VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 11024

Cape · 1,044 pages · 161 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_11024_0385 view scan ↗

English

Ulr: Huberus in Praelectiones juris Romani et hodierni, Book 48, title 8, number 4, after the beginning. Yet since, in following this rule, prudence must never be lost from sight, and before proceeding to conclusions one must seriously consider whether the conjecture that the stricken man died of a stroke excludes all other accidents which could have been the cause of the sudden death; just as in the subject case the substitute, in his drunken state, could very easily have died of an obstruction and blockage of air and fluids, of which case Huber gives a very remarkable example at the cited passage. Thus the undersigned finds himself in this matter very burdened to answer in the affirmative the question of whether the prisoner and defendant must be considered the cause of the substitute's death. At least he must frankly acknowledge that the matter is very doubtful, and that, being placed in the necessity of having to decide on the lethality of the inflicted wound, he safely dares to choose the milder side in this doubt, and to determine the second point in this manner: that the prisoner and defendant, as having inflicted no lethal wound, is also not to be held as the causa mortis proxima, and cannot, except by a forced conclusion, be considered as the causa remota. Ad 3um. Having thus dealt with the second point of this writing, the undersigned now steps over to the third question: whether the prisoner and defendant was animated by any malicious intent, and can be said to have inflicted the fist blow and kick dolo malo seu animo occidendi. In so far as this question depends on whether the inflicted wounds were lethal or not, one would have to conclude that the prisoner and defendant was not animated by such an intent. But when one observes with proper accuracy the circumstances that took place before, during, and after the event in question, then one finds sufficient ground to suspect and consider that the prisoner and defendant was animated by such an intent. For 1st, after the prisoner and defendant had escaped the insults of the substitute, and while he had sufficient opportunity to keep himself out of all further quarrel, he went anew to the substitute and provoked him, as appears from the exhibits under L: D: 4th, 5th, etc. 2nd, after the prisoner and defendant had wrestled away Jurgensen's cane and thrown it away, he nonetheless, notwithstanding that the latter was completely incapable of offense, inflicted on him with the fist—by which the prisoner and defendant ought to have known that death can be caused, see Carpzovius, third chapter, number 20, on the end—a blow in the face, and subsequently, when he already lay on the ground, gave him a kick, likewise in the face, with his bare foot. 3rd, after the death of the substitute, the prisoner and defendant showed his satisfaction, and regarded his death as a well-deserved punishment, in the appendices under L: D: 6th, 7th, etc. All serving as proof that the prisoner and defendant, far from having struck the substitute unexpectedly, on the contrary was well pregnant with an evil design, and even flattered himself that the honor belonged to him of having deprived the substitute of life. And these arguments will gain all the more strength when one investigates the defendant's conduct maintained in other respects, and that it was not for lack of trying on his part to inflict an essentially lethal wound on the late substitute, however much he also seeks to palliate his intention in his given responses, and wishes to make the case in question appear as a mere casual homicide. His wavering and contradictory answers show sufficiently that he was embarrassed with his defense, and from the circumstances of the committed deed knew how to extract little or nothing to his advantage. Ad 4tum. Let us nevertheless examine the circumstances that took place, and set forth from them everything that could operate in favor of the prisoner and defendant, wherewith the fourth point will be dealt with. First, the prisoner and defendant says that Jurgensen and the orderly riders struck him, see the response to article 23. But, Noble and Honorable Gentlemen, this is irrelevant, for after the delivering of those blows in the case in question there was a notable interval of time between them, and therefore what occurred afterward must be considered as a new quarrel, because the substitute did not come to the defendant, but rather the latter to the substitute, and that in order to renew the quarrel. Further, the prisoner and defendant claims to have received permission from the Officer and Prosecutor to defend himself against Jurgensen, see the response to article 28. Of which assertion the Officer and Prosecutor would gladly take the trouble to demonstrate the contrary, were he not convinced that the wavering countenance of the prisoner and defendant maintained thereabout in the respective interrogations shows sufficiently that the prisoner and defendant did not present this benefit on his own initiative, but was incited thereto.

Dutch transcription

153 Ulr: Huberus in proelect juris, rom &hod=e Leb 48 fit: 8 n: 4 post enitium 154 doch daar men in deesen regel te volgen de voorzichtigheid nooit uit het dog ver„ liesen, 155 en eermen tot gevolgtrettingen over„ gaat wel erjstig moet overweegen, 156. of de gissing dat de Neergeslaagen aan eene beroerte is overleeden alle andere acci„ denten uitsluit. 157: welke oorzaak van het subict overlyden hebben kunnen geweest zijn. 150. gelijk in cas subject de substituut zeer gemak„ kelijk in zijn dienkenschap, aan eene obstructie en verstoping van lucht en vogten kan zijn overleeden 159 van hoedanig geval Huber, op de aan„ gehaalde plaatse een zeer merkwaar„ „dig voorbeeld opgeeft. 160 zovind den onderget: zich ten deesen eenen„ mel Val 161 of de gev: en Ged: als oorzaak van des sul„ stituuts doods moet worden geconsidereert 162. affirmatief te beantwoorden 163. ten minsten moet hij openhartig beekennen 164, dat de zaak zier twijffelachtig is. 165 en dat hij in de noodzaakelijkheid gebracht wordende, zich op de doodelykheid der toege„ brachte wonde te moeten decideeren, 166, gerustelyk in deese twijffel de &achtste zijde durft kiesen, 167 en het twee poinct in deezer voegen be„ paalen 168, dat den gev: en Ged: 169 als geene doodelyke wonde hebbende toe„ gebracht, zo. ook niet voor de Causa mnortis proxima te houden is. 171. en zelfs niet dan bij een gedwongen ge wel beswaard, omme de quaestie volghek„ ad 3 um volgtrekking als de causa remota kan worden geconsidereert. 172 Het tweede Lis van dit Schriftuur, dus afge„ handelt hebbende 173. skopt de onderget thans over tot de derde Vrage 174. of de Gev: en Ged: met eenig quaad opzel is bezield geweest, 175. en gezegt kan worden den vuistslag en schop dolo malo seu animo recidendi te hebben toegebracht 176. voor zo verre deese quastie afhangt van de al of niet net doodelykheid der toegebrachte wouden 177. zou men moeten besluijten dat den gev: en ged: niet zodanig opzet is betield geweest met 178. doch wanneer men de omstandigheeden 179 welke voor onder en na het geval in quastie hebben plaats gehad. 180. met behoorlijke naauwkeerigheid gaadeslaat. 181. dan vind men genoegzaame grond om te veroeden sub„ en acht „82, dat de gev: en Ged: met zodaanig opzet is be zield geweest. 183. want 1e naa dat de gev: en zed„ de beleede gingen van den substituit was en twee ken 184 en terwijl hij genoegsaame geleegendhei had, om zich buijten alle verdere twist te houden 185 is hij opnieuws naar den substituit ge gaan, en heeft denselven geprovoceert. 186. blijkens de producten sub L: D: 4e 5 C„t 187 2=e naa dat de Gev: en Ged: aan Juigenszen zijn rotting ontweldigt en weg geworpen hadde 188. heeft hij niet teegenstaande deeze ge„ heel buyten staat van offensie was, 189 denselven nochtans met de Vuijst. 190. waar door de gev: en Ged: had behooren te weeten dat de dood kan veroor„ zaakt worden 191. Zie Carprovius derde Hoofd st n:o 20 op het toege„ 192, een slag in het aangezicht, bracht. 193. en vervolgens toen hij reeds ter aarde lag 19½. met den blooten voet een schop, meede in het aangeracht gegeeven 195. 3: heeft de Gev: en Ged: na het overlyden van den substituit zijn genoegen betoond. 196. en deszelfs dood als eene welverdiende straf„ „te aangemerkt, 197 in de Bijlaagen sub L D 6: 7 C=to 198. Allesten bewijse dat de gev=e en ged„e wel verre aan den substi„ uit buijten verwachting te hebben getroffen, 199 In teegendeel, wel deegelijk met een quaad voorneemen heeft swanger gegaan zoo, en zich delfs gevlyd heeft, dat hem de einde een hee ge¬ eere toekwam: van den substituut te hebben van het leeven beroofd, 201. en zullen deese rigumenten te meen kracht verkrijgen, 202 wanneer des ged„ gedrag in andere op„ zichten gehouden nagaat 206. en dat het aan hem niet gehaaperd heeft om aan wijlen den substituut, weesentlyk een lethale wonde toe te brengen, 206. hoe zeer hij zijne intentie bij zijne gegeevene responsiven ook tracht te paillieeren 208 en het geval in quaestie als een honuerdiu mere casuale wil doen voorkoomen 209 zijne wankelende en contradictoire ant„ woorden toonen genoegsaam 210 dat hij met zyne defensie is verleegen geweest, 211. en uit de omstandigheden van het bedree„ ven feit weinig of niets ten zijnen voor deele deele heeft weeten te haalen ad 4e mn 212 Laat ons de plaats gehad g hebbende om„ standigheeden evenwel naagaan, 213 en daar iit. alles voordraagen dat ten voor„ deele van den gev. en ged=e zoude kunnen ope„ reeren 214. waar meede het vierde poinct zal wor„ den afgehandelt. 215. of eerstelijk zegt den ged. en ged:e dat Jurgen„ sen en de oidonn: Ruijters hem geslaa„ gen hebben, 216. vid: de respe. ad act. 23. 217, dan Edele en achtb: Heeren, dit doet niets ter zaake 218, want na het uitdeelen dier Haagen in het geval in quastie is een notabele interval van tijd tusschen beide geweest„ 219. en moet derhalven het geen naderhand is voorgevallen als eene nieuwe quostie gecon„ sidereert worden, duin 220, om dat niet den substituat bij de ged en is gekoomen 221. maar wel deese bij den substituut, ƒ 222. ende zulx, omdentwist te vernieuwen 223. 6, / voorts regt den Pev. en ged: van de R: riss. r verlof te hebben ontvangen 224 om zich teegens Iurgensen te moogen verweeren 225 vid: de resp: ad act. 28. 226. van welk voorggegeven de k: O. Eiss:r zich gaarne de moeijte zoude willen nee„ mein om het teegendeel te betoagen, 227 indien hij zich niet overtuigt hield, 228 dat de chancelante contenence van den Gev: en Ged: daar omtrend bij de resp. e verhoo ken gehouden; genoeg doet zien 229, dat de gev: en Ged: dit profijt niet uit zich zelven heeft opgegeeven, 230: maar daar toe is aangezet gewouden

NL-HaNA_1.04.02_11024_0393 view scan ↗

English

Article 231. by people who have sought to exercise their compassion with the injustice of the prisoner and defendant at the expense of the Officer Plaintiff, 232. which truly is a misplaced philanthropy; 233. but that which the Prisoner and Defendant has further alleged in articles 29 and 36, 234. namely that he was carried away by passion, 235. operates very strongly in his favor; 236. for although it has already been demonstrated before 237. that the prisoner and defendant truly had an evil intent, 238. the Officer Plaintiff nevertheless cannot conceal 239. that the substitute, by striking with the cane, could have stirred up the passions of the prisoner and defendant, 240. and that thereby his vengefulness was brought to such a height 241. that he beat and kicked the substitute so violently. 242. Aliquo minus autem puniuntur, qui impetu deliquerunt, 243. says Matthaeus, De Criminibus, book 48, title 18, chapter 4, number 8; 244. and Leviora sunt ea, says Cicero, book 2, De Officiis, quae repentino aliquo motu accidunt, 245. quam ea quae meditata et praeparata inferuntur. 246. To this one may add that which Carpzovius, chapter 6, number ult., teaches: 247. that wrath arising from a legitimate cause, 248. if not entirely, at least partially excuses, 249. so that the perpetrator is punished more lightly; 250. Carpzovius calling it a legitimate cause if someone has been provoked by another 251. or has been insulted in another manner; 252. and in so far as the wrath of the prisoner and defendant can justly be said to have been ignited by the last blows of the cane from the substitute, 253. to that extent this circumstance—namely the blows of the cane—shall also militate in his favor. 254. Yet the drunkenness of the prisoner and defendant can avail him very little, 255. because it was not of any significance, 256. at least not such 257. that the prisoner and defendant was thereby hindered in the reasonable governance of his senses, 258. as can appear from all the circumstances of the fact; 259. this being able to be inferred even from the prisoner and defendant's own responses, 260. wherein, having taken everything so carefully into account 261. that could in any way suit his purpose, 262. he certainly would not have failed to allege his drunkenness. 263. Lastly, it would be absurdity itself in this case to wish to employ the exception of self-defense, 264. since it is certain that the Prisoner and Defendant inflicted the punch and kick on the substitute 265. when the latter was already unable to insult him further, 266. as we have seen before in articles 187 and 188. 267. Now it is also certain that he who alleges self-defense must prove 268. that he found himself in very great danger, 269. and could escape that danger in no other way 270. than by defending himself in a violent manner. 271. For as Ulpianus says in lege 5, paragraph 1, ff. ad legem Aquiliam: 272. Si quisque alium ferro se petentem quis occiderit, non videbitur injuria occidisse; 273. and Si metu quis mortis furem occiderit, non dubitabitur quin lege Aquilia non teneatur; 274. sin autem, cum posset apprehendere, maluit occidere, magis est ut injuria fecisse videatur; 275. ergo et Cornelia tenebitur, add lege 45, paragraph 1, ff. eodem. 276. Self-defense therefore does not even apply in the present case, 277. and consequently the prisoner and defendant cannot even be considered as someone 278. who has exceeded the moderamen inculpatae tutelae. 279. When Your Honorable Worships consider these faithfully presented circumstances, 280. with the arguments added thereto, 281. with all accuracy, 282. you will find that it is true that among those circumstances some are found 283. which militate in favor of the prisoner and defendant; 284. but that nevertheless nothing can be elicited from the case in question 285. that could move the judge to acquit the prisoner and defendant of all punishment. 286. If, therefore, the prisoner and defendant is punishable, 287. then finally this last question remains: 288. what punishment in the present case must be held proportionate to the crime 289. and ought to be inflicted on the prisoner and defendant as the perpetrator. 290. According to the Roman laws, the prisoner and defendant, 291. as having wounded his fellow man with a vengeful intent, 292. although the wound was not fatal, 293. would nevertheless have to be punished with the ordinary death penalty, 294. because the evil intent, the actus malus, according to the same laws was sufficient 295. to make someone undergo the usual punishment, 296. even if his attempt had failed and no fatal wound had been inflicted. 297. In lege enim Cornelia actus pro facto accipitur, lege 1, ff. de sicariis; 298. et qui hominem non occidit, sed vulneravit ut occidat, pro homicida damnandus, lege 1, paragraph 3, post initium, ff. eadem. 299. But the practice of all Europe is not so severe in this matter, 300. but such persons are visited with extraordinary and lesser punishments, 301. and one does not arrive at the death penalty unless the circumstances rise to a high degree of malice 302. and the consequence of the attempt is very dangerous. 303. Huber, Hedendaegse Rechtsgeleertheyt, book 3, chapter 13, number 5. 304. The death penalty can therefore not be inflicted on the Prisoner and Defendant, 304½. because he did not inflict a fatal wound. 305. Yea, the undersigned is even of the opinion, subject to correction, 306. that the poena morti proxima ought to be mitigated with respect to the prisoner and defendant; 307. for although vengefulness governed the actions of the prisoner and defendant,

Dutch transcription

door lieden Art=l 231. die hunne meedoogendheid met het onge„ lijk van den gev: en Ged: ten kosten van de r: O: Eisscher hebben zoeken uit te oeffenen 232 het geen waarlijk eene qualijk geplaatste menschlievendheid is, 233. /( doch het geen de Gev: en Ged: wijders ad art: 29 en 36. heeft voorgewend, 231. dat hij namentlijk door drift is vervoerd geweest, 235, opereert deer sterk ten zijnen voor„ deele, 236, want afschoon te vooren reeds is aangetoond 237 dat den gev: en ged: waarlijk een quaad opzet heeft gehad 238. zo kan de ti0. Eisscher nochtans niet entveinsen 239, dat de substituut door het slaan met de kotting rotting de driften van den gev: en ged„ kon hebben gaande gemaakt, 240, en dat hier door de wraakgierigheid van den zelven tot die hoogte is gebracht ge„ worden 24. dat hij den substituut zo geweldig heeft geslaagen en getrapt 242, aliquo mitus autem punicntur, qui im„ petu deliquerumt 243 zegt Matthous de Creminibus l: 48 tit 18 C: 4: m: 8. 244 en livecia sent ea regt Cicew l: 2 de off: qua repentino alique motu accidient 245: quam ea quie meditate et properatie infe„ runtier 246 hen voege hier bij het geen Caspt: zes de Hoofdo„ stuk n: ult: leeaart, 217. dat de gramschap voorkoomende uit eene wettige oorzaak 248, zo niet geheel ten minsten gedeeltelijk ver„ schoont, 249 dies de Daader ligter gestraft worde 250, noemende Carpz - eene wettige oorsaak zo iemand door een ander uitgedaagt, 251. of op eene andere wijze beleedigt zij gewor„ den 252, en voor zo verre de gramschap van den gev: en Ged: door de laatste rotting slaagen van den substituut kan gerecht worden ontstoo„ ken te zijn. 253, voor zo veerre zal ook deese omstandigheid de rotting slaagen nam: ten zijnen voor„ deele militeeren 254. e doch de Dronkenschap van den ger en Ged: kan hem zeer weinig baaten. 255. om dat deselve niet van eenig belang is ge„ weest, 256. ten minsten niet zodaanig„ 257. dat den gev: en Ged: daar door in de reede lyke lijke bestiering zijner raaden is verhinderd geworden; 258 zo als zulx uit alle de omstandigheden van het feit kan consteeren, 259. kunnende dit zelfs worden opgemaakt uit des „gev. s en ged eigen responsioen 260. waar in hij alles zo vorgvuldig te daat heb„ bende genoomen 261. dat hem maar eenigsints in zijn kraam te passe konde koomen 262 ook zeekerlijk niet zou hebben nagelaaten, zijn dionkenschap te allegueeren 263 f laatstelijk sou het de orgerijmdheid zelve zijn in dit geval de exceptie van noodweer te wil„ len emploieeren 264. daar het zeeker is dat den Gev: en Ged, den vuijstslag en schop aan den zubstituit heeft toegebracht, 265. toen deesen reeds buijten staat was om hem neader verder te beleedigen, zo als wij te vooren. op act 187 e 188 geteen 266, hebben 267 nu is het ook zeeker dat hij die noodweer allegueert bewijzen moet 268. dat hij zich in zier groot gevaar heeft bevon„ den 269 en dat gevaar op geene andere wyse heeft kunnen ontkoomen 270; als door zich op eene geweldaadige wyze te weer te stellen 271. want gelyk ulpianus zegt in sege 5, piff ad legem aquiliam 272. siquenquing alium feiro se petentem quisoccident non redebitus injuria occuris se 273. 8, si metu quis mortisfureur occident, nan dubitatibur quin lege aquilia non teneaturs 27½, sin autem, cum posset approkendere mali„ it occidere magis est ut injuria fecis se videatier 275 ergo et Coinelia Tenebitur add L: 45. 51 ffeod: 276. noodweer kwam dierhalven in Cas subjec niet eens te pas, 277. en kandengev: en Ged: ook dienvolgens zelfs niet geconsidereert worden, als iemand 278, die het moderamen inculpate tutela geex„ cedeert heeft, 279 wanneer UE E: Achtb: deese getrouwelijk voorgedraagen omstandigheeden 280. met de daarbij gevoegde raisonne„ menten 281. met alle naauwkeurigheid overwee„ gen 282. zullen deselve bevinden, dat wel is waar onder die circomstantien gevonden worden a tum ad 5 283 welke woorden gev: en ged. militeeren 284, doch dat evenwel uit het geval in quaestee niets te erueeren is 285, dat den techter soude kunnen beweegen omn de gev: en ged: van alle straffe vrij te spreeken 286. indien derhalven de geven ged: straaf„ baar is, 287 zo blijft noch eindelijk deese laatste vraage overig 288, hoedanige straffe in cas subject aan de misdaad voor geevenreedigt moet worden gehouden. 289 en aan den gev: en ged: als den daader geinfligeert behoort te worden, 2 290, volgens de rom: wetten zou de gev: en ged: 291. als met een vraakgieng opzet zijn even wensch gewond hebbende 292. ofschoon de wond niet is doodelyk geweest geweest, evenwel met de ordinaire dood„ ttraffe moeten worden gestraft, 294, om dat het quaad opzet, de aclus malus volgens deselve wetten genoeg was, 295, om iemand de gewoone straffe te dieen ondergaan 296, al was zijn aanslag mislukt en geen doodelyke woude toegebracht, 297 In legeenin conelia aclus pro facto acc pitur L: J ff de seg. crim: de Licanis 298 et qui hominem non accidit, sed vulneravit uit occidat, pro homicida damnandus L V 1: 3 postinit ffeadem 299 Edoch de Practijk van geheel Europa valt zo otzeng in deesen niet 300, maar worden zodaanigen met extraor„ dinaus, en mindere straffe aange„ daan 301. en komt men tot geeen doodsteg als als wanneer de omstandigheeden tot op een hoogen trap, van boosheid stijgen, 302. en het gevolg van de pooging en veer„ gevaarlijk is, 303. Huber, heedend: rechtsgeleerdh. 3 BD oek 13. Cap:l no 5. 304. De doodstraf kan dus aan den Gev: en Ged: niet worden geinfligeert, 30½ om dat hij een doodelijke wonde heeft toegebracht, 305. Iazelfs is de onderget: onder verbee„ tering van begrip, 306, dat de pena morti proxima ten opzichte van den gev en ged: behoort te worden geintigeert 307 307 want schoon de wraakgeerigheid des gev. s en ged: daaden heeft stiert be„

NL-HaNA_1.04.02_11024_0402 view scan ↗

English

and that he therefore cannot be acquitted of malicious intent, nevertheless the more or less justified anger of the Prisoner and Defendant, previously argued more fully from Article 233 to 251, ought to be taken into consideration, as well as his lengthy detention, whereby he can undeniably be said to have already suffered a part of his punishment. Meanwhile, the undersigned judges, saving any better judgment, that this mitigation must not be taken in too broad a sense, and thus not deviate too far from the poena morti proxima. For if someone who strikes another on the jaw with the flat of the hand, in case the person struck has died, even though one must presume that he passed away due to other supervening complications, yes, even though the striking was done without malice, is punished with banishment, see Carpzovius, Chapter 3, number 21, then it is notorious that the Prisoner and Defendant, who acted with malice and struck the substitute with the fist and kicked him with the foot, must be punished with a penalty not far removed from poena morti proxima. Just as such can be inferred from the distinction which one must naturally make between a blow with the flat of the hand and a blow with the fist, or a kick with the foot, on which Carpzovius treats extensively in the same chapter. For which and other reasons and arguments to be further deduced in due time and place if necessary, the Prosecutor, making his demand, concludes that the Prisoner and Defendant mentioned in the heading hereof, by definitive sentence of Your Honorable Worships, shall be condemned to be taken to the place where criminal sentences are customary executed here, in order there, delivered to the executioner, blindfolded with a cloth, and kneeling before a heap of sand, to have the sword swung over his head; that the Prisoner and Defendant shall furthermore, for the period of ten consecutive years, be confined on Robben Island, in order to labor there without wages on the public works, with condemnation of the Prisoner and Defendant in the costs and expenses of Justice, or such other sentence as Your Honorable Worships, as conscientious judges, shall deem proper. Signed: J. A. Truter, qq. In the margin: Exhibited in Court, 28 July 1790. Today, the 26th of May 1789, at half past seven in the morning, the undersigned delegated Heemraden Jan Booijse and Willem Louw, in the presence of the Honorable Landdrost, assisted by the former secretary Johan Jacob Fredrik Wagener, the Colony's sworn Surgeon Carel Philip Zastron, and Fredrik Otto acting in the place of the Court Messenger, proceeded to the place where the Substitute Adolph Jurgensen was slain yesterday towards evening by the burgher Thobias Meinhart. Wishing to examine everything carefully, the delegates first went to or near the carpenter's shop, where according to the indication and on the testimony of the burgher Johannes Petrus Smit the manslaughter was said to have occurred, and found that about eight feet from the wall a large puddle of blood was to be seen, this place being provided with some sandy hard stones raised out of the ground. The delegates having proceeded further to the dwelling of the deceased Substitute Jurgensen, into which his corpse had been transported, found the deceased lying on a small mat in his full clothing. Subsequently, having had the aforementioned Thobias Meinhart brought to the corpse, he was asked by the Honorable Landdrost whether he, Meinhart, recognized that corpse as the Substitute Jurgensen, and whether it was not he who had thus deprived him of life, to which question the said Meinhart answered in substance: He looks deformed; in all probability I struck him so in my drunkenness and out of hastiness, because I was struck; I beg for mercy, Gentlemen, mercy. Furthermore, the corpse having been undressed, nothing could be observed on the front of the body, and having been turned over, it was found that the back, buttocks, and legs were entirely blue, which was attributed to the settled and coagulated blood. On the head, there was externally discovered a wound on the nasal bone, and further that the eyes, lips, and the entire face were blue and swollen. The Surgeon having subsequently made a cross-incision over the nasal bone, showed the delegates that the nasal bone was completely crushed on the inside, and thus, according to his testimony, a mortal wound. And after the hair of the head was shaved, no external wounds were discovered. The Surgeon, proceeding to open the head, showed further that on the left side of the frontal bone, due to a blow, thrust, or fall, coagulated blood surrounded by bluish parts was to be seen between the skin and the bone. Whereupon further, upon opening the head, at the indication of the said Surgeon, it was noticed that the membrane of the back part of the head was burst and the brain swollen. Which wounds, upon the testimony of the Surgeon, would each in itself be mortal. Furthermore, at the request of the prisoner Thobias Meinhart, the delegates proceeded to the room where he was held in custody, in order to inspect the blows inflicted on the prisoner by the late Substitute Jurgensen with a rattan cane and by the orderly riders with their sabers.

