the house. Art: 19 Whether or not her, the prisoner's, son Hendrik, with Thijs, arrived the next morning very early with several bags on the pack horses, and the other Hottentots also carrying some goods, and Piet Piqueur with a bag of money. [illegible] Art: 20 Whether she, the prisoner, answered according to the truth; and whether she is further aware of anything concerning this affair. Says, as before. Says, to have answered according to the truth, and she would rather await her death than such an accusation. The prisoners Heyntje de Plooy, Piet Pigueur, and Thys Albregt say to the prisoner's face that they have spoken the truth, but that Regina is obstinately lying. The prisoner says to have spoken the truth. Art: 21 Where those goods and that money lie buried; if so, to indicate the same. The prisoner persists in the negative. Art: 22 Whether she, the prisoner, does not know that she gave cause for the robbery and murder at the place of Ritman. Says, no. The prisoner Piet Pigueur says, as he stated at article 25 of his interrogation, that Regina was the principal cause of the murder and robbery. The prisoner persists in her statements and says she is as innocent as a child. Art: 23 Whether she, the prisoner, therefore does not understand that by giving inducement to the robbery, she is the cause of it all, and has thus done evil and deserved punishment. Says, yes, she well knows that if someone is guilty, but that she is not guilty. Art: 24 What she, the prisoner, knows to bring forward in her defense. Says, to have no guilt. Thus questioned and answered at the Cape of Good Hope on 13 March 1787 before the Honorable Salomon van Echten and Jan Coenraad Gie, members of the Honorable Court of Justice aforesaid, who have duly signed the minute hereof along with the prisoner and me, sworn Clerk. Below stood: Which I witness. Was signed: R: J: van der Riet, sworn Clerk. Re-examination Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, the aforesaid Regina, widow of Hendrik de Plooy, to whom these her preceding question articles, having been read aloud clearly, distinctly, and verbatim from word to word, along with the answers given thereto, the prisoner affirmed to persist thereby, not desiring that anything more shall be added thereto or removed therefrom. Below stood: Thus re-examined at the Cape of Good Hope on 26 May 1787. Was signed: X. Lower: Present before me, signed: R: J: van der Riet, sworn Clerk. In the margin: As commissioners, and signed: C: L: Neethling and J: M: Bletterman. Further articles drawn up and delivered to the gentlemen commissioners from the Honorable Court of Justice, in order that thereupon, at the requisition of the sworn Clerk of the said Court, Ryno Johannes van der Riet, as officially qualified to observe the affairs of the Merchant and Landdrost of Swellendam, the Honorable Constant van Nult Onkruydt, be heard Regina of Bengal, widow of the late burgher Hendrik Willem Plooy, her responses to be given to be noted in the margin. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, Regina of Bengal, widow of the late burgher Hendrik de Plooy, who to the adjoining question articles gave such answers as are recorded beside each of the same. Art: 25

Dutch transcription

Art: 18 zegt dat kan ik niet zeggen ik kan, de drie ged. s voorm: zeggen in facie van de gev„e den inhoud van hun vorig antwoord. - de gev: blyft by de negotive niets zeggen dat ik niet en weet zegt ik weet van het goed niet ten hebben om te bergen de gev: Thys albregt zegt dat het in een Cloop beneedens het huys de gev: Piet Pigueur, zegt dat zy het geld in haar kist geborgen heeft, maar waar sulx naderhand deland is niet te weeten ik zou dog een plaats moe„ gebleeven is. begraven is geworden. de gev: blyft by de negotive of zy gev: niet dat geld en die zegt geen goederen verborgen te hebben goederen heeft verborgen de gev voorm: zeggen in facie van de gev: dat het in een sloof besyden het huys begraven „ 20 zegt als vooren of zy gev: na waarheyd g'antwoord zegt na waarheyd g'antwoord heeft; en of haar gees nog iets, te hebben, en eerder haar dood bewust is betrekkelijk deese affaire. te wagten weesen als diergelyke beschuldiging de gev: Heyntje de Plooy Piet Sigueur en Thys alsregt zeggen de gev. in facie aan, dat zyl: de waarheid hebben gesprooken maar dat Regina halstarrig liegt de gev: zegt de waarheyd gesegt te hebben. „ 23 zegt neen of zy gu: niet weet dat zy oorsaak de gen: Piet Signeur zegt zoals gegeeven heeft dat ter plaatse van hy op art 25 van zyn verhoor Ritman geroofd en gemoord is. heeft gesegt dat Regina de voor„ naamste oorsaakens van de moord en roof de ge: blyft by haar gesegdens persisteeren en zo onschuldig te zyn als een kind. of zy get: dus niet begrypt door tot de roof zegt Ja wel te weeten dat zo aanleyding te geeven, oorsaak te zyn ymand schuldig is mear van het alles en dus quaad gedaan dat zy niet schuldig is. en straf verdiend te hebben! zo Ja deselve op te geeven waar begraven leggen waar die goederen en dat geld met Thijs die anderen dag morgen heel vroeg zyn gekomen met eenige zakken op de draag paarden ende andere hottentotten meede eenige goederen dragende, en Piet Tequeur of niet haar gev: zoon Hendrik art: 25 met een zak met geld. i „21 „22 de get: blyft by de negotive 1 „ 24 en zegt geen schuld te hebben Aldus gevaagd en beantwoord aan Cabo de goede Hoop den 13 maart 1787 voor d' EE Salomon van Echten en Jan Coenraad geeleeden uyt den E agtb: raad van Justitie voormeld, die de minute deeses beneevens de gev: ende my gesw: Clercq meede behoorlyk hebben onderteekend. — /:onderstond:/ 'T welk ik getuigen /:was getekend:/ R: J: van der Riet gesw: Clercq. Compareerde voor ons ondergeteekende gecommitt„ uit den E agtb: raad van Justitie deezes gouver„ nements de voorm: Regina wedwe Hendrik de Plooy dewelke deese haare voorenstaande waag articulen van woorden tot woorde klaar en duydelyk woor„ delyx voorgeleesen weesende met de daarop gegee¬ vene antwoorden, betuygden de gev: daarby te bly¬ ven persisteeren, niet begeerende dat er iets meer bygevoegd ofte van gedaan werden zal /:onderstond:/ Aldus gerecolleerd aan Cabo de goede hoop den 26 mai 1787. /:was geteekend:/ X /:lager:) my praesent /:geteekend:/ R: J: van der Rieft gew: Clercq /:in margine:/ als gecommitteerdens /:en, geteekend// C: L: Neethling en J: M: Bletterman Compareerde voor ons onder Nadere articulen gedaan geteekende gecommitt„s uyt den maaken en aan Heeren gecommitt„ VE agtb: raad van Justitie deeses uyt den E agtb: raade van Justitie gouvernement Regina van overgegeeven, omme daarop ter requi„ Bengalen wedwe wylen den sitie van den gesw: Clercq van wel„ Burger Hendrik de Hlooy gem: raade Ryno Johannes van dewelke op de nevenstaande der Riet als in officio gequalificeerd vraag artticulen zodanige ter waarneeminge der zaaken antwoorden gegeeven heeft van den koopman en Landdrost als besyden een yder derselver van Swellendam de Heer Constant staan aangeteekend. van Nult onkrugt gehoord) te wor„ den Regina van Bengalen wedue wylen den Burger Hendrik Willem Plooy zullende derselver te geevene responsiven in margine Recollement Art: 25 wat zy get: tot haar verschoo¬ ning weet by te brengen! deser faire. gen en aan van roof — en d 25

