Inventory 10986
Cape · 984 pages · 314 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
Confirmation of Examination Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, the sailor Ian van Kninssen, who, this his preceding interrogation with the answers given thereto having been read aloud clearly and distinctly, declared that he persisted therein, desiring that nothing more be added to or taken from it. Thus done and confirmed at Cape of Good Hope the 18 December 1786. Was signed: X and written around it: this cross the prisoner placed with his own hand. Lower: In my presence, R: I: V: D: Riet, sworn clerk. In the margin as commissioners: Signed: W: P: V: Reede van Oudshoorn and J: M: Bletterman. Articles drawn up and delivered to the gentlemen commissioners of the Honorable Worshipful Council of Justice of the Castle of Good Hope, in order that, at the requisition of the pro interim Fiscal G: Exter, Elias de Costa of Lisbon, sailor appointed to the private chartered ship of the Honorable Company, the Jonge Frank, be heard thereon, the answers to be given by him to be duly recorded in the margin hereof. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, the sailor Elias de Costa, who answered the neighboring question articles as noted beside each of them. Underneath stood: Article 1. The prisoner's name, birthplace, age, and capacity. Says Elias de Costa of Lisbon, aged approximately 27 years, and to have been appointed as a sailor on the Jonge Frank. Article 2. Whether or not on 16 July last a revolt occurred on his, the prisoner's, vessel. Says that he indeed knows of a revolt, but did not participate, as he was lying in his hammock at that time. Article 3. Whether the said revolt did not begin with the rebels coming aft to force the captain to issue more rations. Says that he was asleep when this occurred. Article 4. Whether the demanding of the rations was not primarily done to win over the crew and persuade them to the plot. Says the same as above. Article 5. Whether the prisoner was not also of this party. Says, since he speaks nothing other than the Portuguese language, he knows nothing of it. Article 6. Who the authors thereof were and of how many persons the plot consisted. Says he knows nothing of it. Article 7. Whether the objective thereof was not to murder the officers of the ship and to make themselves masters of it. Says he was not aware of it, although having heard so afterward, and if he had perceived such beforehand, he would have made it known then. Article 8. Whether he, the prisoner, was not frequently informed thereof by his mate Chriskole and the other authors. Says that he does not drink, and therefore knows nothing of the others. Article 9. Whether the revolt would not have proceeded daily if the captain had refused to satisfy their demand. Says no. Article 10. Whether it was not then determined to carry it out that same night. Claims to know nothing. Article 11. Whether it was not assigned what each person was to do in the execution, and where he, the prisoner, had his post. Lapses. Article 12. Whether he, the prisoner, did not proceed to the forward cabin to seize, with the help of the sailors, the cabin and the firearms found therein. Likewise. Article 13. Whether he, the prisoner, to that end was not armed with a cutlass, and where he obtained it. Says no. Says that he did have a cutlass, but that he received it from a smith corporal to make for the captain and to help him. Article 14. What kept him, the prisoner, from following his mate Chriskole into the cabin. Lapses. Article 15. Whether he, the prisoner, besides the prosecuted and imprisoned persons, knows of others who were complicit in this mutiny. Lapses. Article 16. What reason he had to participate in such an abominable undertaking and to proceed to such a deed. Says he knows nothing of Chriskole. Article 17. Whether he, the prisoner, will not confess to having acted against his oath and duty and to having made himself highly punishable. Says as before. Says he has done no wrong. Article 18. What he will bring forward for his excuse. Says he has done no wrong. Underneath stood: Thus interrogated and answered at Cape of Good Hope on 28 November 1786 before the gentlemen Johannes Marthinus Horak and Andries van Sittert, members of the Honorable Worshipful Council of Justice aforesaid, who have duly signed the original minute hereof together with the deponent and me, sworn clerk. Underneath stood: To which I testify, was signed R: I: V: D: Riet, sworn clerk. Confirmation of Examination Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, the sailor Elias de Costa, who, this his preceding interrogation with the answers given thereto having been read aloud clearly and distinctly, declared that he persisted therein, desiring that nothing more be added to or taken from it. Underneath stood: Thus done and confirmed at Cape of Good Hope the 18 December 1786. Was signed: X and written around it: this cross the prisoner placed with his own hand. Lower: In my presence, signed R: I: V: D: Riet. In the margin as commissioners: Was signed: W: F: V: Reede van Oudshoorn and Johannes Marthinus Bletterman. Articles drawn up and delivered to the gentlemen commissioners of the Honorable Worshipful Council of Justice of the Castle of Good Hope, in order that, at the requisition of the pro interim Fiscal G: Exter, Jean Baptiste Du Puis of Soissons, soldier of the Legion of Luxembourg, be heard thereon, the answers to be given by him to be duly recorded in the margin hereof. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, the person of Jean Baptiste Du Puis, who answered the neighboring question articles as noted beside each of them. Article 1.
Dutch transcription
Recollement Compareerde voor ons ondergeteekende gecomm Cunt den E Agtb raad van Justitie deede gouvernements den maksvors Ian van kninssen denwelken deeze syne vooren „staande Interogatorie met de daarop gegevene respe klaar en duidelyk voorge„ leesen zijnde weerende verclaarde daer bij te blyven persisteeren met begeerte dat ir mits meer bij of van gedaan werden zal. Aldus gedaan en gerecolleerd aan Cabo de Goeds hoop den 18 Xbr 17886 /was getekend/ X en daar om schreeven dit kruijs heeft den gev: eygenhandig gesteld /lager / mij present R: I: V: D: Riet gesw: Clercq in marginie als gecommitteerdens /getekend/ W: P: V: reede van Ourshoorn en J:M: B letterman Articulen gedaan maken Compareerde voor ons onderget: en aan harin gecomm uit den E Agtb „gecomm uit den E Agtb raad racd van Iustitie des Casteels de goede van Justitie deeses gouver nements den mattroos Elias-hoop overgegeven omme ter regusitie de Costa den welken op de vanden prointerim fiscaal g: Exter daarop gehoord te worden Elias Seevenstaande vraagartic: de Costa van Lissabon must=r zoodaanige antwoorden bescheeden op 't van dE: Comp gegeven heeft als besijden ingehuwde parti schip de Ionge frank zullende des een ijder derselver staan zelfs te geevene resp en aangeteekend. — morgine deezes behoorlyk worden bekend gesteld /onderstond: Artil - 0 e ƒ artil 1. Zegt Elias de Costa van Les Caboe des gev: naam geboort plaets oud na Gissing 27 Iaren ouderdom in qualiteijd en als mattroos op de Jonge franke bescheidin geweest te zijn. zegt dat hij wel van een revolte off niet op den 16 Iulij lb en weet maer niet meede revolte op zyn des gev: bodem gedaan heeft als hebbende is geweest toen ter teyd in zyn hangmat geleegen zegt dat hij geslaapen heeft toen zulks voorgevallen is zegt meede als vooren zegt, vermits hij niets anders weede auteurs daar van zyn als de portugeesche Taal geweest en uit hoe veel per spreekt nergens van te Loonen 't Complot bestaan is weeten. zegt steen daar van niet off 't doelwis daar van geweesen hoe wel naderhand niet is geweest dofficier zulks gehoord te hebben en van 't Schip & vermoorden in dan hij zulks te voren en zig meester daar van vernomen had als dan be te maaken — kind gemaakt zoude hebben. e :6-6 of 't Eisschen der randsoenen zegt dat hij niet gedronken niet voornamelijk is geschid heeft en dus van de andere om 't volk te winnen en tot deen. niet te weeten. — Complot overte haalen 46 hij gev: niet meede van deese ƒ partij is geweest. of deselve revolt niet daermede begonnen heeft dat de rebellen agter op zijn gekoomen om den Captn tot 't uitgeven van meerdere Randsoenen te noodsaken 3 _o 2 5 Arti ken Agtb oede tie Exter G 7 s „ 5 Artil Zegt Neen. Regt van Niets t Weeten¬ vervald. Jdem. zegt Neen zegt dat wel een houwer off hij gev: ten dien einde niet gehad maar dat hij sulks ontfangen heeft van een smit een houwer gewassent is geweest en waar hij dezelve Corporael om voor den Captn is magtig geworden te maaken en hem 4. helpen 12 0 of hij gev: zig niet naa de voer ƒ Cajuyt heeft begeeven om zig net hulp van de Mattroosen van de Cajuijl ende daar in bevindelyke geweeren te bemagtigen of niet bestemd is geweest wat een yder bij de uitvoering moest doen en waar hij gev: zijn Post heeft gehad. „ 10:6 off deselve toen niet haar voor gang te nemen op deselve nagt is bepaald geworden off de revolt niet dagelyks haar voortgang zoude gehad hebben indien de Capitain aan hun l: Eijsch te voldoen gerefuceerd had 9 6 Ce hij gev: niet tot meerdere off Chriskole rijse van zijn Maat en de overige outerse daar van is onderhouden geworden. e Artil 4 ƒ E „ 11 -6 13 5 Artil 14 vervald. vevald. hebben zegt van Chriskole niet te weeten zegt geen kwaad gedaan te Was hij tot zijn verschooning zal bij brengen - onderstond Aldus gevraagd en beantwoord aan Cabo de goede koop den 28 9ber 1786 voor de heeren Johs Marths Horeck en Andries van Sittert Leeden uit den E Agtb raad van Justitie voorn die de minute deeser beneevens de ged: en mij gesw: Clercq meede behoor„ lijk hebben onderteekend /onderstond/ T welk ik getuijge was geteekend R. I: D: D: Riet geswoore Clercq. als vooren off hij gev: niet bekennen zal teegens zijn eed en pligt gehantelt en zig ten hoogte Straffbaar te hebben gemaakt 17. C 16 Wat reeden hij gehad heeft aan een zoo afschuwelyk voorneemen te participeeren en tot een zulke daat over te gaan. P6 off hij gev: buyten de perecu teerde en gevangene persoonen nog andere kind die bij deeze oproer zijn aandaatig geweest Was hem gev. heeft afgehouden om zijn Maet, Christol inde Cajuijt na te volgen Po r oor zelve - - Recollement Compareerde voor om onder get: gecomm uit den E: Agtb raad van Iustitie deeser gouvernemerde den Mattroos Elias de Kosta dewelke deese zijne voorenstaand interogatarie met de daar op gevene respl. klaar en duydelyk 6 voorgeleesen synde weesende verclaarde daar bij te blyven persisteeren uitbegeerte dat er niets mee bij of van gedaan werden /onderstond:/ Aldus Gedaan en gerecolleerd aan Cabo de Goede koop den 18 xber 1706 was geteekend: X en daaromschreeven dit kruys heeft de gev: eigenhandigt gesteld /: Lager /mij present /geteekend B: I: V: D: Riet in Marginee als gesomm /was getekend/ W: S: V: Reed Van Oudshoorn en Joh„s Marth Boletterman 8 Compareerde voor ons ondergetekende Articulen gedaan maken gecommitteerdens uit den E Agtb en aan heren gecomm van den 0 raad van Iustitie deese 's E: Agtb raad van Justitie gouvernements den Persoon des Casteels de goede hoop over„ van Johan Wabtis du Ree gegeven omme ter requisito dewelke op de nevenstaande van den Promsirum fiscael vraag articulen geant G: Exter daarop gehoord te woord heeft als bijzeyde woorden Jean Mabtist een ijder staan aange, Du Puis van Lois Sons soldaat van de Legron „teekend. — van Luxemburg zullende desselfs te gevene despe in margine deeser behoorlyk worden bekend gesteld art. 1
English
Name, birthplace, age, and capacity. Says Jean Babtist Du puis, born in Lousson, estimated age 26 years, and to have been on board. Article 1. Where, by whom, and on what condition he, the prisoner, was engaged, and when he went on board. Says engaged at Rotterdam and came on board shortly before the departure of his ship. 2. Whether he, the prisoner, was also given reasons for dissatisfaction and whether during his time on board he did not receive what was due to him. Says to have no reason for complaint. 3. On what grounds he then called the captain and officers from his deck a bunch of scoundrels. Says that he did not mean the officers, but the soldiers who staged the revolt, and that after he spoke longer about that, he said, using those expressions, that they are rascals. 4. Whether he, the prisoner, did not say this to the soldier Raimonde at the time when some prisoners were sent away to the warships. Says as before. 5. Whether he, the prisoner, thus disapproved of the actions of the mutineers and rebels and was sorry that they succeeded. Says that while he called those persons rascals, he did not approve of their ways. 6. What part he, the prisoner, had in the project or the revolt itself. Lapses. 7. Who were the authors thereof and the principal participants. Says no. 8. When and who first spoke of it to him, the prisoner. Says not to know how it came to pass, as he knows nothing of it. 9. Whether the revolt did not begin with the demand for more hand-shoes and forcing the captain by violence to give the same. Lapses. 10. Whether he, the prisoner, was not also where he was and participated therein. Lapses. 11. Whether they were not intended to throw the captain and remaining officers overboard and make themselves masters of the ship. Says not to have taken part. 12. Whether executing this immediately was not determined for that night. Lapses. 13. Where he, the prisoner, was at that time and what he was doing. Says in his hammock. 14. What his fellow prisoners did therein. Lapses. 15. What could have moved him, the prisoner, to such duty-abandoning conduct, and whether he does not confess to merit punishment. Lapses. 16. Whether he can bring forward anything more for his excuse. Says as before. 17. Lapses. Thus questioned and answered at Cape of Good Hope on the 28th of November 1786 before the gentlemen Joh. Marthinus Horak and Andries van Sittert, members of the Honorable Court of Justice aforesaid, who have duly signed the original of this, together with the prisoner and me, sworn clerk. Below stood: Which I witness, was signed: B. J. v. d. Riet, sworn clerk. Re-examination. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government, the person Jean Babtist Du puis, who, these his preceding interrogatories having been read aloud to him word for word clearly and plainly, declared to persist therein, desiring that nothing more shall be added to or taken from it. Below stood: Thus done and re-examined at Cape of Good Hope on the 18th of December 1786. Was signed: du puis. Below me present, signed: B. J. v. d. Riet, sworn clerk. In the margin as commissioners was signed: W. S. v. Rheede van Oudshoorn and J.b Marth.s Bletterman. Agrees, J. van Ingen, Secretary. Appeared before the Right Honorable and Honorable gentlemen, both outgoing and incoming Presidents, Pieter Hacker and Johannes Isaac Rhenius, together with the further Honorable Members of the Court of Justice of this Government, the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Hendrik Lodewyk Bletterman, ex officio plaintiff in a criminal case, of the one part; Against Anthonij of Bengal, bondsman of the former Heemraad at Stellenbosch, the Honorable Christman Joel Akkerman, prisoner and defendant in the aforesaid case, of the other part. Claim 1 and the saying: That on Saturday the 14th of the past month of October, report having reached Stellenbosch that on the way to the so-called Jan Jonkershoek was found the corpse of a slave boy belonging to the burgher Paulus Johannes Fick, named Jacob of Malabar; A judicial commission immediately proceeded thither, whereupon on the aforesaid dead body, which lay stretched out on its back a few paces from the river, a stab wound was found on the right thigh about eight inches above the knee; By which stab wound, upon surgical examination, it was judged that the artery lying there was severed, and the wound, through help not being immediately rendered, had become fatal; That the plaintiff ex officio, being informed a few days thereafter that elsewhere in the dunes the defendant and prisoner in this case had been captured and brought to the lord's prison here, who had immediately made known that since some oxen of his master's wagons had gone missing on the way from here to Stellenbosch, he had absented himself and to the place of his master situated
Dutch transcription
na gissing 26 Jaren de Lousson ouderdom in qualiteijd. geboortig en aan boord geweest te zijn — b. zegt te rotterdam g'engageerd en kort voor 't vertrek van zijn Schip aan boord gekomen zegt Iean Babtes Du puisond Les gov: naam geboort Plaats art C 1. waar van wien en op wat Con¬ ditie hij gev. is g'engageerd geworden en wanneer aan boord gegaan _o 2 3 Smisnoeging zij gegeeven te worden en of hij ged: aan boord niet gekreegen heeft wat hem toekomt: zegt geen reeden van klagen off hem ge: ook reedenen tot te hebben. — 4 zegt dat hijnit de officren uyt wat hoofde hy dan die maar wild soldaaten die de Capitain en Officiers revolte hebben gedaan schel„ „men genoemd heeft en zelfs van zijn bordem een met die uitdrukkingen hoop schelmen heeft na dat hij Langer daar ouer genoemd. geredeneerd mis te zeggen het zyn Canailles. zegt als voorens. te hebben Vervalt zegt Neen e was deel hij gev. aan 't projeCt oft de revolt zelfs gehad heeft. e weede auteurs daar van ende voornaamste per„ tecipanten geweest zijn off hij gev: zulks niet gesegt heeft tegens den soldaat Rarmonde ter tijde, wanneer eenige gevangenen nade oorlog scheepen zijn afgesonden geworden niet geapprobeerd heeft de wijne der muytling in personen Canaillis, genoemd en rebellen niet heeft geapprobeerd in spijt gehad dat zij l: gereusseerd hebben -o 6-0 zegt dat terwijl hij zulks of hij gew: dus de handel artil e e te zijn. d1. ƒ geerte 9 aken ten e over„ sito iscael te s yk 5 e 5„ 7 - _o vervalt. Artl: vervalt. is toegegaan vermits hij daar niet van en weet vervalt. vervall zegt in zijn hangmat vervalt zegt niet meede gedaan te hebben. zegt als vooren off hij nog iets meer tot zijn verschooning kan liij brengen wat hem gev: tot diergelyke pligt vergeeven gedrag heeft kunnen beweegen en of hij niet bekend stratf te meriteeren wat zijn desglv: overige gevan „gens daar bij hebben gedaan. 0 14-6 waar hij gev: indien teijd ge„ „weest is om wat te doen. 13. _o off zulks dadelijk uittevoeren niet op die nagt is vast ge„ steld 12 _ of zijt niet geinventioneerd. waren den Captn. in overige officieren overboord te werpen en zig meeder van 't schip de maaken e 11. of hij gev: niet meede daer hij is geweest en daar aan heeft geparticipeert. 't Eescken van meerdere hand soe¬ en den Capitain met geweld tot 't geeve derzelve te Dwinge zegt niet teweeten hoe zulks of de revolt niet begon is met gens hem get: daar van heeft gesprooken. wanneer en wie ten eersten te„ 10 15-6 o 16 17— 6 0 Aldus Gevraagd en beantwoord aan Cabo de Goede Koop den 28 November 1786 voor de heeren Joh„ Marthinus Htorek en Andries van Littert Leeden uyt den E Agtb: raad van Justitie voorm die de minute deeses beneevens de gede„ en mij geswoore Clercq meede be„ „hoorlijk hebben onderteekend /onder„ stond / T welk ik Getuijge was Geteekend B: J: V: D: Riet geswoore Clercq— Recollement Compareerde voors ons ondergeteekende gecommitteerde uyt den E Agtb raad van Justitie deeses Gouvernement den Persoon Jean Babtist Du puis dewelk deese zijne voorenstaen de Interagatoria van woorde tot woorde klaer en duijdelijk voorge¬ leesen zijnde weesende verclaarde daar bij te blyven persisteeren begeerend dat er niets meer bij of van gedaan werden zal onderstond e 4 Er E Onterstont Aldus gedaan en gerecolleerd aan Cabo de Goede Hoop den 18 December 1786 was geteekend du puis lager mij Present geteekend B: I: V: D: Rut geswv„e Clerk in marginie als gecomm //as getekend/ W: S: V: Rheede van Oudshoorn en J„b Marth„s Bletterman. — Accordeert J Van Herssen Seet Compareerde voor de Wel Edele Gehetb: Heeren zo afgaande als aankomende Praesidenten Pieter Hacker en Johannes Isaac Rhenius benevens de verdere Edele Achtb: Raade van Justitie dezes Gouvernements, den Landdrost van Htellenbosch en dra„ „kensteijn, Hendrik Lodewyk Blet „terman, rat: Of: less in Cas cremineel ter eenre Contra Anthonij van Bengalen, lijfeigen van den Oud Heemraad te Stellenbosch, d'E: Christman Joel Akkerman ged: en gede in't voorsz: Cas ter andere zyde Erk: 1 Ende de dezeggen dat op zateerdag den 14 der gepasseerde maand October tot stellenbosch berigt ingekomen zynde dat op weg na de zo genaamde Jan Jonkershoek gevonden was, 't lyk van een aan den burger Paulus Johannes Fick behoorende slavenjongen met nam Jacob van Ma „lebaar eene gerechtelyke Commissie zig terstond derwaards had begeven als wanneer aan't voorsz: doede ligchaam, 't welk op de rugge uitgestrekt eenige weinige treden vande rivier lag eene steek aande regter dije Circa agtduijmen boven de knie bevonden was door welke steek bij Chirurgicale examinatie geoordeeld is, de aldaar leggende slagader afgesneden en dewonde door de niet terstond toegebragte hulpe nodelyk te zijn geworden dat de R: O: Eusss eenige weinige dagen daarna geinfor meert zijnde dat elders inde duynen opgevangen en in's Heeren gevan genhuys alhier was gebragt den gee en ged in dezen denwelken terstond had bekend gemaakt dat vermits eenige ossen van zin lyfhiers wagens op 10 weg van hier na stellenbosch absent geraakt waaren, zeg geabsenteert, en na de deplaats van zijn lifheer geleegen A bo „ 4
English
