VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 11024

Cape · 1,044 pages · 161 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_11024_0915 view scan ↗

English

To the Honorable Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councillor of the Dutch East Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon with its dependencies. Honorable, highly esteemed Sir, The undersigned fiscal, having been ordered by an extract from the minutes of the resolutions of the Council of Ceylon on 15 September last to further investigate here the case of a certain Frenchman sent here under arrest from the Cape of Good Hope, named Louis Hippolite de Verneuil, who, according to an extract of a Cape dispatch dated 8 July previously delivered to the undersigned, had passed himself off there as a secretary of the Lieutenant Colonel de Meuron Bullot and made himself highly suspect of having, under a forged signature of the said Lieutenant Colonel, drawn drafts and presented them to the persons on whom they were drawn, just as he had received payment on one of them from the Secretary of the Orphan Chamber, Tobias Christiaan Ronnenkamp, see numbers 1 and 2. [illegible] The charge. [illegible] Verneuil [illegible] Therefore, the undersigned, in compliance with that highly honored order, judicially examined the said Verneuil as well as the said Lieutenant Colonel de Meuron, according to two recollected statements annexed hereto, which show that the aforementioned Louis Hippolite de Verneuil has made a full confession of having, as stated above, upon his arrival from here at the Cape, not only passed himself off as a secretary of the aforementioned Lieutenant Colonel de Meuron Bullot, but also of having written the four French letters himself and signed the name of the said Lieutenant Colonel beneath them. Declaring further that, since he was a clerk for that gentleman here, he had taken the impressions of his seal that were found on him, Verneuil, from the envelopes of letters which had to be destroyed due to incorrect addresses, though without the intention of putting them to evil use. That it is nevertheless true that by that means he delivered a letter to Mr. Ronnenkamp and received two hundred and fifty piasters on it, and that the other letters written by him under the name of Lieutenant Colonel de Meuron Bullot were likewise sealed with such impressions in order to carry out his intention to receive money upon those letters. That from the money received from Mr. Ronnenkamp, he lent one hundred rixdollars to the master tailor of the depot of the Regiment Meuron named Joyeux, and eighty rixdollars to the quartermaster of the Grenadier Company of the Regiment of Wurtemberg, named von Kampe, and used the remainder for his clothing and maintenance. Furthermore, that by these committed forgeries he rendered himself guilty and punishable, but because before his departure from the Bay of Galle he had been obliged to assign his premium by a note for a debt to Mr. Meuron Rochard at Galle, and foresaw that upon his arrival in Amsterdam he would receive no money and would be in the utmost distress in a foreign country, he had therefore intended upon his arrival at the Cape to wait there for the arrival of the aforementioned Lieutenant Colonel, and in the meantime trade with the money from Mr. Ronnenkamp, and afterward, when repaying it, inform His Honor of the trick Verneuil had employed and beg him to forgive it, see number 4. By the declaration of Lieutenant Colonel de Meuron Bullot, he recognizes the aforementioned Verneuil as a former soldier of the regiment, who, as a private clerk for a certain monthly payment, both at the Cape and here, wrote for His Honor, and has since obtained his discharge from the regiment due to expiration of his term to repatriate. That at the departure of Verneuil, the deponent gave him six rixdollars and a letter for Mr. Ronnenkamp in order to receive another six rixdollars from His Honor, but that Mr. Ronnenkamp has since reported having paid two hundred and fifty piasters to Verneuil upon the order of the deponent, for which expenditure the deponent had nevertheless given no order. Testifying further that the four French letters shown to him are forged and were never written or signed by His Honor, but that Verneuil wrote a letter and a paper, both in French, to the deponent, which His Honor also submitted, wherein he confesses the whole matter more extensively. Which papers, having been presented to the aforementioned Verneuil upon the recollection of this declaration, he declared to be the very ones he had written, signed, and sent to the aforementioned Lieutenant Colonel, and that he persisted in them, see number 5. By those two writings the said Verneuil fully confesses his crime, but accuses the aforementioned tailor Joyeux at the Cape of being the one who incited him to the deed, and to whom he also lent one hundred rixdollars of the aforementioned 250 piasters, as well as 80 rixdollars to a non-commissioned officer of the Regiment of Wurtemberg, see numbers 6 and 7. And whereas by all this evidence the offense is most clearly established, and it is a very well-known axiom that all crimes should, as far as possible, be punished in the place where they were perpetrated, which is why a delinquent finds his forum in the place of the crime: anyone committing an offense

Dutch transcription

Heer willem Iacob van desraaff: Raad Ordinair van Nederlands India Gouverneur en Derecteur van 't Eyland Ceilon, met dies on= „derhoorigheeden. Wel Edele Groot Achtbare Heer De ondergeteekende fiscaal by extracht uyt de notulen van 't geresolveerde in raade van Ceelon op den 15. September I: L: gelast zynde alhier verder te onderzoeken de zaak van zeekeren, van de Catb de Goede Hoop, herwaards in arrest overgezonden Fransman genaamd Louis Hippolite de Verneuut, die zig volgens een aan den onderge= toekende teevens terhand gesteld Extracht Caabse Misseve de dato 8. July te vooren, aldaar voor een Secretaris van den heer Lieutenant Collonel de Meuron Bullol, uytgeevene en zig zeer suspect gemaakt heeft, van onder een valsche handtee= „kening van gemelde heer Lieub: Collonel, assig„ „natie gevormeerd, en aan luiden op wie dezelve getrokken waren, gepresenteerd te hebben, ge= lyk hy op een derzelve, van de Secretaris der fal ldin sity De Charge. te v in Mot, n en en raagt aadk: roter ernueil 16: 5 der Weeskaamer de Heer Tobias Christiaan Con„ nenkamp betaaling ontvangen had en 't vide N=o en 2. Zoo heeft de ondergeteekende, in naakooming „ge van die veel g'Eerde ordre, gemelde Verneuil zoo wel, als op gemelde heer Lieut: Collonel de Meuron Justi„ tiel g'examineert, volgens twee gerecolleerde verklaaring gen deezen by gevoeg, waarby blykt, dat meergenoemde Louis Hippolite de Verneuil, in volle Confessie is, van zig als hier vooen staat, met zyne komste van hier naa de laap, niet alleen voor een secretaris van meergenoemde Heer Lieut: Collonel de Meuron Bullot, uytgegeeven maar ook de vier Fransche brieven, selve geschreeven, en de naam van gemelde Heer Luut Collonel daar onder getie„ „kend te hebben. Declareerende wyders, dat wyl hy alhier een schry „ver van die Heer was, de afdreckzels van dezelfs Cachet die by hem Verneuil gevonden zyn, genoomen en van de Couverts der brieven, welke door 't verkeerd opschryven der adressen, hebben moeten vernietigd werden, hoewel niet met intentie om daarvan een kwaad gebruyk te maaken. Dat het echter wel waar is, dat hy door dat middel, een briev aan de heer Ronnenkamp gegeeven, en daar „op Twee honderd en Vyftig Piasters ontfangen heeft, en dat ook de Overige door hem, op de naam van den Lieutenant Collonel de Meuron Bullet geschreevene brieven, met diergelyke Cachetten verzeegeld zyn, tot 't uijtvoeten van zyn voorneemen om Geld op die brieven te ontvangen. Dat hy van dat ontvangene geld, van den Heer Konnenkamp, een honderd Ryxd:s aan den meester kleedermaker, van het Depot van 't Regiment Meuron genaamd foyeul, en tachentig rd:s aan de fourier fourier van de Grenadier Comp: vant Regiment Wir tenberg, met naame von Kampe, geleend, en de rest tot zyn kleeding en onderhoud gebruykt heeft, Voorts dat hy door deeze gepleegde falsityten, zeg straff schuldig heeft gemaakt, maar wyl hy voor zyn vertrek uyt de Baaij van Galo, verplicht was om zyn promie, by een briefje weegens een schuld„ „post, te verbinden aan den Heer Meuron Roc „hard te Gale, en dees voor uytzag van met zyn komste te Amsterdam, geen Geed zullende ont- „vangen, in een Vreemd Land ten uijtersten verlee „gen te zullen zyn, daarom by dezelfs komste aan de Caab, van intentie geweest is, om aldaar, de komste van voormelde heer Lieutenant Callo= nel te blyven afwagten, en intusschen, met 't Geld van den Heer Ronnenkamp te negotieeren, en naderhand het zelve weder afbetaalende, aan zyn E. bekend te maaken de lest waarvan hy Verneuil zig bediend had, en te verzoeken hem zulks te pardoneeren zee No 4: Bij de verklaaring van den heer Lieul Collonel de Meuron Beillot, erkend denzelven voormelde verneuil voor een geweest soldat van 't Regiment, die„ als particuliere Schryver voor zeekere Maandelyksche betaaling, zoo aan de Caab als alhier, by zyn E: geschreeven, en zeedert mits tyds expiratie, om te repatrieeren zyn afscheid van 't Regiment bekoomen heeft. Dat bij 't vertrek van hem verneui, den Heer de klarant ses ryxd:s en een breef voor de Heer Ron„ „nenkamp, aan hem gegeeven heeft, ten eynde nog ses rijxd:s van zyn E te ontvangen, dog dat den de de heer Ronnenkamp zeedert bedeeld heeft, van op order van hem deklarant, tweehonderd en Vyf tig Piasters aan verneuil betaald te hebben; tot welke uytgave den deklarant echter geen order verleend had. Betuijgende voorts, dat de vier fransche brieven die dan denzelven vertoond wirden, valsch en door zyn E: nimmer geschreeven en geteekend zyn, maar dat hy Verneuel een brief en een papier, by den in het fransch aan hem deklarant geschreeven heeft, die zyn E: tevens Overleide, waarby hij de gansche zaak breeder Confesseerd. Welke papieren by recollement van deeze verklaaring, aan meerm: Oerneuil Voorgeteeken zynde, deklareerde hy, deselven de eigenste te weezen, die hy geschreeven, geteekend en den voorm: heer Lieutenant Collenel gezonden heeft, en dat hy darby bleef Persesteeren zee N=o 5. By die twee geschriften bekend gemelde Vernuul volkoomen zyn misdaad, dog beschuldigd de vernoemde kleermaaker Jogeux aan de Caab als die geene die hem tot 't feyt aangezet, en aan wien hy ook Een honderd rd:s van de voorsz 250. Piasters geleend heeft, als meede aan een Onder Officier van het Re„ gement van Wurtenberg 80. Rd:s vide No 6. 8 7. Van dewgl door alle deeze bewyzen 't delicht ten allerklaarsten Consteerd, en 't een seer bekend Axioma is, dat alle misdaaden zoo veel moogelyk, moeten gestraft worden ter plaatze, daar deselven zyn geperpetreerd, waar omme ook delinqueus in loxo delicte forum sortitua: ymand delinquee rende

NL-HaNA_1.04.02_11024_0919 view scan ↗

English

ƒ 6. 13. 6. renders him subject to the jurisdiction of the place where the crime was committed, besides which the aforementioned persons whom the arrested man accuses, and who are at the Cape, will need to be heard and confronted against him, in order to at least make them refund the money enjoyed from him for the benefit of the injured party, thus the undersigned requests that the often-mentioned Louis Hippolite de Verneuil, with the documents to his charge which are respectfully presented herewith under a register to Your Right Honourable, may be sent back under arrest to the Cape of Good Hope. The undersigned furthermore has the honour to call himself with the utmost high esteem, was subscribed, Right Honourable Sir, Your Right Honourable's very obedient servant, was signed, J: A: Vollenhove, in the margin, Colombo the 22nd of January 1791. Extract of a Colombo Missive written to the Governor and Council of this place, dated the 27th of January 1791. The Fiscal here has, by a report that accompanies this in copy, made known that the Frenchman Louis Hippolite de Verneuil has confessed that he is guilty of forging bills of exchange, but that he has thereby named several people who not only would have given rise thereto, but also shared the received money with him, with the request that he, for that reason as well as because the crime was perpetrated there, might be sent back thither with the documents to his charge; we have consented to this request, and consequently the said Verneuil now goes back thither, and we herewith present to Your Honours a copy of the aforesaid report with the documents belonging thereto. Was subscribed, Agrees, signed, H: Faure, sworn clerk. at ƒ 14. 6. The undersigned Captain Commanding the depot of the Swiss Regiment of Meuron certifies hereby that the soldier named Joseph Sogeus, former tailor of the depot, left for Europe on leave on the Honourable Company's ship Pollewe last month, October 1790. Cape, the 16th of July 1791. Signed, I Zorn. at ƒ 15. 1. Appeared before the undersigned Commissioners from the Honourable Council of Justice of this Government, the person of Mathias Smitkamp, sergeant under the Regiment of Württemberg garrisoned here, of competent age, who, at the requisition of the merchant and pro interim fiscal, Mr. Jacob Pieter de Nees, declared it to be true: That around the middle of the year 1790, without the deponent being able to give the exact date, there came to the deponent a person named Sogeux, being the master tailor of the Meuron depot, requesting to borrow fifty rix-dollars from him in order to buy some more ells of yellow cloth which he needed for the Regiment of Württemberg, by which he had also been employed to purchase uniform items. That when the deponent had answered that he was unable to accommodate him, Sogeux had then said he knew someone who could provide him with the money, provided the deponent would go with him and say that the deponent himself needed that money, as he, Sogeux, had already received money from that same person for the purchase of those items. That the deponent having thereupon gone along with the aforesaid Sogeux, the latter took him to the house of one Hornman living here at the Cape, where the said Sogeux went upstairs to a room while the deponent remained downstairs in the house, the deponent being however shortly thereafter called by him, and subsequently went upstairs, where he found the person shown to the deponent at the execution of this declaration and named Louis Anthony Hippolite de Verneuil. That immediately this Verneuil, having asked the deponent in the French language, Do you need money?, upon the deponent's answer of Yes, saying: I do not have fifty rix-dollars, handed over to the deponent two pieces of paper money each of forty rix-dollars, which were accepted by the deponent and, after he had left that house again with Sogeux, were handed over to the latter, without the deponent having enjoyed anything of that money. Declaring nothing further, the deponent gives as reasons for knowledge as in the text, being ready to confirm the foregoing under oath if required. Thus executed in the presence of the detainee Louis Anthony Hippolite de Verneuil, at the Cape of Good Hope the 18th of July 1791, before the Gentlemen Ryno Johannes van der Riet and Hendrik Andreas Truter, members from the Honourable Council of Justice of this Government, who duly signed the minute hereof along with the deponent and me, the secretary. Was subscribed, Which I attest, signed. Re-examination. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honourable Council of Justice of this Government, the above-mentioned Mathias Smitkamp, who, after this his foregoing declaration was clearly read out to him, testified to persist in the same, desiring that nothing more shall be added to or taken from it, and spoke therefore, in the presence of the detainee Louis Anthony Hippolite de Verneuil, in confirmation of the truth of what was deposed by him, the solemn words: So truly help me God Almighty. Thus re-examined and sworn at the Cape of Good Hope the 20th of July 1791. Signed, Smitkamp. Was subscribed, In my presence, signed, P. Deemel, sworn clerk. In the margin: Lit. A.

Dutch transcription

ƒ 6. 13. 6. rende hem bankvast maakt ter plaatse daar de misdaad is begaan, behalven dat de voornoemde per„ zoonen die den gearresteerde beschildigd, en zich aan de Caab bevinden, zullen dienen gehoord en teegen hem Peurr geconfronteerd te worden, ten eijnde hun ten minsten 't van hem genooten geld ten behoeve van den beschadigden te doen uitkeeren, zoo verzoekt de ondergeteekende, dat meergenoemde Louis Hippolite de Verneuil, met de stukken tot zyn Laste die hierneeven onder een regester UwelEd: Groot Achtb: eerbiedig worden aangebooden in arrest na de Caab de Goede hoop mag terug gezon„ den worden. De ondergeteekende heeft voorts de eer zig met de uyterste hoogagting te noemen /:onderstond:/ WelEd: Groot Agtb: Heer Uw Wel Edele Groot Agtb: Leer gehoorzaame dienaar /:was geteekend:/ J: A: Vollenhove, /in margine:/ Colembo den 22. Januarij 1791. Extract holumbo Missive geschree= ven aan Gouverneur en Raaden ter deezer Plaatze de dalum 27.:te Jann 1791. De Fiscaal alhier heeft by een berigt dat in Copia van en Vyf ord r en door yn, maar den in heeft, sche en breev en„ l de Ver Re„ t en e Copia hier neevens gaat, te kennen gegeeven, dat de Fronsman Louis Hijppolite de Verneul geconfesteer heeft, dat hy schuldig is aan 't maaken van valsch wissel brieven, doch dat hy daarbij eenige luiden heeft opgenoemd, die met alleen daar toe aanleiding zou „den hebben gegeeven, maar ook t ontfangen geld met hun gedeeld, met verzoek dat hy daarom zoo wel als ook om dat, de misdaad aldaar geperpetreerd i met de stucken ten zynen laste, na derwaards mogte worden terug gezonden, we hebben in dit verzoek bewilligd, en gaat derhalven gem Verneuil thans na derwaard lerag en werbieden Uwel Ede„ „lens hiernevens aan een Coppy van 't voorsz be= „rigt met de daar toe gehoerende stukken. /:onderstond:/ Accordeert/ get d: H: faure gese: Clerq. a ƒ. 14. 6. en ondergeteekende Capitain Commendee rende der depol van t Regiment Zwitzers van Meuren attesseer met deese, dat de soldaat genaamt Joseph sogeus geweesen kleidermaaker van 't Depot met verlops op 's EComps schip Pollewe, verleeden maand Octobre 1790. naar Eupropa vertrokken is Caabo den 16. Julij 1791. /geteekend:/ I Zorn. a ƒ: 15. l. Compareerde voor de ondergeteekende Ge„ Committeerdes uit den E: Achtbare Raade, van Justitie Justitie deeses Gouvernements, de perzoon van Mallias Smitkamps veldweebel onder het alhier Guarnizoen houdend Regiment van Wurtemberg van Competenten Oeedeldom dewelke, ten Requisitie van den Koopman en Profuterim fiscaal M:r Jacob Pieter de Nees verklaarde hoe waar is. Dat omtrent in de helft van t Jaar 1790. zonder dat de Comp:s de clatiem praeieser kan op= geeven, by hem Comp was gekomen een Perzoon Togeer genaamd, en zynde Baas kleedermaaker van 't Depot van Meuron, verzoekende hem Vyf „tig ryxdaalders te willen leenen en ten eynde„ noch eenige Ellen Geel Laaken te koopen welke he noodig had voor het regiment van Wurtem- „berg van 't welke hy meede geEmploijeerd was geworden om zaaken tot monteerings in te Koopen. Dat wanneer hi Conps:s hier op had geant= „woord das hy buyten staat was hem soijeust daarmeede te gereeven, dezelve foeceel als toen had gezegd wel jemand te weeten die hem het geld zoude kunnen verschaffen, in gevall de Comp:s maar met hem wilde gaan, en Leggen dat hy Comp=ts zelve dat geld benoodigd was, alzo hy sogeel, reeds van die zelve perzoon al meede tot den inkoop van dat saaken, geld had bekoo„ men. Dat hy Comp:s daarop met voosz sogeux meede gegaan zynde, deeze hem gebracht had aan het huijs van eenen Hornman hier aan de Gaab woonagtig, alwaar gemelde sogeese zig naar de sch e„ be endee Meuren Coseph t maa 60 d met naar een kaamer, op het booven huijs had begoeve terwijl den Comp:s onder in 't huijs was verblee= „ven, zynde hij Comps egter kort daarop, door den zelven geroepen, en vervolgens naar booven ge„ „gaan, alwaar hy had aangetroffen, da perzoon hem Comparant by het passeeren deezer verklaa „ling vertoond, en genaamd Locis Anthony Hep „polite de Verneuil. Dat terstond deeze Verneuil aan den Compte. in de fransche taal gevraagd hebbonde heeft U geld noodig? op des Comp=ts antwoord van Ja: onder het zeggen: Ik heb geen Vyftig Rijxdaalders, hem Comp=s twee stukken papie ron geld yder van Veertig ryxdaalders had over „gegeeven, welke door den Comp:s zyn aangenoo„ „men, en na dat hy zig met sogeul weeder uijt dlat huijs had begeeven, aan denzelven ter hand gestelt, zonder dat den Comp:s van dat geld iets genooten heeft. Niets meer verklaarende geeft den Compt voor reedenen van weetenschap als in den Texet, berge zynde heet vooreenstaande des gerequireerd wordende met Eede te bekragtigen. Aldus ter praesentie van den getetineerden Louis Anthonij Heppotite de Verneuil, ge„ passeerd Aan Cabo de Goede Hoop den 48: Julij 1791. voor de Heeren Ryno Johannes van der Rieter Hendrik Andreas Fruta Leeden Leeden uit den E: Achtb: Raade van Justi= tie deeses Gouvernements, die de minute deezes beneevens de Comp:s en my secretaris meede behoorlyk hebben onderteekende /onderstond:/ Quod Attestor: / geteekend/ Recollement Compareerde voor ons ondergeteekende gec: den uijt den E: Achtb: Raad van Justitie deeses Gouvernements boovengem: Mathias Smit= „hamp dewelke deeze zyne vorenstaande, Verklaaring duydelyk voogeleezen zynde betuygde by dezelve te blyven persesteeren, met begeerte dat 'er niets meer by of van gedaan werden zal. en spraak derhalven ten begwee „zen van den Gedetineerde Louis Anthony Hippolite de Verneuil, tot bevestinge der waarheijd van het door hem yeposeerde, de solemneele woorden: Zoo warlyk helpe my God Almachtig. Aldus gerecolleerd en beledigd aan Cabo de Goede Hoop den 20. Julij 1791. /: geteek:/ Sonilkamp Ib /onderstond:/ My praesent /geteekend:/ P Deemel gesw: Clerq /:in margine:/ La. A: den ƒ te

NL-HaNA_1.04.02_11024_0924 view scan ↗

English

Inventory of the documents, drawn up and respectfully delivered to the Honorable, Right Venerable Mr. Olof Godlieb de Wet, President, as well as the other Gentlemen Members of the Honorable, Venerable Council of Justice of the Castle of Good Hope, by Mr. Jacob Pieter de Neijs, Fiscal pro interim of this Government, Claimant ex officio in a criminal case, on the one side, against Louis Anthonij Hippolite de Verneuel, native of Paris, prisoner and defendant in the aforesaid case, on the other side. Inventory marked with the letter A. Criminal claim and conclusion formulated and marked B by the Claimant ex officio against the prisoner and defendant. 1. Original letter, written in the French language, addressed to the Honorable, Right Venerable Mr. Johannes Isaak Rheniecken, signed Le Chevalier de Meuron Beillot, Lieutenant Colonel. 2. Original letter, likewise written in the French language, addressed to the Gentlemen Knecht and Gradman, Colonels in the Dutch East India Company, and signed as above. 3. Likewise written in the French language, addressed to Mr. van der Waeijen Warm, Schepen and Captain of the Burgher Guard in Amsterdam, and signed as before. 4. Written in the French language, addressed to Mr. Tobias Christiaan Ronnenkamp, and signed as before. 5. Four impressions of the seal and coat of arms of the Lieutenant Colonel of the Regiment de Meuron, Le Chevalier de Meuron Ballot. 6. Extract letter dated 8 July 1790, written to Colombo by the government of this place. 7. Extract from the minutes of the resolution taken in the Council of Ceylon on Wednesday 15 September 1790. 8. Re-examined and sworn statement of the aforementioned Lieutenant Colonel de Meuron Bullot, made before the Commissioners from the Venerable Council of Justice at Colombo. 9. Original letter written in the French language by the prisoner and defendant to the aforementioned Lieutenant Colonel. 10. Likewise written in the French language and addressed as before, dated April 1790. 11. Record of confession and interrogatories answered by the prisoner and defendant before the Commissioners from the Venerable Council of Justice at Colombo. 12. Copy of the representation of the Colombo Fiscal, Mr. J. A. Vollenhove, to the Honorable, Highly Esteemed Governor of the Island of Ceylon, Willem Jacob van de Graaff. 13. Extract of a Colombo letter dated 27 January 1791, written to the Honorable, Highly Esteemed Governor and the Honorable, Venerable Council of Policy of this place. 14. Certificate from the Captain commanding the depot of Meuron, S. Zorn, dated Cabo the 16 July 1791. 15. Re-examined and sworn statement of Sergeant Major Mattias Smitkamps, stationed here under the garrisoned Regiment of Württemberg, passed before Commissioners from this Venerable Council, and marked with the letters C 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15. Serving as justification both for the course of the proceedings and for the facts charged against the prisoner and defendant in the aforementioned criminal claim, and consequently for the same claim and conclusion. The remaining articles of the mentioned claim are introductory, notorious, certain, or confessed, and therefore require no special proof. Legal brief, if necessary, to be drawn up and then marked with the letter D. Signed: J. P. De Neijs. In the margin: Exhibited in Court on 21 July 1791. Agrees, Damper, Clerk. Appeared before the Honorable and Right Venerable Gentlemen, President and Councillors of Justice of the Castle of Good Hope, the Independent Fiscal Johan Nicolaas Steven van Lynden, Claimant ex officio, on the one side, against Johan Michiel Elzer and Jan Jacob Meijer, defendants, on the other side. And the Claimant ex officio declared in law: 2. That in the past month of March it came to his knowledge, 3. That notwithstanding it was expressly ordered by Edict of 17 December 1789, 4. That anyone wishing to start or continue the butcher trade shall be obliged 5. To request proper permission beforehand from the Honorable, Highly Esteemed Governor, 6. The defendants in this matter nevertheless had not hesitated, 7. In contempt of those wisely established orders, 8. To continue with the butcher trade during the past year 1790, as well as in this current year 1791, 9. Without having obtained any permission or written license for that purpose, 10. And consequently without being provided with a proper ordinance. No. 18. 11. That the Claimant ex officio, having immediately made inquiries at the Political Secretariat and having then found 12. The aforementioned to be in accordance with the truth, 13. Immediately, in accordance with his duty, caused the continuation of the butcher trade to be prohibited to the defendants, 14. And the incurred fine, of which only one-third falls to the benefit of the Claimant ex officio, 15. While the remaining parts must be paid out to the Poor of the Reformed Church Diaconate and to the informer, 16. Demanded from the defendants; 17. That the defendants thereupon presented the petition attached hereto under letter B No. 1 to the Honorable, Highly Esteemed Governor and the Honorable, Venerable Council of Policy, 18. Whereby they, in a sub- and obreptitious manner, attempted to obtain from the aforementioned Council of Policy exemption from the stipulated fine; 19. But that the said petition, having been referred