NL-HaNA_1.04.02_10986_0374 view scan ↗

English

these are made known States no States no says no says no not to have seen any boys Piet Pikeur entering says to the face of the prisoner the truth thereof that the boys have been there. Steyntje de plooy and the young Thijs albregt says not to have seen the boys Heyntje de plooy and Thysalbregt the young say to the face of the prisoner that the boys were on the place of the widow de plooy and indeed in her house a few days before the prisoner persists in the negative says that her son lives with her and not to have seen any boys the prisoner Piet Pekeur says to the face of the prisoner that she, the prisoner, said to him, she must go along so that I get a share of it. as Hteyntje de plooy also testified the prisoner persists in the negative. says Piet Pikeur with her, the prisoner; Claas Coert with her son; Thys Albregt and the rest in the neighborhood States I do not know whether this case, as if not besides the aforesaid Stotstentiten, was found at the place of the prisoner precisely on that same evening when the wife of Rotman was murdered. whether she, the prisoner, also knows the Hottentot Jakhals whether the Hottentots Piet Pikeur, Claas Coert, Daniel Paul, Jantje Boom, Willem ruyter, Andries Jantje and Abraham reside on the said place or whether they stay in the kraals whether she, the witness, still continues to deny that she incited the aforesaid boys to go and steal from Rotmans, who was a trader and thus reasonably provided with goods, and subsequently to share the stolen goods with her, the prisoner and whether she, the prisoner, then absolutely dares to deny having seen or spoken to any of those boys on her place. if not, whether she, the prisoner, did not learn that those slaves stayed in the house of her son Hendrik Plooy. When, or how much time, that the cruel murder was committed at the place of Rotman, and how long they remained on the place. say likewise as Piet Pikeur. The prisoner persists in the negative whether she must not testify that in the month of October last, six boys, according to their statement belonging to the lessee Jmas van der Poel, were on her place. whether she, the prisoner, still continues to persist in her stubborn denial, or whether she is now inclined to confess the truth. never to have lied says she will speak the truth and Article 1 2 4 5 6 7 1 to live Say Article 10 lapsed says not to know such Says in the month of March last says no whether shortly or a day before her departure there was a dispute between the witness, her son Hendrik de Blooy, and his wife. Willem albregt and Jan Sacomina entering, saying to the face of the prisoner that it is the truth. the prisoner now says it may well be, I was at the ditch States further Hendrik had a quarrel with Martha and shoved his wife and does not know of the rest. States over coffee water, because Martha would not buy coffee over what that quarrel arose. says that Hendrik gave his wife no more than a shove. for what reasons the said Hendrik de plooy then beat his wife. 6 says that Martha scolded without knowing more about what those curses consisted of whether the wife of the said Plooy during that quarrel did not scold at her husband and the prisoner says that is untrue Jacomina entering says to the face of the prisoner the truth of the question, and says that her grandmother was present thereat: the witness persists in the negative lapsed Says Hendrik only gave his wife a shove. and Jacomina entering saying to the face of the prisoner that Hendrik beat his wife with a kerrie and that the last mentioned also separated them. The prisoner persists in the negative. 20 says what I have once said I still say; no wagons nor slaves come to me and there have been no slaves. whether she, the prisoner, must not confess that in her previously given answers she sought to conceal the truth. whether for these reasons the aforesaid Hendrik Plooi did not beat his said wife. And to the prisoner: you shall go to the lodge and carry baskets there whether on that occasion she did not substantially say to her, you shall be whipped and branded and banished in chains to the Island When she, the witness, departed from her place to come up toward the Cape to the court of justice. How many Hottentots she, the prisoner, had living by or on her place, either for hire, or in her service, or voluntarily. which other Hottentots were also found there at that time. 19 17 15 13 12