situated in the aforementioned Jan Jonkershoek, and from the straw cottage standing there had allegedly taken his assegai; Article 11 that the prisoner and defendant had gone from there on the way to the dunes to look for the aforementioned missing oxen, but, not having found the same, had returned to the aforementioned place; when on the aforementioned way the prisoner and defendant met the aforementioned Jacob and had addressed him asking for food, as the prisoner and defendant had had no food for two days; that the aforementioned Jacob having refused him, the prisoner and defendant, food, the prisoner and defendant thereupon gave the same Jacob a stab in the right thigh, took away the food, and thus took to his heels, without having had the intention of taking the life of the aforementioned Jacob; while the prisoner and defendant himself did not even know whether the same had died. Upon which information the Officer as Plaintiff, on account of an indisposition that occurred to the prisoner and defendant, after his recovery, caused the same to be heard before the Gentlemen Commissioners from this Noble and Honorable Court upon the articles drawn up to that end by the Officer as Plaintiff; and from the responses given thereto by the prisoner and defendant, the Officer as Plaintiff trusts that it is sufficiently established that the prisoner and defendant is the perpetrator of the aforementioned fact. Wherefore the Officer as Plaintiff considers that these two matters, to wit, the crime and the author thereof, both from the inspection report and surgical certificate as well as from the free confession of the prisoner and defendant, have been placed beyond all dispute; and nothing more remains than to examine what punishment has in general been established by the laws for such crimes, and whether and to what extent the same punishment, on account of the concurrent circumstances attending the commission of the crime itself, could or ought to be mitigated. With regard, then, to the first, the words of the laws are so clear, without paying heed to further circumstances, that one would need no extensive argument to prove, both from the instrument which the prisoner and defendant used and from the consequences thereof, that the prisoner and defendant would have merited the ordinary punishment of death. But whereas it is the duty of the Officer as Plaintiff to investigate carefully into innocence as well as guilt before he, by virtue of the laws, demands the death sentence against the perpetrator, he therefore also considers that, on account of the circumstances that accompanied the act committed by the prisoner and defendant and the motives for the act itself, he ought to propose a mitigation of the ordinary punishment in this case; that the prisoner and defendant, never previously having had the slightest dispute or quarrel with the aforementioned Jacob, and it also therefore being certain that the prisoner and defendant had had no food for two days, nor any opportunity to obtain the same in any other less dangerous manner, the prisoner and defendant, precisely at the moment that the hunger that had arisen in him must have reached the utmost extreme, encountered the aforementioned Jacob, whom the prisoner and defendant addressing for that purpose, this was refused; wherefore the prisoner and defendant, in order to quell his hunger, was compelled to employ other means; just as the prisoner and defendant then also gave the same Jacob a stab in the right thigh, made himself master of the food, and furthermore took to his heels, without knowing whether the aforementioned Jacob died of that wound or not; and that even the wound, upon surgical examination, was found to belong among those which became fatal through help not being administered quickly; it having consequently appeared from all the aforementioned circumstances that the prisoner and defendant never had any hatred or grudge against the aforementioned Jacob; but that in order to quell his hunger, he inflicted a stab on the right leg of the aforementioned Jacob there on the spot with the assegai he held in his hands; where it cannot possibly be presumed to have been his intention to take the life of the same Jacob, as is evident from his confession, since he did not know that the aforementioned Jacob had died; so that the Officer as Plaintiff cannot, with sufficient grounds and a quiet conscience, demand the ordinary punishment of death against the prisoner and defendant; but rather, under correction, considers that, on the contrary, a punishment coming very close to it, which has always been left to the discretion of the judge according to the concurrent circumstances, has been prescribed. For which and other reasons, the Officer as Plaintiff, making his demand, concluded that the prisoner mentioned in the heading of this, Anthonij of Bengal, shall be taken to the place where it is customary here to execute criminal sentences, and being there delivered to the executioner, be exposed under the gallows with a rope around the neck, further tied to a post and scourged with rods on the bare back, and thereupon branded, and further be sent to work for all time on Robben Island at His Excellency the Company's public works; with condemnation in all the costs and expenses of justice, or such other punishments and penalties as Your Honorable Worships shall deem proper. Which doing, etc. Signed: B: L: Bleikerman. In the margin: Exhibited in court the 29th of December 17
Dutch transcription
geleegen in de voorsz Jan Jonkershoek begeeven En 'tit 't aldaar staande stroo huijsje zijn assegaaij zou Arto. 11 hebben genomen: dat den ged: en ged van daar op weg na de duijven om de voorsz: vermiste ossen te gaan zoeken zig begeeven dog dezelve niet gevonden hebbende, te rug na de voorsz verPlaat gekeerd was. wanneer hij ged: en ged op weg voorsz: Jacob ontmoet en denzelven omkort had aangesproken terwyl hij ged: en ged in geen2 dagen kost had gehad. dat voorsz: Jacob hem ga. en gede spijze geweigerd hebbende den gad: en gede denzelven Jacob daarop een steek in't rechter dikbeen gegeeven die styde afgenoomen en zo op een lopen gezet had zonder intentie te hebben gehad, van voorsz: Jacob om t leven te willen brengen. 19 terwijl hij ged en ged' zelve niet en wist of denzelven gestorven wa 20 Op welke informatien de R: O: Eisc=rs vermits des gad en ged tusschen gekomene indispositie na desselvs herstelling den zelven voor Heeren gecommitt: uit dezen Edelen Achtb: raade heeft doen horen op de ten dien fine door de R: O: Eiss:r gefor„ meerde articulen en uit welke door den ged: en gede daarop gegevene rethon siven de R: O: Eiss vertrouwd genoegzaam te Consteeren. dat den gev: en gede is den dader van't Voorsz: fait 22 des Vermeend de R: O: Eissr dat deze twee zaken te weeten de misdaad en den duteur van dien zo uit de Schouwcedulle en Chirugicale Certificaat als wel uit des ged en ged Vrywillige Confessie buiten alle Contestatie zynde gesteld 25 en niets meer resteerd als na te gaan. 26 welke Straffe op zoort gelyke misdaden in't generaal bij de wetten is gestatueerd 28 en of en in hoe verre dezelve stratje uit hoofde van d' concurreerende omstandigheden bij 't plegen van de misdaad zelve zou kunnen of behoren te worden gemiligere ten opzigte dan van t eerste zijn de woorden vande wetten zoo klaar. 23 Art. 8 24 Art: 30 zonder op de Verdere omstandigheden te letten dat men geen breedvoerig betoog nodig zou hebben om zo uit hoofde van't instrument 't welk den ga: en gede heeft geEmployeerd, als uit de gevolgen vandien te bewyzen, dat den ga: en ged de Ordinaire Strafje des doods zoude hebben gemeriteerd. Aan daar 't des R: O: Eisf pligt is— 33. zo wel tot onschuld als schuld naauwkeurig onderzoek te doen. eer en alvoorens hij uit kragte vande wetten Jegens den vader 't doodvonnisse eijssche zo vermeend hij dan ook uit hoofde van de bij 't door den ged: en gepleegde fait gevaard gegaan hebbende omstandignuen ende moteven tot 't faitzelve tot miligatie der ordinaire straffe in dezen te moeten advanceeren 36 dat den ged: en ged:e nooyt bevoorens eenige de minste questie ofte twist met Voorsz: Jacob gehad hebbende 37 'lb dan ook mitsdien zeker moet zijn 38 dathij ged: en ged in geen twee dagen spijze gehad 39 Ook geen gelegenheid om dezelve op de een of ander niet min gevaarlijke wijze te erlangen. den ged: en ged Juijst op dat tijd stik dat den bij hem ontsta 40 „nen honger bijna tot 't uijterste gekomen zal zijn, rencon „treerd den voorsz: Jacob . 41 denwelken hy ga: en ged daarom aanstrekende kan zulx werd geweigerd 42 Des hy ged: en ged' om zijn hongerte stillen genoodzaakt wierd andere middelen te employeeren 42 zo als den ged: en ged„e dan ook denzelven Jacob daarop een steek in't rechter dikbeen heeft gegeven zig van de Wijze meester gemaakt en voorts op een loppen gezet. 44 Zonder te weten of voorsz: Jacob aan die wonde gestorven is ofte niet 45 en dat ook zelvs de wonde bij Chirurgicale examinatie bevonden e te sorteeren, onder de zodanige, dewelke door de niet spoedig toegebragte hubde dodelijk zijn geworden Oatgevolglijk uit alle de voorsz: omstandigheden Zinde gebleeken. Art. 47 31 22 34 5 a „ on en aa genitigerd Art:s 47 dat den ged: en gede nimmer afte nooyt eenigen haat of Wrok Jegens voorsz: Jacob heeft gehad; maar dat hij om zijn honger te stilten voorsz: Jacob aldaar ter Plaatze aan deszelvs regterbeen een Steek met zijn in handen hebbend asse gaan: heeft toegebragt. alwaar met geen mogelijkheid kan worden gepresumeerd 49 50 zijn intentie geweest te zijn, denzelven Jacob Ont leven te brengen gelyk zulx uit zijn Confessie blykt 52 alzo hij niet geweeten heeft dat voorsz: Jacob gestorvent 53 do R: O: Eiss„s dan ook met geen genoegzamen grorden gerust gewisse Jegens den ged: en ged de Ordinaire Straffe des doods kan vorderen. 54 Maar veel eer /:onder Correctie Vermeend. 55 dat daartegen eene zeer daarna bij komende Stratje 56 't geen altoos na mate van de converreerende omstandigheden aan 't oordeel van den rechter is overgelaten geworden. 57 bepaald is geworden Mits welke en andere redenen den E: Of: Eissr. Eisch doende Concludeerde dat den in den hoofde dezes gemelde gevangen Anthonij Va Bengalen zal werden gebragt ter Plaatze alwaar men alhier gewoon is, Crimine sententien ter Executie te leggen en aldaar aan den Scherprechter overgelederd zynde met een strop om den hals onder de galg ten toongesteld, voortsz aan een Baal„ gebonden en met roeden op de bloote rugge gegeetseld en daarop gebrand, merkt te werden, en voort ten eenwigen dage op 't robben eyland aan S E: Comps gemeene werken te arbeiden; met Con dennatie in alle de kosten en nuten van Justitie ofte al zodanige andere straffen en poenen als UwelEdele achtbarens zullen binden te behoren /:lager:/ t welk doende wc. / getekend:/ B: L: Bleikerman /: in margine:/ Ambostan in Judicis den 29 december 17
English
Articles drafted and submitted by and on behalf of the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Hendrik Lodewijk Bletterman, in order that upon his requisition the slave Anthony of Bengal, belonging to the former Heemraad the Honorable Christiaan Joel Akkerman, be heard and interrogated upon them, with his answers to be recorded alongside each article: Art: 1 The defendant's name, age, and place of birth. Answers: Anthony, estimated to be 25 years of age, born in Bengal. Whose serf he is. Answers: to belong to Christiaan Joel Akkerman. Whether the defendant, in the recently passed month of October, traveled with the wagons of his master from the Cape to Stellenbosch. Answers: Yes, that he rode outward from here with the wagons with his young master. Whether the defendant on that occasion, when the wagons were unyoked on the road, did not have supervision over the oxen belonging to said wagons. Answers: Yes. Whether two of the said oxen did not then go missing. Answers: Yes. Whether the defendant did not then also go to his master's cattle post situated in the Jonkershoek. Answers: says he went to the Jonkershoek. Whether the defendant also absented himself after that, and whither he went. Answers: says he was close to the post. Whether the defendant did not thereupon set out again on the road in order to search for the two lost oxen. Answers: Yes. Whether the defendant took an assegai or other sharp cutting instrument from the straw hut standing there. Answers: Yes. Whether the defendant subsequently returned to the Jonkershoek. Answers: Yes. Whether the defendant at that time met the slave of the burgher Paulus Johannes Pick. Answers: Yes. Whether the defendant also had any acquaintance with that slave, and what his name is. Answers: Yes, that it was a Malabar boy named Jacob, who also knew the defendant. Whether he inflicted a stab upon the said Jacob with the assegai he held in his hands. Answers: Yes. Where and on which part of the body the defendant stabbed the said Jacob. Answers: says, yes, in the thick of the leg. Whether the defendant also stabbed the said Jacob with the intention of taking his life. Answers: says the same as before. If not, why the defendant then wounded the said slave in such a manner. Answers: says that the defendant stabbed that boy because that boy had refused him food, and because the defendant had not had any food in two days. Whether the defendant also saw that the aforesaid Jacob fell dead to the earth. Answers: says that as soon as the defendant had stabbed that boy, immediately after he had stolen the food, he took to running from there, without knowing whether that boy is dead. Whether the defendant also had any disputes with the aforesaid Jacob, and if so, what this arose from. Answers: says, no, to have had no words other than that Jacob refused him food. Art: 18 Says that the defendant had wrestled with Jacob because Jacob would not give him any food. Whether the defendant knows that by wounding the aforesaid Jacob in such a manner he has done great evil, and on that account is deserving of punishment. Answers: says, yes, to know well that he has done wrong and deserves punishment, and to know nothing more, but asks never to return to his master, because he is far too severe, and further that it was an accident. What the defendant can put forward for his excuse. Answers: says nothing other than what was said before, and prefers to be with the Company rather than with his master. Thus questioned and answered at the Cape of Good Hope on 28 November 1786 before the Gentlemen Johannes Marthinus Horak and Andries van Sittert, members of the Honorable Court of Justice aforesaid, who have duly signed the minute hereof along with the defendant and me, the sworn Clerk. Below: Which I witness. Signed: A: V: d: Riet, sworn Clerk. Re-examination Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, the slave Anthony of Bengal, who, having had his foregoing interrogatories read out clearly and distinctly word for word, testified to persist and abide by them, not desiring that anything more be added or taken away. Below: Thus done and re-examined at the Cape of Good Hope on 28 December 1786. Signed: Cross, and written there: this mark was made by the defendant's own hand. Lower: In my presence. Signed: R: J: V: d: Riet, sworn Clerk. In the margin: as commissioners. Signed: C: L: Neethling and J: M: Hesterman.
Dutch transcription
zegt Ja. Zegt Jas zegt na de Jonkershoek gegaan Compareerde voor ons Ondergetz: gecomm: uit den E: Achtb: Raede de nevenstaande vragen zodanig geantwoord heeft als bezyden een Zegt Anthony Oud na gissang 25: Jeeren van bengalen geboortig te zijn Zegt, Christi aan Joel Akkerman toe tebehoren Legt Ja met zijn klein baas van hier met de Hijn wagens naar buiten gereden te zijn te zijn zogt digt by de plaats geweest Of hij ged: zig daarop ook heeft geabsenteerd, en werwaards begeeven. Of hij ged: ook gegaan is na zijn lijf heers veeplaak in de Jonkershoek gelegen. of van dezelve Ossen toen niet twee ab sent zijn geraakt. of hij ged: niet bij die gelegenheid wanneer de wagens op weg uitgespaan en waren toezigt over de Ossen tot dezelve wagens behorende heeft gehad! Of hij ged: in de Jongst gepasseerde Maand October met de wagens van zijn lyfheer van de Caab naar Stellenbosch zig heeft begeven. wiens lijfeigen hij is Nrticulen gedaan maken en aan overgegeven, door ende van wegens den „lenbosch en drakensteijn Hendrik Lodewijk Bletterman, omme daar op ter zijner requisitie gehoord en onder vraagd te worden den slaaf Anthonij van Bengalen toebehorende den oud Heemraad d' E: Christiaan Joel Akkerman zullende, deszelvs te ge„ „vene antwoorden bezijden ieder Articul moeten worden bekend gesteld: Art: 1 des ged' naam, Ouderdom en geboorte Plaats van Justitie dezes Gouvernements: Heeren gecommitt: uit den E: Achtb: den slaat Anthony dewelke op Raade van Justitie dezes gouvernements ijder derzelver aangetekend staat Ondergetekende L Anddryst van Stel. Arts 8. t en ne daar e ƒ Nablestan te zijn. Zegt Ja. Zegt Ja Zegt Ja Zegt Ja. zegt Ja: dat 't een Mallebaars ƒ Jongen is geweest met naame Jacob die hem ged: ook kend zegt Ja int dik van de been Zegt als Vooren. zegt dat hij ged: dien Jongen gesto„ Of hij ged: ook gem:e Jacob heeft ge ken heeft omdat die Jongen hem stoken met oogmerk denzelven kost geweigerd had, en om dat hij ged vant levente berooven. in geen twee dagen kost gehad had. Of hij ga: ook heeft gezien dat voortz zegt dat ze dra hij ged: die Jongen gestooken heeft, is hyj derect nadat Jacob dood ter aarde gevallen is. de kost gestolen had van daarop een loop gezet, zonder dat hy weet of dien Jongen dood is of hij ged: ook eenige Verschillen met Zegt Neen geenwoorden gehad te voorsz: Jacob heeft gehad, en zo Ja: hebben als om dat Jacob hem Waar over zulx is Ontstaan. eeten Wergerde Waaren op welke plaats van 't ligchaam hij ged: voorsz: Jacob heeft gestoken. of hij aan denzelven Jacob een Sterk met zijn in handen hebbende assegaaij heeft toegebragt of hij ga: ook eenige kennis aandie slaaff heeft gehad en hoe dezelve genaamd is. Of hij ged: als toen heeft bejegend de slaaf van den burger Paulus Johannes Pick." Of hij ged: Vervolgens terug gekeerd is na de Jongershoek: of de ga: zig daarop niet wederom Op weg heeft begeven ten eijnde de beide Verlorene Ossen te gaan zoeken. Of hij ged: uit 't aldaar staande stroo huysje heeft genomen een assegaay of andere Scherp Snijders instrument Art Art: 16. 12. 14 zegt dat hy get: met Jacob ge„ Worsteld had om dat Jacob hem geen kost wilde geeven. zegt Ja wel te weten dat hy of hij ged: weet dat hy door dasdanig kwaad gedaan en strafver kwetzen van voorsz: Jacob grootelyx diend te hebben, en niet meerder kwaad gedaan heeft, en deswegens te weten, maar te verzoeken om strafwaardig is nimmer bij zijn lijfheer weerke komen, Om dat die Veel te strafis„ en voorts dat 't een ongeluk is geweest zegt niets anders als 't geen te vooren is gesegt, en liever bij de Comp te willen zijn als bij zijn lyfheer Aldus gevraagd en beantwoord aan Cabo de Goede hoop den 28 Novbr: 1786 voor de Heeren Johan „nes Marthinus Horak en Andries van Sittert, leden uit den E: Achtb: Raade van Justitie voorm: die de minute dezer benevens de ged: en my Gezi: Clercq mede behoorlyk hebben Ondertekend /:lager:/ 't welk ik getuijge /:getekend: A: V: d: Riet gezz: Clercq DRecollement Compareerde voor ons onderget: gecomm:s uit den E: Achtb Raad van Justitie dezes gouvernements, den Slaaf„ Anthonij van Bengalen, dewelke zyne voorenstaande Interrogatoria van woorde tot woorde klaar en duidelyk voorgeleezen wezende betuygde daarby te blyven Perristee „ren, niet begeerende dat er iets meer by afte van gedaan worden zal /.onderstond:/ Aldus Gedaan en gerecolleerd aan Cabo de goede Hoor den 28 december 1786 /:getekend:/ Kruis / en daar pr schreven, dit werk heeft den ged. eigenhandig gesteld /:lager:/ mij present /:getekend:/ R: J: V: d: Riet gelu C: /:in margind:/ als gecomm:s /:getekend:/ C: L Neesheling en J: M: Hesterman /:Onderstond:/ Wat hij ged: tot zijn Verschoning weet in te brengen. Art: 18 zo neen waarom hij ged: denzelven slaaf dan dusdanig heeft gekwetst P ega i voorsz met 0
English
On Saturday the 14 October 1766 the undersigned commissioned Heemraden, assisted by the Substitute Christiaan Godhelp Radolphi and Surgeon Petrus Franciscus Melchior Briers, upon incoming report that the body of a certain slave boy named Jacob van Mallabaar, belonging to the citizen Paulus Johannes Piek, had been found in the so-called Jan Jonkers hoek, betook themselves thither; and after examination made, found on the body, which was lying stretched out on its back a few paces from the river, a stab wound on the right thigh approximately eight inches above the knee, with the severing of the main artery, and which wound the said Surgeon declared to be absolutely fatal in the absence of immediately rendered aid. Underneath stood: Done and dated as above. Signed: J: Groenewald and E: Wium. By order of the Honorable Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, I the undersigned, in the presence of the judicial commission, examined the dead body of the slave boy named Jacob van Mallabaar, belonging to the citizen Paul Piek, and found about eight inches above the knee on the right thigh, on the outside, a penetrating wound with the severing of the femoral artery lying there, which type of wound is called one of those that are inherently fatal if one does not come to assistance quickly or in due time. In witness of the truth I have signed this with my own hand. Underneath stood: Stellenbosch the 14 October 1785. Signed: P: F: Briers. Whereas Anthonij van Bengalen, slave of the former Heemraad of Stellenbosch Sr. Christiaan Joel Ackerman, aged by estimation 25 years, now the Lord's prisoner, has voluntarily confessed, and it has evidently appeared to the Honorable Court of Justice of this Government, that the prisoner, because some oxen from his master's wagons had gone missing on the way from here to Stellenbosch, betook himself to the cattle post of his aforesaid master situated in the so-called Jonkershoek, and took his assegai from the straw hut standing there; that the prisoner went from there to the dunes to look for the aforesaid missing oxen, but not having found the same, returned to the aforesaid cattle post, whereupon he the prisoner met on the road a certain slave belonging to the citizen Paulus Johannes Piek named Jacob van Mallabaar, and asked him for food, as he the prisoner had not partaken of food for two days; that the aforesaid Jacob having refused him this, the prisoner gave the same Jacob a stab in the right thigh, took the food, and further took to his heels, without, however, having had the intention to kill him, Jacob, whilst he the prisoner himself did not know whether the same had died; that this wound, however, had such an effect that the said Jacob was found dead on the spot, and upon surgical examination it was judged that the artery lying there was severed, and the wound had become fatal through aid not being brought quickly enough; that the prisoner a few days thereafter was captured elsewhere in the dunes and thereupon delivered into the hands of Justice; but since such murderous wounding in a land where law and justice are properly maintained cannot in any way be tolerated, but ought to be punished as an example to other evildoers. So it is that the Honorable Court of Justice aforesaid, serving on this day, having read and considered with attention the written criminal claim and conclusion made and taken by the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, the Lord H: L: Bletterman, ex officio, upon and against the prisoner, together with having regard to all that pertained to the matter and could move their Honors, administering justice in the name and on behalf of the High and Mighty Lords States General of the United Netherlands, have condemned the prisoner Anthonij van Bengalen, as their Honors condemn the same by these presents, to be brought to the place where criminal sentences are usually executed here, there to be delivered to the executioner and, with a rope around his neck, to be exposed under the gallows, further to be tied to a post and severely scourged with rods upon the bare back, and thereupon to be branded; further to be banished for the term of his life to Robben Island, to labor there on the Honorable Company's public works without wages, with condemnation in all the costs and expenses of Justice. Underneath stood: Thus done and sentenced at the Cape of Good Hope on the 25 January 1787, as well as pronounced in the Castle of Good Hope on the 3rd of the following month of February and executed on the same day. Was signed: J: J. Rhenius, S: van Echten, Johs Smuts, J: M: Horak, G: G: Maasdorp, G: Meijer, C: L: Neethling, J: C: Gie, C: Matthiessen, P: de Wet, J: M: Bletterman. Lower: In my presence. Signed: C: Van der Ssen, Secretary.