Dutch transcription

Inventaris van de stukken, ge¬ „dan maaken, en aan de Wel Ed: Achtb: Heere Olof Godhieb de Wet„ Praesident, beneevens de verdere Heeren Leeden van den Ed: Achtb raad van Justitie des Casteels de Goedehoop, Eerbiedig overgeleeverd door Mr Jacob Piter de Neijs, pro interim Fiscaal deeses Gouvernements; J: O: Eesscher„ Cas Grimineel ter eenze Contra Louis Anthonij Hippolite de Verneuel geboordig van Parijs, ge en ged: in 't voorsz: Cas ter andere zyden Inventaris gequoseerd met La. A. Crimeneel Eisch ende Conclusie door den r: O: Eisscher op ende see= „gens de gev: en ged: geformeerd en „ 13. gequoteerd „ „ 1. Origineele brief, in de fransche taal geschreeven, geaddresseerd- aan den WelEd: Achtb: Heere Johannes Isaak Rheniecken geteekend La A: „ geteekend Le Chevalier de Meuron Beillot Lieut: Collonel. 2: Origineele brief, insgelyks in de fransche taal geschreeven geaddres „seerd aan de Heeren, knecht en Grad= man Collonels in der E: O: S: Comp: en geteekend als booven, als meede in de Fransche taal geschreeven geaddres „seerd aan den heere van der Waeijen warm, scheepen en Capitain der Burgerie te Amsterdam, en getee= „kend als vooren _ in de fransche taal geschreeven, geaddreseer aan den Heere Tobéas Christiaan Ron= nen kamp en geteekend als vooren, 5. Vier afdrukzels van 't Cachet en waapen van den Lecuet Collonel van 't Regiment van Meuron, Le Chevalier de Meuron Ballot 6. Extracht missive de dato 8: Juelij 1790. door de regeeringe deezer plaatze na Colembo geschreeven J. Extracht uijt de Notulen van 't geresolveerde in Raade van Ceilon op woensdag den 15. September 1790. 8. gerecolleerde en beEedigde verklaa „ring van voornoemden Lieut: Collonel 90: 3. „ 4. Collonel de Meuron Bullot, voor heeren Gecommitteerdens uit den Achtb: Raade van Justitie te Colembo 9. Origineele brief in de Fransche taale geschreeven door den gev„ en ged: aan eevengemelde Leeut: Collonel. insgelyks in de fransche taalgeschreeven en geaddresseerd als vooren gedat„ teerd April 1790. 11. Acte van Confessie en Inlerrogato riën beantwoord den gev: en ged: voor Heeren Gecommitteerdens uit den Achtb: Raade van Justitie te Coleembo 12. Copie Vertoog van den Colomboschen Piscaal M:r J: A: Vollenhove aan den WelEd: Gestr: Heere Gouverneur van 't Eyland Ceelon Willem Jacob van de Raaff. 15. Extract Pollombosche missive de dato 27 Januarij 1791. geschreeven aan de Wel= Ed: Gestr: Heere Gouverneur en Ed: Achtb. politique raade deezer plaatze: 14. Certificaat van den het Depos van Meuron Commandeerenden Capitain S Zorn gedateerd Cabo den 16. Iulij 1791. 15. gerecolleerde en beEedigde verklaaring van den onder 't alhier Guarnizoen houdend Regiment van Wurtemberg bescheeden 10. _„ bescheiden Veldweebel Mattias Smit„ „kamps voor st: H: Gecommitteerdens uit deezen Achtb: Raade gepasseerd, en gequoteerd met L. a C: 1. 2. 3. H. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 1112. 13. 14. 15. 6. Dienende tot Justificatie zoo van den loop der procedure als van de fieten aan den gev: en ged: bij den voormelden Crimineele Eisch te laste gelegt, en mitsdien tot 115. van dezelven Eisch en Conclusie De overige articuelen van den gementioneerde Eisch zyn intro= duitif notoir secres of in Confesso, en behoeven derhalven geen spece ale bewys. Memorie van rechten / is t nood:/ te formeeren en als dan te quoteeren met L D. /:Geteekend:/ S: P: De neijs /:in margine:/ Exhibeteim in Judicio den 21. Julij 1798. Accordeert Damper Clercq Compareerde voor de wel Edele en achtbaare Heeren, Prosident en raaden van Iustitie der Casteels de Goede Hoop, de Independent fiscaal Iohan Nicolaas Steven van Lynden r: O: Rypscher ter eenre, contra Iohan Michiel Elzer, Jan Iacob meijer gedaagdens der andere zijdde, Ende deede de K: S: Epscher voor repch zeggen. 2 dat in de jongstgepasseerde maand maart ter zijner kennisse is gekoomen. 3 dat niet teegenstaande bij Placcaat van den 17de December 1789 expresselijk is bevoolen 4, dat een ijgelijk die de slachters neering zal wil„ len beginnen, of continueeren, gehouden zal zijn 5 daar toe vooraf behoorlyke permissie van den wel Edelen gestr: Heere gouverneur te versoe„ ken. 6 de ged=e in deezen zich nochthans niet had, den ontzien. 7 om in velipendi dier wijslyk gestatueerde ordres 8. geduurende het gepasseerde Jaar 1790 gelyk meede in dit loopend Jaar 1791 met de slachtneeringe te continueeren. 9 zonder daartoe eenige Permissie afschriftelyke licentie te hebben geobtineert 10. en bij gevolg zonder van een behoorlyke ordonn: te zyn voorzien. No. 18 „ dat de r:0: Eegtr=r zich hierop derstond te politique Secretarije geinfermeert en als toen bevonden hebbende 12 het voorverhaalde conform de waarheid te zijn 13 daadelyk ingevolge zyn Plicht het conti„ nueeren vande slachtneering aan de ged„e heeft doen interdiceeren. 14 ende geincurreerde Boete waarvan slakt een derde ten behoeven van de r:O: Ey„ scher cedeert 15 terwijl de ooverige gedeeltens aan de gereformeerde Diaconij Armen, en den aanbrenger moeten worden uitgekeert 16. vande ged„e heeft doen afvorderen 17 dat hierop de gedaagdens het hiernevens zub L: B1 l: genoegt request, aan den WelEdelen Gestr: Heer gouverneur en E: Achtb: Politiquen raade hebben geprosenteert 18. waarby deselve op eene sub en occeptive wijze, van welgemelde politiquen raade hebben getracht te verkrygen, de bevrijding van de bepaalde boete zy doch dat het zelve request gesteld zynde

NL-HaNA_1.04.02_11024_0933 view scan ↗

English

being in the hands of the Plaintiff, so that he may serve with considerations and advice thereon. 21. The ex officio Plaintiff, in dutiful compliance with an aforementioned council resolution, advised 23. that since the grounds and motives alleged by the defendants were by no means sufficient 24. to release them from the fine incurred for their repeated neglect in the years 1790 and 1791 pursuant to the aforementioned Placard of 17 December; 25. they consequently could not escape payment of the same fine, nor could they be discharged therefrom by the government. 26. With which advice of the ex officio Plaintiff the Honorable Council of Policy has fully conformed itself. 27. And on the grounds alleged therein 28. that the defendants cannot escape, nor can they be liberated by Your Honors from the fine 29. established by the Placard of 17 December 1789 against slaughtering without an obtained or annually renewed license 30. see Extract Resolution appended hereto under Letter C 31. the ex officio Plaintiff, pursuant to this resolution, has anew caused the defendants to be demanded to pay the fine, 32. incurred by each of them for every year that they have continued the slaughtering business without permission since the Placard of 17 December 1789, 33. in the reasonable expectation that the defendants, having learned the ruling of their lawful rulers, 34. would not make difficulties, but comply therewith without any the least hesitation. 35. But the ex officio Plaintiff, having had to perceive to his utmost surprise 36. that the defendants, in contempt of the aforementioned resolution, have remained equally obstinate 37. in complying with the manifested orders and intention of the government, 38. now sees himself placed in the unpleasant necessity 39. to summon the defendants before this Honorable Council, 40. in order to be constrained by Your Honors to the performance of something 41. to which they are strictly bound and obligated according to law and justice. 42. The ex officio Plaintiff deems it unnecessary to substantiate the truth of the defendants' neglect at length, 43. since they fully confess the fact in the petition appended hereto under Letter B, 44. even with the attached acknowledgement that they are also bound to pay the imposed penalty; 45. for otherwise the request to be liberated from the penalty could not be pertinent, 46. and the defendants then would only have had to request 47. to be declared not to have fallen within the terms of the often-mentioned Placard of 17 December 1789. 48. Finally, the ex officio Plaintiff trusts that it would be wasted effort 49. to enter into any detail regarding the law, 50. since the defendants themselves remain fully convinced of the application of the aforementioned Placard in their aforementioned petition; 51. while the defendants' obedience to the order contained in this Placard, 52. namely to post boards in front of the slaughterhouses with notice of the meat prices, 53. which they did immediately after the publication, 54. necessarily causes all grounds to disappear 55. for presuming that they could be ignorant of the orders of the government regarding the license; 56. besides that such ignorance could never avail the defendants in the subject case. 57. For the rule is: Ignorance of the law harms everyone, as Paulus Jurisconsult says in Digest 22.6.9. By which and other reasons and means to be further deduced in due time if necessary, the ex officio Plaintiff, making his demand, concluded that the defendants named in the heading of this document shall, by definitive sentence of Your Honors, be condemned as having fallen within the terms of the Placard dated 17 December 1789 enacted against slaughtering without an obtained or annually renewed license, and consequently be condemned to a fine of one thousand Guilders Indian currency for each year that the defendants have continued the slaughtering business without a proper license, with further condemnation of the defendants in the costs incurred in this matter, or to other, etcetera. Signed: I. A. Pieterse, adjunct fiscal. In the margin: Exhibited in Court, 17 March 1791. To the Right Honorable Cornelis Jacob van de Graaff, Governor and Director of the Cape of Good Hope and the dependencies thereof, etcetera, etcetera, etcetera, as well as the Honorable Council of Policy of this government. Right Honorable Sir, Honorable Gentlemen! With all respect, Your Honors' humble servants, Jan Michiel Elser and Jan Jacob Meijer, privileged burgher butchers here, take the liberty to submit: That the petitioners, in the year 1786, when a general scarcity of provisions, and especially of meat, was anticipated, entered into a written contract with the commissioners from the Council of Justice, with Your Honors' respected prior knowledge and approval, whereby their principal aim was to supply the inhabitants of this place with the necessary meat at a certain price determined in that contract, in the difficulties in which they might find themselves, both then and in the future.

Dutch transcription

zynde in handen van den Eysscher zyn zo, omme daarop te dienen van consideratien en advijs. 21. de r:o: Eysscher ter schuldige paritie een voorsz: raadsbesliit heeft ge„ adviseert 23. dat daar de door de gedaagdens geallegueerde gronden en motiven geensints voldoende waren. 24 aan hen over de selve herhaald ver„ zuijm in de Jaaren 1790 en 1791. in gevolge Placcaat van 17 december voorn=t geincurreerde Boete te bevrijden; 25 zij over sulx de betaaling van deselve boete niet konden echappeeren, nochte daarvan by de regeeringe mogten wor¬ der beoryd. 26. met welk advijs vanden r:O: Eysscher den E Achtb: laade van politie zich volkoomen geconformeert. 27 en op de gronden daarby gealle„ R:O geerd s ƒ 28. dat de gedaagdens niet kunnen echappeeren noch ook door hun welEde. gestr: e E Achtb: gelibereert worden vande Mulche 29 bij het Placcaat van 17 December 1789 gestatueert, teegens het slagten van zonder bekoomen of jaarlyks ver¬ nieuwde Licentie 30 zie Extract resolutie hierneevens sub: L: C: gevoegd 31 heeft de r.0. Eixscher, ingevolge dit besluit de novo aan de gedaagdens doen afvorderen de voldoening den Beete. 32. door een, eider van hen geincur„ reert voor elk jaar dat zij zonder per¬ missie, zeedert het Placcaat van 17 deC: 178.9 de slachtneezing hebben gecontinu„ eert, 33 in die billijke vermachting dat zij ge¬ daagdens, diende het dispositief hunner wettige gebieders. de niet zouden dificulteeren, on gueerd verstaan hebbende daaraan daaraan zonder eenige de minste heesitatie te voldoen. 35. dan de R:O: Eysscher tot zyne uit„ tente surprice hebbende moeten ontwaaren. 36. dat de gedaagdens in vilipendi van voorsz: besluit, even weijgerachtig zijn gebleeven. 37. omaande gemanifesteerde beveelen en Intentie van de regeering te voldoen. 38. ziet sich theins in de ong onaange„ naame Noodzaakelykheid gebracht 39 om de gedaagdens voor deesen Ed: Achtb: raade te convenieeren. 40. ten einde door UEE: Achtb: te worden geconstringeert tot de prostatie van iets 41. waartoe deselve na recht en wetten vol„ strekt gehouden en verplicht zijn 42. de 2:0: Eysscher acht niet noodig de waarheid van der gedaagdens ver„ zuijm mijdloopig te adstrueeren; 43. aangezien deselve in het hiernevens sub L: B gevoegd request hef feit vol„ zomen 2do cur„ ne an koomen confesseeren. 44 zelfs met bij gevoegde erkentenis ooh tot voldoening der opgelegde straffe verbonden te sijn 45. immers zoude andersints het versoek om van de staffe te moogen werden ge„ libereert niet te passe kunnen koomen 46. En zij gedaagdens als dan alleenlijk hebben moeten versoeken. 47 om verklaard te moogen worden, niet in de termijn van het meermelde Plac¬ caat van den 17 December 1789 te zijn vervallen. 48. eindelijk vertrouwd de 2:0: Eijsscher dat het vergeefse moeite zoude zijn 49 omtrend het recht in eenig detail te treeden 50 overmits de gedaagdens zelven zich van de applicatie van het evenge„ melde Placcaat in hun voorsz: re„ quest volkoomen overtuijgd hou¬ den. 51. terwijl der gedaagdens obedientie aan het Bevel in dit Placcaat vervat 52 van voorde Sbachthuijsen - bord, zes jes te moeten aanslaan met no„ titie van de prijzen van 't Vleesch. 53. het geen zij terstond na de Publicatie hebben gedaan. 54 noodsaaklyk allen grond doet ver„ dwijnen 55 om te prosumeeren dat zij vande ordres der regeering ten opsichte vande Licentie enkundig zouden kunnen, wee; zen. 56: behalven dat sodanige Ingnorantie aan de gedaagdens in casdubject nim„ mer te staade zoude kunnen koomen. 57 regula enum est: Juris ignorantiam quigne nocere intait Paulus J: C: in L: 9 fr: de I: v f: Ingn: Mits welke en andere reedenen en middelen in tijd en wijlen is 't nood:/ nader te deduceeren de R. O. Eyserher Eysch doende concludeerde, dat de gedaag„ dens in den hoofde deeses gemeld bij difinitive Vonnis van U: E: E„s Achtb„e zullen worden gecondenmeest, ver„ vallen te weesen in de termen op tot soek en n do 6 termen van 't Placdaat de dato 17 Dec: 1789 teegens het slachten, zonder bekoomene ofjaarlyks vernieuwde Li centie gestatueert, en dien volgens gecondemneert in een Boese van Een duy„ send Guldens Ind. val: voor elk jaar dat sij Gedaagdens zonder behoorlyke Licentie de Hachtneering hebben ge„ continueert met verdere Consemnatie van de ged„e in deser deeser zaake geval¬ lene kosten, ofte tot andere &c=a /:geteekend:/ I: A: Puter adj: fisc=t /:in mar„ gine:/ Exhebitum en Judicio den 17 maart 1791. Aaa den Wel Edelen gestr: Heer Cornelis Jacob van de CGraaff, gouverneur Cabode en Directeur van goede Wel Edele Gestr: Heer E: E: Achtb: Heeren! Met alle eerbied neemende vrijheid te kennen te geeven uwelEd: gestr. en E: achtb: onderdaanige Dienaaren Ian Michiel Elser en Jan Jacob Meijer gepriviligeerde Burger slachters alhier Hoe zij suppl=ten in den Jaare 1786 wan„ neer er een algemeene schaarheid aan Neevens„ middelen en voornaamentlijk van Vleesch wierd te gemoed gezien, met heeren Commis„ sarissen uit den raad van Justitie, onder Uwel Ed: Gestr: e E: Achtb: geëerde voorkennisse en approbatie eenschriftelijk contract hebben aangegaan, waarbij zij principaal ten but hadden, d, Ingezeetenen van dit Bleek, in de verleegendheid, waarinne zij zich, zoo toen als in 't vervolg mogten bevinden teegens zeeker bij dat Contract bepaalde prijs het benoodigde vleesch te zullen leeveren. Goede Hoop benevens den resorten van dien &ca &ca. &ca mitsg. s den Edelen achtbaaren politiquen raad, deses gouverne„ ments. Dat en „ dis

NL-HaNA_1.04.02_11024_0940 view scan ↗

English

That by the Petitioners therein among other things it was specifically to be stipulated that so long as they might continue in the said Private butchery, they would have to notify the Gentlemen Commissioners once and for all four months in advance each time, whenever on well-founded prospects they believe themselves unable to continue the butchery on the footing of their agreement, so that the Gentlemen Commissioners are thereby enabled, under their highest approval, to devise such measures whereby the Inhabitants are kept out of the hardship of their daily needed meat. That they, the petitioners, since the said Year 1786 until now, pursuant to the repeatedly mentioned Contract, have continued with the slaughtering of Cattle for the pleasure of the Inhabitants of this village without ever or at any time being hindered or obstructed therein; they, the petitioners, this morning had to experience that their Warehouses or Butcheries from which they usually retail their meat have been closed by order of the Independent Fiscal of this government, and they were at the same time notified that, because they, the petitioners, carried on the butcher's trade without having obtained an ordinance for it from the Right Honourable, the Noble, the Governor, each of them, pursuant to the Placards pertaining thereto, had incurred a Fine of ƒ1800:— to the benefit of the officer. The petitioners must also most solemnly testify here, Right Honourable, Noble, and Respected Sirs, that they have been completely and entirely ignorant of such a Placard, which was issued after the conclusion of their aforementioned Contract with the Gentlemen Commissioners, and for that reason made all the less inquiry because they lived in the quiet confidence that as long as they fulfilled the Duties to which they had bound themselves under a Contract entered into with their highest approval, and by which they understood that the annual renewal of a butcher's ordinance had lapsed, which for that reason has also not taken place by them until today, they also cannot be understood to have incurred those penalties which the Independent Fiscal here seems to wish to impose upon them; they at the same time testify to your Right Honourable, Noble, and Respected Sirs that if they had been informed of the intention of your Right Honourable, Noble, and Respected Sirs, they would never have delayed, with such as were included outside the Contract, to request a new ordinance at the beginning of each Year for the continuation of their private butchery; and that such is also the only reason why this has not been practiced at present. The petitioners trust that from the foregoing statement it will have sufficiently appeared to Your Honours that they had no intention whatsoever to sin deliberately and knowingly against such a Placard, much less that in this their conduct any fraud or malversation is implied. Wherefore they take the liberty to most humbly implore Your Right Honourable, Noble, and Respected Sirs to relieve them of the imposed penalty, and upon the issuing of a customary ordinance to again permit the free slaughtering for this year for the benefit of the Residents here: underneath was written Which doing &c. was signed I: M: Elser and Joh. J: Meijer beside the heading was written For answer Exhibited in Court on the 19 Febr: 1791. The apostil was: A copy of this petition is placed in the hands of the Independent Fiscal van Lijnden, in order to serve with His Honour's considerations and advice thereon; whilst in the meantime, in order not to inconvenience the Inhabitants of this place of one of the most indispensable foods, freedom is again granted to the petitioners to slaughter as before, until further and final disposition shall have been made hereupon. lower: by ordinance of the Noble Lord Governor and the Council was signed C: van Aessen secretary and thereunder Agreed signed C: G: Faure gC Extract from a certain Contract drawn up by Gentlemen Commissioners from the Council of Justice with the respective Citizen butchers, on the 28th October 1786, before the late sworn Clerk G: G: Diemel and certain witnesses. That they, the Appearers, so long as they might continue in the repeatedly mentioned Private butchery, pursuant to the actual design of this agreement, shall have to notify the aforementioned Gentlemen Commissioners once and for all four months in advance each time, whenever on well-founded prospects they believe they will be unable to continue the private butchery on the footing as before, and to deliver the meat for two stivers the pound to the Inhabitants, to the end that the aforementioned Gentlemen Commissioners can always be enabled in time to devise such measures, and to put into effect the unprecedented approval of the country's high government here, as they shall find necessary to keep the Inhabitants out of hardship regarding the daily needed Meat, and as much as is possible to prevent the same from rising higher in price than two stivers the pound as at present. Which agreement having been entered into between Gentlemen Commissioners from the Honourable Council of Justice and the Appearers as private Citizen butchers with the foreknowledge and approval of the Right Honourable, the Noble, the Governor on the spot, the Appearers binding themselves to the fulfillment of all this according to law, underneath was written Agreed signed R: Bek secretary lower: Agreed signed P: S: Faure gC Extract Resolution taken in the Council of Policy in the Castle

Dutch transcription

Dat door de Supplianten daarbij onder anderen wel speciaal moest worden bedongen dat zo lang zij in de gemelde Particuliere slachterig mogten continueeren, eens en vooral telkens vier maanden bevoorens aan Heeren Commissaris„ sen te zullen moeten opgeeven, wanneer op gegronde vooruitzichten vermeenen buyten staat te werden gesteld om de slachterij op den voet hunner overeenkomst te kunnen voortzetten, op dat Heeren Commissaris den daar door in staat gesteld werden onder hoogst deselver approbatie, zodaanige maat„ regulen te kunnen beraamen, waar door d' Ingelzeedenen buijten de verleegendheid van hun daagelijks benordigt vleesch werden gehouden. Dat zij supplianten zeederd het gemelde Iaar 1786. tot nu ingevolge meermelde Con„ hract zyn blyven voortvaaren met het slag„ ten van Vee ten gelieve van d' Ingezeetenen van dit vlek zonder daar in immer ofte ooijt te zijn verhinderd of belet, zij supplianten heeden ogtend hebben moeten ondervin den, dat deselver Pakhuijsen ofte Slachterijen waar uit zij gewoonlijk hun vleesch verde biteeren, op ordre van den Heer Independent Fiscaal deezes gouvernements zijn geslosten en zijde gelijk aangezecht zijn geworden, dewijl Zy Lappl zij supplianten zonder daar toe verkreegen ordonis van den Wel Edele gestr. Heer Gouve„ near de slachters neering dreeven, elk hunner ingevolge de daar van zijnde Placcaaten vervallen was in een Boeke van ƒ1800:— ten profijte van den officier Desuppl=ten moeten hier meede op het plegtigst betuijgen wel Edle gestr: en E: Achtb: teeren dat zij geheel en al ignorant zijn ge„ weest van eenezodanig Placcaat, welk naar het sluijten van hun meerme Contract met Heeren Gecomm: is geëmaneert, en dieswee„ gens te minder navraag hebben gedaan om dat zij in 't gerust vertrouwen leefden dat zij zolange zij aan de Plichten volbrach„ ten, waar aan zij zich bij een Contract het welk onder hoogst derzelver goedkeuring was aangegaan, hadden verbonden, en waar bij zij begreepen, dat de jaarlijkse vernieu„ wing eener slachters ordonn: vervallen — was, het welk ook door hun om die reeden tot heeden niet is geschied, zij ook niet kun„ nen begreepen werden vervallen te zin in die straffen, welke den Heer Indepen d: fiscaal alhier aan hun schijnt te wil„ len opleggen, zij betuygen uwel Edele gestr: en E: Achtb: teffens by aldien zij nan't oogmerk van uwelEdele gestr: en E: Achtb: 3 onderricht waren geweest, dat zij nimmer gedraalt zouden hebben, omme met zodanig die buiten het Contract begreepen waren tot het voortzetten hunner particuliere slachterij telkens bij den aanvang aan ieder Iaar, om een nieuwe ordonn: te versoeken. en sulx ook de eenigste reeden te weesen waarom dit thans niet is gepracti„ seert. Desupplianten vertrouwen dat aan Uwee Edele en Achtbaarens uit het vooren geposeerde voldoende zal zyn gebleeken dat zij hoe genaamd geen oogmerk hebben gehad, om willens en weetens teegens een zodanig Placcaat te zondigen, veel miin dat in deese hun handelwijs, eenige fraude of malveisatie opgeslooten legt. Weshalven zij de vrijheid gebruijken uwee Edele Gestr: e Elchtb: op het needrigst te imploieeren hun van de opgelegde straffe te bevrijden, en onder afgaane eener gewone ordonn: weder het vrije slachten voor dit jaar ten genieve van de Inwoonderen alhier te willen pemitteeren: /:onderstond:/ 'T welk doende &c=a /:was geteekend:/: I: M: Elser en Ioh. J: Meijer (:bezyden het hoofdstond:) Earbeten Exhibitum in Judicio den 19 febr: 1791. de ceportille was:/ word van deezen requeste gesteld Copia gesteld in handen van den Heere Indepen„ dent fircaal van Lijnden, omme daarop te dienen van zijn Ed: consideratien en advijs„ terwijl ondertusschen, om de Ingedeekenen deezer plaatse niet te ontrieven, van een der aller montbeerlyks te voedsels, aan de supplten wederom vrijheid word gelaaten, om te slach„ ten als voorheen, tot dat hierop nader en finaal zal weesen gedisponeert. /:laager:/ ben ordonn: van den Edelen Heer Gouverneur enden raad /:was geteekend:/ C: van Aessen secret„s /:en daaronder / Accordeert /ge„ teekend:/ C: G: faure gC Extract uit zeeke Contract door Heeren Commissarissen uit den raad van Justitie met de respe. te Burgerslachters, op den 28=se october 1786. voor wijlen den geswoore Clercq G: G: Diemel en zeekere getuygen opgerecht Des zij Compten zo lange zijl: in de meermelde Particuliere slachterije mogten blyven con„ tinueeren, ingevolge het eijgentlijke ontwerp deeser overeenkomst eens en vooral telkens vier zodanig mer er ee N: 8: vier maanden bevoorens, aan Heeren Commiszan„ zen voormeld zullen moeten opgeeven, wanneer op gegronde vooruit zichten vermeenen buyten staat te zullen worden gesteld, om de particulieren slachterij op den voet als vooren te kunnen blijven voortzetten, en het vleesch voor twee stuyvers het 18 aan de Ingeseetenen te kunnen leeveren, ten einde Hee„ ren Commissaris ten voormeld, altoos kunnen weesen in staat gesteld in tijds zodaanige maat regulen te beraamen, en ge onergeëende approbatie van s Lands hooge regeeringe alhier in't werk te stellen, als noodig zullen vinden om d' Ingezeekenen te houden buijten verleegendheid, aan 't daagelyks benoodigd Vleesch, en zo veel als moogelyk is voor te koomen, dat hetzelve niet hooger in prijs als twee stuyvers als twee stuyv het pond als als zee genswoordig komt te stygen. Welke deeze overeenkomst tusschen Heeren Com¬ missarissen uit den E: Achtb: raad van Justitie en de Comp=ten als particuliere Burger slachters met voorkennisse en approbatie van den WelEdelen Gestr Heere Gouverneur in loco zynde aangegaan verbindende Comparanten tot nakooming van dit alles, zich als na rechten, /:onderstond:/ Accordeert /:geteekend:/ R: Bek secretaris /:laager:/ Accordeert :// geteekend:/ P: S: Paure gl Extract Resolutie genoomen in raade van Politie Int Casteel

