Inventory 2517
Persia · 1,464 pages · 225 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
1788 1029 [illegible] required their Excellencies found fit, needs too much resolution Linstocks 8 18 17 12 5 14 Powder horns Priming irons 10 16 22 Crowbars Steel cannon drills 6 6 2 4 Searchers Gage rod Bullet bags ditto mold Tin hand lanterns 6 Copper powder lanterns 2 ditto small wicks Purse kegs Copper bullet molds ditto powder measures ditto powder scales ditto adzes ditto hoisting hooks ditto balance and scales 1 Weights 29½ Powder sacks With which, with deep dutiful respect, we remain, underneath: your High Excellencies' humble and obedient servants, signed Marten, M:s Gouwabant, G: vSanten, A:k H:k J:s Weerman; in the margin: Batavia, in the Castle, the 21st of March Anno 1742. Cluijsenaer, Secretary. Agrees. 1789 Batavia. To His Excellency, the High Noble Lord Adriaan Valckenier, Governor-General, and the Noble Lords Councillors of the Netherlands Indies. High Noble, Grand, Esteemed, Widely Ruling Lords. Although we have detailed to your High Excellencies the poor state of the Honorable Company's interests on this Coast in our copy letter now departing by the patamar, we must nevertheless confess to our regret that the danger is considerably greater than we have dared to make known in a paper that must come before the eyes of many people. Wherefore the undersigned military commander takes the liberty, by these secret letters, to inform your High Excellencies that the King of Travancore and our competitors have sent their creatures along the entire Coast to stir up the Malabar princes against the Honorable Company, showing the poor state of affairs on the island of Java, stating that your High Excellencies are thereby rendered unable to send us any relief of troops, and that the right time has now come to cast off the burdensome yoke of the Honorable Company and to drive it entirely from this Coast. Whereupon the Zamorin and other lesser princes 1790 have answered that they would await the arrival of the Batavia ships, and in case no troops should arrive with them, that they would then give credence to those reports and declare themselves further. And since it is still uncertain whether your High Excellencies will be able to assist us with troops this year because of the ongoing troubles with the Chinese, the details of which have been understood from the Ceylon return ships, this matter has brought us into great perplexity and forced us to request from the Ceylon Ministers a relief of 200 Europeans and an equal number of Orientals, which they have refused us due to their own needs. Yet what makes the danger even greater is that the Raja of Travancore has appointed the deserted Sergeant Duivenschot as General over his troops and shows him royal honors, as well as treating the other deserters and our prisoners with all imaginable courtesy, providing them abundantly with all comfort and necessities, not forgetting strong drink and loose women, whereby the latter have been moved to enter into his service, although fear has also contributed much thereto, as the aforementioned scoundrel accompanied this polite reception with heavy threats, and had two of our European prisoners, who tried to save themselves by fleeing to the Cape, tied to a post and arquebused. And although the King was strongly opposed to this, he nevertheless gained such credit with him that the execution proceeded under the specious pretense that he was sent from 1791 heaven to protect the realm of Travancore against the Honorable Company. The worst is that the rumor of this polite treatment has made so much impression on the minds of our men that they have since deserted from the Cape in whole groups and gone over to the enemy, and it is to be feared that more will follow shortly if they can only find the opportunity to do so. According to our calculation, there are now between 300 and 400 men of our own troops in the service of the enemy, whereas on the contrary, with the troops that came from the Cape, we do not even have enough to garrison our posts properly. In this extreme perplexity, we have attempted to obtain several thousand Maravas from the Pandise into our service, as they are the best warriors among the Malabars, and the Signatti had undertaken to bring them here. Yet it seems as though not much will come of this, out of a kind of Malabar statecraft, judging that the Honorable Company, being without power, must defer to him and grant all his impertinent requests. No sooner were we informed of this trick than we requested the Ceylon Ministers and Madurai officials to recruit the aforementioned Maravas for us, as they live in their neighborhood, but as of yet we see no result from this either. In order, however, not to be forced to 1792 shut ourselves up in our fortresses and leave everything as prey to the enemy, we have had all young men among the Topasses and Lascars pressed and placed in the garrisons. For although not much can be accomplished against the enemy with these people, they are still of some service behind the walls and at the cannon, and the undersigned is set to march against the enemy within a few days with 250 Europeans and 400 Orientals, who, according to received reports, are also advancing to the north with their entire force to attack the palisades, in the hope that the Almighty will gird us with strength for the battle and cause the Company's enemies to bow beneath us. The military commander takes the liberty to assure your High Excellencies that he will employ everything imaginable.
Dutch transcription
1788 1029 Indveen onbe nog be benod: W:l haar h: E:s bevonden bequaam quaam nodigt te veel resolutie Londstocken 8 18 17 12 5. 14 kruijthoorns laadpriemen 10 16 22 koevoeten Staale Canonbooren 6 6 2 4 tasthaaken talstoek kogelfassers _:o vorm blicke hand lamtracant 6 Copere kruijtlanthaarms 2 _: slonsjes : beursvaten Copere kogelmallen _:o kruijtmaten _:o kruijt wegters _:o disselfs _:o ophaalders _: balans en schalen 1 gewigten 29½ kruijtsacken Waarmede met diep schuldig respect verblijven /:onderstond:/ uw hoog Edelhedens onderda„ nige en Gehoorsame Dienaren /:getekent 3 1 1 6 4 2 2 1 Marten — 1 2 — 3 2 1 1 2 2 2 M:s Gouwabant, G: VSanten, A:k H„k J:s Weerman /:in margine:/ Bat via int Casteel den 2:' maart A:o 1742 e Cluijsenaer Secrets 1717 Accordeert. 1789 Batavia. Aan sijn Edelheijd den hoog Edelen heere Adriaan Valckenier Gouverneur Generaal en d: Edele heeren. Raden van Nederlands India. Hoog Edele Groot Agtb: wijd Gebiedende. heeren. —. Alhoewel wij de slegte gestelheijd van s Comp: belangens te deser Cust, uw hoog Edelhed:s omstandig hebben ver„ toont bij onsen thans afgaanden pat „asen Copia brieff, soo moeten wij Egter tot ons leetwesen bekennen dat het gevaar vrij groter is, als wij hebben O 1717 hebben derven bekent stellen bij Een „pier, dat onder de oogen van veele men „schen moet komen. over sulx neemt den ondergetekende veld overste de vrijheijd, bij dese secreete letteren uw hoog Edelhed:s te bedeelen dat de coning van Trevancoor en onse mede dingers langs de geheele Cust hunne creturen hebben ge sonden, om de mallabaarse vorsten tegens de EComp: in't harnas tebrengen onder vertoninge vande slegte gesteld „heijd der saken op het Eiland Iava dat uw hoog Edelhed:s daar door buijten staat sijn gesteld, om ons Eenig secoers van volk te konnen laten toekomen, En dat thans de regte tijd gekomen was, om het castige Juke van d: EComp: afteschudden, en deselve ten Eenemaal van dese Cust te verdrijven waar op den Samorijn en andere mindere vorsten 1790 vorsten hebben geantwoord, dat mende comst der Bataviase scheepen soude af wagten, En bij aldien daar mede geen volk mogte overkomen, dat men dan geloof aan die berigten souwde slaan En sig nader deCclareren, En dewijl het nog onseker is, of uw hoog Edelhed:s ons van desen Jare met volk sullen konnen assisterenen wegens de aanhoudende onlusten der Chineesen waar van men de omstandigheeden heeft verstaan med de Ceijlonse re „tour scheepen soo heeft ons dese saak in grote verlegentheijd ge „bragt En genoodsaakt van de Ceijlonse Ministers Een secoers van 200. Europeesen En Een gelijk getal oosterlingen te versoeken, die ons het selve geweijgert hebben mits Eijge benodigheijd. — dog het gene het gevaar nog grooter At„ „maakt is, dat Ragia Trevancoor den gedeserteerden sergeant Duivenschot tot tot Generaal heeft aangestelt over sijne trouppen En vorstelijke Eere haa aandoen, mitsg:s de overige deser teure En onse Gevangenen met alle bedenc„ „kelijke heusheijd behandelen haar overvloedig voorsiende van alle ge„ „mak En benodightheeden, sonder stercken drank Enligte vrouw lieden te vergeten, waar door dese laaste dan bewogen sijn, in des, „selfs dienst over te gaan, hoewel de vreese mede veel daar toe gecontri„ „bueert heeft, alsoo voorm: poos„ „wigt dit heus onthaal met sware dreij gementen heeft verselt, En twee van onse Europeese gevangenen, die ge„ „tragt hebben sig met de vlugt na de caab te salveeren aan Een paal laten vinden, En horque buseeren En schoon de Coning sterk daar tegen is geweest soo heeft hij't Egter sodanig credit bij denselven ver„ kregen, dat de Executie voort gang heeft genomen onder Een spetieus voorgeven, dat hij van 1717 den 1791 den hemel gesonden was om het rijk van Trevancoor tegens de EComp: te beschermen. het slumste is, dat het gerugte van dit beleefd tractement soo veel In„ „druck heeft gemaakt op het gemoed van ons volk, dat deselve sedert bij geheele kouppen van de Caal gedeser„ teerd, En tot den vijand overgelopen sijn En het te dugten is, dat Er in 't kort nog meer sullen volgen, als sij daar toe maar gelegentheijd kon nen vinden. sijnde na onse calculatie thans tus„ „schen de 3. En 400. man van ons Eijgen volk in dienst van den vijand daar wij integendeel met het volk dat vande Caab gekomen is niet Eens genoeg hebben om onse guarni„ „soenen na behooren te voorsien. In dese uijtterste verlegentheijd heb„ „ben wij getragt Eenige duijsende marruas marruas uijt het Pandise in onse dienst te krijgen, alsoo deselve de beste krijgers onder de mallabaren sijn, En had de signattij aangenomen deselve dit heen tebrengen —. dog het schijnt als of daar niet veel van komen sal uijt Een soort van mallabaarse staat kunde als oordeelende dat d' EComp: sonder magt sijnde, hem nade ogen moetsien En alle sijne Jmpertimente versoe„ ken toestaan. wij sijn sodra van dit stukje niet onderregt geworden of wij hebben de Ceijlonse ministers en Madureese bediendens versogt de voorsz: marru„ „as als in hunne buurte wonende voor ons tewillen besoegen, dog wij „sien tot nog daar van mede geen gevolg om dan al Evenwel niet genoodsaakt te sijn ons in onse Fortressen te 1717 moeten 1792 moeten op sluijten En alles aan den vijand ten proije telaten, so hebben wij alle jonge manschappen onder de Toepassen en Lascorijns laten pressen En in de guarnisoenen plaatsen want schoon met dese menschen tegens den vijand niet veel uijttereg „ten is, soo sijn deselve agter de muuren En bij het canon nog van Eenige dienst, En staat den ondergetekenden binnen weijnig dagen met 250. Euro„ „peese; En 400. oosterlingen tegens den vijand op tetrecken, die vol„ „gens ingekomene berigten met sijne gantsche magt mede nade noord comt afsacken om de pag„ „gers te attacqueren, Jn hope dat den almogenden ons niet kragten sal omgorden ten strijd, En 'sComp: vijanden onder ons doen pukken; den veldoverste neemt de vrijheijd uw hoog Edelhed:s te versekeren dat hij alles wat Bedenkelijk is in 't werk sal
English
will endeavour at least to keep matters in statu quo, even if one might not make great progress, but judges, should the French also enter the fray, that it will be very precarious on account of our small force. May the Almighty grant that the unrest on Java may soon be brought to a desired end, in which case we humbly request Your Right Honourables for an early relief for the coming year, and to that end we shall have the flagpole erected in the Great Mud Bay [illegible] miles south of Cochin at the beginning of August, or whether it might please Your Right Honourables to send us troops with the Ceylon return ships, as the enemy makes no distinction between the good and bad monsoon, and their Nairs have been under arms during the entire rainy season, contrary to the custom and habit of the Malabars. These having thus far been prepared, tidings are received from the south that the English Commander of Anjengo, having been summoned to King Travancore, was received by him with the utmost honour and politeness and presented with costly gifts, His Highness having granted this nation permission to build 2 palisades between Anjengo and Tengapatnam in recognition of the special services rendered to him in the siege of Colachel, as well as an account being settled regarding the received ammunition of war and other necessities. And one must confess that this nation causes the Honourable Company more harm here on the coast than if we were in an open war with them. Had we sufficient force, we would have long since executed Your Right Honourables' esteemed orders to shut in those of Anjengo from the landward side, and deprived them of all communication with the enemy, but until now the same has been impossible. Perhaps Your Right Honourables will be astonished, and regard it as an unheard-of matter, that so many European soldiers desert to the enemy, and would gladly know the reason thereof, regarding which we can say nothing other than that, after all trouble taken, we can discover nothing else than that the hope of better fortune and of a free and unrestrained life has brought them so far that, forgetting their oath and duty, they have fallen into that villainy, although they are otherwise treated particularly well here on the coast. It is true that the loss of 25 percent on their wages, besides what they fall short on the bad linens, heavily oppresses and displeases the common folk, indeed instils in them little love for the service; yet they have never complained to us about it, but according to incoming reports these are the subjects of their usual discussions. And since the Right Honourable Gentlemen Principals, by their esteemed letter of 4 September 1739, have been pleased to order that the linens shall not be charged to the men higher than market price, we take the liberty respectfully to request Your Right Honourables to be pleased to instruct us how we shall conduct ourselves in that regard, and in case that order must be carried out to the letter, whether it would not be best to pay those men in cash or in linens according to their choice, as the same would be agreeable to them and could also not be disadvantageous to the Honourable Company, since the market price is always obtainable. We also further request to be allowed to know Your Right Honourables' esteemed intention in case the English should erect two palisades between Anjengo and Brinjohn, whether we shall leave the same unmolested, as in our opinion the situation of this nation does not entail making more strongholds in that realm, and they will surely only lend their name thereto for King Travancore. For the rest, we long for Your Right Honourables' authorization to publish a general pardon for all deserters, conceiving that the same will have a very disadvantageous effect on our honour and our shameless competitors. In case the French squadron, which is daily expected here on the coast according to the assertions of those of Mahe, should undertake anything, it is thought that communication between Ceylon and Malabar will be cut off, but we shall dutifully impart the same to Your Right Honourables by the overland route through the mountains and via Tuticorin. At this moment we receive tidings that the French ships have already departed from the coast towards here, and that King Travancore is having palm-leaf quarters prepared for 1000 men of that nation at Colachel; and since we are currently unable to prevent them from establishing themselves in that realm, we respectfully request Your Right Honourables to be allowed to know how we shall conduct ourselves towards them in the coming year. Wherewith concluding this, I remain in dutiful respect, Right Honourable, Highly Esteemed, Widely Ruling Sirs, Your Right Honourables' most humble and most faithful servant, was signed, J. V. Stein V. Gollonesse. In the margin, Cochin, 26 October 1741. Agrees, C. L. Luijsenaer, Secretary. To His Right Honour, the Honourable Highly Esteemed Johannes Thedens, Governor-General, together with the Honourable Council Members of the Dutch East Indies. The head of the General Pay Office, Thomas van Sprekens, Your Right Honour's humble servant, respectfully informs that the estates of those deceased aboard ship are handled by the authorities from time to time very slovenly and entirely suspiciously, as has now again been done with the goods of the chief mate and second mate Hendrik Wagenaer and Adriaen Goedhart, who died on the outward voyage of the ship Ruijter, at which sale
Dutch transcription
1717 sal stellen om ten minsten de saken in statu Quo tehouden, soo men al geen grote progressen mogte ma„ „ken dog oordeelt so de Franssen mede mogten in't spul komen dat het seer hachelijk sal sijn uijthoofde van onse geringe magt:— den almogenden geve, dat de onlusten op Iava in't kort tot Een gewenscht Eijnde mogen gebragt worden in welk Een geval wij uw hoog Edel„ hedens ootmoedig versoeken, om Een vroegtijdig ontset voor den aanstaan„ den Jaren En ten dien Eijnde met het begin van augustus de vlagge stok inde grote modderbaij - - . mijlen besuijden Cochim gelegen sullen laten opregten, of het uw hoog Edel„ „hedens somtijds mogte behagen ons met de Ceijlonse retoer scheepen volk toe tesenden, al so de vijand geen anderscheijd maakt tusschen de goede en kavade mousson, En des„ „selfs nairos den geheelen regen tijt inde 1793 inde wapenen geweest sijn tegens het gebruijk Ende gewoonte der mallabaron„ dese dus verre in gereedheijd gebragt sijn, „de, ontfanght men tidinge van de zuid dat de Engelse Commandant van Ansjenga bij Ragia. Trevancoor ontboden met de uiterste Eere en beleefdheijd van denselven ontfangen En med kostbare presenten gerega„ „leerd was geworden hebbende sijn hoogheijd aan dese natie toegestaan 2. Paggers tusschen Ansjenga En Tengapatnam temogen bouwen tot Erkentenisse voor de bijsondere diensten aan denselven in het beleg van Colletje bewesen mitsgaders af rekening gehouden wegens de ont„ „fangene ammonitie van oorlog Een andere benodigtheeden En men moet bekennen, dat dese natie dee EComp: meer nadeel hier ter cust toebrengt, als of wij in Een openbaren oorlog met de selve selve waeren. — hadden wij magt genoeg wij zouden uw hoog Edelhed:s geEerde ordres om die van Ansjenga vandeland kant in te sluijten al lange werkstellig gemaakt, En haar alle Communica „tie met den vijand benomen heb„ „ven, dog tot nog is het selve onmoge „lijk geweest —. misschien sullen uw hoog Edelhed verwondert sijn, En als Een ongehoo „de sake aanmerken dat Er soo veele Europeese soldaten tot den vijand overlopen En gaarne de reden daar van weten willen en ten welken opsigte wij niet anders konnen seg „gen, als dat wij na alle aangewen „de moeijte niets anders konnen ontdecken, als dat de hope tot een bater fortum En tot Een vrij En ongebonden leven haar sover heeft gebragt dat sij haar Eed en pligt vergetende, tot dat schelmstuk sijn 1717 vervallen 1794 vervallen alsoo deselve andersints hier ter Cust bij sonder wel gehandelt worden, wel is waar dat het verlies van 25: p:r cento op hare gagie, buij„ „ten het gene sij op de slegte lijwaten te kort komen, het gemeene volk sterk drukt En mishaagt, Jaselfs haar weijnig leefde tot den dienst in boesemt Egter hebben deselve daar noijt over bij ons geklaagt, maar het sijn volgens ingekomene berig„ „ten de voor werpen van hunne gewo„ „ge discrersen En vermits de hoog Edele heeren Principalen bij dersel„ „ven geEerde brieff van den 4:' 7ber: 1739. hebben gelieven te ordonneeren dat men de lijwaten de menschen niet hoger sal aanrekenen als marcks prijs, soo nemen wij de vrijheijd uw hoog Edelheds Eerbiedig te versoeken, ons tewillen onder „regten, hoe wij ons daaromtrend sul„ „len gedragen, En ingevalle die or„ „dre naden letter moet ter uitvoering gebragt worden of het dan met het best best soude sijn die menschen in contant of in lijwaten nahare keur of te betalen alsoo het selve haar aangenaam, Ende EComp: ook niet nadeelig kan sijn vermits de marks prijs altijt te bekomen is ook versoeken wij verder uw hoog Edelhed:s geEerde Jntentie. te mogen weeten Jngevalle de Engelse twee paggers mogten Extrueeren tusschen Ansjenga en brinsjan; of wij deselv sullen ongemolesteert laten, also onses bedunkens het de gelegent„ heijd van dese natie niet mede brengt meer vastigheeden indat rijk te maken, En deselve sekerlijk haren naam maar daar toe leenen sullen aan Ragia Trevancoor; —. voor het overige reijkhalsen wij na uw hoog Edelhed:s qualificatie om Een Generaal Lardon voor alle deserteurs temogen publiceeren in begrijp, dat het selve van Een 1717 seer 1795 seer nadelige uitwerkinge voor onse Eer Een schaamteloose mededingers sal sijn. bij aldien het fransse Esguardel dat hier dagelijx volgens voor„ geven van die van make ver„ „wagt woord, hier ter cust jets mogte ondernemen, sal na gedagten de communicatie „tusschen Ceijlonse En mallabaar of geseneden worden, dog wij sullen uw hoog Edelhedens het selve over den land weg door het gebergte En over Tutucorijn pligtschuldig bedeelen. In dit moneent bekomen wij Tij„ „ding, dat de Fransse scheepen reeds vande cust na herwaarts ver „trocken zijn, En dat Ragia Fre vancoor ola wagten voor 1000: man van die natie tot Colletje laad ge reed maken, En dewijl wij thans buijten staat sijn, om haar te beletten sig sig indat rijk vast temaken, soo versoeken wij uw hoog Edelhed:s een „biedig, om temogen weten, hoe wij ons in den aanstaanden Jare tegens deselve sullen gedragen. Waar mede desen besluijtende in schul„ „dige Eerbied verblijve /:onderstond:/ hoog Edele Groot Agtb: wijd Ge biedende heeren (:lager:/ UW hoog Edelhedens anderdanigste en Getrauw„ „ste Dienaar /:was getekend:/ I: V. stein V. Gollenesse /:in margine Cochim den 26:' october 1741. — Accordeert el luijsenaer Secret:s 1717 9 1796 Aan sijn Hoog Edelheijt den wel Edelen groot agtb: heere Johannes Thedens Gouverneur Generael mitsgaders, Dewel Edele Heeren Raden van neder lands India Iet opperhooft over het generaele zoldy Comptoir Thomass van sprekens Whoog Edelens onderda ingedienaar geeft met alle eerbied te kennen, dat de nalatenschappen vand overledene te scheep, door de overheeden /: van tijd tot tijd :) Seer slordig en ten Eenemael suspect behandeld werden; gelijk nu wederom met de Goederen van den op deuijtreije vant schip Ruijter overleden opper- en - onderstuurman Hendrik wagenaer en adriaen Goedhart, gepleegt is, Bij welke verkoping
English
sale the white wine was sold for 5, 6, and, as well as the red ditto for 8 stuyvers the bottle, if not taken on account; item 19 rolls of tobacco, for ƒ 50. –. —, which at best is only 4½ stivers the pound, and other goods besides, as Your High Noblenesses can behold in the accompanying copy of the vendue rolls if it pleases you; there having also been sold out of the estate of the named second mate Goethart, and by the skipper P. Pieman (as was said, jointly) 200 pieces of cutlasses (being cutlass blades) altogether for ƒ 130. –. —, which is 13 stivers apiece, which at other times have been sold here for 36 to 39 stivers, of which sort 400 pieces of ditto blades were confiscated last year by Your High Noblenesses on behalf of the Honorable Company, and whereas such suspicious dealings are altogether contrary to the articles of war which dictate that on board ship nothing other than perishable goods and everyday clothing may be sold, and the remainder upon arriving at Batavia must be handed over; the said articles of war also prohibiting alongside this that no officers stationed aft may join in the bidding or purchase, as being suspicious that they might be in collusion; and whereas skipper P. Pieman and bookkeeper M. Winder have the greatest share in this, alongside some others of lower rank, the skipper requests ex officio, for the prevention of such suspicious dealings which conflict with well-established orders, which is encroaching more and more, that it may be stopped and prevented, in such manner as Your High Noblenesses shall find proper, especially when Your High Noblenesses please to consider what damage the poor heirs come to suffer thereby. Below stood: Doing which etcetera. In the margin: Batavia in the Castle, the 23rd of February anno 1742. Geerloff Sluijsenaer, Secretary. Vendue Roll of Hendrik Waegenaer, chief mate 1 small basket with knives marked Sans Parn, Cash ƒ 3. 14. — 1 snuffbox, the minister of the warship, ditto 4. —. — 1 desk, boatswain of the warship, ditto 1. 4. — 1 watch, M. Winder, ditto 35. —. — 1 silver spoon and fork, the gentleman High Noble, ditto 8. —. — 1 piece ditto ... boatswain of the warship, ditto 13. —. — 1 ditto corkscrew 2 gold rings, skipper Jan of the warship, ditto 6. 10. — 1 sword with a silver hilt, Scheffer, ditto 21. —. — 5 underdrawers, skipper of the warship, ditto 3. —. — 3 checkered shirts, Cooleus, ditto 3. —. — 8 white ditto, mate of the warship, ditto 8. —. — 6 handkerchiefs, minister of the warship, ditto 2. 10. — 4 shirts, skipper Jan of the warship, ditto 5. —. — 3 napkins 2 baize jackets, steward, ditto 5. —. — 1 camisole 1 roll 1 camisole, Master Scheffer, ditto 11. —. — 1 trousers 1 coat 1 camisole, by the sailmaker, ditto 16. —. — 1 trousers Which carry forward ƒ 115. 18. — 1 black camisole, the minister of the warship, ditto 8. —. — 1 trousers 4 curtains, mate of the warship, ditto 1. 16. — some bedding, skipper of the warship, ditto 6. —. — 1 buffalo jacket, mate of the warship, ditto 5. —. — 1 coat, Hans Hamel, ditto 4. —. — 1 empty tobacco box, minister, ditto 1. 10. — 4 rolls of tobacco, Master Scheffer, ditto 12. —. — 1 mirror and the serving tray, Pieter, ditto 2. 10. — some glasses, trumpeter, ditto 1. 10. — 1 small box with pipes, Master Scheffer, ditto 5. —. — 2 chairs, Cooleus, ditto —. —. — 200 bottles of wine at 3 stivers the bottle, ditto 38. —. — 50 ditto, Jan, ditto 12. 10. — Total ƒ 255. 14. — Below stood: and was signed: Hendrik Cornelisz, Hendrik de Jong, and Govert de Bruijn. Lower: Agreed, was signed: J. C. Duquesne. Carried forward cash 145. 18. Agreed, Geerloff Sluijsenaer, Secretary. Vendue Roll of Adriaan Goethart, second mate 1 pair of gold breeches buttons, boatswain of the warship, Cash ƒ 25. —. — 2 ditto ditto, with an Englishman, ditto 10. —. — 1 gold ring, Master Scheffer, ditto 9. —. — 9 pieces gold buttons, the gentleman Hoogland, ditto 24. —. — 1 silver lancet case, secretary of the warship, ditto 6. —. — 1 ditto pendant, a land passenger, ditto 4. —. — 1 pair of silver buckles, skipper of the warship, ditto 3. —. — 1 silver pocket watch, Master Scheffer, ditto 40. —. — 1 ditto spoon and ditto fork, ditto 5. —. — 1 fan, R. D. Neijs, ditto 1. 5. — 19 rolls of tobacco, with an Englishman, ditto 50. —. — 200 pieces of cutlasses, with Pieter Pieman, ditto 130. —. — some checkered undergarments and linen goods, Hans, ditto 8. —. — ditto, sailmaker, ditto 4. —. — 14 pieces of white shirts, Master Scheffer, ditto 16. —. — 18 ditto nightcaps, R. D. Neijs, ditto 3. —. — 5 hats, by the secretary of the warship, ditto 12. —. — 4 ditto, by Kees, ditto 9. —. — 20 pairs of both old and good stockings, secretary of the warship, ditto 8. —. — 2 pieces of sarongs, Master Scheffer, ditto 4. —. — 1 jacket, trumpeter, ditto 5. —. — 1 trousers 1 jacket, the corporal, 7. —. — 1 camisole 1 coat, the gunner, 7. —. — 1 camisole 1 trousers Which carry forward ƒ 388. 5. — Carried forward ƒ 388. 5. — 1 coat, by the trumpeter, Cash 14. —. — 2 long coats, sailmaker, ditto 57. —. — 1 trousers 4 pairs of shoes, assistant butler of the warship, ditto 2. 10. — 1 small box with tobacco, by Pieter, ditto 4. —. — 20 pieces of comboys, by an Englishman, ditto 50. —. — 10 packages of sail yarn, by a ditto, ditto 30. —. — 1 small chest with spirits, by Master Scheffer, ditto 16. —. — 200 bottles of white wine at 6 stivers the bottle, P. Pieman, 60. —. — 30 ditto red ditto at 8 ditto, P. Winder, 12. —. — 500 ditto white ditto at 7 ditto, P. Pieman, 175. —. — 300 ditto ditto at 5 ditto, J. Winder, 75. —. — 1 cask of beer marked J. K. Lull, Cash 30. —. — Total ƒ 863. 13. — Below stood and was signed: Hendrik Cornelisz, Hendrik de Jong, and Govert de Bruijn. Lower: Agreed, was signed: J. C. Duquesne. Agreed, Geerloff Sluijsenaer.
