Inventory 10986
Cape · 984 pages · 314 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
to comply, the deponent had to go there with someone or other and breach the water: pursuant to which order, by command of the deponent's father, Schalk Willem Vorster, Barend Lubbe Andriesz, and Pieter Loen were requested, with which three persons the deponent went to the place where the water was being held back in order to breach the water, where the aforesaid Jan Steenkamp, servant of the aforementioned Nieuwout, had arrived with a gun in hand, having with him a slave boy named Cobus de Jonge. — that while the deponent was then busy breaching the water, the named Steenkamp had asked him on whose order he breached the water, to which the deponent had answered: by order of the Lord Landdrost. Whereupon the often-mentioned Steenkamp, in the presence of the aforesaid witnesses, had said: it is good that you come by order of the Lord Landdrost; otherwise I would shoot you down and light you like a crow. that the aforesaid Nieuwout, not having been at home on that day, subsequently, when he had come home, had dammed up the water again; which the deponent's father having noticed, he had thought fit to ride up there himself, and having taken with him the deponent, the often-mentioned Pieter Loen, as well as 2 slave boys named Adam and October, alongside the Hottentots Hans, Jantje, and Piet; when they had arrived at the water, there had also betaken themselves the Veldranger Andreas Willem van Taak, Pieter van Zeijl Pietersz, and Jan Steenkamp, as well as a Bastard Hottentot named David, each having had a gun. that the deponent's father, before breaching the water, had asked the aforementioned van Taak: why he, van Taak, came there with so many men and guns, just as if the deponent's father were a murderer! To which the same van Taak had answered: to sweep you away from the water; upon which the deponent's father resumed: but why do you not observe the orders of the Lord Landdrost, which I sent you in writing by my son (denoting thereby the deponent)! And you still dare to say that I am an old scoundrel. To which he had retorted: your son lies like a scoundrel; whereupon the deponent had said to the often-mentioned van Taak: if I lie like a scoundrel, then you lie like a double scoundrel. — that the aforesaid van Taak thereupon took his gun the wrong way around, lifted it up, and said to the deponent: I will bash your brains in; whereupon the deponent, out of astonishment, had leapt forward and dealt the mentioned van Taak a blow to the face with the flat of his hand, whereby the same van Taak had fallen backward to the ground with his gun; the deponent then leaping forward having wrested the gun from the mentioned van Taak; whereupon the often-mentioned van Taak, who as well as van Zeijl had been intoxicated, having gone away from there and to the place of his brother-in-law Jan Harms Nieuwout, in going thither had fallen to the ground several times over the loose stones; while in the meantime the aforesaid Pieter van Zeijl, with the levelled gun and cocked hammer, had leapt toward the deponent, while saying, what do you say; whereupon the Pieter Loen present there, with a walking stick he held in his hands, had attempted to strike the levelled gun out of the hands of the mentioned van Zeijl, or rather upward, and striking in consternation, had thereby hit the mentioned van Zeijl on the upper lip, whereupon the often-mentioned van Zeijl had fallen backward; and the mentioned Loen had then likewise taken the gun from the frequently mentioned van Zeijl. that in the meantime the aforesaid Jan Steenkamp shot at them with the gun he held in his hands, but hit no one, except only that a Hottentot and cattle-herder named Hannes, belonging to the deponent's father and having been present there, had his knobkerrie shot out of his hands; the deponent's father having brought the aforesaid two guns and the knife to the Honourable Magistrate and complained about the aforesaid treatment. — Relating nothing more, the deponent gives as reasons for his knowledge as stated in the text, with an offer to confirm the same at all times. — (at the bottom stood) Thus related at Cape of Good Hope, the
Dutch transcription
voldoen den rel met den een of ander maar heen gaan en het water doorsteeken moeste: ingevolge welke Ordre ias last van des rel:t vader waren verzogt schalk Willem Vorster, Barend lubbe Andriesz en Pieter Loen met welke drie Perzonen den zel na de plaats alwaar het water wierd Opgehouden gegaan zijnde om het water door te steken aldaar was gekomen voorsz: Jan Steen kamp knegt van voorm: Nieuwoat met een geweer in de hand, bij hem hebbende een slave Jonge in naame Cobus de Jonge. — dat den zel als toen bezig zijnde geweest het water door te steeken gen:t steenkam aan hem had gevraagd Op wiens ordre hij 't water doorstak, den zel daarop had geantwoord: uijt ordre van den Heer Landdrost. als wanneer meerm: Steenkamp ter presentie van de voorzz getuijgen had gezegt: het is goed dat gij uit ordre van de Seer Landdrost komt: ander zoa ik Joaschieten en ligten als een kraay dat voorsz: Nieuwout ten dien dage niet te huijs ge weest zijnde, vervolgens wanneer te huijs gekomen was, het water weder opgedamd had; 't gunt deszels vader bemerkt hebbende had denzelven goedgevonden, zelvs na boven te rijden, en den zel' meerm:r Pieter Loen mitsgs 2 Slaven Jongens in naame Adam en October, benevens de hottenbots, Hans, Jantje en Piet mede genomen hebbende wan neerze als zijl: bij het water waren gekomen, aldaar mede zig had den vervoegd, den Veldwagtm: Andreas Willem van Taak, Pie „ter van Zeije, Pietersz: en Jan Staakamp, mitsgs een bosterd kottentot in naame David, ieder een geweer gehad hebbende. dat des Relts Vader alvorens het water doorte steeken aan voorm: van Zaak had gevraagd: waarom hij van Taak met ze veel menschen en geweeren aldaar quan, even als of des relt vader een moordenaar was! denzelven van zaak daarop had geantwoord: om jen van't water te boenen, op 't welke deserelt vader hervat hebbende: maar waarom obser veert gi de Ordres vanden Heer Land drost niet, die ik U schriftelijk door mijn zoon /: denoterende daarmede den Rel:t:) heb gezonden! en durft nog zeggen dat ik een ouder Schelm ben. denzelven daarop hat hewwat: dat liegt, goud Zoon zoon als een Schelm / waarop den Rec„t had gezegd aan meerm: van Taak: als ik het lieg als een schelm dan liegt gij het als een dubbele Schelm. — dat voorsz: van Taak daarop zijn geweer verkeerd genoomen het zelve op geligt en tot den Rel gezegt had; ik slajou de harsen van in, als wanneer den zele uit verbaastheid toegesprongen was en gem: van zaak met het vlakke zijner hand een slag in 't aangezigt toegebragt had, waardoor denzelven van Taak met zijn geweer agterover ter aarde gevallen was; hebbende den hel toen toespringende gem: van Zaak het geweer Ontweldigd waarop meergem: van Taak die zo wel als van zeijl met beschonken waren geweest van daarweg en na de Plaats ver„ zijner zwager Jan Harms Nieuwout gegaan zynde in het derwaards gaan eenige malen over de scheepssteenen op de aard gevallen was; terwijl inmiddens Voorsz: Pieter van Zeijl met het gewelde geweer en overgehaalde haar na den zelt toegespron gen was, onder het zeggen, wat zegt gij als wanneer de daarbij Dre sente Pieter Loen met een in handen hebbende Wandelstok had gehoogd het gevelde geveer uit de handen van weerw: van zeijl weg, dan wel na boven te slaan, en in ontsteltenisse toeslaande, daardoor gem: van Zeijl op de bovenlis had ge„ „raakt wanneer meerm: van zeijl agter overgevallen was; en had gem:e Laen als doen dikwijls gem:t van zeijl mede het geweer afgenoomen. dat ondertusschen voorsz: Jan Steenkamp met zijn in handen hebbend geweer na hurl: geschooten, dog niemand geraakt had, als alleen dat een des rects vader toebehoo„ „rende en daarbij tegenwoordig geweest zijnde hotten tot en beeste wagter Hannes zyn kirrij uit de handen, geklooten was; hebbende destels vader de voorsz: twee geweeren en het mes aan den E: reqt gebragt en over de voorsz: behandeling gekraagt. — Nieks meu relateerende geeft den reltk voor redenen van wetenschap als in den text, met presentatie om het zelve altoos neder te staven. — /:onderstond:/ Aldus Gerelateerd aan Cabo de goede Hoot den
English
On 18 March 1786, before the Honorable Salomon van Echten and Johannes Matthias Bletterman, members of the Honorable Council of Justice aforesaid, who have duly signed the minute hereof along with the relator and me, the Secretary. Below which I testify, signed, C. S. Neethling, Secretary. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this Government, the former master gardener Pieter Doen, of competent age, who at the requisition of the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Hendrik Lodewijk Bletterman, declared the following to be true: That the deponent, who has for a considerable time resided with and on the farm of the burgher Coenraad Hendrik Feijt, situated across the Oliphants River and named the Groote Zeekoevalleij, was in the beginning of the month of February of this year, when that farm was sorely in need of water due to the great and severe drought, requested by the said Coenraad Hendrik Feijt to accompany him, Feijt, and the burghers Schalk Willem Vorster and Barend Hendrik Lubbe, son of Andries, as well as the son of the aforesaid Feijt, named Hendrik Albert Feijt, pursuant to orders received from the Honorable Regent, to a certain watercourse, over which a dispute had arisen between the said Coenraad Feijt and the burgher Jan Harmse Nieuwout, residing not far from there, and to open the watercourse; that he, the deponent, went thither with the said persons; and while in the meantime the farmhand of the aforesaid Nieuwout, named Jan Steenkamp, also arrived there with a gun in his hand, having with him a slave boy named Cobus; That the aforesaid Hendrik Albert Feijt, being then engaged in opening the water, the said Steenkamp asked by whose order he was opening the water; the said Feijt replied thereto: by order of the Lord Landdrost; whereupon the repeatedly mentioned Steenkamp, in the presence of the aforesaid persons, said: it is well that you come by order of the Lord Landdrost, otherwise I would shoot and clear you off like a crow; That the aforesaid Nieuwout was not at home on that day; that he, Nieuwout, subsequently, when he had returned home, dammed the water up again; which having been noticed by the burgher Coenraad Hendrik Feijt, he saw fit to ride up there himself, having taken with him the deponent, the aforementioned Hendrik Albert Feijt, as well as two slave boys named Adam and October, along with the Hottentots Klaas, Jantje, and Piet; and when they arrived at the water, there had also gathered the Field Cornet Andries Willem van Taak, Pieter van Zijl, son of Pieter, and Jan Steenkamp, as well as a Baster Hottentot named David, each having a gun; That the often-mentioned Coenraad Hendrik Feijt, before he had opened the watercourse, asked the aforesaid Van Taak why he, Van Taak, came there with so many people and guns, just as if he were a murderer; the same Van Taak replied thereto: to scrub you away from the water; to which the often-mentioned Feijt resumed: but why do you not observe the orders of the Lord Landdrost, which I sent to you in writing by my son, and do you still dare to say that I am a damned rogue; the same replied thereto: your son lies like a rogue; whereupon the aforementioned Hendrik Albert Feijt said to the often-mentioned Van Taak: if I lie like a rogue, then you lie like a double rogue; That the aforesaid Van Taak thereupon turned his gun upside down, raised it, and said to the said H. A. Feijt: I will smash your skull; whereupon the same Feijt leaped forward and struck the often-mentioned Van Taak in the face with the flat of his hand, causing the same Van Taak, with his gun in hand, to fall backward to the ground; the aforesaid H. A. Feijt, then leaping forward, wrested the gun from the often-mentioned Van Taak; whereupon the frequently mentioned Van Taak, who as well as Van Zijl had been drunk, went away from there to the farm of his brother-in-law J. H. Nieuwout, and on his way thither fell to the ground several more times over the sharp stones; while in the meantime the aforesaid Pieter van Zijl, with his gun leveled and the cock drawn back, leaped toward the aforesaid burgher H. A. Feijt, among
Dutch transcription
den 18 Maart 1786 voor d' EE Salomon van Echten en Johannes Matthias Dletterman, leden uit den E: Achtb: raad van Justitee voorm: die de minute dezes benevens den rel en my Secretaris mede behoorlijk hebben ondertekend /:lager 't welk Ik getuijge /:getekend:/ C: S: Neethling Secretaris. Compareerde voor ons onderget: gecomm: uit den E: Achtb: raad van Justitie dezes Gouvernement den oud baas Tuijnier Pieter Doen van Competenten ouderdom, dewelke ter requisitie van den Landdrost van Stellenbosch en drakenstein Hendrik Lodewijk Bletterman verklaarde hoe waaris. — Dat den Comps die al een geruimen tijd woonagtig is ge„ „weest bij en op de plaats van den burger Coenrard Hendrik Tijt geleegen over de Oliphants rivier, en genaamd de groote Zeekoevalleij in't begin vande Maand februarij deezes Jaars wanneer die Dlaat, van wegens de groote en zwaare droogt om water zeer verleegen was, door gem:e Coenrard Hendrik Tijt Verzogt geworden zijnde, omme ingevolgd ontvangene Ordre van den E. Reg„t met hem Pijt en de burgers schalk Willem Vorster en Barend Hendrik Lubbe Andriesz: mitsg de zoon van eeven Gem: Tijt, in naam Hendrik Albert Pijt mede te gaan, na zekere waterloop, waarover tusschen gem: Coenraad Sijt en de niet Verre van daar woonenden burger Jan Baanse Nieuwoat Verschil gereezen was, en die te deersteeken hij Cont met de gem: perzoonen derwaards gegaan was; en terwijl inteesschen aldaar mede was aangekoomen de knegt van V voorsz: Nieuwoet in naame Jan Steenkamp, met een geweer in de hand bij hem hebbende een slaven Jongen genaamd Cobus. dat voorsz: Hendrik Albert Tijt als toen bezig zijnde geweest het water door te steeken gem: steenkamp had gevraagd op wiens ordre hij het water doorstak, gem:e sijt daarop had geantwoord; uit ordre vande heer Landgrost als wanneer meerm:r Steenkamp ter Presentie vande voorsz. Perzoonen had gezegd: het is goed dat gi uit ordre van de heer land draft komt, anders zou ik van Schieten en ligten als een Kradij at dat voorsz: Nieuwout ter dien dage niet te huijs geweest zynde, hy nieuwout vervolgens, wanheed te huys gekomen was het wat weder op gedamt had, 't gant den burger Coenraat Hendrik Feijt bemerkt hebbende had denzelven goed gevonden zelvs na boven te ryden en den Compt voorn Hendrik Albert Fegt mitsgs twee slaven Jongens in naame Adam en October benevens de Rottente & Bans, Jantje en Piet mede genoomen hebbende, wanneer zo als zyl: bij 't water waren gekoomen aldaar mede zig had den vervoegd den Veldwigtm: Andries Willem van Taak, Pieter van Zijl Pietersz: en Ian Steeu „kamp mitsgs een bosterd hottentot in naame david ieder een geweer gehad hebbende. dat meerw: Coenraad Hendrik Teijt voor dat hij de waterloop doorstoken had, aan voorsz van saak had gevraagd waarom hy van Taak met zo veel menschen en geweesen al, „daar Zwam, eeven als of hij een moordenaar was, denzelven van saak daarop had geantwoord, om jou van't water te boenen, op 't welk dik gem: Feijt hervat hebbende, maar waarom obser veert gij de Ordres van de heer Landdrost niet, die ik U schrifte „lijk door wijn zoon heb toegezonden, en durff gij nog zeggen dat ik een Verdoemde schelen ben, denzelven daarop had ken „vat, dat lugt Jouzoon als een schelm s waarop de voorm: Hendrik Albert Feijt aan meerm: van Saak had gezegt als ik het leeg als een Schelm; dan liegt gij het, als een dubbelde Schelm. dat voorsz: van Taak, daar op zijn geweer Verkeerd genomen het zelve opgeligt en tot gem: I: A: Feyt gezegd had, ik Slaa jouw de har Seipanen, als wanneer denzelven feyt toegepprongen was, en meerns van saak met de vlakke hand een slag in 't aangezigt toege bragt had, waardoor denzelven van Taak met zijn geweer in de hand agter over ter aarde gevallen was; hebbende voorsz J: A. Teyt als toen toespringende meerm: van Taak het geweer Ontweldigt, waarop dikwyls gem: van Saak, die zo wel als van Zyl beschonken was geweest, van daar weg na de Plaats van zijn zwager J: D: Nieuwont was gegaan en derwaards gaande over de scherpe steenen eenige reizen nog ter aarde gevallen, terwijl inmiddens voorsz: Pieter van zil met het gevelde geweer en ovagehaalde haan na de voorsz: burg Z: A: Feijt toegesprongen was, Onder
English
While saying, power you say. Whereupon the deponent, with a walking stick he held in his hands, had attempted to strike the lowered gun out of the hands of the repeatedly mentioned van Zeijl and knock it upwards, and furthermore, striking out in consternation, had thereby hit the said van Zeijl on the upper lip, as a result of which the repeatedly mentioned van Zijl had fallen over backwards, and the deponent had then also wrested the gun from the frequently mentioned van Seijl; that meanwhile, the said van Zeyl, having risen from the ground, had drawn his knife and pursued them all with it, making attempts to inflict several stabs upon them, wherefore the repeatedly mentioned Coenraad Feyt had called out to the men that they must seize and hold the said van Zeijl from behind, which being done, the knife was wrested from him; that in the meantime, the aforesaid Jan Steenkamp had fired with the gun he held in his hands towards them, but had hit no one, except only that a certain Hottentot and cattle-herd of the repeatedly mentioned Coenraad Feijt, named Johannes, had his stick shot out of his hands, with the deponent as well as the aforesaid Coenraad and I: A: Feijt having brought and shown the aforesaid two guns and the knife to the honorable court, and further lodged a complaint regarding this treatment. Declaring nothing more, the deponent gives as reasons for his knowledge as in the text, offering always to confirm the same under oath. Thus passed at the Cape of Good Hope on the 18th of March 1786 before the honorable Salomon van Echten and Johannes Sint Matthias Bletterman, members from the honorable Court of Justice aforesaid, who duly signed the original minute of this along with the deponent and myself, the Secretary. Lower down was written: Which I attest. Signed: C: L: Neethling. Account given in the presence of the undersigned commissioned members from the honorable Court of Justice of this Government, and at the requisition of the Landdrost of Stellenbosch and Drakensteijn, the honorable Hendrik Lodewijk Bletterman, by the burgher and agriculturist Pieter van Zeijl, Pieterszoon, of competent age, reading as follows: that the narrator, residing with his mother, the widow of the farmer Pieter van Zeyl, at the Oliphants River, stated that he believes he found himself on the 10th of the past month of February, being a Friday, at the farm of his fellow farmer Gerrit Nieuwout, also residing across the Olyphants River, where the fellow farmer Jan Harms Nieuwout was also present at that time, who, having ridden that same day from there to the farm of the Field Cornet Andreas Willem van Taak, had requested him, the narrator, to return there the following day, in order to ride with the said van Taak and him, Nieuwout, to the farm of the said Jan Harmse Nieuwout to inspect the water there, over which there was a dispute between the said Nieuwout and the farmer Coenraad Hendrik Feyt, as the aforesaid van Taak had an order from the honorable court to mediate the difference between the aforesaid Nieuwout and Feith, which, as the narrator had heard, the said van Taak had already done with witnesses; that the narrator, the said van Taak, and J: H: Nieuwout, having arrived at night at approximately one o'clock at the farm of Nieuwout, had remained there that night until the following afternoon, when the farmer Feijth and his son, with the former overseer Pieter Louw and several of his men, had come down from his farm and gone to the water over which this dispute existed; which being seen by them, the aforesaid van Taak had ordered him, the narrator, and Jan Steenkamp to go with him to the water, whither the slave boy Cobus and the bastard David also had to go by order of the said van Taak; that the repeatedly mentioned van Taak, Steenkamp, and the narrator, each having taken a gun, had gone with the said Cobus and David to that water, as the said van Taak had made a dam there that very morning as it was supposed to be, and thus to inspect that dam; whereupon, on their arrival there by the dam, they had found standing to one side the aforesaid C: H: Feyth, his son P: A: Feyt, and Pieter Louw, together with their men, reading as follows
Dutch transcription
Onder het zeggen, magt zegt gij. als wanneer den Comps met een in handen hebbende wandelstok had gepoogt het gevelde geweer uit de handen van meergem: van Zeijl weg en na boven te slaan voorts in Ontstellenisse toeslaande, daardoor gem: van zeijl Op de bovenlip had geraakt, waarvan meergem: van Zijl agter overgevallen was, en had de Compe al toen dikwijls gem: van seijl mede het geweer ontweldigd dat inmiddens ged van zeyl van de aarde opgeriezen zynde zijn mes getrokken en hun alle daarmede agtervolgd had Hogingen doende hun eenige steken toetebrengen, des meerm: Coenraad Feyt het volk had toegeroepen, dat hem verzeijl van agteren gripen en vasthouden moetten, t' gunt gedaan zijnde, was Denzelven het mes Onteeldigd. dat ondertusschen voorsz: Jan Steenkamp met zijn in handen hebbende geweer na hanl: geschooten, dog niemand getroffen had, als alleen dat zekeren hotten tot en beester agter van meerm: Coenraad Seijt in Nan Bhannes deszelvs kirrij uit de Landen geschoten was hebbende den Comp mitsgs voorsz: Coenraad en I: A: Feijt de voorm: twee geweeren en het mes aan d' E: regt gebragt en vertoond, en voorts over deze behandeling geklaagd. Niets meer Verklaarende geeft den Compt voor redenen van wetenschap als in den Text, Praesenteerende hetzelve altoos met Eede te staven Dat Aldus passeerde aan Cabo de goede Hoop den 18 Maart 1786 voor d' EE Salomon van Echten en Johannes Srint Matthias Bletterman leden uit den E: Achtb: Raad van Justitie voorn: die de minute dezer benevens den Comp en nu Secretaris mede behoorlyk hebben ondertekend /:lager 't welk ik getuyge /.getekend: C: L: Neethlin Caret Relaas gegeven ten overstaan vande Onderget: gecomm:s leden uit den E: Achtb: Raad van Justitie dezes Gouvernements en ter requisitie van den Landdrost van Stellenbosch en Drakensteijn d' E: Hendrik lodewijk Bletterman door den burger en land E: Pieter van Zei Pieterszz van Competenten Ouderdom luidende dat den Rel bij zijn Moeder de wede van den landb Pieter van Teyl aan de Oliphants riveir woonagtig zynde, zigde hij ver„ meynd op den 10 der Jongstl: maand Febr: of op een Vrydag had bevonden op de plaats van den medeland E: Gerrit Nieuwout mede over de Olyphants revier woonende, alwaar zeg toen ook bevonden had, den mede landb: Jan Harms Nieuwout dewelke ten zelvs dage vandaar naar de plaats van den Veldwagtm:s Andreas Willem van Taak gereden zijnde, denzelven hem Comp Verzogt had om aldaar den volgenden dag weder te komen, ten eynde met gem: van Taak en hem Nieuwont te ryden naar de Plaats van hem Jan Harmse Nieuwout om aldaar naar het water te zien, waarover tusschen gem:t Nieuwout ende, landb Coenrard Hendrik Feyt twist was, vermits voorm: van Taak van den E: regt last had, dat Verschil tusschen den voorsz: Nieuwort en Feith te middelen, t gant zo den regt gehoord had, gem: van Tark ook reeks met getuijgen had gedaan. dat den Comp„s gem: van Saak en J: B: Nierwout 'S nogts de klokke na gissing Een uur ter Plaatze van neeuw Nieuwont aangekomen zijnde zijl: dien nagt aldaar verbleven waren, tot 's volgenden nademiddags, wanneer den lands Feijth en zijn zoon met den oudbaas Juijnied Pieter Loen en eenige van zijn volk van zyn plaats afgekomen en na 't water waarover dit twist was gegaan waren, het gant door hun ge„ zien werdende had voorsz: van saak hen, zel en Jan steen „kamp geconmandeert, om met hem mede na t water te gaan, werwaards den slaven Jongen Cobu en den bosters david Op Ordre van gem: van Paak mede moetten gaan. dat meerm: van Iaak Steenkamp en den Rel ieder een geweer genomen hebbende kun met gem: Cobus en david na dat water hadden begeeven, dewijl gem: van saak dienzelven morgen aldaar een daem had gemaakt zoda ne als het wezen moest en om dus na dien dan tezien, als wanneer zyl: bij hunne komst aldaar bij den dauren ane zeij geschaord hadden vinden staan voorsz Ch: Feyth dezzelvs Zoon P: A: Feyt en Pieter Doen, nevens blii Zinde volk Tien luydende als Volgt Aat 5
English
that the aforesaid C: H: Feyth, as soon as they had arrived there, without having spoken anything at all beforehand, had asked the deponent who he was, to which the deponent had answered Pieter van Zeijl; and because the aforementioned van Saak had in the meantime walked right past him and taken the course as if he wanted to go to the dam, the deponent had indeed heard that the same had spoken something with the son of the said Feyth, without however knowing what that was; the deponent having meanwhile seen that the aforementioned H: A: Feyt had struck the aforesaid van Saak with his hand a blow against his head, whereby the said van Saak had fallen to the ground, whereupon the said Feyth had struck the mentioned van Saak, who lay on the ground, several more blows with his hand; whereupon the said Hendrik Seyth, having moved away from van Saak toward the deponent, having asked him the deponent what he the deponent came to do there, to which the deponent having answered that the Field Cornet had commanded him the deponent, the same H: A: Seyt had said thereupon, do you listen to such a one! And because at that moment someone, without knowing who it was, had jerked the gun out of the hand of him the deponent, and the mentioned H: Seijt grabbed at him the deponent at the same time, the deponent had done the same to the said Feijth; whereupon he the deponent and the aforesaid Seyt had thus both fallen to the ground, the deponent was immediately attacked and beaten from behind, without the deponent knowing from his bewilderment by whom or which other persons that was done, the deponent thus remaining lying on the ground unconscious; that when the deponent had regained consciousness, he had seen the aforesaid Coenraad Hendrik and Hendrik Albert Feijth together with some of their people still standing nearby; the said Coenraad Hendrik Feijth, when the deponent walked away, having swayed somewhat due to dizziness, had also said to the deponent, you are drunk, which the deponent had answered by saying: I am not drunk; the people of the said Coenraad having ripped from his the deponent's body his bandolier with the powder horn and taken it with them, just as the deponent had also lost his knife and sheath which had been stuck into his trouser pocket in the sheath, without him knowing how that came to happen. Relating nothing more, the deponent gives as reasons for his knowledge as stated in the text, offering always to confirm the same further. Underneath stood: Thus related at Cape of Good Hope on 23 March 1786 before the Honorable Johannes Marthinus Horak and Johannes Smuts, members of the Honorable Council of Justice aforesaid, who have duly signed the minute hereof along with the deponent and me, the Secretary, which I witness, signed C: L: Neethling Secretary. Appeared before the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, the burgher Jan Harmse Nieuwoudt of competent age, who, at the requisition of the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, the Honorable H: L:s Bletterman, declared to be true: that the deponent, already for a considerable time past, with his neighbor the burgher C: H: Feijt, had been in dispute over a certain watercourse situated there, and on account thereof had suffered much nuisance and unpleasantness from the same Feijt and his sons, they having acted very arbitrarily with the water, and even several times breached and destroyed a certain dam built in the course of that water by the deponent, not without much trouble and expense; the deponent therefore, on account of the repeated threats of the same Feijts on his place, was at times not certain of his own life, so that the deponent therefore had decided rather to depart with his wife and children from that place and to go reside at the dwelling of his father, the burgher Gerrit Nieuwoudt. That the deponent having subsequently ridden now and then from his father's to the same abandoned place, also once in the month of February last had had to proceed thither in order to collect a load of butter from there, but that the deponent, out of fear that the aforesaid Feijts would again