NL-HaNA_1.04.02_11024_0945 view scan ↗

English

Tuesday the 22nd of February 1791. There was exhibited by the Honorable Independent Fiscal van Lynden the following memorandum of considerations on the petition submitted on the 19th of this month by the burgher butchers Jan Michiel Elser and Jan Jacob Meijer. Whereupon, having deliberated, it was approved to conform fully with the advice of the aforesaid Honorable van Lynden, and consequently, on the grounds alleged therein, understood that the petitioners cannot escape, nor be released by this government from the fine established by the Placard of 17 December 1789 against slaughtering without an obtained or annually renewed license, etc. Beneath stood: Signed: G. F. Goetz, sworn clerk. Agrees. Answer prepared and most respectfully presented to the Right Honorable Johannes Isaac Rhenius, President, as well as the other Right Honorable Members of the Council of Justice of this Government, by and on behalf of the undersigned Jan Michiel Elser and Jan Jacob Meijer, defendants on the one part, to and against the Honorable Independent Fiscal Johan Nicolaas Steven van Lynden, official plaintiff on the other part. Right Honorable Sir, Honorable Sirs, The undersigned shall, after first expressing to Your Honors their humble thanks for the copy of the plaintiff's submitted bill of complaint favorably granted to them, respectfully submit to Your Honors how the defendants, upon reviewing the aforesaid bill of the Honorable official plaintiff, saw with the greatest astonishment the frivolous grounds upon which the Honorable official plaintiff attempted to base his pretended action, stating that the defendants had not shrunk from continuing the slaughterhouse in contempt of the expressly established orders, and had not wished to comply with the manifested commands of the government, just, Honorable Sirs, as if the defendants would have made themselves guilty of disobedience in such a manner. No, Honorable Sirs, the defendants entered on the 26th of October 1786, under approval of the Right Honorable Governor and the Honorable Political Council, into a certain contract with the Commissioners from Your Honors' court, of which the first point was to accommodate the inhabitants of this place with fresh meat in the scarcity in which they might find themselves both then and in the future, by delivering the required meat at such a price. That by the defendants therein, among other things, it specifically had to be stipulated that as long as they might continue the said private slaughterhouse, once and for all, they would have to give notice each time four months in advance to the aforesaid Commissioners whenever, upon grounded prospects, they believed themselves to be unable to fulfill the aforesaid contract. Yet although the defendants, from the said year 1786 until now, have continued to obey the aforementioned contract, they have never or ever been hindered therein, except that they have had to experience to their inner grief that their privileged warehouses or slaughterhouses had to be closed by order of the Honorable official plaintiff, and they were told that because they, the defendants, practiced the butcher's trade without a license obtained for that purpose from the Right Honorable Governor, each of them, pursuant to the notices posted thereof, had incurred a fine of one thousand guilders for the treasury, whereas they most solemnly declare to Your Honors to have been completely ignorant of the true content of such a placard, and especially of the questionable article, principally as also clearly appears from the simple actions of the defendants, who, because of some points appearing obscure to them, which neither the official plaintiff nor his adjunct can deny, addressed themselves not only to the official plaintiff but also to the adjunct fiscal [illegible], in order to request an interpretation of the aforesaid placard, but instead of obtaining any proper clarifications, they received as an answer: "Elser, come back in six days," which led the defendants to remain in the flattering hope of obtaining a full explanation then, but alas, upon their return, the most favorable answer was: "I have not yet seen the placards, have patience." Who would now have thought that the Honorable official plaintiff, towards the defendants who were waiting for His Honor to summon them further, would disturb them so unexpectedly with an unfounded action? Furthermore, Honorable Sirs, the defendants remained in the firm confidence that as long as they fulfilled the duties of the aforementioned contract, and whereby the defendants believed that the renewal [illegible]

Dutch transcription

Dingsdag den 22 februarij 1791 Wierd door den Heere Independent fiscaal van Lynden geexhibeert de volgende memorie van Consideratien op het request door de Burger slachters Ian Michiel Elser en Jan Jacob Meijer op den 19 deezer ingediend. Waarop gedelibereert zynde is goedgevonden, zich met het geadviseerde van voorsz: Heere van zijnden volkoomen te conformeeren, en gevolglyk op de gronden der daarbij geallegueerde, verstaan dat de supplianten niet kunnen echappeeren, noch door deese regeering worden gelibereert vande mulite bij het Placcaat van 17 December 1789 gestatueert teegens het slachten zonder bekoomen of jaarlykze verneuwde Licentie &n /:onderstond:/ /:geteekend:/ G: f: Goetz Egj: Clencq. Accordeert Antwoord gedaan maaken en zeer eerbiedigst overgegeeven aan den welEdelen achtbaaren Jo: J: de goede Hoop, op eere stan nee lier lij het Hee. at batie en e ten al en te om en Heere Iohannes Isaac Rhe„ nieus Prosident, benevens de verdere WelEdele Achtb: raaden van Justitie deezes Gouvernement door ende van weegens de Onder geteekendens Jan Michiel Elsere Jan Jacob Meijer gedaag dens ter eenre. op ende jeegens den Edelen achtbaaren Heere Indap: fircaal Iohan Nicolaas, steven van Synden r. O. Eyxscher ter andere zyde, WelEdele Achtbaare Heer , Wel Edele Heeren De ondergeteekendens zullen naa alvoorens Uw WelEdele achtbaarens hunne needrige dank voor de aan hem gunstig verleende Copia van des zes, Eyschers ingediende schriftuur van Eysch betuygd te hebben Uwel Edele achtbaarens referentelijk voordraagen, hoede gedaagde metde grootste vervondering bij resumptie van des Heer r0: Eyschers gemelde Schriftuur hebben gesien, de frivole gronden waarop den Heer RiO Eysscher zyne pretense actie trachtte fundeeren, als zijn Ed. zagt dat de gedaagdens zich niet ontzien hadden, omme in vilipendi der wipsselyk gestatueerde ordres de slachterij te continueeren continueeren, en niet aan de gemanifesteerde lee„ veelen der regeering hebben willen voldoen, even Edele en achtb: keeren, als of de gedaagdens zich dusdaanig zullen hebben schuldig gemaakt aan disobedientie, neen Edele en achtbaare keeren, de ged„e hebben op den 26 october 1786 onder approbatie van den wel Ed: gestr: Heere Gouver, neur, en Edele achtb: politiquen raad, met Heeren Com„ missarissen uit uwel Ed: Achtb: Vierschaar zeeker Contract aangegaan, welkers p ste put was, om de Ingeseekenen van dit flek te gerieven met veisch vleesch, in de verleegendheid waarin deselven zich zo toen als in'tge vervolg mogten bevinden, teegens zodanige prijs het„ benoodigt Vleesch te zullen leeveren. dat door den ged=en daarbij onder anderen spe¬ cialijk moet worden bedongen, dat zolange zij de gemelde Particuliere slachterij mogten continu„ eeren, eens en vooral telkens, vier maanden bevoorens aan voorsz: Heeren Commissarissen te zullen moeten opgeeven, wanneer op gegronde vooruitzichten vermeenen buijten staat tewerden gesteld om aan 't voorsz: Contract te kunnen vol¬ doen; dan ofschoon de gedaagdens zeederd het gemelde Jaar 1786 tot nu toe hebben gecon„ tinueerd om aan meerm: Contract te obedieeren zijn zij daar inne nimmer ofte oogt belety geworden als alleen hebben zij tot hun innerlijke grieve moeten ondervinden, dat zij hunne gepriviligeerde Pakhuijsen of Slachterijen op ordre van den Heere R. O. Eijsscher hebben moeten sluijten, en hun als hoen is aangesecht dat dewijl zij ged=e som¬ der daar toe bekoomene Licentie van den Wel Edele gestr Heere gouverneur de slachtersneezing te drijven, elk hunner, ingevolge de daar van ge affigeerde Billietten vervallen waaren in eene boese van een ent hiel gedaag„ her e en s ren van Een duyzend guldens pro fisco, daar zij UWee Edele Achtb: op het plechtigste betuygen geheel ign rant te sijn geweest van de waare inhoud van zoo daanig placaat en wel van het questreuze aen ticue, principaal zoals ook ten duydelyksten manifesteert uit de eenvoudige demarches van de gedaagdens, die door eenige voor hun zich duijster vertoonende poincten zaalode r0. Eysscher noch deszelfs Redjunct niet kunnen ontkennen, haar niet alleen bij den h„ O: Eyscher maar ook bij den rdjunct fiscaal Tauker heleden vervoegt, ten einde Intrepresatie van 't voorsz Placcaat te versoeken, maar insteede van eenig behoorlijk eclaucissementen te be„ koomen ontvingen deselve tot antwoord Elserkom over zes dagen eens wederem het welk de ged„e in die vleijende hoop deed vaseeren, als dan volkoomen illucidatie te bekoomen, maar helaas bij hun retour was het favorabels te Antwoord, ik heb de Plac„ caaten nog niet gesien heb geduld, wie son nu hebben kunnen denken dat de Heer R. O. Eysscher de ged„e die verwachten dat zijn E hun nader zoude laaten roepen hem zo ouverwachts met een ongefundeerde Actie zoude turbeeren Boven dien Ed: Achtb: Heeren verseeren de ged„e in't vast vertrouwen, dat zo lange zij de Plichten volbrachten van 't voorm: Contract en waar door de ged„t remeenden dat de vernieuwing eene Hakt aen

NL-HaNA_1.04.02_11024_0949 view scan ↗

English

slaughter ordinance had lapsed, which in this opinion did not happen during the time since Anno 1786, as the defendants were under the impression that they could not incur the fine that the Honorable Officer Demandant appears to wish to impose upon them. For had the Honorable Officer Demandant not left the defendants in their ignorance, and properly informed them of the contents or purpose of the Plakaat, the defendants would never have been plunged into these distressing proceedings. For in case the defendants had been instructed concerning the intention of this government, they would never have hesitated to request a new license together with those who are excluded from the Contract, each time at the beginning of the new year. The defendants trust, Honorable Gentlemen, to have sufficiently demonstrated that they never had any intention knowingly and willfully to sin against a Plakaat enacted by the high government, and even less that any fraud or malversation should exist in their dealings. For it is indeed apparent that on the 28 October 1786 the Contract with the Commissioners was concluded, and thus the annual renewal that is customary to perform on the first of January was not to occur at that time, since the stipulation of four months was contained therein. Therefore, the defendants cannot be regarded otherwise than as butchers contracted with the Commissioners, and in no way subject to that to which other butchers who do not belong to the aforementioned Contract must submit. For what would move the defendants to bind themselves so strictly by Contract, and then still be just as subject as others who refused to enter into the aforementioned Contract? The defendants indeed, Honorable Gentlemen, ever since they adopted their livelihood as butchers, continuously requested annual renewal before the Contract was concluded as aforementioned; even when they had contracted with the Honorable Company in the year 1784 for the supply of fresh meat and live cattle, nevertheless only in the year 1786, when the Contract with the Commissioners saw the light, being likewise slaughterers of the Honorable Company, did they cease the renewal. On what grounds does the Honorable Officer Demandant accuse the defendants of disobedience to the promulgated Plakaats, and on the other hand leave other contraveners, such as the men P. V. van Reenen and P. G. van Reenen, free from the fine stipulated in the aforementioned Plakaat, although they, as contracted slaughterers of the Honorable Company, have dared to take the liberty to conduct a private slaughtering trade without renewed licenses, as the Honorable Officer Demandant has already been informed by the defendants, without ever having been privileged to do so? And possibly, in order to lend some appearance of legality to their clandestine dealings, they have led the Honorable Officer Demandant to believe that they, as contracted butchers, were not required to need any license for private slaughtering. And whereas in the Contract with the Honorable Company not the least mention is made concerning this, the defendants trust that the said Van Reenens, by their deliberate sinning against the said Plakaat, are just as punishable as the Honorable Officer Demandant maintains that the defendants are; which the defendants do not doubt will soon come to attention through the penetrating eye of Your Honors. When one now considers that the burgher Fredrik van Reenen, as a former privileged butcher domiciled here, commenced slaughtering and abandoned the slaughtering trade without the knowledge or approval of the Commissioners, without the least penalty, which will notoriously be best known to the said Commissioners; that he now, without having his domicile here, while he has taken up residence at the Groene Kloof on one of the Honorable Company's slaughter posts called the Groote Post, and maintains himself by cultivating barley and wheat, yet here in this village, without having obtained permission, conducts his slaughtering trade, without the Honorable Officer choosing to make the least observation concerning this. Is it also not ridiculous, Honorable Gentlemen, that a person such as the first ordinary clerk at the Political Secretariat also wishes to make a pretense as if he were an independent person in this government, and dares to be so bold, when the defendants, who according to custom gladly wished to inquire for their money whether the aforementioned Van Reenens, whose principal bookkeeper he is, also had ordinances, as to dismiss them with an excuse that he could not disclose such matters, but that one ought to take the trouble to seek information in this regard from the Honorable Officer Demandant? A partiality, Honorable Gentlemen, which ill becomes him. Your Honors may please remark at a single glance that the Honorable Officer Demandant, in the preparation of his demand, substantially says that he immediately inquired at the Political Secretariat, and having then found the aforementioned to be conformable to the truth; thus one must presuppose that the taking

Dutch transcription

slacht ordonn: vervallen was, het welk aan veek in deeze meening geduurende den tijd, zeederd A=o 1786 niet is geschied, alzoo de gedaagdens in dit begrip waaren, niet te kunnen voorvallen in die Boede welke de Heer RaO: Epscher hun scheynt te willen opleggen want had den Heer RO: Eyscher de ged=e niet in hunne ignorantie laaten blijven, en hun naa behooren den inhoud of doelwit van 't Placcaat geinformeerd zoude de ged e nimmer in die flethisante proceduures gedompeld zijn geworden, want ingeval de ged„e van't oogmerk van deeze regeering onderzicht waaren geweest zouden zij nimmer Gehezi„ leesthebben omme met de sodaanigen die buij„ ten het Contract begreepen zijn, telkens bij den aan„ vang van het nieuwe jaar een nieuwe Li¬ centie te versoeken. de ged e. vertrouwen wel Edele achtb Heer ren voldoende genoeg te hebben geprobeeerd dat sij nimmer eenig oogmak hebben gehad om willens en weetens teegens een Plac¬ caat door de hooge regeering gestatueerd te zon„ digen, en nog veel minder dat er eenig frauwe of malveisatie in hunne hemdelingen zoude exteeren, want het blykt immers, dat op den 28 october 1786 het Contract met Heeren Commis„ sarissen geslooten is, en dus de jaarlijkse ver„ nieuwing die men gewoon is, met primo Janu„ azij te doen, als toen niet geschieden zon, ver„ mits dat de bepaaling van vier maanden daar in opgeslooten lag, dus kunnen de ged„e niet an„ das als met heeren Commissarssen gecon„ verte be e be¬ e e ed tie te aen nracteerde slachters aangemakt worden en geensints subject zijn aan het geen waar aan andere slachtens die niet tot voorst Contract behooren moeten submit teeren, want wat zoude de ged=e moveeren zich zo sterk by Contract te verbinden, en als dan nocheeven zo subject zijn als anderen die voorst Contract niet hebben willen ingaan de ged. hebben immers Ed. Achtb: heeren hebben immas zeederd dat zij hunne broodwinning als slachters hebben geadopteert, continueelijk voor dat het Contract meerm: geslooten was jaarlijks vernieuwing verzogt, ja zelfs toen zij met d' ECompe in den jaare 1784 gecon„ tracteerd hadden, weegens het leeveren van versch vleesch en leevendig Vee, des niet te min eerst in't jaar 1786 wanneer het Contract met Heeren Commissarissen het Licht zag almeede s' EComp=ie slagteis zijnde met de vernieuwing gestaakt heb„ ben. op wat fundament van de Heer R:O: Eys„ scher de ged=e aan beschuldigen van dis„ obidientie aande geemaneede Placcaa„ ten, en daar en teegen andere Contraren„ teurs zoals de Manb: P: V: van Zeenen en P. s G: van Veenen vrij te laaten aande in voorsz: Placcaat gestipuleerde Boeete ofschoon zij als gecontracteerde s' EComp s Hackters. Slachters de vrijheid hebben duwen neemen buyten vernieuwde Lecentien, particuliere slag„ ten neeringe te drijven, zo als den Heer R: O: Eip„ schat bereids door de ged=e geinformeerd is geworden, zonder hier toe nimmer gepreviligeerd te zijn, en moogelyk om hunne Clauvestine handelingen eenige schijn van wettigheid bij te zetten, den Heer ro: Eipscher in't concept hebben gebracht, dat zij als gecontraheerde slachters ongehouden waaren, tot de parti„ culiere slachterij eenige Licentie nodig te heb„ ben, en dewijl in 't Contract den E Comp=e hier omtrend geene de minste mentie word gemaakt, zouatrouwen de gedaagdens datgemelde vanreenens, door haar opzet„ telijk zondigen teegens gemelde Placcaat ruim zoo stafbaar zijn als den Heere R:O: Eysscher sustineerd dat de ged„te zijn, hetwelk de ged„ geensint twijffelen of zal door het penetree„ rendoog van uweeEd Achtb: ras in aanmer„ king koomen, als men nu beschouwd dat de Benger fredrik van reenen als geweesen en hier gedomicilieerd hebbende geprivi„ ligeerde slagter buijten weesen of appro„ batie van Commissarissen, met het slagten begonnen ende slachten neering valaaten heeft, zonder het minste oplegging, het welke ge„ melde Heeren Commissarissen notoir best bekend zal zijn, dat hij than zonder zijne domiciliu alhier te hebben, terwijl zich vrte aan ln g lijk s n „ te de te met er woon aan de groene Cloof op een der EComp=s Rlachten plaatsen genaamd de groe Post heeft begeeven, en zich met het bouwe van garst en Parwe erneert, easch onder hoo wijze Correctie, alhier in dit Vlek afschoon p miszie geobtineert hebbende, zyn slachter neering drijft, zonder dat den Heer Z: Expott hieromtrend eenige deminste observatieng lieft te maaken, is het ook niet belachlyk Ede Achtb: Heeren, dat een men zo als de eerste gewoone Clercq terpolitique Secretarije, meede een verwooning wil maaken, als of hij een onafhankelyk Persoon in dit gouvernement was, en zich durve verstouten de ged„e, die not nagewoonte voor haar geld gaarne wilde informeeren, of de meerm: van Ree neus (:wiens voornaam Boekhouder hij dan ook ordonnantien hadden, te renvoijee„ ren met een excuus, dat hij zulx niet konde opgeeven, maar men zich diesweegens bi den Heer 20. Eysscher ter informatie moeite venwegen, die partialiteit wel Ed: Achtb. keeren die hem quaalyk past, Uwel Ed: Eecht gelieven slechts met een opslag desoogs te re macqueeren, dat den Heer: E: O: Eyschers in de voorbereiding zyner Eysch, sabitantieelijk zeg zich terstond ter politigue secretarije geinfor„ meert, en als toen bevonden hebbende het voo„ ren verhaalde conform de waarheid te zyn; dus moet men vaondentellen dat van het neemen

NL-HaNA_1.04.02_11024_0953 view scan ↗

English

taking of the slaughter ordinances, specific annotation is kept at the said secretariat, for how else could the Officer Plaintiff have discovered, or indeed inquired there, that the defendants had no renewed License in the Year 1790, and does it not appear all the stranger, Honorable Gentlemen, that at the said Secretariat one can indeed inform the Officer Plaintiff that the defendants had no renewed License, but cannot state to the defendants whether the often-mentioned van Reenens are provided with the aforesaid License, which consideration, they trust, will merit the strongest reflection, since it would be an equally great hardship for a Citizen or Inhabitant to have to experience that the Officer Plaintiff wishes to let the one enjoy more prerogatives than the other, all the more because the defendants, under reference, believe that during their presence here they have never conducted themselves in such a manner that they have merited any less favor or protection than the said van Reenens, wherefore the defendants regarding this take their recourse to Your Honorable Worships, to whom the Protection of all Subjects is commended. Herewith the defendants trust to have sufficiently demonstrated their innocence in law, For which and other reasons and means, in due time if necessary to be further deduced, the Defendant, renouncing and denying, generally and specially, all the positive means set down in the Demand, by express denial, impertinence, and irrelevance, and answering, Concludes to the end thereof, not admissible, and in order that the Officer Plaintiff's demand, so entirely unfounded in all parts, and the conclusion taken thereunder, made and taken upon and against the defendants, shall be dismissed, with costs, or to such other end as Your Honorable Worships shall think proper. was undersigned Imploring in and upon all Your Honorable Worships' noble and benign judicial office for summary and good justice. was signed: I: M: Elser and Johan Jacob Meijer in the margin: Exhibited in Court on the 31st of March 1791. Appeared before the Honorable and Worshipful gentlemen President and Councillors of Justice of the Castle of Good Hope the Independent Fiscal Johan Nicolaas Steven van Lynden Officer Plaintiff on the one side, against the Citizens Jan Michiel Elser and Johan Jacob Meijer, defendants on the other side. 1. And stated for replication that the defendants in bad faith avail themselves of the futile excuse 3. that they were not instructed by the Officer Plaintiff regarding the content of the orders prescribed in the placard of 17 December 1789, 4. at the request of the contracted butchers named for the private butchery, 5. for besides that they, the defendants, never approached the Officer Plaintiff to request an interpretation of any obscure points from that Placard, 7. but only to complain, on the grounds of the same, about the Citizen Fredrik van Reenen, 8. as if he were carrying on the slaughter trade in this settlement contrary to the order of the government, 9. the defendants moreover did not do so immediately after the Publication of the aforesaid Placard, 10. but only on the 15th of February last, and thus the month thereafter, came to the house of the Officer Plaintiff and his adjunct, 11. when it was certainly too late to ask for an explanation of a law 12. whose Publication was already known to the defendants for so long, 13. as was most clearly evidenced from the posting of the Boards already practiced during the entire Year 1790. 14. The defendants also certainly felt themselves 15. that this argument properly presented, instead of serving them, 16. on the contrary must always work against them, 17. because they so carefully conceal the time 18. when they were with the Officer Plaintiff, 19. in order, if it were possible, to give the judge the impression 20. as if the defendants, not having understood from the beginning the prescription of the government contained in the often-mentioned Placard, 21. had addressed themselves to the Officer Plaintiff on that account to obtain a further Explanation, 22. and as if the Officer Plaintiff, with the intention of taking the defendants by surprise later on, had concealed the content of the placard. 23. The defendants could therefore with much more ground and success blame the instituted Action on their own premature and unfounded complaints against their fellow Citizen Fredrik van Reenen 24. than on a failure of the Officer Plaintiff to inform the defendants concerning their duty, 25. especially since the purpose of the defendants in addressing the Officer Plaintiff was solely 26. to complain about the said van Reenen, 27. but in no way to request an interpretation of the aforesaid placard, 28. as they falsely express themselves in the written answer. 29. Indeed, even had the defendants been with the Officer Plaintiff 30. expressly to ask him for an Interpretation of the content of the said Placard, 31. the Officer Plaintiff could never have given them a better and clearer Interpretation of it 32. than by referring them to the Text of the Placard itself, 33. which, far from needing any Interpretation, 34. on the contrary is so clear and distinctly drawn up.