Dutch transcription
verkoping de witte wijn voor 5. 6. en, mitsgaders de roode D:o voor 8 stuy„ de Bottel is verkogt, soo niet maer of reecq: genomen:) Item 19. Tollen„ tabak, voor ƒ 50. –. —. dat op sijn best maar 4½. stxer:s tlb is, en andere goederen meer, Gelijk bij de Nevens gevoegde Copia venduRollen, VW Hoog Edelens des Gelievende konnen b'oogen; sijnde ook uijt de nalatenschap van Genoemde onderstuurman Joethart verkogt en door den schipper P: Pieman (:soogesegt werd gemeij uk:) 200 p:s houwers Overstaet houwer klingen:) tegelijk voor ƒ 130. –. —. 't geen 13: stx:s 't stuk is dieten anderen tijden alhier voor 36. tot 39 stexs verkogt sijn, van welk soort 1:o leeden 400. - stx d=o klingen, door vos hoog Edelens voord' E Compe syn verbeurd verklaart, en dewijl sulx 1717 suspect 1737 suspect gedoente 't Eenemael tegen den articulbrief strijdig is die dicteerd, dat 'er Binnenscheeps boord, niet anders als bederffelijke goederen en dagelijkse kleedenen mogen verkogt ende resteerende op Batavia arri veerende, moeten overgeleverd werden; verbiedende Gemelte articulbrief ookdaar nevens, dat geen officieren agter op Bescheijden mogen meijnen off koopen, als suspect wesende datsede saken konnen eens sijn; Endewijl schipper P: Pieman en Boekhouder M: winder hier in het meeste aendeel hebben, benevens nog Eenige andere van minder Rang versoekt den schppr ompeteshalven, tot weering van Sulke suspect en tegens dewel Testa tueerde ordres Strijdende gedoentens, dat meer en meer inbreekt; mag gestul gestudt Engeweerd werden, sodanig als VW hoog Edelens sullen Bevinden te behooren, te weer wanneer vw hoog Edelens gelieven te consideren wat schade d' arme erfgenaemen daar door komen te Leijden /onderstond:/ 'T welk doende eet: /:in margine Batavia int Casteel den 23:' Februarij ao 1742: Heee deert Geevn Sluijsenaer Secret. s 1717 1798 Sendu Roll van Hendrik waegenaer opperstuurman 1. mantje met messen gem:t Sans Parn: Contant ƒ 3„ 14. — 1„ Snuijddoos de domine oorl. .. . . . „ 4„ —. — _:o„ 1„ 4. — 1. Lessenaar Bootsm: oorl: - _ _:o„ 35. —. — 1. orlogie M: minder.. 1 „ zilverelepel en vork d' heer hoogE:d _:o „ 8. „ —„ — 1 p:s _„o Jeppen. Bootsman oorl:. _:o „ 13„ —. — 1 „ _„o Curketrekker} 2„ Goude Ringetjes, schipper Ian oorl: _„o„ 6„ 10. — 1. deegen met een silvergevest schetter _o „ 21. —. — 5 onderbroeken schipper oorl. . . . . . _ o „ 3„ —. — 3 Poute hemden Cooleus . . . . _:o„ 3. —. —. 8 witte d. o Stuurman oorl: _:o „ 8. —. —. 6 neusdoeken Domime oorl: . - _:o „ 2. 10. — 4. Zemden - Schipper Ian oorl: _„o„ 5„ —. — 3. Servetten 2 „ Baijtjes - - Hofmeester - _:o „ 5„ — 1 Camisool - - - 1 „ Rol - - - - 1. „ Camissool - - - M:r Schefder _:o „ 11. —. — 1„ broek.. 1. Rok. - 1. Carrisool . . door de Seijlmaker _:o „ 16. —. — 1. broek die transporteere ƒ 115. 18. 1„ Swarte Camisool de dommie oorl: _:o „ 8„ —. — 1„ Broek. . 4 „ Gardijntjes Stuurman oorl: - - - _:o „ 1„ 16. — was Cooij Goed schipper oorl:. . . _:o „ 6„ —. — 1 „ buffeltje, Stuurman oorl:. . __„o 5„ —„ — 1 „ Jas hans harnel. . . . . . _:o „ 4. —. — 1 „ leege tobaks doos, domme - - . - _:o „ 1. 10. — 4„ Rollen tobaks, m: scheffer. - . _:o 12: —. — 1. Spiegel en 't inschenk Bort Pieter _:o„ 2„ 10. — Eenige Glasen; Trompetter - . . . _:o„ 1. 10. — 1. Casje met Pijppen, m: Schepfer - „ _:o „ 5. —. — _:o. —. — „ — 2. Stoelen Cooleus . . - - 200 Pottels wijn â 3. - stver:s d' bottel. . . _:o „ 38. —. — 50 5. „ „ „ Ian _:o „ 12: 10. — Somma ƒ255: 14: /:onderstond:/ en was getekent „ Hendrik Cornelisz Hendrik de Iong en Govers de Bruijn /:lager:/ accordeert /:was getek:/ I: C: Diequesne Transport Contant 145. 18 Accordeert Geel luijsen Caer secret. 1717 „ „ „ 1717 1799 Vendu Roll van Adriaan Goethart onder stuurman 1paar goude broeks knoopen gootsm: van t oorl: schip, Contant ƒ 25. —. — _:o „ 10„ —. — 2 „ „ lands „ bij Een Engelsman _:o „ 9„ —. — 1 Soude Ring, M: Schepper - -- - __:o „24. —. — 9 p„s „ knoopjes d' heer Hoogland. . . _:o „ 6„ —. — 1. Silvere landectoker Secretaris, van't oorl: S:r _:o „ 4 „ — — 1„ _o Bengeltje, een Land passaet _:o „ 3„ —. — 1. Paar silver gespjes schipper van oorl: - _:o „40„ —. — 1 „ zilversak orlogie m: Scheffer - - - - _:o „ 5„ —„ — 1„ _„o leepel en d:o vork - - - - - - - - - - _:o „ 1. 5. — 1. waijer, R: D: Neijs. - - - - - _ _:o „ 50„ —. — 19 Rolle taback bij Een Engelsman - - - 200 p:s Gouwers bij P:r Pieman - - _o „ 130„ —. — wat boute onderkleeren „ Linne Goets. - - - - Hans. . . . _:o „ d„ —. — „ Zeijlmaker. - - ---_:o „ 4„ - — 14. P:s witte Sanden m: Scheffer. . . . . _:o „ 16„ —. — 18: „ _:o musjes R: D: neijs. . . . . _:o „ 3. —. — .. _. o „ 12. —. — 5 hoeden door secret:s van't oorl: Schip. 4 „ doorkees - - - - - - - - - - _:o „ 9. — „ — .. - 20 Paar soo ouwe als goede coussen Secretaris oorl: _:o „ 8„ —. — 2 p:s Sarvvangons M: Scheffer. . . . . . _:o „ 4„ —. — 1. Rokje trompetter . . . . _:o „ 5„ —. — 1. broek.. 1 Rokje de Conponael - - - - - - - - „ 7. —. 1: Camisool. - 1. Rok . 1. Camisool - . d' P:r Constabel - - - - - - „ 7. –. — 1: broek. die transporteere ƒ388„ 5. — 2 . P„r Transport ƒ388. 5: — 1. Rok door de trompeller - - - - - Contante „ 14 2 hand Rokken. - - - Zeijlmaker. . _„o„ 57. —. — 1 Broek 4. paar schoenen bottelierem: van't oorl: Schep _:o „ 2„ 10. — _:o„ 4„ —. — 1„ doosje met tabacq door Pieter.. .. — 20. p.:s Cambaersen door Een Engelsman. . . _:o „ 50 „ —. - 10. pakzes Seijlgaeren door Een d:o - - - - _:o „ 30„ —. — - _:o 16„ —. — 1. kistje met Biritus door m: Scheffer. „ 60„ — — 200 bottels wittewijn. â 6. stver:s d' bottel P: pienean 30„ d:o boode „ „ 8 „ „ „ P: winder —: „ 12„ —. — 500 „ d:o witte „ „ 7 „ „ P: Pieman — „ 175: —. — 300. d. o d o „ „ 5 „ I: winder — „ 75. —. — 1 vat biergemerkt I: K: Lull. Contant „ 30„ —. — Somma ƒ863. 13. — /:onderstond en was getek:/ Hendrik Cornelisz Hendrik De Iung en Bovert de Bruijn, /:lager/ accordeert /was getekent:/ I: C: Duquesne Heee Hluijsen aer waet agcordeert 1717 .. ƒ — 9 1717
English
Copy Attestation His High Honour the Right Honourable Highly Esteemed Lord Adriaan Valckenier Governor General of 1717 Netherlands India Requisitioner No. 4. 1800 List of all such persons as have testified at the requisition of the High Honourable Highly Esteemed Lord Adriaan Walckenier, likewise the names of the notaries before whom the aforesaid acts were executed. The gentleman Anthonij Guldenari, Commander and Equipment Master Hendrik Duurveld, Sergeant Major Gerrit Hackenberg, Surgeon General Willem de fraat, Fabric Master marten gouaband, Constable Major Joseph de milaan, alderman of the city Jan de Roode, former alderman Barend Dingemans booms, former alderman Pieter Bookestein, bailiff Christoffel mol, Captain of Horse of the burgher Cavalry Coenraad mulder, Captain of the military Jan van oosten, Captain of the military Frans Adolff van haarsolte, Captain of the military Jacob Henneklaar, master carpenter at the wharf Evert Heijnkes, Blacksmith the same Jan mindorp, Cooper the same Gerrit van der Kers, Sailmaker the same Ernst Hanse, blockmaker the same and Paulus Paulus, Mapmaker the same Lambertus van den Andel, master carpenter in the quarter nicolaas Ziegelas, mason the same frans dan vergene de villeneuve, master blacksmith the same Johannes Reijnhard Lemke, Coppersmith the same Pieter frans, stone and figure carver the same frans geijseling, Plumber the same Jan G Jan Christoffel wentschoe, equerry nicolaas munnickx, vice president of the Board of Estate Masters Jan harvis, vice president of the Lords Commissioners Pieter donker, Cornet of the burgher Cavalry Cornelis Los, burgher, all these persons have responded to a certain Insinuation on 20, 21, 22, 23, 24, 27 and 28 December 1740 executed before the notary van dinter. 2 The esteemed lord Pieter willem Lammens Anthonij guldenarm, Commander gerrit hackenberg, Surgeon General Willem de fraat, Fabric Master and Jan de Roode, vendue master have at the requisition of his High Honour Adriaan Valckenier responded to an Insinuation on 23, 24 and 27 December 1740 executed before the notary van Dinter 3 The gentlemen Gerrardus Cluijsenaar, First, and mattheus otto, Second Secretary of the High Indian Government, have responded to the requisition as above on 21 December 1740, privately and not before notary and witnesses. 4 The gentleman mattheus Otto furthermore granted a private statement for the benefit of his High Honour on 27 December. The gentleman Hackenberg granted a private statement at the requisition of his High Honour on 25 October 1740, and behind it stands an Insinuation executed before the notary van Dinter on the aforesaid 26 October, answered by the aforementioned Hackenberg. 1717 6. 1801 6 The gentleman Otto and Cornelis van der heijde granted a private statement under date of 7 August 1740, and on 26 October following answered an Insinuation served upon them by the notary van dinter. 7 The statement of Johannes Stavorinus was executed before van dinter on 27 December 1740. E 8 The gentlemen Phillips, duurvelt, Guldenari, de fraat, panhuijs, Hoesak, gouwaband, Cluijsenaar, van der Linden and Bookesteijn granted a statement privately on 27 October 1740 for the benefit as above, and answered an Insinuation served upon them on 26 October by the notary Abraham van dinter. 9 Christoffel wendschoe gave a private statement under date of 11 December 1710, and answered an Insinuation served upon him on 27 December 1740 by the notary van dinter. 10 Reijnier Harmans, bookkeeper, answered such question points as were put to him by the notary van dinter on 28 December 1740. 11 The gentleman Coenraad Mulder, Captain of the Castle, Jan van Oosten, Captain at the Rotterdam Gate, and Ulrich Hemminchson granted their attestation on 23 and 24 December at the requisition as above before the notary van dinter. 12 d 12 Jacobus van Velse, Lieutenant of the East Side burgher Company Johan van hoogsteden, Lieutenant of the Cavalry Jan fredrik Riebalt, ensign of the East Company Thomias Plooij, sergeant of the West Company Jan Schreuder avij blok Jan victor zonder, all three sergeants of the East Company Bavend nieuwman, Constable stationed at the city hall And michiel van ommeren, burgher soldier, have given their provided statement for the benefit as above on 19 December before van dinter. 13 Pieter molster Johannes brun and frans adolph van haersolte responded to such question points as were put to them on 7 December 1710 by the notary van dinter in the name as above. 14 Ioseph: de milaen, alderman of this City barend dingemanse booms, former alderman Justinus Vinck, bailiff Christoffel mol, Captain of Horse of the burgher Cavalry Jacobus van velse, Lieutenant of the East Side burgher Company Jan fredrik Ribalt, ensign Jan Paulus, native Captain anthonij, Captain of the Javanese abdul Rachman, Sergeant of the Malays Nevo dupon and Papoe, ensign of the Balinese, responded to such question points as were put to them on 19, 20 and 21 December by the notary van dinter. 15. 1717
Dutch transcription
Copia Attestatie zijn hoog Edelheijt den wel Edelen groot Agtb: Heere Adriaan Valckenier Gouverneur generaal van 1717 Nederlands India req=t No. 4. 1800 Lijst van alle zoodanige persoonen als ter requisitie van den hoog Edele groot agtbaeren heere Adriaan Walckenier hebben getuijgt jtem de namen van de no„ tarissen voor wien voorsz: actens sijn belegt. dh„r Anthonij Guldenari Commandeur en Equipagiemeester Hendrik Duurveld Sergeant majoor Gerrit Hackenberg Chirurgijn generaal Willem de fraat fabrijcq marten gouaband Constabel major Joseph de milaan scheepen van de stad Jan de Roode oud scheepen Barend Dingemans booms oud scheepen Pieter Bookestein bailliuw Christoffel mol ritmeester der borger Cavalerij Coenraad mulder Capitain militair Jan van oosten Capitain militair Frans Adolff van haarsolte Cap„n militair Jacob Henneklaar baastimmerman op de werff Evert Heijnkes Smit Jdem Jan mindorp Cuijper idem Gerrit van der Kers Zeijlmaker idem Ernst Hanse blockemaker idem en Paulus Paulus Caartemaeker idem Lambertus van den Andel baastimmerm: in't quart: nicolaas Ziegelas metselaar idem frans dan vergene de villeneuve baas smit jdem Johannes Reijnhard Lemke Coperslager idem Pieter frans steen en beelt houwer idem frans geijseling Lootgieter idem Jan G Jan Christoffel wentschoe stalmeester nicolaas munnickx vice presis van 't Collegie van boedelm„r Jan harvis, vice presis van heeren Commissarissen Pieter donker Caruet der burger Cavaluije Cornelis Los burger alle dese persoonen hebben gerespondeert op zekere Insinuatie 20: 21: 22: 23: 24: 27: en 28:' december 1740 voor den notaris van dinter gepasseert. 2 den agtb: heer Pieter willem Lammens Anthonij guldenarm Commandeur gerrit hackenberg Chirurgijn generaal Willem de fraat fabrijcq en Jan de Roode vendumeester hebben ter requisitie van sijn hoog Edelheijt Adriaan Valckenier gerespon„ deert op een Insinuatie den 23: 24: en 27: december 1740 voor den notaris van Dinter verleden 3 de heeren Gerrardus Cluijsenaar Eerste en mattheus otto tweede Secretaris der hooge Jndiasche regeeringe hebben ter requisitie als vooren gerespondeert op den 21:e december 1740: onder de hand en niet voor notaris en getuijgen. 4: de heer mattheus Otto heeft nog op den 27:e december ten behoeve van zijn hoog Edelheijd een onderhantse verkla„ ring verleend. d' heer Hackenberg heeft den 25:' october 1740 Eene onder handse verklaring ter requisitie van zijn hoog Edelheijd verleend en daar agter staat Een Insinuatie voor den notaris van Dinter op den 26:e october voorn: gepa seert door gem: Hackenberg beantwoord. 1717 6. 1801 6 de heer Otto en Cornelis van der heijde hebben een onder„ handse verklaring sub= dato 7: aug„s 1740: verleendt en hebben den 26:e october daar aan volgende geantwoord op een Insinuatie aan hen door den notaris van dinter gedaan. 7: de verklaring van Johannes Stavorinus is voor van dinter gepasseerd op den 27:e december 1740: E 8. de heeren Phillips, duurvelt, Guldenari, de fraat panhuijs, Hoesak, gouwaband, Cluijsenaar van der Linden en Bookesteijn, hebben onder dehand Een verklaring op den 27:' october 1740: ten behoeve als boven verleend, en hebben beantwoord Een Insinuatie op den 26:e october aan hen door den notaris Abraham van dinter gedaan. — 9 Christoffel wendschoe heeft een onderhandse verklaring gegeven sub dato 11:' december 1710: en heeft beand„ woord een Insinuatie door den notaris van d'inter aan hem op den 27:e december 1740: gedaan. — 10. Reijnier Harmans boekhouder heeft geandwoordt op zoodanige veraag poincten als hem door den nota„ ris van dinter op den 28:e december 1740: zijn voor gehouden. 11:e dh„r Coenraad Mulder Cap„n van 't Casteel Jan van Oosten Cap„n aan de rotterdammer poort en Ulrich Hemminchson hebben hunne attesta„ tie op den 23 en 24: december ter requisitie als voo„ ren voor den notaris van dinter verleendd. — 12: d 12: Jacobus van Velse Luijtent: der oost zijdse burger Comp Johan van hoogsteden Luijte„ der Cavallerije Jan fredrik Riebalt vaandrig van d' oost Comp: Thomias Plooij sergeant van de west Comp:s Jan Schreuder avij blok Jan victor zonder alle drie sergianten van de oost Comp. Bavend nieuwman Constapel op 't stadhuijs bescheijden Een michiel van ommeren burger soldaat hebben hunne gegeve verklaring ten behoeven als boven op den 19:e december voor van dinter gegeven. — 13: Pieter molster Johannes brun en frans adolph van haersolte hebben gerespondeer op zoodanige vraag poincten als hem op den 7: decemb 1710: door den notaris van dinter ii't den name als boven voorgehouden zijn. 14: Ioseph: de milaen scheepen van dese Stad barend dingemanse booms oud scheepen Justinus Vinck drossaart Christoffel mol ritmeester der burger Cavallerije Jacobus van velse Luijtent: der burger oost zeijdse Cons„ Jan fredrik Ribalt vaandrig Jan Paulus jnlands Cap„n anthonij Cap„n der Javaan„ abdul Rachman Serg„t der maleijers Nevo dupon. en Papoe vaandrig der balijers hebben gerespondeer op zodanige vraagpoincten als op den 19:e 20:' en 2. december aan hem door den notaris van dinter voorgehouden zijn. 15. 1717
English
1802 15: Christoffel moll, cavalry captain, and Pieter donker, Cornet of the burgher Cavalry, granted their attestation on 12 December 1740 upon requisition as above before van dinter. — 16 Ioseph de milaen, alderman of this city, and Pieter donker, Cornet of the burgher Cavalry, executed their attestation on 22 December 1740 before the notary van dinter. — 17 Ferdinandus de roij, Commissioner for native affairs, executed his declaration on 23 December before Johan van visvliet. — 18: achmat babandam, Captain of the Balinese, executed his declaration on 8 December 1740 before Johan van Visvliet. — 19: daijeeng mabella, Captain of the Macassarese, executed his declaration on 8 December before van vliet. 20: Soeta wangsa, Javanese Captain, executed his declaration before the notary Johan van Visvliet on 8 December. 21. Machmat maroangi, Buginese Captain, executed his declaration before visvliet on 8 December. 22 Redjap, Lieutenant of the Malays, executed his declaration on 2 December 1740 before visvliet. 23: Francois Rijkloff de Geusout, alderman of the city, and Jacob Cool, Lieutenant of the Western Company, granted their declaration for the benefit as above on 17 December 1740 before the notary van Dinter. 24: [illegible] 21: the bailiff Bookesteijn replied to such interrogatories as were presented to him by the notary van dinter on 1 December 1748. 25. Abdul akim, Lieutenant of the Company of Balinese, granted his attestation before visvliet on 8 December 1710. Levinus de heere submitted his report to His Right Honourable on 22 December 1748. Item, further some interrogatories answered by the military Captain Johannes Biun likewise on 5 January 1741 before the just mentioned notary abraham van dinter and witnesses within the City. Jacobus van vels gave an attestation on 31 December 1740 for the benefit as above, and the same was also executed by the notary Abraham van dinter. Item, further some interrogatories answered by Augustinus Thornton and adriaan subbels on 31 December 1740 and 2 January 1741 last executed before van dinter. Further some interrogatories answered by the Commissioner ferdinandus de Rooij on 4 January 1741 before the notary visvliet and witnesses executed. Finally, a triplicate private declaration granted by the Advocate Fiscal on 9 November 1748. List of such deeds and persons that upon requisition of the Right 1717 Honourable. 1803 Messrs. and Master Jacob van den bosch, anthonij guldenarm, Claes gijsepeijl, Abraham roos, heurij abbis, and Joan archer answered to a notice executed on the... January 1741 before the notary Johan van Visvliet and witnesses here. — Master Jacob van den bosch, Master Theodorus Palicarpus woijt, Jan van oort, and Jan kleijn replied to a notice executed on 27 January and 1 February before Visvliet. anthonij guldenarm, boudewijn Jansz: vank, Ferdinandus de wij, and Johannes Simong replied on 28 and 30 January 1741 before visvliet. Willem Lulsen, Otto wedigde smeling, both junior merchants and ordinary commissioners on Onrust, executed their attestation on 31 January 1741 before visvlied. Mr. Laffaille and Master Johannes wagardus answered to a notice executed on 20 and 30 January 1741 before van dinter. — Adriaan van groenenberg and Constantijn Teekman, both assistants in the service of the Honourable Company, replied to a certain notice executed on 25 January 1741 before the notary visvliet and witnesses. Claas gijsepijl, master craftsman, and Abraham Roos, chief administrator on Onrust, granted their declaration on 28 January before the said notary visvliet. Augustinus Thornton answered a certain Notice granted on 26 January before the notary van dinter and witnesses here. — Jan adels, sea captain in the service of the Honourable Company, answered to a notice executed on 25 January before van dinter. Right Honourable, Most Venerable Lord Adriaan Valckenier, Governor-General, were granted and executed. — hendrik: [illegible] hendrik Soedburger answered a Notice executed on 2 January before the said van dinter. - Levinus de heere, Jailer of the civic prison, submitted a report dated 22 December 1740. Pieter Cornelis, Pietersz: francois, fransz: Johannes, thomasz:, Jonathan Jansz:, Esau abraham, alexander Moses, abraham manuelsz:, abraham Jacobsz:, Jonas matijs, Johannes davidsz: fortuij van bengalen, david nicolaas, Eliachim Elias, Johannes pietersz:, abraham anthonijsz:, Thomas Joseph, galand Elias, Jepta van balij, manasse Paulus, Johannes warnaer, Johannes Willemsz:, domingo Paulus, Lisander Jansz:, Jacob Gabriet, supido Jacobsz:, Jacob Coridon, Adam Isaak, david Jansz:, assia Pietersz:, Willem thomas, december van bengale, anthonij abrahamsz:, Albert domingos, Paulus Johannes abrahams, Jacob Jansz:, martijn Jacobs:, abraham danielsz:, Leander Jansz:, anthonij Willemsz:, Pedra alexander, Alexander van balij, Salomon Louisz:, and Zacharias pietersz:, all native burghers, answered a certain Notice executed on 16 January before van dinter. — The above-mentioned attestants further replied to a certain other notice executed before van dinter on 21 January. Joachim Swijperberg, deputy mandador in the quarter, granted a declaration, and the same was executed before van dinter on 19 January, with which have conformed. Aijm: 1717
Dutch transcription