Dutch transcription

388. en hy dus van een kwaad op zet niet vrij te spreeken is 309 zo behoort evenwel de min of meer rechtmaatige gramschap van den Gevi en Zee, 310 te vooren van Act:l 233 tot 251 breeder betoogt. 311. in consideratie te worden genoo„ men 312. zo wel als zijne lang wijlige detentie, 313. waar door hy zonder teegenspraak kan gezecht worden reeds eene gedeelte zijner straffe te hebben geleeden 314. ondertusschen oordeelt den ondergez: /: salva melioii alicouw Indicio dat die mitigatie niet in een in eer al te uitgestrekten zin moet worden opgevat, 315, en dus niet te verre afgeweeken van de pona morti proxima 316, want word iemand die een ander met de vlatte hand eene kinne„ bakslag toebrengt, 317 indien de getroffen gestorven is 388. afschoon men veronderstellen moet dat hij door andere opkomende toevallen is overleeden buijten 389 Ja ofschoon de Treffen list verkeerd 320 met bannisement gestraft, zie Caupr: 3 Hoofdst: n. 21 321. dan is het notoir dat de Tev:e en Ged: die in list verkeerd 322. en den substituut, met de vunst verte geslaagen en met den voet ge¬ trapt heeft, 323, met eene niet veire van pena morti proxima verwijderde straffe moet worden gepleeseert. 322 Gelyk zulx kan worden opgemaakt uit„ het onderscheid 325 welke men natuurlyk moet stellen tusschen een slag met de vlatse hand en een vunstslag, of trap met de wet. 326 „ waarover Carprovins in het zelfde Hoofstuk breedvoerig handeld, Mits welke en andere reedenen, enmiddelen in tijd en wylen is het nood nader te deduceeren, de 2. d Eisscher risch doende con„ cludeende, dat den Gev. en Ges inden hoofde deezes gemeld, by defini„ tive vonnisse van U Wel Edele Achtb: zal worden gecondem„ neert omme gebracht te worden ter plaatse daar men alhier ge woon is crimineele sententieu ter executie te leggen, om aldaar, den scheepreehter overgeleevert met een doek voor de oogenge„ blind, en voor een koop Land ieder gekneld zijnde, met den zwaarde over het hoofd te worden geslaagen, dat den gev: en ged: wyders voor den tijd aan tien agter een volgende Iaaren, ten robben Eilande zal worden geconfineert, omme aldaar, zou„ der loon aan de gemeene wer„ ken te arbeiden, met condem„ natie van den Gev. en Zed in de kosten en mis en van Iustitie, ofte zodanig anders als UE E: Achtb: als gemoedelyke techters zullen oordeelen te be„ hooren„ /:get:/ I: A: Truter qq /:in maigine:/ Exhibitum in Judicis 28 Julii 1790. Op heeden den 26 Maij 1789. s' morgens de klotse ½ voor 8 uuren hebben de onderge„ teekende Gecommitt=s Heemraaden Jan Booijse en Willem Louw, ten overstaan van de Heer Landdrost geadsisteert door den oud secretaris Johan Jacob fredrik Wagener, s' Colonies gesn: Chirurgijn Carel Philip Zastion, en den in de Plaats van Ge„ rechts Boode treedende Fredrik, Otto, zich be„ geeven, naden Plaats, alwaarden Sub„ stituut, Adolph Iuigensem door den B3 wi„ ger Thobias Meinhart gisteren teegens den avond was verslaagen. - Alles naauwkeurig willende op„ neemen, hebben zich gecommitt:s eerst vervoegt, bij oefte omtrend de Timmer„ mans Winkel, alwaar volgens aanwising en op getuijgenis van den Burgen Po„ hannes Petrus Smit de manslag zou¬ de geschied zijn en bevonden dat omtrend agt voeten vande Muur een groote plas bloed te zien was, zijnde deeze plaats voor„ zien van eenige uit den grond verhevenen zandagtigen zandachtige harde Steenen Gecommitt=s zich verder vervoegt hebbende na de wooning van den overleedene sub„ stituut Iurgensen in dewelke zyn Lijk was getransporteert, hebben den ont„ zielden in zijn volle kleeding op een matje leggende gevonden, vervolgens opgem. Thobias Mijn¬ haid bij het lijk hebbende doen brengen wierd denselven door den Heer Land„ drost gevraagt, of hij Mijn hart dat Lijk erkende voor den substituert Juugens en en of hij het niet was die denselven zoo om het leeven had gebracht, op welke vraag ged. e Mijnhart in sub„ stantie antwoorde, Hie ziet er mis„ maakt uit, na alle waarscheynlijkheid heb ik hem in mijn dronkenschap en uit haastigheid zo geslaagen, om dat ik geslaagen geworden ben, Ik versoek genade Mijne Heeren Gemade Wijders het Lijk ontkleed zijnde heeft me aan het Lichaam van vooren niets kun„ nen ontwaaren, en omgekeert zijnde, de vonden dat de rug Billen en Beenen heel blaauw waren, het welk men aan het bestorven en gezonnen Bloed kwam toe te schrijven Aan het hoofd ontdekte men uitterlijk een wond aan het neusbeen, en voorts dat de oogen lippen en het gantsche aangezicht blaauw en opgeswollen waren, Den Chirurgijn vervolgens over het neusbeen een kruijsgesneeden hebbende, toonde gecommitteerden aan, dat het neusbeen van binnen geheel vermorselt was, en dus vol„ gens zijn getuijgenis een doodelijke wonde En nadat het hair van het hoofd was geschooren, ontdekte men geen uit„ terlijke wonden. Den Chirurgijn voortvarende het hoofd hoofd te openen toonde wijders aan dat aan de linker zijde van het osfrontis door een slag, stoot of val tusschen het vel en het been gezonnen bloed omringt met blaauwachtige deelen te zien was. — Daar men wijders noch bij het oopenen, van het hoofd, op aanwij„ zing van geme Chirurgijn gewaar wierd dat Vlies van het agterste gedeelte van het hoofd was geborsten en de hars„ sens opgeswollen. - welke wonden op getuijgenis van den Chirurgijn ieder op zich zelve doodelijk zoude zijn Wijders hebben zich gecommitt=s op ver„ zoek van den Gevangenen Thobias Mijn„ hart, begeeven na de Kamer, daar densel„ ven in hechtenis, zat, ten einde te bezichti„ gen, de slaagen die aan den Lev: door wijlen den substituut Iurgensen met een rottang en door de oidonn: ruijters met hunne Sabel

NL-HaNA_1.04.02_11024_0410 view scan ↗

English

sabers had been inflicted, and having undressed Mynhart, found that on the left side, as well as on the arms and the elbow, some blows were visible without it being possible to distinguish clearly with what they had been administered. below stood: Graaff-Reinet, date as above lower: he present, signed P. I. v. Wagener, Secretary; in the margin: As Commissioned, signed: Jan Booysen, W. Louw. Tuesday the 26th of May 1789. In the morning at 8 o'clock, I, the undersigned sworn Colony Surgeon, proceeded, in the presence of the Landdrost Woeke, assisted by two Commissioned Heemraden and the former Secretary, first first to the place where the deceased had been beaten, this being between the carpenter's dwelling and the watercourse, where we found a large pool of blood; after this we proceeded to the house of mourning, and found the deceased just as we had had him laid down yesterday; the entire face looked monstrous and was suffused with extravasated and coagulated blood; from the nose and mouth a large quantity of blood and foam had flowed; the cadaver had already proceeded to putrefaction and already had an edematous stench; above the nose was a small wound, which I probed, and found that the nasal bone was broken; the cadaver being completely undressed, I could not find anything remarkable on the entire body; having turned the cadaver over, I saw that it was completely purple and blue from behind, which I judged to have been caused by the sudden constriction of the blood vessels and the subsequent settling of the blood, as the body had lain on its back; I then had the body laid upon a wide plank that was placed on two trestles, and opened with an instrument by a cross-incision the wound above the nose, and found that the entire nasal bone was broken into splinters, so that I could take out as many as 5 to 6 splinters. The hair having been shaved from the head, I saw nothing externally except that except that the head from behind, as well as the entire body, looked purple and blue, and was thus also attributed to having been caused in the same manner. The integuments having been cut crosswise over the head with an instrument, and dissected free from the cranium, I found on the left side of the temporal bone an elevation, which I found to be suffused with coagulated blood; the membrane over it was tightly stretched, so that one could clearly see that a blow or thrust had been inflicted upon that same place by the aggressor. The cranium having been sawn free by me with the greatest accuracy using an amputation saw, I was surprised that a watery blood came toward me through the opening that I made, but found, after I had removed the cranium, that the dura mater, tunica arachnoidea, and pia mater were all burst open from behind, so that I could see the bare brain lying underneath. All the aforementioned having been inspected and examined with the greatest accuracy by me, the undersigned, and demonstrated to the Landdrost and Commissioners, and having found nothing more unnatural, I placed all parts back into their proper places, covered them again with the cranium, and stitched the integuments together according to the art with a needle suited for that purpose and waxed silk thread. I also demonstrated to the Landdrost and Commissioners that these previously found and demonstrated traces were fully sufficient to have caused such a sudden death, and subsequently asked the Landdrost and Commissioners whether they deemed it necessary to have a further post-mortem and examination performed by me, which they judged not to be necessary. This inspection having ended, the Landdrost, Commissioners, and I, the undersigned, were also requested to go to the arrestee Mynhardt, who had complained about blows with a stick inflicted by the deceased; we thus proceeded together to the prison of Mynhart, on whom, after he had bared the places where he claimed to have been mistreated, I could discern nothing more than a stripe across the arm and two to three stripes across his back, which were just red. Upon this I further asked the arrestee with what instrument he had so mistreated the deceased, who testified, with nothing but his fists, and thereupon complained several times about his sad fate, crying out: Ah God, help me then Gentlemen, I did it in drunkenness. below stood: Graaff-Reinet, the 28th of May 1789, was signed: Carel Philip Zastron, sworn Colony Surgeon. Extract from the Criminal Roll of Justice held at Cape of Good Hope on Thursday the 29th of April 1790. Further, by the said Deputy Fiscal, acting ex officio for the Landdrost of Graaff-Reinet, was produced an attestation granted by the surgeon of that colony, Carel Philip Zastron, regarding the examination of the body of the substitute Johan Adolph Jurgens, and at the same time a request was made whether, since the said attestation was indeed good as to form, but certain obscurities had arisen in the same as to substance, which would hinder him in drafting the criminal indictment against the detained burgher Thobias Mynhart, to have that elucidation regarding the nature of the wounds inflicted upon the said Jurgens

Dutch transcription

Sabels waren toegebracht, en den spo„ Mynhart ontkleed zijnde bevonden dat er aande linkerzijde mitsgs op de ar„ men en de Elleboog eenige slaagen te zien waren zonder dat men distincte„ lijk kon onderscheiden waar meede dezelve waren geappliceert. /:onderstond:/ GraaffPreinet datum ut Supra /:laager:/ hij praesent :/ geteekend / P: I: vr: Wagener Secretaris /:in margine:/ Als Gecommitt:/ geteekend:/ Jan Booipsen W: Louw: Dingsdag den 26 Maij 1789. Sman gens te 8 uuren vervoegde ik onderget: geswoore Colonies Chirurgijn mij in prasentie vanden Heer Zanddrast Woeke geadsisteert door twee Gecommitteerde Heemraaden enden oud Secretaris ten eersten eersten na de Plaats alwaar den overleedene geslaagen was, zijnde dit tusschen de Timmermans woo„ ning en den waterloop, vonden aldaar eene grote blek met Bloed hierna vervoegden wij ons naar het sterfhuijs, en vonden den ontzeelden zo als wij hem gisteren hadden laan ten leggen, het geheel gezich zag er monstreus uit en was met extravaceert en enageliert bloed onderloopen uit de reusen mond was een meenigte bloed en schuijm geloopen het Cadaver was reeds tot patrefaction overgegaan en had reeds een oedomateesen stank, boven de neus was een kleine won„ de, dewelke ik zondeerde, en vond dat het neusbeen gebrooken was, het Cada„ ver geheel ontkleed zijnde heb get ik aan het geheel lichaam niet merk waardig a ls den smon waardigs kunnen vinden, het Cada„ veromgewend zijnde zag ik dat het van agteren geheel pers en blaauw was, het welk ik oordeele veroorzaakt te zijn, door deschielijke Contriction der bloedvaten en daarop gevolgde afsatting des Bloeds, dewijl het Lichaam op zijn rug sag ik liet daarna het lichaam op een breedeplank dewelke op twee schragen gezet was leggen, en opende, met een Instrument door een Sec„ tien overkruys de wond boven de Neus, en vond dat het geheele neusbeen in vlenters gebrooken was, dat ik wel 5 a 6. splinters daarin't neemen konde. de Hairen van het hoofd afgeschoozen zijnde, zach ik van buijten niets als dat 1 als dat het hoofd van agteren zo wel als het geheele Lichaam pers en blouw uitzag en dus ook op deselfde wijs ver„ oorsaakt te zijn, toegeschreeven werd de integumenta, met eeen instrument over kruijs boven het hoofd gesnee„ den zijnde, en van het Cranum los gesearificeert, vond ik aan de linker zijde van het Os Tempozum een verhee„ rendheid, die ik bevond met gevonnen bloed onderloopen te zijn, het vlies daar over was stijf gespannen, dat men duijdelyk konde zien hem zij door den Aggresseur op deselve. Plaats een slag of stort toege bracht. Het Craniuw met de grootste accu„ hatesse door een amputations daag door mij los gesaagt zijnde, was ik ver„ wonderd dat mij een waterig bloed, 3 dat „ door de opening die ik maakte tee„ gen kwam, maar bevond na dat ik het Cranium afgenoomen had, dat zo wel de dura mater, tunica arach„ noidea, en Pia Mater, van agteren open geborsten waren, zodat ik de bloote harsenen die daaronderleggen. zien konde, Alles het voorengemelde van mij onderget: met de grootste accuratesse bezichtigt en visiteert, en aan de Heer Landdrost en Gecommitt. s aange„ toond en niets onnatuurlyks meer gevonden, heb ik alledeeltjes weeder in haare behoorlyke plaatse gebracht, met het Chancum weder bedekt, en de integumenten met een daar toegeschikte naald, en gewas de zijdene draad naade konst aan malkan, deren deren gehecht. Demonstreerde teffens aande Heer Lamddrost en gecommitt=s dat deese voorengevondene en aange„ toonde rudera heenrijkend genoeg wa„ ken, de zo schielijke dood veroorzaakt te hebben, envroeg vervolgens aan de Heer Zanddrost en gecommitt=s of zij voor nodig oordeelden nader obduction en visitatie door mij telaaten doen, het welk zij niet nodig te zijn oordeelden Deese schouwing geeindigt zijnde, ver„ zocht de Heer Landdrost, Gecommitt en mij onderget: meede na den Ar„ restant Mynhardt te gaan, dewelke klachtig gevallen was, over uitgedeelde kottingslaagen van den Overleedene vervoegden ons dus gezamentlyk na den gevangenis van Mynhort, aan welke ik nadat hij de Plaatsen ontbload had, waar hij voorgaf mishandeld te zijn, niets ne niets heb kunnen ontwaaren als een streep over de arm en twee a drie streepen over zijn rug, dewelke effen ses raad waren, Jk vroeg hierop nog aan den Arrestent door welk in„ strument hij den overleedene zoda nog mishandelt had, dewelke be„ tuijgde, door niet als zijne vuijsten en daar bij zich tot verscheide maalen over zijn droevieg lot beklaagde, uit„ roepende, Ach Godt, help mij doch Heeren ik heb het in dronkenschap gedaan /.onderstond:/ Graaffe Reinet den 28 Maij 1789, /: was„ geteekend:/ Carel Philip Pastieu gesw: Colonies Cherurgijn Extract uit de Crimineele Rechts Rolle gehouden aan Donderdag den 29 April 1790 Wyders werd door gem: adjienct fis„ caal, als en afficio voorden Landdrost van Traafferemet ageerende, geproduceert eene Attest verleend door den Chirurgijn dier Co„ lonie Carel Philip Lastron, weegens de visitatie van het Lijk van den Substi„ tunt Johan Adolph Siergensen en hef„ fens versoek gedaan of, nadien het ged: attest wel quod ad formani goed was edoch zich quod ad matesiam in hetzelve eenige duijsterheeden hadden opge„ daan welke hem bij het coucheeren vanden Crimineelen Eisch jeegers den gedetineerden Burger Thobias Mijnhast hinderlijk zijn zouden om weegens de gesteldheid der aan gem: Jurgens toegebrachte wonden die eluci„ aan Cabo degoede Hoop op datie

NL-HaNA_1.04.02_11024_0418 view scan ↗

English

to be able to give information which, in this critical case as an officer, he would otherwise be obliged to furnish to the council, whether it may please the council to place the aforementioned post-mortem report in the hands of experts, in order to be able to proceed with greater certainty in this matter based on the advice given on that subject, Which request having been taken into consideration, it was approved to place the cited surgical certificate into the hands of the three chief masters of this government, the Honorable Hendrik Lesueur, Johannes Leeuwer, and D: Pallas, in order to serve this Council with their considerations thereon. underneath stood Agrees was signed W: S: van Rijneveld, secretary — To the Honorable Worshipful Johannes Isaac Rhenius, President, together with the other Honorable Worshipful Councillors of Justice of this Government. Honorable Worshipful Sir, Honorable Worshipful Gentlemen. With great respect, we, the undersigned, after taking inspection of the certificate regarding the fatality of the injury inflicted on the deceased Substitute J: Adolph Jurgensen, drafted at the Colony of Graaff-Reinet by the Surgeon Carel Philip Lastrou on 28 May 1789, have the honor to report, That the rupture or bursting of the meninges absolutely cannot have taken place, by reason of their strength, the soft and tender part contained therein, added to that, and specifically lying protected within the hard skull, which latter not being broken, torn, depressed, or internally splintered, the bursting of the membranes is impossible. Easily this might have happened during the sawing through of the cranium, when one sees the signs of having arrived at the diploë or middle layer, not proceeding more carefully, one slips through and thus cuts through the membranes themselves. This seems to me the most probable. Fracture or breaking of the nasal bone is in itself not fatal, except in the case where the fragments might have caused the tearing of blood vessels through the breaking, which could not be arrested. However, since no accidents or symptoms are reported, we say the aforementioned wounds are not fatal. The blood and foam that had run into the nose and mouth is frequently found in corpses that have died of apoplexy or liver disease. Concerning the bruising and effusion of blood, since we did not assist at the post-mortem inspection, we can only report this, hoping to have complied with the very honored order of Your Honorable Worships, who have the honor to call themselves with deep reverence and respect, Honorable Worshipful Sir, Honorable Worshipful Gentlemen, Your Honorable Worships' very humble and obedient servants, signed: J: Leeuwer and Pallas. in the margin: Cape of Good Hope, 8 June 1790. Today, 11 August 1789, appeared before me, Honoratus Christiaan David Maynier, Secretary of the Colony of Graaff-Reinet, present the afternamed witnesses, the Burgher Andries Abraham Smit the elder, who, at the requisition of the Landdrost Maurits Herman Otto Woeke, declared it to be true: That the deponent, having walked past the house of the late substitute Jurgensen on the 25th of the past month of May, had seen him, Jurgensen, standing in front of the door with the presently detained Burgher Thobias Mijnhart, and was hailed by them; That the deponent, having entered at their request, the aforementioned substitute had offered him a dram of arrack, which the deponent having accepted and drunk, a dram had also been drunk from the bottle by each of them; That after the deponent had sat there for a little while, the aforementioned substitute offered him a second dram anew, but having declined it, both mentioned persons had drunk the remainder from the bottle; That in the meantime, one and a half bottles of arrack had been tapped from a cask by the wife of the aforementioned Jurgensen in the presence of the deponent, with the addition, "that is now the last, and I shall lock that away"; That the mentioned Jurgensen, wanting to fetch the mentioned half bottle of arrack from the room, his repeatedly mentioned wife had run ahead of him, Jurgensen, and had locked the room door, upon which the mentioned Jurgensen had given some kicks against the room door, and attempting further to kick open the room door, was diverted therefrom by the more often mentioned Mijnhart, who had taken the repeatedly mentioned substitute by the arms and said, "do not do that, Monsieur Jurgensen, we have indeed drunk enough now, your wife is putting it away in order to, as she said, make punch from it when Mr. Joubert brings sour limes with him"; That the repeatedly mentioned Substitute Jurgensen subsequently went out of the house, and having come inside again, had kicked at the room door anew in such a manner that the plastering had flown from the wall, and again as before was pulled away from it by the arms by the more frequently mentioned Mijnhart; That the repeatedly mentioned wife of the substitute, indignant at this conduct of her husband, had stood up and had fetched the half bottle of arrack from the room, and having set it upside down on the table, had pulled out the cork and said, "see there, if you want to booze after all, then booze, damn it," whereupon the mentioned Mijnhardt, seeing that the arrack was running out of the bottle, had picked it up and, having put the cork back in, had said to the repeatedly mentioned wife of the said substitute, "Ma'am, I beg you, put it away, we have already drunk enough, yes even too much, it is a shame that it is being wasted so, you indeed promised Mr. Joubert to keep arrack to make punch upon his arrival here," but that the repeatedly mentioned wife not wanting to take the bottle with arrack, the frequently mentioned Jurgensen had taken it, and having drunk from it, had urged the frequently mentioned Mijnhardt to drink as well, and the same Mijnhardt not wanting to drink, and the repeatedly mentioned Jurgensen persisting in holding the bottle before him and persuading him to drink, the mentioned Mijnhardt took the bottle and the same without drinking

Dutch transcription

datie te kunnen geeven welke hij in deese exitique zaak als officier ander„ zints verplicht zoude zijn, den raade te moeten suppediteeren, het oversulx vans raads welbehaagen zijn mooge vvorsz: Schouwacte testellen in Landen aan des kundigen, ten einde op het diesweegens gegeeven advies in deesen met te meerdere zekerheid te kunnen de werk gaan, Welk versoek in overweeging genoomen zijnde is daarop goed„ Chirurgicaal gevonden, het geciteerde attest te stellen in handen van de drie oppermeesters deezes gouverne„ ments d' E. Hendrik Lesueur, Jo„ hannes Leeuwer en D: Pallas, om deesen Raade daarop te dienen van derselver Consideratien. /:onderstond:/ Accordeert /:was geteekend: Woff. W W: S: van Rijneveld, secreta„ ris — Aan den Wel Edelen Achtb: Heer Johannes Isaac Thenius Praesident benevens de verdere E: Achtbaare Heeren Raaden van Justitie deeses Gouverne, rkents. WelEdele Achtbaare Heer E: Achtbaare Heeren. Het zeer veel eerbied hebben wij on„ derget: naa genoomen visie weegens het opd om op de Colonie Graafferreinet door den Chirurgijn Carel Philip Lastrou &n b Na to 28 Maij 1789 geformeerd attest over de lethaliteit, der aan den overleeden Zubskikunit I: Adolph Jurgensen toege„ brachte blessuure en worde De Eer te berigten, Dat de scheuringe of beistinge der hersen vlies volstrekt geen Plaats kan heb„ ben, om Reden derzelver sterkte, de weeke en zachte partij hier in bevat, daar bij ge„ voegt, en bepaaldelijk beschut legge in de 20 harde haisenschaale, welke laat„ ste niet gebrooken, gescheurd ingedrukt of inwendig afgesplintert zijnde, de berstinge der vliese onmoogelijk is. Licht zoude dit geschied zijn bij het door zaagen des Craniums, wanneer men de teekenen ziet van bij het diptice af Pa„ felscheidsel gekoomen te zijn, niet dachter te werk werk gaat men doorslipt en dus de vlieze zelfs doorzaagt. dit komt mij het waarschijnlykst voor Fractire of verbreekinge van het neasbeen is op zich zelve niet doodelyk dan ingevalle door de verbreeking de prachmente oehy scheuringe van bloedvaaten mogt ge„ maakt hebben, welke niet te onderschep„ pen waren egter van geen toevallen iets gemeld wonden niet zijnde, zegge bovengem: bethaal te zijn. Het bloed en schuijm wat int neus enmond was geloopen vind men meer„ maalen in lijken die aan appoplexie of lee„ werte gestorven zijn. omtrend de kneusinge en onderloo„ pinge des bloeds, vermits wij bij de schon„ winge niet geadsisteert hebben, kun„ nende melden, hoopen wij voldaan he hebben aan de zeer geëende ordre van Veel UWel Edele Achtb: die d' Eer hebben zich met diep ontzag en eerbied te noemen Wel Edele Achtbaare Heer E: Achtb: Heeren. Wel Edele Achtb: zeer en derdaanige en gehoor„ zaame Dienaaren /:geteekend:/ I: Leeuwer en Pallas. /:in maigine Caba de goede Hoop en 8 Juny 1790. Huijden den 11 Augustus 1789 Compareerde voor mij Heneratus Christiaan avid David Maynier, Secretaris der Colonie Graaffe Reinet, present de naten getuy„ gen den Burger Andries Abraham Smit d'oude, dewelke ter requisitie van den Heere Land„ drost Maurits Herman Otto Weelke, verklaar„ de hoe waar is. dat den Compt. op den 25 der gepasseerde maand Marij voorbij de wooning van wijlen den substituut Iurgensem gegaan zijnde hem Jurgensen met den Thans gedeti„ neerden Burger Thobias Mijnhart voor de deur had zien staan en door de„ selve was aangewepen dat den Compt op hun versoek binnen getreeden zijnde geme: substitut hem een Loopje Arak had aangeprosenteert, het welke den Comp=t geaccepteerd en gedion„ ken hebbende, door hun beide ook eider een loopje uit defles was gedronken dat nadat den Compt. daar een poosje gezeeten had evengem: substituuit hem op nieuw een tweede soopje aanbood doch daar voor bedankt hebbende, beide, gemelde Persoonen het restande uyt de vles gedronken hadden, dat intusschen door de Huijsvrouw van meeuw: Iurgensen uit een Vat een en een half fles arak in het bij„ weesen van den Compt was getapt geworden, met bijvoeging dat is nu het laatste en dat zal ik weg sluijten dat gem: Iurgensen gem halfe ffles Arak uit de kamer willende haalem des„ zelfs meerm: Huijsvrouw hem Jurgen„ sen was voorgeloosen de kamer deur had geslooten, waarop gemelde Jurgensen „ eenige trappen teegens de kamer deur had gedaan, en trachtende verder de kamer deur open te schoppen door meerged: Mynhart daarvan was gedetourneert, dewelke meerm, substituut had bij de armen genoomen en gesegt, moet dog niet Monsr Iurgensen wij hebben immers nu genoeg gedronken, je vrouw bergt t om om zo als zij gezegt heeft, wanneer de Heer Poubert Zuurlimoenen meede brengt daar van ponche te maaken dat meerm:e Substituut Iurgen„ sen vervolgens uit het Huis gegaan en wederom binnen gekoomen zijnde op nieuwen wel zodaanig aan de Kamerdeur had getrapt, dat de pleistering van demuur was gevlogen en wederom gelijk vooren door meer„ gerepte Mynhart bij de armen daar van was afgetrokken. dat meerm: Huijsvrouw aan den substituut door dit gedrag van haaren man geindigneert, opgestaan was en de halve fles arak uit de kamer had gehaald, en deselve t'onderste boven op de Tafel gezet hebbende de prop had uitgetrokfen en gezegt, zie daar als je toch zuijpen wilt zuijpt dan voor den Donder, waarop gem: Mijn hardt ziende dat dat de Arak uit de fles liep deselve op„ genoomen en de prop opgedaan heb¬ bende aanmeerm. Huysvrouw aan ged: Substituut had gezegt, Iuffr: ik bid je bergt het wij hebben reeds genoeg, Ja zelfs te veel gedronken het is samma dat daarmeede zo gemorst word je hebt immers de Heer Joubert beloofd, Arak te sullen bergen om bij zijn komst alhier ponche te maaken, doch dat meerm: Huijsvrouw de fles met Arak niet willende aanneemen dikwerfgem: Jurgensen deselve had genoomen, en daaruit gedronken heb„ bende dikwerfgem: Mijnhaidt had ge„ drongen ook te drinken, en deselve Mijn„ hard niet willende drenkens en meerm Juigensen aan houdende hem de kles voor te houden, en tot het drinken lepersnadee„ ten gemelde Mijnhard de fles aan„ genoomen ende deselve zonder te drenken