Dutch transcription

neemen der slacht ordonnantien ter gemelde secretarije specifique annotatie werd ge„ houden, want hoe zoude anders den Heere R.o. Esscher hebben kunnen ontwaaren, ofte wel aldaar zich informeeren dat de ged. s in Ann„o 179= geen vernieuwde Licentie had, den, en komt het dan niet des te vreemder te vooren, Ed: achtb: Heeren, dat men ten gem: Secretarije wel den Heer r.0. Eys„ zoher kan informeeren dat de ged. e geen„ vennieuwde Licentie hadden, maar de ged. s niet kan opgeeven of dikweef gemelde van reeneus met voorsz: Licentie gemuni„ eert zijn, welke consideratie, zo vertrouwe ten sterksten reflectie mesiteeren zal, ver„ mits het vooreen Burger of Ingeseetenen een alse groote handigheid zoude zijn omme te moeten ondervinden dat de Heere R. O: Eijsscher, de eene meerdere pierogativen wil laaten jonisseeren als de andere, te meer door dien de ge„ daagdens, onder referentie vermeenen geduurende hun aanweesen alhier zich nimmer zodaanig gedraagen te heb¬ ben, dat zij eenig mindergunst of pro„ tatie als gem: van reenens hebben ge¬ meriteert, weshalven de ged„e hier omtrend. verte en der de groe ouwe rhoo chter Engoste tien Ede te een ement aa er konde s erte Ed: Echt te in lijk zegt de 20 tb: bi hi hee n ƒ zn en hunne toevlucht tot uwel Edele Achtb„ aan wien de Beskerminge aller Onderdaanen is aanbevoolen, zijn neemende. Hier meede vertrouwen de ged=e den rechten genoegzaam hun onschuld te hebben aangetoond, Mits welke en andere reedenen en middelen, in tijdenwijlen is het nood naader te deduceeren, den Verweerder af¬ staande en ontkennende, generalyk en specialijk alle de middelen positi„ ves, bij Eysch ter needer gesteld, bij ex„ presse denegatie, Impertinentie, en irrelevantie, en zullende antwoor„ den Concudeerd ten fine van dien, niet ont„ famkelijk, en bij ordine dat des zat: off: Eys„ schers, zo allesints enge„ tiendeeden Eysch en daar agter genoomene Conclusie, op ende zee„ gens de gedaagdens ge¬ daan en genoomen zal werden ontsecht, cum agten sis ofte tot alsulke anteere andere fine als uwel Edele Edele achtbaarens zullen goedvinden te behooren. /:onderstond:/ Imploieerende in en op alles uwer wel Edele achtbaarens nobile ad benignum Iudicis officium om kort en goed recht. /:was geteekend:/ I: M: Elser en Iohan Jacob Meijer /:in margine:/ Exhibitum in Judicio den 31 maart 1791. Compareerde voor de Uel Edele en Achtb: heeren Prosident en raaden van Justitie des Casteels de goede Hoop de Independent fiscaal Iohan Nicolaas Steven van Lynden R: O: Eysscher ter eene contra den Burgers Jan Michiel Elier en Johan Jacob Meijer gedaeg„ dens ter andere zyde. 1 Ende deede voor replicq zeggen dat de ged„e zich ter quaader trouwe be„ 2 Z a ti oor¬ . ten eere a lelen helpen met het futice uitvlucht 3 dat zij door den ReO: Eysscher niet zijn onderricht geworden noopens den inhoud de in't placcaat van 17 deC: 1789 voorgeschreven ordres ue op versoek den gecont: slagters op de Parti culiere slagtery benaamd 5 want behalven aatsij ged„e de 2:6 zys1. nemm hebben geaddieert om intrepretatie van een ze duystae poincten, uit dat Placcaat te ver zoeken 7. maar alleen om zich op grond van hetselve te beeklaagen, over den Burger fred. k van leenen 8. als of deeze teegen het bevel der regeeringe de slachtneezing in dit flek zoude dryven. 9 zo zyn de gede daar in boven niet testond na de Publicatie van voorsz: Placaat, 10 maar eerst op den 15 febr. Jl: en dus de maand daarna ten huyze van den r. O. Epscher en zyn adjunct geweest. 11 wanneer het zekerlijk te laat was om uitleg ging te vraagen van een wet 12. waar van de Publicatie aande ged„e reeds so lange bekend was. 13 zo als uit het aanslaan der Bordjes reeds ge dunrende het geheel Jaar 1790 gepaartiseerd ten klaarde ten klaarsten kannonsleden I4. ook hebbende ged. e ook zeekerlik zelve gee voeld 15 dat dit argument behoorlyk voorgesteld, in steede van hen te opiticheeren, 16 in teegendeel altyd teegens hen moest wer„ ken, 17. omdat zij zoo zorgvuldig der tyd verswijgen 18. wanneer zij bij den r.O: Eyss:r geweest zijn 19, ten einde hier door waare het moogelyk, „den rechter in't denkbeeld te brengen. 20. als of dy ged. al vanden leeginne het voor„ schrift vande legeering in meerm: Placcaat vervat, niet begrapen hebbende 21 zich by den R. O: Eysscher diesweegens had„ den vervoegd, om een nadere Verkl: te alangen 22. en gven als ofde r: O: Eysscher met opzet om de ged. s naderhand onverhoeds te over, vallen, den inhoud van 't placaat soude hebben versweegen. 23. Deged. s zouden derhalven met veel meer grond en succes, de geinstitueerde Actie kunnen wijten, aan deselver voorbaardige en ongefundeerde plagten, tegen hem meede Berger voor fredrik van heeren alsaan n den ven ti nemme te ver eeni en ge na maarte tleg 30 ed Hlaarde ge 24 24 als aan een versuim van den R:O: Eysscher om hen ged omtrend hem plicht te rerfor„ meeren 25 vooral daar 't de but van de ged„e in 't acieeren van den R.O: Eysscher alleenlyk is geweest 26 om zich over denselven van reenen te be„ klaagen 27 maar geensints om, int repectatie van 't voor placaatse verzeken 28. zo als zij zich valschelyk uitdrukken, in 't schriftum van antwoord. 29 Trouwens alwaaren de ged. e bij den r. O: Eop„ scher geweest 30. om van denselven expresselyk Intrepretatie te vraagen, vanden inhoud van 't gem Ela caat 31, aanzoude de R: O: Eys. aan deselven nooit een bedde en klaardere Intrepretatie vant hebben kunnen geeven. 32. dan door ze te renvoijenen tot de Lecheut van 't Placcaat zelve 33 hetwelk wel verre van eenige Intresste tatie te behoeven, 34 In Zeegendeel zo klaar en duydelyk oprecht

NL-HaNA_1.04.02_11024_0959 view scan ↗

English

that one only needs to read it to be able to understand and comprehend its full force, see the very words of the Placard. "that no one shall presume to undertake the slaughtering and selling of fresh mutton and beef within and in the precinct of this Cape Town. "except after having beforehand requested and obtained permission thereto from the Right Honorable Governor in loco. "which permission shall be granted for a full year to such a number of citizen inhabitants as in proportion &c and further. "the person who has obtained such permission being obliged, at his own expense, to be provided with a written license "written on the same stamped paper as applies in respect of licensed bread bakers. "and in order to be permitted to have which permission and written license renewed annually, the same shall have to make a new request each time. "and with a declaration of the house where he intends to carry on that business. "on pain that those who without such permission might presume to sell fresh mutton or beef. "or without the said renewal of the license to continue with their slaughtering business "or to carry on the business in any other place, or from any other house, than is expressed in his license. "shall each time incur a fine of one thousand Guilders à usu" Where now in the entire Article is the least obscurity to be found, does it not on the contrary state very clearly that every butcher must be provided with an ordinance or license and that upon failure thereof he will thus for each year forfeit the fine of f 1000 à usu, In vain the defendants attempt to exculpate themselves by pretending that on account of the Contract concluded on 28 October 1788 with the Commissioners they believed themselves to be exempt from the necessity of providing themselves annually with a proper ordinance. Whereas it is so far from it that the Commissioners would have intended to grant the defendants the right to continue the slaughtering business without a requested and obtained license. Whereas on the contrary they stipulated in the aforesaid Contract that the 2 contracting butchers with him would properly request permission to slaughter. As will appear most clearly from the Contract itself annexed hereto sub Lit D:. Moreover it also admits of no contradiction even if it had been stipulated in the Contract. that the defendants would not require an annual license: which the Commissioners never even thought, much less promised. This nevertheless could by no means avail the defendants at present. Because the government of this place, by the approval of the aforesaid Contract, did not intend in this case to deprive itself of the power to enact such further orders in the future as they should deem necessary for promoting the welfare of the inhabitants. So that in any case the obligation to request a proper license before and prior to beginning or continuing with the slaughtering and selling of fresh meat. must always have taken commencement from the Placard of 17 December 1789 and ought to be observed by the defendants as well as by the other private butchers. From what has been deduced up to here, Your Honors will see that the defendants, embarrassed with their defense, have called upon everything, per fas et nefas, in order, if possible, to escape the fine incurred by them and that the defendants, driven by this, have finally fallen into the absurdity of asserting that one can pretend ignorance of a law which one not only knows to have been published but of which one has even already observed most articles. Is it not astonishing that the defendants' ignorance occurred precisely concerning that Article the observance of which had to cost the defendants some ducatoons annually. And if the defendants have truly been ignorant of the contents of the aforesaid Placard why then did they in the beginning only appeal to the Contract concluded with the Commissioners. The defendants' entire defense is therefore confused. And they now no longer know which way they shall turn to lend even the slightest gloss to their pretenses. The defendants fluctuate between their Contract with the Commissioners and the ignorance of the Placard of 27 December 1789. without their being able to make use of the one or the other with any confidence For to pretend ignorance of a Placard that has been properly published and made known to the people the defendants know very well is not in accordance with the sentence of Paulus, in [illegible] ff. de J: et I: [illegible] and to have recourse to a Contract that expressly determines the requesting of a license they feel very well to be against common

Dutch transcription

35 dat men hetzelve maar behoeeft te leezen omdaar van de volle kracht te kunnen verslaan en begrijpen, 36. zie de eygenwoorden van 't Placaat. 37. „ dat niemand zich zal moogen onderstaan „ het slagten en verkoopen van veisch schaa„ „ pen en reindervleesch, binnen en inden Om„ „trek van dit Caabse Vlek bij derhand te „neemen. 38. „ dan naa daar toe vooraf van den welEd: zestr „ Heere Gouverneur in loco pennissie te „ hebben versocht en geobtineerd. 39 „ welke pennissie voor een rond jaar zal ver„ „lemd worden, aan een zodanig getal van „Burger Ingezeetenen, als men na evenree„ „digheid &c 40. en wat verder. 41. „ zullende geenen die zodaanige permiszee „verkreegen heeft, ten zijnen kosten moeten „weeen geminieert, met eene schrifte„ lyke Lecentie„ 42. „ op gelyke Zeegul geschreeven, als ten Opsechte „aa geperm: Broodbakters plaats heeft. 43. „ en om welke permiszie, en schriftelyke smeekt Licentie e 20 2 „Licentie jaarlyks vernieuwd te moogen heb „ben, denselven telkens op nieuw versoek zal „hebben te doen. 44, in met opgaave van 't huijs alwaar hy voor neemens is die nog keering te dryven. 45. „ op pone dat de geenen, die buyten een zo„ „daanige pennissie zich mogten onder„ „staan versch schaapen of zundervleesch te „aerkoopen. 46 „ ofte zonder de gemelde vernieuwing der „ Licentie met zijn Hlachtneering te con„ „tinueeren 47„ aanwel de neeringe te drijven op eenig an „den oort, of uit eenig ander huip, als bij zyn „ Licentie brief is uitgedrukt. 28. „ telkens vervallen zal zijn in eene boete „ van een duijzend Guldens à usu„ 49. Waarnu in het gantsche Art.l de minste duysterheid te vinden, 50. zegt hetzelve niet in teegendeel zeer duy delyk 50 dat ieder slachter moet genunieert zijn met eene ordonn: of Licentiebrief 52 en dat hij bij faute vandien dus voor ieder jaar de boete van ƒ 1000 à uw zal ver„ beuzen, te vereefs 53. Te vergeefs trachtende ged„e zich te dis„ culpeeren, met voor te wenden, 54. dat zy vermeend hebben uit hoofde van 't Contract op den 28 8ber 1788. met Henen Com„ missarissen geslooten, bevrit te zyn aande noodzaaklykheid, 8 55. zich jaarlyks van een behoorlyke ordonn te voorzien. 56. daar het er zo verre van daan is, dat Heeren Commissarissen aan de ged„e het rech zoullen hebben willen toekennen. 57, om zonden versochte en geobtineerde Lecentie de Hlachtneering te continueeren. 58. daar dezelve in teegendeel bij voorn. Contract hebben bedongen 59. addle met hem 2 contrakeerende Slachters behoorlyk verlof tot het slachten zouden versoeken. 60. gelyk uit het Contract zelve hier neevens sub„ Lit D: gevoegd ten klaaste zal constee„ ren. 6„ 61. daar en bovenlyd het ook geen teegenspaak 62. actel was in't Contract gestepaleerd. 63. dat de ged e geene jaarlijkse Licentie zouden te te bij „ behoeven: 64. hetgeen keeren Comm niet eens gedacht veel min beloofd hebben. 65. dit leeding evenwel aande gede thans geen zints te staade zoude kunnen koomen. 66. omdat de legeering deezer plaatse, door de approbatie van voorsz: Contract, zich in dit geval niet heeft willen priveeren vaan de faculteit. 67. om in't vervolg zodanige radae ordres te beaamen, 68. als zij tot bevordering van't welzijn, der Ingezeetenen noodig souden vordeelen. 69 zodat in alle gevalle de verplichting om lee„ hoorlyke Licentie te verzoeken ro. voor en aller men met het slachten en ver„ koopen van Verchvleesch wagte beginnen ofte continueeren. 71. altyd zeederd tot Placcaat van 17 Dec 1789 een aanvang zoude hebben moeten neemen 72 en door de ged. s zowel als door de overige part= Slachters behooren geobreweert te worden. 73. Uit het tot hier toe gededuceerde, zullen UEE. „ 74. dat de ged. e met hunne defentie verleegen 7 perfas ac nefas, alles bij een geroept heb„ ben 75. om waare het moogelijk, de door hem ge„ incurreerde baete te echappeeren 76. en aat de ged. hier door gedreeven, eindelijk tot de abvuditeit vervallen zijn om te da. stineeren. 77. dat men ignorantie kan praetendeeren van een wet. 78. welke men niet alleen weet gepobliceeert te zijn. 79 maar waarvan men zelfs de meeste articuls reeds heeft geobzemeert. 80. Is het niet te verwonderen 81. dat den ged. ignorantie, juist omtrend dat Art. l heeft plaats gehad §2. waar van de observantie aande ged=e jaar„ lijks eenige pr ducatons moest kosten. 83. En zo de ged e waarlyk onkundig zyn ge„ weest. van den Inhoud van voorz: Placaat ok waarom tebeleen dezelve zich dan in den U EE. Achtb: zien. beginne ae een 2 ginne, alleenlyk op het Contract, met Heeren Commiss: geslueten beroepen. 85 daged=e geheele defensie in derhalven veer. wand. 86. En lijweesen thans niet meer over welken Beeeg bij het werden zullen 87 om zelfs maar eenig englimp aan hunne voorwendzels bij te zetten. 88. de ged=e fluctueeren tusschen hun Contract met heaan Commissarissen 89 ende igporantie van't Placaat van 27 Dec 1789. 90. sonder dat zij met eenige feducie, zich van 't een of ander auwen bedienen 9. want igvorantie te proetendeeren van een Placcaat, dct behoorlijk gepubliceert c en aan den volke is bekend gemaakt. 92 weesen de ged. e deer wel, dat niet overeen„ komt met de seae van Paulus, in dezex 9 ff. de J: ef: I: Gn: JH 93. en zich met een Contract te behelpen dat het versoeken van een licentie expresze lyk bepaald gte gevaelen zij zeerwel dat teegen de gezonde

NL-HaNA_1.04.02_11024_0965 view scan ↗

English

runs counter to sound reason. 95. Awareness of these truths keeps the defendants in despair, 96. and this is the reason why, upon the slightest reflection, one sees embarrassment shining through their defense from all sides. 97. This doubt and uncertainty as to where they shall turn appears, among other things, most clearly from what is said in answer: 98. that the defendants, pursuant to their contract, were obliged to slaughter for four consecutive months, 99. and that since the contract was entered into on 28 October 1786, the renewal could not take place at all, 100. because the stipulation of four months was included therein; 101. that is, because the new year happened to fall precisely within that period of four months. 102. This shows the defendants' uncertainty most clearly, 103. for in the contract it was expressly stipulated 104. that the defendants, during the remaining months of the then expiring year 1786, should continue to slaughter as before, 105. while furthermore in the same contract it is stipulated 106. that the term of four months should only begin on 1 January 1787, 107. and that, nota bene, after obtained permission from the Right Honorable Governor in loco. 108. Who, after all this, must not confess that the defendants must be convinced in their conscience 109. that they wrongfully contradict the claim, 110. and indeed have incurred the demanded fine; 111. yea, that the defendants' defense seriously ought to be reprimanded, 112. because they do not hesitate to make use of disguised truths, 113. whereby the plaintiff ex officio is burdened with unpleasant proceedings 114. and the inhabitants are brought to needless expense. 115. The plaintiff ex officio does not deem it necessary to explain his conduct with regard to the burgher Fredrik van Reenen to the defendants, 116. and thus silently passes over what the defendants have ventured to assert so uninhibitedly and untruthfully in that regard. 117. Neither is it up to this plaintiff ex officio to give the defendants an accounting 118. of how far he has progressed with his investigation concerning the contracted slaughters. 119. The plaintiff ex officio will only reflect on this second point: 120. that the defendants must have been very convinced of their guilt and obligation 121. to satisfy the demanded and stipulated fine, 122. when they reported the contracted butchers as fellow contractors to the Fiscal's office. 123. And herewith the plaintiff ex officio trusts to be allowed to conclude this term favorably, 124. and to be able to await the adjudication of his formulated conclusion. Wherefore the plaintiff ex officio, rejecting the means of answer as captious and insignificant, persists in his well-founded claim and conclusion for reply. Signed: D. A. Truter, acting Fiscal. In the margin: Exhibited in court on 1 April 1791. Today, 28 October 1786, appeared before me, George Gerhard Diemel, sworn clerk at the political secretariat here at the Cape of Good Hope, in the presence of the undermentioned witnesses, as well as before the undersigned gentlemen commissioners from the Honorable Court of Justice, the valiant Burgher Lieutenant Jonas Albertin van der Poel, the burghers Jan Jacob Meyer, Jan Michiel Elser, Jacobus Arnoldus van Reenen, and Jan Hendrik Wulffing, being jointly privileged burgher butchers in this Cape settlement. And the appearers declared, pursuant to the agreement with the gentlemen commissioners from the aforesaid Honorable Court of Justice, to have accepted, as they appearers jointly, each for himself, promise and undertake hereby, that they appearers, according to the contents of the ordinance granted to them as private burgher butchers, during the remaining months of this expiring year 1786, shall continue to slaughter as before, and deliver both mutton and beef for the daily consumption of the inhabitants, at two stuivers the pound of meat, without, during the said interim from the date hereof until the last of December next, raising the price of the meat, nor diminishing the weight, for whatever reasons and under whatever pretext that might be; that they appearers hereby also bind themselves to continue de novo in their private butcheries for the benefit of these inhabitants on 1 January of the next year 1787, after obtained permission from the Right Honorable Governor in loco, and then during the first four months of that year, namely from 1 January to the last of April, to make no alteration in the present price or weight of the meat, for whatever reasons

Dutch transcription

gesonde reden aanloopt. 95. de bewustheid deezer waarheeden, houd de ged. se in vertwijffeling 96 en dit is de oorsaak, dat men by de niuste reflectie, in derselver defensie van alle kanten de verleegenheid ziet door haalen. 97 deese twijfel en onseekerheid, werwaards, zij zich zullen werden, blykt onder anderen ten allens klaasten, uit het geen len antwoord gezecht word. 98. dat de ged. e ingevolge hem Contract, vier„ plicht waaren vier maanden, na elkander te slachten, 99 en dat daar het Contract op den 28 Octob: 1786 was aangegaan, de vernieuwing als teen niet geschieden kon. 100 vermits de bepaaling van vier maanden daar in opgeslooten lag 101. dat is vermits het nieuwe jaar juist binnen dien tijd van vier maanden kwam in te vallen. 102. dit toond der ged. s onzeekerheid ten klaarsten want t eert een„ Lex en e e 103. want in't Contract werd uitdrukkelyk bepaald. 104. aatdeged. geduirende, de nog overige maan den van't toen ten einde loopend Jaar 1786. gelyk benoorens zouden blyven slagten &=a 165. terwijl wijders, in 't zelve Contract word ge„ stipuleerd, 106. dat de bepaaling van vier maanden eerst met p:o Januarij 1787 zoude beginnen 107. en zulx NB naar geobtineerde Permissie van den WelEdele zestr Heer Gouverneur in laco 108. Wie moet na dit alles niet bekennen dat de ged t in hun gemoed overtuygd moe„ ten zijn. 109. dat zij den Eysch ten onrechte teegenspree„ ken. 110. en wel deegelijk de geeischte boete hebben gemeisteert. 144, Ja dat de ged„e defensie serieuvelyk bee„ 1 zoorde te werden gereprimendeerd 182 omdat hij zich niet ontzeet, zich vemen„ geponnitteerde waarheeden te bedienen. 113 waardoor de 2. O. Epscher; met onaangename Jwiedes Proceduures overlaaden. 114. en de Ingezeeenen op noodeloose kosten gebragt worden. 115. de 2. 0: Epscher verdeeld niet noodig zyn gedrag ten opzichte van den Burger fredrik van ree„ nen, aande ged. e oopente leggen. 116 en paneat dus stiltuygende het geende ge„ daagdens, zo onbedaamd en onwaarachtig daar omttrend hebben dinen pozeeren. 117. ook lente hot deze 0„ Eysscher niet aan de geds leekenschap te geeven, 118, hoe verze hij met zijn ondersoek, noopens de gecontracteerde slachten is gevorderd. 119. alleenlyk zal de R. O. Epscher op dit tweeeden poinct reflecteren. 120, dat de ged. e zeer overtuygd moeten geweest zijn van hun schuld en verplichting, 121. om de geeischte en bij de niet bepaalene boete te voldoen. 122. wanneer zy degecontracteerde slachters meede als Contrakenteurs, aan 't officie fis„ caal hebben aangegeeven. 123. En hier meede vertrouwd de 2. c Eyser ge e in e¬ e „ „ me Esscher, deeze termijn genstelyk te moe„ gen besluyten, 124. En de adjudicatie van zyn genoomene Corcluri te kunnen afwachten. Mits welke de R. O: Epscher aflaande de middelen van Antwoord, als mee captieuis inop tainsaficant, pansheende bij zyne welgefondeerde Eysch en Conclusie voor replicq. /:was geteekend:/: D: A: Triter acg: fircaal, /:in margine: Exhibitien in Judicio & 1e April 1791. Op heeden den 28 October 1786 Compareerden voor mij George Gerhard Diemel geswoore Clercq, ter politique secretarije alhier aan Cabo de goedeHoop, in praesentie der onder„ genoemde getuijgen, mitsgs ten overstaan van de meede geteekende Heeren Commissa„ rissen uit den Ed: Achtb: raade van Justitie den Manh: Burger Lieutenant Jonas Alber„ tin vander Poel de Burgers Jan Jacob Meyer Jan Michiel Ian Michiel Elser, Iacobus Arnoldus van Reenen en Ian Hendrik Wulfling, als zynde gesaamentlijke gepraevisigeerde Burger slach„ ters in dit Caabse Hlek En verklaarden de Compten ingevolge de over„ eenkomst met Heeren Commissarissen uit den E: Achtb: raad van Justitie voorm: te hebben te hebben aangenoomen, zo als zy Compt.en gesaa, mentlyk een eider voor zich belooven en aan, neemen bij deesen dat zy Comp=ten navolgens den in houde der aan hun verleende ordonn: als particuliere Burger Slachters, geduurende de nog ooverige maanden van dit ten einde loopende Iaar 1786. gelijk bevoorens zullen blijven slachten, en leeveren zo schaape als beeste vleesch, tot daagelykse con„ sumptie voor de Ingeteekenen, teegens Twee stuijvers het He vleesch, zonder in dien gemelde tusschen tijd van dato deeser tot ult=o decem„ ber aanstaande de prijs van het vleesch te ver„ hoogen, noch het gewicht te verminderen, om welke reedenen, en onder welk protext zulx ook zoude moogen weesen, dat sij Compten zich bij deesen ook verbinden, omme met primo Janu arij des aanstaande Jaars 1787, na geobtineerde permissie van den Wel Ed. gestr. Heer Gouver„ neur in loco, in hunl: particuliere Rachte„ rijen ten behoeven deeser Ingeteekenen de novo te zullen continueeren, en als dan geduurende de vier eerste maanden van dat Jaar tewee„ ten van p. o Jann: tot ult=o April geene verande„ ring in de teegenswoordige prijs of gewicht van het vleesch te zullen maaken, om welke reeden

NL-HaNA_1.04.02_11024_0970 view scan ↗

English

reasons and under whatever pretext such might also be, but on the contrary, during all that time to hold themselves to the presently determined price and weight of the said meat, namely two stuyvers the lb; that since the fundamental and principal purpose of this agreement primarily also happens to be that in unexpected cases of scarcity or shortage of the required meat for the inhabitants, the Lord Commissioners from the Honorable Worshipful Court of Justice aforesaid may be enabled to provide against and prevent the increased dearness of meat to the oppressive burden of the humble community, they, the appearers, therefore declared to have come to an agreement with the Lord Commissioners aforesaid, and therefore hereby promise and undertake, in case towards the end of this year or the ultimate of December next, they should have any the least prospect that scarcity, dearness, and shortage of livestock or other unforeseen accidents whatsoever, might render them unable, after the expiration of the first four months of the coming year 1787, namely after the ultimate of April, to continue further in the butchery on the aforesaid footing, and to sell the meat at two stuyvers the lb. for the next following months of May to August to the inhabitants as aforesaid, that they then in such case will be prepared early, by the first of January of that year, to give notice thereof to the Lord Commissioners from the Honorable Worshipful Court of Justice, with the reasons upon which this their prospect might be grounded. So that they, the appearers, as long as they might continue in the aforementioned private butchery, pursuant to the actual design of this agreement, once and for all, every four months in advance, will have to report to the Lord Commissioners aforesaid whenever, upon grounded prospects, they believe they will be rendered unable to continue the private butchery on the footing as aforesaid, and to deliver the meat for two stuyvers the lb. to the inhabitants, to the end that the Lord Commissioners aforementioned may always be enabled to devise such measures in time, and to put them into operation under the approval of the High Government of this country here, as they shall find necessary to keep the inhabitants out of distress regarding the daily required meat, and to prevent, as much as possible, that the same does not rise in price higher than two stuijvers the lb., as it is at present. Which agreement, being entered into between the Lord Commissioners from the Honorable Worshipful Court of Justice and the appearers as private burgher butchers, with the prior knowledge and approval of the Right Honorable Worshipful Lord Governor in loco, the appearers bind themselves to the fulfillment of all this as by law, requesting that by me, sworn clerk, a formal deed thereof might be executed, which is this. Beneath stood: That this was thus executed at the aforesaid secretariat, present the clerks Ruist Möllerstrom and Arnoldus Maasdorp as witnesses. Was signed: S. A. v. d. Boel, Joh. Jacob Meijer, J. M. Elser, I. A. van Reenen, I. H. Wulfling. In the margin: as witnesses, signed: Gust. Mollerstrom and A. Maasdorp. Lower: In the presence of us as commissioners, and signed: M. Matthiessen and H. J. De Wet. Beneath that: In my knowledge, was signed: G. J. Diemel, sworn clerk. Lower: Agrees, signed: P. H. Faure q.q. Duplique, caused to be made, and submitted with the required respect to the Right Honorable Worshipful Lord Johannes Isaac Rhenius, President, as well as the further Honorable Worshipful Lords Councillors of Justice of this government, by and on behalf of the undersigned Johan Michiel Elser and Johan Jacob Meijer, defendants on the one part, to and against the Honorable Worshipful Lord Independent Fiscal Johan Nicolaas Steven van Lijnden, ex officio plaintiff on the other part. Right Honorable Worshipful Lord, and Right Honorable Lords! The undersigned, first expressing their thanks for the granted copy of the Lord ex officio plaintiff's replique as well as the day to serve today with a duplique, shall briefly state: That concerning the 5th to the 7th article it is to be noted, although the ex officio plaintiff wishes to legitimize himself with the negative that the defendants had not requested an interpretation, as well as had solely and only brought their complaints against the Burgher Fredrik van Reenen, this then is completely contrary to the truth, because the defendants, before this license had to be requested in the year 1790, addressed themselves to the Lord ex officio plaintiff, not only that, but also to his adjunct Cruyter, to the end, since the placaat appeared obscure in their view, to request the interpretation. As regarding the 8th to 12th article, this falls away and entirely, with all respect, does not square with the truth, and cannot do it any honor. Then the Lord ex officio plaintiff posits from the 13th to 20th article and wishes to legitimize himself by the posting of the signboards. Then from that it appears that the defendants, simply upon the rumor in this matter which was obscure to them, also had their signboards posted in order in no way to work against the intention of the government, thus having requested an interpretation precisely at that moment when the notification of the signboards occurred. And then the answer of the Lord ex officio plaintiff was: Elser, come back in a day or two, note bene, and upon further repetition of the request again received as answer: I have not yet read the placaats, have patience; should the defendants then not act in that confidence, upon the assurance of the ex officio plaintiff that not the least difficulty was at hand? Then concerning the 23rd to 33rd article, that it had been a premature and unfounded complaint against the Burgher Fredrik van Reenen, this is just as unfounded as the former regarding the article.