1802 15: Christoffel moll ritmeester en Pieter donker Cornet der burger Cavallerije hebben hunne attestatie op den 12:' december 1740: ter requisitie als boven voor van dinter verleend. — 16 Ioseph de milaen scheepen deser stad en Pieter donker Cornet der burger Cavallerije hebben hunne attestatie op den 22: december 1740: voor den notaris van dinter gepasseert. — 17 Ferdinandus de roij Commissaris tot de zaeken der jnlanders heeft zijn verklaring op den 23:e december voor Johan van visvliet gepasseert. — 18: achmat babandam Cap„n de balijers heeft zijn ver„ klaring op den 8: december 1740. voor Johan van Visvliet gepasseert. — 19: daijeeng mabella Cap„n der macassaaren heeft zijn verklaring op den 8: december voor van vliet gepasseert 20: Soeta wangsa Javaans Cap„n heeft zijn verklaring voor den notaris Johan van Visvliet op den 8: decemb„r gepasseert 21. Machmat maroangi boeginees Cap„n heeft zijn verklaring voor visvliet op den 8: december gepasseert 22 Redjap Luijtenant der maleijers heeft zijn verklaring op den 2:e december 1740 voor visvliet gepasseert 23: Francois Rijkloff de Geusout scheepen van de stad en Jacob Cool Luijdenant van de west Comp: hebben hunne verklaring ten behoeve als boven verleend op den 17: december 1740 voor den notaris van Dinter. 24: omp Cond eer 21:e den bailliuw Bookesteijn heeft gerespondeert op zoodanig vraag poincten als hem door den notaris van dinter op den 1:e december 1748: sijn voorgehouden 25. Abdul akim Luijtmant van de Comp: baliers heeft zijn attestatie voor visvliet op den 8: december: 1710 verleend Levinus de heere heeft zijn berigt aan zijn hoog Ed„s over„ gegeven op den 22: december 1748: jtem nog Eenige vraagpoincten beandwoord door den Cap„n militair Johannes Biun insgelijx op den 5: Januarij 1741 voor zoo even gen: notaris abraham van dinter en getuijgen binnen de Stad verleenen Jacobus van vels heeft een attestatie op den 31: xber: 1740: ten behoeve van als boven gegeven en deselve is mede door den notaris Abraham van dinter gepasseerd Jtem nog eenige vraag poincten beandw: bij Augustinus Thornton en adriaan subbels op den 31:' december 1740: en 2: Janu: 1741: jongstleden voor van dinter verleden nog eenige vraagpoincten beandw: bij den Commissaris ferdinandus de Rooij op den 4:' Januarij 1741: voor den notaris visvliet en get: verheeden Eijndelijk een triplicaet onderhandse verklaring verleend door den heer advocaat fiscaal op den 9:' novemb„r 1748: Lijst van Sodanige ac„ tens en persoonen als ter requisitie van den hoog 1717 Edelen. 1803 de heeren en W„r Jacob van den bosch anthonij gulden„ arm, Claes gijsepeijl Abraham roos; heurij abbis en Joan archer hebben geandwoord op een insinuatie den..... Janu: 1741: voor den nad„s Johan van Visvliet en get: alhier gepasseert. — m„r Jacob van den bosch, m„r Theodorus Palicarpus woijt Jan van oort en Jan kleijn hebben gerespondeert op eene insinuatie den 27:' Jann: en 1: feb„ij voor Visvliet gepass„t anthonij guldenarm, boudewijn Jansz: vank, Fer„s dinandus de wij en Johannes Simong hebben den 28:e en 30:e Janu: 1741 voor visvliet gerespondeert. Willem Lulsen Otto wedigde smeling beijde onder„ Cooplieden en ord„e gecommitt:s op onrust hebben hunne attestatie op den 31: Janu: 1741: voor visvlied gepass: de heer Laffaille, en M„r Johannes wagardus hebben ge„ antwoord op een insinuatie op den 20: en 30: Janu: 1741 voor van dinter verleeden.— Adriaan van groenenberg en Constantijn Teekman beijde adsistenten in dienst van d' E: Comp: hebben geres„ pandeert op zeekere insinuatie den 25: Janu: 1741. voor den notaris visvliet en get: gepasseert. Claas gijsepijl baas en Abraham Roos eerste admi„ nistrateur op onrust hebben hunne verklaring op den 28:' Janu: voor gem: notaris visvliet verleend Augustinus Thornton heeft zekere Insinuatie beandwoord op den 26: Janu: voor den notaris van dinter en getuijgen alhier verleend.— Jan adels schipper in dienst van d'E: Comp: heeft geandw: op een jn„ sinuatie den 25: Janu: voor van dinter gepasseert Edelen groot agtb: heere Adriaan Valckenier gouverneur generaal sijn verleend en gepasseert. — hendrik: s er hendrik Soedburger heeft beandwoort een Insinuatie op den 2 Janu: voor gem: van dinter verleden. - Levinus de heere Cipier der burger boeijen heeft een berigt overgegeven van dato 22:' december 1740: Pieter Cornelis Pietersz: francois, fransz: Johannes thomasz:, Jonathan Jansz:, Esau abraham, alex„ ander Moses, abraham manuelsz:, abraham Jacobsz:, Jonas matijs, Johannes davidsz: fortuij van bengalen, david nicolaas, Eliachim Elias Johannes pietersz:, abraham anthonijsz:: Thomas Joseph; galand Elias, Jepta van balij, manasse Paulus, Johannes warnaer, Johannes Willemsz:, domingo Paulus, Lisander Jansz:, Jacob Gabriet supido Jacobsz:, Jacob Coridon, Adam Isaak david Jansz:, assia Pietersz:, Willem thomas, december van bengale anthonij abrahamsz:, Albert domingos, Paulus Johannes abrahams Jacob Jansz:, martijn Jacobs:, abraham danielsz: Leander Jansz:, anthonij Willemsz: Pedra alex„ „ander, Alexander van balij, Salomon Louisz: en Zacharias pietersz: alle inlands burgers hebben zeekere Insinuatie beandwoord op den 16: Jan: voor van dinter verleden. — hier boven genoemde attestanten hebben nader geres„ nadere pondeert op zekere andre insinuatie voor van dinter op den 21: Jann: verleden. Joachim Swijperberg ondermandadaar in't quar tier heeft een verklaring verleend en deselve is voor van dinter op den 19:e Januarij verleden waar mede zig hebben geconformeert. Aijm: 1717
English
1804 Aijm bierma of mallabaar, mandadoor, Jambatang of balij, Rabanca of boeton, Renost of madagaster, kalie of mallabaar, moetie of malabaah, djewatieran madagaster, Candassi of the same, manie of mallabaar, Calie of mallabaar, Lagolo of madagaster, Celiso of madagaster, fisarmana of madegaster, fora of the same, bauw of the same, salila of the same, Coenjema of mallebaar, maleloa of madegaster, Kalie of mallabaar, Tiermale of mallabar, hosee of soloor, jlaij of mallabaar, all the Company's bondmen and assigned to the quarters. Carel sleem has answered a certain notification passed before van dinter on the 25th of January 1741. Johannes Waijwel Corporal and Christiaen borneman have answered a notification passed before van dinter on the 26th of January. Pieter Moester Captain has passed his declaration before van Dinter on the 24th of January. Pieter Stigman, Ian Ludolff Jan Martijn, Treuling, hendrik harmes houdersmark, all soldiers and assigned to the Nieuwpoort, have passed their attestation before van Dinter on the 25th of January. Jacob Popta, Gabriel van Gheeren deeldekaes and Jan Jacobsz groot have responded to a notification passed and executed before the notary van dinter and witnesses within this city on the 25th and 28th of January 1741. Madam Madam The Widow Mussker was written below agrees with the memorandum residing at the Secretariat of the honorable Council of Justice of the Castle of Batavia, sent upon the express request of the Honorable Lord President of the well-mentioned Council. Lower down: Batavia the 7th of December 1741. Was signed: Fr Pversoon sworn Clerk. Agrees Cluijsenjaer secretary 1 1717 G 1717 1805 On this day, the 28th of January 1740. Appeared before me, Johan van Visvliet, Notary Public admitted by the Noble Court of Holland and the Noble High Government of the Netherlands Indies, residing within the city of Batavia, and before the after-mentioned witnesses, Claas Gijsepijl, master on the Island of Onrust, and Abraham Roos, Merchant and first administrator on the Islands of Onrust and Cuijper, both in the service of the Honorable Company, known to me. Who hereby declare with true words, in place of an oath, at the requisition of His High Nobleness the Right Honorable Highly Esteemed Lord Adriaan Valckenier, Governor General of the Netherlands Indies, to be true and truthful; That they, the deponents, being stationed on Onrust, heard there several times before the arrest of the Noble Lords, Ordinary Councillors of the Netherlands Indies, Gustaaff Willem van Imhoff, Elias de Haeze, and Mr Isaac van Schinne, from the ship-friends arriving there daily, that the ship Adrichem was primarily destined for the conveyance of the Governor General, 1717 since that vessel was accustomed to transport such great lords; yet they, the deponents, cannot recall the names of the persons, except only that the day after the arrest of those lords, Skipper van Marle was able to report on Onrust early in the morning the detention of the three Councillors of the Indies under arrest, adding in substance, now the Noble Lord van Imhoff can sail home with the Adrichem, with which he had intended to send the Governor General over. Furthermore, they, the deponents, declare that in the month of June of the past year, when the Noble Lord van Imhoff, with various other gentlemen, took a pleasure trip on the yacht of His High Nobleness, they, the deponents, were ordered to accompany them, and on the return voyage to Batavia sighted two ships, believing them to be English, whereupon the Noble Lord van Imhoff and the other gentlemen appeared very glad, saying there comes the long-wished-for news, and upon that vain presumption many a goblet was drunk, and it was ordered by the Noble Lord van Imhoff that the first deponent should immediately send a boat to those ships to fetch the letters, 1806 but it returned in the evening without success, with the news that they were Dutch ships and nothing more. Furthermore, the last deponent declares that he, being as if compelled to go with the Noble Lord van Imhoff to Edam, upon departure from that place very kindly requested the aforementioned Noble Lord van Imhoff that he, the deponent, might go directly to his assigned post, since he was busy unloading the Palembang vessels, those people were waiting, and they would thereby lose much time, whereupon that Noble Lord answered him, the deponent, very contemptuously in substance: I order you to go along to Batavia, and whatever comes of it, I take upon myself. Deposing nothing further, they, the deponents, give as the reason for their knowledge as stated in the text, offering therefore to confirm further if necessary that which has been testified by them as containing the sincere truth. Thus done and passed at Batavia in the presence of Nicolaas Adamsz and Daniel Fransz, Clerks, as witnesses, who signed the original draft of this together with the deponents and me, the notary. Was written below: issued as a copy and this has been found to agree with its original draft and is granted to the Noble High Government of these lands pursuant to that which was transacted and resolved in the Council of the Indies on the 1st of this month, shown to me, the notary, in an authentic extract. Lower down: Batavia the 18th of December 1741. Was signed: S J. Vn visvliet, notary public. Agrees Cluijsenaer Secretary G 1717
Dutch transcription
1804 Aijm bierma van mallabaar mandadoor, Jam„ batang van balij, Rabanca van boeton, Renost van madagaster, kalie van mallabaar, moetie van malabaah, djewatieran madagaster, Candassi van jdem, manie van mallabaar; Calie van mallabaar Lagolo van madagaster, Celiso van madagaster, fisarmana van madegaster, fora van jdem, bauw van jdem, salila van jdem, Coenjema van mal„ lebaar, maleloa van madegaster, Kalie van mallabaar, Tiermale van mall„r hosee van soloor jlaij van mallabaar alle 'sComp„s Lijfeijgenen en bescheijden in't quartier. Carel sleem heeft beandw: zekere jnsinuatie voor van dinter gepasseert op den 25:' Januarij 1741:— Johannes Waijwel Corp„l en Christiaen borneman hebben geantwoord op een Insinuatie den 26:e Janu: voor van dinter gepasseert. Pieter Moester Cap„n heeft zijn verklaring op den 24:' Janu: voar van Dinter gepasseert. Pieter Stigman, Ian Ludolff Jan Martijn, Treuling, hendrik harmes houdersmark alle soldaten en bescheijden aan d' nieuwpoort hebben hunne attestatie op den 25:' Jannuarij voor van Dinter verleden. Jacob Popta, Gabriel van Gheeren deeldekaes en Jan Jacobsz: groot hebben gerespondeert op een Insinuatie den 25:' en 28:' Jann: 1741 voor den notaris van dinter en ged: binnen dese stad verleden en gepasseert. Juffw. Juff=w De Wed„e Mussker /:onderstond/ accordeert met de memorie ter Secretarije van den agtb: raad van Justitie des Casteels Batavia be„ rustende, gesonden op Expresse begeer te van den Ed„e heere president van wel gem: raede. /: lager:/ Batavia den 7: december 1741: /:was getekent:) F„r Pversoon gesw: Clercq. — Accordeert Cluijsenjaer secret:s 1 1717 G 1717 1805 Op Huijden den 28e: Januarij 1740. Compareerde voor mij Johan van Visvliet, Notaris publijcq bij den Edelen hove van hol„ „land, ende Edele hooge Regeringe van Neder„ „lands India g'admitteerd binnen de stad Batavia Resideerende, ende voor de naar genoemde getuijgen Claas Gijsepijl, baas op 't Eijland onrust en Adra„ „ham Roos, Coopman en eerste admi„ „nistrateur op de Eijlanden onrust, ende Cuijper, beijde ten dienste der E: Comp: mij bekend. Dewelke bij dezen verklaren met waare woorden, in plaatse van Eede ter requisitie van zijn hoog Edelheijt den wel Edelen groot Agtb: Heere Adriaan Valckenier, Gouverneur generaal van Nederlands India, waar ende waaragtig te wesen; Dat zij attestanten als bescheijden zijnde op onrust aldaar verscheijde malen voor 't arrest van de Edele heeren raden ordinaris van nederlands Jndia Gustaaff wil„ „lem van Imhoff, Elias de Haeze, en M„r Isaac van Schinne, door de derwaards dagelijx komende scheeps vrienden gehoord hebben dat 't schip Adrichem, wel principaal aange„ „legt was, tot den overvoer van den gouverneur generaal 1717 generaal, wijl die bodem gewend was zulke groote heeren te transporteeren, dog kun„ „nen zij attestanten hun niet Crinneren de namen der personen, als alleenelijk dat daags na 't arrest van die heeren schipper van Marle, 's morgens vroeg op onrust heeft konnen Rapporteeren, de versekering van drie raden van Jndien in arrest, met bijvoeging in substantie, nu kan de Edele heer van Jmhoff met den Adri„ „chem thuijs varen, waarmede hij van meening was den Gouverneur generaal over te senden verder verklaren zij attestanten dat in de maand Iunij A=o pass=o wanneer de Ed:e heer van Jmhoff, met diverse andere heeren een speelreijsje met 't Jagt van zijn hoog Edelheijd deed, zij attestanten g'ordonneert waren om mede te gaan, en op de te rug reijese naar Batavia twee scheepen /:meenende dat 't Engelsen waren. / in 't gesigt kreegen waar op de Ed:e heer van Jmhoff, ende ver„ „dere heer zeer verheugd scheenden, met t zeggen daar komt de lang gewenschte tijding, en wierd op die ijdele koopmeenig bocaal gedronken en door den Edelen heer van Jmhoff, g'ordonneert dat den eersten attestant, aanstonds een schuijt naar die scheepen zoude zenden, om de brieven aff 1806 af te halen, dog quam dezelve 's avonds vrugteloos te rug, met tijding dat 't hol „landse scheepen waren zonder meer— wijders verklaard den laasten attestant dat hij als gedwongen zijnde om met de Ed„e heer van Jmhoff, naar Edam te gaan, op 't vertrek van die plaats aan voorn: Ed:e heer van Jmhoff, zeer vriende„ „lijk heeft versogt, dat hij attestant direct naar zijne bescheijden post mog te gaan, vermits in't lossen der palembangse vaartuijgen besig was, die menschen wagten, en daar mede veel versuijmen zouden, waar op die Edelen heer zeer ver„ „agtelijk hem attestant antwoorde in substantie ik ordonneere u om mede te gaan naar Batavia, en wat er van komt neem ik op mij — verders niet getuijgende geven zij atte¬ stanten voor reeden van hun weten¬ „schap als in den text, presenteerende over zulx 't gunt bij hun getuijgd is als de opregte waarheijt behelsende /:des noods/ nader gestand te doen— Aldus gedaan ende gepasseert tot Ba„ „tavia ter presentie van Nicolaas Adamsz, en Daniel Fransz: Clerc¬ quen als getuijgen die de minute dezes nevens aal ven nevens de attestanten ende mij notaris hebben onderteekent /: onderstond:/ uijt gegeven voor Copia en is deze met deszelfs minute accordeerende bevonden en werd verleend aan de Edele hooge Regeringe dezer landen ingevolge 't gebesoigneerde en geresolveerde in Rade van Jndia op den 1. dezer mij notaris in authentijc„ „que Extract gebleken /:lager:/ Bata„ „via den 18:' December 1741. /:was gete„ „kent:/ S J. V=n visvliet, not=s publ: Accordeerd Ale Cluijsenaer Secret G 1717
English
1807. Today, the 24th of January 1741. Appeared before me, Johan van Visvliet, Notary Public admitted by the Noble Court of Holland and the Noble High Government of the Dutch East Indies, residing within the city of Batavia, and before the undermentioned witnesses, Willem Adriaan Luls and Otto Wedrig de Schmelling, junior merchants in the service of the Honourable Company and ordinary commissioners of the warehouses on the islands of Onrust and De Kuiper, known to me: Who hereby declared with true words, in place of an oath, at the requisition of His High Nobility the Right Noble, Highly Respected Lord Adriaan Valckenier, Governor-General of the Dutch East Indies, to be true and truthful: That they, the deponents, being in their latter capacity most of the time on Onrust, on that occasion several times in the company of the master carpenter there, Claas Gijsepije, and the first administrator of the aforesaid warehouses, Abraham Roos, heard from the shipmates arriving there daily, before the arrest of the Noble Lords, ordinary Councillors of the Dutch East Indies, Gustaaf Willem van Imhoff, Elias de Haeze, and 1717 and Master Isaac van Schinne, that the ship Adrichem was being made ready with such special speed to transport the Governor-General, as that vessel was accustomed to transporting such great lords, but they, the deponents, cannot remember the names of the persons, except only that the day after the arrest of those lords, Captain van Marle, Tigus, early in the morning came to Onrust to report the detention of three Councillors of the Indies under arrest, adding in substance, now the Noble Lord van Imhoff can sail home with the Adrichem, with which he intended to send the Governor-General over: Deposing nothing further, they, the deponents, give as the reason for their knowledge that which is presented in the text, offering therefore to confirm further that which has been testified by them as containing the sincere truth, if necessary: Thus done and executed at my office in the presence of Nicolaas Adamsz and Anthonij Salomonsz, clerks, as witnesses, who have signed the minute hereof together with the deponents and me, the notary; below was written: Issued as a copy, and this was found to agree with its minute, and is granted to the Noble High Government of these lands pursuant to that which was deliberated and resolved in the Council of the Indies on the 1st of this month, as appeared to me, the notary, in an authentic extract; lower: Batavia, the 18th of December 1741; was signed: J. van Visvliet, Notary Public. Agrees, E. Kluijsenaer, Secretary Attestation Requisition of His High Nobility the Right Noble, Highly Respected Lord Adriaan Valckenier 1717 Copy 2 1809 Today, the 19th of January 1741, appeared before me, Johan van Visvliet, Notary Public admitted by the Noble Court of Holland and the Noble High Government of the Dutch East Indies, residing within the city of Batavia, and before the undermentioned witnesses, Ferdinandus de Roij, Commissioner for Native Affairs, known to me. Who hereby declared with true words in place of an oath, at the requisition of His High Nobility the Right Noble, Highly Respected Lord Adriaan Valckenier, Governor-General of the Dutch East Indies, to be true and truthful. That now some months ago, the exact time being unspecified, he, the deponent, received a certain extract from the minutes of what was deliberated and resolved in the Council of the Indies on Monday, the 25th of July 1740, whereby he, the deponent, was ordered and charged, together with the officers of justice, to have rounded up and transferred into irons all suspicious, wandering Chinese, regardless of whether they were provided with a permit to remain; after receipt of which minute he, the deponent, betook himself to His High Nobility, the High Noble Lord requester herein, and asked His High Nobility 1717 how he should conduct himself regarding the aforesaid minute, to which it was answered by His Nobility that this was not the duty of him, the deponent, but was incumbent upon the officers of justice. That some time after that date, he, the deponent, together with the officers of justice, was summoned to the meeting of Their High Nobilities, His High Nobility the requester not being present; having arrived there, it was asked first of both officers of justice and afterwards of him, the deponent, how many Chinese had been rounded up by him, the deponent, which question was asked either by the Noble Lord Director or by the Noble Lord van Imhoff, which of the two it was the deponent testifies has escaped his memory, to which he, the deponent, said he had received no orders to that effect. That shortly thereafter he, the deponent, was summoned by His High Nobility the requester and charged to take care with all prudence to have the Chinese vagabonds and wanderers rounded up. Deposing nothing further, he, the deponent, gives as the reason for his knowledge that which is presented in the text, offering therefore to confirm further that which has been testified by him as containing the sincere truth, 1810 if necessary. Thus done and executed at my office in the presence of Benedictus Bastiaansz Gagie and Nicolaas Adamsz, clerks, as witnesses, who signed the minute hereof together with the deponent and me, the notary; below was written: issued as a copy, and this was found to agree with its minute, and is granted to the Noble High Government of these lands pursuant to that which was deliberated and resolved in the Council of the Indies on the 1st of this month, as appeared to me, the notary, in an authentic extract. Lower: Batavia, the 18th of December 1741; was signed: J. van Visvliet, Notary Public. Agrees, H. E. Kluijsenaer, Secretary Copy Attestation His High Nobility the Right Noble, Highly Respected Lord Adriaan Valckenier 1717 Requester 3.