Dutch transcription

deser worden bekend gesteld Legt neen Legt neen zegt neen zegt neen geen Jongens gesien te hebben Piet Pikeur binnen treedende zegt in facie van de gev: de waarheijd daarvan aan dat de Jongens daar geweest zyn. - Steyntje de plooy en de Jonge Thijs albregt zegt de Jongens niet gesien te hebben Heyntje de plooy en Thysalbregt de Jonge zeggen in facie van de gev: dat de Jongens eenige dagen te voren op den plaats van de weduwe de plooy en wel in haar huijs geweest zyn de gev: blijft by den negatiee zegt dat haar zoon by haar woond en geen Jongens gesien te hebben de gev: Piet Pekeurzegt in facie van de gev: dat zy gev: tegens hem gesegt heeft, zy moet meede gaan op dat ik er een part van kryg. gelyk Hteyntje de plooy meede getuygde de qu: blyft by de negotive. - zegt Piet Pikeur by haar gev: Claas Coert by haar zoon Thys Al„ bregt en de overige in de buurt Legt ik weet net of desen sake als zig niet nevens voorsz: Stot„ stentiten Juyst op die zelfde avond wanneer de vrouw van Rotman vermoord is, heeft bevonden ter plaatse van de gev: of zy gev: ook kend de Hotten tot Jakhals of de Hottenlotten Piet Pikeur, Claas Coert, Daniel Paul, Jantje Boom, Wil„ lem ruyter, Andries Jantje en Abraham op de ge: plaats woonagtig zyn dan wel of zyzig in de kraalen ophouden of zy get: nog blyft ontkennen dat hy voorm: Jongens heeft aangeset om by Rotmans, die een negotiant en dus re„ kelyk van goederen voorsien was, te gaan steelen en haar gev: vervolgens van het gestoolene meede te deelen en of zy gev: dan volstrekt durft ontken„ nen geene dier Jongens op haar plaats gesien nog gesprooken te hebben. zo neen of zy gev: dan niet vernomen heeft dat die slaven zig in het huijs van haaren zoon Hendrik Plooy hebben opgehouden. Wanneer, of hoe veel tyd dat de Cruelle moord ter plaatse van Rotman is gepleegd, en hoe lange zy op de plaats gebleeven zyn. zeggen meede als Piet Pikeur. — de gev: blyft by de nagative of zy niet moet betuygen dat in de maand october El: op haar plaats zyn geweest ses Jongens, volgens hun voorgeeven den Plagter Jmas van der Poel toebehoorende. of zi gev: nog blijft persisteeren by haar „halstarrige ontkentenis dan wel of zy tans geneegen is de waarheyd te beleyden. nimmer geloogen te hebben zegt de waarheyd te zullen zeggen en Art: 1 Z „4 „ 5 „6 7 1 te woonen Zeg Art: 10 vervald zegt sulx niet te weeten Zegt in de maand maart laatstl: zegt neen of er niet kort of een dag voor haar Willem albregt en Jan Sacomina vertrek, verschil is geleesen tusschen de get: haar zoon Hendrik de Blooy binnen treedende zeggende en zyn huysvrouw. gev: in facie aan dat het de waarheyd is. - de gev: zegt tans het kan wel weesen ik ben aan de sloot geweest Legtnader Hendrik heeft rusie gehad met martha en heeft zyn vrouw gestooten en van het verdere niet te weeten. Legt over Coffy water terwyl mertha waar over die rusie is ontstaan. geen Coffy wilde koopen n zegt dat Hendrik zyn vrouwniet, om welke reedenen gem: Hendrik meer als een stoot gegeeven heeft. de plooy zyn vrouw toen heeft geslagen! 6 zegt dat martha gescholden heeft of de Huysvrouw van gem: Plooy by zonder meer te weeten waarin die rusie niet op haaren man en die scheldwoorden bestaan de gev: heeft gescholden zegt dat is onwaar Jacomina binnen treedende zegt den gev: in facie de waarheyd van de vaag aan, en zegt dat haar groot„ moeder daarby praesent geweest is: de get: blyft by de negotive vervald Zegt Hendrik heeft zyn vrouw maar en Jacomina binnen treedende zeggende gev: in facie aan dat Hend„k zyn vrouw met een kerry geslagen heeft en dat de laatst gem: nog haar L: gescheyden heeft. — de ge: blyft by de negotive. — „20 zegt wat ik eens gesegt heb zeg ik nog by of zy gev: niet moet bekennen dat zy by ƒ anneer my komen geen wagens nog slaven haar bevoorene gegeevene antwoorden de waarheijd heeft zoeken te verbergen. en daar is geen slaven geweest.— of om deese reedenen voorsz: Hendk Plooi een stoot gegeeven. Willem albregt zijn gem: Huysvrouw niet heeft geslagen. ƒ En tegens de gev: gy zult in de logie komen en daar mandjes dragen of zy by die gelegendheyd niet substan„ tieëlyk tegens haaren heeft gesegt, gy zult gegeasseld en gebrandmerkt en in de ketting op 't Eyland gebannen worden Wanneer zy get„: de laatste regte, om saabwaards op te komen van haar plaats vertrocken is. Hoe veel Hottertott en zy ga: wel in huur, of in haar dienst dan wel vry„ willig by of op haer plaats heeft woonende. welke andere hottentotten zig op dien tyd meede aldaar hebben bevon„ den. aar ter e e 1 - n als stot heeft 6 „ 19 „ 17 „15 „ƒ ƒ „ 13 „ 12