Dutch transcription
Op Zatardag den 14 October 1766 hebben de onderget gecomm:s Heemraden geadsisteerd met den Substitut Christiaan Godhelp Radolphi en Chirurgijn Petrus Franciscus Melchior Briers Op ingekomen berigt, dat in de zogen: Jan Jonkers boek was gevonden hetlyk van zekere slave Jongen in naame Jacob van Mallabaar toebehoorende den burger Peulus Johannes Piek, zig derwaards bega¬ „ven; en na gedaan Onderzoek, bevonden, aan het ligchaam dat op de rugge uitgestrekt eenige weinige treden van de rivier was leggende, Eer steek aan de rechterdijd Circa Agt duymen boven de knie met afsnijding der Nagader en welke wonde gem: Chirurgijn declaarde bij verzeir van de dadelyk toegebragte hulpe volstrekt dodelyk te zijn /:Onderstond Actum datum Ut Supra /:getekend:/ J: Groenewald en E: Wiuem door ordre van den E: Heer land drost van Stellenbosch en drakensteijn heb ik onderget: in de tegenwoordigheid van de rechterlyke Commissie gevisiteert het doode lig chaam van den slaven Jonge gent Jacob van Mallabaar toebehorende aan den burger Paul Pick heb bevonden Omtrend agt duijmen boven de kris aan de rechter dije aan de buyten kant een doorgaande wonde met afmij „ding van de aldaar liggende dijd slagader, welke soort van wonden noemt, die van zelvs dodelijk genaamd worden, als men niet schielijk of ter behoorlyker tijd te helfte komt tot teken der waarheid heb deze eijgenhandig ondertekend /:Onderstond:/ Hellenbosch den 14 October 1785 /:getekend/ P: P: BBriers. Alzo Anthonij van Bengalen slaaf van den Oud heemraad van Hellenbosch Sr Christiaan Joel Ackerman, oud nagissing 25 Jaren thane 's Heeren ged: vrywillig beleden heeft ent den E Achtb: Raad van Justitie dezes Gouvernement Devident gebleken is. dat de ged: vermids eenige Essen van zijn lyfheers wagens op weg van hier na skellenbosch absent geraakt waren zich na de Veeplaats van zijn en voorm: lijfheer geleegen in de zo genaamde Jonkershoek begeven, en uit 't aldaar staan de stroohuysje zijn affegaan genomen heeft Dat de ged: van daar naar de duijnen gegaan is, om de voorsz: vermiste Ossen op te zoeken, dog dezelve niet gevonden heb„ „bende, terug gekeerd is, na de voorn: deeplaats, wanneer hij ged: op wegzekeren slaaf toebehoorende den burger Paulus Johannes Zick in naame Jacob van Mallabaar Ontmult, en dezelve omkost gevraagd heeft, alzo hij ged: in geen twee dagen spijze genooten had. dat voorsz: Jacob hem zulx geweigerd hebbende, de ged: denzelven Jacob, een Heek in 't rechter dikteen gegeeven de wijze afgenoomen, en 't voorts op een lopen gezet heeft zonder egter geintentioneerd te zijn geweest van hem Jacob Om 't leven te brengen, terwijl hij ga= zelve niet wist af dezelve gestorve ware„ dat egter deze wonde van dat effect is geweest, dat gem: Jacob Daarterplaatze dood gevonden en bij Chirurgi„ „cale examinatie geoordeeld is, de aldaar leggend slag „ader afgetneden, ende wonde door de niet spoedig genoeg toegebragte hulpe doodelijk geworden te zijn dat de ged: eenige Weinige dagen daarna elders inde duijnen Opgevangen en voorts in handen van Justitie overgeleverd is geworden dan nademaal diergelijke moorddadige queszinge in een land alwaar recht en gerechtigheid behoorlijk worden gehandhaafd, geenzints kan worden gevuld maar ten exempel van andere kwaad doenders behoord te worden gepunieerd. Zo is 't dat den E: Achtb: Raad van Justitie voorm: ten dage dienende, met opmerkzaamheid geleezen en overwogen hebbende, den Chriftelyken Crimineelen Eisch en Conclusie, door den land drost van Hollenbesch en drakenstain, den Heere H: L: Bletterman nomire Officie a„ van Circa zein Lyk te wale h abaar den te dije t ƒ Officie op ende Jegens den ged gedaan en genoomen, mitsgaders gelet op al het geent ter materie was dienende en hem EE Achtb konde doen moveeren Recht doende uit naar ende van wegens de hoog mogende Heeren Staaten Generaal der VerEenigde Nederlanden den ged. Anthoni van bengalen hebben gecondemmeert, gelijk hun EE Achtb: denzelven Condemneeren mits dezen om gebragt te worden ter Plaatse daarmen alhier gewoon is Crim „neele Sententien ter uitvoer te brengen, aldaar den Scherprechter overgeleverd en met een strop om den hal. onder de gasg ten Pronk gesteld zijnde, voorts aan een Daal gebonden en met roeden op de bloote ruggestren gelijk gegeeteld, en daarop gebrandmerkt te worden wijders voor den tijd zijn levens ten robben eilande gebannen te worden, om aldaar aan 'sE: Comps gemeere werken zonder loon te arbeiden, met Condemnatie in alle de kosten en misen van Justitie /:onderstond:/ Aldus Gedaan en Gesententieerd aan Cabo de Goede Hoop den 25. Jan: 1787 mitsgs geponunti „eerd int Casteel de goede Loor den 3 der daaraan volgende Maand Februarij en geExecuteerd ten zel dage /:was getekend:/ J: J Khennus, S: van Echter Johs Suts, J: M: Dorak, G: G: Maasdorp, G: Meijer, C: S: Neethling J: C: Gie, C: Matthiessen P: de Wet J: M: Bletterman /:lager:) Mij Present /:getekend:/ C: Vamterssen Secretaris Hecorot Van Herssen Serct. et 1 zel Echter ten sent 1
English
Appeared before the Honorable Council of Justice of the Government of the Cape of Good Hope, the sworn Clerk of the Secretariat of Justice, qualified in his official capacity by the supreme authorities of this country to represent the case of the Landdrost of Swellendam, Constant van Nult Onkruydt, Officer Prosecutor in criminal cases, of the one part. Against The Hottentot Daniel Dikkop, prisoner and defendant in the aforesaid case, of the other part. Article 1. The Officer Prosecutor shall have the honor of briefly stating the truth to Your Honorable Court. That the said prisoner and defendant, who was hired to work on a cattle farm belonging to the farmer named Little Hendrik van der Wat, situated on the Brakke Rivier, together with the two slaves of the said van der Wat, named Damon of Bengal and his wife Catharina of Batavia, about 3 months ago now, on the occasion when the said Damon, as was his customary and almost weekly practice, had gone to the residence of the said van der Wat in order to fetch bread and meat for the three of them, it happened that the prisoner and defendant, while he found himself alone with the said Catrijn at the said place, was overcome by the foul lust to have carnal conversation with the said Catrijn, and upon the refusal of that maid, treacherously threw a stone at the back of her head, 10 subsequently struck her with his fist in the face, on the forehead, and in the neck, 11 and finally, to bring his wicked undertaking to full maturity, Article 12. the said maid, who was already lying in agony on the ground, he bound around the neck with a strap or riem which the defendant ordinarily wore around his body and with which he usually tied the cows when he was busy milking, and thus dragged her around the small house 15 until she gave up the ghost. 16 The said prisoner and defendant finally, when that maid was dead, gave her some scratches and bruises with his nails on her face, in order thereby, according to his own confession, to deceive the slave Damon upon his return, making it appear as if the slave Catrijn had been mauled to death by a tiger, as Your Honorable Court will be able to see in greater detail, both from his interrogatories answered and re-acknowledged before the Commissioners of this illustrious Court, and from the declarations given by the Field-Guard Lampregts and the slave Damon, to the contents of which the Officer Prosecutor takes the liberty, for the sake of brevity, to refer. That the slave Damon, having duly reported this murder to his master, his said master requested the aforesaid Field-Guard Lampregts to perform an ocular inspection, 24 when at the inquest it appeared that the said maid had several wounds on the back of the head, as well as blows to the face and cuts in the cheek, as well as a mark around the neck where the strap had been, in accordance with the confession of the prisoner and defendant, without, however, that Field-Guard, having no professional knowledge of such matters, having been able to discover a wound which, considered strictly in itself, could be judged absolutely fatal per se, while the prisoner and defendant remained on the farm and observed everything, Article 30. pretending to know nothing of the murder, because he had been in the field to herd the cattle, that nevertheless his accusing conscience surely left the defendant no peace, since shortly thereafter he absconded, and having become suspect through this desertion of his, 33 he was apprehended after the lapse of three days, at night, at the place of the said Lampregts, 34 and thus delivered in custody into the hands of Justice here. 35 That all the circumstances that accompanied the deed have appeared to the Officer Prosecutor. 36 That however much the ill-treatment committed by the prisoner and defendant against the said Catrijn seems to have to be regarded as the sole cause of her premature death, and that notwithstanding whether perhaps some outside aid might have contributed to the death of the said Catrijn, the prisoner and defendant must nevertheless be considered as the sole cause of the death of that slave, and as such, by his illicit act, ought also to be punished with the penalty of death, subject to correction. 41 With regard, however, to the application of the punishment, under correction, there should be taken into consideration: 42 First, whether there were any reasons and motives that gave rise to this manslaughter by the prisoner and defendant, and whether and to what extent the same could be of service to the defendant, as well as what punishment he, the prisoner and defendant, has merited by it and ought to be inflicted upon him. 45 The reasons and motives that appear to have given rise to the manslaughter committed, are that the deceased slave Catrijn remained unwilling to satisfy the wicked desires of the defendant.
Dutch transcription
Compareerde voor den Wel E: Achtb: Rade van Justitie des Gouvernement van Cabo de goede hoop den gezee: Clercq ter Secretarijd van Justitie als in Officie door de hoge Overigheid dezer lande gequalificeerd ter waar neeminge der zake van den Landdrost van Swellendam Constant van Nult Onkruydt zat Off: Eiss in Cas Crimineel ter Eenre. Op ende Jegens den hotten tot daniel Oikkop ged: en ged in't voorsz: Caster andere Zijde. Art: 1. den Rat: Otj: liss zal de Eer hebben Uwel E: Acrtb kortelix conform de waarheid te zeggen. dat den ges en gede die in huur bescheiden is geweest op Een Veeplaats van den landbouwer in de hemdeling gew„t kleine Hendrik van der wat gelegen aan de brakke Rievier. met ende benevens de twee slaven van gem: d gnderwat in naame damen van Bengalen en zijn Vijf Catharina Van Batavia. voor nu Omtrend 3 Maanden geleden. bij gelegenheid dat gem: damon, gelyk meesterdeels en genoegzoem weekelyks 't gebruik had. na de woonplaats van gem: van der wat gegaan was, ten einde voor hun drien brood en vleesch te halen als toen hem ge: en ged terwijl hij met gem:e Catrijn alleen ter gem.: Plaatze zig bevond de vuyle lust bekroopen heeft, om met gem: Catrijn vleeschelijk te Converteeren en op de Weigering van die Meid, haar met een steen Verraderlyk op 't agterhoofd gesmeeten 10 vervolgens met de vuyst op't aangezegt, voorhoofd en in den Nek geslagen. 11 En eyndelijk om zijne boovaardige onderneeming ter volko mene maturiteijt te brengen. Art: 12. 2: 8 Art: 12. de gem: Meid die reeds zieltigende ter aarde lag Een riem of Bantonwo die hi ged: ordinair om zijn lig chaamdroeg En waarmede hij gewoonlijk de Koeijen vastbond, wanneer hij met melken bezig was. Om den hals gebonden en indiervoegen 't huysje rond gesleept 15 tot dat zij den geest gegeven had. 16. hebbende hy ged: en ged' nog Eyndelyk waner die beid daar was haar eenige krabben, en kneesen met de Nagels in't aangezigt gegeven om daar door volgens zijne eygen Confessie den slaaf damen, bij zijn terui komst in dien waar te brengen Of de slavin Catrijn door Een Eyger dood gebeeten was g gelijk uwel E: Achtb: dit een en ander nader zult kunnen 20 beoogen, zo uit zijne voor heeren Gecomm:s uit deeze luijsterrijke Vierschaar beantwoorde en gerecolleerde vraag articulen als de Verklaringen, door den Veldwagtin Lompregts en den Slaaf dam ongegeven en aan welkers innehoudenden rat: Oh: liss korte lijkshalve de vryheid neemd zig te refereeren dat den Slaaf Aamon van deze Moord behoorlyk 22 rapport aan zijn lyfhier gedaan hebbende gem: zijn lyfheer den Veldwagted: voorsz: lampregts heeft verzogt van blijk te neemen oorlaerd inspectie 24 als toen bij de schouwing gebleken is 5 dat de gem: Meid Verschillende worden Op 't agterhoofd mitsg„s slagen in't aangezigt, en leten inde wang als mede Een Streep om den hals waarom de Reem was ge„ weest gehad heeft Conform: des ged: en ged' Confessie zonder dat egter door dien Vedewagtm:, als daar 7 geene kennis van hebbende heeft kunnen werden ontdekt eene stond die op zig zelve beschouwd Volstrekt perse doodelijk kon werden geconsidereerd terwijl den ged: en ged nog op de plaats verbleveri, en van alles aanschouw genomen heeft, E Art: 30 14 Crt. 30 Voorwendende van der Noord niet te weten, Vermits hy in't veld was geweest, om't Vee te hoeden dat egter, zijne vroegende Conscientie hem ged: geene rust zekerlijk gelaten hebben zal vermits denzelven kort daarna was opgedrost, en door deze zijne opdrotsing suspect geraakt zijnde 33 na verloop van drie dagen, des nagts, ter plaatze van gem: Leempregts is opgevangen geworden 34 En dus in hegtenis in handen der Justitie alhier is overge leverd. 35 dat alle de omstandigheden dewelk 't feijt hebben Ver„ zeld, gegaan 't aan den Rat dff: Eess voorgekomen is. 36 dat hoe zeer wel de mishandeling door de ged: en ged aan dezelve Catryn gepleegd als de eenige oorzaak van derzelvs Droematuur over byden Schynen te moeten werden aangemerkt. endat niet tegenstaande al eens misschive eenige toegebragte hulpe van buiten het overlijden van dezelve Catzyn zoude hebben kunnen Provenieeren den gad: en ged egter als de eenige oorzaak vande dood dier slaven moet werden geconsidereerd en als zodanig per factam illicitai ook met de straffe des doods /:onder Correctee / diend te worden gestraft 41 niet betrekking egter tot de applicatie der Stratje /:onder Verbetering:/ behoord te komen in aanmerking 42 Eerstelyk of er eenige redenen en motiven zijn ge. „weest, die den ged: en ged' tot deze doodslag hebben aan „leiding gegeven En of en in hoe Verre hem ged: dezelve te stade zoude kunnen komen mitsgaders welke strasje hy ged: en ged door 't geme. „riteerd en aan hem ged: behoord geinfligeerd te worden 45 De redenen en motiven, die den grond tot de begaane doodslag schynen aanlyding gegeven te hebben is, dat de Ontstelde slaven Catrijn weigeragtig gebleven is, aan zijn ged booze lasten te voldoen 38 Art: 47. 31 32 37 E 39 E 40 43 44 46
English
The defendant, then having become vexed over the continued refusal, love turned into rage, and he allowed himself to be carried away by his passions so far that he, the defendant, set aside all humanity. And certainly a primary ground for mitigation is his youth, although an age at which he can receive his well-deserved punishment, it nevertheless proceeds more or less toward mitigation, because the passions of nature in the young years of a human being can so seldom be curbed, indeed, at the moment strip a person, as it were, of all reasoning, and expose him to dangerous extremes, particularly when he sees himself disappointed in his expectation. This then having been addressed, nothing more remains than to consider the crime in itself and the circumstances that accompanied it, and then finally the punishment that the defendant has merited. With respect to the crime, one immediately sees the malicious and murderous intent when one considers the instruments, and the manner in which the defendant made use of them, which were a stone and a strap. It would be useless to occupy the attention of this Honorable Council with an ample proof that the same falls under that kind of tools which indicates the direct will and intent of a killer, as can also be found, among others, in Mr. Carpzovius in his Practica Criminalis Part 1, question 3, paragraphs 14, 15, and 16, and several others cited by him therein. And if one examines the circumstances and the time that accompanied this homicide, one will no less discover the willful intention with which he was animated, since he, the defendant, did not proceed from a sudden passion arising from a quarrel, no, but after deliberation treacherously proceeded to the deed. At a point in time in which he could be assured that she would be destitute of all help, without any preceding quarrel, and purely upon the refusal that the maid would not hold fleshly intercourse with him, the defendant, first struck her from behind on the head with a stone, so that she fell to the ground in a swoon. And instead of being satisfied with that, he gave free rein to his murderous and atrocious purpose, first by striking her on the back and forehead and in the neck with stones, subsequently tying a strap around the neck, and dragging her around the outhouse until the maid had given up the ghost, as can be further evidenced from his answered and reviewed interrogatories. And as it is completely apparent therefrom the intention with which the defendant was animated, and that the same was executed after deliberate premeditation, as well as the manner and way in which he, the defendant, executed it. And to avoid all useless recapitulations and an ample citation of laws enacted in such cases, the Officer of Justice will only briefly remark that since it always rests on the way and manner in which the homicide was committed, and whether the homicide that was committed can, from all its concurring circumstances, be considered to be a homicidium dolosum; since also even he who has only wounded a person with the intent to kill must be condemned as a murderer, one will also immediately, when taking into view all the circumstances that accompanied the homicide committed by the defendant, be convinced that already previously the intention and premeditation of committing it resided in the defendant; and that the defendant, through the execution thereof, has in fact incurred a homicidium dolosum, and a homicide committed with malice aforethought and wicked design. Consequently, according to the Constitutio Criminalis Carolina of Emperor Charles the Fifth, Article 137, like all other willful murderers, he merits being broken on the wheel, which Mr. Carpzovius in his Practica Criminalis Part 1, question 1, paragraph 2, also confirms. For which and other reasons and means to be further deduced in due time and place, if necessary, the Officer of Justice, demanding judgment, concludes that the imprisoned defendant mentioned in the heading of this document shall be brought to the place where one is accustomed here to execute criminal sentences, there delivered to the executioner, and being bound upon a cross, be broken on the wheel alive from the bottom up, subsequently the right hand and the head severed, and the head placed on a stake opposite the dead body, thereafter his dead body dragged to the gallows field, the body placed on the wheel and the hand and the head on a stake, thus to remain as prey for the air and the birds of heaven; with further condemnation of the defendant in the costs and expenses of justice, or to such other penalties as Your Honors shall judge to be appropriate according to the facts. Signed: A. J. v. d. Riet. In the margin: Exhibited in Court the 26 December 1786.
Dutch transcription
den ged: en ged dan moeijelijk geworden zijnde, over de aanhou Art:o 47 dende Weigering is de liefde tot eene Hoede overgeslagen 48 49 en heeft zig zo verre door zijne driften laten vervoeren 50. dat hij ged: alle mensonelijkheid heeft ter zyde gesteld 61 en voorzeker een voorname grond van Verschoning is zijne Jongheid hoewel een Ouderdom, waarin hij zijne welverdiende Straffe keen Ontvangen, egter mier of meer tot miligatie Procedeert. doordien de driften der natuur in Jonge Jarer bij den 52 mensch zo zelden te beteugelen zijn 3 Ja op 't oogenblek den mensch als t ware van alle redenen„ „ting Ontbloot, en Exponeert aan gevaarlyke uiteyndens voornamentlik als hij zig in zijne Verwagting ziet te leur gesteld dit dan afgehandeld zynde resteerd er niets men, als de 521 misdaad op zig zelve te beschouwen en de omstandigheden die dezelve hebben verzeld gegaan en dan eyndelyk de stratfe die den ged: en ged: heeft geme „riteerd. ten opzigte van de misdaad ziet men dadelyk da gu dolens en moordzugtige intentie wanneer mende instrumenten, en de manier hoe den ged. daarvan ze hheeft bediend gehad, beschouwd, dat een steen en riem is geweest het zoude nutteloos zijn de attentie van dezen E: Achtb: rade te occupeeren, met een ampel bewij dat dezelve sor „teerd, onder die soort van werktuijgen, die den directen wil en t opzet van een doodslager te kennen geeft gelyk zulx onder anderen mede te vindenin den heer Carphooius in zijn Dract: Crim: Pars 1: quast: 3: 3: 14 15 en 16 en meerdere door heur daaraangehaald En gaat men na de Omstandigheid en de tijd, die dezen doodslag hebben Verzeld zal men niet minder de moedwilligheid van des ged: intentie, waarmede hij is bezield geweest ontdekken. daar hij ged: niet uit eene subict opkomende drieft 62 door twist ontstaan, neen, maar een beraadslaging ver„ raderlijk na de werd zig heelft toe begeven. 60 59 6 57 Art. 63. 0 Art: 63. in een tijdstep daarin hig zig verzekerd konde houden, dat zy van alle hull ontbloot zoude zijn zonder voorafgegaane quaesti, en Simpel op de weigering dat de Heid met hem ged geene Vleeschelyke Conversa tie wilde horden 65 Eerst met een klip van agteren Op 't hoofd geslagen dat zij in bezwyming ter aarde gevallen was. en in stede van zig daarmede te vergenoegen zijne moordzugtige en gruuwsaam oogmerk den teugel gevierd met haar eerst op 't agter en Voorhoofd en inden nek: met buytten te slaan, Vervolgens Een ziem om den hals gebonden, en't huysje vond gesleept, tot dat die meid den geest gegeven had. gelijk zulx nader uit zijne beantwoorde en gerecol„ leerde vraagarticelen kan werden becogd En gelyk dan daaruit Compleetelijk consteerd de in „tentie waarmede den ged: en ged:e is bezield geweest en dat 't zelve is geExecuteerd na een beraden overleg mitsgrs de manier en wijze OB welke hij ged: en ged zulx heeft geExecuteerd en om alle nuttelooze recapitulatien en een ambeld allegatie van wetten die in Cas subject zijn gestatuveerd te eviteeren, zal den R: O: EisC alleen kortelyx remargaeren 73 dat daar't altijd berust op de Hijze en manier waaromme de boodslag gepleegd zij en of de doodslag die gepleegd is, uit alle derzelvs Con „curreerende Rystundigheden kan worden geconsidereerd Een homicidiuindolotum te zyn. 5 dan daarook zelfs die geene die eene Mensch, alleenlyke heeft gequetst, met intentie om te doven, als een moorde naar moet veroordeeld worden men ook dadelyk wanneer men alle omstandigheden 6 die bij de doorden ged: en ged gepleegde doodslag zijn verzeld gegaan, in aanschouw neemd, zal werden geconvinceerd dat reets bevoorens bij den ged: en god den anim Dre 17 Positie accedendi gehuysvest heeft 78 En dat den ged: en ged door de Executie vandien revera heeft geincurieerd eenen homicidicum dolosum, en met 62 arglisz anhou de „ ls 67 66 64 9 72 74 2 Art: 79 orglist en bozen opzet beganen doodslag mitsdien daardoor na volgens de Constitutie van Kijse Carel de vijfde Art: 137 gelijk alle andere moedwillige moordenaars 81 meriteerd met 6 rad te werden gestrafft 't welk de heer Carpzovius in zijn Pract: Crims: Parss quest 1. §2- mede komt te staven Mits welke en andere redenen en middelen intijd en wijle /:is t nood:/ nader te deduceeren, de rak of: Eiss Eijsch doende Concludeert, dat den gev: ged in den hoofde dezes gemeld ge„ bragt zal worden ter Plaatze, alwaar zien hier gewoon is Crimineele Sen„ hentien ter Executie te brengen aldaar den scherpregter overgeleverd en op een kruijs gebonden zijnde van onderen op levendig geledo„ braakt, Vervolgens de rechter hand en 't hoofd afgehouwen, en't hoofd op Een Den gesteld tegens overt doode lighaam, daarna deszelvs doode lig„ chaam naar 't buyten gerecht gesleep 't ligchaam op't rad, ende hand ent hoof Op een per gesteld zijnde, dus te verblijven ten provije van de lugt en Vogelen des hemels met Condemnatie Wyders van den ged: inde kosten en mizen van Justitie, afte tot zodanige andere Panen als Uwel Edele Achtb: overeenkomstigt teijt zullen oordeelen te behooren /:getekend:/ A: J: V: d: Riet /:in margine:/ Exhibitum in Jadicco den 26 December 1786. 80 22
English
Articles drawn up and submitted to the gentleman commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government by and on behalf of the Councillor Rijno Johannes van der Riet, as qualified in office to attend to the affairs of the Landdrost of Swellendam, Constant van Nult Onkruidt, in order that the Hottentot Daniel Dikkop, now prisoner of the Lord, may be heard and interrogated thereon upon his requisition, the responses to be given by the same in the margin hereof to be properly recorded by the sworn clerk at the Secretariat of the aforementioned Court. Appeared before the undersigned commissioner members from the Honorable Court of Justice of this Government, the Hottentot Daniel Dikkop, who gave such answers to the adjacent interrogatory articles as are noted beside each of them. Article 1. The prisoner's name, age, birthplace, and where and with whom the witness was last stationed. Answers: Daniel Dikkop, Hottentot, age estimated at 25 years, says with little Hendrik van der Wat, says to have lived last at the Great Brak River. Article 2. Whether the prisoner did not live with a certain Hendrik van der Wat at the outstation named the Brak River. Answers: Says as before. Article 3. Whether the slave Damon of Bengal and his wife Cathrijn of Batavia, belonging to the aforementioned Van der Wat, did not also live there. Answers: Says yes. Article 4. What the prisoner's duties were at that place. Answers: Says he served as a cattle herder at that place. Article 5. Whether or not the aforementioned Damon was accustomed to go to the residence of the aforementioned Van der Wat on certain days to fetch food. Answers: Says yes, that that boy sometimes went to the residence to fetch one thing and another. Article 6. Whether or not, on a certain day about three months ago, the aforementioned Damon went from the outstation to the residence of his aforementioned master to fetch food. Answers: Says yes. Article 7. Whether the prisoner then remained alone with Catrijn at the residence. Answers: Says yes. Article 8. Whether, when the aforementioned Damon returned, the prisoner did not go several hundred paces to meet him. Answers: Says yes. Article 9. Whether the prisoner did not then have a strap or hobble-rope around his body. Answers: Says that the strap was in his pocket and not around his body. Article 10. Where the prisoner got that strap. Answers: Says that it is a hobble-rope with which the prisoner milks the cows, and that that boy had also brought biltong and a sheep's tail along. Article 11. Whether the prisoner did not take that strap off the neck of the aforementioned Catrijn. Answers: Says that the prisoner had tied the strap around her neck. Article 12. If so, how that strap then came to be around that maid's neck. Answers: Says yes. Article 13. Whether the prisoner did not then return to the place with Damon. Answers: Says yes. Article 14. Where the aforementioned Catrijn was then located. Answers: Says in the front room of the house. Article 15. What the prisoner said when he came into the house with Damon, upon seeing that the maid lay dead on the ground. Answers: Says that the prisoner, upon the question from Damon of how that maid came to be dead, said, I do not know how that maid came to be dead, I am a cattle herder. Article 16. Whether the prisoner did not say to Damon: I do not know how the maid came to be dead, it thundered heavily and perhaps she was bitten to death by a tiger. Answers: Says that the prisoner spoke of the thunder, and says that Damon had said, perhaps a tiger has bitten her. Article 17. Whether the prisoner still says that that maid was bitten to death by a tiger. Answers: Says no. Article 18. Whether the prisoner must not confess that the pretense that the maid was bitten to death by a tiger is a lie. Answers: Says yes, that such is a lie. Article 19. And in case the prisoner should persist in this answer, then to ask what motivated the prisoner to desert from the place. Lapses. Article 20. Whether the prisoner cannot state how many distinct wounds the maid had on her head. Answers: Says that that maid had two wounds on the head. Article 21. Whether all those wounds were caused by striking with a knobkerrie or stick. Answers: Says that those wounds were caused by throwing stones, and subsequently by striking with the fist. Article 22. Whether the prisoner did not intentionally make the bite in the cheek, in order thereby to make his pretense that she had been bitten by a tiger more credible. Answers: Says that the prisoner had pinched that maid in the cheek with the fingernails, in order by that means to mislead Damon into believing that the maid had been bitten to death by a tiger. Article 23. Whether the prisoner did not want to have carnal conversation with the female slave Catrijn. Answers: Says yes, that he made an attempt to converse with the maid, and because the maid would not say such to the old boy, the prisoner beat her to death. Article 24. What the prisoner confessed upon his capture and transport to Swellendam to the burghers Cornelis Snijman and Sebastiaan Rotman. Answers: Says as to Article 18, says to have related to Snijman and Rotman what was done by him to the maid at the place of Van der Wat.