Dutch transcription
1807. Op huijden den 34„e Januarij 1741. Compareerde voor mij Johan van visvliet, notaris Pubicq bij den Edelen hove van holland en de Edele hooge regering van nederlands Jndia g'ad„ „midteert Binnen de stad Batavia residerende, ende voor de naarge„ noemde getuijgen, Willem Adri„ „aan Luls, en Otto wedrig De schme„ „ling, ondercooplieden, ten dienste der Ecompagnie, en ordinaire gecommitteerdens van de pakhuijsen op de Eijlanden onrusten de Cuijper mij Bekend:— De welke bij desen verklaarden met ware voorden, in plase van Eede ter requisitie van sijn hoog Edelheijd den Wel Edelen groot agtbaren Heeren Adriaan Valc„ „kenier, gouverneur generaal van Nederlands Jndia, waar ende waaragtig te wesen: Dat sij attestanten als Jn hunne Laaste qualiteijd den meesten tijd op onrust zijnde bij die ge„ „legentheijd diverse malen in't geselschap van den Baas aldaar Claas Gijsepije, en den Eerste ad„ „minstrateur van de pakhuijsen voorsz: Abraham Roos, door de derwaards dagelijx komende scheeps vrinden gehoord hebben voor 't arrest van de Edelen heeren Raden ordinairis van neder„ „lands Jndia Gustaaf Willem van Jmhoff, Elias De Hlaeze, En 1717 En M=r Isaac van Schinne, dat het schip Adrichem. wel principaal zoo schielyk wierd gereed gemaakt, om den Gouverneur generaal overte„ „voeren, wijl die bodem gewend was, zulke groote heeren te trans„ „porteeren, dog Kunne zij attestanten sig niet Ermneren, de namen der persoonen, als alleenlijk dat daags na't arres van die heeren schipper van Marle Tigus 's morgens vroeg op ondust is; komen rapporteeren, de verse„ „kering van drie raden van Jndian in arrest, met bijvoeging in substantie, nu kan de Edele heer van Jmloff, met den Adri„ „chem, thrijs voren waar mede hij van meening was den gouvern=r generaal over te senden: Verders niet getuijgende geven sij attestanten voor reden van hun wetenschap als in den text presenterende oversulx het gunt bij hun getuijgt is, als de opregte waarhijd behelsende (:des noods:) nader gestand te doen: — Aldus gedaan Ende gepasseerd ten mijnen comptoire ter presen¬ „tie van Nicolaas Adamsz en Anthonij Salomonsz: cler„ quen als getuijgen die de mi„ „nute deses nevens de attes„ tanten en mij notaris hebben 1808. hebben ondertekent; /:onderstond:/ uijtgegeven voor Copia, en is dese met desselfs minute accorderen„ „de bevonden en werd verleend aan De Edele hooge regering deser Landen Jn gevolge het gebe „soigneerde En geresolveerde in rade van Jndia op den 1:' deser wij notaris in authentijque Extract gebleken, /:Lager:/ Batavia den 18: december 1741: /:was getekent:/ J= V=n Vistfliet, nataris Publ: Accordeert e „ Vluijsenaer Secret:s G g „ Attestatie reqt. sijn hoog Edelheijd den Wel Edelen Groot agtbaren Heere Adriaan Valc„ „kenier 1717 Copia 2 1809 Op huijden den 19 Januarij 1741: compareerde voor mij Johan van VisVliet Notaris Publicq bij den Edelen hove van Holland, en de Edele hoge regeeringe van Nederlands Jndia, geadmitteerd binnen de stad Batavia, resideerende, ende voor de naargenoemde Getuijgen Ferdinandus de Roij Commissaris tot de zaeken der Jn„ „landeren mij bekend. Den welke bij deesen verklaarde met waare Woorden in plaatze van Eede ter requisitie van zijn hoog Edelheit den Wel Edelen Groot agtb: Heere Adriaan Valckenier Gouverneur Gene raal van Nederlands Jndia waar en waarag„ tig te wesen. Dat nu eenige maanden geleden onbepaald den netten Tijd hij attestant heeft ontfangen zeker Extract uijt de Natule van het gebe„ „soigneerde en de geresolveerde in rade van india op Maandag den 25 Julij 1740. waerbij aan hem attestant wierd g'ordonneert en belast, om benevens de offi„ „cieren van de Justitie te laten oppakken, en in de Boeijen overbrengen, alle suspecte, swervende Chinesen /:onaangesien van een Permissie briefje om te mogen overblijven voorsien sijn :/ na ont„ „fangst van welke Notul hij attestant zig heeft ver„ „voegt, bij zijn hoog Edelheit, den hoog Edelen heere requirant in desen, en aan zijn hoog Edelheijd gevraegt 1717 gevraegt hoe hij zig zoude gedragen omtrend voornoem de Notul waarop door zijn Edelheid is g'antwoord dat zulx niet hem attestant maar de officieren van de Justitie incumbeerde Dat eenigen tijd na dato hij attestant benevs. de officieren van de Justitie is geroepen geworden in de Vergadering van haar hoog Edelens zijnde zijn hoog Edelheid requirant niet present; alwaer„ gekomen zijnde is eerst aan de beijde officieren de Justitie en naderhand aan hem attestant ge¬ „vraegt, hoe veel Chinesen door hem attestant zijn opgevat, welke vraag door den Edel: heer Di„ „recteur, dan wel door den Edelen heer van Jmhof /:wien van beijde het geweest is, betuigt hij ar„ „restant hem ontschoten te zijn :/ is gedaan waarop hij attestant heefd gezegd daartoe geen order te hebben ontfangen. „hoog Dat hij attestant kort daarna bij zijn „ Edelheijd requirant is geroepen, en gelast met alle om„ sigtigheid zijn werk te maken om de Chinese vagabonden en swervers te laten opvatten Verders niet getuijgende geeft hij attestant voor reeden van zijn Wetenschap als in den text Presenteerende overzulx het gunt bij hem ge„ „tuijgd is als de regte waarheid behelsende des 1810 des nader gestand te doen Aldus gedaan ende gepasseert ten mijnen Comptoire ter Presentie van Benedictus Basti„ „aansz Gagie, en Nicolaas Adamsz. Clercquen als getuijgen die de minute deezes nevens den attestant ende mij notaris hebben ondertekend /:onderstond:/ uyjtgegeeven voor Copia en is dese met desselfs minute accordeerende be„ „vonden en werd verleend aan de Edele hooge regeeringe deser Landen ingevolge het gebe. „soigneerde en geresolveerde in rade van Jndia op den 1 dezer mij notaris in authenticque Extract gebleeken. /:Lager/ Batavia Een 18 december 1741: /:was getekend:/ J. V: Visvliet. Not:s publ. s Accordeert Hee 1 luijsen aen Secret:s Copia Attestatie zijn Hoog Edelheijt den Wel Ede len groot agtb: Heere Adriaan Valckenier 1717 Regt. 3:
English
1811 The notary Johan van Visvliet, being properly assisted, shall in the name and on behalf of me, the undersigned, proceed to the persons of Anthonij Guldenarm, Commander and Master of Equippage, Boudewijn Jansz: Jonk, Land Surveyor and Building Inspector, Ferdinandus de Roij, Commissioner for Native Affairs, and Johannes Simong, Translator of the Malay language, and interrogate them. Article 1. Whether they were not acquainted with the Noble Lord Gustaaff Willem van Imhoff. The questioned Anthonij Guldenarm says yes. The questioned Boudewijn Jansz: Vonk also says yes. The questioned Ferdinandus de Roij likewise answers yes. The questioned Johannes Simong also says yes. 2. And summoned or called to the house by that Noble Lord several times. The questioned Guldenarm says very seldom. The served Boudewijn Jansz: Vonk says yes. The questioned De Roij says yes, to come dine, and also sometimes to pass the time. The questioned Johannes Simong says yes. 3. Whether they were not called to account by that Noble Lord regarding their office concerning their actions. The first questioned answers no. The second questioned says no. The third questioned also says no. The fourth questioned likewise answers no. 4. Whether it did not happen that they, one of the four, having received orders in their function from the Governor-General or Director, were persuaded by the Noble Lord van Imhoff to communicate such to His Honour; The questioned Guldenarm says never to have been persuaded by the Noble Lord van Imhoff. The questioned Vonk says no. The questioned De Roij likewise says no. The questioned Simong also says no. 5. And whether the Noble Lord van Imhoff did not frequently seek to oppose those orders, and, if it were possible, to countermand them. The first questioned says no. The second questioned also says no. The third questioned likewise says no. The fourth questioned also says no. 6. In what and in what orders such mainly consisted. The questioned Guldenarm says not to have received any orders from His Honour except at the time when the last fire was in the city, to bring the fire engine from the wharf to the great river. Cessat regarding the other questioned persons. 1812. 7. Whether the Noble Lord Gustaaff Willem van Imhoff did not, by soft and flattering words, or else by showing that such would be very pleasing to him, persuade them to obtain knowledge of all that was commanded to them by the Governor-General and Director. The questioned Guldenarm says no, but that the Noble Lord van Imhoff did inquire of him here and there now and then, since he, the questioned, only visited there once every eight days or so. The questioned Vonk says no. The questioned De Roij likewise says no. The questioned Simong also says no. 8. And whether they never made any report to the Noble Lord van Imhoff of what had been executed by them in their offices. The questioned Guldenarm says no, not other than by way of conversation. The questioned Vonk says not other than concerning the hornwork outside the Diestpoort, as well as to pay for the works of the Chinese. The questioned De Roij says never. The questioned Simong says no. 9. Whether they also did not hear that the Noble Lord van Imhoff sometimes mocked the orders that had been given to them by the Governor-General and Director. The questioned Guldenarm says no. The questioned Vonk says no, not other than that His Honour had said that the breach in the rampart between the Nieuwpoort and the Gelderland point was of little use. The questioned De Roij says no. The questioned Simong also says no. 10. Whether they, collectively, were not courted and entertained by the Noble Lord van Imhoff in order, if it were possible, to come to know everything that occurred in their services. The questioned Anthonij Guldenarm says to have been politely entertained and received by His Honour now and then, without knowing anything further of it. The questioned Boudewijn Jansz: Vonk says no. The questioned De Roij says indeed to have been entertained by His Honour, but not to know that such happened for any motives. The questioned Simong says never to have had the honour of being entertained by the Noble Lord van Imhoff. 11. And whether the Commander Anthonij Guldenarm did not hear well that the Noble Lord van Imhoff said: It seems whatever work, we will find a way for it. The questioned Anthonij Guldenarm says not to know such. 12. Whether they are prepared to confirm this foregoing with oaths. The questioned Guldenarm says yes. The questioned Vonk also says yes. The questioned De Roij also says yes. The questioned Simong likewise says yes. Further answer hereupon and report your findings in writing. Batavia, the 26th of January 1741. Signed: A:n Valckenier.
Dutch transcription
1811 Den notaris Johan van visvliet zal behoorlijk geadsisteerd zijnde uijt naam ende van wegens mij ondergeschre„ ven sig vervoegen, aan de persoonen van anthonij guldenarm Com„ mandeur en Equipagimeester, don„ dewijn Ians: Ionk Landmeeter en roijmeester ferdinandus de Roij Commissaris tot de zaken der inlande„ ken, en Johannes Simong transla„ teur van de malaijdse taele en deselve afvraegen. articul 1. den gev: anthonij guldenarm off sijlieden niet bij zegt Jae de Edele heer Gus„ den gev: boudewijn Ians: vonk taaff willem van zegt meede jaar den gev: ferdinandus de Roij Jmhoff zijn bekend antwoord insgelijx Tae geweest. den gevraegden Iohannes Simong zegt meede iaa. den gev: gulden arm zegt zeer En dieverse maelen zelden. door dien Edele heer den geinsinueerden doude„ aan huijs ontbooden. wijn Iansz: Vonk segt jae off geroepen. den gev: de Roij zegtjae om te komen eeten en ook som„ tijts om een tijt korting te nemen den gevraagde Johannes Simong zegt jae. off sij lieden niet door den Eerste gev: andwoord neen 3. dien: .11 2 3 2 dien Edelen heer aangaande den tweede gev: zegt in een haar ampt rekenschap afge„den den derde gev: zegt medeneen den vierde gev: andwoordt ins„ eijscht zijn van haar doen en laeten gelijx neen. den gev: guldenarm segt noaijt off het niet g'beurt is dat door den Ed: heer van zijlieden een van vieren¬ Imhoff gepersuadeert te zijn van den gouverneur den gev: Vonk zegtmeen den gev: de Roij zegt insgelijx generael off directeur ordre in haar functie 6 neen hadde ontfangen door den den gev: Simong zegt mede neen Edelen heer van Jmhoff gepersuadeert zijn sulx aan zijn E: te Communiceren; den Eerste gev: zegt n een En off de Edele heer van den tweede gev: zegt meede neen Jmhoff niet dickmaals „den derde gev: zegt insgelijx in een die ordres heeft soeken te den vierde gev: zegt mede neer contrarieeren, en was het mogelijk te Contra„ mendeeren. — den gev: guldenarm zegt geen Waar in en in wat ordres van zijn Edele te heb„ ben ontfangen dan ten tijde ordres sulx wel prin„ wanneer de Laaste brand cipaal beslaan heeft. in de stad was om de brand„ spuijt van de werff op de groote rivier te brengen cessat nopens de 1717 o 5. 5. 6: verdere gevraagdens d 4: 1812. fge„ den gev: guldenarm zegt neen off den Edelen heer maar dat den Ed„e heer van gustaaff Willem Jmhoff hem wel nu en dan van Jmhoff haar lieden hier en daar nagevraagt niet door sagte en vleijen„ heeft, dewijl hij gevraagde om de dag off agt daar maer de woorden heeft versogt, dan wel anders niet te geweest is. toonen dat hem zulx wel den gevraagde vonk zegd neen den gev: de Roij zegt insgelijx neer aangenaam zoude zijn, gepersuadeert om kennis„ den gev: Simong segt meede neen se te mogen hebben van alle het geene haar van den gouverneur generael en directeur bevolen wierd. — den gev: guldenarm segt neen En off sijlieden nooijd niet anders als discoure„ eenig rapport aan den renderwijs:— Edele heer van Jmhoff den gev: Vonk zegt niet anders als van't hoorn werk buijten hebben gedaan, van 't de diespoort, alsmede om de geene door haarlieden werken der Chineesen te betaelen in haar ampten was den gev: De Roij zegt nooijt uijtgevoert. - den gev: Simong zegt neen den gev: guldenarm zegt n een off sijlieden ook niet den get: Vank zegt meen anders gehoord hebben dat den niet als dat zijn Edele Edele heer van Imhoff had gesegt dat de doorste„ somtijts gespot heeft king van de wal tusschen de nieuw„ met de beveelens poort en de pund gelderlandt die haar door den weijnig van nut was. — gouverneur: de n w 8 9 in 8 7. 1717 den gev: De Roij zegt neen den gevraagde Simong zegt meede neen. — den gevraagden Anthonij gul„ den gev: anthonij guldenarm zegt off sijlieden gesamentlijk, nu en dan door zijn Ed: beleeft te zijn getracteert, en ontfangen niet door den Edele heer sonder van't verder te weten van Imhoff zijn aange„ den gev: boudewijn Jansz: vonk Legtneen: haald, en getracteerd om den gev: De Roij zegtwel door zijn edele getracteert te zijn, dog niet was, het mogelijk alles te te weten dat zulx om eenige in„ kunnen weeten, wat in sigten is geschied. haar diensten voor viel den gev: simong zegt nooijt de eere gehad te hebben van door den Edele heer van Jmhoff getracteerd te werden. — den gev: guldenarm zegt jaa off zij bereijd zijn om dit den gev: vonk zegt mede jaa voorenstaande met den gev: De Roij zegt meede jaa Eeden te bevistigen. — den gev: simong zegt insgelijx jac verdert hier op andwoord en relateerd UE: weder vaeren ingeschrift. Batavia den 26: Jannuarij 1741: /:was geteekent: A„n Valckenier. En off den Commandeur den arm zigt zulx niet Anthonij gulden arm niet wel gehoord heeft dat den Edele heer van Jmhoff heeft gesegt het lijkt wellekke werk wij sullen daar wel raad toe vinden gouverneur generael en directeur gegeven waaren. 10: te weten. — 11: 12 12: 11: 10.
English
1813 Today, the 28th and 30th of January 1741, I, Johan van Visvliet, notary public admitted by the Noble Court of Holland and the Noble High Government of the Netherlands Indies, residing within the city of Batavia, betook and conveyed myself, together with the after-named witnesses, to the interrogated persons mentioned in the heading hereof, known to me, who, after the foregoing question points had been clearly presented and put to them by me, notary, gave in answer as has been set down beside each article by me, notary; this serving as a record of my proceedings, and the same took place in the presence of Daniel Fransz and Jacob Thomasz, clerks, as witnesses, who signed the minute hereof together with me, notary. Below stood: Issued for copy, and this was found to agree with its minute and was granted to the Noble High Government of these lands pursuant to what was treated and resolved in the Council of the Indies on the 1st of this month, as appeared to me, notary, in an authentic extract. Lower: Batavia, the 18th of December 1715. Was signed: J. van Visvliet, notary public. Agrees well Pluijsenaer Secretary 1717 Insinuation Insinuant His High Nobleness the Right Honorable Lord Adriaan Valckenier Insinuated Anthonij Guldenarm et al. 1717 1814 The Notary Johan van Visvliet, being properly assisted, shall in the name and on behalf of me, the undersigned, betake himself to the persons of the gentlemen Councillors of Justice Mr. Jacob van den Bosch, Mr. Theodorus Polycarpus Woijt, the merchants Jan van Bordt and Jan Kleijn, and interrogate the same. 1. The second interrogated person, the gentleman Woijt, says yes, that from his arrival here he was His Honor's table guest. The third and fourth interrogated persons answer yes. The insinuated persons Woijt, van Oord, and Kleijn are asked whether they, during their presence here, did not daily (as they say) frequent the house of the Ordinary Councillor of the Indies Elias De Haze, who has departed for the mother country. 2. The second insinuated person says never to have been present at the house of the Noble Lord De Haze with the Noble Lord van Schinne, nor in His Honor's garden, but indeed to have encountered the merchant d'Espar several times at the aforesaid house. The third interrogated person says to have been two or three times in the company of the Lord van Schinne in the garden of the Noble Lord De Haze on the occasion of a meal, and to have found the merchant d'Espar several times at the house of the Noble Lord De Haze. The fourth insinuated person says indeed with d'Espar, but to have seen the Noble Lord van Schinne only once in the garden of the Noble Lord De Haze. Whether they do not recall that before the news arrived here in the year 1739 of the arrival hither of the Lord van Imhoff from Ceylon, the aforesaid Lord De Haze was keeping no familiar or private intercourse with the gentleman former Ordinary Councillor of the Indies Mr. Isaac van Schinne, nor with the merchant d'Espar. 3. The second interrogated person says with respect to the merchant d'Espar, yes, but with regard to the Noble Lord van Schinne and the Junior Merchant van Imhoff, not to know such, because he, the interrogated person, was never with the Noble Lord van Schinne, and with the Junior Merchant Imhoff once or twice at the house of the Noble Lord De Haze in the evening, and once more at the Moronde with the gentleman van Ops in the company of the gentleman De Haze and his family. The third insinuated person says no. The fourth interrogated person says that d'Espar as before, and that the young gentleman van Imhoff was there once or twice in his presence, and regarding the gentleman van Schinne says as in article 2. 1717 Whether they did not perceive that after receiving this aforesaid news, and after the arrival here of the Junior Merchant Hendrik Francois van Imhoff, the aforesaid Lord De Haze went to great lengths to make acquaintance and friendship with the said Lord van Schinne, the merchant d'Espar, and the just mentioned Junior Merchant van Imhoff. 1815 4. The second insinuated person says for the reason that he had then often seen the merchant d'Espar there, and never before. Regarding the third interrogated person: Lapses. The fourth insinuated person says not to have seen them there any more than in former times. By what means they observed this. 5. The second interrogated person says not to know such. Regarding the third interrogated person: Lapses. The fourth interrogated person says no. Whether this was not shown to them even to conviction by the unusual reciprocal visits that were then held between the aforesaid persons. 7. The interrogated gentleman Woijt says that he well noticed that the Noble Lord De Haze had little confidence in the person of this insinuated man, and therefore never had or held such conversations with His Honor. The interrogated van Oord says no. The interrogated Kleijn likewise says no. Or whether the gentleman De Haze himself had not indeed told these insinuated persons the reasons that moved him thereto. 8. Lapses. In what those consisted. 8. The interrogated gentleman Woijt says never to have heard such. The interrogated van Oord also says never to have heard such. The interrogated Kleijn says that nothing of this occurs to him, except that the gentleman van Imhoff was praised as a friendly and sensible man. And whether the said Lord De Haze, or indeed Madam his beloved wife, did not also say to the insinuated persons that these aforesaid persons might well be able to contribute to bringing His or Her Honor into the favor or friendship of the gentleman Gustaaff Willem van Imhoff, in these or similar words in substance. 10. The interrogated gentleman Woijt says not to know such. The interrogated van Oord says never to have heard such. The said Kleijn says no. Whether it was also not indeed testified in substance by the said Lord De Haze, or else His Honor's wife, to the insinuated persons that Her Honor would do her utmost in every way to get into the favor of the gentleman van Imhoff. 1717 The interrogated gentleman van den Bosch says that he did see that the Noble Lord De Haze very The gentleman Councillor of Justice Mr. Jacob van den Bosch is now asked
Dutch transcription
1813 Op huijden den 28: en 30e Januarij 1741: heb ik Johan van vistliet nots: publ: bij den Edelen hoove van holland en de Edele hooge regeeringe van nederlands Jndia gead„ metteerd, binnen de stad batavia residee„ rende, mij nevens de naargenoemde getuijgen vervoegt en getransporteerd bij de gevraagdens. in den hoofde deses gemeld mij bekend dewelke de voorenstaande vraag poincten door mij notaris duijdelijk voorgehouden en gedaan zijnde gaven deselve ten andwoord zoo als be„ sijden ider articul door mij notaris is ter neder gesteld. dienende dit voor het weder varen mij„ ner verrigtinge en geschiede het zelve ter presen„ tie van Daniel fransz: en Jacob tho„ „masz: Clercquen als getuijgen die de mi„ nute deses nevens mij notaris hebben onder„ teekent /:onderstond:/ uijtgegeven voor Copia en is dese met desselvs minute accordeerende bevonden en werd: verleend aan de Edele Hooge regeeringe deser landen in gevolge 't gebesoigneerde en geresol„ veerde in raede van Jndia op den 1:' deser mij notaris in authentijcque Extract ge„ bleeken /:lager:/ Batavia den 18:e de„ cember 1715: /:was geteekent:/ J„n van Visvlied notaris publicq. — Accordeert wel Pluijsenaer Secret:s 1717 Insinuatie Insinuant Sijn hoog Edelheijt den wel Edelen groot agtb: heere Adriaan Valckenier geinsinueerde Anthonij Guldenarm C: S: 1717 1814 Den Notaris Iohan van Visvliet zal behoorlijk g'adsisteerd zynde uijtnaam ende van wegens mi ondergesz: zig vervoegen, aan de persoonen van d'heeren raden van Iustitie M„r Iacob van den Bosch, m„r Theodorus Polijcarpus Woijt, de Cooplieden Ian van bordt en Jan Kleijn en deselve afvragen de tweeden gew d'heer woijt worden d' g'insinueerdens zegt Ja van zyn aankom„ woijt, van oord en kleijn ste alhier zijn Ed„e tafel gevraagt of zij geduurende gast geweest te zijn d' derde en vierde gevraag„ hun aanwesen alhier niet dens antwoorden Iae. dagelijx /soo als men zegt) hebben verkeerd aan het Huijs van den napatria vertrocken raad ordinaris van Jndia Elias De Haze of hun niet te voorenstaat den tweeden g'insden zegt noijt present te zijn geweest dat voor d' alhier in anno ten huijse van d'Edele heer Destaese met dEdele Heer 1739 gekomen tijdinge van van schinne nog in zijn Ed„e de herwaarts komst van thuijn, maar den Coopm: d'Es„ den heer van Imhoff par wel verscheijde reijsen ten huijse voorn: gerecontreert van Ceijlon voorsz: heer te hebben de Haze geene familiare den derden gevraagden zegt of particuliere ommegang was 1. 2. twee 2. twee of driemaal in't ge„ was houdende met d'heer selschap van dheer van geweese raad ordinaris schinne in de thuijn van d'Ed„e heer de Haze te zijn van Jndien M„r Isaac geweest ter occagie dat'er van schinne nog met een maaltijd wat en den Coopman d'Espar diverse den Coopman despar malen aan't huijs van d' Edele heer de Haze te hebben ge„ vonden, den vierde g'insinueerden zegt met dEspar wel maar d'Ed„e heer van Schinnemar„ eens in de thuijn van d'Ed„e heer de Haze te hebben gesien den tweeden gew: zegt ten of zij niet hebben onder„ opsigte van den Coopman vonden dat na't bekomen desparjae maar ten regu„ arde van dEd„e heer van schin „ deser voorsz: tijdinge, en ne en den ondercoopman nad' aankomst alhier van van Imhof zulx niet te werden vermits hij gevraagden den ondercoopm: Hend„k met d'Ed„e heer van Schinne Francois van Imhof noijt en met den ondercoopm: Imhoff eens a twee maal den voorn: heer de Haze ten huijse van dEdele heer veel werk heeft gemaekt de Haze des avonds en nog eens op de moronde bij d' om kennisse en vrind„ heer van Ops ingeselschap schap temaken met de van d'heer destaze en zijn familie geweest is, gem: heer van Schinne den derden geinsin: zegt den Coopman d'Espar en neen den vierden gevraagden zegteven genoemde onder„ dat dispar als vooren en Coopm: van Imhoff dat den Jongen heer van Imhoff aldaar een reijs of twee in zijn presentie is geweest en nopens d' heer van Schinnezegt als in't art: 2. — 1717 3. 3. 4 1815 den tweeden g'insinueerden zegt waar door zij zulx ter oorsaak hij den Coopm: hebben ontwaard despar als toen dikwils, en bevoorens noit daar gesien nopens den derden gevraagden Cessat den vierden g'insinueerden zegt haar daar niet meer als in vorige tijden te hebben ge„ sien had. . den tweeden gevraagden zegt of hunlieden zulx niet is zulx niet te weeten tot overtuijgens toe nopens den derden gew: gebleeken uijt d'onge„ Cersat den vierden gevraagden segt woone reciproque be„ neen soeken die doe wierden gehouden tusschen voorm: persoonen off zelver d'heer de Haze den heer gevr: woijt zegt welgewerkt te hebben dat niet wel aan dese g'in„ dEdele heer de Haze wijnig vertrouwen op des g'insinu„sinueerdens heeft gesegd eerden persoon had, en dierhal„ ven noijt diergelijke discour„ gehad de redenen die hem sen met zijn Edele heeft gehad daart demoveerden ofgevoert. den gevraagden van oortzegt neen den gevr: Kleijn zegt insge„ lijcx neen 7. vervalt waar in die hebben 8. 8. bestaan 5: 7. e e den heer gev: woijt zegt En of gem:e heer de Haze sulx nooijt gehoort te hebben. dan wel mevrouw desselfs den gew: van oort zegt mede zulx nooijt gehoord te hebben beminde niet aan de g'in„ den gevraagden kleijn zegtsmn: mede heeft gezegt dat hem daar niets van gehad dat dese vooren„ voorstaat als dat d'heer van Imhoff voor een staande persoonen wel vriendelijk en verstandig zouden konnen contribu„ man gepresen wierd eeren om zijn of haar Ed„s inde gunst of vriendschap van den heer Gustaaff Willem van Imhoff te doen komen met dese ofte diergelijcke woorden in substantie den heergev: woijt zegt of ook door gem: heer sulx niet te weeten de Haze dan wel sijn den gew: van oort zegt Ed„s vrouwe aan de g'in„ nooijt sulx tehebben gehoort. sinueerdens niet wel den gen: kleijn zegt in substantie is be„ tuijgd, dat haar Ed„e alle„ sintis hun best zoude doen om d'heer van I inhofjngunst te ge„ raaken neen den heer gew: vanden bosch werd als nu dheer raad zegt dat welgesien heeft van Justitie M„r Iacob dat den Ed„e heer de Haze zeer van 8. 1717 10. 10. tw
