VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 10986

Cape · 984 pages · 314 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_10986_0433 view scan ↗

English

Article 30 Whether the Hottentots who were present at the place of Kotman were summoned expressly, or whether they happened to be at the place when the butcher's boys arrived there. Answers that a portion of the Hottentots came there, she the prisoner having been there at the place of the widow Du Plooy, and the others, how they slipped away. Article 31 From which kraal they were summoned there. Answers that from Jantjes Boomskraal some were called, as she now recalls. Article 32 Where all those goods ended up that were brought to the place of the widow Du Plooy. Answers that the goods were buried in a kloof beside the dwelling house and that she, the prisoner, was present when they were buried. Article 33 Whether all those goods were not buried, and if so, where. Answers as before. Article 34 Whether she, the witness, was not present when those goods were brought to the place of the widow Du Plooy and buried. Answers as before. Article 35 Whether she, the prisoner, also has a share in those goods and what she received as her portion. Answers that she received a skirt, without knowing whether it belonged to Kotman or not. Article 36 Where they were hidden last. Answers that the goods were buried again, without knowing where they were hidden again. Article 37 Who else besides her, the prisoner, had a share in the stolen goods. Answers that she does not know. Article 38 Who all were present at the burial of those goods. Willem, Claas, and Piet Piqueur buried the goods on the orders of the widow, and she, the witness, was also present to watch. Article 39 How many times those goods were buried and hidden again. Answers that she has no share and does not know who has a share. Article 40 Why she, the prisoner, did not immediately make this known. Answers that she paid no attention to it. Article 41 Whether there was not a conspiracy to keep everything secret. Answers no, no conspiracy, but that the widow Du Plooy said to keep everything quiet. Article 42 Who all belonged to that conspiracy. Answers as before. Article 43 Whether she, the prisoner, does not know that fencing stolen goods is forbidden. Answers yes, but that she did not fence them. Article 44 What she, the prisoner, can offer in her excuse. Answers begging for forgiveness because she is a simple person and already very old. Article 45 Whether she, the witness, does not therefore know that she is punishable to the utmost for hiding the bags, fencing the stolen goods, and harbouring runaway vagabonds. Answers that she did not harbour runaways and furthermore had no share in it. Thus questioned and answered at Cape of Good Hope on 3 March 1787 before Messrs. Salomon van Echten and Jan Coenraad Gie, members of the Honourable Council of Justice aforesaid, who duly signed the original of this together with the prisoner and me, the sworn clerk. Underneath stood: To which I testify, was signed: R. J. van der Riet, sworn clerk. Re-examination. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honourable Council of Justice of this government, the Hottentot woman Sara, who, having had these preceding interrogation articles with the answers given thereto read aloud to her clearly and distinctly word for word, declared that she perseveres and abides by them, desiring that nothing more shall be added thereto or taken away, and said furthermore in the presence of old Regina, Thys Albregt, Heyntje Du Plooy, Willem Bierwerk, and Claas Coert that all the foregoing is the pure truth. Thus re-examined at Cape of Good Hope on 28 May 1787. Was signed: X, and written around it: this cross was made by the prisoner's own hand. Lower: in my presence, signed: R. J. van der Riet, sworn clerk. In the margin: as commissioners, was signed: C. Matthiessen, C. G. Maasdorp. Relatio given before the undersigned commissioners from the Honourable Council of Justice of this government and at the requisition of the Landdrost of the Colony Swellendam, Mr. Constant van Nielt Onkruydt, by and on behalf of the Hottentot woman Cathryn, daughter of Thys Albregt, aged by estimate 13 years, reading as follows: That some months ago, without the relator being able to determine the exact time

Dutch transcription

27 Art: 30 zegt een gedeelte der hottentotten zyn daar gekomen zyn haar gev: sulx daar ter plaatse van de wedwe de plooy geweest, en de andere hoe die ontschooten te zyn. Legt uyt Jantjes Boomscraal zyn een gereette geroepen zo als haar nu te binnen schiet. regt dat de goederen begraven zyn geweest in een Cloof besyden het woonhuys en dat zy gew: daarby prae„ zegt als vooren sent is geweest toen het begraven is zegt als vooren zegt dat zy een rok gekreegen heeft zonder te weeten of sulx van kot„ man geweest is dan wel niet. zegt dat de goederen weer begraven zyn zonder te weeten waar weder ge¬ borgen zegt sulx niet te weeten Willem, Claas en Piet Pigueur hebben de goederen begraven op ordre van de wedew en dat zy get: meede geweest was om te zien zegt geen aandeel te hebben en niet te weeten wie aandeel heeft. zegt daer geen agt opgeslagen te hebben legt neen geen samensweering maar dat de wedewe de ploois gesegt 1 heeft alles stil te houden zegt als vooren Legt Ia maar niet geheeld te hebben. t n „4o Waarom zy gev: zulx niet direct heeft bekend gemaakt. „ 41 of er geen samerswgering heeft plaats gehad om alles geheyn te houden. „42 Wie al onder die samensweering hebben gesorteerd „ 43 of zy gev: niet weet dat heelen van gestoolene goederen onge„ permitteerd zyn! wee buyten haar gev: nog meer aandeel hebben in de behoofde goederen. waar sulx het laatst verborgen is. „ 38 wie al praesent geweest zyn by het be¬ graven dier goederen. „ 39 tot hoe veel reysen die goederen wel be„ graven zyn, en weer verstooken. of die goederen niet alle zyn begraven zo Ja, waar „34 of zy get: niet praesent geweest is wan„ neer die goederen ter plaatse van de wedwe de plooy zyn aangebragt en begraven. „ 35 of zy gev: ook aandeel in die goederen heeft en wat voor haar portie gekreegen: „ 33 waar die goederen alle belend zyn die ter plaatze van de wedwe de plooy zyn gebragt! of die Hottentotten die meede geweest zyn„ ter plaatse van Rotman expreszyn ge roegen, dan wel of zy zig ter plaatse bevon„ den hebben toen de slagters Jongens daar gekomen zyn. uyt welke kraal zy daar geroepen zyn. 31 e er ee 9 — en t , „ 37 „ 36 132 Art: 44 zegt bidden om vergeffenis om zegt geen drossers opgehouden en voorts geen aandeel daar„ dat zij een baar en al zeer oud is. Aldus gevraagd en beantwoord aan Cabo de goede koop den 3 Maart 1787. voor de Heeren Salomon van Echter en Jan Coenraad gieleeden uyt den E agtb: raad van Justitie voorn: die de minute deeses beneevens den gev: en de my getw: Clercq, meede behoorlyk hebben onderteekend. — C/:onderstond:/ 'T welk ik getuyge /:was geteekend:/ R:J: van der Riet gemw: Clercq Recollement. Compareerde voor ons ondergeteekende gecommitteerdens uijt den E agtb: raad van Justitie deeses gouver nements de Sottenlottinne Sara dewelke deese voorenstaande draag articulen, met de daar„ op gegeevene antwoorden van woorden tot woord en klaar en duydelyk voorgeleesen weesende verklaarde daarby te blyven aersisteeren, met begeerte dat er niets meer by gevoegt ofte van gedaan werden zal en zyde voorts in praesentie van de oude regina Thys albregt, Heyntje de plovis Willem Bierwerk en Claas Coert dat als het voorenstaande de zuyvere waerheijd is. Aldus gerecelleerd aan Cabo de goede hoop den 28 may 1787 /:was geteekend:/J J: en daaromme geschreeven :/ dit pruys heeft de gev: eygenhandig gesteld /:lager:/ my praesent /: geteekend:/ R: J: V: de Reet geww: Clercq /. /:in margine:/ als gecommitteerdens /:s geteekend:/ Matthiessen C: G: Maasdorp. Jelaas gegeeven ten overstaan van de ondergeteekende gecom¬ mitteerdens uyt den E agtb: raad van Justitie deese gou„ vernements en ter requisitie van den Landdrost der Colonie (wel¬ lendam de Heer Constant van Nielt onkruyt door ende van wegens de Sottentottinne Cathryn dogter van Thys Albregt oud na gissing 13 Jaa„ ren Zuydende als volgt. Dat voor nien eenige maanden geleeden, zon¬ der dat de relte den regten tyd weet te bepalen wat zy gev: tot haar verschoning kan bybrengen. „ 45 of zy get: dus niet weet dat zy over het verbergen der zakken het heelen der gestoole goederen, en het ophouden van drossende vagebonden ten uyt¬ tersten strafbaar is! egter aan te hebben E

NL-HaNA_1.04.02_10986_0435 view scan ↗

English

however according to her best recollection it must have been a few days before the wife of the burgher Sabastiaan Rotman and his children and slaves were murdered, that some slave boys had arrived at the place of her grandmother Regina widow of Hendrik Plooy, claiming to be butchers' boys. that those boys stayed there for some days, without the declarant being able to say where they stayed, however on a certain afternoon, with a party of Hottentots, as far as the declarant can recall named Claas Coert, Willem Bierwerd, Jan Coert, Piet Sigueur, Daniel Paul, old Abraham, Jantje Boom, Willem Ruyterbos and Zakhals, as well as Hendrik de Plooy and young Thys Albregt and her grandmother, putting the three last-mentioned on three horses, her grandmother having returned shortly thereafter. that the said slaves and Hottentots having departed on their way, the declarant understood that they would take their journey to the said Bastiaan Rotman, without knowing what would actually be carried out by them. that furthermore the next day very early in the morning the declarant saw that the aforesaid Hottentots had returned with Hendrik Plooy and Thys Albregt the Younger (while the two last-mentioned came riding on three horses laden with two sacks of goods, which were brought into her grandmother's house into one of the rooms and opened, the declarant having heard at that time that the clothes of the wife of Rotman were inside those sacks; while a certain young Fredrik, being the son of Martha, whom she had conceived in cohabitation before the marriage with Hendrik Plooy, told her, the declarant, that he had seen gold money in one of the sacks). that subsequently the sacks, having been repacked, were carried by Hendrik Plooy and Willem Bierwerd, while the remaining said Hottentots had gone along with spades along the river, without the declarant knowing where those goods were hidden, as the declarant, because she had gone along a footpath to see where those goods would be taken, was driven away towards home by Hendrik. the declarant finally testifying that her grandmother had forbidden her, the declarant, to tell anyone that boys had been at the place, even if she were asked by the Great Gentlemen afterwards. declaring nothing further, the declarant gives as reasons of knowledge as stated in the text, being ready to confirm the same under oath if required. Thus done at Cabo de Goede Hoop the 14 May 1787 before the Gentlemen Christiaan Ludolph Neethling and Johannes Mattheus Bletterman, members of the Honorable Worshipful Council of Justice aforesaid, who duly signed the minute of this alongside the declarant and me, the sworn Clerk. at the foot: Which I witness, was signed: R: J: van der Riet, sworn Clerk. Review. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, the Hottentot woman Cathryn, to whom this her preceding statement having been read aloud word for word, clearly and distinctly, declared to persist therein, wishing that nothing more be added thereto or removed therefrom, and further said in the presence of her grandmother old Regina, her father Thys Albregt, her uncle Hendrik Plooy, as well as the Hottentots Claas Coert, Willem Bierwerd, Daniel Paul, that all the foregoing is the absolute truth. Thus reviewed at Cabo de Goede Hoop the 28 May 1787. was signed: and written around it: this cross was set by the declarant with her own hand. lower: In my presence, signed: R: J: van der Riet, sworn Clerk. in the margin: as commissioners, signed: J: Matthiessen and J: G: Maasdorp. Statement given in the presence of the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government and at the requisition of the Landdrost of Swellendam, the Honorable Constant van Nilt Onkruydt, by and on behalf of the Baster Hottentot woman Jacomyn, daughter of Thys Albregt the Elder, reading as follows. That the declarant, having been in the field on a certain day to fetch wood with a Hottentot Catryn living with a certain Bierwerd and

Dutch transcription

egter volgens best onthoud zullende geweest zyn eenige dagen voor dat de Huysvrouw van den Burger Sabastiaan Rotman en zyne kinderen en slaven vermoort zyn geworden, ter plaatsen van haar grootmoeder Regina wedwe Hendrik Plooy eenige slaven Jongens gekomen waaren voorgeevende slogters Jongens te zyn. dat die Jongens eenige daar daar verbleeven zynde zonder dat de recte weet te zeggen waarzyl: hun op„ gehouden hebben, egter op een zekere agtermiddag, met een party Slottendatters voor zo verre de rel„e haar weet te binnen te brengen genaamt Claas Coert Willem Bierwerd, Jan Coert Piet Sigueur, Daniel Paul, au de Abraham, Jantje Boom, Willem Ruyterbos en Zakhals mitsgad„s Hendrik de Plooy en Kleyne Phys albregt en haare grootwoeder zettende de drie laatst gem: op drie paarden, zynde haar grootmoeder kort daarna te rug gekomen. dat de gem: slaven en hottenlotten op weg zynde ge„ gaan de recte. verstaan had dat zy hunne reyse naar gem: Bastiaan Rotman zoude nemen, zonder te ween„ ten wat eygentlyk door hun zoude verrigt worden dat voorts des anderen daags zeer vroeg in den morgen de rec=te gesien had, dat de voorm: hottentotten met Hen„ drik Plooy en Thys albregt de Jonge te rug gekomen waaren (terwijl de twee Laatst gem: op drie Jaarden zyn komen aanryden belaaden met twee zaphen met goederen dewelke by haar grootmoeder in huys in fen der kameren gebragt en opengemaakt gewor„ den zin, hebbende de rett, als toen gehoord, dat in die zakken de Kleederen van de huysvrouw van Rat„ man zig bevonden; terwyl eenen Kleynen Fredrik zynde de zoon van Martha, die zy voor het huwelyk met Hendrik Plooy by eenen streto in negt verwekt aan haar relte. gesegt heeft, dat hy goud geld zoude gesien hebben in een der zakken. - dat vervolgens de zakken weder gepakt zynde, ge„ dragen zyn geworden door Hendrik Plooy, en Willem Bierwerd, terwyl de overige gem. Stotten„ lotten meede gegaan waaren met graven langs de rivier, zonder dat de recte weet waar die goederen verborgen geworden zyn, als zynde de reste door dien zy meede was gegaan langs een voet paadje om te zien waar die goederen gebragt zoudte worden, door Hendrik was weg gejaagt naer huys Betuygende de rette laatstelyk dat haar groot moeder haar rele verbooden had van aan niemand te zeggen dat er Jongens op de plaats geweest waaren, al wierd by door de groote Heeren daarna geraagd. eets 8 - iets meer verklaarende geeft de recte voor reeden van wetenschap als in den Text bereyd zynde het zelve des vereyscht werdende met Eeden te staven. Aldus gepasseert aan Cabo de goede Hoof den 14 may 1787 voor de Heeren Christiaan Ludolph Neethling en Johannes Mattheus Bletterman Leeden uijt den E agtb: raad van Justitie voorm: die de minute deeses beneevens de rec„te ende my geww: Clercq meede behoorlyk hebben onderteekend. — /:onderstond:/ 'T welk ik getuyge /:was geteekend:/ R: J: van der Riet gew: Clercq. — Recollement. - Compareerde voor ons ondergeteek„de gecommitt„s uyt den E agtb: raad van Justitie deezer gouvernements de stotten tottinne Cathryn dewelke deeze haare voorenstaande reaas van woorde tot woorde klaar en duydelyk voorgeleesen weesende verclaar¬ de daarby te blyven persisteeren met begeerte dat er niets meer by genoegt ofte van gedaan werden zal en zyde voorts in praesentie van haar grootmoeder de oude equia, haar vader Thys albregt, haar oom Hendrik Flooy mitsgad. s de hatten totten Claas Coert Willem Bierwerk, Daniel Paul dat al het voorenstaande de zuyvere waarheyd is. — Aldus gerecalleerd aan Calo de goede hoop den 28 may 1787. /:was geteekend:/ J: en daaromme geschreeven:) dit kruys heeft de recte. eygenhandig gesteld. (:lager:) my praesent e geteekend:/ R: J: van der Riet gewr: Clercq /:in margine:) als gecommitteerdens /e geteekend / J: Matthiessen en J: G: Maasdorp./ — Relaas gegeeven ten overstaan van de onderteekende gecommit„ teerdens uijt den E agtb: raad van Justitie deeses gouvernements en ter requisitie van den Landdrost aan Sweltendam de Heer Constant van nilt onkruit zoor ende wegens de Bastaard Hottentottinne Ja„ comyn dogter van TThys albregt de oude Luydende het zelve als volgd. — Dat de recte. op een zekeren, dag in het veld geweest zynde om hout te haalen met een Rottentotten Catryn wonende by eenen Bierwerd en

NL-HaNA_1.04.02_10986_0437 view scan ↗

English

and having approached a fountain from which the ordinary drinking water is drawn, a hole was then discovered by her, the deponent, which still seemed to have been dug very recently, so she, the deponent, asked the aforementioned Catrin in substance what kind of hole is that, it appears as though it was dug by people, the aforementioned Catryn having answered thereto, that is the hole in which they buried the goods, without the deponent knowing what kind of goods those were. That when she, the deponent, with the other detainees were brought into custody from the place of her grandmother to Swellendam, she, the deponent, had then heard that her uncle Willem Albregt told her, the deponent's, sister Catryn, if the gentlemen were to ask her again about this or that, she should reveal nothing, but only say that what she had said had been done out of fear. That when her, the deponent's, grandmother Regina was about to go to Cape Town, a dispute had arisen the day before between Hendrik Plooy, his wife, and the aforementioned Regina; she, the deponent, then heard that Martha, the wife of Hendrik Plooy, had said in substance to her husband, you will be flogged, branded, and banished in chains to the Island, and to the old Regina, you will come into the lodge and carry baskets there; that the aforementioned Hendrik had become enraged by those expressions, he took a stick and beat his wife with it and furthermore asked her after the beating, why shall I come to the Island, the aforementioned Martha had answered, for your thievery and scoundrelly deeds. The deponent testifies that when the boys were supposedly at her mother's place, she was not at home but found herself visiting at the place of a certain Bierwert living there in the neighborhood, thus being ignorant of what happened and knowing nothing about it. Relating nothing more, the deponent gives as reasons for knowledge as in the text, being prepared to confirm the same further. Thus done at the Cape of Good Hope, the 14 May 1787, before the Gentlemen Christiaan Ludolph Neethling and Johannes Matthias Hetterman, members of the Honorable Council of Justice aforesaid, who have duly signed the original minute of this, together with the deponent and me, the sworn clerk. Underneath stood: Which I witness. Was signed: R. J. van der Riet, sworn clerk. Review. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, the Hottentot Jacomyn, who, this her preceding statement having been read aloud to her clearly and distinctly word for word, declared to persist and abide by it, desiring that nothing more shall be added to it or taken away from it, and said therefore in the presence of her grandmother, the old Regina, her father Thijs Albregt, her uncle Hendrik Plooy, as well as the Hottentots Claas Coerst, Daniel Paul, and Willem Beerwert, that all the foregoing is the pure truth. Thus reviewed at the Cape of Good Hope, the 28 May 1787. Was signed: and written around it: this mark was placed by the witness by her own hand. Lower down: in my presence, signed: R. J. van der Riet, sworn clerk. In the margin: as commissioners, signed: C. Mattheessen and S. G. Maasdorp. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, the burgher Sebestiaan Rotman, of competent age, who at the requisition of the merchant and Landdrost at Swellendam, the Honorable Constant van Nult Onkruijt, declared to be true and truthful: That on the day after the murder committed by already executed slaves, the appearer having arrived at the place of him, the appearer, since he had not been at home that night, he was informed by a burgher living with him, the appearer, and also named Joseph Cramer, in the presence of the appearer's brother-in-law Jacobus Boshof, that he, the appearer, should look after the horses, because when the murderers had left his, the appearer's, place, he had also heard horses being taken from there, the aforesaid horses, according to his statement, having ridden past a ditch that lies beside the wagon road and in which he had kept himself hidden. That the appearer, having afterwards checked the horses, had missed none of them. The appearer testifies that all the goods that were discovered by him with the Honorable requisitor and commissioned heemraden at the place of the widow de Plooy, as appears from the inventory thereof, bear a great resemblance to the goods that were at his, the appearer's, place before the recent murders; however, the appearer cannot say positively that they are his goods; the appearer also testifies that the aforesaid Cramer further said: I kept myself hidden underwater, and smeared my head with mud so that the murderers would not recognize me, otherwise I would have been able to see the horses, for they ran close past the ditch in which I was. The appearer further testifies that the widow de Plooy and her family continuously lived in enmity with the appearer's wife, and that was for the reason that his, the appearer's, wife wanted to have nothing to do with them. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons for knowledge as in the text, being prepared always to maintain the same under oath. Thus done at the Cape of Good Hope the