Dutch transcription
dat voorsz: C: H: Teyth zo als zyl aldaar waren aangeko men aan den Comps zonder alvoorens iets het minste te hebben gesproken had gevraagt, wis hij regt was, waarop den rel had geantwoord Pieter van Zeijl en Vermits inmiddens meeri van saak hem regt voorby en de Courseven als of na den dan„ Wilde gaan gegaan was, had den zelt wel gehoord, dat dezelve iets met den zoon van gem: Seyth gesproken had, zonder dat hy egter weet wat zulx zy geweest; hebbende den zel ondertus schen gezien, dat meerm: S: A: Feyt voorsz van Saak met zijne hand een klap tegen zijn hoofd toegebragt had, waardoor gem: van Paak op de aarde gevallen was, wanneer morgen Seyth aangerepten van Saak die op de aarde dat nog eenige Hagen met zijne hand had toegebragt; wanneer gem: Den. drik Seyth van van Taak af na den Rel gevraagt was toege koomen, aan hem relt gevraagd hebbende; wat hij rel daar kwam doen, ? op 't welk den zel geantwoord hebbende, dat den Veldwagtm: hem relt had gecommandeert: denzelven P: A: Seyt daarop gezegt had, luysterd gij na ze een! en Vermits op dat lijdstip iemand, zonder te weten wie, zulx geweest is hem relt het geweer uit de hand gerukt had, en gerepte B: seijt na hem rel teffens greep had den rel zulx ook aan gem Feijth gedaan; wanneer hij relt op voorsz: seytken dus beide op de aarde gevallen waren, den rel„t opstonds van agteren geattacqueert en geslagen geworden was, zonder dat den rel daer ontsteltenisse weet door wien, of welke perzonen meer zulx zij gedaan, zijnde den rel„t dus buijten bezef op de aarde blyven leggen dat wanneer den elt weder bij gekomen was hij vvorsz: Coenraad Hendrik en Hendrik Albert Feijtk mitsgs Loenen hun voek nog daardigt bij had zien staan; hebben de gem: Coenraad Hendrik feijth wanneer den Rel„ weg gaande door duyzeligheid wat geslingerd had tegens den relk nog gezegt gij bent beloopen, hot gunt den relt, had beantwoord: met te zeggen; ik ben niet bezopen, hebben de het volk van gem: Conradi hem relt zijn bandel ier met het kruythoorn van 's lyf afgerukt en mede genomen, gelyk den relt dan ook zijn in de broekzak in de schede ge Stooken „stoken hebbende mes en schede is quytgeraakt, zonder dat hij weet, hoedanig zulx toegekomen is. Niets meer relaterende geeft denzelt voor redenen van wetenschap als in den text presenteerende hetzelve altoos nader gestand te doen /:Onderstond:/ Aldus gerelateerd aan Cabo de Goed Hoop den 23 Maart 1786 voor d' E E Johannes Marthinus Horak en Johannes Smuts leden uit den E: Achtb: Raad van Jasti tie voorm: die de minute dezes benevens den zel, en mij Secretaris mede behoorlijk hebben ondertekend /: t welk ik ge„ tuyge /:getekend:/ C: L: Neethling Secret:. Compareerde voor de onderget: gecomm: uit den E: Achtb Raad van Justitie dezes gouvernements, den burger Jan Harmse Nieuwdat van Competenten Ouderdom, dewelke ter requisitie van den Landdrost van Stellenbosch en drakenstein de Seer D: L:s Bletterman verklaarde hoe waaris — dat de Comps al zederd een geruimen tijd herwaards met Zijn buurman den burger (:I: Feijt over zekeren waterloop in dizut gelegen, en deswegens van denzelven Feijt en zijne zoons diet werf veel overlast en onaangenaamheden had moe„ ten lijden, als hebbende deselven met 't water zeer willekeurig gehandeld, en zelvs verscheiden reizen zekere in den loop van dat Water door den Comps niet zonder veel moeijte en kosten gelegde t om doorgestooken en gedestrueerd, den Compt dan om De herpaalde Alreigementen van dezelve Feijts op zijn plaats Zomlijds zijn eigen leven niet zeker geweest was, zulx den Comps daarom beslooten had, om liever met zijn vrouw een Kinderen van dezelve Plaats te Vertrekken en zig op de woonplaats van zynen vader den burger Gerrit Lieuwent te gaan onthouden. Dat den Comp Vervolgens welne en dan van zijn baven naar dezelve verlatene Plaats gereden zijnde, ook eens in de maand Februarij ll: zig derwaards had moeten begeven ten einde van daar een bragt boter af te halen, dan dat de Comp uit Vreeze dat de voorsz: Feijtshen, widerom Zoude. -
English
would plague or molest him, he had therefore requested the veldwagtin Andries Willem van Saak and the barger Pieter van Zeijl to accompany him thither, and to protect him against the said feared molestation and calamities, which, for the reasons aforesaid, was also done by the said van Taak and van zeil; that the deponent then also, having arrived at night with the said van saak and van zeijl at the deponent's place, the deponent had then learned from a certain young man staying at his place, named Jan Harmse Steenkamp, that the more aforesaid party had breached the dam and had even completely destroyed it, upon which the said van saak had said that he would go thither himself and would restore that dam again, as he, van Taak, had indeed gone thither very early in the morning with 3 or 4 boys and had shown the said slaves how they had to erect the dam and put it in order, the said van Taak having returned to the place shortly thereafter; that on that same day, nearly towards noon, three persons on horseback and about 10 to 12 on foot, amidst the continuous shouting of huzza, passed by the place of the deponent and went up the road along the river towards the dam, the said van saak had then said to the aforesaid van Zeil and Steenkamp that he, according to his instruction as veldwagtmeester, was obliged to prevent and oppose all acts of violence and calamities occurring in his district, and that they must therefore proceed thither with him, in order to prevent the said party from ruining and destroying now again—at least not without a direct written order from the lord landdrost—the dam which they had previously seen fit to breach when he, as veldwagtmeester, had caused it to be cleared and repaired, as they, van Taak, van zeil, and steenkamp, then also went thither; for the rest, the deponent declared that he does not know how it turned out with them then, except only that van saak and van zeijl returned nearly half dead and grievously assaulted, having several holes in the head, the aforesaid van saak and van zeijl being completely faint upon their return and forced to lie down immediately. Declaring, lastly, the deponent that the following day the same party, with a retinue of fully 13 to 14 persons, were seen again in the vicinity of the deponent's place, when, passing the place, they had continuously thrown dirt into the air, amidst the incessant shouting of huzza, had gone along the river towards the dam, and had returned; as also the deponent attested that, in order to let the party obtain more water, he had himself dug out a valley so as always to have water in reserve thereby, without any water being found there at present. Declaring nothing more, the deponent gives as reasons of knowledge as in the text, being prepared to maintain the same further. Below was written: That this thus occurred at Cabo de Goede Hoop on the 30th of November 1786, before the gentlemen Johannes Marthinus Horak and Johannes Matthias Bletterman, members of the Honourable and Esteemed Court of Justice aforesaid, who have also duly signed the minute hereof along with the deponent and me, the sworn clerk. Lower: Which I witness. Signed: R. J. van der Riet, sworn clerk. Re-examination. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honourable and Esteemed Court of Justice of this government aforesaid, the burgher Jan Harmse Nieuwoudt, who, this his preceding declaration having been read aloud to him word for word clearly and distinctly, declared to persist therein, desiring that nothing more be added thereto or subtracted therefrom, and therefore spoke, in confirmation of the truth thereof, the solemn words: So help me God almighty. Below was written: Thus re-examined and sworn at Cabo de Goede Hoop on the 1st of December 1786. Signed: Jan Harms Nieuwout. Lower: In my presence. Signed: R. J. van der Riet, sworn. In the margin: As commissioners. Signed: M. J. van Reede van Oudtshoorn and J. M. Bletterman. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honourable and Esteemed Court of Justice of this government, the burgher Schalk Willem Vorster, of competent age, who
Dutch transcription
zoude quellen, aff overlast aandoen, derhalven van den veldwagtin Andries Willem van Saak en den barger Pieter van Zeijl verzogt had om hem derwaards te verzellen, en voor dezelve gevreesde ove last en Onheilen te beveiligen, 't geen dan door gem: van Taak en van zeil om redenen voorsz: ook was geschied dat de Comp dan ook met dezelve van saaken van zeijl des nachts op des Comps plaats gekomen zynde den Comp als toen van zekeren op deszelvs plaats verblyfhoudende, Con geling Jan Harmso Steenkamp genaamd Vernomen had, dan meer gem: seyts den dam doorgestoken en die zelvs geheel vernield hadden, op 't welk gem: van saak gezegd had, van zelv derwaards te zullen gaan, en die dam wederom te zullen verhelde gelijk hij van Paak zig dan ook zeer vroeg in den morgen stond met 4 a 4 Jongens derwaards begeven en dezelve slaven aangewezen had, hoedanig zij den dam moesten opzetten en in ordre brengen, zijnde gem: van Taak kort daarop wederom na de Plaats te rug gekeerd. dat op dienzelvden dag bij kans tegen den middag drie ver„ zoonen te paard en wel 1o o 12 stuks te voet onder 't geruurig geschreeue van Hoeze voorby de plaats van den Comps en langs de rivier den weg naar de dam opgegaan zijnde, denzelven van saak als toen aan voorsz: van Zeil en Steenkamp gezegd had; dat hij volgens zijne instructie als Veldwagtm: verpligt was om alle geweldenarijen en onheilen in zijn district voorval„ lende te weeren, en tegente gaan, en dat zij zig dierhalven met hem derwaards begeven moetten, om aan de zelve feits te beletten, dat zij den dam die zij nog eens wanneer hij dezelve als Veldwagtm: had laten ophalen en te regt maken had knun goedvinden te laten doorsteeken, als nw niet andermaal ten minste niet zonder directe schriftelijke Ordre van de heer Landdrost zouden rouneren en bederven, gelyk zij van Taak van zeil en steenkamp toen rok derwaards zijn gegaan. voor 't overige Verklaarde de Compte dat hij niet weet hoedanig het als toen met hun is afgeloopen, als alleen dat van saak en van zeijl bijkans half doot en deerlijk mishandeld hebbende Verscheide gaten in 't hoofd gehad, zijn terug gekomen zijnde Voorsz: van saak en van zeijl bij hun terug komst geheel flaaw en genoodzaakt geweest Om ten eersten te moeten gaan leggen. Verklarende Verklarende de Compt laatstelyk dat 's daags daaraan do„ zelve feijt met een gevolg van Wel 13 à 14 Perzonen alwedervm omstreek des Comp Plaats zijn gezien, als wanneer zyde Plaats passeerende, geduurig Land en de hoogte gesmeeten hadden, onder 't onophoudelyk raden van Doeze, langs de rivier naar den dam waren gegaan, en ze weder gekeerd als mede betuygde den Compt dat hij om leijt meerder water te doen krygen zelvs een Valley had uitgegraven en daardoor altoos water in voorraad te hebben, zonder dat thans eenig water zig daar bevind. Niets meer Verklarende, geeft den Compts voor redenen van Wetenschap als in den text bereid zinde, zulx nader gestand te doen /:onderstond:/ Dat Aldus Dasseerde aan Cabo de goed Dorp den 30 Novbr: 1746 voor de Heeren Johannes Marthinnus Dorak en Johannes Matthias Bletterman, leden uit den E: Achtb Raad van Justitie voorm: die de minute dezer benevens den Comp en Ing gezw: Clercq mede behoorlyk hebben ondertekend /:lager:/ t welk ik getuyge /:getekend:/ R: J: V: d: Niet geza Clercq. Recollement. Compareerde voor ons onderget: gecomm: uit den E: Achtb: van Justitie dezes gouvernements voorm: den burger Jan Harmse Nieuwout dewelke deze zijne voorenstaande Oicla „ratoir van woorde tot noorde klaar en deudelijk voorgelezen wezende Verklaarde daar bij te blijven Persisteeren, met begeerte dat er niet meer bij of van gedaan werden zal, en prak dier halven ter bevestiging der waarheid van dien de solemneele woorden ze waarlyk help mij god almagtig /:Onderstond:/ Aldus gerecolleerd en BeEedigt aan Cabo de goede Doop den 1 december 1786 /:getekend:/ Jan Barins Nieuvout /:lagar mij Present /:getekend:/ R: J G: d: Riet gezw: /: in margine:/ /als gecomm. /: getekend:/ M: J: V: Reede van Oudtshoorn en J: H. Dletterman. Compareerde voor ons onderget: gecomm: uit den E Achtb: Raad van Justitie dezes gouvernements den burger Schalk Willem Vorster, van Competenten Ouderdom dewelke E - -
English
would torment or cause him harassment, and had therefore requested the Veldwagtmeester Andries Willem van Saak and the burgher Pieter van Zeijl to accompany him thither and to protect him against the aforesaid feared harassment and mischief, which had then also happened through the said van Taak and van zeil for the reasons aforesaid; that the Appearer, having then also arrived at night at the Appearer's place with the said van saak and van zeijl, the Appearer had at that time learned from a certain youth residing on his place, named Jan Harmse Steenkamp, that the repeatedly mentioned seyts had breached the dam and had even completely destroyed it; whereupon the said van Taak had said that he would go thither himself and repair that dam again, just as he, van Paak, had then also gone thither very early in the morning with 4 or 4 boys, and had instructed those slaves how they were to raise the dam and put it in order, the said van Taak having returned to the place shortly thereafter; that on the same day, nearly toward noon, three persons on horseback and about 1o to 12 persons on foot, amid the continuous shouting of Hoeze, having gone past the place of the Appearer and along the river up the road to the dam, the said van saak had at that time said to the aforesaid van Zeil and Steenkamp that, according to his instructions as Veldwagtmeester, he was obliged to prevent and oppose all acts of violence and mischief occurring in his district, and that they must therefore go thither with him to prevent the said feits from ruining and destroying once again, or at least not without a direct written order from the honorable Landdrost, the dam that they could have found good to breach once when he, as Veldwagtmeester, had had it raised and repaired; just as they, van Taak, van zeil, and steenkamp, had gone thither together; for the rest, the Appearer declared that he did not know how it had then turned out with them, except only that van saak and van zeijl, having been almost half-dead and sorely abused, having various holes in the head, had returned, the aforesaid van saak and van zeijl having been entirely faint upon their return and compelled to go lie down immediately; the Appearer lastly declaring that on the following day the same feijt, with an entourage of about 13 to 14 persons, had again been seen around the Appearer's place, at which time, passing the place, they had continuously thrown dirt into the air, and under the unceasing shouting of Doeze had gone along the river to the dam and returned; as also the Appearer testified that in order to let feijt obtain more water, he had himself dug out a valley, thereby always having water in reserve, without any water now being found there. Declaring nothing more, the Appearer gives as reasons for knowledge as in the text, being prepared to confirm the same further. Thus passed at Cabo de Goede Hoop, the 30 Novbr: 1786, before the Messrs. Johannes Marthinus Horak and Johannes Matthias Bletterman, members of the Honorable Worshipful Council of Justice aforesaid, who duly co-signed the minute hereof together with the Appearer and me, sworn Clerk. Which I witness: R: J: v: d: Riet, sworn Clerk. Re-examination. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government aforesaid, the burgher Jan Harmse Nieuwout, who, this his preceding declaration having been read aloud clearly and distinctly word for word, declared that he persisted and would abide by it, desiring that nothing more be added to or taken from it, and therefore, in confirmation of the truth thereof, spoke the solemn words: So help me God Almighty. Thus re-examined and sworn at Cabo de Goede Hoop, the 1 December 1786. Jan Harms Nieuwout. In my presence: R: J: v: d: Riet, sworn. As commissioners: W: J: v: Reede van Oudtshoorn and J: M: Bletterman. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, the burgher Schalk Willem Vorster, of competent age, who
Dutch transcription
zoude quellen, af overlast aandoen, derhalven van den Veldwagtin Andries Willem van Saak en den barger Pieter van Zeijl verzogt had om hem derwaards te Verzellen, en voor dezelve gevreesde over last en Onheilen te beveiligen, 't geen dan door gem: van Taak en van zeil om redenen voorsz: ook was geschied dat de Comp dan ook met dezelve van saaken van zeijl des nachts op des Comps plaats gekomen zynde den Comp als toen van zekeren op deszelvs plaats verblyfhoudende Con geling Jan Harmso Steenkamp genaamd Vernomen had, dat meergem: seyts den dam doorgestoken en die zelvs geheel vermeld haeden, op 't welk gem: van Taak gezegd had, van zelve derwaards te zullen gaan, en die dam wederom te zullen verhelpen gelijk hij van Paak zig dan ook zeer vroeg in den morgen stond met 4 a 4 Jongens derwaards begeven en dezelve slaven aangewezen had, hoedanig zij den dam moesten opzetten en in Ordre brengen, zijnde gem: van Taak kort daarop wederom na de Plaats te rug gekeerd. dat op dienzelvden dag bij kans tegen den middag drie ver„ zoonen te paard en wel 1o a 12 stuks te voet onder 't geduureg geschreeue van Hoeze voorby de plaats van den Comps en langs de rivier den weg naar de dam opgegaan zijnde, denzelven van saak als toen aan voorsz: van Zeil en Steenkamp gezegd had; dat hij volgens zijne instructie als Veldwagtm:s verpligt was om alle geweldenarijen en onheilen in zijn district voorval„ lende te weeren, en tegente gaan, en dat zij zig dierhalven met hem derwaards begeven moetten, om aan de zelve feits te beletten, dat zij den dam die zij nog eens wanneer hij dezelve als veldwagtm:d had laten ophalen en te regt maken had kunnen goedvinden te laten doorsteeken, als uw niet andermaal ten minste niet zonder directe schriftelijke Ordre van de heer Landdrost zouden rouneren en bederven, gelyk zij van Taak van zeil en steenkamp te en rok derwaards zijn gegaan. voor 't overige Verklaarde de Compe dat hij niet weet hoedanig het als toen met hun is afgeloopen, als alleen dat van saak en van zeijl bijkans half doot en deerlijk mishandeld hebbende Verscheide gaten in 't hoofd gehad, zijn terug gekomen zijnde Voorsz: van saak en van zeijl bij hun terug komst geheel flaau en genoodzaakt geweest om ten eersten te moeten gaan leggen. Verklarende Verklarende de Comp laatstelyk dat 's daags daaraan de„ zelve feijt met een gevolg van Wel 13 à 14 Perzonen alwederom omstreek des Coms Plaats zijn gezien, als wanneer zide Plaats passeerende, geduurig Land in de hoogte gesmeeten hadden, onder 't onophoudelyk raden van Doeze, langs de rivier naar den dam waren gegaan, en ze weder gekeerd als mede betuygde den Compt dat hij om feijt meerder water te doen krygen zelvs een Valley had uitgegraven, en daardoor altoos water in voorraad te hebben, zonder dat thans eenig water zig daar bevind. Niets meer Verklarende, geeft den Comptn voor redenen aan wetenschap als in den text bereid zijnde, zulx nader gestand /:onderstond:/ te doen Dat Aldus Dasseerde aan Cabo de goed Dar den 30 Novbr: 1746 voor de Heeren Johannes Marthinus Torak en Johannes Matthias Bletterman, leden uit den E: Achtb Raad van Justitie voorm: die de minute dezes benevens den Comp en mij gezw: Clercq mede behoorlik hebben ondertekend /:lager:/ 't welk ik getuiyge /:getekend:/ R: J: V: O: Riet gezu Clercq. Recollement. Compareerde voor ons onderget: gecomm: uit den E: Achtb: van Justitie dezes gouvernements voorm: den burger Jan Harmse Nieuwout dewelke deze zijne voorenstaande Oicla „ratoir van woorde tot noorde klaar en deudelijk voorgelezen wezende Verklaarde daar bij te blijven Persisteeren, met begeerte dat er niet meer bij of van gedaan werden zal en Prak die halven ter bevestiging der waarheid van dien de solemneele woorden zo waarlyk helb mij god almagtig /:Onderstond:/ Aldus gerecolleerd en BeEedigt aan Cabo de goede Doops den 1 december 1786 /:getekend:/ Jan Barins Niemwout /:lagar mij Praesent /:getekend:/ R: J: W: d: Riet gezw: /: in margine:/ /als gecomm. . /:getekend:/ W: J: V: Reede van Oudtshoorn en J. H. D letterman. Compareerde voor ons onderget: gecomm: uit den E Achtb: Raad van Justitie dezes gouvernements den burger Schalk Willem Vorster, van Competenten Ouderdom dewelke E E
English
who, at the requisition of the merchant and Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Mr. P: L: Bletterman, declared to be true that the appearer, who lives on the Olifantsrivier about two hours from the place of the burgher Coenraad Hendrik Feijt, in the late part of the month of January of this year, when the place of the said Feijt was in great distress for water on his place due to the then prevailing excessive drought, having been requested on behalf of the aforesaid C: H: Feijt, in accordance with the order received from the requisitionist, to go with his, Feijt's, son named A: Feijt and the burgher Barend Lubbe Andriesz as well as the carpenter Pieter residing in the house of the said Feijt, to a certain watercourse over which a dispute had arisen between the said Coenraad Feijt and his neighbor Jan Harmse Nieuwout, in order to breach the said watercourse according to the said order of the Mr. Requisitionist, he, the appearer, had indeed gone thither with the said persons; that the said son A: Feijt having just begun to breach the dam, there also arrived the servant of the said Nieuwout, named Jan Steenkamp, holding a gun in his hand, and accompanied by a slave boy named Cobus; that he, Steenkamp, had immediately gone up to the aforesaid A: H: Feijt and had asked him on whose order he was breaching the water; that the said Feijt having answered that question, by order of the Mr. Landdrost, the aforesaid Steenkamp had thereupon continued, it is good that you come by order of the Mr. Landdrost, for otherwise I would shoot and lift you like a crow; furthermore, after the said Feijt had breached the water, both the aforesaid Steenkamp and the appearer with his accompanying party departed from there. The appearer declaring that the aforesaid C: H: Feijt did indeed relate to the appearer in what manner he, Feijt, had been wronged and mistreated by the field-cornet A: W: van Taak and some other persons, without the appearer, however, knowing anything of the circumstances of that matter, having personally witnessed nothing thereof. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons for his knowledge as in the text, being prepared at all times, if required, to confirm the same with solemn words. Below stood: Thus passed at the Cape of Good Hope on 5 October 1786 before the Messrs. Johannes Marthinus Horak and Hendrik Justinus de Wet, members of the Honorable Court of Justice aforesaid, who have duly signed the minute hereof together with the appearer and me, the Secretary. Lower: Which I witness, signed: C: van Aerssen, Secretary. Review. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, the aforesaid Schalk Willem Vorster, to whom this his preceding declaration having been read aloud clearly and distinctly word for word, the appearer declared to persist thereby, not desiring that anything more shall be added to or taken from it, and therefore immediately uttered, in confirmation of the truth, the solemn words, So truly help me God Almighty. Below stood: Thus reviewed and sworn at the Cape of Good Hope on 8 October 1786. Signed: S: W: Vorster. Lower: Which I witness, signed: C: v: Aerssen, Secretary. In the margin: As commissioners, signed: J: M: Horak and H: J: de Wet. Articles drawn up and presented to the gentlemen commissioners from the Honorable Court of Justice of this government by the undersigned Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Hendrik Lodewyk Bletterman, in order to hear and interrogate the Field-cornet Andreas Willem van Taak thereon at his requisition, the answers to be given by him to be set down beside each article. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, Andreas Willem van Taak, who has answered the adjoining question points in such manner as is noted beside each of them. Article 1. To demand of the defendant in person his name, birthplace, age, and quality. Answer 1. Says Andries Willem van Taak, native of this region, aged over 41 years, quality former Field-cornet. Article 2. Whether the defendant is also in any way related to the burgher Jan Harmse Nieuwoudt. Answer 2. Says yes, to be a brother-in-law of the same. Article 3. Whether the defendant is aware that between his brother-in-law the aforesaid J: H: Nieuwout and the burgher Coenraad H: Feijt, various disputes have arisen over several years past regarding the water which, according to its natural course, runs through, on, and past the place of the said Nieuwoudt to that of the aforesaid Feijt. Answer 3. Says: Yes: that there have always been disputes, and as far as he knows, up to the present. Article 4. Whether the defendant is also aware that in the year 1784 or 1785, by the late Mr. Daniel van Ryneveld, then Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, a similar arrangement was made regarding the aforesaid water, namely that Nieuwout and Feijt should clear the furrows and ditches of the aforesaid water, and that he, Nieuwout, after proper use, should let the same water run unhindered to the place of the said Feijt. Answer 4. Says yes, and that the defendant himself as field-cornet received orders from the said Landdrost Ryneveld to see to it that Feijt and Nieuwout should each have half of that water. Article 5. To read to the defendant the letter written by order of the requisitionist by the Substitute Rudolphij under date of 16 January, and to ask the defendant whether this does not conform to the content of the letter received by the defendant on 23 January. Answer 5. Says, the letter having been read to him, that it contains the same orders as were given to him by the Landdrost.