English
1816 11. The three other served parties were asked whether, if they had not seen people in gatherings where Mr. de Haze and the Honorable Mr. van Imhoff were present together, they had not heard from others, while not being present in those gatherings, that the Honorable Mr. de Haze showed extraordinary courtesies to the Honorable Mr. van Imhoff. The served party van den Bosch, besides being very friendly towards the Honorable Mr. van Imhoff, states to know nothing further about it. The served party Woijt says he was twice in company with the Honorable Mr. van Imhoff and de Haze, once to welcome the Honorable Mr. van Imhoff, and once in the garden of the Honorable Mr. van Aarden, where the large company prevented observing such, but otherwise he has indeed heard that the Honorable Mr. de Haze made a point of seeking the friendship and company of the Honorable Mr. van Imhoff. The questioned party van Bort says he was only twice in the company of the Honorable Mr. van Imhoff, namely once in the garden of Mr. van Aarden and once in the evening from 8 to 9 o'clock in the garden of Mr. de Haze. The served party Kleijn says he was never in company with the Honorable Mr. van Imhoff and de Haze together, except at the farewell dinner of Schreuder in the garden of Munnix. 12. And whether, nevertheless, the Honorable Mr. van Imhoff seemed to have little regard for Mr. de Haze, and treated him very quietly, indeed sometimes even with little regard. The named Mr. van den Bosch says he never noticed such. The served Mr. Woijt says he did not perceive such. The questioned party van Oort says he never noticed such. The served party Kleijn says he never saw such. 1717 13. Whether these encounters were not often so distinct that the served parties had to wonder at the servilities of Mr. de Haze. The questioned Mr. van den Bosch says he never noticed servilities from the Honorable Mr. de Haze. The questioned Mr. Woijt ceases. The questioned party van Oort says no. The questioned party Kleijn ceases. 14. And whether the Honorable Mr. van Imhoff in his absence sometimes made fun of Mr. de Haze. The questioned Mr. van den Bosch says he never heard or saw such himself. The questioned Mr. Woijt says he never had the fortune of visiting the Honorable Mr. van Imhoff, except once by chance in his Honor's garden. The questioned party van Oort says he knows nothing of this, since he, the questioned party, was only twice in the company of the Honorable Mr. van Imhoff. The questioned party Kleyn says he never had interaction with the Honorable Mr. van Imhoff, as he stated herebefore. 15. Yet whether this afterwards diminished quite a bit, shortly before the Chinese uprisings and thereafter. Lapses with regard to Mr. van den Bosch. The served Mr. Woijt says he does not know such. The questioned party van Oort does not know such. The served party Kleijn answers as to article 13. Whether the served parties are prepared to strengthen their given responses hereto with solemn oaths. All the required parties together answer Yes. 1817 Further reply to this and relate your experience in writing. Batavia, the 26th of January 1741. Signed: A. Valckenier Today, the 27th, 28th of January and first of February 1741, I, Johan van Visvliet, notary public admitted by the Honorable Court of Holland and the Honorable High Government of the Dutch Indies, residing within the city of Batavia, along with the hereinafter named witnesses, first presented myself and went to the first served party, the Honorable Mr. Jacob van den Bosch, in order to present and deliver the preceding notice to his Honor; however, I received from his Honor as answer that he is not in a position to answer so quickly to so many query points, and yet his Honor is prepared, as soon as he shall have obtained a copy thereof, to answer it in writing; which I, notary, reported to the High and Honorable serving party, as well as, along with the 1717 hereinafter named witnesses, upon order of his High and Honorable, repaired once again to the aforementioned Mr. van den Bosch and informed him that there was an order not to give a copy of the aforesaid notice. Thereupon, the said Mr. van den Bosch and the further served parties, since we also went to their Honors together, each separately, upon the presenting and delivering of the preceding notice, answered as has been recorded next to each article by me, notary. This serving as the report of my proceedings, and the same was done in Batavia in the presence of Daniel Fransz, Nicolaas Adamsz, and Jacob Thomasz, my clerks, as witnesses who, together with me, notary, have signed the original draft hereof. Issued for copy, and this was found to agree with its original draft, and is granted to the Honorable High Government of these 1818 lands, pursuant to the deliberations and resolutions in the Council of India on the first of this month, which appeared to me, notary, in authentic extract. Lower down: Batavia, the 18th of December 1741. Signed: J. V. Visvliet, notary public. Agrees: Sluijsenaer, Secretary. 1717 Notice. His High and Honorable, the Right Honorable Adriaan Valckenier, Serving party. Mr. Jacob van den Bosch, and associates, Served party. 1717
Dutch transcription
1816 van den bosch nevens zeer vriendelijk tegens den Ed„e heer van Imhoff was de drie andere g'insinu„ dog van't verder niet te weeten eerdens gevraagd of zij„ den heer geinsin: woijt zegt twee malen in geselschap: Lieden bij geselschappen met dEd„e heer van Jmhoff n de Haze geweest te zijn waar in d'heer de Haze eens om den Ed„e heer van en de heer van Imhoff Jmhoff te verwelle komen nog eens in de thuijn van dEd„s 'tsamen mede waaren niet heer van aarden, alwaarhet groote geselschap zulx t' ob„ hebben gesien, dan wel verveeren belet heeft, voor het in die geselschappen niet schap overige welgehoord te hebben dat d'Ed„e heer de Haze wel mede present geweest werk maakte van de vriend„ zijnde van andere niet schap en het geselschap van d'Ed„e heer van Jmhoff wel hebben gehoord dat den gew: van bort zegt maar twee malen in't geselschap van dheer de Haze, Extraord: den Ed„e heer van Imhof gew=t beleeftheden betoonde te zijn namelijk eens in, de thuijn van d'heer van aarden en eens aan d'heer van Imhoff. des avonds van 8. tot 9. uuren in de thuijn van de heer de Haze den g'insinueerden kleijn zegt nooijt met dEd„e heer van Jmhof en festaze tesamen in gesel„ schap te zijn geweest als op het afscheijt maal van schreuder in de thuijn van munnix den heer gemr: vanden bosch En dat Egter d'heer van zegt zulx nooijt geremarqueert Imhoff weijnig agtin„ te hebben. ge voor den heer de Haze den heer geinsin: woijt zegt zulx niet te hebben ontwaart, scheen te hebben en denselve den gev: van oortzegt sulx nooijt te hebben bespeurt; den seer tranquil, Ja somtijds g'insinueerden kleijn zegt met kleijn agtinge zelfs sulx nooijt gesien te hebben behandelde 12. 12. d rden e „ 11. 11. 1717 den heer gev: vanden bosch of dese hencontres niet de nooijt bassesses van den Ed dikwils sooduijdelijk heer de Haze geremarqueert tehebben waaren dat de g' insinu„ den heer gew: woijt Cessat eerdens zig moesten den gev: van ookt zegt neen verwonderen overde den gev: kleijn Cessat bassesses van den h=r De Haze. den heer gev: vanden bosch En of de heer van Jmhoff zegt sulx selfs nooijt gehoort in desselfs absentie of gesien te hebben den heer gev: woijt zegt nooijt met somtijds den het geluk te hebben gehad van bij spot dreef met den den heer van Jmnhof tekomen behalven eens bij geval in zijn Ed„e thuijn heer de Haze den gev: van oortzegt daar van niet te weeten dewijl hy gevraagde maar tweemael in't geselschap van de heer van Imhoff is gew=t den gevraagden kleyn zegt dat noijt met deheer van Imnhof omme„ gang heeft gehad als hier voren heeft gesegd vervald ten reguarde van den dog of dit naderhand heer van de bosch den heer g'insin:t woijt zegt niet vrij wat is vermin„ sulx niet te weeten den gew: van oort zulx niet dert Even voor de Chinee„ te weeten se revoltes en nadato den geins: kleijn antw: als opt art: 13. — de gesamentlijke gerequireer„ of d' g'insinueerdens berijd dens antwoorden Ja, zijn hunne gegeven respon„ siven te desen met solemneelen Eeden te stercken verder 12. 13. 14: 15. 15. 14: 13. 1817 verder hier op andwoord en relateerd uw wedervaren in geschrifte, Batavia den 26„e Januarij 1741. /was getekent/ A„ij Valckenier Op huijden den 27„e 28„e Januarij en eerste febr: 1741. heb ik Johan van visvliet not: publicq by den Ed„e hoove van holland, en d' Edele hoo„ ge regeeringe van Nederlands Jndia g'admitteerd binnende stad Batavia resideerende mij voor nevens de naargen: getuij„ g en Eerstelijk vervoegd en getransport=d bij den eersten g'insinueerdens den agtb: heer M„r Iacob van den bosch ten eynde zyn E de voorenstaande insinuatie voor te houden en te doen dog bequam van syn E ten antw=d dat hij niet instaat is om op soo veel vraagpoincten soo schielijk t' antwoord en nogthans zyn E: bereijd is om soodra Copia daarvan be„ komen zal hebben daarop schrif„ telijk t' antwoorden, 't geen ik nots: aan den hoog Ed„e heer insinuant heb aangedient mitsg„s mij nevens de 1717 den aargenoemde getuijgen op zin hoog Ede„ len heers ordre andermaals bij voorn: heer van den Bosch begeven en hem aangesegd dat ordre hadde om, geen Copia der voorsz: Insinuatie aftegeven als doen heeft gemelte heer van den Bosch en de verdere g'insinueerdens alsoo ons bij haar E„s mede hebben vervoegd gesamentlij ijder in't bijsonder op het voorhouden en doen van de voorenstaande insinu„ atie sodanig g'andwoord als bezijden Elcke art: door mij nots: is ter nedergesteld, Dienende dit voor't wedervaren van mijne verrigtinge en geschiede het zelve tot Batavia ter presen„ tie van Daniel fransz:, Nicolaas Adamsz:, en Iacob Thomasz: mijnen Clercquen als getuij„ gen die de minute deses nevens mij Nots: hebben onderstond onderteekend uijt gegeven voor Copia en is dese med desselfs mi„ nute accordeerende bevon„ den en werd verleend aan d' Edele hooge regeeringe deser 1818 deser Landen ingevolge het ge„ besoigneerde en geresolveerde in raade van India op den eersten deser mij notaris in Authenticque Extract gebleeken /:lager:/ Batavia den 18„e december 1741. was geteekent I„n V„n Visvliet nots: publicq: Accordeert ens „Sluijsenaer Secret:s 1717 Insinuatie zijn hoog Edelheijd den wel Edele groot Agtb: heere Insinuant Adriaan Valckenier Dh„r M„r Jacob vanden g'insinueerde Bosch, C:S: 1717
English
1819 The Notary Johan van Visvliet, being duly assisted, shall in the name and on behalf of me, the undersigned, present himself to the persons of the member of the honorable Council of Justice of this Castle, Mr Jacob van den Bosch; the Commander and Master of the Equipage Anthonij Guldenarm; the master on the island of Onrust, Claas Gijsepijl; and the Merchants Abraham Roos, Henrij Abbis, and Joan Archer, and ask them: 1. The questioned gentleman Van den Bosch says yes. The questioned Guldenarm likewise says yes. The questioned Gijsepijl also says yes. The questioned Roos says he spent six months on Onrust and six months in Batavia. The questioned Abbis says he was in Batavia until the month of June. The questioned Archer says yes. Whether the notified persons jointly were not present here in Batavia in the year 1739. 2. The first questioned says yes. The second questioned likewise says yes. The third questioned also answers yes. The fourth questioned says yes, to have heard such. The fifth questioned says that he was in China at the time. The sixth questioned answers as before. Whether they, in the aforementioned year, around the latter part thereof, did not hear that news had come from the fatherland that the former Councillor-Ordinary and Governor of Ceylon, Gustaaf Willem van Imhoff, had been relieved of Ceylon and was to come hither. 3. The first questioned says as Councillor-Ordinary of India. The second questioned says he knows no better than as Councillor of India. The third requested person answers not to have heard such. The fourth questioned says in the capacity of Councillor of India. The fifth questioned says he knows nothing of it because he was in China. The sixth answers as before. And in what capacity the aforementioned gentleman Van Imhoff was to appear here. 4. The first questioned says he does not know such. The second questioned likewise says he does not know such. The third questioned answers having heard a loose rumor that the honorable gentleman Van Imhoff was to become General. The fourth questioned says that there was a rumor in Batavia that the honorable gentleman Van Imhoff was to become General. The fifth questioned answers as above to have been in China. The sixth questioned answers likewise to have been in China. And what the most honorable gentleman was to experience. 5. The first questioned says to have heard at that time all kinds of talk and also many times of a secret letter. The second questioned says to have heard that there was a secret letter here. The third questioned says yes. The fourth questioned says not to have heard of the letter. The fifth and sixth questioned say to have been in China at that time. Whether it was not alleged regarding the former that the gentleman Van Imhoff was to come from Ceylon with a secret letter from the fatherland. 1820 6. The first questioned says to have heard frequently that His Right Honor was to be dismissed, but not to have heard of a summons to return. The second questioned says it was said that in the named letter it was stated that when His Right Honor was dismissed, the honorable gentleman Van Imhoff would take his place. The third questioned answers not to have heard what the letter was said to contain. The fourth questioned ceases. The fifth and sixth as before to have been in China. Whereby the most honorable gentleman serving the notification was to be dismissed as Governor-General, or else summoned to return. 7. The first questioned says to have heard such very frequently. The second questioned answers as to article 6. The third questioned says no. The fourth questioned ceases. The fifth and sixth questioned answer as before. And the gentleman Van Imhoff was chosen in his place as Governor-General. 8. The first questioned says he cannot name anyone with certainty. The second questioned says it is impossible to say because he has forgotten such due to the long passage of time. The third questioned says to have heard such from no one. The fourth questioned ceases. The fifth and sixth questioned likewise cease. If this aforementioned rumor came to their attention, from whom they had heard such. 9. The first questioned says he never spoke with those two honorable gentlemen about anything of the kind. The second questioned says no. The third questioned likewise says no. The fourth questioned answers not to have heard such from those honorable gentlemen. The fifth and sixth questioned persons cease. And whether such was not told to them by, among others, the gentleman Mr Isaac van Schinne and the gentleman Pieter Rochus Pasques de Chavonnes. 10. The first questioned answers this to be unknown to him. The second questioned says no. The third questioned likewise answers no. The fourth questioned also says no. The fifth and sixth questioned cease. Or else by those who had learned such from the aforementioned gentlemen. 11. The first questioned says yes. The second, third, and fourth likewise say yes. The fifth questioned says he knows nothing of it. The sixth questioned says yes. Whether thereupon, the gentleman Gustaaff Willem van Imhoff having arrived in Batavia in the beginning of the year 1740, this rumor did not cease. 12. The first questioned says to have heard such said continuously afterwards, but to know of no English news other than gossip news which the questioned has forgotten. The second requested person says he knows nothing of this. The third questioned says no. The fourth questioned says no. The fifth questioned says that he received a short letter from the English ship, by which was communicated to him only as news that the gentleman Van Aarden and the gentleman Sichterman were appointed Councillors of India. But whether some time thereafter another rumor was not heard by the notified persons on the occasion that a small English ship had arrived here in the roads.
Dutch transcription
1819 Den Notaris Johan van Visvliet, zal behoorlijk geadsisteert zijnde uijt naam ende van wegens mij ondergesz: zig vervoegen aan de personen van den lid in den agtb: raad van Justitie dezes Casteels M=r Jacob van den Bosch, den Commandeur en Equipagiemeester Anthonij Gulden„ „arm, den baas op 't Eijland onrust, Claas Gijsepijl ende Cooplieden Abra„ „ham Roos, Henrij Abbis, en Joan Archer, endezelve af te vragen; den heer gev:t van den Bosch zegt sal of de gesamentlijk g'insinu„ den gev:n Gulden arm zegt insgelijk sal eerdens in den Jaare 1739. den gev e Gijsepijl zegt mede Iae den gevraagden Roos zegt zesmaanden niet zijn geweest alhier op op onrust en zes maanden op Batavia den gev:e Abbis zegt tot inde maand van Batavia Iunij op Batavia te zijn geweest den gevraagden Archer zegt sa off zijlieden in voorm: Jaare den eerst gevraagden zegt Iae den tweede gev:te zegt mede sal omtrent 't laaste gedeelte van dien den derden gev: antwoort almede van Jae niet hebben gehoort dat'er uijt 't den vierden gevraagden zegt sa zulx gehoort te hebben vaderland tijdinge was gekomen der vijfden gev: zegt dat hij doen is dat den heer gewesen raad ordinaris na China geweest den zesden gev: antwoort als even en Ceijlons Gouverneur Gustaaf willem 1. 2. 2. den Eersten gev: zegt als ord„s raad van Jndia mitsgaders in welke eene den tweeden gev: zegt niet beter te weten qualiteijd gem: heer van Jm als raad van Jndia hier den denden gereq=de antwoort zulx niet „ hoff „ stond te verschijnen gehoort te hebben den vierden gev=de zegt in qualiteijd als raad van India den vijfden gev: zegt daar van niet te wel„ „ten dewijl in China is geweest den sesden antwoort als even den eersten gev: zegt zulx niet te weten En wat den hoog Ed:e heer den tweeden gev: zegt mede zulx niet te weten stond over te komen den derden gev: antwoord een losgerugt te hebben gehoord dat den Ed. e heer van Jmhoff stond generaal te worden den vierden gev: zegt dat een gerugt op Batavia is geweest daar den Ed:e heer van Jmhoff stond generaal te worden den vijfden gev: antwoord als boven in China te zijn geweest den zesden gev: antwoord mede in Chi„ na te zijn geweest den eerst gev: zegt in die tijd alderhande praat, off niet nopens 't eerste is „jes en ook van een secrete brief menig„ „maal gehoort te hebben voorgegeven dat den heer van den tweeden gev: zegt gehoort te hebben dat Jmhoff van Ceijlon stond te alhier een secreete brieff was den daeden gev: zegt sae komen met eene vaderlandse den vierde gev: zegt vande brieff niet gehoort te hebben. secreete brieff den vijfden en zesden gev: zegt in die tijden China te zijn geweest willem van Jmhoff van Ceijlon was verlost en herwaards stond te kome 1717 6. 3 4. 4. 3 5 5 1820 den eersten gev: zegt dik wils gehoort waar bij den hoog Ed:e heer te hebben dat zijn hoog Edelh=t zoude insinuant als Gouverneur ontslagen werden, dog niet van een op ontbod gehoord te hebben den tweeden gev: zeyt dat gesegt wierd dat generaal zoude werden ont„ bij genoemde brief zoude bekent „ slagen dan wel op ontboden staan dat wanneer zijn hoog Edelh=t wierd ontslagen, den Edelen heer van Jmhoff in deszelfs plaats zoude optreeden den derden gev: antw=d niet gehoort te heb„ „ben wat de brieff zoude behelsen den vierden gev: Cessat den vijfde en zesden als voren in China te zijn geweest den eersten gev: zegt zulx zeerdikwils En den heer van Jmhoff gehoord te hebben den tweeden gev: antwoord als op 't in deszelfs plaats tot Gouver„ articul 6. „neur generaal verkoren den derden gev: zegt neen den vierden gev: Cessat den vijfden en zesden gev: antwoorden den eersten gev: zegt met zekerheid nie, zo, dit vorenstaande uijt „mand te kunnen noemen „strooijsel hun is te voo„ den tweeden gev: zegt onmogelijk is te zeggen dewijl hem zulx door de „ren gekomen van wien zij langheijt des tijds is vergeten den derden gev: zegt zulx van niemand zulx wel hebben gehoord gehoord te hebben. den vierden gev: Cessat den vijfden en sesden gev: mede Cassat En off zulx niet onder an¬ den eersten gev: zegt nooijt met die twee Ed:e heeren over iets dier„ „deren door de heer en M=r „gelijx gesproken hebben den tweeden gev: zegt neen Isaac van Schinne, en den derden gev: zegt mede neen den den 6. 6 als even- 8 den vierden gev: antwoord van die Ed:e den heer Pieter Rochus Pas„ heeren zulx niet gehoord te heb„ „ques de Chavonnes aan „ben- den vijfden en zesden gevraagdens Cessat hun is gezegt, 10: den eersten gev: antwoord aan hem Dan wel door de zodanige zulx onbewust te zijn die zulx uijt gem: heeren den tweeden gev: zegt neen den derden gev: antw: mede van neen„ hadden vernomen den vierden gev: zegt ook neen den vijfde en zesde gev: Cessat den eersten gev: zegt Ia off daar op den heer Gu„ den tweeden derden, en vierden zeggen „staaff willem van Jmhoff mede Ja den vijfden gev: zegt daar van niets in't begin van A=o 1740. op Ba„ te weten den sesden gev: zegt sa „tavia gekomen zijnde dit uijt strooijsel niet is ko„ „men te vervallen den eersten gev: zegt naderhand bij Dog off eenigen tijd daar Continuatie zulx wel hebben na niet weder door de ge horen zeggen dog van geen En„ „gelsnieuws te weten als „ insinueerdens is vernomen praatjes nieuws te weten die den gevraagden vergeten zijn een ander bij occagie dat 'er den tweeden gereqt. zegt hier van een Engels scheepje alhier niets te weten den derden gev: zegt neen ter Rheede was g'arriveert den vierden gev: zegt La „niet den vijfden gev: zegt dat „ 't Engels schip een briefje heeft ontfangen waar bij aan hem eenelijk voor nieuws wierd gecommuniceerd dat raden van Jndia waren aan„ „gesteld de heer van Aarden, ende heer sichterman den 1717 12 12
English
The sixth respondent says not to have heard such. The first respondent says not to know what this rumor consisted of. The second respondent lapses. The third respondent likewise says not to know such. The fourth respondent says to have heard this Englishman brought news of the relief of the general and the appointment of the Honorable Mr. van Imhoff as Governor-General. The fifth respondent answers as to article 12. The sixth respondent lapses. Article 14. And whether such was not in substance that with the next arriving ships from the fatherland the news of the recall or dismissal of the Right Honorable gentleman insinuant was now surely expected to arrive and that the gentleman van Imhoff would now for certain be Governor-General. The first respondent says again to have heard all kinds of talk at that time, but to be unable to state the same with any certainty. The second respondent answers in general to have heard that the Honorable Mr. van Imhoff would become general when His Honor departed. The third respondent says to have indeed heard by rumor that His Right Honor would be dismissed and that the gentleman van Imhoff would become Governor-General, but not to know from whom he heard such. The fourth respondent says [illegible] The fifth respondent says, being in company, to have indeed heard reasoning that when His Right Honor was dismissed, the Honorable Mr. van Imhoff or else the Honorable Mr. Theedens would step into His Honor's place, but that it is impossible for him to say in what place or from whom he heard such. The sixth respondent answers not to have heard such. Article 15. From whom the insinuated persons have heard such. The first says to be able to name no one with certainty. The second says it is impossible to say such, as it has been forgotten by him due to the length of time. The third respondent: cancels. The fourth respondent says to have heard such in the company of the Honorable Mr. van Imhoff on His Right Honor's yacht to Edam. The fifth respondent answers as to article 14. The sixth respondent: cancels. Article 16. And whether they did not learn such from the mouth of the gentleman van Imhoff himself, or else in his dwelling. The first respondent must declare never to have heard anything of the like from the mouth of the Honorable gentleman and does not know that he heard such in his dwelling. The second and third respondents say no. The fourth respondent says as to article 15. The fifth respondent says no. The sixth respondent lapses. Article 17. And here the insinuated respondent, Councillor of Justice Mr. Jacob van den Bosch, alone is asked whether he himself did not tell this last rumor to the gentleman Councillor of Justice Mr. Pieter Willem Lammens, or, the aforesaid Mr. Lammens contradicting such, whether the insinuated gentleman van den Bosch did not affirm this rumor with a firm assurance that such was now certain. The respondent says that it may well be that he, the respondent, said in private that he believed His Right Honor would be dismissed, but to be very surprised that the gentleman Lammens was a talebearer of that then. Article 18. And on what foundation he believed such. The respondent says the foundation was not very great, but to have believed such because of the manifold discussions. Article 19. Where the insinuated gentleman van den Bosch had such an assurance from. The respondent says, since such came to the insinuated person's ear through the manifold rumors and talk, he must also say that he is well aware that he, the respondent, expressly denies to have given to Mr. Lammens any assurance regarding the dismissal of His Right Honor, and did not say that the dismissal was certain. Article 20. Further, the insinuated persons collectively were asked again whether they were not often in company with the gentleman Gustaaf Willem van Imhoff, both in His Honor's garden and dwelling and with other persons. The first respondent says yes. The second respondent likewise says yes. The third requested person says yes, to have been in His Honor's company in his garden and in other places. The fourth respondent says yes. The fifth requested: yes, daily. The sixth requested: yes.