Dutch transcription

en by een fonteyn waar men het ordinaire drinkwater uytschept genadert zynde als toen door haar relte een gat ontdekt was, die nog zeer versch scheen gegraven te zyn, dus zy rec„te aan gem: Catrin gevraagt had, in substantie wat voor een gat is, dat, het schynt of het door menschen gegraaven is, gem:t: Catryn daarop geantwoord hebbende, dat is het gat daar men het goed in begraven heeft, zonder dat de relt weet wat voor goederen sulx geweest zyn. — dat wanneer zy rec=te met de overi„ ge ged:e van de plaats van haar grootmoeder naar swellendam inhegtenis zyn overgebragt zy recte als toen gehoord had, dat hear oom Willem albregt aan haar recte suster Catryn gesegd heeft, als de Heeren haar weer na het een af ander mogte vregen, dat zy niets moest aan den dag bren gen, maer alleen zeggen dat het geen zy gesegd had door Jangst was gedaan. dat wanneer haar rel„te grootmoeder Regina Caabwaards haar zoude begeeven een dag te vooren questi geleesen was tusschen Hendrik Plovy zyn vrouw en gem: Regina zy recte als toen gehoord heeft dat martha de huysvrouw van Hendrik Plooy, aan haar man gesegd had in substantie gy zult gegeesseld gebrandmerkt en in de ketting op 't VEyland gebannen worden, en tegens de oude Regina gy zult in de logie komen en daar mandjes dregen; dat gem: Hendrik over die uytdrukkingen hi rad geworden was hy een stok genomen en daarmeede zyn vrouw geslagen en verder haar gevraagd had naer het slaan waarom zal ik op het Eyland komen, gem: martha geantwoord had over son dieven en schelmstukken. Betuygende de recte. dat toen de Jongens ter plaatse van haar moeder zoude geweest zyn zy niet te huys geweest maar haar bevonden heeft om te kuyeren, op de plaats van eene Bierwerd aldaar in de buurt woonende dus van het voorgevallene inkundig te zyn en nergens van te weeten. Niets meer relateerende geeft de relt: voor ree¬ denen van wetenschap als in den Text bereyd zynde zulx nader te bevestigen. Aldus gepasseert aan Cabo de goede hoop den 14 may 1787 voor de Heeren Christiaan Ludolph Neethling en Johannes Matthias Hletterman Leeden uit den Eagtbi raad van Justitie voormeld, die de minute deezes, beneevens den Compt en aen my getw: Clercq meede behoorlyk hebben onderteekend. — /:onderstond:/ 'T welk ik getuigen /:was geteekend:/ R: J: van der Riet gew: Clercq. O Recollement. Compareerde voor ons ondergeteekende gecommitt„s uyt den E agtb: raad van Justitie deeses gouvernements de slot ten totteine Jacomyn, dewelke dit haar voorenstaande relaas van woorde tot woorden klaar en duydelyk voorge leeden weesende verklaarde daarby te blyven persistee„ ren wet begeerte dat er niets meer bygevoegt ofte van gedaan werden zal en zyde dierhalven in praesentie van haar : haar grootmoeder de oude Regina haar vader Thijs albregt, haar oome Hendrik Plooy, mitsgaders de Ha tentotten, Claas Coerst, Daniel Paul en Willem Beerwer dat als het voorenstaande de zuyvere waarheyd is. — Aldus gerecolleerd aan Cabo den goede hoop den 28 maij 171 /:was geteekend:/— /:en daaromme geschreeven:/ dit kruys heeft de get: eygenhandig gesteld (:lager:) my praesent /:geteekend:/ R: J: van der Riet gew: Clercq /:in margene: als gecommitteerdens /:geteekend:/ C: Mattheessen en S: G: Maasdorp. /— Compareerde voor ons ondergeteekende gecommitteerdens uyt den E agtb: raad van Justitie deeses gouvernements den Burger se bestia Rotman van Competenten ouderdom dewelke ter requisitie van den koopman en Landdrost aan Swellerdam de Heer Constant van Nult onkruijt verklaarde waar ende waaragtig te zyn. dat den Compt des anderensdaags na de moord door reets g'ex cuteerden slaven gepleegd ter plaatsen van hem Comp„s g'e„ komen zynde, vermits hy dien nagt niet te huys was geweest, door eenen by hem sComp:t gewoond en meede geword zynde bur„ ger Joseph Cramer, in presentie van des Comp„s swager Jacobus Boshof is verstendigd geworden, dat hy Comp„t naar de paerden zien moest, dewyl hy wanneer de moordenaaren van zyn Comp=ts plaats waaren afgegaan, meede paarden van daar had horen meede neemen zynde de voorsz: paerden volgens zyn zeggen nog voorby een Sloot die besyden de wagenweg legt en alwaar hy zig verschoolen had gehouden heenen geree„ dat den Comp„s naderhand de paarden nagesien hebbende geene van deselve had vermist. — Betuygende den Compt„ dat alle de goederen die door hem met den Heer reqt. en gecommitt„de Heemraden, ter plaatze van de weduwe de plooy zyn ontdekt, blykens de daarvan zynde Jnventaris, veel gely„ kenis hebben na de goederen die voor het verleegender moorden ter zyner Comp„ts plaastze geweest zyn, egter kan den Comp„ts niet posi„ tief zeggen, dat het zyne goederen zyn, als meede betuygt den Compt dat voorsz: Cramer nog gesegt heeft, ik heb my onder het wa„ ter verschoolen gehouden, en myn hoofd met modder bestreeken op dat de moordenaaren my niet zoude verkennen, an„ ders had ik de paarden kunnen zien, want ze zyn digt voorby de sloot daar ik in was heenen geloopen. Betuygende den Compt. nog dat de wedee. de Plooy en haar Famille geduurig in vyandschap met des Comp„s vrouw ge„ leeft heeft, ende sulx om reeden, dat zyn Comp„s huysvrouw met hun geen doen wilden hebben — Nietsmeer verklaarende geeft den Compt voor reedenen van wetenschap als in den Taxt bereyd zynde sulx altoos met Eeden gestand te aven. Aldus gepasseerd aan Cabo de goede hoop de e —: den. —

NL-HaNA_1.04.02_10986_0439 view scan ↗

English

the 28th of May 1787. Before the gentlemen Clement matthiessen and Christiaan George maasdorp, members from the Honorable Venerable Council of Justice aforesaid, who duly signed the minute hereof alongside the appearer and me, the sworn clerk. Below stood: Which I witness. Was signed: R: J: van der Riet, sworn clerk. Review. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Venerable Council of Justice of this government aforesaid, Sebastiaan Rotman, who, this preceding declaration of his having been clearly and distinctly read out to him word for word, testified that he persisted therein, desiring that nothing more shall be added thereto or taken therefrom, and therefore spoke, in confirmation of the truth thereof, the solemn words: So help me God Almighty. Thus reviewed and sworn at Cabo de goede hoop on the 30th of May 1787. Was signed: C: Rothman. Lower: In my presence. Signed: R: J: van der Piet, sworn clerk. In the margin: As commissioners: J: Matthiessens, C: G: Maasdorp. Today, the 18th of June 1787. Appeared before me, Mr. Cornelis van Aerssen, secretary of the Honorable Venerable Council of Justice of this government, in the presence of the after-named witnesses, the burgher Johan George Wasserman, of competent age, who, at the requisition of the merchant and Landdrost at Swellendam, the gentleman Constant van nult en kruyt, declared it to be true: That when the burgher Joseph Kramer, being the person who was also wounded in the house of sebestia en Rotman, shortly after the murder was committed at the farm of Rotman, related to the appearer in what manner he, kramer, had received his wounds and had escaped from the house of rotman; the aforesaid Kramer had also added thereto that, having fled to the garden and still being in the middle of the night therein, during the time that he had stayed there, by the violence that he still heard at the farm, he had been able to surmise that the murderers could not have left yet, and that he, Kramer, furthermore, toward the first crowing of the cock, had heard a noise just like the commotion of horses. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons for his knowledge as in the text, being prepared, if required, to substantiate the same with oaths. Which thus occurred at the secretariat aforesaid in the presence of the clerks Willem Stephanus van Ryneveld and Nicolaas van Es, as witnesses who duly signed the minute hereof alongside the appearer and me, the sworn clerk. Below stood: Which I witness. Was signed: C: van Aerssen, secretary. Review. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Venerable Council of Justice of this government, the aforesaid burgher Johan george Wasserman, who, this declaration having been read out to him word for word, testified that he persisted therein, desiring that nothing more shall be added thereto or taken therefrom, except only that kramer had said to him, the appearer, that he heard a commotion or trampling of horses, testifying that all the foregoing is the pure truth. Thus reviewed at Cabo de goede hoop on the 20th of June 1789. Was signed: J: G: Wasserman. Lower: In my presence. Signed: R: C: van der Riet, sworn clerk. In the margin: As commissioners, and signed: W: F van Reede van oudshoorn, J: Smiets. Today, the 30th of July 1787. Appeared before me, Cornelis van Aerssen, secretary of the Honorable Venerable Council of Justice of this government, in the presence of the after-named witnesses, the slave Frits of the Cape, property of the former Burgher Councillor, the gentleman Johannes Munnik, of competent age, who, at the requisition of the merchant and Landdrost at swellendam, the gentleman Constant van nult onkruyt, declared it to be true and certain: That on a certain Sunday in the month of November of the just-past year 1786, the appearer, having gone with permission from his master aforesaid down to the Cape, since the appearer's master resides in the Garden, in order to amuse himself with a walk, around toward the evening, when the appearer wished to return again to his master, he was intercepted by the de Meuron guard and brought to the Tronck. That the appearer, being placed in one of the rooms in the Tronck, with a Buginese and an African, the latter-mentioned being the boy of the dragoon Velbron, without the appearer knowing the first-mentioned, yet well knowing that they both were accused of the murders at the farm of Sebastiaan

Dutch transcription

den 28 may 1787. voor de Heeren Clement matthiessen en Christiaan George maasdorp Leeden uijt den E Agtb: raad van Justitie voormeld, die de minute deeses benevens den Compt. ende my getw: Clercq meede behoorlyk hebben ondertien kend. — /:onderstond:/ 'T welk ik getuyge. /: was geteekend:/ R: J: van der Riet gem: Clercq. Recollement. Compareerde voor ons ondergeteekende gecommitt„s uit den E agtb: raad van Justitie deezes gouvernements voorm: Sebastiaan Rotman dewelke (deese zyne voorenstaande verklaaring van woorden tot woorde klaar en duydelyk voorgeleesen weesende, betuygde daarby te blyven per„ sisteeren, met begeerte dat ter niets meer bygevoegt ofte van gedaan werden zal, en sprak dierhalven ter beve„ tiging der waarheyd van dien der solemneele woorden so waarlyk help my god almagtig. Aldus gerecolleerd en b'Eedigt aan Cabo de goede hoop den 30 may 1787. /:was geteekend:/ C: Rothman /:lager:/ Iak my present /:geteekend:/ R: J: van der Piet / geww: Clercq /:in margine:) als gecommitteerdens J: Matthiessens C: G: Maasdorp. s geteekend:/ Huyden den 18 Juny 1787. Compareerde voor mi Mr. Cornelis van Aerssen secreteuis van den E agtb: reeden van Justitie dee„ des gouvernements, praesent de nagenoemde getuygen den Burger Johan George Wasserman van Compen tenten ouderdom dewelke der requisitie van den Coopman en Landdrost aan Swellendam de Heer Constant van nult en kruyt verclaarde hoe waar is. dat wanneer den Burger Joseph Kramer /: zyn de de persoon die in het huys van sebestia en Rotman meede is gequetst geworden:/ kort na dat de moord op de plaats van Rotman gepleegd, is aan den Compt. verhaeld heeft, op wat wyse hij kra„ met zyn woorden gekreegen had en uyt het huys van rotman ontkomen was; voortz: Kramer daar tevens hed bygevoegd, dat hy naarde tuyn gevlugt zynde, en zig nog in het mmidden van de nagt en deselve bevonden hebbende, als toen ge¬ duurende den tyd dat hy zig aldaar had opge„ houden door het geweld dat hy nog op de plaats hoorden had kunnen gissen dat de moordenaars nog niet moesten vertrecken zyn, en dat zy Kramer wyders, tegen het eerste haanen gekraay een geraas even als het gestommel van paerden vernomen had. — Niets meer verklaarende geeft den Comp„ voor redenen van wetenschap als in den Tyt bereyd zynde het zelve des vereyscht werdende met Eeden te 3 te staven. — Dat aldus passeerde ter secretarie voorm: ten by„ weesen der Clercquen Willem Stephanus van Ryne¬ veld en Nicolaas van Es, als getuygen die de minu te deeses beneevens den Comp„t ende my gem: Clercq meede behoorlik hebben onderteekend. — //:onderstond:/ 'T welk ik getuige /:was geteekend:/ C: van Aerssen secret. s — Recollement Compareerde voor ons ondergeteekende gecommitt„t uyt den E agtb: raad van Justitie deeses gouverne ments, voorm: g Jurger Johan george Wasserman, dewel ke deese verklaaring woordelyx voorgeleesen weesende betuygde daarby te blyven persisteeren met begeerte dat daer niets meer by gevoegt ofte van gedaan werden zal als alleenlyk dat kramer aan hem Compt gesegt had, dat hy een gestommel of getrap van waarden heeft gehoord, betuygende dat al het voorenstaande de zuyvere waarheyd is. - Aldus gerecolleerd aan Cabo de goede hoop aen 20 Juny 1789. — /:was geteekend:/ J: G: Wasserman /:lager my praesent /:geteekend:/ R: C: van der Riet gem: Clercq /:in morgine:/ als gecommitteerdens /: en geteekend:/ W: F van Reede van oudshoorn , J: Smiets. — Huyden den 30 July 1787 Compareerde voor my Cornelis van Aerssen secretaris uet den E agtb: raad van Justitie deeses gouvernements praesent de nagenoemde getuygen den Staaf Frits van de Caarlyf eygen van den oud Burgerraad de Heer Johannes Munnik van Competenten ouderdom dewelke ter requisitie van den koopman en Landdrost aan swellendam de Heer Constant van nult onkruyt, verklaarde hoe waar en waaragtig is. Dat op zekeren zondag in de maand november des even afgeweekene Jaars 1786, den Comp„s met permissie van zyne Zijheer voorm. na beneeden de Caab, ver„ mits des Comp„ts Lyfheer in de Tuyn woonagtig is, ge„ gaan zynde, ten eynde zig met wandelen te diver teeren, omtrent tegens den avond, wanneer de Comp weder te rug na zynen Lyfhier zig willende begeeven door de meuronse wagt was opgevangen en naar de Pronk gebragt. dat de Comp„e in de Pronk in een der vertrecken geplaatst zynde, met een Boegenees en afvicaander zynde de laatst„ gem: de Jonge van den dragonder Velbron, zonder dat de Comp„t de eerstgem: kend, egter wel weet dat zy beyden beschuldigt wierden aan de moorden ter plaatse van Sebastiaan

NL-HaNA_1.04.02_10986_0441 view scan ↗

English

Sebastiaan Rotman to have part, the last-mentioned departing youth conversing with the Buginese had among other things said, I will confess everything when the gentlemen question me, while the Buginese said, and I will not tell everything, I will only say that the six of us committed the murders, without more. Thus transacted in the Castle of Good Hope in the presence of the clerks Coenraad Nelson and Nicolaas van Es as witnesses, who have duly signed the original minute of this together with the appearer and myself, sworn clerk. Below was written, Which I witness, signed, C. van Aerssen, Secretary. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, the aforementioned slave Frits of the Cape, to whom this his foregoing deposition, having been read aloud word for word clearly and distinctly, declared that he persistently stands by it, with the desire that nothing more shall be added to it or taken away from it. Thus re-examined at Cape of Good Hope on the 31st of July 1787. Was signed with a mark, and written around it: this cross was set by the appearer's own hand as being unable to write. Below, in my presence, signed, R. J. van der Riet, sworn Clerk. In the margin, as commissioners, and signed, C. Matthiessen, C. G. Maasdorp. Sunday the 18th of February 1787. Present, the Merchant and Landdrost of Swellendam, Mr. Constant van Nult Onkruydt, together with the Heemraden the Honorable Petrus Pienaar, Jan Andries Holtshausen, and Hillegert Muller. Pursuant to the highly respected order and qualification of the Honorable Worshipful Council of Justice dated the 25th of January last, the undersigned, having betaken themselves to the place of Regina of the Cape, widow of the burgher Hendrik Plooy, in order to investigate there whether any stolen goods of the burgher Sebastiaan Rotman might be found there; having inspected everything in the presence of the aforementioned Rotman, together with the sister of his murdered wife Catharina Regina Rogge, housewife of the burgher Jacobus Nicolaas Boshof, who, knowing the goods of her deceased sister better than the oft-mentioned Rotman, was brought along at his request; found: In the chest of Hendrik Plooy: A piece of lining chintz, being similar in color and pattern to that from which the deceased had clothes. Another such piece of lining chintz. Yet another piece of lining chintz, similar to a small bag and skirt which the deceased had. A tin saffron box, the likes of which, the oft-mentioned Rotman says, were several in the drawers of the smashed-to-pieces cabinet in which the missing satin and the gold money had lain. Two newspapers, one dated 22 July 1784 and the other in which some cinnamon was rolled; the wife of Hendrik Plooy saying first that she had received the same from Andries Muller, but immediately thereafter that she had bought the cinnamon. A pair of blue stockings, which Hendrik Plooy says were sent to him by the burgher Engel at the Cape. Likewise a lot of yarn, of which some skeins were very entangled with one another, and was recognized by Rotman; and so far as that he had had some lots of such yarn; which yarn the aforementioned Plooy likewise says he received from the oft-mentioned Engel. Nothing being found in the chest of Regina of which the oft-mentioned Rotman or his sister had any knowledge; so the undersigned inspected the other house in which Thys Albrecht, likewise being a son of Regina, has his residence, and found there: A piece of linen which he claims to have bought directly at the Cape from Ary van Ventura, or to have been brought along for him by Sieuvert Laurens in Mossel Bay, stationed as a carpenter; which Laurens keeps a daughter of the abovementioned Albrecht as a concubine, and which linen, as appears from the accompanying report letter, the aforementioned Albrecht, having brought it after him to the place of the burgher Petrus Marais, is claiming for himself. Concerning which linen the oft-mentioned Rotman declares that he received two pieces of such linen from the burgher Jan Willem Zulch eight to nine days before the murder of his wife, in one of which was a spot on the fold just as in this piece of linen. A piece of fine linen, which the aforementioned Albrecht says he bought from the postholder Meeding. As well as a piece of linen which he says from the Cape [illegible] dated [illegible] in which [illegible] found.

Dutch transcription

Sebastiaan Rotman deel te hebben, den Laatstgem: afritaande Jongen tegens de Bougenees discoureerende onder anderen gesegt had, ik zal alles bekennen als de Heeren my kragen, terwyl de Bougenees zeyde en ik zal niet alles zeggen, ik zal maar zeggen dat wy de moorden met ons zessen hebben gedaan ton der meer. Aldus gepasseert In 't Casteel de goede hoop ter praesentie der Clercquen Coenraad Aelson en Nicolaas van Es als getuygen die de minute deezes beneevens den Comp„t ende my getw: Clercq meede be„ hoorlyk hebben onderteekend. /:onderstond:/ 'T welk ik getuijgen /:was geteekend:/ C: van Aerssen Secrets. Compareerde voor ons ondergeteekende gecommitt„s uijt den E agtb: raad van Justitie deezes gouvernements den voorm: Slaaf Frits van de Caab dewelke deese zyne voorenstaande verklaaring van woorden tot woorde klaar en duydelyk voorgeleesen weesende verklaarde daarby te blyven versisteeren met begeerte dat 'er niet meer bygevoegt ofte van gedaan werden zal Aldus gerecolleerd aan, Cabo de goede hoop den 31 July 1787. //: was geteekend:/ C /: en daaromme geschree„ ven:/ dit kruys heeft heer Comp„t als niet kunnende schryven eygenhandig gesteld. /:lager:/ my praesent /:geteekend:/ R: J: van der Riet gen: Clercq. / /:en margine:/ als gecommitteerdens /:en geteekend:/ C. Mappa C:G: Maasdorp. — Zendag den 18 February 1787. Praesentibus den Coopman en Landarost van Swellendam de Heer Constant van nult 6o onkruyt, beneevens de Heemraden d' E E: Petrus Sienaar, Jan Andries Holtshouten en Hillegert Muller. Ingevolge de zeer g'Eerde ordre en qualificatie van den E Agtb: raade van Justitie de dato 225 Jann: Jongstl: de ondergeteekende zig begeeven hebbende ter plaatse van Regina van de Caab Wedwe van den Burger Hendrik Plooy, ten eynde aldaar te ondersoeken of eenige gehoofde goederen van den Burger Gebas„ tiaan Rotman zig aldaar mogten bevinden; hebben alles visiteerende ten overstaan van gem. Rotman, benevens de suster van desselfs vermoorde vrouw Catharina Regina Rogge Recollement. N 23 ƒ Huisvrouw van den Burger Jacobus Nicolaas Boshof, dewelke als beter de goederen van haar overleedene suster kennende, als meerm:r Rotman op desselfs versoek is meede genomen; gevonden In de rist van Hendrik Plooi een Lapje voorChits gelyk zynde van Coleur en patroon als waarvan de overleedene kleederen heeft gehad. Een dito Lapje voer Chits, nog een Papje voerChits gelyk aan een sakje en rok welke de overleedene gehad heeft. ƒ Een blikke saffraan doosse welks gelyk meerm: Rot„ man verscheyde in de Raade van de aan stuk„ ken geslage kas waarin de vermiste satyn en het goud geld geleegen hebben, zyn geweest Twee Couranten de leen van dato 22 July 1784 en de andere in wat Caneel gerold was; zeggende de vrouw van Hendrik plooy, eerst deselve van Van andries muller gekreegen dog terstont daarop de Caneel gekogt te hebben Een paar blauwe kousen die Hendrik plooyzegt door den Burger Engel aan de Caab aan hem gestuurt te zijn Insgelyx een party gaarn, waarvan eenige strengen zeer door elkanderen verward waaren, en door Rotman erkend wierd; en zo verre dat hy diergelyk gaaren eenige partyen gehad hadde; welk garen gem: plooy insgelyk zegt van meer„ melde Engel gekreegen te hebben In de kist van regina niets gevonden werdende waaraan meerm: Rotman of desselfs suster eenige kennis hadde; zo hebben de ondergeteekendens het an„ der huys waarin Thys albregt zynde insgelyx een zoon van Regina, zyn verblyfhoud, gevisiteert en aldaar Een lap linnen welke hy regt aan de Caab van Ary van Bentura gekogt te hebben, of door Siewvert Laurens in de mosselbaay, als timmerman bescheyden voor hem meede gebragt te zyn welke Lautens een dogter van bovengem: albregt als by sit is houdende, en welk linnen by gem: Laurens blykens nevens gaande berigt brief door meerm: albregt op de plaats van den Burger Petrus mar agter nage¬ bragt zig is toeeigenende. omtrent welk linnen meer melde Rotman verklaard, dier gelyk linnen twee stuken ken van den Burger Jan Willem zulck agt a negen dagen voor het vermoorden van zyne vrouw ge„ kreegen te hebben, in een van het welke een vlak op de vrouw vouw even eens als in deese lap linnen was. Een stuk fyn linnen, welk gem: albregt zegt van den posthouder meeding gekogt te hebben als meede een stuk linnen welk hy zegt van de Caab geteg dato. . . . . waarin. ƒ gevonden.

NL-HaNA_1.04.02_10986_0443 view scan ↗

English

to have received. Furthermore, there was found an old shirt from which the name had been cut out; which shirt, having been measured around the neck of Rotman, was found to fit exactly; and the aforementioned Rotman says that some such shirts were sewn for him by the daughter of the Colony's precentor, the Honorable Harmen Scholts Havinga, and that the aforementioned young woman will certainly recognize her needlework. Furthermore, a quantity of yarn of diverse colors was found, which indeed was not recognized by Rothman as his; however, concerning which the undersigned offer for consideration for what purpose in a household of an unmarried Bastard so much yarn is used, or bought in stock. Furthermore, a piece of steel which Albregt says was found by his people on the path; the aforementioned Rothman saying that three or four such pieces of steel were given to him for safekeeping by the Honorable Esaias Meyer; and he placed them in the trade room, but due to the sad circumstances that followed shortly thereafter, he does not know whether he returned them. All of which goods, transmitted herewith, the aforementioned Rotman along with the sister of his deceased wife indeed do not dare to assert absolutely to be stolen goods; however, they presumed that they belong among the stolen goods. The aforementioned Rotman only testifies to recognizing the newspapers, and also that they were still at his house at the time of the murder. And concerning the statement of the wife of Hendrik Plooy: that she received the aforementioned newspapers from the Burgher Jan Andries Muller, the co-undersigned secretary, having encountered him at the place of the fellow Burgher Jacobus Nicolaas Boshof, in the presence of the aforementioned Rotman, Boshof, and Andries Auge, testifies never to have given a newspaper to the wife of the aforementioned Plooy, but indeed after the auction at the Keuning Klip gave her three or four pieces of cinnamon directly into her hand, without them being wrapped in paper. Thus hoping to have complied with the honored orders of your Honorable and Right Worshipful, we have the honor to let this serve as a dutiful report. Beneath stood: Swellendam, 22 February 1787. Was signed: Van Nultenkruyt, Petrus Pienaar, J: A: Holtzhausen, Hendrik Muller. Lower: present before me, signed: M: Blankensteyn, secretary. Pursuant to the interlocutory sentence pronounced on the 16th of this month, articles having been drawn up and handed over to the Right Honorable Lord President and further Council of Justice, in order that upon the requisition of the aforementioned Clerk of this Council, Ryno Johannes van der Riet, as qualified to attend to the affairs of the Landdrost of Swellendam, Regina of Bengal, widow of the late Hendrik Plooy, presently the Lord's prisoner, be heard thereon, her responses to be given being duly recorded in the margin hereof. Art: 1. To tell the prisoner beforehand that an appointment has been obtained by the Prosecutor to bring her, the prisoner, to further torture if she persists in her denial, and therefore to admonish her to tell the truth. Says yes. 2. Whether she, the prisoner, must not now confess that the answers given by her, the prisoner, in her previous interrogations are untrue and false. Says yes, and that they had shown her, the prisoner, a note which she could not read. 3. Whether she, the prisoner, must not now confess that in the month of October last, six boys were at her place, according to their pretense belonging to the butcher Van der Poel. Says that she told those boys that they should go to the place of Bastiaan Rotman to see whether they could steal goods there, and to share with her, without however having said that they had to murder there. 4. And that she, the prisoner, incited those boys to go steal at Rotman's, as well as to share that stolen property with her, the prisoner. [illegible] When and by whom the stolen goods of Rotman were brought to the place of the prisoner. Says towards daybreak by Hendrik Plooy, Thys Albregt the younger, Piet Sigueur, Claas Court, and Willem Biewerk. Which persons went to the place of Rotman to fetch the goods. Says the same ones. In what manner and among whom those goods were divided. Says after they had brought the goods, they [illegible] to Hendrik. There appeared today before us, the undersigned President and Members of the Honorable and Right Worshipful Council of Justice, Regina of Bengal, widow of the late Hendrik Plooy, who, notwithstanding having also yesterday endured a part of the torture without nevertheless having come to a confession, however now without being raised on the rack, and thus free of pain and bonds, has answered the adjoining questions in such manner as is noted opposite each of the same.