NL-HaNA_1.04.02_11024_0427 view scan ↗

English

to drink, had placed it down on the table, that the substitute had repeatedly forced the said Mijnhardt to drink, who nevertheless had not wanted to do so but had said: we have drunk enough, I wish that the drink were in this place or that, your wife is angry and mine is calling for me, I must and I shall go home; whereupon the substitute, holding back the said Mijnhardt, had replied: why, just stay here and do not pay attention to my wife, she is an old grumbler; whereupon the appearer got up and went out of the house. Declaring nothing further, the appearer gives as reasons of knowledge as in the text, being prepared to confirm the same further with a solemn oath. Which thus occurred at the secretariat at Graaffe Reinet in the presence of the former former Secretary Wagener and the court messenger Johan Christiaan Sielin as witnesses, who have duly signed the minute hereof together with the appearer and me, the secretary. Below: Which I witness. Was signed: H C D Maynier, Secretary. Review There appeared before us, the undersigned commissioned heemraden, qualified for this purpose by the Most Honorable, Stern Lord Governor and Honorable Political Council, the burgher Andries Adriaan Smit the elder, who, this his aforementioned deposition having been read out to him word for word, clearly and distinctly, testified that he persists therein, wishing that nothing be added to or taken from it, and spoke therefore in confirmation of the truth thereof the solemn words: So truly help me God Almighty. Almighty. Thus reviewed and sworn, at Graaff Reinet on 12 August 1789. Was signed: A:s A=n Smit the elder. Lower: In my presence. Signed: H D Maynier, Secretary. In the margin: As commissioners, and signed: H: Vd Merwe and W Louw. Today, 26 May 1789. There appeared before me, Johan Jacob Fredrik Wagener, former secretary of the colony Graaffe Reinet, present the afternamed witnesses, the burgher Johannes Petrus Smit, who, in the presence of the commissioned heemraden the honorable Jan Booyse and Willem Louw, at the requisition of the Landdrost of the aforesaid colony, the Lord Morits Herman Otto Woeke, declared it to be true: that the appearer, having dined yesterday, being 25 May, at midday with the late substitute Adolph Jurgensen, together with and alongside the burgher Tobias Meinhart, the appearer had drunk a few drams with them, and that as long as the appearer had been in the house, there had been no quarrel, but everything had proceeded amicably and kindly; that the appearer subsequently went to his work, namely with the thatching of the substitute's dwelling, the appearer, sitting on the roof, had heard that the said Meinhardt had some words with the substitute's wife, without knowing what the dispute was about; that the appearer, having come down from the roof again in the late afternoon between 4 and 5 o'clock, had seen that the late Adolph Jurgensen had wanted to strike the aforesaid Mijnhart with the cane, but the appearer, having intervened, had warded this off; that the appearer, having stepped aside a little thereafter, had seen that the aforesaid Adolph Jurgensen had given the said Mijnhart a few cane blows; that the orderly Jan Cremer, having taken the cane from the often-mentioned substitute Jurgensen, had dealt the often-mentioned Mijnhard a few blows, and that the often-mentioned Jurgensen, having seized the cane again, had struck the often-mentioned Mijnhard another time; that the appearer further had seen that the often-mentioned Tobias Mijnhard had gone to the drostdy and, having returned instantly, took a mouthful of water and spat it out again, and subsequently, having approached the often-mentioned Jurgensen, who was standing near the carpenter's shed, had dealt him one or more blows with the fist; that, the aforesaid Jurgensen having fallen backwards, the said Mijnhard had kicked him in the face with his foot; whereupon the appearer having leapt forward, the often-mentioned Mijnhard also gave the appearer two blows with the fist, and further fetched water and washed the face of the often-mentioned Jurgensen; that the appearer, with the help of the orderly Ruyters and a few other people, had carried Jurgensen into the house, and that the same died suddenly. Declaring nothing further, the appearer gives as reasons of knowledge as in the text, being prepared to confirm the foregoing again with a solemn oath. Which thus occurred at the Drostdy Graaff Reinet in the presence of the commissioned heemraden and in the presence of the soldiers Samuel Krause and Alexander Meckert, which commissioners, together with the witnesses, the appearer, and me, the secretary, have duly signed the minute hereof. Lower: Which I witness. Was signed: P: S: J: Wagener, Secretary. There appeared before us, Jan Booysen and Willem Louw, commissioned heemraden of Review Graaffe Graaffe Reinet, the burgher Johannes Petrus Smit, who, this his aforementioned deposition having been read out word for word, clearly and distinctly, testified that he persists therein, not desiring that anything be added to or taken from it, and spoke therefore in confirmation of the truth thereof the solemn words: So truly help me God Almighty. Thus reviewed and sworn at Graaff Reinet on 27 May 1789. Was signed: P: E: Smit. Lower: In my presence. Signed: I: S: J: Wagener, Secretary. In the margin: As commissioners. Signed: Jan Booysen and W Louw. Today, 11 August 1789. There appeared before me, Honoratus Christiaan David Maynier, Secretary of the colony

Dutch transcription

te drinken op de Tafel had nedergezet, dat den substituut noch bij herhaaling ged. Minhandt gedwongen had te drin„ ken, deselve echter zul niet had willen doen maar gezegt had wij hebben genoeg gedronken ik wenschte dat de Drank hier en daar in was, je vrouwis kwaad en de mijne laat mij roepen, ik moet en ik zal naar huijs gaan, waarop den sub„ stituit ged: Mijnhardt te rug houdende had gerepliceert, wat blijf jij maar hier en stoorjij jouw aan mijn vrouw niet dat is een oude knorpot waarop den Compt opgestaan en het huijs uitgegaan was. Niets meer verklaarende geefsden Compt. voor redenen van wetenschap, als inden Taxt bereid zijnde hetzelve nader met solem„ neele Eede te bevestigen: Dat aldus passeerde ter secretarije aan Graaffe Rreinet in het bijweesen van den /:onderstond:/ oud oud Secretaris Wagener, en den Ge„ rechts Boode Johan Christiaan Sielin als getuijgen, die de Minute deezes beneevens den Compt ende mij le„ cretaris meede behoorlijk hebben om derteekend /:laager:/ T welk ik getuijge /:was geteekend:/ HC D Haijnier Secretaris Recollement Compareerde voor ons onderget: Te„ commiss. s Heemraden, hier toe door den Wel Edele Gestrenge Heere Gouver„ neur en E: Achtb: Politique raade ge„ qualificeert, den Burger Andries Adriaan Smit d'oude, dewelke deese zyne vooren staande Verklaaring van woorde tot woorde, klaar en duydelyk voorgeleezen zijnde betuygde, daarbij te blyven perso„ steeren, met begeerte dat daarvan niets bij of van gedaan zal werden en sprak dierhalven ter bevestiging der waarheid van dien de solemneele woorden zo waarlijk, helfte mij Godt Al„ machtig machtig Aldus gerecolleert en beEedigt, aan Graaff Ranet den 12 Augustus 1789 /:was geteekend:/ A:s A=n Smit d' oude J: laa„ ger: mij Praesent /:geteekend:/ H D Maijnier Secretaris. /. in margine:/ Als Gecommitt=s /:en geteekend:/ H: Vd Merre en WLouw- Huyden den 26 May 1789. Compareerde voor mij, Iohan Iacob Fredrik Wagener, oud Secretaris der Colo„ nie Graaffe Reinet, present de naten getuy„ gen, den Burger Iohannes Petrus Smit, dewel„ ke ten overstaan van de Gecommitt. e Heem„ raaden de E E s Ian Booijse en Willem louw ter requisitie vanden Landdrost der voorsz: Colonie de Heer Morits Herman Otto Woeke verklaarde hoe waar is. /:onderstond:/ dat den Compt. gisteren zijnde den 25 Maij s' middags bij wijlen den substituut Adolph Iurgensen, met ende benevens den Burger Thobias Meinhart gegeeten hebbende, den Comp„t met hun eenige soopjes hadde gedron, ken, en dat zolang den Compt in het Huijs was geweest, geen woorden kwist, maar alles vriendelijk en minsaam was toegegaan dat den Compt. zirh vervolgens aan zijn werk begeeven hebbende, namentlijk met het zelten van des substituuts wooning den Comp=t op het dak zittende gehoort had dat gem Mein hardt eenige woorden had met des substituuts Vrouw, zonder te weeten wat de quaestie was dat den Compt. in de nademiddag tusschen 4„ 5 Uuren, wederom van het dak afgekomen zijnde gesien had, dat wijlen adolph Iurgen„ den opgem: Mynhart met de zotting had willen slaan, doch den Comp t daar tusschen gekomen zynde zulx had affgeweerd, Dat den Compt. daar na wat ter zijde gegaan zijnde gesien had, dat opgem: A„ dolph Iurgensen ged. e Mijnhart eenige rottingslaagen had gegeeven Datd 1 ƒ. dat den ordonn: Ian Cremer de rotting van meerms Substituut Iurgens en afgenomen hebbende meerm kyn hard eenige slagen had toegebracht, en dat dikwerf gein Juigen„ zenden rotting weder gegreepen hebbende andermaal gepepten Mynhard had gesla. gen. dat den Comp=t verder gesien had dat meerm: Tobias Mynhard naar de Diosdij was gegaan en oogenblikkelijk terug gekoomen zijnde een mond volwater genomen en deselve weder had uitgespooken, en vervolgens meerw: Mogen genaderd zijnde /:die bij de Timmermans (agestond:/ denselven een of meerslaagen met de Kuijst had toe„ gebracht, dat op gem: Iurgensens agter over gevallen sijnde gem: Mijnhard denselven met den voet in het aangesicht, had ge„ trapt, waarop den Compt toegesprongen zijnde, meerm: Mijnhard den Comp=t ook twee slaagen met de Tuipt had gegeeven en voorts water gehaald, en het aangezicht van meerm. Tuigensen had gewasten verte n dat den Comp=t met behulp aan de ordonn: Ruijters en noch eenige andere Lieden en Iurgensen in het Huip gedraagen hebleen denselveen subict was overleeden Niets meer verklaarende geeft den Comp=t voor redenen van wetenschap als in den Text, bezeid zijnde het vvoorenstaande, men solemneele Eede weder te bevestigen onderstond:/ Tatal aldus passeerde ten Drosddije Graaff Rreinct ten overstaan van gecomm Heem raaden en in het bijweesen van de soldaaten Samuel Kranse en Alxander Meckert welke gecomm: benevens de getuygen den Comp.t en mij Secretaris de minu te dee zes behoorlijk hebben onderteekend. /:laager 'T welk ik getuige /:was geteekend:/ P: S: J: Wagener Secretaris Compareerde voor ons Ian Bodisz en Willem Louw Gecommitt e Heemraden van Recollement 9 Graaffe Graaffe Reinet den Burger Iohannes Petrus Smit, dewelke deese zijne voorenstaande Verklaaring van woorde tot woorde klaar en duydelyk voorgelesen wesende, betuygden daarby te blyven persisteeren niet begeerende dat er iets bij of vem gedaan werden zal en sprak dierhalven ter bevestiging der waarheid aan dien de solemneele woorden zo waarlijk helpe mij Godt almachtig, /onderstond:/ Aldus gerecolleert en beeedigt aan Praaff Reinct den 27 Maij 1789. /:was geteekend:/ P: E: Smit, /:laager:/ mij praesent /:getee„ kend :/ I: S: J: Wagener Secret. s /:in mar„ gine :/ als Gecommitt. /:geteekend:/ Jan Booysen en WLouw. Huyden den 11 Augustus 1789. Compareerde voor mij Hondratius Christi„ aan David Maijnier Secretaris der Colo„ nie

NL-HaNA_1.04.02_11024_0434 view scan ↗

English

in the Colony of Graaff-Reinet, in the presence of the undersigned witnesses: Fortuijn van Bougies, slave of the discharged sailor Willem Zagener, who, at the requisition of the Landdrost Morits Herman Otto Woeke, declared it to be true: That the appearer, without being able to determine the exact day or month, having stood near the so-called Carpenter's Quarters, had seen the presently detained burgher Thobias Mijnhart coming down from the Drostdy, and not far from the appearer had stood his above-mentioned master and the late substitute Jurgens, and that the appearer's aforementioned master, having seen that the aforementioned Mijnhart was returning from the Drostdy, had said to the aforementioned substitute Jurgensen: there comes the saddler; to which the aforementioned Jurgens had answered: that is good, let that fellow come, I will well know what I shall do with him, I shall beat that fellow to death; that the aforementioned Mijnhart, having arrived at the so-called Carpenter's Quarters, where the aforementioned substitute was waiting for him, had asked him: but Jurgensen, what are you actually doing; that the substitute had inflicted two blows with the cane upon the aforementioned Mijnhart and, subsequently wanting to inflict the third upon him, the aforementioned Mijnhart had taken the cane away from the said substitute and thrown it far away, and subsequently had inflicted a blow to the face of the aforementioned substitute with the flat hand; that his hat had flown off his head and had caused the substitute to fall to the ground; Lastly, the appearer declared that the aforementioned substitute having thus been knocked down by the frequently mentioned Mijnhart, the frequently mentioned Mijnhart had inflicted upon the same several more blows with the fist and one kick to the face with his foot without having shoes on. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons for his knowledge as stated in the text, being prepared to further stand by the foregoing. It stood below: That this thus took place at the Secretariat of Graaff-Reinet, in the presence of the Court Messenger Jan Christiaan Helm and the burgher Andries Adriaan Smit as witnesses, who have duly signed the minute hereof along with the appearer and me, the Secretary. Lower down: Which I witness. Was signed: H. D. Maynier, Secretary. Appeared before us, the undersigned Commissioned Heemraden, as hereto expressly qualified by the Right Honourable Rigorous Lord Governor and the Honourable Respected Council of Policy, Fortuijn van Bougies; who, this his foregoing declaration having been clearly read aloud to him, testified that he persists therewith, desiring that nothing shall be added to or taken from it, testifying that it is the pure truth. Thus reverified at Graaff-Reinet the 1st of August 1789. Was signed: R. Lower down: Present with me. Signed: A. D. Maynier, Secretary. In the margin signed as commissioners: A. v. D. Merwe and W. Louw. It stood below: Reverification. Today, the 14th of August 1789, Appeared before me, Honoratius Christiaan David Maynier, Secretary of the Colony of Graaff-Reinet, in the presence of the undersigned witnesses, the discharged Cooper Christiaan Fredrik Otto, who, at the requisition of the Lord Landdrost, declared it to be true: That the appearer, standing in the doorway of his house on the 25th of the past month of May, had seen that the presently detained burgher Thobias Mijnhart had run from the Drostdy along the street past the Secretariat, and that the appearer thereupon had left his house and, having arrived near the so-called Carpenter's Quarters, had found there the aforementioned Mijnhart, the burgher Johannes Petrus Smit the younger, and two orderly riders, as well as the late substitute Jurgens, which latter lay stretched out on the ground with a bleeding face; that the appearer subsequently had seen that the wife of the aforementioned Jurgensen had supported the head of her husband, and that the Lord Landdrost, accompanied by the Colony's Surgeon Carel Philip Zastron, having arrived there, she had run toward them, crying out aloud: oh God, my Lords, my husband is dead; That the appearer had also seen that the Lord Landdrost had inflicted several blows with the cane upon the orderly rider Frans Postil, though the appearer does not know why, and thereupon the aforementioned Drost was addressed by the said orderly rider: that is good, I will still take that from my non-commissioned officer; that the appearer had heard the Colony's Surgeon say several times: wash the substitute's face, I am going to fetch medicines; that upon this saying of the Surgeon, the aforementioned Mijnhart had immediately fetched water himself, washed the substitute's face, and had subsequently poured the entire bucket of water over his head, during which actions the former Secretary Wagener had also arrived there. Lastly, the appearer declared that he had heard the frequently mentioned Mijnhart say: Saving your presence: motherfucker, you have deserved that, for you did not hesitate to take the crown from the head of me, my wife, and the Lord Secretary Wagener. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons for his knowledge as stated in the text, being prepared to further confirm the foregoing by solemn oath. That this thus took place at the Secretariat at Graaff-Reinet, in the presence of the Court Messenger Johan Christiaan Helm and the burgher Andries Abraham Smit the elder as witnesses, who have duly subscribed to the minute hereof along with the appearer and me, the Secretary. It stood below: Which I witness. Was signed: A. D. Maynier, Secretary. Reverification. Appeared before us, the undersigned Commissioned Heemraden Hendrik van der Merwe, Schalk's son, and Willem Louw, as hereto expressly qualified by the Right Honourable Rigorous Lord Governor and the Honourable Respected Council of Policy, the discharged Cooper, Christiaan Fredrik Otto, who [illegible] this his foregoing declaration word for word [illegible]

Dutch transcription

nie Graaff Rijnel, present de naten: getuijgen Fortuijn van Bougies Lijfeijgen van den onderafgesz: gage staande Mattroos Willem Zagener, dewelke te requisitie van den Lans„ drost Morits Herman Otto Woeke verklaarde hoe waar is. Dat den Compt. zonder den Juisten dag af maand te kunnen bepaalen bij desogen Timmermans Case gestaan hebbende den Thans gedetineerden Burger Thobias Mijn„ hart van de Drosddij had zien afkoomen, en niet verre van den Comp t of had gestaan des zelfs op gem Lijfheer en wijlen den substituut Jurgens en dat des Compts. meerm: Lijfheer gesien heb„ bende dat meerm: Mijnheid van de Drosdry terug kwam, aanop gem: substituut Iurgen„ sen had geseiht. daar komt de zadelmaaker gem: Jurgen daar op had geantwoord dat is goed laat die kazel maar kommen ik zal wel weeten wat ik met hem doen zal. ik sal die korel dood staan dat meerm: Mijnhart tot aan de Lagen: Timmermans Case, alwaar voorm: subsistuit hem hem inwachte gekoomen zijnde aan densel„ ven had gevraagt maar Iurgensen wat werk je doch wel, den substituit meerm: Mynhard twee slaagen met de rotting had toegebracht en hem vervolgens de derde willende toebrengen had meerm: Mynhaid ged. substituir de rotting ontnoomen en ver weg geworpen, en vervolgens gem: substituit met de vlakke hand een slag in het aangezicht had toegebracht; dat hem de hoed van het hoofd was gevloogen, en hem substituit teegens den grond had doen vallen, Laatstelijk verklaarde den Comp:t dat meerm: substituit also door dukgem Mijn hand neder geslaagen zijnde meergem: Mynhand denselven noch eenige slaagen met de vuyst en eén trap met de voet zonder schoenen aan te hebben in het aangezicht had toegebracht. Niets meer verklarende geeft den Comp„t voor redenen van wetenschap, als in den Text, bereid zijnde het voorenstaande nadergestand te doen. /:onderstond./ Dat aldus passeerde ter Secretarije van Graaf Reiaer gen 29 tuit Reinet in het bijweesen van den Gerecht Book Ian Christiaan Helm en den Burger Andries Adriaan Smit als getuygen, die de Minute deeses benevens den Comp t ende mij Secretaris meede behoorlijk hebben onderteekend. /:laager T welk ik getuijge /:was geteekend: H D. May„ niet Secretaris Compareerde voor ons onderget Gecom Heemraden, als hier toe expres door den Wel Edele Gestr. Heere Gouverneur ende E Achtb: politiquen Rraade gequalificeert zijnde, Fortuijn van Bougies; dewelke deeze zijne voorenstaande Verklaring duydlyk voorgeleesen weesende, betuygde daarbij te blyven persisteeren met begeerte dar er niets bij of afgedaan werden zal, betuygende dat zich de zuywere waarheid is. Aldus gerecolleert aan Graaff Reinet den 1 Aug:s 1789 /:was geteekend:/ R. /:laager:/ mij P ls. sent /:geteekend: A D Maijnied Secret.:s / in margin als gecomm: geteekend. / A vDMeuwe en WLouw /:onderstond:/ Recollement. Huijden den 14 Augustus 1789 Compareerde voor mij Henoratius Christi„ aan David Maijnier, Secretaris der Colonie Graeaff„ Reinet present de naten: Getuijgen, den onderafgge gage staande Kuijper Christiaan Fredrik Otto. dewelke ter Requisitie van den Heer Landdrost verklaarde hoe waaris dat den Compt. op den 25 der gepasseerde maand Maij, in de deur van zijn Huis staande gesien had, dat den thans gedetineerden Burger Thobiaschynhaid, van de Drosdig langs de straat voorbij de secretaris was geloopen en dat den Compt hierop van Huijs gegaan en omtrend de zogenaamde Timmermens Case gekoomen sijnde, aldaar had aangetrof„ ten voorm Mijnhard, aen Burger Iohannes Ce„ trus Smit de Jonge, en twee ordonn: ruiters mitsg.:s wylen den Substituit Iurgens en de welke laatste met een bloeden aangezicht uit„ gestrekt ter aarde lag dat den Comp=t vervolgens gesien had, dat de Huisvrouw van voorn: Iurgensen het Hoofd van haaren man had ondersteund, en dat den Heere Landdrost begeleid door s' Colonies Chi„ He rurgijn Carel Philip zastron, aldaar gekoomen zijnde zij deselve was te gemoed geloopen overluijd inbroepende d God myne Heeren, mijn man is dood, Dat den Compt almeede gesien had„ dat den Heere Landdrost, den ordonn: Ruijter Frans Postil eenige slaagen met de rotting had toegebracht, /. doch weet den Comp. t niet waarom :/ en hierop door gem: Ordonn: Ruijter aan voorm: Drost was toegevoegt, dat is goed, dat houde ik noch voor mijn onder officier uit dat den Compt. meerm: Colonies Chirurgijn had hooren zeggen, wasch dersubstituuit het aan„ gezicht af, ik ga medicijnen afhaalen, dat op dit zeggen vanden Chirurgijn meerm Mijnhart terstond, zelfs watergehaald, den substi„ tuit het aangesich gewasschen, en hem vervolgens de gantsche Emmer water had op het hoofd gegooten, onder welke bedrijven den oud Secretaris Wagener mede aldaar was gekoo„ men. Laatstelijk verklaarde den Comp=t dat hy meergem. Mijnhard had hooren zeggen /: S: V:: maerneuker, dat hebt je verdient, want Jehebtje niet ontsien, mij, mijn Vrouw en de Heer Secretaris Wagener, de kroon van het hoofd te neemen Niets meer verklaarende geeft den Comp=t voor redenen van wetenschap, als in den Text, bereid zijnde het voorenstaande naader met solemneele Eede te bevestigen Dat aldus passeerde ter secretarije aan Graaffe Reinet ter proesentie vanden Gerechts„ Boode Iohan Christiaan Helm en den Burger Andries Abraham Smit d'onde als getuigen die de minute deeses benevens den Comp t en mij Secretaris mede behoorlyk hebben ge„ subscribeert. /:onderstond:/ T welk ik getuige. /:was geteekend:/ A D Maynier Decetaris. Eecollement Compareerde voor ons onderget: Gecommi: uit Leenraaden Hendrik van der Neuwe Sehalke en Willem Louw, als hier toe expres door den Wel Edele Gestr: Heere Gouverneur en E: Achtb: politique raade gequalificeert zijnde, den onder afgesz: gage staande Kuijper, Christiaan Fredrik Otto, dewelke deeze zyne vooren„ staande Verklaaring van woorde tot woorde klaan en 1 ti

NL-HaNA_1.04.02_11024_0440 view scan ↗

English

Having been clearly and distinctly read aloud, he declared that he persisted therewith, desiring that nothing more be added thereto or taken therefrom, and therefore, in confirmation of the truth thereof, spoke the solemn words: So truly help me God Almighty. Underneath stood: Thus reviewed and sworn to at Graaff-Reinet on 12 August 1789. Was signed: Fredrik Otto. Lower stood: Present in person. Signed: H. D. Maynier, Secretary. In the margin: As commissioners, signed: H. v. der Merwe and W. Louw. Interrogatories upon which, at the requisition of the Landdrost of Graaff-Reinet, the Honorable Maurits Herman Otto Woeke, before the Honorable Commissioners from the Honorable Court of Justice of the Castle of Good Hope, the detained burgher Thobias Mynhard is to be heard and examined, whose responses to be given shall be noted in the margin of this document. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of the Castle of Good Hope, the detained burgher Thobias Mynhard, who to the adjacent question articles has given such answers as stand recorded beside each of them. Article 1. The respondent's name, birthplace, age, and profession. Says: Thobias Mynhard, aged nearly 30 years, native of Cabo de Goede Hoop, and a saddler by trade. Article 2. Whether he, respondent, before he was brought into custody here, did not reside at Graaff-Reinet? Says: Yes. Article 3. How long he, respondent, has lived there? Says: By estimate, 2 years. Article 4. Where he, respondent, stayed previously? Says: First at the Cape, and subsequently in the Colony of Zwellendam. Article 5. Whether he, respondent, on Monday 25 May 1789, was not at the house of the late substitute of the aforesaid Drostdy, Adolph Jurgensen? Says: Yes, and to have known Jurgens well. Article 6. With what intention he, respondent, went to him? Says: Jurgensen invited me to come have a drink with him. Article 7. Whether it also occurred with the intention to come speak to Jurgens about some dispute that had taken place between the two of them? Says: No. Article 8. And if there was any difference between him, respondent, and the aforesaid Jurgensen, what did it consist of? Says: About a saddle that was made by me for the aforesaid Jurgensen, and with which he declared to be completely satisfied; also, about the hiring of laborers and such more, having conversed in a friendly manner. Article 9. Whether he, respondent, on the aforesaid 25th of May, did not come to have the midday meal with the aforementioned Jurgensen? Says: Yes, he invited me to stay and eat with him. Article 10. Who else, besides him, respondent, ate there? Says: Indeed no one, to my knowledge, other than Jurgensen and his wife. Article 11. What conversations were held and what further occurred before the meal? Says: That they conversed about various matters in a friendly manner, without anything having occurred to his knowledge. Article 12. What were the activities of him, respondent, and the Substitute after the meal? Says: To have remained at the house. Article 13. What did the table conversation consist of, and what further occurred then? Says: At Jurgensen's. Article 14. Whether at that time any quarrel also took place? Says: To his knowledge, not to have had a single cross word. Article 15. If so, what did it consist of? Lapses. Article 16. Whether to him, respondent, by the wife of Jurgensen, while her husband had gone outside, it was not said that he had to go home? Says: To know nothing of that. Article 17. Whether he, respondent, did not answer to this in substance: I will not go away, I will have my things fetched to get dressed, and then I am going to the Landdrost? Says: To know nothing of that. Article 18. Whether, the aforementioned wife of Jurgensen having replied to this in substance that he, respondent, could get dressed in his own house, he, respondent, did not again say in substance: What the devil do you imagine, I am only here at a Substitute's? Says: To know nothing of that. Article 19. Whether the wife of the aforementioned Jurgensen did not relate the conversation of the respondent to her husband immediately upon his return? Says: Also to know nothing of that. Article 20. Whether this one did not address him, respondent: What are you saying there, you low fellow? Says: I did see that Jurgensen came into the house, and that his wife also spoke with him, without knowing what was said by her; however, I immediately received blows. Article 21. Whether the respondent did not say to this: I am no low fellow, but a worthy and honest man? Says: It may be, but I do not recall it. Article 22. And whether the respondent, to the question of Jurgensen, What am I then?, did not answer: You are also an honest man? Says: Not to know such. Article 23. Whether Jurgensen hereupon did not threaten to beat the respondent? Says: As above. Article 24. Whether he, respondent, did not answer this threat by saying in substance: If you want to beat me, I will, God damn me, run you through with your own saber! Says: I received blows there, but I do not know why or what for. Article 25. Whether he, respondent, subsequently got outside the door with Jurgensen? Says: No, I know nothing of that. Article 26. Whether Jurgensen then inflicted several cane blows upon him? Says: Yes, when I received blows, and while being beaten I got outside the door. Article 27. Whether he, respondent, was not struck with a cane? Says: Yes, but how many, I do not know.