Dutch transcription

reeden en onder wat voorwendzel zulx almeede mogte weesen, maar ter contrarie, in al dien tijd hun te houden aan de thans bepaalde prijs en't gewicht van hetzelve vleesch nament lyk twee stuyvers het l dat na dien het fundamenteele en principaal oogwit, deezer overeenkomst voornaamentlyk meede komt te ui weesen, dat bij onverkoop te gevallen, van schaarheid of gebrek van het benoo„ digt vleesch voor de Ingezeetenen Heeren Commis„ zaussen uit den E: Achtb: raade van Justitie voorm: in staat kunnen weesen gesteld daar teegen te voorsien en te prevenieeren, de meerdere duur te van 't vleesch tot drukkende last der sobere gemeente, zij Compten derhalven verklaarden met heeren Commissarissen voorm: te zijn over een gekoomen, en oversulx bij deezen te belooven, en aan te neemen, om ingevalle teegens het uiteinde van dit Jaar ofte Ulto December aanstaande, eenige de minste voor uitzichten mogten hebben, dat schaarsheid duurte en gebrek aan Vee ofte andere onver„ hoopte toevallen hoegenaamd, hun buijten staat zouden kunnen stellen, om naar Expira„ tie van de eerste vier maanden des aanstaan„ de Jaars 1787 namentlyk na ult=o April op a„ voorsz: voet in de slachterij verder te kunnen con„ tinueeren, en het vleesch teegens twee stuy„ vers het H. voor de naastvolgende maanden maij tot August aan de Ingeseetenen zoals vooren te verkoopen, zijl: als dan in zoo„ danige daanige geval bereid vroegtijdig met p. r Jann: van dat Jaar daarvan kennis zullen geeven aan Heeren Commissarissen uit den E. Achtb: Raade van Justitie, met de reedenen waarop dit hun vooruitzicht mogte weesen gegrond. Des zij Comp=ten zo lange sij in de meerm: par„ ticuliere slagterij mogten blyven continuee„ ren, ingevolge het eijgentlijke ontwerp deeze overeenkomst, eens en vooral telkens vier maanden bevoorens, aan Heeren Commissa„ kisten voorm: zullen moeten opgeeven, wan„ neer op gegrande vooruitzichten vermeenen bery„ ten staat te zullen worden gesteld, om de par„ ticuliere slachterij op aen voet als voorm: te kunnen blijven voortzetten, en het vleesch voor Twee stuyvers het staande Ingeteekenen te leeveren, ten einde heeren Commissarissen meerm: altoos kunnen weesen in staat gesteld, in tijds sodaanige maatregulen te beraamen, en onder approbatie van 's Lands„ hooge regeering alhier in't werk te stellen als noodig zullen vinden om de Ingeseete„ nen te houden buyten verleezendheid, aan het daagelyks benoodigd Hleesch, en zo veel als moogelyk is voor te koomen, dat hetzelve niet hooger in prijs als twee stuijvers het l8: zo als jeegenswoordig komt te steijgen. welke deeze overeenkomst tusschen Heeren Commissarisden uit den E: Achtb: raade van Justite e ent Iustitie ende Comp=te als particuliere Bar„ ger slachters met voorkennisse en approbatie van den Wel Edele gestr: Heere gouverneur in loco zynde aangegaan, verbinden de Com„ paianten tot nakoominge van dit alles zich als va rechten, met versoek dat door mij geswoore Clercq daar van mogte werden gepasseert Acte in forma, hetwelk is deeze. /:onderstond:/ Dat aldus passeerde ter secretarije voorm: present de Clercquen Ruist Möllerstrom, en Arnoldus Maasdorp als getuijgen /:was ge„ teekend:/ S: A: v: d: Boel, Ioh: Jacob: Meijer, J: M: Elser: I: A: van Beenen: I: H: Wulfling /:in margine:/ als getuijgen /:geteekend:) Guir Mollastroin, en A: Maasdorp. /:laager:) Ten overstaan van ons als gecomm: /: en gedee„ kend:/ MMatthiessen e H: J De Wet /: daar onder /: in kennisse van mij /: was geteekend:/ G: g. Diemel gem: Clercq. /:lager:/ Accordeerd /:geteekend:/ P: H: faure q Duplicq, gedaan maa„ ken, en met de vereischte eer„ bied overgegeeven aan de wel Edele achtb: Heer Iohannes Isaac Theunis Rhenius Praesident, benevens de verdere E. achtb: Heeren raaden van Justitie deezes gouvernement door ende van weegens de Onder„ gesz Iohan Michiel Elser en Johan Jacob Meijer gev= ter eenre. op ende jeegens den E: Achtb: Heer Inrependent fiscaal Johan Nicolaas Steven van Lijnden R:O: Eysscher ter andere zyde. Wel Edele Achtb: Heer. en Wel Edele Heeren! De onder get=s vooraf hunne dank betuigende voor verleende Copia van des Heer R. O: Eysscher replicq mitsg.s dag om heeden te dienen van duplicq zal kortelijk leggen. dat nopens de 5. be 7 ar le te letten staat afschoon, de rO: Eycher zich met de negative wil legitimeeren, de ged. e geene Intreprotatie hadden verzogt, mitsg. s enkel en alleen zich op den Burger fredrik van Reenen hunne klagten hadden ingebracht dit dan gants bezyden de waarheid is, want de ged. e hebben zich voor dat deeze Licentie moest in den Jaare 1790 werden versogt hun bij den Heer r:O: Eysscher vervoegt, niet alleen maar ook bij deszelfs adjunct Cruter, ten einde ver„ mits het Placaat hun duyster in't dog liep de aa a intrepretatie te versoeken. zo als nopens het 8ste tot 12=de Aert. l vervald en in't geheel onder reverentie, niet met de waarheid guadreert, en aan deselve geen hulde kan doen dan zo poseert den H. r R.O. Eysscher van 't 13de tot 20. ste Art=l en wil zich met aanslaen der Bordjes legitimeeren. dan daar uit blykt dat de ged=e simpel op het gerucht in dit voor hemt: ten duijstere zaak hunne Bordjes meede hebben doen aanslaan omme geensint jeegens de Initentie der re„ geeringe te werken, dus intrepresatie hebben verzocht, juist op dat tijdstip wanneer de kenni geening der Borjes is geschied En doen was het antwoord van den Heer r. O. Eyscher Elser kom over een dag aftes wederom NB en bij nadere herhaaling van't versoek weder tot antwoord bekoomen: Ik. heb de Placaaten noch niet geleesen, hebt geduld, zonde de ged=e dan niet in dat vertrou„ wenaeiseeren, op de verzeekering van den Red: Eijsscher, dat geen het minste swarigheid voor handen was dan ten belange van't 23=ste tot 33=te Art= dat het een voorbaarige en ongefundeerde klagte op den Burger fredrik van Reenen is geweest is even zo ongegrond als het voorige op arte

NL-HaNA_1.04.02_11024_0975 view scan ↗

English

On articles 5, 6, 37, whereas this was no complaint, but simply and solely a request to enjoy the same right as the van Reenens, to erect several slaughterhouses wherever they wished, and more than months had elapsed when the defendants requested the interpretation from the Lord Fiscal Plaintiff, which the aforementioned Fiscal Plaintiff may have forgotten due to the length of time, and which the defendants can nevertheless testify under oath to have occurred truthfully, and is in no way false, as the Lord Fiscal Plaintiff pleases to express himself, And with further regard to Articles 34 to the 52nd concerning the Placard, the defendants find it unnecessary to bring anything against it and persist in having made the necessary inquiries. Likewise, that these are no pretexts derived from the contract, since the defendants had no ordinance during the period from the year 1786 to 1790, and thus believed that the request for a license had lapsed through the Contract, and the defendants were informed that there was no necessity to ask for a license, just as the meaning of the aforesaid Contract impedes nothing other than that inhabitants, being privileged butchers and carrying on trade, the year having expired, should not intentionally and arbitrarily take it into their heads with one another to stop slaughtering and quit, and through this cessation, no livestock being at hand and prices more or less rising and falling, this town could easily be left in the greatest embarrassment of having to lack the least and most indispensable nourishment; and precisely these were the true reasons that this Contract was brought into the world. Furthermore, it appeared to the defendants that one could not obtain the necessary interpretation from the Lord Fiscal Plaintiff any more than at the political secretariat, which is not unclear, because the necessary information can be given by and to the Lord Fiscal Plaintiff at the secretariat of Police, and seen whether the defendants were provided with a license or not; and the defendants, on the contrary, were referred from the Secretariat to the Lord Fiscal Plaintiff; whether the van Reenens, contracted slaughterers of the Honorable Company, carrying on private slaughtering trades, are provided with a License or not, is indeed as frivolous as it is absurd, as can truly be. And with regard to the 53rd to the 110th Article, no attention need be paid, being a repetition only arranged to annul and nullify the Contract entered into with the Lords Commissioners. Likewise from Article 110 to 121, where the Lord Fiscal Plaintiff says that the defendants had helped themselves with untruths; this is entirely beside the truth, and they thus persist therein. And finally, the defendants desire no accounting from the Lord Fiscal Plaintiff concerning the Honorable Company's contracted slaughterers, the defendants only insisting on this so that it may merit reflection, that if the defendants through ignorance might be punishable, the contracted slaughterers, the van Reenens, also carrying on private slaughtering trades for the Company, as shown by their signboards, cannot escape punishment. Herewith the defendants deemed it sufficient, and persist with their submitted answer and contraconclusion for duplicate. /:was signed:/ I: M: Elsers J: J: Meyer /:in the margin:/ Exhibited in Court on 12 May 1798. Agrees. DRunyer, sworn Clerk. Appeared before the Honorable Worshipful Council of Justice of this Castle of Good Hope, the Independent Fiscal Johan Nicolaas Steven van Lijnden, ex officio Plaintiff in a case of purchasing stolen goods on the one part, against the Burgher Johannes Engel, defendant in the aforesaid case on the other part. And stated: 2. That the deserter of the National Battalion, Coenraad Schreib, judged by the Honorable Court Martial in the month of November last, having confessed and declared at his interrogation 3. that he sold several goods stolen and purloined by him to a man living on the side of the Boerenplein; 4. and the necessary investigation having been conducted in this regard with all due formalities observed, 5. it has appeared, as your Honorable Worships will perceive from the attached documents, 6. that this buyer was Johannes Engel, mentioned in the heading of this document; 7. who on 4 November already bought from the aforesaid deserted soldier two pillowcases purloined by the same from the English here, for the value of 2 Schellingen; 8. and furthermore did not shrink from receiving and buying from the same deserter the following day, for the second time, a watch, two pillows, five pairs of trousers, a hat, a baize jacket, 9. which the said Deserter partly stole in the night from a Gunner, and which were paid together by the defendant with 8 Rixdollars; 10. so that the defendant has directly made himself guilty of buying and harboring stolen goods; 11. thus the Fiscal Plaintiff sees himself compelled, for the just punishment and suppression of such shameful and pernicious crimes, to proceed against him in the proper manner. 12. And the defendant being in confession concerning the purchase of the said goods, and having handed them over with the exception of a few items as seen by note, 13. whereby neither the fact nor the corpus delicti is subject to any doubt, 14. the Fiscal Plaintiff shall, for the qualification of the case—

Dutch transcription

op artics 5. 6. 37 terwijl dit geen aanklagte is geweest, maar dimpel en alleen gevraag¬ dens om van 't zelve recht te jouissee, ren, als de van reenens, om meerdere Hacht„ huijsen te plaatsen, waar datze wilde en ruym de maanden laaten geschied is, als toen de ged. e intrepretatie hebben verzoegt. bij aen Heer R: O: Eysscher, dat evengem: z. O. Zpscher moogelijk door de langheid des tijds vergeeten zal zijn, ende ged:e echter onder Eede betuijgen kunnen, naar waarheid te hebben gepaseert, en geensints valsch is, zo als de Heer r:O: Eysscher zich gelieft uit te drukken, — En ten wijdere belange van 't 34 tot 52tte Art„e weegens het Placcaat, vinden de ged=e onnoodig daar iets teegen in te brengen en blijven daar bij persisteeren, de noodige Informatien te hebben gedaan. zoo ook dat hetgeen voorwendsels zijn uit 't contract, vermits de ged„ s geduurende zederd het jaar 1786 tot 1790 geene ordonn: hebben gehad, en dus vermeenden dat het versoeken eener Licentie door het Contract vervallen was, ende ged=e geinstineerd heb„ ben buyten noodzaakelykheid te zijn Licentie te vraagen zo als ook den zin van voorsz: Contract niets anders obsteerd, als dat Inge„ zeetenen wa eld ge zeekenen geproviligeerde slachters zijnde en neering doende, het jaar verstreeken weesende met den anderen op zettelijk niet willekeurig hun in den zin te laaten opkoo men, het slagten, en quitteeren, en door deeze slap van dien geen vee voor handen zijnde de prijsen min of meer rijsen en daalen, dit vlek lichtelyk inde grootste verleegendheid konde laaten, van 't min en ontbeerlykst maeedsel te moeten mis„ sen, en juist dit zijn de waare reedenen geweest dat dit Contract, inde waereld is ge„ bracht. Wijders is aande ged„e gebleeken aat men zoo min bij den Heer R:O: Eysscher als ter politi„ „que secretarije de noodige Intrepretatie niet heeft kunnen verkrijgen, dat niet onduydelyk blykt, om dat door en aan den Heere h: O: Eijsscher ter secretarije van Politiie het nodig onderrigt kan werden gegeeven, en gezien of de ged. e gemrimeert waren afniet, met een licentiebrief, ende ged=e ter contrarie van't Secretary naa den Heer Z: O: Eyscher geweesen werden, of de van Reenens ge contraheerde s' EComps slagters, particuliere slachtneeringen drijvende, gemuneert zijn met een Licentie dan niet, is immers 20 fievool als absuid, als waar inmers zyn kan. En ten belange van't 53=te tot het 110=de de Ate Art=le staat niet te letten, als zynde een repetitie, alleen ingericht om het aange„ gaan Contract met Heeren Commissa„ kissen te annulleeren, en te niet te doen. zo insgelyk van art. l 110 tot 12l, alwaar de Heer r:O: Eysscher zegt, dat de ged=e zich met onwaarheedens hadden beholpen dit is gant bezyden de waarheid, in blyven dus daarbij persisteeren. En eindelyk verlangen de ged. geene reeken„ schap, vande Heer R. O: Eysscher aangaande s' EComp. zecontral. slagters, de zed. alleen maar hierom insteerende, dat dit reflectie mag meriteeren zo indien de ged. door ignorantie mogten oprafschuldig zijn, zij gecontrat: Hlachters de van leenens, en Comp:s meede part: slagtneringen dryvende, blykena aan hun uithangbordjes, de straffe niet kunnen echappeeren. Hier meede namenen de ged=e te kunnen volstaan en blyven bij hun ingeleeverd antwoord en Contracenr„ clusie persisleeren voorduplicq. /:was geteekend./ I: M: Elsens J: J: Meyer /:in margine:/ Exhi„ bitum in Judicis den 12 Maij 1798. Accordeert. DRunyer gem Clercq te en e k i es zyn de 0 1 Compareerde voor den welEd: Achtb: raade van Iustitie deeses Casteels de goede Hoop, de Indep: Fiscaal Johan Nicolaas Steven van Lijnden Rat: off: Eijsscher in cas van inkoop gestoolener Goederen ter eenre contra den Burger Johannes Engel gedaagde in voorsz: caster andere zijde. En deede zeggen. 2 dat den bij den welEdele gesz: Krygsraad in de maand november jongstl: gejugeerde deserteur van't Nationaal Bataillon Coenraad „schreib bij desselfs Verhoor bekenden aangegee„ ven hebbende 3: verscheidene goederen door hem gestoolen en af„ handig gemaakt aan een terzijde van de Boere plein woonende man verkogt te hebben. 4. en hier omtrend solennibus rite observatis het nodig onderzoek gedaan zijnde 5 gebleeven is, gelijk uwelEd: Achtb: uit d'aanlig„ gende documenten zullen koomen te ontwaren 6/dat deeze kooper den in den hoofde deezes ge„ melde Iohannes Engel is geweest. 7/. dewelke op den 4 9ber reeds twee Schenslopens door voorsz: gedeseideerde soldaat van d' Engelse alhier N=o 19 alhier afhandig gemaakt van denzelven heeft gekogt voor de waardije van te2 Zekele 8 en zich voorts niet heeft ontsien, van den zelven deserteur d'anderen daags voor de tweede rijse in te neemen en te koopen. een Horlogie, twee hoofdkussens, vijf Broeken, een hoede een Baaijtje 9 dewelke gemelde Desateur in de nacht van een Cannannier gedeeltelijk heeft ge¬ „stoolen, en te zamen van den gedaagde met ryks d. o 8. zijn betaald geworden. 10 zo dat den ged: zich daadelyk aan kooping en Berging gestoolener goederen heeft schul dig gemaakt, 11. dus den r0: Eijsscher zich genoodzaakt ziet ter billijker bestraffing en onderdrukking van zoortgelyke schandelijke en verderffelyke misdrijven guorangne mode teegen denzelven te procedeeren. 12. En den ged: omtrend het opkoopen dergem Goederen in confesso zijnde en deselve op eenige stukken na bij notitie te zien afgegeeven hebbende, 13. waardoor noch het feijt, noch het corpus de licti aan eenige twijffel onderheevig is 14. zal den 2. O. Eysscher ter qualificatie der zaake —

NL-HaNA_1.04.02_11024_0981 view scan ↗

English

matter, it solely remains to be observed: 15. that the defendant repeatedly and at various times, and specifically very early in the morning, bought the goods from one and the same person, 16. and having paid for them far below their value; 17. the intention of the defendant to knowingly, willingly, and premeditatedly enrich himself to the detriment of others is no less apparent. 18. Besides the fact that the defendant provided the aforementioned soldier with the necessary maintenance during his desertion, 19. whereby the same persisted in his design, had the opportunity to better conceal himself, and even greater misfortunes could have arisen had he not been overtaken and punished early enough. 20. It is true that the aforementioned deserter was dressed as an English sailor and passed himself off as such! 21. With which the defendant also seems to wish to excuse himself. 22. Which, however, in this case will merit further reflection. 23. Because the goods delivered and bought were of such a nature 24. as no such poorly dressed sailor is accustomed to have and use, 25. which must make him directly suspect, and they ought not to have been bought until he had legitimized his right to sell. 26. Which in all such circumstances appears to the Officer Claimant to be all the more necessary, 27. because ordinary sailors, craftsmen, and soldiers, among whom many speak foreign languages, are strictly forbidden 28. from selling their personal goods and clothes, or from engaging in any trade. 29. Such disorders and offenses could occur daily, and actions could be taken against all laws with impunity, 30. just as the analogy of the case entails that, all correspondence and trade with foreign nations being even more forbidden, such a privilege cannot apply to English sailors either. 31. And it goes without saying that foreigners can steal just as well as others, and buyers of either can be held accountable in like manner. 32. Which the defendant, acting in good faith, would indeed have kept in mind and would have exercised all the more caution, 33. while for a long time so many burglaries and thefts have been committed, 34. which could in no way be discovered and can only remain concealed through such prompt fence-buying, 35. in which they are careful not to ask about the lawful or unlawful possession of the sellers, and are only content to be able to enrich themselves with such a purchase. 36. Wherefore the defendant can in no way be excused, 37. but ought rather to be considered as a receiver of stolen goods. 38. For which, no penalty being determined by the laws in that regard, in conformity with the case and circumstances, a fair and just punishment shall be inflicted according to the discretion of the judge. For which and other reasons to be further deduced in due time, if necessary, the Officer Claimant, concluding in his demand, requests that the defendant, by final sentence of Your Honorable Worships, shall be condemned to such corporal or other punishment as Your Honorable Worships in proper justice shall deem appropriate. Was signed: J: N: S: van Lijnden. In the margin: Exhibited in Court on 20 Janu: 1791. Extract from the court-martial interrogation dated 11 October 1790. Following a requisition made by the Honorable Independent Fiscal here, the arrested person was sent under escort with the court messenger to identify the buyer of the goods mentioned in the 20th article and to demand back these goods, which were found to have been bought from the citizen Johannes Engel, and to consist of the same that were specified by the arrestee, and are stated on the accompanying note; being furthermore resolved, and underneath stood: Agrees. Signed: G Exter, Captain-Auditor. Note of goods received by the court messenger from the citizen Johannes Engel: 2 watchcoats or English duffels, blue with red lining, found to be in good condition and as good as new. 1 silver watch, ordinary, middling. 2 pillows with white pillowcases. 3 pairs of linen trousers, poor. 1 pair of trousers of blue duffel cloth, half worn. 1 striped flannel undergarment. 1 flowered bodice. Missing: a hat and 1 blue baize jacket. Underneath: Agrees. Was signed: G: Exter, Captain-Auditor. Present: the valiant I: A: Schultz, Captain-Lieutenant, and Gottlieb Huber, Lieutenant, as well as Gabriel Exter, Captain-Auditor. Art. 19. Whether he, the questioned, having gone to bed with the gunner in a room to sleep, opened the window during the night and absented himself through it? Says yes. 20. Whether he, the questioned, having thus absented himself, did not take along from the aforementioned gunner a watch, a hat, three pillows, and a handkerchief; where these goods ended up? Says yes, and around half past five o'clock brought these goods together to a house alongside the Boerenplein, where he had previously already sold goods; and for that, along with some long trousers and other goods, a bodice, and a baize jacket, received 8 rd, the questioned adding further that there were no more than 2 pillows, and that he handed over the handkerchief upon his arrest. 32. Whether he, the questioned, will not confess to having been in the same house the evening before to inquire about the price, without having any money? Says no, that he had not been there the previous evening, much less asked anything; upon further questioning, that he had indeed been there, as has been indicated. Underneath: Agrees. Signed: G Exter, Captain-Auditor. Extract from court-martial interrogation of 10 and 11 October 1791.