Dutch transcription

gekregen te hebben Nog wierd gevonden een oud hemd, waaruyt de naam, uytgesneeden was; welk hemd om de hals van Rot„ man gemeeten zynde, bevonden wierd net te passen; en zegt meerm: Rotman dat eenige diergelyke hem den voor hem door de dogter van 's Colonies voorleezer de Eersame Harmen Scholts Havinga genaayd zyn en dat gem: Jonge dogter haar naaywerk wel zal kennen. nog wierd een party gaarn van diversse Couleuren gevonden, dat wel niet door Rothman voor het zyne wierd erkend; edog waaromtrent de ondergeteekendens en Consideratie geven, waartoe in een huijshouding vanr een ongetrouwde Basterd zo veel gaarn gebruykt, of in voorraad gekogt word. nog een stukje staal welk albregt zegt door zyn volk op het spad gevonden te zyn; zeggende meerm: rothman: /dat door d' E Esaias Meyer aan hem drie vier diergelyke stukjes staal in bewaaring gegeeven zyn; en hy deselve in de negotie kamer heeft gelegt, Edog door de kort daarop gevolgde droevige omstan„ digheeden, niet te weeten of hy deselve te rug gegeeven heeft. alle welke goederen hiernevens overgaande meerm:s Rotman benevens de suster van zyn overleedene huys„ vrouw wel niet absoluut durven verseekeren gestoo„ eene goederen te zyn; egter praesumeerde dat onder de geroofde goederen behooren. — Alleenlyk betuygt meerm: Rotman de Couranten te kennen; mitsgaders dat deselve ten tyde der moord by hem in huys nog zyn geweest. — En aangaande het zeggen van de vrouw van Hen¬ drik Hlooys: dat zy gem: Couranten van den Burger Jan Andries muller, door den meede ondergeteekende secretaris ter plaatse van den meede Burger Jaco„ buis Nicolaas Boshof gerencontreert, ter praesentie van meerm: Rotman Boshof en andries auge be„ tuijgt, nooijd een Courant aan de vrouw van gem: plooij maar wel na de vendutie aan de keuning klip haar drie a vier stukjes Caneel bloot in de hantgegeeven te hebben; zonder dat deselve in papier gewonden ware„ dus hopende aan de g'Eerde ordres van uwelEdagtb„ voldaan te hebben, hebben wy de Eer desen te doen dienen voor schuldplgtig rapport./ — /:onderstond:/ Swellendam den 22 February 1787. /:was geteekend:/ van Nultenkruyt, Petrus Pienaar J: A: Holte„ hausen „ Hendrk Muller. /:lager:/ my praesent /:ge„ teekend:/ M: Blankensteyn secret. t „ 1 terte V0 Ingevolge het op den 16 deeser Articulen gedaan maaken zegt 3a zegt Ja, en dat zyl: haar get: gevelde vonnis Interlocretoir, is heeden voor ons ondergeteeken„ dens pesident en Leeden van den E agtb: raade van Justitie verscheenen Regine van Ben„ galen wedue wylen Hendrik plooy, dewelke niet tegenstaande ook op gisteren een gedeelte der Forthuir te hebben doorgestaan, zonder nogtans tot Concessie te zyn gekomen, evenwel lans zonder aan de plye te zyn opgehaald, en dus buyten syn en banden op de nevenstaande vragen zodanig heeft geantwoord als betyden een yver derselve staan aangeteekend een briefje vertoond hadden het welk zy niet konleesen. zegt dat zy die Jongens gesegd heeft, dat en dat zy gev: die Jongens heeft aange„ zynaar de plaats van Bastiaan set om bij Rotman te gaan steelen Rotman moesten gaan, om te mitsgad„s haar gev: ook van dat ge„ zien of zy daar goed konde steelen, roofde meede te deelen en aan taar meede te deelen, zon„ der nogtans gesegd te hebben dat zy daar moesten noorden. zegt tegens den dag door Hendrik Hlooy Thys albregt de Jonge Piet Sigueur, Claas Court zegt deselve zegt na dat zy het goed hadden aangebragt, zy aan Hendrik op wat wize en onder uren die goederen zyn verdeeld. welke persoonen zig om de goederen al te halen naar de plaats van Rotman hebben begeeven. wanneer en door wien de geroofde goe„ deren van Rotman op de plaats van de gev: gebragt zijn/. of zy gev: nu niet belyden moet dat in de maand october Laatstl: op haar Plaats zyn geweest zes Jongens volgens hun voorgeeven den slagter van der Poel toebehoorende. of zy gev: niet bekennen moet dat de antwoorden door haar gev: by haaren voorige verhooren gegeeven /onwaar en valsch te zyn de get: alvoorens te zeggen dat by den reg: r: O: is g'obtineerd appoincte„ menst om haar gev: indien zy by haar ontrentenis blyft ter schepper zamen te brengen en derhalven aan te maa„ nen de waarheid te zeggen. en aan den wel Edelen agtbaaren Heere President en verdere Raade van Justitie overgegeeven, omme daarop ter requisitie van den gem: Clercq deeses raads Ryne Johan„ nes van der Riet als tot het waar„ neemen der zaken van den Land„ drost van Swellendam gequaliti„ ceerd, gehoord te worden Regina van 2 Bengalen wedwe wylen Hendrik plooy, tans 's Heeren get: zullende haar te geeven resfensiven in mar„ gene deeser behoorlyk worden be„ kend gesteld. Art: 1. „ 2 „ 4 rad en Willem Bierwerk: — 24

NL-HaNA_1.04.02_10986_0445 view scan ↗

English

24 says that there were two bags, one completely full and the other half full, in which she believes linen was packed, and that she took a pair of silver buckles from one of those bags, which she gave to Heyntje de Plooy. further says that Piet Piqueur brought her, the prisoner, a bag with money, which she stored in a small chest, but is not certain whether it is currently buried with the other goods. whether she, the prisoner, must not confess to having given the very first inducement to the terrible murder committed at Rotman's, and to having known of it beforehand; says that she incited the boys to raid the place of Rotman, to steal the goods and give her a part, adding that the aforementioned Rathman was a merchant and thus had many goods in the house. Thus questioned and answered in the Shackle or Torture Chamber at the Cape of Good Hope on 19 June 1787, before the Honorable President Johannes Isaak Rhenius and the gentlemen Salomon van Echten, Johannes Smits, William Ferdinand van Reede van Oudshoorn, Christiaan George Maasdorp, Gerrit Hendrik Meyer, Christiaan Ludolph Neethling, Johan Coenraad Gie, Hendrik Justinus de Wet, Clement Mattheessen, and Johannes Matthias Bletterman, members of the Honorable Council of Justice aforementioned, who have properly signed the minute hereof along with the prisoner and me, the secretary. beneath stood: To which I testify, was signed: C. van Aerssen, secretary. Reconfirmation. Appeared before us, the undersigned from the Honorable Council of Justice of this government, the aforementioned Regina of Bengal, widow of Hendrik Plooy, to whom these preceding articles of inquiry, with her answers given thereto, were read out clearly and distinctly word for word, she testified that she persisted by them, with the desire that nothing more shall be added or removed, except only that her son Hendrik de Plooy, upon his coming home, had said to her, the prisoner, that in the house of Rotman he had seen a dead maid and blood lying in the front hall; she, the prisoner, having testified upon the question whether she knew what the word "raid" meant, that she meant nothing else by it than to run from one place to another. Thus done and reconfirmed outside of irons and bonds or any the least threat thereof, at the Cape of Good Hope on 20 June 1787. Was signed. And written around it: this mark was made by the prisoner's own hand. Lower down: in my presence, signed: C. van Aerssen, secretary. In the margin: signed: P. I. Rhenius, C. van Echten, Joh. Smits, J. M. Horak, C. G. Maasdorp, W. F. van Reede van Oudshoorn, G. H. Meyer, J. C. Gie, H. J. de Wet, and J. M. Bletterman. If the prisoner confesses to this and that, to then have her specifically state which goods were brought to her place and where they are presently located. Article 7. had said to just go and bury those goods, without knowing where they took them. 4 2 2 1 8 off Articles drawn up and handed over to the Right Honorable President Johannes Isaak Rhenius, together with the further Members of the Honorable Council of Justice, in order thereupon, at the requisition of the sworn clerk of this Council, Ryno Johannes van der Riet, acting in his official capacity for the Landdrost of Swellendam, Mr. Constant van Naeldwijck, to examine Hendrik de Plooy, now prisoner of the Court, whose responses to be given shall be properly recorded in the margin hereof. Pursuant to the interlocutory sentence mentioned on the 16th of this month, there appeared today before the Honorable Council of Justice the person of Hendrik de Plooy, who, although yesterday having endured a part of the torture without nevertheless wishing to confess, now upon the simple threat before being hoisted to the strappado, and thus outside of pain and bonds, gave such answers to the adjacent questions as are noted down beside them. The prisoner first being notified that the requisitioning officer has obtained an order to bring him, the prisoner, to a sharper examination if he persists in his denial. Whether he, the prisoner, must not confess that the answers given by him in his previous interrogations are false and untrue? Article 1 says Yes. Whether he, the prisoner, must not now confess that in the month of October at the place of his mother, where he, the prisoner, resides, there were six slaughter-boys? says Yes, and that they showed the note to him, the prisoner, but that he could not read. And that he, the prisoner, with the help of several Hottentots, transported the goods stolen by the aforementioned six boys from the place of Rothman on packhorses to the place of his mother? says Yes. 8

Dutch transcription

24 zegt dat er twee zakken zyn ge¬ weest de eene heel en de andere half vol, waarin zij meent dat linnen gepakt, en dat zy een paar zilvere gessen uit een van die zaken heeft gehaald, die zy aan Heyntje de Plody gegeeven heeft. zegt wyders dat Piet Pigueur aan haar gev: een zak met geld heeft gebragt, het welk zy in een klyn kistje heeft geborgen, dog niet zeeker is of het tans noet bij het andere goed begraven is zegt dat zy de Jongens heeft aangeset of zy gev: niet moet bekennen tot de om de Plaats van Rotman afte ysselyke moord by Rotman gepleegd loopen, het goed steelen en haar een gedeelte te geeven, met by„ de allereerste aanlyding gegeeven en voeging dat gem: Rathman daarvan bevoorens geweeten te hebben, één negotiant was, en dus veel goed in huijs had Aldus gevraagd en Bantwoord in de Boeyen of Pyn famee aan Cabo de goede Hoop den 19 Juny 1787 voor den E Agtb: Heer president Johannes Isaak Rhenius en de Heeren Salomon van Echten Johannes Smits William Ferdinand van reede van Oudshoorn, Chris„ liaan George Maasdorp, Gerrit Hendrik Meyer Christiaan Ludolph Feethling Johan Coenraad gie, Hendrik Juithnus de wet Mement Mat„ theessen en Johannes Matthia Bletterman Leeden uijt den E agtb: raad van Iustitie voormeld, die de minute deeses benevens den gev: ende my g secreta„ ris meede behoorlik hebben onderteekend. /:onderstond: 'T welk ik getuige /:was geteekend:/ C: van Aerssen secret„s — Recollement. - Compareerde voor ons ondergeteekende uyt den E Agtb: raad van Justitie deeser gouvernements voormelde Regina van Bengalen wedue Hendrik Olooy dewelke deese voorenstaande vraag articulen, met haar en daarop gegeevene responsiven van woorde tot woorde klaar en duydelyk voorgeleesen weesende, betuijgde zy daarby te blyven persisteeren met begeerte dat oo niets meer bygevoegt ofte van gedaan werden zal, als alleen dat haar zoon Hendrik de Plooy by zyn te huys komst aan haar gev: had gesegd, dat hy in het huys van Rotman een doode myd en bloed in het voorhuys had zien leggen: hebbende zy gev op de avrage of zy wist wat het woord afloopen beteekend, betuygd daar niets anders meede gemeend te hebben, als aan de eene plaats naar de andere te loopen. — Aldus gedaan en gerecolleerd buyten zyn van yser en banden ofte eenige de minste bedreeging zo de gev: het een en ander bekend haar als dan specificq te doen opgeeven, welke goederen op haar plaats zyn gebragt en waar zig deselve tans bevinden! Art: 7. had gesegd, om dat goed maar te gaan begraven zonder te weeten waar zy het gebragt hebben. — van 4 2 2 1 „ 8 af n zegt Ja zegt Ia, en dat zij het briefje aan hem get. vertoond hebben, dog dat hij niet kon leesen van dien, aan Cabo de goede Hoop den 20 Juny 1787. — /:was geteekend:/ — /: en daaromme geschreeven: dit kruijsheet & de gev: eygenhandig gesteld. /: lager:/ my praesent /: ge„ teekend:/ C: van Aerssen secret„s — /:in margine: /:geteekend:/ P: I: Rhenius, C: van Echten: JohC Smits, J: M: Horak, C: G: Maasdorp, W: F van reede van oudshoorn G: H: Meyer, J: C: gie H: J: de wet en J: M: Bletterman. Articulen gedaan maken Agtervolgens het op den en aan den wel EEdele agtbaaren 16 deeser gemelde vonnis Jnter„ Heere President Johannes Isaak locutoir is heeden voor den E. Rhenius, beneevens de verdere Agtb: raade van Justitie ver„ Leeden van den Edele agtbaaren scheenen de persoon, van raade van Justitie overgegeeven Hendrik de Plooy, dewelke omme daarop ter requisitie van hoe zeer ook op gisteren, zon„ den gesw: Clercq deeses reads der nogtans te hebben willen Confesseeren, een gedeelte der Ryno Johannes van der Riet, als Forstuur heeft doorgestaan in officio door den Landdrost van tans op het Simpele dryge„ swellendam de Heer Constant ment voor dat aan de olye van Naelt onkruijt ageerende was opgehaald en dus buyten gehoord te worden, Hendrik de pijn en banden op de nevenstaan¬ plooy thans 's Heeren get: zullende de vragen zodanige antwoor„ desselfs te geevene responsiven in den gegeeven heeft, als de ar„ mer gine deser behoorlyk worden bijstaan aangeteekend. aangeteekend. — den ges: alvoorens aan te zeggen dat by den reqt R: O: is g'onteneert appoinctement, om hem gev: indien hy by zyne ontkentenis blyft ter scheeper examen te brengen/. of hy get: niet bekennen moet, dat de antwoorden door hem by zyne voo„ rige verhooren gegeeven zyn valsch en onwaaragtig Art: 1 of hy gev: nu niet moet bekennen dat in de maand october op de plaats van zyne moeder, alwaar hy get: woonagtig is, zyn geweest ses slagterse Jongens En dat hy get: met behulp van ver„ scheydene Stottentotten het door voorsz: ses Jongens van de plaats van Rothman geroofde goed op pakpaarden naar de plaats van zyne moeder heeft vervoerd: Legt Ja „ ƒ 8

NL-HaNA_1.04.02_10986_0447 view scan ↗

English

Further articles drawn up and handed over to the gentlemen Commissioners from the Honourable Council of Justice of this government, in order to hear thereon, at the requisition of the sworn clerk of the said Council, namely Johannes van der Riet, acting in the office observing the affairs of the Merchant and Landdrost at Swellendam, the gentleman Constant van Nult Onkruyt qualified, the person of Hendrik de Plooy, whose responses to be given shall be noted in the margin of this document. Appeared before us, the undersigned Commissioners from the Honourable Council of Justice of this government, the person of Hendrik Willem de Plooy, who gave to the opposite interrogatory articles such answers as are recorded alongside each of them. Article 1. Where the goods and money are presently hidden. Says the goods were first buried, in the presence of those whom he has already named, near the house towards the side of Piet Marens. Article 2. Whether he, the witness, must not also confess to having known beforehand, together with his mother, of the murder and robbery committed at Rothman's. Says that the boys had told him, the prisoner, that they would raid the house at Rostman's and steal there. Article 3. Who accompanied the prisoner to Rotman's place, and how he, the witness, came by the goods there. States Willem Bierwerk, Claas Coert, and little Thys, with Piet Signeur joining them afterwards; that he found the goods there in the front room and packed them into bags he had brought with him, at which time he saw blood in the front room, as well as a maidservant lying dead before the chamber door. Article 4. Of what those goods consisted and among whom or in what manner the same were divided. Says that those goods consisted of white and blue linen, which they packed into two bags, and are presently buried between the witness's and Rotman's place with the intention that each should have a portion. Article 5. Where those goods are presently hidden, distinctly stating the same. Says that the goods are buried in the plain between the prisoner's and Rotman's place by him, the witness, Thys Albregt, Willem Bierwerk, Piet Signeur, Claas Coert, and the little Thys, which goods consisted of four pieces of linen. Article 6. Whether his mother gave him orders to go fetch the goods at Rotman's. Says yes, and that he told his mother at that time that he had seen the dead maidservant there. Says further that on the orders of his mother he rode there. Article 7. Who carried the money and what the prisoner's mother said when he came home with the goods. Says that she was glad when he brought the goods. Says that Piet Signeur carried the money, and that the same is buried with the goods a quarter of an hour from the place, on the road going to Hartenbosch, against a mountain in a plain, where it is presently located. Thus questioned and answered in irons or in his chamber at the Cape of Good Hope, the 19th of June 1787, before the Honourable President Johannes Isaak Rhenius and the gentlemen Salomon van Echten, Johannes Smuts, Willem Ferdinand van Reede van Oudtshoorn, Christiaan George Maasdorp, Gerrit Hendrik Meyer, Christiaan Ludolph Neethling, Jan Coenraad Gie, Clement Matthiessen, Hendrik Justinus de Wet, and Johannes Matthias Bletterman, members from the Honourable Council of Justice here, who duly signed the minute hereof together with the witness and me, the Secretary. Underneath stood: Which I witness. Was signed: C. van Aerssen, Secretary. Re-examination. Appeared before us, the undersigned members from the Honourable Council of Justice of this government, the person of Hendrik de Plooy, who, having had these preceding interrogatory articles, with the answers given thereto, clearly and distinctly read out to him word for word, testified that he persisted therein, desiring that nothing more should be added or taken away, except only that he did not see the wooden [illegible] of Daniel Paul at Rotman's place. Thus done and re-examined without the pain of irons and bonds or any the least threat thereof at the Cape of Good Hope, the 20th of June 1787. Was signed: an X mark, and written around it: this cross was made by the prisoner's own hand. Lower stood: In my presence. Signed: C. van Aerssen, Secretary. In the margin was signed: J. I. Rhenius, S. van Echten, Joh.s Smuts, C. M. [illegible], C. G. Maasdorp, W. F. van Reede van Oudtshoorn, G. H. Meyer, J. C. Gie, H. J. de Wet, J. M. Bletterman.