Dutch transcription

klaar en duijdelyk voorgeleesen weesende betuig„ de daar bij te blijven persisteeren met begeerte dat er niets meer bij ofte van gedaan werden zal, en sprak dierhalven ter bevestiging der waarheid van dien de solemneele woorden zo waarlyk helpe mij Post almachtig /:onderstond:/ Aldus gerecolleert en beëëdigt aan Graaff Rreinct op den 12 Augustus 1789: /:was geteekend:) Fredrik Otto, laager:/ hy praesent /:geteekend: A D MMaynier Secretaris /:, in margine:/ als Gecommitteerdens /:geteekend:/ H: v: der Werwe e WLouw. Interrogatorien omme daarop ter requi„ sitie vanden Sanddraat van Graaff Reinet, de Heer Maurits Herman Otto Compareerde voor ons onderget: ge„ comm: uit den Achtb Wacke E zegt Ja. Woeke voor Heeren Geromm Achtb: raade van Justitie uit den E: achtb: Raade van des Casteels de goede Hoop den Iustitie des Casteels de goede getekueerden Burger Tho„ bias Mynhard zullende de Hoop gehoort en onder„ dewelke op de nevenshaan„ vraagt te worden den gede„ de Vraag articulen zodanige tineerden Burger Thobias antwoorden heeft gegeeven Mijn hard, zullende deszelfs als bezijden een eider derzel„ tegeevene responsiven in ve staan aangeteekend. margine deeser moeten worden bekend gesteld. Art„l 1. des Gevr: naam, geboor„ Legt, Thobias Mynhard, te plaats, ouderdom en oud bykans 30 jaaren, van Cabo de goede Hoop ge„ Professie. boortig, en een zadelma„ ker van zijn ambacht te zijn Of hij Gevr, niet voor dat hij alhier in hechtenis is gebracht zijn verblijf ge houden „ 2. zegt na gessing 2 Jaren: Hoelang hij Gevr: al„ daar heeft gewoont. Artic. l 4. Waar hij Gerridich bevoo„ kens heeft op gehouden? 5 of hij Gevr: zich niet op maandag den 25 Maij 17889 heeft bevonden ten Huise van wijlen den substituit van voorsz: Drooddij Adolp Jurgensen zegt en Jurgens en wel gekend te hebben. zegt eerst aande Caab en vervolgens in de Co„ lonie Zwellendam Articl 3. houden heeft, te Graaff Reinet met „ vervald. segt. Iurgensen heeft mij hem te koomen drinken. versocht, om een soopje bij na denselven is gegaan, zegt, neen, of het ook geschied is met in„ tentie om Iurgens te komen spreeken om eenige quostie die er tusschen hen beide heeft 92 Plaats gehad. „ 8. En doer eenig verschil tus„ schen hem Gevr: en voorsz: Iurgensen is geweest, waar in deselve bestaan heeft! of hij Peor op voorsz 25ste Maij niet bij voorn: Jur gensen het middagmaal is koomen houden. zegt Ja hij heeft mij ge„ noodigt, om bij hem te bly„ ven eezen. Met welke Intentie hij Ged: Art. a 6. Wier 0 „ „ 7. 9. zegt ik wel niemand als Jurgensen en zijn zegt, over een zadel, en waarmeede hij be„ maaltijd! tuijgde volkoomen te vreeden te zijn mitsg:s over het huizen van volk en wes meer, in het vriendelijke gedisoureert te heb„ ben, zegt, over verschillen„ de zaaken in het vrieu„ delyk te syn gediscou„ teert, zonder dat er met des gen weeten iets is voorgevallen, zegt bij Jurgensen, Welke de verrigtingen zyn Art 13. Waarin het Tafel discours bestaan heeft, en wat er toen verder is voorgeval„ len.! Welke discoursen er ge„ door mij voor voorn: houden zijn en wat er Jurgensen gemaakt voorts gebeurd is voor de „ 11. Wie er behalven hem Ger„ meer gegeeten hebben.. Art. l 10 aan gewar Vrouw „ 42. aan huy te zyn geblee„ teweeten. zegt. daar niets van geweest, van hem Geor: en den Substituut, na de maal„ tijd Art. l 14 „of er als toen ook eenige zegt, met zijn weeken geen twist heeft plaats gehad. . verschillend woord ge„ had te hebben. veraald. „ 16. of aan hem gev: door de Huijsvrouw van Iurgensen, terwijl haar man naa buijten was gegaan niet is gesegt, dat hy na Huys moest gaan Zo sa: waarin deselve bestaan heeft! 15 van. zegt daar niets van te weeten. ken. zegt, ik heb wel gesien. Articul 17 Of hij Gevr: hier op niet in substantie geantwoord heeft! ik wil niet weggaan ik wil mijn goed laaten haalen! om hij te klee„ den en dan ga ik bij den Landdiostt. „. 18. of gem: vrouw van Jongen zen, hier op in substantie gerepliceert, hebbende, dat hij Georzich in syn eigen Huis konde kleeden, hij Terr: niet weder substan„ tieelijk gezegt heeft wat. donder verbeel gij un wel ik ben hier maar by een Substituut. art: 19. of de Vrouw van voorm niets van te wee„ zegt, daar meede Jurfsten niet voor. zegt als boven. dat Jurgens en in het, Huis is gekoomen; en dat zijn vrouw ook met hem gesprooken heeft, zonder te weeten wat door haar gesecht is; hebbende ik echter ter stond slaagen, gekreegen. zegt zulx niet teweeten regt, het kan weesen maar het staat mij of den Gevr: hierop niet gezecht heeft ik ben geen Lage zon„ gen, maar een braaf en eerlijk man. En of den Gevr: op de vraag van Iurgensen watbenik dan niet geantwoord heeft, gij bent ook een eerlyk mans 22. of deese hem Gevr: niet heeft toegevoegt, wat zegt gij daar Joir loge Jongen. Art: 20. Iurgensen, het door den Pevr: discours, niet direct bij de terug komst aan haa„ ken man, aan denselven ver„ haalt heeft, „ n 22. te of Iurgensen hierop ge„ zegt ik het daar slaagen gekreegen, maar ik meet dreigt heeft den gev: te zullen klofsen niet waarom en waarop zegt, neen, daar weet ik niets van of hij gevr. vervolgens met Legt jakoen ik slagen gekree„ gen heb en onder het slaan met Jurgens en buijten deur geraakt is. benik buijten de deur geraakt. zegt Ja: maar hoe¬ veel, weet ik niet of Jurgensen hem als toen net eenige rotting slaa„ gen heeft toegebracht 26. of hij gevr: dit dreigement niet beantwoord heeft met „substantieel zeggen, wel jij mij kloppen, ik zal u God verdom mij met uw eij„ gen sabel doorbooren! „ 24. Artic l 23. 25.

NL-HaNA_1.04.02_11024_0449 view scan ↗

English

27. Whether the examinee, after receiving four blows, did not go to the Drostdy, and immediately returned from there. Answers: Yes. 28. Whether the examinee was also struck by the orderly trooper Jan Cremer. Answers: No, as soon as I was struck, I wanted to run away in full fury, and then the Landdrost came toward me, who, as I believe, said that I had to defend myself; thereupon I turned back and resisted. States further to know for certain that the Landdrost gave him, the examinee, permission to defend himself. Art: 29. Whether the examinee, immediately upon his return, did not go up to Jurgensen and give him one or more blows with the flat of the hand, or indeed with the fist in the face, causing Jurgensen to fall backward to the ground. Answers: I immediately turned around and went back to Jurgensen, and it occurs to me that I was then struck again by Jurgensen, whereupon I, being very furious and having received permission from the Landdrost, defended myself with my hands. Art. 30. Whether the examinee, after thus having struck Jurgensen to the ground, did not strike him anew with the fist in the face and kick him with his foot. Answers: I know nothing about that; states further, I already struck Jurgensen when he was already lying on the ground, but to my knowledge I did not kick him. Art: 31. Whether after this happened, the Colony Surgeon Zastron did not appear at the place where Jurgensen lay, and asked him, the examinee, if he had dealt those blows. Answers: I saw Zastron standing there, and indeed heard him speak, but I do not know what he said. Art: 32. Whether the examinee did not thereupon answer, laughing all the while: "Bah, he is dead." Answers: I know nothing about that. 33. Whether the examinee, upon the saying of the said Surgeon Zastron, "wash the substitute's face," did not go himself to fetch a bucket of water, and washed the face of the said substitute. Answers: No, I do not recall that. 34. Whether the examinee did not subsequently say in substance: "you have deserved that, motherfucker, for you did not hesitate to take the crown from the head of my former secretary Wegener." Answers: I know nothing about that. 35. Whether the examinee has answered everything according to the truth. Answers: As it occurs to me, yes. 36. Whether the examinee must not confess that through the blows he inflicted upon the aforementioned late Jurgensen, he was the cause of his death which followed a few moments later. Answers: It is an accident; it happened in a rage; I did not mean it so. 37. And whether he must not therefore confess to have truly committed a crime and consequently to have deserved severe punishment. Answers: It is an accident, and he requests to provide bailsmen, while he, the examinee, being called at all times, will appear before the court of justice. 38. Whether he also knows anything, and what, to add in his excuse. Answers: Nothing other than that it happened as an accident in rage and without having meant it so. Thus questioned and answered at Cabo de Goede Hoop on the 12th of June 1790, before Messrs. Carel Mappa and Johannes Smuts, members of the Honorable Court of Justice of this Government, who duly signed the original minute hereof together with the examinee and me, the Secretary. At the bottom was written: To which I testify, signed: W. J. van Rijneveld, Secretary. Re-examination Appeared before the undersigned commissioned members of the Honorable Court of Justice of this Government the aforementioned detained burgher Tobias Mynhart, who, the foregoing questions and their responses having been distinctly read out to him, declared to persist therein, requesting that nothing be added or removed except on Art: 19: that it has now occurred to him, the examinee, that the wife of Jurgensen said to her husband, "how can you endure that," or something of that nature; on Art: 27: that when he, the examinee, was struck, he saw the orderly trooper Frans Postil standing behind him with a naked saber; on Art: 28: that he, the examinee, does not know for certain whether the Landdrost said that he should defend himself, but that a certain Arnoldus Ziedel, Hannes de Beer, and the wife of one Olkers told him, the examinee, while sitting in custody at Graaff-Reinet, that the Landdrost had given him permission to defend himself against the said Jurgensen; and on Art: 30: that he, the examinee, being completely out of his mind, cannot say for certain whether he struck Jurgensen again when he was already lying on the ground; testifying that all the foregoing is the truth. At the bottom was written: Thus re-examined at Cabo de Goede Hoop, the 23rd of January 1790. Signed: Tobias Mynhart; below that: present; signed: W. J. van Rijneveld, Secretary; in the margin, as commissioners, signed: R. J. van der Riet, Joh.s Smuts. Further re-examination. Appeared before the undersigned commissioned members of the Honorable Court of Justice of this Government the detained burgher Tobias Mynhart, who, the foregoing interrogatories and their responses having been read out clearly and distinctly, declared to persist therein, requesting that nothing more be added or removed except on Art: 3: that he, the examinee, lived longer than two years at Graaff-Reinet; on Art: 13 and 23: that he, the examinee, believes he remembers that Jurgensen tried to force him to drink drams, and he, the examinee, having refused this, Jurgensen demanded that he blow over the glass, and having also refused this, he threatened to beat him, and actually did so with a thick and heavy walking cane; on Art: 11: that he, the examinee, saw that Jurgensen, before the meal, gave a bottle of drams to one of the orderly troopers; on Art: 25: that it occurs to him, the examinee, that in his rage he still struck Jurgensen while lying on the ground. At the bottom was written: Thus done and re-examined at Cabo de

Dutch transcription

27 zegt. Ja et of heij gevr: niet naar het zegt, neem zo dra ik ge= ontvangen vier slaagen slaagen den, heb ik in vol„ naar de Drostdij begeeven lendrift willen wegloopen en toen is mij de Landdroot heeft, en vandaar terstond te gemoed gekoomen, die weder te rug is gekeert. zo als ik meen gesegt heeft, dat ik mij noest weeren, daarop ben ik te rug, gekeerd en heb mij te weet gesteld, zegt nader zeeker te weeten, dat den Land„ drost hem gevr: verlof gegeeven heeft, om zich te ver„ weeren. zegt ik heb mij terstand omgedraagjt en wee„ der na Jurgensen be„ geeven en het staat mij voor dat ik toen weder door Jurgens en benge„ of hij Geor: niet terstond na zijn te rug komst na Jurgensen is gegaan en denselven een of meer slaa¬ gen met de vlakke hand, dan Art: 29. 28: of hij Gevr: ook door de ordonn: Ruijters Jan Cremer is ge„ slaagen lap mel, met el id eij deur slaagen geworden, waar op ik mij als zeer driftig zijnde en verlof aan den Landdrost bekoomen hebbende met mjne handen heb te weer gesteld. zegt, daar weet ik niets van regt nader ik heb Buergensen toen hij reeds op de grond lag reeds geslaagen maar met mijn weeten niet getrapt. zegt ik heb Lastzon daar zien staan, en wel hooren spreeken maak weet niet wat hij gesegt heeft. of na dit gebeurde ter Plaatse daar Iurgensen lag niet is verscheenen den ƒ Colonies Chirurgijn Za„ stron en aan hem Gevr. gevraagt heeft of hij die slaagen had uytge„ deelt= „ 31. of hij Geor: na Jurgensen dus ter aarde geslaagen te hebben, denselven niet op nieuw met devinst in het aangezicht geslaagen en met den voet getrapt heeft. Art. l 30. wel met de vrijs in het aan„ gesicht heeft gegeeven, waar door Jurgen agter over ter aarde is gevallen. Art: 32, van. van teweeten. zegt daar meede niets zegt, neen, daarstaat mij niet van voor zegt daar weet ik niets of hij gevr: niet vervolgens insubstantie gezecht heeft dat hebtje verdient Mverneu„ ker wantje heltje niet ontzien, mijn mijn Voorw end secretaris Wegener de kroon van het hoofd te nee„ men. „ 35 zegt zoals mij voor„ of hij gevr: alles naar „ 34 of hij Gen: op het zeggen van gem Chirurgijn Lastron, wascht den substituut het aangezicht af, niet zelfs een Eummer Water is gaan halen, en dine sub„ stituit het aangezicht heeft afgewasschen 33 of hij Gevr: hierop niet al„ laggende geantwoord heeft Sahij is dood staat waar aa sen en n staat, Ja: zegt, het is een onge„ lyk, het is door een dieft geschied, ik heb het zoo niet gemeend En of zij dus niet moet zegt het is een ongeluk bekennen, waarlyk mi„ en te versoeken, Borgen te stellen terwijl hij ger: dreeven en dienvolgens ten allen tijden geroepen zwaareshraffe verdiend te heb„ wordende voor den rechtbank ben zal verschijnen zegt anders niets als dat of hij ook iets en wat zij het een ongeluk in drift en tot zijn verschooning weet zonder hetzo gemeend te bij te brengen. hebben geschied is. 38. 37 37 of hij Tevr: niet moet be„ kennen door des laagen die hij wijlen Jungensen voorm. heeft toegebracht oo zaak te zijn van desselfs door weinig oogenbliften daar na gevolgt. waarheid beantwoord heef 36. Aldus gevraagt en beantwoord aan Cabo de goede Hoop den 12 Junij 1790. voor de Heeren Carel Mappa en Johannes Smuts leeden uit den E: Achtb: raade van Justitie deeses Gouvernements, die de Minute deeses bene„ vens den gew: ende mij Secretaris meede be„ hoorlijk hebben onderteekend. /onderstond: T: welk ik getuyge (:geteekend: W J van Zyneveld 1 Secretaris Compareerde voor de Onderget. geconin„ Leeden uit den E achtb. raade van Justitie dezen gouvernements voorm: gedetineerden Bur„ ger Thobias hijnhart, dewelke de voorst. vragen en dezes ponsiven, duydelyk voorgeleezen zijnde betuygde daar beij te blyven per„ siteeren begeerende dat er niets bij of van gedaan werden zal als opart 19. dat het hem ger: thans is bijgevallen dat de Huisvrouw van Jurgens en teegens haar man gezegt heeft hoekunt gij dat verdragen, of iets dier„ gelyks, op act: 27. dat wanneer zij gen: is geslaagen geworden, hy als tieen den or„ doms Ruyter Frans Postil met een Recollement bloote blootesabel achter zich heeft zien staan, op art. o 28, dat hij Gevr niet zeker weet of de Land„ drost gezegt heeft dat hij dirk zoude verweeren maar dat zeker Arnoldus Ziedel, Hannes de Beer, ende Vrouw van eene Olkers hem ger te Graaffreinct in hechtenis zittende gesegt hebben, dat de Landdrost hem verlof gegeeven hebben had om zich teegens gem Jurgensen te verweeren en op act: 30. dat hij gev: als zijnde geheel buyten zich zelve geweest niet zeeker weet teseggen of hij Jurgens en toen die reeds op aengrond lag nog heeft geslaagen, betuygende dat al het vooren, staande de waarheid is /:onderstond./ Aldus gerecolleert aan Cabo de goede Hoop„ den 23 Jann: 1790. /:get: Tobias Mynhart /:lagen/ hij praesent /:geteekend = W:J: van Rijneveld Secretaris /:in maigine of als gecomm: /:geteekend:/ Rop oderziet Joh=t Smuts. Nader recollement. Compareerde voor de onderget Gecomm uit den E: Achtb: raade van Justitie deezes houver Gouvernements den gedetineerden Burger Thobias hijnhart, dewelke voorenstaande Interrogatorien en deselve responsiven klaar en duydelyk voorgeleesen zynde betuygde daarbij te blyven persisteeren, met begeerte dater niets meer of van gedaan werden zal als op art: 3. dat hij gew: langer als twee Jaen te Traaffereinet heeft gewoont op art: 13 en 23 dat hij gem zich meent te kunnen ker„ inneren dat Juigers en hem heeft willen noodzaaken, om zoopjes te drinken, en hij gen. zul geweigert hebbende, Jurgens en begeert heeft dat hij over het glas blaasen zoude en dit meede gerefuseert hebbende hem zer gedragt heeft te zwillen Haan, en zul meede gewesentlyk gedaan heeft met een ditto en zwaare Kuijerrotting, op dit 11. dat hij Gergezien heeft dat Iurgensen, voor de maaltijd aen een der ordonn. ruyters een Boddel Loopjes heeft gegeeven, opact. 25 dat het hem gevrvoorstaat Turgeusen in zijndrigt op de grond leggende nog ge„ Hlaagen heeft /:onderstond: Aldus gedaan en gerecolleert aan Callo de

NL-HaNA_1.04.02_11024_0456 view scan ↗

English

Good Hope, the 23rd of March 1790. was signed Tobias Meynhart. Below, in my presence, signed I: D: Karnspek, sworn clerk. In the margin, as commissioners, signed R J v der Riet and J J: de Wet. 29 Today, the 11th of August 1789, appeared before me, Honoratus Christiaan David Maynier, Secretary of Graaff-Reinet, in the presence of the witnesses named below, the burgher Johannes Steynvat, who, at the requisition of the Landdrost Maurits Herman Otto Woeke, declared that it is true that in the month of January of this year, without however being able to specify the exact day, the late substitute Jurgensen and the current detainee Thobias Mijnhart had arrived at the house of the appearer. That after they had sat there for some time and had drunk some glasses of wine, a dispute had arisen between them, without the appearer knowing about what, and he had heard Mijnhart say, if I had two men across the river I well knew what I would do with them, after which the aforementioned persons came to blows. That the appearer, having jumped between them to separate them, received a shove from Mijnhart so that he fell backwards, and the aforementioned Mijnhart, as best remembered by the appearer, went away cursing at the late substitute and orderly. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons for his knowledge as stated in the text, being ready to confirm the foregoing by solemn oath if requested. Underneath stood: Thus occurred at the secretariat in Graaff-Reinet in the presence of the court messenger Johan Christiaan Helm and the burgher Andries Abraham Smit as witnesses, who duly signed the minute of this together with the appearer and me, the Secretary. Below, which I testify, signed H C D Maynier, Secretary. Verification Appeared before us, the undersigned commissioned Heemraden Hendrik van der Merwe and Willem Louw, as specially qualified for this purpose by the Right Honorable Lord Governor and the Honorable Political Council, the burgher Johannes Steynvat, who, this foregoing statement of his having been clearly read to him, testified that he persisted in it, desiring that nothing be added or taken away, and therefore spoke, to confirm the truth thereof, the solemn words, so truly help me God Almighty. Underneath stood: Thus verified and sworn at the Colony of Graaff-Reinet, the 22nd of August 1789. Was signed Johs Steynvat. Below: In my presence, signed H C D Maynier, Secretary. In the margin: As commissioners, signed H: v: d: Merwe, W Louw. Today, the 11th of August 1789, appeared before me, Honoratus Christiaan David Maynier, Secretary of the Colony of Graaff-Reinet, in the presence of the witnesses named below, the cooper Christiaan Fredrik Otto, formerly of off-duty status, who, at the requisition of the Lord Landdrost Maurits Herman Otto Woeke, declared that it is true that on a certain day in the year 1787, without the appearer knowing on what date, the burgher Thobias Mijnhart and the baptized bastard Fredrik Wilkes were at his dwelling house. That the aforementioned Mijnhart, having insulted the same aforementioned Wilkes in all manner of ways, the said Wilkes had given him, Mijnhart, a slap in the face, whereupon the frequently mentioned Mijnhart had struck him, Wilkes, a fist blow to the head, causing the last-mentioned to fall to the ground in a swoon. That the same Mijnhart, furthermore having picked up a chair to beat the frequently mentioned Wilkes further with it, the appearer had prevented this, and the aforementioned Wilkes was carried to the wagon in such a state by his servants. Furthermore, the appearer declared that it also happened in the year 1788, without being able to determine the exact day or month, that the frequently mentioned Mijnhart, in the company of the tailor Johan Nest, was at the dwelling house of the appearer. That the aforementioned Mijnhart, falling into conversation with the said Nest about the bill he had sent him for the tailor's work, found that bill much too large, whereupon they further got into a quarrel. That Mijnhart, having sent to his house to fetch a bag of money, used these substantial expressions: fetch the bag of money quickly, or do you think, snot-nosed boy, that I cannot pay you, you god-forsaken hospital boy, you scabby soldier, stand up to me, you mother-fucker, grabbing the frequently mentioned Nest by the chest with these words. That the frequently mentioned Nest had said to him, Mijnhart, leave me alone, I am doing you no harm; the same Mijnhart had replied, strike me; but the said Nest had answered, I am not allowed to do that. That the frequently mentioned Mijnhart had thereupon said, I am not allowed to strike you either, pulling the aforementioned Nest towards him and giving the same Nest 10 to 12 blows to the face with his head, so that his nose and mouth bled, adding, see, now I have not struck you either. That it furthermore happened, namely on the 12th of March of this year, that the aforementioned Thobias Mijnhart, together with the burgher Jacobus Botha and the carpenter Willem Lachner, were at the dwelling house of the appearer. That the frequently mentioned Mijnhart, falling into a quarrel with the burgher Jacobus Botha and the carpenter Willem Lachner, had reviled the latter as a scabby sailor, and furthermore having come to words, the said Mijnhart had given the carpenter Lachner a fist blow, so that he fell to the ground.