Dutch transcription

zaake alleen overig blyven aan te mer¬ ken, 15. dat den ged: bij reiteratie en verscheidene tijden en wel s'morgens geheel vroeg de goederen van een in deselve Perzoon ge¬ kogt 16. en deselve verre onder de waarde betaald hebbende: 17 de Intentie des ged=e zich met weeten en willen voorbedachtelyk te nadeel van an„ daren te verrijken, niet minder blijkt. 18. behalven dat de ged: meergem: soldaat in zyne desertie de noodige onderhoud heeft geleeverd, 19. waar door denselven bij zijn voorneemen is gebleeven, geleegentheid heeft gehad zich beeter te verschuijlen en nochgrotene onheilen hadden kunnen voortkomen bij aldien denzelven niet vroeg genoeg agterhaald en gechraft geworden was. 20. wel is waar dat meergem: Decerteur zich als een Engelsche mattroos gekleed en daar voor uitgegeeven heeft! 21. waarmeede de ged: ook schynt zich te willen verschoonen. 22. hetgeen echter in dit geval meerde reflepiet 2 n hul gem ige een reflectie zal meriteeren. 23. dewijl de geleeverde en gekogte goederen zodaanig zijn geweest. 24 als geen diergelijke slecht gekleedde mattroos pleegd te hebben en te gebruijken 25 die denselven directelijk suspect moeten maaken en niet eerhebben zullen gekogt worden, tot dat zich tot het recht te ver¬ koopen had gelegitimeert. 26. het welk in alle diergelyke geleegendheeden de 210. Eijsscher dies te noodiger te sijn voor¬ voorkomt 27 om dat de gemeene mattroose, ambachts„ lieden en zoldaaten waar onder veele vreem„ de taalen spreeken, wel scherplyk verboo„ den zijnde 28. hunne tot het lichaam behoorende goede„ ren en kleederen te verkoopen aan wel eenige negotie te doen. 29 diergelyk disordres en misdrijven daage„ lijks konden geschieden en teegens alle wetten ongestraft gehandeld worden 30. gelyk d'analogie der zaak het den ook met zich brengt dat met vreemde naties alle correspondenties en handel nog meer ver¬ booden zijnde, een zodaanig provilegie voor Engelsche mattroosen ook niet plaat kan hebben. uit van 5 31. en 't van zelven spreekt dat vreemde even„ zo wel kunnen steelen als andere en de koo„ pas van d'een of ander op eenderlijk wijze aan¬ gesprooken worden. 32 hetgeen den ged: in bonafide verseerende wel zoude in 't dog gehouden en alle omzichtigheid te meer gebruikt hebben 33 terwijl zederd langen tijd zo veele inbreuken en diefstallen zijn gebeezigd. 34 die op geenderlij wijze hebben moogen ontdekt worden en alleenig door diergelijke prompte om¬ kooping kunnen verborgen blyven 35 welke zij wel wachten na den recht of onrechtmaa„ tig bezit der verkoopers te vraagen, en al„ leenig te vreeden zijn zich met zulk een inkoop te kunnen verrijken. 36. weshalven de gedaagde dan op geenderlykijze zal kunnen verschoond. 37 maar wel zodaanig als Heeler gestoolenen goederen behooren aangemerkt te worden. 38. dewelke geen straffe daaromtrend bij de Wetten bepaald zijnde in conformiteit der zaake en omstandigheedens een billijke en gerechte straffe pio arbitrs Judicis zal te infligeeren zijn. Mits welke en andere redenen in tijd en wijlen is het nood na„ der te deduceeren, de R:O: Eix„ scher eed ven ken eeden vo acht„ v boo„ em¬ goede„ ag lle ge¬ met m plaat van5 ter praesentie van scher Eysch doende een cluder dat de gedaagde, bij definitie vonnis van uwel Ed: Achtb: zal werden gecondemneert tot zodaanige Lyfs of andere straffe als UwelEd: achtt„ bij goede Justitie zullen oor„ deelen te behooren. /: was geteekend:/ J: N: S: van Lijnden, /:in margine:/ Exhibitum in Judicio den 20 Janu: 1791. Extract Krygsverhoor de dato 11 8ber 1790 heeft men den gearresteerde onder bedekking na gedane requisitie van den E. Achtb. Hteene Ind fiscaal alhier met den gerechts Boode gesonden em den kooper der inden 20 artl. vermelde goederen aan te geeven en deeze goederen afte vraagen, dewelke aan bevon„ den wierden van den Burger Johannes Engel gekogt te zijn en te bestaan in dezelve welke van den arrestant zijn opgegeeven geworden Lieutenant en 9: Huber Lieut zodan 9 Ekter capit: Aud=m den manh: I: A: Schultz Cap„ en op ƒ en op bijgaande Notitie bekend staat, zijnde voorts geresolveert en /:onderstond:/ Accordeert /:getekend:) G Exter Captinat. Notitie van goederen door den gerechts„ Boode ontvanger bij den Burger Johan„ nes Engel 2 Schansloopers ofte Engelse Buffels blaam met roode voering wel geconditioneerd en bevonden en goed als nieuw '1 zilver Horologie ordinair middelmaatig. 2 hoofdkussens met witte overtreksels: 3 Linne lange broeken, slegt 1 lange broek van blaauwe buffellaaken half gesleeten 1 gestreep te flunelte onderbreek 1 gebloemde rompje manqueeren een hoed en 1 blaauwe baay tje. /.onderhond:/ Accordeert (:was geteekend:) G: Exter Capit auditeur tie ne 1790 een de eene a present de manh: I: A: Schultz Capit: Lieut: e Godheb Huber Lieut: zodan gabriel Exter Capit: aud: zegt Ia, 20. of hij gevr: zich dus danig zegt Ja geabsenteert hebbende niet van en heeft omtrend half zes meergem: Canonnier meede uuren dit goed te zamen genoomen heeft, een horlogie in een Huis ter zijde van een hoed, drie hoofdkussens en den Boerenslein gebracht waar hij te vooren reeds goed een neusdoek, waar deeze verkogt heeft gehad; en goederen beland zijn daarvoor met nog eenige lange en andere goederen broe„ ken een rompje en baaytje 8 rd ontvagen, voegende hij geor. nog bij, dat het niet meer als 2 hoofd kussens geweest zijn, en de neusdoek bij des„ zelfs arresteering afgegeeven heeft. -32 of hij gevr: niet bekennen zegt neen, den voorigen avond zal den avond te vooren in't niet daar geweest te sijn zelfde Huijs den prieus geweest nog minder iet gevraagd te zijn, zonder eenig geld te hebben. te hebben. nader, dat wel daar is /. onderstond:/ Accordeert geweest, gelyk aangegeeven G Exter Cap Aud: /:geteekend/:/ is. Art. 19. of hij gevr: niet met den Cannonnier zig in eene kamer gelegd hebbende om te slaapen inde nacht het veng„ ster geopend en zich door het zelve geabsenteert heeft! xxtract krijgs verhoor de 10 e 11 8ber 1791. 1

NL-HaNA_1.04.02_11024_0987 view scan ↗

English

I, the undersigned, having obtained permission thereto from the Honorable Independent Fiscal Iohan Nic. Steven van Lijnden at the request of the Valiant Court Martial of the battalion stationed here in garrison, proceeded to the dwelling house and into the presence of the citizen Iohannes Engel, and lawfully interrogated the said I: Engel in the presence of the now arrested soldier Coenraad Schrijp, as to whether he did not purchase from the said soldier and prisoner on the 5th of this month, namely: A silver pocket watch, two pillows, a hat, trousers, vest and baize jacket, and Two sailor's duffels, - whereupon I received the answer: "Yes, I bought those goods from him, but a hat, I know nothing about that, and this fellow," denoting the prisoner Schrijp, "has never been to me otherwise, and I have not seen that scoundrel before, but he passed himself off as an Englishman Today the 11 November 1790 and spoke nothing other than English; he also promised me to sell me a piece of linen and white stockings, and for the old watch I paid him 6 zykos, and the other goods pro rata," etc. I, the undersigned, also heard and saw at the same time that the said I: Engel addressed the prisoner in substance: "You damned rascal, can you speak Dutch now? You tricked me, misleading me like a scoundrel by saying that you were an Englishman, which is why I bought from you." Whereupon the said prisoner Schrijp replied: "Yes, Father, that is so, but that is now too late." All of which I report to have occurred to me. Beneath stood: Cape of Good Hope, date as above. Signed: Joh.s de Wit, Court Messenger. Answer caused to be made and most respectfully submitted to the Right Honorable Gentleman Johannes Isaac Rhenius, President, President, as well as the other Right Honorable Gentlemen Members of the Council of Justice of this Government by and on behalf of the Citizen Johannes Engel, plaintiff/requirant on the one part, against the Independent Fiscal, the Honorable Gentleman Johan Nicolaas Steven van Lijnden, defendant/requiree, on the other part. Right Honorable Gentleman and Right Honorable Gentlemen. After having most dutifully thanked Your Honors for the copy of the claim and the term favorably granted to the requirant, the qualified requirant shall have the honor to state: That the qualified requirant cannot fail to make known his reasonable surprise to Your Honors that the Honorable Officer, as prosecutor, upon such loose grounds and evidence as the word of a deserted soldier, and moreover of a thief who has already been summoned as such before the Honorable Valiant Court Martial of this garrison and is also in confession and conviction, to the effect that he had sold some stolen goods to the principal defendant, would convene the principal defendant in a criminal case; the more so since this statement of the interrogated person cannot in any way incriminate the principal defendant, partly because the deponent or questioned person is not a qualified witness, being already convicted of theft, and thus, as an infamous person by infamy of fact, must be removed and excluded from giving testimony of the truth, as is evident from the explicit text of Law 335 on Witnesses, to which the Gloss adds that a person infamous by infamy of fact is not admitted as a witness in civil and criminal cases; he who is dishonorable by a dishonorable deed is not admitted as a witness, whether in civil or criminal matters. Indeed, Right Honorable Gentlemen, it appears sufficiently from this that a prisoner and one convicted of a crime is by no means a qualified witness, and thus the deponent, being infamous by infamy of fact as a deserter and a thief, must not be admitted to give any testimony; and this serves solely as proof that he, the defendant, is a thief and that he sold his stolen goods to the to the principal defendant, just as some goods—which is not denied—were found at the principal defendant's and were also handed over to the court messenger upon the first request. But, Right Honorable Gentlemen, this in no way proves that the principal defendant bought those goods knowingly and willingly as stolen goods, since the deponent does not say that the defendant knew that they were stolen goods; nor did the defendant ever presume to say such a thing, in which case the defendant would never have bought them, as is fully evident from the report of the court messenger submitted by the Honorable Officer as prosecutor, wherein he reports that the defendant said in substance to the deponent that he had misled him, the defendant, like a scoundrel, and that he had passed himself off as an Englishman who could speak no Dutch, to which the latter replied, "Yes, Father, that is so." Indeed, Right Honorable Gentlemen, it appears clearly from this that the defendant cannot in any way fall under the terms of fraud against the established laws, since he was under the impression, and that bona fide, that the seller was genuinely an English sailor, as could also be gathered from his entire demeanor and clothing, without ever being able to conceive the thought that he was a deserter, the seller having disguised himself in a baize jacket and trousers that were pitched inside and out with oakum and tarred with pitch, the usual clothing of an English sailor, as appears from the declaration annexed hereto, and speaking nothing other than the English language, moreover pretending not to understand the Dutch language; all of which would have had to deceive people of greater and wider discernment than the defendant, a simple citizen. Then, Right Honorable Gentlemen, in the General Placard issued on the date of 1 October 1740, which is in force here as an absolute statutory law, Article 20, it is prohibited that any of these inhabitants shall be permitted to purchase from the Honorable Company's servants goods issued on account.

Dutch transcription

Heb ik ondergeteekende, als daar toe van den E: achtb: Heer Ind: fiscaal Iohan NiC. Steven van Lijnden, door versoek van den Manh: Krijgsraad uit het alhier guarnisoen hondend Bataillon permissie geobtineert hebbende mij vervoegt ten woonhuijse &en ter praesentie van dan Burger Iohannes En„ gel, en denselven ten byweesen van den thans gearresteerden soldaat Coenraad Schrijp, gemelde I: Engel gerechtelyk afge„ vraagd, of hij van gem: soldaat en arrestant op den 5 deeser maand niet heeft gekogt namentlijk Een zilver zak horologie twee hoofdkussens een hoed, lange broeken rompje en baaijte en Twee mattroose Buffels, - waarop tot antwoord heb bekoomen. Ia ik heb dat goed van hem gekogt maar een hoed, daar weet ik niet van en deese Pent denoteerende den arrestant Schrijp heeft nooijt anders bij mij geweest en heb die Schobberd bevoorens niet gesien waar hij heeft zich voor een Engelsman Huijden den 11 November 1790 ƒ e te veng„ het danig tvan eede e sen e nen in't eert e uitgegeeven en ook niet anders aan Engels ge sprooken, heeft mij ook beloofd, mij een stuk Doeken, en witte koussen te zullen verkopen en voor het oude horologie heb ik hem 6 zykos betaald en 't ander goed na rato &s hebbe ik onder geteekende teffens ook gehoort en gezien dat gemelde I: Engel hem arrestant heeft in substantie aangesprooken, S: S: verdoemde Schurk, kunt gij nu duijts praaten, gij kelet mij als een kanailje misleid met te zeggen dat gij een Engelsmen was daarom heb ik van u gekogt, waarop gerep te arrestant schrijp repliceerden. Ja Vader dat is so maar dat is nu te laat hetwelk relateere mij te zyn weder vaaren. /:onderstond:/ Cabo de goede Hoop &atum ut supra /:geteekend:/ Ioh. s de Wit C: J: Boode Antwoord gedaan maaken en zeer eerbiedig overgegeeven aan den wel Edele achtb: Heere Io„ hannes Isaac Rhenius Pro¬ sident sident, benevens de verdere WelEdele Heeren Raaden van Justitie deeses Gouvernements door ende van weegens den Burger Johannes Engel requirant ter eenre contra den independent Fiscaal den Edelen Achtb: Heer Iohan Nico„ laas Steven van Lijnden ge„ requireerde ter andere zijde. Wel Edele Achtbaare Heer. en WelEdele Heeren. Na Uwel Ed: achtb: voor de goedgunstig aan den reqt. verleende Copia van Eijsch mitsgaders termijn plichtschuldigst be„ dankt te hebben zal den qq regt. de eer heb¬ ben tezeggen. dat den qq reqt. niet kan nalaaten syne billykesurprice aan uwel Edele achtb: te kennen te geeven daar over dat den Ed: achtb: Heer R.O: Eijsscher op zodaanige Losse gronden en bewijzen als zyn het gezegde van gedeserteerden soldaat en bovendien van een dief die reeds voor den welEde gestr: Krygeraad deses guarni¬ soens als zodaanig geconvenieert en ook e der copte de Pre„ t ook in confeszo en invennolis is, dat hy eenige gestoolene Goederen aan den p=le ged: zoude hebben gekogt, den p:l gev: in cas crimineel te convenieeren, te meer uit dit gezegde van den gevraagden geensints den ple gever„ kan beswaaren, eensdeels uijt den Deporant of gevr: niet is een testis habiles als zynde reeds over diefstal geconvenieert, en dus als een in famis in famia facti van 't geeven van getuygenis der waarheid moet worden gere„ moveert en geweerd blijkens de uitdrukkelijk Taten L: 335 de Testibus: ne waarbij de Glos voegt infamis infamia facti testis non admittitur in causa civiele et cxi- minali, die eerloos is door een eerloose daad word niet toegelaaten als getuijgen het zij in civiele of crimineele zaaken Ommers Wel Edele achtbaare Heeren blykt hier uit genoegsaam dat een ge„ vangene en overtuijgde van misdaad geensints een testes habiles komt te zijn en dus den Deposant qua Deserteur en dief infanis infamia in facte zynde tot geen getuygenis moet geadmit¬ teerd worden, en strekt zulx alleenlyk tot bewijs dat hij gedaagde een dief is en dat hij zijne gestoolene goederen aanden aan den pl ged: heeft verkogt gelijk dan ook eenige goederen hetwelk niet ontkend word bij den p:l ged: zijn gevonden en ook aan den gerechts Boode op de eerste afvrage zijn afgegeeven maar Wel Edele achtb. Heeren, dit be„ wijst nog geensints dat den p=le ged. die goederen als gestoolene goederen willens en weetens heeft gekogt, wijl den Deposant niet zegt dat den ged: geweeten heeft dat het geslootene goederen waaren, ook heeft den ge„ daagden zich wel gewacht zul te zeggen als wanneer den ged: deselve nimmer zonde gekugt hebben gelyk zulx ten vollen blykt uit het door den Edelen achtb. Heer 2. O: Eysscher overgelegd relaas van den gerechts¬ Boode, daar hij relateert dat den gedaagden aan den Deposant in substantie heeft ge„ zegt dat hij hem gedaagde misleid had 9 als een Canaille mitsg.:s dat hij zich voor een Engelsman heeft uitgegeeven die geen Hal¬ landsch konde spreeken, en waarop denselven hadde geantwoord, Ja vader dat is zo Emmers WelEdele achtb. Heeren blykt hier uit klaarlijk dat de gedaagde geensints in de termen van fraude teegens de gesta„ tueerde wetten kan vallen aangezien, hij inde nige nde neel gde t als an gere„ kkelijk Jac cri. gen eeren. ge¬ do te teur lyk en ti z E in den meeninge verseerde en zulx bonafide dat den Verkooper revera een Engelse mattroos was gelijk ook uit zyn geheele houding en kleeding was op te maaken, zonder ouet in de gedagten te kunnen vatten dat denselven een Deserteur was, als heb bende den Verkooper zich gedequiseerd in een baaytje en broek die van bin„ nen en van buyten bepekt met Eek en beteerd met Peer, het gewoone kleeding van een Engelse mattroos blykens verklaring ten deesen annex en niets anders spreekende als de Engelse Taal, bovendien zich houdende de Hollandsche Taal niet te verstaan, al het geen lieden van meerder en verder uitzicht als den gedaagden een eenvoudig Burger zoude heb¬ ben moeten moeten Dan Wel Edele achtb: Heeren word in 't generaal Placcaat in dato 1e October 1740 geemaneert het geen hier als een absolute statutaire Wet vigeerd Artzo verbooden datgeen deezer Ingezee¬ p tenen zal vermoogen van s' E Comps Dienaaren goederen op reekening ver strekt

NL-HaNA_1.04.02_11024_0993 view scan ↗

English

serves to wheedle out or purchase, therefore no extension and application to foreign nations can be made, and accordingly the argument of the Honorable Right Worshipful Lord Prosecutor fails, which his Honor pleases to bring forward from the analogy of matters under article 30. For, Right Worshipful Gentlemen, this cannot be extended to goods not mentioned in the law, which only speaks of goods supplied to the Honorable Company's servants and of the accoutrements of soldiers; on what grounds shall it be proven to your Worships that it is forbidden to purchase anything from foreigners. Here, Right Worshipful Gentlemen, no goods supplied to the Honorable Company's servants have indeed been purchased, but solely trade goods, and specifically such as cannot in any way be counted among the goods mentioned in this article. Much less could article 78 of the mentioned Placard come into any consideration here, wherein it is forbidden that none of the inhabitants, nor the Honorable Company's servants, shall be allowed to buy or barter any goods, namely clothing, household items, movable property, weapons, silver, cattle, or any other merchandise from the Honorable Company's slaves or other bondsmen. Thus, Right Worshipful Gentlemen, there is not the slightest indication here that the defendant acted in bad faith and transgressed against the statutory laws, according to the legal axiom: where there is no law, there is no transgression, the more so as nowhere is there a prohibition against purchasing anything from foreign nations, and one daily sees that not only such trifles but entire masses of invoices are brought in and sold by foreign nations. Thus, the defendant having demonstrated to the eye that buying these goods in no way ran contrary to the placard, the defendant in his capacity shall still have to examine to what extent the accusation of purchasing stolen goods can hold ground. Thus, Right Worshipful Gentlemen, no valid proof whatsoever of malice having been brought forward by the Honorable Lord Prosecutor, and indeed not the slightest presumption thereof remaining, the defendant thinks, by the means and reasons mentioned above and if necessary to be deduced further, rejecting the means and ways alleged by the Lord Prosecutor by denial, impertinence, and irrelevance for an answer, taking the contrary conclusion, to be permitted and obliged to conclude as is concluded hereby: That by definitive sentence of your Worships, the Honorable Right Worshipful Lord Prosecutor's demand made and conclusion taken may be denied, with costs; or to such other ends as your Worships in proper justice shall find to be appropriate. Imploring to that end your Worships' noble and benign office of judge. It was signed: M: Blankstein. In the margin: Exhibited in Court on 17 March 1791. Today, 1 March 1791. Appeared before me, Johannes Daniel Karnspek, sworn clerk at the Secretariat of Justice of the Castle of Good Hope, in the presence of the witnesses to be named hereafter, the soldier Coenraad Ekstein, stationed here in the garrisoned Regiment of Wurttemberg, who, at the requisition of the burgher Johannes Engel, declared to be true: That the appearer, who about three months ago now, without being able to determine a more precise time, when he served as a servant for the requester, witnessed that on that occasion a person came to the requester's dwelling house, wearing long trousers and a baize jacket which were very soiled with pitch or tar, which person said he was a sailor from an English ship, as he also spoke nothing other than English. That the requester, who does not understand the English language and could not comprehend what this sailor wanted, had called one of his slave women who could speak English, to learn from the said sailor what his desire was, upon which that slave woman made known to the requester through translation that he wished to sell some goods he had with him, the same goods consisting of: a bolster slip a long blue sailor's trousers a yellowish baize jacket. That the requester, having bought the above-mentioned goods from the aforementioned sailor, had handed them to the appearer to hang them outside the door. The appearer testifying that when the goods bought from the above-mentioned sailor were reclaimed by order of the Fiscal's office, the requester surrendered more goods than he had actually bought from the said sailor. Declaring nothing further, the appearer gave for reasons of knowledge as in the text, being prepared to confirm the above further on oath, if required. Underneath stood: That this thus occurred at the aforesaid Secretariat, present the clerks Christiaan Ludolph Veethling and Johan Bernhard Hoffman as witnesses, who duly signed the minute hereof along with the appearer and me, the sworn clerk. Lower: Which I witness. Signed: Karnspek, aforementioned Clerk. I, the undersigned court messenger, certify that by order of the Secretary of the Honorable Worshipful Council of Justice, I went to the Colonel Commandant of the Regiment of Wurttemberg garrisoned here, in order to request his Honor that the deponent of the above statement be sent to the council chamber to swear to it before the commissioner gentlemen, to which I received the reply from the aforesaid Colonel that the man had already departed from here. Cape, 30 May 1791. It was signed: G: G: Ziervogel, Sworn Messenger. Appeared

Dutch transcription

strekt af te troggelen of op te koopen dus ook geen uitbieidinge en applicatie op Vreemde natien kunnen gemaakt worden, en overzulx vervald het argu¬ ment van den Edelen achtbaaren Heer R„ O. Eijsscher het geen zijn Ed: achtb: uit de analogie van zaaken art: 30 gelieft bij te brengen. want wel Edele achtb: Heeren kan dit niet uitgestrekt neerden tot goederen niet inde wet vermeld die Enkelyk spreekt van Goederen aan s' EComps. Dienaaren verstrekt en van monteering van Soldaaten, op wat gond zal zyn Edele e achtbaaren Heeren aan na borden beweesen dat verboden is van vreemdelingen iets in te koopen. Hier welEdele Achtbaare Heeren zijn im„ mersgeen goederen aan s' EComp. Die naaren vertrekt ingekogt, maar en„ kelyk negotie Goederen, en wel desulke die geensints onder de in deese arte vermelde goederen kunnen geree„ kend worden He de Veel min dat hier het 78 art=l van gem: gen. e Placcaat in eenige aanmerking zoude kun„ nen koomen alwaar verboden word, dat niemand der Ingeseetenen, noch s' EComp Dienaaren zullen vermoogen eenige goederen, te weeten van kleedingen Huys raad, imboel geweer, zilver, vee, koom nog eenige andere koopmanschappen van van s' EComp. slaaven ofte andere Lijf¬ eygenen te koopen of te zuijlen. Dus WelEdele achtb Heeren is hier geen het minste blijk dat den Be gedaagden in doplo is verseerende en zich teegens de statutaire wetten heeft vergreepen volgens het acioma in rechten, waar geen Wet is, is geen overtreeding te meer daar nergens een verbod is van de vreem„ de natien iets te koopen en men daa„ gelyk ziet dat niet alleen diergelyke Bagatellen maar geheele massas „ factuuren door de vreemde Natien worden aangebracht en verkogt. - Dus den ged: ad octulum gedemonstreerd heb„ bende dat door't kopen dier goederen in geene deelen tegens 't placcaat is geincurreert geworden, zal den qq ged: noch moeten onder„ zoeken in hoeverre de beschuldiging van ingekogte gestolene goederen kan stand grijpen. Den 2d. Dus Wel Edele Achtbaare Heeren door den Ed Heer R. O. Eijsscher geen het minste valabel bewijs van malucisatie zijnde bygebracht, ja zelfs dat geen de nin„ ste prosumptie van dien overig blyft zo denkt den ged: bij middelen en motiven bovengemeld en des noods nader te de„ duceeren afslaande de middelen en weegen door den Heer R:O: Eysscher geallegueerd bij denegatie impertinen¬ tie en irrelevantie voor antwoord, nemende contrarie Conclusie te moogen en moe„ ten concludeeren gelyk concludeerd by deesen. Dat bij definitive Vonnisse van UWel Edele achtb: den Edelen Achtb: Heer B: O: Eysscher zynen gedaanen Eysch en genoomene Concluzie mag worden ontzegt. eum expensis ofte tot alzulke andere fine als uwelEdele Achtb: in goede Justitie zullen vin„ den te behooren. Imploieerende ten dien einde Zen „ te Uwel Edele Achtbaarens nobile ac beneg¬ num Judicis Officium. /:was geteekend:/ M: Blankstein. /:in margine:/ Exhibitum in Judicie den 17 Maart 1791. Huijden den 1 Maart 1791. Compareerde voor mij Iohannes Daniel Karspek, geswoore Clercq ter Secretarye van Iustitie der Casteels de goede Hoop, prosent de natenoemene getuygen den leyj't alhier in guarnisoen leggend Regiment van Wurtem„ berg bescheiden soldaat Coenraad Ekstein dewelke ter requisitie van den Burger Io. hannes Engel verklaarde hoe waar is, Dat den Comp=t die nu wel drie maanden geleeden zonder een juister tijd te kunnen bepaalen, wanneer bij den req=t voor knegt dienst deed heeft bijgewoond, dat bij die ge„ leegendheid aan des reqt woonhuis is ge„ koomen, een persoon aan hebbende een lange broek en een baaijtje die met pekof Veer zeer besineerd waren, welke Persoon zeide een mattroos van een Engelsch schip te weezen, gelyk denselven dan ook ook niets anders als Engelsch sprak Dat de reqt. die de Engelsche Taal niet verstaat, en niet konde begrijpen wat die Mattroos hebben wilde, een zyner Haven mei¬ den die Engelsch spreeken kon had geroe„ pen, om van denselven mattroos te ver„ neemen wat zijn begeerte was als wan¬ neer die slavinne den reqt. bij vertolking had te kennen gegeeven, dat denselven eenige bij zich hebbende goederen wilde verkoopen, bestaande deselve goederen in. een slhenslooper een lange blaauwe mattwaren broek een geelagtige baaijtje dat den reqt. bovengemelde goederen van meerm: Mattroos gekogt hebbende deselve aan den Compt. bad overhandigt om die buyten de deur op te hangen Betuigende den Comparant dat wan¬ neer de van bovengemelde Mattroos gekogte goederen ter ordre van 't officie fiscaal terug geëischt wierden den reqt meer goederen heeft afgegeeven, als hij werklyk van dukgemelde Mattroos had gekogt te egt 8 iets meer verklaarende, heeft den Compt voor redenen van wetenschap als in den Text bereid zijnde het voorenstaan dedes gerequireerd werdende met Eede nadergestand te doen. /:onderstond:/ Dat aldus passeerde ter Secretarie voorn. present de Clercquen Christiaan Lu„ dolph Veethlinge Johan Bernhard Hoffman als getuigen, die de minute deezes benevens de Comparant en m geswoore Clercq behoorlyk hebben onder teekend: /: laager:/ T welk ik getuyge v /:geteekend: Dammspek gem Clercq:/ Certificeere ik ondergeteekende Gerechts Boode, dat ik ter ordre van den Heer Secretaris des Ed: achtb: raads van Justitie mij heb vervoegt bij den Heer Collenel commandant van't alhier guarnisoen hou„ dend regiment van Wurtemberg, ten einde zyn Ed: te versoeken, dat den Deposant der bovenstaande Verklaaring na de raadzaal werde gesonden omme voor Heeren Gecommitteerdens dezelve te beëëdigen, hebbende ik daarop van voorsz: Heere Collonel ten antwoord bekoomen, dat die man reeds van hier vertrokken was. Cabo den 30 Maij 1791 /: was„ geteekend:/ G. GZiervogel: E:g=t Boode„ Compareerde