Dutch transcription
zogt daniel dikkot Kattentot oud na gessing 25: Jaaren zegt bij Kleine Hendrik vander Wat zegt als Voren. Legt Ja. zegt als beeste wagter daar ter Compareerde voor de onder gez: gecomm:s leden uit den E: achtb: Raade van Justitie dezes Gouvernement, den Kot op de nevenstaande Vraagarti „culen zodanige Antwoorden gegeven heeft, als bezyden een yder derzelver aangetekend staat het laatst gewoond te hebben aan de groote brakke Rivier zegt Ja: dat die Jonge Somtyds na de woonplaats gegaan was Om het een en ander te halen. Plaatze dienst gedaan te of niet gem: damen het gebruijk had, om op zekere dagen na de woonplaats van gem: van der wat te gaan om eeten te halen! wat zijn ged: Verrigtingen, daar ter Plaatze geweest zijn. of aldaar niet mede gewoond hebben den slaaf damon van Bengalen en zijn wijf Cathrijn van Batavia bij de gem: van der wat toebehoorende Of hij ge: niet gewoond heeft bij zeke ren Hendrik van der Wat op de Verplaats genaamd de brakke riveer waaron bij wien hy get: t laatste is bescheiden geweest Art des gede: naam, ouderdom geboortet laats Articulen gedaan maken en aan Heeren gecomm: uit den E: Achtb: raad van Justitie dezes Gouvernements overgegeven door en van wegens den Raade Rijne Johannes van der Riet als in Officie gequaliticeert ter waarnee minge der zaken van den Landdrost van Zwellendam Constant van Nult Onkruidt, omme daarop ter zyner requisitie gehoord en ondervraggd te worden, den Kotten tot Daniel dikkop thans 'S Heeren ged, zullende deszelvs te gevene reponsive in margine dezer behoorlyk moeten worden bekend ten tot daniel dikkop dewelke gezu: Clercq, ter Secretarije van welgem: Eert. J. Rijse gesteld hebben. zegt Ja Zegt Jas zegt dat de ziem in zijn zak en niet Om het lyf geweest is zegt Ja. en dat die Jonge nog mede gebragt Thad, biltongen en een Schaape Staart. zegt dat het een spantouw is door hij ged: de Koeijen mede melkt zegt dat hy ged: haar de riem Om de hals gebonden had Legt Ja. zegt in het Voorhuis van 't huijs zegt dat hij ged: op de vrage van hem„ Wat of hij ge: toen hij met d'amon in huijs kwam, gezegt heeft op't gezigt damen hoe die meid dood komt, gezegd had, ik weet niet hoe dat dat de meid dood ter aarde lag. die meid dood komt ik Een beeste wagter zegt dat hij ged: van den donder gesproken heeft. zegt dat damen gezegt had mis, „schien heeft haar een Tijger gebeeten. Of hij ged: niet aan d'amon heeft gezegd ik weet niet hoe dat de meid dood komt, het heeft zwaar gesonderd en misschien is zij door een tyger dood gebeeten. waar de gem: Catrijn zigtoen bevond hij get: niet toen met damen weder te rug naar de plaats gegaan is. Zo Ja. hoe dien riem dan aan de haas van die meid gekomen is. Of hij ged: niet dien riem heeft afge „nomen van de hak van evengem Catrijn. L Waar hij ged:t aan die riem gekomen is. 1 of hij ged: toen niet een ziem of Span„ touw om het ligchaam heeft gehad! Of toen gem: damon te rugkwam hij ged: niet eenige honderd breden hem te gemoed gegaan is. of toen hij ga: met Catrijn alleen Op de woonslaat verbleeven is O niet op een zekeren dag voor na drie maanden geleeden gem. Aamon van de plaats naar de woonplaats van gem: zijn lijfheer is gegaan, om ecten te halen. Art: Art: 18. Zegt Ja. Art: 18 zegt Ja zulx leugenagtig te zyn. zegt dat die meid twee wonden aan het hoofd gehad heeft. zegt dat hij ged: die meid met de of hij ged: nog zegt dat die meid door nagels die meid in de wang ge„ een Eyger dood gebeetenis. knepen had, om door die Wegdamon in de waar te brengen, dat de Meid door een tiger dood gebeeten zoude zijn. zigt dat die wonden door het Smyten met de klippen is Veroor zaakt, en Vervolgens door het slaan met de Vuijst zegt als op Artc: 18. Wat hij ged: bij zijn gevangenneeming zegt het geen door hem os de en transporteering naar Zwellerdam plaats van van derwat aan de Meid gedaan was aan Snyman„ aan de burgers Cornelis Snijman en en Rotman te hebben verhaald Sebastiaan Ratman heeft beleden zegt Ja dat hij tentamen gedaan heeft, om bij de meid te Converseeren, en om dat de meid zulx niet zoude zeggen aan de Oude Jongen, zo heeft hij ged: haar dood geslagen d/ hij ged: niet met de slavin Catrijn vleeschelijk heeft willen Converseren of hij ged: de beete in de wang niet expres heeft gegeven, om daardoor zijn voorgeven, dat zij door een tyger gebeten zoude zyn waarschijnelyker te maken. of al die wonde door het slaan met een kirrij afstok is veroorzaakt. of hij gev: niet opgeven kan hoe veel gedinstingueerde wonden de mid aan het hoofd gehad heeft. Of hij ged: niet bekennen moet dat het voorgeven dat de meid door een tyger doodgebreeten zoude zijn, lengenagtig is En ingeval de ged:e mogt blijven Perso teeren bij dit antwoord dan te vragen Wat hem ged: gemoveert heeft om van de Plaats op te drossen. Art: 26. amon vervald ƒ ig ƒ 20 24
English
Article 26. Whether the defendant, after being refused by her, did not strike her several blows on the head with a stone. Answers that he threw the stone, while the girl did not know of it, treacherously murdering her, and subsequently, when the girl had fallen to the ground, the defendant struck her only three blows with his fist. Article 27. Whether the mentioned Catrijn did not say to the defendant not to strike her to death, but rather to open her chest and take away the money inside it. Answers that the girl said nothing more after she received the blow with the stone. Answers further that the girl said, you must strike me to death. Article 28. Whether the defendant did not answer thereto: no, I must kill you, for otherwise you will betray me. Answers yes. Article 29. Whether the defendant did not then put a strap around the neck of her, Catrijn, and drag her around by it until she, Catrijn, gave up the ghost. Answers yes. Article 30. Whether the defendant did not open the chest and take out the money contained therein. Answers no. Article 31. How much cash was in the chest and where it has gone. Answers to know of no money. Article 32. Whether the defendant does not know that he did wrong. Answers yes, to know that he has done wrong. Article 33. And that no one may murder without making himself guilty of death. Answers not to have known that whoever strikes someone to death is guilty of death, because such murders so often go unpunished, and because the Europeans shoot the Hottentots to death without anything being done to them for it. Article 34. Whether the defendant is not conscious of being, by this deed, extremely guilty of punishment and having deserved death. To wit, answers now to be able to understand well that he has done wrong and has deserved punishment. Article 35. What the defendant can bring forward in his excuse. Answers nothing for his excuse. Underneath: Thus interrogated and answered at Cabo de Goede Hoop on 28 November 1786 before the gentlemen Johannes Martinus Horak and Andries van Sittert, members of the Honorable Worshipful Court of Justice aforesaid, who have duly signed the original of this along with the defendant and me, sworn clerk. Lower: Which I witness. Signed: R. J. v. d. Riet, sworn clerk. Re-examination: Appeared before the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Court of Justice of this government, the Hottentot Daniel Dikkop, who, having had these his preceding interrogatories read aloud to him word for word clearly and distinctly, declared that he persisted by them, not desiring that anything more should be added or removed, saying that all the foregoing is the pure truth. Underneath: Thus done and re-examined at Cabo de Goede Hoop on 13 December 1786. Signed: a cross, and described around it: this mark the defendant made with his own hand. Lower: In my presence, signed: R. J. v. d. Riet, sworn clerk. In the margin as commissioners signed: W. F. v. Reede van Oudshoorn and J. M. Cruywagen. Appeared before the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Court of Justice of this government, the field sergeant Johan Christiaan Lamprechts, of competent age, who, at the requisition of the landdrost of Swellendam, the gentleman Constant van Nuer Onkruydt, declared to be true: That about three months ago, without being able to determine the precise day, it was reported to the appearer by the burgher Hendrik van der Wat the elder, that his slave named Damon of Bengal had been on his farm at the Brakke Rivier the day before, and had found there the slave belonging to him, Van der Wat, residing at the aforesaid cattle station, named Catrijn of Batavia, injured on the head with several wounds and lying dead on the ground; wherefore the mentioned Damon, having asked the Hottentot Damon Dikkop, likewise residing at the aforesaid place and being at that time near the corpse, in what manner the mentioned slave girl Catrijn had lost her life, and having received in answer from the said Damon Dikkop that she might possibly have been bitten to death by a leopard, the mentioned Damon had immediately returned home and reported this incident to his master, the mentioned Van der Wat; whereafter the mentioned Van der Wat requested the appearer to proceed to the said cattle station in order, in his capacity as field sergeant, to conduct a proper inspection of the mentioned corpse; and that the appearer, as no one lived near enough in his neighborhood to be able to assist him in this, rode only with the mentioned Van der Wat to the said cattle station. That the appearer, upon close inspection of the corpse of the mentioned slave girl, found four distinct wounds on the head, a bite on each cheek, and around the neck a bruise or strap mark, which led the appearer to presume that the slave girl must certainly have been choked or forced by the neck, which must also have caused the visible marks at the scene; the appearer declaring that a wound on the head of the mentioned slave girl was inflicted in such a manner that the skin was entirely separated from the cranium, that the bites on the cheeks of the mentioned slave girl appeared to him far too small for the bites of a leopard or any other animal, and that finally
Dutch transcription
Art: 26. zegt dat hij de neu gesmeeten en zulx door haar geweigerd zijnde heeft met de steen, terwijl de hij ged: niet met een steen haar meid daar niet van Wist, dat ver eenige slagen op het hoofd heeft „radelyk haar te hebben vermoord gegeeven en vervolgens wanneer de beid ter aarde gevallen was, had hij ged: haar met de vrijst maar drie slagen gegeven zegt neen dat de Meid niet meer gesproken heeft zederd dat zij de slag met de steen Ontvangen had. zegt nader dat de Meid gezegt heeft moet mij dood slaan. zegt Ja. zegt Ja. Zegt Niens zegt van geen geld te weeten zogt Jate weeten dat hij kwaad gedaan heeft. zegt niet te hebben geweeten dat die ijmand dood slaat de dood schuldig is, om dat zo dit Wijls diergelijke moorden onge straft blijven, en dat de Europees schede hottentotten dood schieten, zonder dat hun iets daarover worden aangedaan En dat men niemand Vermoorden Vermag zonder zig zelvs de dood schuldig te maken. Of hij ged: niet weet dat hij kwaad gedaan heeft hoe veel Contanten en wel in de Kist geweest en waar dezelve geble ven zijn. 30 Of hij ged: niet de kist heeft open gemaakt, en het daarin zijnde geld daaruijt gehaald. Of hij ged: haar Catrijn als toen geen riem heeft omden hals ge „daan, en daaraan rond gesleept tot dat zij Catrijn den geest gegeven heeft: Of hij ged: daarniet op geantwoord heeft, neen ik moet 1. dood maken Want anders zulk gij mij verklikken of gen:t Catrijn aan hem ged: niet heeft toegevoegd van haar niet dood te slaan maar liever haar kist te openen en het daaren zynde geld weg te nemen Art: 34. 26. 32 D te weeten zegt nu wel te kunnen begripen dat hij kwaad gedaan en Straf verdiend heeft zegt niets tot zijn Verschoning /:Onderstond:/ Aldus gevraagd en beantwoord aan Cabo de goede Hoop den 28 November 1786 voor de Heeren Johannes Martinus Horak en Andries van Sittert leden uit den E: Achtb: Raad van Justitie Voorm:t due de minute dezer benevens den ged: en mij gezw: Clercq mede behoorlijk hebben ondertekend /:lager:/ t welk ik getuige /:geteekend:/ R: J: V: d: Riet gezw: Clercq. Recollement Compareerde voor de onderget: gecomm: uit den E: Achtb: Raad van Justitie dezes gouvernement, den hattentot Daniel dikkop, dewelke deze zijne Voorenstaande Interrogatoria van woorde tot woorde klaar en drijde „lijk voorgeleesen wezende, betuigde daarbij te blijven Persisteeren, niet begerende dat er iets meer bij ofte van gedaan werden zal zeggende dat al 't Voorenstaande de Zuivere waarheid is /:onderstond:/ Aldus gedaan en gerecolleerd aan Cabo de goede Root den 13. december 1786 /get: een hoek/ en daaromschreven dit merk heeft dan ged: eijgenhandig gesteld, /:lager:/ mij Present /:get:/ R: J: V: O: Riet gezw: Clercq /:in margi „ne als gecomm:d/ get: W: F V: Reede van Oudshoorn en J: M: C Hletterman Compareerde voor de onderget: gecomm. uit den E: Achtb: Raad van Justitie dezes gouvernements, den Veldwagtmr. Johan Christiaan Lamprechts van competenten; ouderdom, dewelke ter requisitie van wat hij ged: tot zijn Verschoning kan bybrengen. Art: 34 Of hij get: niet bewust is door deze daad ten uitersten starfschul: dig te zijn en de dood verdiend te hebben den e ft 9 3 den Landdrost te Zwellendam de heer Constant van Nuer Onkruydt verklaarde hoe waar is dat omtrend drie maanden geleden zonder den precisen dagte kunnen bepalen, aan den Comps door den burger Hendrik van der wat de oude gerapporteerd geworden is, dat zijn slaaf in naame damon van bengalen 's daags bevoorens op zijn plaats aan de brakkerivier geweest was, en aldaar de opgem: Verplaats zig onthoudende slaven van hem van der wat in naame Catrijn van batavia had bevonden met Verscheidene worden aan het hoofd ge blesseerd te zyn en dood ter aarde te leggen, zulx gem: damon aan den opgeme. Plaats insgelijks woonagtig en op dat lydotip by het lijk zijnden kosten tot damen dikkor gevraagd had: op wat wijze gem. slavin Catrijn was om het leven geraakt en door denzelven damon dikkok daarop tot antwoord bekomen hebbende: dat zij mogelyk door een tyger kon zijn dood gebeeten had gem: damon zig terstond naar huijs begeeven, en dit voorval aan zynen baas afte gem: van der wat dan aan den Comps verzogt hebbende om zig na gem Verplaats te begeeven ten einde in zijn qualiteijt als Veldwagtm: van 't geme Lijk behoorlijk Schruwinge te doen, hij Compt: dan ook Vermits in zijn buurt niemand zo nabej woond om hem hier inte kunnen adristeeren en kel met gem: van der wat naar ged=ten Vleeplaats gereden is. dat de Comp bij naauwkeurige veritatie aan het lijk van gem: slavin bevonden heeft vier gedistingueerde wonden aan het hoofd in ieder wang een beet en om den hals een moet of Soriem het geen den Comps heeft doen presumeeren, dat die slaven zekerlijk moest gewaagt of aande hals geforceerd geweest zijn, dat dan ook de zigtbaare tekenen aande plaats moet veroorzaakt hebben Verklarende de Compt dat een wonde aan het hoofd van gem: slaven dusdanig was geinfligeerd dat het vel geheel van 't herssen van verwijderd was, dat hem de beeten in be wangen van gem: slavin voor leeten van een tijger of eenig ander dier veel te klein zijn voorgekomen; en dat eindelijk
English
Finally, the appearer also learned from the burghers Cornelis Snijman and Sebastiaan Rothman that the mentioned Hottentot Daniel Dikkop, when he was being transported to Swellendam and had arrived at the farm of him, Rothman, fully confessed and admitted to them that having wanted to have carnal intercourse with the mentioned female slave Catrijn, and such being refused by her, he had thereupon inflicted several blows upon her, Catrijn, with a stone, that furthermore the mentioned Catrijn had urged upon him not to beat her to death, but rather to open her chest and take away for himself the money inside it, but that he, Daniel Dikkop, having answered to this, no! I must do away with you, for otherwise you would betray me! had put a strap around her neck and dragged her around the farm, and in that manner had deprived her of life. Declaring nothing further, the appearer gives as reasons for his knowledge as stated in the text, being prepared, if required to do so, to confirm the same at all times with a solemn oath. Thus done at the Cape of Good Hope on 26 October 1786, before Messrs. Salomon van Echten and Johannes Smuts, members of the Honorable Council of Justice aforementioned, who have duly signed the original of this along with the appearer and me, the aforementioned clerk and Secretary. Below: which I witness: signed: C: van Aerssen, Secretary. Verification Appeared before the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, the aforementioned slave Damon, to whom this preceding statement, having been read aloud word for word clearly and distinctly, testified to persist therein, wishing that nothing more should be added or taken away from it, except only that when the mentioned Hottentot Daniel Dikkop had heard that they would come to inspect the corpse, he took to flight, and three days thereafter was captured at the Company's yard - and spoke in confirmation of the truth thereof the solemn words, so truly help me God Almighty. Below: Thus verified and sworn to at the Cape of Good Hope on 27 Oct: 1786: signed: J:. C: Lamprecht. Below: In my presence: signed: C: van Aerssen, Secretary. In the margin: as commissioners: signed: S: V: Echten and Johs Smuts. Appeared before the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, the slave Damon of Bengal, belonging to the burgher Hendrik van der Wat the Elder, of competent age, who, upon the requisition of the Merchant and Landdrost of Swellendam, Mr. Constant van Nilt Onkruydt, declared it to be true: That the appearer, who resides together with his concubine the female slave Catrijn of Batavia and a certain Hottentot Daniel Dikkop on the cattle farm of his master, situated along the Brakke River, and is in charge of watching over it, on a certain day now, according to his estimate, fully three months ago, having gone to the dwelling place of his master, upon his return to his residence, just near the cattle farm, met the mentioned Hottentot Daniel Dikkop, having around his body a strap or so-called span-rope; That the mentioned Daniel Dikkop, driving the cattle that were herded by him toward the farm, went into the house together with the appearer, whereupon the appearer, finding the aforementioned female slave Catrijn lying dead on the ground, wounded with several injuries to the head and bitten in the cheeks, as well as having the mark of a strap around the neck, completely devastated, asked the mentioned Hottentot Daniel whether he knew anything of this, as no one had been at home except him alone, and having received as an answer from the said Daniel: no, but that since there had been a heavy thunderstorm that day, she might possibly have been bitten to death by a tiger, the appearer immediately thereupon went to his master and made this incident known to the same, while in the meantime the mentioned Hottentot Daniel ran away from the farm. The appearer declaring that upon his return he missed the money that had been in his chest, amounting to fully 10 rixdollars. Declaring nothing further, the appearer gives as reasons for his knowledge as stated in the text, being prepared, if required to do so, to confirm the same further at all times. Below: Thus done at the Cape of Good Hope on 26 October 1786, before Messrs. Salomon van Echten and Johannes Smuts, members of the Honorable Council of Justice aforementioned, who have duly signed the original of this along with the appearer and me, the Secretary. Below: which I witness: signed: C: van Aerssen, Secretary. Verification. Appeared before the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, the aforementioned slave Damon, to whom this preceding statement, having been read aloud word for word clearly and distinctly, testified to persist therein, wishing that nothing more should be added to or taken away from it. Thus verified at the Cape of Good Hope on 27 Oct: 1786: signed: cross / and around it written (this mark was made by Damon of Bengal with his own hand): below: In my presence: signed: C: van Aerssen, Secretary. In the margin: as commissioners: signed: S: V: Echten and Johs Smuts. Below: 9
Dutch transcription
eindelijk de Comps nog van de burgers Cornelis Snijman en Sebastiaan Rothman vernomen heeft dat gen: hot„ „ten tot daniel dikkop wanneer hij naar Zwellenvam getransporteerd wordende op de Plaats van hem Rothman gekomen was, aan hun volmondig bekend en beleeden had dat hij met gem: slaven Catrijn vleeschelyk hebbende willen Converseeren, en zulx door haar geweigerd zijnde haar Catrijn daarop met een steen eenige slagen zoude hebben toegebragt, dat voorts gem: Catrijn aan hem zoude hebbente gemoed gevoerd, van haar niet dood slaan, maar liever haar kist te openen, en het daarin zijnde geld voor zig weg te neemen, edog dat hij Daniel dikkop hier op geantwoord hebbende, neen! ik moet V van kant helpen want anders zoud gij mij Verklikken! haar een riem on de plaats gedaan en rondgesleept mitsgs in diervoegen van het leven beroofd zouden hebben Niets meer verklarende, geeft de Compe voor redenen van Wetenschap als in den text bereid zijnde 't zelve des gere„ „quireerd wordende, ten allen Eijde met solemneele Eede gestand te doen Aldus gepasseerd aan Cabo de Goede Hoop den 26 October 1786, voor de Heeren Salomon van Echten en Johannes Smuts leden uit den E: Achtb: Raad van Jasta „tik voorm: die de minutte dezer benevens den Comp en mij gem: Clercq Secretaris mede behoorlijk hebben ondert: /:lager :/ t welk ik getuijge /: get: C: van Aerssen Secret Recollement Compareerde voor de Onderget: gecomm: uit den E: Achtb: Raad van Justitie dezes gouvernements voorm: Slaaf damen denwelken deze voorenstaande verkla „ring van woorde tot woorde klaar en duidelijk voorgelezen wezende betuijgde daar bij te blijven persisteeren wet legeerte dat daar niet meer bygevoegd af van gedaan werden zal als alleenlijk dat toen gem: hosten tot Daniel dikkop /:Onderstond:/ gehoord ia einde Ver mits ƒ gehoord had, dat men komen zoude om het lijk te schouwen zig op de vlugt heeft begeeven, en drie dagen daarna Op de Comps werf gevangen is geworden - en sprak ter bevestiging der waarheid van dien de solemneele woorden zo waarlijk helpe mij god Almagtig /:Onderstond:/ Aldus gerecolleerd en beeedigd aan Cabo do goede J:. C: Lamprechh /:lager:/ Hoop den 27 Oct: 1786 /:get:/ mij Praesent /:getekend:/ C: van Aerssen Secret: /:in margine:/ als gecomm: /:get::/ S: V: Echten en Johs Smit. Compareerde voor de onderget: gecomm: uit den E: achtb: Raad van Justitie dezes gouvernements den slaar Damon van bengaalen, toebehoorende den burger Hendrik van der wat de Oude van Competenten ouderdom, dewelke ter requisitie van den Koopman en Landdrost van Iwel lendam de heer Constant van Nilt onkruydt verklaarde hoe waar is — - dat de Comps die nevens zijn bijzit de slavin Catrijn. van Batavia en zekeren Rotten tot daniel dikkor op de veeplaats van zijn lifheer, aande brakke rivier geleegen woonagtig is, en den Oppas heeft op zekeren dag nu na zyn gissing wel drie maanden geleeden zig naar de wompbaak van zijn lijfheer begeven hebbende bij zijn terug komst aan zijn verblijd eeven bij de Replaats heeft ontmoet gem: Kotlentot daniel dikkop hebbende om zijn lijf een riem of zo genaamde Sprantouw dat gem: daniel dikkors het Vier dat door hem gehoed wierd naarde plaats drijvende zig nevens den Comp in het huijs heeft begeeven, als wanneer den Comps de voorsz: slavin Catrijn die met Verscheide wonden aan het hoofd geclesseerd, en in de wangen gebeeten was mits„ om de hals de moet van een riem had dood der aarde vindende leggen daardoor gantsch verslagen aan gem: Dottentot daniel gevraagd heeft, of hij hier van niets wiste, wijs niemand als hy alleen was te hrijs geweest geweest en door denzelven daniel ten antwoord bekomen hebbende van neen: maar dat alze het diendag zwaar Onweer geweest was, zij mogelijk wel door een tijger konde dood gebeeten zijn heeft de Comps zig terstond daarop naar zijn lyfheer begeeven, en aan denzelven dit voorval bekend gemaakt terwijl in die tusschen tid gem: hottertot daniel vande Plaats is weg geloopen Verklaerende de Comp dat hij bij zijn terugkemst als in zijn kist geweest zynde geld bestaande wel in 10 ryxd vermist Niets meer Verklarende geeft de Comp voor redenen van wetenschap als in den text bereid zijnde 't zelve des gerequireerd wordende ten allen tyde nadergestand te doen /:onderstond:/ Aldus gepasseerd aan Cabo de goed Loot den 26 Oc. tober 1786. voor de heeren Salomon van Echten en Johannes Smuts leden uit den E: achtb: Rarde van Justitie voorm: die de minute dezer benevens de Comp en mij Secretaris mede behoorlyk hebben ondertekend /:lagers/ 't welk ik Getuijge /:getekend:/ C: van Aerssen Secretaris Recollement. Compareerde voor de ondergez: gecommitt: uit den E: Achtb: Raad van Justitie dezes gouvernement voor„ Slaar damon, denwelken deze voorenstaande ver„ klaring van woorde tot woorde klaar en duidelyk voorgelezen wezende betuijgde daarbij te blijven per sisteeren, met begeerte dat daar niet meer bij of van gedaan werde Aldus gerecolleerd aan Cobo de goede Door den 27 Ocr: 1786 /get:/ kruijs / en daaromschreven (dit merk steld eigenhantig d'amen van Bengalen /:lager/ mij praesent /:get:/ C: van Aertsen Sehrot /:inmargin als gecommitt: /:get:) S: V: Echten en Johs Smits /:onderstond:/ 9