Dutch transcription

zegt dat die goederen hebben Art: 4. bestaan en wit en blaauw linnen het welk zy in twee zakken hebben gepakt, en tans tusschen des get: en Rotmans plaats begraaven met oogmerk dat yder een portie zoude hebben. Legt Willem Bierwerk, Claas Coert en klyne Thys zynde piet signeur daar naderhand byge„ komen, dat hy het goed deor in het voorhuys gevonden; en in zakken die hy meede gebragt had gepakt heeft, als wanneer hyj bloed in het voorhuys heeft gesien; als meede een meijd dood leggen voor de Kamer deur zegt dat de Jongens hem gev: had„ den gesegd, dat zy het huys by Rostman zouden afloopen en aldaar steelen. zegt dat de goederen in de vlakte tusschen des gev: en Rotmans plaats begraven zyn door hem get: Thys albregt, Willem Bierwerk Piet Signeur Claas Coert en de Klyne Thys welke goederen bestaan hebben en vier stukken linnen. zegt Sa en als toen aan zyn hy daar die doode meyd gesien heeft. — zegt, dat zy blyde was toen hy het goed bragt. zegt dat Piet Figueur het geld by de goederen begraven is een quartier uurs van de plaats, de weg gaande na hartenbosch, tegen een berg in een gedragen heeft, en dat hetzelve waar het zelve tans is. Aldus gevraagd en beantwoord in de boeyen of syn Camer aan Cabo de goede hoop den 19 Juny 1787 voor den E agtb: Heer President Johannes Isaak Rhenuis en de Heeren Salomono van Echten Johannes Smuits William Ferdinand van reede van oudshoorn, Christiaan George Maasdorp wie het geld heeft gedragen en wat des gev: moeder gesegd heeft toen hy met het goed te huys kwam . zigt nader dat hy op gesegde van zyn moeder daarna toe gereeden is. of zyn moeder hem last gegeeven gaan halem. moeder verhaald te hebben, dat heeft, om het goed by Rotman te zyn deselve distinct op te geeven. waar die goederen tans verborgen of hy get: ook niet moet bekennen beneevens zyne moeder te vooren van de moord en roof bij Rothman gepleegd geweeten te hebben! wie den gev: naar de plaats van Rotman heeft verseld, en hoedanig hy get. aldaar aan het goed geko„ men is: waarin die goederen hebben bestaan en onder wie of op wat wise deselve verdeelt zyn. gerrit vlakte. „10 „ 5 Gerrit Hendrik Meyer, Christiaan Ludolph Neeth„ ling, Ian Coenraad gie, Clement Matthiessen, Hendrik Justinus de wet en Johannes Matthias Bletterman Leeden uyt den E agtb: raad van Justitie alhier, die de minute deeses beneevens de get:/ ende my Secretaris meede behoorlyk hebben onderteekend. — /:onderstond:/ 'T welk ik getuijge (:was geteekend:/ C: van Aerssen secret„s Recollement. Compareerde voor ons ondergeteekende Leeden uyt den E Agtb: raad van Justitie deeses gouvernements den persoon van Hendrik de Plooy dewelke deeze zyne voorenstaande vraag articulen, met de daarop gegeevene antwoorden van woorde tot woorde klaarsen duydelyk voorgeleesen weesende betuygde zy daarby te blyven persisteeren met begeerte dat 'er niets meer bygevoegt ofte van gedaan werden zal: als alleen dat by den Holten tot Daniel 8 paul ter plaatse van Rotman niet heeft gesien. —. Aldus gedaan & gerecolleerd buyten pyn van ysers en banden ofte eenige de minste bedreyging van dien aan Cabo, de goede hoop den 20 Juny 1787. /:was geteekend:/ J C: en daaromme geschreeven dit kruys heeft der gen: eygenhandig gesteld. – /:lager:/ my praesent /: geteekend: C: van Aterssen secrets.— /:5 / margine:/: geteekend:/ P: S: Rhenius, I: van Echter Joh„s Smuts, I: M: Herak, C: G: Maasdorp W: F: van Reede van oudshoorn: G: A: Meyer J: C: Gie, H: C: de Wet= J: M: Bletterman Ze Compareerde voor ons onderge¬ teekende gecommitt„s uijt den E agtb: Raad van Justitie dee„ zes gouvernements den persoon van Hendrik Willem de Plooy dewelke op de nevenstaande vraag afticulen sodanige ant„ woorden gegeeven heefft, als bedyden een yder derselver staan aangeteekend. Art1. zegt de goederen de eerste rys waar de goederen en geld tans verborgen zyn. in presentie van de geenen die hij reeds opgenoemd heeft by het huys naar de kant van Piet Marens zyn begraven geweest Nog nadere articulen gedaan maaken en aan Heeren gecommitteer„ dens uyt den E agtb: raade van Jus¬ titie deeses gouvernements overgegee„ ven omme daarop ter requisitie van den gesw: Clercq bi welgem: raade vij¬ no Johannes van der Riet, als in officie ter waarneeminge der zaaken van den koopman en Landdrost aan Swellendam, de Heer Constant van Nult onkruit gequalificeert, te worden gehoord, den persoon van Hendrik de Plooy, zullende des„ selfs te geevene respensiven en margine deeser worden bekend gesteld. 2 g

NL-HaNA_1.04.02_10986_0449 view scan ↗

English

says Yes. says that in the morning he saw two boys on the farm, but paid no attention to them. says no. says no one other than his brother Thys. Thus questioned and answered at Cabo de goede hoop on 20 June 1787 before the Honorable William Ferdinand van reede van Ouxshoorn and Johannes Smiets, Members of the Honorable and Worshipful Council of Justice aforesaid, who together with the aforesaid and me, the sworn Clerk, have duly signed the minute hereof. Was below: Which I witness. Was signed: J van Aerssen, Secretary. Articles drafted and delivered to the Most Honorable and Worshipful Mr. Johannes Isaak Rhenius, President, together with the further Honorable and Worshipful Council of Justice, in order that Thys albregt the elder be interrogated thereon at the requisition of the sworn Clerk of the said Council, Ryno Johannes van der Riet, acting ex officio in qualification for the Landdrost of Swellendam, Mr. Constant van Nult onkruyt, and his responses shall properly be recorded in the margin hereof. The prisoner first to be notified that the requisitioning officer ex officio has obtained an order to bring him to sharper examination if he persists in his denial, and therefore to admonish him to speak the truth. Article 1 Whether he, the prisoner, must not admit that the answers given by him, the prisoner, during his previous interrogations, are false and untrue. Whether he, the prisoner, must not confess to having seen and spoken with the butcher's boys who were at the farm of the prisoner's mother in the month of October last. And likewise to know or have had knowledge of the order given to them by the prisoner's mother, namely to pillage Rotman. Pursuant to the decree dated 14 June 1787, on this day, the 18th of this month, appeared before the Honorable and Worshipful Council of Justice of the Castle of Good Hope, in the shackles or torture chamber, the Thys Albregt the elder named herein, who, without being attached to the rack and thus free of pain and bonds, answered the following questions as recorded beside each. and afterwards retrieved from there again by him, the prisoner, and his brother Thys, and brought against a mountain over which the road passes towards Welbedagt in the country. Article 2 Who was present there. says he heard that Hendrik brought those goods. says he was present at the first burial, but not at the second, but does not know what those goods consist of. Whether he, the witness, can now still deny that he helped conceal those goods and also enjoyed a portion thereof for himself. says to have seen that they took the goods away to bury them, and to have had nothing for his share. says he was subsequently present at the burying. says Yes. by whom the goods plundered from Rotman were brought to the farm of the witness's mother. Article 4 Whether he, the prisoner, will not now also admit to having beaten his son Thys albregt the younger on the morning when he came home on horseback with Hendrik de Plooy, and specifically for the reason that he had gone along to fetch the goods of Rotman without the witness's prior knowledge. Whether he, the prisoner, does not know where those goods are presently concealed and what they consist of! Thus questioned and answered in the shackles or torture chamber of the Castle of Good Hope on 18 June 1787, in the presence of the Honorable and Worshipful President, Johannes Isaak Rhenius, together with Messrs. Salomon van Echten, Johannes Smits, Christiaan George maasdorp, William Ferdinand van reede van Oudshoorn, Gerrit Hendrik Meyer, Christiaan Ludolph neethling, Johan Coenraad gie, Clement matthiessen, Hendrik Justinus de wet, and Johannes Matthias Bletterman, Members of the Honorable and Worshipful Council of Justice aforesaid, who together with the prisoner and me, the Secretary, have duly signed the minute hereof. Was below: Which I witness. Was signed: C: van Aerssen, Secretary. Pursuant to the decree dated the day before yesterday, appeared on this day before the Honorable and Worshipful Council of Justice at Cabo de goede hoop, in the shackles or torture chamber, the Hottentot Daniel Paul, who, without being attached to the rack and thus free of pain and bonds, answered the adjacent questions as recorded beside each of them: Articles drafted and delivered to the Most Honorable and Worshipful Mr. President together with the further Honorable and Worshipful Council of Justice of this government, in order that Daniel Paul be interrogated thereon at the requisition of the sworn Clerk of the said Council, Ryno Johannes van der Riet, acting ex officio for the Landdrost of Swellendam, Mr. Constant van Nult onkruyt.

Dutch transcription

zegt Ia zegt 's morgens twee Jongens op de plaats gesien, dog geen agstap deselve geslagen te hebben zegt neen. zegt niemand als zyn broeder Thys Aldus gevraagd en beantwoord aan Cabo de goede hoop den 20. Juny 1787 voor de Heeren William Ferdinand van reede van Ouxshoorn en Joh„s Smiets Leeden uijt den E agtb: raad van Justitie voormeld, die de minute deezes beneevens den gen: ende my getw: Clercq meede behoorlyk hebben onderteekend. — /. /:onderstond:/ 'T welk ik getuyge /:was /geteekend:/ J van Aerssen secret„s Articulen gedaan maaken en aan de wel Edele Agtb: Heere Johannes Isaak Rhenuis president, benevens den verderen Edele agtb: Raade van Justitie over„ gegeeven, omme daarop ter requisitie van den gesw: Clercq van welgem: raade Ryno Johannes van der Riet, die ingevolge qualificatie voor den Landdrost te Swellendam de Heer Constant van Nult onkruyt r: O: ageert, ondervraagd te worden Thys albregt de oudte, zullende des„ selfs responsiva in margine deeser behooren te worden bekend gesteld de gev: alvoorens aan te zeggen dat by den requirant r:O: is g'obtineert appoinctement, om hem ges: indien hy by zyne ontkentenis blyft, ter„ scherper zamen te brengen, en dier„ halven aan te maanen de waarheyd te zeggen Art 1 of hy gev: niet bekennen moet dat de ant„ woorden door hem gev: by zyne voorige verhooren gegeeven, zyn valsch en onwaar agtig. of hy gev: niet moet belyden dat de slagters jongens welke in de maand october Laatstl: op de plaats van des gev: moeder geweest zijn te hebben ge¬ sien en gesprooken. En zo meede te weeten of kennisse gehad te hebben van de last welke hun door des gev: moeder om na„ mentlyk by Rotman te spolicee„ ren gegeeven is. Agtervolgens het gewysde de dato 14 Juny 1787 is, op heeden den 18 deeser voor den E agtb: raad van Justitie des Casteels de goede hoop in de boeyen of pyncamer verschee„ nen den hiernevens genoemden Thys Albregt de ouden dewelke zonder aan de plye vastgemaakt te zyn, en dus buyten pyn en „banden op de onderstaande vragen sodanig heeft geantwoord als ter zyden van een yder staan aan„ geteekend. — en naderhand door hem gev: en zyn broeder Thys van daar weer uytgehaald, en gebragt tegens een berg daar de weg overgaat na welbedagt in het land. Art: 2 Wie daarby praesent geweest zyn. - J „ 2 N„ 3 zegt gehoord te hebben dat Hen„ zegt wel by de eerste begraving, maar niet by de tweede te zyn geweest dog niet te weeten waarin die goederen bestaan. of hy get: nu nog kan ontkennen dat hy zegt te hebben gesien dat zy het goed die goederen heeft helpen verdonkeren hebben weggebragt om te begra„ en van deselve ook een gedeelte voor ven en niets voor zyn aandeel zig te hebben genooten. te hebben gehad zegt nader present by het begraven te zyn geweest. — zegt Sa drik die goederen gebragt heeft deren op de plaats van des get: moeder zyn gebragt. door wie de by Rotman geroofde goe„ Art: 4 of hy gev: tans ook niet zal bekennen zynen zoon Thys albregt de Jonge den morgen wanneer hy met Hen„ drik de Plooy te paard is te huys ge¬ koomen te hebben geslagen, en wel om reedenen dat hy zonder 's get. voor„ kennisse tot het afhaalen der goederen van Rotman was meede gegaan of hy gev: niet weet waar die goederen tans verborgen zyn en waarin de zelve bestaan! Aldus gevraagd en beantwoord in de boeyen of Syn Camer des Casteels de goede hoop den 18 Juny 1787 ten over¬ staan van den E agtb: Heer president Johannes Staak Rhenuis mitsgaders de Heeren Salomon van Echten„ Johannes Smits, Christiaan George maasdorp, Wil„ liam Ferdinand van reede van Oudshoorn, Gerrit Hendrik Meyer, Christiaan Ludolph neethling, Jo¬ kan Coenraad gie Clement matthiessen Hendrik Justinus de wet en Johannes Matthias Bletterman Leeden uit den E agtb: raad van Justitie voormeld, die de minute deeses beneevens den gev: ende my secretaris meede behoorlyk hebben onderteekend. — 1 /:onderstond. 'T welk ik getuigen //:was geteekend:/ C: van Aerssen secret„s Agtervolgens het gewysde van Eergisterigen datum, is op heeden voor den E agtb: raade van Justitie aan Cabo de goede hoop en de boeyen of zyn Camer verschee„ nen den Hotten tot Daniel paul, dewelke zonder aan de plye vast gemaakt te zyn en dus buyten zyn en banden op de ne¬ venstaande vragen zodanig ge„ antwoord heeft als besyden een yder derselver staan aan¬ geteekend: Articulen gedaan maken en aan den wel Edele agtb: Heere Praesident beneevens den verderen Edele agtb: raade van Justitie deeses gouvernements overgegeeven omme daarop ter requisitie van den gesw: Clercq by opgem: raade Ryno Johannes van der Riet, als in officio voor den Landdrost aan swellendam de Heer Constant van Nuelt onkruyt ageerende te worden ondervraagd daniel Paul 3 6 2

NL-HaNA_1.04.02_10986_0451 view scan ↗

English

Paul Hottentot, whose answers to be given will be recorded in the margin hereof. Article 1. The prisoner was first notified that the plaintiff ex officio has obtained an order to put the prisoner to the question under torture if he persists in his denial, and was therefore exhorted to speak the truth. Article 2. Whether the prisoner must not now confess that during the recent barley harvest he stayed with the widow Plooy, that six butcher boys arrived at that farm at that time, and that these boys were sent out by the aforesaid widow de Plooy to rob and steal at Rotman's. Answers that living with Besuydenhout, and having been sent out by him to gather people, he met said slaves and Hottentots, together with Hendrik de Plooy, on a crossroad situated close to the farm of Daniel Swart, and that these persons then told him, the witness, that he had to go along with them, without having revealed to him at that time that they had such heinous intentions, and that in compliance therewith he had gone along, and had been inside the house, but had stood by the kitchen door when the murders occurred, and thus did not know who committed them. Article 3. Whether the prisoner did not, together with several Hottentots and some sons of the widow de Plooy, fetch the stolen goods from the farm of Rotman and bring them to that of the said widow, and to name them as far as he knows. Answers that he left them at the aforesaid crossroad when he, the witness, rode to Jan Barnart. States their names to be Hendrik de Plooy, Thys, Albregt the Younger, Phet Sequeur, Claas Coert, Willem Bierwerk, Steyntje de Plooy. Article 4. In what manner those goods were divided, and what he, the witness, received for his share. Answers that he received nothing of it, but that a part was promised to him which he would receive later; furthermore, that he does not know how that division took place, only that the goods were packed into two sacks and the prisoner was told not to speak of it. Article 5. Whether some of those goods were not buried, and whether he, the witness, did not assist therewith. Answers that he knows nothing of it. Article 6. Whether the prisoner was not present at the committing of the murders at the farm of Rothman. Answers as before. Answers that having stood outside, he heard the woman screaming and saying, "Rather take my goods than my life," and that he, the witness, further said to Hendrik de Plooy, "Will that go well? If I had known that, I would not have gone along." Article 7. Whether the prisoner, when the stolen goods were removed from that farm, did not see the wounded woman and children lying there dying, without offering them the slightest help or assistance. Answers [illegible]. Article 8. Whether the prisoner must not confess that the answers which he, the witness, gave in his previous interrogations are false and mendacious. Answers yes. Thus questioned and answered in the prison or torture chamber at the Cape of Good Hope on 18 June 1787, in the presence of the Honorable President Johannes Isaak Rhenius, together with the gentlemen Salomon van Echten, Johannes Smits, Christiaan George Maasdorp, William Ferdinand van Reede van Oudtshoorn, Gerrit Hendrik Meyer, Christiaan Ludolph Neethling, Jan Coenraad Gie, Clement Matthiessen, Hendrik Justinus de Wet, Johannes Matthias Bletterman, members of the Honorable Council of Justice aforesaid, who have duly signed the minute hereof along with the interrogator and myself, the Secretary. Below stood: Which I certify, was signed: C: van Aerssen, Secretary. Review. Appeared before the Honorable Council of Justice of this government aforesaid Daniel Paul, to whom these his preceding interrogation articles, with his responses given thereto, having been read clearly and distinctly word for word, testified that he persisted therewith, desiring that nothing more be added thereto or taken therefrom. Thus reviewed outside of irons and bonds or any the least threat thereof, at the Cape of Good Hope on 19 June 1787, was signed. And written around it: this cross the prisoner made with his own hand. Lower: signed by me. Present, signed: C: van Aerssen, Secretary. In the margin: signed: J: I: Rhenius, van Echten, Joh.s Smits, C: G: Maasdorp, W: F: van Reede van Oudtshoorn.

Dutch transcription

zegt Sa zegt dat hy by Besuydenhout wonende, of hy gev: nu niet moet belyden dat hy en door denselven uytgesonden zynde geen in de Jongste garst oogst zyn ver„ om volk te helen, gem: slaven en blyf heeft gehouden, by de wedwe Plooi Hottentotten, beneevens Hendrik per in die tid zes slagters Jongens de plooy had ontmoet op een meede op die plaats gekomen zyn, en kruyspad geleegen, digt by de dat deese Jongens door voorsz: wedwe plaats van Daniel Swart de plooy zyn afgesonden om bij Rotman en dat als toen die persoonen te Crooven en te steelen! hem get: hadde gesegd van meede te moeten gaan zonder hem nog thans als toen te hebben geopenbaard, dat zy zulke gruwelyke voorneemens hadden, en dat hy in voldoening daaraan was meede gegaan, en het binnen het huys is geweest, dog aan de Combuys deur te hebben gestaan, toen de moorden geschied zyn, en als niet te weeten ure meede gewoord heeft. of hy gev: niet met verscheyde slot„ zegt deselve op het voorsz: kruys„ ten totten en eenige zoons van pad te hebben gelaaten wan„ de wedwe de plovy de gewolden neer hy get na Jan Bar¬ goederen van de plaats van nart is gereeden. — Rotman gehaald, en naar die„ Legt hunne namen te zyn van gem: wedwe gebragt heeft Hendrik de Plooy, Thys Zosa, deselve oor zo verre hy Albregt de Jonge Phet weet met name op te geeven. Sequeur Claas Coert Willem Bierwerk Steyntje de plooy op wat wyze die goederen ver„ zegt daarniets van te hebben gekreegen, dog aan hem deeld zyn, en wat hy get: voor een gedeelte beloofd te zyn zyn aandeel heeft genooten. dat hy naderhand zoude ontfangen, wyders niet te weeten hoe die verdeeling geschied is, dog alleen dat de goederen in twee Lakken zyn gepakt en hem gev: is aangesegd daer niet van te spreeken. of hy gev: niet bekennen moet dat de antwoorden, welke hy get: by zyne voori„ ge verhooren gegeeven heeft zyn .valsch en leugenagtig. Art: 1 den gev: alvoorens aan te zeggen, dat by den requirant R: O: is g'obtineert ap„ poinctement om hem gev: indien hij by zyne ontkentenis blyft ter scher„ per xamen te doen brengen en dier halven aangemaand de waarheyd te zeggen. Paul Hottentot, zullende desselfs te geevene antwoorden in margine deeser worden bekend gesteld. 8 1 8 3 8 2 „ 4 zegt daar niets van te weeten zegt als vooren zegt dat hy buyten gestaan hebbende de vrouw heeft horen schreeuwen en zeggen: beneem„t my liever myn goed als myn leeven dat hy get: voorts te„ gens Hendrik de Plooy had gesegd: zal dat zo goed gaan als ik dat had geweeten dan had ik niet meede gegaan. O Aldus gewaagd en beantwoord in de Boeyen of pincamer aan Cabo de goede Hoop den 18 Juny 1787, ten overstaan van den E agtb: Heer praesident Johannes Isaak Rhenius mitsgaders de Heeren Salomon van Echten Johannes Smits, Christiaan George Maasdorp, William Herdinand van Reede van oudshoorn Gerrit Hendrik Meyer Christiaan Ludolph Neethling, Jan Coen raad gie, Clement Matthiessen, Hendrik usti„ nus de wet, Johannes matthias Bleetterman Leeden uyt den Eagtb: raad van Justitie voormeld die de minute deeses beneevens den g'interro„ geerde en den my Secretaris meede behoorlyk hebben onderteekend. — /:onderstond:/ T welk ik getuigen /:was geteekend:/ C: van Aerssen secrets 1 4 1 Recollement. Compareerde voor den E agtb: raad van Justitie deezes gouvernements voorm: daniel Paul dewelke deeze zyne voorenstaande draag articulen, met zyne daarop gegeevene respensiven van woorden tot woor„ de klaer en duydelyk voorgeleesen weesende, be„ tuygde daarby te blyven geisisteeren met begeerte dat er niets meer bygevoegt ofte van gedaan werden Aldus gerecolleerd buyten zijn van ijzers en banden ofte eenige de minste bedreyging van dien„ aan Cabo de goede hoop den 19 Juny 17887 /:was geteekend://. /:en daaromme geschreeven dit kruys heeft de gev: eygenhandig gesteld. /: lager:/ my geteekend.) praesent /:geteekend:/ C: van Aerssen secrete /:in margine: /: geteekend:/ J: J: Rhenuis /: van Echten, Joh„s Smits C: G Maasderp W:F: van Heede van Ouashoorn zaen. — of hy gev: toen de geroofde goederen van die plaats zyn vervoerd niet de ge„ grietste vrouw en kinderen aldaar zieltogende heeft zien leggen, zon„ der deselve de geringste hulp of bystand te bieden. of hy gev: niet by het plegen der moorden op de plaats van Rothman is present geweest! „ 6. Art: 5 of zommige van die goederen niet zyn begraven, en of hy get: daarby niet meede heeft g'adsisteerd te „ „ 1 2 ƒ

NL-HaNA_1.04.02_10986_0453 view scan ↗

English

F: H: Meyer C: L: Neethling H: C: de wet C: Matthiessen, J: M: Bletterman. Whereas Regina van Bengalen widow Hendrik de Plooy aged by her account 50 years and the Hottentots Willem Ruyterbosch aged by estimation 30 years, Claas Coert also aged by estimation 30 years, Piet Pikeur aged by estimation 40 years, Daniel Paul aged by estimation 30 years, together with the persons of Thys Albregt the younger aged by his account 15 years, Thys Albregt the elder aged as is estimated 40 years, now prisoners of the Crown, have confessed, most voluntarily, but some under torture, yet subsequently without pain or compulsion of irons or bonds or even the least threat thereof, having persisted therein during the formal review of their testimony, and it having become evident to the Honorable Court of Justice of this government from the further documents furnished in the trial: That when a certain Heyntje de Plooy found himself around the middle of the month of October of the past year on the road near the Gourits River, he was met there by six slaves unknown to him, who, having asked him where he was going and upon receiving the answer that his journey was directed to the farm of the widow de Plooy, having replied thereto: whether the farm of that widow de Plooy was still situated far from there? and upon the explanation given thereof by the said Heyntje de Plooy, went along with him to the said farm, while they further asked him, Heyntje de Plooy, whether there were still many wethers for sale, whereto it was answered by him, Heyntje de Plooy, that he did not know: that they subsequently having arrived there at the place, and the said six slaves having immediately presented themselves as butcher's boys who were on an expedition for their master to buy up wethers, just as they had also equipped themselves with a forged pass in order to lend greater credence to this pretense of theirs, yet not long thereafter made known their wicked design to the widow de Plooy, or the 1st defendant herein, and her son Hendrik de Plooy, and that they were only out to enrich themselves through stealing and robbing. That she, the 1st defendant, thereupon informed the aforesaid slaves that the burgher Sebastiaan Rotman, living there in the neighborhood, was a trader and consequently had many goods and money in the house, that they therefore should raid his place and give her, the said person, a portion of the booty, adding that so that they could carry out this damnable intention of theirs all the more easily, she would send some of the Hottentots in her service along thither to collect the stolen goods, while her aforementioned son would assist them further therein, though she, the 1st defendant, during the formal review of her answers given in the council chamber, testified that she had not used the word raid in its true sense, and had only meant thereby: to run from one place to the other, which nevertheless from the confluence of circumstances can by no means be accepted as credible. That the aforesaid slaves thereupon kept themselves hidden in that neighborhood for several more days, namely four of them during the day in the bushes, and two with the said widow de Plooy in the house, while all six of them returned there into the house at night, presumably to concert the means to this their accursed objective all the better, according to their thoughts, with the 1st defendant and her son Hendrik de Plooy: it finally and indeed on the 21st of the aforementioned month of October happened that these abominable monsters appear to have cast off all humanity to commit the most gruesome murder and robbery that could possibly arise in the thoughts of a reasonable creature, and at the least thought of which a barbarian himself must shudder. That then finally the fateful moment having arrived when the said six slaves, on the instigation of the widow de Plooy, had to put into execution their accursed attack on the homestead of Rotman, the said widow, in order to fulfill her promise, ordered the 2nd, 3rd, and 4th prisoners and the said Heyntje de Plooy to proceed with them to the aforesaid farm, while she had those of the prisoners who were not present at the time called away from their work for that purpose, and to the fourth prisoner, when he showed himself reluctant to comply with this, said in substance: you must go. That they, the 2nd, 3rd, and 4th prisoners, with the said Heyntje de Plooy