NL-HaNA_1.04.02_11024_0999 view scan ↗

English

Appeared before the Honorable President and Councillors of Justice of the Castle of Good Hope the Independent Fiscal Iohan Nicolaas Steven van Lijnden, plaintiff by virtue of his office in a case of purchasing and concealing stolen goods on the one side, against the burgher Johannes Engel, defendant in the aforesaid case on the other side, and stated: That the plaintiff by virtue of his office has always been so thoroughly convinced of the ground and legitimacy of this action, 2. that with respect to the fact, along with its circumstances and punishment, proceedings could and should have been conducted in the best manner according to the rule of the extraordinary process, 3. as will likewise become apparent to your Honors from the defendant's response. 4. That the defendant is also not able to produce or exhibit the slightest well-founded argument in his defense. 5. It would thus be superfluous, and your Honors' precious attention would be held up in vain and wearied, 6. to go through this response point by point and refute it. 7. Wherefore the plaintiff by virtue of his office will yet reflect upon several articles: 8. in the first place, that one well knows what testimony is worth in law, 9. and that it is unnecessary to convince the judge by quoting many laws, 10. who is assumed to possess the necessary knowledge in this regard, 11. and who, according to the situation and circumstances of the cases, 12. must attach more or less weight to such testimonies or reject them entirely; 13. but here it is not the case to dwell upon that any longer, 14. since the confession of the delinquents is not submitted here as proof without exception, 15. but solely for the elucidation and clarification of the action, 16. which has already been admitted by the defendant and sufficiently proven by the report of the court messenger. 17. Thus coming to the matter itself, 18. your Honors will perceive from the hereto annexed report of the said court messenger 19. that the two sailor's jackets, sold together for 42 schellingen, were not such poor English buffalo skins 20. as the defendant might wish to make your Honors believe, of which one buys an ell from the shop for 12 to 14 schellingen. 21. No, they are sailor's jackets which, new, with the ell at 12 schellingen, could not be made for four times as much, 22. and which, according to the testimony of persons knowledgeable in such trade and of blameless reputation, are easily worth 8 rijksdaalders apiece. 23. The plaintiff by virtue of his office believes that he can suffice with this proof alone, 24. and has therefore not had the appraisal of the remaining goods and the list of articles sufficiently described from the court-martial, 25. which nonetheless must turn out no less to the disadvantage of the defendant, 26. since all pieces were set at the lowest price; 27. for rags that cannot be sold again, no one buys for that purpose, and indeed, what does one buy for 2 to 6 schellingen, 28. amounting to a three times greater sum, 29. wherein the declaration of the defendant's servant and housemate can all the less be taken into consideration, 30. as the same, contradicting the facts and the defendant's own confession, lacks all marks of truth in that respect. 31. It is thus, and remains established: 32. that the defendant, by buying and concealing stolen goods, by paying far below half their value for them, and thus enriching himself to the detriment of others, 33. has made himself guilty in all respects in the manner deduced in the claim; 34. furthermore, that the qualifying circumstances noted additionally regarding this deed could in no way be contradicted, 35. and the excuses and objections brought forward by the defendant being just as little capable of altering anything in the matter. 36. Your Honors will also better understand from what has been further alleged here 37. in what manner some people come by wealth so swiftly, 38. how harmful such traders are to society, 39. and that thefts and fraud will cease 40. when such dealings are investigated and properly punished, 41. and no fences, connivers, and smugglers can or may escape the severity of the laws. Wherefore, and for other reasons and arguments to be further deduced in due course if necessary, the plaintiff by virtue of his office, rejecting the arguments and assertions set down in the defendant's conclusion of response as frivolous and irrelevant, persists for reply. Signed: J. N. S. van Lynden. In the margin: Exhibited in court on the 15th of April 1791. Today, the 5th of April 1791, I, the undersigned, pursuant to the order of the Fiscal's Office of this government, betook myself to and in the presence of the burghers Johannes Knaus and Hendrik Lucke, in order to have them appraise two blue sailor's jackets or buffels which were bought by the fellow burgher Johannes Engel and reclaimed by the Fiscal's Office; and from the burgher Jan Knaus I received as an answer: I have never to my knowledge worked in such material, so I do not know how to determine the price when new, but such a sailor's jacket is worth 8 rijksdaalders. And from Lucke: One must ordinarily pay at least a ducat for each ell of such buffalo cloth, and then, if new, one could not sell such a one for under 9 to 10 rijksdaalders, and these will also not have been bought for less than 7 or 8 rijksdaalders. Which I report to have occurred to me. Beneath stood: At the Cape of Good Hope, date as above. Signed: Joh. De Wit, First Court Messenger.

Dutch transcription

Compareerde voorde WelEdele e Achtb: Heeren Proesident en raa„ den van Justitie des Casteels de goede Hoop de Independent Fiscaal Iohan Nicolaas Steven van Lijnden R:O: Eysscher in cas van opkooping en Berginge ge¬ stoolener Goederen ter eenre contra den Burger Johannes Engel Ged: in voorsz: cas ter andere zijde, en deede zeggen. Dat den 2: d: Eijsscher van den grond en rechtmaatigheid deeser actie altoos zi daanig overtuygt geweest zijnde 2. dat ten op sichte van 't feit met deszelfs om„ standigheeden en bestraffing optimo mnodo nade voorschrift van 't Extie Extra ordinair Proces had kunnen en zullen geageerd worden 3 uweEd achtb: op gelyke wijze uit des ged=e antwoord zal koomen te blyken. 4 Dat denzelven ook niet in staat is het ge¬ ringste met fundament tot deszelfs de„ fensie te kunnen voorbrengen, ofte exci„ bieeren. 5 het zoude dus superfbus zijn en uwel Edele achtb: pretieuse attentie te vergeefs opge„ houden e „. 1 „ houden en vermoeijd worden 6. deeze antwoord poinctelijk na te gaan en te refuteeren 7 Weshalven de R: o. Eysscher noch by verschei„ dene articulen zal reflecteeren 8 ten eerste plaats dat men zeer weet wat getuijgenis in rechten vermoogen 9 en dat het onnoodig is den rechter door aan„ haaling veeler wetten te overtuijgen 10. Bij welke hier omtrend de noodige kennis gesupponeert word 11. En die na geleegendheid en omstandighee dens der zaaken. 12 zoortgelyke getuygenissen meer ofte min der gewichtlaaten of deselve gantschelyk ve werpen moet; 13 dog hier is 't geval gaan niet om zich lam ger daarover op te houden. 14 dewijl de Confessie van de Deling ven ten hier niet overgelegd is als een bewys don der exceptie 15. maar alleenig tot elucidatie en ophel„ dering der actie 16. Twelk reeds van den ged: geavoueerd en door 't relaas van den gerechts Boode ge„ noegsaam beweesen is. 17 dus tot de zaak zelve koomende 18. zullen uwelEd: achtb: uit het deesen geannee„ eerde relaas van gem: gerechts Boode ont„ waaren. v9 dat de beide schansloopers te zaamen voor 42 schell: verkogt geen so slegte En„ gelsche Buffels geweest zijn 20: als de ged: uw el Ed: achtb: op de wouwen mogt spelden, waar van men de El van 12 à 14 schelen uit de Winkel koopt. 21. Neen het zijn schansloopers die nieuw d' El tot 12 sebell: niet voor vier maal zo veel kunnen gemaakt worden. 22. En dewelke na't getuygenis van dierge„ lyke negotie kundigen en onbesprooken menschen 't stuk wel 8 riksd: waar„ dig zyn 23. de r. O. Eyssr. r vermeend met deeze prove alleen te kunnen vol staan 24. En heeft daar om de Taxatie der ove„ rige goederen ende Lyst van gecon uit den krygsraad genoegzaam be¬ schreeven niet doen laa¬ ten. te . - 25. dewelke echter niet minder tot nadeel van den gedaagden uitvallen moet 26 dewijl alle stukken tot de geringste prijs bepaald 27 want lappen die niet wederom verkogt kunnen worden koopt niemand ten dien einde, en wat koopt men dog voor ze a 6 schell: 28. een driemaal grooter somma uitmaa„ ken, 29 kunnende hier bij de Verklaaring van des ged. e knecht en Huysgenoot dies te min„ deris aanmaking koomen. 30. als deselve met de zaake en het eygen bekentenis van den ged: contradiceerende alle kenteekens der waarheid in dien op„ zichte gebreekende is. 31. Tisdus en blyfte consteerende. 32. dat de gedaagde door 't inkoopen en bergen van gestoolen goederen door deselve verre onder de halve waardy te betaalen en zich dus tot nadeel van anderen te verrijken 33 op de bij Eysch gededuceerde wijze ten allen opzichte. opzichten heeft schuldig gemaakt 34, voorts de daar bij nog verder geremarqueer„ de dit feit qualificeerende omstandig heedens op geenderlij wijze hebbende moogen tee„ gengesprooken worden. 35 Ende van den ged: voorgebrachte ver¬ schooningen en teegenwerpinge in de zaake even zo min iets kunnende ver„ anderen. 36. zullen uwel Edel achtb: bij dit naa„ der geallegueerde ook welbeeter begrijpen 37 op welke wijze zommige menschen zo schielijk tot vermoogen koomen 38 hoe nadeelig diergelijke negotianten in de maatschap pij zijn 39 En dat dieveryen en bedrag zullen op„ houden zeo wanneer soortgelyke kardeling en nagegaan en behoorlijk gestraft worden 41. En geen Heelers konkelaars smokke laars zich de strafheid der Wetten kunnen en moogen onttrek„ ken verte e e Mits welke en andere ree denen en middelen in tijd en wylen is het nood:/ nader te deducee„ ren de r.O. Eysscher af slaande de middelen en Positiven by des gede conclusie van antwoord nedergesteld, als frivool en irrelavant persisteert voor replicq. /:was geteekend:/ J: N: S: van Linden. /:in margine:/ Ehibitum in Judicio den 15 april 1791. Huyden den 5 April 1791 Heb ik onderget: op de door het officie fiscaal deeses gouvernements mij vervoegt bij en ter presentie van de Burgers Iohannes Knaus e Hendrik Lucke, ten einde hunlieden te laaten tauxeeren twee blaauwe schans¬ loopers of Buffels dewelke door den mede Burgerz Burger Johannes Engel zyn gekogt geworden en door 't officie fiscaal gerecla„ meert, als van den Burger Jan Knaus heb ik ten antwoord bekoomen Ikheb nooijt bij min weeten in diergelijke stoffe gewerkt dus weet ik de Prijs nieuw zijnde niet te bepaalen, doch zo een shans looper is 8 rijksd. waardig, En van Linke men moet ordinair voor ieder El van Jul Buefelzaaken ten minsten een Decaten betaalen en dan zo nien zo een niet beneeden de 9 à 10 rd=s kun„ nen verkoopen en deese zullen ook niet minder dan zeven of 3 ryksd. s gekogt zijn Het welk relateere my te zyn wedervaren /:onderstond:/ abode goede Hoop datum ut supra /was geteekend:/ Joh De Wit P=r G=te Boode ken en met de gepaste eerbied overgegeeven aan Duplicq gedaan maa„ e

NL-HaNA_1.04.02_11024_1006 view scan ↗

English

To the Honorable and Respected Lords President and Councilors of Justice at the Cape of Good Hope. In the name of and on behalf of the assistant Willem Kolver, as general attorney of the burgher Johannes Engel, defendant on the one side; against the Honorable and Respected Johan Nicolaas Steven van Lynden, Independent Fiscal of this government, ex officio plaintiff on the other side. Noble and Respected Lords! It is undeniable that a subject of the government, having made himself guilty of a crime, cannot avoid the courts, in order to make him undergo a just punishment in proportion to his crime; but it is also no less certain and necessary that the innocent ought to be acquitted of the punishment of the law. And whereas the Lord ex officio plaintiff has pleased, concerning his accusations made in the conclusion of the claim, to limit himself to the following facts, namely: that the deserter of the national battalion, Coenraad Schreib, has confessed to having sold to the defendant various goods stolen and purloined by him; that the aforesaid consequently made himself guilty directly of buying, and as they say, fencing stolen goods; so shall the aforesaid here again come into consideration and have to be treated according to law, in such a manner nevertheless that the defendant, who naturally values his honor and reputation more dearly than all the worldly goods, with the most gracious permission of Your Honorable and Respected Lords, shall reflect that, as said here before, under reference, it is not enough to impute some crime in fact to someone. Therefore, to demonstrate his sincere innocence, he will have to deduce in due order, first, what a crime is; secondly, what is legally required for that; and he trusts that it will be found to be described in the laws in such a way that not the least proof can be elicited for the Lord Officer to convince the defendant that, by purchasing the aforesaid goods, he really made himself guilty in fact of the crime imputed to him; and this being so, according to law, not the least punishment, much less a corporal punishment, as concluded by the ex officio plaintiff, can be inflicted. To which transition, one finds among others in the works of Mr. Johan Moorman, in his never completed treatise on crimes and their punishments, on page 2: "I describe a crime to be every act or omission that is punishable according to civil law"; thus here it must be considered: Firstly, what the defendant has committed, and this consists of some goods bought by him from the said deserter, broadly specified in the note annexed to the claim. Consequently, in this case, it will also have to be investigated whether the trade in such goods is prohibited by the laws. The Lord ex officio plaintiff, asserting the affirmative, indeed states in his conclusion of claim that it is strictly prohibited that common sailors, craftsmen, or soldiers sell their personal effects or even engage in any trade, without, however, citing any law, statute, or the least thing from which one could properly deduce such a prohibition; just as in the statutory laws, as far as one has been able to ascertain, not a word of this is to be found, but it was indeed enacted in the general placard dated 11 October, where in article 20 it is said: "That none of these inhabitants, etc." This law cannot have the least application here in this case, neither with regard to the persons nor the goods specified therein. For concerning the first point regarding persons, the legislator limited himself to servants of the Honorable Company and not of foreigners. Now the question here is from what person the defendant purchased the aforesaid goods, and this was an English sailor, or at least one who purported to be such, as he said he did not even command the Dutch language, which must have seemed all the more plausible since his posture, gestures, and clothing presented the best characteristics thereof, which is confessed by the ex officio plaintiff himself in article 20 of the claim. Now it is certain that the aforesaid law cannot and may not be extended to English sailors, as has been demonstrated in the written statement of defense; and as this was left unrefuted by the Lord plaintiff, as being fully convinced thereof, one shall refer to it in order not to be prolix. And regarding the goods, it should also be reflected that they are nominally specified in the just-mentioned law, namely of rations and uniforms of soldiers, and not of watch coats of English sailors. Thirdly, with regard to the deed itself, the ex officio plaintiff himself confesses that this deserter had obtained the aforesaid watch coats from the English nation; one must look straight at the manner in which he, Schreib, obtained the aforesaid watch coats from the English nation. This, Noble and Respected Lords, indeed happened in the following manner, namely: that some English soldiers on the English ship gave them to the said Schreib to sell, which can never be regarded as stolen goods, since the same soldiers in this case placed their trust in the said Schreib

Dutch transcription

den WelEdele achtbaare deeren President en raaden van Justitie aan Cabode goedekoop.s uit naamofte van wee gens den adsistent Willem Kol. ver als generale gemachtigde van den Burger Johannes Engel gedaagde ter eenre opende jeegens den E: Achtb: Heer Johan Nicolaas Steven van Lyn¬ den Independent Fiscaal deeses gouvernements R:O: Eysscher ter andere zijde. Edele en achtbaare Heeren! Onbestaanbaar is 't dat een onder„ daander regeering zich aan mis drijf schuldig, gemaakt hebbende, den rechten niet om heen kan, om hem na evenreedigheid van zyn mis drijf een rechtmaa„ tige straffe te doen ondergaan maar het is ook niet minder zeeker als noodzaakelyk dat de onschuldigen vande straffedes rechts behoort vrygesproken te worden En dewyl den Heer R: O: Eijsscher zich omtrend zijne bij Conclusie van Eysch ge„ daane beschuldigingen zich heeft gelieven te bepaalen tot de navolgende feiten na„ mentlijk dat den Deserteur van't nationaal ba„ taillen Coenraad Schreib heeft bekend ver„ scheidene goederen door hem gestoolen en af„ handig gemaakt, aan den Verweerder heeft heeft verkogt, dat den verm: zich derhalven dadelijk aan kooping &o men zegd berging van ge¬ stoolene goederen heeft schul, dig gemaakt zo zal het voorzeidde ook alhier wederom in consideratie koomen en naa rechten verhandeld moeten worden, zodanig nochtans dat de Verwr welke zyn eer en repu¬ tatie na tuurlyker wijser waardiger schat aan al't goed des Waerelds met hooggunstige permissie van UwelEdele achtb: zal reflecteeren dat gelyk hier vooren gesegt het onder referentie niet genoeg is iemand eenige misdaad in fago te obtindeeren. er 2 des zal hij ter vertooning van zijne cincere onschuld volgens de ordre eens moeten deduceeren, wat een misdaad zij, ten tweeden, waar wat daar toe na rechten vereischt werd, en vertrouwen dat deselve zal bevonden worden in de wetten zoo daanig te zyn beschreeven, dat dat uit geen het minste bewis voorde Heer officier te elicieeren zy, om den verw=r te convinceeren; dat hij door het koopen der voorz: goederen quod ad factum zich aan't hem opgezygde Crimen revera schuldig heeft gemaakt en dit so zynde quod adjus ook geen de minste veel min een Lyfstraffe, waar toe de z: O: Eip„ scher heeft geconcludeert kan worden geinfligeert. waartoe den overgaande z0 vind men onder anderen bij den Heere een m„r Johan Moorman in zin nooijt vol„ pieesen Tractaat over de misdaalen en derselver staaffe op Pag: 2. ik beschry ve een musdaad te zijn alle bedrijven of versuijm dat volgens de Burgerlyke wet stafwaardig is, dus alhier staat ingesien te worden. . Eerstelyk wat de gedaagde heeft be¬ dreeven, en dit bestaat in eenige door denselven van ged: Deiserteur gekogte goederen, bij de notitie den Eysch an„ nex in't breede gespecificeert. gevolglijk dan ook hier in dit cas zal moeten onderzogt worden of de handeling van sodaanige goederen bij de Wetten is verbooden. den Heere r: O: Eips=r voor de affir„ matie zegt wel bij zyn conclusie van Eysch wel scherpelyk verbienden te zijn, dat geen gemeene mattroosen, Am„ pachtslieden of soldaaten, hunne tot het lichaam behoorende goederen moe gen verkoopen ofte zelfs eenige ne„ gotie te doen, zonder daar toe eenig wet statuut of iets het minste bij te brengen, waar in't men met goed frendement zodaanige Prohileitie zoude moogen afleiden, gelijk ook bij de Hatutaire Wetten voor zo verre men heeft kunnen nagaan, daar van geen woord te vinden is, maar wel bij het generaal Placcaat in dato 11 october is geëenameert; alwaar op act e 20 word word gezegt Dat geene deezer Ingezee lenen enz: kan deselve wet hier in dit cas geen de minste aplicatie veele, zoo min in opzichte der Persoonen als de daarbij gespecificeerde goederen want aangaande het eerste poinct lee„ trefpende Persoonen heeft de wet geever zich bepaald tot s' EComps die naaren en niet van vreemdelingen nu is het hier de vraage van wat Per„ zoon den Verw=r de voorseide goederen heeft gekogt, en deeze was een Engelsch mattroos of ten minste die zulx voornoemde te zijne, als zeggende zelfs de nederlandsche Taale niet machtig te zijn, het welk dus te aanneemely„ ker moest voorkoomen tewwijl zijne houding gebaarde en kleeding daarvan de beste kenmerken op leevende het gunt bij den R: O: Eypr. zelve werd geconfesseert op art: 20 van den Eysch, nu is het zeeker dat de voor„ zeidde wet tot geen Engelsche mat„ troossen kan of mag werden ge„ extendeert, als bij het schriftuur van antwoord is gedemonstreert. en bij den Heere Eisscher als daar van van ten vollen overtuigt onwederlegt gelaaten zijnde men om niet pbolix te zijn zich daar toe refereeren zal. En aangaande de goederen ze diend al meede gereflecteert, dat deselve bij de zo evengemelde Wet nomitatiu werden gespecificeert te weeten van verstrekte en monteeringen van soldaaten, en niet van Schansloopers van Engelsche mattroosen Ten deden met betrekking zelve tot de daad, den 2: O: Eysscher confesseert zelve dat dien deserteur de voorzeide Schansloopers de Engelse Natie had af„ gehandeld, men werke regts aan de wijze hoe hij schreib de voorzeide Schanskeopers de Engelse natie heeft afhandig gemaakt Dit Edele en achtb: Heeren is immers geschied op de volgende wijze, te weeten, dat eenige Engelse soldaaten op het Engelsch schip, die aan ged: Schreib te verkoopen hebben gegeeven, nimmer als gestoolene goederen kan werden aan gemerkt, dewell deselve soldaaten in dit cas vertrouwen in gedagte Schreib hebben en t. an

NL-HaNA_1.04.02_11024_1012 view scan ↗

English

have stated that he, being an honest man, would hand over to them the money for the said watch-coats; thus it can or may never under correction be placed in the class of stolen goods, and thus per consequentiam necessarium never falls within the terms of this prohibitory law, and thus no object of abuse in the purchase of these watch-coats according to the definition of the crimes described hereinbefore can ever take place, especially when one pays close regard to the circumstances, both as to the time when those watch-coats were sold to the defendant, and to the actions that took place therein. Regarding the time, this sale indeed took place in broad daylight, as has already been noted in the reply, in the sight of the world, a time at which everyone ought to be free to trade. And regarding the actions, it indeed appears that the defendant, as soon as he had concluded the purchase, displayed the said watch-coats directly before the eyes of everyone, as evidenced by the deposition of the deponent Eksteen, circumstances very uncharacteristic of the nature of receivers of stolen goods, and which, if they are put to the test of reason as well as of the laws, will be found to be of such weight that they will directly cause the obtruded crime of the prosecutor ex officio to vanish. For, in the first place, it cannot be presumed of true dealers, schemers, and smugglers that they would choose broad daylight to commit their offenses, when their schemes can be seen and scrutinized by everyone; but on the contrary, they will always choose the night for the practice of their offenses. Much less that such persons would publicly display all such acquired goods, to be recognized, claimed by everyone, and placed into the hands of the Fiscal Office to be punished for it. If one wishes now to consult the laws, Noble and Honorable Sirs, one knows from the nature of thinking beings that no crime can take place except where the will has directed the acts to a forbidden end; that it is for this reason that the insane are considered incapable of committing crimes, since no crime can take place where there is no dolus; which truth the Roman jurists have expressed so powerfully in various places among their decisions that it is a constant axiom in law: nullum crimen absque dolo malo committitur, L. 28, C. ad legem Corneliam de falsis; indeed, the intent must even be proven, quia dolus non praesumitur nisi probetur, L. 6, C. de dolo malo; L. 18, paragraph 1, Digest de probationibus et praesumptionibus. Where then, Noble and Honorable Sirs, considering all these accusations, all that has been brought forward, all that has been alleged against the defendant, whether committed by himself or with others; where is, I will not say a proof as clear as the law cited upon the introduction hereof, but merely the slightest trace of intent to be found? And if such proof is lacking to me, if no dolus is established, then the principal requirement is missing which distinguishes a crime from innocent or permitted acts, all the more so since it is expressly commanded by a law to take into account the will and not the outcome in the punishment of crimes. And how, then, could one have presented this as evil and punishable conduct, indeed as a crime, and make it serve as a ground upon which to demand corporal punishment, since a crime is defined as has been shown here. And this, it is believed, the prosecutor ex officio ought especially to have kept in mind before one could say with foundation that the intention of the defendant was deliberately, with knowledge and will, to seek to enrich himself to the prejudice of others, ostensibly because the defendant, as they claim and also attempt to prove, purchased the aforesaid watch-coats below their value; for that this matter, so to speak, is dragged in by the hair appears sufficiently from the fact, as has already been noted hereinbefore, that the English soldiers gave these watch-coats voluntarily and uncompelled to that deserter, quod notandum, to sell, and consequently can never with reason be regarded as stolen goods; for the giving of these watch-coats is precisely a voluntary act, whereas in theft precisely the indisputable opposite takes place, and thus the argument concerning the price falls away ipso facto. For who does not know that purchase and sale take place at a hazard, no slightest indications against the defendant being capable of being drawn from that? For the proof hereof produced by the prosecutor ex officio can contribute nothing to the matter; for the burgher Jan Knaus says that such a watch-coat is worth eight rixdollars, and Lukke says that one cannot sell such an item below 9 to 10 rixdollars, which consequently proves nothing conclusive. For, in the first place, this valuation could only have taken place if they had revera been stolen watch-coats, but not when the owner has voluntarily given them to be sold; and as regards the other goods, namely the watch, buckles, and so forth.