Dutch transcription

de goede Hoop den 23 Maart 1790. /. was „geteekend:/ Tobias Meynhart /. lager/ my present /geteekend :/ I: D: Karnopek geom Clercqs /:in margine:/ als gecommitt: /: teekend:/ R Jv der Piet en Js J: de Wet. 29 Huyden den 11 Augustus 1789 Compareerde voor mij Hondratus Christi aan David Maijnier; Secretaris van Graaffe remet praesent aenaten getuijgen, den Bur„ ger Johannes Steemat, dewelke ter requi„ sitie van den Heer Land drost Morits Herman Otto Woek, verklaarde hoe waaris dat in de maand Januarij deeses Jaars /:zonder echter de jugstendag te kunnen bepaalen, /: ter huyse van den Compt waren gekoomen wijlen den substituut Jur„ gersen en den thans gedeteneerde Thobias Mijnhart. dat nadat deselve aldaar eenige tijd ge„ zeeten en eenige glaasen wijn gedronken hadden ƒ hadden tusschen geschil was gereesen, zonder dat der Comp=t weet waar over- en Majuhart had hooren zeggen als ik twee menschen over de rivier had wist ik wel dwat ik met deselve doen zoude opgem persoonen ver„ volgens hand gemeen geraakt waren dat den Compt hierop tusschen beide ge„ sprongen zijnde, om deselven te separeeren van Mijnhandt eenstost had gekregen, dat agterovergevallen was, en gem Mijnhart zoals der Compt best voorstaat op wijlen den substituit en ordonnvloekende was weggegaan, Niets meer verklaarende geeft den Comps voor alderen van weetenschap, als in derTextbereid zijnde het voorenstaande des gerequireert werdende met solemneele te bevestigen /:onderstond:/ Dat aldus passeerde ter secretarije aan GraaffReinet in het byweesen van den ge„ rechts Boode Iohan Christiaan Helm en den Burger Andries Abraham Smit als getuijge Getuygen die de minute deeses benevens den gers en mij Secretaris meede behoorlyk hebben onderteekend. /:laager. / T welk ik getuyge. /:geteekend H C D Maijnier Leerl Recollement Compareerde voor ons onderget. gecommitt Heemraden Hendrik vander Meinie en Willem Louw, als hier toe expres door den WelEdele Gestr Heere Gouverneur en E: Achtb. Politique Raade gequalificeert zijnde, den Burger Johannes Steenvat, de„ welke deeze zijne voorenstaande ver„ klaring duydelyk voorgeleezen zynde lee„ tuygde derselven daarbij te blyven per„ sisteeren, met begeerte dat daar niets of ofte bij gedaan werden zal, er sprak dier„ halven ter bevestiging der waarheid van dien de solemneele woorden, zo waarlyk helpe mij Godalmachtig. /:onderstond:/ Aldus gerecolleert en beedigt aan Colleo Graaf Graaff Reirette den 22 Augs 1789. /: was geteekend:/ Ioh= Steervat /. laager:/ Mij proscnt. /geteekend :/ H D Maijnier Le, cretaris /:in margine:/ Als gecomm. geteekend:/ H: v: d: Neuwe W Louw Huijden den 11 Augustus 1789 Compareerde voor mij Hondratius Christiaan David Maijnier, Secretaris der Colonie Raaffreij„ net, procent denaten. getuijgen, den onder afgesz: gagestaande kuijper Christiaan fredrik Otto dewelke ter requisitie van de Heere Landdrost Maurits Hermandtto Hoeke, verklaarde hoewaaris dat opzeekeren dag inden jaarde 1787. zonder dat den Comp:t weet op wat datum, ten zijnen woonhuijze waren geweest den Burgen Thobias Mijnbard en den gedoopten Bastaard Fredrik Wilkes dat voorm: Mijnhart evengem: Wilkes op allerhy wissen geaffionteerd hebbende densel„ ven Wilkes hem Mijnrait een klap in het aange„ zicht had gegeeven, waarop meerm: Mijnhardt hem Wilkes een vuijstslag aan het hoofd had toege toegebracht waar door laatstgem: in zwijm le„ aarde was gevallen dat deselve Mijnhard, voorts een stoel opgeno men hebbende om meerm: Wilkes daar meede vader te slaan, den Comp=t zulx belethad en mee Wilkes door zijn Volk in dusdaanige staat na de wagen was gedraagen geworden. Wijders verklaarde den Compt dat het meede in den Jaare 1788. zonder procies den dag olsmaan te kunnen bepaalen gebeurd was, dat dik wils ge Mijnhard in geselschap van den Kleedermaker Iohan Nest ten woonhuijze van den Comp„t waren dat voorm:- Mijnhard met ged: Neft in gesprek zaakende, over de reekening die hij hem toegesonden had, over de kleeder„ maakers werk deselve reeken: veel le groot vond, waarover zij voorts in twist geraakten dat Mijnhard na zijn huijs gesonden hebbend om een zak met geld te haalen, onder deeze zul stantieele expressien haal gou de zak met geld of denk jij snot jongen dat ik jou niet kan betaalen, jou I: v: verdoemde Schin„ de siekenhuijs-jongen, jou schurfde soldaat staat mij jou moemeuker met deese woord meerm: Neft bij de borstgrijpende. dat meerm: Nest hem Mijnhart toegevoegt had laat mij met rust, ik doe jon niets, deselve hatijn„ hart had gerepliceert slaat mij, doch ged: Nest ten antwoord had gegeeven dat mag ik niet doen, dat meerm: Mijnhart hierop had gesegt, ik mag jou ook niet slaan, voorm Neft met een nazich treffende en met zijn hoofd denselven Neft 10 à 12 stooten in het aangezicht had ge„ „geeven, dat de neus en mond aanbloed zaak„ te, met bijvoeging zie zo nu heb ik jou ook niet geslaagen dat het voorts noch gebeurd is, en wel op den „ 12 maart deeses Iaars, dat opgem: Thobias Myn„ hart met en beneevens den Burger Jacobus Botha, en den Timmerman Willem Zacke„ nen ten woonhuisze van den Compt waaren geweest. dat dikwerfgem: Rijnhar, met en benevens den Burger Jacobus Botha enden timmerman Willem Laikener in twist raakende, denselven voor een schurfde Mattroos had uitgeschol„ den, en voorts in woorden geraakt zijnde, ged„ Mijnhart den Timmerman Lagener een ouist„ slag had gegeeven, dat deselve ter aarde was gevallen 2 2

NL-HaNA_1.04.02_11024_0462 view scan ↗

English

That the said Mijnhert, listening to whether the same Zagener was still breathing, had wanted to give him another kick with his foot, but that the frequently mentioned Jacobus Botha had prevented this, saying, "My God, my hand, you see after all that the man already lies for dead." Lastly, the deponent declared that the hand of the frequently mentioned Willem Zagener on that occasion was dislocated from the joint, without being able to say in what manner this happened. Declaring nothing more, the deponent gives as reasons for his knowledge as stated in the text, being prepared to confirm the foregoing further under solemn oath. Thus enacted at the secretariat in Graaff-Reinet, in the presence of the court messenger Johan Christiaan Helm and the burgher Andries Abraham Smit, as witnesses, who duly signed the minute of this together with the deponent and me, the Secretary. Which I testify, signed: H. C. D. Maynier, Secretary. Verification. Appeared before us, the undersigned delegated Heemraden, Hendrik van der Merwe, Schalk's son, and Willem Louw, having been expressly authorized hereto by the Right Honorable, Valiant Lord Governor and the Honorable, Esteemed Council of Policy, the Cooper Christian Fredrik Otto, being on the lower-written wage, who, having had this his foregoing declaration read out clearly and distinctly word for word, testified that he persisted in remaining by it, desiring that nothing shall be added to or taken from it; and spoke therefore, in confirmation of the truth thereof, the solemn words: So help me God Almighty. Underneath stood: Thus verified and sworn at Graaff-Reinet, the 12th of August 1789. Was signed: Fredrik Otto, lower: In my presence, signed: H. C. D. Maynier, Secretary. In the margin: as Delegates, signed: H. v. d. Merwe, W. Louw, J. A. Meyer, the said Clerk. Agrees. No. 10 Appeared before the Right Honorable and Esteemed Lords President and Members of Justice of this Government, the Independent Fiscal Johan Nicolaas Steven van Lynden, ex officio Plaintiff in a case of embezzling provisions and equipage goods, of the one part; Against Jan Breugeman, Captain Lieutenant, having been appointed to the Honorable Company's brig the Helena Louisa, in the aforesaid case, of the other part. 1 And said 2 That the ex officio Plaintiff has been informed, and it has appeared from the attached declaration of the crew appointed to the Honorable Company's brig the Helena Louisa, 3 That Captain Lieutenant Jan Breugeman, having likewise been appointed to the said vessel and having held command for some time, during that time made himself guilty not only of alienating a portion of the monthly ship's provisions, consisting of peas, beans, rice, butter, sugar, and whatever he thought fit, by handing them over to a widow named Anna Mostert, born Mulder, and to the boatman Rutger Heins; 4 But besides this also delivered a new hawser to the said Heins, 5 Who, upon inquiry and interview, did not deny having received both the one and the other, and himself handed over the hawser, 6 Just as the other two persons are not only in confession of having received such goods from the defendant, 7 But the defendant himself has also confessed to having left some of the mentioned goods to the aforesaid persons, as well as the hawser. 8 And whereas by the placards of 12 February 1732 and 4 October 1740 it is expressly enacted, 9 That whoever sells, wastes, gives away, or in any other manner alienates equipage goods, munitions of war, ship's tools, casks, provisions, etc., shall compensate the same threefold, be dismissed from his office and rank, and forfeit his accrued wages. 10 Furthermore, under 27 February 1748, by renewal, it was ordained 11 Not to alienate any equipage goods on pain of being corporally punished. 12 So the ex officio Plaintiff maintains, notwithstanding that it was brought forward by the defendant in his excuse, 13 That it was no more than his own ration that he handed over to the aforesaid persons, 14 And he trusted that a hawser, not being of great importance and having been abundant, could well be allowed to go to a good friend for his own use, 15 That the same defendant shall by no means be excused, 16 But, having fallen under the terms of the foregoing laws, is subject to the established laws, yet, on account of his known insolvency and further circumstances, should remain excused from compensation. By virtue of which and other reasons, to be further deduced in time and place if necessary, the ex officio Plaintiff, making claim, concluded that By definitive sentence of your Right Honorable Esteemed Court, he shall be condemned to be stripped of his rank and office, and to be sent to Europe as a sailor serving for his food, with forfeiture of his accrued wages, and condemnation in the costs of Justice, or to such other punishments as your Right Honorable Esteemed Court shall judge necessary and find to be proper. Was signed: J. N. S. van Lynden. In the margin: Exhibited in Court, the 14th of October 1790. The undersigned, all being appointed to the Honorable Company's brig Helena Louisa, declare at the requisition of the Sub-Lieutenant at Sea D. Schriek and the Sub-Lieutenant at Sea H. Francke, both of the aforementioned ship, being appointed among us.

Dutch transcription

Datgene Mijnhert luijsterende of deselve zegener noch adem haalde, hem noch een trap met den voet had willen geeven, dat dog dat meerm: Iacobus Botha, zulx belethad, onder hetzeggen, Mijn godt Mijn hand gij diet immas dat die man reeds voor dood legt Laatstelijk verklaarde den Compt dat de hand van meergem: Willem Zagener bij die geleegendheid uit het lid is gezaakt zonder te kunnen zeggen op wat wijse duk is geschied, Niets meer verklaarende geeft den Compt voor reedenen van weetenschap, als in den Text bereid zijnde het voorenstaande met solem„ neele zede nader gestand te doen Dat aldus passeerde ter secretarije aan TraaffReinet, in het bijweesen van den gerechts Boode Iohan Christiaan Helm enden Burg en Andries Abraham Smit, als getuygen die de minute deezes benevens den Comp. en mij Secretaris meede behoorlijk hebben onderteekend. /: T. welk ik getuijgen / getee kend :/ H: C: D: Maijnier Secret. s Recollement Compareerde voor ons onderget: gecommitt: Heemraaden, Hendrik vander merine Meuwe Schalkzr, en Willem Louis, Als hier toee expres door den WelEdele Gestr: Heere Gouver„ neur en E: Achtb: politiquen raade gequalificeeert zijnde, den onderafgesz: gage staande Kuijper Christiaan Fredrik Otto, dewelke deeze zijne voorenstaande verklaaring van woorde tot woorde klaar en duijdelyk voorgeleesen zijnde betuijgde daarbij te blijven persi„ steeren, begeerende dat er niet bij of van gedaan werden zal; en sprak dierhalven ter bevestiging der waarheid van dien de solemneele woorden, zo waarlyk help mij bodt almachtig. /onderstond:/ Aldus gerecolleert en beëëdigt aan Graaff Beinct, den 12 Augustus 1791. 1789 /:was geteekend:/ Fredrik Ott, /laager:/ G D mij Praesent /:geteekend:/ Maijnier Secretaris. /:in margine:/ als Gecommitt. /:geteekend./ R: V: d Merwe, . WLouw Lamper gem. Clercq Accordeert No. 10 Compareerde voor den Wel Edelen achtbaare Heeren Presidenten leeden van Justitie deeses goer„ vernements de Jndependent fiscaal Johan Nicolaas Steven van. sijnden r:O: Eijsscher in cas van„ verbealneerende provisie en Equi. pagie goederen ter eenre Contra den op s EComp:s Brik: de Helena Louisa bescheiden geweest, zinde Capitein Lieutenant Jan Breag man in cas voorsz: ter andere zijde. 1 Ende deede zeggen 2 dat den 2: 0: Eysscher geinformeert en door bij„ gaande Verklaaring der op 's EComp:s Brik de Helena Louisa bescheidene manschappen gebleeken is. 3 dat den op het zelve schip mede bescheiden geweesen en eenigen tyd het gezag gevoert hebbende Capitein Lieutenant Jan Breuge„ man geduurende dien tyd zich niet alleenig aan vervreemding van een gedeelte der maan„ delykse scheeps provisien, bestaande in Erwten, Boonen, rijst, boeter, ziyker en waar van deselve heeft kunnen goedvinden, aan eene Weduwe mostert Anna Mulder en den Schuij„ ten voerder kosgen Heins af te geeven heeft schuldig gemaakt. 4 maar behalven dien ook nog een nieuwe tros aan gem: Heins overgeleevert 5/ dewelke bij gedaane navraage en onderhouding het een en ander ont„ vangen te hebben niet heeft ontkend en zelve den tzas overgegeeven 6, gelyk dan ook de ooverige beide Persoo„ nen niet alleen in confesse zijn, dier gelijke goederen van den ged. ontvangen te hebben maar den gedaagden ook zelve heeft bekend eenige der gementioneerde Goederen aan voormelde persoonen, mits gt de Proes te heb„ ben overgelaaten. 8 en terwijl bij de placaaten van 12 febr: 1732. „n 4 8ber 1740. wel uitdrukkelijk gesanceert is. 9 dat de geene die Equipagie goederen, ammu nicie van oorlog, scheepsgereedschappen vaatwerk, provisien & verkoopt, vermilt verschenkt ofte op een andere wijze verali„ eneert, hetselve drievoudig vergoeden van sijn ampt en qualiteit vervallen en zijne te goed hebbende gagie ver„ beuren zal. 70 voorts onder den 27 febr: 1748 bij rend„ vatie geordonneert is. 11 geen Equipagie goederen te verallieneeren op pone van aan het lijf gestraft te wor„ den. ƒ 12 zo verneend de z. o. Eysscher, niet teegenstaande vanden gedaagden tot des„ zelfs verschooning wierd bygebracht. 13 dat het niet meer als zijn eigen randsoen is geweest, die hij aan voormelde per„ soonen heeft afgegeeven. 14 en hij vertrouwd heeft een tros als niet van groot belang en overvloedig gewees zijnde, wel aan een goed vriend te kun„ nen laaten toekoomen tot eigen ge„ bruik, 15: dat denselven gedaagden op geenderly„ wijse zal moogen geexcuseert worden 16 maar in de termen van vooren„ staande wetten vervallen zijnde aan de gestatuseerde Wetten onderheevig, egter weegens deszelfs bekende onvermoogen en verdere omstandigheeden van ver„ goeding, verschoond blyven. Mits welke en andere reedenen in tijd en wijlen is het nood nader te dedu„ ceeren, de Ee0: Eysscher Eysch doende Concludeerde, dat bij definitieve Vonnis van uwel Ed=e Achtb: zal werden gecondemneert, om zijn angst en qualiteit ontzet, en als mattroos voor de kost dienst doende na Euopa versonden te worden, met verbeurd verklaaring van deszelfs te goed hebbende gagie en Condemnatie inde kosten aan Justitie ofte tot alsulke andere strafffen als uwel Edele achtb: zullen noodig oordeelen en vinden te be„ hooren. /:was geteekend I: N: J: van Lynden /: in margine:/ Exhibituu in Judicio den 14 october 1790. De ondergeteekende alle bescheiden zijnde ops E„ Comp. s Brik Helena Louisa, verklaaren ter requisitie van den Sous Lieutenant ter zee D: Schriek en den Lous Lieutenant ter Zee H: francke byde opgem: schip by ons bescheiden zijnde.

NL-HaNA_1.04.02_11024_0471 view scan ↗

English

that by the former commander named Ian Breugeman, several pounds and sacks of our rations consisting of rice, peas and beans, sugar and butter, were sent ashore to the house of the Misses Mostert and Anna Mulder, and that in such an excessive quantity that we already wanted to complain about him at that time to the Noble and Most Honorable Lords, whereupon he told us that he had to put the aforementioned rations ashore to have them weighed, because he had no weights on board. that furthermore the aforementioned commander sent ashore by the sailor named Joseph Heyns a sack of rice and a hawser in a gunny sack; that furthermore the aforementioned commander, having seen that he had to leave the aforementioned brig, ordered all of us to pretend to be sick, in order to repatriate with him, whereupon we bluntly answered him: No, we will no longer sail with such a ration thief. All the above we declare to be the pure and honest truth, being prepared, if required, to confirm the same by solemn oaths. Below was written: Thus done on the Honorable Company's aforementioned ship, the [illegible] 1790. Was signed: Boatswain's Mate Matthijs Godfried Lont, Martin Jansen, and Laurens X Burgerson, Jacobus Kranenburg, Govert Pieters, Jacob Alleen, 3rd Carpenter Rijnier Keijser, Jacobus X Schraat, Johan Adam Wabrat, and signature of Jacobus Johannes Marteijn, Johan Adam Staf. In the margin: In the presence of the witnesses to be named: C: Coomans, Karsten Claassen, signed, Boatswain's Mate of the Duif, and below that: Agrees, signed: D F Fause. Appeared before the undersigned commissioners from the Honorable and Most Worshipful Council of Justice of this Government, the aforementioned persons, all posted in their respective capacities on the Honorable Company's ship the Helena Louisa, who, after this their aforementioned declaration had been clearly read out to them, testified that they persisted in the same, wishing that nothing more be added to or taken from it, and therefore each of them individually spoke, in confirmation of the truth thereof, in the presence of the assistant Willem Kolver as proxy for Lieutenant Bruygeman, the solemn words: So truly help me God Almighty. Thus reviewed and sworn to at the Cape of Good Hope, the 2 February 1790. Was signed: R: Keijser, M: G: Lont, and nearby stood: This is the mark of Jacob Alleen, and of Laurens Burgerson, M Jansen, Jacob Kranenburg, Govert Pieters, Jacob Serraad signed with an X, P I: Martein, J A Raf. Lower: In my presence, signed: K Diemel, Sworn Clerk. In the margin: As commissioners, signed: R J van Riet, E A van Sleek. Below was written: Appeared before the Right Noble and Worshipful Lords President and Members of the Honorable and Most Worshipful Council of Justice of this Government, the Navy Captain-Lieutenant Jan Breugman, defendant, on the one part; against the Independent Fiscal of this Government, the Honorable and Most Worshipful Lord Johan Nicolaas Steven van Lijnden, ex officio prosecutor, on the other part. Whereupon the defendant, answering, made statement: 2. in order to deduce to your Right Noble Worships in a fundamental and satisfactory manner 3. that the prosecutor ex officio is to the utmost degree mistaken regarding what occurred on the small vessel the Helena Louisa with respect to the defendant. 4. that consequently the criminal indictment pronounced against the defendant on 14 October last, and the conclusion drawn thereafter, is untenable. 5. The defendant will note, as briefly as is at all possible: 6. how he has discovered in Article 2 of the Honorable and Most Worshipful Lord Prosecutor ex officio's criminal formulation of claim 7. that the prosecutor ex officio was informed 8. that the defendant, according to Article 3 of the said claim, is alleged to have made himself guilty not only of the misappropriation of a part of the daily ship's provisions, consisting of peas, beans, rice, butter, sugar, 9. but that besides this he is also alleged to have given away a new hawser according to Article 4; 10. which information they attempt to support on the part of the Honorable and Most Worshipful Lord Prosecutor ex officio 11. with, Nota Bene, a private, unsworn declaration—and which is well worth noting—executed by the crew posted on the Honorable Company's brig the Helena Louisa. 12. But, Right Noble and Worshipful Lords, here the defendant will pause for a moment to demonstrate what [illegible] is 13. that His Honorable Worship claims to be properly informed, yet not by what means. 14. Nor does one see anything by which the well-foundedness or groundlessness of this information is sufficiently demonstrated in order to prosecute the defendant criminally on account of it, 15. and subsequently to proceed to a conclusion of deportation; 16. yet His Honorable Worship says that it has appeared from the accompanying declarations 17. that the defendant is alleged to have made himself guilty of the acts stated in the claim. 18. The defendant does not doubt for a moment that your Right Noble Worships, upon review and reading of the said declaration, 19. will have to disapprove of the same with nothing less than the greatest signs of indignation, 20. if your Right Noble Worships will only be pleased to take into consideration: 21. that this declaration produced as an annex to the criminal claim 22. is directly contrary to the resolution adopted by your Right Noble Worships some years ago, 23. whereby it was expressly prohibited 24. "that no private, unsworn declarations may any longer be produced in court, 25. as in the future no judgment shall be rendered upon them by your Right Noble Worships." 26. And, Right Noble and Worshipful Lords, as for its essential contents, your Right Noble Worships need only note 27. that the same, without paying the slightest reflection to the quality of the deponents, is filled 28. with hatred, enmity, and factional bias, which depositions are so emphatically rejected by the laws. 29. That also to the giving of testimony of [illegible]

Dutch transcription

dat door den voorigen gezuchhebber genaamd Ian Breugeman, verscheiden Ponden en zakken van onze randsoenen beslaande in rist. Eristen en Boonen zuyker en booter, zijn aandewal gezonden ten huijse van de juffrouwen mostert en Anna Mulder, en dat in zo verregaande veelheid, dat wij in die tijd reeds over den zelven aan de Edele groot achtbaare Heeren wilde klaagen, waarop denselven aan ons heeft gezegt, dat hij voornoemde randsoenen moest aan de wal zetten om te laaten weegen, overmits deselve geen gewicht aan Boord had. Zezachhebber dat wyders voornoemde heeft aan de walgesonden door den Sol„ leman genaamd Joseph Heyns een zak, rijst en een tios in een gonje sak — dat alwijders den gesackhebber voornoemd gesien hebbende voorn Brik te moeten verlaaten hij ons alle heeft aangezagt om ons ziek te houden, ten einde met denselven te repatrieeren, waarop wij hen rond bortio„ geantwoord hebben Neen wij willen met geen randzoen dief van dus meer vaaren. al het voorenstaande verklaaren mij de suyvere en oprechte waarheid te zijn bereid zijnde des gerequireert wordende hetselve met solemneele Eeden te bevestigen /:onderstond./ Aldus gedaan ins' EComp:s schip voorm: den 1790 /:was geteekend:/ Bootsmansmaat Matthijs Godfried Lont, Martin Jans en Laurens X Burgerson, Jacobus Kraa, nenburg, Govert Pieters, Iacob :&:/ alleen, 3de Timmerman Rijnier Keijser /: Iacobus X Schraat:/, Iohan Adam Wabrat /:& handteekening van Iac Johs Marteijn. .. Iohan Adam staf /:in margine:/ ter proesentie van de naatenoeme getuijgen C: Coomans, kasten Claassen geteekend:/ Bootsmansmaat van de Weif /:en daar onder/ Accordeert /:geteekend DFFause Compareerde voor dus ondergeteekende gecom„ mitteerdens uit den E: achtb: raade van Justitie deezes gouvernements, de voorenstaande Persoonen, alle in hunne qualiteiten bescheiden op s' EComp: schip de Helena Louira, dewelke deeze hunne Recollement voorenstaande Verklaaring, duydelyk voorgeleesen zijnde, betuygden bij den zelve te blyven persisteeren, met begeerte dater niets meer bij of van gedaan werden zal, en spraaken dierhalven ender van hun in het bysonder ter bevestiging derwaar„ heid van dien, ter presentie van den adsistent Willem Kolver als gemachtigde van den Lieutenant Bruygeman, de solem„ neele woorden; zo waarlik helpe mij godt Almachtig. Aldus gerecolleert en beëëdigt aan abo de goede Hoop den 2 februarij 1790 /:was geteekend:/ R: Keijser, M: G: Lont, &: / en daarbij ttond:/ dit is het merk wans Iacob Alleen; :&: Jvan Laurens Burgerson M Jansen, Iac: Kranenburg, Gbvert bie, ters, Iac: Serraad get: met X. / P I: Martein J A Raf /:laager:/ mij rrevent /: geteekend: k Diemel gesw: Clercq /: in margine:/ als gecommitt s /:geteekend:/ RJod Riet e Aonfleek /:onderstond:/ Compareerde voor de Wel Edele en achtb: Heeren President en Leeden uit den E: Achtb. raade van Justitie deeses Gouvernements den Capitein Lieutenant ter Zee Jan Breug man Verweerder ter eenre Contra den Independent fiscaal deeses gouvernements d' E. achtbaar Heer Johan Nico„ laas steven van Lijnden r: O. Eijsscher ter andere zijde A V den Verweerder antwoordende deede zeggen 2. omme op een fundamenteele en satisfa„ ctoire wijse UwelEdele achtb. te dedu ceeren 3 dat den ri0. Eysscher noopens het voorge vallene op het scheepje de Helena Louisa ten opzichte van den Verweerder ten alleruittersten geabuseert. 4 dat derhalven de op den 14 October J2 weegens den verweerder uitgebraakte crimineelen Eijsch en daar achter ge„ noomen Conclusie enbestaan baar is 5 zal den Verweerder zo kort als maar eenig sints doenlyk aanmerken 6 hoe hij in articul 2 van des E: achtbr Heer r: O: Eysschers crimineele Conclusie van Eysch ontwaard heeft 7 dat den 2: 0: Eyst. geinformeert geworden 8 dat den Verweerder volgens act: 3 van gem: Eijsch zich zon hebben schuldig gemaakt niet alleen aan Vreemding van een ge„ deelte der mondelykse scheepsprovisien bestaande in Erwten, boonen, ryst, boter suijker Maar behalven dien ook nog een nieuwe Tros volgens act: 4 zoude hebben afgegeeven 10: welke Informatien men aan de zijde van den E Achtb Heer r:O. Eysscher tragt te staaven 11. met NB een onderhandsche verklaaring en quod bene notandum door de opsE Comps. Brik de Helena Louisa bescheiden manschappen verleeden. 12 dan Wel Edele Achtb: Heeren, hier zal den verweerder een weinig blyven stil, staan om aan te toonen welke refl is 8. ƒ 13 zijn E: Achtb: regt geinformeert te zin doch niet waar door. 14 ook ontwaart men niets, waar bij de ge„ of ongefandeertheid deeser informatien voldoende blyken, om den Verweerder desweegens Crimineel te actioneeren 15 en vervolgens tot een Conclusie van de portement over tegaan 16 dan zijn Ed: achtb: zegt dat het door bijgaande verklaaringen gebleeken dat den verweerder zich aan de by Eysch genavreerde feiten zou hebben schul„ dig gemaakt. 18. den verweerder twyffelt geen oogenblik of uwelEd. achtb sullen bij resumptie en lectuure der gem. Verklaaring 19 deszelfve niet dan met de grootste tee„ kenen van insignatie moeten disappro beeren. zo indien uwelEdele Achtb: slechts in aanmerking gelieven te nee„ men. 21 dat deese Verklaaring annex den B is. . den crimineelen Eijsch geproduceert 22. rechtstreeksstrijdende is met het bij UWel Edele achtb: voor eenige Jaaren herwaards genoomen besluit 23. waar bij uitdrukkelijk geinterduceert was. 24„ datergeene onderhandsche Verklaa. „ ring en meer in rechten zullen mogen „ worden geproduceert 25 als zullende in het vervolg bij n„ WelEdele Achtb: geen recht daarop worden gedaan. 26. en Wel Edele achtb: Heeren, wat de essentieele inhoud, daar van betreft, zo gelieven Uwel Ed. achtb: slechts te letten 27. dat deselve, zonder op de hoedaanigheid van de Deposanten eenige de minste reflectie te maaken. vervuld is 28. van haat, uijt, vijand en partijschap, welke depositien bij de Wetten zo nadrukkelijk word gereprobeerd 29 Dat ook tot hetgeenen van getuygenis van ge te 1 ƒ

NL-HaNA_1.04.02_11024_0478 view scan ↗

English

Those who are sworn enemies of the persons against whom they testify may not be admitted as witnesses of the truth, L. 3 in p. f. eod. l. C. C. 23 N. l. 3 Cod. 30. Furthermore, Your Noble Excellencies will perceive as clear as the noonday sun from the annexed note of what a cabin attendant stationed on a permanent vessel of this government is entitled to receive, 31. that the defendant and his young son, during the time they were stationed on the aforesaid vessel, were entitled to 120 pounds of rice. 32. Which rice was therefore also dispatched by the defendant, since it is provided to the defendant by the Honorable Company according to the annexed note. 33. Furthermore, Your Noble Excellencies will see most clearly from the document annexed under No. 2 34. that the deponent was appointed to supervise the provisions in the ship and also took proper care of everything, and testifies 35. and testifies that nothing of any kind went off board 36. except only two small bags of rice. 37. From what, now, Most Noble Honorable Sirs, does it appear that the defendant allegedly made himself guilty of embezzling peas, beans, butter, and sugar? Indeed, from nowhere. 38. Most Noble Honorable Sirs, concerning the new hawser spoken of by the Honorable Officer, the Prosecutor, in his action, 39. may Your Noble Excellencies please only review 40. the annexed declarations under No. 3 and 4. 41. Therein Your Noble Excellencies will see in the clearest manner 42. that 2 hawser ropes from the English ship the Guardian were employed for the Helena Louisa, 43. when the same was brought from the beach into floating water. 44. Which ropework, after the hauling off of the said brig, was secured with an end of a hawser of the thickness of two fingers and 2 to 2 1/2 fathoms long. 46. Which end subsequently served as a catch rope 47. and was thereafter unfit and unserviceable. 48. Thus the defendant also dispatched this rope. 49. And since this rope is now not only already unserviceable and unfit, but also never belonged to the Honorable Company, 50. it follows per se that the defendant cannot possibly, as well regarding the rope 51. as equally little regarding the rice, fall under the terms of having offended against the laws cited by the claim. 52. Furthermore, it is taught in law with complete clarity 53. that in criminal proceedings, two witnesses who contradict an offense must be believed over a thousand others; 54. that in criminal cases more credit must be given to the witnesses of an accused than to the witnesses of the fiscal or Chief Officer, even though the latter were of better condition and greater in number. 55. Indeed, these artificial arguments are hitherto supported by inartificial ones, 56. which likewise, regarding Art. 12, the defendant under respectful correction assumes on solid grounds, 57. and through which, therefore, the criminal claim and the conclusion drawn thereafter by the Honorable Prosecutor must per se collapse and fall apart, the defendant absolutely denying the offenses charged against him in the claim; he concluded, for reasons and grounds to be further alleged during the trial, to the end of inadmissibility, as well as to the absolution from the claim and conclusion made and taken against the defendant in this matter, and that consequently the Honorable Prosecutor shall be condemned to drop the criminal action with the consequences and attachments thereof, as wrongly and unjustly pursued, free of costs and damages, or to such other ends as Your Noble Excellencies shall find to be proper according to law and equity. Signed: Jan Breugman. Note of what a cabin attendant stationed on a permanent vessel for this government is entitled to receive, namely: Per month: 40 lb rice 15 lb beans or peas 2 lb butter 3 lb powdered sugar 7 small measures olive oil 6 pots brandy or arrack 1 pot vinegar 18 lb homeland bacon or meat 3 1/4 lb fresh meat daily. Underneath stood: In the Castle of Good Hope, the 23 November 1790. Signed: C. van Eerten. Today, the 2 November 1790, appeared before me, Johannes Daniel Karnspek, sworn clerk at the Secretariat of Justice of the Castle of Good Hope, present the witnesses named below, the quartermaster stationed at the yard here, Christiaan Grauw, of competent age. Exhibited in court the 25 November 1790. Who, at the requisition of Captain-Lieutenant Jan Breugman, declared it to be true: that when the brig Helena Louisa was brought here in Table Bay from the beach and placed into floating water, he, deponent, then received orders to serve as quartermaster with about 16 men on the aforesaid ship, where the requisitionist held the command at the time; that he, deponent, during the period of 21 days thus performed service on board, and having been appointed to supervise the provisions in the ship, he, deponent, therefore took all proper care of them, and testifies that nothing of any kind went off board except only 2 small bags of rice, which he dispatched by order of the requisitionist. Declaring nothing further, the deponent gives as reasons for his knowledge as in the text, being prepared to confirm the foregoing further with an oath. Underneath stood: Thus passed at the aforesaid Secretariat, present the clerks Dirk Jacobus Aspeling and Johan Bernhard Hoffman as witnesses, who have duly signed the minute hereof along with the deponent and me, the sworn clerk. Lower: Which I testify, signed: J. D. Karnspek, sworn clerk. Review. Appeared before us, the undersigned commissioners.

