VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 11024

Cape · 1,044 pages · 161 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_11024_0527 view scan ↗

English

No. 11. Appeared before the Honorable Johannes Isaac Rhenius, President, along with the other Gentlemen Members of the Honorable Council of Justice of this government, Hendrik Lodewyk Bletterman, Landdrost of the Colonies of Stellenbosch and Drakenstein, plaintiff in criminal matters in his official capacity, of the one part, Against the slaves Jochem of Mandaar, Thelemachus of Mallebaar, and Sephta of Bengal, the first-mentioned belonging to the deputy sheriff Matthysen, the second to the messenger Godfried Gabriel Hauptfleisch, and the last to the widow Daniel Rossouw, currently His Majesty's prisoners, defendants in the aforesaid case, of the other part. Article 1. And the plaintiff in his official capacity did state: 2. That the prisoners and defendants, one after the other, having deserted in the months of September and October of the past year, 3. have since stayed in and around the Paarl with the still absent slave Louis of the Reverend Ahling, and sustained themselves with foodstuffs stolen by them, 4. until, these failing them, 5. they attempted to break open the warehouse of the said Hauptfleisch and that of the burgher Niehaus at the Paarl; 6. but which warehouses were too well fortified and locked, 7. and their tools were found not strong enough for that purpose, 8. they had to desist therefrom. 9. That according to the assertion of the first prisoner and defendant, 10. on the assurance of the second prisoner and defendant 11. that rice and sugar were to be found in the warehouse of the resigned assistant Carel Christiaan Bernhardi, residing at the Paarl, 12. and according to the statement of the third prisoner and defendant, 13. that at the suggestion of the first prisoner and defendant on account of the lack of provisions, 14. the prisoners and defendants in this matter, in the night between the 17th and 18th of the month of November following, 15. proceeded to the warehouse of the said Bernhardi, 16. where the third prisoner and defendant remained standing at a short distance, 17. the first prisoner and defendant provided with an iron spade 18. and the second prisoner and defendant provided with a kirri, 19. they, both the first and second prisoners and defendants, broke open the door of the warehouse therewith, 20. and stole from the same: 21. seven rolls of so-called Fatherland tobacco, 22. fourteen pairs of stockings, 23. one bag with some coffee beans, 24. half a bag or schepel of rice, 25. five packets of glasses, 26. one tin box with some sugar, 27. a quantity of pickled herrings and some short pipes; 28. of which the third prisoner and defendant, who was not present at the breaking-in 29. but was helpful in transporting the aforesaid goods, 30. according to his statement, is said to have received only one pair of black and one pair of speckled stockings, 31. a little tobacco, and some pipes; 32. and that a portion of the stolen goods was given to the aforesaid slave Louis, 33. and by the latter again, or else by the first and second prisoners and defendants, a portion of the remaining goods is also said to have been given for safekeeping to the slave Fortuijn, of the aforesaid Reverend Ahling, who died in detention; 34. while the second prisoner and defendant, to his fellow slave Mercurius, who is also still held prisoner, 35. likewise gave only one roll of tobacco for safekeeping; 36. after which the prisoners and defendants and the said absent slave Louis are said to have gone to the Wagenmakersvallei, 37. where the first and third prisoners and defendants were captured around the so-called Dubbits Kloof, 38. and some time thereafter the second prisoner and defendant at the Paarl Mountain, and were delivered over to His Majesty's prison; 39. as all this appears both from the answers given by the prisoners and defendants to the interrogatories put to them by the commissioners from this Honorable Council, and from the report furnished at the request of the plaintiff in his official capacity; 40. and referring for the rest thereto, the plaintiff in his official capacity 41. will take the liberty to investigate what punishment the prisoners and defendants have merited on this account; 42. that, although on the one hand most criminalists are of the opinion that 43. violent burglaries, having been accompanied by theft, 44. ought to be punished with the gallows without distinction, 45. it is nevertheless, on the other hand, no less certain 46. to be left to the judge to assess the crimes according to the aggravating and extenuating circumstances, 47. and that the circumstances which accompanied the break-in greatly need to be examined very carefully, 48. and consequently, whether the break-in also occurred in such a manner 49. that murder or violence was to be expected from it, 50. or whether the breaker or breakers, if someone had attempted to prevent the theft, 51. would have killed the hinderer; 52. for this is where the rule of law applies: 53. that it is riotous and whereby the crime is aggravated, 54. and also only for that reason can be punished with death; 55. and whereas the aforesaid break-in appears at first glance to be very riotous, it nevertheless seems by no possibility capable of being elucidated any

Dutch transcription

No. 11. Compareerde voor den Wel Edele Achtb: Heer Johannes Isaac Rheniis Erc„ sident, beneevens de verdere Heeren Leeden van den E Achtb: raad van Iustitie deeses gouvernements, Hen„ drik Lodewyk Bletterman Land, droot de Colonien Stellenbosch en Drakenstein 1:o: Eysscher in cas crimineel ter eenre Contra de slaaven Jochem van Man„ daar Thelemachus van Mallebaar en Sephta van Bengalen, eergtgem: aan den onderschout Matthysen, de tweede aan den Boode godfried gadriel van Afleisch, en de laatste aan de wed: Daniel Rossouw toe, behoerende thans s' Heeren Gevan„ genen in het voorsz: cas ged: ter andere zijde. Art. 1. Ende deede de r: O. Eijsscher zeggen. „ 2. dat de gev: en ged: d'een voor d'ander na, zo in de maand Septemb: en October des gepasseerden Jaars. opgedrost zijnde 3 zich zeedert met den nog absenten slaaf Louis vanden Prodikant Ahling, aem en omtrend deraarl opgehouden en met de door hun gestoolen eetwaren hebben erneert 1 tot dat hun zulx ontbreekende. 5 zij het Pakhuijs van gem: Hanbtfleisch en dat van de burger Niehaus aan de Paerl hadden gepoogt opentebreeken 6, doch welke pakhuiysen te wel voorsien en geslooten 1 en hunne Instrumenten niet tot dat einde sterk genoeg bevonden zijnde 8 zijl daarvan hadden moeten afsien. 9. dat volgens het voorgeeven vanden earsten gev: en ged: 10 opvarseekering van den tweede gev: en go„ 11. dat in het Pakhuys van den onderafgest: gagestaande en aande kaarl woonende adsistent Carel Christiaan Bernhardi, rijst en zuijker zich don bevinden 12. en volgens het zeggen vanden daden gev. e en ges„ 13. dat op de propositie van den eersten gev:e en ged„e uit hoof van gebrek aan leevensmiddelen. 14 degev:s en ged. e in deesen in de nacht, tusschen den 17. en 18. der maand November daaraan. 15. zich hebben begeeven naar het Pakhuis van gem: Bemaidi 16. alwaar de derde gev: en ged. op een kleine distance zijnde blyven staan. 17. de eerste gev: en ged: van een issere spaade 18. en de tweede gev: en ged: van een Kirrij voorsien 19 zij beide eerste en tweede gev=e en ged=e daar meede de Deur van het Pakhuijs opengebrooken. 20. en uit hetselve gestoolen hadden, 21 zeven rollen zogenaamd Vaderlandsch Thobak, 22 veertien paaren, kousen 23 een zak met wat koffijboonen. 24 een halve zak of scheepel ripst 25. vijf pakjes glaasen. 26 een troumel met wat zuijker 27: een partij hekelhaarings. en wat korte pijpen 28. waarvan, de derdegen en ged: die niet bij het inbreeke 29. maar wel bij het transporteeren der voorsz Goe„ deren behulpsaam geweest is 30. volgens zijn opgaaf, slegts een paar zwarte en een paar gesprikkelde koussen. 31 een weinig Thobak en wat pippen zoude hebben ontvangen. 32. en dat een gedeelte der gestoolene goederen aan voorm: slaag Louis gegeeven 33 door deesen weeder hiervan dan wel door de eerste en tweede gevangene en gedaagde vande . van de overige goederen, aan den in Detentie over„ leedene slaaf Fortuijn, van opgem Heer Akling almeede een gedeelte in bewaaring zal zyn gegeeven. 34. terwijl den tweede gev: en ged. e aen zyn meede nog gevangen zittende slaaf Mercuuir 35 een Tol Tobak ingelijks slegts in bewaaring zo hebben gegeeven. 36. waarna de gev: en ged„e en gemelde absent zijnde Haaf Louis, zich nade wagenmaakers vallij zou hebben begeeven. 37 aldaar de eerste en derde gev: en ged: omstreeks de zogenaamde Dubbits Cloof 38 en eenigen tyd, daarna de tweede gev=e en ged„e aan de Paarssche Berg gevangen genoomen, en aan s' Heeren gevangenhuijs zijn overgeleevert geworden. 39 zo als dit een en ander so uit de responsiven- door de geve en gedte op de voor Heeren gecommitt=s uit deesen Edele, en achtbaare raade voorgehouden Interrogatorien gegeeven als uit het ter requisitie van de R. O. Eysscher verleend relaas komt te consteeren 400 en waar aan de Z. 0: Epscher zich voor het overige refereerende 41. de vrijheid neemen zal te onderzoeken, welke straffe de geve en ged. e diesweegens hebben ge„ meuikeert. 42. dat hoe zeer ook nu aan de eene kant de meeste Criminalisten aan gevoelen zijn datge 43. dat geweldaadige Hinpbraaken, gepaard ge„ gaan hebbende met diefte de zonder onderscheid met de galge behoort te worden gestraft. 45 het echter aan den anderen kant niet min„ der zeeker is. 46. aan den Rechter te zijn overgelaaten, de mis„ daaden naar maake de aggeaveerende en ver„ ligtende omstandigheeden. 47. grootelyk de omstandigheeden welke de braak verselt hebben, zeer naauwkeurig dienen te worden naagegaan. 48. en mitsdien / ook de Braake in diervoegen zij geschied 4ig dat daar uit moord of geweld te wagten was 50. of den breeker of Breekers zo moogelyk eij„ mand, den diefstal had willen verhinderen 51. den Beletter zoude gedood hebben 52. want deese is daar de wet van regt. 53. dat zij is oproerig en waardoor de misdaad verswaard word. 54. en ook alleenlijk daarom met de dood kan gestraft worden 55 En daar nu de voorsz: Braak in den eerste opslag zeer oproerig schupt te zijn, echter met geen moogelykheid schijnt ken worden geeluceert. eenige

NL-HaNA_1.04.02_11024_0531 view scan ↗

English

56. the slightest intention had existed on the part of the prisoners and defendants. 57. On the contrary, that the prisoners and defendants, out of a lack of the necessary food, 58. were compelled thereto. 59. The prisoners and defendants also, besides the few rolls of homeland tobacco for smoking 60. and a few pairs of stockings for clothing, 61. only stole a little rice, coffee beans, pickled herrings, and some sugar, and thus satisfied themselves with the little food, 62. as is evident from the beer and chalice glasses found after the date. 63. Thus the Officer Prosecutor believes, subject to correction, that the first and second prisoners and defendants have not merited the ordinary punishment of death, 64. but a punishment coming very close to it. 65. While the third prisoner and defendant, having merely been helpful in transporting the goods 66. and having received a very small share thereof, 67. ought also to be punished in proportion to the deed committed by them. For which and other reasons and means, to be further deduced in due time and course if necessary, the Officer Prosecutor, making his demand, concluded that the prisoners and defendants mentioned in the heading of this document shall be condemned to be taken to the place where criminal sentences are customary to be executed here, and having been handed over there to the executioner, the first and second prisoners and defendants, Jochem and Telemachus, shall be secured to the gallows with a rope around the neck; further, alongside the third prisoner and defendant, Jephta, shall be severely scourged with rods on the bare back and thereafter branded; further, being clapped in irons, the first and second prisoners and defendants for the term of their lives, and the third prisoner for the term of twenty-five years, to be banished to Robben Island, with condemnation in the costs and expenses of justice, or to such other penalties and punishments as by this Honorable and Worshipful Council shall be found to be proper. Signed: H L Bletterman. In the margin: Exhibited in Court on the 9th of June 1791. Report given before the undersigned commissioned Heemraden and at the requisition of the merchant and Landdrost, Mr. Hendrik Lodewyk Bletterman, by and on behalf of the assistant under company pay, J: Carel Christiaan Bernhardi, of competent age, reading as follows: That the reporter, having returned home on the 10th of this current month from the warm bath at the Zwarteberg where he had stayed for a month for the recovery of his health, was told by his wife that his, the reporter's, slave girl Candasa, going to the Berg River to fetch water on the morning of the 18th of the past month of November, had seen that the warehouse door stood open, and having immediately given notice thereof to his wife, she went there to inspect and then discovered that the said door had been forced and broken open in the night by thieves, who had stolen from the warehouse: nine to ten rolls of homeland tobacco, 20 pairs of both black and speckled stockings, 1/2 bag of coffee beans, one ditto of rice, a canister containing about 15 lb. of sugar, a small cask with some pickled herring, and another small cask of white lead, which last-mentioned was found again the next morning in the garden; while it could not be ascertained whether any of the oil and other goods being in the said warehouse had also been stolen, because the thieves opened several liquor cases, took the bottles out of them, and had mixed them as well as the remaining goods all together; all the less because, all the goods stacked in the warehouse not being specified, nothing could immediately be determined as missing. Reporting nothing more, the reporter gives as his reasons of knowledge that he is as stated in the text, being prepared to confirm the same at all times under solemn oath, if required. Thus reported at the secretariat in Stellenbosch on the 22nd of December 1790. Before the commissioned Heemraden the Honorable Jacob Eksteen and Pieter Gerhard Wium, who have duly signed the minute hereof alongside the reporter and me, the secretary. Below: Which I testify. Signed: I: E: Faure, Secretary. Re-examination. Appeared before the undersigned Commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government the aforementioned Bernhardi, who, this his preceding report having been clearly and distinctly read to him, declared that he persisted by it, with the desire that nothing more shall be added to or taken from it, except only that after the giving of the report, eleven beer glasses and twelve wine glasses were also found in the woods, and he therefore, in confirmation of the truth thereof, spoke the solemn words: So truly help me God Almighty. Below: Thus done, re-examined, and sworn at the Cape of Good Hope, the 31st of May 1791. Signed: Carl Christ Bernhardi. Lower: In my presence, signed: I D Karnspek, Sworn Clerk. In the margin: As commissioners, signed: R J V d Riet and G J D Wet. Interrogatories, to be answered upon the requisition of the Landdrost of the colonies of Stellenbosch and Drakenstein. Appeared before us, the undersigned commissioned members of the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, the slave Jochem.

Dutch transcription

56. eenige de allergeringste Intentie bij de gev. e en ged. plaats gehad hebben. 57 in teegendeel dat de gev. e en ged. e uit gebrek: 1 aan de noodige voetsel 58. daar toe sijn genoodzaakt geworden. 59 de geve. en ged:t ook behalven de weinige rollen 1 vaderl: Thobak om te rooken 60 en eenige weinige paaren kousen tot kleeding 61. slegts een wynig, zyst. Coffijboonen, peekel„ haaringen en wat zuyker, hebben gestoolen en zich dus vergenoegd met het weinig voedzel 62. zo als uit de naar dato gevonden bier en kelk glaasen blijkt. 63. zo vermeend de r: O: Eijsscher, dan ook onder correctie, de eerste en tweede gev. en ged„ niet de ordinaire straffe des doods 64. maar eene seer nabij koomende staffe te hebben gemeniteert. 65. terwijl den derde gev: en ged: als slegts in het transporteeren der goederen behulpsaam geweest. 6. en een leer gering aandeel daar van heb„ bende bekoomen. 67 ook na evenreedigheid van de door hun gepleegde daad behoort te worden get heeft Mits welke en andere redenen inmiddelen, in tijd en wijlen /: is het nood:) nader te deduceeren derO: d de 2:0. Eysscher Eysch doende Conclu„ deerde dat, de gevangene en ge„ daagdens in den hoofde dees zes gemeld, zullen worden gecondemneert omme ge¬ bracht te worden, ter plaatse alwaar men hier gewoon is crimineele Sententie te executeeren en aldaar aan den scherprechter overgelee„ vert zijnde, de eerste en tweede gev: en ged„e Jochem den The lemachus, met den stop om de hals aan de galg vast ge„ maakt, voorts neevens de derde gevangene en Gee= Sephta met weden op de bloote ruggestiengelyk gegeeselt en daarnage¬ brandmerkt, voorts inde ketting geklonken weesende de eerste en tweede gev. en ged:e den tijd huns leevens en den derden gev: voor den tijd van vijfentwintig Zaa„ ren ten robben Eylande gebannen te worden met Condemnatie inde kosten en mis en van Justitie ofte tot alzulke andere Poenen en straffen als bij deesen Edelen Achtb en achtbaare raade zal bevonden worden te be hooren.— /:was geteekend:/ H L Bletterman /:in margine:/ Exhibitum in Judicid den 9 Juny 1791. — Relaas gegeeven ten over staan van den ondergeteekende genomm Heemraaden en ter requiritie van den koopman en Landdrost, de Heer Hendrik Lo, dewyk Bletterman, door ende van weegens den oudergesz gage staande adsistent J: Carel Christiaan Bernhardi van competenten ouderdom luijdende hetzelve als volgt. Dat den Rel=t den 10=de deeser loopende maand van het wanne bad aan de Zwartebeeg alwaar ter herstelling zijner gesondheid myn een maand hadde vertoefd te huys gekoomen sijnde door deszelfs huysvrouw aan hem is ver¬ haald geworden, dat zijn Relt=te slave meid Candasa in de morgen van den 18: der l maand Novembr: na de Bergrivier gaande om water te haalen gesien had dat het Pakhuysdeur openstond, en daar van aan zijne - zijne huysvrouw ter stand kennis hebbende gegeeven, deselve ter bezichtiging door heen gegaan en als toen ontwaard had, gemelde deur in de Nacht door Dieven geforceert en open„ gebrooken te zijn, die uit het Pakhuis hadden gestoolen. neegen à tien rollen vaderl: Thobak 20 pacen zo swarte als gespriffelde koussen, ½ zak koffyboonen, een d:o rijst, een trommel waer in omtrend 15 lb. zuijker een vaatje met wat pekelhaaring, en nog een vaatje witlood welk laatstgem: des volgende daags s' morgens in de Tuijn weder was gevonden, terwijl men niet had kunnen nagaan, of van de ingem: Pakhuys zijnde zijn olij en meer andere goe, deren nog is gestoolen geworden, vermits de Dieven verscheide kelders geopend, de flessen daar uit gehaald en deselve zo wel als de ooverige goederen door malkanderen hadden geset. te minder nog wijl alle dezelve in het bakkuyp opgestapelde goederen, niet gespecificeert zynde daar van daadelyks was afgenoemen geworden. Niets meer relateerende, geeft den zelt voor redenen van weetenschap, als in den Text bereid zijnde hetzelve des gerequireert wordende ten allen tijde met solemneele Eede te staaven. Aldus gecelateert ter secretarije aan stellenbosch op den 22 December 1790. voor /onderstond:/ de gecomm: gecommitteerde Heemraaden d' E E: e Jacob Ek„ steen en Pieter Gerhard Wium, die de minute deeses benevens den Belt:t en mij secretaris meede be„ hoorlijk hebben onderteekend /: laager:/ 'T welk ik getuijge /:geteekend:/ I: E: faure. Secretaris. Recollement. Compareerde voor de ondergeteekende Gecommitteerde uit den E: Achtb: raade van Justitie deeses gouver„ nements voorm: Bernbardi, dewelke dit zijn voorenstaande Belaas, klaar en duydelyk voor„ geleesen weesende betuijgde daar bij te blijven persisteeren, met begeerte dat er niets meer bij ofte van gedaan werden zal, als alleen, dat na het geeven der Relaas nog in de Bossen gevonden is, elf bierglaasen, en Twaalf wijnkelden, en sprak dierhalven ter bevestiging der waarheid van dien de solemneele woorden, zo waarlyk helpe mij Godt Almachtig. /:onderstond:/ Aldus gedaan, gerecolleert en beëëdigt aan Cabo de goede Hoop, den 31 Maij 1791. /geteekend:/ Caul Christ Bernhardi /. laager /:mij present:/ geteekend:/ I D Karnspek geswoore Clercq /:in margine:/ als gecomm: /:geteekend:/ R J Vd Rieten GJ D Wet Interrogatorien, omme daarop ter requisitie van den Landdrost der Colonien stel, lenbosch en Drakenstan Compareerde voor ons ondergeteekende gecomm: Leeden uit den E: Achtb:e raade van Justitie deeses gouvernements, den slaaf Jochem voor =

NL-HaNA_1.04.02_11024_0536 view scan ↗

English

Record of the interrogation of the detained slave Jochem van Mandaal, belonging to the deputy scout Hendrik Matthyssen, to be heard and questioned before commissioners from the Honorable Court of Justice of the Castle of Good Hope, the responses given by him to be duly recorded in the margin of this document. Jochem van Mandaal, who gave such answers to the adjacent interrogatories as are noted opposite each of them. Article 1. The respondent's name, age, and place of birth. Answers: Jochem van Mandaal, aged approximately 40 years. 2. The name of the respondent's current master and where the same resides. Answers: the deputy scout Matthyssen, residing at the Cape. 3. Whether the respondent has also had other masters, and which ones. Answers: that besides a carpenter Ian Pietter, residing at Overberg, he also belonged to one Isaac de Villiers, residing at the Paarl. 4. Whether the respondent did not, in the month of October of the past year, during the Citizen Drills, desert from his current master. Answers: Yes. 5. For what reasons he, the respondent, did so. Answers: that he had a rooster and brought it home, but thought that his master had ordered it slaughtered; he was afraid of being beaten, and therefore absented himself. 6. Whither the respondent went. Answers: toward the Paarl. 7. Whether the respondent did not finally arrive at the Paarl, and whether he met more runaway slaves there. Answers: Yes, many, though he does not know the number. 8. Whether the respondent did not encounter there the slaves Louis of the Reverend Ahling, Telemachus of the messenger Hauptfleisch, and a few days later Sephta of the Widow Daniel Rossouw. Answers: Yes. 9. What agreement they made with one another. Answers: that they agreed, due to lack of sustenance, to go out stealing. 10. Where the respondent, along with the others, stayed. Answers: that he stayed, along with the other slaves, by the river and by the mountain. 11. Where they obtained their daily food. Answers: that they searched and stole at various places. 12. Whether the respondent, with his companions, was not frequently fed by the slaves of the aforementioned Mr. Ahling. Answers: Yes. 13. If so, by whom. Answers: that he obtained some bread only through the coachman Fortuyn. 14. Whether the respondent, with the help of his fellow runaway slaves, did not attempt to break open the storehouse of the messenger Hauptfleisch. Answers: that they had indeed been there, but had not succeeded; there were present with this the slaves of the messenger Hauptfleisch, Zephta of the Widow Rossouw, and Louis of Mr. Ahling. 15. Whether he did not make the same attempts at the storehouses of the surgeon Haufner and the citizen Niehaus. Answers: only at that of the citizen Niehaus. 16. By what circumstances all these enterprises failed. Answers: for lack of the necessary tools. 17. Whether the respondent did not, some time thereafter, and specifically during the night between the 17th and 18th of November of the past year, violently open the door of the storehouse of the clerk of the Honorable Company, Christian Bernhardi. Answers: that he was there with his mates and broke it open, using a kierie for that purpose. 18. Whether the respondent did this and carried it out alone, or whether he was helped by someone. Answers: that they were all together, but that he, the respondent, with Telemachus broke open the door. 19. If so, by whom. Answers: as in Article 18. 20. In what manner the respondent broke open the aforementioned storehouse door. Answers: that he used a kierie and an old spade for that purpose. 21. With what purpose the respondent committed that violence. Answers: that he was driven to it by hunger, and that the aforementioned slave of Hauptfleisch had said that rice and sugar were kept in that storehouse. 22. Whether his purpose was not to enrich himself with those goods which were in that storehouse. Answers: that he wanted to take some goods out of it. 23. Whether the respondent, after having broken open the aforementioned storehouse, also stole any goods from it. Answers: Yes. 24. If so, what goods. Answers: that he took sugar, tobacco, stockings, some coffee beans, pickled herring, and rice from the storehouse. 25. Whether he, the respondent, and his mates did not take away the following goods: nine to ten rolls of domestic tobacco, 22 pairs of both black and speckled stockings, half a bag of coffee beans, a bag of rice, a tin with approximately 15 pounds of sugar, a small barrel with pickled herrings, and some white lead. Answers: seven rolls of tobacco, 8 pairs of stockings of which 2 pairs were black and 6 pairs were speckled, four small bowls of coffee, taking only the coffee in the bag in which it was found, at most a schepel of rice, and also a tin with some sugar, along with 20 pickled herrings which they took from a small barrel, taken from the aforementioned storehouse; but of the white lead he knows nothing. 26. Whither the respondent and his fellow thieves transported those goods. Answers: that they brought the same close to the river. 27. How the aforementioned goods were divided among them. Answers: that he received for his portion two rolls of tobacco and two pairs of stockings, while together they consumed the foodstuffs. 28. Whether, among others, any of those stolen goods were not given to the slave of Mr. Ahling named Fortuyn. Answers: Yes, by the slave Louis. 29. If so, what goods. Answers: two rolls of tobacco. 30. What the respondent received for his share and what he did with the 2 rolls of tobacco and 2 pairs of stockings that he received. Answers: [illegible]