Dutch transcription

hebben gesteld, dat hij een eerlyk man zynde hun de penningen voor deselve schans„ loopers, zouden inhandigen, dus nimmer onder de Classe vangestoolene goederen onder correctie kan of mag werden gesteld en duis pa consequentiam necessarium nimmer vervallen inde tennen van deeze prohibitoire wet en dus geen abject van misbruijk in't koopen deeser schans„ loopers volgens de beschryving der mis„ daaden hier vooren beschreeven immer kanplaats grijpen, inzonderheid wanneer men op de omstandigheeden naauw reguardeert zo wel noopens den tijd wan„ neer die schensloopers aan den ver„ weerder verkogt geworden zijn alsop de actien die daarlen hebben plaats ge„ had, aangaande de tijd immers deeze, verkoping is bij hellendaage zoals bij antwoord reeds hebben aangemerkt geschied, in't aenzien van de waereld een tijd waarbij het een eider behoorde vrij te staan Iehanden len. Eng aangaande de actien, immers blykt dat den Verweerder zo dia hy de poop koop geslooten had deselve schans„ loopers direct voor't oog van een eider heeft ten toon gehangen blykens de Verklaaring van den deponent Ek„ steen, omstandigheeden zeer oneygen aan't Caractei van opkoopers van ge„ stoolene goederen, en die indien dezelve aan de reeden zo wel als aan de wetten ter toetze zijnde gebracht bevonden zullen worden van dat gewicht te zijn, dat deselve des Heer R:O: Eyschers geobtrudeerde misdaad direct sal doen eveneneeren want voor eerst kan niet vooronder„ steld worden in waare deelers konke„ laarsen smokkelaars dat zi tot het pleegen hunner feilterijen de kellen dag zullen verkiesen, wan neerhunne konkelaarjen van een ieder gesien en nagegaan kunnen worden, maar ter Contrarie altoos ter„ wijl de oeffeningen hunner feylte„ rijen ofte wel in de nacht zullen ver. kiesen. veel minder dat de zodaanigen de al zulke geacquireerde goederen publicqe publicquelijk zullen ten zoon langen, om van een eider gekend geeijgend en in han„ den van 't officium fiscaal gesteld, daar overgestraft te worden. wil men nu de wetten insien Edele en achtbaare Heeren, men weet uit den aard der denkende weesens geen mis¬ daad plaats kunnen hebben dan daar de wil de daaden tot een ver„ bouden einde heeft bestierd, dat het om die reeden is dat zinneloosen geacht worden geen misdaaden te kunnen begaan, maat er geen misdaad plaats kan hebben aan daar geen dolus plaats heeft welke waarheid de romeinsche rechts„ geleerden onder hunne secizien op verscheidene plaats en zo krachtig heb, ben uitgedrukt dat het eene constante axioma int recht is willem crimen absque dolo malo committer L: 28 C: ad: leg: Comn: de falsis, ja zelfs moet het opzet beweesen worden qua douis non proxinibur nini probitur L. C, 6: redalo malo l: 18: prag. 1 ffr de probat et presumpt. Wotaris dan waar is dan wel Edele achtb: Heeren beschouwende alle deeze beschuldigin„ gen al het aangebrachte alhet opge¬ tijgde, teegens den Verveerder het zij op zich zelve, het zij met anderen gecom„ mitteert, waar is ik zal niet zeggen een bewiss zo klaar als de Wet, bij in„ productie deezes geciteert, maar slegts het geringste sweemsel van opzet te vinden en ontbreekt mij zulk bewijs, consteert er niet van een delus, deficieert het voornaamste requisiet het welk een misdaad onderscheid van onschuldige of gepermitteerde daaden te meer daar bij een wet uitdrukkelyks zij bevoalen den wil en niet den uitkomst in't straf„ fen van mis daaden in acht te neemen en hoe heeft men dan dezelve als een quaad en strafwaardig gedrag ja als een misdaad kunnen voordraagen en deselve doen dienen als een grond omdaarop tot een Lijfstraffe te concluleeren, daar een misdiaden word beschreeven zodanig als hier vere is aangetoond & divis Manus 1te En dit geloofd men dat den Heere r: d. Eisscher bijzonder had moeten in't oo houden eer men met fundament heeft kunnen zeggen de Intentie des gedaagde met weeten en wille voorbedacktelyk tot nadeel van anderen zich heeft trachten te verrijken, quasie omdat den gedaagde zo men regt en ook te bewizen tracht de voorzeide Lehansloopers onder de waarde heeft ingekocht, want dat zak om 20 te spreeken als met de hairen hier bij gehaalt word blykt genoegzaam daar uit zoals hier noo„ ren reeds is aangemerkt, dat de En„ gelse soldaaten deeze Schanslopers vrywillig en ongedwongen aan dien Deserteur quod notandum te verkoopen gegeeven hebben, en gevolglyk min„ mer met grond als gestoole goe„ deren aangewerkt want deeze schans„ loopers gegeeven gegeeven is juist een vrijwillige daad, daarin diefs zal t v juist het contrarie indispotabel plaats heeft, en dus het argument noopens de prijs et ip zo doet ver„ vallen. waat wie is onbekend dat koop en verkoop op hazand geschied, kunnende daar uit geen de minste indicien tee„ gens den verweerder worden gehaald want het bewijs hier van door den R:O: Eyn:r overgelegt niets ter zaake, bi„ draagen kan, want den Burger Ian Knaus zegt dat zo een schans„ looper agt rykst„s waardig is en Lukke zegt dat men zo een niet beneden de 9 a 10 rid. niet kan verkoopen mitsdien niets concludents bewijst want voor eerst hadde deese Tauxatie alleen kunnen plaats krijgen wanneer deselve revera gestoolene schant loopers geweest waren, maar niet wanneer den Eygenaar deselve om te verkoopen vrywillig heeft gegee„ ven, en wat de anderen goederen betreft te weeten het herologie, braijt, jes en Z de ui

NL-HaNA_1.04.02_11024_1018 view scan ↗

English

nor can it assist the prosecution, since the defendant knew nothing other than that this deserter truly was an English sailor, to which is added that the said goods were amply paid for by the defendant, yet against this the Lord Plaintiff ex officio advances in articles 22, 23, 24, and 25 of the Claim that in this case it will nevertheless merit less consideration, for which the Lord Plaintiff ex officio gives these reasons, namely that the delivered purchased goods are such as such poorly dressed sailors are accustomed to use, which directly ought to have made him suspect, upon which one will only remark that it is not only an unheard-of matter to suspect someone on account of his habit, but that it is a hard matter for reputable people, and makes them notoriously doubly unfortunate when such persons, because of their poverty and poor clothing, would have to be suspected as rogues and thieves, contrary to the well-known proverb habitus non facit monachum, and thus provides no other proof than that, under correction, one can be suspected of evil deeds quite frivolously by the Lord Plaintiff ex officio. All of which, says the Plaintiff ex officio in article 32 of the Conclusion of the Claim, assuring the defendant of bona fides, would indeed have to be kept in view and all circumspection used all the more, but who does not see that such positions cause disorders and confusion and directly contradict the laws in all parts, when one considers that the Lord Plaintiff ex officio also seems to want to assume here that every merchant is obliged to demand a legal proof of the goods brought for sale from every common servant of the Honourable Company or stranger who buys or sells anything here at the Cape, as the Lord Plaintiff ex officio says in article 35 of the Claim, who take good care not to inquire after the lawful or unlawful possession of the sellers, which proves nothing other than that the Lord Plaintiff ex officio has not considered that it is easy to create all kinds of obligations in the study through imagination, but to make them executable in actual household management—yea, even if there had been an order or law to that effect, the defendant could hardly have executed it in this case. For first of all, Noble and Respected Sirs, such Company servants could then notoriously, upon such questions whereby one directly suspects them of roguery and thievery, institute an action for damages against such inhabitants, and thus initiate a multitude of lawsuits, and consequently ruin country and people. Secondly, the same could take place even less in this case, since it is evident from the declaration of the deponent Eksteen that the defendant, who did not understand the English language, consequently being unable to inform himself regarding the lawful or unlawful possession, and thus relying again on this argument: nullum crimen patitur is qui non prohibet cum prohibere non potest, says the Law 109, De Regulis Juris; consequently, this objection only provides proof that the Lord Plaintiff ex officio has not been attentive enough to the general principles of law touched upon above, and has not remembered that Roman law based on natural equity: impossibilium nulla est obligatio, Law 185, ff. De Regulis Juris. For, Noble and Respected Sirs, what harder thing can be devised than to prosecute someone for the omission of deeds that are beyond his power, and besides that not enjoined, and what is more, even if they had been done, would not have prevented the effect that is gratuitously attributed to it. Thus having demonstrated that, according to the description of crimes, the defendant has made himself just as little punishable according to the civil laws as through negligence. And in order to substantiate the same further upon the foundation of laws, the report given by the court messenger annexed to the claim will also have to be examined here. To which is added a third reason, that the seller intended to deceive the defendant, for had he known him to be a soldier of the battalion, he would never have bought the aforesaid goods, which deceit is clearly contested, since that deserter, when his deceit was put to his face by the defendant, confessed the same by saying, "Yes, father, that is so, but it is now too late." And considering from what has been deduced in the answer and further from this pleading of rejoinder, and the innocence of the defendant has been proven, that he is accused contrary to the truth with the facts in the Conclusion of the Claim, namely of having intentionally purchased stolen goods, and that the same has in no way been verified by the Lord Plaintiff, nor does anything conclusive follow therefrom, that the sailor jackets are appraised as being not stolen goods, but goods entrusted, wherewith the defendant has nonetheless been besmirched with having knowingly and willingly purchased stolen goods below the price, and whereas the defendant has always had a good name and reputation, and must also be presumed as such donec probetur contrarium, Law in fine, folio pro 200 cum similibus.

Dutch transcription

kan den vervor almeede niet absteeren terwijl den verweerder niets anders heeft geweeten of deese Deserteur was waarlyk een Engelse mattroos en waarbij noch komt dat deselve goederen door den verweerder ruijm betaald geworden & zijn, doch hier teegen advanceert den Heer R.O. Epscher bij act=s 22, 23, 24 en 25 van Eepch, dat echter in dit geval minder reflectie zal meriteeren waar van den Heere R: O: Zipscher deeze reedenen opgeeft dewijl de geleeverde gekogte goederen zodaanig zyn als diergelijke slegt ge¬ kleedde Mattroossen pleegen te gebruijken, die denselven directelijk suspect moest maken, waarop men alleen zal aanmerken, dat het niet alleen een ongehoorde zaake zij, ter zaake van een nabyt iemand te sus¬ pecteeren, maar dat het vooraame Lie„ den een harde zaak is, en hun notoir dubleeld ongelukkig maaken wanneer de zodaanigen weegens hun armoede en slegte kleeding als schelmen en dieven zouden moeten werden ge„ suspecteert, teegens het bekende spreek spreekwoord, habities non facit mo„ nachin, en dus geen ander Beuys oplee„ vert dat men ondercorrectie bij den Heere 2. O. Eipscher al vrij lichtvaardig van quaade feiten kan worden gesus„ pecteert. Al het geene zegt de rat. off: Eysscher bij art: 32 vanden Comlurie van Epch den ged: in bona fide verzee„ rende wel zoude in't oog gehouden en alle omzichtigheid dies te meer gebruikt maar wie niet aan zodaa„ nige poritives discrdres en verwarring veroorzaaken en direct de wetten in alle deelen contradiceeren wanneer men reflecteert dat den Heere L. O. Eypscher hier meede schynt te willen veronderstellen, dat een eider negotiant verplicht zij van alle gemeene s' EComp. Dienaaren of vreemdelingen die hier aan de Caab iets koopen ofte verkoopen een le„ gaal bewijs vande te koopgebrachte goederen af te vraegen, als hij Heer R.o. Epaher bij art 35 van Epch zegt welke ge¬ welke zich wel wachten naden recht of onrechtmagtig bezit van de ver„ koopers te vraagen, het welk niets an„ ders bewijst als dat den Heere rat Off: Eyscher niet heeft gereflecteert dat het ligt valt in 't Cabmet allerey ver¬ pligtingen door de imaginatie te creëeren, aan de tot de daadelyke Huy„ houding executabel te maaken ja al was daarvan een bevel ofte wet geweest zo zoude den verweerder zulx in dit cas moegelyk hebben kun„ nen executeeren. want vooreerst Edeleen achtbaere keeren zoude dan notoir zodaanige Comps. Dienaaren op zoortgelyke vraa¬ gen waarleij men haar direct van Schelm en diefstukken suspecteert teegen zodaanige Ingeseetenen actionem injurianum kunnen insti tueeren en ain een meenigte Proc duures en gevolglyk Land en Luyde ruineeren. Ten zweeden dan nog konde het zelve in dit cas te minder plaats grypen, terwyl uit de verklaaring vanden van den Deposant Eksteen consteert dat den Werr. die de Engelse Taal niet verstond: gevolglyk op het recht of onrecht bezit, zig niet kunnende informeeren, en dus al wederom op dit argument remaigneeren, nul„ lum crimen patitur est qui nau prohibit cum prohibere non potest, regt de L: 109O de reg. Jar: gevolglijk deeze opjectie alleen een bewijs oplee„ vert dat den Heere R.O. Zypcher niet. attent genoeg is geweest op de al„ gemeene principes van rechten hier boven getoucheert zich niet heeft heainert die romeinsche wiet op de natuurlyke billykheid Heur„ nende Iponibile nulla est obeli. gatio Lo 105 ff de reg, Jier, evant Edele en Achtb: Heeren, wat kan er harder bedacht worden dan iemand te ver„ volgen over dat ommittien van daden die boven zyn vermoogen zijn en behalven dat niet geinjangeert en wat meer is alwaar zij het Effect het welk men er gratis te ht „ al „ 6 Le en aan attribueert niet zouden het„ ben voorgekoomen. Dus betoagt zijnde dat volgens de beschryving der misdaader den Verwerder zich ze min volgens de Burgerlijke wetten als door versuijm siafwaardig heeft gemaakt. En om hetzelve op fundament van wetten naadate adstrueeren zal alhier noch moeten werden naa¬ gegaan het gegeeven relaas van den gerechts Boode den Eysch au„ nex Waarby noch komt een derde reeden dat den verkooper het toegielegt heeft om den verw„r te bedriegen, want deeze weesende een soldaat van 't Bataillon te zijn de voorsz: goederen nimmer zoude hebben gekocht, van welk bedrag op een klaare wize con„ testeert, terwijl dien Deserteur, wan„ neer hem door den Verwr zyn bedrag in facie wierd onder'toog gebracht het zelve confesseerde met te zeggen Ja vader dat is zo maar 't is nu te laat Ende gelet uit het geene bij Ant¬ woord en voorts uit dit schriftuur van duplicq is gededuceert en den onschuld van den verveerder is beweesen, dat hij met de feijten bij de Conclusie van Eysch, als met op„ het gestoolene goederen te hebben op„ gekogt, teegen de waarheid werd beschuldigt en dat hetzelve geen„ „zints by den Heere Eijsscher worden gevenfieert, nochte dat daar uit iets concludents volgt, dat de schans„ loopers als zijnde geen gestoolene maar aan vertrouwde goederen zyn getauxeert, waar meede de gedaagde evenwel beklad geworden is, van weetens en willens gestoolene goe¬ deren, onder de Prijs te hebben inge¬ kogt, en daar echter den verwveerder is altoos heeft gestaan ter goeder naam en faans ende ook als zodaa, nig moet worden geprosumeert dener probitier contrarium L: m: f:o pro: 200: Cum: Simil: lib: goudein te e en aa¬ en

NL-HaNA_1.04.02_11024_1024 view scan ↗

English

tractatus de maleficiis title on presumptions number 4, gloss on lex finalis Digest de eo quod metus causa, Jason, Andreas de Isernia, Clarus final question 21. That even if in the case at hand there were any doubt regarding the innocence of the defendant, which there is not, that presumption should still, subject to correction, prevail whereby a crime is excluded, lex finalis Digest quod metus causa, glosses and doctors on lex decuriones Digest de interdictis et relegationibus, Gail observation 2 book 6 observation 110 number 45 and following, Cravetta consilium 244, Decianus consilium 175, Cephalus consilium 103 book 1, Socinus consilium 249 book 2, last chapter on presumptions. That likewise all that is charged against the defendant concerning the selling of the goods of a person who, having disguised himself, presented himself as an English sailor, from which one primarily seeks to infer by consequence the facts charged against the defendant, are such acts as are not unlawful per se nor prohibited by any special law or statute, and thus in no way could any crime be presumed therefrom, because according to law an act that can be done without a crime is never presumed to be a crime, argument lex quoniam paragraph 3 Digest de incendiis ruina naufragio, Negusantius tractatus de pignoribus et hypothecis part 4 number 27, Gabriel consilium 175, Bartolus on lex si quis sub condicione Digest de condicionibus institutionum, Baldus on lex finalis Digest de iure deliberandi. Thus it appears everywhere from the aforesaid reasons of law that the defendant was wrongfully challenged by the Honorable Officer, and that therefore the conclusion taken against him by and on behalf of the Honorable Officer must, subject to correction, be denied and the defendant be acquitted thereof, for the plaintiff not proving his case, the defendant is acquitted, with which the defendant believes to have handled to satisfaction the matter that he took upon himself to demonstrate his innocence. Thus he wishes to hasten to an end in the confidence that all circumstances, being kept in view and examined, will sufficiently and completely appear to Your Honorable Worships that the defendant, having been deceived by the deserter, is free from all guilt. For which and other reasons and means, if necessary to be further deduced, the defendant departs from and denies all the grounds set down in the reply as frivolous and unjust, with express denial, impertinence, and irrelevance, and reserving all further competence of law, let this serve as a rejoinder, imploring hereto and upon everything Your Honorable Worships noble and benign judicial office. Was signed Kolver in the margin Exhibited in court the 12 May 1791. Agrees. Damspbergen Secretaris. Register of criminal documents and muniments, submitted during the year 1791 to the Honorable Council of Justice of the Castle of Good Hope, and which, along with the criminal court roll of that year, are transmitted in authentic copy to the fatherland. Number 1. Proceedings of the merchant and landdrost of the colonies of Stellenbosch and Drakenstein, the Honorable Hendrik Lodewijk Bletterman, by virtue of office plaintiff, against the burgher Jan Martin Enslin, defendant. Number 2. Of the Honorable Independent Fiscal Johan Nicolaas Steven van Lijnden, by virtue of office plaintiff, against the burgher Johan George Berrents, defendant. Number 3. Proceedings of the merchant and landdrost of the colonies of Stellenbosch and Drakenstein, Hendrik Lodewijk Bletterman, by virtue of office plaintiff, against the soldier Fredrik Frenger, defendant. Number 4. Of the Honorable Independent Fiscal Johan Nicolaas Steven van Lijnden, by virtue of office plaintiff, against the Honorable Company's runaway servants. Number 5. Against the burgher Nicolaas Johannes van der Schijf, defendant. Number 7. Against the burgher lieutenant Jens Jansen and the orphan master Laurens Cloete. Number 8. Against the burgher Jacobus Bierman, defendant, by virtue of office plaintiff in criminal case on the one side. Number 9. Criminal claim and documents of the merchant and landdrost of the colony of Graaff Reinet, the Honorable Maurits Herman Otto Woeke, by virtue of office plaintiff in criminal case on the one side, on and against the burgher Tobias Mijnhardt, prisoner and defendant in the same case on the other side. Number 10. Proceedings of the Honorable Independent Fiscal Johan Nicolaas Steven van Lijnden, by virtue of office plaintiff, against the naval captain-lieutenant [illegible] Jan Breugman, defendant. Number 11. Criminal claim and documents of the merchant and landdrost of the colonies of Stellenbosch and Drakenstein, the Honorable Hendrik Lodewijk Bletterman, on the one side, on and against the under-cooper Everwijn Blanck and the sailor Jan Sadeler, detainees and defendants in the aforesaid case on the other side. Number 12. Criminal claim and documents of the merchant and landdrost of the colonies of Stellenbosch and Drakenstein, the Honorable Hendrik Lodewijk Bletterman, by virtue of office plaintiff in criminal case on the one side, on and against the slave Mercuur of Bengal, prisoner and defendant in the aforesaid case on the other side. Number 13. On and against the slave Rammij of Bengal, prisoner and defendant. Number 14. On and against the slave Caster of Bougies, defendant. By virtue of office plaintiff in criminal case on the one side, on and against Jochem of Mandhaar, Thelemachus of Malabar, and Jephta of Bougies, prisoners and defendants in the aforesaid case on the other side.

Dutch transcription

tract de malicit: tit: de prosampt num 4: glos in l. fin: f. de: e0: qua met: Jaus; Andum: de Knos: Clar: fin: guort: 21. dat meede als in cas subject al eenig dubuur ware aan den onschul van den gedaagden, als neen, aan zon nog die pral: sumit: onder conrectie zoude moeten provaleeren, per quam delictum excluditur, l,fin, ff: guod met Claus glosse rs. DD in l: devus ff de integt: instit: Gail: obr: 2: 6: obr: 110 num 45 D Seg: Cravet. Cons: 244. deC: Cous, 175, Comn: Cons: 103 Lib: 1: Socin Cons 249: lib: 2 Cap: ult: de Prosump: Dat ook alle hetgeene den ge„ daagden ten lasten word gelegt van het verkoopen der goederen van een Persoon die zich gedequireert heb¬ bende zich voor een Engelsch mattroos opgaf, daer uit men prin cipalijk bij Consequentie de feijten den gedaagden ten lasten gelegt zoekt te trekken, zodaanige feijten zijn die perze niet ongeoorloofd. noch loofd, noch door een speciale wet afstatuut verbooden waren ende alzo daaruit geensints eenig de„ lictuur te presumeeren was dewijl na rechten in actie, qui potest fieri sine delicto num quam delicte de„ lictum prosumatur arg: l: quo nais: 5 3V 7 of de: insind: ruim naafrag: nagus „ Eract: de pignor T hypot: part h: n: 27 gabuil: Conv: 175 Bart in lex siquis: sub: Cond: ff: de Cont: bubstit, Bald, in l: fin: gg: de Jur deliber, zo blykt alomme uit de voorzeidde reedenen van rechten dat de gedaagde ten onrechte bij den Heer Z: O: Exr is gecalangeert, en dat daaromme de Conilune teegenshem, door ende van weegens den Heere Zipss R:O: genoomen, onder correctie moet worden ontzegt, en den gedaagden daar van geabsolveert, want actore non probante reus absolvitur waarmeede den verveerderden rte m o 110 obs 1 t: n v en 6„ in vermeert ten genoegen te hebben verhandeld aen saak die hij ter Ver tooning van zyn onschuld aan zich had opgelegt. zo wil hij zich aan ten einde haasten in dat vertrouwen dat alle omstend digheeden, in't dog gehouden en nage¬ gaan wordende, ad sufficientiain aan uwel Edele achtb. talkoomen te blyken, dat de gedaagde door den Deserteur bedroogen zijnde extra omnem culpans verseert, Mits welke en andere reedenen en middelen is het nood naader te de„ duceeren, aen verweerder is afsaande en ontken„ nende, alle de middelen bij replicq ter needer gesteld als frivool en ingst, bij expresse dene„ gatie impertinentie en irrelevantie, en zich alle verdere competentia Juirs reserveerende, zij deese hier dienende voor Duplicq Implo Imploreerende hiertoe en op alles Uwee Edele Achtb: nobile ac benignum Judi¬ cis officiem /:was geteekend:/ ni Kolverqq /:in margine:/ Extubituur W in Judicio den 12 Maij 1791. Accordeert. Damsper gen Caeros lo ƒ mineele stukken en Munimenten, geduurende het Jaar 1791 in den E: achtbaare Raade van Ju„ stitie des Casteels de Goede Hoop ingediend, en welke nevens de crimineele Rechts Rolle van dat Jaar in Copia authentique naar 2 vaderland worden overge„ zouden. Register der eri„ N=o 1 Proceduure van den koopman en Land„ drost der Colonien Hellenbosch en Drakenstein de Heer Hendrik Lodewijk Bletterman rat: agg: Eijsscher, contra den Burger Jan Martin Enslin gedaagde. van den E: Achtbaar Heere Independent Fiscaal Iohan Nicolaas Steven van Lijnden rat: off Eysscher contra den Burger Iohan George Berrents gedaagde. verte ƒ e 2 No. 3 Procesuure van den koopman en Land¬ drost der Colonien Stellenbosch en Drakenstein Hendrik Lode wijk Bletterman rat: off: Ey scher contra den soldaat Fredrik Frenger ge„ daagde van den E: Achtbaar Heer Inde„ pendendent Fiscaal Iohan Nico„ laas Steven van Lijnden rat:s off Eijsscher contra s' EComp=s geaufugeerde Die„ naaren. contra den Burger Nicolaas Iohan„ nes van der Schijf gedaagde contra den Burger Lieutenant Iens Jansen en den Weesmeester Laurens Kloete contra den Burger Jacobus Bier„ man gedaagde; ratt. off. Eysscher in cas crimineel e teccenre „ 4 5 „ 7. 8 - e No 9 Crimineelen Eysch en stukken van den koopman en Landdroot der Colonie Graaff Reinet de Heer Maurits Herman dtto Woeke ratione officier Eyscher in cas crimineel den eenre opende jeegens, den Burger Tobias Mijnhardt gevangene en gedaagde in 't zelve cas ter andere zijde. 10: Proceduure van den E: Achtbaar Heer Independent Fiscaal Iohan Nicolaas Steven van Lijnden ratione officie- Eysscher contra den Capitein Lieutenant ter zee dechemhafter Jan Breugman gedaagde„ „. 11. crimineelen Eysch en stukken aanden koopman en Landdiost Der Collonien Stellenbosch en Drakenstein de Heer Hendrik Lodewijk Blekerman op ende jeegens den ouderkuijper Everwijn Blang en den kooplooper Jan sadeler gedetineerdenz en Gedaagdens in voorsz: cas ter andere zijde. ter eenre 3t Lan d rge¬ nde„ Nico at D In 63 el e „. 14 N=o 12. crimineelen Eijsch en stukken van den koopman en Landdrost der Colonien Stellenbosch en Drakenstein de Heer Hendrik Lodewijk Bletterman, zak. 84f. Eysscher in cas crimineel ter eenre, opende jeegens. den slaaf Mercuur van Ben„ galen gevangene en gedaagde in voorschreve cas ter andere zijde. op ende jeegens den slaaf Rammij van Ben„ galen gevangene en gedaagde, opende jeegens de slaaf Caster van Bougies en ged. en ged=e ratione officie ryscher in cas crimineel ter eenre op ende jeegens Jochem van Mandaar The„ lemachus van Mallebaar, en Jephta van Bougies gevan„ genen en gedaagdens in voorsz cas ter andere zijde. „ 13. e

← previousnext →