Dutch transcription
dewelke ter requisitie van den koopman en Landdrost van Ctellenbosch en drakensteun de heer P: L: Bletterman Verklaarde hoe waar is dat den Compt die aan de Olyphantszerer Omtrend twee uuren van de plaats van den burger Coenraa Hendrik feijt woonag tig is, in 't laast van de maand January dezes Jaars, wanneerde Plaats van gem: seyt door de toen heerschende excessive droog„ „te op zijn plaatszeer om water Verlegen was, van wegens voorsz C:G: feijt Verzogt geworden zijnde, om ingevolge ontvangene Ordre van den reqt. met den zoon van hem feit in naame A: feijt en den burger Barend Labbe Andriesz: mitsg den bij gem: feyt in huijs wonend en timmerman Pieter den gen te gaan naar zekere waterloop, waarover tus schen Gem: Coenraad Feijt en zijnen buurman Jan Parmse Neemoout Verschil gerezen was, ten einde volgens gem: Ordre van den Heer regt dezelve waterloop te doorsteken hij Comp zig dan ook met geme Perzonen, derwaards begeven had„ dat gem:e Z: A:feyt even begonnen hebbende, om den dam door te steken, als toen daar mede bij gekomen was de knegt van gem: Nieuwout, in naame Jan Steenkamp een geweer in de hand hebbende, en Verzel van een slaven Jongen gem Cobus dat hij steenkamp terstond naar voorsz P: R: Feyt was toegegaan, en aan denzelven gevraagd had; op wiens Ordre hij 6 water doorstak! dat gem: feijt op die vrage geant woord hebbende uijt Ordre van de heer Landdrost had voorm: Steenkamp daarop Vervolgd; het is goed dat gij uit Ordre vande heer Landdrost komt, want anders zoude ik Jouw schieten en ligten als een krary; zynde wyders nadat gem: seyt het water door gestoken had zo wel voorsz: steen kamp als den Comps met zin bijhebbend gezelschap van daar gegaan. Verklarende de Comp dat voorm: C: h: Feyt han Comp wel heeft Verhaald, op hoedanigd wijze hij feijt door den Veldwagtm: A: W:r Van Paak, en nog eenige andere Perzonen zoude verongelykt en mishanveld zijn, zonder dat den Comp egter van den toedragt dier zake iets weet, als hebbende niets daar van in Perzoon bygewoond Niets meer Verklarende geeft den Compt voor redenen van wetenschap als in den text, bereid zynde 't zelve wanneer het gerequireerd mogte worden, ten allen tyde wet solem nerk - „neele woorden gestand te doen /:onderstond:/ Aldus gepasseerd aan Cabo de goede Hoop den 5 October 1786 voor de Heeren Johannes Marthinus Horak en Pen drik Justinus de Wetleden uit den E: Achtb. Raad van Jas tie voorm=t die de minute dezer benevens den Comp in wy Secretaris mede behoorlijk hebben ondertekend /:lager:/ 't welk ik getuyge /:getekend:/ C: van Aerssen Secret Recollement. Compareerde voor ons ondergez: gecommitt: uit den E Achtb: Raad van Justitie dezer gouvernement voorm Schalk Willem Vorster, dewelke dezo zijne voorenstaande verklaring van woorde tot woorde klaar en duidelyk voorgeleezen zijnde Verklaarde den Compt daarbij te bli ven persisteeren, niet begeerende dat er iets meer bij of van gedaan worden zal en strak dierhalven ter bevestigen der waarheid, de solemneele woorden, zo waarlyk Zelf mij God Almagtig /onderstond: Aldus Gerecolleerd en beeedigd aan Cabo de goeder Door de 8 oct: 1726 /getekend:/ S: W: Vorster : /lager:/ 't welk ik getuyge /:geteet:/ C: V: Nerssen Secret:/ in margine:/ als gecomm: /:getekend:/ J: M: Borak en P: de Articulen gedaan maken en Compareerde voor ons onderget: aan heeren gecomm:s uit den E: Achtb: raad Gecommitt: uit den E: Achtb: van Justitie dezes gouvernements overge raad van Justitie dezes Gouvern r„ geoen, door den onderget: landdrost van ments Andreas Willem van saak, denwelke op de nevenstaan Vellenbosch en Crakensteijn, Hendrik „de vraag Poincten zodanig Lodewyk Bletterman, om daarop der heeft geantwoord als benevens Zyner requisitie gehoord en ondervraagd een ieder derzelver aangetekend te worden, den Veldwagtm:s Andreas Willem van Taak zullende zijne daar Op te gevene antwoorden bezyden ieder Articul moeten worden bekend gesteld. staat. Art: 1. Wet.— zegt Ja. en dat hy geda. zelvs als veldwagtm:r van gede landdrost Ryneveld ordre heeft gehad, omtezorgen, dat feyt en zouden hebben. zegt de brief hen voorgeleezen Zynde, dezelvde Ordres te bevatten die door den landdrost aan hem zijn gegeeven. zegt Andries Willem van Taak geboortig van dezen uithoek Ord ruim 41 Jaar qualiteyt ge„ Wezen Veldwagtm:r zegt Ja, een zwager van denzelven te zijn. zegt: Ja: altoos dispaten te hebben gehad, en zo hij niet beter weet tot nog toe. O hem gede ook bewust is, dat in den Jaare 1784 af 1765 door wylen den heer Daniel van Rijneveld als toen en brakensteijn over 't voorsz: wa „ter een dergelyke beschikking is ge„ maakt, dat namentlyk neeu¬ waat en feijt de grapen en sloten van 't voorsz: Water Opruiman en hij nieuwoat na behoorlyk gebruyk 't zelve water Ongehinderd na de plaats van gem: Feyt zou moeten laaten loopen. Nieuwant ieder de helft van dat water malige Randdrost van Zellenborch De gede de missive ter Ordre van den regt door den Substitut Rudolphij in dato 16 Jan: geschreven voorte lezen en hem ged aftevragen. of deze niet is conform Een inhoud der door hem ged' Op den 23 Jan: Ontvangere missive Of hen ged: bewrest is dat tusschen zijn zwager voorsz: J: H: Nieuwout en den burger Coenraad S:Heijt zederd eenige Jaaren herwaards differente Verschillen zijn Ontstaan Over 't water, 't welk volgens haare natuurlijken loop, door aan en voor bij de plaats van gem. Nieuwoudt na die van voorsz. feijt henen loopt hy ged ook eenigzints vermaagd Schant is aan den burger Jan harmse Nieuwoudt Ant: 1 des ged: in Perzoon zijn Naam„ geboorteplaats, en ouderdom en qua liteyt. Art:C: 3 ƒ
English
Cancelled. Says Yes: in the presence of the persons, namely Jannes Botha Willemsz and Hendrik Beukes Hendriksz. Whether the defendant immediately complied with the order contained in the aforesaid letters. Says Yes, and that he handed over the letter to Hendrik Beukes aforesaid, in order to give it further to Gideon van Zijl for further delivery, without knowing whether that letter was delivered further to the Landdrost, and at what time. If Yes: whether the defendant then sent a proper report of his investigation to the Landdrost, by whom, and by what opportunity, and on what day. Says that when D. C. Feijt brought him, the defendant, the letter from the Landdrost, the same immediately said to the defendant: here is a letter from the Lord Landdrost, my father knows what is in the letter, and what you must do; that hereupon the defendant replied: so your father knows what is in the letter, a rascal is not to be trusted, you may well have broken open the letter. Further says that he said this because the aforementioned Feyt, some time ago, had brought him, the defendant, a forged letter, which he said came from the Landdrost Rijneveld. Whether the defendant did not immediately declare that rascalities were afoot with the letter. Says No, not to have read that letter, although he did hear of a letter. To show the defendant in person the letter from the Officer of Justice dated January, written to the burgher J. B. Nieuwout, and to ask him whether the defendant did not find and read the same letter at his aforesaid brother-in-law Nieuwout's, or whether the principal content thereof was not communicated to him. If Yes, to ask the defendant: Whether he could not naturally understand from the content thereof that the Officer of Justice had at that time not yet received any report from him, the defendant. Article 6. Article 11. 10. Cancelled. Says Yes. Whether the necessity did not then require that he should have sent a second report to the Officer of Justice as soon as possible. Says to have signed the complaint to the pro interim fiscal, but not to have written it. To show the letters sent to the Officer of Justice by the defendant, dated 26 January and 13 February, together with the copy declaration of 26 January, and to ask whether the defendant wrote, copied, and also signed them all in his own hand. Article 11. Says as before. When the defendant in person, in the presence of the burgher Jan Steenkamp, on 13 March thereafter, in the afternoon, confessed: to have neither written nor signed the letter of 13 February, nor the complaint of 16 February addressed to the pro interim fiscal. Says to have told those people to go with him and to take their guns with them, for the reason that threats of violence had already been made beforehand by L. A. Feyt on the farm of Nieuwout. Whether the defendant also did not, on 13 March, first deny to the Officer of Justice, but upon conviction by the aforesaid Steenkamp, confessed that he commanded the same Steenkamp and the burgher Pieter van Zeijl, with the taking of their muskets, to go with him, the defendant, also provided with a loaded musket, to see whether Coenraad Feyt and his party would breach the made dam. To read out to the defendant the first article of his instructions, prescribed to him, the defendant, as Field Cornet, with the approval of the high authority of this country, by the Council of War at Stellenbosch for observance, reading as follows: The Field Cornet shall, when in his district among neighbors a dispute arises concerning the pastures or the use of the water of their farms, with two impartial witnesses in the presence of the disputing parties, make a careful investigation, and according to reason and fairness make an agreement or mediation, properly understood regarding the outspans, waters, and pastures as aforesaid, but especially not regarding Company lands which are ploughed, sown, or otherwise cultivated outside of ownership, loan, or quitrent, and shall make a report of his proceedings to the Lord Landdrost. And then to ask him whether the defendant did not act directly contrary to the aforesaid first article of his instructions. Says to have had no intention himself to commit any violence, but that he had seen that the aforementioned Coenraad Feyt with his thirteen, armed with kirris and knobsticks, had passed the house of Nieuwout to go to the water in question, and that he, the defendant, therefore told the two who were with him that they had to take their guns with them. Whether the defendant could not consider by himself that the order given by him and the execution thereof could easily have given occasion to murderous assault and injury, indeed could even have had fatal consequences. Article 16. Says as before. Whether the defendant, together with the burgher Pieter van Zijl, was not himself convinced of this by the assault of the burghers Coenraad and D. A. Feyt, together with a certain Pieter Loen. Says No, to have arrived there with his gun on his shoulder. Whether the defendant then did not threaten with the gun he had in his hands. 17.
Dutch transcription
Vervalt. zegt Ja: in praesentie van t Per„ O hij ged aan de bij de voorsz: letteren Zoonen, namentlik Iannes Do. vervatte Ordre terstond heeft voldaan. tha Willemsz: en Hendrik Deukes Hendriksz zegt Ja en dat hy den brief aan Den zo Ja: of hy ged dan van zyn onder drik Beukes voorn: heeft overge zoek aan den zeqt een behoorlyk rafsort geven om dezelven verder aan gedoon heeft toegezonden door Wien, en met van zijl ter Verdere bestelling te geven welke gelegenheid en op wazdag. zonder te weken af die brief verder besteld is aan den landdaast, en op wat tid Of hij ged niet terstond heeft gedecla zegt dat wanneer D: C: Feijt hem reere dat er schelmstukken met de Gedr: de brief van den land doost had gebragt, denzelven Opstonds brief Onging. tegen den ged had gezegt: hier is een brief van de Heer Landdrost myn vader niet wat in den brief staat, en wat gij doen moet, dat hierop de geer: had geantwoord, zo weet jou baar wat in den brief staat, Een schelm is niet te betrouwen gij kunt den brief wel Opengebroken hebben zogt Voorts dat hij zulx gezegd heeft om dat gem: Feyt voor eenigen tyd verleden, een valschen brief aan hem gevr: had gebragt, dewelke hij zeide van den landdrost Rijneveld te komen. den ged'e en Perzoon de brief vanden zegt Neen, dien brief niet te R:O: regt in dato Jan: aan den burger hebben geleezen schoon hij wel van een brief heeft gehoord J: B: Nieuwout geschreven te vertomen en hem aftevragen of hij ged:e dezelve brief niet bij zijn Zwager voorz: Nieuweut heeft ge„ vonden en geleden, of der princi Daalsten inhoud daarvan hem niet is mede gedeeld. Zo Ja den gede aftevragen: Of hy uit den inhoude vanden zelven, niet natuurlyk konde begrijpen, dat den R: O: regt als toen nog geen rapport van hem ged had Ontvangen. Aat: 6 Art: 11 10 Vervalt zegt Ja zegt 't boklag aan den pro in terin fiscaal wel te hebben ge tekend dog niet geschreven Of hij ged ook niet op den 13 Maart zegt: die lirden te hebben gezegd den R: O: regt eerst ontkend, dog by met hem mede te gaan, en hunne geweeren mede te nemen, om rede„ overtuijging van voorsz Steenkamp „nen dat door L: A: Feyt bevoorens heeft bekend, dat hy denzelven reeds op de Plaats van Nieuwent Stankamp en den burger Pieter van Oreigementen van geveld te Blegt zeijl gecommandeert heeft met mede waren gedaan. Kelming hunner Snaphanen met hem ged mede met een geladen snap haar voorzien, te gaan zien of Coenraad Veryt en dazijnen den gemaak ten Aan zouden doorteken den ged' voorteleezen 'to eers van zyne instructien hem ged als Veldwagten met approcatie van de hooge overig heid dezes lands door den Krygsraad tot Stellenbosch ter observantie voorgeschreven luidende als volgt zal hij Veldwagtm:s wanneer zigt als Vooren hij ged in perzoon ter praesentie van den burger Jan Steenkamp Op den 13 Maart daaraan des nade middags heeft beleden: de brief van den 13 febr. zo min als 't beklag van den 16 febr: aan den pro interim fiscaal geaddresseerd, geschreven nog getekend te hebben! de aan den R: O: regt door den ged„ toegezondene brieven van den 26 Jan en 13 feb: mitsg:s de Copia verklaring van 26 Jan: te vertoonen en afte vragen of hij ged dezelve alle eigenhan dig geschreven, gecopieert en ook getekend heeft Cat 11 Of de noodzakelykheid 't niet als toen vereyschte dat hij aan den A: O: regt een tweede rapport ten spoo digste had moeten laten afgaan. in in zijn district onder buuren Verschil en de Wylanden af tge„ bruijk der Water en hanner Plaatzen Ontstaat met 2 Onvartijdige getuyg „gen in presentie der twistende Dartyen naauwkeurig onderzoek moeten doen en na reden en billyt heid een Verdrag of benuddeling maken wel te Verstaan omtrend de uitdriften, wateren en Wilanden als Voorsz: maar vooral niet wegens Comp landeryen die buis ten Eygendomr leening of Erfpagt beploegd, bezaagd, of Anderzints bebouwd worden, en zal van zyne Verrigting aan den heer Landkrost ^apfort moeten doen En hem als dan af de vragen, of hy ged' niet lynregt strydig tegens 6 voorsz: Po Eert van zyn instructie heeft gehandeld. of hij ged' niet bij zig zelvs konde zegt; zelvs geene intentie gehad te hebben, om eenig geweld te plegen nagaan, dat de door hem gegeven maar dat hij gezien had dat voorn Ordre en't Executeeren van dien Coenraad Feyt met zijn 13 gewapend ligt gelegenheid zou hebben kunnen met Kirrys en knuffels het huijs geven tot moorddadige aanranding van Nieuwont voorbij waren gekomen Om naa 't water in mastie te gaan, en en quetzing, Ja zelvs doodelyk ge dat hij geer:d daarom aan de bij hem zyn volgen naa zich had kunnen slapen de heyden heeft gezegd, dat zij hunne geweeren mede moesten nemen. Art: 16 Legt als Vooren. zogt Nteen aldaar gekomen te zin, met zijn geweer op de Of hij ged dan niet met zijn in handen hebbend geweergedreigd Of hij geor: nevens den burger Pieter van zijl daarvan niet zelvs over„ tuigd is geworden, door de aanranden ge van de burgeren Coenraad: en D: A: Feyt mitsgs zekeren Pieter Loen. Schouden heeft 17.