Dutch transcription

Jochem van Mandaal dewelke op de nevenstaan„ de Interrogatorien zodaa„ nige antwoorden heeft ge„ geeven, als betijden een eider derselve staan aan„ geteekend. zegt Jochem van Mandaal. oud nagissing 40 Jaaren toe des gevr: teegenswoordige zegt de onderschout Matthis zen Lijfheer genaamd en waar de woonachtig aan de Caab. selve woonachtig is „ 3. zegt, behalven aan eene Timmer„ of hij gevr: ook meer Lijfheeren man Ian Pietter, aan overberg heefft gehad, en welke 2. woonende, ook nog aan eenen Isaac de Villiers aande haarl woonachtig toebehoort te hebben. zegt Ja: of hij gevr: niet inde maand october des gepasseerden Jaars geduurende de Burger Excer„ citien van zijn teegenswoordige Act: v des gevr: naam, ouderdom en geboorte plaats voor Heeren gecommitteerdens uit den E: Achtb raade van Ju„ stitie des Casteels, Tegoede Hoop gehoort en ondervraagt te worden de gedetineerde Slaaf Jochem van Mandaal toebe„ hoorende aan den onderschout Hendrik Matthyssen, zullende desselfs te geeven responsiven in margine deeses behoorlyk worden bekend. gesteld. Lyfheer 2 4. te Lijfheer is opgedrost. 1 zegt Ja. „om welke reedenen hij zegt dat hij een haan heeft gehad, en deselve te Huys gebracht gevraagde zuk gedaan doch vermeende dat zijn Lijfheer heeft. deselve had doen slagten, bee„ vreest was geweest voor slaagen, en zig daar om had geabsen„ teert! zegt naader aarl. zegt Ja, veele oock het getal niet te weeten zegt te hebben afgesprooken om weegens gebrek, aan levens Onderhoud te gaan steelen. welke afspraak zyl: met malkanderen hebben gemaakt. of hij gevr: al daar niet heeft aangetroffen, de slaaven Louis van de Erodikant Ahling, Thele, machuus van de Boode Wanbfleisch en eenige daagen laaten Sephta van de Wede. daniel rosTouw of hij gevr: niet eindelijk aan de Paarl is gearriveert, en of hij daar ook meer opgedroste slaaven heeft ontmoet. werwaards de geor: zich heeft begeeven 5 t en k do „ 7. 8. art: 10 zegt aan de Rivier en aan de Berg zich benevens de andere slaaven te hebben opgehouden. zegt op verscheide Plaatsen gesogt en gestoolen te hebben zegt ja: zegt door de koetsier forteyn al, zo ja door welken. leen eenig brood te hebben be„ koomen! zegt dat zijl: daar wel waren bij geweest; doch niet gereuseert hadden hebbende zich hier bij bevonden, de slaaven van de Boode Hanbfleisch, Zephta van de Wed. rossouw en Louis van de Heer Ahling. zegt alleen bij dat van den Burger Niehaus of hij deselve poogingen niet gedaan heeft aan de Paphuysen vanden Chirurgips Haufner en den Burger Nichaus 15 of de gevr: niet gebragt heeft met behulp zijner meede ge„ drosde slaaven het Pakhuys van de Boode Haubtvleisch open te breeken! 14. of hij gevr: met zijne Makkers met dikwils door de slaaven van voorm: Heer Aling zijn ge„ spijzigt geworden! van waar zijlieden hun daa„ gelyks voedsel hebben bekoo„ men! 11. waar de gevr: zich benevens de overige heeft opgehouden 12. 16. zegt bij manquemen aan de noodige Instrumenten. zegt daar met sijn mattees geweest te zijn en hetselve te hebben opengebrooken hebbende zijl: daar toe een kirrij gebruykt. zegt dat zij alle bij elkander geweest zijn, doch dat hy gevr. met Thelemartus de aen open gebrooken heeft. zegt als op acte 18. segt daar toe een kinij en een oude graaf te hebben gebruikt. segt door honger, daar 21 met welke oogmerk hij ger 20 op welke wijse hij gew: de voorm: Pakhuijs deur heeft opengebrooken. 19 zo ja door wie of hij gevr: dit alleen gedaan en uitgevoerd heeft, dan of hij door ijmand is geholpen 18 of hij gevr: niet eenige tijd daar na en wel in de nagt tusschen den 17e 18 november des gepasseerden Jaars de deur met geweld heeft ge„ opend van het Pakhuys van den onderafgesr: gagie staande adsistent den EComp e Christ: Bernhardi door welke toevallen alle deese onderneemingen mislukt zijn toe ens koo„ a„ 17 niet en toe gedrongen geweest te zijn, en dat de gemelde slaaf van HanEetfleisch ge„ zegt had, dat in hetselve Pakhuys, Rijst en suyker bewaard wierd. zegt ja eenige goederen daar uit te hebben willen neemen zegt Ja 24 zo ja welke goederen koussen, wat koffijboonen beekelhaaring en rijst uit het pakhuijs te hebben genomen zegt, zuijker, Tobak, zegt zeven rollen Tobak of hy gevr. en syne matkens 8 p. r koussen, waar van 2 niet de volgende hebber goe, paarn swarte en 6 p=s ge„ deren hebben meede gee sprikkelde waren, vier Commetjes Coffij welke noemen als negen à tien Coffij alleen in de sak waar rolle vaderl: Tobak, 22 in deselve zich bevond, te heb„ paren zo swarte als gesprek„ beugenoomen, op zijn kelde koussen, een halve best een scheepel rijst en zak koffyboonen een do nog een trommel met wat Rijst, een trommel waar zuijker, benevens 20 stuks 25 of hij gevr. dan ook na het voorsz Pakhuij te hebben opengebrooken eenig goede„ ren uit hetselve heeft gestoolen 23 of zijn oogmerk niet is geweest om zich met die goederen, welke zich in dat Pakhuys bevonden te verrijken. 22 dat geweld gepleegd heeft bekel en Pekelhaaringen welke zy uit een vaatje genoomen hebben, uit het voors: Pakhuys te hebben medegenoomen doch van het uitlood niet te weeten. werwaards hij gevr: en zegt deselve digt bij de zijne meede Dieven die Rivzer gebracht te hebben. goederen hebben getrans„ porteert. Hoedaanig de gemelde zegt voor zijn Eortie twee goederen onder hen zijn rollen tobak en twee p:r verdeeld geworden koussen te hebben bekoo„ men, terwijl zijt te zaamen de de Eetwaaren hebben geconsameert. zegt ja door den slaaf Louis zegt twee rollen tobak. 30 zegt de 2 rollen Tobak en 2 p. wathij gevr. voor zijn konsten welke hij gekree, aandeel heeft gekreegen en so ja welke goederen 29 of onder anderen niet eenige diei gestoolene goederen aan den Slaaf vande Heer Ahling in naame fortuijn zijn ge„ geeven. in circa 15 lb. zuyker, een vaatje met pekelkaarings en een s. witloot. gen heeft haes. est ke en 28. 27 26

NL-HaNA_1.04.02_11024_0542 view scan ↗

English

says Yes. says Yes that he left them at the Mountain. whither he, the witness, went after committing this theft, and in what manner he came to fall into the hands of Justice. says that he went with his companions from the Paarl to the Wagenmakersvallei, where they were captured by some Hottentots. 32 whether the prisoner, apart from the mentioned case, has not made himself guilty of theft. 33 whether he, the witness, has stated everything according to the truth. 34 Whether he must not confess, both by his conduct in general, and in particular by that committed theft, to have severely offended, and consequently to have earned severe punishment. says no. 31. and what use he made of it! says nothing At the bottom was written: Thus questioned and answered at Cape of Good Hope the 18 January 1791. before the Gentlemen Ryno Johannes van der Riet and Abraham Fleck, Members from the Honorable Court of Justice aforesaid, who have duly signed the Minute hereof together with the questioned and me, sworn Clerk. Below: To which I bear witness: was signed: P. Diemel sworn Clerk Re-examination Appeared before us the undersigned committee Members from the Honorable Court of Justice aforesaid, the Slave Jochem, to whom these his preceding Interrogatories being clearly and distinctly read word for word, testified to persist and abide by them, desiring that nothing more shall be added thereto or taken therefrom, testifying the preceding to be the pure truth. At the bottom was written: Thus done and re-examined, at 35 whether he, the witness, also knows of anything and what he can bring forward for his defense. Cape of and at Cape of Good Hope the 24 February 1791. signed. Below: In the presence of me, signed: P. Diemel sworn Clerk. In the margin: as commissioners, signed: R. J. van der Riet and A. Fleck. Interrogatories whereupon, at the requisition of the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, the Gentleman Hendrik Lodewijk Bletterman, before Gentlemen commissioners from the Honorable Court of Justice of the Castle of Good Hope, to be heard and interrogated the Slave Thelemachus of Malabar belonging to the Messenger Hauptfleisch, the responses given by him to be noted in the margin hereof. Appeared before the Undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government the slave Thelemachus of Malabar, who to the preceding Interrogatories presented to him has given such responses as stand recorded beside each of the same. article 1 the questioned's name, Age, and place of birth Malabar, age by estimation 30 years. says Thelemachus of 1 says the Messenger Hauptfleisch living at the Paarl says to have previously belonged to a certain Jan Friselius having lived at the Cape says yes, now 2 months ago says because he had been hired out to a Scot, to whom his Master had requested, if he the questioned did not pay attention, to break his arms and legs to pieces, and that he the questioned had therefore run away out of fear says at the Paarl mountain says Yes whether he, the witness, has also more frequently where he, the prisoner, stayed. if yes, when and for what reason whether he, the questioned, has not for some time been a runaway from his present Master. 2 absconded. whether he, the prisoner, has also had other Masters and who they were? How the questioned's Master is named and where the same resides 2. 4 3 2: 6. 1 to says Jochem, of the deputy schout Matthyssen, Louis of the Gentleman Aling, and Jephta of the Widow Rossouw as to answer 8. says as intending to go search for the necessary food. says to have stolen at several places. says no: 12 whether they, the questioned, with his companions were not often by the slaves of the Gentleman Aling from where the questioned and his companions obtained their Food! 11 10 what agreement they made with each other whether he, the questioned, did not meet the slaves Louw of the Gentleman Ahling, Jochem of the deputy schout Matthyssen, and Jephta of the Widow Rossouw if yes, which slaves it were, and when the same respectively were met by him these slaves met provided with food 8. to by two the falls away says Yes. his Master, to see if the same was sleeping says only to have been at the house of says that they were indeed there, and aforementioned Jochem of Matthyssen had attempted to break in there, but had desisted from such upon the dissuasion of his companions because that work seemed too heavy to them. by what occurrences all these undertakings failed says that it was not well possible to break in there because of the good and sufficient security. whether he, the questioned, some time thereafter and namely in the night between the 17 and 18 November of the past Year, violently opened the door of the Warehouse of the below-signed assistant of the Honorable Company Carel Christiaan Bernhardi. whether he, the prisoner, did not make the same attempts at the warehouses of the Surgeon Hansener in the Burgher Vlehaus whether he, the questioned, did not together with the aforementioned Jochem, Louis, and Jephta attempt to break open the warehouse of the questioned's Master. 14 13 if yes by which was provided with food met et of n souw and el, have n have tegl 17 16 15

Dutch transcription

zegt Ja. zegt Ja gen heeft aan de Berg gelaaten te hebben. werwaards hij get: zich zegt met sijn makkers van de Paarl naar de wagen na het pleegen van deeze diefte heeft begeeven, en maakers vally gegaan te zijn alwaar dijk door een op hoedaanige wijze hij in nige kotten totten waren handen van Justitie is koomen gevangen geworden. te geraaken. 32 of de gev: zich niet behalven in het opgenoemd geval aan diefze heeft schuldig ge„ maakt. 33 of hij get: alles naar waar heid heeft opgegeeven 34 Of hij niet bekennen moet so door zijn gedrag in het gemeen, als insonderheid door die begaane diefte swaarlyk te hebben mis„ dreeven, en dienvolgens zware straffe verdiend te hebben. zegt neen. 31. en hoedaanig gebruik hij ervan gemaakt heeft! zegt niets /onderstond:/ Aldus gevraagt en beantwoord aan Cabode goede Hoop den 18 Jann: 1791. voor de Heeren Bijno Johs van der Biet en Abraham Fleik, Leeden uit den E: Achtb: raade van Justitie voorm: die de Minute deeses benevens den gevr: en mij gesw: Clercq meede behoorlyk hebben ondertee kend. /:laager:/ T welk ik getuyge:/ was geteekend:/ P. Diemel geswoore Clercq Recollement Compareerde voor oes onderget: gecommi Leeden uit den E: Achtb: raad van Justitie voorm: Slaaf Jochem, dewelke deese syne voorenstaande Interr: van woorde tot woordeklaar en duydelyk voorgeleesen weesende, betuygde daar bij te blyven persisteeren, met begeerte dat daar niets meer bij of van gedaan werden zal be tuygende het voorenstaande de ziyvere waarheid te zijn. /:onderstond:/ Aldus gedaan en gerecolleert, aan 35 of hij get: ook iets en wat hij tot sijne verontschul, diging weet bij te brengen. Cabode en aan Cabo de goede Hoop en 24 februarij 1791. /. ge„ reekend:/ /:laager:/ In kennisse van mij /:geteekend:/ P:s Diemel geswoon Clercq /:in margine:/ als gecommitteerdens /:geteekend:/ B JvD Riet e A=m Flecq. Interrogatorien omme Compareerde voor de On„ daarop ter requisitie van den dergeteekende gecomm: Landdrost van Stellenbosch uit den E Achtb: raade en Drakenstein de Heer Hen„ van Justitie deezes gou„ drik Lodewijk Bletterman vernement de slaaf voor Heeren gecommitteer„ Thelemachus van mala„ dens uit den E: Achtb: baar, dewelke op de hier voorenstaande hem voor„ Raade van Justitie des Ca„ gehouden Interrogato, steels de goede Hoop gehaust zien zodaanige respon, dn onderveragten te worden siven heeft gegeeven de Slaaf Chelemarhus als besijden een eider van Mallebaar toebehoo„ derselve staen aange¬ rende aan den Boode Haubt, teekend. fleisch, zullende deszelfs tegeeven responsiven in maigine deeser worden be„ kend gesteld. articul 1 des gevz naam Ouderdom en geboorte plaats mallebaar oud na gis„ ring 30 jaaren. zegt Thelemachus van 1 zegt den Boode Hanbtfleisch woonagtig aan de Paail segt aan eene Jan Priselius woonagtig geweest zijnde aemde Caals bevoorens toebehoort te hebben Legt ja„ voor nu 2 maanen zegt om dat hij bij eene schot was verhuurd ge„ weest, aan wien zijn Lijf„ hier versogt had, kem gew: zo hij niet oppaste, armen en beenen stukken te slaan en dat hy gew dus uit vreesewas weggeloopen zegt aan de haarlsberg zegt Ja of hij getr: ook meer opge„ waer hij gev: zich heeft opgehouden. Loja, wannear en ons welke reeden of hij gevr: niet voor eeni„ gen tijd van zyn teegens¬ woordige Lijfhen is opge„ 2 drost geweest. of hij gev: ook meer Lif heeren gehad heeft en wie deselve geweest zijn? Hoeder gevr. Lyfheer ge„ naamd en waar deselve woonagtig is ne 4 3 2: 6. 1 om Degt Jochem, vande onder schout matthissen, Louis van de Heer Aling en Jephta van de UEd. Rossouw als op ant. 8. Legt als deelende het nodige voedsel tegaan soeken. zegt opverscheidene plaatsen gestoolen te hebben. zegt neen: 12 of zij gev: niet dikwijl met sijn makers door de slaven van de Heer Aling van waar de gevz: en zyn matteis hun Voedsel hebben bekoomen! 11 10 welke afspraak zijl: met el„ kanderengenoomen hebben of hij gevr: niet ontmoet heeft de slaven Louw vande Heer Ahling, Jochem van den onderschout matthyssen en sephta van de Wed. ros souw zo ja welke slaaven het ge„ weest, en wanneer deselve resp. door hem zijn ontmoet dioste slaaven heeft ontmoed is gespeptygl 8. te doo twe de vervalt zegt Ja. zyn Lyfheer geweest te zijn, om te zien of deselve sliep zegt alleen aan het huys van zegt dat zyl: daar wel geweest sijn, en aatgemelde Jochem van Matthuysen gepoogt had aldaar te breeken, doch zulx op het afraaden van syn matters door dien dat werk hen te zwaar toescheen had afgelaaten. door welke toevallen, alle deese zegt dat het aldaar van weegens onderneemingen mislukt zyn de goede en suffisante versorging niet wel moogelyk was in te breeken. of hij gevr: met eenigen tijd daar na en wel in den nacht tusschen den 17 en 18 Nov: des gepas„ seerden Jaars, met geweld heeft geopend dedeur van het Pak, huijs van den onderafgestgage staande adsistent der E Compi Carel Christ: Bernhardi. of hij gev: deselfde poegingen niet gedaan heeft aan de pakhuy„ zen van den Chirurgijn Hamsener in den Burgen Vlehaus of hij gevr: niet benevens de voorn: Jochem Louis en Jeppta getracht hebben, het perkhins van des gevr: Lijfhees open te breeken. 14 13 zo ja door welke is gespeijzicht geworden moet oet ande n souw en el, ben n bben tegl 17 16 15

NL-HaNA_1.04.02_11024_0548 view scan ↗

English

18 Whether the interrogated person did this alone and carried it out, or whether he was assisted by someone. Answers that he did so with Jochem, while the slave Jephta stood by, but Louis was not with them. 19 If assisted, then by whom. Answers as Article 18. 20 In what manner the interrogated person broke open the aforementioned warehouse door. Answers that Jochem used a spade for that purpose while the interrogated person helped with a crowbar. 21 With what intention the interrogated person committed that violence or assisted in it. Answers to obtain the necessary food for them there. 22 Whether his intention was not to enrich himself with the goods that were in that warehouse. Answers yes. 23 Whether the interrogated person, after having broken open the aforementioned warehouse, also stole any goods from the same. Answers yes. 24 If so, what goods. Answers, seven rolls of tobacco, 14 pairs of stockings, a bag with about 6 lb of coffee, five packages with glasses, which was taken by the slave Jochem, he however having brought a little more than a schepel of rice, well over 12 lb of sugar, 14 pickled herrings, and some pipes out of that warehouse, while Jephta stood waiting outside. 25 Whether the interrogated person and his companions did not take the following goods with them, namely: 9 to 10 rolls of Dutch tobacco 20 pairs of both black and speckled stockings, a half bag of coffee beans, a [illegible] of rice, a drum in which were about 45 lb of sugar, 1 small barrel with pickled herrings, [illegible]. Answers as to Article 24, but says he also found a packet of white powder which he did not know, which he left lying there. 26 Whither the interrogated person and his fellow thieves transported those goods. Answers that they brought them to the Berg River. 27 How the aforementioned goods were divided among them. Answers to have received for his share 2 pairs of stockings, a roll of tobacco, and two pipes, Jephta having received no more than a pair of stockings, while Jochem kept the rest for himself. 28 What the interrogated person received for his share, and what use he made of it. Answers as before. Says he threw away the stockings he received upon the approach of those who were searching for him, while he also left the rice there. 29 Whether, among other things, any of those stolen goods were given into safekeeping to the slave Fortuijn of the repeatedly mentioned Mr. [illegible]. Answers that this may well be possible, but he does not know, though he had given a roll of tobacco into safekeeping to his fellow slave Meicuur. 30 Whither the interrogated person went after committing this theft, and in what manner he finally came into the hands of Justice. Answers that he went to the Paarl Mountain and was taken prisoner there by the schoolmaster Schot with three other persons and another slave of his master named Jacob. 31 Whether the interrogated person, besides this mentioned case, has made himself guilty of more thefts. Answers fully three years ago, when he had run away, to have broken open a small back room close to the slave house at one Stephanus Jordaan, and to have stolen there some flour and a half piece of salted meat. 32 If so, what goods. 33 Whether the interrogated person has stated everything truthfully. Answers yes. 34 Whether the interrogated person must not confess to have committed heavy crimes, both by his conduct in general and by his theft in particular, and to have earned heavy punishments for that. Answers yes. 35 Whether the interrogated person knows anything, and what, to bring forward in his excuse. Answers no, nothing other than to ask for a merciful punishment. Thus asked and answered at the Cape of Good Hope, the 19th of January 1791, before the Gentlemen Rijno Johannes van der Riet and Abraham Fleck, as commissioners, members from the Honorable Court of Justice of this Government, who duly signed the minute hereof along with the interrogated person and me, sworn clerk. Which I attest, was signed: Diemel, sworn clerk. Re-examination Appeared before us, the undersigned commissioner members from the Honorable Court of Justice of this Government, the slave Phelemachus of Malabar, bondsman of the Burgher Gabriel Hauptfleisch, who, having had these his preceding interrogatories with the answers given thereto read aloud to him word for word, clearly and distinctly, testified to persist and abide by the same, with the desire that nothing more be added to or removed from them, testifying that all the preceding is the pure truth. Thus re-examined at the Cape of Good Hope on the 24th of February 1791. In my presence, signed: P. Diemel, sworn clerk. In the margin, as commissioners, signed: R. J. van der Riet and H. H. Fruitier. Interrogatories upon which, before the Gentlemen commissioners from the Honorable Court of Justice of the Castle of Good Hope, at the requisition of the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Hendrik Lodewijk Bletterman, the detained slave Jephta of Bengal, belonging to the widow of the late former elder Daniel Rossouw, is to be heard and interrogated; the responses to be given by the same shall be recorded in the margin hereof. Appeared before the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government, the slave Jephta of Bengal, who gave such answers to the adjacent question points as are noted beside each of them. Article 1 The interrogated person's name, age, and place of birth. Answers Jephta of Bengal, aged by estimation 18 years. 2 What the interrogated person's present master or mistress is named, and where the same resides. Answers the widow Daniel Rossouw, residing at the Paarl.

Dutch transcription

zegt Ja. zegt met Jochem, zulx verrigt te hebben. terwijl de slaaf: Jephta daar bij hed gestaan, hebbende, echter Louis zich niet bij hunt: bevonden zegt als Cart: 18 zegt dat Jochem daar toe een graaf had gebruijkt terwijl hij gevr: met een kerrij geholpen zegt om voor hun l: aldaar het noodige voedsel te haalen zegt Ja: zegt, zeeven rollen Tobak 14 p.:s koussen, en zak wel met 6 lb Coffij, vijf Pakjes met glaasen het welk door de slaaf Iochem genomen was, hebbende hij echter 24 zo ja welke goederen. of hij gevr: dan ook na het voorsz Pakhuip te hebben opengebroe„ pen eenige goederen uit hetselve heeft gestoolen. of sijn oogmerk niet is geweest om zich met de goederen welke in dat Pakhuijs waren te verrijken 22 21 met welk oogmerk hij gevr: dat geweld gepleegd of daar bij gead„ sisteert had 20 Op welke wijze hij gev: de voorm: Pakhuuijseur heeft openge, broeken! 19 zo geholpen zo door wien of hij gevr: dit alleen gedaan en uitgevoert heeft dan of hij alleen door iemand is geholpen wat had 23. 18 bracht te hebben. wat meer als een scheepel rijst ruijm 12 lb Zuijker, 14 pekelhaa„ ringen, en wat pijpen uit dat Pakhuys gehaald, terwijl Sephta buijten had staan wachten als op Act: 240 edoch zegt noch een pakje witte poeijer welke hij niet kende gevonden te hebben hetgeen hij had laaten leg„ geln. zegt aande Berg rivier deselve ge„ werwaards hij get: en zijne meede Dieven die goederen hebben getians porteert hoedanig de gem: goederen zegt voor zijn aandeel 2 paren koussen, een vol Tobak en twee onder hen zijn verdeeld ge„ pijpen te hebben bekoomen worden. hebbende sephta niet meer gekreegen als een par koussen derwyl Iochem het ooverige voor zich behouden had. 26 of hij gev: en zyne makkers niet de volgende goederen hebben meede genoomen. als 9 à 10 rollen Vaderl: Tobak 20 p:r do zwarte als gesprikkelde kousen, koffijboonen een halve zak Rijst een een trommel waar in wice 45 lb zuyker 1 vaatje met pekelhaaringen _o W Atloot. 25. an en alleen orm: s welke ijken s 9 1 ve „ ter 27. 28. zegt zulx wel mogelyk te zijn, doch dit niet te weeten maar dat hij aan zijne meede slaaf Meicuur een rol Tobak had in bewaaring gegeeven. als vooren. zegt de kussen, welke hij bekoo„ wat hij gev: voor zijn aandeel men heeft te hebben weggegooit heeft gekreegen, en hoedanig bij de aannaadering der geene gebruik hij er van ge welke hem opzochten, terwijl maakt heeft. hij ook de rijst aldaar gelaat ten had. zegt dat hij gesz: zich na de paarl, werwaards hij gevr: sich na te berg begeeven had en aldaar het begaan van deese diefte door de schoolmeester schot heeft begeeven en op welke wyze met drie andere Persoonen hij eindelyk in handen van en noch een slaaf van zijn Justitie is koomen te geraaken Lijfheer Iacob genaamd ge„ vangen te zijn genoomen. zegt wel drie jaaren geleeden wanneer hij gedrost was bij een Stephanus Gordaan een klyne agterkamer digt bij het slaven Huis te hebben opengebrooken, en aldaar, of hij gev: behalven in dit op, genoemd geval sich niet meer aan diefte heeft schuldig ge maakt 31. 30 29 zo ja welke goederen. of onder anderen met eenige dier gestoolen goederen aan den slaaf Fortuijn van meerm: Heer aking zijn in bewaaring gegeeven. wat „ 32 wet meel eer een halve stuk patavleesch te hebben zegt. Ja. r zegt Ja. zegt neen, anders niet als een genadige straf te versoeken. gestoolen. of hij gev: alles naar waarheid heeft opgegeeven! 34 Of hij gev: niet bekennen moet zo door zijn gedrag in het ge„ meen als door sijne diefte in het bijzonder zwaarlyk misdree„ ven en daar ove swaare straffe verdiend te hebben. 35 of hij gew: ook iets en wat hij tot zijne verontschuldiging weet bij te brengen. 1 /:onderstond:/ Aldus gevraagt en beantwoord aan Cabo de goede Hoop den 19 January 1791. voor de Heeren Rijno Johannes van der Biet en Abraham Fleck als gecommitteerdens, leeden uit den E: Achtb: raade van Justitie deeses Gou„ vernements die de minute deezes benevens den gew: en mij geswoore Clercq meede be„ 33 hoorlyk enige rins den an aken hoorlyk hebben onderteekend. /:laager To quod attestor /:was geteekend:/ Diemel gesw: Clercq. - Compareerde voor ons Onderget: geomi: Leede uit den E Achtb: raade van Justitie deeses gou rerements de slaaf Phelemachus van Mallebaar, lijfeijgen van den Burger ga„ briel Haubtfleisch, dewelke deese zyne voorenstaande Vraagarticulen met de daar op gegeeven antwoorden, van woord tot woord klaaren duydelyk voorgeleesen weesende betuijgde dezelve, daer bij te blyven persisteeren, met begeerte dat er niets meer bij of vangedaan werden zal, betuijgende dat al het voorenstaande dezyvere waarheid is. Aldus gerecolleert aan Cabo &e GoedeHoop den 24 februarij 1791. /: wa geteekend:/— /:laager:/ mij present /:geteekend:/ P: Diemel gesw: Clercq /: in wan„ gine / als gecommitt:s /:geteekend:/ R: J: V: de Biet e H: H: Fruter. /:onderstond:/ Recollement - zegt sephta van Bengalen zegt de Wed. Daniel Ros„ Interrogatorien omme daar Compareerde voor de onderget„ geconm uit den E Achtb: op voor Heeren gecomm: uit raade van protitie deeses den E: achtb: raad van Jn„ stitie des Casteels de goede gouvernements, den Hoop ter requisitie van den Slaaf Jechtaven Ben Landdrost van stellen. ralen dewelke op neeven bosch en Drakenstein staande Vraagpoincten Hendrik Lodewijk Blet, sodanige antwoorden heeft gegeeven als terman gehoort en onder bezyden eider derselve vraagt te worden den staan aangeteekend. gedetineerden slaaf zeph„ ta van Bengalen toebe„ koorende aan de Weduwe vanwijlen den oud onder„ ling Daniel rossouw, sul„ lende deszelfs te geeven res„ ponsioen, in margine deeser worden bekend gesteld. Art l 1. des gen naam, ouderdom en geboorte Plaats! hoedes gevr teegenswoordige Lijfheer of Lijfvrouw genaamd en waar deselve woonagtig oud na gissing 18 Jaaren. Touw. woonagtig aan de Paarl. 6 „2. is.