NL-HaNA_1.04.02_10986_0376 view scan ↗

English

says no, absolutely not. Piet Sikeur says that Regina and her son Hendrik are the principal cause of the murder, and that he also carried a bag of money and gave it to the prisoner upon his return. And whether she is not now convinced of being the principal cause of the dreadful murder of the wife of Rotman, her child, and slaves! Steyntje de Plooy also says as before, and that he also received a pair of knee buckles and money from old Regina. The prisoner says to all of this that these are all lies, and says she knows nothing about it. Thus questioned and answered at Cape of Good Hope on the 26th of May 1787, before the Gentlemen Christiaan Ludolph Neethling and Johannes Matthias Bletterman, Members from the Honorable Court of Justice aforesaid, who have also duly signed the minute hereof, along with the prisoner and me, the sworn Clerk. Below was written: Which I witness: was signed: R: J: van der Riet, sworn Clerk. Review. Appeared before us, the undersigned Commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government, the aforesaid Regina, widow of the late Hendrik Plooy, who, having had these further articles with her answers given thereto read aloud clearly and distinctly, word for word, declared that she persisted and continued to stand by them, not desiring that anything more be added thereto or removed therefrom. Thus reviewed at Cape of Good Hope on the 28th of May 1787. Was signed, and around it was written: this cross was made by the prisoner's own hand. Lower down: in my presence, signed: R: J: van der Riet, sworn Clerk. In the margin: as Commissioners, and signed: C: Matthiessen and C: G: Maasdorp. If the prisoner confesses to any of this, she is then to state accurately what her instructions were toward the aforesaid six slaves, which goods were brought to her place, who went to the place of Rotman to collect the stolen goods, and finally in what manner and among whom the plundered property was divided, and where those goods are located at present. Article 21. Article 22. Articles drawn up and handed over to the Gentlemen Commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government by and on behalf of the sworn Clerk at the Secretariat of the aforementioned Court, as qualified in office to attend to the affairs of the Landdrost of Swellendam, Constant van Nult Onkruydt, in order that, upon his requisition, the burgher Hendrik de Plooy may be heard and interrogated thereon, the responses to be given by him having to be duly noted in the margin hereof. Appeared before us, the undersigned Commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government, the burgher Hendrik Willem Plooy, who to the adjacent interrogatory articles gave such answers as stand recorded beside each of them. The prisoner's name, birthplace, and age. Says Hendrik Willem Plooy, of the Cape, aged approximately 35 years. Where he lived. Says at the Rietvallei beyond the Gourits River with his mother, the widow Hendrik de Plooy the elder. Whether he, the witness, also knew those six boys who in the month of October last were under the name of the butcher J: A: van der Poel. Says he does not know the boys, and that those boys were never at his or his mother's place. The Hottentot Piet Pikeur, Heyntje de Plooy, and Thys Albrecht tell the witness to his face that the boys were at the farm. The prisoner persists in his denial, saying as before that he does not know them. Article 2. Article 3. Article 4. If so, what they were named. Whether he, the witness, had also seen or known those boys before. Says he never saw the boys and knows nothing about it. Article 5. What those boys came to do at the prisoner's place. Says as before that he never saw those boys. The Hottentot Heyntje de Plooy says to the face of the prisoner that the boys were there to buy wethers. The prisoner says he knows nothing about it. Whether he, the prisoner, also saw the butcher's note. Says he did not see the note.

Dutch transcription

zegtneen gantsch en gaar niet En of zy tans niet is vvertuygd de Pet Sikeur zegt dat Regina en haar zoon Hendrik de voornaamste oorsaak voornaamste oorsaak te zyn van het van de moord zyn, en dat hy nog een ysselyk vermoorden van de vrouw van zak met geld gedraagen en aan Rotman haar kind en slaven! haar ged: gegeeven te hebben by zyn te rug konst Steyntje de Plooy zegt meede als vooren en dat hy nog een paar knie gespen en geld gekreegen heeft van d'oude Regina. De gev: zegt op het een en ander dat altemaal leugens zyn zegt nergens van te weeten. Aldus gevraagd en beantwoord aan Cabo de goede Hoop den 26 may 1787 voor de Heeren Christi„ aan Ludolph Neethling en Johannes Matthias Blet¬ terman Leeden uit den E agtb: van Justitie voormeld die de minute deeses beneevens den gei. ende my gesw: Clercq meede behoorlyk hebben onderteekend. — /onderstond:/ 'T welk ik getuige /:was geteekend:/ R: J: van der Riet gewt: Clercq.— Recollement. Compareerde voor ons ondergeteekende gecommitt„s uyt den E agtb: Raad van Justitie deeses gouvernements voorsz: Regina wedue wylen Hendrik Hlooy dewelke deese nadere articulen met zyne hierop gegee, vene antwoorden van woorde tot woorde klaar en duydelyk voor geleesen weesende verklaarde daar by te blyven persisteeren niet begeerende dat er iets meer bygevoegt ofte van gedaan ver„ Aldus gerecolleerd, aan Cabo de goede hoop den 28 May 17017. (:was geteekend en daaromme geschreeven dit kruys heeft de gev: eygenhandig gesteld /:lager; my praesent /: ge¬ teekend:/ R: J: van der Rist gep: Clercq (: in margene:/ als gecommitteerdens /:en geteekend:/ C: Matthiessen en C: G: Maasdorp. Zo, de gev: het een en ander bekend, haar dan nauwkeurig te doen opgeeven, hoeda„ nig haaren Last Jegens voorsz: ses slaven geweest zy welke goederen op haar plaats zyn gebragt, wie zig nade plaats van Rotman begeeven heeft om het geroofde af te haalen, en eyndelyk op wat wyde onder wien het gespolieerde is verdeeld, en waar zig die goederen tans bevinden. Art: 21 articulen 2 „ 22 7. den Laen. Articulen gedaan maken en Legt Hendrik Willem Plooy van de Caab oud na gissing zegt het briefje niet gesien te te hebben teekende gecommitt„s uyt den Burger Hendrik Willem Plooy dewelke op de nevenstaande waag articulen zodanige antwoorden gegeeven heeft als besyden een yder derselver Compareerde voor ons onderge„ zegt aan de Riet valley over de gourits revier by zijn moeder de wedee Hendrik de plooy de oude zegt de Jongens niet te kennen, gev: of zyn moeder geweest zyn de Hottentot Piet Pikeur Heyntje de Plooy en Thys afbregt zeggen de get: in facie aan dat de Jongens op de plaats geweest zyn de gev: blyft by de negotiee regt als vooren hun niet te zo Ia: hoe deselve genaamt zyn geweest of hy get: ook te vooren die som¬ gens gesien of gekend heeft wat die Jongens bi hem gev: zyn komen doen of hy gev: ook het slagter hebben en daar niets van te briefje gesien heeft. Legt de Iongers noogd gesien zegt als vooren die Iongens nooyd gesien te hebben de Hotten tot Heijntje de plooy zegt in facie van de gev: dat de Jongens geweest zin om hamels te koopen. de gev: zegt nergens van te weeten. — of hy get: ook gekend heeft deses in de maand october laatste. onder de naam van de slagter J: A: van der Poel zyn geraakt. dat die Jongens nooyd by hem Jongens die by zyn gev: moeder waar deselve gewoond heeft des gev: naam geboorte plaatsen ouderdom Art: 3 overgegeeven aan Heeren gecommitt„s E agtb: raad van Justitie deeses uyt den E agtb: raad van Justitie gouvernements de gedetineerde deeses Gouvernements door ende van wegens den gesw: Clercq ter se„ cretarie van welgem: Raade als „ in officie gequalificeerd ter waarnee„ minge der zaaken van den Land„ drost aan wellendam Constant van Ault en kruyt, omme daar„ op ter zyner requisitie gehoord en ondervraagd te worden den Bur„ ger Hendrik de Plooy, zullende desselfs te geevene responsiven in margine deeses behoorlyk moe„ ten werden bekend gesteld. 7. de t pen staan aangeteekend. 35 Jaaren e uyt ts „ - „ weeten kennen — „ 5 „ 4 2