Dutch transcription

:gie F: H: Meyer C: L: Neethling H: C: de wet C: Matthiessen, J: M: Blet„ terman. Aangesien Regina van Bengalen wedwe Hendrik de Plooy oud na haar zeggen 50 Jaaren en de Hottentotten Willem Ruyterbosch oud na gissing 30 Jaaren Claas Coert meede oud naar gissing 30 Jaaren Piet Pikeur oud na gissing 40 Jaaren Daniel Paul oud na gissing 30 Jaaren beneevens de persoonen van Thys albregt de Jonge oud na zyn zeggen 15 jaaren, Thys albregt de oude oud zo zy gest 40 Jaaren thans 's Heeren ges: beleeden hebben de meeste vrywillig, edog zommige, ad Forturam, egter ver„ volgens buyten zyn of dwang van ysers of banden aan wel eenige de minste bedreyging van dien, by het recollement zyn blyven bertis„ teeren, en het den E agtb: Raad van Justitie deeses gouvernements uyt de verdere ten pro„ cessen gefourneerde stucken wident gebleeken S. Dat wanneer zeekere Heyntje de plooy zig omtrend de helft der maand october, van het seven afgeweeken Jaar, op weg na by de gousrivier bevond, hem aldaar ontmoet zyn ses hem onbekende slaven, dewelke hem gevraagd heb¬ bende, waar hy na toeging en op het bekomen antwoord. dat zyn reys na de plaats van de wedw de plooy gerigt was. daarop gerepliceerd hebbende: of de plaats van die wedwe de plooy dan nog verre van daar geleegen was? op de daarvan door gem: Seyntje de Plooy gegeevene elucidatie met denselven meede gegaan zyn, na gem: plaats, terwyl zyl: aan hem Heyntje de plooy nog wyders afgevraagd hebbende, of er nog veel hamels te koop waaren daarop door hem Heyntje de Hooy is geantwoord, sulx niet te weeten: dat zyl: vervolgens daar ter plaatse zynde aangekoomen, en gem: ses slaa„ ven zig terstond hebbende uitgegeeven voor slogters jongens, dewelke voor bunnen meester op de togt waaren om hamels op te koopen gelyk zy dan ook om dit hun voorgeeven te meerder Judicie by te zetten, zig gemunieerd. hadden met een falsch pad briefje, egter niet lang daarna aan de wed„we de plooy ofte de 1 ged: in deesen en haaren Zoon Hendrik de Plooy hun snooden toeleg hebben bekend gemaakt en dat zy er maar alleen op uyt waaren, om zig met steelen en rooven te verryken. dat dat zy 1 get: voorsz: slaaven daarop heeft g'in¬ formeerd, dat de aldaar in de buurt woonende Burger Sebastiaan Rotman een negotiant was en gevolgelyk veele goederen en geld in huis had, zy derhalven desselfs plaats moeste afloopen en haar gem een gedeelte van den buyt, meede geeven, met byvoeging dat zy om dit hun doem„ waardig voorneemen destte ligter te kon nen uytvoeren, eenige van de in haar dienst zynde Sottenlotten meede derwaards zoude zenden, om de gestoolene goederen of te haa¬ len af te halen, terwyl haar voorm: zoon hun daerin verder behulpsaam zoude weesen hebbende zy t get: egter by het recollement van haar in de syn Camer gegeevene respon¬ siven betray betuygd het woord afloopen niet in desselfs waaren zin te hebben ge¬ beesigd, en daarmeede alleen te hebben be¬ doeld: van de eene plaats na de andere te loopen het gunt nogthans uijt de zamen„ loop der omstandigheeden geensints als geloof„ waardig kan werden aangenoomen. dat voorsz: slaven zig daarop nog eenige dagen daaromstreef hebbende schuyl gehouden, en wel vier van hun overdag in het toele in de bosses, en twee by gem: wedwe de plooy in huys, terwyl zeft alle ses 's nagts daar weder in huijs kwamen, vermoedelyk om na hun gedagten, met de 1 ge: en haaren zoon Hendrik de Plooy des te beeter de middelen tot dit hun vloekwaardig oogmerk te konnen bezaamen: het eyndelyk en wel op den 21 der vooraangehaalde maand october gebeurd is, dat deese verfoeyelyke monsters alle menschelykheyd schynen te hebben uytgeschut, om de allergruwe¬ lykste moord en polie te pleegen, die met moogelykheyd maar in den gedagten van een reedelik schepsel konde opkoomen en waarvan Ja op dies minste Jaan den hen een barbaar zelf moet Lidderen. dat dan eyndelyk het noodlottig ogenblik zynde gebooren, wanneer gem: ses slaaven hun¬ nen vervloekten aanslag of aanraden van de wede de plooy op de woonplaats van Rotman moeste in het werk stellen, gem: wedwe om haare belofte na te komen, den 2 3, te gev: en gem: Heyntje de Hooy bevoolen heeft, om zig met henl: na voorsz: plaats te be„ geeven, terwyle zy die geene der gevs die als toen niet praesent waaren, tot dat eynde van hun werk heeft laaten afroepen, en aan den vierden gev: toen deselve zig weygeragtig toonder om hieraan te voldoen, in substantie heeft toegevoegd gy moet gaan. — dat zy 2, 3, 4 gev: met gem: Heyntje de Plooy

NL-HaNA_1.04.02_10986_0455 view scan ↗

English

Flooij, in consequence thereof, accompanied the said slaves, and having on the way, at a crossroads near the farm of Daniel Swart, met the 15th witness, who, residing with the burgher Be Suydenhout, came out along that road to go to the burgher Jan Barnard on behalf of his said master, persuaded him to go along with them, to which the witness consented for reasons, as he pretends, that he had suspicions of their dreadful design; that they having thus continued on their way to about 2 to 3 hundred paces from the farm of Rotman, beside a hill, the 2nd, 3rd, 4th, and 5th prisoners remained there in a ditch until the aforementioned six slaves, who went directly from there to the house, should call them; that in the evening at the hour of about 8 o'clock, two of those slaves also came there to call the 2nd, 3rd, 4th, and 5th prisoners, who also immediately proceeded to the house, and while they found the whole house in deep rest, remained in the kitchen, where the said Heyntje de Plooy was still able to be so cold-blooded as to smoke two pipes of tobacco, just as if nothing were about to happen; that subsequently the said 6 slaves perpetrated the horrible murders known to everyone at the house of the aforementioned Rotman; for which they also, pursuant to the sentence of this honorable court dated 23 November 1786, were executed on 2 December of the same year, in proportion to the alarming atrocity committed by them, as an example and deterrent to similar monsters, if it be possible that more may be found; and to the execution of which terrible crime the prisoners herein, according to their confessions, were instrumental to such an extent; that when the moment of the attack was at hand, the said six slaves stationed the 2nd, 3rd, 4th, and 5th prisoners with the aforementioned Heyntje de plooy, each in a post, in order to prevent anyone in the house from escaping their unbridled rage; that the said slaves thereupon having first wounded a boy who was lying asleep in the kitchen, subsequently two maidservants in the front room, and further the servant residing there in the house, the said servant thereupon took flight out the door, toward that side where the aforesaid Heyntje stood on sentinel duty; that the said slaves having immediately come outside asked him, Heyntje de plooy, where that man had gone, with further threats from one of them, as well as from the 2nd witness, that in case he did not watch better, they would run him through and through; that the often-mentioned slaves, and some of the prisoners who could most conveniently leave their posts, thereupon having proceeded to the door of the room in which the wife of Rotman was present, and after having chopped it open, went inside, whereupon those slaves so mistreated the said woman and some of the children sleeping in her room, notwithstanding their pitiful cries of, O God! rather take my property than my life, that it cost her and one of the children their lives; that the aforementioned 2nd, 3rd, 4th, and 5th prisoners lent a hand to this dreadful bloodbath to the extent as has been said, and the 2nd prisoner having shown therein particularly so much pleasure that he, with one of the said slaves, even had the cruelty to lay out a black coat, waistcoat, and breeches for the mourning clothes of that Rotman, who was made so very distressed by their inhuman conduct; the abovementioned Hendrik de Plooy in the meantime made ready three packhorses and forced the 6th prisoner, who was busy milking the cows of his father or the 7th witness herein, to go along with him, so that they both also arrived at midnight at the aforementioned farm of Rotman; that thereupon the aforementioned prisoners, together with the often-mentioned slaves, having chopped open all the chests and cupboards in the house, took out of them whatever pleased them and put the same into sacks; that they, having further loaded the said goods onto the packhorses, the six slaves departed from there, and the 5th witness, upon the promise made to him by the remaining prisoners that a portion of that loot would be given to him on condition that he would reveal nothing, continued on his way; while Hendrik de Plooy, together with the 2nd, 3rd, 4th, 5th, and 6th prisoners, with the frequently mentioned Heyntje de Plooy, conveyed the same goods to the place of the 1st prisoner, and the 1st prisoner also took along a sack of money and delivered it to the first witness, who, upon seeing all these plundered goods, being exceedingly rejoiced, ordered her son Hendrik de plooy merely to

Dutch transcription

Flooij ingevolge van dien gem: slaven verseld, en onderweg op een kruyspad, digt by de plaats van Daniel Swart, den 15 get: dewelke by den Burger Be Suydenhout woonagtig zynde, dien weg uytkwam, om voor zyn gem: meester na den Burger Jan Barnard te gaan, ontmoet heb„ bende denselven hebben overgehaald, om met hem meede te gaan, waarin hi get: beuilligd heeft om reedenen /:zo hy voorgeeft:/ dat hy vermoe„ den van hun gruwelyk voorneemen had. — dat zyl: dus hunnen weg vervolgd hebbende tot ongeveer 2 à 3 honderd schreeden van de plaats van Rotman beseyden een heuvel, de 2, 3, 4„ 5 gev: aldaar in een sloof zyn verbleeven, tot dat voorm: ses slaaven, dewelke van daar direct naar het huys gingen hun zoude roepen. dat des avonds de klocke circa 8 uuren, ook twee van die slaaven aldaar gekoomen zyn de omme de 2,3, l s 5 gev: te roepen, deselve zig ook immediaat na het huys vervoegd hebben, en terwyle zy het gantsche huys gezien in diepen reest vonden, in de Combuys verbleeven zyn, al„ waer gem: Heyntje de Plooy nog 20 koelbloe„ dig heeft kunnen zyn om /: even als of er niets gebeuren zoude/ twee pypen Tobak te rooken. dat vervolgens gem: 6 slaaven de by ieder bekende afgryselyke moorden, ten huyze van voorm: Eotman hebben geperpetreerd; waarover deselve ook reeds ingevolge sententie van deesen E agtb: raad en de dato 23 November 1786 op den 2 december desselvigens Jaars, naar evenreedigheyd van het door hun gepleegde schrikbaarend gruwelstuk, ten Spiegel en afschrik van soortgelijke wangedrogten /:in¬ dien het moogelyk is dat er meerdere gevonden worden zyn te regt gesteld geworden; en tot het uytoeffenen, van welke schrikkelyke mitdaad, de gev: in deesen volgens hunne bekentenissen, in zo verre zijn behulpsaam geweest. - dat wanneer het ogenblik van den aanval daar was, gem: ses slaaven hun 2, 3, 4, 5 gen met voorm: Heyntje de plooy, ieder op een plaats hebben geposteerd, ten eynde te verhoeden, dat niemand in het huys hunne tomeloose woede mogt ontspnappen. dat gerepte slaaven daarop eerst een Jongen, die in de Combuys te slapen lag, vervolgens twee meyden En het voorhuys; en wyders den aldaar in huys woonenden knegt hebbende geword, gem: knegt daarop buyten de deur de vlugt heeft in genomen, naar die kant daar voorsz: Heyntje op Schildwagt stond. dat gem: slaven opstonds naar buyten gekomen zynde aan hem Heyntje de plooy hebben gevraagd waar die man gebleeven was, met verder bedrey„ ging van een hunner, mitsgaders van den 2 get: dat ingeval hy niet beeter oppaste zyl, hem den daardoor en door zouden steeken. dat diekgem: slaaven, en eenige der gev: die hunne kosten het gevoegelykst konde verlaaten zig voorts begeeven hebbende naar de deur van de kamer daar de vrouw van Rotman zig in bevond, en naar deselve te hebben opengehakt, naar binnen zyn gegaan, als wanneer die slaan ven gem: vrouw, en eenige der in haar vertrek slaapende kinderen, niet tegenstaande hun Lammerlyk gehem als o god! beneemd my liever myn goed als myn leeden zodanig heb„ den mishandeld, dat het haar en een der kinderen het leeven heeft gekost. — dat voorm: 2, 3, 4, e 5 gev: tot dit eyselyk bloed bad in zo verre als gesegd is, de hand geleend en de 2 guv: daarin nog by sonder zo veel wel„ gevallen getoond hebbende, dat hy met een der gem: slaven nog de wreedheyd heeft hun nen hebben, om een swarte rok, Camisool en broek tot de rouw kleederen van die door hun ontmenscht bestaan, zo zeer bedrukt gemaakten Rotman, klaat te leggen bovengem: Hendrik de Plooy in dien tus¬ schen tyd drie pakpaarden in gereedheyd gebragt en de 6 gev: dewelke besig was om de Roeyen van zyn vader of den 7 get: in deesen te welken, ge¬ dwingen heeft om met hem meede te gaan, in„ voegen zyl: dan ook met hun beyden ter mid„ dernagt op voorm: plaats van Rotman zyn aan¬ gekomen. — dat daarop de voorm: gev: benevens diekgem: slaaven, alle de kisten en kassen in het huys opengehekt hebbende, het geen hun aanstond, daaruijt gehaald en het zelve in zakken gestooken hebben. — dat zyl: voorts gem: goederen op de pakpaarden gelaaden hebbende, de ses slaaven zig van daar geabsenteerd hebben, en de 5 get: op de aan hem door de overige gev: gedaane belofte, dat hem een gedeelte van dien buyt zoude worden afge¬ geeven, onder voorwaarde dat hy niets zoude uyt„ brengen, zynen weg vervolgd heeft; terwyl Hen„ drik de Plooy beneevens de 2, B, U, 5, en 6 gev: met dikwilsgem: Heyntje de Plooy, dezelve goede„ ren na de plaats van de t gee vervoerd en de te„ ges: nog een zak met geld heeft meede genomen en aan de eerste get: afgegeeven; dewelke op het zien van alle deese geroofde goederen bby uyt„ stek verheugd zynde geweest aan haaren zoon Hendrik de plooy bevoolen heeft, deselve maar

NL-HaNA_1.04.02_10986_0457 view scan ↗

English

only to bury, while it had already been related to her, the prisoner, by her mentioned son, that he in the house of Rotman had seen a lifeless maid and some blood in the front room, and an account of all that had happened was given by the remaining prisoners; that in consequence, by order of the 1st prisoner, the mentioned Hendrik de Plooy, the 2nd, 3rd, 4th, and 6th prisoners having buried the stolen goods in a ravine beside the house, the same goods, however, having been dug up again from that place by the aforementioned Hendrik de Plooy and the 7th prisoner, and then once more buried by the same in a plain between their place and that of Rotman; that then the repeatedly mentioned Heyntje de Plooy, probably because he was not too much trusted by his makers, received from that prisoner a sum of sixteen Ryxds and a pair of silver buckles, accompanied by substantial words: make sure now that you get out of the neighborhood and tell this to no human being; whereupon the mentioned Heyntje de Plooy directly departed from the place; then, however much all possible precautions were taken by the prisoners to conceal this their villainous misdeed, however much they also succeeded therein, to the extent that the six aforementioned slaves have undergone their dreadful death sentence, without, to the astonishment of everyone, mentioning the least of any of the prisoners in this matter, there was still an almighty supreme being, before whose all-seeing eye nothing can remain hidden, and whose divine justice would not tolerate that this heinous deed should remain unpunished; it was then this same Reyntje de Plooy, of whom these villains thought they had rid themselves in so adroit a manner, who had to serve as the instrument to bring this enormous crime to light, when the same, being apprehended at the beginning of the current year by the burgher Adriaan Jonker residing in the district of Swellendam, upon the interrogation by the mentioned Jonker confessed that he had enjoyed the money he had with him as his share from the widow de Plooy out of the goods robbed at the place of Rotman; in consequence of which confession the mentioned Jonker immediately sent him, Reyntje de Plooy, to Swellendam in custody, from where he, being transported hither, together with the remaining prisoners and the Hendrik de Plooy cited several times in this matter, who afterwards were also successively brought to this principal place, was delivered into the hands of justice; while meanwhile the mentioned Hendrik de Plooy in this custody, being overpowered by the terrible remorse of his conscience over his committed crime and having suddenly died of an attack resulting therefrom, and likewise the mentioned Heyntje de Plooy, who by an accident came to die on the 14th of this month, even after their death, pursuant to the resolution of this Honorable Council, were punished as an example to other villains; then whereas such orders to murder and robbery and assistance rendered thereto, as well as the receiving of goods stolen by means of housebreaking, along with knowledge of both, without reporting the same to justice, in a country where right and justice are properly maintained, can by no means be tolerated, but on the contrary, for the security of the good inhabitants living so far inland and in solitary places, ought to be rigorously punished as a deterrent to all other evildoers; so it is, that the Honorable Council of Justice aforementioned, on the day serving for this purpose, having read and considered with all possible attentiveness the written criminal claim and conclusion, made and taken by and on behalf of the Landdrost of the colony Swellendam, the Lord Constant van Nult Onkruyd nomine officii, upon and against the prisoners, and having considered all that was pertinent to the matter and could move their Honors, administering justice in the name and on behalf of the High and Mighty Lords States General of the United Netherlands, has condemned the prisoners, as their Honors condemn the same by these presents, to be brought to the place where criminal sentences are customarily executed here, there the 1st, 2nd, 3rd, 4th, and 5th prisoners, Regina van Bengalen, widow of Hendrik de Plooy, Willem Ruyterbosch, Claas Coert, Piet Pikeur, and Daniel Paul, being delivered to the executioner, the first prisoner to be placed before a post and strangled to death; the 2nd, 3rd, 4th, and 5th prisoners to be punished with the cord at the gallows so that death follows thereupon; furthermore, the dead bodies of these first five prisoners, being dragged to the outer place, to be hanged there on the gallows, to remain there until consumed by the air and the birds of heaven; further, the 6th and 7th prisoners, Thys Albregt the elder and Thys Albregt the younger, having witnessed the justice, the 6th prisoner on account of his young years to be set at liberty again, and the 7th prisoner to be confined on Robben Eyland, in order to labor there during the time of his life on the Honorable Company's public works without wages; with condemnation of all the prisoners in the costs and expenses of justice, and dismissal of the further or otherwise made claim of the conclusion taken by the officer. Thus Thus done and sentenced at Cabo de Goede Hoop the 11th day of the month August, and pronounced in the Castle de Goede Hoop the 18th of the same month and executed on the same day. was signed J: P: Rhenius, I: van Echten, Joh:s Smuts, J: M: Horak, C: G: Maasdorp, W: F van Reede van Oudshoorn, G: H: Meijer, C: Mappa, J: C: Gie, H: J: de Wet, lower present with me. signed R: I: van der Riet sworn Clerk. in the margin Fiat Executie signed C. J. van de Graaff. Agreed. J Van Herssen 1st Secretary

Dutch transcription

maar te begraaven, terwyl haar t gev: alweyders door haaren gem: zoon verhaald is, dat hy in het huys van Rotman, een ontzielde meyd en eenig bloed in het voorhuys hadden gesien, en door de overige gev verslag van al het gepasseerde is gedaan: - dat ingevolge, dien Last van de 1 gev: gem: Hendrik de Plooy de 2, 3, 4, en 6 gev: de gestoolene goederen in één Cloof beseyden het huys hebbende begraven, deselve goede„ ren egter door voorm: Hendrik de plooy, en den 7 gev: van die plaats weder opgegraaven en als toen ander¬ maal door deselve in een vlakte tusschen hun plaats en die van Rotman zyn begraaven geworden. - dat als toen meerm:r Heyntje de Plooy, waarschynen lyk om dat hy van zyne makers niet te zeer vertrouwd wierd van dat gev: heeft ontfangen, een somma van sesthien Ryxds en een paar zilvere gespen onder toe„ voeging van substantieele woorden, maak nu dat gij uyt de Buurt komt en zegt sulx aan geen mensch waarop gem:e Heyntje de Hlooij zig direct van de plaats. verweijdert heeft. — dan, hoe zeer ook door de gev: alle mogelyke voorsorge zyn gebruykt, om dit hun Snood wanbedryf te verbergen hoe zeer zy daarin ook zyn geslaagd, in zo verre dat de ses voorm: slaaren hun ontzaggelyk doodvonnis hebben ondergaan, zonder tot verwondering van een ieder, het minstte van ymand der gev: in deesen te reppen. zo was er nog een alvermogend opperweesen, voor wiens alsiende oog niets kan verborgen blyven, en wiens goddelyke regtvaardig„ heyd niet wilde gedoogen dat deese Uuwe ldaad inge„ straft zouden blyven het was dan deeselfde Reynt¬ je de plooy waarvan deese snoodaards meenden zig op zo eene behendige wyte te hebben ontdaan, die als het werktuig moest dienen om deeze en orme mitdaad aan den dag te brengen, wanneer deselve in het begin van het loopende Jaar door den Burger Adriaan Jonker in het district van Swellendam woonagtig geapprehendeerd zynde, op de afvrage van gemelde onker beleeden heeft, dat hy het by zig hebbende geld de Plooy tot zyn aandeel genooten had, van de wede uyt de ter plaatse van Rotman geroofde goederen ingevolge welke bekentenis gem: Jonker hem Reyntje de plooy terstond naar swellendam in regtenis heeft opgesonden, van waar hy herwaards getrans„ sorteerd zynde, beneevens de overige gen: en den in deezen dekwerf aangehaalden Hendrik de Plooy, dewelke daarna dan ook successivelyk ter deeser Hoofdplaatse zyn opgebragt in handen van Justitie is overgeleverd geworden: terwyl middelerwyl gem: Hendrik den plooy in deese hegtenis door de vreesselyke wroegen„ gen van zyn geweeten; over zyn begaan metdryf overmeesterd, en aan een daaruyt voortgekomen over„ val subict overleeden zynde, en zo meede gem: Steyntje de plooy die door een toeval op den 14 deeser is komen te overleyden, nog na hun dood, in gevolge besluyt van desen E agtb: raade, ten voorbeelde van andere boos„ wigtens zyn gestraft geworden. — Dan nademaal diergelike Lastgeeving tot moord en roop en daarby verleende aasistentie mitsgaders heeling van by weegen van huysbraak, gestoolene goederen daar beneevens meede wetenschap van het een en ander, zon„ der het zelve de Justitie aan te geeven in een land, al„ waar Recht en geregtigheyd behoorlyk gehand hoafd worden, geensints kan werden geauld, maar inte„ gendeel ter beveyliging der zo verre Landwaards en op Een zaame plaatsen woonende goede Jngesee„ teren, ten afschrik van alle andere kwaaddoenders rigoureuselik behoord te werden gestraft. — Zo is 't, dat den E agtb: raad van Justitie voormeld ten dage dienende, met alle mogelyke opmerkzaam heijd geleesen en overwoogen hebbende, den schrifte„ lyken Crimineelen Eysch ende Conclusie, door ende van wegens den Landdrost der Colonie swellendam de Heer Constant van Nult onkruit nomine of„ ficie op Ende Jegens de gev: gedaan ende genomen, mits„ gaders gelet op al het gunt ter materie was dienen„ de en hun E E Agtb: konde doen moveeren, Recht doende uyt naame ende van wegens de Hoog mogende Heeren staaten generaal der verEenig„ de Nederlanden de gev: heeft gecondemneerd, gelyk hun EE Agtb: deselven Condemneeren by deesen omme gebragt te worden ter plaatse, daar men alhier ge„ woon is Crimineele sententien ter Executie te brengen aldaar den 1, 2, 3 4e 5 get: Regina van Ben„ galen wedwe Hendrik de Plooy Willem Ruyter„ bosch, Claas Coert, Piet Pikeur en Daniel Paul den scherpregter overgeleeverd zynde, de eerste /gev: voor een paal gesteld, en ter dood gewurgd te worden; de 2, 3, 4 en 5 gen: met de koorde aan de galge ge„ straft te worden dat er de dood na volgd voorts de doo de Lichaamen van deese vyf eerste get: naar het buyten gezegt gesleept zynde, aldaar aan de galge opgehangen te werden, om daar te verblyven tot dat door de Lugt en vogelen des Hemels zal zyne verteerd, wyders de 6 en 7 ge: Thys albregt de oude en Bys albregt de Jonge omme de Justi„ tie aanschouwd hebbende de 6 gev: uyt hoofde zyner Jonge Jaaren weder op vrye voeten gesteld/ en den 41. gev: op het robben Eyland geconfineerd te worden, omme aldaar geduurende den tid zyns Leevens aan 's E Comp:s gemeene werken zonder loon te ar„ beyden met Condemnatie van alle de gevangens in de kosten em mesen van Justitie en ontzegging van den verderen of anders gedaanen Eysch van genoomene Conclusie van den officier. — Aldus Aldus gedaan en gesententieerd aan Cabo de goede Hloop den 11 dag der maand augustus, mitsgaders gepronun„ tieerd In 't Casteel de goede Hoop den 18 derselver maand en g'executeerd ten zelven dage. /:was geteekend:/ J: P: Rhenius, I: van Echten, Joh:s Smuets, J: M: Horak, C: G: Maasdorp, W: F van Reede van oudshoorn G: H: Meijer, C: Mappa, J: C: Gie, H: J: de wet, /: lager:/ my praesent. /:geteekend:/ R: I: van der Riet geww: Clercq. — /:in margine:/ Frat Executie /:geteekend:/ f. van de Graaff. — ƒ Accordeerd. — J Van Herssen I Secrets -