English
Whereas the Hottentot Daniel Dikkop, aged approximately 25 years, currently the prisoner of the Lord, has freely confessed, and it has evidently appeared to the Honorable Worshipful Council of Justice of this government from the further documents produced in the trial: That the prisoner, having been hired on an outlying farm situated on the Trakke River and belonging to the farmer known in common parlance as Little Hendrik van der Wat, and being stationed there with two slaves of the said van der Wat, named Damon of Bengal and his wife Catharina of Batavia, about 11 months ago, on the occasion that the said Damon had gone as usual to the main farm of the aforesaid van der Wat in order to fetch bread and meat for the three of them, and the prisoner consequently found himself alone with the said Catrijn, he then forged a plan to have carnal conversation with her, but upon the refusal of that maid, treacherously struck her on the back of the head with a stone, subsequently beat her with his fist in the face, on the forehead, and on the neck, and finally, while the said maid already lay dying on the ground, tied a strap or tether, which he ordinarily wore around his body and with which he usually tied the cows when he wanted to milk them, around her neck, and dragged her around the small house in which they lived, until she gave up the ghost; That the prisoner, finally, when the aforesaid maid was dead, gave her some scratches and pinches with his fingernails in the face, in order thereby to deceive the slave Damon upon his return, as if the said slave woman had been bitten to death by a tiger; That, however, the same slave Damon, having made a report of this to his master, and the said master having requested the field-cornet Lamprechts to conduct an ocular inspection of that corpse, it appeared during the examination that the aforesaid maid had several wounds on the back of the head, blows to the face, and bites on the cheek, as well as a stripe around the neck where the strap had been, without, however, that field-guard having been able to discover a wound which, taken in itself, could be considered absolutely fatal, while the prisoner still remained on the farm and observed everything, pretending to know nothing of the murder since he had been in the field to herd the cattle; That, however, the prisoner's troubled conscience gave him no rest, so that shortly thereafter he deserted and, having thereby become suspect, was apprehended after the lapse of three days during the night at the place of the said Lamprecht, and was further delivered into the hands of Justice; Now therefore, since such far-reaching wickedness and resulting murder cannot in any way be tolerated in a country where law and justice are properly maintained, but ought to be punished as an example and deterrent to other such evil-doers; So it is that the Honorable Worshipful Council of Justice aforesaid, sitting on this day, having emphatically read and reviewed the written claim and conclusion made and taken by the Landdrost of Swellendam, the Honorable Constant van Kult Onkruydt ex officio, against the prisoner, and having considered everything that was pertinent to the matter and could move their Honors, administering justice in the name and on behalf of the High and Mighty Lords States General of the United Netherlands, have condemned the prisoner Daniel Dikkop, as their Honors Worships condemn him by these presents: to be taken to the place where criminal sentences are customary executed here, then delivered to the executioner to be punished with the rope at the gallows until death follows; Furthermore, his dead body to be dragged to the outer place of execution and there hanged again, thus to remain until it shall be consumed by the air and birds of the sky; with condemnation of the prisoner in all the costs and misen of justice, and rejection of the further or otherwise made claim and taken conclusion of the Officer. Was subscribed: Thus done and sentenced at Cabo de Goede Hoop on the of the following month of February and executed on the same day. Was signed: J. I. Schenins, J. V. Echten, Joh:s Smuts, J. M. Horak, C. G. Maasdorp, G. H. Meijer, C. L. Neethling, J. C. Gre, C. Matthiessen, P. J. de Wet, J. M. Bletterman. Below: In my presence, signed: C. van Aerssen, Secretary. In the margin: H. J. van de Graaff. Let execution be done. Signed: van de Graaff Agrees. C. Van Aerssen
Dutch transcription
Alzo de Kottentot Daniel Cikkop oodnagissing 25 Jaaren thans 'S Heeren ged: vrywillig beleeven heeft eut den E: achtb: Raade van Justitie dezes gouvernements uit de verdere ter processe gefourneerde stukken evident gebleeken is. dat de ged: in huur zijnde geweest op een verplaat gelegen aan de trakke rivier en toebehorende den Landbouwer door de Wandelang genaamd kleine Hendrik van der wat, en aldaar bescheiden geweest met twee slaven van gem: van der Wat in naam damen van Bengalen en deszelvs twijf Catharina van Batavia voor nu Omtrend 11 maanden bij gelegenheid dat gep: damen nagewoonte na de woorplaakij van voorm: van der wat gegaan was, ten einde voor hun drien brood en Vleesch te halen en hij ged: gevolglijk zig aldaar alleen met gen:e Catrijn bevond als toen een ontwerp heeft gesmeed, om met haar Vleesch „lyk te Converseeren edog op de Weigering van die meid haar met een Stee verraderlyk op 't agterhoofd gekne „ten Vervolgens met de Vuijst op't aangezigt, voorhoofd en in den Nek geslagen heeft, en eijndelijk de gem: Meid daarzij reeds zieltogende ter aarde lag, een riem of spantou dat hij gee: ordinair om zijn lighaam draeg, en waarmede hij gewoonlijk de Kaeijen vastbond, wanneer hij dezelve wilde welken, om den hals gebonden en indiervoegent huijsje daarzijl: inwoonden rond gesleept heeft, tot dat zij den geest gegeven had„ dat de ged: nog eijndelijk wanneer de voorsz: meid dood was, haar eenige Krabbel en knesen met de nageld in't aangezigt gegeeven heeft, om daardoor den staaf damon bij deszelfs terug komst indien waar te brengen als of gem:e slavin door een tijger was dood gebeeten dat echter dezelve Slaas d'amon hier van Verslag aan zijn lifheer hebbende gedaan en gem: zijn lijfheer den Lamprechts heeft Verzogt van dat lijk oculaire inspectie te neemen, als wanneer bij de Schouwing gebleken is, dat voorn:. Meid verscheide worden op 'b agterhoofd slagen in't aangezigt en beter in de wang als mede een Striem striem om den hals daarde riem omgeweest was, gehad heeft zonder dat egter door dien veldwagtn:ds heeft kunnen worden ontdekt eene wond die op zig zelve genoomen volstrekt Oodelyk kon worden geconsidereerd, terwyl de ged: nog op de plaats gebleeven is, en van alles aanschouwd genoomen heeft, Voorwendende van de Moord niets te weeten Vermits hij int veld was geweest om 't Vee te hoeden. dat echter des gad Wroegende Conscientie hem geen uit gelasten heeft, alzo dezelve kort daarop op gedrost en hier door surpect geraakt zijnde, naa Verloop van drie dagen des nagts ter plaatze van gem: Lamprecht Opgevangen geworden, en voorts in handen van Justitie overgeleverd geworden is dan nademaal diergelyke verregaande kwaadaardigheid en daaruit gevolgde moord, in een land alwaar recht en gerechtigheid behoorlijk worden gehand hoofd geen„ zins kan worden geduld, maarten Spiegelen afschrik van andere zoort gelyke boordoenders behoord te worden gestraaft zo is 't dat den E: Achtb: Raad van Justitie voorm: ten dage dienende met nadruk geleezen en geresumeerd hebbende den schriftelyken Eysch en Conclusie door den Land droot van Zaiellendam den Deere Constant van Kult Onkruydt nomine officie, opende tegens den geve: gedaan en genoomen, mitsgs gelet op al 6 geene ter materie was dienende en hu EE: lechte konde doen moveeren Recht doende uit Naame ende van wegens de Hoog Mogende Heeren Staten Generaal der vereenigde Nederlanden den ged: da„ niel Dikkop hebben gecondemneerd, gelyk hun EE Achtb: dezelve Condemneeren mitsdezen Ommegebragt te worden ter Plaatze daarmen alhier gewoon is Crimi „niele Lententien te Executeeren, voorts aan den Scherpregter overgeleverd zijnde met de koorde aan de galg gestraft te worden dat erde dood na volgd, Wyders ing n wijders deszelvs doode ligenaam naa 't buyten gericht gesleept en aldaar weder opgehangen zynde, dus te ver„ blyven tot dat door de lucht en vogelen des kemels zal zijn verteerd met Condemnatie van den gevangen in alle de kosten en weten van Justitie, en ontzegging van den verderen of anders gedanen Eijsch en genomene Conclutie van den Officier /:onderstond:/ Aldus gedaan en gesentieerd aan Cabo de goed hoop den der daaraanvolgende Maand Februarij en geExecuteerd ten zelven dage /:was get:d/ J: I: Schenins J: V: Echten, Joh:s Smuts, J: M: Borak, C: G: Maardort G: H: Meijer, C: L: Neethling, J: C: Gre, C: Matthiessen P: J: dewet: J: M: Bletterman /lager:/ Mij Praesent /:getekend:/ C: van Aerssen Secretaris /:in margine H: J: van de Graaff: Fiat Executie /:get:/ kierck Accordeert. D Van Herssen egoed. en dorp
English
To the Right Honourable Gentlemen, both outgoing and incoming Presidents Pieter Hacker and Johannes Isaac Rhenius, together with the other Gentlemen Members of the Honourable Court of Justice of this Government. Shows with due respect Hendrik Lodewyk Bletterman, Landdrost of Stellenbosch and Drakensteyn, that the petitioner, having submitted to this Honourable Council on the 20th of April of this year a statement numbered with 15 annexes from letter A to P inclusive, and having thereby extensively demonstrated to Your Honours the crime of which the field cornet Andreas Willem van Taak had made himself guilty during the inspection of a certain dam situated between the citizens Jan Harmse Nieuwoudt and Coenraad Hendrik Tijt, consisting mainly in an order which he, in his capacity as field cornet, had given and granted to the citizens Pieter van Zyl the younger and Jan Steenkamp, namely, to proceed to the aforementioned dam equipped with loaded flintlocks alongside him, whither he had seen the aforementioned Coenraad Hendrik Tijt, his son Hendrik Albert Tijt, a certain Pieter Loen, and some blacks going, without him, Van Taak, being qualified to do so, and whereby the aforementioned citizens Van Zyl and Steenkamp had also participated; the petitioner, under respectful correction, considered that by granting such an unlimited order, and by the assistance and execution thereof, the public welfare would easily be exposed and risked to the consequences that could naturally result therefrom, as must have appeared to Your Honours from the firing of his bullet-loaded flintlock by the aforementioned Steenkamp at the citizen Hendrik Albert Tijt; wherefore the undersigned petitioner found himself obliged to initiate the necessary proceedings against the aforementioned field cornet Van Taak, together with the aforementioned citizens Van Zyl and Steenkamp, the more so because through such an institution of those proceedings the petitioner could also discover with greater certainty whether and to what extent the citizens Coenraad Hendrik and Hendrik Albert Tijt, as well as the former master gardener Pieter Loen, had made themselves guilty of any excess or offense concerning the aforementioned matter; as the petitioner then also, in his aforementioned statement, requested of Your Honours a writ of summons by missive whereby the said Van Taak, Van Zijl, and Steenkamp might be summoned against a certain day to be determined by Your Honours, to appear in person before Your Honours in order to hear such claim and conclusion, as well as request or requests, as the petitioner ex officio should deem advisable to make and take against them, to reply thereto, and further to proceed according to law; which statement and documents were held on the aforementioned 20th of April by Your Honours for circulation and advice; that Your Honours were subsequently pleased on the 13th of July following to grant by way of apostille on the petitioner's aforementioned statement: "The Council, in view of the concurrence of matters, grants the ex officio petitioner a summons in person upon both parties, namely, as well upon that of Coenraad Tijt as upon that of the field cornet Van Taak." And on the 23rd of August of this year, the Secretary of Your Honours' Council caused to be delivered to the petitioner a missive according to the contents of which the citizens Coenraad Hendrik and Hendrik Albert Tijt, as well as Schalk Willem Vorster and Barend Lubbe, together with the field cornet Andreas Willem van Taak, Jan Steenkamp, and Pieter van Zijl, were summoned in person, but whereto were attached two writs of summons by missive, the superscriptions of which were to the citizens Coenraad Hendrik Tijt, Schalk Willem Vorster, Barend Lubbe, and Pieter Loen, and to the field cornet Andreas Willem van Taak, the citizens Jan Steenkamp and Pieter van Zijl, son of Pieter, together with Jan Harmse Nieuwoudt, with orders to have the said summonses served upon the aforementioned persons as soon as possible in the customary manner; That consequently, both from the aforementioned disposition and from the two writs of summons by missive from Your Honours to the petitioner, it was most clearly evident that not only the field cornet Andreas Willem van Taak, the citizens Jan Steenkamp, Pieter van Zijl, Coenraad Hendrik Tijt, and Hendrik Albert Tijt, as well as the former master gardener Pieter Loen, but even also the citizens Schalk Willem Vorster, Barend Lubbe, and Jan Harmse Nieuwoudt were summoned to appear in person before Your Honours, in order to hear on the appointed day such claim and conclusion or request or requests as the petitioner ex officio should then deem advisable to make and take against them, to reply thereto, and further to proceed according to law; the petitioner naturally had to submit to the prompt dispatch of those two writs of summons by missive according to Your Honours' highly esteemed order sent to the petitioner as aforesaid, without considering himself authorized to meddle in the investigation of the reasons and motives which Your Honours might have had to cause the three last-mentioned, Vorster, Lubbe, and Nieuwoudt, to appear, however much he for his part believed that no one should be summoned in person unless on account of some excess or offense committed against the authority, placards of the country, or whatever else; that furthermore, pursuant to Your Honours' aforementioned highly esteemed writs of summons by missive, in two meetings all the aforementioned defendants appeared in person, except for the citizens Jan Harmse Nieuwoudt and Barend Lubbe, and all of them having been heard, except Schalk Willem Vorster (who only passed an affidavit), one as well as the other persisted for the greatest part in their denials, Gentlemen, except that the field cornet Andreas Willem van Taak was unable to deny that he never had any order, either for himself or to command the citizens Van Zijl and Steenkamp, to advance upon other of his fellow citizens with loaded weapons. That
Dutch transcription
Vertoond met schuldige Eerbeed Hendrik Lodewyk Bletterman Land drost van Stellenbosch en drakensteyn dat den Vertoonder op den 20 April dezes Jaars in deezen E: Achtb. rade Overgelazig hebbende een Versoog genumieert met 15 bylagen van L: A: tot Pirolaseerd en daarby aan Uart Achtt breedvoerig betoogt, de misdaad waar aan den veldwagt meester Andreas Willem van Taak bij 't bezegtigen van ze keren tusschen de biergeren Ian Barmss Nieuwoudt en Coenraad Hendrik Tyt liggend en dan, zig heeft schuldig gemaakt gehad, als bestaande hoofdzakelyk in een ordre die hy in zyn qualiteyt van Veldraagtmeester hoft gegeeven en verleend gehad aan de burgeren Pieter van Zyl z. en Ian Steenkamp, om namenlyk, nevens hem met geladen Snaphanen voorzien, zig na de voorsz: dam te begeeven, werwaards hy den voorsz: Coenraad Hendrik Tyt, deszelvs zoon Hendrik Ml „bert Tijt zekere Pieter Loen, en eenige zwarten had zien gaan zonder dat hij van saak daartoe gequalificeerd was, en waar door de Voorsz: burgeren van Zil in Steenkamp mede hadden mitdaan /. de Vertoonder /:Onder eerbiedige Corrac „tie:/ heeft vermeend gehad, dat door 't Verleenen vanderge lyke ongelimiteerde Ordre, en door de adsistentie en executie van dezelve, 't gemeene best ligtelyk zoude worden. bloot gesteld, en gerisqueerd aan de gevolgen, dewelke natuurlijk daariit zouden kunnen voortoldeijen, zo als aan UEd: Achtb: zulx zal gebleeken zyn, uit 't door Voorsz: Steenkamp gevaane lotschieten van zijn met een Kogel gehad enen snaphaan op den burger Hendrik allert Tit des de onderget: Vert: zig Verpligt vond De nodige Proceduurres te moeten entameeren Jeequus voorsz Veldwagtmeester van Saak met zy de voorsz burgeren van Zyl en Steenkamp te mas omdat door Aan de Wel Edele Achtbaare Leeren zo afgaande als aankomende Presiden „ten Pieter Hacker en Johannes Isaac Rhenius benevens de Verdre Heeren Lederuit den E: Achtb: Karde van Iustitie dezes Gouvernements 110 een dergelyk aanleg dier procedures den Vert: ook niet meer dere zekerheid zou kunnen ontdekken af en in hoe verre de burgeren Coenraad Hendrik en Hendrik Abert Fyt mitsgs den oudbaas tunier Pieter Loenzigter zaake voorsz: aan eenig exces af delict zouden hebben schuldig gemaakt, gelijk den Eert: dan ook bij zijn voorm Vertoog van UE: Acttb heeft verzogt mandement ' mis sive waarbij dezelve van Paak van zijl en steenkamp tegens zekere door Uwel Ed. Achtb: te bepalene dage mogte worden gedagvaard, om in Perzoon te Compareeren voor U8: Achtb: ten einde te aanhoren zodanigen Eesch en Conclu sie, mitsg:s Verzoek of Verzoeken als den Vert: R: O: te radd werde zoude Jegens henl: te doen en te neemen, daarop te antwoorden en voorts te procedeeren als naar rechten — welk vertoog en stukken op voorsz 20 April bi UEE: Achtb ter rondleezing en advis gehouden dat 't UwelEd: Achtb Vervolgens op den 13 July daaraan hebbende gelieven te behagen voor aportille op des vert voorsz: vertoog te verleenen „den Raad vermits de concurrentie van zaken verleend „den R: O: Vert: dagvaarding in perzoon op de beide par „tyen, namentlyk zo wel op die van Coenraad Tyt als ov die vanden Veldwagtmeester tansaak. En op den 23 Augustus dezes Jaars, door den Secretaris van UE: Achtb raade aanden Vert: doentoekomen eene missive volgens welkers inhoud de burgeren Coenraad Hentrik en Hendrik Albert Fyt, mitsgs Schalk Willem Veester en Barend Lubbe beneevens den veldwagt meester Andreas Willem van Taak, Ian Steenkamp en Pieter van Zijl in perzoon zijn gedagvaard, dog war bij gevoegd waren, twee mandamenten missive, waarvan de supperscriptien waren, aan die burgeren Coenraad Hendrik Fijt Schalk Willem Ooster, Barend Labbe en Pieter Loen, en aan den Veldwagtmeester Andreas Willem van Taak, de burgere Ian Steenkamp en Pieter van zijl Pietersz. metg Ian Harmso Nieuwoudt met last om dezelve dagvaardingen, op de voorsz perzonen ten spoedigsten moresolito te doen bestellen Dat - dat gevolglyk zo uit de voorsz: dispositie, als uit de beide mandamenten pr missive van Uw welEd: Achtb: aan den Vert: ten duidelyksten consteerende, dat niet alleen den veldwagtmeester Andreas Willem van Taak, de burgere Ian Sleenkamp Pieter van Zijl, Coenraad Hendrik Pyt en Hendrik albert Tijt, mitsgs den oud baas tuinier Pieter Loen, maar zelvs ook de burgeren schalk Willem Korster Barend Labbe en an Parinse Nieuwoudt gedagvaard zijn, in perzoon voor Uw welEd Achtb te verschynen, ten einde ten dage dienende te aanhoren zodanigen eisch en Conclusie dan wel verzoek of verzoeken, als den vert. R: O: als dante Raade werde zoude Jegens hunl: te doen en te neemen, daarop te antwoor den en voorts te Procedeeren als naar rechten, den verts zig natuurlyk aan de spoedige bezorging dier beide manda menten P missive volgens UwwelEd Achtb: bij voorsz aan hem vert: toegezondene zeer geEerde ordre heeft moeten submitteeren, zonder zig bevoegd genoeg te rekenen te mogen roeden in't onderzoek vande reden en motiven dewelke uw wel Ed Achtb: zoude hebben kunnen gehad om de drie laatstgem: Vorster, Lubbe en Nieuwoudt te doen Compareeren, hoe zees hij voor zig heeft gemeend niemand in perzoon te mogen worden gedagvaard ten zij ter zake van eenig exces afte delict tegens de overigheid Placcaats vanden Lande, afte was dies meer zij zoude zijn gepleegd. dat voorts ingevolge Uw welEd: Achtb voordz: zeer gelerde man damenten pr missive in tweee vergaderingen alle de voorsz ged in perzoon behalvende burgeren Jan Barmte Nieuwoudt en Daren Lubbe gecompareerd en dezelve alle except schalk Willem Vorster ( dewelke alleenlyk eene Verklaring heeft gepasseert / gehoord zynde, den een zo wel als den ander voor 6 grootste gedeelte bij de negative zijn blyven Derti Heeren except dat den veldwagtmeester Andreas Willem van saak niet heeft kunnen ontkennen, nooijt eenige ordre te hebben gehad, zo voor hem zelve als de burgeren van zijl en steenkamp, te Commandeeren om met geladen geween op andere zijner mede burgeren af te gaan. dot 8
English
that although the Exponent might with success proceed in the ordinary manner upon the documents pertaining to the aforementioned case against the aforementioned Field Sergeant van Sauk, Ian Steenkamp and Pieter van Zijl, the Exponent nevertheless considers that, whereas the burghers Schalk Willem Vorster, Barend Lubbe, and Jan Harmse Nieuwoudt have been summoned by letter by virtue of orders from Your Right Honourable Worships to appear in person as well, and have thereby become involved in the same proceedings, the continuation of these proceedings will be exposed to many objections and exceptions, and might consequently entail a prolonged aftermath. For which reason the Exponent has considered himself obliged to bring the matter under the eyes and attention of Your Right Honourable Worships, and to submit to the same, with due deference, whether it might please Your Right Honourable Worships to find it good, with respect to the Field Sergeant Andreas Willem van Saak—in that, without any orders and armed with a loaded gun, he conducted the investigation of a neighbors' dispute together with two of his fellow burghers—merely to summon him before this Honourable Worshipful Council and sharply reprimand him in this regard, with payment of the incurred costs, and that the further proceedings would thereby be suppressed; or whether Your Right Honourable Worships may be pleased to take such other or further disposition as in your prudence and enlightened knowledge in this matter shall be found good and deemed appropriate. Doing which, signed: P: L: Bletterman. In the margin: Exhibited in the Court of Justice at the Cape of Good Hope, the 29th of December 1786. Shows with due respect the undersigned Hendrik Lodewijk Bletterman, Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, that on Monday the 16th of January of this year, among various persons who also came to the Exponent, the burgher Hendrik Albert Tijt appeared. To the Right Honourable Worshipful Lord Pieter Hacker, President, together with the Honourable Worshipful Council of Justice of this Government. The same complained, on behalf of his father, the fellow burgher Coenraad Hendrik Tijt, that the burgher Jan Harmse Nieuwoudt, who resides at his homestead situated above that of his father, located on the Oliphants River, had dammed up the water, whereby his father came to suffer great shortage, so much so that even the vineyard and fruit orchard were almost entirely dried out. This despite the fact that in the past year, by the Exponent's predecessor, the late Honourable Daniel van Ryneveld, concerning the numerous complaints made at that time in this regard by his father and the disputes arisen therefrom between his father and the mentioned Nieuwoudt, a ruling had been rendered that they should clear the course of the water, and the mentioned Nieuwoudt would allow the same water to flow unimpeded to his father's homestead, which they had also agreed to comply with. Upon which complaints made, the Exponent, since on that same day many other persons also desired to speak with him, had a letter written by his substitute Christiaan Godhelp Rudolphij, the contents of which the Exponent had dictated, to the Field Sergeant Andreas Willem van Saak, and had it delivered to the mentioned Tijt. After which delivery the aforementioned Tijt asked the Exponent: what his father should do in case the aforementioned van Saak, being the brother-in-law of Nieuwoudt, failed to comply with the Exponent's order, and the shortage of water became too great? The Exponent answered him that he should then address himself to the Field Corporal residing nearest there, and through him, in the name of the Exponent, investigate the matter and act according to the findings; but in the absence thereof, if possible two, but at least one trustworthy witness should be had at his father's place to investigate whether the shortage of water was as great as he had stated, and finding it to be so, then in the presence and with such witnesses, in case the water was dammed up by the mentioned Nieuwoudt, he might pierce the dam where necessary, provided that he, Tijt, or his father should above all things take care to be able to produce sufficient proof of the matter to the Exponent.