NL-HaNA_1.04.02_11024_0554 view scan ↗

English

Article 3. Whom the interrogated person previously belonged to. States, to the late Moor the Younger. 4. Whether the interrogated person did not run away from his present mistress for a time. States, yes. 5. If yes, when and for what reason. States, in the month of September last, because his mistress had beaten him without cause. 6. Where the interrogated person had stayed. States, at the Du Toitskloof along the Wagenmakersvallei. 7. Whether the interrogated person did not also meet other runaway slaves. States, yes. 8. If yes, who these slaves were, and when they were respectively met by him. States, the boy of Matthijssen named Jochem, Louis of the Reverend Aling, and Telemachus of the messenger Hauptfleisch. 10. What agreement they made with one another. States, yes; states that the slaves were Louis of the Reverend Preacher Aling, Jochem of the Under-Sheriff Matthyssen, and Telemachus of the messenger Hauptfleisch. States that, driven by hunger, they had gone to the Paarl, to the house of Bernhardi, where having arrived, the said Jochem had said that they would break in there that night, while he, Jochem, had then fetched an old spade to execute this intention. 11. From where the interrogated person and his companions obtained their food. States that they had searched and stolen everywhere. 12. Whether the interrogated person with his aforesaid companions was not often fed by the slaves of the aforesaid Mr. Aling. States that the slave Fortuyn brought them food. 13. Whether the interrogated person, together with the aforementioned Jochem, Louis, and Telemachus, tried to break open the warehouse of the messenger Hauptfleisch. States to know nothing of this. 14. If so, by what accidents all these undertakings failed. [illegible] 15. Whether the interrogated person did not make the same attempts at the warehouses of the surgeon Haussner and the burgher Niehaus. States, yes, to have been at both places with Telemachus and Jochem, but not to have succeeded here. States that a large crossbar which was before the doors prevented them from opening the same. 16. Whether the interrogated person, some time thereafter, namely in the night between 17 and 18 November last, did not forcefully open the warehouse of the assistant Carel Christiaan Bernhardi. States that Jochem and Telemachus had first tried to break open the door with a stick, but this failing, Jochem had inserted a spade between the door, whereby the same was opened. 17. In what manner the interrogated person broke open the aforesaid warehouse door. Answered under Article 17. 18. Whether the interrogated person did and executed this alone, or whether he was helped by someone; and if he was helped, by whom. States that he did not break in with them, but remained standing at a distance, from where he helped to carry the goods stolen in the warehouse. States that he was only helped in carrying the goods by Telemachus and Jochem, after they had previously broken open the warehouse. 21. With what intent he used said violence or assisted therein. States, as it was a rainy day and they had not been able to obtain any food, the slave Jochem had proposed to break in, in order thus to provide themselves with necessities. 22. Whether his intent was not to enrich himself with the goods that were in that warehouse. States only to have had in mind to provide himself with the necessary food. 23. Whether the interrogated person then also, after having broken open the same warehouse, did not steal some goods from the same. States that he himself with Louis did not steal, but had helped to carry away the goods which the other slaves had stolen. 24. If yes, which goods. States: to have helped carry away seven rolls of tobacco, two parcels of both black and speckled stockings, a bag containing a little coffee, a half bag of rice, a canister half full of sugar, and about 12 pieces of pickled herring, along with 20 pieces of short pipes. 25. Whether the interrogated person and his companions did not take along the following goods, namely: 9 to 10 rolls of tobacco 20 pairs of black as well as speckled stockings A half bag of coffee beans A half bag of rice A canister containing circa 45 lb. sugar A small cask of pickled herring With white lead. States, as to Article 24, but because it was dark, to have seen nothing of the white lead. 26. Whither the interrogated person and his fellow thieves transported those goods. States to have brought the same behind the garden of Mr. Aling to the other side of an oak forest. 27. In what manner the said goods were divided by them. States that he, the mentioned person, received a pair of black and 1 pair of speckled stockings, together with a little tobacco and 2 to 3 pipes, there having been allotted to Jochem for his share 2 pairs of stockings, some pipes and tobacco, while the other slaves also shared just as much. 28. Whether among others some of those stolen goods were not given into safekeeping to the slave Fortuyn of the frequently mentioned Mr. Aling. States, yes, to have seen that Jochem and Telemachus had given goods to the said Fortuyn in safekeeping. 29. If yes, which goods. States that the same consisted of four rolls of tobacco, some pairs of stockings, and some rice. 30. What the interrogated person received for his share, and what use he made of it. States that he used the tobacco and pipes for smoking, while he kept the stockings in his pocket, which were taken from him upon his capture. 31. Whither the interrogated person went after the commission of this theft. States, to the Du Toitskloof at the Wagenmakersvallei.

Dutch transcription

segt aan thans moor de jonge Legt Ja lb: om dat sijn lyfvrouw ten reedenen! zonder redenen geslagen had. waar hij gevr: zich heeft zegt, aan de dus dito Cloof langs de wagenmaakers vally opgehouden zegt Ja. zegt de jongen van matthijssen Doja, welke slaanen het ge„ Iochem genaamd, Louis van weest sijn, en wanneer de de Heer aling, en Thelemackus zelve respe door hen zijn ont„ van de Jraae Haubtflarh. moet. zegt. Ja: of bij hem gev: niet ge of hij gesz: ook meer opge„ droste slaaven heeft ontmoet 7. 5. zegt in de maand september Loja, wanneer en om welke of hij gevr: niet voor een tijd van zijn teegenswoor„ dige Lijfvrouw is opge„ drost geweest! 4 A A:o 3. Wien hy Gevr: te vooren heeft toebehoort. weest 6 Legt ja weest zijn de slaven Louis vande eerwaarde Prodikant A„ ling, Jochem van de onder„ Schout Matthyssen, en Telemachiu van de Boode Haulsvleisch. Art. l 10. Welke afspraakzyl met ee„ zegt dat zij door honger ge„ perst, gegaan waaren naar 3 kanderen genoomen hebben depaarl, na het Huijs van Bernardi, alwaar gekoomen zijnde had gem: Jochem gesegt, dat sijl: die nagt daar breeken zouden, terwijl hij Jochem, als toen een oude graaf had ge„ haalt om dit voorneemen toe uitvoer te brengen. zegt dat sij overal gesogt en gestoolen hadden of hij gevr. niet dikwijls met sijn makers voorm: door de slaaven van voortz Heer Aling is gespeisigt geworden. 12 van waar de gew: en zijn masters hun Voedsel hebben bekoomen 11 ft 3 ke ft 2 art:l 13. zegt dat de slaaf Fertuyn hun spijse gebracht heeft zegt daar niets van te weeten. zegt, ja op beide plaatsen met Thelemachus en Jochem te sijn geweest, dog hier niet gereciseert te hebben. door welke toevallen alle zegt, dat een groot dwaars deese onderneemingen mis„ oper welke voor de deuren was, hun belet had denselven lakt zijn. open te maaken of hij gevr: met eenigen tijd zegt, dat Jochem en Thelemachus daar na en wel in den nagt met een kirrij eerst getracht hadden de deur opente bree„ tusschen den 17 e 18 n0v. lb ken, doch zulx mislukkende met geweld heeft geopend, 't hadJochem een graaf tusschen Pakhuijs van d adsistent de deur gestooken waar Carel Christiaan Bernhardi deselve g'opend was. 16 of hij getr: deselve poogingen niet gedaan heeft aande Pak„ huissen van vanden Chi„ rurgijn Haussner en den Bur„ ga Niehaus 15. of hij gewr: benevens vooren Jochem Louis en Thelema, chus getracht hebben het Pakhuys van den Boode Hanbfleisch open te bree„ ken te. zo Jal doon welke .. d 17. 18. zegt dat hij niet meede ge„ broaken heeft, maar op een distantie is blyven staan alwaar hij geholpen de in het pakluyp gestoolene goe, deeren te draagen. zegt dat hij alleen in het draagender goederen is geholpen door Chelemaihus en Iorhem, na dat deselve alvoorens het Pakhuijs hadden opongebrooken. beantwoord op Act: 17. zegt terwijl het een reegenag„ tig dag was, en zijl: geen spijs hadden kunnen bekoomen de slaaf Jochem gepropo„ neert had om te breeken, ten einde dus aan het nodige voorsien te worden. zegt alleen in het oog gehad hebben, om zich van het nodig voedsel te versorgen. Of zijn oogmerk niet is ge„ weest, om zich met de goe„ dezen welke in dat Pak„ huijs waren te verrijken, 22 met welk oogmerk hij gemaat geweld gepleegd, of daar bij geadsisteert heeft. op welke wijse hij geirde voorn: pakhuis deur heeft opengebrooken 20. 20 geholpen is, door wien of hy Gevr: dit alleen gedaan en uitgevoert heeft, dan of hij door iemand is ge„ holpen K 014 ooren ee„ ingen 21. : segt dat hij met Louis zelve niet heeft gestoolen, doch de goederen welke de andere slaaven gestoolen hadden had helpen wegdraagen 24 Zo jawelke Goederen. zegt; zeeven rollen Id„ bak twee pakken zoo zwarte als gesprikkelde koussen, een zak waarin een weinig koffij, een halve sak rijst, een trommel half vol suijker, en omtrend 12 stuks pee, kelhaaringen, benevens zo stuks koste pijpen te hebben helpen wegneemen. zegt, als op act: 24. doch wijl het donker was, niets van het witlootgesien te hebben, 25 of hij gev: en zijne makkers niet de volgende goederen heb„ ben meedegenoomen, als 9 à 10 rollen Tobak 20 paren doswaite als ge„ spukkelde koussen, Een halve zak Coffij boonen E een - - rijst. een trommel, waarin cria 45 lb. zuijker een vaatje pekelhaaringen. met een ƒ witloot." 26 werwaards hij gevnen zegt deselve agter of hij gevn dan ook niet na het zelve pakhuys te hebben oopengebrooken, eenige goede„ ren uit hetzelve heeft gestoo, len. 23. de Tuyn syne e zee Tuyn vande Heer Aling aan de andere zyde van een eyken bosch gebracht te hebben. zegt dat hij gem: een paar zwarte en 1 paar gesprikkelde koussen mitsgs een weing Tobak en 2 à 3 pipen heeft bekoomen zijnde aan Jochem voor zijn wat pijpen en Tobak, terwijl andeel toegekend, 2 p. r kousen, de overige slaaven ook even so veel gedeelt hebben„ zegt ja gesien te hebben dat Jochem en belemachus aanged. fortuijn goed in bewaaring gegee„ ven hadden. zegt dat deselve bestaan hebben, in vier rollen Tobak, eenige paren kousen en wat ript. zegt dat hij de Tobak en pijpen gebruykt had om te rooken terwijl hij de koussen in zijn zak bewaard heeft, welke hem bij zyn gevangen nee, ming ontnoomen waren. aan de wagenmaakers 311 na het begaan deeser dief te zegt naar de DusoitsCloof Werwaards hij Gevr: zich wat hij gevr: voor zyn aan, deel gekreegen, en hoedanig gebruijk hij er van gemaakt 2 30 zoja welke goederen! of onder anderen niet eenige dier gestoolene goe„ deren, aan den Hlaaf For„ tuijn van meerm: Heer aling zijn in bewaa„ ring gegeeven. 27 hoedaanig de gemelde goederen door hen zijn verdeeld ge„ worden zijne meede dieven die goederen hebben ge„ transporteert vallij ƒ heeft. na bleen 20 zoo „ k ƒ t heeft! 29 28.

NL-HaNA_1.04.02_11024_0560 view scan ↗

English

answers Yes. nothing other than what he has already said. had gone to the valley, where they were captured by a Hottentot and a slave boy. states never otherwise to have been guilty of theft. answers Yes. 35 whether he, the prisoner, also knows anything to bring forward for his excuse. below: Thus questioned and answered at Cape of Good Hope, the 28th of January 1792, before the Gentlemen Primo Johannes van der Riet and Abraham Fleck states nothing other than that 34 whether he must not confess, both by his conduct in general and by the committed theft in particular, to have deserved severe punishment. 33. whether he, the prisoner, has stated everything truthfully. whether he, the prisoner, has made himself guilty of theft other than in the aforementioned case. 32. betook himself and in what manner he finally fell into the hands of Justice. as commissioned Members from the Honorable Council of Justice aforesaid, who have duly signed the minute hereof along with the Prisoner and me, the sworn Clerk. lower: Which I witness, signed: P. Diemel, sworn Clerk Re-examination Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, the slave Sephta of Bengal, bondsman of the widow Daniel Rossouw, who, after the foregoing articles of interrogation with the answers given thereto were read clearly and distinctly, declared to persist therein, with the desire that nothing more shall be added thereto or taken therefrom, testifying all of the same to be the pure truth. below: Thus re-examined at Cape of Good Hope the 21st of February 1791, was signed: S. lower: In my presence, signed: P. Diemel, sworn Clerk. in the margin: as commissioners, signed: Ryndvliet and H. A. Truter Agrees. Lamper No. 12 Criminal Demand and Conclusion made, and most respectfully submitted to the Right Honorable Lord Olof Godlieb de Wet, President, and the Council of Justice of this Government, by the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Hendrik Lodewyk Bletterman, Prosecutor ex officio in a criminal case on the one side, Against Mercuur of Bengal, bondsman of the Burgher Gabriel Haasbroek, currently the Lord's prisoner, and defendant in the aforesaid case on the other side. Article 1. To substantiate which Demand the Prosecutor ex officio briefly stated, 2 that when in the night between the 17th and 18th of November of the past year a warehouse of the discharged Assistant Carel Bernheerdi situated at the Paarl was broken open by the slaves Telemachus, 3 Sephta, and Jochem, currently the Lord's prisoners, 4 and various goods were stolen therefrom, 5. as Your Right Honorable may further observe from the written criminal Demand, 6 exhibited today four weeks ago by the Prosecutor ex officio in this case against the three aforesaid prisoners in this Court, 7. that, says the Prosecutor ex officio, the prisoner and defendant on that occasion accepted into safekeeping a roll of tobacco from the slave Telemachus, 8. which among other things was stolen from the same broken-open warehouse, 9 that the prisoner and defendant has fully confessed this crime of his before the Gentlemen Commissioners, 10. and has thereby saved the Prosecutor ex officio the trouble 11 of demonstrating the truth thereof at length, 12. wherefore the Prosecutor ex officio, for the sake of brevity, refers to the answers annexed hereto, 13. given by the prisoner and defendant to the interrogatories put to him, 14. while otherwise both the corpus delicti and the particulars of the aforesaid break-in and theft can be evident to Your Right Honorable 15 from the Demand and documents submitted to the same today four weeks ago as stated, 16. the Prosecutor ex officio will therefore, as to the law, only briefly add here 17 that the prisoner and defendant's crime is by no means of such a nature 18. that one could classify the same under that sort of concealing and fencing 19 which, if not with the same, must at least be visited with a punishment closely bordering on that of the theft itself, 20. because the circumstances in the subject case seem to dictate 21. that the prisoner and defendant, not so much to keep the crime of theft concealed, 22. but rather to help consume a portion of the stolen goods, 23. accepted the abovementioned roll of tobacco into safekeeping, 24. which case is indeed very properly to be distinguished from the fencing or concealing of stolen property, 25 because a true receiver or concealer of stolen property renders assistance to the thief, 26 but he who merely accepts some of the stolen property to help consume it merely approves the theft, 27 without having rendered any assistance to the thief, 28. as is taught by Carpzovius, Practica Criminalis, part 2, question 78, number 98, 29 and in view of the stated distinction, this Criminalist even maintains 30 that no corporal punishment shall be inflicted in such a case, 31 which, however, insofar as slaves are concerned in this

Dutch transcription

zegt Ja. hij reeds gesegt heeft. vallij gegaan te zijn, al„ waar zijt door een Hotten„ tot en een slaven Jongen gevangen waaren. zegt zich nimmer anders aan diefte te hebben schul„ dig gemaakt. zegt Ja: 35 of hij gevr: ook iets en was hij tot zyn verschoo„ ning weet bij te brengen /:onderstond:/ Aldus gevraagt en beantwoord aan Cabo de goede Hoop, den 28 Jann: 1792. voor de Heeren Primo Johannes vander Biet en Abraham zegt niets als het geen 34 of hij niet bekennen moet zo door zijn gedrag in het gemeen, als door de begaane diefte in het bijsonder zwaare straffe verdiend te hebben. 33. of hij gew: alles naar waarheid heeft opgegee¬ ven. of hij gew: zich met behalven in het opgemeld geval aan diefte heeft schuldig gemaakt. 32. heeft begeeven en op welke wije hij eindelyk in handen Justitie geraakt is Bleek To leck als gecomm: Leeden uit den E: Achtb raade van Justitie voorm: die de minute deeses benevens den Gevz: en mij geswoore Clercq meede behoorlyk hebben onderteekend. /:laager:/ Twelk ik getuijge :/ geteekend:/ P: Diemel gesw: Clercq Recollement Compareerde voor ons Onderget gecomm: uijt den E Achtb: raade van Justitie deezes gou vernements, den slaaf Sephia van Bengalen Lijfeijgenevens de wed. Daniel Bossouw, de, welke op voorenstaande vraag articulen met de daarop gegeeven antwoorden, klaar en duydelyk voorgeleesen weesende, verklaarde daar bij te blyven persesteeren„ met begeerte dat daar niets meer bygevoegd ofte van gedaan werden zal, betuygende al hetselve de suyvere waarheid te zijn. /:onderstond:/ Aldus gerecolleert aan Cabode goede Hoop den 210 februarij 1791 /:was geteekend:/ 5 : /. /:laager mij present /: geteekend:/ E: Diemel gClercq. /:in margine /:als gecommitt /: geteekend:/ Byodriet e H A Pruter Accordeert. Lamper bterol No. 12 Crimineele Eijsch ende Conclusie gedaan maaken, en aan den Wel Edele Achtbaare Heer Olof Godliel Dettet. president en den Raade van Justitie deezes Gouvernements een biedigst overgegee ven, door den Landdrost van Stellen bosch en Drakenstein, Hend:k Lodk Bletterman R: o: Eijpscher in cas crimineel ter eenre Contra Mercuur van Bengalen Lyfeygenen van den Burger Gabriel Haaofleisch thems s' Heeren gevangene, en gedaagde in voorsz: cas ter andere zijde. Art. l 1. Tot adstructie van welken Eepch de Z. O. Eyscher kortelyk deede zeggen ,dat wanneer in de Nacht tusschen den 17 en 18 Novemb= des gepasseerden jaars een Pakhuijs van den onderafges: gage gestelden adsistent Carel Bernheerdi gel: aande Paarl. door de Thans s' Heeren gevangene slaaven Thelemachies 3 Sephta en Toschem is oopengebrooken 4 en daar uit verscheide goederen gesloolen geworden. 5. zoals UwelEdele achtb: naader kunnen beoogen uit den schriftelyken crim: Eisch 6 Heeden voor vier weeken door den R. O: Eiss=r in deesen teegens de drie voorsz: gevangenen in hoe Judicio g'exhibeert 7. dat zegt de u0: Eyss. r de gev: en ged: bij die gelegenheid vanden Slaaf Thelemachus in bewaring heeft aange„ noomen een rol Thobak 8. welke onder anderen uit hetzelve opgebroken Pakkuys was gestoolen 9 dat de gev: en ged„e deese zijne misdaat volkoomen voor Heeren geconm: heeft beleeden. 10. en dis aande rO: heeft benoemen de moeijte 11 om de waarheid daarvan breedvoerig te behoogen 12. waarom de 2. 0. Eyss: zich kortheid halve refeceert tot de hier neevens gevoegde responsiven 13. door den gev: en ged: gegeeven op de aan hem voorge„ houden vraagpoincten. 2 14. terwijl overigens zo wel het Coppus delicti, als het narre der voorsz: Braak en diefte aan Uwel Edele achtb: kunnen consteeren 15 Uit den Eipch en stutten heeden voor te weeken gelyk gezegt aan deselve overgegeeven 16. dez. 0. Eexs: zal der halven quod adjus hier noch maar kostelyk by voegen. 17 dat des gev. e en ged. e misdaad geensints vandien aart is 18. dat men deselve zoude kunnen rangschikken onder die zooit van verbergen en heelen 19 welke zo niet met deselfde ten minsten met eene daar digt aangrensende straffe moet worden gelweert als de diefte zelfs. 20. om dat de omstandigheeden in cas subject schijnen te dicteeren. 21. dat de gev: en ged: niet zo zeer om de misdaad van dief te verkoolen te doen blijven. 22. als wel om een gedeelte van het gestoolene te helpen consumeeren. 23. de bovengem: rol Tobak in bewaaring heeft aange„ noomen. 21. hoedaanig geval wel deegelyk te onderscheiden is, van het heelen of verbergen van gestoolen goed. 25 om dat een weesentlijke Heelder of verberge van gestoolen goed den dief hulpe, bewist. 26 maar die van het gestoolene slegts iets aanneemt om hetselve te helpen consumeeren de diefte slegts goed keurd. 27 zonder den dief eenige hulp beweesen te hebben- 28. so als geleert word bij Carpzov: pr: Crim: p: 2 gju /8 N=o 08- 1ch 29 En uit hoofde van het opgegeeven onderscheid, wil deeze Criminalist zelfs. 30 dat er geene Lijfstraffe in zodaanig geval zal werden geugligeert. 31 het geen echter voor so verre de slaaven aangaat in deese

NL-HaNA_1.04.02_11024_0565 view scan ↗

English

is of no application in this country: 32. and thus in the present case is not relevant; 33. only one might rightly conclude from it 34. that the prisoner and defendant ought to be punished much more lightly than the thief himself, 35. and that his punishment would be very well proportioned to the crime if he were merely flogged 36. and subsequently returned to his master; 37. especially when taking into consideration 38. that by examining the aforementioned three slaves and reviewing the aforementioned three interrogations and other records, a considerable time has elapsed, 39. and the prisoner and defendant, through his prolonged detention, can therefore already be considered to have received the greatest part of his punishment, 40. according to the teachings of the same Carpzovius, part 3, question 149, number 43 and 44. 41. Meanwhile, the defendant's pretext of not having known that he was receiving stolen property can be given no consideration, 42. because the slave Jephta possessed no means to acquire such a quantity of tobacco in a permissible manner, 43. and the prisoner and defendant knew very well 44. that a warehouse belonging to the assistant Bernhardi had been broken open, 45. in which the same was accustomed to store his tobacco and other trade goods. Wherefore the prosecutor, making his claim, concluded that the prisoner and defendant named in the heading of this document, by definitive sentence of your Honorable Court, be condemned to be flogged and further to be restored to his master, with condemnation of the prisoner and defendant to the costs and fees of justice, or to other etc. No 2 Interrogatories whereupon, at the requisition of the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Hendrik Lodewijk Bletterman, before the delegated gentlemen from the Honorable Council of Justice of the Castle of Good Hope, to be heard and questioned, the detained slave of the messenger Carel Gabriel Haubtfleisch named Mercuur of Bengal, his answers to be given to be recorded in the margin hereof. Appeared before the undersigned delegated members from the Honorable Council of Justice of this government the slave Mercuur of Bengal, who to the adjacent points of inquiry has given such answers as are noted beside each of the same. Article 1. The interrogated party's name, age, and place of birth. Says his name is Mercuur, about 25 years of age, and born in Bengal. 2. How his master is named, and where the same resides. Says his name is Haubtfleisch and that he resides at the Paarl. 3. Whether the interrogated party is also acquainted with the slaves Jochem, Jephta, and Telemachus; whether the interrogated party does not know to whom the same respectively belong. Says that Telemachus is his fellow slave, and that Jephta belonged to the widow Rossouw, Jochem being a slave of the deputy scout Matthyssen. 4. When the interrogated party became acquainted with the same slaves and in what manner. Says that because they belonged to households in the neighborhood, he has been acquainted with them for a long time. 5. Whether the interrogated party does not know that in the night between the 17th and 18th of November of the past year the warehouse of the assistant Bernhardi, who was placed on suspended pay, was broken into. Says he heard of this because it was spoken of in the cooperage of his master. 6. If so, in what manner he obtained knowledge thereof. Falls away. 7. Whether he, the prisoner, does not know that on that occasion some trade goods were stolen from that warehouse by the same. Says no. 8. Whether it is not known to him through whose doing this occurred. Says he does not know this. 9. Whether the slave Telemachus or anyone else did not give into safekeeping to him, the prisoner, any of the stolen goods. Says that Telemachus gave him a roll of tobacco. 10. If so, which goods. Says to have received nothing other than a roll of tobacco. 12. Whether the interrogated party accepted the same into safekeeping. Says to have accepted the same tobacco. 13. Whether the interrogated party does not understand that by his aforementioned conduct he has transgressed and thereby deserved heavy punishments. Says he cannot think that any evil was committed by him. 14. Whether he knows to put forward anything, and what, for his defense. Says nothing other than what he has already said, and not to have known that the tobacco was stolen. 15. Whether the interrogated party has answered everything according to the truth. Says yes. Thus questioned and answered at the Cape of Good Hope, the 21st of April 1791, before the gentlemen Rijno Johannes van der Riet and Gerrit Hendrik Meijer, members of the Honorable Council of Justice of this government, who have duly signed the minute hereof along with the prisoner and me, the sworn clerk. Lower: To which I testify, signed: P. Diemel, sworn clerk. Review Appeared before the undersigned delegated members from the Honorable Council of Justice of this government the slave Mercuur of Bengal, who, these his query articles having been read clearly and distinctly, declared to persist therein, with the desire that nothing more shall be added or removed, testifying moreover that the foregoing is the pure truth. Thus done and reviewed, at the Cape of Good Hope, the 7th of July 1791. Signed: Mercuur of Bengal. In my presence, signed: D. D. Karnspek, sworn clerk. In the margin: as commissioners, signed: R. J. vd Riet and H. A. Truter. Exhibited in Court the 7th of July 1791. Signed: J. A. Truter. Agrees. Karnspek, sworn clerk.