Dutch transcription

Getuygenis der waarheid niet moogen worden geadmitteert die geenen die geslaagen vijanden zijn van degeenen teegens welke zij getuigen, L: 3 in p. f: ecd: l: C: C: 23: N: l: 3: Cod cod: 30. daar en booven sullen uwel Edele achtb: uit de neevensgaande notitie van hetgeen een Cajuijts gast op een Permanent vaartuig van dit gouver„ nement bescheiden komt te genieten son en middag klaar ontwaren. 31. dat den verweerder en zijn soontje geduurende die tijd dat zijt op meerm: scheepje zijn bescheiden geweest 120 ponden zop 't zijn Competeerende. 32. welke rijst dan ook door den Verweerder is afgescheept, vermits aan deselve door d' E Comp:s volgens neevensgaande Notitie, als. den Verweerder word verstrekt. 33. daar en booven zullen UWelEd. Achtb: uit de sub No. 2 geannexeerde ter aller klaars ten zien. 34 dat den Comp=t gesteld is geweest om over de provisie in het schip toezicht te houden en ook voor alles behoorlijk toesigt heeft gedragen. en betuygd d 8 35 en betuygt dat niets hoe ook genaamd van Boord gegaan is 36. als alleen twee zakjes met rijst. 37. waaruit blijkt het nu Wel Edele Achtb: Heeren dat den Verw. r zich zon hebben schuldig gemaakt aan Vervreemding van Erwten, Boonen, Boter, en zuyker, immers nergens. 38. Wel Edele achtb: Heeren omtrend de nieuwe tras door den Heer R: O: Eyscher in act: u van zegt 39 zo gelieven Uwel Edele achtb: slechts te resumeeren 40 de annexe verklaaringen sub: N=o 3 e le. 21. daarint zullen UWelEdele Achtb: ten duydelyksten zien 42. dat er 2 trossen touw van het Engelsch schip „le guardian tot de Helena Louisa zijn geemploij cent. 43. wanneer deselve van strand in vlat water is ge„ bracht. 4e Welk Toutwark na het afbrengen van gemelde Buik met een End van een Tros ter dikte van twee Vingers en 2 à 23 Vademen lang is vastge„ maakt. U6 welk end naderhand tot een vanglom heeft gediend 47 en vervolgens onbekwaam en en bruikbaar ge, weest is 48. zoo heeft dan den Verweerder dit zoun ook af gescheept. 20 tie 49 en nadien dit Touw nu reeds onbruikbaar en onbekwaam is niet alleen, maar ook d. EComp nooit heeft toegehoort. 50. zo volgt het immers perse, dat den Verveerder onmoogelyk zo wel omtrend het Touw 51. als eeven zo min omtrend de rijst in de her men koomen kan van teegens het bij den Eysch aangehaalde Wetten misdreeven te hebben 52 het word daar en boven in rechten ten alle duydelyks geleert 53 dat in crimineele proceduures, haee getuijgen die een delict teegenspreeken meer moet wor„ den gelooft aan duijsend anderen 54 dat in cas crimineele meergeloof moet worden gegeeven aan de getuijgen van een beschul digden, dan aan de getuijgen van den fiscaal of Hoofd Officier, of schoon die van beeter .d Conditie en meer in getal waaren 55 immers worden tot noch toe deese artifi ciede aigumentatien door inactificieele onde steend. 56. het welk insgelyks omtrend art: 12. 10. Uoed den verweerder /:onder eerbiedige Coirectie:/ op solide gronden superçinneert E 57. , en waar door mits dien den crimi„ neelen Eijsch en daar agter genoomen Conclusie van den E: achtb: Heer R.O. Eysscher, dus perse zullen moeten coirneeren en instorten den Verweerder absolutelijk ontkennende, defecten hem bij Eijsch ten lasten gelegt concludeerde bij reeden en middelen ten processe nader te allegueeren, ten fine van niet ontfankelijk, mitsgaders tot absolutie van den Eisch en Conclusie op en jeegens den Verweerder in deesen gedaan en genoomen, en dat gevolg„ lyk den E. Achtb: Heer R. O. Eijsscher gecondemneert zal werden, de crimineele actie met de gevolgen en aankleeven van dien, als kwalyk en ten onrechte ge„ daan kost en schaadeloos aftedaen, ofte tot zodaanige andere finen als uwel Edele achtb: na rechten en billyk heid zullen vinden te behooren (:was geteekend: Jan Breugwan aas en eerde ter 5 1 aal „Notitie van het geen een Caputsgast, op een permanent Vaartuijg voor dit gouverne„ ment bescheid komt te genieten, te weeten 40 lb sipt 15 „ Boonen of Erioten 2 „ Booter 3 „ poederzuijker s' maands 7 musjes olyven olij 6 Cannen Brendewijn of Arak 1 Can asijn 18 lb: vaderl: spek of vleesch. 3¼ lb Versch Vleesch s daags. /:onderstond:/ In't Casteel de goede Hoop den 23 no„ vembeer 1790 /:was geteekend:/ C: van Eerten Huyden den 2 November 1790 Compareerde voor mij Johannes Daniel Karnsper geswoore Clercq ter Secretarije van Iustitie des Casteels de goede Hoop, present de naten: getuygen den den quartiermeester, op de Werf alhier be scheiden, Christiaan Grauw van competenten Exhibitieur in /:in margine:/ Judicis den 25 november 1790: ouderdom ouderdom dewelke ter requisitie van den Capitein Lieutenant, & Ian Breugman verklaarde hoe waar is dat wanneer de Brik Helena Louisa alhier in de Tafelbaaij van het strand gehaalt en in Vlotwater gebracht is, hij Comp.t als toen ordre heeft gekree„ gen om als quartiermeester met de a 16 mann op voorm: schip dienst te doen, alwaar den regt des tijds het Commando voerde dat hy Compt. geduurende den tijd van 21 daagen zodaanig aan boord den dienst heeft ge„ prosteert, en gesteld zijnde om over de provisien in het schip toezicht te houden hij Comp:t dan ook daar voor alle behoorlyke zorge heeft gedraagen en betuijgt dat niets hoegenaamd van Boord is gegaan als alleen 2 zakjes met rijst, welke hi ter ordre van den reqt. heeft afgescheept Niets meer verklaarende geeft den Comp=t voor reedenen van weetenschap als in den Text, bereid zijnde het voorenstaende met Eede nader ge„ stemd te doen. /:onderstond:/ dat aldus passeerde ter Secretarije voorm pre„ cent de Clercquen. Dirk Jacobus Aspeling; en Iohan Bernhard Hoffman als getuijgen, die de minute deeses beneevens den Compt en mij geswoore Clercq meede behoorlyk hebben onderteekend. /:laager:/ T welk ik getuige /:geteekend:/ I: D: Karnspek gen Clen Recollement Compareerde voor ons ondergeteekende geconm inte 1790: e

NL-HaNA_1.04.02_11024_0484 view scan ↗

English

from the Honorable Court of Justice of this Government the aforementioned quartermaster Christiaan Grouw, who, having had his preceding statement read out clearly and distinctly, testified to persisting therewith, desiring that nothing shall be added to or taken away from it, and therefore spoke in confirmation of the truth thereof the solemn words: so truly help me God Almighty. underneath: Thus re-examined and sworn at Cabo de goede Hoop on 24 February 1791. was signed: C: Grauw lower: in my presence signed: P: Diemel sworn Clerk in the margin: As Commissioners signed: R: J: vander Riet and H: A: Truter. Today, 16 November 1790 Appeared before me, Johannes Daniel Karnspek, sworn Clerk at the Secretary of Justice of the Castle of Good Hope, present the afternamed witnesses, the former Lieutenant of the Burgher Militia, the Mart: Willem Hendrik Kirsten of competent age, who, at the requisition of Captain Lieutenant at Sea Jan Breugman, declared it to be true: That to the best of the appearer's recollection, in the month of June of the current year, or at the time when the aforementioned brig was brought from the beach into flat water, the appearer, having assisted in that operation on that occasion, had received on the beach two hawsers of cordage consisting of a white and a tarred hawser, belonging to the ship's stores of the English warship Guardian stranded here, which cordage was employed for the service of the said brig, without the appearer knowing where the same went afterwards, as that cordage, after the hauling off of the said brig, remained lying there on board. Declaring nothing further, the appearer gives as reasons for his knowledge as stated in the text, being prepared, if required, to further confirm the foregoing under oath. underneath: Thus passed in the Castle of Good Hope in the presence of the Clerks Marthinus Laurentius Neethling and Johan Bernhard Hoffman as witnesses, who have duly signed the minute hereof along with the appearer and me, sworn Clerk. lower: Which I witness signed: I: D: Karnspek sworn Clerk. Re-examination Appeared before us, the undersigned Commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government, the Mart Kirsten, who, having had his preceding statement read out clearly and distinctly word for word, testified to persisting therewith, with the desire that nothing more shall be added to or taken away from it, and therefore spoke in confirmation of the truth thereof the solemn words: so truly help me God Almighty. underneath: Thus re-examined and sworn at Cabo de goede Hoop on 21 February 1791. was signed: W. H. Kirsten lower: in my presence signed: P. Diemel sworn Clerk in the margin: as Commissioners signed: R: J: vander Riet and Joh:s Smuts. Today, 18 November 1790 Appeared before me, Johannes Daniel Karnspek, sworn Clerk at the Secretary of Justice of the Castle of Good Hope, present the afternamed witnesses, the Burgher Johannes Sigismundus Grove of competent age, who, at the requisition of Captain Lieutenant at Sea Jan Breugman, declared it to be true: That he, the appearer, is very well aware, having been personally present, that on the date 26 or 27 May of the current year, for the hauling off from the beach of the Honorable Company's brig the Helena Louisa, two hawsers of English ropes were lent. Declaring nothing further, the appearer gives as reasons for his knowledge as stated in the text, being prepared, if required, to confirm the foregoing under oath. Thus passed at the Secretary aforesaid, present the Clerks Marthinus Laurentius Neethling and Johan Bernhard Hoffman as witnesses, who have duly signed the minute hereof along with the appearer and me, sworn Clerk. underneath: Which I witness was signed: I: D: Karnspek sworn Clerk. Re-examination Appeared before us, the undersigned Commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government, the Burgher Johannes Sigismundus Grove, who, having had his preceding statement read out clearly and distinctly, testified to persisting therewith, with the desire that nothing more shall be added to or taken away from it, and therefore spoke in confirmation of the truth thereof the solemn words: so truly help me God Almighty. underneath: Thus re-examined and sworn at Cabo de goede Hoop on 24 February 1791. was signed: I: S: Grove lower: in my presence signed: P: Diemel sworn Clerk in the margin: as Commissioners signed: R: J: v: d: Riet and H: A: Truter. Today, 21 November 1790 Appeared before me, Johannes Daniel Karnspek, sworn Clerk at the Secretary of Justice of the Castle of Good Hope, present the afternamed witnesses, the sailors of the brig ship Helena Louisa lying in the roadstead, Hendrik Ietses, Hendrik Meijer and Willem Berend Frants, all of competent age, who, at the requisition of the Captain Lieutenant of the said vessel, Jan Breugman, declared it to be true: That the appearers, in their aforementioned capacities, during the stay of the aforementioned vessel the Helena Louisa, were stationed on board, but have never seen that any provisions of rice, sugar, etc., were shipped off to the shore by the requisitioner. Declaring nothing further, the appearers give as reasons for their knowledge as stated in the text, being prepared, if required, to further confirm the foregoing under oath. underneath: Thus passed at the Secretary aforesaid, present the Clerks Dirk Jacobus Aspeling and Johan Bernhard Hoffman as witnesses, who have duly signed the minute hereof along with the appearers and me, sworn Clerk. lower: which I witness signed: I: D: Karnspek sworn Clerk.

Dutch transcription

uit den E Achtb: raad van Justitie deeses Gouv nements voorm: quartiermeester Christiaan Grouw dewelke zijne voorenstaande Verklaarin klaar en duydelyk voorgeleesen weesende de tuygde daar bij te blyven persisteeren, begeerende dat er niets bij of van gedaan werden zal, en sprak dierhalven ter bevestiging der waarheid van dien / de solemneele woorden: zo waarlijk helpe mij Godt Al„ machtig. /:onderstond:/ Aldus gerecolleert en beëëdigt aan Cabo de goede Hoop den 24 februaryj 1791. ( was geteekend :/ C: Grauw /:laager:/ mij praesent /:geteekend:/ P: Diemel geswoore Clercq /:in margine:/ Als Gecommitteerdens /:geteekend R: J: vander Biet e: H: A: Truter. Huijden den 16 November 1790 Compareerde voor mij Iohannes Daniel Karn spek geswoore Clercq. ter secretarije van Justitie des Casteels de goede Hoop, present den aten Ge„ tuygen, den ou Lieutenant der Burgerry den Mants: Willem Hendrik Kitsten van competenten ouderdom, dewelke ter re quisitie van den Capit: Lieut ter zee Ian Breugman verklaarde hoe waar is dat nades Comp:ts best onthoud, inde maand Iunij van dit loopend, Iaar of wel ten tyde dat bovengem: Brik van strand in Vlat waater gebracht is geworden, den Comp. t bij die verrigting geadsisteert hebbende by die geleegendheid, aanstrand had ontvangen Twee trossen bouwwerk bestaande in een witte en een geteerde Tros, behoorende in de scheeps behoeften in het alhier gestrand Engelsch oorlog schip guardian, welk touw werk ten dienste van gemelde Brik is geemployeert geworden zonder dat den Compt waar deselve vervolgens is gebleeven als zynde dat Touwwak, naa het afbrengen van ged: al Brek aldaar aen Boord blyven leggen. Niets meer verklaarende geeft den Compt voor redenen van weetenschap, als in den Text bereid sijnde het voorenstaande des geze„ quinreert wordende naader met Eede te be„ vestigen. /:onderstond:/ dat aldus passeerde int Casteel de goede Hoop ter presentie der Clercquen Marthinus Laurentus Neethling er Johan Bemhard Hoffman als getuygen die de minute deeses benevens den Compt. en mij gesw: Clercq behoorlyk hebben ondertee Clercq meede kend / laager/ T welk ik getuijge /:geteekend:/ I: D: Karnspek gesw: Clercq, Recollement Compareerde voor ons ondergeteekende gecommitteerdens uit den E. Achtb: raade van Iustitie deeses gouvernements Kirsten, dewelke zijne voo„ den Mart Verklaaring vanwoord tot renstaande woord klaar en duydelyk voorgeleesen weesende betuygde daarby te blyven persisteeren /:met begeerte dat er niets meer bij of van gedaan werden zal en sprak dierhalven ter bevestiging der waarheid van die de solemneele woorden zo waarlyk help mij God almachtig /:onderstond:/ Aldus gerecolleert en beeedigt aan Cabo de goede Hoop den 21 februarij 1791 /: was getee kend H te kusten /laage /: mij present geteekend:/ P. Diemel geswoore Clercq /:in margine :/ als gecomm /: geteekend:/ R: J: vander liet en Jdh:s Smits Huyden den 18 November 1790 Compareerde voor mij Iohannes Daniel Karn„ spek geswoore Clercq ter Secretarije van Justitie des Casteels de goede Hoop, proecent de natenoemens Getuijgen, den Burger Iohannes Sigimuu„ dus Grove van competenten ouderdom, dewelke ter requisitie van den Capitein Lieutenant ter Zee Jan Breugman verklaarde hoe waar is. Dat hem Comp=t. zeer wel bewust is, als zijnde in berzoon teegenswoordig geweest, dat in dato 26 of 27 maij van dit loopend Iaar tot het van strand haalen van s' EComp. s Brik de Helena Louisa twee trossen Engelse touwen geleee„ zigt geworden Niets meer verklaarende geeft den Compt voor reedenen van weetenschap, als in den Text, bereid zijnde het voorenstaande des vereischt werdende met Eede gestand te doen Dat aldus passeerde ter Secretarye voornt present de Clercquen Marthinus Laurentius Neethling en Johan Bernhard Hoffman als getuijgen, die de minute deezes benevens den Comp. t en mij geswoore Clercq, meede be„ hoorlyk hebben onderteekend /:onderstond T welk ik getugge was geteekend:/ I: D: 1 Karnspek geswoore Clercq Recollement Compareerde voor ons ondergeteekende Gecom„ mitteerdens buit den E: Achtb: raade van Justitie deeses Gouvernements prasent de Bruger Johannes Sigismundus Grove, dewelke zijne voorenstaande Verklaaring klaar en duijdelijk voorgeleesen weesende betuygde daen bij te blyven persisteeren, met begeerte dat er niets meer bij ofvangedaan werden zeel, en sprak dierhalven tot bevestiging der waarheid van dien de solemneele woorden zo waarlyk help mij Godt Almachtig. /:onderstond:/ Aldus gerecolleert en beëëdigt aan Cabo de goede Hoop den 24 februarij 1791 /:was geteekend:/ I: S: Grove /:laager:/ mij pro„ sent /:geteekend:/ P: Diemel gemw: Clercq /:in margine:/ als gecommitteerdens /:geteekend:/ R: J: v: d:riet en H: A: Fruter Huijden den 2: November 1790 Compareerde voor mij Iohannes Daniel Karn„ spek geswoore Clercq ter secretarie van In„ stitie stitie des Casteels de goede Hoop, present dena„ tenoemene getuijgen de mattroosen van het ter reede leggend Brik scheepje de Helena Louisa Hendrik Ietses, Hendrik Meijer en „Willem Bord Frante alle voor competenten ouderdom, dewelken ter requisitie van den Capitein Lieutenant van op gemelde Bo„ dens Jan Breugman verklaarde hoe waer is. dat de Compten in hunne opgemelde qualiteiten geduurende het aanweesen van opgemelde Scheepje de Helena Louisa aan Boow zijn bescheiden geweest, doch min„ mergezien hebben dat eenige Provisien van ryst zuijker &c:a door den req„t na de wal is afgescheept geworden. Niets meer verklaarende geeft den Compt. voor reedenen van weetenschap, als in den Ta't bereid zijnde hetvoorenstaande des gerequi„ werd wordende met Eede nader gestand te doen /:onderstond:/ dat aldus pesseerde ter Secretarije voorm: present de Clercquen Dirk Jacobus Aspelius en Johan Beanhaid Hoffman als getuygen die de minute deeses benevens den Compten en mij gesw: Clercq meede behoorlyk hebben de derteekend: / laager:/ welk ik getuyge /:geteekend I: D: Karnpek geswoore Clercq. 1

NL-HaNA_1.04.02_11024_0490 view scan ↗

English

Rejoinder drawn up and respectfully submitted to the Honorable and Worshipful Mr. Johannes Isaac Rhenius, President, and the Council of Justice of this Government, by and on behalf of the undersigned Captain-Lieutenant at sea in the service of the Honorable Company and former commander of the Honorable Company's brig the Helena Louisa, Jan Breugman, Defendant in the case of alleged alienation of provisions and equipment goods, on the one part; to and against the Independent Fiscal of this Government, the Honorable and Worshipful Mr. Johan Nicolaas Steven van Lynden, formally Plaintiff on the other part. Honorable and Worshipful Sir and Honorable Sirs. The defendant, having very respectfully thanked Your Honors and Worships for the copy so favorably granted to him of the documents and muniments submitted by the aforesaid Plaintiff on the last ordinary court day, as well as the day appointed to submit a rejoinder, finds himself constrained, without however wishing to prescribe a lesson to this respectable court in general or even to any of the respectable members in particular, as one possesses as little the ability as the audacity for that, but solely with the aim of helping to remind, according to duty and conscience, so far as the undersigned's knowledge extends: That justice alone is regarded as the most durable foundation of the authority of kings and supreme powers, which the wise King Solomon confirms to us with these words: it is an abomination to kings to commit wickedness, for the throne is established by righteousness. Yet, with all due respect, it is not enough that a sovereign himself does no injustice, but Solomon wishes, with the words that follow shortly thereafter, to instill into the young sovereign that he must watch over and take care of justice especially in the courts, so that no harm is done under the semblance of right through unjust procedures practiced by artifice and subtleties, and through the violation of rights and privileges, laying down as a precept of good governance: voluntas regum labia justa, qui recta loquitur diligitur. For which reason all learned men and people who think as befits Christians ask with compelling reasons: who must not tremble when he sees a head grown gray in the service of the country roll to the ground through hatred and envy by the sword of injustice, or hears a tongue doomed to an everlasting silence in an eternal prison for defending right and justice? There is truly nothing more worthy of honor than an upright and righteous judge, while there is nothing of more terrible consequences than a judge who, blinded by prejudice, passion, or self-interest, sacrifices justice thereto; the most dreadful of all being when this takes place in matters whereon a person's honor or life depends. How much respect, then, does society in general, and each member thereof in particular, not owe to this Honorable and Worshipful Council, which, investigating everything with its customary attention, carefully knows how to prevent humble or less affluent people from being oppressed through the authority and cunning of the powerful, and thereby very carefully knows how to avert the curse that must come upon such lands and people where such is practiced, by making a discerning judgment regarding the distinction that exists between a lawful proof and a prejudice, or so-called praeventio, as the jurists speak. It is for this reason, Honorable and Worshipful Sirs, that that Roman orator Cicero Pro Roscio Amerino speaks thus in this regard: in such a crime, that famous man says to the judges, even when several causes seem to agree with one another, one nevertheless does not believe easily; one does not weigh the matter upon loose conjectures; one does not hear uncertain witnesses; one does not judge the matter according to the greater intelligence that the accused may possess; but it is necessary that one demonstrate several crimes already previously committed by the accused, that he has always led a debauched life, and that when all those matters are indeed so, there must still be solid proofs of a crime: where, in what manner, by whom, at what time the crime was committed; and if those proofs are not in great numbers and of the utmost clarity, then such a crime cannot be believed. All the less so since, alas, through the testimony of a cabal that ruins land and people—instigated by whom one shall pass over in silence—the defendant sees himself entangled in a criminal suit, on the outcome of which will depend the preservation or the ruin of a man who has served the Honorable Company for a succession of thirty consecutive years, and who, having suffered shipwreck in a dangerous storm and seeing his life saved through God's undeserved goodness and wise providence, now sees himself once again brought into peril; to see his honor and reputation, which are just as dear to him as life, dashed upon the rocks of a cabal that cries out to Heaven, and furthermore to see himself totally ruined. This then being permitted, the undersigned finds thereby a way opened to him which naturally leads him to demonstrate the enormity, groundlessness, and exorbitance of the Honorable Plaintiff's claim and conclusion. And in order to bring his sincere innocence under the discerning and accurate eye of Your Honors and Worships regarding the case in question and which is now ordinarily to be dealt with, to demonstrate the undersigned's upright conduct, from which it will be evident to Your Honors and Worships ad oculum that the defendant has perpetrated nihil doli mali in the present case, the undersigned will hereby limit his Rejoinder to three points: in the first he shall have to demonstrate that the defendant, by sending 120 pounds of rice to his little son, as well as the piece of rope 22 to 23 fathoms long and 2 and 3 inches thick, [illegible]