Dutch transcription
dat of wel den Vert: met eene succes op de stukken ter voorsg zake behoorende Jegens den voorm: Veldwagtmeester van Sauk, Ian Steenkamp en Pieter van Zijl Ordinario mode zou kunnen Procedeeren zo vermeend den vert: egter, dat terwijl de burgeren schalk Willem vorster, Barend Lubbe, en Jan Harmse Nieuwoudt door afte van wegens UwwelEd: Achtb: mede en perzoon te Compareeren, bij missive gedagvaard, en daardoor in dezelve Procedures gemelteerd zijn geworden, 't Voortzetten dier procedures aan veele Objecten en exceptien zullen werden geexponeerd, en daardoor van eenen langen naslaep kunren zij„ Waarom den Vert: zeg verpligt heeft gerekend, 't een en ander te brengen onder t Oog henetrant van Uw Ed AAchtb: en aan dezelve /:onder geEerde welduijdinge in consideratie te geven, of Uw Ed achtb:rs ook zoude gelieven goed te vinden, den Veldwagtmeester Andreas Willem van Saak int hoofde dat buiten eenige Ordres zig met geladen geweer gewapend, met twee zijner medeburge ren 't onderzoek van buuren geschil heeft gedaan, alleenlyk in dezen E: Achtb: Raade te doen komen en hem derwegens scherpelijk te reprimendeeren, met betaaling der gevallen kosten, en dat daarmede de verdere procedures zouden werden gesupprimeerd, dan of Uw: E: Achtb: zodanige andere ofte nadere dispositie gelieven te neemen, als naa derzelve pra dentie en verligter kunde in dezen zullen goedvinden en oor deelen te behooren /:lager:/ 'T welk doende /getekend:/ P: L: Bletterman, /:in mergene:/ Exhibitan de Indicio aan Cado de goede Hoop den 29 december 1786. Vertoond met schuldige Eerbied den onderget: Hendrik Lolavij Bletteman Land drost van Stellenbotch en drakersten dat op Maandag den 16 Jann: dezes Jaars onderdivers perzoonen mede by de Vert: gekomen zijnde den burger Aan den Wel Edelen Achtbaren Heer Pieter Dacker Praesident beneve den E: Achtbaren Raad van Justita dezes Gouvernement Hendrik Hendrik Albert Tijt, denzelven uit naam van zyn vaderden mede burger Coenraad Hendrik Tijt klagtig was gevallen dat den burger Ian Barnse Nieuwont die op zijn woonplaats boden die van zijn vader woonagtig is, gelegen aande Oliphants rivier 't water kwam op te dammen, waardoor zijn vadergroot gebrek kwam te lyden, zodanig dat zelvs den wengaard en vrugten Boomgaard bijna te eenemaal was verdroagt, daar tog in den gepasseerd en Iaare, door des Verk: Ira decesseur wijlen d E: daniel van Ryneveld, over de toenmaals door zijn vader deswegens veelvuldige plagten en daardoor gerezene Verschillen tusschen zijn Vader en gem Nieuwent een uitspraak was gedaan dat zijl: den loop van 't waler zouden opruemen, en gem: Nieuw out 't zelve water onverhienderd nade plaats van zijn vader zou later lopen, 't geezijl: dan ook aangenoomen hadden te zullen nakomen, op welke gedaane Klagten den Vert. Vermits dienzelven dog nog veele andere — perzoonen hem begeerde te spreeken, door zijn substituit len Christiaan Godhelp Rudolphij een brief welkers p inhoud den verk had opgegeven aan den Veldwagtmeester Andreas Willem van Saak had laten schrijven en aan gem: Tijt doen afgeeven; na welke afgaave voorsz: Tijt den Verk: vraagde: wat of zijn vader ingwal voorm: van Iaak als zynde de zwager van Nieuwerit aan des Verk: Ordre niet kwam te voldoen, en't gebrek aan water te groot wier zoude doen, heeft den Vert: hem geantwoord, dat hij als dan zig aan den 't naast aldaar woonende veld Corporaal zoude addresseeren en over denzelven uit naam vanden vert: de zaak te onderzoeken en na bevinding te handelen, dog bij gebrek vandien zo moge lyk twee dog ten minsten een geloofwaardigd getuigen bij zijn vader laten onderzoek doen of 't gebrek aan water Zo groot e, als hij had opgegeven, en zulx dusdanig bevinden „de als dan ter presentie en met de zodanige getuigen inge „val 6 water door gem: Nieuwout opgedamd weerd, den dan alwaar 't nodig was doorsteken zoude, nits dat hij Tijt of zijn vader voor alle dingen zou hebben te zorgen, aan den Vert: van 't een en ander voldoende bewys te kunnen Produceeren. ter e -
English
That on the 29th of the aforesaid month of January aforesaid, Hendrik Albert Tijt, having again come to the narrator, had complained anew about the lack of water, adding that having delivered the letter from the narrator to the Field Sergeant van Taak, the latter had said that roguish deeds were involved in it; and because the lack of water had been great, his father Coenraad Hendrik Tijt had requested the Field Corporal Frans Lubbe to come with witnesses to his father's place and conduct an investigation into the matter, but that he had excused himself, saying that this was outside his district, and being able to get only one man he could also not involve himself in the matter; his father was then forced to request the burghers Schalk Willem Vorster and Barend Lubbe Andriesz to inspect the lack of water, and then, alongside the aforesaid Pieter Loen, to breach the dam near the said Nieuwout, as those same persons had also done, on which occasion the said Jan Steenkamp, who lives near the said Nieuwout, having approached the dam equipped with a flintlock, is said to have said that if he, Tijt, had come there without orders from the narrator, he would shoot him down like a crow; and since it appeared as if they had no intention of complying with the narrator's order on the part of the Field Sergeant, and his father and his family would thus have to perish from lack of water, he, Tijt, requested that the narrator would make other arrangements; that the narrator, in order to exercise all caution in this matter, and so that those who have any interest concerning the disputed water could not excuse themselves with any ignorance of the order given by the narrator, thought it fit, according to his modest judgment, to write the most appropriate letter regarding the aforesaid matter to the aforesaid Jan Harmse Nieuwout; that the narrator, subsequently having had to go on different commissions on the 8th of February following, having returned there on the 12th following, found lying at his dwelling a packet which, according to his slave, had already been delivered there three days before, which the narrator, having opened it, found to consist of a letter from the above-mentioned van Taak with an enclosed copy of a statement dated the 26th of January before that, which the narrator could not answer at that time since the opportunity was lacking, [illegible] having sent his aforesaid letter to the said Nieuwout; that subsequently the narrator, having had to travel hither, and having returned to Stellenbosch on the evening of the 26th of the aforesaid month of February, that same evening had to learn to his utter astonishment from the substitute Christiaan Godhelp Rudolphij that the aforesaid Hendrik Albert Tijt with the said Loen and another Hottentot had already arrived on Sunday the 19th aforesaid to report a certain case to the narrator, which persons, having come to the narrator the following day or the 22nd, had given notice: that they, together with the father of the aforesaid Tijt, with two more Hottentots and two slaves, because the lack of water was too great, having gone to the dam, upon approaching it had unexpectedly discovered four persons, all equipped with flintlocks, who were recognized by them to be the aforesaid Field Sergeant van Taak, the burghers Pieter van Zyl P: and Jan Steenkamp, as well as a Bastard Hottentot named David; that the aforementioned Coenraad Tijt, before he, Tijt, had breached the dam, having asked the said van Taak why he, van Taak, with the other people, had come there with firearms just as if he, Tijt, were a murderer, the latter had answered: to keep such rascals away; to which he, Tijt, is said to have replied: why he, van Taak, did not observe the orders of the narrator and dared to call him, Tijt, an old scoundrel; which van Taak denying, the dispute between them had escalated so far that van Taak had threatened the aforesaid Hendrik Tijt with the flintlock held reversed in his hands, to bash in his skull, whereupon the said Hendrik Tijt delivered such a blow to the aforesaid van Taak with the flat of his right hand that the latter fell to the ground, and he, Tijt, subsequently disarmed van Taak of the weapon; that van Zijl, seeing this, having cocked the hammer and leveled the weapon, is said to have jumped toward him, Tijt, asking, what do you want; while the aforementioned Pieter Loen, having become afraid, [illegible]
Dutch transcription
dat op den 29 der voorsz: M aan Ianuury voorsz Tendr Albert Sijt wederom bij den vert: gekomen zynde op nieuws over 't gebrek aan water had geklaagd, met bijvoeging dat hi den brief van den Vert: aan den Veldwagtmeester van Iaak hebbende overgeleverd, denzelven gezegd had, dat er schelm stukken mede onigingen, en om dat 't gebrek aan water groot geweest zynde, zijn vader Coenraad Hendrik Teijt den Veld Corporaal Frans lubbe verzogt had met getuigen op zyn vaders plaats te komen, en van 't een en ander onderzoek te doen, dog dat denzelven zig had verontschuldigd, met dat zulx buiten zijn distrect was, en maar een man konde krijgen zig met de zaak ook niet te kunnen onlaaten zijn vader als toen genoodzaakt was geweest de burgers Schalk Willem Vorster en Barend Lubbe andriesz: te verzoeken, om van 6 ge„ „brek aan water bezigtiging te neemen, en dan nevens voorse Pieter Loen dendam bij gem: Nieuwont door te steken, zoaa dezelve Perzoonen darook hadden gedaan bij welke gelegenheid eerd Jan Steenkam die bij gem: Niauwout woonagtig is, met een snaphaan voorsien, dendam genaderd zynde gezegd zou hebben ingeval hij Tijt aldaar zonder ordre van der vert: gekomen was, /in Then ligten zou als en Kraay- En Vermits van Schee als of men in geenen deele des vert: ordre aan den kant van den Veldwagtin„ wilde voldoen, en zijn vaderdus met de zynen door gebrek aan water zou moeten vergaan verzogt hij Tijt dat den vert: eene ge andere schikkingen wilde bepaalen. dat den vert: om en deze alle voorzegtigheid te gebruiken, en op dat die geen die ontrend Equestieuse water eenig belang heb „bende zig met geen onweetenheid der door den vert: gegevene ordre zouden kunnen verontschuldigen, heeft goedgedagt om na zijn gering oordeel gene ter voorsg: zake best geposte lettr aan voorsz Jan Bannse Nieuwolt te schriven. dat den Vert: Vervolgens op den 8 Februarij daar aan zig in differente Commissien hebbende moeten begeeven den 12 daar aan gereverteerd zijnde; aan zyn wooning heeft vinden leggen een Pagret het welk volgens zeggen van zijn slao reeds drie dagen bevoorens aldaar was bezorgd 't welk den verk: geopend hebbende, bevonden had te bestaan in een brief van bovengem: van Taak met eene bygevoegde Copia verklaring de dato 26 Ian: daar bevorens 't geen den vert: als toen vermits de gelegenheid ontbraken, vrulas „ Coken schin zijne voorsz: lettre aan gem Nieuwwout afgezonden heb bende niet heeft kunnen beantwoorden. dat vervolgens den vert: na herwaards zig hebbende moetan begeeven en op den 26 der voorsz: Maand February des avonds op stellenbosch terug gekomen zynde nog dienzelve en avond van den substitut Christiaan Godhelp Rudelphij tot zijn uiterste verwordering heeft moeten verneemen, dat voorsz Hendrik albert Tijt met gem: Lden en nog een kotten tot reeds zon. „dag of den 19 voorm: waren aangekomen, om den Vert: van zeker geval rapport te doen, welke Perzoonen, daags daar „aan of den 22 bij den vert: gekomen zynde kennisse had gege „ven: dat zil: nevens den vader van voorsz Sijt met nog twee Hottentosten en twee slaven vermits '6 gebrek aanwater te groot was, zig na den dam hebbende begeeven bij 't uaderen van denzelven op t onvoorziens hadden ontdekt vier Perzoo „nen alle met snaphanen voorzien, dewelke door hun E: waren verkend te zijn voorsz: Veldwagtmn: van Taak, die burgeren Pieter van Zyl R: en Jan Steenkamp, mitsgeen bosterd hosten tot met naame david. dat voorm: Coenraad Tijt voor dat hij Tijt den dam had door gestooken, aan gem: van Paak gevraagd hebbende: waarom hij van saak met de overige wenschen, aldaar niet geweeren waren geko„ „men even als of hij Tyt een moordenaar was 't derselven gean „twoord had: om zou weg te boeven, op t welk hij Tyt zou hebben hervat: waarom hij van zaak des vert: ordres niet observeer „de en hem Tyt voor een oude Schelm duafde schelden, 't geen van Taak negeerende, de twist tusschen hunt zo veere was gereezen dat van saak voorsz Hendrik Tijt met de verkeerd in handen hebbende snaphaan gedreegd had, dd hardepan te zullen inslaan, als wanneer gem Hendrik Pijt voorsz: van Taak met 1 vlak zijner rechterhand een dusdanigen slag had toegebragt, dat denzelven ter aarde gevallen zynde hy Tyt van saak vervolgens 't geweer had ontveldigd, dat vanzijl zulx ziende den haan overgehaald en't geweer gevald hebbende, na hem Tyt zou zijn toegesprongen niet te vragen, wat zeel gij. terwijl voorm Pieter Loen bevreesd geworden zynde geme. endre gen als aa eene een en g het met 1 - 4 Ade ula
English
the said van Zijl had attempted with a walking stick to strike up the lowered gun, but that he had thereby struck the said van Zijl on the mouth, so that the same had fallen backward with his head on the rocks, wherefore he, Loen, had then also wrenched the gun from the aforesaid van Zijl, after which the just-mentioned van Zijl was said to have drawn a knife and pursued them all, which being discovered by the aforesaid Coenraad Fijt, the same had called to the people he had with him to seize the said van Zijl from behind and wrench away the knife, as the people then had also done, while the aforesaid Hendrik Fijt as well as the aforesaid Loen maintained that the aforesaid van Zijl and van Jaarsveld were intoxicated. That in the meantime the aforesaid Jan Steenkamp, having thereupon retired a little, was said to have shot at Hendrik Fijt with a bullet, but instead of hitting him, Fijt, had shot the kierie out of the hand of the Hottentot Jannis. That three days thereafter, or on the 26th of February aforesaid, there was sent by the Field Cornet Abraham de Villiers to the presenter an open cartabel from the frequently mentioned van Jaarsveld, dated 13 February aforesaid, addressed to the burgher Matthys de Kok to be sent as quickly as possible to the Field Cornet Jannis Smit, and so on from Field Cornet to Field Cornets and finally to the presenter, containing that he, van Jaarsveld, besides the frequently mentioned van Zijl, having been severely injured by Coenraad Fijt and his slaves, requested help. That on the 27th of the just-mentioned month of February, there was also sent to the undersigned by the pro interim Fiscal, the Honorable Gabriel Exter, a missive dated the 23rd before that, to which was attached a petition dated the 16th aforesaid, and thus three days after he, van Jaarsveld, had dispatched his letter to the presenter, written by the said van Jaarsveld and van Zijl to the said pro interim Fiscal, to take up their case, strengthened with two declarations furnished by both complainants, van Jaarsveld and van Zijl themselves, the declaration of van Jaarsveld containing in substance: that he and the aforesaid van Zijl, having been requested by the burgher Jan Harmse Nieuwwout to ride to his place to assist him against all violence, that he and van Zijl, wanting to effect this on the 12th of February, having been surprised by treachery by Coenraad Fijt, Hendrik Fijt, and 12 blacks, it was asked of him by Fijt what he was coming to do there, to which he had answered, to set the water, according to the received order, and that thereupon Hendrik Fijt and the rest of his gang had beaten them with murder clubs and taken his gun, while the aforesaid Pieter van Zeijl posited in his declaration that he, together with Jan Steenkamp and two bastard Hottentots, having been commanded with his slaves by the Field Cornet van Jaarsveld to give him assistance if necessity required it, he, van Zeijl, immediately followed thereupon, that when van Jaarsveld was laid down there, Hendrik Fijt had asked him what business he had with the water, that he had answered thereto that van Jaarsveld had taken him along to see whether he, van Jaarsveld, had set the water properly, the aforesaid Fijt had replied to him, well do you listen to him, touching him, van Zeijl, at the same time, that he, van Zijl, had then thrown Fijt to the ground, and was thereupon treated by Fijt just as van Jaarsveld, and his gun was taken from him. That further on the 13th of the past month of March, at three o'clock in the afternoon, having come here to the presenter, the frequently mentioned Field Cornet Andries Willem van Jaarsveld and the burgher Jan Steenkamp, the same van Jaarsveld had complained how he and Jan Steenkamp as well as Pieter van Zijl had been mistreated by Coenraad Fijt, his son Hendrik Fijt, and Pieter Loen, as well as some Hottentots and slaves, that even the aforesaid Pieter van Zijl was still lying severely ill in bed, yes even possibly might already have passed away. Upon which complaint the presenter, having asked him, van Jaarsveld, whether he had received the presenter's letter of the 16th of January, and had read that of the 29th following to Jan Harmse Nieuwwout, the same answered yes; further being asked by the presenter why he on the 13th of February had sent to the presenter an open paper containing the very same aforesaid complaint, and on the 16th thereafter had addressed himself to the pro interim Fiscal with the same complaint with two declarations attached, and now again to
Dutch transcription
gene vanzijl met een wandels lik gepoogd had 't gevelde geweer om hoog te slaan, dog dat hij denzelven van zijl daar door op de mond had getroffen, zodanig dat denzelven. agterover met zijn hoofd op de klippen was gevallen, zulx hij loen als toen voorsz: van zijl mede 't geweer had Ontweldigd, waarna eevengem: vanzyl een meszou hebben getrokken, en hunl: alle vervolgt, 't geen door voorsz: Coenraa Tit ontdekt zijnde, denzelven zijn bij zig hebbend volk had toegeroepen, gem: vanzijl van agteren te grijpen en 't mes te ontweldigen, zo als 't volk dan ook gedaan had, terwijl voorsz: Hendrik Fijt zo wel als voorsz Loen behergde, dat voorm: van Saaken van zijl beschonken waren geweest. dat intusschen voorm: Jan Steenkamp daarop zig een weinig geritireerd hebbende, na hen Hendrik Pyt met een kogel Zou hebben geschooten, dog in steede van hem Tyt te tresfen, de kirrij van den hottenoot Jannis uit de hand had geschooten. dat drie dagen daarna ofte op den 26 Februarij voorsz: door den Veldwagtm: abraham de Villiers aan den vertoonder toegezonden zynde een open Cartabel van dikwijls gem: van Iaak de dato 13 Febru: voorsz: gerigt aan den burger Matthys de Kok om ten spoedigsten aan den Veldwagten Tannis Smit gezonden te worden, en zo vervolgens van veldwagtin tot Veldwagtm:s en eindelijk aanden vert:, behelzende dat hij van Paak nevens meergem: vanzijl door Coenraad Pit en zijne slaven zwaar gekwetst zijnde om heelt verzogt. dat den 27 der eevengem: maand Febr: ook door den pro interim fiscaal d' E: gabriel Exter aan den onderget: toegezon „den zijnde eene missive van dato 23 daarbevoorens, waarbij gevoegd Een verzoek Schrift de dato 16 voorsz: en dus drie dagen na dat hij van saak zijne letteren aan den verk: heeft afgezonden gehad, van gem: van Paak en van zijl aan gem. pwo interint fiscaal geschreven, om hun zaak aan te neemen, gesterkt met 2 verklaringen B door de beide klagers van zaak en van zijl zelve verleend, beheezende de verklaring van van saak in substantie: dat hij en voorsz: van zijl door den burger Jan Barnse Nieuwout verzogt zinde na deszelvse plaats te rijden, om hem tegen alle geweld bystand te doen, dat hij en van zijl, daarop den 12 12 febr zulx willende bewerkstelligen, van Coenraad Fit Hendrik Syt, en 12 zwarte met verraad verrast zynde, hem door syt afgevraagd geworden was: wat of hy daar kwamd den 't hy geantwoord had, om het water te zetten, na de ontvangere Ordre, en dat daarop Hendrik Tijt en verdere zyne bende met D moordknuppels hun geslagen en zijn gewees ontromen had, terwijl voorsz: Pieter van Zeijl bij zijne verklaring po„ „seerd, dat hij nevens Jan Steenkamp en twee bastaard hot „tentosten met sij deslaven gecommandeerd zinde door der veldwagtm: van Saak om hem als de nood 't vereijsch „te bijstand te doen latende hij van zeijl daarop terhond volgen, dat toen van Saak aldaar nedergelegd was Hendrik Tijt hem gevraagd had; wat af hij met 't water te doen had, dat hij daarop geantwoord: hebbende: dat hem van„ saak mede genomen had, om te zien of hij van zaak 't water wel gezet had, voorm: Tyt hem gerepliceerd had, wel huysterd gij naa hem tastende hem zeyl ter gelyker tijd aan, dat hy van zijl als toen zyt op de grond had geworpen, en daarop van Sijt eevenzo gehandeld als van Taak, en zijn geweer ontnomen was. dat wyders den 13 der gepasseerde Maand Maarts na„ „demiddags om drie uuren van hier bij den verk: gekomen zijnde, den meergem: Veldwagtmr: Andries Willem van zaak en den burger Jan Steerkamp, dezelve van saak had geklaagt hoedanig hij en Jan Steenkamp mitsgs Pieter van Zijl door Coenraad Tijt zijn zoon Hendrik Fyt en Pieter Loen mitsgs eenige kottentotten en slaven was mishandeld dat zelvs voorsz Pieter van Zyl als nog zwaarziek te bedde lag, Jazelos mogelyk reeds overleden zou zyn, Op welke klagte den vert: hem van saak afge„ „vraagt hebbende, of hi des vert: lettre van den 16 Jan: ontvangen, en die van den 29 daaraanvolgende aan Jan Harnisd Nieuwout had geleezen, antwoorde denzelven van Ja: verder door den Eert: gevraagd zynde, waarom hy den 13 febr: aan den vert: een open Papier behelzende dezelve voorsz: klagte en den 16 daaraan aanden pro interim Fiscaal zig met dezelve klagte met bijgevoegde twee ver„ klaringen had geaddresseerd, en zig thans wederom aan dat gel n or Matthys pro on
English
had applied to the said Pro Interim Fiscal at the Cape, he testified that he had only signed both the declaration and the letter of complaint without knowing the exact contents thereof, and that he had addressed himself to the Pro Interim Fiscal in order, if possible, to obtain swifter assistance, the Honorable one confronting him, Van Taak, on the matter: why he had addressed the Honorable one on 2 February and on the 16th thereafter, and thus only three days later, to the said Pro Interim Fiscal, the same stated that he did not know the exact contents of that letter of complaint because he was still abed at the time, and had had both matters written by someone else. That the Narrator further asking him who had given him orders, with a loaded musket, not only for himself, but even to commandeer two other burghers to go in such a manner to inspect a dam, where he was expecting his fellow burghers and fellow human beings, he, Van Taak, answered that he had had no orders for this, but was accustomed to take a musket along whenever he went hunting, and that he had indeed commandeered the two burghers Van Zyl and Steenkamp to go along, but not to take their firearms along, upon which answer of the aforesaid Van Taak the Narrator sent him out of the room and let the aforementioned Jan Steenkamp, who was in the front hall, come inside, and the same being asked by the Narrator who had given him orders to march with a loaded firearm against Christians who were not guilty of murder or manslaughter, and even to shoot at the same, he, Steenkamp, said that Van Taak had commanded him to do so, and that while Coenraad Tijt, Hendrik Tijt, Pieter Loen, and their people had so mistreated Van Taak and Van Zijl, and Hendrik Tijt had leveled his musket at him, Steenkamp, he had discharged his musket at the same, though had not hit him, although the aforementioned Tijt had lain on the earth pale with fright for a full quarter of an hour. That the Narrator, having immediately thereupon also called Van Taak into the room, said to him: well, Van Taak, Steenkamp says that you commanded him and Van Zijl to go inspect the water while taking along their muskets, while the said Steenkamp immediately broke in, substantially saying to Van Taak: why, you told me and Van Zijl that we should go along, and that we had to take our muskets along, to which the frequently mentioned Van Taak said: yes, that happened because so many were arriving; whereupon the Honorable one immediately had Van Taak informed by the messenger that he was provisionally dismissed from his post, and made him hand over his instructions on the 25th of the past month of March. That finally, having come to the Narrator, the frequently mentioned Pieter van Zyl, lodging his complaint that he and Jan Steenkamp, having been commanded by the field-guard Van Taak to go and look at a dam made by the said Van Taak, they had done so, and that on that occasion the aforesaid Hendrik Tijt had asked him what he came to do there, and he having answered thereto that he had been commanded by the field-guard, the aforementioned Tijt had snapped at him: do you listen to such a one, simultaneously seizing him, while another in the meantime had taken his musket from him, he had thereupon attacked the said Tijt, whereupon he, Van Zyl, had fallen upon Tijt and in this manner both of them had fallen to the earth; that he, Van Zyl, was subsequently attacked from behind and beaten in such a manner that he sustained wounds on his head and lost a tooth from the front of his mouth, requesting satisfaction from the Narrator, upon which the Narrator, having asked him, Van Zyl: who had ordered him to march with a loaded firearm against both the aforesaid Tijts, they being his fellow burghers and Christians, and whether he himself did not know better, that such a thing might never be done except against vagrants and vagabonds who had at the same time made themselves guilty of robbery, theft, murder, or manslaughter, and even then not without the court having granted an express decree for it, he answered that Van Taak had said that he, Van Zyl, and Steenkamp had to take their muskets along. The undersigned Honorable one now considers he may reasonably trust that your Honors, from all the above-standing, as set down conformable to the truth and these annexed documents sub letters A to F inclusive, will be fully convinced that the first and principal cause of the entire case—which, if on the side of both the Tijts one had similarly and in such manner armed oneself and had refused to give place to sound reason, could have been of the saddest consequences—can be attributed to no one else than to the field-guard Andreas Willem van Taak, who, not only by his own authority, could have seen fit to march with a loaded firearm upon the aforesaid Tijts, they being his fellow burghers and Christians.