NL-HaNA_1.04.02_10986_0378 view scan ↗

English

Article 8: Whether he, prisoner, also knows the Hottentots Piet Pikeur, Claas Coert, Daniel Paul, Jantje Boom, Willem Ruyterbos, Andries Jantje, Abraham, and Sakhals? Answers yes, to know all those Hottentots well. Article 9: How long those boys have been with him, prisoner? Answers no, the boys and Hottentots have not been at his place. The prisoners Heyntje de Plooy and Thys Albregt say in the face of the prisoner that the boys were at that place for some days. The prisoner persists in the negative. Article 10: Whether those boys were continuously with him, prisoner, on his place, or whether they hid themselves in the field by day and came into the house again at night? Answers I know nothing about that. Heyntje de Plooy says the boys were hidden by day, and at night they came out, as Piet Pikeur and Thys Albregt also maintained to the face of the prisoner. The prisoner persists in the negative. Article 11: Whether the aforementioned Hottentots did not leave together with the six aforementioned butchers' boys from the place of his, prisoner's, mother? Answers says the boys are on the place, have not been with him on the place. The prisoners Heintje de Plooy, Thys Albregt, and Piet Pikeur assert the truth of the question to his face. The prisoner persists in the negative. Article 12: If so, whither and for what reasons? Answers to know nothing of it. Article 13: What orders those Hottentots had? Answers to know of no orders. Article 14: Whether he, prisoner, did not ride together with his nephew Thys Albregt that same evening with three horses to the place of Sebastiaan Rotman? Answers no, never to have ridden along with Thys Albregt. The prisoner Thys Albregt says in the face of the prisoner that he did ride along with him, and indeed that he, Hendrik, took him, Thys, away from the cows that he was busy milking, and that they arrived there after the committing of the murders. Piet Pikeur and Heyntje de Plooy also say to the face of the prisoner that he arrived with Thys on three horses at night at the place of Rotman while the murders had already been accomplished. The prisoner persists in the negative. Article 15: What time he, prisoner, arrived at the place? Answers no, never to have been at the place of Rotman at night. Article 16: How he, prisoner, found everything there, to state the same distinctly? Answers not to have been at the place of Rotman, except only when he was commandeered by Fredrik Botha. Article 17: Whether he, prisoner, did not directly go inside and fill the sacks, subsequently packed those sacks on the pack horses he had with him, and rode back to his place? Answers no, that such never happened, and that he would rather suffer death than speak the untruth. Heyntje de Plooy, Thys Albregt, and Piet Pikeur say to the face of the prisoner that he helped fill the sacks. The prisoner persists in the negative. Article 18: Whether he, prisoner, did not also help murder? Answers no, never to have murdered. Article 19: What time he, prisoner, returned to his place? Answers never to have been out in the night. The Hottentot Thys Albregt says to the face of the prisoner that it was about daybreak when he came home with Hendrik on horseback. The prisoner persists in the negative. Article 20: What his, prisoner's, mother said at the sight of those goods? Answers to know nothing about that. Thys Albregt says that his grandmother was rejoiced at the sight of the goods. The prisoner persists in the negative. Article 21: Where those goods were then placed? Answers to have had no goods in his hands. Article 22: Whether those goods were not buried, and where? Answers to know of no goods. Piet Pikeur, Thys Albregt, and Heyntje de Plooy say to the face of the prisoner that the goods are buried, and that he, prisoner, assisted at the burial. The prisoner persists in the negative. Article 23: Who assisted at the burial of those goods? Answers to know of no burial. The Hottentots Piet Pikeur and Thys Albregt say to the face of the prisoner that he also buried the goods with Willem de Plooy, Thys Albregt, old Willem, and Claas. The prisoner persists in the negative. Article 24: Whether those goods were not dug up again for the second time and hidden in another place? Answers no, never to have heard of that. Thys Albregt says to the prisoner's face that the goods are buried, and stored again in another place without knowing now where. The Hottentot woman Sara says to the face of the prisoner that the goods are buried again. The prisoner persists in the negative. Article 25: If so, where, to state the same? Answers as before. Article 26: Whether he, prisoner, does not know that he has done evil by stealing the goods and offering a helping hand to the committing of the gruesome murders at the place of Rotman and is therefore punishable? Answers to have done no evil and to have deserved no punishment. Article 27: What he, prisoner, can bring forward for his excuse? Answers to have no guilt. Article 28: Whether he, prisoner, has answered truthfully and whether he, prisoner, is aware of anything else concerning this affair? Answers yes, to have answered truthfully. Thys Albregt, Piet Pikeur, and Heyntje de Plooy say to his face that he lies abominably and spares the truth. The prisoner persists in the negative. Thus questioned and answered at Cape of Good Hope, 15 March 1787, before Messrs Salomon van Echten and Jan Coenraad Gie, members of the Honourable Court of Justice aforementioned, who duly signed the minute of this together with the prisoner and me, the sworn clerk. Underneath stood: Which I witness. Was signed: R. J. van der Riet, sworn clerk. Re-examination: Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honourable Court of Justice of this government, the aforementioned Hendrik Willem de Plooy, to whom these his preceding interrogatory articles with the answers given thereto having been read out clearly and distinctly word for word, declared to persist therein, desiring that nothing more be added thereto or taken therefrom. Thus done and re-examined at Cape of Good Hope, 26 May 1787. Was signed: Lower: In my presence. Signed: R. J. van der Riet.