Dutch transcription

Duplicq gedaan maaken en en respectieuselyk overgegeeven aan den WelEdelen achtt„ Heer Iohannes Isaac Rhe„ nius prosident en den raad van Justitie deeses Gouver nements door ende aan weegens den ondergeteekende Capitein Lieutenant ter zee in dienst der ECompe en geweesen ge„ zachhebber van s' EComps Brik de Helena Louisa Jan Breugman Verweerder in cas van pietense veiallier neering van provisie en Equi„ pagie Goederen ter eenre op ende jeegens Den Independent Fiscaal deeses gouvernements de E: achttb: Heer Iohan Nicolaas steeven van Lijnden 2.0. Eyss= in voorslas ter andere zijde Wel: Edele Achtb: Heer en Wel Edele Heeren. Den ged: na Uwel Ed: achtb: voor de hem zo goedgunstig verleende Copia van des 2ed Eys=r lb: ord: lecht: lb: ordin: Rechtdag ingediende stukken en munimenten, en dag om te dupliceeren, zeer referentelyk bedankt te hebben, vindende zich genoodzaakt zonder echter aan dezen respectabiele Veischaar in het generaal ofte ook maar aan een der respectable Leeden in het bijzonder een lesje te willen voorschrijven, want daar toe bezit men zo min de bekwaamheid als vermeetenheid, maar alleen met een oogmerk om volgens plichten conscientie zo verre des Onderget: kennisse strckt alleen te helpen herrinneren. dat de bestendigste grondslag van het gesach der kooningen en oppermachten, de recht. vaardigheid alleen aangemerkt is, bevestigt ons de wijse Koning Salomon, met deeze woorden als het is derkoningen grouwel godloosheid te doen, want door gerech„ tigheid word den Troon bevestigt, doch het is onder welmeenen, nietgenoeg, dat een Vorst zelve geen onrecht doet, maar salomon wil met de daar kort op vol„ gende woorden de jonge Vorst in boezemen dat hij in het bijzonder voor de rechtvaar„ digheid in de rechtbanken moet waaken en zorgdraagen, dat niet door onrechtvaar„ dige en door Konst en subtititeiten ge„ practiseerde Proceduures, door het scheuden en der rechten en provelegien, onder scuijn van van recht benaadeelt te worden, stellende tot een voorschrift van een goede regeering, ilum„ tas requm labia Iusta, qui reita loqui tur deligitur, waar om alle geleerden en als Christenen betaamd denkende men„ schen, met klemmende reedenen te recht vraagen, wie moet niet beeven, wanneer hij wanneer hij een hoofd ten dienste van den Lande grijs geworden, uit haat en nijd door het zwaard der onrechtvaardigheid ziet ter aarde rollen, of een tong over het verdeedigen van het recht en gerechtigheid hoort in een eeuwige gevangenis tot een altoos duurende stilswijgen doemen. daaris waarlyk niet eenwaardiger dan een ontijdig en rechtvaardig rechter ter wijl er niets van schroomlyker gevol„ gen is, dan een rechter, die door voor genoomendheid Passie of eigen belang verblind, de rechtvaardigheid daar aan op offert, waar aller gruwelykst is het, wan„ neer dit plaats heeft in zaaken, waar van iemands eer of leeven afhangt, hoeveel eerbied esde maatschappij in het generaal en ieder Lid derselve in het bij zonder, dan niet verschuldigt aan deesen Ed: achtb: rade, die met hunne gewoone attentie alles naagaande sorgvuldig weeten te beletten, dat geringe of min ver„ moogende Lieden, door het Gezag en list des niet magtigen verdrukt worden, en daar door zeer zorgvuldig weeten voor te koomen den Vloek die op zodaanige Landen en lieden waar zulx gepractiseert word koomen moet, door een onderscheidene vordeel omtrend het ouderscheid, dat er is tusschen een wettig bewip en een vooring ende. mentheid, of zo genaamde provenitie gelyk de rechtgeleaden spreeken te maaken Het is daarom Edele en achtb. Heeren dat dien romeinsin Orateur Cucco pro. Rosue Amer hieromtrend aldus spreekt, in zulx een misdaad zegt dien verwaarden man aan de rechters, wanneer zelfs ver„ scheidene oorsaaken met elkanderen schry nen over een te koomen, geloof men echter niet ligt, men overweegt de zaak niet op losse Gistingen, men hoort en geen zeekere getuygen, men oordeeld de zaak niet naar het meerder ver„ sland, stand dat de beschuldigde kan hebben maar het is noodzaakelijk dat men aantoone verscheide door de beschuldigde reeds te vooren gepleegde misdaaden, dat hij altijd een ge„ debaucheert leeven heeft geleid, dat wanneer alle die zaaken zich zo bevinden, dan moet er noch deugdelyke bewijzen van een mis„ daat zijn waar, op wat wanier, door wie, op wat tijd de misdaad zij bedreeven, en zo die bewijsen niet in groote getallen en aller klaarst zijn, dan kan zulke misdaad niet gelooft worden, te minder daar helaas den verweerder door het getuygenis van een land en luydens vaderoende Cabaal door wie aangestift zal men twigen zig ingewikkelt ziet in een crimineel proces, van welken uitslag zal dependeeren het behoud of de ruine van een man die d' E Comp=te een reeks van dertig agter een vol gende jaaren heeft gediend en die in een gevaarlijke driaaan schip breuk geleeden door Gods onverdiende goedheid, en wijze voorzienigheid zijn leeven gesanveert ziende, zich andermaal in pericul ge„ brat ziet; omme zijn eer en reputatie. dat hem even zo dierbaar als het leeven op de totse. op de rotse van een tot den Heinel schrij„ ende Cabale verbryselt en voorts zich totae geruineert te zien, dit dan gepermit„ teert zijnde. vind den onderget: daer door een weg geopend, die hem ter demonstratie van de enormiteit ongefundeerdheid en a orbitantie van s' Heer h:o: Eysschers Eysch en Conclusie van zelve toeleid. En omme zijn cincere onschuld onder het scheipziende en naauwkeurig oog van UEd: Achtb: te brengen, nopens het ge„ val in quartie en waar in thans ordine taris staat gehandeld te worden, ter aantooning van des onderget: oprechte gehoudene handelwijs uit dewelke Uwel Edele achtb: ad ocuteur zal consteeren dat er door den gedaagden in cas subject nihil doci mali geperpetreerd heeft zal den ondergesz: hier bij Duplicq, tot drie poincten bepaalen, in het eerste zal hij moeten aantoonen, dat de ged„e door hetzenden van 120 ronden rijst aan des„ zelfs zoontje zo meede van het End touw 22 a 23 vademen lang en 2 en 3 duymen dik nummer Kays ƒ

NL-HaNA_1.04.02_11024_0496 view scan ↗

English

can fall under the terms of the laws cited by the Plaintiff, and then in the second place to prove that the Defendant could never have merited any punishment thereby, and thirdly, that as the Plaintiff has no justa causa accusandi in this matter, his claim made and the conclusion drawn thereafter ought respectfully to be denied. To support this first ground, the Defendant must inform Your Right Honorable Worships that upon the stranding of the aforementioned brig ship Helena Louisa, when discussions arose regarding the damage caused to it by the stranding, as well as whether it was in such a state that it could by no means be repaired and brought to the roadstead, on which occasion a certain person wished to assert the negative, pretending that the keel of the said ship was entirely gone or in such a condition that it could never by any means be put into a state to be employed, which the same attempted to assert with so much eloquence, and perhaps could easily have made plausible to less experienced people, not without reasons of self-interest; that the Defendant, also having sailed the sea for a series of thirty years, and without flattering himself, having acquired some knowledge of such affairs, had attempted to assert the contrary; with the result that on diverse occasions he had to experience that the aforementioned person left no means untried to cause the Defendant all kinds of difficulties; it further having happened on a certain morning that the aforementioned person came to the Defendant at the tent and, having asked for what reason the Defendant had not gone on board with the crew, the Defendant answered him very respectfully, "My Lord, the water is still too high, the crew therefore cannot yet reach the chests," the said person in a very indiscreet manner substantially added to the Defendant, "If you do not go directly on board with the crew, I will soon come with the sjambok upon your hide," and other insolences besides, which the Defendant had to endure in the presence of the common crew, which gave cause that not only the common crew, but also the persons subordinated under him, the officers, thereby withdrew all obedience to the orders of the Defendant, and subsequently forged an abominable plot to bring about the Defendant's misfortune; for the Defendant having on a certain day sent ashore 120 pounds of rice from his own ration and a piece of rope belonging to the contractors who undertook to bring the aforementioned brig from the shore into floating water, they used this as a basis to ruin the Defendant; that the Defendant complained about these matters to the Right Honorable Governor, with the result that on 2 July last, quod notandum, only at eight o'clock in the evening, the Defendant received his order to transfer immediately to the Honorable Company's ship Pollux, without being permitted to render an account or answer for his administration held on that vessel; that the Defendant had to experience how the Plaintiff had him summoned before this Noble and Honorable Court in the matter of the aforementioned rice and the end of rope, and had such a conclusion taken against him as is to be found following the claim; that in the reply thereto it was shown that the Plaintiff possesses no cause of action against the Defendant in this matter. Which point the Defendant will now demonstrate somewhat extensively: that the 120 pounds of rice sent by the men mentioned by the Defendant in the claim was revera such a ration as rightfully belonged to him and his son during the two months that they served on his vessel. And although it is true that the Plaintiff, to prove the contrary, grounds himself on a private document signed by ten persons, who state, quod notandum est, at the requisition of the Sub-Lieutenants at Sea D: Schrik and Franke, that several pounds and bags of their rations, consisting of rice, peas, beans, sugar, and butter, and a piece of rope, were sent ashore by the Defendant, etc.; but when one takes into consideration the historia facti with all accompanying circumstances, and remarks that the aforementioned Lieutenants, to whom the post of the Defendant was perhaps, if not entirely, at least already promised, will have spared no arts to employ, the lesson of which had already been prescribed to them, to make those deponents sign all those scandalous untruths, perhaps for a double dram of liquor, under promise of something or another; for it is sufficiently evident from this, that the boatswain's mate of the shipyard, who certainly also gained no small advantage

Dutch transcription

kan vervallen in de termen van de wetten bij den Hm R. O. Eyss:r geciteert en dan in de tweede plaats bewysen dat den Verw r daar door nimmer eenige straffe kan hebben gemeriteert, en ten derden, dat des weegens den Heer R. O. Eysscher geen justa causa accussandi hebbende, deszelfs gedaane Eysch en daar agter genoomen Conclusie onder onder welmeenen behoort te worden ontsegt. Ter behooging van welken eersten grond den verw=r Uwel Ed. achtb: zal moeten informeeren dat bij het strand en van voorm: Brik scheepje de Helena Loursa gesprooken geworden zynde weegens de schaade door het stranden daar aan veroorzaakt teffens of hetzelve zodanig gesteld was dat het door geen middelen zodaanig konde worden gerepareert en op de reede gebracht, bij welke accasie zeekere persoon de negative had willen beweeren met voor te wenden dat de kiel van gem: scheepje geheel weg dan wel zodaanig gesteld was dat het nimmer door eenig middel zoude kun nen nen worden in staat gesteld, om geen„ ploieert te konnen worden, het gunt de zelve met zo veel eloquentie, had trach„ ten te beweeren, en misschien aan min„ kundige Lieden, niet zonder reeden van eigen belang ook had kunnen zwaak„ lyk maaken, dat den Verweerder meede een reeks van dertig Jaaren, de Zee bevaaren hebbende, en zonder zich te flatteeren van zodaanige affaires ook wel eenige kennis bekoomen heb„ bende het teegendeel had trachten te beweeren; met dat gevolg dat hij bij diverse geleegendheeden had moeten ondervinden, dat de bovengemelde Eer„ zoon geen middelen heeft onbeproeft ge„ laaten, om den Verw. s alle moeijelykheden te maaken; zijnde het wijders gebeurd op zeekeren morgen dat voorz Persoon bij den Verw=r aan de Tent gekoomen en gevraagt hebbende, om wat reeden den Verw: niet met het volk aan boord ge„ gaan was, den Verwr hem zeer respectueus ten antwoord gegeeven had, Mijn Heer, het water is nog te hoog, het volk kan des weegens noeg bn gro een noch bij de kasten niet koomen, gerepte Eer„ soon op een zeer indiscreete wijze den Verhon substantieelijk had toegevoegt, als jij niet met het Volk direct naa boord toe gaat zal ik gouw met des jambok opje huijd koomen, en andere insolentien meer die den Verw=r in praesentie van het gemeene Volk had moeten ondergaan, het welk oor„ zaak gegeeven heeft dat niet alleen het gemeene Tolk maar ook de onder hem gesubmitteerde Persoonen, officieren daar door alle obedientie aan de ordres van den Verweerder zich onttroken, vervolgens een vervoeilyk complot hebben gesmeed om den Vewveerder ongelukkig te maaken want den Verw=r op zeekeren dag 120 ponden rijst van sijn eigen randsoen en een zud Touw toebehoorende aande Entreprenceur die aangenoomen hebben voorn Brik oam de wal in vlot water te brengen aande wal gesonden hebbende, deeze hetzelve tot een Bazis om den Verw. ongelukkig te maaken— hadden gebruikt. dat den Verw r zich over het een en ander bij den Wel Edele gestr Heer Gouverneur Gouverneur beklaagt had, met dat ge„ volg: dat den Verw:r op den 2 Iulij A:l quod natandum eerst s'avonds te agt g Uuren zijn ordonnantie heeft ontvangen om direct op d' EComp. s schip de Pollux te moeten overgaan, zonder reekening of ver„ antwoording te moogen doen van zyn op dien Bodem gehoudene administratie dat den verw.:r heeft moeten ondervinden hoe den Heer R: O: Eysscher hem ter zaake van voorm: Rijst en het End touw voor deesen Edelen Achtb: raade heeft doen dagvaarden, en teegens hem gedaan neemen zodaanige Conclusie, als agter den Eysch te vinden is, dat daar op bij ant„ woord getoond is dat den Heer E: O: Eipscher ter zaake van dien teegen den Verwr geen Actie competeert. welke poinct den Terw„r als nu wat breedvoerig zal aantoonen, dat de door den Verweerder bij Eysch gementioneerde lieden gesonden 120 Ponden rijst revera is geweest zodaanig randsoen, als hem En zijn zoon geduurende de twee maanden die zij op zyn Bodem hebben dienst ge„ daan in eigendom toekwam. en verneer den Heer R.o: Eysscher wel, is waar om het teegendeel te bewijsen, fundamenteert zich op een onderhandsche Cartabel geteekend door tien perzoonen, deede zeggen quod na„ kandam est ter requisitie van den Sous Lieutenant ter Zee D: Schrik en Franke dat door den Verweerder verscheidene Pon„ den en zakken van haar randsoen en bestaande in ryst, Ernten Boonen, zuijker en Booter en een Pros touw, zijn aan de wal gesonden enz: maar als men de Historia facti met alle bijgaande omstandigheeden, in overwee„ ging neemt, en daar bij aanmerkt dat de voorsz Lieutenanten van ter zyde de Bediening van den Verw„r moogelyk, zo niet geheel, ten minsten al belooft was, geen konsten zullen hebben versrumd te emploieeren, waar van hun de Zesse reeds was voorgeschreeven, om die Deponenten misschien voor een dubbeld soopje, onder belofte van iets of anders van iets anders alle die schandalense onwaarheeden, hebben doen teekenen, want het blykt genoegs aan daar uit, dat die Bootsmansmaat van de Werf, die zeekerlijk ook geen klein voor deeltje

NL-HaNA_1.04.02_11024_0501 view scan ↗

English

part of the priceless brig had contributed, and seeing his hope frustrated therein as well as others had also signed this paper as witnesses, then it is beyond contestation that such a paper signed by a conspiratorial faction can merit no reflection before a right-thinking judge. The note submitted under No. proves that 40 lb of rice per month is issued to the Defendant, which then amounts to 80 lb in two months, and just as much being allotted to his son will come to precisely 120 pounds, which the Defendant has sent ashore, nothing more, as appears from the declaration under No. 2: 3: 5, which proceeds all the more when one considers that an officer in authority, who has the misfortune of having fallen into the disfavor of an Equipagiemeester such that he, contrary to style and order, in the presence of the common people in a low and futile, yes one may say, despotic manner, threatened to beat his hide full with tjambok blows, will surely not dare on bright daylight to send the rations of the crew, namely rice, butter, peas etc. ashore to alienate them, and thus willfully make himself miserable. From all of which it is as clear as day that the ration for two months for two persons amounts to 120 lb of rice, which were sent ashore by him, as appears from No: 2: 3 and 5, he thus having disposed of nothing other than his own ration, thus an actual prime [illegible] will be able to effect that all this can never provide the honorable Plaintiff with any, even the least matter to sue or challenge the Defendant. So that Your Noble Worships and judges can well see that the Plaintiff in this case, perhaps acting as a [illegible], has done nothing else than nodum in scirpo quaerere and seek the sheep where it has not wandered, especially since the innocence of the Defendant appears so clear, not only from the circumstances when they were well investigated, but moreover through seven consonant witnesses, who at least deserve more credence than ten suborned conspirators running so directly against the truth. For if one only considers at whose requisition this paper was signed, thirdly by what persons, the time in which they formed that conspiracy, the purpose the requirants intended thereby, and the consequence they anticipated therefrom, all doubt concerning this must immediately cease. For it is certain that this paper was not passed according to style and order at the requisition of the Lord Officer, but at the requisition of a person who has long since abandoned the character of an honest man, and this was indeed the best subject to carry it out, and for that reason also by such persons who for a dram will declare all lies under oath, and at a time when the Defendant had fallen into disgrace with the Master of the Equipment, with the aim that the requirants could all the more easily acquire the post of the Defendant, which cabal thus plotted, imagined they could bring about the ruin of the Defendant through this criminal trial to indulge their vindictiveness; circumstances, Noble and Worshipful Sirs, which indeed provide the best hallmarks of a studiously forged cabal, from which papers no legal action can indeed be brought, much less a criminal action be founded thereon, the less so as the same is contradicted by the power of truth. If the honorable Plaintiff on this null foundation accuses the Defendant of having delivered a cable to the boatman Joseph Heyns, then it is a wonder that the entirely new rigging of the said brig, which has likewise vanished, was not also placed on the account of the Defendant. But to return to the matter, since the same belonged not to the Honorable Company but solely to the aforesaid entrepreneurs in full ownership, as appears from the declarations of the burghers Grove, Weber, and Iepsen, and the man-at-arms Kirsten, on which account the Defendant also made no difficulty in confessing these truths in judicio, that he gave away nothing other than his own ration, namely 60 lb for his son to eat on shore, and 60 for Joseph Heyns, which amounts precisely to the two months ration for him and his son; furthermore that he had caused the abovementioned piece of rope to be delivered to the said Joseph Heyns, as appears from the extract of the minutes of 14 October last, a qualified confession which, as clear as the sun in broad daylight, proves the innocence of the Defendant, and may not be split, or the one accepted without the other, since he has in his favor not only the indications of presumption and suspicion, but even the proof of innocence, and may not be split, as Your Noble Worships will find noted in the so well-elaborated treatise entitled [illegible]

Dutch transcription

deeltje van het onkestelbaar Brikschaepje had toegelegt, en daar in zo wel als anderen zijn hoop verhajdelt ziende dit cartabel meede als getuijgen onderteekend hadde dan is het buiten contestatie dat zodaanig door een gecomplotteerde koop onderteekend Cartabel bij een weldenkend lechter geen reflectie meriteeren kan, bewyst Sub it. o overgelegde Notitie dat aan den Verweerder p r maand word verstrekt 40 lb ryst, dat dan in twee maanden 80 lb uitmaakt, en even zo veel aan zijn zoon werdende toekend zal Juist koomen 120 Pond, die den Vern. r na de Wal heeft gesonden, zonder meer blykens die Verklaaring sub N. o 2: 3: 5, het wel te meer „procedeert, wanneer men reguardeerd dat een gesackhebbend officier, die het ongeljk heeft van in de ongunst van een Equipagie. meester vervallen te sijn zodaanig Dat die teegens stijl en ordre, in presentie van het gemeen op een laage en futile, ja mag men zeggen, dispotique wijse, hem met 1jambak slaagen de huijt vol te zullen Haan vreijgde immerszich niet zal verstouten, om Eij kel„ Zendag r d ee voor v eeltje len dag de randsoenen van het volk te weete rijst, booter, Erwten & na de wal te zenden om die te verallieneeren, en zich dus zelve moedwillig ongelukkig te maaken Uit al het welke zo klaar als den dag consteert, dat het randsoen voor twee maan den voor twee persoonen uitmaaken 120 lb rist, die door hem, na de wal gesonden zijn, blykens N:o 2::3e 5, hij dus niet anders als over zijn eigen landsoen hebbende ge„ disponeert, dus een eigelyk primc froute zal kunnen bewerken, dat dit alles nimmer voor den E0 Eysscher zal kunnen uitleeveren eenige de minste materie om den verw=r te actioneeren ofte calangeeren. zodat uwel Edele Achtb: en promircus wel kunnen dien dat den Eyss:r in dit cas mitschien als een Caras pro amicus agee„ rende niet anders gedaan heeft, als nodum in suurpo querelle en het schaap te zaeken daar het niet valvdren heeft, voornament„ lijk daar de onschuld van den Eerw, r de klaar blykt, niet alleen uit de omstan„ digheeden als ƒ d digheeden, als, zo wanneer die wel onderzocht wierden, maar nog daar in boven door zeven Consonante getuijgen, die ten minsten meer geloof verdienen, als tien gesubordonneerde en teegens de waarheid zo direct aanlopende complotteurs, want als men slechts reguardeert ten wiens requisitie dit castabel is geteekend ten derden door wat persoonen de tijd waarin zij dat Complot gemaakt hebben, het oogmerk dat de requiranten daar meede bedoelt hebben en het gevolg dat zij daar uit hebben te ge„ moed gesien, zal allen twyffel dien aan„ gaande direct moeten op te houden, im„ mers is het zeeker dat dit Castabel niet naa stijl en ordre ter requisitie van den Heer officier is gepasseert maar te requi„ sitie van een Persoon, die het carster van een Eerlyk man voorlang heeft gea„ bandonneert, en deese wasimmers het beste subject, omme hetzelve ten uitvoer te brengen, en om die reeden ook, door zoo„ daanige Persoonen die om een soopje alle leugens onder eede zullen verklaaren, en in een tijd dat den Verweerder bij mijn Heerden Equipagiemeester in ongenade geraakt was met oogmerk dat de requiranten aan des te gemaklyk als gemaklyker de qualiteit vanden Verweerder zullen kunnen acquireeren, welke Cabali aldus bestooken, zo zig verbeelden de ruine vanden Verw=r door dit crimineele proces zoude kunnen te weeg brengen, om die Heeren „hun wraakzucht te besorgen, omstandigheden Edele en Achtb: Heeren, die immers de beste ken„ merken van een studieuselyk gesmeede Ca„ bale in't leeveren, uit hoedaanig cartabellen in rechten immers niet kan worden geageert veel min een crimineele actie op worden gefundamenteert, te minder daar hetzelve door de kracht der waarheid wed geconvenieert als den Heere Z:O: Eip„ seker op dit niettig fundament, den Ver- weerden decuseert van een Gros aanden Schuytevoerder Joseph Heyns te hebben afgegeeven, dan is het wonder, dat het ganstsch nieuwe want van gem: Brikscheepje dat almeede geeclipseert is, ook niet op reeten: van den Verw. r gesteld geworden is, maar om wederom ter saake te koomen, daar deselve niet aan de ECompe maar alleen aan voorm: Entrepreneurs in volgen eijgendom toekwam, blykens de Ver„ klaaringen vande Burgers Grove, Weber en Iepsen, en den manh: Kirsten, weshalven den verweerder ook geen zwarigheid heeft ge„ maakt deeze waarheeden in Jadicando te confesseeren, dat hij niet anders heeft weggegeeven dan zijn eigenrandsoen te weeten 60 lb: voor zijn zoontje om aan de wel te Eeken, en bo voor Ieseph Heijns datjuist de twee maanden randsoen voor hem en zyn soon uitmaakt, voorts dat hij aangem: Joseph Heijns, het hier boven gemelde stuk Touw had doen geworden blijkens extract natul van den 14 october It, gequalificeerde Confessie, welke & d klaar als de zou op den kelderen dag de onschuld van den verweede bewijst niet mag werden gesplitst, of het eene zonder het andere aangenoomen worden dewijl bij de presumptie en vermoedings blyken niet alleen maar zelfs het be„ wijs aan onschuld voor zich heeft, mag niet werden gesplitst, zoals UWel Edele achtb: vinden aangeteekend, in het zowvel doorwrachte Tractaat, geintituleert te e en ser

NL-HaNA_1.04.02_11024_0506 view scan ↗

English

the criminal procedure by mr. Simon van Leeuwen, who on page: 206: 207. 209 with the laws cited therein has fully proven this; on what foundation has one then dared to maintain, that since the fact is so clear etcetera, as appears from the minutes dated 28 October last? For, Noble and Honorable Gentlemen, if a libel concocted by a gathered mob at the requisition of such a person whose character is evident from the declaration annexed hereto under No 6, would have to prevail and would have to be accepted in court, over such evidence of honorable people, then one dares with full confidence to leave it to the arbitrium judicis, whether the honor and reputation of an honorable officer, indeed that of all decent people in society, can any longer be safeguarded if it pleases a bunch of rogues, and whether such can square with the interest of a happy form of government; indeed not, especially not when one observes from what cause this case took its source, and was proven with so many consonant witnesses. firstly firstly, that the defendant deposed under No 5 about nothing other than his own ration and about a piece of spare rope to which the Honorable Company has not the least right or property; consequently, such a libel brought into the world with so much artifice and cunning can not obstruct the defendant, much less, with respect, give the plaintiff any fundamental right to bring such an exorbitant demand and conclusion upon and against the defendant, and wherefore it also results beyond dispute, the third point that from the produced documents and muniments submitted on both sides, can be inferred clearer than the midday light, quod ad jus, that the defendant can never be declared to have fallen into the terms of the laws cited by the lord criminal officer plaintiff; to come somewhat closer to the proof of which, Your Noble and Honorable Lordships know that from the nature of thinking beings no crime can take place. From all of which it fully shines forth that in this matter proceedings are wrongfully instituted by the lord criminal officer plaintiff under advanced laws, and and a crime is obtruded upon him of which he is in fact guilty, and which by the criminal officer plaintiff is not and cannot be substantiated with any legal evidence. Although the lord criminal officer plaintiff has founded himself upon such a libel as has been said hereinbefore, from which, however, nothing conclusive can be inferred, and which everywhere lacks the requisites in that case required ad probandum malam famam, and moreover are deleted with the irreproachable evidence that the defendant has produced to his innocence ad probandum bonam famam, which must in every way prevail over the illegal evidence of the criminal officer plaintiff, being without time and place, indeed without giving reasons of knowledge, which constitutes the foundation of all legal depositions, the libel submitted by the lord criminal officer plaintiff, together with an unsigned and picked-up paper; and since in criminalibus, as is presently being pleaded here, the evidence must be infallible and clearer than the midday light, according to the law cited above, which of the lord criminal officer plaintiff's so-called witnesses can by no means be said, as for the reasons aforesaid they are everywhere reproachable; so it indeed follows therefrom that upon the pretended evidence of the lord criminal officer plaintiff, which does not conclude against the defendant, no regard can be paid, which is also in all parts nullified by contrary evidence from the defendant, especially also because the evidence of the defendant tending ad conclusionem delicti etcetera ad rei innocentiam is preferred before the evidence which tends ad accusandum, Cotta volume 2 responsio 70 number 22, as it is enough for the defendant that he renders the evidence of the lord plaintiff doubtful, Cravetta consilio 6 number 127, Bartolus on the law non solum and sed ut probare, or as the author states, also in criminalibus probatio rei dubia offuscat claram actoris probationem, Farinacius de Poenis temo 9: 89 number 10, Cravetta consilio 8 number 30, so that if any indications from the plaintiff's evidence against the defendant would be taken away. But, Noble and Honorable Gentlemen, indeed from the annexes under No 11 thereabout one perceives most clearly that the rope not only belongs to the undertakers of the bark ship, but that they also sent provisions to the captain and the ship's crew, so that the defendant indeed would not have deemed it necessary to withhold the rations from those roguish conspirators, and the owner of those goods does not claim the remainders, but on the contrary generously gives them to the defendant; thus the undersigned simply leaves it to the arbitrium judicis what gives a treacherous accuser, the criminal officer plaintiff, the right to so groundlessly accuse the defendant criminally. Furthermore, the undersigned reserves to himself the faculty to supply such evidence in further detail as he shall be advised and be able to obtain. With which this is concluded, not in the least doubting, while equity and righteousness ordinarily reside in the hearts of equitable judges, but