Dutch transcription

deese Lande van geen applicatie is: 32. en dus in cas subject. niet te passe komt 33. alleen zoude men daaruit met recht moogen besluijten 34. dat de gev:e en ged„ veel ligter als de diep zelfs behoort te worden gestraft 35. en dat zijne straffe zeer wel geëvenreedigt zoude zijn aande misdaad, waaneer hij slegte gelaatst. 36. en vervolgens aan zijne Lijmheer wierd te rug gegeeven. V 37 vooral wanneer men in consideratie neemt 38. dat door het examineeren, der bovengem: drie slaa„ ven, en het recolleeren der bovengem: drie Verhooren en andere acten een geruijmen tijd is verloopen. 39 en de gev. en ged: dus door zijne langduurige, detentie reeds het grootste deel ziner straffe van gereekend worden ontvangen te hebben. 40. volgens de Leere van denselven Caipzov: p: 3: 915: 149 N:o 43: e 44 41. Ondertusschen kem des ged=e voorgeeven van niet gewee„ ten te hebben, dat hij gestoolen goed aannam in geene aanmerking koomen. 42. om dat de slaaf Sephta geene middelen bedat omme op een gepermitteerde wijze zulk een quantiteit hobak meester te worden 43 En de gev en get zeer wel geweeten heeft. 44. dater bij den adsistent Bernhardi een pakhuys was oopengebrooken. 45. waarin deselve gewoon was zijn Thobak en andere Negotie goederen te bergen. Mits welke de 2:0: Eyscher Eysch doende Concludeerde, dat de gev: en ged: in den hoofde deeses gemeld, bij definitive Vonnisse van UwelEdele achtb: steggen zyk te worden gelaatst en voorts aan zijn Lyfheer te worden ge„ restitueert, met Condemnatie aanden zegt mercruur geheeten te zijn, omd na segt Ja. N=o 2 Compareerde voor de onderget: geconn: Interrogatorien omme daarop Leeden uit den E: achtb: rande van ter requisitie van den Landdrost Justitie deeses gouvernements de van Stellenbosch en Drakenstein Slaaf Mercuur van Bengalen Hendrik Lodewijk Bletterman dewelke op de nevenstaande vraag„ voor Heeren gecommitt. s uit den poincten, zodaanige antwoorden heeft gegeeven als bezijden een E: Achtb: raade van Justitie des eider derselve staan aangetee„ Casteels de goede Hoop gehoort en ondervraagt te worden de gedetineerde slaaf vanden Boode Carelgabriel Haudefleisch Mercuur van Bengalen gend, zullende deszelfs te geeven respon„ tiven in margine deeser worden bekend gesteld. kend. 2. Legt Hanbtfleisch genaamd en aan de toe deszelfs Lyfken genaamd, en waar Baarl woonagtig te sijn. deselve woonagtig is 3. of aande gevr: ook bekend zijn, de slaaven Jocham, Jephta en Thelemachus zegt dat Telemachus zijn meede Slaaf is, en dat Sephta aande Wede of de gevr: niet weet aan wien Rosjouw toebehoorde zijnde Jo„ deselve resp. e toebehooren". chem een slaafvanden onderschout Matthossen Articul V. gissing 25 jaren en geboortig van Bengalen. des gevr. naam, ouderdom en geleverte Plaats /:was geteekend: J: A: Fruterger /:in margine:/ Ehilepheur in Judicio den 7 Julij 1791. van den Gev. en ged:e inde kosten en Mien van Justitie ofte tot andere &ca wanneer 4. zegt doordien deselve in de nabuurschap wanneer de gevr: deselve slaaven te Huyshoorden, zeedert lang met dezelve heeft leeren kennen en op welke wijze. bekend geweest te zijn. zegt zulx vernoomen te hebben door dien in het kuip van zin Lijfheer daar van gesprooken wierd zegt neen! zegt sulx niet te weeten. vervald. zegt dat Thelemac hus hem een rol Thobak heeft gegeeven 4 zegt niets anders als een rol Tho„ zo Ja welke goederen! bak bekoomen te hebben. 12. of de gevr: deselve in bewaaring aan„ zegt deselve Thobak aangenoo¬ genoomen heeft. men te hebben. zegt Ja. of de gevr: alles naar waarheid beantwoord heeft. 13. of de slaaf Thelemachus of eij. mand anders niet aen hem Gev: eenige vier gestoolen. goederen heeft in bewaaring gegeeven! zo ja op welke wyze hij daar van kennisse gekreegen heeft!. of hij gev: niet weet, dat door de„ zelve bij die gelegendheid eenige nego„ „tie goederen uit dat Pakhuys zijn gestoolen. 8. Of hem niet bekend is door wiens toedoen dit geschied zij" of de gevr niet weet dat inde nacht tusschen den 17en 18 November des ge passeaden Jaars het hakuup van den onderagesz. gage gestelden adsistent Bernardi is opgebrooken. a 7. 6 A 7 5 10. n ven is. of hij ook iets en wat hij tot zijne zegt, niets anders dan hetgeene hij reeds gesegt heeft, en niet ge, verschooning weet bij te brengen. weeten te hebben, dat het Tobak gestoolen was. /:onderstond:/ Aldus gevraagt en beantwoord aan Cabode Goede Hoop, den 21 april 1791. voor de Heeren Rijno Iohannes van der Rief, en Gerrit Hendrik Meijer Leeden uit den E: Achtb: raad van Justitie deezes gouvernements, die de minute deezes beneevens den gev: en mij gesw: Clercq meede behoorlijk hebben onderteekend. /:laager:/ Twelk ik getuige /:geteekend:/ P: Diemel gesw: Clercq. Recollement Compareerde voor de Onderget: gecommitt:s uit den E: Achtb: raade van Justitie deeses gouvernements den slaaf Mercuur van Bengalen, dewelke deeze zijne vraag articulen, kelaar en duydelijk zijnde voorgeleesen betuygden, daar bij te blijven per„ sisteeren, met begeerte dat er niets meer bij of vangedaan werden zal, getuijgende over„ zulx dat het voorenstaande de zuyvere waarheid is. /:onderstond:/ Aldus gedaan en gerecolleert, aan Cabo de goede Hoop, den 7 July 1790. /:geteekend:/ C: daagen mij present /:geteekend:/ D: D: Karnspek gesnt. Clercq /:in margine:/ als gecomm: /:geteekend:/ R. G. vd Riet en H: A: Fruter of de gevr: niet begrijpt door zijne voornoemde handelwijze misdzeeven en daar voor zwaare straffen verdient te hebben." zegt, niet te kunnen denken dat door hem eenig kwaad bedzee„ Accordeert. Damper gem: Clercq 14. 15 yne dient v

NL-HaNA_1.04.02_11024_0571 view scan ↗

English

No 13 Criminal Demand and Conclusion drawn up and respectfully submitted to the Honorable, Right Worshipful President and Council of Justice of the Castle of Good Hope, by or on behalf of the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Hendrik Lodewijk Bletterman, ex officio Prosecutor in this criminal case, on the one part, against Rammij of Bengal, bondservant of the Honorable Company, prisoner and defendant, on the other part. 1 To substantiate this criminal demand, the Prosecutor declares: 2 That the prisoner and defendant, who is placed in service with the widow Mrs. Kuijs in the village of Stellenbosch; 3 having arrived, on a certain night in the beginning of the past month of December, upon the premises of the former Head Surgeon Domus, residing in the aforesaid village; 4 with the intention, as the prisoner and defendant states, to engage in a game of dice with the slaves of the aforesaid Domus; 5 indeed found the said slaves gambling; 6 and, as it appears, carried out his intention to join the game; 7 that the prisoner and defendant, intending to return home after the game, 8 found a small box lying on the aforesaid premises near the privy; 9 which box he took with him under his arms, jumping over the fence; 10 and as soon as he considered himself safe outside the premises, opened it; 11 further took out from it a silver clasp with a pouch, 12 a double and a single shirt button, 13 twelve silver buttons with Ceylon stones, 14 three clasp knives, 15 four lancets, 16 and a stone hat buckle; 17 the prisoner and defendant having thrown the small box, 18 which he believed had already been stripped of the best items, 19 into the mill stream running nearby; 20 from which it was recovered after some time by the slaves and the burgher Bijleveld; 21 that the prisoner and defendant went home with the aforesaid goods, 22 and concealed the same in his trunk, 23 from which those goods were subsequently retrieved during the investigation, 24 and, during the examination before the appointed commissioners, were shown to the prisoner and defendant; 25 at which time he fully confessed that all the aforementioned items were the very ones 26 which he had taken from the small box stolen by him from the premises of Mr. Domus; 27 as appears from the answers to the interrogatories put to him under article 16; 28 while for the rest it is most clearly evident from his answers 29 that the act, with all its circumstances, truly occurred in such a manner 30 as the Prosecutor has had the honor to present to your Honors thus far. 31 Everything is therefore confessed, and consequently it only remains to investigate 32 what punishment the prisoner and defendant has incurred for his deed. 33 When one attentively reads and considers the answers of the prisoner and defendant, 34 one will find that his crime consists in this: 35 that he took another person's property against the will and inclination of the owner, with the intention of profiting thereby, removed it from its place and carried it away, 36 so that the act in question strictly constitutes simple theft. 37 See Moorman and Van Hasselt on crimes and their punishments, page 316, number 4, 38 for which theft the punishment is determined by the States of Holland to be a scourging for the first offense, 39 as may be seen in the same Moorman and Van Hasselt, ibid., page 320, number 8. 40 This punishment can nevertheless be altered according to the circumstances, 41 as among others Vinnius attests, ad paragraph 5, Institutes de obligationibus quae ex delicto. 42 Wherefore the Prosecutor, subject to respectful correction of judgment, would be of the opinion 43 that since the prisoner and defendant did not go to the premises of the aforesaid Head Surgeon Domus with the intention to steal, 44 but only to gamble, 45 and he was thus enticed by the accidental finding of the small box 46 to enrich himself with the goods contained therein, 47 that on this account, says the Prosecutor, the crime of the prisoner and defendant can be considered sufficiently punished 48 if he is merely flogged and confined for some years to Robben Island; 49 especially because those circumstances diminish the malice of the defendant's intent, 50 and the degree of malice ought always to be the primary standard in the punishment of crimes; 51 it being in no way imputable to the prisoner and defendant in this instance 52 that he entered another person's premises at night without the owner's knowledge, 53 because the prisoner and defendant has incurred no public punishment for this, 54 except only in so far as it was coupled with the theft; 55 yet just as little as these circumstances can militate against the defendant 56 to the effect that the punishment should thereby be aggravated, 57 equally little can the reason which the defendant claims in the last article of his interrogation to have moved him to steal 58 afford him the least advantage, 59 because it cannot be said that he was thereby brought to those strictest terms 60 which natural law has prescribed for the exercise of the right of necessity. Except

Dutch transcription

N„o 13 Crimineele Eysch en Conclusie gedaan maaken, en aan den wel Edele achtb: Heeren s re„ sident en raaden van Justitie der Casteels de goede Hoop, eer„ biedig overgegeeven, door ofte van weegens den Landdragt van Stellenbosch en Drakenstein Hendrik Lodewijk Bletterman 7. O. Eyscher in cas crimineel ter eenre. Rammij van Bengalen, lijfeijgen van den E: Comp=ie gev: en ged: ter andere zijde 1 Tot adstructie van deesen crimineelen Eijsch doet de 20: Eypscher zeggen. 2 dat degev en ged: die ten dienste van Mejuffrouw de Weduwe Kuijs op het dorp Stellenbosch bij deselve is geplaatst 3 op zeekeren nacht in't begin der laatstveren maand December gekoomen zijnde op het Erf van den op voorsz: dorp zijn verblijf hon„ dende oud opperchirurgijn Domus 4. met voorneemen zoals hij Geve. en gede: regt, om met de slaaven van voors: Domus een dobbelpartij aan te rechten. 5 dezelve slaaven ook weesentlyk dob contra belende belende gevonden 6 en zo het schynt zijn voorneemen om mee te speelen heeft volvoerd. 7 dat de gev: en ged: na het speelen zich weeder na huys zullende begeeven 8 op voorsz: Erfdigt bij het gemakhuijsje een kisje heeft vinden leggen g Het welk hij onder zijne armen, over het Het opringende meede genoomen 10. en zodra hij zich buijten het Erf in veilig„ heid reekende geopend. 11 voorts daar uit genoomen heeft, een zilvere beugel met een Pasch 12 een dubbeld en een enkeld hembdknoop 13 twaalf zilvere knoopjes met Ceilonze steenen. 14 drie Knipmessen 15 vier lancetzen. 16 en een steene Hoedgespe 17 hebbende hij get: en gev het kisje 18 dat hij reeds van't beste beroofd achtte 19 in't daaromstreeks loopende moolen water geworpen. zo waaruit hetzelve naa eenigen tijd door de slaaven en den Burger Bij leveld 21 dat degev. en ged: met voorsz: goederen is naa Huijs gegaan. 22. en deselve in zijn kist heeft geborgen 23. waar uit die goederen dan ook bij onderzoek zijn gehaald. 24. En bij examinatie voor Heeren geedmintt„ aanden gev en ged zijn vertoond ge„ worden. 25 wanneer hy volmondig beleeden heeft alle de voornoemde stukken dezelfde te zijn 26. welke hij uit het kisje door hem van het Erf van den Heere Domus gestoolen had genoomen 27 zoaliconsteert uit de responsiven op de aan hem voorgestelde vraagpoincten art. 16 28. terwijl voor't ooverige uit deszelfs responsiven ten duydelyksten blijkt. 29 dat het feit met alle deszelfs omstan„ digheeden waarlijk zodaanig heeft plaats gehad. leveld is gehaald 3o als 3o als de r:O: Eysscher de een heeft ge„ had uwelEd: achtb: tot hier toe voor te draagen. 31. alles is derhalven in confesso, en er re„ steert gevolglijk noch maar te onder„ zoeken 32. welke straffe de gev. en gev=n over zijn bedrijf heeft geinsurreert 33. Wanneer mendes Pev. en ged. res¬ ponsiven attent naleest en over„ weegt. 34 zalmen bevinden dat zijn misdaad daarin bestaat 35 dat hij een anders goed teegens den zin en wil eens eijgenaars; met opzet om er profijt meede te doen, uit zijn plaats ver„ voerd en meede genoomen heeft. 36. zo dat de daad in questie eygentlyk be„ staat in een simpele diefte 37 Zie moorman en van Hassell over de misdaaden en derselver straffen: p: mn. 316: n: 4 38. van hoedaanige Diefte en straffe bij de staaten Staaten van Holland bepaald word voor de eerste reize een geeseling te zijn 39 gelijk te zien is bij deselve moorman en van Hasselt, ibidem p: in 320: 1: 8. 40. deese straffe kan evenwel naargelang der omstandigheeden worden verandert 41. gelyk onder anderen getuigt Vinnius ad § 5 Jnst de obl: quae ex del. 42. weshalven de r:o: Eysscher onder eerbiedige cor„ rectie van begrip zoude zijn 43. dat daar de gev: en ged: niet met opzet om te steelen is gegaan naa het Erf van voorsz: opperchirurgijn domus. 44. maar alleen om te dobbelen 45. en hij dus op het toevallig vinden van het kisje is geallicieert geworden 46. om zich aan de daar in zynde goederen te verrijken. 47 dat zegt de Z. O. Eyscher des gev: en ged= misdaad uit dien hoofde genoegzaam gestraft, kan gereekend worden. 48. wanneer hij slechts gegeeselt en voor eenige Iaaren ten hebben Eijlande word geconfineert. 49 vooral om dat die omstandigheeden verte de Boosheid van des ged=e ophet vermin¬ deren. 50. En de graad van boosheid altijd het voornaam rechtsneer behoort te weesen in het straffen der misdaaden 51. kunnende ten deesen aan den gev en ged geensints worden ten lasten gelegt 52 dat hij s' nachts op een anders Erf is ge„ koomen buijten weeten van den Eygenaar 53 om dat de gev: en ged: hierover geen publicque „straffe heeft geincurreert 54. als alleen voor zo verre die daar met de diefte is gepaard geweest. 55. doch even zo min als deeze omstandig heeden teegens den gedaagde kan militeeren 56. ten dien effecte dat de straffe daardoor diende gegraveert te worden. 57 even so weinig kan de reeden welke de gedaagde op het laatste art e van zijn Verhoor degt hem dat steelen bewoogen te hebben. 58. aan denselven eenig het minste voordeel toe brengen. 59 om dat hij daardoor kan gezegt worden in die =strikste termen gebracht te zijn geweest 60. welke het recht der natuur aan de uitoeffening van het Jus necessitatis heeft voorgeschreeven Behalven

NL-HaNA_1.04.02_11024_0577 view scan ↗

English

61. Except that it has not appeared to the second Officer Plaintiff. 62. that the excuse of the said prisoner accords with the truth 63. the fact specified therein was truly practiced by the widow Kuijs. On account of which and other reasons and means to be further deduced in due time, the Officer Plaintiff, making his demand, concluded that the prisoner and defendant mentioned in the heading hereof shall, by definitive sentence of your Honorable Worships, be condemned to be brought to the place where criminal sentences are customary to be executed, and there delivered to the executioner, tied to the gallows with a rope, and severely scourged on the bare back. That the prisoner and defendant shall furthermore be confined for the term of ten years to Robben Island in order, being clapped in irons, to work on the public works there, with condemnation of the prisoner and defendant in the costs and expenses of justice, or to other etc. Signed: I: A: Truter In the margin: Exhibited the 23 June 1791. Interrogatories on which, at the requisition of the merchant and Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Hendrik Lodewijk Bletterman, before the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, the aforesaid slave Rammij of Bengal is to be heard and questioned, the prisoner, slave of the Honorable Company, Rammij of Bengal, having appeared before the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of the Castle of Good Hope, who has given such answers to the undermentioned articles of questioning as are noted beside each of the same, his given responses being made known in the margin hereof. Article 1. The prisoner's name, age, and place of birth. Says: Rammij of Bengal, aged 20 years. Article 2. Whose bondservant he, the questioned party, is. Says: of the Honorable Company. Article 3. With whom or on which boat he, the questioned party, was last assigned. Says: at Stellenbosch with the lady, the Widow Kuijsch. Article 4. Whether he, the questioned party, was not on a certain night in the beginning of the past month of December on the premises of the former chief surgeon, the Honorable Pieter Domus, situated in the village of Stellenbosch. Says: Yes. Article 5. Whether the aforesaid premises are enclosed. Says: Yes. Article 6. In what manner he, the questioned party, came upon and inside the same. Says: to have come through a gate when the boys of Mr. Domis were busy gambling. Article 7. With what intention he, the questioned party, went thither. Says: to gamble. Article 8. Whether he, the questioned party, was also accompanied by anyone. Says: no, that no one was with him. Article 9. Whether he, the questioned party, did not find a small chest lying on the aforesaid premises. Says: Yes. Article 10. On which part of the premises the said small chest was lying. Says: toward the side of the premises where the privy stands. Article 11. Whether he, the questioned party, seeing the small chest, did not immediately resolve to make himself master of the same. Says: Yes. Article 12. Whether he truly made himself master of the same. Says: Yes. Article 13. If so, in what manner. Says: under his arms. Article 14. Whether he, the questioned party, did not break open the aforesaid small chest, and steal some goods therefrom. Says: Yes. Article 15. If so, who. Lapsed. Article 16. To show the questioned party the following goods, namely: A silver clasp with a pouch, a double and a single cufflink, twelve silver buttons with Ceylon stones, three pocket knives, four lancets, a stone hat buckle, and then to ask the questioned party whether he did not steal these listed goods from the aforesaid small chest. Says: Yes, recognizing all the same goods as the very ones, and to have stolen them from the said small chest. Article 17. Where he, the questioned party, left the small chest itself. Says: to have thrown the small chest then down by the mill into the river. Article 18. In what manner the questioned party came off the premises again. Says: since the gate was closed in the meantime, he, the questioned party, then jumped over it. Article 19. Where he hid the stolen goods. Says: in his chest. Article 20. Whether anyone besides him, the questioned party, had any knowledge of this theft. Says: no, no one but he alone. Article 21. If so, who. Lapsed. Article 22. And whether this person also participated in the stolen goods. Lapsed. Article 23. Whether he also. Lapsed. Article 24. Whether he also stole from more places than at Mr. Domus. Says: no. Article 25. If so, in which places. Lapsed. Article 26. Whether he, the questioned party, has answered everything truthfully. Says: Yes. Article 27. Whether he does not understand to have offended by taking away the aforesaid small chest, and to have earned severe punishment for it. Says: it is now the [illegible]. Article 28. Whether he, the mentioned party, also knows to put forward anything, and what, for his defense. Says: since he had to deliver two shillings daily to his mistress, he then had to invent something to earn so much money. Underneath stood: Thus questioned and answered at the Cape of Good Hope, the 11 March 1791, before Messrs. Salomon van Echten and Johannes Smuts, members of the Honorable Court of Justice of this government, who have duly signed the minute hereof together with the questioned party and me, the sworn clerk. Lower: To which I attest. Signed: I: D: Karnspek, sworn clerk. Re-examination There appeared before the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government the slave Rammij of Bengal, who, these foregoing interrogation points having been clearly read out to him with his responses given thereto, declared to persist therein, with the desire that nothing more shall be added thereto or taken therefrom, declaring the foregoing to be the pure and upright truth. Underneath stood: Thus re-examined at the Cape of Good Hope, the 19 March 1791. Signed: and described there: this mark the named party made with his own hand. Lower: In my presence. Signed: P: Diemel, sworn clerk. In the margin: As commissioners: Signed: R: J: v: d: Riet and G: H: Meijer. Agrees, Karnspek, sworn clerk.

Dutch transcription

61. Behalven dat aan den 2: O: Eysscher niet is ge„ bleeken. 62. dat het excuus vanden zevn en gev:e met de waarheid overeenkomstig „b3. het feit daar in opgegeeven waarlyk door de weduwe Kuijs is gepractiseert geworden. Mits welke en andere reedenen en middelen intijd en wijlen is het nood naader te deduceeren, de r. O. Eysscher, Eysch doende cen„ cludeerde dat den gev en ged in der hoofde deeses gemeld bij definitive vonnisse van uwee Edele achtb: zal worden gecondem„ neert omme gebracht te worden ter Plaatse alwaar men gewoon is crimineele Sententien ten execu„ tie te brengen, en aldaar aan den scherprechter overgeleevert met een strop aan de galg vastgemaakt en op de bloote rugge strengelyk te worden gegeevelt. datleger en ged:e voorts voor den tijd van tien Jaaren zal worden geconfineert ten hebben Eylande ten einde in de ketting geklouten zynde al„ daaraan de gemeene werken te arbeiden met Condemnatie vanden gev en ged:e in de kosten tr Interrogatorien Compareade voorde omme daar op ter requisitie van ondergeteekende gecommitteerden den koopman en Landdrost van uit den E: achtb: raade van Justitie Stellenbosch en Drakenstein Hen„ deezes gouvernements evengem: drik Lodewijk Bletterman voor slaaf rammij van Bengalen Heeren gecommitteerdens uit den dewelke op de onderstaande vraag„ E: Achtb: raade van Justitie des articulen zodaanige antwoorden Casteels de goede Hoop gehoort gegeeven heeft, als besijden een en ondervraagt te worden de gede„ eider derselve staan aangetee„ tineerde Haaf der EComp:e Bam„ kend. mij van Bengalen zullende deszelfs tegeeven respensiven in margine deezer worden bekend gesteld. — art: 1. des gev: naam, ouderdom en geboorte Plaats wiens lijfeygen hij gevraag de is zegt vand' E Comp=e zegt rammij van Bengalen oud 20 Jaaren. en misen van Justitie ofte tot andere &ca /:was geteekend:/ I: A: Fruter /:in margine:/ Exhibitum den 23 Junij 1791. „ „ 2 art: 3. zegt Ja. bij wien of op welke boot zegt op stellenbosch bij de hij gevr: het laatst is bescheij„ Juffrouw de Weduwe Kuijsch den geweest. of de gevr: zich niet op zekeren nacht in 't begin der gepasseer, de maand December heeft be„ vonden op het Erf van den oud opperchirurgijn d' E. Pieter Domus geleegen in't Dorp Stellenbosch.! „ 5 of het voorsz: hrf met be„ slooten is. op welke wijze hij gevr: op en binnen hetzelve is gekoo, men. ! met welk voorneemen zich de gevr: derwaards heeft be„ geeven. 8. zegtneen dat niemand met hem of hij gew: ook van eimand gers geweest is. is verseld geweest. zegt om te dobbelen. zegt door een rek gekoomen te weesen wanneer de Jongens vanden Heere Domis met dobbelen bezig waren. „ 6 zegt Ja te „ 7. vervald. zegt Ja. zegt Ja zegt Ja. zegt naar de kant van 't Erf daar op welke gedeelte van 't Erf 't secreet staat hetzelve kisje lag.. zegt Ja. zegt onder zyn armen. de hij gevr: het voorsz kisje niet heeft oopenge, brooken, en daar uit eenige goederen gestoolen. zo Ja, op welke wijze! te of hij dich waarlijk van het selve meester gemaakt heeft. B3. of hij gevr: het kisje ziende niet aanstonds voorgenoomen heeft zich van 't zelve meester te maaken! of hij Gevr. op voorst. Erff niet een kisje heeft vinden leggen. z0 Ja wie 16 12. „ 10 15 1 zegt Ia, alle dezelve goede, ren voor het eygenste erken„ nen, en uit gedagte kistje gestoalen te hebben. aande gevr: te vertoonen de volgende goederen als. Een zilvere beugel met een Oasch een dubbelde en een enkelde handknoopje twaalf zilvere knoopjes met Ceylonze steentjes drie knipmessen vier Lancetten een steene hoedgespen en den gevr: als dan af te vraagen of hy deeze opgenoemde goe„ deren met uit voorsz: kisje gestoolen heeft 17. waarhy gevr: het kisje zelfs zegt het kisje als toen en„ der naar de Moolen in't rivier gelaaten heeft geworpen te hebben. 18. hoedanig de gevr. weeder van't zegt vermits de Hek intus„ schen geslooten was, is hij gew: Erf is gekoomen: als toen daarovergesprongen. zegt in zijn kist. waarhij de gestoolene goederen heeft geborgen! 59 e 16. 20 zegt Ja: zegt neen niemand dan hij alleen. vervald. vervald. zegt neen. vervuld zegt het is nu de of hy niet begrijpt door het wegneemen van voorz kisje misdreeven en daar over zwaare strafte aerdiend te hebben. 26. of hy Gevr: alles naar waar¬ heid beantwoord heeft! 25 24. zo Ja op welke plaatsen! of hij ook op meer plaatsen als bij den Heere Domus heeft ge¬ staalen. en of deeze ook geparticipeert heeft inde gestoolene goederen 22 21. 20 Jawie! of van deese diefse ook eimand buijten hem gevr: eenige kennis heeft gedraagen. of hygen 23. of hij gem: ook iets en wat zegt, vermits hij zyn Juffrouw daagelyks twee sehell moest hij tot zijne verontschuldiging opbrengen hij als zoen iets moe„ weet by te brengen. ste uitvinden om zo veel gelds te verdienen. /:onderstond:/ Aldus gevraagt en beantwoord aan Cabo de goede Hoop den 11 maart 1791. voor de Heeren Salomon van Echten, en Iohannes Smuts Leeden uit den EAchtb: laade van Quotitie deen gouvernements, die de minute deeses benee„ vens de Gerrt ennij genoodre Clercq meede behoorlyk hebben onderteekend. /:laager:/ quoi Attestor /:was geteekend:/ I: D: Karnspok gem Clercq Compareerde voor de ondergeteekende gecommitteerdens uit den EAchtb. Raade ven Jurtitie deezes Gouvernement de slaaf Ramny van Bengalen dewelke deese voorenstaande raag poincten met zijne daaropgegeevene responciven dui¬ delijk zynde voorgeleesen, betuygde bij deselve te blyven versisteeren, met begeerte daze, niets meer by of ven gedaan werden zal, betuygende het Recollement 27 J d is eert voorenstaande de suyvere en oprechte waarheid te zijn. /:onderstond:/ Aldus gerecolleert aan Cabo de goede Hoop den 19 Maart 1791. (:was geteekend:/ /:en daar omschreeven:/ dit merk heeft den gen. eygenhandig gesteld. /:laager:/ my present /:geteekend:/ P: Diemel gem Clree /:in margine:/ als gecommitteerdens:/ ge„ teekend:/ R: J: v: D: Biet en g: H: Meijer. Accordeert Ramsper en Clercq