NL-HaNA_1.04.02_10986_0461 view scan ↗

English

Appeared before the Honorable, Respected Lords President and Councilors of Justice of the Castle of Good Hope, the interim Fiscal G: Exter, in his official capacity, Plaintiff, of the one part, and the Burgher Coenraad EE residing here, Defendant, of the other part. And declared: that at the beginning of the past month of January, when the then-serving Commissioners conducted an inspection among the privileged Bread Bakers concerning the baking and quality of the breads, there were found at the aforementioned Defendant's three weights, which not only were unstamped, but were also each somewhat too light. Nevertheless, they were employed by the Defendant in the weighing of the breads. That this was brought to the knowledge of the Plaintiff in his official capacity, and the Defendant being questioned thereabout, the Defendant confessed to both matters, merely excusing himself by saying that it was the fault of the servant, who had received orders from the Defendant to have the weight stamped; And that the weight indeed had the proper heaviness, but due to all kinds of use by the slaves, some of it must have worn off; That consequently the Defendant has made himself doubly guilty: 1.) That he did not properly bring forward the aforementioned weight during the gauging undertaken in the past year, in order to have it stamped; Article 13. Appeared before the Honorable, Respected Lord Johannes Isaak Rhenius, President, together with the other gentlemen Members of the Honorable, Respected Council of Justice of this Government, the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein Hendrik Lodewijk Bletterman, ex officio, Plaintiff in a Criminal Case, of the one part, on and against the Burgher David Nande, Defendant in the aforementioned Case, of the other part. Number 1: In justification of which Criminal Claim, the Plaintiff ex officio declared: 2: That on the 15th of the past month of March, it was brought to the knowledge of the Plaintiff ex officio by the Defendant 3: That he, the Defendant, had one of his slaves named Dam, 4: Who, on account of stealing brandy, had absented himself for a couple of days, 5: And having returned the day before, 6: He, the Defendant, had caused the same Dam to be tied to a wagon ladder by another of his slaves named Galant, 7: Subsequently punished him himself with a six-horse whip, 8: And that after a drink of water was handed to the aforementioned Dam by the aforesaid Galant, 9: The same Dam came to die at sunset; 10: The Plaintiff ex officio on the aforementioned day, alongside commissioned heemraden assisted by the Surgeon Petrus Franciscus Melchior Briers, proceeded to the place of the Defendant, 11: And there viewed the dead body of the aforementioned Dam; 12: Whereupon the said dead body, lying outstretched on its belly, was found 13: From the upper part of the back down to below the buttocks, as if interlaced with whip lashes, 14: Such that the back and buttocks were entirely contused and bruised thereby, 15: While the aforesaid Surgeon, in order to investigate 16: Whether the drink of water handed to the aforesaid slave Dam could also be the cause of the premature death of the same, Number 17: Opened the body, but having found no signs thereof, declared 18: The multiple contusions to have accidentally caused the death of the aforementioned slave Dam. 19: The Plaintiff ex officio maintaining that such an inhuman mode of conduct, of which the Defendant has made himself guilty, ought to be punished and resisted by means and ways of justice, 20: Therefore to that end, on the 19th of the ensuing month of April, addressed this Honorable, Respected Council by Request, 21: And thereby requested of the same, as he obtained on May 3 last, a decree or appointment whereby he was authorized 22: To summon the Defendant in person before this Honorable, Respected Council. 23: That the Defendant, having been summoned by virtue of the aforesaid decree and having appeared on June 31 last, 24: Upon the request made by the Plaintiff ex officio, was condemned by interlocutory judgment of Your Honors 25: To answer, in the presence of gentlemen commissioners from this Honorable, Respected Council, to such Articles as would be presented to the Defendant by the Plaintiff ex officio, 26: Provided that after the responses given by the Defendant to the same, action would be taken as the aforementioned Gentlemen Commissioners should deem appropriate upon the further request then to be made on behalf of the Plaintiff ex officio; 27: That the Defendant subsequently, having been heard before the Gentlemen Commissioners, answered and confessed in substance: 28: That having punished his slave Dam in the morning from ten or half past ten with a six-horse whip until near twelve o'clock, 29: A drink of water was handed to him without the Defendant's knowledge, 30: Whereby the Defendant maintained that the aforementioned Dam, having become powerless, 31: Notwithstanding the proper care applied to his recovery, 32: Died at sunset; 33: That he, the Defendant, having struck the aforementioned slave with a six-horse whip, 34: Had considered this to be a light punishment. Number 35

Dutch transcription

Compareerde voor den wel Ed. Achtbaren Heeren Praesidenten en Raaden van Justitie des Casteel de goede Koop den pro interim„ Fiscaal G: Exter R: C: EisC: ter eenre a„ den Burger Coenraad EE alhier gede ter anderen zyde En deede zeggen dat in 't begin der Verleden Maand Januari door de toen fungeerende Heeren Commissarissen bij de gepri „veligeerde Broodbakkers omtrent 6 bakken en deugd der broden onderzoek gedaan zynde zy den ged' voorm: drie Pieces gewigt zijn gevonden geworden, dewelke niet alleenig niet geeykt 4 maar ook yder om iets te ligt zijn geweest. Egter vanden ged: bij 't wegen der broden geemployeerd 5 zijn. dat zulx den R: O: Eisscher ter kennis gebragd en den ged' daarover geconstitueerd zynde den ged b een en ander heeft geadvoneert zig alleenig excuseerende, dat 't de faute vanden knegt was. dewelke van den ged had Ordre gehad, om als gewigt te doen eijken En dat 't gewigt de behoorlyke zwaarte wel gehad had, dog door allerleij gebruijk vanden slaven daarvan moest afgegaan zijn dat ingevolge vandien den ged zig dubbeld schuldig 4 gemaakt heeft 1.) dat denzelven 't gem: gewigt bij de in't verleden 2 Jaar voorgenoomen Eijking niet heeft behoorlyk aangebragt, om zulx te laten eijken 10 Art 13. v Compareerde Voor den Wel Edelen Agtbaren Heere Johannes Isaak Rhenius, praesident, beneevens de verdere heeren Leeden van den Edelen Agtb. Rade van Justitie deezes Gou„ „vernements, den Landdrost van stellen, „bosch en Drakenstein Hendrik Lodewijk Bletterman Natione Officie Eyss„r in Cas Crimineel, ter benre op ende Jegens den Burger David Nande Ged in 't voorsz: Cas, ten andere zyde. A„o 1: Tot Justificatie van welken Crimineelen Eysch, de rab: Off: Eyssr deede zeggen. 2: dat op den 15 der gepasseerde maand Maart, aan den R: O: Eyss=r door den ged:e ter kennisse gebragt geworden zijnde „ 3: dat hij ged, een zijner slaaven met name Dam „ 4: denwelken weegens het steelen van Brandewijn een paar dagen zig geabsenteerd, 5: en daags bevorens te rug gekomen Zynde, 6: hij ged. denselven Dam door een ander zyner slaven met naame Galant op een wagen Ladder hadde doen binden, 7. vervolgens met een ses paarden zweep zelvs afgestrafd „ 8. en dat aan gem: Dam, daarna, door voorsz. Galant een dronk water toegerikt zynde, „ 9: denselven Dam met sons ondergang was komen te sterven; „ 10. de r. O. Eyss„r ten gem. dage, neevens gecommitt„s heemra„ „den g'adsisteerd met den Chirurgyn Petrus francis, „cus Melchior Briers zig ter Plaatze van den ged' begeven „ 11 En aldaar het dode Lighaam van voorm. Dam hadden geschouwd; „ 12. als wanneer 't zelve op den Buyk uytgestrekt leggende dode Lighaam bevonden was. „ 13. van 't bovenste gedeelte van den rugge tot beneeden de billen als door vlogten met Zweep slagen „ 14. zo dat de rugge en billen daar door ten eenemaal gecon„ „tusioneerd en gekneust waaren, „ 15. terwyl den voorsz. Chirurgyn om te onderzoeken „ 16. of ook de aan voorsz. slaaf Dam toegeryk te dronk water de „ de oorzaak van het praematuur overlijden van denfel„ „ven zou kunnen zijn.. A„o 17. het Lichaam geopent, dog daarvan Geene teekenen heb„ „bende gevonden, gedeclareert heeft 18. de veelvuldige Contusien, de dood van gem: slaaf Dam toevalliger wyze te hebben veroorsaakt. 19. De R: O: Eijss„r sustineerende, dat zulke ontmenschte handelwyse, waar aan zig den ged. heeft schuldig gemaakt, behoorde gestraft en door middelen en wegen regtens, te worden tegengegaan 20: zig dan ook tot dat eynde op den 19 der daar aan gevolg „de maand April by Request aan deesen Edelen Agtb: Rade heeft g'addresseerd, „ 21. En daar bij van denselven versogt, zo als hij op den 3 Maij Jongstl: heeft g'obtineerd, decreet of appoinetement, waarby hij is gequalificeert geworden „ 22. den gedaagden te mogen dagvaarden in Persoon, voor deesen Edelen Agtb. Rade. „ 23. dat den ged: uit kragte van 't voorsz. decreet gedagvaard ende gecompareerd zynde, op den 31: Junij Jongstl: „ 24. Op des rate Off. Eyjssr gedaan versoek by Jnterlocutoire vonnis van UwelEd: Agtb„s is gecondemneerd „ 25. Omme ten overstaan van heeren gecommitt„s uit deesen Ed: Agtb. Rade te moeten antwoorden, op zodanige Articulen als door den R. O. Eyssr aan den ged. zoude worden voorgehouden „ 26. mitsg„s dat na des ged„e op deselve gegeevene responsiven, zoda„ „nig zou werden gehandelt, als wel gem. H. Gecommitt„s op 't als dan van wegens de R: O. Eyssr te doene nader ver¬ soek zouden oordeelen te behoren „ 27. dat den ged,e vervolgens voor heeren Gecommitt„s gehoord zynde, in substantie heeft g'antwoord en geconfesseerd: 28 dat hij zyn slaaf Dam des morgens zeetert Thien of half Elf, met een ses paarden Zweep tot bij Twaalf Uuren afgestreft hebbende 29. buyten zyn gede weeten aan den selven een dronkwater was toegereykt „ 30. waar door hij ged: sustineerde dat gem: Dam magteloos geworden eynde „ 31. Niet tegenstaande de behoorlyke aangewende zorge tot des selfs herstelling 32. met sons ondergang was overleeden; „ 33. dat hy ged: gem: slaaf met een ses paarden sweep geslagen hebbende „ 34. zulx als een ligtgevoelige straffe hadde aangemerkt. N„o 35 „ „

NL-HaNA_1.04.02_10986_0465 view scan ↗

English

No 35: and so as not to be able to inflict any fatal wounds on him therewith; 36. Also with no evil intent, but in order to correct him, had punished him in such manner; 37. for he, the defendant, having bought the same slave for seven hundred and fifty Ryksdaalders, 38. would surely not willfully take his life. 39. Just as all this can most clearly, if necessary, be established both from the responses upon which the defendant was heard before the Honorable Commissioners from this Noble Worshipful Council, and from the autopsy report and the surgical certificate rendered. 40. The Officer Plaintiff, however much he considered the confession of the defendant sufficient to be able to request bodily apprehension of the person of the defendant, 41. the constant confession of the defendant that he never had any intention of willfully taking the life of his slave, 42. caused the Officer Plaintiff to adopt the view that the defendant, thus not realizing 43. the punishment that he nevertheless, contrary to his intent, has deserved, 44. and as a citizen who has his property and goods here, 45. consequently would also not attempt to abscond on account of his crime, 46. to request of the Honorable Commissioners, as was granted to the Officer Plaintiff, to release the defendant, provided that, upon being summoned, he shall at all times appear in person sub poena confessi et convicti. 47. That, all the circumstances being considered in such manner, it appeared to the Officer Plaintiff: 48. that although the mistreatment committed by the defendant upon his slave Dam seems to have to be considered as the sole cause of his premature death, 49. and that notwithstanding the death of the aforesaid Dam might possibly have been prevented by some assistance brought from outside, 50. the defendant nevertheless seems to have to be regarded as the sole cause of the death of his slave, 51. and as having given occasion thereto precisely per factum illicitum, it would also seem that he should be punished with the ordinary punishment of killers, 52. regarding the application of the punishment, the Officer Plaintiff deems, however, that in this matter, under correction, there should be taken into consideration: 53. In the first place: 54. that the surgeon who inspected and opened the body 55. was unable to discover a single wound or contusion No 56: which, according to the construction and constitution of a human body, considered in itself, could be declared to be absolutely fatal, 57. and that consequently some other accompanying circumstances may have brought about the sudden death of the same slave; 58. regarding which, by the rendering of timely aid, one might possibly have been able to provide relief; 59. and in the second place: 60. that the blows inflicted upon the slave with a whip 61. do not yield sufficient grounds 62. to determine that it was the defendant's intention 63. to have wished to deprive his slave of life, 64. but only to have wished to correct him for the stealing of brandy and his subsequent desertion, 65. however much through an overly excessive and impermissible chastisement. 66. And if this is so, Noble Worshipful Lords, as is entirely indubitable both quod ad factum and quod ad jus, 67. that upon the inspection of the dead body not a single wound or contusion could be discovered 68. which, considered in itself, was absolutely fatal, 69. and it cannot by any possibility be elicited from the instrument with which the defendant punished his slave 70. that it was his intention to have wished to deprive him of life, 71. and that consequently, this excess committed by him took its origin from an anger toward his slave, 72. aroused over the stealing of brandy and the flight taken thereupon; 73. and that he, the defendant, thus inflamed with anger, beat the same slave in person in an excessive and altogether impermissible manner to such a degree 74. that death followed upon it that very same day; 75. so it then also follows, with respectful deference, 76. that against the defendant cannot be demanded the ordinary punishment established against killers by the Lex Cornelia de Sicariis, 77. but that on the foundation of what Mr. Carpz. says in pract. Crimin. part. 1. Quaest. 7. no 37: Quia enim omnes circumstantias et qualitates lex ipsa non exprimere potuerit, sed quasdam tantum-modo expresserit; ideo Judici dedit hanc facultatem et arbitrium, ut secundum facti contingentiam poenas ipsas arbitrio suo ex causa augeret, minueret, vel mutaret, 78. that is: 79. For while the law itself could not express all the circumstances and qualities

Dutch transcription

A„o 35: en om geen dodelijke Wonden denselven daar meede te kun „nen toebrengen „ 36. Ook met geen kwade intentie, maar om denselven te Corrigeeren, in dier voegen had afgestraft; 37. wanthij ged. den selven slaaf voor seven hondert en Vyftig Ryksdaalders gekogt 38. immers niet moedwillig om 't Leeven zou brengen. 39 Zo als dit alles zo uit de responsiven waar op den ged: voor H. H: Gecommitt„s, uit deesen Edelen Agtb, Rade is gehoord, als uijt de schouwCedulle, en 't Chinurgicaal Certificaat gegee„ „ven, ten klaarsten /:des noods) kan Consteeren. — RO. de R: O. Eyssr hoe zeer ook de Confessie van den gedaagde voldoen, „de hebbende gereekend, om Corporeele apprehensie op den percoo van den ged: versoek te kunnen doen, „ 41. de Constante Confessie van den ged: van nimmer eenige intentie te hebben gehad, zyn slaaf moedwillig om 't Leeven te willen brengen, „ 42. den R: O: byssz heeft doen vallen in 't begrip, dat den ged: dus niet inziende „ 43. de straffe die hij des niet tegenstaande zijne intentie heeft gemeriteerd „ 44. en als een Burger, die zijn haav en goed alhier is hebbende „ 45: zig gevolglyk ook om zyn 's misdaads wille niet zon tragten te absenteeren R6. van H. H Gecommitt„s te versoeken, gelyk den R. O. by of , is g'accordeert den ged. t'ontslaan, mits des aangemaand werdende, ten allen tijde in persoon te Compareeren sub paence Confessie et Convicté „ 27. Dat alle de omstandigheeden in diervoegen beschouwd zijnde, het aan den R. O. Eyssr is voorgekomen. 48. dat of wel de mishandelinge door den ged, aan desselfs slaaf Dam gepleegd, als de eenige oorsaak van desselfs praematuur overlyden, schynt te moeten worden geconsidereerd, 49: En dat niet teegenstaande door eenige van buijten toega„ bragte hulp, het overlijden van voorsz. Dam mogelijk zou hebben kunnen werden gepraevenieert 50. de ged. egter als de eenige oorsaak van de dood van desselvs slaaf schynt te moeten worden aangemerkt, „ 51. En als daar toe hebbende aanliding gegeeven Juist per factum illicitum, ook zou schijnen met de ordinaire straffe der doodslagers te moeten werden gestraft, „ 52. Tot de Applicatie der straffe vermund de R. O. b. egter, dat in deesen ponder Correctie /(behoord te komen in Consideratie 53. Jn de Eerste plaatse 52. dat den Chirurgijn die 't Lichaam geschouwd en geepend heeft. „ 55. geen een Enkelde wond of Contusie heeft kunnen ontdekken. „ N„o 56 „ „ „ „ N„o 56: dewelke volgens de Constructie in Constitutie van een menschelijk Lichaam, op zig zelve beschouwd kon worden gedeclareerd absolut dodelijk te zin, „ 5 7: En dat gevolglijk eenige andere daar bij gekomene omstandigheeden 't subiet overlijden van denselven slaav kan hebben te weeg gebragt 58: Waaromtrent door het toebrengen van een tijdige hulpe, men mogelijk zou hebben kunnen te gemoed komen; 59: En in de Tweede Plaatse: „ 60. Dat de slagen aan de slaaf toegebragt met een zweep „ 61. geen genoegsame grond doen op leeveren 62: Om vast te stellen des ged, intentie geweest te zyn „ 63. desselfs slaaf van 't Leeven te hebben willen beroven, 6 4. Maar alleenlyk denselven te hebben willen corrigeeren over 't steelen van Brandewijn en daarna genomene desertie 65: hoe zeer ook door eene al te overmatige en ongeoorloofde Castijding 66: En is dit dan zo Edele Agtb. heeren, gelyk zulx zo quod ad„ factum, als quod ad Jus is ten eenemaal indubitabel. - 67. dat bij de schouwing van 't dode Lighaam geen eene wond of Contusie heeft kunnen worden ontdekt 68 dewelke, op zig zelve, beschouwd volstrekt dodelyk is geweest „ 69 en kan uit 't Jnstrument, waarmeede den ged„e zyn slaaf gestraft heeft „ 70. met geen mogelykheid worden geëlicieerd zyn intentie geweest te zyn, denselven van het Leeven te hebben willen beroven 71. En dat gevolglijk, dit zijn gepleegd exces haaren oorsprong heeft genomen uit eenen Toorn Jegens zyn slaav „ 72. over 't steelen van Brandewyn en daarop genomene ausugie verwekt; 73. En dat hij ged. dus in Toorn ontstoken denselve slaav op eene overmatige en allesints ongepermitteerde wyse in persoon der maten heeft geslagen 74. dat de dood nog dienselvden dag daar op gevolgd is; 75: zo vloeyd dan ook /onder eerbiedige reverentie:/ daar uit voort „ 76: dat teegen den ged: niet kan worden gereclameerd de ordinaire straffe by de Lex: Cornelia de Sicarius tegens doodslagers gestatueert „ 77: maar dat op fundament van 't geene de heer Carpz: in pract. Crimin. part. 1. Quast. 7. n„o 37. zegt „ Quia enim omnes circum„ „stanteas et qualitates lex ipsa non exprimere potuerit, sed quasdam tantum=modé expresserit; ideo Judici de dit hane facultatem et arbitrium, ut secundum facti contingentiam paenas ip sas arbitrio suo excausa augeret, minueret, vel mutaret „ 78. dat is „ 79: Want terwyl de Wet zelve, alle de omstandigheeden en hoedanigheeden - „