Dutch transcription

zegt de Jongens zyn op de plaats Art: 8 zegt sa alle die Hottentotten wel te kennen zegt neen de Jongens en Hottentotten de gev: Heyntje de Plooy en Thys„ albregt zeggen in facie van de gev: dat de Jongens eenige dagen daar te plaatse geweest zyn de gev: blyft by de negotive niet geweest. zegt daar weet ik niets van Heyntje de Hlooy zegt de Jongens zyn verdag verschooten ge„ weest, en 's nagts quemen zy voor den dag, zo als Piet Sikeur en This albregt meede in facie van de gev: sulx staande hielden. de gev: blyft by de negatiee of hy gev: ook kend de Rottentotten Piet Pikeur Claas Coert Daniel Paul Jantje Boom Willem Ruyterbos Andries Jantje Abraham en Sakhals! of de voorm:e Hottentotten niet met de ses voorm:t slagters Jongens te samen van de plaats van zyn gev: moeder zijn afgegaan.. dat die Hottentotten voor ordres hebben gehad. of hy gev: niet met zyn neef Thys zegt neen nooyd met Thys al„ albregt de Jongen die eygenste avond bregt meede gereeden te zyn met drie paarden zijn gereeden de gev: Thys albregt zegt de gev: na de plaats van Sebastiaan in lacie aan dat hy met hem Rotman is meede gereeden en wel dat hy Hendrik hem Thys van de „koeyen die hy besig was met melken heeft meede genoomen en dat zyl na het pleegen der moorden daar gekomen zyn. Piet Pikeur en Heyntje de Plooy zeggen meede in facie van de gev: dat hy met Thys op drie paarden 's nagts op de plaats van Rotman ge„ komen is; terwyl de moorden reets volbragt waaren, de gev: blyft by de negotiee zegt van geen ordres te weeten zegt daar niets van te weeten de gev: Heintje de Plooy Thys al„ bregt en Het Pikeur zeggen hem de waarheyd van de vraag in facie aan de gev. e blijft by de negative geweest zijn bij hem op de plaats niet zo Ias waarna toe en om welke reedenen. of die Jongens geduurig by hem gev: op zyn plaats geweest zyn, dan of zyl: hun vverdag in het veld ver¬ schoolen hielden, en 's nagts we¬ der in huys gekomen zyn. hoe lang die Jongens bij haar gev: geweest zin H - 1 . 68 ƒ 112 13 „. 14 2 A 20 zegt neen nooyd op de plaats van Rotman 's nagts geweest te zyn zegt niet op de plaats van Rot„ man geweest) te zyn, als alleen toen hy door Fredrik Botha gecommandeerd is. zegt neen nooyd sulx geschied te zyn, en de dood liever te wil„ len ondergaan als de on¬ waarheijd te spreeken. Heyntje de Plooy, Thys albregt en Piet Pikeur Leggen in facre den is:r van de ge: dat zij de zakken heeft helpen vullen. — de gev: blyft bij de negotive zegt neen nooyd gemoord te hebben zegt nooyd in de nagt uytge„ weest te zyn. de Hotten tot Thip albregt zegt in facie van de gew: dat het omtrent dag is geweest, toen hy met Hendrik te paard te is te huijs gekomen. de gu: blyft by de negative zegt daar niets van te weeten Thys albregt zegt dat zyn groot„ moeder verheugt was op het ge„ segt van de goederen de gev: blyft by de negotive zegt geen goederen in zyn ham¬ den gehad te hebben „ 22 zegt van geen goederen te weeten of die goederen niet begraven zin, en waar. Piet Pikeur, Thysalbregt en Steyntje de Plooy zeggen in facie van de gev: dat de goederen begraven zyn, en dat hy gev: by de begraving g'adsisteert heeft. de gev. blyft by de negotive „ 23 zegt van geen begraving te weeten wie g'adsisteert heeft by de begraving dier goederen de Hottenlotten Piet Pikeur en Thys albregt zeggen in facie van de gev: dat hi meede de goederen begraven heeft met wil¬ lem de Plooy, Thys albregt de oude Willem en Claas de ges: blyft by de negotive plaatst zyn. waar die goederen toen ge¬ wat zyn gev: moeder gesegt heeft op het gesigt van die goederen. Hoelaat hy gev: te rug op zyn plaats gekoomen is. of hy gev: niet meede gemoord heeft. of niet hy gev: direct na binnen heeft begeeven en de sakken gevield, ver„ volgens met die sakken op de by zig hebbende draagpaarden gepakt, weder te rug na zyn plaats geree„ hoe hy gev: daar alles gevonden heeft. deselve destindt op te geeven. hoe laat hy get: op de plaats aan¬ gekomen is. we¬ — ge ƒ 4 21 20 „ 19 18 „ 17 „ 16 Art: 15 zegt neen nooyd daervan ge¬ Art: 24 zegt geen kwaad gedaan en hoord te hebben. Thys albregt zegt de gev: in facie aan dat de goederen begraven zyn, en weder op een ander plaats geborgen zonder nu te weeten waar. de Slottentottin Sava zegt in facie van de gev: dat de goederen weder begraven zyn. de gev: blyft by de negative zegt als vooren zegt sa, na waarheyd g'antwoord of hy ged: na waarheyd g'antwoord te hebben. — heeft en of hem gev: nog iets bewrist Thys albregt Piet Pikeur en is betreckelyk deese affaire. Heyntje de Plooy zeggen in facie van hem get: dat hy gruwelyk liegt en de waarheijd spaart: de ged: blyft bij de negotiee zegt geen schuld te hebben Aldus gevraagd en beantwoord aan Cabo de goede Hoof den 15 maart 1787. voor de Heeren Salomon van Echten en Jan Coenraad gie Leeden uyt den E agtb: raad van Justiiie voorm: die de minute deeses benee„ vens den get: ende my getw: Clercq meede behoorlyk heb„ ben onderteekend. /:onderstond:/ 'T welk ik getuyge /:was geteekend:/ R: J: van der Riet gew: Clercq Compareerde voor ons ondergeteek„de gecommitt„s ƒ uijt den E agtb: raad van Justitie dezes gouvernements de voorm: Hendrik Willem de Plooy, dewelke deeze zyne voorenstaande waag articulen met de daarop „gegeevene antwoorden van woorde tot woorde klaar en duydelyk voorgeleesen zynde, verklaarde daarby te blyven versisteeren met begeerte dat er niets meer by ofte van gedaan werden zal. Aldus gedaan en gerecolleerd aan sebo¬ de goede koop den 26 May 1787. /:was geteekend:/ /:lager:/ my praesent. /: geteekend:/ R: T: van O Recollement wat hy gev: tot zyn verschooning weet bij te brengen. of hy get: niet weet, dat hij kwaad gedaan heeft met de goederen te geen straf verdiend te hebben. steelen en de behulpsaame hand te bieden tot het pleegen der gruwe„ lyke moorden ter plaatse van Rotman en dus Strafbaar te zyn zo Ja waar, deselve op te geeven. 25 of die goederen niet voor de tweede reys weder zyn ontgraven en op een ander plaats verborgen. der „ 26 „ 27 „ 28 - .