Dutch transcription
1821 te hebben den sesden gev: zegt zulx niet gehoort den eersten gev: zegt zulx niet te weten waar in dit mede ge„ den tweeden gev: vervalt rugt heeft bestaan den derden gev: zegt mede zulx niet te weten - den vierden gev: zegt gehoort te heb„ „ben deze Engels man tijding bragt vande verlossing van den generaal en't aanstellen vanden Ed:e heer van Jmhof. tot gouver„ „neur generaal den vijfden gev: antwoord als op t articul 12. den zesden gev: vervalt den eersten gev: zegt wederom in die En off zulx niet is geweest tijd allerhande praatjes ge„ in substantie dat met de „hoort te hebben dog met geen zekerheijt dezelve te kunnen naast komende vaderlandse opgeven den den tweeden gev: antwoord in't gene scheepen de tijding van 't op„ „raal te hebben gehoord dat ontbod off wel ontslag van d' Ed:e heer van Jmhoff gene„ „raal zou worden wanneer den hoog Ed:e heer insi„ zijn Edelh=t vertrok den derden gev: zegt bij gerugt wel te heb„ „nuant nuversekerstond „ben gehoord dat zijn hoog Edelh=t zoude ontslagen en dat de heer aan te komen en dat den van Jmhof, gouverneur gene„ heer van Jmhoff voor „raal zoude worden dog niet te weten van wien zulx gehoord „vast nu Gouverneur heeft den vierden gev: zegt van Er generaal zoude wesen, den vijffden gev: zegt in geselschap zijnde wel te hebben horen raissonneereeren dat wanneer zijn hoog delh=t wierd ontslagen den Ed:e heer van Jmhoff dan wel d' Ed:e heer Theedens in zijn: 14 14. zijn Edelh=ts plaats zoude optreden, dog dat hem onmogelijk is te zeggen, op wat plaats off van wien hij zulx gehoort heeft - den sesden gev: antwoort zulx niet ge„ „hoort te hebben den eersten segt niemond met zeker, van wie off wien de geinsi „heijt te konnen noemen den tweeeden segt onmogelijk te zijn „ nueerdens zulx al hebben zulx te zeggen dewijl 't hem gehoort door de langheijt des tijdd vergeeten is den derden gev: Cassat den vierden gev: zegt zulx gehoord te hebben in't geselschap van de Ed:e heer van Jmhoff op zijn hoog Edelh:ts jogt naar Edam- den vijfden gev: antw: als op 't arti„ „cul 14. den sesden gev: Cessat den eersten gev: moet verklaren nooijt iets En off zulx niet uijt de mond diergelijx uijt de mond van den van den heer van Jmhoff, zel¬ Ed:e heer gehoord te hebben en weet niet dat zulx in zijn wo: ver dan wel in zijne woning „ninge gehoord heeft- den tweeden en derden gev, zegt neen hebben vernomen den vierden gev: zegt als op 't art: 15 den vijffden gev: zegt neen. den sesden gev: vervalt den gev: zegt dat 't wel kan wesen dat hij En werd alhier den geinsinueerden gev: onder vier oogen gesegt heeft dat hij geloofde dat zijn hoog Edelh=t heer raad van Justitie M=r Jacob zoude ontslagen worden dog zeer van den Bosch, alleen gevraagt verwondert te zijn dat de heer Lammens doar een overbrenger off hij dit laaste gerugt als dan van is 16. 1717 zelver 15 15 6 17 18. den gev=de zegt dewijl den g'insinueerden zulx door de meenigvuldige gerugte en praatjes is ter oor gekomen zo moet hij ook zeggen dat hem wel „lijk van eenige verseekering omtrent 't ontslagven zijn groot geweest te zijn dog zulx naer geloofd te hebben om de menig¬ „vuldige discoursen Lammens niet gezegt heeft dat 't ontslag secuur was 21. den derden gereq=t zegt ila in deszelfs zijn Ed:e ingeselschap te zijn geweest den vierde ged: zegt Ja, den 5„e gebr: „ ja dagelijx den 6:' gevrs „ Ja„ der eersten gev. zegt Ia den tweeden gev: zegt mede Ia zulx heeft geloofd den gev: zegt 't pondament niet zeer En op wat fundament hij wijders werden wederom de ge¬ „samentlijke geinsinueerdens thuijn en op andere plaatse met gevraagt off zij niet dikwils met den heer Gustaaf Willem van Jmhoff zijn geweest ingeselschap zo in zijn Ed:s thuijn als wo„ „ninge en bij andere personen 2o den gev: zegt ontkent wel Expresse, waar van daan de geinsinu„ „eerde heer van den Bosch, hoog Edelh=t gegeven te hebben zodanige versekering heeft gehad zelver niet heeft verteld aan den heer raad van Justitie M„r. Pieter Willem Lammens off de voorsz: heer Lammens zulx tegensprekende de g'insi„ bewust is dat hij gev: aan d' hee„nueerde heer van den Bosch dit gerugt niet heeft geaffirmeert met eene vaste versekeringe dat zulx thans secuur was. 22. ben 20. 19. 1822
English
22 And whether they are not convinced that the Honorable Mr. van Imhoff took pleasure in gambling for much more money than was customary among other persons in these times. The first questioned states to have always remarked that the Honorable gentleman was very indifferent whether His Honor played for a schelling or for a ducaton. The second questioned states from time to time when he arrived to have indeed seen that they played for somewhat more than at other places. The third questioned states yes. The fourth questioned states yes, and to have been a lover of gambling. The fifth questioned states it appeared to him that His Honor often did so for the entertainment of his visiting friends, playing along as he, the questioned, has indeed played in other companies. The sixth questioned states to have seen gambling there at times, but does not know whether the Honorable Mr. van Imhoff took pleasure in it, and that everyone was free to gamble or not. 23 And among others, especially in the game called klaverjassen, which generally came to four ropijen per point, indeed sometimes more, according to whether a large outside bet was made. The first questioned states to have seen all kinds of games played on occasion, and also to have seen that His Honor played the game called klaverjassen for 4 ropijen. The second questioned states to have seen playing for one ropij, and that sometimes another ropij was kept outside. The third questioned states His Honor did not play klaverjassen, but indeed other games. The fourth questioned states yes, mostly all dice games. The fifth questioned states in an occasional case yes, but ordinarily for one ropij. The sixth questioned states to have seen klaverjassen played there sometimes, but does not know for how much, since he did not play along. 24 22 23 1717 1823 Also, many times amused himself with a certain game called Berlangen, which came to run quite high. The first questioned states to have also seen on occasion that His Honor played a game of berlangen, also a card game and several other games, but does not know that it ever ran that high. The second witness states to have attended such only once. The third questioned states to have never played berlangen with His Honor. The fourth questioned states yes. The fifth witness states yes, also on occasion out of courtesy to His Honor's friends. The sixth questioned states to have seen berlangen played, but does not know whether it was for high stakes. 25 Further, the questioned were asked whether they have also not experienced that the aforementioned Mr. van Imhoff was quite strong at drinking. The first questioned states that the Honorable gentleman was in general a strong man, and also could drink a lot of wine on occasion. The second witness states that His Honor could tolerate a glass of wine better than the questioned himself. The third questioned states yes. The fourth questioned states yes. The fifth questioned states that he could drink a large cellar-glass of wine. The fifth questioned states that by chance now and then he drank a strong glass of wine at the Honorable gentleman's place. The sixth witness states that with the Mr. van Imhoff at times a strong glass of wine was indeed drunk. 26 And often at meals amused himself by making the guests intoxicated and giving them a quick drunkenness. The first questioned states to have seen one or another walking with a fine drunkenness on occasion. The second questioned states that His Honor was pleased to see that the guests drank a good glass, so far as he, the questioned, was present. The third witness states yes. The fourth questioned states to have had proof of that many times. The fifth questioned states that the Honorable gentleman always entertained his friends generously, and that he indeed came from there with a drunkenness. The sixth questioned states not to know such. 27 To that end always insisting on the drinking of goblets across the table. The first questioned states to have also seen a goblet passed across the table on occasion. The second questioned states to have indeed seen a goblet drunk across the table. The third witness states yes. The fourth questioned states such to be true. The fifth states on private occasions, whether on birthdays or otherwise. The sixth questioned states to have attended that sometimes. 28 And often keeping the guests to that pleasure until late at night. The first questioned states to have seen pleasures on occasion until late at night, indeed until the morning. The second questioned states, as it appears to him, to have been there the latest until one hour into the night. The third witness states yes. The fourth questioned states such to be true. The fifth questioned states on private occasions sometimes. The sixth questioned states to have never seen drinking of importance after eating. 29 29 1717 27
Dutch transcription
22 den eerste gev: zegt altijd geremanqueert te En off zij niet overtuijgd zijn hebben dat den Ed:e heer zeer indifferent was off zijn Ed:e om een schelling off om dat den heer van Jmhoff een ducaton speelde den tweeden gev: zegt nu en dan wanneer vermaak schepte in spee„ er gekomen is wel te hebben gesien som tijds dat'er om wat meer dan op „ len om veel meer geld een ander plaatsen wierd gespeeld den derden gev: zegt Jae als wel bij andere persoo„ den vierden gev: zegtjo en een liefhebber van speelen geweest te zijn nen in deze tijden gebruij¬ den vijfden gev: zegtzo hem toescheen dat „kelijk was zijn Ed:e zulx veeltijds tot vermaak van zijn bij hem komende vrinden mede speelder sodanig als hij ge„ insinueerde wel in andere ge„ „selschappen gespeelt heeft den sesden gev: zegt daar soontijds te hebben zien speelen dog off den Ed:e heer van Jmhoff daar vermaak in schepte niet te weten, en dat 't een ider vrijstond te speelen off niet 23. den eersten gev: zegt dat aller hande soorte En onder anderen spe¬ van speelen bij occagie speelde ook wel gesien te hebben dat zijn Ed: tspel„ciaal in't spelgenaamt gen=t klaverjassen om 4. ropijen speelde den tweeden gev: zegt wel om een ropij te hebben Claver Jassen 't gunt sien speelen en dat somtijds nog een doorgaans vier Ropijen ropije buijten wierd gehouden, den derden gev: zegt niet zijn Ed:e geen„ ieder schreefje quam blavene Jassen maar wel andere spellen te hebben gespeeld te staan Ia somtijds den vierden gev: zegt Ia meest alle dobbel speelen meer namaten dat 'er den vijffden gev: zegt bij een enkel ge„ een groot buijten wed. „val Ia dog ordinair om een ropij „denschapje weer gedaan; den sesden gev: zegt Claver Jassen som„ „tijds daar heeft zien speelen dog om hoe veel niet te wee„ „ten nademaal hij 't niet. mede gespeelt heeft No 24 22 23 1717 1823 den Eersten ged: sigt bij occagie ook Ook al veel malen sig gezien te hebben dat sijn Ed een spel diviteerde met seker spel berlangen ook wel een Brieffje en genaamt Berlangen het meer andere spellen speelde dog weet egter niet dat sulx so hoog gunt al vrij hoog quam komt te loopen den tweeden get segt maar sulx eenmaal te hebben bij gewoond en derden geins zigt nooijd met sijn edele berlangen te hebben gespeelt den vierden gev zegt Ja den vyffden get zegt Ja ook bij gelegentheijd ter Compli„ cautie van sijn Ed. vrienden en zesden geins=de segt wel te hebben sien berlangen spee„ len dog of sulx groff is ge„ weest niet te weeten Le den Eersten gev zegt dat den Nog werden Geinsereerdens het heer int generaal een sterk man was en ook bij occagie gevraagd off sij ook niet veel wijn kost drincken den tweeden get segt dat sijn hebben ondervonden dat het beeter een glas wijn kan de meerm heer van verdragen meer als bij gev selfs Imhoff Vrij sterck in't en derden geinsereerdens drincken was vierdgt Ja den viffden geinsereerd segt dat een kelder glas wijn konde drincken den vijffden geinsereerd segt dat bij geval nu en dan bij den Ed: heer wel een sterck glas wijn heeft gedroncken den sesden get segt dat hij d Heer van Jmhoff bij wijlen eens wel een sterck glas wijn wierd gedroncken 26 den Eersten gev„t segt bij occagie En veeltijds op Maaltijden den een ofanderwel met een schoone roest gesien te hebben sig deverteerden om de gas te Loopen den 24 24 25 „ten ten beschonken te den Tweeden geinsereerde segt dat sijn Edele wel mogt sien maken en eene snelle dat de gasten een goed glas droncken bij so verre hij geins roest te geeven daar bij is geweest den derden get zegt Ia den vierde geins segt daar menig maal proef van gehad te hebben den vyffden gev zegt dat den Ed„s heer sijne vrienden altyd generens tracteerde en dat hij wel met een roes van daar is gekoomen den sesde g'insijn seyt zulx niet te weten 2 Tot dat Eynde altijd in den Eersten gevaagd segt ook wel bij occagie en brcaaltje „steerende op het drincken over tafel gesien te hebben den tweede gemt segt wel gesien van Boeaalen over de te hebben dat over tafel een taafel bokaal wierd gedroncken den derden get sigt Ia den vierden geis segt sulx waar te zijn den vijffden segt bij particuliere gelegentheeden t' sij bij verjaaring als andersints den sesden geins segt dat som„ tijds te hebben bij gewoond En veeltyds de Gasten den 1 ten gems zegt pleijseertjes bij occagie tot laat in de aan dat plasiertje hou nagt Ia wel tot smorgens „dende tot Laat in de gesien te hebben den tweeden gev segt so hem voor nagt staat het laast tot een uur in de nagt daar geweest te zijn den derden get segt Ia den vierden gemt segt sulx waar te sijn den vijffden gev segt bij parti:en „liere gelegentheeden somtyts den sesden gev segt na den Eeten nooyd van jmportantie te hebben sien drincken 29 29 1717 27
English
1824 Whether the same was not sometimes annoying to the persons served with the notice, so that they said complaining to others that they did not do so with any pleasure or entertainment, but would much rather have been excused, and that they could not understand how the Honorable Gustaaf Willem van Imhoff could do such things and yet attend to his business and affairs. The first named says it may well be true that one or another who was slightly intoxicated has said such a thing. The second witness says that staying up late has sometimes annoyed him. The third named says yes. The fourth witness says that it has annoyed him that many times. The fifth and sixth questioned about us say no. The first witness says he was often astonished himself that the honorable gentleman, who attended to his business and affairs himself, could still wait upon and entertain so many people. The second says he was astonished by the strong constitution of the honorable gentleman Van Imhoff. The third witness says he often wondered about it. The fourth named says he was often astonished by it. The fifth witness says no. The sixth named says he never expressed himself about that. 31. Whether the persons served with the notice are prepared to confirm their answers to the foregoing questions with a solemn oath. The all together served with the notice answer yes. Demand answer hereto and report your experiences in writing. Batavia, the 26th of January 1741. Was signed: A. Valckenier. On this day, the 28th and 30th of January and 1st of February 1741, I, Johan van Visvliet, Notary Public admitted by the Honorable Court of Holland and the Honorable High Government of the Netherlands Indies, residing within the city of Batavia, proceeded and conveyed myself, together with the after-named witnesses, firstly to the first person served with the notice, the respectable gentleman Master Jacob van den Bosch, in order to present and serve his Honor with the foregoing notice. However, I received as an answer from his Honor that he is not in a position to answer so many question points so quickly, yet his Honor is prepared, as soon as he shall have obtained a copy thereof, to answer thereto in writing; which I, notary, reported to the High Honorable Lord server of the notice, whereupon we, together with the after-named witnesses, went once again by order of his High Honor to the aforementioned Mr. Van den Bosch, and told him that I had orders not to deliver any copy of the aforementioned notice. Thereupon the said Mr. Van den Bosch and the other persons served with the notice, as we also proceeded to their Honors, all together each in particular, upon the presentation and serving of the foregoing notice, answered as has been set down beside each article by me, notary. This serving as the report of my proceedings, and the same occurred at Batavia, in the presence of Nicolaas Adamsz and Daniel Fransz Clercq as witnesses, who signed the minute hereof alongside me, notary. Underneath stood: issued for copy, and this was found to agree with its minute. Batavia, the 18th of September 1741. Was signed: J. V. Visvliet, Notary Public. And was granted to the Honorable High Government of these lands, pursuant to the deliberations and resolutions in the Council of the Indies on the 1st of this month, evident to me, notary, in authentic extract. Agrees: Cluijsenaer, Secretary. Notice. Party serving the notice: His High Honor, the right honorable and most respectable Lord Adriaan Valckenier, Governor-General. Party served with the notice: The gentleman Jacob van den Bosch, et al. Copy. Number 28820. The Notary Johan van Visvliet, being duly assisted, shall, in the name and on behalf of me, the undersigned, proceed to the person of the Honorable Ferdinandus de Roij, Commissioner for Native Affairs, and ask the same: 1. Why, at the time when he gave notice to me and requested permission to go to Poulo Gadong, he did not also communicate to me that he would proceed to Poulo Gadong with such a large number of troops, and in the company of the Honorable Gentlemen Van Imhoff and De Haeze. The questioned person says that since he has held this office, he has taken some troops with him to all places to which he went without prior knowledge of his High Honor, of which he, without knowing that he could do any wrong in that, gave no notice to his High Honor. 2. Further to ask why, by whose order, and from how late in the night of that day, when the Honorable Gentlemen Van Imhoff and De Haeze with company would go to Poulo Gadong, Captain Babandam with his accompanying armed troops had to stand waiting in front of the Nieuwpoort for the arrival of the just-mentioned honorable gentlemen. The questioned person answers: in order to do those honorable gentlemen some honor, to have ordered such on his own authority, to be at the Nieuwpoort towards six o'clock in the morning. 3. Who ordered Captain Babandam to appear at the place mentioned in Article two. The questioned person says he ordered such. 4. Whether he, the questioned person, is prepared to corroborate his given answers with a solemn oath. The questioned person answers yes. Demand answer hereto and report your experiences in writing. Batavia, the 4th of January 1741. Was signed: A. Valckenier.
Dutch transcription
1824 of het selfde de g'insinueer¬ den Eersten Gems segt sulx wel waar kan sijn dat den een of ander een roest heb „ dens niet wel somtijds quam te verveelen sodanig dat bende sulx wel heeft gesegt den tweeden get segt Laatsitten sij aan andere daar over hem somtyts heeft vervelt den derden gemt segt Ia klagender wijse seijden den vierden gev segt sadik sulx met geen genoegen „mael hem sulx verveelt heeft ofte plaijsier te doen den vijffden en sesden maar daar veel liever gevraagd ons seggen wilden weesen G' exeuseert Neen den Eersten get segt selfs En dat zij niet konde diekwiels verwondert ge„ weest te sijn dat den het: begrijpen hoe den Heer Heer die syne saken en af. Gustaaf Willem van Jm¬ fairis selft waarnamen so veel menschen nog kost „ hoff sulx konde doen op wagten en tracteeren en Egter sijne saken den 2=den segt sig verwondert en affairis waarneemen te hebben op het sterck naturel van den het heer van Jmhoff den derden gev segt diekwils sig over verwondert te hebben den vierden gent segt daar menigmaal over verwondert te sijn geweest den vijffden get segt neen den sesden gemt degt „ daar omtrend noord g'uijt te hebben 31 de gesamentlike geins: Off sij geinsereerdens be„ „reijd sijn hare responsiven antwoorden Ja op vorenstaande vragen met solemneelen Eede te bekragtigen vordert 29 30 n 29 Vordert hier antwoord en re„ lateerd uw wedervaaren in geschrif Batavia den 26 January 1741 /was geteekend/ A. s Valkenier. Op huyden den 28 en 30 Janu en 1 feb„y 1741 heb ik Iohan van Visvliet Notaris Peubl: bij den Ed. . Hove van Holland en de Edele Hoge Regeringe van Nederlands Jndia g'admitteerd binnen de stad Batavia re„ sideerende mij nevens de naar genoemde getuijgen Eerstelyk vervoegd en getransporteerd bij den Eersten G,inseererden den agtb Heer M„r Iacob van den Bosch ten Eynde sijn Edele voorenstaande insinuatie voor te houden en te doen dog be„ quaam van sijn E ten antwoord dat hij niet in staad is om op so veele vraag poincten so schilijk te antwoorden nogthans sijn E bereyd is om sodra Copia daar van bekomen sal hebben daar op schriftelyk te antwoorden t gunt ik notaris aan den Hoog 1717 1825 Hoog Edelen Heer insinuant heb aangediend mitsgrs wij nevens de nagen getuijgen op sijn Hoog Edh„t ordre andermaal bij voorm Heer van den Bosch begeven en hem aangesegt dat ordre hadde om geen Copia der voorsz insinuatie af te geven als doen heeft gem Heer van den Bosch en de verdere g, insinu „eerdens also ons bij haar Ed=s mede hebben vervoegd gesament „lijk ijder int bijsonder op t voorhouden en doen van de voor „enstaande insinuatie sodanig geantwoord als bezeijden Elke articul door mij not„s is ter nedergesteld Dienende dit voor 't w edervaren van mijne verrigtinge en geschiede het selve tot Batavia ter presentie van Nicolaas Adamsz en Daniel Fransz Clercq: als getuygen die de minute deses nevens mijn notaris hebben onderteekend /onderstond:/ uytgeven voor Copia en is dese met desselfs minute accordeerende bevonden en 1717 Batavia den 18 7ber 1741 /was Geteekend/ J V„ Vesvleet Not„s publ: en werd verleend aan de Edel hooge Regeringe deser lan¬ den in gevolge t Gebesoigneer en geresolveerde in Rade van Jndia op den 1 deser mij notaris in Anthenteegee Extract gebleeken accordeert ll Cluijsenaer Secret:s Insinuatie Insinuant zijn Hoog Edelh„t den wel„ Ede groot agtb: Heeren Adriaan Valckenier Gouverneur gemeraal dheer Jacob van den Bosch, C: S: Geinsinueerde 1717 6 No: 28820 Den Notaris Johan van Visvliet sal behoorlijck geadsisteert zeijnde uijt naam ende Van Weegens mij ondergeschreeven zigh Vervoegen Aan den Persoon van DE: Ferdinandus de Roij Gecommitteerde tot de zaaken der Jnlanderen en den selven afvraagen den gevraagden zegt dat 't sedert hij dese bediening bekleed heeft na alle Plaatsen waar hij niet voorkennis Warom hij ten tijde Wanneer hij aan mij kennisse gegeven en Van zijn Hoog: Edelheijt na toe is Dermissie gevraagt heeft om na gegaan Eenige manschappen heeft meede Genoomen, daar van hij buijten Poulo Gadong te gaan mede aan mij niet heeft Gecomminubeert Weeten van daar van hij buijten dat hij met soo een Groote Getal 6 Weeten van daar aan Qualijk te manschap, en int geselschap konnen doen) Geen kennis aan sijn Van d' Edele Heeren Van Imhoff Hoog Edelheijt Gegeven te hebben: en de Haeze na Poulo Gadong zouden Verstrecken. le heeren, eenig honeur aan te doen sulk s Voorts aftevraagen waarom uijt den Gevraagden Antwoord om die Ede„ Uijt sig selfs te hebben geordonneert Wiens Ordre, en van hoe Laat in de na nagt van dien dagh Wan¬ teegens des morgens ontrent ses uuren Aan de nieuwpoort te weesen. — heer, d' Edele heeren Van Imhoffen ƒ C Copia 1 1. en 1. 2. 1826 1717 den Gevraagden zegt sulx Gelast te hebben! den Gevraagden Antwoord Jae. Vordert hier op Antwoord en relateerd Uw: Wedervaren in Geschrifte. Batavia den 4:' Januarij 1741. Was Geteekend:) A=n Valckenier Off hij gevraagde bereijd is zijn Gegeven Antwoorde met solem¬ helen Eede te Corroboreren! Wien Capitain Babandam Geordonneert heeft ter Plaatse in Artucul, twee Gemelde te ver¬ Schijnen. De Haeze met Geselschap na Poulo Gadong zoude Gaan den Capitain Babandam met zijn bij hebbende gewapende mans, cahap voor de nieuwpoort op de komst van den Evengemelden Edele Heeren heeft moeten staan Wagten, vert 3.