English
to beat Feijt's brains out. States to know nothing of this, either, except that Steenkamp told him that he fired at one of the men. shoulder and, being asked by C: Feijt what are you coming to do here, to have answered, I come here to point out the rights of the water according to the ruling of the letter of the Landdrost Rijneveld, whereupon the son of the said C: Feijt came around behind him and directly gave him a blow to the face, from which he fell to the ground, and had to suppose that the said son must have had a stone in his hand, because he fell immediately after the blow; further says that he by no means threatened Feijt to beat his brains out. Art: 19 Whether said Steenkamp did not even, in the presence of him, the defendant, on the aforementioned 13 March, confess that he fired at D: Feijt and did not hit him, but that the same nevertheless remained lying on the ground for a quarter of an hour due to shock. Whether he, the defendant, does not understand himself to be the first and principal cause of all the aforementioned consequences: the public peace having thereby been broken, and the freedom and safety of the good inhabitants endangered by such conduct. Whether he, the defendant, consequently has not made himself guilty of a state crime to the highest degree. below stood: Thus asked and answered at the Cape of Good Hope on 5 October 1786 before the gentlemen Johannes Marthinus Horak and Hendrik Cloete, members of the Honorable Court of Justice, who duly signed the minute of this together with the defendant and me, the Secretary. lower: to which I testify. signed: C: van Aerssen Secretary. Review Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, the burgher Andreas Willem van Taak, who, these foregoing interrogatory articles being read out to him clearly and distinctly from word to word, declared that he remained and persisted by them, not desiring that anything more or less shall be added or removed, below stood: Thus reviewed at the Cape of Good Hope on the [illegible] Oct: 1786. signed: Andreas Willem van Taak. lower: in my presence. signed: C: van Aerssen Secretary. in the margin: as commissioners. signed: J: M: Horak and H: Cloete. Appeared before the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice the burgher Jan Steenkamp, who answered the adjacent questions as is recorded next to each of them. Articles drawn up and delivered to the gentlemen commissioners from the Honorable Court of Justice of this government by and on behalf of the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein J: L: Bletterman, in order that the burgher Jan Steenkamp be heard and interrogated upon them at his requisition, his responses to be given needing to be noted down in the margin of this. Art: 1. The defendant's personal name, age, status, and place of birth. Where and with whom he, the defendant, resides. States to have no guilt. States no. States to know nothing of this, because he had already been beaten half to death. Whether that assault did not provide the occasion for the burgher Jan Steenkamp to fire his musket, loaded with a ball, at the burgher I: A: Feijt and thereby shot off the knob of the knobkerrie from the hand of the Hottentot Danus. States Jan B: Steenkamp, aged over 16 years, born in this district. States at the Olifants River with Jan Nieuwoudt as a farmhand. Whether he, the defendant, on a certain day saw that the burgher Coenraad Hendrik Feijt, together with the burghers S: W: Vorster, Barend Lubbe Andriesz, as well as Pieter Loen, went to the dam, which lies near the place of the burgher J: B: Nieuwoudt, and where the defendant resides, and for what reasons this occurred. States yes, that they came to open the water ditch. States yes, though by no means with the intention to undertake anything evil, but only to inquire on whose order they came there, and as to what reason, because he, the defendant, as farmhand had the oversight over the place. What he, the defendant, coming there, said to those people. States to have asked nothing else than on whose order they came there and to do what. Whether he, the defendant, said at that time that if he, Feijt, had come there without orders from the Officer of Justice, he would lift him five times like a crow. States that Feijt first threatened him to kick him before the water to a dam, whereupon he also threatened him, if you kick me to a dam I shall lift you like a crow. What reasons the defendant had for uttering such words. States: as above. Whether he, the defendant, did not know that the said Feijt was compelled to go with those people to the said dam in order to open the same, so as to obtain some water at his dwelling place. States he could well have thought that they came there to open that dam, and therefore went up to them to ask by whose order this was being done. Art: 4 Whether he, the defendant, upon that, took his musket and also went thither, for what reasons, and on whose advice he did so. Whether some time thereafter he, the defendant, by order of the Field Sergeant, with the same and the burgher Pieter van Zijl Pietersz, as well as the Bastard Hottentot David, all equipped with loaded guns, again went to the said dam. States to have also been commanded thereto by the Field Sergeant van Taak. Art: 10
Dutch transcription
heeft om feyt de karssens inteslaan. Legt daarvan mede niets te weten als dat leenkamp hem verhaald heeft, dat hij op een van het volk geschoten heeft. Schouder en door C: Feyt gevraagd zynde, wat komt gij hier doen, geant: woord te hebben, ik kom hier om de Gerechtigheid van't water aante wyzen: Volgens uitspraak van den brief van de heer Landdroste Rijneveld, waarop de zoon van ged=t C: Feyt agter hem Omgekomen was, en hem geen:e direct een slag in't aangezigt gegeven had, woo van hij op de aarde was gevallen, en supponneeren moest, dat gem zoon een klit in de hand moet gehad hebben, wyl hy direct naa de slag is gevallen zegt Voorts dat hij geenzents feijk heeft gedragd hem de harssens in te Hlaan. Art: 19 O voorm: Steenkamp niet zelvs ter presentie van hem ged' op voorm: 13 Maart heeft beleeden dat hij Op D:feijt geschooten en denzelven niet getroffen, dog dat denzelven door Ontsteltenisse egter wel een quartier uur Op de aarde was blyven leggen. Of hij ged:e niet zelvs begrippt de eerste en voornaamste Oorzaak van alle de voorsz: gevolgente zijn: de open baare rust daardoor Verbroken, en Vryheid en veiligheid der goede in ge Zetenen door diergelijke handelwijze in gevaar te hebben gesteld. Of hij ged gevolglijk, zig niet ten uitersten Staatschuldig heeft gemaakt /.onderstond:/ Aldus gevraagd en beantwoord aan Cabo de goede Hoop den 5 October 1786 voor de sheeren zogt geen schuld te hebben Legt Neen. zegt daarvan niets te weeten Ver„ Of die aanrandinge geen gelegenheid mits hij reeds half dood geslagen heeft gegeven dat den burger Jan steenkamp zijn met een kogel gelad en snaphaan op den burger I: A: feijt heeft losgetrokken en daarmede de knop van de kirrij uit de hand van den hottentot Danus afgeschooten. Johannes was. Johannes Marthinus Horak en Hendrik Custerus de Het leden uit den E Achtb: Raad van Justitie voore die de minuste dezer benevens den gedr: en mi Secretaris mede be hoorlyk hebben ondertekend /:lager:/ 't welk Ik getuyge /:getekend:/ C: van Aerssen Secret Recollement Compareerde voor ons onderget: gecomm: uit den E achtb Raad van Justitie dezes gouvernements den burger Andreas Willem van Saak dewelke deze zijne voorenstaande vraag Articulen van woorde tot woorde klaar en duidelyk voor„ geleezen zynde, verclaarde denzelven daar bij te blyven Persistieren, niet begeerende dat er iets meer by af van gevaar werden zal, /:Onderstond:/ Aldus gerecolleerd aan Cabo de Goede Hoop den Oct: 1786 /:getekend:/ Andreas Willem van Taak /:lager:/ my present /:getekend:/ C: van Terssen Secret: /:in margine / als gecomm: /:getekend: /: J: H: Borak en B: Oewet Compareerde voor de onderget: Articulen gedaan maken en aan gecomm:d uit den E: Achtb: raad Heeren gecomm: uit den E: Achtb: raad van Justitie den burger Jan van Justitie dezes gouvernements over Steenkamp, dewelke op de gegeven door ende van wegens den nevenstaande vragen zodanig Landdrost van Stellenbosch en dra geantwoord heeft, als betyden Kenstein I: L: Bletterman, om een ieder derzelve staat aange daarop ter zijner requisitie gehoor en „tekend Ondervraagd te worden den burger Jan Steenkamp, zullende zijne te gevene responsiven in margine Dezer moeten worden bekend gesteld. Art: 1. des ged in perzoon zijn kaam, ouderd om qualiteyt en geboorte plaats Waaren bij wien hij ged woonagtig is Of hy ged op zekeren dag heeft gezien dat den burger Coenraad zegt Ja. dat zij gekoomen zin. Om de watergrip te openen zogt aan de oliphantsrivcir by Jan Nieuwent als knegt Legt Jeen B: Steenkamp oud ruim 16 Jaren geb: van dezen uithoek hendrik ie0 Legt Ja. dog gelizents met intentie Omiets kwaads te onderneemen maar alleen om te verneemen, op wiins Ordre zij daar kwamen en om het opzigt over de plaats had. Wat hij gede aldaar komende tot die zogt niets anders gevraagd te hebben, als op wiens ordre zijl: daar kwamen luyden heeft gezegd. en om wat te docn zegt dat Tijt hem guz: eerst bedreigd Of hij gede als toen gezegt heeft dat heeft om hem voor het water te wanneer hij Ferst aldaar zonder ordre trappen tot een daur, waarvz hij hem van den R:O: regt gekomen was hij hem ook had bedreigd, by aldien gij zuy Vyf ligten zoude als een Kraay. wiet trappen tot een dom zal ik joir ligten als een kraaij. zegt: als Vooren. zegt wel te hebben kunnen denken dat zyl: daar kwamen, Om dien dam te openen, en derhalven naar hun toegegaan was, om te vragen uit wiens Order zulx geschiede Van Taak mede te zijn gecom mandeerd. Of hij ged' niet heeft geweeten dat gem. Fyt genoodzaakt geweest is, met die luiden na den gem. dam te gaan, om dezelve te openen, ten einde dusvancg eenig water Op zijn woonplaats te kunnen bekomen. van den Veldwagtm: met denzelven en de burgers Pieter van Zijl Pietersz mitsgs den bestaard kosten tot david alle geladen geweeren voorzien zig weder na gem: Dan hebben begeeven zegt daartoe door den Veldwagtm: of eenigen tijd daarna hij ged' op ordre Welke redenen den ged tot 't uyten van diergelyke woorden, heeft gehad. Cert: 4 Of hij ged op dat gesegt zijn snaphaan heeft genomen, zig mede derwaards begeven, om wat redenen, en op weens wat reden, om dat hij ged als knegt aanraden hij zulx heeft gedaan Hendrik Feijt, met en benevens de burgeren S: W: Vorster, Barend Lubbe Andriesz, mitsg Pieter Loen na den Oam, dewelke omtrend de Plaats van den burger J: B: Nieuwont legt, en alwaar de gede woonagtig is, hun hebben begeven, en om wat redenen zulx is geschied. art: 10
English
Article 10 Whether he, the defendant, is aware what words and dispute took place between the said Tijt and van Taak, as well as the other persons present there, and to state them all distinctly here. Answers: says that before van Taak had spoken even a word, he was asked by the old Feyt, what are you coming here to do, to which he, van Taak, answered, I come to point out the rights of the water, upon which Teijt replied, if you have orders, so do I; that furthermore the young Feyt came from the side up to van Taak with this expression, you damned scoundrel, it is you I must have, and struck him, van Taak, thereupon, upon which the boys and Hottentots rushed in, who beat him for dead, so that he remained lying on the ground. Article 11 Whether after some words the field-cornet van Saak threatened the said Feijt that he would smash his skull with the gun he had in hand, and what took place between them thereupon. Answers: says not to have seen this, for van Taak held the gun on his shoulder, and for the rest as in the preceding article. Article 12 Whether after the said van Saak and the burgher I: A: Feijt had been engaged in close combat for some time, his gun was taken from him, van Saak, by the often-mentioned Feijt. Answers: says that the gun of van Taak fell to the ground while Teyt beat him, and that Pieter Loen then picked up that gun. Article 13 Whether the said Pieter Loen thereupon jumped forward and took the gun from him, van Zijl. Answers: says this was taken from his side; says that the gun was taken from him by Pieter Loen during the wrestling with 6; says yes, saw that there were Hottentots and boys armed with clubs. Whether the said Pieter van Zijl, seeing this, cocked the hammer of his gun and jumped toward the said Fijt, asking, what do you say. Answers: says this is untrue. Article 16 Whether this was done by them because they saw the burgher C: H: Feyt with his son and a certain Pieter Loen, as well as 2 Hottentots and 2 slaves, going to the said dam. Lapsed. Whether the defendant, seeing that the guns were taken from the said van Saak and van Zijl, retreated a little and fired his gun loaded with a ball at the burgher I: Tijt. Answers: says that the gun wrested from van Saak was picked up by Hendrik Feijt and aimed at him, the defendant; that he, the defendant, fired at him, Tijt, and then took to his heels, and was not overtaken because he ran hard. Whether the defendant did not see that the aforesaid Fijt fell to the ground immediately after the discharge of his, the defendant's, musket and remained lying for a quarter of an hour. Answers: says to have seen that Fijt fell. Whether the defendant did not then believe that he had mortally struck the said H: Feijt. Answers: says not to have seen this, but to have heard afterwards. Whether the defendant afterwards saw or learned that he did not hit Feyt with the bullet, but shot the kirri out of the hand of the Hottentot Jannes. Answers: says not to know this, because he immediately fled, and continued running hard. Whether the defendant had the intention to mortally strike I: Feijt. Answers: says no, but only fired his gun out of fear. Whether the defendant does not know that one may not shoot anyone without being able to convince the judge that one had to do so to preserve one's own life. Answers: says to have shot at him because Feijt was already aiming at him, and van Taak and van Zijl lay on the ground for dead. Whether he, the defendant, does not know that he is punishable, and what he has to put forward for his defense. Answers: says not to plead guilty, since he did nothing other than to save his life, and to have nothing to put forward for defense. Whether the said van Zijl, seeing that his gun was taken from him, then drew his knife and pursued the said Feijt and his people therewith. Answers: says not to have seen this. By whom and in what manner the same knife was taken from him, van Zijl, and whether this was not done by the people of the often-mentioned Feijt. Answers: says not to have seen this. Thus questioned and answered, at the Cape of Good Hope on 5 October 1786, before the gentlemen Johannes Martinus Horak and Hendrik Justinus de Wet, members of the Honorable Court of Justice aforesaid, who have duly signed the minute hereof along with the defendant and me, the Secretary, which I witness, signed C: van Aerssen, Secretary. Re-examination Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, the aforesaid Jan Steenkamp, who, having had these his preceding articles of interrogation, with the answers given thereto, read out clearly and distinctly word for word, declared to persist therein, not desiring that anything more be added or removed. Thus re-examined at the Cape of Good Hope on 7 October 1786. Below stood: a cross, and around it written: this mark is made by Jan Harmse Steenkamp's own hand. Below: in my presence, and signed: C: van Aerssen, Secretary. In the margin: as commissioners, and signed: J: M: Horak, H: de Wet. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, Pieter van Zijl, who has answered to the adjacent points of interrogation as recorded beside each of them. Articles drawn up and submitted to the gentlemen commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, by and on behalf of the undersigned Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, P: L: Bletterman, in order that the burgher Pieter van Zeyl be heard and interrogated thereon at his requisition, whose answers to be given shall be recorded alongside each article. Article 1
Dutch transcription
Crt: 10 syt is afgenomen geworden. zogt dat hem het geweer door Pieter loen, onder het Worstelen met 6: zegt Ja dag dat er wel te hot. Rentokken en Jongens met knuppels gewapend zijn geweest. zegt eer dat van Taak nog een woord Of hem ged' bewust is welke woorde had gesproken, door de oude Vijf wisselingen en twist tusschen gem: Was gevraagd, wat Koint gn heer Tijt en van Paak mitsgs de Verdere doen, door hem van saak daarop aldaar aanwezende menschen zijn geantwoord was, ik kom omde voorgevallen, dezelve als dan alle gerechtigheid van 't water aan te wijzen, hierop door Teijt was gen distinctelyk alhier op te geven. Oliceerd, heb jij Order, ik ook, dat voorts de Jonge feyt van ter zijden by van Taak kwam, onder deze uitdrukking, Jon Verdoemde schobbert, jaa moet ik hebben, en hem van saak daarop geslagen heeft, waarop de Jon„ gens en kottentotten zijn toegeschoten, die hem voordoed geslagen hebben, dat hij ter aarde is blyven leggen. zegt zulx niet te hebben gesien, Want dat van Faak het geweer Op Schouder heeft gehouden, en voor't overige als in 't voorgaande Articul zegt dat het geweer van van Tark Op de grond is gevallen, terwyl dat Teyt hem geslagen heeft, en dat toen noemen zegt zulx Onwaar te zijn. of gem: Pieter Loen daarop is toege sprongen, en hem van zijl 't geweer Ontnomen heeft= of gem: Pieter van Zijl zulx ziende den haan van zijn geveer overgehaald en na gem: fijt zou zijn toegesprongen Onder 't vragen, wat zegt gij. Of nadat gem: van Saak en den burger I: A: feijt eenigen tijd saak deszelvs geweer door dikwijl gem: Feijt is ontnomen geworden. Pieter Loen dat geweer heeft opge hand gemeen geweest zijn, hem van Of na eenige woordewisselingen den Veldwagtm:s van Saak gem: feijt bedreygd heeft met zin in handen hebbend geweer de heissen pante zullen inslaan, en wat dakrop tusschen henl: is Voorgevallen. of zulx door harl. is geschied, om dat Zijl: den burger C: H: Feyt met deszelvs zoon en eenen Pieter Lden mitgs 2 nottentoken en 2 slaven na gem: dam hebben zien gaan! Art: K 12 13. Art: 16 zegt zulx niet gezien, maar nader Vervalt of den ged' ziende dat de geweeren van zegt dat door Dend:feijt het van van gem:t van Saak en van zijl hun ont saak Ontweldigde geweer opgenomen nomen waren zog een weinig geretireert en op hem geor: aangelegd zynde, hy gez: op hem tyt heeft losgetrokken en het daarna Op een lopen gezet heeft en deszelvs met een kogel geladen snap en niet agterhaald is, wyt hij scherts haan Op den burgerl: tijt heeft gelost gehold had. zegt: te hebben gezien dat fyt gevallens. zegt zulx niet te weten, wijl hij het direct Op de vlugt gezet heeft, en wet scheid hollen voort is gegaan. hand gehoord te hebben zegte Veen, maar alleen in angst zijn geweer lotgetrokken te hebben. Zegt: Op hem te hebben geschooten Omdat feijt reeds op hem aanlag en van tark en van zij voor lood ter aarde lagen. Of hij ged: niet weet dat hy straf zegt: zig niet schuldig te kennen alzo hij niets gedaan heeft baarrs, en wat hij tot zijn verscho„ als om zijn levente Sauveeren Of hij ged niet weet dat hij niemand wandosen, zonder den rechter te kun „nen overtuijgen, dat om zijn eigen leven te behouden zulx heeft moeten doen Of hij ged b oogmerk heeft gehad OmL:feijt dodelijk te treffen. Thij ged' daarna heeft gezeen, of verno„ komen, dat hij met de kogel niet seyt getroffen, maar de Kirry vanden hottentot Jannes uit de hand ha geschooten. hij ged: als toen niet heeft gemeen G gem: H: feijt dodelyk getroffen te hebben. Of hij ged' niet heeft gesien dat voorsz Fit terstond na 't lossen van zijn ged Snaphaan op de harde gevallen en een quartier uur is blyven leggen. Ocorwee en op hoedanige wyze hem van zijl 't zelve mes Ontnomen is geworden? en of zulx niet is geschied„ door 't Volk van dizwyls gem: Regt of gem: van zyl ziende dat hem zijn geweer ontnomen was, als toen zin mes getrokken en gen: feixt ende zijne daar mede agtervolgt heeft. zulx niet te hebben gezien en ning en tot Verschoning niets in te brengen te hebben Aldus gevraagd en beantwoord, aan Cabo de goede Hoop den 5 October 1786 voor d' heeren Johannes Mar„ tinu Dorak, en Hendrik Justinas de wet leden uit den E Achtb: Raad van Justitie voorm:t die de minute dezer benevens den ged en mi Secretaris mede behoorlyk hebben Ondertekend /:lager:/ t welk Ik getuige /:getekend:/ C: van Aerssen Secret. Recollement Compareerde voor ons Onderget: gecomm: uit den E: Achtb: Raad van Justitie dezes gouvernements de voorsz: Jan Sleenkamp, dewelke deze zijne voorenstaande vraag articulen, met de daarop gegeven Antwoorden van woorde tot woordeklaar en duydelyk voorgeleezen Zijnde Verklaarde daarbij te blyven Persisteeren niet begeerende dat er iets meer bygevoegd of van gedaan werden /onderstond:/ Aldus gerecolleerd aan Cabo de goede hoop den 7. Oct: 1786 /:lager:/ een kruijs (en daaromschreven:/ dit merk Steld eigenhandig Jan Darmse Steenkamp /:lager:/ my Present /:en getekend:/ C: van Aerssen Secret. /:in margine:/ als gecomm:s /: en get: / J: M: Dorak D: de Wet. Zal. Compareerde voor ons onderget: Articulen gedaan maken en gecomm: uit den E: Achtb: Raad aan heeren gecomm: uit den E: achtb van Justitie dezes gouvernement Raad van Justitie dezes Gouverne ments overgegeven door en van Pieter van Zijl denwelken op de wegens den onderges: Landdrost nevenstaande Vraag Poincten van Hellenbosch en brakensteyn P L:S Bletterman, omme daarop ter zodanig heeft geantwoord als zyner requisitie geheord en onder benevens een yder derzelver vraagd te worden, den burger Pieter aangetekend staat. van zeyl, zollende deszelvs te gevene Antwoorden, bezyden ieder Articul moeten worden bekend gesteld. „ning weet inte brengen. /:Onderstond:/ Art:/
English
Article: The defendant in person, his name, age, status, and place of birth. Says Pieter van Zyl, 41 years of age, burgher of this district. Where the defendant resides. Says at the Olifants River. Whether the defendant, together with and alongside the Field Cornet A. W. van Taak and the burgher Jan Steenkamp, all provided with muskets, went to the water which had been dammed up by the burgher J. P. Nieuwoudt. Says yes, that the Field Cornet van Taak had commanded him, the defendant, to go along with his gun. Whether the defendant's gun was loaded with a bullet, and on whose orders this was done. Says that he had previously loaded his gun with hail-shot. Whether the defendant also knows if the muskets of both the Field Cornet van Taak and that of Jan Steenkamp were loaded. Says he does not know this. When and why the defendant, with the Field Cornet van Taak and Jan Steenkamp, went to the dam of the aforesaid Nieuwoudt. Says in the afternoon, after the Field Cornet had opened the water in the morning, and Coenraad Feijt with his people, armed with clubs and a sjambok, had passed the farm of Nieuwoudt toward the aforesaid dam. Whether the defendant, with the aforesaid burghers, arriving there at the dam, found, in addition to several Hottentots and boys, the burghers C. H. and B. A. Feijt, along with Pieter Loen and 2 slaves and Hottentots. Says that arriving there near the dam together with the mentioned persons, he found the burghers C. H. and B. A. Feijt, along with Pieter Loen, and 2 slaves and Hottentots. What they were doing there. Says that the people were drawn up in a row there, with the three Europeans behind them. Article 9. Whether the defendant, arriving there, noticed that the aforesaid B. A. Feijt entered into an altercation with the Field Cornet van Taak. Says that the Field Cornet and J. A. Feijt became involved in an altercation at some distance from the defendant, without the defendant being able to hear everything clearly. Whether the mentioned Feijt struck the aforesaid van Taak a blow such that he fell backward onto the ground with his musket. Says he did not see this. Whether the defendant did not see that the mentioned van Taak took the gun in his hands and threatened the mentioned S. Feijt that he would smash his skull. Says yes. Whether the defendant thereupon drew his knife, and whether it was also taken from him. Says no. Whether the same Feijt thereupon asked the defendant what he came to do there, and whether the defendant answered that the Field Cornet van Taak had commanded him, the defendant. Says yes. Whether immediately thereupon the defendant leveled his musket and aimed at the aforesaid C. H. Feijt in order, if possible, to hit him, Feijt. Says this is untrue, but on the contrary, when J. A. Feijt also advanced upon him, he retreated backwards. Whether his, the defendant's, musket was then snatched from his hands, and by whom. Says that after he had retreated backwards, Pieter Loen snatched the gun from him, the defendant, and that J. A. Feijt thereupon grabbed him, the defendant; that subsequently, having fallen to the ground while wrestling, he, the defendant, received a blow to the head, without however knowing by whom it was dealt, and having fallen to the earth because of that blow, he fainted, without knowing what occurred further. Whether the defendant, because he cannot say who snatched his, the defendant's, musket from his hands, must not himself admit to having been drunk. Lapses. Whether thereupon the aforesaid Jan Steenkamp retreated and shot at the mentioned C. A. Feijt. Says he did not see or hear this, but that he heard it from Steenkamp himself and from Feijt. With what, and whom Steenkamp hit. Says he knows nothing further thereof, other than that he was told that with that shot he had shot to pieces a club or knobkerrie of one of the boys. Whether the defendant does not naturally have to admit himself that never here in this country has a commando been undertaken wherein all those commanded were ordered to provide themselves with muskets, except against run-away slaves, vagabonds, vagrants, and Bushmen Hottentots. Says he has never been on such expeditions before, nor did he ever know that such persons as Feijt were in the field, and that he had no intention to shoot. Whether the defendant does not furthermore understand that no one is authorized to resist his fellow burghers with loaded guns over neighborly disputes and quarrels. Says as before. Whether he does not know very well that for the giving and granting of such an order, a proper authorization from his lawful authority was required, and he must obey these orders. Says that his Field Cornet commanded him to do so. Whether the defendant could not naturally understand that seeing the arrival of such a commando could give cause to the mentioned C. H. Feijt and his men immediately to attempt to overpower them. Says he had not anticipated this and had not foreseen that it would come so far.