NL-HaNA_1.04.02_10986_0467 view scan ↗

English

qualities could not be expressed, but has only defined some of them, it has therefore granted the judge this power to increase, decrease, or also alter the punishments according to the nature of the deed, for reasons, at his discretion. Anno 80: Also for that reason such other punishment ought to be inflicted on the defendant 81: As this Honorable Council of Justice shall find and judge to be proper. Wherefore, and for other reasons further to be deduced in due time and place if necessary, the Officer demanding judgment concluded: that the defendant, by definitive sentence of Your Honorable Council, shall be condemned to be banished for the term of his life from this Government and its jurisdiction; and that both his slaves, named Galant and Adam, shall by order of Your Honorable Council be sold to the highest bidder for the benefit of the defendant under this express condition, that they may never again fall under the power of the defendant or any of his next of kin; furthermore with condemnation to all costs incurred in this matter, or to such other pain and penalties as Your Honorable Council, upon examination of the case, shall judge to be proper. Was signed H. L. Bletterman In the margin: Exhibited in Court on 28 June 1787. On Thursday 15 March 1787, notice having been given to the Landdrost by the burgher David Naude that yesterday, on account of theft, having bound one of his slaves named Dam of Madagascar to a wagon ladder, he had punished him himself with a six-horse whip, and that a drink of water having been handed to the said Dam through a misunderstanding by his fellow slave Galant, the said Dam had come to die in the evening, the undersigned Commissioned Heemraden, the Secretary being at the Cape on business, assisted by the burgher surgeon Petrus Franciscus Melchior Briers, immediately went to the place of the said Naude and there, in the presence of the said Landdrost, inspected the dead body of the aforesaid slave Dam, and found on the said body the buttocks, back, and arms to be covered with countless lashes, and after it was turned over, even on the belly and chest several lashes, as well as a whip lash having been inflicted on the left eye and the lips; the aforesaid Briers, after the body was opened, having testified that the death of the aforesaid slave Dam was caused by the numerous contusions. Below stood: Actum datum as above. Was signed: P. G. Wium, Johannes Groenewald. By order of the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, I, the undersigned, in the presence of the judicial commission, examined the dead body of the slave boy named Dam, belonging to the burgher David Naude, and found on him the entire body full of contusions and beaten open between the thighs, which were entirely bloody, all these contusions and wounds having been inflicted on him by the above-named burgher with a six-horse whip, which lashes were countless, from which death accidentally ensued. In witness of the truth I have signed this with my own hand. Was signed: P. F. M. Briers. In the margin: Stellenbosch 15 March 1787. Appeared before us, the undersigned Commissioners from the Honorable Council of Justice of the Castle of Good Hope, the slave Galant of Mozambique, of competent age, belonging to the burgher David Naude, who, at the requisition of the Merchant and Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Hendrik Lodewyk Bletterman, declared it to be true: that on Monday 12 March, the slave Dam of Madagascar, belonging to the appearer's master, having been accused of giving brandy to a certain Hottentot living with the Widow Botha, whose name is unknown to the appearer, wherefore the appearer's master had summoned the said Dam to him, threatening to tie him up and have him taken to Stellenbosch to be punished, whereupon the said Dam, having first requested that his master should not have him punished by the kaffirs but himself,

Dutch transcription

hoedanigheeden, niet heeft kunnen uijtdrukken, maar alleen„ „lijk zommige derselve heeft bepaald, daarom heeft se aan den regter deese magt gegeeven, omme de straffen, na de gesteldheid des daads om reedenen, na haaren willekeur te vermeerderen te verminderen of ook te veranderen. A„o 80: Ook om die reeden zodanig andere straffe aan den ged. e behoord geinfligeert te worden 81: Als deesen Edelen Agtb. Rade van Justitie zal bevinden en oordeelen te behooren Mits welken en andere reedenen meer in tyd en wil /: is 't nood:/ nader te deduceeren de R: O: Eyss„r Eysch doende, Concludeerde: dat den ged: by diffinitive Vonnisse van uwelEdele Agtb. zal werden gecondemneert, omme voor den tijd zijns Levens gebannen te worden Uit dit Gouvernement, en den ressorte van dien; mitsg„s dat zyne beyde slaven met naamen Galant en Adam op ordre van Uwel Edele Agtb„s aan de meestbiedende ten voordeele van den gede zullen worden verkogt onder deese expres¬ se voorwaarde, dat deselve nooit weeder onder de magt van den ged. ofte iemand zyner naastbestaande mogen geraken met Condemnatie wyders van alle de ten deesen gevallene Costen, ofte tot al¬ „zulke andere pane en straffen, als uwelEdele Agtb„s na bevinding van zaken zullen oordeelen te behooren.— /:was geteekend./ H: L. Bletterman /: in margine: / bxhebitum in Judicio den 28 Juny 1787: — Op Donderdag den 15 Maart 17827. Door den Burger Daiid Naude aan den heer Landdrost berigt gedaan zynde, dat hy een ziner slaaven, met name Dam van Madagascar, weegens diefte„ op gisteren op een Wagenladder gebonden Zynde, zelvs met een Zes paarden Zweep had afgestraft, en dat aan geme Dam, en dronk water door desselvs meede slaaf Galant, door mis verstand toegereikt zinde, denzelven Dam met den Avond was komen te sterven, hebben de ondergeteek„t Gecomm: Seemraden /: den Secret=s so Crat„s wegens occupatie aan de Caab zig bevindende :/ geadsisteerd met den Burger Chirurgijn Petrus fransciscus Melchior Briers terstond daarop ter plaatse van gem: naude begeeven, en aldaar ten over¬ „staan van gem. heer Landdrost het dode Lichaam van voorsz: flaas Dam geschouwt, en aan het zelve Lik bevonden, de billen zugge en armen met ontelbare slagen door vlogten te zyn, en na dat 't zelve was om„ „gekeerd, zelvs op de buyk en borsten differente slagen, mitsgs op 't Linker Oog en de Lippen een sweepslag te zyn toegebragt; hebbende voorsz: Briers, na dat 't Lighaam geopent was; betuygd, door de veelvuldige Contusien de dood van voorsz. slauw Dam te zijn veroorsaakt /onderstond:/ Actum datum Ut supra /:was geteekend./ P: G. Wium J„s Groenewald. Door ordre van den Heer Landdrost van Stellenbosch en Dra¬ „kenstein heb ik ondergeteekende ten overstaan van de regter, „lijke Commissie gevisiteert, het doode Lighaam van den slaven Jonge gen„l Dam, toebehoorende aan den Burger David naude, en aan hem bevonden, het geheele lighaam, vol contu„ „sien en tusschen de Deyen opengeslagen, welke gantsch bloede„ „rig waaren, alle deese Contusien en wonden, sijn hem, door den bovengenoemden Burger toegebragt met een ses paarden sweep, welke slagen ontelbaar waaren, waaruijt de dood toevallig is ontslaan. - Tot Teeken der waarheijd heb dese eijgenhandig onderteekendt /:was get. d/ P. J. M. Briers /. in margine:/ Stellenbosch den 15 Maart 1787. Compareerde Voor ons Ondergeteekende Gecommitt=s uit den E. Agtb. Raad van Justitie des Casteels de goede Hoop, den slaar Galant van Mosambique van Competenten ouder¬ „dom, toebehoorende den Burger David Naude, denwelken ter requisitie van den Coopman en Landdrost van stellenb„s en Drakenstein de Heer Hendk Lodewyk Bletterman ver„ „klaarde waar te zin. dat op maandag den 12. Maart den aan zyn Comp„s lyfheer toebehorende slaav dam van Madlagascar, betigd geworden zynde aan Zeekere by de Weed Botha, woonende hottentot wiens naam hem Comp„s, onbekend is, Brandewyn te hebben gegeven, waar over des Comp„s Lyfheer, gem. dam by zig had doen komen, denzelven dreigende vast te binden, en naar stellenbosch te zullen doen brengen, om afgestraft te worden, waarop gem. Dam, na alvoorens verzogt te hebben dat zijn Lijfheer hem dog niet door de Caffersmaar zelfs moest 5

NL-HaNA_1.04.02_10986_0469 view scan ↗

English

had to punish him, he had immediately taken to his heels, without the slaves who had immediately pursued him being able to catch him. That on the 14th thereafter, in the morning at circa 8 o'clock, the same Dam, coming home again, had presented himself to his master, who was in the cellar, whereupon he, the appearer, was called by his master and ordered to fetch a strap and to bind the mentioned slave Dam, the said Dam being ordered by his master to lay down the knife that he carried with him in a sash around his waist; which slave had also immediately thrown it away; whereupon he was immediately bound by the appearer, by order of his master, by his hands and feet to a ladder, entirely undressed except for his camisole, the same being pulled over his head, and the mentioned ladder was thus set down against a wagon wheel in front of the cellar. That thereupon his master had ordered his fellow Claas Fortuyn to fetch his four- and six-horse whips from the house, and with the six-horse whip, being tied to an ordinary stick, had beaten and flogged the same Dam at intervals all over his body, and had continued therewith until about the time of having the midday meal, when the master ordered him, the appearer, and the slave Adam to untie the punished slave Dam and to bring him into the cellar, where they had then laid him, Dam, down, who could no longer walk, and after the same Dam had lain there for a little while, his master had immediately ordered both of them to bring him, Dam, into the house, where the same had come to pass away towards sunset. The appearer finally declaring that his master, after the mentioned Dam had asked for water several times during the beating, had ordered him, the appearer, to give him a drink of water, which was also done by him in the presence of his master. Declaring nothing further, the appearer gives as reasons for his knowledge as stated in the text, affirming the above to be the pure truth. Thus passed at the Cape of Good Hope on the 2nd of May 1787, before the gentlemen Christiaan Ludolph Neethling and Johannes Matthias Bletterman, members from the Honorable Venerable Council of Justice aforesaid, who have duly signed the minute hereof together with the appearer and me, the sworn clerk. At the bottom stood: To which I witness. Was signed: B. J. W. D. Riet, sworn clerk. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Venerable Council of Justice of this Government, Adam of Mozambique, bondsman of the burgher David Naude, of competent age, who, at the requisition of the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Mr. Hendrik Lodewijk Bletterman, declared to be true: That on Monday the 12th of March last, the slave Dam of Madagascar belonging to his, the appearer's, master having been accused of having given brandy to a certain Hottentot living near the widow Botha, whose name is unknown to him, the appearer, about which the appearer's master, having summoned the mentioned Dam to him, had asked him about it, to which the mentioned Dam had answered his master, "I gave that Hottentot no brandy, he bought it from the neighbors"; whereupon his master had then summoned the mentioned Hottentot to him and, in the presence of Dam, had asked whether he was the boy who had given him the brandy, and who else had been there, the same answered yes thereto, and that the two of them had been alone. The appearer's master then wishing to have him bound to be brought to Stellenbosch and punished there, he had refused to surrender himself, and threatened to kill the first person who touched his body; whereupon his mentioned master immediately mounted his horse to ride to his brother, who lived not far from him, to inform him thereof, and in the meantime the mentioned Dam had run away from the farm. That two days thereafter, or on Wednesday the 14th of March last, in the morning at circa 8 o'clock, while the appearer was busy rinsing out leaguers in the cellar, the mentioned Dam, after having been a runaway for two days, had come home again and, pleading with his cap in his hand, approached his master, asking that he himself, and not the Caffers, should punish him, whereupon his master had told him that he must throw away the knife he was carrying in a sash, to which the same Dam answered in substance, "Master, you need not be afraid of me, I will do no harm"; and the same had immediately thrown the mentioned knife away from himself. That thereupon his mentioned master had called for a ladder from the fellow slave Galantom, which was placed against a wagon wheel in front of the cellar, upon which his mentioned master, together with the fellow Claas Galant, had bound the aforesaid Dam by his hands and feet, and subsequently beaten him at intervals with a whip tied to an ordinary stick until about the time of having the midday meal; at which time his mentioned master had ordered them to bring the mentioned Dam into the cellar; they, having laid the mentioned Dam, who could no longer walk and had already lain there for a little while, thereafter by order of their

Dutch transcription

moest afstraffen, het direct op een lopen had gezet, zonder door de slaaven, die hem direct hadden vervolgd te kunnen werden. agterhaald. — dat den 14. daar aan 's morgens Circa 8 Uuren, denzelven dam weder te huis komende zig by zin Lijfheer, die zig in de kelder bevond had vervoegd, hy Compt. als toen door zyn Lyfheer was geroepen en gelast een riem te halen, en gem: slaav dam te binden, wordende hij Dam door zijn Lijfheer geordonneert, het mes, dat hij by zig in een band om 't Lyfdroeg afteleggen; dien slaav hetzelve ook direct had weg geworpen: waar op hij dadelijk door den Compt„ op ordre zijns Lifheers aan handen en voeten op een Ladder gebonden wierd, geheel ontkleed, uitgezondert het Camisool, wordende 't zelve over deszelfs hoofd gehaald en aldus gem: Ladder teegen een wagenwiel voor de kelder neder„ „gezet. dat daarop zynen Lijfheer den meede Claas Fortuyn had ge„ „last zijn Vier en zes paarden Zweepen uit het huijs te halen en met de Zes paarde Zwaap, zijnde aan een ordinaire stok gebonden, denzelven Dam, by tusschenprozing over 't gantsche Ligchaam had geslagen en gegeesseld en daarmeede to t om„ „trend het houden van 't middagmaal had gecontinueerd, wanneer den Lyfheer hem Compt, en den slaaf Adam hael gelast, den afgestraften slaaf Dam te ontbinden en in de kelder te brengen, alwaar zij hem Dam, die niet meer gaan konde, dan ook hadden neder gelegd, en na dat denzelven dam aldaar een porsje had gelegen, had zinen Lijfheer hun beide opstonds gelast, hem dam in huis te brengen, alwaar denzelven tegen zons ondergang was komen te overlyden betuigende den Compt. nog laatstelijk, dat zin Lyfheer, na dat gem. dam, onder 't slaan Verscheide malen had gevragd om water hem Compt. had gelast, den zelven een Dronk water te geeven, 't geen door hem ook in tegenwoordigheid van zyn Lijfheer geschied is. — Niets meer verklarende geeft den Comp„t voor reedenen van weten„ schap als in den text, betuygende 't vorenstaande de zuyvere waarheid te zyn Dat Aldus passeerde aan Cabo de goede hoop den 2 May 1787. voor de heeren Christiaan Ludolph Neethling en Johs Matthias Bletterman leden uit den E. Agtb, raade van Justitie voorm. die de minute dezes, beneevens den Comp„t ende mij gesw: Clercq, mede behoorlyk hebben onderteekend: /: onderstond:/ T welk ik Getuijge /:was geteekend:/ B. J. W: D. Riet gesw: Clercq. Compareerde voor ons Onderget: Gecomm„s uijt den E: Agtb: raad Raad van Justitie deezes Gouvernements Adam van Mosambio, „que, Leyfeygen van den Burger David Naude, van Competenten ouderdom, dewelke ter requisitie van den Landdre At van Stellenbos. en Drakenstein de heer Hendrik Lodewijk Bletterman ver„ claarde hoe waar is. — Dat op maandag den 12 Maart laatstl: den aan zyn Comp„s Lijf „heer toebehoorende slaav Dam van Madagascar betigd geworden zijnde aan zeekere bij de weed, Botha woonende Sotten tot wiens naam hem Compt. onbekend is, Brandewijn gegeeven te hebben, waar over des Compts lyfheer, gem. Dam by zig hebbende doen, komen, denzelven zulx gevraagd had, waarop gem. Dam zyn Lyfheer g'antwoord had, ik heb dien hotten tot geen brandewin gegeeven, die heeft hij by de buuren gekogt wanneer zijn Lyfheer als toen gem. hotten tot bij zig had doen komen en in praesentie van Dam had gevraagd, of hy die Jongen was, die hem de brande, wyn gegeeven had, en wie er nog by was geweest, denzelven zulx met Ja beantwoord, en datze met haar beiden alleen waren geweest des Comp„s Lyfheer als toen willende laten binden om naar stellenbasch te brengen en aldaar af te laten straffen, hy zig niet gevangen had willen geeven, en gedreigd de Eerste die hem aan 't Lyf quam om 't leeven te zullen brengen waarop gem. zyn Lyfheer regte paard begeeven had om naar zijn broeder te reiden, die niet verre van hem woon¬ „de om hem zulx te kennen te geeven, gem: Dam in dien tusschen tijd van de plaats was weggelopen. Dat twee dagen daar na, ofte op Woensdag den 14. Maart Jongstl: 'Smorgens Circa Om 8 uuren den Comp„s in den kelder bezig was met Liggers te spoelen, gem: Dam, na twee dagen opge„ „drost te zyn geweest, weeder te huis, en al smeekende met de muts in de hand by zyn Lyfheer was gekomen, dat hy hem toe niet van de Caffers maar zelfs moest afstraffen, had denzelven zijn Lijfheer hem gesegt, dat hij, de by zig in een band dragende mes moeit wegwerpen, denzelven Dam daarop in substantie antwoorde, Baas, hoeft voor myn niet bang te weezen ik zal geen kwaad doen; had denzelven gem: mes direct van zig weggeworpen Dat daarop gem. zyn Lijfheer aan den mede slaaf Galantom een Ladder geroepen had, die teegens een wagenwiel voor de kelder wierd gezet, waarop gem. zyn Lyfheer, beneevens den meede Claas Galant voorsz. Dam, aan handen en voeten gebonden had, en vervolgens bij tusschen pozingen met een sweep, die ^ en ordinair stok ge¬ bonden was geslagen, tot omtrend 't houden van den middagmaal als wanneer gem. zyn lyfheer hunt. hadde gelast, gem. Dam in de kelder te brengen hadden, zyl gem Dam, die niet meer gaan kende, en reeds een pers daar geleegen had, daar na op ordre van hun

NL-HaNA_1.04.02_10986_0471 view scan ↗

English

states, David naude, aged 34 years, born in this district and burgher of stellen bosch. hold, and much less to punish, and further, upon the said words of the son of the widow Botha, shoot then, shoot, without the appearer having had the intention of wanting to shoot him. states that after complaint of that boy was brought into the house by their master, where the same passed away towards sunset. Lastly, the appearer testified that the said slave Dam had several times while being beaten asked for water, which his said master had at first refused, but had at last given orders that he should be given a drink of water, which had thereupon immediately been done. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons of his knowledge as in the text, testifying the foregoing to be the pure truth. Below stood. Thus done at the Cape of Good Hope on 2 May 1787, before the gentlemen Christiaan Ludolph Neethling and Johannes Matthys Bletterman, members from the Honorable Court of Justice aforesaid, who have duly signed the original minute hereof together with the appearer and me, sworn clerk. Lower: Which I witness. Was signed: B. J. V. D. Riet, sworn clerk. Articles drawn up and delivered to the gentlemen commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government, by and on behalf of the undersigned Landdrost of stellenbosch and Drakensteen, Hendrik Lodewijk Bletterman, in order that the Burgher David naude may be heard and interrogated thereon at his requisition, his answers to be given having to be recorded alongside each article. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government, the burgher David naude, who to the adjoining questions answered as recorded alongside each. Article 1. The interrogated person in person, his name, age, birthplace, and status. Answer: states, David naude, aged 34 years, born in this district and burgher of stellen bosch. Article 2. Whether the said person in person suspected his slave named Dam of Mozambique of having stolen a little brandy and having given the same to a certain Hottentot living with the widow Botha. Article 3. Whether he, the defendant in person, regarding this, threatened the said Dam on Monday 12 March with having him tied up and brought to stellenbosch, in order to be punished by the Caffres in front of the prison house there. Answer: states yes, that he had threatened the prisoner Dam with having him brought to stellenbosch, because he had initially denied having done so, and upon the evidence of the jug, through which he came to confess, he had called his boys to hold him, but that boy had said, I will not let myself be held, and on the interrogated person saying that he would then shoot him dead, that boy said shoot then, shoot, without the appearer having had the intention of wanting to shoot him. Article 4. Whether he, the witness in person, thereupon ordered his other slaves to seize the said Dam and tie him up. Answer: states, to hold him, but not to tie him. Article 5. Whether said Dam then retreated, drew the knife, and threatened the other slaves therewith, so that they, not daring to seize him, Dam, he, Dam, thereby found opportunity to run into the field, and thus absent himself. Answer: states yes. Article 6. Whether said Dam, two days later, namely on Wednesday the 14th in the morning around eight o'clock, came of his own accord to the house and indeed to him, the interrogated person, in the wine cellar. Answer: states, at nine o'clock the commando was with me, and at 10 o'clock the boy first arrived. Article 7. Whether said Dam then asked him, the interrogated person, not to send him to stellenbosch to be punished there. Answer: states yes, that that boy had asked him whether he would punish him himself, or whether he would have him brought to stellenbosch. Article 8. Whether he, the defendant in person, immediately thereupon ordered the said Dam to throw away from himself the knife that was in a belt around his body. Answer: states yes. Article 9. Whether this was immediately complied with by said Dam. Answer: states yes. Article 10. Whether he, the defendant in person, ordered his slave galant to fetch a strap to tie up the aforesaid Dam therewith. Answer: states yes. Article 11. Whether he, the defendant in person, then ordered the aforesaid Galant to strip the often-mentioned slave Dam entirely, except for the camisole, and subsequently to tie him hand and foot to a ladder placed against a wagon, and to pull the camisole over his head. Answer: states, not to have seen such. Article 12. Whether he, the defendant in person, told his slave fortuijn to bring the six- and four-horse whips. Answer: states, he had ordered to bring the six-horse whip only. Article 13. Answer: states yes.