NL-HaNA_1.04.02_11024_0587 view scan ↗

English

Number 14 Demand and conclusion ad mortem made and delivered to the Right Honorable Lord Olof Godlieb de Wet, Senior Merchant in the service of the Honorable Company and President, as well as the other Honorable Members of the Honorable Council of Justice of this government, in the name and on behalf of the Merchant in said service, appointed and authorized by the Government to provisionally discharge the fiscal office, Mr. Jacob Pieter Deneijs, Ratione Officii, Prosecutor in a criminal case, on the one hand; Against Caster of Bougies, slave of the Burgher Johan Hendrik Ludolph, Lord's prisoner and defendant in this case, on the other hand. Right Honorable Lords. Article 1. In order properly to substantiate this demand and the conclusion to be taken hereafter against the prisoner and defendant in this case, Caster of Bougies, bondservant of the Burgher Johan Hendrik Ludolph, the undersigned Prosecutor shall have the honor initially to inform Your Right Honorable Lordships: Article 2. That the aforementioned master of the prisoner and defendant on 7 March of the current year, in the evening at about 8 o'clock, was warned by one of his slave maids named Clarinde: Article 3. That the prisoner and defendant had come to blows with his concubine Regina of Bougies, also belonging in property to the said Ludolph; Article 4. And that he, among other things, had pinched her in the face and was further mistreating her; Article 5. Upon which report, the said Ludolph, out of fear of further bad consequences, immediately proceeded to the kitchen; Article 6. Because it had already happened several times; Article 7. That the said slave Regina was violently and by force attacked by the prisoner and defendant; Article 8. Where, having arrived, the prisoner and defendant had violently and with force yanked open the door; Article 9. And being asked by his master; Article 10. What the reasons were for his insolent and unruly behavior; Article 11. Subsequently holding before his eyes; Article 12. That he had already long ago warned him and given him to understand; Article 13. That he should leave the aforementioned slave Regina unmolested; Article 14. Yet since he saw clearly that those preceding serious warnings had not the slightest influence upon him; Article 15. Nor bore the desired fruit; Article 16. He would have him punished according to his deserts; Article 17. Whereupon the prisoner and defendant addressed some unintelligible words to his master; Article 18. At the same time setting aside his food, as he was just then engaged in eating, and retired into the bakery; Article 19. Being followed thither also by his Lord and Master; Article 20. Whereupon the prisoner and defendant bent down and fetched a knife from under a kneading trough standing there; Article 21. Which, having all been seen and observed by his Master, the same had attempted to stop the prisoner and defendant; Article 22. And to frustrate him in his evil intention; Article 23. In which, however, he could not possibly succeed; Article 24. Because the prisoner and defendant was far too strong for him; Article 25. Just as he was also knocked backward and trampled underfoot by the violence used on the part of the defendant; Article 26. Whereby he was obliged and necessitated; Article 27. To call for his help and assistance the other slaves who were at hand; Article 28. Of whom some, and in particular Mozes of the Cape, Anthonij of Madagascar, and Joseph of the Cape, having de facto rushed thither; Article 29. Attempted to wrench from the prisoner and defendant the knife which he was still holding just as tightly in his hands; Article 30. Which they nevertheless could not effect; Article 31. Until yet a fourth slave had sprung thither to that end; Article 32. When they were first able to make themselves masters of the knife; Article 33. Having subsequently, by order of their master, bound the prisoner and defendant; Article 34. Who, while he was being bound and was about to be brought thus to the Lord's Prison, still had the audacity; Article 35. To say to his master; Article 36. That he, meaning himself, had better just let himself be hanged; Article 37. Because otherwise he would certainly, when he returned to the house, massacre and dispose of the aforementioned slave Regina; Article 38. The Burgher Jan Hendrik Ludolph further adding, in his account thereof given before the Commissioners; Article 39. That he does not know for certain; Article 40. Whether the prisoner and defendant, when he reached for the knife, had the intention to attempt his life; Article 41. Or to wound him; Article 42. Since the prisoner and defendant, when he reached for the knife, was intended to attempt his life; Article 43. All of which is further to be seen from the report; Article 44. Which the repeatedly mentioned Ludolph has given thereof before the Commissioners from this illustrious court; Article 45. As well as from the deposition of the slaves Mozes of the Cape, Anthonij of Madagascar, and Joseph of the Cape, cited above; Article 46. Which documents the undersigned has the honor to present respectfully herewith to Your Right Honorable Lordships under Letters A and B; Article 47. And to which he takes the liberty to refer further in order to avoid all unnecessary prolixity; Article 48. As also to the interrogatories answered by the prisoner and defendant before the Commissioners, see annexed under Letter C; Article 49. Wherein it appears clearer than the midday sun; Article 50. That the prisoner and defendant has gone so far astray; Article 51. That he attempted; Article 52. To injure his master in a murderous manner, and not merely to wound him as he pretends; Article 53. These being late and meaningless evasions and subterfuges, Right Honorable Lords; Article 54. Wherewith such villains, like the prisoner and defendant in this case, always seek to color their deeds of that nature; Article 55. And which, in the opinion of the undersigned, merit not the slightest attention.

Dutch transcription

N=o 14 Eisch en Conilusie ad mor„ ten gedaan maaken en overgegeeven, aan den Wel Edele achtb: Heer Olof God„ lieb de Wet opperkoopman in „dienst der EComp=ie e Proesident mitsg:s de verdere Heeren Leeden vanden Achtb: raade van Justitie deeses gouvernements, uit naam en van weegens den koopman in gemelde dienst en door de Regeering aangesteld en geauthoriseert tot het provi„ sioneel waarneemen van het officie fiscaal, M: Jacob Pie„ ter Deneijs Rat: off. Eiss:r in cas crimineel ter eenre Contra Caster van Bougies slaaf van den Burger Johan Hendrik Ludolp W: s Heeren gevangene en ged in het voorsz: Caster arden Wel Edele Achtb: Heere Heeren art: 1. om deese Eisch en de daar agter te nee„ mene Conclusie teegens den Ger. en ged: in deesen Caster van Bougies, Leijfeigen van den Burger Iohan Hendrik Lu„ dolph. na behooren te adstrueeren so zal den onderget: 7. O: de Eer hebben uwel Ed. achtb: aanfankelijk te in formeeren dat evengem: Lijfheer van den Gev: en Ged: op den 7 Maart A: C: s' avonds circa 8 uuren door een zijner slave Meiden andere zijde en 2. 3. Clarinde genaamd is gewaarschouwd ge„ worden dat den Gev: en Ged. met zijne bijzit Be„ gina van Bougies almeede gezegde Lio, dolph in eigendom toebehoorende was handgemeen geworden en dat hij haar onder anderen in het ge¬ zicht geneepen had en noch verder mal„ fraiteerde op welk bericht hij Ludolph uit vreede voor verdere quaade gevolgen zich terstond na de keuken had begeeven dewijl het al meermaalen was komen te gebeuren dat gem: slavin Regina, door de gev: en ged: op een violente wijze en net geweld de deuze had opengerukt. Art 4. 5 6. ƒ 8. alwaar gekoomen zijnde de gev: en ged. op een vislente wijze en met geweld de deur had opengerukt. 10. Lijfheer gevraagt zijnde en door zin welke de redenen waren van zijn buitaal en onbesuyrd gedrag 12. hem vervolgens voor oogen houdende, 13. dat hij hem bereids voor lang al had ge„ waarschouwd en te verstaan gegeeven dat hij voorm Slavin regina ongemoeid zoude laaten doch daar hy wel zag, dat die vooraf„ gaande serieuse vermaaningen geen de minste influcusie op hem hadde, 16. nog van gewenschte vrugt waren 11. 14. 15 hij hem na merites zoude laaten straffen, waarop de gev: en Ged: zijn lijfheer ee„ nige onverstaanbaare woorden heeft toegevoegt. te gelijker tijd zijne spijze, dewijl hij juist met eeten beezig was, aan een kant zet„ tende, zich naa en in de Batkerij heeft geretireerd woordende door zijn Heer en Meester derwaards ook gevolgt. 21. waarop de gev: en Ged: zich needer ge„ brikt, en van onder een daar staande Bakkist een mes gehaald heeft 22. het welk een en ander door zijn Meester gezien en geobserveert zijnde, had den„ zelven getracht den ger. en Ged. teegen te houden 20. 19. 18. 17: en in zijn boos voorneemen te sluyten doch waar in hij onmoogelijk heeft kunnen reusseeren dewijl de Gev: en Ged: hem veel te sterk was zo als hij dan ook door het geweld die van de kant van de ged en ged: wierdt aangewend, agter over is geslaagen en onder den voet geraakt. 27 28. om de andere slaven, die bij de hand ware tot zijn hulp en adsistentie te roepen 29 waarvan eenige, en wel insonderheid genecessiteert waardoor hij verplicht en wierd, 26. 25. 24 Mozes 23. Mozes van de Caab, Anthonij van Madagas„ car en Ioseph van de Caab, de facto toegeschooten zijnde, 30. getracht hebben, den Ger: en Ged: het mes dat hij noch al even sterk in de handen hield, te ontwringen, 37. het geen zij nochtans niet hebben kunnen exfectueeren voor en aller noch een vierde slaaf ten dien einde was toegesprongen 33 wanneer zij zich eerst van het mes hebben kunnen Meester maaken. 34. hebbende zy vervolgens op ordre van hun meester den gev: en ged:e gebondent die dewijl hij gebonden wierd, en zo na s' Heeren Gevangenhuijs stond gebracht 35 te 32. : teert te worden noch de stoutheid had, 36. om zijn lijfheer toe te voegen 37 dat hij hem acnoteerende zich zelve maar moest laaten ophangen 38. dewijl hij doch anders de meeigeciteerde sla„ vin Regina, wanneer hij wederom in Huijs kwam zoue massacreeren en van kant helpen voegende den Burger Jan Hendrik Lu„ dolph bij zijne daar van gegeevene re„ laas voor Heeren gecom. mog, 40 zeeker weet. dat hij niet 41. of den Ger: en Ged: wanneer hij na ket mes gegreepen heeft geintentioneerd geweest is hem daar meede na het lee„ ven te staan, 9. om hem te willen vulnereeren dewijl den gev: en Ged: wanneer hij na het mes gegreepen heeft, geintentioneert is ge„ weest, hem daar meede na het leeven te staan het welk een en ander nader te beoogen is uit het relaas, dat meerm: Ludolph daar van voor Heeren Gecomm: uit deese illustre vierschaar gegeeven heeft, als meede uit het declaratoir van de slaven Mozis vande Caal, Anthonij van Madagascar en Joseph vande Caab, hier boen geciteert, welke stukken de ondergez: de Eere heeft zuwel Ed: achtb: sub S. r Ae B. hier neevens referen„ telyk aan te bieden en waar van hij zich ter vermeiding van alle onnoodige prolixiteit de vrijheid neemt alven der te refereeren 48. 47 44. 43. 42, 45 46, gelijk ook aan de door de gev: en Ged: voor Hee ren Gecomm=s beantwoordde Interrogatorien leese sub La. C: annex 50. waar in't luce meridiana clarius consteert 51. dat de gev: en Ged: zich in zo verre heeft ver„ geeken, 52. dat hij getracht heeft. 53. om zijn lijfheer op een mordatige wijze zo als hij voorgeeft te quetsen en niet te dooden Laatere en niets te beduiden hebbende uitvluit ten en echapades Wel Edele achtb Heeren waarmeede zoortdiergelyke ficlear, gelyk den Gev: en Ged: in deesen is, altoos hunne en veldaaden van die natuur trachten te col„ loreeren en die volgens de opinie van den onder„ get: geen de minstr attentie meritee ren 55 54 49.

NL-HaNA_1.04.02_11024_0597 view scan ↗

English

56. Because posito sed non confesso, the prisoner and defendant had only been of the intention to cause his master no greater evil than to wound him, why then resist so strongly and with so much violence all the more 58. when they wanted to wrench the knife from him, all the more since he saw that the opportunity was past 60. to carry out his design; and whereby it must also principally be taken into consideration 62. that the prisoner and defendant must already for a long time have been pregnant with the dark design 63. to grieve, if not to massacre, his lord and master or his aforementioned concubine Regina, for which purpose he certainly kept the knife ready, with which he armed himself while they sought to overpower him, and hid it under the baking chest; 65. for had it fallen into his hands by chance, 66. then one might take into consideration, 67. although it does not in the least diminish his guilt thereby, that the prisoner and defendant had tried to defend himself against those who wanted to overpower him 68. with whatever had first caught his eye. 69. But no, Honorable and Respected Gentlemen, he had made up his mind to give completely free rein to his unbounded jealousy and to sacrifice his master or concubine to his rage and bloodlust originating therefrom. The prisoner and defendant, having tried to defend himself during his interrogation before the Gentlemen Commissioners from this Honorable and Respected Council, could produce nothing for his defense and excuse 73. that merits any reflection, 74. and only requested a merciful punishment. However, not being of such an evil disposition, he was immediately convinced in his soul that he had deserved it; wherefore the Officer Prosecutor will now proceed 78. to inquire only briefly what punishment most squares and corresponds with the crime of which the prisoner and defendant in this matter has made himself guilty, and should in all equity be inflicted upon him. 81. And the Officer Prosecutor maintains, salva tamen reverentia for better judgment, that the prisoner and defendant must chiefly be considered 83. to move within and to have fallen under the terms of those laws, 84. and specifically in the 188th of the Statutes of Batavia concerning slaves or bondmen, whereby it is explicitly and without the slightest exception said and enacted: "that if any male or female slaves should go so far astray as to lay their hands upon their master or mistress, even though without a weapon, they shall for this, without any mercy (quod bene notandum est), be executed to death." 86. If such a punishment must now be applied to slaves who are unfortunate enough to attack their master and mistresses unarmed, 88. and to lay their hands upon the same, 89. how much more must that punishment not be executed upon scoundrels, 90. such as the prisoner and defendant is in this matter. 91. For which reasons and arguments alleged in this matter, the Officer Prosecutor, in making his demand, also makes not the slightest difficulty to conclude that the prisoner and defendant in this matter, Castor of Bougies, by definitive sentence of your Honorable and Respected Court, shall be condemned to be taken to the place where criminal sentences are customarily executed, and having there been delivered over to the executioner, to be punished with the rope around the neck on the gallows until death follows thereupon; furthermore, his dead body having been dragged to the outside place of execution and there hanged up again, thus to remain until consumed by the air and the birds of heaven; with condemnation in the costs and expenses of justice, aut alias salutariter, imploring in and upon all the benignum judicis officium in order ex officio vel juris necessitate to supplement whatever your Honorable and Respected Court may find to belong to the case. Was signed: J. P. Deneys. In the margin: Exhibitum in Judicio at Cape of Good Hope, the 21 July 1797. Today, the 8th of March 1791, appeared before me, Johannes Daniel Karnspek, sworn clerk at the Secretariat of Justice of the Castle of Good Hope, in the presence of the undersigned witnesses, the slaves Mozis of the Cape, Anthonij of Madagascar, and Josep of the Cape, of competent age, who, at the requisition of the Honorable Independent Fiscal Johan Nicolaas Steven van Lijnden, declared it to be true: That when the appearers yesterday evening, being the 7th of this month, were at the bakery of the house of their aforementioned master at about half past seven o'clock, their said master came inside with one of their fellow slaves named Castor; and while the said slave Castor stooped down with great passion and seized an old knife from under the baking chest standing there, the appearers' said master immediately rushed up and tried to take that knife by force from the said slave Castor, which however failed, because the appearers' master, during that struggle, fell backward; that the appearers' master, having called for help in falling, the appearers rushed forward to stop the said slave in his design and take the knife from him, which was subsequently accomplished with great difficulty; the same slave also was furthermore tied up by the appearers on the order of their master and brought to the prison; during which action the said Castor said aloud, in the hearing of the appearers, that whenever he came back into the house of his master, he would then murder the female slave Regina, being a maid with whom the same Castor has always kept company, and with whom he had several times gotten into severe quarrels. Declaring nothing more, the appearers give as reasons for their knowledge as above.

Dutch transcription

56. want posito sid non confesso, de gev. en Ged: had maar van intentie geweest, zijn mee„ ster geen grooter quaad als te quetsen toe„ te brengen waarom zich dan zoo sterk en met 2e veel geweld te meer gesteld 58. hem het mes wilde ont„ wanneer men wringen te meer daar hij zach dat de kans voor bij was, 60. om zyn dersein ten uitvoer te brengen en waar bij noch wel principaal in aan„ merking moet worden genoomen, 62. dat de gev: en Ged: al voor lang met het zwart voorneemen moet beswangert ge„ weest zijn 63. om zijn Heer en Meester dan wel 61. 59. 57 zyn dn zijn Bijzit Regina hier vooren ^ ver meld te grieven zo niet te massairee ren ten welken einde hij zeekerlijk het mes waarmeede hij zich, dewijl men zich aan hem zocht meester te maaken, heeft gewopend, daar toe in gereedheid heeft gehouden en onder de Bakkist verborgen 65. want was het hem toevalliger wijze in de hand gevallen 66. dan zoude men in overweeging kun„ nen neemen 67 schoon het daarom zijn schuld niet op het minst diminueert. dat de gevi en Ged: had getracht zich te deendeeren teegens die geenen, die zich van hem Meester maaken wilden 68. 64. met met het geen hem daar toe het eerste onder het oog was gekoomen, 69 doch neen wel Ed. Achtb: Heeren hij had zin besluit genoomen om den lossen teugel ten eenemaal te fieren aan zijn onbepeikte Jalousie en zijn lijfheer of bij zit aan zijne daar uit geproflueerde Woede en moordlust te xa„ crifieeren. hebbende den Gev: en Ged: heed getracht zah te defendeeren bij zyn verhoor voor Heeren Gecommis„ uit deezen Ed: Achtb: raade niets tot sijn defensie en verschooning kunnen produceeren 73. dat eenige reflectie meriteert 74 en maar eeniglijk om een genadige straf versocht. 71. 70. 72. van zodaanig een boosaartig inteziem nochtans niet zijnde of hij is aanstonds in zijn ziel overtuigt geweest, dat verdient te hebben weshalven de r: o: Eisscher nu zal over„ gaan 78. ommoch maar kostelijk te inquireeren welke straf, met de misdaad waar aan de gev: en Ged, in deezen zich schuldig heeft gemaakt, het meest quadreert en overeenkomt mitsg:s in billijkheid aan hem zal dienen geinfligeert te worden 81. ende r: O. Eiste sustineert zalva tamen reve„ rentia voor beeter gevoelen dat de gev: en ged: voornamentlyk moet 82. 80 79. 77. 76 aange 75 ƒ aangemerkt worden 83 te verseeren en vervallen te zijn in de teumen dier Wetten. 84. en wel pp. lo in het 188 bij de Statuuten van Batavia tot slaven ofte Lijfeige, nen waarbij wel uitdrukkelijk en zonder eenige de minste exceptie gezecht en gestatu„ eert word. „ maar zo henige slaven en slavinnen „ haar zo verre quaamen te vergrijpen „dat hunne handen aan hunne Lijf „heer of Lijfvrouw quaamen te slaan „schoon ook zonder geweer zullen „zij daar over zonder eenige gerade „:quod bene notandum est:/ ter dood „ gexunieert worden 86. Bij aldien zodaanig een straf nu moest geappliceert worden omtrend Slaaven 85. e aange die ongelukkig genoeg zijn hunne Lijf¬ heer en Vrouwen ongewaapend te atta„ gueeren 88. en hunne handen aan deselve te olaan 89: hoe veel te meer moet dan dien straf niet uit„ geoeffend worden aan Booswichten, 90. gelyk den gev: en Zed: in deesen is 91. om welke in deesen geallegeerde reedenen en middelen de r. O. Eisscher eisch doende ook geen de minste dificculteit maakt om te Concludeeren dat den gev. en ged: in deesen Castor van Bougies, bij diffinitive vonnisse aan uwel Edele Achtb: zal worden gecondem„ neert, omme gebracht te worden ter plaatse alwaar men gewoon is crimineele sententien te executeeren 87 6 en aldaar aan den Scherptechter overgelee„ vert zijnde, met den koorde om den hals aan de galge¬ gestraft te worden, dat er de dood na volgt, voorts des„ zelfs doode lichaam naar het buijten gerecht gesleept en aldaar wederom opgehan„ gen zijnde dus te verblyven tot dat door de lucht en voge„ len des Heemels zal zyn verteert, met Condemnatie in de kosten en misen van Iustitie aut alias salutariter imploreerende in en op alles het benignum Iudicis offi„ cium omme en officio vel Juris ria te suppleeren hetgeen zwee Ed. Achtb. vinden mogen ter zaake te behooren /:was ge¬ teekend :/ I: P: Deneijs /: in margine:/ Exhibituin in Indicio aan Cabode goede Hoop den 21 July 1797. Huiden, den 8 Maart 1791 Compareerde voor mij Johannes Daniel Karnspek, geswoone Clercq ter Secretarije van Justitie der Casteels de goede Hoop presen de naten: Getuygen, de slaven Mozis aande Caab, Anthonij van Madagascar en Josep vamde Caab, van competenten ouderdom de„ welken ter requisitie van den E: Achtb: Heer Independent fiscaal Johan Nicolaas Steven van Lijnden verklaarden hoe waaris dat wanneer de Compten. op gisteren a„ vond, zijnde den 7 deeser maand, zich circa half agt uuren, aan het Huijs van hun boven gem: Lijfheeren de Bakkerij bevonden als toen deselve hunne zijfheer met een hunner meede slaven in naame Castor was binnen gekoomen en terwijl gem: Slaef Castor met veel drift zick had nedergebakt, en van onder de aldaar staande Bakkist een oud mes had gegreepen, Dat der Compten. gemelde Lijfheer als toe terstond toegeschooten zijnde getracht had dat mes aan de gem: slaaf-Castor te dat weldigen, het geen echter mislukt was, door dien der Comop ten Lijfkeer onder die ver richting zigting was agter overgeslaagen dat der Compten Lijfheer in het vallen om hulp geroepen hebbende, de Comp=ten waren toegeschooten, om deselve Slaaf in zijn voorneemen teegen te houden en hem het mes af te neemen, het welk ver„ volgens met veel moeite was geschied zinde ook voorts denselven Slaaf door de Compten. op last van hun Lijfheer vast¬ gebonden en naar de Tronk gebracht, geduurende welke verrigting gem: Caster overluid, ten aanhooren vande Compten. gezegt had, dat zo wanneer hij weder in het Huijs van zijn Lijfheer quam hij als dan de slavin Regina zynde een Meid met welke denselven lastor altoos gehouden heeft, en met welke hij verscheide maalen in heevige twist was gekoomen verwoorden zoude Niets meer verklaarende, geeven de Compten. voor redenen van wetenschap als is 8

NL-HaNA_1.04.02_11024_0606 view scan ↗

English

as in the text, being prepared, if required, to confirm the foregoing further. Thus executed at the Secretariat in the presence of the clerks, Christiaan Ludolph Neethling and Christiaan Michiel Lind as witnesses, who have duly signed the minute hereof along with the appearers and me, the sworn clerk. Below was written: Which is signed: J: D: Karnspek sworn clerk. Verification. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, the slaves Mozes van de Caab and Anthonij van Madagascar, bondsmen of the citizen Johan Hendrik Ludolph, to whom this their foregoing deposition having been read aloud intelligibly, they declared in the presence of the slave Castor that they wished to persist thereby, desiring that nothing more shall be added or taken away, testifying all to be the truth. Below was written: Thus done and verified at Cabo de Goede Hoop, the 24th of March 1791. Signed: J and & and around it written: these marks were made by the appearers' own hands. Lower: In my presence, signed: W: C: Ryneveld Secretary. In the margin as commissioners signed: Rh: J: van der Riet and Joh.s Smuts. Report given in the presence of the undersigned commissioner members of the Honorable Council of Justice of this government by and on behalf of the citizen Johan Hendrik Ludolph, of competent age, and this at the requisition of the Honorable Independent Fiscal Johan Nicolaas Steven van Lijnden, the said report reading as follows. That on the 7th of this current month of March, in the evening at around the stroke of 8 o'clock by estimation, the narrator was warned by one of his female slaves named Clarinde that the narrator's slave boy named Castor van Macassar had come to blows with his so-called wife, the female slave Regina van Bougier, also belonging in ownership to the narrator, and that he, among other things, had pinched her in the face, upon which report the narrator, out of fear of further evil consequences, since it had happened repeatedly that the said female slave Regina had been attacked by the same Castor, had immediately proceeded to the kitchen, where having arrived, the aforesaid Castor violently jerked open the door. That the narrator had then asked the same Castor what the reasons were for this his insolent behavior and had simultaneously presented to him that, having already warned him long before to leave the said female slave Regina in peace, he would now punish him according to his deserts, as those preceding admonitions had been of no avail; upon which saying the repeatedly mentioned Castor had addressed some words to the narrator, which however were not understood by the narrator, and at the same time putting down the food which he was busy eating, he had run with great speed past the narrator into the bakery, where he had been followed by the narrator. That the same slave Castor had stooped down and grabbed an old knife from under a baking trough standing there, which the narrator seeing, he had tried to hold back this his slave, during which action he, on account of the failed attempts made thereto, was knocked over backward, and in falling had called for assistance to some of his slaves present there, who, having then also rushed over immediately, had tried to wrest the knife from the aforesaid Castor, in which however they did not succeed, the knife having been forcibly taken from him only when another slave had come to help, after which the narrator had caused this his slave to be bound and taken to the trunk, and the aforesaid Castor, while he was being bound, had addressed the narrator saying that he should just have him hanged, for otherwise, coming into the narrator's house again, he would murder the said female slave Regina. Lastly, the narrator testifies not to be able to state for certain that, when the repeatedly mentioned slave Castor grabbed the knife, his true intention was to seek the narrator's life therewith or to wound him, as the same slave, before he could come to any deeds, had been thwarted in his intention by the narrator. Relating nothing more, the narrator gives for reasons of knowledge as in the text, being prepared to confirm the foregoing further with an oath. Thus related at Cabo de Goede Hoop, the 19th of March 1791, before the gentlemen Ryno Johannes van der Riet and Gerrit Hendrik Meijer as commissioner members from the Honorable Council of Justice of this government, who have duly signed the minute hereof along with the narrator and me, the sworn clerk. Below was written: Which I witness, was signed: P: Diemel sworn clerk. Verification. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, the citizen Johan Hendrik Ludolph, to whom this his report having been clearly read aloud, he declared to persist thereby, desiring that nothing more shall be added or taken away, and therefore spoke, in confirmation of the truth thereof, in the presence of the slave Castor, the solemn words: So help me God Almighty. Thus verified and sworn at Cabo de Goede Hoop, the 24th of March 1791. Was signed: Johan Hendrik Ludolph. Lower: In my presence, signed: W. S: van Ryneveld Secretary. In the margin as commissioners, was signed: R: J: v: der Riet and Johannes Smuts. Interrogatories to be heard thereon at the requisition of the Independent Fiscal Johan Nicolaas Steven van Lijnden. Appeared before us, the undersigned commissioner members of the Honorable Council of Justice of this government.