Dutch transcription
aan de Caab bij gem proenteren Fircaal vervoegd had, betuijgde hij beide en verklaring en beklagschrift alleenlyk geteekend te hebben, zonder den positiven inhoud daarvan te weeten, en zig aanden pro interinsfiscaal te hebben geaddresseerd, om zo mogelijk spoediger hulp te verkrijgen, den Eert: hem van saak daaroe te gemoed voerende: waarom hij dan den 2 Febr: aan den Eert en den 16 daar aan en dus maar drie dagen laten aan gem Pro interim Fiscaal had geaddresseerd, verhaalde denzelven tzegge van niet denpositiven inhoud van dat beklagschrift te wolen wart als toen nog te bedde gelegen, en't een en ander door een ander te hebben laten schrijven. dat den vert: hem verders vragende wir of hem ordre had gegeven met gelaaden snaphaan niet alleen voor zig, maar zelvs nog twee anderen burgeren te Commandeeren om dasdanig ter bezigtiging van een cam, alwaar hy zijn mede burgeren en eevenmensch ver wagtend was op af te gaan antwoordde hij van Taak daartoe geen ordre te hebben gehad, maar wel meer een snaphaan mede te neemen, wanneer hy op de Jagt ging, en de beide burgeren van zil en steenkamp wel gecommandeerd te hebben om mede te gaan, dog niet om hunne geweeren mede te neemen, op welk Antwoord van eevengem: van Taak den Vert: hem buitende Kamer en voorm:e Jan Steenkamp die zig int voorhuys bevond liet binnen komen, en denzelven door den Vert: gevraagd Zijnde, wie of hem ordre had gegeven op Christenen die zeg aan geen moord af doodslag hadden schuldig gemaakt met gelaaden geweer af te gaan, en zelvs op dezelve te schieten zeide hy steenkamp van Paak hem daartoe zodanig gecommandeert te hebben, en dat terwijl Coenraad Tijt, Hendrik Tijt Pieter Loen en hun volk van saak en van zijl zo mithandeld hadden en Hendrik Fyt, op hem steenkamp met de Snaphaan aangelegd had, hij op denzelven zijn snaphaan losgetrokken dog niet geraakt had, afschoon voorm:e Tijt van Schrik ver bleekt wel een quartier huer op de aarde had geleegen. dat den vert: terstond daarop van saak mede inde kamer geroepen hebbende tot hem heeft gezegt: wel van saak Steenkamp zegt, dat gij hem en van zijl hebt gecommandeerd om met mede neeming hunner snaphanen 't water te gaan bezigtigen, terwijl gem Steenkamp terstond daaro inviel met substantueel aan van saak te zeggen, wel voor Jij hebt mij en van zijl gezegt, dat wij mede gaan, en onze snap haren moeste mede nemen, op 't welk dikwijls gem: van Saak zeide, Ja dat is geschied om dat er zo veele aanqaamen hebbende den Eert: hem van Taak terstond daarop door den den bode laaten aanzeggen dat hij Provisioneel van zyn post ontslagenis, en hem zyne instructie Op den 25 der gepasseerde maand Maart doen afgeven dat Eyndelyk bij den vert gekomen zynde meer gem Pieter van zyl doende zyn beklag, dat hy en Jan Seenkamp door den veldwagten van saak gecommandeerd zynde, om naa een doorgem van saak gemaakten dam te gaan zien, zyl zul gedaan hadden, en dat bij die gelegenheid voorsz Hendrik Sit hem gevraagd hebbende; wat hij daar kwam doen en hy daarop geantwoord hebbende; door den Veldwagtn: gecom mandeert te zijn, eevengem: Tyt hem toegevoegd had; suysterd gy naa zo een, teffens hem aangegreepen, terwijl een ander in „tusschen zijn snaphaan hem ontnomen had, hij als toen vor denzelven Tyt had aangetast, wanneer hy van zyl op zyt en dusdanig zil: beide op de aarde gevallen waren dat hij van zijl, vervolgens van agteren geattacqueerd, en zodanig geslagen was, dat hy gaaten op zijn hoofd bekomen, en een tund voor uit zijn mond verloren had, verzoekende aan den vert: on satissactie, op 't welk den vers: hem van zijl hebbende gevraagd: wie of hem gelast had, op de beide voore Zijts als zynde zijne mede burgeren en Christenen met geladen geweer af te gaan, en of hyj zelvs niet beter wist dat zulx nooyt geschieden mogte als op landloopers en vagabonden die zig teffens aan roven, steelen, moord of doodslag hebben schuldog gemaakt, en wel nog niet eens, zonder dat den rechte daartoe een Expresse decreet zou hebben verleand Antwoorde hij dat van Saak gezegt had, dat hij van zyl en steenkomp hunne snaphanar moeste medeneemen. — de Onderget: Eert: vermeend als nu met reden te mogen vertrouwen, dat uw wel Ed: Achtb: uit alt vooren staande, als Conform de waarheid ende deze geannexeer de documenten Sub L: A: tot PinclutioE: ter neder gesteld, ten vollen overtuigd zullen zijn, dat de eerste en voornaam „ste oorzaak van't geheel geval, 't welk ingeval men aanden kant der beide Tijts zigeeven en indiervoegen gewapend en geen gezonde reden plaats had willen geven, vande aller droe „vigtte gevolgen had kunnen zin, aan niemand anders kan worden toegeschreven, als aan den Veldwagtm: Andreas Willem van Zaak die niet alleen uit eigener authoriteyt voorzien zelve heeft kunnen goedvinden met geladen geweer Op de voorsz: Tijts als zynde zijne medeburgeren en Christenen -
English
to assault Christians, but even to command two other burghers, Jan Steenkamp and Pieter van Zijl, to that end, the first-mentioned of whom also discharged his loaded flintlock at the burgher Hendrik Albert Fyt, and the latter of whom, after his gun had been wrested away, drew his sword and fought both Fyts and it then went off, and both of whom, Steenkamp as well as van Zijl, without the aforesaid van Taak having properly identified himself to them as being qualified for any such order, ought never on such an informal basis to have obeyed and carried into execution such an order as van Taak had given them; that by the issuing of such unauthorized orders, and by the assistance and execution thereof, the public welfare would soon be exposed to the malice and fury of certain willful persons; and that those who have made themselves guilty thereof as disturbers of the public peace and violators of law and liberty ought to be punished; the applicant also finds himself obliged, for the continuation of these proceedings, to request the necessary authorization from Your Honorable Worships. Wherefore the applicant, in his official capacity, takes the liberty of turning to Your Honorable Worships, requesting that Your Honorable Worships, in view of the great remoteness of the residences of the aforesaid persons, may be pleased to grant him, the applicant, a summons by missive whereby the said aforementioned Field-Cornet Andreas Willem van Taak, together with the burghers Jan Steenkamp and Pieter van Zijl Pietersz, are summoned against a certain day to be determined, to appear in person before this Honorable Council in order to hear such criminal claim and request or requests as the applicant shall see fit to make and take against them, to answer thereto, and further to proceed according to law. Which doing, signed: J. V. Bletkermer. In the margin: surrendered to the Council of Justice at the Cape of Good Hope, the 20th of April 1786. To the Field-Cornet Andries Willem van Taak Good Friend. The burgher Coenraad Fyt having made known to the Honorable Landdrost that in the past year a ruling was made in the presence of both parties by the late Landdrost Ryneveld between him, Fyt, and the fellow burgher Jan Harmse Nieuwout, namely that both should be bound to clear the river, and that he, Nieuwout, must let the water flow unimpeded, under penalty that whoever should happen to be negligent in this regard would have the loan farm he holds from the Honorable Company revoked; and whereas the said Fyt now complains that the said Nieuwout does not conduct himself according to the order; you are hereby ordered in the name of the said Landdrost to investigate the complaints of the said Fyt with two witnesses, and having found it to be so, to order the said Nieuwout in His Honor's name to clear the river as far as pertains to him, and immediately to let the water flow unimpeded to the place of him, Fyt, and at the same time to notify him that if he remains negligent in this, His Honor will be obliged to revoke his loan farm, and you must make a proper report of this to the said Landdrost, with which, etc. Signed: C. G. Rudolphij, Substitute Landdrost. In the margin: Stellenbosch, the 16th of January 1786. We, the undersigned, declare in truth that Mr. Coenraad H. Feijt requested us to ride along as witnesses to Jan Harmse Nieuwout to open the water, since Feijt suffers great distress and his vineyard and orchard are almost dead from drought, and the grapes on the vine are dried up like raisins. Thereupon we rode with the son of Feijt to Nieuwout, and when we approached the water where it had to be opened, there arrived one Jan Steenkamp with a gun, who resides with Nieuwout, and a boy with him who also had a club. When he came to us, he asked whether we did not have orders, otherwise he would shoot us down like a crow. Feijt had to have the water because there was great need, and Feijt well knew the order, but the field-cornet does not care about it; he even dares to say that rogue's tricks are being played with the letter of the Landdrost, the 24th of January 1786. Signed: P. W. Vorster, Barend Fredrik Lubbe, Pieter Louw. To the burgher Jan Harmse Nieuwoud Having seen from a declaration by three burghers how you act very unreasonably and inhumanly toward your fellow man, inasmuch as you have already received orders beforehand to let the water run unimpeded to the neighbor Coenraad Feijt, yet you did not hesitate to let one Jan Steenkamp threaten with a gun to shoot dead the people who would open the dam, you are hereby expressly ordered immediately upon receipt hereof to open the dam there where it is necessary, and to notify the said Jan Steenkamp that he is pardoned for this time, but
Dutch transcription
Christenen aftegaan, maar zelvs daar toe nog twee andere burge ren Jan Steenkamp en Pieter van Zijl tes Commanderen, welk Eerstgem: dan ook zijn geladen snaphaan op den barger Den drik Albert Fyt heeft los getrokken en welk laatstgem naa dat zijn geweer ontweldigd was 't wes getrokken en ve de beide Tits en toen is afgegaan, en welk beide zo wel steen kamp als van zijl zonder dat voorsz: van Taak tot eenig dier „gelijke ordre gequalificeert te zijn, zig behoorlijk bij hun had gelegitimeerd, nimmer op een dergelijk en lossenvoet hadden behooren op te volgen, en ter executie te brengen een der gelyke ordre als van saak hun had gegeeven dat door 't Verleenen van dergelyke ongeletimeerde Ordre, en door de adsistentie en executie van dezelve spoedig t gemeene best zou worden blootgesteld aan de Rwaadaahtigheid en woerdheid van Zommige moedwillige menschen; en dat de zulke die zig daaraan hebben schuldig gemaakt als stoorden der gemeene ruste en scheuders van 't recht en vryheid behooren te worden gestraft; de vert: tot 't voortzetten van dezelve Procedures zig ook verpligt vind van Uw WelEd: Achtb:r de nodige qualificatie te moeten verzoeken. Mits welken de Vert: R: O: de Vrijheid neemd hem tekeren tot Uw welEd Achtb: Verzoekende, dat Uw Wel Ed: Achtb: vermits de verre afgelegenheid der woonplaatsen van voorm: Perzoonen aan hem A: O: Verk: gelieve te verleenen mandement Pr missive waarbij dezelve meerw: Veldwagtm: Andreas Willem van saak, mitsgs de burgeren Jan Steenkamp en Pieter van Zijl Pietersz tegen zekere te bepalene Dage worden gedagvaart, omme in Perzoon te Com pareeren voor dezen E: Achtb:r Raade ten einde te aanhoren zodanigen Criminelen Eisch mitsgs Verzoek of verzoeke, als de t O:Verk: te rade werden zal jegens hunl: te doen en te nemen daarop te antwoorden en Voorts te procederen als naar rachten /:lage 'T welk doende: /getekend:/ J: V: Bletkerinen /:in margine:/ overgeven ts Rade van Justitie aan Cato de goede Hoor den 20 ap 1786. Aan Aan den Veldwagtmeester Andries Willem van Taak Goede Vriend. de burger Coenraad Syt aan den E. Heer Landdrost te kennen gegeven hebbende, dat in gepasseerden Jaare door wijlen den Heere Land Arost Ry „neveld tusschen hem Vijt enden mede burger Jan harmse Nieuwoat in beider Presentie een uitspraak was gedaan dat namentlijk beide zoude gehouden Zyn de rivier op te ruimen, en dat hy Nieuwout 't water onverhinderd moet laten loopen, bij verbeurte dat den geenen welke hierin nalate zoude komen te zin, de plaats welke hij van de E: Comp in leening had, zoude werden ingetrokken: terwijl nu geme: Tijt klaagt dat gem:e Nieuwout zig aan de Ordre niet kwam te gedragen; werd UE: uit naam van welgem: Heer Landdrost gelast de klagten van meergem: fyt met twee getuigen te onderzoeken en aldus bevonden hebbende, denzelven Nieuwaat uit naam van zijn E: te Ordon „neeren, de rivier zo verre het hem toekomt Op te ruimen, en terstond het water„ onverhinderd naade plaats van hem Sijt te laten loopen, en hem teffen aantezeggen dat wanneer hij hierin nalatig kwam te blijven, welgem: zijn E. zal genoodzaakt zijn des zelvs leeningsplaats intetrekken, zullende uw hiervan aan Belopgem Heere Landdrost behoorlyk rapport moeten doen, waarmede &. /:getekend.) C: G: Rudolphij Sab: Landdoost (:in mai Stellenbosch den 16 Jan: 1786. wey ondergetekende verklare met der waarheid als dat mon„ Coenraad H: Feijt, ons verzogt heeft als getuygen meete ryden na Jan Harmse Nieuwout om de water door te steken, terwijl seijt groote noodleij en zyn wyngaard en boomgaard bijna doot van droogte is, en die druyven aan de boom verdroogt als rosijne daarop is wij met de Zoon van seijt na nieuwont gereden, en doe wi de water naderde daar het moest doorgesteke worden, kwam der eene Jan Stinkamp aan met de geweer die de woonagtig is bij niau wout en een Jong met hem die had ook een knpel doe hy by ons kwam, friegden heij of wey niet, ordres kwam, anders zouhey ons ligten als een kraay, feijt moest de water hebben terwijl der groote nood was, en feyt de ordre wel wist, waar deself wagtm: die stoort sig daar niet aan hij derf wel zeggen dat er schelmstukke mee ongaat met de brief van den Heer Landdrost, den 24 Januarij 1786 /:getekend:/ P: W: Vorster, barend fredrik lubbe, Pieter Loen. Aan den burger Jan Harmse Nieuwoud Uit eene Verklaring door drie burgeren gezien hebbende, hoe gij zeer onredelyk en onmenschelyk met Veevenmensch Komt te handelen door dien gij reeds bevoorens ordres hebt ontvangen, om aan d' buurman Coenraad Feijt het water onverhinderd te laten loopen, egter Uw niet ontzien om eenen Jan Steenkamp met geweer die menschen te laten bedreigen dood te schieten die den dam zouden doersteken, zo werd gij bij dezen uitdrukkelijk gelast om terstond bij ontvangst deezer den dam aldaar waar het nodig is door te steeken en gemr: Jan Steenkamp aan te zeggen, dat hij voor (ditmaal gepardonneert is maar
English
but in case he should ever again seek to oppose by force the order once given by his Officer of Justice, then proceedings shall be taken against him as shall be found proper. At the same time, you must execute this my order as soon as possible and give no cause to your fellow neighbor and burgher Coenraad Feijt to complain about a lack of water. signed: H: L: Bletterman, Landdrost. In the margin: Stellenbosch, the 29th of February 1786. Sir Mr. Bletterman, I have received a letter in your Honor's name dated the 16th of January on the 23rd of this month, and inspected the order contained within on the 25th and 26th with witnesses, but it was on the 24th that the dam was broken and destroyed by Coenraat Feijt in your Honor's name, with threats to Jan Steenkamp that if he, Steenkamp, or anyone from his family picked up a stone, Feijt would beat their arms and legs to pieces; and now I have restored the dam, which was broken by Feijt against all right and reason, again with witnesses. According to the statement of Steenkamp, there were present Hendrik Albert Beukes, Pieter Loen, Schalk Vorster, and Barent Lubbe, Andries' son, and eight blacks. I remain, humble servant, signed: Andreas Willem van Taak. In the margin: Olifantsrivier, the 26th of January 1786. Jan Nieuwoudt, I make it known to you that I am sending my son to cut through the water by order of the Lord Landdrost. I brought a letter from Taak; he says that roguery is going on with it, but he has burnt his mouth; therefore I request your husband that you let the water follow and that you do not burn your hands and have your farm confiscated. You must let the water follow and let it run in peace, or you will burn yourself. I am sending my son with witnesses by order of the Lord Landdrost, and this afternoon I will have a report made to the Lord Landdrost. This was delivered by Hendrik Feijt to Jan Harms Steenkamp at my farm on the 24th of January, and I received it from van Taak. Signed: Jan Harm Nieuwoudt. We the undersigned declare that, by order of the Lord Landdrost, we inspected the water furrows at Jan Nieuwoudt's, that he reinforced the river with more water than was taken from it, and that the diverted water, after Nieuwoudt watered his garden, flows with more abundance to Feijt's place than into the river, and that between Nieuwoudt and Feijt much more water runs unhindered to the river from separate kloofs, so that Feijt deprives Nieuwoudt of the water out of envy. We request, Sir, that this declaration be delivered to the Honorable Council of Justice. Signed by me, Andreas Willem van Taak, Johannes Jacobus Botha, Petrus Beukes, Hendrik Beukes, Hendrik's son. Below: the 26th of January 1786. Monsieur Matys Kok, you are requested to send this letter as quickly as possible to the field-corporal Hannis Smit, so that Smit and all of you come to help us at the farm of Jan Nieuwoudt. I and Piet van Zijl are both severely wounded by Coenraad Feijt and his slaves on the 12th, and today he was here again with a larger troop. I ask for help, and that this letter be brought from field-corporal to corporal as quickly as possible to the Honorable Lord Landdrost. Signed: Andreas W: V: Taak. 1786, the 13th of February. We the undersigned declare that we inspected the two injured persons and found the wounds of Pieter van Zijl to be three holes in his head, two on the mouth, a broken tooth, and many heavy blows on his back close to the kidneys and more throughout the whole body and on arms and legs as if one were broken on the wheel; the field-corporal van Taak, two holes in his head, two on his face, a tooth knocked out of his mouth, and the left eye ruined in our opinion, and otherwise treated just as van Zijl was. Signed: Johannes Jacobus Botha, Jan Harms. Nieuwoudt, Albertus Beukes, Johannes Hendrik Beukes, Gerrit van Wijk, G.'s son the Younger, Petrus Beukes, Maria Margrieta Wolfaart, Isaac Johannes van Royen. A cross, and written around it: this is the mark of Abram Koman. Sir, we both request the Lord Fiscal to take up our case, trusting that the matter will be worked out according to wise judgment. Your humble servants and persons mistreated by Feijt, signed: Andreas W. V: Taak, Pieter van Zijl, Pieter's son. In the margin: the 16th of February 1786. I the undersigned declare that I and Jan Steenkamp and the slaves and two bastards were commandeered to assist van Taak if necessity required it; when van Taak was already laid low, Hendrik Feijt asked me what I had to do with the water, whereupon I said that van Taak had also taken me along to see if he had not set the water properly; then Hendrik Feijt said, "Do you listen to him?", and attacked me, and I threw him down, and then I was treated just like van Taak, and my gun was then taken. Signed: Pieter van Zyl, Pieter's son. In the margin: the 16th of February 1786. I the undersigned declare that I and van Zijl were requested by the burgher Jan Harms: Nieuwoudt to ride with him to his farm, to give him assistance to and from his farm against any violence that could be done to him. Thus on the 12th we were set upon and surprised with treachery by Coenraat Feijt and Hendrik Feijt, Pieter Loen, and 12 blacks. I was asked by Feijt near the dam what I came to do there, whereupon I said, to set the water according to the received orders; then Hendrik Feijt struck first and further his companions with murderous clubs, and my gun was taken. Signed: Andreas W: V: Taak. In the margin: the 16th of February 1786. Account given in the presence of the Honorable Commissioners from the Honorable Council of Justice of this Government, and at the requisition of the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Mr. Hendrik Lodewijk Bletterman, by
Dutch transcription