Dutch transcription
Art: des ged in Perzoon zin Naam Zegt Pieter van zyl oud 41 Jaar Ouderdom, qualiteyt en geboort plaats gel: van dezen uithoek gult: burger zegt aan de Olyphants rievier zegt Ja dat de Veldwagtm:r van Saak hem ged had gecomman deert om met zijn geweer mede te gaan. zegt dat hij zijn geweeste Voren met hagel had geladen gehad zegt zulx niet te weeten Wanneer en waarom hij gede met den dat zegt des agtermiddags na den veld Veldwagtm: van Taak en Jan wagtm: des morgens het Water had shanKamp zig na den dam van Opgedaned, en dat Coenraad S feijt met zyn volk, met Dnuppels voorsz: Nieuwout heeft begeeven! en kirwip gewapend, de plaats van Nieuwort Waren gepasseert na voorsz: Oam: Of hij gede met de Voorsz: burgeren zegt nevens gem Perzonen daar te hebben gevonden, benevens ver aldaar bij den dam komende scheide Hottentotten en Jongens heeft aangetroff en de burgeren C: H: en B: A: Feijt mitsgs Pieter Loen en 2 slaven en Pottentotten zegt: dat het Volk aldaar in een ry stond gerangeerd, met de drie Europeaanen egter hun Wat dezelve ald aar hebben verrigt Of hij ged ook wel op de snaphanen zo van den veldwagtm: van Taak als die van Jan Steenkamp zijn gela den geweest oyj zijn ged geweer met een kogel is gelazen geweest, en op wiens Ordre Zulx is geschild. Of hij ged zeg met ende benevens den Veldwagtm:r A: W: van Saak en den burger Jan Steenkamp alle met snaphaanen voorzien heeft begeven na 't water 't welk door den burger J: P: Nieuwvout was Opgedamt. waar hij ged woonagtig is. Art. g. 6 ƒ Artg Zegt Ja. zegt dat den Veldwagten: met of hij ged aldaar komende heeft J: A: Feyt ip een distantie van bespeurd, dat voorm. P: A Feyt hem geez: af inwoorden was ge in woordentwist is geraakt met den raakt, zonder dat sig geer: het Veldwagtm van Paak! alles duidelyk heeft kunnen horen 10 zegt zulx niet te hebben gezien Zegt Ja 13 of terstond daarop hij ged zijn snaphaan zegt zulx Onwaar te zyn, maacten geveld en op voorsz G: N: Fyt heeft Contrarie toen, I: A: Fijt mede aangelegd om zo mogelyk hem tyt Op hem af was gekomen zich agterwaards te hebben geretireerd te treffen! of als toen zin gd snophaan uit zegt na dat hij agterwaards gereti„ zijn handen is gerekt en door wie heere was, Pieter Loen, hem gevr: zin geweer had Ontrukt en dath: 'A Syt hem gevr:d daarop had aangegrepen, dat voorts onder het Worstelen Op de grond gevallen zynde hy gesz: een slag op het hoofd hod Ontvangen, zonder egter te weten door Wien hem die is toegebragt, zijnde hij door dien slag op de aarde gevallen is in zuijn, zonder te weeten water Verder is voorgevoelen Vervalt. Of hij ged:e doordien niet te zeggen weet, wie zyn ged snap haan uit zijne handen heeft gereekt. niet zelvs bekennen moet beschon Kente zin geweest Of dezelve tijt daarop hem ged heeft gevraagd wat aldaar kwam doen, en of hy ged daarop geantwoord heeft den Veldwagter:s van saak hem ged gecommandeert te hebben! Geeven gem:te Lyt voorsz: van Taak een slag heeft toegebragt dat denzelven met de Snaphaan agter over op de aarde gevallen is. Of hij ged niet heeft gezien dat gem van saak 6 gewar in handen genomen en gem: S:feijt bedreigd Kad, hembet de herssen pan te zullen inslaan Art 16 12 13 1 zegt Neen. zegt als Vooren zegt zulx niet te hebben gezien of gehoord, dog hij het van Steenkamp zelve en van syt had gehoord Waarmede, en weg hij Steenhamt zegt daarvan niets Verder te weten als dat hem gezegt & getroffen heeft dat hij met die schoot een knup pelof Keerij van een van de Jongens aan stukken had geschooten Of hij ged niet zelfs bekennen zegt nimmer bij deergelyk expe moet, dat er nooijt alhier ter dctien meer te zijn geweest, ook nimmer te hebben geweeten dat Lande een Commando is gedaan er zulke perzonen als tijt in Waarbij alle de gecommandeerden 't veld woorden, en niet geuntenti zig met snaphanen te moeten „oneerd te zijn geweest Omte voorzien zijn gelast, als opgedrok Scheeten. slaven, landlopers, vagabonden en boschjes mans hottentotten. of hij ged dan ook niet Verder begrippen dat niemand bevoegt zij, Om zijn mede burgeren met gelade geweeren over buuren geschil en ditut te re Listeeren. Of hij niet zeer wel weet dat tot het geven en verleenen van een diergelyke van zin wettige boerheid werd Vereischt en hij dees ordres moetpareeren Ordre, eene behoorlijk qualificatie of hij ged, dis niet natuurlyker wijde konde begripen, dat t zien ko men van een dergelyke Commando aan gem: C:B: Sijt en de zijnen gele genheid konde geven, van terstond te zullen tragte, zig meester te maken zegt daar niet op verdagt zijn geweest en niet te hebben voorzien dat het zo ver zoade gekomen zijn zegt dat zijn Veldwagtm:s hem daartoe heeft gecommandeert O daarop voorsz Jan Leenhank zig geretireerd en op gem E: A: Pyt heeft geschooten. of hij ged daarna zijn mes getrok ken, en't zelve hem ook ontnomen in Art: 16 van D 22
English
states to have no guilt therein and not to know that he is punishable. states nothing other than what he has said, but requests compensation for costs, pain, and suffering. What he the defendant has to bring forward for his excuse. underneath stood: Thus asked and answered at the Cape of Good Hope the 5 October 1786 before the Gentlemen J: M: Borak and P: C: de Wet, members from the Honorable Council of Justice aforementioned, who have also duly signed the minute of this, together with the appearer and myself the Secretary; lower: which I witness; signed: C: Van Nersje Secretary. Confirmation of Deposition Appeared before us the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, Pieter van Zyl, who, after these his preceding interrogation articles with the answers given thereto were read out to him word for word clearly and distinctly, declared that he remains and persists therewith, not desiring that anything more shall be added thereto or taken therefrom. Underneath stood: Thus done and confirmed at the Cape of Good Hope the 7 October 1786; signed: Pieter Van Zyl; lower: in my presence; signed: C: van Rassan Secretary; in the margin: as commissioners; signed: J: M: Borak and P: de Wet. Cent 23 whether he the defendant must not confess to have done very great evil through this, and therefore to be punishable. of the firelocks with which he the defendant, Jan Steenkamp, and the said van Taak were provided. Articles ƒ 4 - states as before. States yes. States yes, and not only in the middle of January, but even before that time very often. Appeared before us the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, C: H: Feijt, who has answered the adjoining questions in such manner as is noted at the side. States: Coenraad Hendrik Feijt, aged 58 years, native of this region, burgher here. States across the Oliphants River. States already since 3 years. States that the arrangement by the said Mr. Rijneveld was made in such manner that both Nieuwout and he the defendant could profit from that water, and that in case a dispute arose from it, the field-cornet would settle it. what order regarding the just-mentioned water was given to him the defendant and the aforesaid Nieuwout by the late said Mr. Ryneveld. Whether he the defendant from his side has properly observed and complied with the same charge. Whether he the defendant, around the middle of the month of January, sent his son G: A: Feijt to the Right Honorable Officer. Whether that dispute was settled by the late Mr. Ryneveld in the year 1784 or 1785 in such manner that both he the defendant and the aforesaid Nieuwout would know how they would have to conduct themselves regarding the aforesaid water. Whether some years ago a dispute did not arise between him and his neighbor the burgher Jan Harmse Nieuwout over the water which runs past and over the place of the same Nieuwout to that of him the defendant. Where he the defendant resides. Article: The defendant in person: his name, age, birthplace, and status. Articles drawn up and submitted to the Gentlemen commissioners from the Honorable Council of Justice of this government by the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, H: L: Bletterman, in order for the burgher C: H: Feijt to be heard and interrogated thereon at his requisition, his given answers to be set down beside each article. Article 1. States yes. States that the date has slipped his mind, but that his son delivered letters from the Landdrost to van Taak several times. States that this letter was delivered by his son himself in the presence of Pieter Soen, but that the time has slipped his mind. States yes. States to have had orders thereto from the Landdrost, in case the field-cornet remained neglectful in that regard. States yes. 12 Why he the defendant had already on the 24th of January breached the dam of the contentious water. Whether he the defendant did not send his aforesaid son P: A: Feyt towards the end of the said month of January to the requisitionist with repeated complaints that now his vineyard and orchard were entirely withered, and he the defendant with his family and his livestock must perish from lack of water. Whether he the defendant, in the presence of the Gentlemen commissioners from the Honorable Council of Justice granted at the requisition of the Right Honorable requisitionist, did not himself state the principal content of the requisitionist's letter to be that he, van Taak, had to investigate the dispute regarding the water, and finding the water to be dammed up according to the complaints made by his the defendant's son, breach it and leave it in its old course. Whether that letter was not handed to the said van Taak on the 3rd following, and by whom. Whether his just-mentioned son received from the requisitionist on the 16th of January a letter to the field-cornet Andries Willem van Taak. Whether he the defendant knows that he is and remains responsible for his aforesaid son's action. Article 8 Article 11 11 B.
Dutch transcription
zegt daar in geen schule te hebben en niet te weeten dat hij straf baard. zegt niets als het geene hij gesegt Wat hij ged tot Verschoning meet heeft; dog verzoekt voor Onkos bij te brengen. ten pijn, en Smarten Vergoed te worden. /onderstond: Aldus gevraagd en beantwoord aan Cabol goed Doop den 5 Oct 1786 voor de Heeren J: M: Borak en P: C: de Wet leden uit den E: Achtb Raad van Justitie voorm: die de minute Dezer, benevens den Comp en nug Secretaris, mede behoorlyk hebben ondertekend /: la ger:/ 't welk ik getuijge /:getekend:/ C: Van Nersje Seoret Recollement Compareerde voor ons onderget: gecomm: uit den C: Achtb: Raad van Justitie deezes gouvernements Pieter van zyl, dewelke deze zijne voorenstaande Oraagarticulen met de daarop gegevene antwoorden, van woorde tot woorde klaar en duydelyk voorgelezen zijnde verklaarde daarbij te blyven Persisteeren niet begeerte dat er niet meer bygevoegd of van gedaan worden zal /:Onderstond:/ Aldus gedaan en gerecolleerd aan Cabo Do goede wors den 7 October 1786 /:getekend:/ Pieter Van Zyl /:lager:/ mij Praesent /:getekend:/ C: van Rassan Secret. /:in margine:/ als gecommitt: /:getekend:/ J: de wet. J. M. Borak en B: Cent 23 of hij ged niet moet bekennen hier door zeer groot kwaar te hebben gedaan, en dierhalven staafwaardig te zyn. van de snaphanen, waarmede hij ged Jan Steenkamp en gem: van Paak was voorzien Articulen ƒ 4 - zigt als Vooren. Zegt Ja zegt Ja. en niet alleen int midden Compareerde voor ons Onderget. Geconn uit den E: Achtb: raad van Justitie Ceezes gouvernements geen C:D: feijt, dewelke op de nevenstaan de vragen zodanig geantwoord heeft, als bezyden, aangetekend staat Zegt: Coenraad Hendrik feijt oud 58 Jaaren, van dezen uithoek geboortig barger alhier Zegt over de Oliphants zweer zegt reeds zeden 3 Jaren zegt dat de schikking door den gem: heer Rijneveld zodanig is geschied Dat zo wel Nieuwout als hy ged van dat water Konde Prafiteeren en dat by aldien daar geschil uit Ontstond, de Veldwagtm zulx zoude Tereffenen. van Jan: marzelvs voordien tijd zeer dikwijls welke ordre aan hem ged en voorsz: Nieuwout omtrend hit evengem: water door Wijlen gedagte heer Ryneveld is gegeven. Of hij ged van zin kant dezelve last behoorlijk geobserveert en nagekomen is Of hij ged omtrend 't midden der maand Jan: aan der E: O: regt heeft gezonden, zijn zoon G: A: Pijt Of dat Verschil door wylen den heer Ryneveld in den Jaare 1764 af 1785 is beslist zodanig, dat zo wel hij ged als voorsz. Nieuwout zou weten hoeda nog zig omtrend 't Voorsz: water zou heb ben te gedragen. Of niet eenige Jaren tusschen hen en zijne bueere den burger Jan Garmse Nieuwout over 't water t welk voorby en over de plaats van denzelven nieu wout na die van hem ged heerloopt Verschil is ontstaan. Waarhij ged woonagtigis Aert: Des ged' in perzoon zijn Naam, Ouderdom geboorte plaats en qualiteyt Erticulen gedaan maken en aan Heeren gecomm:s wit den E: Achtb: raad van Justitie dezes gouvernements door den Landdrost van Stellenborch en drakensteijn S: L: Bletterman Om daarop ter zijner requisitie gehoord en Onderdraagd te worden den barger C: P:feijt zullende zyne te garnicent woorden bezijden ider Eertst worden bekend gesteld. Aat A zegt sal zegt hem den datum te zijn Ontscho ten, dog dat zyn zoon verscheide teizen brieven van den Land drost aan van Zaak heeft bezorgd zegt dat deze brief door zijn zoon zelve is besteld geworden in Ird „sentie van Pieter Soen, dog dat de lyd hem is Ontschoten Zegt Ja. nalatig bleef de Veldwagti: daaromtrend Ordre te hebben gehad, ingevalle zegt daartoe door de Landdrost Zegt Jas 12 Waarom hij ged op den 24 Jan: reeds den Oam van 't questieuse water heeft doorgesterken. Ohij ged:e niet zijn voorm: zoon P: A: Feyt tegen het laatste der gem:e: maand Jan aan den reqt heeft gezonden met herhaalde klagten dat thans zijn wijn en boomgaard ten eenenmaal verdroogd, en hij ged' met de zijnen en zijn vee uit hoofd van gebrek aan Water moest Vergaan. Of hy getz: ten overstaan van Heeren Gecomm: uit den E Achtb: Raad van Justitie ter requisitie van den R: O: reqt verlend, niet zelfs heeft geposeerd den voornaamsten inhoud van de reqt brief te zijn, dat hij van Taak t verschil omtrend het water Onderzoe „ken moest, en volgens de door zijn ged zoon gedaane klagten het water bevindende Opgedand te zijn, door steeken, en in den oudenloop zoulaten. of die brief niet op den 3 daaraan aan gem: van Zaak is overhandigd en door wee! Of evengem: zijn zoon van den reqt op den 16 Jan: heeft ontvangen gehad een brief aan den veldwagtm: Andrias Willem van Saak Of hij ged: weet dat hij voor zijn voorsz zoon, zyne verrigting aanzrakelyk is en blyft Art:8 Art: 14 11 B.
English
Article 14. Answers Yes. The Officer. Yes. addressed to the Field Corporal named Frans Lubbe, but that the same had refused to do so on the grounds that the order of the Landdrost was not in writing but verbal. Answers that he will, but that he had not informed his defendant son of this, that he then having asked the Officer how his father, namely the defendant, should act in case the distress and the lack of water became too great, while the first Field Constable Van Saak was said to have acted dishonourably regarding the Officer's letter of 16 Jan, and that the Officer then answered him to have the Field Corporal make the necessary investigation, and finding matters to be as his complaints contained, then to assist the defendant. Whether it was not brought to the defendant's knowledge by his son that he thereupon further asked the Officer what the defendant was to do in case the Field Corporal also remained refusing. Whether the further report of his son in that regard was that, if the distress should come to the utmost extremity, then to request two or at least one credible witness to conduct an investigation at the defendant's place, and the distress so requiring, then to be permitted to cut through the dam at the aforementioned Nieuwout. Whether the Officer, because he had as then received no answer from the said Van Saak, on the same day, being the following 29 Jan, handed over to his aforementioned son A: Feyt a letter to the burgher Jan J: Nieuwout. Article 18. Answers Yes. 15. Answers No. Article 18 falls away. Answers Yes. Answers Yes. Why the defendant went to the dam with so many people. Answers to have been compelled thereto, because there were so many rocks and the water offered much resistance. 22. Whether the Field Constable Andreas W: V: Saak, the burghers P: van Zeijl and Jan Steenkamp, together with a Hottentot named David, all equipped with muskets, also arrived there. Answers Yes, and that each of them had a musket. Whether the defendant asked the aforementioned Field Constable Van Saak what he came to do there with so many people and firearms, and whether the same Van Saak answered thereto, to pack you off. 20. Whether the defendant on 13 Feb of this year went to the dam of the disputed water with his aforementioned son D: H: Feijt and a certain Pieter Poen, together with two slave boys of the defendant named Adam and October, besides the Hottentots Hans, Jantje, and Liet. Whether the defendant consequently does not understand to have given cause to the consequences of his conduct regarding the disputed water. Whether the defendant did not make an improper use of a permission so amicably determined by the Officer and acknowledged by both him, the defendant, and his son before the Gentlemen Commissioners. Article 24. 19. 21. Article 24. Answers that Van Saak said your son lies like a rogue, and that thereupon his son said you lie like a double rogue. Answers to have had no time for that. Answers Yes. Answers that there had been no time to retreat, and that Van Saak first began to insult. Answers Yes. Answers to have been frightened. Answers Yes, and that he was compelled thereto because it proceeded so swiftly. Whether the defendant's son was thus not the first and foremost to violently attack the aforementioned Field Constable with the persons he had with him. 28. Whether the consequence thereof was not that J:s van Zeijl also sprang forward and Loen, who was present, dealt him such a blow that the same Van Zeyl fell to the ground with the firearm he held in his hands. Why the defendant did not prevent his son from doing so. Whether the defendant could not infer therefrom that the intention of him, Van Saak, was not to shoot the defendant or his people. Whether subsequently the aforementioned Van Zaak reversed his firearm and said to the defendant's son I will smash your skull in. Whether the defendant's son thereafter went to the said Van Saak and said what are you saying. Why the defendant did not then turn back and give notice of the arrival of the aforesaid persons to the Officer, instead of engaging, together with his son, in an altercation, indeed even with insulting words, with the aforementioned Field Constable. Article 31. 9. 25. Answers Yes. Whether the knife was snatched from the hands of the same Van Zeyl, and the said Van Zeijl was severely assaulted by the defendant's people. Answers Yes, that Van Zeijl, through the taking away of the knife, still wrestled with the defendant's son, and during that wrestling sustained some injuries because many rocks lay there. Answers Yes, to have shot at all of them. Answers Yes. Answers No. Answers to have committed no violence. Answers, nothing other than what he has already brought forward. What the defendant can bring forward in his excuse. 36. Whether the defendant does not know to have made himself highly punishable on that account. Whether the defendant, together with his defendant son, were thus not the first who gave cause to all the aforesaid consequences. 21. Whether the aforementioned Steenkamp shot the kerrie out of the hand of the Hottentot Hannis with the bullet. Whether Jan Steenkamp thereupon retreated and subsequently shot at the defendant's son. Article 31. Whether thereupon the aforementioned Van Zeyl drew his knife and pursued the defendant and his people. Review. 32. 23. Thus questioned and answered at Cape of Good Hope on 5 Octbr 1786 before the gentlemen Johannes Martinus Horak and Hendk Justinus de Wet, members of the Honourable Court of Justice aforesaid, who have duly signed the original minute of this together with the interrogated person and us, the Secretary. Below which I testify, signed C: van Aerssen, Secretary.