English
1827 Today on the date written above, I, Johan van Visvliet, Notary Public admitted by the Noble Court of Holland and the Noble High Government of the Dutch Indies, residing within the city of Batavia, betook myself, accompanied by the undermentioned witnesses, and went to the person questioned in the heading of this document, the Honorable Ferdinandus de Roij, Commissioner for Native Affairs, known to me, who, upon the aforementioned questions being clearly put and presented to him by me, Notary, gave answer as has been set down beside each article by me, Notary, this serving as the record of my proceedings, which took place in the presence of Nicolaas Adamsz and Daniel Fransz, clerks, as witnesses, who signed the minute hereof along with me, Notary. Issued as a copy, and this, having been found to agree with its minute, was granted to the Noble High Government of these Lands pursuant to the proceedings and resolutions in the Council of the Indies on the 1st of this month, as shown to me, Notary, in an authentic extract. Batavia, the 18th of December 1740. Was signed: Jn. Vn. Visvliet, Notary Public. Agrees: Pluijsenaer, Secretary. 1717 1717 Copy Notice Notifying party: His High Nobility, the Right Honorable, Highly Esteemed Lord Adriaan Valckenier. Notified party: The Honorable Ferdinandus de Roij. 1717 7 Today, the 8th of December 1740, appeared before me, Johan van Visvliet, Notary Public admitted by the Noble Court of Holland and the Noble High Government of the Dutch Indies, residing within the city of Batavia, and before the undermentioned witnesses: Abdul Akim, lieutenant of a company of Balinese residing at Piesang Batoe outside this city, known to me and to the witnesses, and the appearer declared hereby in true words in lieu of an oath, at the requisition and request of His High Nobility, the Right Honorable, Highly Esteemed Lord Adriaan Valckenier, Governor-General of the Dutch Indies, to be true and truthful that he, the attestant, while keeping post at Poelo Gadong outside this city, about fourteen days ago now, noticed that there, on the land of the widow of Petrus Davidsz, had 1828 arrived the Right Honorable Lord Gustaaf Willem van Imhoff, Ordinary Councillor of the Dutch Indies, the Lord Ferdinandus de Roij, Commissioner for Native Affairs, the Lord Francois Rijkhoff de Geus, Captain of the Eastern Civic Militia here, the Cornet of the Civic Cavalry, Pieter Donker, with approximately fourteen civic troopers, and some other gentlemen unknown to him, the attestant, all on horseback, with the assistance of the Balinese Captain Achmat Babandam, the Buginese Captain Mochamat Maroange, the Javanese Captain Soeta Wangsa, the Macassarese Captain Daijeeng Mabella, and the Balinese Lieutenant Abdul Mochmin Babandam, with their armed men, which last came first and in advance, where they, having remained for a short time, returned again, at which point he, the attestant, escorted their Honors from 1717 1829 there to the garden of the Lord De Geus, and likewise returned from there to his post. Attesting nothing further, he, the attestant, gives as reason for his knowledge as stated in the text, offering, moreover, to confirm what has been attested by him (if necessary) further. Thus done and executed at my office in the presence of Iacob Thomasz and Pieter Aaronsz de Moor the Younger, clerks, as witnesses, who signed the minute hereof along with the attestants and me, Notary. [Below was written:] Issued as a copy, and this, having been found to agree with its minute, was granted to the Noble High Government of these Lands pursuant to the proceedings and resolutions in the Council of the Indies on the 1st of this month, as shown to me, Notary, in an authentic extract. Batavia, the 18th of December 1740. [Was signed:] J: Vn: Visvliet, Notary Public. Agrees: Pluijsenaer, Secretary. 4 1717 1830 Today, the 8th of December 1740, appeared before me, Joan van Visvliet, Notary Public admitted by the Noble Court of Holland and the Noble High Government of the Dutch Indies, residing within the city of Batavia, and before the undermentioned witnesses: Redjap, lieutenant of a company of Malays residing at Pagerman outside this city, known to the witnesses, and the appearer declared hereby in true words in lieu of an oath, at the requisition of His High Nobility, the Right Honorable, Highly Esteemed Lord Adriaan Valckenier, Governor-General of the Dutch Indies, to be true and truthful that, approximately fourteen days before the departure of the Lord Commissioner for Native Affairs, Ferdinandus de Roij, at Poeloe Gadong outside this city, he, the attestant, betook himself to the said Lord Commissioner and made a request to his 1717 Honor to keep watch with his men at Poeloe Gadong aforesaid against the Chinese rebels, whereupon the said Lord Commissioner told the attestant that his Honor would let him know when his Honor would go to Poeloe Gadong together with the attestant, with the further addition that fourteen days after he, the attestant, learned that the said Lord Commissioner had departed for Poelo Gadong, he, the attestant, in the company of his two sergeants, a corporal, as well as thirty soldiers, all armed, marched thither on that same day, where they, coming onto the land of the Lord De Geus from the Sontar road around twelve o'clock at noon, [encountered] the aforementioned Lord Commissioner, the Lord Master Willem Vincent Helvetius, [member] of the Esteemed
Dutch transcription
1827 Op huijden dato als Booven heb ik Johan Van Visvliet Notaris publijcq bij den Edele hove van hollandt, en de Edele hooge regeringe van Neederlands Jndia Ge¬ Admitteerd, binnen de stad Batavia Presi„ derende mij nevens de naargenoemde Getuijge Vervoegd, en Getransporteerd bij den Gevraag¬ den in den hoofde deses dE. Ferdinan„ dus De Roij Commissaris tot de zaaken der Jnlanden en mij bekend de Welke de voor„ en staande Vraag poincten door mij Notaris duijdelijk voorgehouden en gedaan zeijnde gaff den selven ten Antwoord soo als bezijden Ijder Artibul door mij notaris is ter neder Gesteld, dienende dit voor het wedervaren mijner Verrigtinge en geschiede het selve ter Presentie Van Nicolaas Adamsz en Daniel Fransz: Clercquen als Getuijgen die de menuten deses nevens mij Notaris hebben Onderteekend; Uijtgegeven Voor Copia En is dese met desselvs Vorten Minúte abbordeerende bevonde en Werd Verleend aan de Edele hooge Regeeringe deser Landen ingevolge 't Gebesoig, teerde en Geresolveerde in Raade Van Jndia op den 1. Deser, mij Notaris in Authentijcque Extract Gebleeken: Batavia den 18 Decemb=r 17 Jn 2Jn Was Geteekent J„n V„n Visvlie Notaris Publijck. Accordeert Heel Pluijsenaer Secret: 1717 1717 Copia Insinuatie Insinuant zijn hoog: Edelheijt den wel Edelen Groot Agtbaeren heere Adriaan Valckenier Ferdinandus l E: Geinsinueerden De Roij 1717 7 OP Huijden den 8:' Decb„r 1740: Compareerde voor mij Johan van Visvliet Nots: publ„ bij den Edelen hove van holland ende Edele hoge Regeeringe van Nederlands Jndia geadmitteerd binnen de stad batavia resi„ „deerende ende voor de naargenoemde getuijgen Abdul Akim luijtenant van een Comp. s Baliers woonende op piesang batoe buijten dese stad mij ende getuij„ gen bekend ende verklaarden hij Com: „parant bij desen met ware woorden in plaatse van Ede ter requisitie ende versoeke van syn hoog Edelheijd den wel Edelen groot Agtb„ Heere Adriaan valckenier gouverneur generaal van Nederlands india waar ende waaragtig te wesen dat hij attestant als post houderede op poelo gadong buijten dese stad Nu ongevaar veertien dagen geleden ont„ waart heeft dat aldaar op 't landt van de wed: van Petrus Davidsz aen 1828 aengekoomen waeren den wel Edelen Heer Gustaaf Willem van Imhoff ordinaris raad van Nederlands Jndia de heer Ferdinandus de Roij com missaris tot de saken der inlanders D' heer Francois Rijkhoff de Geus Cap„n vande oost sijdse burgerij, alhier den Cornet vande Burger Cavallerije Pieter Donker met na gissing veerthien burgers ruijters en nog eenige andere heeren bij hem attestant on bekend alle tepaard met adsistentie vanden Baliese cap:n Achmat Babandam den boegineese Cap=n Mochamat Maroange den Javanse Cap„n Soeta Wangsa den maccassaarse Capit„n Daijeeng Mabella enden baliese luijtenant Abdul Mochmin Babandam met haere gewapende wannen wel :ke Laaste eerst en voor uijt is ge: koomen alwaar sij een weijnig tijds gebleeven synde weder terug syn gegaen wanneer hij attestant haar Edelens van 1717 1829 vandaar tot de thuijn van Dheer De Geus heeft geconvoijeerd mitsga„ :ders weder van daar na sijn post is vertrocken Verders Niet getuijgende geeft hij attes„ „tant voor Reeden van sijne wetenschap als inden text presenteerde over sulx 'Tgunt bij hem getuijgd is (des noods/ Nadergestand te doen Aldus gedaan ende gepasseerd ten mijnen Comptoire terpresentie van Iacob Thomasz: en Pieter Aaronsz: de Moor de Jonge Clerc„ „quen als Getuijgen die de minut deses Nevens de Attestanten ende mij No¬ „taris hebben Ondertekend— /onderstond/ uijtgegeven voor Copia en is dese met desselvs minute Accordeerende Bevonden en werd. verleend aan D' Edele hooge Re: geringe deser Landen ingevolge 't gebesoigneerde en geresolveerde in in Rade van India op den 1„e deser mij Nots: in Authendijcque Extract gebleeken Batavia den December 1741: /was geteekend/ 18: J: V:n: Vesvliet Nots: Publ: Accordeert „ Huijsenaer Secret:s 4 1717 1830 OP Huijden den 8„e Decemb„r 1740 Compareerde voor mij Joan van Visvliet nots: publ: Bij den Edelen hove van holland, en de Ed:e hooge Regeringe van nederlands Jn: dia, geadmitteerd Binnen de stad Bata: „via resideerende ende voorde naar genoemde getuijgen Redjap luijtenant van een Compagnie maleijers woonende op pager„ man Buijten dese stad de getuijgen be: „kend, Ende verklaarde den Comp:t bij desen met waare woorden in plaatse van Eede, ter requisitie van sijn hoog Edel: „heijd den wel Edelen Groot Agtb=re Heere Adriaan valckenier gouverneur generaal van Nederlands Jndia, waar ende waaragtig teweesen dat nagissinge veerthien dagen voor het vertrek vande heer Commissaris tot de saken der jnlanders Tedinan dus De Rooij op poeloe gadong buijten deser steede hij attestant sig vervoegd heeft Bij gem„t heer Commissaris en aan sijn E: 1717 E: versoek gedaan om met sijn volk op Poeloe gadong voorsz„n de wagt te houden tegens de Chineesen rebellen waar op gem„e heere Commissaris tegens den attestant gesegd dat sijn E: hem sou „de Laaten weeten wanneer sijn E: met den attestant samen oppoeloe gadong soude gaan met verder bij vol: :ginge dat veertien dagen na dat hij attestant verstaan heeft dat gemelde heer Commissaris na poelo gadong was vertrocken hij attestant in Comp„e van sijne twee Zergianten een Corporaal mitsgaders dertig Soldaten allege :wapend op dien selven dage naar derwaarts hebben gemarcheerd alwaar sij smiddags tegens twalf uuren op de weg van Sontar komende op 't land van de heer de Geus voormelte heer Commissaris D' H:r M:r Willem vincent helvetius„ in den agtb=re
English
1831 Council of Justice of this Castle, alongside other gentlemen of rank unknown by name to him, the deponent, met, with the assistance of the Balinese Captain Achmar Babandam, the Bugis Captain Mochamat Maroangie, and the Javanese Captain Soeta Wangsa, the Makassarese Captain Paijeeng Mabella, and the Balinese Lieutenant Abdul Mochmin Bee Bandam, with their armed men; furthermore, that they departed from there together in the afternoon, estimated to be around four o'clock, and took their way along the Pisang Batoe, from where the aforementioned Balinese Lieutenant Abdul Mochmin Bee Bandam went with his men on the order of the said gentleman Commissioner to the Jassembrug, and the others turned around the Chinese graves, the fortress Noord 1717 Noordwijk, the fortress Rijswijk, thus along the Molenvlietse dike as far as the Nieuwpoort, when the aforementioned gentlemen rode into the city, and he, the deponent, alongside the aforementioned Mohammedan officers with their men, each departed to their places and dwellings. Testifying no further, the deponent gives as the reason for his knowledge as stated in the text, offering, should need be, to confirm further that which has been testified by him. Thus done and executed at my office, in the presence of Nicolaas Adamsz and Daniel Fransz, clerks, as witnesses, who signed the minute hereof alongside the deponents and me, the notary. Below stood: issued 1717 Attestation His High Honour, the Most Noble, Highly Esteemed Gentleman Adriaan Valckenier, Governor-General of the Dutch East Indies, Requerent 1717 8 1832 issued as a copy, and this was found to agree with its minute, and was granted to the Noble High Government of these lands in accordance with the proceedings and resolutions in the Council of the Indies on the 1st of the current month, as appeared to me, notary, in an authentic extract. Batavia, the 18th of December 1748. Was signed: J. van Visvliet, Notary Public. Agreed: Cluijsenaer, Secretary. 1717 Attestation Requerent: His High Honour, the Most Noble, Highly Esteemed Gentleman Adriaan Valckenier, Governor-General of the Dutch East Indies, 1717 1833 The Notary Johan van Visvliet, being duly assisted, shall in the name and on behalf of me, the undersigned, present himself before the person of Miss Johanna Keijser, widow of the junior merchant Jacobus van Musscher, and question her: Article 1. Whether she was not present during the time of troubles in the house of the Captain at the Nieuwpoort, Pieter Molster. The questioned answers also yes. 2. And on that occasion did not see and hear that the said Molster frequently fell into an altercation with the Noble Gentleman Elias Guillot and Mr. Nicolaas van Berendregt, Commissioners of the said gate, specifically in the countermanding of the orders of the Governor-General. The questioned says likewise yes. 3. And whether he, Molster, did not ask the gentlemen Commissioners, "Most Noble gentlemen, how many generals do we have here? I will not observe your Honours' orders; I shall go to the General and make this known." The questioned answers also yes. 4. Whether the Noble gentlemen Commissioners did not answer thereto that they would not long endure that the said Molster should oppose their orders and not go to the General, and that they are generals and represent the General, and that they take everything upon themselves. The interrogated says yes. 5. Further to ask the requerent: The questioned answers yes. 6. Whether on Saturday evening, the eighth of October of the past year, she did not hear that the burghers outside the Nieuwpoort who were in combat against the Chinese cried and requested help and assistance of powder and lead because they were entirely destitute thereof. The questioned says yes. 7. Whether the gentlemen Commissioners had not positively forbidden supplying powder and lead to the burghers, and also shooting better from the wall. The questioned says yes, to have heard such from the point. 8. And on that prohibition, what thoughts she, the requerent, and others who were present there had formed. The questioned says to have been of the opinion that they wished to surrender the city. 9. Furthermore, answering hereupon, relate your experiences in writing. Below stood: Batavia, the 15th of February 1741. Signed: Adriaan Valckenier. The questioned says that Captain Molster's order and authority had been entirely taken away from him. 10. Whether she was not present on a certain evening when a drunken orderly came to the said gate, for whom, by order of the said Commissioners, the gate was unlocked and the drawbridge lowered. The questioned says that Captain Molster said that he could not open the gate, for if such happened in Holland he would then lose his head, as he had no special order for it; whereupon the Noble gentleman Berendregt said, "I order it, and I will not have your Honour contradict me any more." 11. Thus shall be declared what disputes the said Captain Molster had with the Noble gentlemen Commissioners. The questioned says yes. 12. Whether the served party is prepared to confirm her answers given herein with a solemn oath. The questioned says yes. 13. Finally, if the requerent knows anything more that occurred there, to set the same down here.
Dutch transcription
1831 raad van Iustitie deses Casteels nevens andere heeren van rang hem attestaent Bij namen onbekend heeft ontmoet, met adsistentie van den Baliese Capt=n Achmar Babandam den boegi: nees Capt=n Mochamat maroangie en den Javans Capt„n Soeta wangsa den maccassaarse Capit=n Paij :eeng Mabella en den baliese Luijtenant Abdul Mochmin Bee: Bandam met haar gewapende man: :nen wijders dat sij gesamentlijk des namiddags na gissinge omtrend vier uuren van daar sijn vertrocken, en hunne weg hebbende genoomen langs de pisang batoe van waar de voorn„t valiese luijten„t Abdul mochamin Bo: Bandam met sijn manschap op ordre van gesegde heer Commissaris na de Jas: sembrug gegaan ende verdere hebben omgeslagen de Chineese graven de fortresse noord 1717 Noordwijk de fortresse Rijstwijk soo langs de molen vliedsendijk tot aan de nieuw: poort wanneer de voorm:' heeren de stad sijn ingereden en hij Attestant ne„ e vens de voorm: machometanse officie ren met hun volk ieder na hunne plaatsen en wooningen sijn heen ver kocken. — verders niet getuijgende geeft hij attes„ tant voor reden van sijne wetenschap als inden text presenteerde over sulx t gunt bij hem getuijgd is des noods nader gestand te doen Aldus gedaan ende gepasseert ten mijnen Comptoire ter presen: tie van Nicolaas Adamsz: en Daniel Fransz: clercquen als ge„ tuijgen die de minute deses nevens de attestanten ende mij notaris: heb„ ben onder tekend. / onderstond uijt 1717 Attestatie sijn hoog Edelheijd den WelEdele groot agtb: Heere Adriaan Valckenier gouverneur generaal van Nederlands Jndia Requirant 1717 8 1832 uijtgegeven voor Copia en is dese met Desselfs minute accor: deerende Bevonden en wierd ver Leend aan D. Edele Hooge Regee: „ringe Deser landen ingevolge t Gebesoigneerde en geresolveerde in Rade van Jndia op den 1:' de: ter mij Nots„ in authenticque Extract gebleeken Batavia den 18„e December 1748: /was getekend/ Jo vis Vliet Nota Pub Accordeerd Cluijsenaer Secret:s 1717 Attestatie Requirant sijn Hoog Edelheijd den wel Edelen groot Agtb„ Heer Adriaan Valckenie Gouverneur generaal va Nederlands India, 1717 1833 Den Notaris Johan Van Visvliet, sal behoorlijk geadsisteerd zijnde uijt naam ende van wegens mij ondergeschreve sig vervoegen aan de persoon van Juffw Johanna Keijser, wed:e: van den ondercoopman Jacobus van Musscher en deselve afvragen. —. art1. off sij in de trouble tyd niet geweest is in het huijs van den Capiteijn aan de Niewpoort Pieter molster. En bij die occasie niet gesien en gehoord dat gem: molsterveelmaals in woorden wisseling geraakt is met de edele heer, Elias Guillot en m:r Nicolaas van Be„ rendregt Commissarissen van gem: poort zulx in 't Contramandeeren van de or„ dres van den Gouverneur Generaal En of hij molster d'heeren Commissa„ rissen niet gevraagd heeft, wel Edele heeren hoe veel generaals hebben wij hier, ik wil uEdelens ordres, niet obser„ veeren, ik zal bij de generaal gaan en die bekendmaaken. of de Edele heeren Commissarissen daar op niet geandwoord hebben, dat zij niet Lange verstonden dat gemelde Molster hare ordres zoude Contrarieeren, en niet bij de generaal gaan en dat zij generaals zijn, en representeeren de generaal, en dat zij alles op haar nemen. de gevraagde andwoord mede Jal. de gevraagde segt insgelijks Jal. de gevraagde andwoord meede Jal de geinterrogeerde segt sal. de gevraagde andwoord Jae. 2. 3. 5. g 1717 de gevraagde segt Jal de gevr:e segt dat Capitain molster gesegt heeft dat hij gebeurde dat hij als dan zijn hoofd quijt was, dewijl heer Berendregt gezegt heeft ik verstaan het en vere gevraagde zegt Jae zulx van de punt te hebben gehoord de gevraagde segt van gedagten te sijn geweest dat sij de stad wilden overgeven. den gevraagde segt dat Capitain Nol„ ster zijn ordre en kragt in 't geheel is ontnomen geweest Ad„ Valckenier. —. de gevraagde zegt zal de gevraagde segt Jae. d Eijndelijk zoo zij gereecq: iets meer weet dat aldaar voorgevallen is het zelve alhier ter neder te stellen. of de geinsinueerde berijd is haar gege„ ven responsiven ten desen met solem„ neele Eede te sterken. —. vorders hier op andwoorden relatteerd, uw wedervaren in ge„ schrifte /:onderstond:/ Batavia d:' 15:' febr: 1741. /:geteekend En op dat verbod wat voor gedagten zij requireerde, en andere die daar bij waren geformeerd hadden. of zij heeren Commissarissen niet pos tief verboden hadden om aan de bur„ gerskruijt en Loot toe tevoegen, en ook beter te schieten van de wall. of zij op saturdag avond den agtsten be tober anno passato niet heeft gehoord dat de burger buijten de nieuwpoort die in attacque waren tegen de Chineesen geroep en versogt hadden, om hulp en adsistenti van kruijd en Loodt om datse daar van ten Eenemaal ontblootwaren wil van uEd: niet meer tegengescrooken werden. heeren Commissarissen gehad heeft de poort niet konde openen, zoo zulx in holland zoo sal te declareeren wat disputen ge hij als daar toe geen speciale, order had, waar op d' Eddle melde Capitain molster met de Edel voorts de gerequireerde aftevragen of zij niet present is geweest op sekeren avond dat een dronken oppasser is g komen aangemelde poort, voor wie door ordre van gemelde Commissaris sende poort open gesloten, en de val„ brug neder heeft laten sacken. 6. 10. 15. 12.