Dutch transcription

zegt, David naude oud 34 Jaren van deese uythoek geboorteg en burger aan stellen bosch vasthouden en veel minder straffen en vervolg„s op de gesegde van de maar, schiet maar zonder dat de Compe van intentie is geweest hem te willen schieten. regt, dat daar klagte voor die Jonge door hun Lijfheer in huis gebragt, alwaar denzelven, teegens sons onder„ „gang was komen te overleiden. — Laatstelijk betuigde den Comp„t dat gem: slaaf Dam verscheide maalen onder 't slaan, om water had gevraagd, gem, zyn lyfheer eerstelyk had geweigerd, egter eindelyk ordre had gegeeven, dat men hem een dronk water moest geeven, 't welk dan ook ten „stond was geschied. - Niets meer verklarende Geeft den Comp„t voor reedenen van wee„ „tenschap als in den text, betuijgende 't voorenstaande de Zuivere waarheid te zyn.— /:onderstond./ Aldus Gepasseerd aan Cabo de goede Hoop den 2 Mey 1787, voor de heeren Christiaan Ludolph Neethling en Joh„s Matth, Bletterman Leien uit den E. Agtb. Raad van Justitie voorm. die de minute deezes beneevens den Compt in my gesw: Clercq, meede behoorlyk hebben onderteekend // lagers/ 'T welk ik Getuige /:was geteekend:/ B. J. V. D. Biet, gesw: Clercq. — Articulen Gedaan maken, en aan heeren Compareerde voor ons Ondergetde gecomm„s uijt den E. Agtb: raad van Justitie geComm„, uit den E. Agtb: raad van Justitie deezes Gouvernements overgegeeven, door deeses Gouvernements den burger David ende van weegens den ondergeteekende naude, dewelke op de nevenstaande vragen Landdrost van stellenbosch en Drakensteen zodanig g'antwoord heeft als besyden een Hendrik Lodewijk Bletterman, omme daar op ter zijner requisitie gehoord en ondervraagd te worden, den Burger David naude, zullende zijne te geevene antwoorden bezeyden ieder articul moeten worden bekend gesteld. yder aangeteekend staan— de zoon van de weed. Botha ge, zegt Ja dat hy gev. dam gedreygd had na stellenbosch te zullen off hy ged„ in persoon, daarover, denselven dam te hebben en op de overtuyging van de kan, waar door hyj tot op maandag den 12. maart heeft bedreigd bekentenis quam had hij gev: zijn jongens geroepen, om hem te zullen laten vastbinden, en naar stellenbosch brengen, ten eynde voor 't gevan„ gev:s dat hij hem dan zoude dood schieten had die jonge gesegtschiet „genhuijs aldaar door de Caffers te worden afgestraft: laten brengen, wyl hij in 't eerst genegeert had, zulx niet gedaan vast te houden dog had dien Jongen gesegt, ik laat mij niet A„o 1. des gevs. in perzoon zyn naam ouderdom, geboorte plaats en qualiteyd. „ 2. Off de gede in perzoon, zyn slaav met name Dam van Mosambicque heeft verdagt ge¬ „houden, dat een wynig brandewyn gestolen en dezelve aan zeeker by de weed. Botha woonende hotten tot zou hebben gegeeven! A„o 4 „koomen is. d „ 3 zegt, om hem vast te houden, maar niet zegt om negen uuren is de Commando by mij geweest en om 16 Uuren is de Jonge eerst gekomen. - zegt Ja. zegt Sa. zegt Sa . zegt de ses paarden sweep alleen had hy gelast te brengen zigt, zulx niet gezien te hebben.- om te binden. Off hy get: in persoon, daar op zijne ove¬ „rige slaaven heeft gelast, om denselven dam aan te lasten en vast te binden. Off gem. dam zig als toen geretireerd, 't mes getrocken, en de andere slaaven daarmeede bedreijgd heeft, zoo dat zyl. hem Dam niet hebbende durven aantasten, hij Dam daar door geleegentheijd heeft gevonden, veldwaards in te loopen, en dus„ „danig zig te absenteeren! Off gem. Dam, twee dagen daarna, en wel V op woensdag den 14. des morgens de klocke omtrend Agt uuren uyt zig zelve te huijs en wel bij hem gev. in perzoon in de wijnkelder gekomen is. gev. of hij zelfs zou straffen, dan of hij heeft versogt, dat hem niet na stellenbosch hem na stellenbosch soude laten brengen. — zou zenden om aldaar afgestraft te worden. „ 8 Off hy ged: in perzoon terstond daar op gem. dam bevolen heeft 't in een band om des „selfs lyf bevindende mes van zig te werpen Off zulx dadelijk door gemelde Dam is nagekomen. „zegt Ja. dat dien Jongen gevraagd had aan hem Off gem: dam hem gev. in perzoon als toen Off. hy ged: in percoon desselfs slaaf. galant heeft bevolen een riem te haalen om eevengem. Dam, daarmeede vast te binden! „ 10 „: 11: Off hy ged. in perzoon, voorsz. Galant„ als toen heeft gelast, meerm: slaaf dam tot op het Camisool na geheel. te ontkleeden, en vervolgens op een tee¬ „gens een wagen gestelden, Ladder aan handen en voeten vast te binden in't Camisool over 't hoofd heen te brekken Off hy ged: in perzoon aan desselfs slaaf fortuijn heeft gezegt de ses en Vier paarden sweep te brengen „ 12 zegt Ia. A„o 13 A„o 4 „ 5: 6: „ 7 „ 9: 1 :

NL-HaNA_1.04.02_10986_0473 view scan ↗

English

States that he, the prisoner, had begun to punish that boy when the boy he, the prisoner, had sent for his brother had returned, who lives a half-hour walk from him, the prisoner, after that boy was first tied up at ten o'clock, and he, the prisoner, had beaten that boy until around twelve o'clock. Anno 13. Whether he, the defendant in person, at that time with the six-horse whip beat the aforesaid Dam, both on the bare back and even on the arms, at intervals until noon. States, yes. 14. Whether the same slave Dam repeatedly cried out and asked for some water. States, he always refused to give water. 15. Whether he, the defendant in person, did not at first refuse him this, but afterward ordered the aforesaid slave Galant to give water to the aforesaid Dam. States that he, the prisoner, did not see that the boy received water, but did see when he was already drinking of that water, wherefore he, the witness, also rebuked the boy Adam. 16. Whether the aforementioned slave Galant thereupon reached the water to the same Dam in his, the prisoner's, presence. States, yes. 17. Whether he, the witness in person, thereafter ordered the two slaves Galant and Adam to untie the slave Dam and bring him into the wine cellar. States, yes. 18. Whether he, the defendant in person, saw that the same Dam, being unable to walk any longer, was carried into the cellar by the two aforesaid slaves Adam and Galant. States, yes. As soon as he drank water, that boy became powerless, and he, the witness, had then taken all proper care to restore that boy, without anything helping. 19. Whether he, the defendant in person, in the afternoon had the aforementioned slave Dam transferred from the cellar into his dwelling house by the aforementioned two slaves. States, yes. 20. Whether the same Dam died there on the same day at sunset. States, yes. 21. Whether he, the defendant in person, did not himself see that with such a whip the blows inflicted on the aforementioned Dam were countless and nearly the entire beaten part of the body of that slave became contused or bruised. States that he regarded such as a light punishment, so as not to inflict any deadly wounds on him with another instrument. 22. Whether he, the prisoner in person, is aware that a six-horse whip only serves to beat a team of six horses and also other livestock, but no humans. States that he saw no other blood than on the buttocks. 23. Whether he, the witness in person, also did not see that even the right eye and the upper lip of the same Dam were found as if cut through by the inflicted whip blows. States that that boy indeed had a few spots on the upper lip, but such happened through bumping against the ladder, as well as a scratch on the eye that was caused by the reed with which that ladder was woven. 24. Whether he, the defendant in person, consequently also understands that through such an unlawful chastisement he was the first and principal cause of the premature or untimely death of the aforementioned Dam. States that he knows nothing else to be the cause than the water, just as that boy himself cried out. 25. Whether he, the defendant in person, has thus not rendered himself punishable to the utmost. States, what I have done, I have done with no evil intention, but for his own good; and a slave who costs me 750 rixdollars, would I willfully put him to death. 26. What he, the defendant in person, knows to bring forward in his defense. States that he requests to settle the matter and further requests to be overlooked for this once. Thus done and answered at the Cape of Good Hope, the 1st of June 1787, before the Honorable William Ferdinand van Reede van Oudshoorn and Christiaan Georg Maasdorp, members from the Honorable Court of Justice aforesaid, who have duly signed the original minute of this together with the interrogated party and me, the sworn clerk. Lower: Which I testify. Was signed: B. J. V: D: Riet, sworn clerk. Below stood: Agrees, Jan Herssel, Secretary. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, the sworn clerk of the well-mentioned Court, Rijno Johannes van der Riet, as officially qualified to attend to the affairs of the Landdrost of the Colony of Graaff-Reinet, Mr. Morits Herman Otto Woeke, in his official capacity, Plaintiff in a criminal case on the one side, Rees and Dragonder, both Hottentots, prisoners and defendants in the aforesaid case on the other side. And caused to be stated: 2. That the prisoners and defendants for several years have resided with the Hottentots Sposter, Bosjesman, and Vlamink, and their wives and children, with the burgher Pieter Venter in the district of Graaff-Reinet, and during their stay there served very faithfully; 3. Until now a good year ago, and precisely since the blacksmith Hottentot Willem, having taken up residence with the brother of the aforesaid Venter, named Stephanus Venter, held intercourse with the prisoners and defendants, together with the other Hottentots and Hottentot women; 4. Whereupon immediately some discontent and even recalcitrance was discovered by the mentioned Venter among his people; 5. With that result: 6. That the prisoners and defendants, together with the aforesaid Hottentots and Hottentot women, deserted from the mentioned Venter, as they say at the instigation of the Hottentot Willem, taking along five guns with some powder and lead; 7. Just as the aforesaid Hottentot Willem, having also run away from his master, then also joined the plot of the prisoners and defendants with their companions; 8. That this band, after having wandered to and fro, was found on the 3rd of December of the mentioned year at the so-called Paardevallei, in the vicinity of the abandoned places.

Dutch transcription

Zegt, dat hij gev: die Jonge had beginnen afte A„o 13. zegt Sa„ zegt zulx als een ligte straf aangemerkt ment geene dodelyke wonden toe te Legt, dat hy anders geen bloed Gezien Off hij ged. in persoon, als toen met de zes „straffen, toen de Jonge die hij gev: om zijn paarden, Zweep, voorsz. Dam, zoo op de broeder gezonden had te rug gekomen was, bloote rugge en zelfs by de armen by tusschen welke een half uur gaans te voet van hem posing geslagen heeft tot op de middag. -- gev. woond, nadiet die Jonge eerst om tien uuren gebonden was, en had hij gev. dien Jongen geslagen tot bij Twaalf Uuren — zegt, altoos geweygert te hebben water zegt, dat hij gev. niet gesien heeft, dat die Off evengem, slaaf Galant daar op, denselve Jongen water kreeg, maar wel, toen Dam in zin gev. tegenswoordigheid 't wa„ hij reeds van dat water dronk, waar„ ter toegereijkt heeft! over hy get. ook de Jongen Adam geknerd heeft: heeft. — heeft als op de billen. Off. hy ged. in persoon niet zelvs heeft gezien dat met een dusdanigen sweep de aan gem. Dam toegebragte slagen ontelbaar waaren en by na 't geheele geslagen gedeelte des Lighaams van die slaas gecontinsioneerd of gekneuist is geworden ?: Off hem gev. in perzoon bewuest is dat een ses te hebben, om hem met een ander instru, paarden zweep alleenlijk diend, om een span van ses paarden en ook ander vee te slaan maar geen menschen! „ 19. Off hy ged: in perzoon gem: slaas Damsnade „middags door evengem. beyde slaven uyt den kelder in zijn woonhuijs heeft laten overbrengen! „ 20. Off denzelven Dam aldaar denselven dag met sons ondergang overleeden is! 18. zegt Sa. zoo dra hij Water dronk is dien; Off. hij ged. in perzoon heeft gezien, dat dezelve Jongen magteloos geworden, en had hy get: dam niet meer kunnende Gaan, door de toen alle behoorlijke zorge Gedragen in dien beyde voorsz. slaven Adam en galant in Jongen te herstellen, zonder dat iets geholpen den kelder Gedragen I. r Off hij get: in perzoon, daar na de beijde slaven galant en Adam heeft gelast den slaaf dam te ontbinden en in den wynkelder te brengen! Off: hyj ged: in perzoon denzelven zulx eerst niet gewygerd, dog daar na voorsz. slaaf Galant bevoolen heeft aan voorm. Dam water te geeven 14. Off dezelve slaaf Dam, tot herhaalde reijse ge„ „roepen en versogt heeft om wat water! No. 23 zegt. Ja te geeven zegt Sa„ zegt, Sa brengen. „ 22. „ 21. „ 17. 1 „ 16 „ 15 A„o 23 Off hij get. in perzoon, ook niet heeft gezien Zegt dat die Jongen wel een paar plekjes op dat zelfs het regter oog ende boven lip van de boven Lip heeft gehad, maar zulx is toegekomen, door 't stooten op de Leeren zoo denzelven dam, door de toegebragte Zweep meede een krab op 't oog dat door 't riet waar, slagen als door sneeden is bevonden „meede die Leer bevlogte was, is veroorzaakt Off. hy ged: in perzoon, gevolgelijk ook be¬ „grypt, door een dermalen ongeoorloofde Castij„ „ding de eerste en voornaamste oirzaak van gem: Dam zin praematuure of ontydig sterven te zyn geweest! „ 25 Zegt, wat ik Gedaan heb, hebbe ik met geen Off. hy ged: in perzoon zig dus niet ten uytersten kwaade intentie gedaan, maar tot syn Strafwaardig heeft gemaakt! bestwil en een slaaf, die mij rd. 750 kost zou ik die moetwillig om 't Leeven brengen! „26 zigt dat hij verzoekt om de zaak afte ma Wat hy ged: in perzoon tot zyn verschoning „ken en versoek verder, voor dit maal weet in te brengen! over zien te worden. Aldus Gedaan en Beantwoord aan Cabo de Goede Hoop den 1 Junij 1787. voor d' EE. William ferdi¬ „nand van reede van Oudshoorn en Christiaan Georg Maas„ „dorp Leeden uit den E. Agtb. raad van Justitie voorm. die de minute deeses beneevens de gevraagde ende my gesw: Clercq meede behoorlyk hebben onderteekend. . . /: lager:/ 'T welk ik getuyge /:was geteekend./ B. J. V: D: Rret gesm: Clercq, /: onderstond:/ Zigt nen niets anders de oorzaak te zyn als 't water, zoo als die Jongen zelfs heeft uijtgeroepen! Accordeert Jan Herssel Secrett „ 24. Compareerde voor ons ondergetee¬ kende gecommitt„s uyt den E Agtb: Raad van Justitie deeses gou„ vernements den gesw: Clercq van welgem: Raade Rijno Johannes van der Riet, als in officio gequa„ lificeerd ter waarneeminge der zaaken van den Landdrost der Colonie Graaffe Reynet de Heer Morits Herman otto woeke, r: O: Eysscher in Cas Crimi¬ neel ter eenre Rees en dragonder byde Hottentotten gev: en ged„te in voorsz: Cas ter an„ dere zyde f. Ende deede zeggen 2/ dat de gev: en ged„te zeedert verscheyden Iaaren met de„ Stottertotten Sposter Bosjesman en Vlamink en derselver vrouwen en kinderen zyn woonagtig geweest by den Burger Pieter Venter in het district van graaffe Reynet, en geduurende hun verblyf aldaar zeer getrouw hebben gedient, tot nu ruym een Jaar geleeden en wel Juyst zeedert dat den smeede Hottentot Willem zig by den broeder van voorsz: Venter in naame Stephanus Venter met er woon begeeven hebbende met de gev: en gedte nen vens de overige nottenrotten en Stottentottinnen ver„ keering gehouden heeft. 4 wanneer terstond reeds door gem: venter onder zyn volk eenig misnoegen en zelfs baloorigheijd is ont„ dekt. 5 met dat gevolg dat de gev: en ged:te benevens voorsz: Stottentotten en stotten tot tinnen van gerepten venter /:zo zy zeggen:/. op aanraading van den Hotten tot Willem zyn op gedrost: meede neemende vyf geweeren met wat Vruyd en Lood 7/: gelyk voorsz: Hotten tot Willem meede van zyn en baas weggeloopen zynde, zig dan ook by het Complot van de gev: en ged„te met hunne makkers gevoegd heeft 8 dat deese bende na gints en herwaards geswhorven te hebben zig op den 3 december des gem: Jaars heeft bevon„ den aan de sogenaamde paarde vallej omstreexde op ende Jegens verlaating 2

NL-HaNA_1.04.02_10986_0476 view scan ↗

English

abandoned farm of the burgher Ian Viljoen 9. precisely at the time when the burghers Albertus Viljoen and Barend Jansen, who had gone to the seacow hole on the said abandoned farm to lead the water into a piece of cornland there, had to pass the aforementioned Paardevallei upon their return 10 that the aforesaid Viljoen and Jansen then also, upon their return, having unexpectedly approached the aforesaid gang of armed Hottentots, mistook them for Bushmen and thereupon immediately took flight on their horses 11 nevertheless the aforesaid Hottentot Willem, together with the first prisoner in this matter and the Hottentots Bojesman and Spogter, immediately, as the prisoners stated and upon the utterance of Willem that we must shoot those Christians dead, fired their loaded guns at the aforesaid Jansen and Viljoen 12 with such effect 13 that the aforesaid Jansen, having been struck in his left buttock by a bullet that had penetrated diagonally through the privates, remained lying in the field after having ridden forward slowly for a few paces 14 when he was subsequently fetched with a wagon by the burgher Pieter Ernst Kruger and brought to his farm 15 the next day, being December 4, he died of that received wound 16 that the plot of Hottentots thereupon betook themselves to a mountain situated at the so-called Renosterfontein 17 and having been tracked down there 18 were also captured on the 5th of that month of December by a commando, without having offered the slightest resistance 19 while two of them, named Hlaming and Bossesman, were nevertheless shot dead on that occasion 20 that the Landdrost of the colony of Graaff-Reinet, upon the authorization obtained from Your Honorable Worships, having classified the women and children among this gang, along with the other least guilty, which latter were domestically corrected at the drostdy and chained in irons, banished them to the inhabitants of that colony for a specified period 21 as well as having sent the aforesaid Willem, being the principal instigator, together with the prisoner and defendant in this matter and the said Spogter, toward the Cape 22 the said Willem and Spogter however managed to escape on the journey and are still at large 23 while the prisoner and defendant was nevertheless brought here and thus delivered into the hands of justice 24 as the one and the other will most clearly appear to Your Honorable Worships from the interrogatories submitted herewith and answered by the prisoner and defendant, together with the further documents 25 that, since sufficient proofs of the deed itself and of its perpetrators are now at hand 26 the inquiry in this matter will only briefly have to concern the punishment that the prisoner and defendant have thereby merited 27 and then it comes into consideration in this matter regarding the prisoner and defendant 28 that he betook himself into the veld with a gang of Hottentots and was armed with a gun before them, in order, as he says at article 15 of his interrogation, to be able to defend himself therewith against the Christian people 29 that he was thus animated with an intention to use that weapon against the Christians 30 indeed that, upon the arrival of the burghers Barend Jansen and Albert Viljoen, he actually made use of the same 31 having, pursuant to article 19 of his interrogation, shot at them together with the others who also had guns 32 and however much one is presently in uncertainty as to which shot actually caused the said Jansen to receive his fatal wound 33 and one might thus on the one hand wish to suppose that, since the said Jansen was struck by only one bullet, the first prisoner and defendant could consequently well belong among those who did not bring about his direct death 34 it is nevertheless on the other hand placed beyond all contestation 35 that the first prisoner and defendant shot at the aforesaid Jansen with a gun properly loaded with a bullet 36 and thus having made use of a weapon whose effect could never depend upon his caution 37 it must then also be considered that he had the intention to deprive the aforesaid Jansen and Viljoen of their lives 38 and thus not as a mere accident, nor ever to

Dutch transcription

verlaatene plaats van den Burger Ian Viljoen 9. Juyst op het tydstip dat de Burgers Albertus hGoen en Barend Jansen, die zig naar het zeekoe gat op gem: verlaatene plaats begeeven hadden, om aldaar het water in een stuk koornland te lyde bij hun retour gerepte paarde valley moeste pas„ seeren 10 dat voorsz: Viljoen en Jansen dan ook by hunne te rug komst de voorsz: Bende gewapende Slottentot, ten onvoorsiens genadert zynde, deselve voor Bossesman aangesien en zig als toen dadelyk met hunne paarden op de vlugt begeeven hadden 11/ dan des niet tegenstaande voorsz: Hotten tot Willem beneevens den 1 gev: in deesen en de slottentotten Bo„ Jesman en spogter terstond (:zo als de gev: opgeeven en op het zeggen van Willem wy moeten die Christene dood schieten „ met hunne gelaadene geweeren op voort Jansen en viljoen hebben los gebrand 12/ met dat Effect /13 dat voorsz: Jansen in zyn linker bil met een kogel, welke schuyns tot door het schaamlid was gepene„ treerd, getroffen zynde, na eenige schreeden langsaam voortgereeden te zyn, in het veld is blyven leggen ke/ wanneer hy vervolgens door den Burger Pieter Ernst Kruger, met een wagen gehaald, en naar zyne plaats gebragt weesende. 15 /'s anderen daags ofte den 4 december, aan die bekomene wonde is overleeden 16/ dat het Complot slotten totten zig hierop begeeven heb„ bende op een berg aan de zogenaamde renoster fonteyn geleegen 3 17/ en aldaar op gespoord zynde 18/ dan ook op den 5 dier maand december door een Com„ mando, zonder het geringste tegenweer gebooden te hebben is gevangen genomen 19' terwyl nogtans twee van het zelve, in naame Hlaming en Bossesman bij die geleegendheyd zyn dood geschoo¬ ten geworden 20 dat de Landdrost der Colonie graaffe Reiriet op de beko„ mene qualificatie van uwel Ed: agtb: de vrouwen en kin„ deren onder deese bende gesorteerd hebbende, beneevens de overige minst schuldigen, welke laatste ter drost„ dye demesticg gecorrigeerd en in de ketting geklonken zyn by de Jngeseetenen dier Colonie voor een bepaalde tyd heeft gebannen 21 „ mitsgaders voorsz: willem ofte den eersten autheur beneevens de gev: en ged„e in deesen en gem: Spogter Caab„ waards opgesonden hebbende 22/ gerepten Willem en Spogter egter op de reyse hebben hebben weeten te echappeeren en zig nog voortvlug„ tende bevinden. 23) Terwyle de gev: en ged„te nogtans alhier opgebragt en zo in handen van Justitie overgeleeverd zyn 24/ zo als het een en ander uyt de hiernevens overgeleg„ de en door de gev: en ged„e beantwoorde Jnterrogatorien beneevens de verdere documenten uwelEd: agtb: ten duydelyksten zal kunnen Consteeren 9 25) dat gelyk nu van de daad zelve en van dies daaders genoegzaamen preuven voor handen zyn 26/ zo zal het ondersoek in deesen alleen kortelyk moeten gaan omtrend de straffe welke de gev: en ged: hier¬ door hebben gemeriteerd. 27/ en dan komt ten in deesen ten belange van den gev: en ged„te in Consideratie 28/ dat hy zig met een bende Hottentotten in het veld begeeven heeft, en met een geweer voor hun is geweest, ten eynde (:zo als hhij op act: 15 van zyn verhoor zegd:/ zig daarmeede tegens de Christen menschens te kunnen verweeren 29/ dat hy dus met eene intentie om dat wapen„ tuig tegen de Christenen te gebruiken, is be¬ zield geweest 30/ Ja dat hy zig by de komst van de Burgers Ba¬ rend Jansen Barend Jansen en Albert Viljoen revera van het zelve heeft bedient gehad 31/ als hebbende, ingevolge Art: 19, van zyn verhoor met de overige die meede geweeren hadden op deselve geschooten 32 En hoe zeer men voor het tegenwoordige in het on„ seekere verseerd door welke schoot eygentlyk ge„ repten Iansen zyne doodelijke klessure mogt ontfangen hebben 33 en mendus aan de eene kant zoude willen ver„ onderstellen, dat, terwil gem: Jansen Slegts door eene kogel getroffen is, hy 1 get: en ged„e gevol„ gelyk wel konde behooren, onder die geenen, die de directe dood van denselven niet hebben te weege gebragt: pf zo is 2 aan den anderen kant nogtans buyten alle Contestatie gesteld. 35/ dat hij eerste gev: en ged„te op voorsz: Jansen met een door een kogel behoorlyk gelaaden geweer geschooten 36/ en dus van een wapentuyg welks uytwerking nimmer van zyne voorsigtigheyd konde dependeeren gebruyk gemaakt hebbende 37 / dan ook moet worden geconsidereerd van intentie te 't zyn geweest om voorsz: Jansen en Viljoem van het sleeven te berooven 38/. en dus niet als een bloot toeval, nog nimmer aan

← previousnext →