Dutch transcription
Zegt Ja Regt Ja Veld Corporaal in naame frans Lubbe geardresseert, dog dat Dezelve zulx niet had willen doen Om rede dat de Ordre van den Land drost niet Schriftelijk maar mondeling was zegt zal maar dat hij zig aan die Of zijn gedeevengan zoon hem ged niet heeft berigt, dat hij den reg als toen gevraagd hebbende, hoe zyn Vader hij ged=e namentlijk zig zoude hebben te gedragen, in geval de nood en't gebrek aan Water te groot wierd, terwijl den eersten Veldwagtm: van saak gezegt zou hebben, met des R:O reg: brief van 16 Jan Schelmstukken om te gaan, en dat den regt hem daarop geantwoord heeft gehad, als dan den bele Corporaal Om 't nodige onder zoek te doen, en zodanig bevindende als zijne klagten behelsden, hem ged als dante adsisteeren. of hem ged niet door meuw zoon ter kennisse is gebragt, dat hij daarop den R. O: regt al verder heeft gevraagd maar ingeval de veld Corporant ook, wergeragtig bleef, wat hem ged als van zoute doen staan. of het Verder berigt van zijn zoon dienaangaande is geweest, zo de nood dan ten uiterste zoo zijn gekomen, als deen 2 aften minsten een geloofvaardige getuygen te verzoeken om op zijn ged Plaats onderzoek te doen, ende nood zulx vorderende, als dan den dam bij gem Nieuwent door te mogen seken. Of den R:O: regt om dat als toen nog geen antwoord had, ontvangen van gem van Saak, denzelven dag zynde geweest den 29 Jan: daaraan volgende, aan gem: zijnen zoon: A: Feyt heeft overhandigt een brief aan den burger Jan J: Nieuwout Art: 14 Art: 18. Zegt Jal 15 zegt Neen. art 18 Vervalt. zegt Ja. zegt Jal Waarom hij gede met zoo veele menschen naardiendam is gegaan waren en het water das veel resis. „weest, om dat er zo veele klippen zogt daartoe te zijn genoodzaakt, ge„ „tentie bood 22. of aldaar mede gekomen zijn den Veldwagtm:r Andreas W: V: Saak haar hadden. de biergeren P: van Zeijl en Jan Steenkamp mitsgs een Pottertot david gen„t alle met snaphaanen voorzien. zegt Ja. en dat zij ieder een snap„ of hij ged aan voormelde Veldw: van Saak gevraagt heeft, wat denzelven aldaar met zo veele men „schen en geweeren kwamen te doen en of denzelven van Saak daarop geantwoord heeft, om jou weg te boe„ „nen. 20. of hij ged op den 13 febr: dezes Jaars met zynen voorm. zoon D: H: Feijt en zekere Pieter Poen, mitsgs twee slaven Jongens van hem ged met naame Adam en October, benevens de Hottentotten Hans, Jantje en Liet na den dam van't guls „tieuse water zig begeeven. Of hy ged gevolglyk niet begrypt gelegenheid te hebben gegaven tot de gevolgen van zin gedrag, Omtrend het questieuse Water of hy ged dan van eene zo de Minetelij„ ke door den E: O: regt bepaalde, en zo door hem aed als zijn zoon voor„ Heeren Gecomm: Zalos bekende: Derma „sie geen verkeerd gebruijk gemaakt heeft. Art 24. 19 21 arb: 24 zegt dat van saak gezegd heeft je zegt daartoe geen tijd te hebben gehad zegt Ja. zegt dat er geen tijd was geweest Om te retireeren, en dat van Taak eerst heeft begonnen te schelden zoon liegd als een Schelm en dat daarop zijn zoon heeft gezegd je liegd dat als een dukbelde Schelm Zegt Ja. zegt Verschrokken te zijn geweest. zegt Ja: en dat hij daar toe genoodzaakt O: &: zijn ged zoon dus niet is geweest de eerste en voornaamste om gem:e Veldwagting met de bij zig hebbende Perzonen gewel dadig aan teranden. 28. is geweest .Wijl het zo schielijk in zijn werk ging. Of het gevolg daarvan niet is geweest dat I:s van Zeijl mede toegestrongen en hem door den daarbij zijnde Loen, dermaten een slag is toege „bragt, dat denzelven van Zeyl met zijn in handen hebbend geweer Op de aarde is gevallen. Waarom hy ged zyn zoon zulx niet belet. heeft. E Of hij ged daaruit niet heeft kunnen Opmaken, dat de intentie van hem van aak niet is geweest, om hem ged of de zijnen te Schieten. Of Vervolgens gem: van Zaak zijn Geweer verkeerd genomen en gezegd heeft tot zijn ged zoon ik Sla Jou de Harsenpan in! Of zijn ged zoon daarna gegaan is, tot gem: van Taak en gezegt heeft Wat zegt gij . waarom hij gede als toen niet terug gekeerd, en van de aankomst der voorsz: Perzoonen aan den A: O: regt kennis gegeven, in sleve van zig nevens zijn zoon in woordensheijd Ja zelvs met scheldwoorden met gem: veldwagtm:r inte laten. Art: 31 9 25 ƒ zogt Ja heeft ingebragt zegt Ja; dat hij van zeijl door 't Of het mes van den zelvden van zeyl afnemen van 't mes, met hen ged uit de handen gerukt, en gem: van Zoon nog heeft geworsteld, en onder Zeijl deerlyk door zijn ged' volk is Dat worstelen eenige Quetzuuren michandeld. heeft bekomen, wyl daarveele Klippen lagen. Zegt Ja. Op hun allen te hebben geschooten. Zegt Ja ZegteVeen zegt geen geweld te hebben gepleegd. zegt, niet anders als dat hij reeds Aldus gevraagd en beantwoord aan Cabo de goed- Hoop den 5 Octbr: 1786. voor de heeren Johannes Martinus Horak en Hendk Justinus de Wet leden uit den E: Achtb: Raad van Justitie voorm: die de minute dezer benevens den geor: en wij Secret:s mede be„ hoorlijk hebben ondertekend /:lager:/ 't welk ik getuijge /:getekend:/ C: van Aerssen Secret: Wat hij ged:e tot zijn Verschoning weet bij te brengen. /Onderstond:/ 36. Op hij ged:e niet weet deswegens zig ten hoogsten Strafwaardig te hebben gemaakt! Of hij Ged benevens zyn ged zoon dus niet zijn geweest de eerste die tot alle de Voorsz: gevolgen gelegenheid hebben gegeven! 21. of eevengem: Steenkamp met de Kogel de Lottentot Hannis de Kirrij uit de hand heeft geschooten Os Jan Steenkamp zig daar op geriteerd, en vervolgens na zijn ged zoon heeft geschooten. Art: 31 off daarop gem: van zeyl zijn mes getrokken, en hem ged, en de zijne heeft vervolgd. Recollement 32 23. ƒ E T „
English
Re-examination Says G: A: Feijt, aged 26 years, native of this corner, in the capacity of burgher. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this Government, the aforementioned C: D: Feyt, who, these his preceding answers having been clearly and distinctly read out to him word for word, declared that he persisted by them, not desiring that anything more shall be added or removed, except only that according to a report from his aforementioned son, the Field Watchman van Taak is said to have told his aforementioned son J: A: Feyt: your father is an old rogue, he goes about with roguish letters; and certifying for the rest that all the preceding is the pure truth. Underneath was written: Thus done and re-examined at Cape of Good Hope, the 7th of October 1786. Signed: C: G: Feijt. Lower: In my presence, signed: C: van Aertsen, Secretary. In the margin: As commissioners, signed: J: M: Horak and J: J: de Wet. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this Government, the mentioned Hendrik Albert Leijt, who answered the adjacent questions as is recorded beside each. Articles drawn up and handed over to the gentlemen commissioners from the Honorable Council of Justice of this Government, by and on behalf of the undersigned Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Hendrik Lodewijk Bletterman, in order that the burgher Hendrik Albert Feijt may be heard upon them at his requisition ex officio, his answers to be given having to be recorded beside each article. Article 1. The respondent's name, age, place of birth, and capacity. Says G: A: Feijt, aged 26 years, native of this corner, in the capacity of burgher. Article 2. Who his aforementioned father is, and where he, the respondent, resides. Says Coenraad Hendrik Feyt, residing across the Olifants River. Article 3. Whether he, the respondent, in the name of his aforementioned father, on the 15th of January of this year, came to Stellenbosch to the requisitionist with complaints that the burgher Jan Harmse Nieuwout, living above his father's residence, out of spite came to dam up the water in such a manner that his father's fruit orchard and vineyard dried out completely, and there was almost not enough water for the cattle to drink. Says Yes. Article 4. Whether he, the respondent, did not say on the same trip that the disputes previously arisen between his father and the aforementioned Nieuwout over the same water had been settled in this regard by the late Mr. Daniel van Rijneveld as Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, namely that the aforementioned Nieuwout and his, the respondent's, father were to clear the trenches and ditches of the said water, and that Nieuwout had to let it run its course and, after proper use, allow it to flow unimpeded to the farm of his, the respondent's, father. Says Yes. Article 5. Whether he, the respondent, the day after that, did not receive a letter from the Substitute with the assurance that he, the Substitute, in the name of the requisitionist, had written to the Field Watchman Andries van Taak to investigate the matter, and then, if finding his, the respondent's, statement to be true, to cut through the dam wherever necessary, and that the farm of the said Nieuwout would be confiscated. Says Yes. Article 6. When he, the respondent, or his father delivered the letter to van Taak. Says that the time has slipped his mind, but that he, the respondent, along with Pieter Loen, delivered it by his own hand. Article 7. Whether it was not the 23rd of January. Lapses. Article 8. Whether he, the respondent, did not immediately the day after that, or on the 24th, cut through the dam in the presence of the burghers Schalk W: Vorster, Barend Lubbe, and Pieter Loen. Says No. Article 9. Whether he, the respondent, and his aforementioned father did not see or learn that the aforementioned van Taak, the day after that or on the 25th of January, accompanied by witnesses, proceeded to the dam, made an inspection of the water in question, and repaired the dam again. Says Yes. Article 10. Whether he, the respondent, on the 28th of January, for the second time came to the requisitionist at Stellenbosch and complained that the said Field Watchman van Taak would not comply with the requisitionist's order and had said that rogue's tricks were involved with the aforementioned letter of the 16th of January, whereby his father had fallen into a great lack of water. Says No. Article 11. Whether he, the respondent, did not himself confess before the gentlemen commissioners from the Honorable Council of Justice that his aforementioned father, on account of a lack of water, had complained through him, the respondent, to the requisitionist, and he, the respondent, upon that complaint had received a letter from the requisitionist to the aforementioned Field Watchman van Taak, and that he, the respondent, having delivered the letter to the said van Taak, the latter is said to have told him that rogue's tricks were mixed up with that letter. Says Yes. Article 12. Whether the requisitionist did not tell him, the respondent, that for prudence's sake he would also write in this regard to the burgher Jan Harmse Nieuwout. Says Yes. Article 13. Whether he, the respondent, after the letter to Nieuwout was handed to him, did not ask what his father should now do in case Nieuwout likewise did not comply with the order of the requisitionist. Says Yes. Article 14. Whether the answer of the requisitionist was not that his, the respondent's, father should then request the Field Corporal Frans Lubbe to conduct an inspection of the water in question, and finding the same not to be in accordance with the order of Mr. Rijneveld, and the lack of water at his, the respondent's, father's residence being too great, then in the presence of the parties cut through the dam where it was found necessary. Says that he obtained orders from the requisitionist to have to write a letter to the Field Corporal Frans Lubbe to take an inspection of the water in question, but finding such not to satisfaction, the respondent then had the freedom, together with 2 witnesses, to cut through the dam.
Dutch transcription
Recollement zegt G: A: Feijt oud 26 Jaren, ge„ boortig van dezen uithoek qualiteijt burger Compareerde voor ons onderget: gecomm uit den E Achtb: Raad van Justitie dezes Gouvernements voorn. C: D: Feyt dewelke deze zyne voorenstaande antwoorde van woorde tot woordeklaar en duydelyk voorgeleezen wezende verklaarde daarbij te blyven Persisteeren niet begeerende dat er iets meer bygevoegt of van gedaan worden zal, als alleenlyk, dat volgens rapport van zijn ged zoon den Veldwagtm: van Taak tegens zyn geer: Zoon J: A: Feyt zoude hebben gezegt jouw Vader is een Oude Schelm hij gaat met Schelmsche brieven on betuigende voor het overige al het Voorenstaande de zuyvere waarheid te zijn /:Onderstond:/ - Aldus gedaan en gerecolleerd aan Cabo de Goede Hoop den 7 Octbr: 1786. /getekend:/ C: G: Feijt /:lager:/ mij Praesent /getekend:/ C: van Aertsen Seret /:in margine:/ als gecomm:d / getekend/ J: M: Torak en I: J: dewet. Compareerde voor ons ondergez: Articulen gedaan maken en aan gecomm: uit den E: Achtb: raad Heeren gecomm: uit den E: Achtb: van Justitie dezes gouvernements Raad van Justitie dezes gouverne„ gem: Hendrik Albert Leijt ments overgegeven door en van dewelke op de nevenstaande wegens den Onderget: Landdrost vragen, zodanig geantwoord van Stellenbosch en drakenstein heeft als bezijden een yjder aan Hendrik Lodewijk Bletterman getekend Staat. Om daarop ter zijner requisitie C:O: te worden gehoord den burger Hendrik Albert Feijt zullende zijne te gevene antwoorden bezijden ieder Ertf: moeten worden bekend gesteld. Art des gesz: Naam, Ouderdom gaboorte Plaats en qualiteyt Art: 2 zegt Ja. Zegt Ja zegt Coenraad Hendrik Feyt woonagtig over de Olyphanks rivier Zegt Ja Of hij ged uit naam van zijn voorsz Vader op den 15 Jan: dezes Jaars tot Stellenbosch bij den regt gekomen is, met klagten dat de boven zijn vaders woonplaats woonende burger Jan Harmse Nieuwout int nyd het water zod eenig kwam op te dammen dat zyn vaders, vrugten boomgaard en Wyngaard ten eenenmaal ver droogd, en byna geen genoegzaam water voort Zee te drinken was. Of hij ged' niet ter zelver rijs heeft gezegd dat de te vooren gerezene verschillen tusschen zijn vader en voorsz: Nieuwent over t zelve water door wijlen den Heer Daniel van Rijneveld als land drost van Shellenbosch en draken stein dieswegens was bijgelegd dat namentlijk voorsz: Nieuwoat en zijn ged' Vader de griffen en slooten van 't zelve water Opruimen en dat Nieu wout hetzelve in haren lootleiden, en onverhinderd na behoorlijk gebruik na de Plaats van zijn Ged vader moest laten lopen of hij get daags daaraan vanden Substitut niet heeft ontvangen een brief met verzekering dat hij sub stituat uit naam van den Reqt aan den Veldwagtm:r Andries van saak had aangeschreven dazaak te Onderzoeken, en als dan volgens Art: 2 Wie zyn ged' vader en waar hij ged woonagtig is. zijn 6 5 zegt dat hem de tijd ontschoten is, dog dat hy gedr: dien benevens Pieter Poen, eigenhandig heeft betteld. Vervalt. Zegt steen. zegt Ja Zegt Neen of hy ged en zyn, gede valer niet heeft gezien of vernomen, dat den voorm: van Saak daags daaraan of op den 25 Jan: zig met getuigen geadsisteerd na den dam heeft begeven, bezigtiging genoomen van't water in quastie, en den dam weder hersteld. Of hij ged' op den 28 Jan: voor de tweede reize bij den reqt tot Stellen bosch gekomen is, en geklaagd heeft, dat gem: veldwagtm:r van Saak aan des reqts ordre niet wilde voldoen en gezegt had dat er Schelmstukken met de voorm brief van 16 Jan:s Omging, zyn Vader waardoor in groot gebrek aan water was geraakt. Of hij ged niet direct daags daaraan of op den 24 den dam ter Praesentie van de burgeren schalk W: Vorster Barend Lubbe en Pieter Loen heeft door gestooken. Of het niet geweest is den 23 January Art: 6. Wanneer hij ged of zijn vader de brief aan van Saak heeft bezorgd zijn ged' gedaane Opgarf bevindende de dam alwaar het nodig was, doorste „ken en de plaats van gem: Nieuwout zoude worden ingetrokken. Art: 11. Art: 11. Zegt Jal zegt Ja. Zegt Jas zogt van den reqt ordre te hebben be komen, om een brief aan den veld Corporaal frans labbe te moeten den dam door te steken. Of het antwoord van den reqt niet is geweest, dat zyn ged' vader als dan schrijven om inspectie van 't water den Veld Corporaal Frans Lubbe zou dan vrijheid om benevens2 getuigen, gens de ordre van de heer Rijneveld bevindende, en't gebrek aan water Op zin ged' vaders woonplaats te groot zinde, als dan ter Praesentie van par „tijen den dam waar 't nodig bevonden wierd doorsteeken zoude. in qudstie te nemen, dog zulx niet verzoeken, om van't water in Quostie na genoegen bevindende, den ged' als inspectie te doen, ent zelve niet vol„ T hij ged niet zelvs bij zijn voor heeren gecomm uit den E: Achtb: raad van Justitie heeft beleeden dat zijn ged vader uit hoofde van gebrek aan water, door hem ged aan den req„t was klagtig gevallen, en hij ge op die klagte een brief vanden reg aan den voorm: Veldwagtm: van Taak had ontvangen, en dat hij ged den brief. aan gem: van Paak overgeleverd hebbende, denzelven gezegt zoude hebben, met die brief Schelmstukke vermengd te zijn. 14. of hij gedt na dat hem de brief aan Niemoont overhandigd is geworden niet heeft gevraagd, wat zyn vader als nu zou te doen staan, ingeval Nieuwoud almede aan de Ordre vanden reqt niet voldeed. of de reqt hem ged' niet gezegd heeft dat voorzigtigheids halve ook aan de burger Jan Harmse Nieuwout deswegens zou schrijven! Art: 16. 12. B.
English
says Yes. Article 5 says never to have done anything without prior orders from the landdrost Falls away says Yes, pursuant to an Order and missive from the Landdrost Whether he, the defendant, in the manner aforesaid, has not further confessed that upon the complaint last made by him on behalf of his father, being on the 28th of January, when he the following day, or on the 29th, had received the letter from the petitioner to Nieuwout, his father had warned the Field Corporal Frans Lubbe to go to the contentious place and, by order of the petitioner, to cut through the dam; and that the same, having excused himself for reasons mentioned therein, upon permission obtained from the petitioner, his said father had requested the burghers Schalk Willem Vorster, Barend Lubbe, and Pieter Loen to go with him, the defendant, to the place where the water was being dammed up, and to cut through the dam. Whether he, the defendant, has thus not himself confessed that upon the complaint last made on behalf of his father on the 28th of January, he only then obtained permission for that which he, the defendant, on the 24th of January, according to the statement of the burghers Vorster and Lubbe, together with a certain Pieter Loen, and his own statement given in his account, had already carried out. Whether he, the defendant, is thus not himself convinced of having acted contrary to the petitioner's order, and thereby having given occasion for violent behavior. Whether he, the defendant, on the 13th of February of this year, with his father C. D. Feijt, a certain Pieter Loen, together with 2 slaves and 3 Hottentots, betook themselves to the dam in question. Received Article 19 Article 19 says Yes says Yes says says Yes says Yes, and that besides those there were still several other Hottentots and boys with knobkerries. Says Yes! did I come here to scour you away from the water. says that Van Zaak answered Says No. Whether he, the defendant, upon the said Van Zaak saying this, directly struck him a blow such that the same fell backwards against the ground, and indeed with his head against the rocks. Whether he, the defendant, was thus not himself the first who resorted to violence. Whether the consequence was not that the burgher Van Zeijl having leapt forward thereupon, Pieter Loen also struck the said Van Zeijl a blow, and wrested away his firearm. 23. Whether Van Zaak did not take the firearm the wrong way round in his hand, and threatened them that he would then bash their brains in. What answer Van Zaak gave thereto. Whether he, the defendant, then went up to the aforesaid Van Zaak and asked the same in a brusque manner: what do you say? 22. Whether his said Father asked the aforesaid Van Zaak what he was coming to do there with so many people provided with firearms. Whether there also arrived at that dam the Field Sergeant Andries Willem van Zaak and the burghers P. Van Zeijl and Jan Steenkamp, together with the Hottentot David, and whether they were all provided with firearms. Article 27 - 24 Article 27 says Yes. says as before says not to have ill-treated the same, but to have wrestled with him, while he, the defendant, presumes that Van Zeijl was injured by falling on the rocks thereupon. Says: Yes, and that his questioned Father took the knife away from him himself. says at him, the deponent, and at his father, and that he struck the kierie out of the hand of the Hottentot Hans. says never to have transgressed the orders, but to have been forced to repel force with force. Says No, to the contrary, because Van Zaak had threatened the deponent and his Father that he would scour them from the water. Whether this was not very clearly understood by him, the defendant, because Van Zaak did not make proper use of his firearm by discharging his gun at him, the defendant, or at one of the people he had with him, but took the same the wrong way round in his hands! Whether he, the defendant, could not infer from the conduct of the aforesaid Van Zaak that the same was never in earnest to turn away by force of arms his, the defendant's, manner of acting, and that of his said father! Whether he, the defendant, must not thus himself confess, both in this and in the first case, to have acted directly contrary to the petitioner's order! At whom the same fired, and whom he, Jan Steenkamp, hit. Whether the aforesaid Jan Steenkamp, seeing this, retreated, and then fired with a ball. Whether he, the defendant, and his said father then ordered the people they had with them to seize Van Zeijl from behind and wrest the knife from him. Whether he, the defendant, and the said Loen subsequently did not ill-treat the said Van Zeijl in such a manner that the same was thereby compelled to draw his knife, and seek to defend himself therewith. Article 34 fired - 28. says No, and only to have given him, Van Zaak, a blow to save his life. says No, because he has always come by Order of the Landdrost. says to have nothing more to enter in his defense than that which he has already said. below was written Thus interrogated and answered at Cape of Good Hope on the 5th of October 1786 before the Messrs. J. H. Horak and P. J. de Wet, members of the Honorable Council of Justice aforesaid, who have duly signed the minute hereof along with the defendant and me, the Secretary. lower down Which I witness, signed C. van Aussen, Secretary. Verification Appeared before us, the undersigned Commissioners from the Honorable Council of Justice of this Government, the aforesaid H. A. Feijt, who, having had these preceding interrogatory articles, with the answers given thereto, read out clearly and distinctly word for word, declared to persist thereby, with the desire that nothing more shall be added thereto or taken therefrom. Thus done and verified at Cape of Good Hope on the 17th of October 1786, signed Hendrik A. Feijt. Lower down: In my presence, signed C. van Aussen, Secretary. In the margin: as commissioners, signed J. H. Horak and P. J. de Wet. - Below was written What he, the defendant, knows to enter in his defense. Whether he, the defendant, knows himself to be in the highest degree deserving of punishment for his committed crimes. Article 34 Whether he, the defendant, consequently was not the first and primary actor in causing all disorders, and gave occasion to the consequences thereof. Articles -
Dutch transcription
zegt Ja. Art: 5 zegt nooijt iets zonder vooraf„ gaande Ordres vanden landdrost te hebben gedaan Vervalt zegt Ja. ingevolge een Ordre D missive van den Landdrost Of hij gede in voegen voorsz niet al verder heeft beleden dat op de door hem van wegens zijn vader laatst gedaane klagte zynde geweest Een 28 Jan: wanneer hij daags daaraan of den 29 de brief van den regt aan nieuwout ontvangen had, zijn vader den Veld Corporaal Frans lubbe had gewaarschouwd, Omter plaatse contentieus zig te vervoegen en ter Ordre vanden regt, den dam te door steken, en dat denzelven om daarby verm: redenen zig verontschuldigd hebbende, op verklegen Permissei van den req„t, zijn ged vader de bur „geren Schalk Willem Vorster Da rend Labbe en Pieter Loen verzogt had om na de Plaats alwaar 't water Op gedane wierd, met hem ged te gaan en den dam doortesteken. of hij ged dus niet zelvs heeft belee „den dat hij Op de van wegens zijn vader laatst gedaane klagte van den 28 Jan: eerst permissie heeft ver kregen, tot 't geen hij ged Op den 24 Jan volgens de verklaring vande burgeren Vorster en Lubbe, mitsgs Zekere Pieter Loen, en zyne eigenbo zijn relaas gedaane Opgaaf reeds heeft ter uitvoer gebragt Of hij ged dus niet zelvs overtuigd as strijdig met des reqts. Ordre te hebben gehandeld, en daardoor gelegenheid tot statelykheid te hebben gegeven Of hij ged op den 13 Feb: dezes Jaars met zijn vader C:D: feijt, zeker Peder soen mitsg 2 slaven en 3 kottentotten zig na de questieurd dam hebben begeeren Ontvangen Art: 19 Art: 19 zegt Ja zogt Ja zegt zogt Ja zogt Ja en dat er buiten die nog Verscheide andere hottentotten en Jongens met knappels waren Zegt Jal heeft ik kom hier om jouw van 't water te boenen zegt dat van saak geantwoord Zegt Steen. of hij ged' gem: van Zaak op dit zeggen, direct een slag heeft toegebragt, dat dezelve agterover tegens de aarde en wel met zyn hoofd tegen de kleten is gevallen of hij gede dus zelvs niet de eerste is geweest die tot dadelykheid is. overgegaan. O het gevolg niet is geweest dat de burger van zeil daarop toegesprongen Zijnde, Pieter Loenher van zeijl mede een slag gegeven, ent geweer Ontweldigt heeft 23. of van Saak niet het geweer verkeerd en de hand genomen, en hen gedreigd had, de harssen Dan te zullen inslaan. Welk antwoord van Taak daarop gegeven heeft. Of hij gede als toen nagem: van Saak gegaan en dezelve op een brusque Wijze heeft gevraagd wat Zegt gij 22. Of zijn ged Vader aan voorsz: van Saak heeft gevraagd, wat of aldaar met zo veel menschen met snap hanen voorzien kwai doen. of aldaar mede aandie dan gekomen zyn de Veldwagtm: Andries Willem van Saak en de burgeren P:s Vanzeil en Jan Steenkamp mitsgs den het ten tot david en af dezelve alle met snaphanen waren voorzien Art 27 - 24 Art. 27 zegt Ja. zegt als Vooren zegt denzel en niet te hebben mishandeld, maar met hemt hebben geworsteld, terwijl hij Ged Proesumeerd dat van Zeijl daarop de klippen te vallen is gewond geworden Legt: Ja. en dat zijn gevr Vader hem zelve t' wes afgenomen heeft zegt Op hem gesz: en op zyn vader en dat hij den hotten tot Hans de kerrij uit de hand heeft ge„ zagt nimmer de ordres te hebben Overtreden, maar genoodzaakt te zijn geweest geweld met geweld te keeren. Zegt Neeuter Contrarie om dat van Taak, den geez: en zin Vader had gedrugd van't water te zullen boenen. Of zulx door hem ged niet zeer klaar begrepens, doordien van Zaak niet het behoorlijk gebruik van zijn geweer heeft gemaakt mit Op hem ged, of op een der bij zig hebben de menschen zijn snaphaen te lossen maar denzelven verkeerd in handen ge nomen heeft! hij ged=e uit het gedrag van voorsz van Saak niet heeft kunnen & maken, dat denzelven nooijt een ernst geweest zij om gewapender hand, zijn ged' handelwijze, en die van zijn ged vader te willen afkeeren: Of hij ged dus niet zelvs moet be„ kennen, zo in dit als in't eerste gevas direct strijdig met des reqt. ordre te hebben gehandeld! Op wien denzelven geschoten en wie hij Jan Sleinkamp getrossen heeft Of voorsz: Jan Steenheemt zulx ziende zig geretireerd, en als toen met een kogel geschoten heeft.. Of hij ged en zijn ged' vader als toen het bij hun hebbende volk heeft gelast van zeijl van agterente grippen en denzelven 't mes te ontwel digen. of hy ged:e en gem Loen vervolgens gem: van Zeijl niet dusdanig heeft mishandeld, dat denzelven daardoor genoodzaakt is geweest zijn mes te trekken, en zog daarmede te Ec„ „fendeeren. Art: 34 Schooten - 28. zogt Neen en maar alleen aan hem van Saak en Klap te hebben gegeven, om zijn leven te Pauvieren zegt Aan wyl hij altoos uit Ordre van der Landdrost is gekomen zegt niets meer in te brengen te hebben, als 't geen hij reeds gezegt heeft /:onderstond:/ a Aldus Gevraagd en beantwoord aan Cabo de Goede Dorp den 5 Octbr: 1786 voor de Heeren J: H Horak en P: J: dewet leven uit den E: Achtb: Raad van Justitie voorm: die de minute dezer benevens den gedr: en mij Secretaris mede behoorlyk hebben ondert /:lager:/ 't welk ik getuyge /:getekend:/ C: van Aussen Secret Recollement Compareerde Voor ons onderget: Gecomm: uit den E: Achtb: Raad van Justitie dezer Gouvernement de voorsz I: A: Feijt dewelke deze voorenstaande Vzaag Articulen, met de daarop gegevene Antwoorden van woorde tot woorde klaar en duydelijk voorgesezen zijnde, verklaarde, daarbij te blijven persisteeren met begeerte dat er niets meer bygevoegd of van gedaan werden zal Aldus gedaan en Gerecolleerd aan Cabo de goede Hoop den 17 October 1786 /:getekend:/ Hendrik A: Feijt /:lager:/ Mij Praesent /:getekend:/ C:s van Bertsen Secret.:s /:in mar„ „gine:/ als gecomm: /:getekend::/ J: M: Borak J: dewet. en - /:Onderstond:/ Wat hij ged tot zijn Verschoning weet in te brengen. of hij ged weet over zyne gepleeg de misdanden, ten hoogsten straf waardig te zyn Art. 34 of hij ged gevolglijk niet is geweest de eerste in allervoornaamste daselke tot alle ongeregeldheden, en de gevolgen van dien heeft aanleiding gegeven Articulen -
English
Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government, the below discharge-pensioned master gardener of the Honorable Company, Pieter Loen, who to the adjacent questions presented and submitted to the Honorable Court of Justice of this Government by and on behalf of the undersigned Landdrost of Drakensteyn Hendrik L: Bletterman, in order to be heard and interrogated thereon at his requisition, has given such answers as are recorded alongside each of them, his answers to be given having to be made known alongside each article. Article 1. The interrogated party's name, age, birthplace, and profession, and where and with whom the interrogated party resides. Answers: Pieter Loen of Denmark, 61 years of age, former master gardener of the Honorable Company. Answers: With the burgher Coenraad Fijt, on the place Jan Dissels Valley. Article 2. Whether the interrogated party also knows when the burgher H: A: Feyt went to the magistrate to complain about the burgher Jan Harmse Nieuwoudt. Answers: Cannot say such with truth, but indeed that he went there. Article 3. Whether the interrogated party also knows when he, Feyt, returned, and what he, Feijt, said at that time. Answers: Says No. Article 4. Whether the interrogated party did not hear from the same H: Fijt that he had a letter for the Field Guard M: W: van Taak. Answers: Says Yes. Article 5. Whether Fijt, after he had caused the letter to be delivered to the mentioned van Taak on 23 January, then also requested the burghers S: W:m Vorster and F: Lubbe the following day, or on the aforesaid 24 January, to go with him to the water which, according to the statement of the same Feijt, was dammed up by the aforesaid Nieuwoudt. Answers: Says Yes. Article 6. Whether the interrogated party, together with the mentioned Vorster, Lubbe, and Fijt, also did so, and on whose orders, and to cut through the dam. Answers: Says Yes, and indeed at the request of Fijt, but that he does not pay attention to everything, because he does not keep a permanent domicile, since he is a carpenter by his trade. Article 7. Whether it is known to the interrogated party that the aforesaid Feijt lodged a complaint with the magistrate for the 2nd time at the end of the month of January. Answers: Says that he heard as much. Article 8. Whether the same Fijt upon his return had a letter to the aforesaid Nieuwoudt, and when the said letter was delivered. Answers: Says Yes, to have heard such, but not to know when it was delivered. Article 9. Whether the interrogated party also knows what answer from the magistrate the same Fijt brought to his father (: S: Fijt). Answers: Says No. Article 10. Whether it was not then, at the time of the last-made complaints, that the aforesaid H: Feijt informed his father that in case the Field Guard and Nieuwoudt would not listen now and observe the magistrate's order, he, Sijt, would be authorized to request the Field Corporal Frans Lubbe to come with witnesses to his father's residence and conduct an investigation regarding the disputed water, and if his complaints were found to be substantiated, to then be allowed to cut through the dam at Nieuwoudt's. Answers: Says Yes. Article 11. If the interrogated party might have forgotten that such did not occur at the last complaints, to then show him the statement of 24 January, also signed by the interrogated party, and ask him: Article 12. Whether this is not the very statement that the interrogated party signed together with the burghers Vorster and Lubbe. Answers: Says Yes, that he executed a private declaration concerning this. Article 13. Whether the interrogated party subsequently for the second time, on 13 February, proceeded with the mentioned C: E: Feijt and P: L Fijt, together with 2 slaves named Eedam and October, as well as the Hottentots Hans Jantje and Piet, to the aforesaid dam. Answers: Says Yes. Article 14. Whether they, having arrived there together, encountered the aforesaid van Taak and the burghers Jan Steenkamp and Pieter van Zeel Sr., and a bastard Hottentot David, all provided with firearms. Answers: Says Yes, that those persons were there with loaded firearms. Article 15. Whether the interrogated party heard that the mentioned Coenraad E: Fijt asked the aforesaid van Taak why he had come there with those people, all provided with firearms. Answers: Says Yes. Article 16. What the mentioned van Taak answered thereto. Answers: That van Taak said to Fijt, "I have come here to chase you away from the water." Article 17. Whether thereupon the mentioned H: A: Feijt did not jump forward and strike the aforesaid van Taak a blow so that the same fell backwards and with his head to the ground. Answers: That van Taak threatened to strike Fijt between the throat and neck with the firearm, and that Fijt thereupon seized the firearm with the left arm and with the right hand dealt the mentioned van Taak a blow so that he fell to the ground between the rocks.