NL-HaNA_1.04.02_10986_0381 view scan ↗

English

There appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, the person of Hendrik Willem de Plooy, who to the following interrogatories gave such answers as are recorded alongside each of them. Articles drawn up and submitted to the gentlemen commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, in order to hear thereupon, at the requisition of the sworn clerk to the aforesaid Court, Ryno Johannes van der Riet, acting in office to observe the affairs of the Merchant and Landdrost of Swellendam, Mr. Constant van Nult Onkruyt, the person of Hendrik de Plooy, whose answers to be given shall be noted in the margin. In the margin: As commissioners, and signed: Neethling and J. M. Bletterman Ryno Johannes van der Riet, Sworn Clerk Article 1 Whether the prisoner must not testify that in the month of October, at the farm of the witness's mother where he, the witness, resides, there were six butchers' boys. Answers: No, the boys have not been on the farm. Piet Pikeur, Heyntje de Plooy, and Thys Albregt state to the prisoner's face that the boys were on the farm, and that he, the witness, was at home when the boys were in the house. The prisoner persists in the negative. Article 2 How long those slaves remained there before the murder took place at Rotman's. Answers: He says he knows nothing of the boys. The Hottentots Heyntje de Plooy, Thys Albregt, and Piet Pikeur state to the witness's face that the boys were on the farm for several days, and indeed that the boys kept themselves concealed in the veld during the day and were all in the house at night. Article 3 Whether their stay was at the house of the witness or of Regina, his mother. Answers: I do not know that; I have not seen the boys. Article 4 Whether the prisoner must not confess to having concealed the truth in this matter, and whether he is now inclined to answer more in accordance with it. Answers: He states that he has told the truth and has concealed nothing. Article 5 Whether the witness still persists in the answers he gave to the interrogatories put to him. Answers: Yes, he still persists therein, as he has spoken the truth. Article 6 Whether the prisoner must not confess that with the help of several Hottentots he transported the goods robbed by the aforesaid six boys from Rotman's farm on packhorses to his mother's farm. Answers: No, never; I have robbed no goods. The Hottentots Piet Pekeur and Heyntje de Plooy state to the prisoner's face that he came with horses to Rotman's farm at night while the murder was in progress, and that after the murders were committed he rode home with the bags on the horses. The Hottentot Thys Albregt says that he rode along with the witness. The prisoner persists in the negative. Article 7 Whether the prisoner must not confess that he rode with the youth Thys Albregt from his farm to that of Rotman. Answers: No. The Hottentot Thys Albregt states the truth of the question to the prisoner's face, and likewise the Hottentots Piet Pikeur and Heyntje de Plooy. The prisoner persists in the negative. Article 8 And whether he did not take Thys by force, while that youth was busy milking his father's cattle. Answers: No, I did not take him with me, and I was also not at the farm. Thys Albregt, appearing, states the truth of the question to the prisoner's face. The prisoner persists in the negative. Article 9 Whether the prisoner did not have a chest standing in his house in which the witness's principal goods were usually kept. Answers: Yes. Article 10 To state accurately the goods that were found in that chest. Answers: Nothing but my clothes and those of my wife. Article 11 Whether among other things there were not found in that chest: 3 pieces of chintz lining, which bear a very strong resemblance to the clothes that the wife of the aforesaid Rotman mostly wore; 1 tin saffron box; 2 newspapers containing some cinnamon; 1 pair of blue stockings and a quantity of yarn, of which some skeins are very much tangled together. Answers: There was nothing except: 2 pieces of chintz lining, 1 tin saffron box, and a paper containing a little cinnamon; further stating that the saffron box was sent to him by Hendrik Hofmeester, and that he obtained the cinnamon from the joiner Mulder.