Dutch transcription

als in den Text, bereid zijnde het vooren staande des geeischt wordende met nadergestand te doen Dat aldus passeerde ter Secretarije Christiaan ren byweesen der Clercquen, Ludolph Neethling en Christiaan Mi„ chiel Lind als getuijgen, die de Minute deeses beneevens de Compten. ende mij geswoore Clercq mede behoorlyk hebben onderteekend /:onderstand:/ T welk is geteekend:/ J: D: Karnspek gesen Claca E reccollement. Compareerde voorons ondergeteek: Recomm=s uit den E: Achtb: raade van Justitie deeses gouvernements de slaven Mozas van de Caab, en Antho„ nij van Madagascar, Leijfeigenen van den Burger IJohan Hendrik Ludolph dewelke deeze hunne voorenstaande Verklaaring vastaanbaar voorgeleeze, weesende weesende, verklaarden zyl: in praesentie aande Slaaf Castor daar bij te willen persisteeren met begeerte dat er niets meer bij of van gedaan werden zal, betuijgende alles de waarheid te zijn, /:onderstond:/ Aldus gedaan en gerecolleert, aan Cabo de goede Hoop den 24 Maart 1791. was geteekend :/ J en & :/ en daarom, schreeven, dese merken zijn door de Comparanten eigenhandig gesteld. / /:laager:/ Mij Praesent : / geteekend:/ W: C: Rijneveld Secretaris. /: in margine als Gecomm: /:geteekend:/ Rh: I: van der Biet a Joh. s Smits. Relaas gegeeven ten overstaan van de onder„ geteekende gecomm: Lee„ den in den E achtb: raade van Justitie deeses gouver„ nements door ende van wegen e Te Burger Po weegens den han Hendrik Ludolph van competenten oudo dom, en zul ter requi sitie van den E: Achtb Heer Independent Frivaa Johan Nicolaas Steven van Lijnden luijdende hetselve kelaas als volgt. Dat op den 7 deeser loopende maa maart des avonds de klokke circa 8 uuren naar gissing den relatant door een zijner Slavemeiden in Naame Clarinde gewaarschuwd was dat des relatants slave Iongen genaamd Castor van Macassar handgemeen was geworden met zijn zogenaamde Vrouw de slavin „ Regina van Bougier den relatt. meede in eigendom toebehoorende, en dat dat hij haar onder anderen in het aan„ gezicht gekneepen had, op welk bericht den relatant uit vreese van verdere kwaa„ de gevolgen, dewijl het meermaals was gebeurd dat geme: Slavin regina van deselve Castor was aangetast geworden, zich terstond naa de Combuijs, had begeeven, alwaar gekoomen zyn¬ de had voorsz: Castor de deur met geweld openrukte. Dat den zelt als toen aan densel¬ ven Castor had afgevraagt, wat de re„ den van dit zijn buitaal gedrag waren en hem teffens had voor oogen gehou„ den, dat hij hem reeds lang bevorens gewaarschouwd hebbende, om gemelde Slavin Regina met vreeden te laaten, hij hem tans vermits die voorafgaan, de vermaaningen van geen vrucht waa„ ren, naar verdienste straffen zoude op welk gesegde meerm: Castor den Relat:t eenige woorden die echter door den 30 den relt. niet verstaan waaren had toegevoegt, en tevens de spijze waa aan hij met eeten bezig was, neder„ zettende, was hij met een vaart, voor den Relatant heen naar de Bakkerij ge loopen, alwaar hij van den Telt was gevolgt geworden, Dat deselve SlaafCastor, zich had nedergebukt, en van onder een daar staande Bakkist een oud mes gegree„ pen, het welk den relt. ziende had hij dee zen zijn slaaftrachten teegen te houden, onder welke verrichting hij van weegens de daar toe gedaane mislukte progingen was agter over geslaagen, en in het vallen eenige zijner daar zich bevindende slaven tot ad„ sistentie hadde geroepen, die dan ook terstond toegeschooten zijnde voorsz Ca stor het mes hadde trachten te ont„ wringen, waaromtrend zij echter niet waren gereuiseert, als zynde hem eers wanneer wanneer daar noch een ander slaaf tot hulp gekoomen was, het mes ont„ weldigt geworden, waar na den Rel=t deese zijne slaaf had doen vast binden en naar de Pronk brengen, en had voorst Castor, onderwijl hij vastgebonden wierd, den relat=t toegevoegt, dat hij hem maar moest laaten ophangen want dat hij andersints weder bij den relat. in Huijs koomende ged. Slavin re¬ gina vermoorden zoude, Betuijgende laatstelijk den zelft niet zeeker te kunnen verklaaren dat meerm:e slaf Castor het mes hadde gegreepen desselfs waare intentie ge¬ weest zij hem relat=t daar meede naar het leeven te staan, of hem te willen quetsen, als zijnde deselve slaaf aleer hij tot eenige daadelykheden konde koo„ men door den reltt in zijn voornee„ men was gestuit geworden. Niets meer relateerende, geeft den den relatant voor redenen van weeten schap, als in den Text, bereid zijnde het voorenstaande met Eede nader te bevestigen. Aldus gezelateert aan Ca bodegoede Hoop, den 19 Maart 1791. voor de Heeren Rijno Johannes van der Riet en Gerrit Hendrik Meijer als Gecommitt Leeden uit den E: Achtb. raade van Iustitie deezes gouvernements, die de minute deeses beneevens den relat=t en mij geswr Clercq mede behoorlyk heb„ ben onderteekend /: onderstond:/ T welk ik getuijge /:was geteekend:/ P: Diemel „gesw Clercq. Recollement. Compareerde voor ons onderget: gecomm uit den E: achtb: raade van Iustitie deeses gouvernements den Burger Jo¬ han Hendrik Ludolph, dewelke dit zijn relaas duijdelijk, voorgeleesen wesende weesende, verklaarde daar bij te blyven persisteeren; met begeerte dat er niets meer bij ofte van gedaan werden zal en sprak dierhalven ter bevestiging der waarheid van dien, in praesentie vanden Slaaff: Castor de solemneele woorden; zo waarlijk helpe mij God Almachtig. Aldus gerecolleert en beeedigt aan Cabo de goede Hoop den 24 Maart 1791. /:was ge„ teekend:/ Iohan Hendrik Ludolph, J:laa„ ger:/ Mij present:/ geteekend:/ W. S: van zyneveld: Zecret=s /:in margine:/ als Gecomm=s /:was geteekend:/ R: I: v: der Briet en Iohannes Smuts - Interrogatozien ge„ Compareerde voor ons omme daarop ter requi¬ ondergeteekende ge„ sitie van den Indepen„ committ. s Leeden in't dent Fiscaal Iohan Nico„ den E achtb: raade van laassteven van Lijnden Justitie deezes gouver„ /:onderstond:/ gehoort.

NL-HaNA_1.04.02_11024_0614 view scan ↗

English

Heard and questioned on behalf of the government, the detained slave Castor of Bougies, belonging to the burgher Hendrik Ludolph, who has given such answers to these adjoining interrogatories as are noted alongside each article thereof, with his given responses to be recorded in the margin hereof. Article 1. The respondent's name, age, and place of birth. Says, Castor, 28 years of age, native of Bougies. 2. How long the respondent has been in this country. Says, Hendrik, two years. 3. What the respondent's present master is named, and what trade he pursues. Says, named Hendrik Ludolph, and to be a baker. 4. Whether the respondent has also had other masters, either here in this country or elsewhere, what they were named, and what the respondent's duties with them were. Says, Helmsman Smit, whom the respondent attended to. 5. What craft the respondent practiced under his previous master. Says, worked in the bakery. 6. Whether the respondent also keeps company with any female slave; if so, what she is named and to whom she belongs in ownership. Says, yes. Says, named Regina, and to belong in ownership to Hendrik Ludolph, the respondent's master. 7. Whether the respondent has always lived in harmony with the same, or whether he has between times now and then had quarrels with her. Says, sometimes to have had quarrels with the said female slave. Article 8. If the respondent affirms the latter part, then to ask him what cause and occasion gave rise to those successive discords, and when the respondent last had a quarrel with his maid. Says, because a certain slave boy named Philis, the bondsman of the respondent's master's father, often came to his maid, and the respondent then had to leave the kitchen, which is why he occasionally gave him some blows; and that the respondent had a quarrel with the said female slave on the very day that he was brought to the prison. 9. Whether the respondent, when he lived in discord with her, did not sometimes beat the aforesaid female slave. Says, yes. 10. If so, when this happened for the last time. Says, on the day when the respondent was brought to the prison. 11. Whether the respondent's master was also aware that the respondent kept company with the female slave Regina, that he lived in discord with her, and that he occasionally overwhelmed her with blows. Says, that his master had seen the maid crying, and having questioned her about it, she gave notice to his said master of the quarrels that had arisen between them. 12. Whether the respondent's master did not punish the respondent for his conduct, and in what manner. Answered under Article 10. Says, yes, that his master called some slaves to hold him fast during the beating. Article 13. Where the respondent was on Monday, 7 March last, in the evening between seven and eight o'clock. Says, to have been at home. 14. Whether the respondent on the aforesaid 7 March did not have some disputes with his oft-mentioned concubine, and whether the respondent then also proceeded to acts of violence. Answered under Article 12. 15. Whether the respondent's master also received notice of what occurred between the respondent and his concubine. Answered under the same 12th Article. 16. If so, by whom and in what manner. Answered under the same 12th Article. 17. If so, what his master said to him. Says, that his master asked him nothing, but acted with him in such manner as the respondent answered under Article 13. 18. Whether the respondent's master also rebuked the respondent concerning the last incident. Answered under Article 13. 19. And what the respondent answered to him. Says, to have answered nothing, but to have grabbed for a knife. 20. Where the respondent's master rebuked him concerning his behavior. Says, that this happened in the bakery. Thus questioned and answered at the Cape of Good Hope, 15 March 1791, before Messrs. Salomon van Echten and Johannes Smits, as commissioners, members from the Honorable Court of Justice of this government, who have duly signed the original minute hereof, together with the respondent and me, sworn clerk. Lower down: To which I testify. Was signed: P. Diemel, sworn clerk. Underneath was written: Confirmation. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, the above-mentioned imprisoned slave Castor, who, the foregoing interrogatories, together with the responses given by him, having been read out clearly and distinctly, declared that he persisted therein, desiring that nothing more should be added or taken away, testifying the foregoing to be the pure truth. Underneath was written: Thus confirmed at the Cape of Good Hope, 21 March 1791. Was signed: C S and inscribed around it, this mark was set by the respondent's own hand. Lower down: Present to me. Signed: W. J. V. Ryneveld, Secretary. In the margin: As commissioners. Signed: R. W. D. Biet and Johs Smits. Further interrogatories, upon which to be heard and questioned once again, the detained slave Castor of Bougies, bondsman of the burgher Hendrik Ludolph, and this likewise at the requisition of the Independent Fiscal Johan Nicolaas Steven van Lynden. Appeared before the undersigned commissioner members from the Honorable Court of Justice of this government, the slave Castor of Bougies, who has given such answers to these further questions presented to him as are noted alongside each article.

Dutch transcription

gehoort en ondervraagt ten nements, de slaaf Castor worden den gedetineerden van Bougies, dewelke op deese nevenstaande on„ Slaaf Castor van Bougies terrogatorien zodaanige toebehoorende aan den Bur antwoorden heeft gegeeven als bezijden ijder artic=e ger Hendrik Ludolph van deselve staat aan, zullende deszelfs te geeven responsiven in margine geteekend. deezes moeten worden be„ kend gesteld. Art: 1. des gevn Naam, ouder om zegt, Castor, oud 28 Jaa„ en Geboorte Plaats. ren, geboortig van Bou„ gies. zegt, hendrik twee Jaaren zegt Hendrik Ludolph geheeten en een Bak„ ker te zijn Hoe zijn gevr: teegenswoor¬ dige Lijfheer genaamd is en welke professie deselve doet „ 3. Hoelang hij Gevr: hier ter lande geweest is, „ 2. te hebben, zegt sa, zegt in de Bakkerij gewerkt zegl: Stuurman Smit, welke hij gev. heeft op gepast. of de Gevr: ook meer Lijfheeren het zij hier te Lande of elders, gehad heeft, hoe deselve ge„ naamd zijn geweest, en waarin des gevr. verrich„ ting bij deselve geweest is of de gevr: ook verkeezing houd met eenige slavin zo ja hoe deselve genaamd is en aan wien zij in eij¬ gendom toebehoort. welke ambacht de Gevr: bij zijn voor Lijfheer geexcecceerd heeft. zegt. Regina ge„ naamd te zyn en aan Hendrik Lu„ dolph. zijn gev: Lyf„ heer in eigendom te behooren, 4 5. zegt, zomtijds met de„ zelve Slavin Twist ge„ had te hebben. of de gevr: steeds in ee„ nigheid met deselve ge„ leefd heeft, dan of hij met deselve tusschen beide wel een en andermaal twist heeft gehad. zo de gevr: het laatste Lid affirmeerd, hem als dan te vraagen, wat oorsaak en aanleiding tot die successive discor„ des gegeeven heeft en wanneer hij Gevr: het laatste met zijn Meid heeft rusie gehad heeft. zegt, om dat zeekere slave Iongen, gen„d„ Philis, Lifeigene van des gevr: Lijfkeets van der, dikwils bij zijn Meid kwam, en hij Gevr: dan uit de Com„ buijs moest gaan, waarom hij hem wel eens eenige slaagen heeft gegee„ ven, en dat hij Gevr: op denselven dag dat hij Art: 8. mde zegt. Ja bracht. inde Tronk gebracht wierd met gemelde sla„ vin lusie gehad heeft. zegt op den dag toen hij zo Ja wanneer zulx het Gevr: na de Prank is (ges laatste gebeurd is. 12. Of des Gevr: Lijfheer ook kennis heeft gedraagen hield, dat hij met deselve len, en daar op de zee„ dat hij Gevr: met de sla„ de gevraagt hebben, vinne Regina Verkeering zegt dat zijn lijfheer de Meid had zien huij„ de, zij aan gem: zijn„ 11. Of de gevr: de voorsz: slavinne, wanneer hij in onmin met haar leefde niet somtids geslaa„ gen heeft. 10. Lyf in on beantwoord op uitC: 10 Lijfheer van de tusschen henlieden onstaane twisten had kennis gegeven. Of des Gevrs. Lijfheer. zegt Jan dat zijn Lij„ heer eenige slaaven hem Gevr: over zijne han„ heeft geroepen om delwijze niet bestraft hem bij het slaan heeft, en hoedanig" vast te houden zegt te Huijs ge¬ weest te zijn, Of de Gevr: op voorsz. 88 15 Waar hij Gevr: op maan¬ ƒ dag den 7 Maart I: L. s'avonds tusschen zee¬ ven en agt uuren ge¬ weest is „ 14 Art: 13. in oermin leefde, en dat hij haar nu en dan met slaagen over„ laadde, Maart. beantwoord op aitfo 12. Maart niet eenige dis„ puten met meergem: zijn Bijzit heeft ge„ had, en of hij Gevr: toen ook tot daade„ lijkheeden is overge¬ gaan, Ait: 16. Of des Geer Lijfheer van het voorgevallene tusschen den gevr: en zijn Bijzit ook kennis heeft gekree¬ gen zo Ja door wien en op welke wijze beantwoord op het zelve 12 de Artocul 77 - Art=s. 188 beantwoord op Arti„ ane B3. Zo Ja wat zijn lijf. zegt dat zijn Lijf„ heer hem gezegt heeft heer hem niets heeft gevraagt, maar zo¬ danig met hem gehandelt heeft als hij Gerr: op art: 13. heeft beantwoord. zegt niets geant„ woord te hebben maar na een mes te hebben gegreepen. „ 20 En wat hij Gerr aan denselven geantwoord heeft 19 Of zijn gevr: Lijfheer hem Gevr: over het laat ote voorval ook heeft onderhouden, A Not. 21. waar 's Gevr. Lijfheer hem over zijn gedrag Bakkerij geschied is. heeft onder houden zegt dat zulx in de Aldus gevraagt en beantwoord aan Cabo de Goede Hoop den 15 Maart 1791. voor de Heeren Salomon van Echten en Iohannes Smits als Gecommitt„s, Leeden uit den E: Achtb: raade van Justitie dee„ zes gouvernements, die de Minu„ te deezes, beneevens, den Gevr. en mij geswoore Clercq meede behoor„ lijk hebben onderteekend. /:laager:/ 't welk ik getuijge /:was geteekend P: Diemel gesm Clercq (:onderstond:/ Compareerde voor ons onderget: Gecommitt:s uit den E: Achtb: raa„ de van Iustitie deeses Gouvernements de bovengem: Gevangen Slaaf Castor de welke de voorenstaande Interroga gegeevene tozien, met de door hem responsiven klaar en duijdelijk voorgeleesen weesende, verklaarde denselven daarbij te blyven per¬ sisteeren, met begeerte dat er niets meer bij of van gedaan worden zal, betuijgende het voo„ waarheid renstaande de zuyvere te zijn /:ondestoend:/ Aldus gerecolleert aan Cabo de goe„ de Hoop, den 21 Maart 1791. /: was geteekend :/ C s en daaromschree„ ven dit merk heeft den Gevr: eijgen Recollement. handig O mij handig gesteld, /:laager: praesent /:geteekend:/ W: J: V: Ryne„ veld Secretaris. /:in margine:/ Als Gecommitt=s /:geteekend:/ R: W: Johs Smits D: Biet en Nadere Interroga„ Compareerde voor de onderget: gecomm: see„ tozien omme daarop an„ den uit den E: Achtb: raa„ dermaal gehoort en de van Justitie deeses gou„ ondervraagt te worden vernements de slaaf Cas„ den Gedetineerde Haaf tor van Bongies dewel„ ke op deese aan hem noor¬ Bougies Castor van gehoudene nadere Vraag„ Lijfeigen van den poincten zodaanige ont„ Burger Hendrik Lu„ woorden heeft gegeeven als bezijden eider acticul dolph, ende zul insge„ staan aantgeteekend, lyks ter requisitie van den Independent Fis„ caal Johan Nicolaas Steven van Lijn¬ den 6 6

NL-HaNA_1.04.02_11024_0624 view scan ↗

English

Steven van Lynden, the responses given by the interrogated party to be placed and noted in the margin. Article 22. Whether the interrogated party's master did not first reprimand him outside the bakery and subsequently bring him into the bakery. Says as before. Article 23. In what manner his master brought him to the bakery. Says that his master first reprimanded him, the interrogated party, in the kitchen situated next to the bakery, and further dragged him into the bakery. Article 24. Whether the interrogated party, as soon as he came into the bakery, with great passion bent down and seized an old knife lying under the kneading trough. Says yes. Article 25. Whether the knife now shown in court to the interrogated party is the same one that the interrogated party reached for. Says yes. Article 26. Whether he, the interrogated party, did not take that knife from the ground. Says yes. Article 27. Whether he did not thereby attempt to wound his master. Says yes. Article 28. With what intention such happened. Says that his intention was not to kill, but only to wound. Article 29. And if not, why he then took up the knife from the ground. Lapses. Article 30. Whether the interrogated party's master did not attempt to wrest the knife from him, the interrogated party; and whether he, the interrogated party, did not oppose this with all his strength. Says that his master, with the help of his slaves, seized him, the interrogated party, and thus took away the knife, against which he attempted to resist. Article 31. If the interrogated party says yes and nevertheless denies having had any evil intention and design upon his master's life, to ask him why he then exerted himself so greatly to keep the knife and not give it up to his master. Answered at Article 30; says that he did such in his anger. Article 32. In what manner and by whom the knife was wrested from the interrogated party. [Illegible] Article 33. How the interrogated party came into custody. Says by two Europeans living there in the neighborhood, with the help of some slaves, to have been brought to the jail. Article 34. Whether the interrogated party does not understand that he has severely transgressed and therefore deserved severe punishment. Says yes. Article 35. Whether the interrogated party also knows anything to offer in his defense, and what such consists of. Says he refers to his previously answered articles and requests a merciful punishment. Below stood: Thus questioned and answered at Cabo de Goede Hoop on 29 March 1791, before the Messrs. Rijno Johannes van der Riet and Gerrit Hendrik Meyer, as commissioned members from the Honorable Court of Justice of this government, who duly signed the minute hereof along with the prisoner and me, the sworn clerk. Lower: Which I witness, was signed: E. Diemel, sworn clerk. Re-examination. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, the slave Castor, bondsman of the burgher Johan Hendrik Ludolph, to whom these his interrogatory articles, with the answers given thereto, being clearly and distinctly read aloud word for word, declared that he persisted and continues to persist therein, desiring that nothing more shall be added or removed. Below stood: Thus re-examined at Cabo de Goede Hoop, 21 March 1791. Was signed: and inscribed around it: this mark was made by Castor. Lower: In my presence, signed: W. S. van Ryneveld, Secretary. In the margin, as Commissioners, signed: R. J. van der Riet and Johannes Smuts. Agrees. Date as above. Sworn Clerk. Number 15. Article 1. Appeared before the Right Honorable and Worshipful President and Council of Justice of the Castle of Good Hope, the Independent Fiscal Johan Nicolaas Steven van Lynden, prosecutor in official capacity in a case of committed mistreatment, on the one side, Against Anna Sophia van Elve, wife of the Master Painter of the Honorable Company, Johannes Oostendorp, defendant in person in the aforementioned case, on the other side. 2. And did declare: 3. That on 1 October of the past year 1790, there appeared at the government prison a female slave child, 4. named Aletta of Batavia, belonging to the defendant's husband, in order to complain about the cruel conduct of her mistress, the defendant in this matter. 5. The prosecutor in official capacity deemed it his duty to take the necessary information in this matter, 6. in order to be able to act, according to findings, either against the defendant or against the slave girl in question. 7. That from the said information it has appeared to the prosecutor in official capacity, 8. not only that the aforementioned girl was mistreated in a barbaric manner from head to foot over her entire body, 9. but also that the defendant in this matter most probably must be regarded as the first, sole, and primary cause of these cruelties committed; 10. on which account he considered that he should proceed otherwise against the defendant; 11. just as he, to that end, having requested and obtained Your Honors' decree on the 28th of the same month of October, 12. by virtue of the same caused the defendant to be summoned,

Dutch transcription

steven van Lijdden, zullende de door den ge„ v7: gegeevene resposisiven in margine worden be„ kend, gesteld. art: 22. Of des Geor: Lijfheer hem met eerst buijten de Batterij onderhoud en en vervolgens na de Bat kerij gebracht heeft. Art=l 23. hoedaanig zijn Gerr: Lijfheer hem naa de Bakkerij heeft ge¬ bracht, zegt als vooren „zegt dat zijn Lijf„ heer hem Gevr: eerst in de Combuijs nee„ vens de Bakkerij staande, onderhouden en hem voorts in de Bakkerij getrokken heeft zegt Ia. zegt Ja. Of de Gevr: met Do dra hij in de Bakke„ tij is gekoomen, met veele drift zich heeft nedergebukt en naa een oud mes onder de Bakkist leggende ge¬ greepen heeft, „ 25. Of het mes thans„ thans aan den Gevr: in Iudicio vertoond met het„ zelfde is na het welk den Gerr: Art. l 24 heeft zegt Ia: zegt Ja of hij Gerr: dat mes niet van den grond genoomen heeft 27 „ of hij daar meede niet gepoogt heeft zijn lijfheer te quet„ den 28. zegt ja met welke intentie sulx ge¬ zegt, dat zijn in„ tentie niet ge„ Art. l 26. heeft gegreepen meest, schied vervald. weest is te dooden maar alleen te quet„ zen 29 En zo neen waarom hij dan het mes van den grond heeft opge¬ noomen „ 30 of des Gevr: Lijfheer, zegt, dat zyn lyf„ niet getracht heeft heer, met behulpzij„ hem Gevr: het mes nen slaaven, hem te ontweldigen; en gevr: heeft gegree„ of hij Gevr: zich hier pen en zo het mes afgenoomen, waar teegen niet met al teegen hij getracht zijn kracht heeft ge„ heeft zich te ver„ opposseert. zetten— schied is. beantwoord op Art: 30. zegt, zulx in zijn arift gedaan te hebben Zo de Gevr: zegt Ja en evenwel ontkend, ee„ nige quaade intentie en aanleg op zijn Lijfheer leven gehad te hebben, denselven als dan te vraagen waarom hij zich dan zo zeer beijvert heeft om het mes te behouden en hetzelve niet aan zijn lijfheer af te gee¬ ven. „ 32 hoedaanig en door wien het mes aan den gevn is ontwel„ digt, geworden Art: 31. Art: 33 zegt, door twee daar in de buurt woonende Europee¬ zen, met behulp van eenige slaven naar de Tronk gebracht te zijn „zegt Ia„ of de gevr: ook iets ter zegt zich te referee„ ten aan zijne voori, zijner verontschuldi„ ge beantwoorde ar„ ging weet op te gee„ ticulen en een ge„ ven en waarin zulx nadige straf te bestaat. verzoeken /:onderstond:/ Aldus gevraagt en beantword „. 35 „ 34. of de Gevr: niet be„ grijpt zwaarlijk mis„ dreeven en daar overswaare straffe verdient te hebben. hoedanig aen Gevr: in hechtenis is ge„ 2 raakt aan Cabode GoedeHoop aen 29 Maart 1791. voor de Heeren Cryno Joh:s van der Piet, en Gerrit Hend=k Meijer; als gecomm: Leeden uit den E: Achtb: Raade van Justitie deeses gouvernements, die de minu„ te deeses beneevens den Gevan¬ gene ende mij geswoore Clercq meede behoorlyk hebben onderteekend, /:laager:/ T welk ik getuige, was„ E: Diemel geow: Clercq geteekend:/ Recollement Compareerde voordns Onderget. E Gecommitteerdens uit den Achtb: Raade van Justitie deeses Gouvernemeents, den Slaaf Ca„ ster Lyf eijgen, vanden Bur ger Iohan Hendrik Ludolph dewelke dewelke deeze zyne vraag artivalen met de daarop gegeevene antwoorden van woorde tot woorde, klaar en duij„ delyk voorgeleesen weesende, verklaarde daarbij te blyven persisteeren, met be„ geerte dat er niets meer bij gevoegt ofte vaingedaan werden zal„ /onderstond:/ Aldus gerecolleert aan Cabo de goede koop den 21 Maart 1791. /: was getee„ kend:/ _ :/ en daaromschreeven:/ dit merk heeft Castor gesteld /:laa„ gen : / mij present :/ geteekend:/ W: S: van Ryneveld Secretaris /:in mar„ eine als Gecommitt s /:geteekend::/ R: J: vander riet en Jeh:s Smuts Accordeert. Datumen S gem Clercq C: d:o Artl 1. Compareerde voor de wel Edele en Achtbaare Heeren Padsi„ dert en Raaden van Justitie des Kasteels de goede Hoop de Independent Tischaal Johan Nicolaas Steven van Lijnden r. O. Eissr in cas van gepleeg de mishandeling ter eenre Contra Anna Sophia van Elve huis vrouw van den Baas Schil¬ der der E Compte Johan¬ nes Oostendorp, gedaag= cesse in persoon in 't voorsz: can ter andere zy¬ de — Ende dede zeggen; — dat op den 1 October, des gepasseerden Jaars 1790, in 's Heeren gevangenhuys verschee„ nen zijnde een slavin meisje, in naame Aletta van Batavia, toebe„ hoorende aan der ged=se man; ten einde te klagen over de Wreede han¬ delwyze van haare Lyfvrouwe de ged=etse in dezen,. 5. de R. O. Eiss=r het van zynen plicht heeft geoordeelt ter dier zaake de nodi„ No 15 2. . 4. ge in formatien te neemen; 6 ten einde naar bevinding of tegen de ged=ne of tegen de slavinne in qudstie te kun¬ =nen ageeren. — Dat uit dezelve informatien aan den E. O. Eiss=r is komen te blyken, 8. niet alleen, dat het voorsz: meisse van het hoofd tot de voeten over haar ge= heel lighaam op eene barbaarsche wij¬ ze was mishandelt geworden, g maar ook, dat de ged=ese in dezen hoogstwaar„ schynlyk moest worden aangemerkt als de eerste eenige en voornaame oorzaak de¬ zer gepleegde wreedheden; 10 weshalven hy gemeent heeft dieswegens eramen aliter tegen de gedsse te moeten procedeeren: ss zoo als hy dan ook ten dien einde, op den 28 derzelfde maand October, verzocht en geobtineerd hebbende UEE achtb: Decreet 12 uit krachte van het zelve de ged=se heeft doen dagvaarden, 7.