Dutch transcription
Zegt Neen. Zegt Jas Compareerde voor ons onder Articulen gedaan maken en aan get: gecomm.:e uit den E: Achtb Heeren gecomm uit den E: Aechst Raad van Justitie dezes Gouverne Raad van Justitie doses Gouier ments overgegeven, door en van wegen nements, den onder afgesz: gage staanden baas taenier der E: Comp den Onderget Landdrost van dra Pieter Loen, dewelke op de neven Kensteyn Hendrik L: Bletterman Om daarop ter ziner requisitie te staande vraag eertst: zodanige. worden gehoord en ondervraagd den Antwoorden gegeven heeft al Onder afgesz: gage Staanden Baas bezijden en ijder derzelver Staan tuinier der E: Comp Pieter Soen aangetekend. zullende zijne te gevene antwoorden beziden ieder Artsl: behooren te worden bekend gesteld Zegt Pieter Loen van Denemar „ken Oud 61 Jaren Oud baas toijnier der E: Comp zegt bij den burger Ceenjard Fijt„ Op de Plaats Jan Dissels Valley zegt van zulx niet met waar heid te kunnen zeggen, maar wel dat hij daar geweest is Thij ged van dezelve 3: Sigt niet heeft gehoord dat een brief aan den Veldwagtm: M: W: van Saak hadde Of hij tijt na dat de brief on den 23 Jan aan gem: van zaak heelt doen toekomen Hemtoen Mutsg de burgeren S: W:m Oorst en 2: Labbe daags daar aan of den 24 Jan: voorsz: heeft verzogt om met hem na't water 't welk volgens op „gaao van denzelven feijt, door voorsz Nieuwoat Opgedant wierd te gaan Of hij ged' ook weet wanneer hy ƒ Feyt terug gekomen is, en wat hy feijt als tien heeft gezegt. of hij gevz: ook wert wanneer den burger H: A: Feyt bij den regt geweest is, om over den burger Jan Harmse Nieuwaat te klagen. Waar en bij wien hij gevr: woonagtig Art S des geer: Naam, ouderdom, geboorte Plaats en qualiteyt en te wonen is Zegt Jas. zegt Ja, en wel op Verzoek Zegt Neen. Zogt Jas van Fijt maar dat hy op alles niet en let want dat hij geen vast domicilium en houd, om dat hij Timmerman tan zijn Ambagt is zegt dat hij zo veel gehoord heeft zegt Ja. zulx gehoord te hebben maar niet te weeten, wanneer die bezorgt is 10. Of hij ged ook weet welk antwoord van den reqt denzelven Fijt aan Zijn vader (:S: Fijt heeft gebragt) Of 't niet als toen bij de laatst gedaane Klagten is geweest dat voorsz: H: Feijt aan zijn vader heeft berigt dat ingeval den veldwagtin en Nieuwoud thans geen gehoor Wilden geven, en des reqts: ordre obser „veeren hij Sijt bevoegt zou zijn den Veld Corsoraal Frans Lubbe te moeten Verzoeken, Om met getuijgen Op zijn vaders woonplaats te Komen en onderzoek omtrend 6 queestieuse water te moeten doen, en zodanig als zijne klagten waren bevonden werdende, als dan den dom by - Nieuwoudt te mogen doorsteeken Of denzelven Tit bij zijn terugkomst heeft gehad een brief aan voorsz Vieuwoudt, en wanneer dezelve brief is bezorgd! Of hem ged bewust is dat voorsz: Peijt 't laatst der Maand Jan: voor de 2=de reize bij den reqt klagtig gevallen is. of hij ged nevens gem. Vorster, lubbe en fyt zulx ook gedaan hebben en op Wiers Orbre Art. 7. en den dam doortesteken Art: 12. - 11. - Zegt Ja Legt Ja dat hij een onderhandsche verkl: dieswegen heeft verleden Art: 12 zo den ged' mogte ontgaan zijn dat zulx niet Op de laatste klagten is ge weest hem als dan de mede door hem ged„e getekende Verklaring van 24 Jan te Vertoonen en af te vragen Of dit niet is dezelve Verklaring dit hij gede nevens de burgeren verster en Lubbe heeft getekend Thij gedr:e vervolgens voor de tweede Reize op den 13 Febr: zig met gem: C: E: Feijt en P: t Fijt, mitsg 2 sla ven, met name Eedam en October benevens de holtentotten, Hans Jantje en Piet heeft begeeven, na de voorsz: dan of zijl: gezamentlijk aldaar gekomen zijnde aangetroffen hebben voorw: van Taak en de burgeren Jan Steen„ kamp, en Pieter van Zeel sz: en een bastaard Kotten tot david alle met geweeren voorzien Of hij ger: heeft gehoord dat gem. Coenraad E: Pijl aan voorsz: van Saak heeft afgevraagd, waar „Om hij met die lieden, alle met geweren voorzien aldaar was gekomen. Wat gem:e van Zaak daarop heeft zegt. dat van Saak gezegt heeft tegens Sijt, om gou van '6 water geantwoord. hier te boenen ben ik gekomen of daarop gew: H: A: Seijt niet zegts dat van saak gedregt toegesprongen is, en voorsz: van saak heeft om met 't geweer Fijt een slag toegebragt heeft dat denzel„ tusschen hals en nek inte slaan en dat Sit daarde met de linker zoen agter over en met 't hoofd ter aarde gevallend. Arm: 't geweer gevat en met de rochter hand, gem: van Zaak een slag heeft toegebragt dat sig ter aarde gevallenis tusschen de klippen Zegt Ja waren met geladen geweeren. zegt Jas dat die Perzonen daar Art: 18. 13. 14
English
Article 18. Whether the defendant thereupon struck the aforesaid Van Zeijl on the mouth with the stick, causing him likewise to fall backward onto the ground, whereupon Van Zeijl, having fallen backward, and upon examination it was found that the gun was cocked and primed with powder, the defendant then took the gun away from the said Van Zeijl, and subsequently further mistreated him. He says yes, that he struck him with the stick, but that he only parried in order to prevent all misfortune, because he wanted to strike the gun away, as Van Zeijl aimed the gun at Fyt. He says indeed to have taken the gun away, but not to have struck Van Zeijl anymore. Article 19. Whether the defendant had any order to do this. He says no, that this was not spoken of. Article 20. Whether he defendant, when he had seen the said Van Taak, Steenkamp, and Van Zijl arriving there armed with guns, could not himself understand that it could not end well, all the more because it was indeed known to him, defendant, that C:B: Fyt and the aforesaid Nieuwout continuously lived in dispute over the aforesaid water. He says that he did not go along to carry out anything evil, but only for company, without him, defendant, having been able to foresee that anything would occur. Article 21. Why the defendant then did not rather turn back instead of violently attacking and mistreating the aforesaid persons who approached the dam, the more so because not they, but P: A: Fijt was the first who attacked the aforesaid Van Taak. He says that he was unable to run at that time, and that those persons were upon their heels, and as he became aware that Fijt was pointed at, that Fijt was indeed the first, but at the last was compelled to act because Van Taak aimed at him. Article 22. Whether the defendant does not know that without any order having been given to him in person or shown in writing from the requisitionist, he was incompetent to give occasion to such acts of violence, much less to be allowed to proceed to actual deeds. He says as before, that he was forced to avoid all accidents, as he was in the position of having to defend himself. Article 23. Whether the aforesaid Steenkamp also struck one or the other. He says that a stick of a Hottentot was hit by the bullet through the shot. Article 24. When and why the aforesaid Steenkamp shot at the said P: A: Fyt. He says he does not know this. Article 25. Whether the defendant does not know that all violent assaults are not permitted and in the highest degree punishable. He says nothing other than what has been said before. Article 26. Whether the defendant also knows to bring forward anything for his excuse. He says nothing other than what has been said before. Thus asked and answered at the Cape of Good Hope on 30 November 1766 before the Messrs. J: M: Horak and Johannes Matthias Bletterman, members of the Honourable Council of Justice aforesaid, who have duly signed the minute hereof along with the defendant and me, the sworn Clerk. Lower: Which I testify. Signed: R: J: V: d: Riet, sworn Clerk. Agrees. To the Right Honourable Gentlemen Pieter Hacker and Johannes Isaac Rhenius, Presidents, together with the Honourable Council of Justice of this Government. Shows with due respect the sworn Clerk of this Council, qualified in office to attend to the case of the Landdrost of Swellendam: That late in the month of October of this year, two slaves were brought into custody at Swellendam, namely Zuly of Bougies, belonging to the messenger at Swellendam, and November of Batavia, bondservant of a certain Jacobus Steijn. That the said slaves, having been apprehended on the other side of the Breede River near the so-called Kluitjes Kraal by the burghers Fredrik Janse van Rensburg and Petrus Laars, on that same day when the boys were brought into custody, it was made known by the said persons to the Officer. That the said slaves having been discovered by a Hottentot in the vicinity of the aforesaid place while the said persons were driving their wagons toward the Cape, they went thither in order to arrest those boys. That upon their call to the said boys that they should stand still and surrender themselves as prisoners, instead of that, they at first took to flight, but afterwards stood still, well-positioned, each provided with a knife and a kerrie in both hands, and upon the interrogation by those persons whose boys they were, answer was given by them that they did not know their master, but that he resided across the Breede River, and they guarded the horses. The said persons having asked them further where their horses were being guarded, they found that they received such an answer from those boys.
Dutch transcription
Zegt Ja, dat hij met de stok heeft Art 18 geslagen heeft, maar dat hij ge Thij gede daarop met Voorsz van afgepareert, om alle ongelukken zeijl met de stok een slag voor de mond heeft toegebragt, dat denzelven almede voortekomen, want dat hij 't geweer heeft willentrslaan, omdat agter over Op de aarde gevallen is van zeijl met 6 geweer Op fyt kie aan wanneer van Zeijl agterboer was gevallen, en heeft de geer: als toen by onderzoek bevonden dat de heer gepamen en op de vankruyt T hij gede als toen denzelven van zeyl zegt wel 't geweer afgenoomen maar van zeyl niet meer geslagen te hebben zijn gewaer afgenoomen, en vervolgens al verder mishandele heeft. zegt Nan dat daarvan niet is gesproken of hij ged: hier toe enige last heeft gehad zegt dat hij niet mede is gegaan om iets kwaads uittevoeren maar alleen tot gezelschap, zonder dat hij gedr: heeft kunnen voorliet Zien, dat er ick zoude voorvallen dat hij niet heeft kunnen loopen ter dier lyd, en dat die Perzoonen hen op de hakken zegt waren, een hij zo gewaar wierd Poinet, dat fijt wel de Eerste zigt als Vooren, egter op 't laatste Taak op hem aanleyde noodzaakt was, omdat van Waarom hij ged dan niet liever te rug gekeert is, als geweld adiger wijzo. de voorm: bij den dam genaderle Perzoonen, aante vallen ente mishan Oelen, te meer daarniet dezelve maar P: A. Sijt de 1te: geweest die voorme. van Saak is aangevallen. Thij gede wanneer hij dezelven van Taak steenkamp en van zijl met geweeren voorzien aldaar had zien aankomen. heet zelvs konde begrijpen, dat 't niet goed konde afloopen te meer daar't hem ged. immers beweest was dat C:B: Fyt en voorsz: Nieuwont bij aanhou denheid over 't voorsz water in twest hebben geleeft of hij gede niet weet dat buigten dat hem eenige ordre, af in Perzoon gegeeven of in geschrift van den reqt vertoond is hy onbevoegd is geweest, om gelegentheid tot diergelyke Fegtelykheden te geven veel minder tot dadelykheden te mogen overgaan. Art: 24 e daan komen met aan aak „ aarde en 23 2 19. Zegt een Stok veen en Pottentot met de kogel door de schoot 'D' voorsz: steenkamp ook den eenof ander heeft getroffen. geraakt te zijn. zegt dat hij genoodzaakt was om alle ongelukken te menageeren wyl hij in 't geval was omzig te moeten defendeeren zegt niets als 't geen heer voren is gezegd ldus gecraagt en beantwoord aan Cabo de goede Hoort den 30 November 1766 voor d' Heeren J: M Idrak en Johannes Matthias Bletterman leden uit den E: Achtb Raad van Justitie Voorm: die de minute dezer benevens den ged en mi gezw: Clercq mede behoorlijk hebben onder tekend : /: lager:/ 't welk Ik getuygd:/ getekend:/ R: J: V: d: Reet getw: Clercq . Tients. of hij ged ook iets tot zijn ver Schoning Weet en te brengen /:Onderstond:/ Of hij ge niet weet dat alle gewelda¬ dage aanrandingen zijn ongepermit teerd; en ten hoogsten strafwaardig Art 24 Wanneer en waarom voorsz Steenkamp Op gem:e P: A: Fyt heeft geschooten zegt zulx niet te weeten Van ersteen Accordeert Wel Edele Achtbaare Heeren Vertoond met schuldigen Eerbied den geza: Clercq dezes Raads in officio gequalificeerd ter waarneeming der zake van den Landdrost van Swellendam dat in't laatst der Maand october dezes Jaars te swellendom in hegtenis zynde gebragd geworden de beide slaven in nauw Zuly van boegel toebehorende den bode te swellendam, en November van Batavia lyfeigen van zekeren Iacobus Steijn dat dezelve slaven aan de overzyde van de brede rivier bij de zogenaamde Kluitjes Craal, door de burgeren Fredrik Ianse van Rensburg en Petrus Laars op gevangenge worden zijnde, dien eijgensten dag wanneer de Iongen in heglenis gebragt wierden, door de gem:e Perzoonen den R: O: Vert: is te kennen gegeven dat de gem sladen door een hottentot, omstreeks de voorsz: plaats, terwijl de gem:e perzonen met hunne wagens caabwaarde reden, ontdekt zijnde, zijl ten einde die Jongen te arresteeren, derwaards gegaan waren. dat de gemelde Iongens op het geroep van hun, dat zij zouden blyven staan, en zich gevangen geven, in stedd van dien, in het eerst op een loop gezet, edog naderhand waren blijven staan, wel geposteerd, ieder met een mes en een Kerrij inde beide handen voorzien, en op de afvrage van die perzonen wiens Iongens zy waren, door hen ten antwoord zijn gegeven, dat zij han baas niet kenden, maar dat die over de brede rivas woonagtig was, en zy de Naardenoposten, die Perzoonen al Verder gevraagd hadden waren hunne opgepast werdende Doorden zee bevonden dan dewijl zijl door die Iorgens ten ankwoord bekomen Van de wel Edele Achtbaare Heeren Pieter Hacker en Iohanna Isaac Rhenins Proesidenten, beneevens den E: Achtbaren Raad van Iustitie dezes gouvernements hadden.