Dutch transcription

regt Sa, nog daarbij te blyven persisteeren, vermits hy Compareerde voor ons ondergeteekde gecommitt„s uyt den E agtb: raad van Justitie deeses gouvernements den persoon van Hendrik Willem de plooy dewelke op de onderstaan„ de waag articulen sodanige antwoorden gegeeven heeft, als bezyden een ider derselver staan aangeteekend. — de waarheid heeft gesegt zegt de waarheid gesegt en niets versweegen te hebben zegt neen de Jongens zijn op de plaats of hy gev: niet moet betuygen dat in niet geweest de maand october op de plaats van Piet Pikeur Heyntje de Plooy en des get: moeder, alwaar hy gae: woonag¬ Thys albregt zeggende gev: in facie tig is zijn geweest ses slagters Jongens aan dat de Jongens op den plaats geweest zyn en dat hy get„ te huys is geweest toen de Jongens in huys waaren. de gev: blyft by de negotive. zegt van de Jongens niet te weeten de Hottentotten Heyntje de Ploor This albregt en Piet Pikeur zeggen de get: in facie aan dat de Jongens eenige dagen op de plaats geweest zyn, en wel dat de Iongens hun overdag in het veld schuyl hielden en 's nagts alle in huys waaren — of hun verblyf geweest is aan 't huis van den zegt dat weet ik niet ik heb de Jongens niet gesien ge: dan wel van Regina zyne moeder. „5 20 Ja: hoe lange die slaven zig voor dat de woord by Rotman heeft ge„ teerd aldaar hebben opgehouden. of hy gev: niet moet bekennen daarbij de waarheyd te hebben versweegen, en of hy thans geneegen is meer overeenkomstig deselve te antwoorden! of hy get: nog blyft persisteeren by de antwoorden welke hy op de hem voorgehoudene vraag articulen gegeeven heeft. adere articulen gedaan maaken en aan Heeren gecommitt„s uyt den E agtb: Raaden van Jus¬ titie deeses gouvernements overge„ geeven, omme daarop ter requisitie van den gesw: Clercq by welgemelde raade Ryno Johannes van der Riet, als in officie ter waarneeminge der zaaken van den koopman en Land„ drost aan Swellendam de Heer Constant van Nult onkruyt gequalificeerd, te worden gehoord den persoon van Hendrik de plooy zullende desselfs te geevene responsiven in margine deen Ter worden bekend gesteld der Riet gesw: Clercq. /:in margine:/ als gecommitteerdens /: en geteekend:/ Neethling en J: M: Bletterman L: de t g een „ uyge ts p 4 „ 3 2 Art: 1 ƒ - Art: 6 zegt neen nooyd ik heb geen goederen zegt niets als myn kleederen en de Hottentotten Piet Pekeur en Heyntje de Plooy zeggen in facie van den gev:, dat hy met paarden op de plaats van Rotman gekomen is, des nagts toen de moord aan de gang was, en dat hy na het plegen der moorden met de zakken op de paarden nahuys gerieven is — de Stottentot Thys albregt zegt dat hy met de gel: is meede gereeden. de ge„s blyft by de negative zegt neen of hy gew: niet moet bekennen dat hy de Stottentot Thys albregt zegt met de Jonge Thys albregt van zyn de waarheijd van de vraag. plaats na die van Rotman gezeen aan den gev: in facie aan den is. en zo meede de Hotten tot Piet Pikeur en Heyntje de Plooy de gev: blyft by de negotive en of hi Thijs niet nog met geweld zegt neem ik heb hem niet meede heeft genomen, Terwyl die Jongen genomen en ook ben ook op met melken van zyn vaders de plaats niet geweest Koebeesten besig was Thys albregt Compareerende zegt de gev: in facie aan de waarheid van de waag. de gev: blyft by de negotive zegt Ja die van myn vrouw zegt dat er niets en geweest is, als 2 lappen voering Chits 1 blikke Saffraan doosse en een papiertje waarin een winig Caneel zeggende nader dat het Juffraan doosje aan hem gesonden is door Hendrik Hofmeester. en de Caneel gekreegen te hebben van den schrin¬ werker mulder. of zig in die kist onder anderen ook niet hebben bevonden: 3 lappen voerChits welke zeer veel gelykenis hebben met de kleederen die de vrouw van voorsz: Rot„ man meest heeft gedragen 1 blikke saffraan doossen 2 Couranten waarin wat Caneel 1 paar blaauwe kousen en een parthy gaarn, waarvan eenige strengen zeer door elkanderen verward zyn de goederen zig in die hist be„ vonden hebbende nauwkeurig op te geeven; of de gev: in zyn huys niet heeft staan gehad een kist waarin gewoonlijk zin get: voornaamste goederen geborgen wierden. of hy gev: niet moet bekennen dat hy met behulp van verscheydene Slottentotten het door voorsz: ses Jongens van de plaats van Rot„ man geroofde goed op pakpaarden naar de plaats van zyne moeder heeft vervoerd! geroofd 1 8 „10 1 „ „ 8 „

← previousnext →