maar ingeval hij ooit wederom de eens gegevene ordre van zijn Officier der Justitie met geweld zoeke tegen te gaan, als dan Jegens hem zoda nig zal worden geprocedeert als bevonden zal worden te behooren. Teffens deze myne Ordre ten spoedig sten zult moeten ter uitvoer bren „gen en geene rede geeft aan U mede buur en burger Coenraad Feijt om over gebrek aan water te klagen /:getekend:/ H: L: Bletterman Landdrost /:in margine:/ stellen, bosch den 29 Febr: 1786. Mijn heer de Heer Pletterman, ik heb een brief uit UE. Naam van den 16 Jan: ontvangen op den 23 dato deser en de Ordre in begrepen den 25 en 26 met getuijgen heeft bezien maar het was op den 24 is de dam door Coenraat viet uijt UE: naam verbroken en ver „neelt met dreygementen aan Jan Steenkame als heij steerkam of een uit sijn famille een steen op neemd dat Viet die wel armen en Eenen aan stukken slaan en nu heeft ik de dan die door viet tegen alle regt en reden is gebroken weer getuigen hersteld volgens zeggen van Steenkamp is er geweest Hendrik Albert Uyf Peter Loen, Schalk Voster en barent lubbe Andriesz: en agt zev arte, verblijve vonder „danige dinaar /:getekend:/ Andreas Willem van Taak /:in margine:/ Olivans rivierd 26 Jan: 1786. Jan Nuwoat ik doet t weten, dat ik mijn soon sent Om de water door te steeken uit ordre van den Heer Landdras ik heef van zaak een brief gebrag segheij dat er schelmstukken mee omgaat maar die heeft zyn Smoet serbrant; daarom versoek jouw man dat jeij de waterlaatsolgen en dat jey Jouwhanden niet brant„ en Jouwplaats ingetrokken word u moet de water laten Volgen en heel te srede laten lopen een jeij jouwbrant ik Sent mijn soon met getuijgen uit laest van den Heer landdaa en ik laat van agtermiddag rapport doen aan den - den Heer Landdras, dit is door Hendrik Siet aan Jan Harms Steenkamp op mijn plaats afgeven den 24 Jan: en ik heef het bij van Taak ontvangen /:getekend:/ Jan Harm Nieuwoudt Wij Ondergetekende verklaart dat wij uit ordre van de heer Landeros de Watergrippen bi Jan Nieuwoad heeft bezien dat hij de rivier met meer water heeft versterk als daar afge nomen is, en dat de uitgenomen water na dat nuwoud t zyn tuijn heeft nat gemaakt met meer Boet na vietlaos als in de rivier en dat tusschen nuwoudt en vier veel mar water uit bezonder kloven onverhinderd na de rivier Coop, zo dat viet newoodt de water uit nyd ontneem wij verzoeken mijn heer deze verklarings aan den Edelen Achtbaren raat van Justitie, afte geven getekend van mijn Andreas Willem van Taak Johannes Jacoba Dota Petrus Deukas Hendrik Benkes hendriksz: /daaronder:/ d 26 Jan: 1786.— Monsieur Matys Kok U word verzogt dezen brief ten spoe„ digste na den veldwagtm: hannis Smit te senden dat Smit ien u alle ons kom helpen op de plaats van Jan Nu „wout, ik en piet van zijl ben alle zwaar gekwetst van Koenviet en zijn slaven den 12 en van daeg en heij hier weer geweest, met een grofer troep verziek om hulp en deze brief van Veltwagtm: tot wagom: ten spoedigsten tot den E: Heer Landdrost te brungen /:getekend:/ Andreas W: V: Taak Scto 1786d 13 febr: Wij ondergetekende verklaerd dat wy de2 gekwetste mensen heeft bezigtigd en de wonde bevonde van Pieter van zijl drie gaten Op zijn hoofd twee op de mend een tand aanstuk en veel sware slagen op zijn rug digt aan de niere en meer door het hele lyf en op anmen en benei zo als eer gerabraakt word, den Veldwagtm: van Saak twee gaten op zijn hoofd twe opzijn gezigt een tand uit zyn mond, ende linker oog naons gedagten bedorven, en verder eeven als met van Zyl is gehandeld geworden /:getekend:/ Johannes Jacobus Bata Jan Harmns. Auwoudt, albertus beukes, Johannes Hendrik Deukes Gerrit van Wijk, G: Z de Jonge Petrus Deukes, Maria Mar„ grieta Wolfaart, IIsaac Johannes van Royen /: een Kruijs. kruijs en daaromschreven, dit is de hand van Abram Koman. Myn heer wy beide verzoeke de heer fischaal onse zaak aan te nemen, met vertrouwen de zaak na 't wijs oordeel uijt te werken t onderdanige dienaars en van de Viek„ mishandelde menschen /:getekend:/ Andreas W. V: Iaak Pieter van zijl pz. /:in margine/ den 16 Februarij 1786. Ik onderget: verklaard dat ik en Jan Steenkamp ende slaven en 2 batterds gekommundert ben, om van taak gestand te doen, als de nood het vereijscht toen van taak al terneer geleyd was toen vroeg Hendrik Viet mijn wat ik met de water te doen had, toen seij ik, dat van taak mijn ook genomen had, om te zien of heyde water niet wel geset het toen seij hendrik viet luystert Jeijna Rem en veel mijn aan, en ik Smeet hem neer en toen bin ik net gehandelt als van Saak, en mijn geweer is toen genomen /:getekend:) Pieter van Zyl R:d /in margine den 16 February 1786. Ik onderget: verklaart dat ik en van zijl van den burger Jan Harms: Nieuwoud verzogt Een, om met hem naar zin plaats te rijden, om hem na en van zijn plaats bystand te doen tegen alle gewelt dat hem kon aange„ daan worden, zo ben wij den 12 van Coenraat Sijt en Hendrik fijt, Pieter Loen en 12. swarte aangedaan en met verraat verrast, ik bin vanfijt by de dam afgevraagt wat ik daar kwam doen doen Seyjde ik om de water te zetten na de ontvangene ordres toen Sloeg Hendrik Vier eerst en verder zijn Eenden met moord knapels, en mijn geweer is ontnomen /:getekend:/ Andreas W: V: Taak / in margi ne: d: 16 feware 1786. — Relaas gegeven ten overstaan van EE gecomm: uit den E: Achtb Raade van Justitie dezes Gouverne„ „ments en ter requisitie van den Land dross van Kellenbosch en drakenstein Sr Hendrik Lodewijk Bletterman door
English
by the citizen Coenraad Hendrik Fijt of competent age, reading as follows: That the deponent's place or homestead situated across the Oliphants River named the Groote Zeekoey Valley, being very distressed for want of water in the beginning of the month of February of this year due to severe drought, the deponent—as had already been done repeatedly before—also then lodged a complaint with the Honorable Requiring Party through his son Hendrik Albert Fijt regarding the deponent's neighbor, the co-landowner Jan Harmse Nieuwout, who lives a couple of hours upstream from the deponent on his place named the Jan Dissels Valley, because that man continually held back the water; that the Honorable Requiring Party, upon the complaints that had previously been made on the deponent's behalf, had sent a letter to the Field-Watchman Andries Willem van Zaak, the contents of which, as far as the deponent is aware, had been that the said Van Zaak should go with witnesses to the deponent on his place, investigate the dispute, and upon finding it to be according to the lodged complaints, cut through the water and direct it into the old course; which letter the deponent, having sent it by his aforementioned son to the aforesaid Van Zaak, the latter nevertheless had not complied with that order nor had he come, but according to the account of the deponent's son, had cursed the deponent for an old rogue; that the Honorable Requiring Party, upon the latest complaints, had instructed his said son to tell the Field-Corporal Frans Lubbe that he, Lubbe, by order of the Honorable Requiring Party, had to betake himself to the place in dispute and cut through the water; but that the said Lubbe had not come, but had let it be known that he only had one man in his district, and also could not do anything in another's district or encroach upon his office; the deponent's son having received a letter from the Honorable Requiring Party for the said Nieuwout, which the deponent had delivered through the servant of the aforesaid Nieuwout by the name of Jan Steenkamp; that since the Honorable Requiring Party had told his son by word of mouth that in case the Field-Corporal failed to comply with that order, the deponent might simply go with someone or other and cut through the water; pursuant to which order there were requested by the deponent Schalk Willem Vorster, Barend Lubbe Andriesz, and Pieter Loen, with which three persons the deponent's son, having gone to the place where the water was being held back in order to cut through the water, there came the aforesaid Nieuwout's servant by the name of Jan Steenkamp with a gun in hand, having with him a slave boy by the name of Cobus the younger; that the deponent's son, having been busy cutting through the water, the said Steenkamp had asked the deponent's son by whose order he was cutting through the water, upon which the deponent's son had answered: by order of the Lord Landdrost; whereupon the aforesaid Steenkamp in the presence of the aforesaid witnesses had said: it is well that you come by order of the Lord Landdrost, otherwise I would shoot you and make you light as a crow; that the aforesaid Nieuwout, not having been at home on that day, he, Nieuwout, subsequently when he had come home, had dammed up the water again; which the deponent having noticed, the deponent had resolved to ride upstream himself, having taken along his son Hendrik Albert Fijt and Pieter Loen, as well as 2 slave boys by the names of Adam and October, besides the Hottentots Hans, Jantje, and Piet; when, just as they had arrived at the water, there also had come the Field-Watchman Andries Willem van Taak, Pieter van Zijl Pietersz, and Jan Steenkamp, as well as a basterd by the name of Barend, each having had a gun; that the deponent, not yet having done the cutting through of the water, had asked the aforesaid Van Zaak why he, Van Zaak, came there with so many people and guns, just as if the deponent were a murderer; the same Van Zaak had answered: to drive you away from the water; upon which the deponent having replied: but why do you not observe the order of the Lord Landdrost, which I sent you in writing through my son, and still dare to say that I am an old rogue; the same had thereupon replied: your son lies that like a rogue; whereupon the deponent's son had said: if I lie it like a rogue, then you lie it like a double rogue. That
Dutch transcription
Dat des Kelt plaats afte hofsted & gelegen over de Oliphants rivier gen:d de groote Zeekoey Valley in 't begin van de maand February dezes Jaars door groote droogte zeer onwater verlegen zijnde geweest, den rel zo als reeds bevoorens te meerhaalen ook toen bij den E: req:t door zyn en zoon Hendrik Albert Fyt over des rel:t buurman den medid land E: Jan Harmse Nieuwout die een Paar uuren bovedwaards den zel woonagtig is op zyn Plaats de Jan dissels valley gent vermids dien man het water altoos Ophield, klagtig gevallen was; dat den E: reqt op de klagten die bevoorens wegens den zelt waren gedaan een brief had gezonden aan den Veldwagtm=r Andries Wil„ „lem van Zaak, welkers inhoud, voor zo verre die denzel bewust is, was geweest; dat gem:e van Zaak met getuigen bij den zel op zijn plaats komen 't verschil onderzoe ken, en het volgens de ingebragte klagten bevindende het water doorsteken, en in den ouden looplijden zoude; welken brief den rel„t door zynen zoon bovengem: aan voorsz: van Saak hebbende gezonden, denzelven egter aan die Ordre niet had voldaan nog gekomen was, maar volgens het verhaal van des rel zoon, hem zelt voor een oudese helm zou hebben gescholden dat den E: reqt op de laatste klagten zijn reg„s zoon had gelast, om aan den veld Corporaal Frans Lubbe te zeggen dat hij lubke ter ordre van den E: reqt ter plaatse conten „tiens zig vervoegen en 't water doorsteeken moest; dog dat gem: lubbe niet gekomen was, maar had laten weeten dat hij maar éen man in zijn district had, en ook in een anders district niets doen of hem in zijn ampt tredden konde; hebbende des rels zoon van den E: regt een brief aan gem: Nieuwvat gehad, die den zel door den knigt van voorsz Nieuwout in naam Jan Steenkamp had laten bestellen: dat vermits den E: reqt aan zyn zoon bij monde had gezegt; dat in Cas den Veld Corporaal aan die ordre niet kwam te voldoen, den rel„t met den een of ander maar heen gaan, en't water doorsteeken door den burger Coenraad Hendrik Pijt van Competenten Ouderdomlung„ dende als volgt. mogte mogte; ingevolge welke Ordre van den rel=t waren vezogt schalk Willem Vorsten Barend Cabbe Andriesz: en Pieter loen met welke drie Perzonen deszelz zoon naa de plaats alwaar 't water wierd opgehouden, gegaan zynde, om 't water door te steeken: aldaar was gekomen voorsz Nieuwonts knegt in naame Jan Steenkamp met een geweer in de hand bij hem hebbende een slaven Jongen in naam Cobus de Jonge dat des rels zoon loen bezig geweest zijnde het water door te steken, gem: steenkamp aan des rel zoon had gevraagd Op wiens ordre hij het water doorttak. des zels zoon daarop had geantwoord: niet ordre vande Heer Landdrost. als wanneer voorsz: steenkamp ter presentie van voorsz: getuijgen had gezegt: het is goed dat gij uit ordre van de heer land drost komt, anders zoude ik jouschieten en ligten ils een kraay dat voorsz: Nieuwont ten dien dage niet te huijs ge„ „weest zynde, hij Nieuwoat vervolgens wanneer te huys geko„ „men wa, het water weder op gedamt had; 't gunt den zelf bemerkt hebbende, was den zelf te rade geworden, zelvs naboven te rijden zijn zoon Hendrik Albert Pijt, en Pieter Loen„ mitsgs 2 slaven Jongens in naame Adam en October benevens de Thottentots Hans, Jantje en Piet mede. genomen hebbende; wanneer zo als zij l: bij het water gekomen waren, aldaar mede waren gekomen, den veldwagtm: Andries Willem van Taak, Pieter van zijl Pietersz: en Jan Steenkamr mitsg' een basterd in naame bavrd, ieder een geweer gehad hebbende. dat den zeln het doorsteken van't water nog niet gedaan hebbende, aan voorsz: van Saak had gevraagd; waarom hij van saak met zo veel menschen en geweeren aldaar kwam even als of denzel een moordenaar wa: denzelven van Saak had geantwoord: om sou van't water te boewen; Op 't welk dewzel hervat hebbende: maar waarom observeerd by de ordre van den Heer Landdrost niet, die ik vschriftelyk door mijn zoon heb gezonden, en darft nog zeggen: dat ik een oude schelm ben. denzelven daarop had hervat: dat liegt Jouw zoon als een Schelm: als wanneer des rell zoon had gezegd: als ik het lieg als een Schelm, danlugt gij het als een dubbelde Cohelin. — dat
English
Account given in the presence of the Honorable Commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government, and at the requisition of the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, the Senior Hendrik Lodewyk Bletterman, by the burgher Hendrik Albert Fijt of competent age, reading as follows: That the farm or homestead of the deponent's father, situated across the Oliphants River, named de Groote Zeekoe Vallen, having been in great distress for water in the beginning of the month of February of this year due to severe drought, the deponent, as already repeatedly done before by order of his father, the burgher Coenraad Fijt, had also then lodged a complaint with the Honorable Requiring Officer concerning the deponent's neighbor, the fellow-burgher Jan Harmse Nieuwout, who lives about two hours upstream from him on his farm named de Jan Dissels Valley, because the said Nieuwout constantly held back the water; that the Honorable Requiring Officer, upon the complaints previously made on behalf of the deponent, had sent a letter to the Field-Guard Andries Willem van Taak, the contents of which, as far as the deponent is aware, had been that the said van Taak should come with witnesses to the deponent's father at his farm, investigate the dispute, and, finding it according to the lodged complaint, should open the water and direct it into its old course; which letter the deponent, by order of his aforementioned father, having delivered to the aforesaid van Taak, the latter had nevertheless not complied with that order, but had thereupon called the deponent's father an old rogue; That the deponent, upon the latest complaints, by order of his father, had warned the Field-Corporal Frans Lubbe that he, Lubbe, by order of the Honorable Requiring Officer, had to proceed to the contentious place and open the water, but that the said Lubbe had not come, but had let it be known that he had only one man in his district and also could not do anything in another's district nor encroach upon such a Field-Guard in his office; the deponent having received a letter from the Honorable Requiring Officer to the said Nieuwout, which the deponent's father had delivered by the servant of the aforesaid Nieuwout, named Jan Steenkamp; That the Honorable Requiring Officer had further told the deponent that in case the Field-Corporal should not comply with that order, that the aforesaid van Taak had thereupon seized his gun the wrong way round, raised it, and said to the deponent's son: I will smash your skull; whereupon the deponent's son, out of astonishment, had jumped forward and struck the said van Taak a blow in the face with the flat of his hand, whereby the said van Taak had fallen backward onto the ground with his gun; the deponent's son, then jumping towards the said van Taak, who, as well as van Zeijl, had been somewhat intoxicated, having gone away from there and towards the farm of Jan Harmse Nieuwout, his brother-in-law, had fallen again while going thither; while in the meantime the aforesaid Pieter van Zeijl, with the cock pulled back and the gun leveled, had jumped towards the deponent's son, saying: what do you see... whereupon Peter Loen, standing nearby, with a walking stick in his hand, as the deponent understood, had attempted to knock the leveled gun either out of the hands of van Zeijl or upward; in his agitation he had struck out and thereby hit the said van Zeijl on the upper lip; whereupon the frequently mentioned van Zeijl had fallen backward with the gun; the said Loen having then also taken the gun away from the aforesaid van Zeijl; That in the meantime the said van Zeijl, having risen from the ground, had then drawn his knife and come running after them with it, making attempts to stab with it; the deponent having called out to his accompanying people that they must grasp him from behind and hold him fast, which being done, the knife was wrested from him; That meanwhile the aforesaid Jan Steenkamp, with the gun in his hands, had shot at the deponent and his people, but hit no one, except only that the stick was shot out of the hand of a Hottentot named Hannis who was with the deponent; the deponent having brought the aforesaid two guns and the knife to the Honorable Requiring Officer, and complained about the aforesaid treatment. Relating nothing more, the deponent gives as reasons for his knowledge as stated in the text, presenting to confirm the same at all times with a solemn oath. Below stood: Thus related and executed at the Cape of Good Hope on 18 March 1786 before the Honorable P: V: Echtens and J: M: Bletterman, members from the Honorable Council of Justice aforementioned, who have duly signed the minute hereof along with the deponent and me, the Secretary. Lower: Which I witness. Signed: C: L: Neethling, Secretary.
Dutch transcription
dat voorsz: van Paak daarop zijn geweer verkeerd genomen het Opgeligt en gezegt had tot des kel zoon: ik Slaa jou de kerssenpan in als wanneer des zel zoon uit verbaastheid toe gesprongen was, en gem: van Taak met het vlakzyner hand een slag in 't aangezigt toegebragt had, waardoor denzelven van Taak met zijn geweer agter overgevallen was op de aar de: hebbende des rel zoon, toen toespringende gem: van zaak, die zo wel als van zeijl wat beschonken waren geweest, van daar weg, en naa de Plaats van Jan harmse Nieuwwout zijnen zwager gegaan zinde, in het derwaards gaan, nog go„ „vallen was; terwijl inmiddens voorsz: Pieter van Zeijl met overgehaalde haan en 't gevelde geweer na zijn zel zoon toege sprongen was, onder het zeggen: wat zigt gij. .. als wanneer den daarbij staanden Peter Loen met eenen in de hand hebbende wandelstok, zo den rel:t begreep, had gepoogd het gevelde geweer of uit de handen van van Zeijl weg, dan wel hetzelve naboven te slaan; in ontsteltenisse toegeslagen en daardoor gerepte van Zeijl Op de bovenlip geraakt had; wanneer meerm: van Zeijl met het geweer agter overgevallen was; hebbende gem: loen als toen voorsz: van Zeijl mede het geweer afgenomen. dat inmiddens gem: van Zeijl van de aarde, op gereezen zijnde, als toen zijn mes getrokken en daarmede agter hun was komen lopen, pogingen doende om daarmede te steken: desdentel zijn bij hebbende volk had toegeroepen, dat hem van agteren moest omvatten en vast houden, 't gunt gedaan zijnde, was denzelven het mes ontweldigd. dat ondertusschen voorsz: Jan Steenkamp met zijn in handen hebbend geweer na den relt en de zijne geschaoten dog niemand geraakt had, als alleen dat een by den zel zijnde het „ten tot Hannis de Stok daardoor uit de hand geschooten was; hebbende den zel de voorsz 2 geweeren en't mes aan den E: reqt gebragt, en over de voorsz: behandeling geklaagt. — Niets meer relateerende, geeft den relt voor redenen van wetenschap als in den text Presenteerende hetzelve altoos met solemneele Eede te staven. — /:Onderstond:/ Aldus Gerelateerd en Gepasseert aan Cabo de Goede Hoopden 18 Maart 1786 voor d' EE: P: V: Echtens en J: M: Bletterman leden uit den E: Hort Raad van Justitie voorm die de minute dezer benevens den zelt en my Secretaris behoorlyk hebben ondertekend /:lager:/ 't welk Ik Getuijge /:getekend:/ C: L: Neethling Secret: Relaas Dat de Plaats ofte hoefstede van der relt Vader geleegen over de Oliphants rivier gen:d de groote zeekoe vallen in't begin van de maand febr: dezes Jaars, door zwaare droogte om water zeer verlee„ gen zynde geweest, den zel„k zo als reeds te voren te meermalen uit last van zijnen vader den burger Coenraad Tyt ook toen by den E: reqt klagtig gevallen was, over des rels buurman den medeland E: Jan Darmse Nieuwout, die omtrend 2 uuren boverwaarts denzel woonagtig es, Op zijn plaats de Jan dissels Valley gen vermits denzelven Nieuwout het water altoos ophield — dat den E: reqt Op de Klagten die bevorene wegens den rel„t waren gedaan een brief had „de gezonden aan den Veldw agtmn: Andries Willem van Iaak, welkers Inhoud voor zo verre die den zelt bewust is, was geweest: dat gem van saak met getuygen by des zels vader op zyn Plaats komen 't verschil onderzoeken, en het volgens de ingebragte klagte bevin „dende het water doorsteeken, en het in den Ouden loop lijden zouden. welken brief den rel op ordre van meergem: zijnen Vader aan voorsz: van Saak hebbende overgegeven, denzelven egter aan die ordre niet voldaan, maar des zel vader daarop vooreen Oude Schelm gescholden had. — dat den Relt op de laatste klagten uit last van zynen vader aan den veld Corporaal Frans lubbe had gewaarschuuwd dat hy lubbe ter ordre van den E: reqt ter plaatse contentiers zig vervoegen en het water doorsteken moest, dog dat gem: hubbe niet was gekomen, maar had laten weeten dat hij in zijn district maar een man had en ook in een anders dittrict niets doen nog zo een Veldwagtm: in zijn Ampt treeden konde: hebbende den zele een brief van den E: reqt aan gem: Nieuwout gehad, die deszel Vreder door den knegt van voorsz: Nieuwoat in name Jan Steenkamp had laten brengen. dat den E: reqt wyders aan hemzel had gezegd dat ingeval den veld Corporaal aan die ordre niet quam te Relaus gegeeven ten Overstaan van EE gecomm:s uit den E: Achtb: Raad van Justitie dezes Gouvernements en ter requisiti vanden landdrost van stellen bosch en drakensteyn Sr Hendrik Lodewik D letterman doorden burger Hendrik Albert Fijt van Compe tenten Ouderdom, luidende als volgt. voldoen