English
had that the horses were scattered in the field, they, due to the insolent attitude of those slaves, had become too suspicious and ordered them to put away the knives, and to surrender themselves, or else to go with them to the farm of their master, to which those boys showed themselves unwilling; that those persons thereupon had threatened them that, if they would not surrender, they would shoot at them; the same slaves, while boldly shouting "just shoot," had approached a little, so that those persons, expecting nothing but the greatest disasters from the entire conduct of those runaway boys, had therefore retreated, whereupon those slaves had pursued them for some distance with knives in hand, without having been able to overtake them. that those persons had agreed with one another to stop again, and to go towards those runaways and fire a blank shot, in order to see whether no fear could be instilled into them by that means, which having been done by those persons, instead of the boys becoming fearful, they had come at them for the second time, while those persons had retreated as before. that those persons subsequently had intended again for the second time to stop and go towards those boys, whereupon the same boys, with their bare knives, had immediately come at both of them, so that said van Rensburg had fired at the slave Domingo, but that notwithstanding he was also struck in his right arm by that shot, he nevertheless came straight at him, and the other boy Julij at said Jaars, so that said Rensburg had dealt the slave Domingo, who attempted to deliver a stab to him with the knife he held in hand, a blow to the head with his gun, whereby that slave fell to the ground, while nevertheless that boy at once attempted to recover himself, and to strike with the kierie he held in hand, but because he had received a second blow from said Rensburg, had fallen to the ground once more, and remained lying there, said Rensburg then, because that boy pretended to be dead, having left him there, and the other slave who had gone after said Jaars and, notwithstanding his murderous intent and offered resistance, was overpowered by him, tied up, and in that manner brought into custody; as can be seen more closely from their statement regarding this, given and recollected before the Gentlemen Commissioners from this Honorable Council, to the contents of which the Officer Remonstrant takes the liberty, for the sake of brevity, to refer. that both of those slaves were subsequently sent hither, and were heard by the said Remonstrant before Gentlemen Commissioners from this Honorable Council on such articles as were formulated by him, the Remonstrant, for that purpose; but the same slaves having in their given answers not only declared to have had no evil intentions, but to have been assaulted and shot at in a violent manner by two Europeans, without the slightest sign having been given from their side to want to resist those two Europeans, or that any lethal weapon was held in hand by them; and whatever trouble was also taken during the same interrogation, it could nevertheless not be brought so far as to make through their own answers, from one thing or another, the same accusations against them legally sufficient. that however much on the one hand it is indeed beyond all dispute that the crime with which the defendants have been charged is of such a nature that, being proven with their confession, it would beyond doubt merit a very severe punishment, since there are two Europeans who have verified their statements upon recollection, who thus in credibility must be considered far above the defendants, one would also not need to hesitate to compel the defendants to a confession by means of torture, yet, on the other hand, according to the humble understanding of the Officer Remonstrant, it is no less certain
Dutch transcription
hadden dat de paarden in't veld verstrooyd waren hadden zyl op de brutaale houding van die slaven, te veel agterdogt gekre „gen en hun geliedt de messen weg te doen, en zig gevangen te geven of wel met hun na de plaats van hunnen hfheer mede te gaan waartoe die Iongens zig onwillig betoonden dat die perzonen hun daarop bedreigd hadden, om wanneer zijl: zig niet wilden geven op hunto zullen schieten dezelve slaven onder 't Htoutmoedig roepen schiet maar een weinog genaderd waren, dus die Perzoonen uit 't geheele gedrag dier drossende Iongens, niet als de grootste onheelen te gemoet ziende, hun dierhalven hadden geretireerd, wanneer die sla „ven hun een Endweegs met messen inhauden vervolgd hadden zonder ken te hebben kunnen agterhalen. dat die Perzonen met den anderen waren overeengekomen om weder te blyven staan, en na die drossers te begeeven en een losse schoot te doen, ten einde te zien, of hun daar door geene Vrees konde werden aangejaage, 't geen door die Perzoonen gedaan geworden zynde, instede dat de Iongen vreesagtig werden zouden, op hun voor de tweede reize waren afgekomen, terwijl die perzonen alscheekende hunne retract genomen hadden. dat die perzoonen vervolgens voor de tweede riize weder voor de tweede reize voorgenomen hadden om te blyven staan en na die Iongens hun te begeeven, als wanneer dezelve Son gens, met hunne bloote missen terstond op hun beidd waren afgekoomen zulx gem: van Rensburg opde slaad do„ mingd had losgebrand, dan dat niet tegenstaande hij ook door dien schoot in zijn rechter arm was getroffen, echter regelrecht op hem ende andere Iongen Iulij op gem Iaars was ingekomen, dus gem: Rensburg de Slaar doming die hem met zijn in handen hebbend met een steek voogd toe te brengen, met zijn geweer een slag op het hoofd gege „ven had, waardoor die slaar ter aarde gevallen was, terwij egter dien Iorgen ten eersten zig war Doogde te her„ stellen, en net zijne in handen hebbende kiorie te vergeenn dan dewijl hij door gem„e Kensburg een tweede slag ont vangen had, andermaal op de aarde gevallen was, en aldaer blyven leggen, hebbende gem: Renbburg als toen vermits dien dien Jongen zog hield als of hij dood was, hem aldaar gelaa„ „ten, ende andere sladdie op Voorsz: Iaars afgegaan en door hem niet tegenstaande zijne moord dadigd intentie en geboden tegenweer was overmeesterd, gebonden en in dier „voegen in hegtenis gebragt geworden; gelyk zulx nader zal kunnen werden beoogd uit hunne dees wegens voor Heeren gecommitt: uit dezen E: Achtb: Reede gegeeven en gerecolleerd Relaas, en aan welkers inhoud den R: C: Vert: kortsieidshalve de vryheid neemd zig te refereeren dat die beide slaven vervolgens naa herwaards opgezon den en door den qq vertoonder voor heeren gecommitt:s uit dezen E: Actbb: Raade gehoord zinde, op zodanige articulen als door hem Vert: tot dat einde waren geformeerd; dan dezelve slaven bij hunne gegevene respontiven niet alleen verklaard hebbende niets van intentie geweest, maar op eene geweldadige wijze door twee Europeeschen aangerand en geschoten te zijn, zonder dat van hunne kant eenig't minste blijk is gegeven, om die twee Europeeschen te willen resisteeren, of dat door hun eenig moord geweer in handen is gehouden en welke moeijte men ook bij 't zelve verhoor heeft aangewend, 't egter daartoe niet heeft kunnen werden gebragt om door hunne eygene antwoorden uit een of ander dezelve beschuldiginge tegens hem in rechten voldoende te doen sufficieeren. dat hoe zeer het aan de eene kant wel is buiten alle contestatie, dat de misdaad waarmede de ged: zijn beschul digd geworden, is van dien aart dat dezelve beweezen zijnde, met de confessie van hun, brieten twijffel eene zeer strengd straffe zoude meriteeren, vermits er twee Europeeschen zin die hunne verklaringen hebben geverifieerd bij recollement dus in geloof verre boven de gede moeten werden aange merkt, men ook niet zoude behoeven te dralen om door middel van scherper examen, de gee tot eene confessie te constringeeren, dan, dat 't aan den anderen kant volgens 't gering begrip van den R: O: Vert: niet minderzeker is
English
is that the same two Europeans appear to have proceeded in a entirely cruel manner, as is mostly customary among the country folk, in order to display their bravado upon runaway slaves, whereby particularly comes into consideration their young years, in which one commonly seeks to shine in heroic deeds, especially toward those who offer no resistance; thus of the very perilous means of torture, with the greatest circumspection in this case as in all other cases, use ought to be made, and not to employ the same lightly, unless the evidence which has been brought against the defendant must be so clear and so decisive that one would not need to make much difficulty to make a claim upon the foundation thereof without confession, which, subject to correction, appears to the Reporting Officer here not to be of that weight. That the same opinion of the Reporting Officer being inspected by Your Honorable Worships and subsequently examined the evidence which militates against the said defendant, the Reporting Officer reasonably trusts that Your Honorable Worships will soon be convinced that in the same evidence, as mentioned, quite some of that legality is lacking, and that one thus without a special authorization from the Judge would take resort, quite imprudently on the part of the Officer, to the remedy of torture in the present case, in consideration that the testimonies brought against the defendant solely consist of accusations of persons who have made themselves guilty of excessive abuse upon those two defendants, and that if no good care had been taken for the preservation of those two boys by the Surgeon at Swellendam, surely one of them would have been sacrificed to that cruel treatment, just as one of the boys has retained a lingering illness therefrom, and the Reporting Officer for the final settlement of affairs, since his answered interrogatories were not recollected, has not been able to present any written document to Your Honorable Worships; and when the Commissioners yesterday attended to recollect the interrogatories both of the defendant and of others, during the transport from the prison to this council chamber the one defendant July, belonging to the Messenger at Swellendam, very suddenly became gravely ill, and after the lapse of about an hour died, whereby then his answered interrogatories have remained unrecollected. And however much the accusation indeed provides a vehement suspicion against the defendant, the one and the other however, under correction, could be taken into consideration for nothing other than merely a half proof; wherefore to the Reporting Officer, on account of the weak evidence and several further reflections that have occurred, it appeared that one, by reason of the defendant's constant denial, could by no possibility proceed against the defendant to make an extraordinary claim. The Reporting Officer, however, under respectful reverence, is of the opinion that, besides the presumptions which to some extent do result from the concurrence of the case to the disadvantage of the defendant, no slight difficulty would present itself to set the remaining defendant at liberty again. Wherefore the Reporting Officer has deemed it most advisable to bring this one and the other to the knowledge of Your Honorable Worships, with respectful request that Your Honorable Worships, concerning the defendant November as the remaining one, either by a special order to the Officer to make a claim against him the defendant ad torturam, or by a resolution to relegate him to Robben Island until such time and while one might possibly obtain other or further evidence, or else in another manner to take such disposition as Your Honorable Worships shall find to belong to the amputating of all rightful fear of mischief. Below which doing etcetera. Was signed: R: J: V: d: Riet. In the margin: Exhibited in Court the 28th of December 1786. Articles Appeared before us, the undersigned Commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, the slave November, belonging to Jacobus Steijn, who to the adjacent interrogatories has given such answer as is noted down alongside each of the same. Articles drafted and presented to the Commissioners from the Honorable Court of Justice of this government by and on behalf of the sworn Clerk at the Secretariat of Justice, Ryno Johannes van der Riet, qualified ex officio to attend to the affairs of the Landdrost of Swellendam, Constant van Nuld Onkruyd, in order to hear thereon, at his requisition, the slave November, belonging to Jacobus Steijn, the responses to be given by him to be properly recorded in the margin hereof. Art. 1. The prisoner's name, age, and place of birth? Says: November of Batavia, aged by estimation 20 years. 2. Whose bondservant he is? Says: of Jacobus Steijn. 3. When and for what reason he ran away from his master? Says: after fully one month, and because his master demanded too much work from him and he could not satisfy him, therefore he ran away; and because two beasts that he had to herd had become lost. 4. Where he mostly stayed during his running away? Says: he stayed on the side of Swellendam. 5. Whether he, the defendant, was alone, or if more runaway slaves had been with him the defendant? Says: while he, the defendant, was with his beasts in the field, the boy July of the messenger of Swellendam came to him and asked him to go along. 6. If so: to name the same! Says: as before. 7. Whether he, the defendant, did not in the past month of October, near the so-called Kuiltjes Kraal, meet two persons? Says: that on a certain morning two persons came to them near the Beeltje Kraal. 8. Whether he, the defendant, also knows those persons? Says: Steijn. Art: 9.
Dutch transcription
is, dat dezelve twee Europeeschen, op eene gantsch wreed aardige wijse schijnen te werk gegaan te zijn, gelyk onder de buiten luiden meesterlyds gebruikelyk is, om hunne bravoures aandrossende slaven aanden dag te leggen waarbij voornamentlijk in aanmerkinge komt, hunne jonge Jaren, in welke men gemeenlijk in helden daden Voogt uitteblinken, vooral, aandezulke die geen tegenweer bieden, dus van 't ze haggelijk middel van tortuur met de grootste omzegtigheid en dit geval zo als en alle andere gevallen, behoord gebruik gemaakt te worden en't zelve niet ligt te employeeren, of de bewijzen welke tegens de gee zijn ingebragt, moeten zijn zo klaar en zo decisief, dat men niet veel zwarigheid zou behoeven te maken, om op fundament daarvan zonder Confessii eysch te doen t geen onder Correctie den R: E: Vert: hier in voorkomt niet te zijn van dat gewigt. dat 't zelve begrap van den R:O: Vert bij UwE: Achtb: werdende geamspecteerd en vervolgens geExamineerd de bewijzen welke tegen dezelve ged zijn militeerende, de R: O: Verk: billyk vertrouwd, dat UwelEd: Achtb: spoedig zullen wezen overtuigd, dat aan dezelve bewyzen gelijk gemeld alvzij wat van die legaliteijt ontbreekt, en dat men das zonder een Speciaale authorisatie van den Regter, al vrij onvoorzigtig van de zijde van den Eert: tot 't remedie van tortuur in het voorhanden zijnde geval zijn toevlugt zoude nemen in Consideratie dat de getuigenissen tegens de get. ingebragt en kel bestaan en beschuldigingen van perzo„ nen, dewelke zig aan Verregaande mishandelingen aan die twee ged hebben schuldig gemaakt en dat indien geen goede zorge voor't behoud van die twee Jongens door den Chirurgijn te Swellendam was gedragen, zekerlijk een van hem aan die wreede behandeling zoude zijn opgevfferd geworden, gelijk een van de Jongens een kwij„ „nende ziekte daardoor heeft gehouden, en den R: G: Vat: ter finale afroening van zaken, vermits zijn beantwoorde traagartic: niet was gerecolleerd geen schriftuur aan Uwe EEd: Achtb: heeft kunnen presenteeren, en wanneer Heeren Heeren gevommitt: op gisteren Vaceerden om de vraagarticin zo van de ged als van andere te recolleeren, byj 't transpor „teeren uit 't gevangen huis nadeze raadzaal den eenen ged: July toebehorende den Bode te Swellendam zeer subiet zwaarziek geworden, en na verloop van om„ „trend een uur gestorven, waardoor dan zijn beantwoorde vraag articulen ongerecolleerd gebleeven is.— En hoe zoer de beschuldiging wel een Venemente Suspicie tegens de ged uitleverd, 't Een en ander echter voor niets an „ders als naamelijx /:onder Correctie:/ voor eene halve Dreuve zoude kunnen komen in Consideratie weshalven de R: O: Verk:, om 't zwakke bewijs en ver scheide reftexien meer zynde voorgekomen, dat men uit hoofde van des ged:e constante ontkentenisse met geen mogelijkheid tegens de ged: tot 't doen van een Extra ordinaire Eysch zoude kunnen overgaan„ de H: O: Vert: egter onder Eerbiedige reverentie van begrip is, dat buiten de praesumptien welke uit de Pa„ „menloop der zaake, ten naderle vande gede wel eenigsins resulteeren 'er geene geringd zwarigheid zig zoude op doen om de overgeblevene ged wederom te stellen op vrije voeten Waarom de R. O: Vert: raadzaamst heeft geoordeeld dit ein en ander te brengen ter Cognitie van UwelEd: rens Achtb:r met eerbiedig verzoek dat Uw welEde le Achtb: omtrend de gee November als de overgeblevene 't zij door eene Speciale ordre aan den verk onne tegens hem ged: Eijsch ad torturam te doen, of door een besluit tot tyd en wijle men mogelijk andere of nadere bewyzen mogte aan handen krijgen, naar 't robben Eijland te relequeeren, dan wel op eene andere wyze zodanige reus dispositie te neemen, als Uw welEd: Achtb tot 't amputeeren van alle rechtmatige vrees voor onheilan zullen bevinden te behooren /:lager:/ 'T welk doende &c /: was getekend:/ R: J: V: d: Riet /:in margine Iudicio den 28 december 1786 Exhibitar in Articulen - Compareerde voor ons onderget: certiculen gedaan maken en aan heeren gecommitt: uit den E: Achtb: gecommitt: uit den E: Achtb: Raad Raad van Justitie dezes gouverne, van Justitie dezes gouvernement den Slaad November toebehoo mente door en van wegens den gezw: „rende Jacobus Sleijn, dewelke Clercq ter Secretarije van Justitie op de nevenstaande traagartiu Rino Johannes van der Heet als „len zodanig antwoord gegeven heeft i officie gequalificeerd ter waar„ als beyden een ieder derzelver staat neminge der zaken van den Land drost van willendam Constant aangetekend. van Ruld Onkruid, om daarop ter requisitie van hem gehoord te worden den Haar November toe, behoorende Jacobus Hein, zullende deszelvs te gevene responsive, in mar „gina dezer behoorlyk worden bekend gesteld. Art. des gev: naam, Ouderdom en geboorte Plaats! e wiens lijfeigen hij is wanneer en om welke reden hij van Zegt: na ruim Een Maand en om zijn lyfheer is opgedrost. dat zijn lyfheer te veetwerk van hem vorderde en hij hem niet voldoen konde, daarom opgedrost te zijn; en on dat er twee beesten weg waren geraakt die hij hoeden moest zegt: terwijl hij ged: bij zijn beesten of hij ged' alleen dan of meer ongeno int veld zig bevond den Iongen July bij hem ged' geweest zijn. vanden bode van Zwellendam bi hem gekomen was en hem gevraagd om mede te gaan. zegt als vooren. Legt dat op een zekeren morgen twee Perzonen bij hun gekomen waren omtrend de Beeltje Kraal zegd Steen zegt aan de kant van Zwellendam zig te hebben opgehouden. zigt van Jacobus Steijn. zegt November van Batavia 8 oud naar gissing 20 Jaren waar hij zig meest in zijn opdrossen heeft opgehouden. Z0. Ia: dezelve op te geven! of hij ged: niet inde gepasseerde maand October omtrend de zagenaamde Kuiltjes kraal, twee perzoonen heeft ontmoet. of hij ged: die Perzonen ook kend! Art: 9. . ..
English
Article 9. Question: Whether he, the defendant, together with his partner, did not wait for those two persons with a knife in one hand and a kirri in the other. Answer: States that he had a knife in his pocket and the kirri in his hands, and as soon as those persons came to him, the defendant, he immediately threw the knife and the kirri away. Article 10. Question: If so, what he, the defendant, then intended to do with them. Answer: States he had no intention of doing anything. Article 11. Question: Whether those two persons did not ask him, the defendant, and his partner whose slaves they were. Answer: States no, that those persons asked nothing, but immediately said to one another, just shoot. Article 12. Question: Whether those persons, upon that displayed unwillingness, did not order him, the defendant, and his partner to surrender themselves as prisoners, or otherwise they would shoot at them. Answer: States yes. Article 13. Question: Whether he, the defendant, and his partners were not unwilling to do so. Answer: States yes. Article 14. Question: Whether those persons did not then order him and his partner to put away their knives and go along to show where their masters lived. Answer: States no, having heard nothing of the kind except only, just shoot. Article 15. Question: Whether he, the prisoner, did not answer, our horses are scattered in the wild. Answer: States as before. Article 16. Question: Whether those persons had not asked thereupon, where then are your horses. Answer: States no. Article 17. Question: Whether it was not answered by them, we do not know our masters, but he lives across the broad river and we look after horses. Answer: States yes. Article 18. Cancelled. Article 19. Question: Whether it was not answered thereupon, just shoot, and by whom this was answered. Answer: States no. Article 20. Question: Whether those persons did not then shoot at him, the defendant, and his partner. Answer: States yes, that those persons had shot immediately. Article 21. Question: Whether he, the defendant, and his partner, when they saw that those persons were retreating, did not pursue them. Answer: Cancelled. Article 22. Question: If so, for what reasons, and what they then intended to do. Answer: States no. Article 23. Question: Whether he, the defendant, when that shot was fired, did not still closely pursue the said persons. Answer: States no, that he did not pursue those persons. Article 24. Question: Whether those persons did not shortly thereafter fire a second shot and wound one of them in the right arm. Answer: States yes, and that Julij was wounded then. Article 25. Question: Whether notwithstanding the shots received, he, the defendant, nevertheless ran at those persons with the drawn knife. Answer: States that those persons shot and struck immediately, without any resistance being offered or intended to be made. Article 26. Question: Whether when he, the defendant, thought to inflict a stab upon one of those persons because that person was close upon him, he was not struck on the head with the butt of the gun by those persons so that he fell to the ground. Answer: States as before. Article 27. Question: Whether he, the defendant, when he had stood up, did not wish to give one of those persons a blow with the kirri, and whether he was not prevented therein by receiving a second blow with the butt. Answer: States that as soon as he, the witness, saw the persons, he took to his heels. Article 28. Question: Whether he, the defendant, or his partner remained lying at that place from receiving the blows on his head. Answer: States yes, that Julij remained lying there. Article 29. Question: Which of the defendants attacked the other persons. Answer: States nobody. Article 30. Question: And whether this was of his own accord or whether he was incited thereto by July. Answer: States not to have wanted to stab nor strike. Article 31. Question: Why he, the defendant, did not wish to surrender himself. Answer: States that he, the prisoner, upon hearing it said, just shoot, immediately took flight. Article 32. Question: And whether he, the defendant, with the help of both of those persons was taken prisoner and brought into custody to Swellendam. Answer: States yes. Article 33. Question: Whether he, the defendant, does not understand that wishing to stab with the knife and striking with the kirri is wrong. Answer: States that he was afraid and therefore had absconded, and knows nothing of the stabbings. Article 34. Question: And whether he, the defendant, does not know himself to be highly punishable thereby. Answer: States yes. Article 35. Question: What he, the defendant, has to put forward for his excuse. Answer: States if his master wants to sell him, the defendant, then he should just sell him. Below stood: Thus questioned and answered at Cabo de Goede Hoop, 20 November 1786, before the gentlemen Johannes Martinus Horak and Andries van Sittert, members of the Honourable Worshipful Council of Justice aforesaid, who have duly signed the original of this together with the defendant and me, sworn clerk. Lower: Which I witness. Was signed: R. J. van der Riet, sworn clerk. Re-examination. Appeared before us, the undersigned commissioners.
Dutch transcription
Zegt Ja zegt dat hij 6 Mes in zijn zak en of hij ged: niet met zijn makker met de Kirry in zijn handen heeft een mes in de eene en een kirrij in de gehad en zo olza die perzonen bij hem ged: gekomen zijn heeft andere hand die twee Perzonen hebben hij direct 't mes ende kirrijweg afgewagt. gesweeten zegt niet van meening geweest. zo sal wat hij ged:e dan vanzints was te zijn om te doen. daarmede te doen zegt neen dat die perzonen of die twee Perzonen niet aan hem niets gevraagd maar direct gezegd ge: en zijn makker gevraagd hebben tegens malkanderen schiet hebben wiens slaven zij waren maar. Zegt, Ja. zegt Ja. zegt Neer zulx niet gehoord te hebben als alleenlyk schiet maar. zegt als Vooren Zegt Neew of die perzonen op die betoonde onwilligheid niet hem ged: en zijn makker gelast hebben om hun gevan„ gen te geeven of anders op hun te zul len Schieten of hy ged: en zyne makkels niet onwillig daartoe zijn geweest of die perzonen hem en zyne makker toen niet hebben gelast om hunne messen weg te doen en mede te gaan om aanwijzing te doen waar hunnie lyfheeren woonden. of hij gev: niet geantwoord heeft, onze paarden zijn in het wild verstrooyd off die perzonen daarop niet gevraagd hadden waar zijn dan uwe paarden: Of daarop niet door hun is geantwoord wij kunnen onze baazen niet maar hij woond over de breede rivier en mij passen paarden op 12 Verk: 18 Art: 9 O. 14 .- gens Art: 18 Vervald. Zegt Neen zegt Ja dat die Perzonen direct geschooten hadden ƒ Vervald. Zegt Neen. Zegt Neen! zegde Neen! die perzonen niet vervolgd te hebben. geworden zegt Ja en dat Julij toen gequetst geschooten en geslagen, zonder dat er tegenweer geboden of van meening geweest was om te doen. zegt dat die perzonen direct hebben zegt als Vooren. gen l Of niet hij ged: wanneer opgestaan was, een dier perzonen een slag met de kiarij heeft willen geeven en of hy niet door een tweede slag met de kolf te ontvangen daarin is verhinderd geworden. zegt Ja dat Julij daart blijven of niet hij ged: of zijn makker op die plaats is blyven leggen door het ont„ vangen van de slagen op zijn hoofd of wanneer hij ged: een steek aan een dier Perzonen dagt toe te brengen vermits die perzoon op 't lyf was niet door die perzonen met de kolf van het geweer op het hoofd es geslagen dat hij ter aarde gevallen was. of niet tegenstaande de ontvangend worden hij ged: tog op die perzonen met het ontbloote mes is toegelopen of die perzonen niet kort daarna een tweede Schoot hebben gedaan en een van hun in de rechter arm gekreetst: 23 ZoJa. om welke redenen en wat zij dan van meening waren te doen. 22. of hij ged: wanneer die schoot gedaan, was niet de gem. Perzonen nog sterk hebben vervolgd: Of die perzonen toen niet op hem ged. en zijn makker hebben geschooten. Of hij ged:t en zijne makker wanneer zijl: zagen dat die Perzonen hun retireerden hun niet hebben vervolgd: of niet daarop is geantwoord schiet maar door wie zulx is beantwoord. Art: 29. 20 21 26 ƒ zegt niemand zegt Ja. zegt dat hij gev: ophoren zeggen Schiet maar, direct op de vrugt gegaan was. 2 en of zulx is geweest uit zijn eigen dan of hy door July daar toe is aangezet. 39 off hij ged: niet begrijpt dat het willen steeken met het mes en het slaan met de kiij kwaad es. 34 zegt dat hij bevreest is geweest en of hij ge: niet weet daardoor ten hoog„ daarom gedrost te zijn en van de sten strafwaardig te zijn. steeken niet te weeten. zegt indien zijn baas hem ged: Wat hij ged: tot zijn Verschooning verkopen wil dat hij hem dan maar wert in te brengen. verkopen moest. /:Onderstond:/ Aldus gevraagd en De antwoord aan Cabo de goede Hoop den 20 November 1786 voor de Heeren Johannes Martinus Dorak en Andries van Sittert Leeden uit den E: Achtb: Raad van Justitie voormeld die de minute deezes neevens den ged: en my gesw: Clercq mede behoorlyk hebben ondertekend: /:lager:/ 'T welk ik getuyge :/ was getekend:/ R: J: V: D: Rus gezw: Clercq Recollement Compareerde voor ons ondergetekende gecommitt: I1 Waarom hij ged: zig niet gevangen heefft willen geven! en of hij ged: met behulp van alle beide die perzonen is gevangen genomen en na Swellendam in hegtenis gebragt. Art: 29. wie van de ged: de andere Perzonen heeft geattacqueerd. zegt dat hij get: zo dra als hij de Ver„ zoonen zag, op een loop gezet was. zegt niet te hebben willen steeken nog slaan. uit aar k ƒ 35 v 0