Dutch transcription

het proces crimineel door mr. Simon van Leeuwen die op pag: 206: 207. 2og met de aldaar aangehaalde Wetten zul ten vollen heeft beweesen; op wat funda„ ment heeft men dan derven sustineeren, dat vermits het feit zo klaar is &c=a blykens Notulen de dato 28 October H Want Edele achtb: Heeren, wanneer een Carkabel bij een gecomplatteerde meenigte ter requisitie van een zodaanige Persoon wiens Carater uit de ten deesen geannexeerde Verklaaring sub N=o 6 consteert geconsipieert, zoude moeten provaleeren en in rechten moeten werden geaccepteert, boven zodaanige Bewijsen van honnette Lieden, dan derft men met volle fiducie aan het arbieteium Jndicis overlaaten. of dan de Eer en reputatie van een konnet officier, ja die van alle fatsoenlijke Lieden in de maatschappij wel langer kan werden gesalueert als het een partij schelmen be„ haagt, en kan zulx met het intrest van een gelukkige legeerings form strooken, immers neen, insonderheid niet, wanneer men; aan„ merkt uit wat oorsaake dit geval haar source genoomen heeft, en met zo veel consonante getuijgen beweesen werd. eerstelijk eerstelijk dat den Verw=t over niets als zijn eigen randsoen en over een hand Trostouw waaraan d' EComp„e geen de minste recht of eygendom heeft gedeponeert sub N=o 5 gevolglijk kan dan ook dusdanig met zoveel konst als list in de waerEid gekoomen cartabel den Verweerder niet obsteeren, veel min /: S: m:/ den Eijsscher eenig fundamenteel recht geeven omme zodanig exharbitante Eysch en Conclusie op ende jeegens den verveerder uittebrengen, en waar om dan ook buyten contexlatie komt te resultee ren het deide poinct dat uit de geprodu. ceerde stukken en munimenten hin inde overlegt, luce meridiana clarius kan worden afgenoomen quod adjus, dat den Verw. r nimmer aangezegt worden, vervallen te zijn in de termen van de Wetten bij den Heer R: O: Eijsscher geci„ teert, omme tot bewijs van welken wat nader te koomen zo weeten Uwel Edele Achtb: dat uit den aard denkende weesens geen mis„ daad-plaats kunnen hebben Uit alle welke dan ten vollen illuceert dat ten deesen te onrecht bij den Heer R:d Eipsr. geadvanceerde Wetten word geprocedeert ten en hem een crimen word geobtrudeert daar aan hij in der daad schuldig is, en bly„ ven bij den 70: Eijsscher met geen legaal be„ wijs word of kan worden geadstrueert. Hoewel den Heer r: O: Eysscher zich heeft gefundamenteert op zodaanig Cartabel als hier vooren is gezecht, waar uit echter niet conclu„ dents te besluyten is, en alomme daaraan defi„ cieeren de requisita in dat cas ad probanduu malam fanam gerequireert, en noch ten overvloede gedeli„ eert worden, met het irre prochabeel bewijs bij den gedaagden tot zijn onschuld ad piobandum bo„ nam fanam overgeleevert heeft, het welk in alle manieren moet pisfaleeren, voor het illegaal bewijs van den r: O: Eijscher, als is het don„ der tijd en plaatse ja zonder te geeven redenen van weetenschap, dat het fundament van alle le„ gale depositien uitmaakt, door de Heer R. O. Eyscher overgelegt caitabel, beneevens een ongeteekend en opgeraapt papier, en dewijl in criminali„ bus gelyk alhier presentelijk word geageert het bewijs moet weesen infalibel en luce mendiana clarius Iurel supraz trn't welk van des Heer R: O: Eysschers zogenaamde Getuygen, geenzints kan worden gesegt als die reedenen voorsz: en alomme re piochabel zin zo volgt immers daar uit dat op het piotens Bewijs van den Heer R. O. Eysscher als tee„ gens den gedaagden niet concludeert, zijnde niet in staat te letten, het welk ook door contrarie Bewijs van den gedaagden in alle deelen word geene weert, zonderling, meede daar het Berijs van den ged„ tendeerende ad conclusionem delicti &c=a ad rei innocentiam word geprofe¬ reert voor het Bewijs het welk strekt, ad accusandum Cotham vol 2 respons 70 num= 22 als zijnde voor den ged„e genoeg dat hij het Bewijs van den Heer Eisscher twijf pelagtig maakt, sravet consul 6 mun 127 Bart en l non solum & sed ut probare of de op vor munciat, ook in criminali„ bus probatio rei dubia otfuscat Clarum actores probationem farin de Poen lemp 9: 89 num 10 Cravet Consel 8 num 30 zo dat indien al eenige Indicien uit des de Eyssr. bewijs teegen Gged. zoude worden weg genoomen. maar wel Edele Achtb: Heeren immers uit de sub iN. o 11 geannexeerde bylagen omtrend ontwaard men ten duijdelijksten dat het Touw niet alleen aan de Enter„ prencurs van het Baikscheepje toebehoort maar dat zijl: den Capitein en het scheepsvolk ook provisien hebben toegesonden, zo dat den Veuwr het immers niet nodig zoude geägt hebben om de randsoenen van die zchelmagtige Completterens te onttrekken, en de overschotten door de Eygenaar dier goederen, deselve niet reclameert, maar in teegendeel aan den Verweerder gulhartig schenkt, zo steld den ondergeteekende het eenvoudig, aan het arbitrium Iudicis welke een verradelyke aanklaager den ho: Eysschen recht geeft om den Venvr. zo ongefundeert crimineel te accuseeren. dorigens reserveert zich den onderget=e de faculteit om zodaanige bewijzen nog naader te suppediteeren, als hij te raade en magtig worden zal. met welke deeze werd geslooten in het min„ ste niet twijffelende terwijl de acquiteit en rechtmaatigheid ordinaris is resideerende in de haren van acquitabele rechters maar

NL-HaNA_1.04.02_11024_0511 view scan ↗

English

but extraordinarily in the bosom of Your Honorable Worships, or your supreme selves shall deny the Officer Plaintiff his openly stated claim against the Defendant and the conclusion drawn therefrom. For which and other reasons and means, it being necessary to allege further, the Defendant, rejecting and denying both generally and specifically all the means proposed by the Officer Plaintiff as exceedingly frivolous and inept, with express negation, impertinence, and irrelevance, and reserving unto himself all further competence of law, continues hereby to persist for Dupliek. Was signed: Ian Breugman. In the margin: Exhibited in Court on 20 Janu 1791. We, the undersigned, Alexander Fredrik van Holts, corporal with the military battalion at this Castle, and Ian Piron, soldier with the said Battalion, Iohannes Casselaar, sailor in the service of the Honorable Company, all being of competent age, declare hereby at the requisition of the Captain Lieutenant at sea Ian Breugmann, how true it is that we, the undersigned, in our aforementioned capacities, were stationed on the Honorable Company's ship Nieuwstad, on which vessel was also stationed as Sous-Lieutenant Hendrik Franke, who served as such on the Helena Louisa. That the said Francke during the voyage, among other things, made himself guilty of the theft of sweet oil and other victuals belonging to the Honorable Company; that the said Francke, on account of this, also remained under arrest during the entire voyage, and was denounced by the other officers of the said vessel as a rogue and a thief. Declaring nothing more, the undersigned give as reasons of knowledge as in the text, being prepared, if required, to confirm the foregoing further under oath. And we, the undersigned, have at the request of the Requiring Party, in the presence of the co-signing seven witnesses, signed this with our own hands. Beneath was written: Cabo de goede Hoop, 17 November 1790. Signed: I: F: van Holtz, Jan Peron, and J: Kotselaar. In the margin: as witnesses, signed: A: Jongbloed, W: poppol, J: uutgermans, h: V: Vollenhoven, A: van Loon, Walsanus, I: Scheffer. Recollement. Appeared before the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this place, the abovementioned A: F: van Holtz, Jan Piron, and Joh: Kitselaar, who, having had this their foregoing declaration read out to them word for word, clearly and plainly, declared that they persisted therein, with the desire that nothing more shall be added or removed, save only that the appearers have not personally witnessed that the Lieutenant Jansen has stolen from the victuals, but had heard this said; and therefore, in confirmation of the truth thereof, spoke the solemn words: So help me God Almighty. Beneath was written: Thus recollemented and sworn at Cabo de Goede Hoop, 24 February 1791. Signed: Van Holtz, Jan Piron, Joh: Kotsele. Lower: In my presence, signed: P: Diemel, sworn clerk. In the margin: as commissioners, signed: P: v: d: Riet and H: A: Truter. Today, 2 November 1790. Appeared before me, Iohannes Daniel Karnspek, sworn clerk at the Secretariat of Justice of the Castle of Good Hope, in the presence of the after-named witnesses, Johan Albertus Breijder, stationed at the trades yard here, of competent age, who at the requisition of the Captain Lieutenant at sea, the man Ian Breugman, declared how true it is that the appearer, having served for more than a month on the brig Helena Louisa, after the same was hauled onto the beach and brought back to the roads, saw nothing else discharged from on board there than two to three bags, in which, as the appearer believes, rice was contained, while however one of them must have been filled with a rope; the appearer declaring that the Requiring Party, who at that time held the command on board, during the discharging of those bags said that he was sending the rice to shore to be weighed. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons of knowledge as in the conclusion, being prepared, if required, to confirm the foregoing further with a solemn oath. Thus passed at the aforementioned Secretariat, in the presence of the clerks Dirk Jacobus Aspeling and Johan Bernhard Hoffman as witnesses, who duly signed the original of this along with the appearer and me, the sworn clerk. Beneath was written: which I attest. Signed: J: D: Karnspek, sworn clerk. Recollement. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government, the aforementioned Iohannes Albertus Breijder, who, having had this his foregoing declaration read out to him word for word, clearly and plainly, declared that he persisted therein, with the desire that nothing more shall be added or attached, and therefore, in confirmation of the truth thereof, in the presence of the Adjunct Fiscal Mr. Iohannes And.s Truter, spoke the solemn words: So help me God Almighty. Beneath was written: Thus recollemented and sworn at Cabo de Goede Hoop, 7 April 1791. Was signed: X. Lower: In my presence, signed: J: D Karnspek, sworn clerk. In the margin: As commissioners, signed: P v d Riet and G: H: Meijer. Today, 24 December 1790. Appeared before me, Johannes Daniel Karnspek, sworn clerk at the Secretariat of Justice of the Castle of Good Hope, in the presence of the after-named witnesses, the Burgher Jan Hendrik Weeber and the quartermaster Hans Iepsen, of competent age, who

Dutch transcription

maar extra ordinaris in den Boesem van U. Ed: Achtb: of hoogst deselve zullen, den Heer r: O: Exs.r sijnen opende jeegens den gede gedaane Eysch en daaragter genoomene Con„ clusie ontzeggen. mits welke en andere reedenen en midde, len is het nood naader te allegueeren, den ged: afslaande en ontkennende zo generalijk als specialijk al de middelen bij den Heer 7:0: Eysscher voorgesteld, als ten uittersten frivool en inept bij expresse denegatie Impertinentie en irrelevantie en zich alle verdere competentia Juris reserveerende hier meede blyven persisteeren voor Duplicq /:was geteekend:/ Ian Breugman /: in margine:/ Ehibitum in Judicio den 20 Janu 1791. Wij ondergeteekenden Alexander Fredrik van Holts corporaal bij het Bataillien militair ten deesen Casteele en Ian Piron soldaat bij het gemelde Bataillon, Iohan nes Casselaar mattroos in dienst der E Conp zijnde alle van competenten ouderdom veer„ ten lk O ƒ klaaren bij deesen ter requisitie van den Cap Lient te zee Ian Breugmann hoe waar is dat wij onderget: in onse voorm: qualiteiten bescheiden geweest zijn op d' EComp schip Nieuwstad, op welke bodem ook als Sous Lieutenant is bescheiden geweest, den als zodanig op de Helena Louisa dienst gedaan hebbende Hendrik Franke. dat denselven Francke geduurende de intress onder anderen zich heeft schul„ dig gemaakt, aan diefte van zoete oly en andere fictuali d' EComp: toebehoorende, dat gemelde Francke daar over ook geduurende de gantsche reyse in arrest heeft gezeeten, en van de andere officieren van gem: Bodems voor een schelm en gann, dief is uitgemaakt geworden, Niets meer verklaarende geevende Ondenget voor reedenen van weetenschap als in den Ext. bereid zijnde het voorenstaande des gerequireert wordende met Eede nade gestand te doen. En hebben wij ondergeteekendens ten versoeke van den reqt ten overstaan van de meede geteekende zeeven getuijgen deese deese eygenhandig onderteekend. /:onderstond:/ Cabo de goede Hoop, den 17 november 1790 /:geteekend:/ I: J: van Holtz, Jan Peron en F Kotynla /. in margine:/: als getuijgen /:geteekend:/ A: Jongblud, W: poppol, 9„ uutgermans, h: V: Vollenhoven, A: van Loon, Watsanus, I: Scheffer. Recollement Compareerde voor de ondergeteekende gecdumn uit den E: achtb: raade van Justitie deeses bovengem: A:f van Holtz. Jan Piran en Joh. Kitselaar, dewelke deeze hunne voo„ renstaande verklaaring van woord tot woord klaar en duijdelyk voorgeleezen weesende betuygden daarbi te blyven persisteerende niet begeerte dat er niets meer bij of van gedaan werden zal, als alleen, dat de Compten niet in persoon ondervonden hebben dat de Licutenant Jansen van de Vicruali gestoolen heeft, maar zulx te hebben hooren zeggen, en spraaken dierhalven ter bevestiging der waarheid van dien, de solemneel e woorden zo waarlyk help mij godt Almachtig, /:onderstond:) Aldus zere gerecolleert en Beëedigt aan Cabo de Goede Hoop, den 24 februarij 1791. /ge„ teekend:/ Von Holtz, Jan Piron, Joh„ kotsele /:laagen/ mij present /:getekend:/ P: Diemel gesw: Clercq /:in margine:/ als gecommitt: /:geteekend:/ r: /: v: D: riet en H: A: Pruter. Huijden den 2 November 1790. Compareerde voor mij Iohannes Daniel Karn„ spek, geswoore Clercq ter Secretarije aan Justitie des Casteels de goede Hoop prosent de naten: getuygen, aen Johan Albertus Breijder besheid en op de ambachts Weif alhier, van com„ petenten ouderdom, dewelke ter requisitie van den Capit: Leent: ter zee de mans: Jan Breugman verklaarde hoe waar is. dat de Comp=t riim een maand dienst gedaan hebbende op de Brik Helena Louisa na dat deselve aan 't strand gehaald en weder op de reede gebracht is, aldaar van Boord niets anders heeft zien afscheepen als twee à drie zakken, in welke zich zaals den Comp s vermeend reipt bevonden, terwijl echter echter één daar van met een touw moet zyn gevuld geweest, Betuijgende den Compt dat den reqt. die als toen aanBoord het Com¬ mando voerde bij het afscheepen dier Latten heeft gesegt dat hij de lijst na de wal zond om te weegen. niets meer verklaarende geeft den Compt. voor reedenen van weetenschap als in den slot bereid zijnde het voorenstaande des gerequireert wordende, met solemneele Eede nadergestand te doen. dat aldus passeerde te secretari voorm: ten byweesender Clercquen Dirk Jacobus Aspeling en Johan Bernhard Hoffman als getuygen, die de minute deezes beneevens den Compt: ende mij geswoore Clercq meede behoorlyk hebben onderteekend, /:onderstond:/ quod attestor /:geteekend:/ I D Ramspek gesw: Clercq. Recollement. Compareerde voor ons ondergeteekende ge„ committeerdens uit den E: Achtb: Raade van Justitie deeses gouvernements voorn Iohannes Albertus Breijder dewelke deese zijne voorenstaande Ver„ klaaring van woord tot woord klaar en duijdelyk de A: duydelyk voorgeleesen weesende beteygde daar bij te blyven persisteeren, met begeerte dat er niets meer bij of aangedaan werden zal en sprak dier halven ter bevestiging der waarheid van dien in presentie van den adjunct fiscaal M. r Iohannes And„s Peuter de solemneele woorden zo waarlyk help mij Godt almachtig. — /:onderssond:/ Aldus gerecolleert en beëedigt aen Cabo de Goede Hoop den 7 April 1791. /: was geteekend:/ X: / laager /: mij proesent geteekend:/ I: D Kamspek gesw Clecq /:in margine:/ Als Gecommitt=s /:geteekend:/ rsadriet en G H Meijer. Huyden den 24 December 1790. Compareerden voor mij Johannes Daniel Kamspek geswoore Clercq ter secretarije van Justitie des Casteels de goede Hoop, prosent de naten getuygen den Burger Jan Hendrik weeber en den quartiermeester Hans Iepsen, van competen ten ouderdom, dewelke inge

NL-HaNA_1.04.02_11024_0517 view scan ↗

English

Pursuant to the order of the Honorable Court of Justice of this government and at the requisition of Captain Lieutenant at Sea Jan Breugman, declared as the truth. That when the appearers, who assisted in the work at the time the Honorable Company's brig Helena Louisa was brought off the beach, came on board for that purpose, they found no standing or running rigging there, except only a short piece of heavy rope of the thickness of 15 inches, which was bent to a bower anchor and also remained on board as such; all the rigging that had to be used for the required work having been sent on board by the contractors of that work, the appearer testifying that when they went ashore after completing their operations, they left a part of that rigging lying on board. Declaring nothing further, the appearers give as reasons for their knowledge as in the text, being prepared, if required, to confirm the foregoing further by oath. Underneath stood: That this was thus executed at the aforesaid Secretariat, present the clerks Dirk Jacobus Aspeling and Johan Bernhard Hoffmann as witnesses, who duly signed the minute hereof along with the appearers and me, the sworn clerk. Lower: Which I testify. Signed: D. Karnspek, aforementioned clerk. Verification: Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, the aforementioned Hendrik Weeber and Hans Jepsen, who, their foregoing declaration having been clearly read to them, testified to persist therein, desiring that nothing more be added to or taken from it, except that the appearer states that he cannot be certain whether the piece of rope that remained on board the brig was exactly 15 inches thick, and therefore each of them pronounced, before the Court Messenger Carel Ewald Ziervogel, in confirmation of the truth thereof, the solemn words: So help me God Almighty. Underneath stood: Thus verified and sworn at Cape of Good Hope, the 23 May 1791. Was signed: H. Weeber and H. Jepsen. Lower: In my presence. Signed: P. Diemel, sworn clerk. In the margin: As commissioners. Signed: R. J. v. D. Riet and G. J. Tettel. Proceed on behalf of me, the undersigned, as agent of Captain Lieutenant at Sea the worthy Jan Breugman, to and in the presence of the junior merchant in the service of the Honorable Company Jan Fredrik Kirsten, serving notice upon him hereby, inquiring: Whether he, the person served, is not aware what rigging was on the brig Helena Louisa at the time when the insinuant held command over it, and whether some hawsers from the English ship The Guardian were not used when the aforesaid brig was brought from the sea beach into floating water. Whether the person served does not recall that one of the said hawsers served to secure the messenger around the said brig with one end, which end of the hawser later remained lying on the brig, and which end thereafter served as a painter and subsequently, having become unserviceable and unusable, was delivered by the petitioner to the boatman Joseph Heins. Demand hereupon a categorical answer, etc. Serve notice properly, etc. Underneath stood: Cape of Good Hope, the 24 December 1790. Was signed: Wm Kolver, qq. Today, the 17 January 1791. I, the undersigned First Court Messenger, proceeded to and in the presence of the junior merchant in the service of the Honorable Company Jan Fredrik Kirsten and properly served the accompanying notice, to which I received in answer: The rigging that was used in hauling the brig Helena Louisa off the beach was that which was sent by us from the Cape, consisting partly of English and partly of rigging expressly purchased by us for that purpose; and since I saw nor found any rigging on board that vessel, the hawsers that served both to secure the messengers around the brig as well as for other purposes certainly belonged to us, and as far as I am aware, the ends that had become unserviceable then remained on board and were not brought ashore. Which I report having experienced. Underneath stood: Cape of Good Hope, date as above. Signed: E. Ziervogel, First Messenger. To the Right Honorable Sir Jan Fredrik Kirsten, Junior Merchant in the service of the Honorable Company, at Cape of Good Hope. Right Honorable Sir, Highly Esteemed Friend, Since I have seen in the answer that you gave to the Court Messenger that the unserviceable ends of rope remained on board the brig Helena Louisa, as well as the seizing ropes were yours, I kindly request you to specify how many ends remained on board, as well as the costs thereof, likewise of the baskets of provisions, etc., which you sent on board both for my use and for the ship's crew, in which case I shall not fail to pay you for them. I also very kindly request you to answer me on the back of this paper, remaining meanwhile with very high regard, Right Honorable Sir, Highly Esteemed Friend, and Willing Servant, Signed: Jan Breugman. Cape of Good Hope, the 19 January 1791. Lower: Sir Breugman, I have lost so much by hauling the brig off that it will not depend on this bagatelle; if you wish to accept it, it is heartily granted to you. Wednesday evening. Your friend, Signed: J. F. Kirsten. Agrees. Karnspek, aforementioned clerk.

Dutch transcription

ingevolge appoinctement van den E: achtb: raade van Justitie deeses gouvernements en ter requisitie van den Capitein Lient: ter zee Jan Breugman, verklaarde hoewaar is. dat wanneer de Compten. welke ten tijde dats E Comp s Brik Helena Louisa van strand is gebracht, bij dat werk hebben. geadsisteert, ten dien einde aanboord gekoo„ men zijn, geen las Touwwerk aldaar ge„ vonden hebben, als alleen een klein End zwaar touw ter dikte van 15 duijmen hetwelk in een dieg anker was gestooken en ook also aan Boord gebleeven is zijnde al het Teunowerk hetgeen tot den benoodigden arbeid moest werden geemploieert door de Enterpieneurs van dat werk aan Boord gesonden, be„ tuijgende den Comp:t dat dat wanneer sij na hunne gedaane Verrigtingen van Boord zyn gegaan, zijl: een gedeelte van dat Touwwak aan Boord hebben laaten leggen. Niets meer verklaarende geeven de Compten voor reedenen van weetenschap als inde in den Taxt. bereid zijnde het voorenstaande dls gerequireert werdende met Eede nadergestand te noen„ //:onderstond:/ Dat aldus passeerde ter secretarie voorm: praesent der Clercquen Dirk Jaco„ bus aspeling en Iohan Bernhard Hoffmann als getuijgen, die de minute deeses benee„ vens den Comparanten en mij geswoore Clercq, meede behoorlyk hebben onder„ teekend /:laager. / T welk ik getuijge /:ge„ teekend:/ D Karnspek gem: Clercq. Recollement Compareerden voor ons ondergeteekende gecom uit den E: Achtb: raade van Justitie deeses gouvernements voorm. Hendrik Weder en Hans Jepsen, dewelke hunne voo„ renstaande Verklaaring zuydelyk voor„ geleesen weesende betuygden daar by te blyven persisteeren, met begeerte dat er niets meer bij of van gedaan werden zal, als den Compt. dat hij just niet kan of het aanboord van het Brikscheepje gebleeven End touw, juist 15 duymen dikwas, en spraaken dierhalven eider van hen Gerechts Boode Carel Ewaldz iervogal ter bevestiging der waarheid van dien de solemneele woorden (:zo waarlyk helpe mij godt almachtig. /:onderstond:/ aldus gerecolleert en beëedigt aan Cabo de goede Hoop, den 23 maij 1791 /: was geteekend:/ H: Weeber e H: Iepsen s /:laager:/ mij Present /:geteekend:/ P„s Diemel gesw Clercq /:in margine:/ uls Gecommtt:t /:geteekend:/ R J V Driet en G. J dettet. Tervoeg us uit nuamende van weegens mij ondergeteekende als gemachtigde van den Capitein Lieutenant ter Zee den manb: Jan Breugman bij en ter praesentie van den Onderkoopman in dienst de EComp=ie Jan Fredrik kirsten, deselve bij deesen insinu¬ eerende staande eerende afvraagen of het hem geinsinueerde niet bewust, welk Tounwerk op de Brik de Helena Loirisa was ten tijde wanneer den Insin: daarop het Commando voerde, en of er niet eenige Grossen Touw van het Engelsch schip The quardiaan zijn gebeezicht wanneer de voorst. Brik van het Zeestrand in V lot water wierd gebracht. of het den geinsin: niet voorstaat dat er een van gemelde Trossen gediend heeft om de Cabellaaring rondsom gem Brik met een Eud vast te maaken welk end tws naderhand op de Brik is blijven leggen, en welk zud daar na tot een vang ouw heeft gediend en vervolgens onbekwaam en onbruik baar geraakt zijnde door den P. Inoin aan den schuitenvoerder Ioseph Heins is afgegeeven. Vraag hier op Cathagoris Antwoord &ca Insinueer behoorlik &c= :onderstond:/ Caab de goede Hoop, den 24 De Cember cember 1790 /:was geteekend:/ W=m kolver qq.. Huyden den 17 Januarij 1797. Heb ik ondergeteekende Eerst gerechts Boode, mij vervoegt bij en ter pro„ sentie van den onderkoopman in dienst der E Comp=ie Jan Fredrik Kirsten en de bijgaande Insinuatie behoorlyk geexploiteert, waarop ten antwoord heb bekoomen. Het Touwwerk dat gebeezigt is ge„ worden bij 't van strand winden van 't Brikscheepje de Helena Louisa was het geene door ons van de Caab, is gezondene bestaande gedeeltelyk in Engelsche en gedeeltelijk in door ons ten dien einde expres ingekogt Touuwerk, en vermits ik geen Touw„ werk aan Boord van dat Scheepje gezien aanden Wel Edele Heer Jan fredrik Kirsten de E Comp:e gezien nog gevonden heb, zijn de Trossen die gediend hebben zo om de Cabellaa„ kings ronds om de Brik vast te maa„ ken; als wel tot andere eindens, zeeker lijk van het onse geweest, en zo veel mij bewust is, zijn de onbekwaam geraakte Ender dan aanBoord verbleeven en niet nadewal gebracht. /. Het welk relateere mij te zyn wedervaren /:onderstond:/ Cabo de goede Hoop, datum ent Supra E Diewogel El Boede /:geteekend:/ onderkoopman in dienst aan Caab de goede Hoop Wel Edele Heer Deer geestimeerde Vriend Vermits ik in het antwoord dat UiE aan aan den 9rechts Boede gegeeven heeft gezien heb, dat de onbekwaam geraakte Ende Touw aan Boord van de Brikde Helena Louisa zijn verbleeven, zowel als de Bendsels duuwe waren, zo verzoeke wij specifique op te geeven hoe veel enden aan Boord zijn gebleeven, als meede de kosten daar van gelyk ook der manden provisie &c, die so deweel ten mijnen dien„ ste als voor het scheepsvolk aan Boord helet gesonden, in welk geval ik niet in gebreeken zal blyven UE daarvoor te voldoen Ik versoek UE teffens zeer my agter dit papier te willen antwoorden, blyvende ik in tusschen met zeer veel agting„ WelEdele Heer Geergeëstimeerde Vriend en Dienstwillige Dienaar /:get:/ Jan Breugman /:laager:/ Mijn Heer Breugman. Ik heb zo veel door het afwinden van de Brik verlooren, dat het er op dit Baga„ Kaap de goede Hoop dn 19 January 1798. stel woensdag avond. adien geschonken. accepteeren wil zij Aet u van harten tel niet zal op aankoomen, als UE he UDriend /:getek:/: I F Kirsten Accordeert. Ramper gent Clercq

← previousnext →