NL-HaNA_1.04.02_11024_0637 view scan ↗

English

to appear in person before this Council on the 11 Nov: next following, in order to hear such claim or demand or requests as the Officer Plaintiff in the aforesaid case, serving on that day, should see fit to make against her, the defendant, to answer thereto, and further to proceed as according to law. That the defendant, having appeared in court on the appointed day, was ordered upon the request of the Officer Plaintiff by further interlocutory decree to answer before the Commissioners to such interrogatories as would be presented to her on behalf of the Officer Plaintiff. Pursuant to which decree the defendant, having been examined before the Commissioners on the 23 Nov:, was able to bring herself, while not directly denying the fact in question, nevertheless to disguise it in such a crafty manner that the Officer Plaintiff, for want of the confession required by law for an extraordinary procedure, was compelled to cause it to be declared that for the aforesaid reason he might well permit that the defendant be admitted to an ordinary trial and permitted to be represented by an attorney; just as she, the defendant, on the 6th of this month was indeed admitted to an ordinary trial and permitted to be represented by an attorney. Whereby the nature of these proceedings having thus been altered, the Officer Plaintiff will now demonstrate to Your Right Honorable Worships by the customary methods of proof: 1st, that a certain slave girl, named Aletta of Batavia, belonging to the defendant's husband, was beaten and mistreated from head to foot in an inhuman manner; 2nd, that the defendant truly made herself guilty of that extreme mistreatment; with an inquiry 3rd, how she ought to be punished for it. As to the first point, may Your Right Honorable Worships merely cast your eye upon the documents annexed hereto under Letter C. 1 and 2, from which it will most clearly appear that the aforesaid girl was beaten and mistreated in a pitiable manner; as, according to the aforesaid autopsy report, the largest part of her body was full of fresh welts and scars on the back, accompanied by diverse raw patches on the face, and several scars and welts on the front across the body, as well as an open wound on the arm; so that from whatever side the Commissioners viewed the girl, the same always showed the most visible marks of a continuous mistreatment. And indeed, Noble and Right Honorable Lords, one could never find a more suitable subject than this girl to provide an example of the most unchristian and cruel mistreatment that one has ever seen inflicted upon a slave, especially one of those tender years. The mistreatment itself having thus been established beyond dispute, as the Commissioners who attended to the inspection can further attest, the Officer Plaintiff will in the second place attempt to show that the established mistreatment was truly committed in this matter by the defendant. To that end, may Your Right Honorable Worships be pleased to examine the exhibits under Letter D. 1 and 2, in the first of which the mistreated girl herself testifies that she was mistreated daily by the defendant, while the other exhibit, being a deposition of the soldier Fredrik Doding who lived with the defendant, fully confirms that testimony, adding further that the defendant often beat the girl in such an improper manner for insignificant small faults and childish acts. Since the defendant will now never be able to prove that the aforesaid girl was thus mistreated by anyone else, nor even that the girl had been in a position to have been abused in that manner by anyone other than the defendant; and since on the other hand it has meanwhile been most clearly proven true that the same girl was maltreated in an inhuman manner; it speaks, with all due respect, for itself that the defendant must in this matter be considered the sole cause of the mistreatments in question, and as such is brought to justice with the best right before Your Right Honorable Worships. And add to this entirely lawful reasoning that the defendant, at Article 17 of the interrogatories annexed to this claim under Letter H, acknowledged having had her slave girl Aletta held fast eight days before she came into the prison, and having personally beaten her with a sjambok; as well as that the defendant, at Article 20 of the aforesaid interrogatories, did not dare to deny that the girl Aletta received the stated scars at her, the defendant's, hands, but on the contrary voluntarily confessed, note well, that the girl always stole and therefore received beatings, and that where blows fell, welts were also caused. If one adds, says the Officer Plaintiff, all this to the previous reasoning, then not the slightest doubt remains concerning the fact charged against the defendant. For upon attentive consideration of the defendant's given answers, one will find that however much she attempted to gloss over her conduct

Dutch transcription

13: omme op den 11 Nov: daaraan volgende in per soon voor dezen raade te compareeren, 14: ten einde te aanhooren zodanigen Eisch, 15 dan wel verzoek ofte verzoeken, 16. als de r. O. Eiss=r ter zaake voorsz: ten da„ ge dienende zoude goedvinden tegen haar ged=sse te doen, 17 daar op te antwoorden en voorts te procen= deeren als naar rechten. 18. Dat de ged=se ten bepaalde dage in Judico verscheenen zynde 19 op verzoek van den 7. O. Ess=r aan haar bij nadere interlocutoire dispositie is geor„ „ donneert 1 20. comme voor H: H Gecomms. te antwoor¬ den op zodanige Intervogatorien, 21 als aan haar van wegen den 7. O. Eiss=r Zou„ den worden voorgehouden. 22. ingevolge welke dispositie de gedsse op den 23 Nov: voor H. H. gecomms geëxami¬ neerd zynde geworden, 23. van zich heeft kunnen verkrijgen¬ 24. om het feijt in qudstie wel niet direc= V =telyk te ontkunnen 25. maar evenwel op eene listige wyze zodanig te dequiseeren, 26 dat de 7. O. Eisscher, by manqusurent van de by de wetten, tot eene extraordinaire proce dure vereischt wordende confessie, genoodzaakt is geweest, 27. Omme te doen declareeren, 28 dat hy ter oorzaake voorsz: wel mogte lijden, 29 dat de ged=se wierd ontvangen in een or„ dinaris proces 30 en geadmitteerd, omme by procureur te mo gen occupeeren 31 Zoo als zy gedese dan ook op den 6 dezer effective in een ordinaris proces is ont¬ vangen, 32 en geadmitteerd geworden, om by procu¬ reur te mogen occupeeren. 33 Waar door de gedaante dezer procedures in diervoegen verandert zijnde 34 de r. O. Essr. thans Solitis probandi modis aan U E E Achtb: zal betogen; 35 1=o dat zeker slavin meisje, gen„t Aletta van Batavia, toebehoorende aan der ged=e man man van 12 hoofd tot de voeten, op eene on„ menschelyke wyze is geslagen en mishan¬ delt geworden 3 3 C: Lo dat de ged=ese zich waarlyk aan die 8 verregaande mishandeling heeft schuldig gemaakt. — met onderzoek 37 3=o hoedanig zy daar over behoorz te worden gecorrigeerd. 38 Wat het Eerste betreft, gelieven UE E Achtb. slechts het oogte vestigen, 39 op de hiernevens sub L C. 1 2 C. gevoegde stukken, 40. uit welken ten klaarsten zal consteeren, 41. dat het voorsz: meisse op eene deerlyke wyze is geslagen en mishandelt gewor den 42. als zynde, blykens dat gem: schouwac= zen het grootste gedeelte haars lig= haams van agteren vol versche striemen en Lid teekenen 43 verzeld van diverse raauwe plekken op 't aangezicht, 44 en verscheide Lidteekenen en striemen van vooren over het Lighaam; 45 als mede eene open wond op de arm 46 zoo dat van welke zyde H H. gecomms het meisje ook beschouwden 47. het zelve altoos de zichtlaarste kentee kenen, van eene gecontimiterde mishande ling vertoonde 3 48 En inderdaad Edele en Achtb: Heeren, novit zou geschikker voorweijp als dit meesje, kunnen aantreffen, 49 om een voorbeeld uit te leveren van de Onchristelykste en wreedste mishandeling 5. O. die men immer aan een slaaf, vooral van die tedere Jaaren, heeft zien uitoefferen. — 51 De mishandeling zelve dus bruiten tegen„ spraak gesteld zynde. 52 gelyk H H Gecomms. tot de Schouwing gevaceerd hebbende nader kunnen betul gen 53 zal de r. O. Eissr in de Tweede plaats tragten aan te toonen 54 dat de geconstateerde mishandenling waarlyk door de ged=se in dezen is gepleegd 55 Ten dien einde gelieven UE E Achtb: en te zien de Producten sub L. D. 182. lous, 56 in welker Eerste het mishandelt meisse zelf getuigd 57 dat zij dagelyks door de ged=ese is mishian delt geworden, 58 terwyl het ander product, zijn, de een ver„ klaaring van den by de ged=te gewoond hebbende verse soldaat Fredrik Doding, dat getuigenis vol= komen bevestigt 59 met byvoeging nog dat de ged=ene het mee„ rutneisse dikwils om niets beduiden de kleijne fauten en kinderagtige bedrij= ven, op zodanige onbetamelyke wyze heeft geslagen. — Daar de ged=se nu nimmer zal kun„ 60 nen bewyzen. dat het voorsz: meesse door iemand an ende ders zodanig is mishandelt geworden. 62 Ja zelfs niet, dat het meesse in de gelegenheid is geweest, van door een ander als de ged=se op die wijze te hebben kun nen worden geteesterd; 63 in daar het van den anderen kant on„ dertusschen ten klaarsten bewaarheid is, 64 dat het zelve messe op eene onmenschelyk ke wijze is gemaltracteerd; 65 zoo spreekt het, onder correctie, van zelve, 66 dat de ged=ne in dezen als de eenige oor zaak der mishandelingen in quostie moet worden geconsideneert; 67 in als zodanig optimo Jure voor U E. E. Achtb: is te recht gesteld. — 68 Een voegt by dit allezints wettig rui¬ sonnement 69 dat de ged=es adart. 17 van de Interro„ gatonen, dezen Eisch sub L: H, annex erkend heeft. 70 haar slaven meisje Aletta, acht da„ gen voor dat het zelve in 't gevan¬ genhuys is gekomen, te hebben doen vasthouden, en zelve met een sjam„ bok geslagen; ƒ 71 mitsgaders dat de ged=ne ad art: 20 der 1 der evengem: Jnterrogatorien niet heeft dur¬ ven ontkunnen 72 dat het meesse aletta de opgegeven lid teekenen by haar ged=se heeft ontvangen 73 maar uitegendeel wywillig heeft geconfe= =seert, 74 N B, dat het meisse altoos gestolen, en van slagen gekregen heeft, „75 en dat daar slagen vielen, ook strie„ =men Veroorzaakt wierden. 76 Voegt men, zegt de r. O. Eiss=r, dit al =les by het voorig geraisonneerde 77 dan blyft 'er geen de minste twyf= fel over omtrent het aan de gedese last gelegde feyt. 78 Want men zal by attente overweging van der ged=se gegeven antwoorden bevinden, 79 dat hoe zeer zy haar gedrog heeft tragten te passieeren

NL-HaNA_1.04.02_11024_0644 view scan ↗

English

and has attempted to cover the same with the cloak of domestic correction, from her given responses, however, an implied confession can be learned with very great ease, which, although not sufficient for an extraordinary process, nevertheless does not fail to be a judicial confession, and on that account constitutes very strong proof, so that this confession, added to the first argument, which alone and in itself provides strong proof, must necessarily convince the judge of the truth and cause all difficulties to disappear, which otherwise hinder a judge in passing judgment and mostly arise from a lack of sufficient proof. Meanwhile, no dispute can arise concerning the intention or malice of the defendant delinquent, because the mistreatment in question does not consist of a single blow or thrust, which might have been inflicted by accident, but in a continual repetition of sjambok blows, when there is certainly time enough to notice that one is exceeding the bounds of punishment, and that it is thus time to restrain one's passions. Wherewith the officer plaintiff, deeming the fact properly proven, will finally, in the third place, briefly examine how the defendant in this matter ought to be corrected. According to the statutes of the Indies, Title of slaves or bondsmen post initium, the punishment varies according as the mistreatment has or has not resulted in the death of the mistreated slave. In the former case, a capital or at least corporal punishment is inflicted, which is in full observance here; but in the latter case, the mistreated slave is declared forfeit; which punishment, so far as is known to the officer plaintiff, is not practiced here, but the mistreated slave is sold by the judge for the benefit of the accused, either alone or also pro re nata with his fellow slaves, on condition of never being allowed to return under the power of the accused or that of his relatives, while furthermore, as punishment for the mistreatment, a monetary fine is determined by the judge, according to the greater or lesser cruelty that may have taken place in the case at hand. And on these grounds, the officer plaintiff, subject to correction, is of the opinion that in the case in question the mistreated slave girl Aletta ought to be sold for the benefit of the defendant's joint estate on the usual conditions, and she, the defendant, further be condemned to a monetary fine, proportioned to the mistreatment committed, and whereby the well-known cruel disposition of the defendant could be restrained in an efficacious manner. Which latter, however, in this case can only take place, since the slave girl in question died yesterday in the Company's slave lodge, and on that account the sale for the benefit of the defendant's joint estate will not be applicable: Wherefore, along with other reasons and arguments to be further deduced in due course if necessary, the officer plaintiff, making his claim, concluded that the defendant, by definitive sentence of Your Honorable Worships, shall be condemned to a fine of Two Thousand Ducatons for the benefit of the officer, with condemnation of the defendant in all the costs incurred in this matter, or to others etc. Was signed: J. A. Truter ad J. In the margin: Exhibited in court the 20th of January 1791. An inspection having been conducted by the gentlemen Salomon van Echten and Johannes Smuts, members of the Honorable Council of Justice of this government, upon the requisition of the Independent Fiscal here, Mr. Johan Nicolaas Steeven van Lijnden, of a certain slave girl named Alida of Batavia, belonging to the master painter of the Honorable Company, Jan Janssen Oostendorp, aged by estimate 15 years, the said slave girl was found to be beaten and mistreated in a deplorable manner, being on her back and buttocks from behind full of fresh welts and scars, accompanied by various raw welts and spots on the face, and several scars from the front across the body, as well as an open wound on the arm, the said slave girl having been beaten and mistreated in such a manifest manner by her mistress with a sjambok. Of all of which this inspection has been drawn up. At Cape of Good Hope, the 12th of October 1790. In my presence, was signed: Johan Daniel Karnspek, sworn clerk. Lower: Agrees, signed: J. D. Karnspek, sworn clerk. I, the undersigned, declare upon the requisition of the Honorable Independent Fiscal J. N. S. van Lynden to have visited yesterday in the Honorable Company's prison a certain slave girl, by estimate 10 years old, belonging to Monsieur J. Oostendorp, whose body was found from behind full of fresh scars and welts, bruised and ulcerated with the epidermis peeled off, as well as various raw spots on the face on which scabs had already formed, and several scars from the front across the body, the said girl testifying that this was inflicted on her by sjambok blows. Cape of Good Hope, the 12th of October 1790. Was signed: J. Leeuwer. Account given before the delegated commissioners of the Honorable Council of Justice of this government by and on behalf of the slave Alida of Batavia, bondswoman of the Firemaster Jan Oostendorp.

Dutch transcription

80 en het zelve met den mantel van domestique correctie gepoogd heeft te be= dekken, 81 uit haare gegeven responsiven even wel met zeer groot gemak eene inge wikkelde confessie te erveeren is, 82 welke, ofschoon niet voldoende ad processum extraordinarium nogtans niet naalaat eene Judicieele confessi te zijn, 83 en uit dien hoofde een zeer wel¬ tig bewijs uit te maaken 84 zoo dat deze confessie, gevoegd by het eerste argument, 85 't welk alleen en op zich zelf een sterk bewys opleverd, 86 den rechter noodzakelyk van de waar heid moet overtuigen, 87 en alle zwarigheden doen verdwy¬ nen, . 88 welke een rechter anderzints in het oordeelen hinderlijk zin, 89 en veelal uit gebrek aan voldoenens bewijs voortspruiten. 90. Ondertusschen kan over de ruimus de of quaad opzet van de gedste linguende geene consestatie vallen, 91. Om dat de mishandeling in gudsta niet bestaat in een eenigen slag ofstot, 92 welke by toeval kan zyn toegebragt; 93 maar in eene geduurige herhaaling. van Sjambok slagen, 94 wanneer er zekerlyk tids genoeg is om te bemerken; 95. dat men de maat in 't straffen te buiten gaat, 96 en dat het dus tijd word, om zyne driften te beteugelen. — 97 Waarmede de r. O. Eiss=r het feijf behoorlyk beweesen oordeelende, 98 eindelyk in de derde plaats nog korte lyk zal onderzoeken, 99 hoedanig de ged=esse in dezen behoort te worden gecorrigeerd 100 Ingevolge de statuten van Indien, Telud van slaven of Lyfeigenen post initium is de Straffe verschillende, 101 naar maate de mishandeling de dood van den gemastracteer den slaaf al of niet ten gevolge heeft gehad. 102 In 't eerste geval word eene dood= of ten minsten Lyfstraffe geinfligeerd, 1 103 't geen hier ter plaatze in veride ob= servance is; 104 doch in 't laatste geval word de mishandelde slaaf verbeurd verklaard; 105 welke straffe hier voor zoo verre den r. O. Eiss=r bekend is, niet ge= practiseerd practiseerd word, 106 maar word de mishandelde slaaf of al leen, of ook wel pro ve nata, met zijne mede, slaven, door den rechter ten pro¬ fyte van den beschuldigden verkogt, 107 onder voorwaarde van nimmer te mo gen wederkeeren onder des beschuldig¬ dens macht of die der zijnen 108 terwyl voorts tot straffe van de mis„ handeling eene pecunieele amende door den rechter word bepaald, 109 naar gelang van de meerdere of min„ dere wreedheid 140 welke in 't voorhanden zynde geval mogt hebben plaats gehad. — 111 En op deze gronden is de r. O. Eiss=r on¬ den correctie van oordeel 112 dat in 't geval in qudstie de mis= handelde Slavinne Aletta, ten profejte van der ged=ste gemeenschappelyken boe del, op de gewoone voorwaarden behoor¬ de te worden verkogt 113 en zy ged=se voorts gecondecuneert in eene pecunieele amende, 114 geëvenzedigt aan de gepleegde mishan¬ deling 115 en waar door de zoo bekende wreede in borst van de gedsse of eene efficacieuse wijze 6 konde beteugeld worden. 116 Welk laatste nogtans in dit geval alléen kan plaats hebben, 117 aangezien de Slavinne in qudstie ges teren in 's Comp=s slaven Loge is ko= men te overlyden 118 en uit dien hoofde de vekooping der pro= fite van ged=sse gemeenschappelyken boedel niet te passe zal kunnen komen: Mits welke een andere ra¬ denen en middelen, in tyd„ en wylen, is 't nood, nader te deduceezen, de r. O. Ess=r Eisch doende concludeerde, dat de ged=sse by definitive Vonnisse van UEE Achb: zal worden gecondemneerd in eene boete van Tweeduyzend Ducatonnen ten profyte van den offi¬ dier met condemmatie van de ged=sse in alle de in dezen gevallen kosten ofte tot anderen &ca= was geteekend: J: A Fruter ad J: in margine Exibitum in Iudicco den 20 Januarij 1791: Door de heeren Salomon van Echten en Iohannes Smuts leeden uit den E: Achtb: raade van Iustitie dee„ zes gouvernements ter requisitie van den heer Inde„ pendent Fiscaal alhier Iohan Nicolaas Steeven van Lijnden schouwing gedaan zynde van Zee„ kere slaaven meisje, in naame Alida van Bala„ „via toebehoorende aan den baas schilder der EComp Ian Ianssen Oostendorp oud naa gissing 15 Jaaren is het zelve slaave meisje bevonden op eene deerlyke wijze geslaagen en mishandelt te weezen als zynde op haar rug en billen van achteren 0 vol versche striemen en Lidteekenen, verzeld van diverse raauwe striemen en plekken op 't aangezigt en verscheidene Lidteekenen van vooren over het Lichaam als meede eene open wonde op de arm belingen het zelve slaaven meisje op zoo„ daanige blyk baare wijze door haare Lyfvrouw met een Sjambok te zijn geslaagen en mishan„ derd geworden Van welk een en ander deeze schouwing is geformeerd /onderstond. Aan Cabo de goedehoop, den 12 October 1790 Laagen:/ Mij praesent /was geteek: Iohan: Daniel karnspek geow Clercq mog Laager Accordeert geteek: F: D: karnspoek gesw Clercq JK 6 - Ik ondergeteekende verklaarde ter requisitie van den E Achtbaaren Heer independent Fiscaal I: H: S: Van Lynden op gistere in het sEComps ge vangen huis gevisiteerd te hebben zeekere slaaven mijsje nagissing 10 Jaaren toebehoorende Monsieur J: Oostendurp van welke bevondene desselfs Lichaa van achtere vol verse Litteekens en vergaande van opperhuyd ontvelde streemen kneusinge en zweeren als ook diverse raauwe plekken in 't aangezieht waarop zig reeds horste hadde gezet en verscheyde Litteekens van voore over het Lichaam, getuijgende gem: haar dit door Sjambok slaage te zijn toegebragt. Cabo de goedehoop den 12 october 1796 J:s Leeuwer. —. /was geteek:/ Relaas gegeeven ten over staan van heeren gecommitt:s uit den E: Achtb: raade van Justitie deezes gouvernements door ende van weegens de Slaaven Alida van Batavia Lyfeygenen van den Brandmeester Ian Oostendorp 6

NL-HaNA_1.04.02_11024_0653 view scan ↗

English

Oostendorp aged approximately 15 years, who at the requisition of the Independent Fiscal, the Honorable Mr. Johan Nicolaas Steven van Lynden, related it to be true: That she, the relator, is daily mistreated by her mistress in such a manner, often without the slightest cause, that she was finally forced to complain about these mistreatments. The marks, which at the execution of this document were still visible over her entire body, having been shown by the relator to the Gentlemen Commissioners. Relating nothing further, she gives as reason for knowledge as in the text, being prepared, if required, to further confirm the foregoing. Thus done and related at the Cape of Good Hope on 12 October 1790, before Messrs. Salomon van Echten and Johannes Smuts, members of the Honorable Council of Justice aforesaid, who have duly signed the minute hereof along with the relator and me, sworn Clerk. Below: Which I witness. Signed: J: D: Karnspek, sworn Clerk. Today, 27 October 1790, appeared before me, Willem Stephanus van Ryneveld, Secretary of the Honorable Council of Justice of this government, in the presence of the named witnesses, the soldier discharged from pay of the Honorable Company, Fredrik Döring, of competent age, who at the requisition of the Honorable Mr. Van Lynden declared it to be true: That the Master Painter of the Honorable Company, Johannes Oostendorp, in whose house the appearer has lodged since the month of February of this year, bought in the following month of March or April, which the appearer does not precisely recall, from the burgher Schierhout a slave girl named Alida, estimated to be between 16 and 18 years of age. Which girl was ordered by the wife of the said Oostendorp, named Sophia van Elve, to the house of her mother, who keeps a knitting school, in order to learn to knit. Which had continued until the said slave girl at a certain time was detained in the jail, to which, as the appearer believes, she had gone of her own accord because of the frequent repeated chastisements by her said mistress; whereupon she came from there and was employed in ordinary housework, which occurred all the more because the said wife of the aforementioned Oostendorp had gotten into a dispute with her mother concerning the same slave girl. That from that time on, the appearer almost daily heard and witnessed that the said slave girl was chastised by her mistress for insignificant small faults and childish actions in a completely harsh and, even in proportion to the years and strength of the same slave girl, improper manner, to which often a mere and even false accusation of the other slaves had given occasion. For which reason the appearer had also not been able to refrain from speaking to the wife of the said Oostendorp on occasion regarding this; the aforementioned Oostendorp also having, as the appearer is certainly aware, engaged in verbal disputes with his wife more than once on account of this unreasonable manner of acting with respect to the said slave girl. That also when the appearer sometimes happened to be at the back of the yard or thereabouts, the said slave girl repeatedly came there to the appearer and, with tears in her eyes, made her complaint regarding the harsh treatment of her mistress, while she was nonetheless turned away by the appearer, who did not wish to make himself suspected of encouraging slaves in their wrongdoing. That finally, about two weeks ago, the appearer learned that the said slave girl, on a certain day when the appearer was at home, had ended up in the jail. The appearer having heard three or four days thereafter from the said Oostendorp that the same slave girl had gone to the Honorable Mr. Fiscal in order to lodge her complaint, and that she had also remained in the jail, without the appearer being further informed of what gave occasion to this; he, the appearer, well suspecting what the reason for it might be and, moreover, not wishing to be entangled in such affairs, having requested no further information on the circumstances regarding this. Declaring nothing further, the appearer gives as reasons for knowledge as in the text, being prepared to confirm the foregoing by oath if required. Thus passed in the Castle of Good Hope in the presence of the clerks Derk Jacobus Aspeling and Johan Bernhard Hoffman as witnesses, who have duly signed the minute hereof along with the appearer and me, Secretary. Below: Quod Attestor. Signed: W: S: v: Ryneveld, Secretary. Re-examination Appeared before the undersigned Commissioners from the Honorable Council of Justice of this Government the aforementioned Fredrik Döring, who, his preceding declaration having been read aloud to him clearly and distinctly, declared to persist by the same, with the desire that nothing more shall be added to or subtracted from it. And therefore, in confirmation of the truth thereof, in the presence of J. J. Fredrik Wagener as the authorized agent of the aforementioned J. Oostendorp, he spoke the solemn words: So help me God Almighty. Underneath: Thus re-examined and sworn at the Cape of Good Hope on 16 April 1791. Signed: Johan Fredrik Döring. Below: In my presence, signed: J. D. Karnspek, sworn Clerk. In the margin: as Commissioners, R: J: van der Riet and G: H: Meyer. Extract from the Criminal Roll held at the Cape of Good Hope, on Thursday 28 October 1790 Whereupon having been read a memorial from the Independent Fiscal, concerning mistreatments, by Anna Sophia van Elve, wife of the firewarden Johannes Oostendorp, of her slave

Dutch transcription

Oostendorp oud naar gissing 15 Jaaren dewelke ter requisitie van den Independent Fiscaal de E: Achtb: heer Iohan Buo„ laas Steeven van Lynden relateerde hoe waar is. Dat de relate daagelyx voor haare Lyf„ vrouwe zodaanig word mishandelt dikwils zon„ der eenige de minste reedenen dat zy eindelyk genoodzaakt is geworden zig over die mishan„ delingen te beklaagen. Zynde door de relo=te of de teekenen dewelke by het verlyden deezer over haare geheele Lichaam nog zegtbaar waaren aan heeren gecommitt=s vertoond ge 0 worden. Niets meer relateerende geeft de kelke voor reeden van weetenschap als in den Text bereid zynde het voorenstaande des ge¬ requideerdt werdende nader gestand te doen Aldus gedaan en gerelateerd aan Cabo Cabo de goede hoop den 12 October 1790 voor de heeren Salomon van Echten en Iohannes smuts leeden uijt den E: achtb: raade van Iustitie voormeld die de minute deezes beneevens de telate en my geow Clercq meede behoorlyk hebben onderteekend. / Laager/ 'T welk ik getuige /was geteek:/ I: D: Kamspek geve Clercq Huijden den 27 October 1790 ompareerde voor my Willem Stephanus van Ryneveld secretaris van den E: Achtb: raade van Iustitie deezes gouvernements praesent de naten. getuigen den onder afgesz: gagie gestelden zoldaat der EComp:e Fredrik Döring van compe= tenten ouderdom dewelke ter requisitie van den E: achtb: heer Van Lynden verklaarde hoe waar is. Dat 6 Dat den Baar Schilder den E Comp Johan nis oostendorp ten wiens huise den . zeedert de Maand Februarij deezes Compt. Jaars is gelageerd genceert in de daar op volgende maand maart op ik pritt nelle den Compt. niet Juijst meerweet te bepoo„ C 7 len gekogt heeft van den Burger „schierhout een slaaven meisje genaamd alida na gissing oud v0 a 18 Jaaren welk meysse door de huijsvrouw van gemoostende in naame Sophia van Elve ten huijse van haar moeder die een brij School op houd was besteld geworden om het brijen te lee„ „ren het welk zoo lange had geconduni eerd, tot dat gem: slaven meysse op zeekeren tijd in de tronk heeft gezee„ ten in welk zij zich zoo de Compt. vermeend uit eigen beweiging ter oorzaake van de dikavils herhaalde kastigdin gen van gem: haare Lyfvrouw, had begeeven, als wanneer zij daar van daar was gekoomen en tot het gewoone huiswerk was geEmployeerd 't welk te meer was geschied om dat de gem: Huisvrouw van voorsz: oostendor met haar moeder om het zelve slaven meijsse in twist was gekoomen. — Dat van dien tyd op den Compt. nies dagelyks heeft gehoord en bijgewoond dat 1 het gem: slaven meijsje door haar win 5 lijfvrouw om niets beduidende kleijne fau„ „ten en kindagtige bedrijven op een gantih Straffe en zelf na evenreedigheid des Jaa ren en kragten van het zelve slaven meijsse onbetaamelyke wyze is gekastijd ge¬ worden waar toe veel tijds een bloot en zelf lengenagtig bezigt der andere sladren aanleijding had geeven waar om ook de Compt lich niet had kunnen onthouden de vrouw aan gem: oostendorp by geleegen heid dienwegens aan te spreeken zijnde ook zelfs gelijk de Compt. zeeker bewust is meerm: oos¬ tendorp uit hoofde deezer onreedelyke kandelwijze ten opzigte van 't gem: slavenmo„ jo met dezelve zijne huisvrouwe meer dan .. eéns in wordenturst gezaakt. —. Dat ook wanneer de Compt zomtijds bijge¬ 6 val het zij agter op de plaats op daarom„ trent zig bevond, het geds slaven meijsse : herhauldelwijzen aldaar bij den Compt . „ was gekoomen en met tzaanen in de oo„ gen wergens de straffe handelwijze haa„ rer lijfvrouw haar beklag had gedaan ter„ wijl zij egter door de Compt. dewelke zich niet had willen verdragt maaken van slaven in haar kwaad doen te sterken, als .. dan was afgeweeten. Dat eindelijk na Cerca due weeken : geleeden de Compt vernoomen had dat het gem: slaven meijsje op zeekeren dag dat den Compt lig te huijs bevond. t des Jaar in de Tronk waes gekoomen hebbende de Com„ parant drie of vier daagen daarna van gem: Oostendorp, verstaan dat het zelve slaaven meesje zich naar de E: Achtb heer Fescaal had begeeven, ten einde haar beklag in te brengen, en dat zy ook in den Frank verbleeven was, zonder dat den Compt verder is geenformeerd geworden van het geen hier toe aanleyding heeft gegeeven; hebbende hij Comparant als wel vermoedende wat daar van de reeden konde zijn en daar en boven niet gaarne met zoortgelyke affaires C willende gemeleerd zyn diensweegens of geen nadere omstandigheeden berigt had aangehouden. Nuts meer verklaerende geeft den Compt. voor reedenen van weetenschap als in den Test bereed zijnde het voorenstaande des geeesht werdende met Eede te bevestigen Dat Dat aldus Passeerde In 't Casteel de Goede Hoop ten bewee zen der Clercque Derk Jacobus Aspling en Johan Bernhard Stoffman als getuigen die de minute deeses beneevens den Compt. en my Le crets. mede behoor¬ lyk hebben onderteekend. — /Laager:/ Quod Atter /was geteekend W: S: V: Ryneveld Secretaris. — Recollement Compareerde voor de onderget: Gecommes. uyt den E Achtb: Raade van Justitie deezes Gouvernements voorn: Fredrik Doring de= welke zyne voorenstaande verklaaring klaar en duydelyk voorgeleesen weesen¬ de verklaarde dezelve daar by te per sisteeren met begeerte, dat er niets meer by of af gedaan worden zal Een sprae dierhalven ter bevestiging der waarheid s van dien in presentie van J J Fredrik wagener als gemagtigdde van voorgem: J oostendorp de solemneele woorden zo waarlyk help my God almachtig /onderstond:/ Aldus gerecolleerd en Beeedigt aan Cabo de goede hoop den 16 April 1791. was geteekend: Iohan Fredrik Doring /Laager/ My praesent was geteekend: I D. Karnspik geow: Clercq /in margine/ als gecommitt=s R: J: Van der liet en g: H: Meijer. — Extract. uit de Crimineele Recht rolle gehouden aan Cabo de Goede Hoop, op Donderdag den 28 October 1796 - Waarna geleezen zijnde een vertog van den Heer Independent Fiscaal, noopens mishandilingen, door Anna Sophia van Elve, huisvrouw van den brand meester Johannes Oostendorp, haar Have

NL-HaNA_1.04.02_11024_0661 view scan ↗

English

girl named Alida van Batavia, reading that report as follows: A. After resumption of the three annexes attached thereto, qualification has been granted to the Right Honorable Remonstrant to summon the said Anna Sophia van Elve to appear before this court in person. /Below/ Agrees. /was signed: W. S. van Ryneveld, Secretary. To the Right Honorable and Venerable Lords President and Councillors of Justice of the Castle of Good Hope. With due respect shows the Independent Fiscal of this Government, Johan Nicolaas Steven van Lynden: That on the 11th of this current month of October there appeared at the Lord's prison here a slave girl named Alida van Batavia, belonging to the Fire Chief Johannes Oostendorp, in order to complain about the cruel conduct of her mistress, which she could no longer endure, and whereby she had finally been compelled to make use of the first opportunity to withdraw herself from those far-reaching cruelties. That the Right Honorable Remonstrant forthwith had the aforesaid girl examined by the Chief Surgeon Leuring, who then found that she had been beaten and mistreated from head to foot over her whole body in a barbarous manner, just as the girl thereupon also gave an account before the Lords Commissioners from this Council and showed the sensible marks of the mistreatment done to her; and which account is most strongly corroborated by the accompanying declaration of the soldier on stopped pay, Fredrek Döring, who, residing with the aforesaid Oostendorp, is a daily witness to the cruelties being committed by the wife of Oostendorp. That the Remonstrant, in view of the repeated complaints in this regard, has deemed it his official duty not to allow the aforesaid conduct to pass in silence, but on the contrary to initiate criminal proceedings in this matter against the repeatedly mentioned wife of Johannes Oostendorp, and to that end have her summoned in person before your Honorable Lordships. Wherefore the Right Honorable Remonstrant turns hereby to your Honorable Lordships, with the request that your Honorable Lordships may be pleased to qualify him to have the wife of the aforesaid Johannes Oostendorp, by name Anna Sophia van Elve, summoned to appear in person before your Honorable Lordships, in order to hear such demand, or request or requests, as the Right Honorable Remonstrant shall think fit to make against her in the aforesaid matter, to answer thereto, and further to proceed as according to law. /underneath stood: Which doing, etc. /was signed: J. N. S. van Lynden / in margin handed over in Council, 28 October 1790. Extract from the Criminal Court Roll held at the Cape of Good Hope. Thursday, the 11th of November 1790. The Honorable, Venerable Lord Independent Fiscal Johan Nicolaas Steven van Lynden, R. O. Prosecutor in criminal case, on the one side; Against: Anna Sophia van Elve, wife of the Master Painter of the Honorable Company, Jan Oostendorp, defendant in person, on the other side; to the end of hearing such claim and conclusion, or request or requests, as the Lord R. O. Prosecutor shall think fit to make and take against the defendant concerning and on the matter of the far-reaching mistreatment committed upon her slave girl named Aletta van Batavia, to answer hereupon, and further to proceed as according to law. The Adjunct Fiscal Mr. Johannes Andreas Truter, on account of the indisposition of the Lord R. O. Prosecutor, appearing, requests, before making a claim, that the defendant in person be condemned to answer to such interrogatories as shall be put to her on behalf of the R. O. Prosecutor before the Lords Commissioner members of this Council. The defendant in person says that it is well. The Council orders the defendant in person to answer before the Lords Commissioners to such interrogatories as shall be put to her on behalf of the Lord R. O. Prosecutor. /underneath stood: Agrees / was signed: Johannes Daniel Karnspeck, Sworn Clerk. Interrogatories whereon, before the Lords Commissioners from the Honorable, Venerable Council of Justice of this Government, at the requisition of the Independent Fiscal J. N. S. van Lynden, R. O., is to be heard Anna Sophia van Elve, wife of the Master Painter of the Honorable Company Johannes Oostendorp, defendant in person, the responses to be given to be set down in the margin hereof: Appeared before the undersigned Commissioners from the Honorable, Venerable Council of Justice of this Government, Anna Sophia van Elve, wife of the Master Painter of the Honorable Company Johannes Oostendorp, who to the undermentioned questions in person answered as is signed beside the same: 1. The person interrogated's name, age, birthplace? Says: Anna Sophia van Elve, 36 years of age, and born at this place, the Cape. 2. Whether the person interrogated is also married, and to whom? Says: Yes, to the Master Painter of the Honorable Company, Jan Oostendorp. 3. What her husband's profession is, and whether the person interrogated also carries on any trade? Says: My husband is a painter with the Honorable Company. Article 4. Whether her interrogated husband did not, in the month of March or April of this current year, purchase a slave girl from a certain G. Schierhout? Says: Yes. 5. What this girl is named, where she was born, and how old she is? Says: The name of that girl is Aletta van Batavia, but her age is not known to me. 6. Whether the person interrogated also still has a mother living, what she is named, and what trade she carries on? Says: Yes, the widow Van Elve, and that she keeps a sewing and knitting school. 7. Whether the person interrogated did not place the aforesaid girl with her mother at the knitting school? Says: Yes. 8. Whether she also keeps a knitting school? Says: Yes. 9. How long the girl remained with her in that manner? Says: Six weeks. 10. Whether the girl was not after some time... Says: Yes, when she over the...

Dutch transcription

meisse in naame Alida van Batavia aangedaan, luidende dat verloog als volgd A. Is, na resumptie der daar by geannexeer de drie by Lagen, aan den r. O. verst. qua Lificatie verleend, om dezelve Anna Sophia van Elve, voor deeze rechtbank, in perzoon, te dagvaarden: / Laager/ 6 Accordeert /was geteek: W . S. Van Zyneveed Leret: Aan dewelEdele en Achtb: Heeren Prosident in Raaden van Justitie des Kasteels de Goede Hoop Vertoond met gepasten Eerbied de Inde pendent Fiscaal dezes Gouvernements Johan Nicolaas Steven van Lynden. dat op den 11 dezer Loopende maan october in 's Heeren gevangenhuys al hier verscheenen is een slaven meisse¬ in naame Alida van Batavia, toebe hoorende aan den Brandmeester Johan¬ Cres eester a10 Oostendorp, ten einde te klaagen over de wreede handelwyze van haare Lyfvrouwe wel ke zy niet Langer konde uitstaan, en waardoor zy eindelyk was genoodzaakt geworden, zich van de eerste gelegen heid te bedienen omme zich aan die verregaande vreedheden te onttrekken Dat de r. O. Vert=r het voorsz: meisse Eer stond door den oppermeester Leuirer hebben¬ de doen examineeren als toen bevonden heeft dat het zelve van het hoofd tot de Voeten over haar geheel lighaam op eene barbaarsche wyze was geslagen en mishandelt geworden zoo als het meisse dan ook deswegens een relaas voor Heeren Gecomm=s uit dezen naa de gepasseerd, en de gevoelige teeke nen vertoond heeft van de haar aan gedaane mishandeling: en welk re¬ Laas ten sterksten word geconobo E reerd. reerd door de nevensgaande Verklaaring van den soldaat onder afgeszt: gage Fredrek Döring, die bij voorn: oostendorp woonag¬ tig, dagelyks getuigen is van de wreed heden, door de huisvrouwe van Oosten dorp gepleegd wordende. — Dat de vert=z aangezien de herhaal de klagten dienswegens, amptshal ven vermeent heeft de voorzeyde har delwyze niet stilzwygende te kunnen passeeren maar uitegendeel ter dier zaake tegen de meerm: huisvrouwe van Johannes Oostendorp crimineele procedures te moeten entameeen en de zelve ten dien einde nu persoon voor uEE Achtb: te doen dagvaarden Weshalven de r. O. Vertr zich nits. deezen tot UEE Achtb: is keeren de, met verzoek, dat UEE Achtb: hem gelieven te qualificeeren, omme de huisvrouwe van voorsz: Johannes Oos¬ Eendorp aam in naame Anna Sophia van Elve te doen dagvaarden omme in persoon voor UEE Achtb: te verschynen, ten einde te aanhooren zodani gen Eisch, dan wel verzoek ofte verzoeken; als de r. O: vertoonder ter zaake voorsz: zal goedvinden teegen haar te doen daar op te antwoorden en voorts te procedeeren als na regten. /: /onderstond 'T welk doende &=ta /was geteekend: I: N: P: Van Lynden / in margine overgegeeven en raaden lb: 288 Ctobeer 1790. Extract uit de Crimineelen hechte relle gehouden aan Cabode groeden op. Donderdag den 11 November 1798. Den E. achtbaaren Heer De adjunit Fiscaal M=r Johan ende p 6 Persoon independent fischaal Iohan Johannes Andrias Fruter Vermits indispositie van Nicolaas Steeven van Eijn den 7. O. Eysser in cas den Heer J. O. Eisser= Crimineel ter Eene — Postulurende Verzoekt Contra; Anne Sophia van alvoorens Eisch te doen Elve, Huysvrouw van den dat de gedaagdes sonorgen Baas schilder der EComp. werden gecondemneert Jan Oostendorp. gedaag¬ te antwoorden op dessin persoon ter an¬ - zoodanige interragato deze zeijde ten eijnde zien als haar van wee¬ te aanhooren zoodanigen geris den R: O. Eyjsscher Eisch en Conclusie, dan „voor Heeren gecomt wel verzoek ofte verzoeken als de Heer R: O. Eijsser mitteerde Leeden du zal goedvinden teegens de ses raads zullen wer¬ ƒ gedaagde te doen en te den voorgehouden . Numen„ over en ter zaake De gedaagdesse in van verzigaande Meshand¬ ling gepleegd aan haar slaa ven meysse in naame Alex ta van Batavia hier op te ant= woorden in voorsz: te precedee„ ren als naar Regten zegt dat het wel is zaake 58 rolle De Raad ordonneert de gedaagdesse in Persoon omme voor Heeren geom¬ mitteerden te antwoorden op zodani ge Interragatorien als haar van Weegens den Heer R. O. Eijsscher zullen werden voorgehouden — /onderstond Accordeet / wasge Johannes Doniel teekend Karnopek gesw: Clercq 6 Interrogatorien omme Compareerde voor de onderget: gecommitt: uit den E: Achtb: raade van Justitie deezes goever, daar op voor Heeren Commits: „nements Anna Sophia van uit den E: Achtb: Raad van Justitie e Elve huisvrouw van den baas deezes Gouvernements ter requisi„ schilder der E: Comp=e Johan„ tie van den Inpendent Fiscaal J: „nes oostendorp dewelke op N: S: van Lijnden E: O: te worden de onderstaande Vraage in perzoon gehoord Anna Sophia van Elve zodanig heeft geantwoord als huisvrouw van den baas schilder bezijde dezelve staat ondeteekend der E Comp=sie oostendorp ged=se in persoon zul„ lende des te gevene Responsore in margine deezes worden bekend gesteld: zegt Anna Sophia van Elve, oud 36 Jaren en vande „te plaats Caap gebootig te zijn zegt Ia net den baas schil„ of zij gevr: ook getrouwd, is en met „der der E Comp Jan oostendorp wien " „ 3 zegt mijn Man is schilder wat haar mans professie is en bij d' EComp of zij gevr: ook eenige neering doek: der Gevr: naam ouderdom geboor„ Art 40 se om an zegt de Naam van dat mae, hoe dit meisse genaamd van je is aletta van Batavia waar het zelve geboortig en ho Edog haaren ouderdom is mij oud het is niet bekend of zijn gevr: ook nog een moeder m zegt Ja de weedsde van Elve leven heeft hoe dezelve genaam en dat deese eene Naaij en is een welke neering zij doet. Breyschool ophoud zegt Ja zegt Ja zegt zes weeken hoe lang het meisje in diervoe „gen bij dezelve verbleeven is zegt za wanneer zij over het of het meisje niet na eenige „ 8 op zy gevr: voorsz niet bij hare moeder ter breijschool heeft bes„ steld gehad: of dezelve met een breijschoold ophoud of haar gevr: Man, niet in de ma Maart of april deezes Lopende Jaar een slave meisse van zeekere G. schierhout heeft gekogt. tijd „6 „9

NL-HaNA_1.04.02_11024_0669 view scan ↗

English

says that up to the time she was at the knitting school; after she complained, she was put into the jail. Questioned whether the examinee cannot recall when she was put into the said jail. Says it will be about four months ago. 12 Questioned for what reason this occurred. Says because she complained that she had received blows in the knitting school. 14 Questioned whether the examinee did not subsequently keep the aforementioned girl at home. Says I do not know that. Questioned whether it was not in order to complain about ill-treatment by the examinee. Says yes. Questioned with what instrument the examinee usually chastises her slaves. Says with the sjambok. Questioned in what manner she is accustomed to punish her. Says walking loosely on her back without binding or tying her up. Questioned for what labor she employed her. 16 The deponent Fredrik Doring, entering, says that in passing the back room he saw that the examinee had the slave girl laid down, held fast, and thus beaten. The examinee says to this that she caused the said slave girl to be held fast and beat her herself with a sjambok, this having occurred by estimate fully eight days before the said slave went to complain, without however having mistreated her. 19 Questioned whether the examinee did not on more than one occasion treat the aforesaid girl named Almista in such a manner. Says no. Says no; if she deserved it she received blows, but she was not mistreated. 20 Questioned whether the examinee did not also repeatedly have the mouth of the said girl held shut in order to prevent her from screaming. Says no. The aforesaid Doring, entering, says in the presence of the defendant that he certainly did not see the mouth of the maid held shut himself, but that she had her held fast by others, and subsequently had her beaten with a sjambok, and that he opposed this because he has often heard 60 and 70 sjambok blows given to a slave without hearing the same scream, except after the end of the chastisement when such a slave was let loose. Questioned whether she did not often strike the girl with a sjambok over the head and other parts of the body, without having her held fast at that time. Says no, but it may well have happened when I struck her that one stroke or another went amiss, but not otherwise than by accident. 22 Questioned how many times all these different mistreatments took place, and whether they were not mostly carried out in the months of August and September. Says I cannot determine the months; whenever she deserved it, she received blows, but she was never mistreated. 23 The slave woman Aletta, entering, showing as yet the visible marks on her back and neck, declared that she received those welts from the beatings of her mistress with a sjambok. Questioned whether the examinee, by this conduct of hers, must not confess to having caused the visible scars on the body of Aletta. Says no. The defendant says to this that the wound which is to be seen on the right hand of the slave girl was not caused by blows, but was a wound which Doctor Acheron treated for some time; that regarding further scars and wounds, she did not inspect her; that the girl had always stolen and then received blows, and that where blows fell, welts were naturally caused, besides which the girl in question also pinched and scratched herself. 24 Questioned whether the examinee must not confess to having heavily offended by this behavior of hers, and to have deserved severe punishment for it. Says no; I struck her when she deserved it, and she also had a good thrashing from my husband, yet likewise without having been mistreated. 25 Questioned what she can bring forward in her defense. Says she can bring witnesses, being Doctor Allas and the maid Rachel, that the girl in question was not mistreated. Thus questioned and answered at the Cape of Good Hope, the 23rd of November 1790, before the gentlemen R. J. van der Riet and Hendrik Justinus de Wet, members of the Honorable Council of Justice of this Government, who, together with the examinee and myself, the Secretary, have properly signed the minute hereof. Which I testify, Signed W. S. van Ryneveld, Secretary. Review of Testimony Appeared before us, the undersigned commissioner members of the Honorable Council of Justice of this Government, the aforesaid Anna Sophia van Elve, wife of the Master Painter of the Honorable Company, I. Oostendorp, who, after these preceding interrogatories of hers, with the answers given thereto, had been clearly and distinctly read to her word for word, declared that she persists and abides by them, wishing that nothing more shall be added or removed, except only that the examinee got a sore hand on the 2nd of October, declaring the foregoing to be the truth. Underneath stood: Thus reviewed and sworn to at the Cape of Good Hope on the 17th of December 1790. Was signed: Anna Sophia Oostendorp. Lower: In my presence, Signed: P. Diemel, sworn clerk. In the margin as commissioners: R. J. van der Riet and H. J. de Wet.

Dutch transcription

zegt tot het Breij Breyschool heift tijd ter breijschoole geweest te zijn geklaagd is ze in de tronkgezet. in de tronk is geraakt Legt 't zal Cera vier maan„ of de gevr: zich niet rappelleeren den geleeden zijn kan wanneer het zelve tronk is ge„ „komen. ! „ 12 zegt om dat zij geklaagd heeft Om welke reede zulks geschied is. dat zij inde breijschool slagen had gekreegen: zegt dat weet ik niet zegt Ja zegt met de Sjambok zegt op de rugge loopende op welke wijze zij dezelve gewoon Loezing zonder te binden of vast is te straffen. met welke instrument zij getr: gewoonlijk haare Slaven kastijd. tot welken Arbeid zij het zelve geeveloeerd heeft. 15 „ 141 of zij gevr: het meerm: meisje niet vervolgen te huis gehouden heeft. of 't niet geweest is om overhande„ „ling van haar gevr: te beklagen. op de kre G. Jaa ma van hoe rm aan hare bes„ die voe „ 16 De deposant fredrik doring binne treedende zegt, in 't pas„ seere van de agterkamer gezien te hebben dat de gevr: het sla„ „ve meisje heeft Laten nederleggen vast houden en zo geslagen de gevr: zegt hier op dat zij gem: slaven meisje heeft doen vasthouden en zelve met een sjambok geslagen zijnde zulx na„ „gissing wel agt dagen voor dat gem: slaven is gaan klaagen voor„ gevalle, zonder haar egter mishandeld te hebben—. zegt Neen zegt Neen als zij verbrinde of zij gest: ook niet meer als een heeft zij slagen gekreegen het voorsz: meisje in name almis maar ze is niet mishandeld-. ta op dus danige wijze heeft „handela.! zegt Neen „ 20 voorsz: doring binnen treeden, of zij gevr: ook niet meermaal „de zegt in fane van de ged=te de mond van 't zelve meisje heeft die dat hij zeekerlijk niet zelve doen toehouden om haar het gezien heeft dat de meijd de schreeuwen te beletten mond toegehouden, maar dat hij of zij niet ordenair haare Meiden door andere doen vast houden, en vervolgens niet een sjambok afstep zulks „19 zulx heeft geoupponeerd om dat dikwerf op een slaaf 60 en 70 sjambok slagen heeft hooren doen zonder de„ zelve te behooren schreeuwen anders als na het eenigen dier kastijdin„ ge wanneer zo een slaaf wierd Los gelaaten zegt Neen, maar 't han egter wel of zij niet dikwijls het meisje met een zijn wanneer ik haar geslagen ende een of andere streek verkeerd is ge„ Sjambok over het hoofd en andere dee¬ allen edog niet anders als per onge„ len van't het Lichaam heeft ge„ slaagen zonder het zelve als dan te hebben doen vasthouden zegt de maande kan ik niet be„ „aalen wanneer zij bediende, heeft ze slagen gehad edog zij is nooijt me al mishandeld heeft zegt Neer de Slavin Aletta binnen treedende of zij gevr: door deeze haare handelwijze, aale vertoond als nog de zigbaare teeke„ niet bekennen moet de Lidteekene nen op haar rugge, en hals, betuigde op 't Lichaam van aletta Zichbaar die striemen van de Tysteringen haarer Lijfvrouw met een sjambol bekomen te hebben veroorzaakt hebben- te ged=de zegt hier op dat de wond welke op de Rechterhand der slave meisp te „23 „ 22 hoe meening werf alle deeze dief„ ferenten mishandelingen hebben plaats gehad en of dezelve niet meest geefectueerd zijn in de maanden august en September zien lijk heeft zien is, niet door slagen is veroorzaakt maar een wond is geweest, waar over doeter Acheron eenige tijd heeft gepractijseerd, dat voorsz: betreffende ferdere lid„ de teekene en wonden, zij haar niet heeft gevisiteerd - dat het meisse altoos gestoolen en dan slaage gekreege had en dat daar slagen vielen en dan ook streemen veroorzaakt wierde behalve dat ook het meisje en queeste zich zel„ „ve heeft gekneepen en gekrapt zegt neen, ik heb haar geslagen als ze of de gevr: niet moet er kennen door verdiend, ook heeft ze van mijn dit haar gedrag zwaarlijk misdreeven man een goed pak gehad egter almee, en daar over zwaare straffe verdient te „ „de zonder te zijn mishandeld gew, hebben. " „worden — „24 25 zegt getuijge te kunnen bringen wat zij tot haare veronschuldigeng zijnde de doeter Allas en de meid weet bij te bringen Rachel dat het meisse in quester niet is mishandeld geworden - Aldus Gevraagd en beantwoord aan Cabo de Goede hoop den 23 November 1790 voor de Heeren R: J. van de Riet en hendrik Justinus de wet Leeden uijt den Achtb baad van Justitie deezes Gouvernements die de minute deezes beneevens de gevr: ende mij Secretaris meede behoorlijk hebben onderteekend - / Laager T welk kigetij /was /was geteekend W: S: Van Bijneveld Secretaris Recollement Ooppareerde voor ons ondergeteekende gecom-Leeden Uijt den E: Achtb: Raad van Justitie deezes gouvernemente voorsz: Anna Sophia van Elve huijsvrouw van den Baas Schilder der E: Comp: I: Oostendorp dewelke deeze haare voren staande Jnternogatorien met de daar op gegeeve antwoorde wan woord tot woorde klaar en duijdelijk voor geleezen zijnde te verklaarde zij daarbij te blijve per„ „sisteere met begeerte dat er niets, meer by gevoegd ofte van gedaan werden zal, als alleenlyk dat de gevr: op den 2 Octob: een zeere hand heeft ge kreegen, betuigende het voorenstaande de deuven waarheid te zyn: /onderstond. Aldus gerecolleerd en Beeedigd aan Cabo de goede hoop den 17=e December 1790: was get:t Anna Sophia Oostendorp: /Laager / Mij praesent./ geteek: P: Diemel gew: Clercq in margine als gecomm:/ R: I: van der Riet en H: S: de Wet. aar over lid„ toos door een te gng b0 are getuijge Kk was -

← previousnext →