English
1834 Today, the 16th of February 1741. I, Johan van Visvliet, notary public admitted by the Noble Court of Holland and the Noble High Government of the Dutch Indies, residing within the city of Batavia, proceeded, together with the aftermentioned witnesses, and betook myself to the questioned party mentioned in the heading hereof, Miss Johanna Keijser, widow of the junior merchant Jacobus van Musscher, known to me, who, upon the foregoing points of inquiry being clearly presented and put to her by me, the notary, answered the same as has been set down beside each article by me, the notary, this serving as the record of my proceedings; and this was done in the presence of Nicolaas Adamsz: and Pieter Aaronsz: De moor de Jonge, clerk, as witnesses, who signed the minute hereof together with me, the notary. Below stood: Issued for copy, and this was found to agree with its minute and was granted to the Noble High Government of these lands pursuant to the deliberations and resolutions in the Council of the Indies on the 1st of this month, as shown to me, the notary, by authentic extract. Lower: Batavia, the 18th of December 1741. Signed: J: V: Visvliet, notary public. Agrees. Huijsenaer Secretary Notice Notifying Party His High Nobleness the Right Noble Grand Honorable Lord Adriaan Valckenier Notified Miss Johanna Keijser 1717 No 10 1835 Today, the 25th of December 1741, Appeared before me, Johan Van Visvliet, notary public admitted by the Noble Court of Holland and the Noble High Government of the Dutch Indies, residing within the city of Batavia, and before the aftermentioned witnesses, Ferdinandus de Roij, commissioner for native affairs, known to me, who hereby declared, with true words in lieu of oath, at the requisition of His High Nobleness the Right Noble Grand Honorable Lord Adriaan Valckenier, Governor- General of the Dutch Indies, it to be true and truthful that he, the deponent, on Friday the 25th of November last, by the Right Noble Lord Gustaaff Willem van Imhoff, Ordinary Councillor of the Dutch Indies, was 1717 was requested to come to the house of His Nobleness, where, he the deponent having arrived, it was said to him by His Nobleness that on the following day, being Saturday, he intended to go to Poelo gadong with the Noble Lord Elias De Haeze, asking him, the deponent, whether he also wished to be of the company, which was accepted by him, the deponent, yet with the declaration that he dared not do so without having first requested and obtained permission for it from His High Nobleness; upon which the Noble Lord van Imhoff had answered him that this was fine and that he would expect him; whereupon he, the deponent, betook himself to His High Nobleness, and permission having been requested from His High Nobleness, such was also granted to him by His High Nobleness. Further, 1836 Further, by him, the deponent, the native officers, namely Achmat Babandam, captain of a company of Balinese, Mochamat maroangi, captain of a company of Buginese, Soeta Wangsa, captain of a company of Javanese, Daijeeng mabella, captain of a company of Macassars, and Redjap, lieu- tenant of a company of Malays, were warned that on the following day he would go with the said Noble Lords Van Imhoff and De Haeze to Poeloe gadong, and that they should therefore betake themselves with some armed men to around the guard of the Passembrug; he, the deponent, having furthermore let the aforementioned Captain Achmat Baban- dam know to await the said two Noble Lords the following day with 24 to 30 pikemen at the Nieuwpoort; whereupon, on the following day around seven o'clock, the said Noble Lords came outside, riding ahead the Burgher Cornet Pieter Donker with his drawn sidearm, being followed by six common cavalrymen, who were subsequently followed by the said Noble Lords Imhoff and d'Haeze, as well as the Shahbandar Zacheus Stoesak, the captain of the East Side Burghery Detjens, the captain of the Burgher Cavalry Moll, the junior merchants de Win, vander Brugghen, and Huysvooren, Cunes, lieutenant of the artillery, and Masse, military ensign, the bookkeeper Jenke- laar, and some attendants; the aforementioned company being received by him, the depo- nant, at the Passem- brug, and subsequently departed from there upcountry with about three hundred armed men. 1717 1837 The said company being followed by the junior merchants van der Hoop and Imhoff in a calash; on the way they encountered the merchant Abbis in his chariot; subsequently moving up the road to Poeloegadong and arriving at the estate of De Geus, they halted there and ate breakfast, and further moved on from there to Poeloegadong; from where, after a short stay, they returned again, being followed by the lieutenant of a company of Balinese, Abdul Achim, up to the estate of the said De Geus, where he, the deponent, then found the Honorable Mr Willem Vincent Helvetius, who had come there with his chariot; he, the deponent, with the said company, having 1717 remained to eat there, and subsequently departed from there in the afternoon around four o'clock, taking their route along the Pisang Batoe, from where the Balinese lieutenant Abdul Mochmin Babandam with his men went to the Jassembrug on orders from him, the deponent; and the company went further around the Chinese Tombs, the fortress of Noord- wijk, the fortress of Rijswijk, thus along the Molenvliet dike to the Nieuwpoort, where the natives and the armed men departed to their posts, and the com- pany entered the city, to the house of the aforementioned Noble Lord de Haeze; he, the deponent, testifying that he does not know, directly or indirectly, to what end the excursion took place. Further testifying not, he, the deponent, gives
Dutch transcription
1834 Op Huijden den 16e: febr: 1741. heb ik Johan van visvliet not:s pub:s by den Edelen hoofde van holland en de Edele hooge regeeringe van nederlands Jndia geadmitteerd binnen de stad Batavia resideerende, mij ne„ vens de naargenoemde getuijgen gevoegd, en de getransporteerd bij de gevraagde, in den hoofde dezes gen: genoemden Juff:r Johan na Keijser weduwe van den ondercoopman Jacobus van mus„ scher mij bekend dewelke de voorenstaande vraagpoincten, door mij notaris duijdelijk voorgehouden en gedaan zijnde gaf dezelve ten antwoord zo als bezijden ieder articul door mij nota„ ris is ter neder gesteld, dienende dit voor het wedervaren mij ner verrigtinge, en geschiede het zelve ter presentie van Nicolaas Adamsz: en Pieter Aaronsz: De moor de Jonge Clercq als getuijgen die de minute en ses nevens mij nota„ ris hebben ondertekend /:onderstond:/ uijtgegeven voor Copia en is dese met desselfs minute accordeerende bevonden en werd verleend aan de Edele hooge regeeringe deser Landen ingevolge 't gebesoigneerde, en Geresolveerde in Rade van Jndia op den 1:' deser mij notaris in authentijcque Extract gebleken /:lager:/ Batavia den 18:' xber: 1741. /:geteekend :/ J: V: Visvliet not:s publ: Acdordeert. erde Huijsenaer Secret end Insinuatie Insinuant zijn hoog Edelheijd den wel Edelen Groot Agtb: Heere Adriaan Valckenier Joffrouwe Johanna Keijser geinsinueert 1717 No 10 1835 Op Huijden den 25e: December 1741 Compareerde Voor mij Johan Van Visvliet notaris Publicq by de Edele Hove van holland ende Edele Hooge regeringe van Nederlands Jndia geadmitteert binne de stad batavia, resideerende ende Voor de naergenoemde Getuijgen Ferdinandus de Roij gecommitteerde tot de zaeken der Inlanderen mij bekend de Welke bij deese verklaarde met Waare Woorden in plaatse van Eede ter Requisietie van sijn Hoog Edelhijd den Wel Edele groot Agtb: Heere Adriaan Valckenier Gouverneur Generaal van Nederlands India is waar ende waarachtig te weesen Dat hy Attestant op Vrydag den 25 9ber: Jongstleden door den wel Ed:e Heer Gustaaff Willem van Jmhoff raad Ordinairis van Nederlands Jndia is 1717 is versogt geworden om ten huyse van zijn Edele te komen alwaar hy Attestar gekomen zynde hem door syn Edele w gesegd dat hij des anderen daags zijnde saterdags met de Edele Heere Elias De Haere voornemens was nae Poed gadong te gaan veraagende aan henr Attestant off hij mede van 't Geselschap wilde weesen het geen door hem Attestam Wierd geaccepteerd dog met die betuygen ge dat hy zulx niet durfde doen zoude alvoorens daar om permissie van zyn hoog Edelheijt te hebben versogt, en Verkreegen waar op de Edele Heer van Jmhoff hem had geantwoord dat zulx wel was en dat hij hem zoude verwagten waar op hij Attestant zig heeft vervoegd bij zijn Hoog Edelheit en permissie van sijn Hoog Edelheit Versogt zynde hem ook door zijn hoog Edelheit zulx geaccordeert zyndse Verders 1836 Verders door hem Attestant de in landse Officieren in naemen Achmat Babandam Capitain van Een Comp:e baliers Mochamat maroangi Capitain van Een Comp Boegineesen, Soe ta Wangsa Cap: van een Comp: Iavaenen Daijeeng mabella Capitain van een Comp:s maccassaeren en Redjap Luij tenant van een Comp: maleyers ge Waarschout dat s anderen daags met gemelde Edele Heeren Van Imhoff en De Haeze nae Poeloe gadong zoude gaan endat sy derhalven met Eenige gewaapende manschap sig zoude Vervoegen omtrend de wagt van de Passembrug hebbende hij Attestant Voornoemde Capitain Achmat Baban dam alverder laaten weeten wel gem: twee Edele Heeren des anderen daags met 24 @ 30 piekeniers aande nieuw poort op te wagten zyjnde daar op dat des andere daags Omtrent seven Uuren gem: Edele Heeren nae buijten gekomen voor Uyt reydende den Burger Cornet Pieter Donker met zyn uytgetrocken Zijd geweer, gevolgd werdende van ses gemeene ruijters die vervolgens door genoemde Edele Heeren Imhoff en d' Haeze mitsg=s den Sabandhaer Zacheus Stoesak den Cap:n der Oost Zijdse Burgerije Detjens den ritmeester der Burger Cavallarge Moll. de Ondercoop lieden de Win, vander Brugghen en Huys Vooren, cunes, Luytenant vande Atillerye en Masse Vaendrie militair den Boekhouder Jenke„ laar en Eenige Oppassers werdende voorn: geschelschap door hem Attes tant Gerecipieerd aan de Passem brug zinde vervolgens met Circa drie hondert gewapende mannen van daar naer boven vertrocken werde 1717 1837 Werdende gem: Geselschap gevolgd door de Onderkooplieden van der Hoop en Imhoff in een Clais hebbende sy onderwegen den Koopman Abbis in zijn Claret gerescontreerd zijnde Vervolgens de weg na Poeloegadong opgetrocken en aan het land vande Geus gekoomen hebben zy aldaar halte gehouden en ontbeeten en ver der van daar voort getrocken naar Poeloegadong. van waar naer een wijnig verblyvens zij wederom Zin Geretourneerd werdende gevolgd door den Luytenant van Een Comp:e Baliers Abdul Achim tot Aan 't land van gemelde de Geus alwaar hij Attestant als doen heeft Gevonden den Agtb: heer M:r Willem Vincent Helvetius die met syn Charet al daar was gekoomen, zynde hy Attes tandt met genoemde Geschelschap aldaar 1717 aldaar blyven Eeten mitsgaders ver Volgens des namiddags omtrent Vier uuren vandaar vertrocken en hunne Weggenoomen langs de pisang batoe van waarden Balise Luytenant Abdul Mochmin Babandam met zijn manschap op order van hem Attes„ „tant na de Jassembrug zyn gegaen en het geselschap verder omgeslagen de Chineese Graven de fortresse Noord Wijk de fortresse Rystwijk s:oo Langs de molenvlietsen dyk tot aande nieuw poort Alwaar de Jnlanders en gewaapende manschap nae hunne posten zyn vertrocken en het gesel schap inde stad gekoomen ten huijse van voorn: Edele Heer de Haeze betuygende hij Attestant direct off indirect niet te weeten ten wat Eynde de Optogt is geschied, Verders niet getuijgende, geeft, hij Attestant t
English
1838 The attestor declaring the reasons for his knowledge to be as in the text, offering therefore to substantiate further that which has been attested by him if necessary. Thus done and executed at my office in the presence of Benedictus Bastiaansz Gagie and Daniel Fransz Clercq as witnesses, who signed the original of this document together with the attestor and me, Notary. It was written below: Issued for copy and this is found to agree with its original, and is granted to the Noble High Government of these lands pursuant to that which was handled and resolved in the Council of India on the 1st of this month, which has appeared to me, Notary, in an authentic extract. Batavia, the 18th of December 1741. It was signed: J. V. Visvliet, Notary Public. Agrees: Sluijsenaer, Secretary. Attestation. His High Nobility the Right Honorable, Most Venerable Lord Adriaan Valckenier, Governor-General of Netherlands India. 1717. Requisition. 11. 1839 On this day, the 8th of December 1740, appeared before me, Johan van Visvliet, Notary Public admitted by the Noble Court of Holland and the Noble High Government of Netherlands India, residing within the city of Batavia, and before the aftermentioned witnesses, Achmat Babandam, captain of a company of Balinese, living on the Molenvliet dike outside this city, known to me and the witnesses; and the appearer declared hereby with true words in place of an oath, at the requisition of His High Nobility the Right Honorable, Most Venerable Lord Adriaan Valckenier, Governor-General of Netherlands India, to be true and certain: That about fifteen days ago, the exact time not determined, he, the attestor, as in this rebellion of the Chinese he betook himself daily to the Lord Commissioner for Native Affairs, Ferdinandus de Roij, on that occasion he, the attestor, was warned by the said Lord Commissioner that he the next day would depart with some grandees of the land to Poeloegadong, giving him, the attestor, order to send at about six o'clock in the morning a detachment of eighty heads under the command of his son, his lieutenant Abdul Mochmin Babandam, all armed, to Poeloegadong, and that he, the attestor, with another detachment with good pikes, should await just outside the Nieuwpoort the Right Honorable Lord Gustaaf Willem van Imhoff, Ordinary Councilor of Netherlands India, and the Honorable Lord Elias de Haeze, Councilor of Netherlands India and President of the Reverend College of Aldermen of this city, as well as Colonel of the burghery here, in order to escort their Honors; which he, the attestor, obeyed, and the next day at six o'clock in the morning sent his aforementioned son, his lieutenant Abdul Mochmin Babandam, with eighty armed men, three sergeants, and eight corporals to Poeloegadong, and he, the attestor, stationed himself just outside the Nieuwpoort with a detachment of thirty heads with fine pikes and kris, alongside two 1840 two sergeants and two corporals, when the aforementioned two noble lords, Van Imhoff and De Haeze, together with the Lord Zacheus Stoesak, Syahbandar here, Francois Rijkloff de Geus, Captain of the burghery of the East side, Christoffel Mol, burgher cavalry captain, the military ensign Massé, the burgher cornet Pieter Donker, with an estimated fourteen burgher horsemen, the junior merchant Dirk Willem van der Brugghen, and some others known to him, the attestor, came out of the city, all on horseback, and thus rode past the Jassem Bridge, with whom the aforementioned Lord Commissioner also joined on horseback, and together, with the assistance of the Bugis captain Mochamat Mardangi and the Javanese captain Soeta Wangsa, with the latter's armed men, turned onto the Lontar road and halted at the land of the aforementioned Lord De Geus, ate breakfast there, and then went directly to Poeloegadong to substantiate further. Thus done and executed at my office in the presence of Benedictus Bastiaansz Gagie and Daniel Fransz Clercq as witnesses, who signed the original of this document together with the attestor and me, Notary. It was written below: Issued for copy and this is found to agree with its original, and is granted to the Noble High Government of these lands pursuant to that which was handled and resolved in the Council of India on the 1st of this month, which has appeared to me, Notary, in an authentic extract. Batavia, the 18th of December 1741. Lower below was written and was signed: J. V. Visvliet, Notary Public. Agrees: Sluijsenaer, Secretary. 1717. 12. Attestation. His High Nobility the Right Honorable, Most Venerable Lord Adriaan Valckenier, Governor-General of Netherlands India. 1717. Requisition. On this day, the 8th of December 1740, appeared before me, Johan van Visvliet, Notary Public admitted by the Noble Court of Holland and the Noble High Government of Netherlands India, residing within the city of Batavia, and before the aftermentioned witnesses, Daijeeng Mabella, captain of a company of the Macassarese, living at the place named Kampong Baroe outside this city, known to me and the witnesses; who hereby declared with true words in place of an oath, at the requisition of His High Nobility the Right Honorable, Most Venerable Lord Adriaan Valckenier, Governor-General of Netherlands India, to be true and certain: That about fifteen days ago, the exact time not determined, he, the attestor, as in this rebellion of the Chinese he betook himself daily to the Lord Commissioner for Native Affairs, Ferdinandus de Rooij, on that occasion he, the attestor, was warned by the said Lord Commissioner that he the next day would depart with some grandees of the land to Poeloegadong, giving him, the attestor, order to at that time 1842 12.
Dutch transcription
1838 Attestant voor reeden van syn weten schap als in den text presenteerende Oversulx het Gunt by hem Getuygd is des noods nader gestand te doen Aldus gedaan ende gepasseert ten myne Comptoire ter presentie van Benedictus Bastiaansz Gagie en daniel Fransz Clercq: als getuygen die de minute deses nevens den at testant ende mij Notaris hebben Ondertekent (onderstond/ Uytgegeven Voor Copia en is deese met desselfs minute Accorderende bevonden En werd verleend aan de Edele Hooge regering deser landen in gevolgen het gebesoigneerde en geresolveerde in rade van Jndia op den 1:e dezer mij Notaris in Authenticque Extract Gebleeken/: Batavia den 18:e decb:r 1741: /:was getekent/ J„n V„n disvliet nots: publ: accordeert fluijsen aen ecret: e hij estant G Alitestatie Heer Adriaan Valckenier Gouverneur Generael van syn Hoog Edelheyd den Wel Edele Groot Agtb: Nederlands Jndia 1717 req:t: 11 1839 Op Huijden Den 8 Decemb: 1740. Compareerde voor mij Johan van Visvliet nots: publ: bij den Edelen hove van holland, en d' Edele hooge Regeringe van neder„ lands jndia geadmitteerd, binnen de stad Batavia residerende, ende voor de naargenoemde getuijgen achmatba„ bandam kapit:n van een Comp: baliers woonende aan de molenv. lietsen dijk buijten dese Stad, mij, en de getuijgen bekend; Ende verklaarde den Comp:t bij desen met waare woorden in plaat„ se van Eede ter Requisitie van sijn hoog Edelheijd den wel Edelen groot agtb: heere Adriaan Valckenier gouverneur generaal van nederlands jndia waar ende waaragtigh tewesen Dat nu ongevaar vijffthien dagen gele„ „den, onbepaald den netten tijd, hij attestant als indese rebellie der Chineesen dagelijx t sig bij de heer Commissaris tot de zaken der inlanderen ferdinandus de Roij, be„ gevende by die gelegentheijd hij attestant door gem: heer Commissaris was gewaar schouwt geworden, dat hy 's daags daar aan 11 1717 aan met Eenige grooten van't land na poeloegadong zoude vertrecken mitsd hem attestant order gav, om indie 's morgens tegens ses uuren een man „schap van tagtig Coppen onder het „sag van sijn Loon desselvs luijtena abdul mochmin babandam alle gewapent naar poeloegadongtezend en hij attestant met een ander ma¬ schap met goede pieken even buijten de Nieuwpoort Den Wel Edelen heere gustaar Willem van Imhof ordina „en den wel Ed:e heer Elias de heeze ende raad orderd: van nederl: india raad van nederlandse Jndia ^ en pres van 't Eerw: Collegie van heeren sche „penen deser steede, mitsgaders Collone van de burgerije alhier, aftewagten ten eijnde haar Edelens geleijde te doen het geen hij attestant heeft geobediee en 'Sdaags daar aan ten ses uuren Morgens sijn voorn: zoon desselvs E tenant abdulmochmin Babanda met tagtig gewapende mannen, die Zergeanten, en agt Corporaals naa poeloegadong gesonden, en hij attest met een manschap van dertig koppen met fraaise pieken en Kussen, neven twee 1840 twee zergeanten en twee Corporaals Even buijten de nieuwpoort geposteerd, wanneer voorn: twee Edele heeren van imhof ende haere benevens de heere Zacheus stoesak, Sabandhaar alhier hancois Rijkloff de geus Cap: van de oostzijdse burgerije, Christoffel mol„ Burger ritmeester, den vaandrig mili„l „tair massé, den burger Cornet pieter donker, met na gissing veertien bur„ „gers Ruijters, den onderkoopman dirk willem van der Brugghen en nog Eenige, bij hem, attestant ende kend, alle te paard zijn uijt de stad gekomen, zoo de Jassembrug voor bij gereeden, bij welke als doen de voorn: heer Commissaris mede te paard sig heefft vervoegd, en gesamentlijk net adsistentie van den bougineesen Cap: mochamat mardangi, enden Javaense Cap: Soeta Wangsa, met des laastens gewapende mannen de Lontarheb„ „ben ingeslagen, en op 't land van voorn: heer de geus op gehouden, aldaar ontbeeten, voorts direct naar poeloega„ „dong a 9 stand te doen— Aldus gedaan ende gepasseert ten mijnen Comptoore ter presentie van Benedictus Bastiaansz: gagie, en daniel transz: Clercq: als getuijgen die de minute deser nevens den attes„ „tant ende mij notaris hebben onder tekent. — /onderstont/ uijtgegoven Voor Copia en is dese met desselvs min „te accordeerende bevonden en werd vo „leend aande Edele hooge Regeeringe deser landen ingevolge 't Gebesoigneer „de en geresolveerde inrade van indien op den 1: deser mij nots: in authentijcqu Extract gebleeken. — batavia den 18:' december 1741. /lager / onder stont / en was geteekent/ J: V: Visvliet Notaris publicq. Secret:s accordeert Sluijsenaer 1717 li 12. Attestatie. sijn hoog Edelhijd den Wel Edelen groot agtb: heer Adriaan Valckenier gouverneur generaal van 1717 Nederlands India. Reg: Op Huijden den 8 December 1740: Compareerden voor mij Johan van Vlisvliet Notaris Publicq bij den Edelen hoven van Holland en de Edele hoge regeringe van Neder „lands India geadmitteerd binnen de Stad Batavia residerende ende voor de Naargenoemde getuijgen Daijeeng mabella Capitijn van een Compagnie der Maccassa „ren wonende ter Plaatse genaamd; Cam „pong baroe buijten deze Stad mij en de getuijgen bekend dewelken bij dezen verklaarde met ware woor „den In plaatse van Eede ter requisitie van sijn hoog Edelhijd den wel Edelen groot Agtb: heere Adriaan valckenier Gou verneur Generaal van Nederlands India waar ende waaragtig te weesen:— dat Nu ongevaar vijftien dagen geleden onbe „paald den Juijsten tijd hij attestant als in deeze rebellie der Chineesen dagelijks sig bij den heer Commissaris tot de zaken der Inlanderen Ferdinandus de rooij begevende bij die gelegenthijd hij attestant door gem: heer Commissaris was gewaar Schout geworden dat hij S daags daar aan met eenige groten vant Land naar Poeloegadong soude vertrekken mits dien hem attestant order gaff om in die 1842 tijd. 12.
English
time in the morning towards six o'clock to come to him with his men, which he, deponent, obeyed, and the following day at six o'clock in the morning with fifty soldiers, an ensign, two sergeants, and four corporals found himself with the aforementioned Lord Commissioner at his garden and residence near the Slave Cemetery outside the Rotterdam Gate of this city, when he, deponent, was ordered by the said Lord Commissioner to march ahead with his said men, just as he, deponent, took his way along the river Zontar up to the estate left behind by the deceased lord. Having arrived here, he let his men stand there, where the men of the Bugis Captain Mochamat Maroangi also were, and he, deponent, returned alone in order to meet the aforementioned Lord Commissioner, and on the way he saw the said Lord Commissioner accompanied by the Right Honorable Lord Gustaav Willem van Imhoff, Ordinary Councillor of the Dutch Indies, the Right Honorable Lord Elias de Haeze, also Ordinary Councillor of the Dutch Indies, president of the Reverend College of the Lords Aldermen of this city and Colonel of the burghers here, the Lord Zacheus Stoesak, Senior Merchant, Shahbandar, and License Master, the Lords Francois Rijkloff de Geus, Captain of the East-side burghers, Christoffel Mol, Burgher Cavalry Master, the military ensign Maffe, the Burgher Cornet Pieter Donker with approximately fourteen burgher horsemen, the junior merchant Dirk Willem van der Brugge, and several others unknown to him, deponent, all on horseback, alongside the Balinese Captain Achmat Babandam, the Javanese Captain Soeta Wangsa, and the Bugis Captain Mochamat Maroangi, the first two with their men all armed, and the latter arriving without his men, who took their course along the river Lontar and arrived at Poeloegadong, on the land of the widow of Petrus Davidsz, having also been followed by him, deponent, with his men, where were the Balinese Lieutenant Abdul Mockum Babandam alongside the Bugis Captain Jo Tanga Wadjo, the Malay Lieutenant Abdul Rachman Nero Japoen, and Mochamat Redjap, the Balinese Lieutenants Akim and Soebana, likewise the Balinese Ensign Oemar, alongside others, all with their men; and after they had remained there a short time, they returned along the same way and halted on the land of the aforementioned Lord De Geus at the aforementioned Lontar, when on the said land they found two carriages, with which had come the Honorable Lord Mr. Willem Vincent Helvetius, Member of the Honorable Council of Justice of this Castle, the merchant Henrij Abbis, and the junior merchant Cornelis van der Hoop; that shortly thereafter the Lieutenant of the Malays, Redjap, arrived there with his men; furthermore, that together they departed from there in the afternoon around approximately four o'clock and took their way along the Pisang Batoe, from where the aforementioned Balinese Lieutenant Abdul Mochim Babandam with his men, by order of the said Lord Commissioner, went to the Fassenbrug, and the others took the route of the Chinese tombs, the fortress Noordwijk, the fortress Rijswijk, thus along the Molenvliet dike up to the Nieuwpoort, when the aforementioned lords rode into the city, and he, deponent, alongside the aforementioned Mohammedan officers with their men, each departed for their places and dwellings. Deposing nothing further, he, deponent, gives as the reason for his knowledge that which is stated in the text, offering, moreover, to confirm what has been testified by him under further oath if necessary. Thus done and passed at my office in the presence of Benedictus Bastiaansz Gagie and Pieter Aaronsz de Moor the Younger, clerks, as witnesses, who signed the original draft of this together with the deponent and me, Notary. Underneath stood: Issued as a copy, and this was found to agree with its original draft and is granted to the Honorable High Government of these lands in accordance with that which was transacted and resolved in the Council of India on the 1st of this month, shown to me, Notary, in an authentic extract. Lower: Batavia, the 18th of December 1741, was signed: P. V. Visvliet, Notary Public. Agrees: D. Cluijsenaer, Secretary. His High Honor the Right Honorable and Highly Esteemed Lord Adriaan Valckenier, Governor-General of the Dutch Indies, etc. Attestation. Today, the 8th of December 1740. Appeared before me, Johan van Visvliet, Notary Public, admitted by the Noble Court of Holland and the Noble High Government of the Dutch Indies, residing within the city of Batavia, and before the aftermentioned witnesses, Soeta Wangsa, Captain of a company of the Javanese, living at Mangadoea outside this city, known to me and the witnesses. And the appearer declared hereby in true words instead of an oath, at the requisition of His High Honor the Right Honorable and Highly Esteemed Lord Adriaan Valckenier, Governor-General of the Dutch Indies, to be true and truthful: That now about fifteen days ago, the exact time not specified, there came to him, deponent, an orderly of the Commissioner for Native Affairs, the Lord Ferdinandus De Roij, who, in the name of the said Lord Commissioner, ordered him to send four riding horses with their harnesses to the Lord Commissioner the following day towards six o'clock in the morning, and himself with a troop of men
Dutch transcription
tijd des morgens tegen ses uuren met syn voek bij hem te komen t geen hy attestant: heeft geobedieerd en daags daar aan ten ses uuren Smorgens met vijftig soldaten een vaandrig twee Zerganten en vier Corporaals bij voorn heer Commissaris aan des selfs tuijn en woninge omtrend t Slaven kerkhoff buij ten de rotterdammer poort deser Steden sig heeft bevonden wanneer hij attest„t door gen: Heer Commissaris was geor donneerd, om met syn gesegt volk voor uijt te marcheeren gelijk hij attestant syns weg langs de rivier zontar heeft genomen tot voor het Nagelaten land van den overleden heer Hier gekome sijnde liet hij sijn volk aldaar staan alwaar omtrend ook t volk van den boe „gineesen Cap„n Mochamat maroangi was en keerde hij attestant alleen we „der te rug ten Eynde de heer Commissa „ris voorn: te ontmoeten en onderwegs Sal hij gem: heer Commissaris verselt met den wel Edelen heere Gustaav Willem van Imhoff ordinarisraad van Nederlands India den wel Ede „len heere Elias de Haeze mede raad ordinaris van Nederlands India 1717 pre 1843 president van't Eerw: Collegie van heeren Scheepen deser Steede en Colonel van de burgerij alhier de Heer Zacheus Stoe „sak opperCoopman, Sabandhaar en Licent Meester de heeren Francois Rijkloff de Geus Capn. van de Oostzijd „se burgerij Christoffel Mol burger rit Mleester den vaandrig militair maffe den Burger Cornet Pieter donker met na gissing veertien burgers ruijters den onder koopman dirk Willem van der Brugge, en nog eenige bij hem atte stant onbekend, alle 't paard nevens den balie sen Capitijn Achmat Babandam den Iavaense Cap:n Soeta Wangsa en den boegineese Cap:n mochamat maroangi de twee Eerste met hun volk alle gewapend en den Laasten sonder sijn manschap aankomen dewelke hun „ne Coers Langs de rivier Lontaz namen en quamen tot op Poeloegadong, opt Land van de wed„e van Petrus Davidsz gevolgt zijnde mede door hem attestant met sijn volk alwaar waren den baliese luijtenant abdul mockum babandam nevens den boegineese Capn Jo Tanga Wadjo de malijtse luytenant Abdul rachman nero Japoen en Mochamat Mochamat Redjap de baliese luijt akim en Soebana Item de baliese vaandrig oemar benevens andere alle met hunne mansz en sij daar een wij „nig tijds gebleven hebbende zijn we der dezelve weg afgekomen en op't Land van voorn: heer de Geus op Lontar voorsz stil gehouden wanneer op gesegt land gevonden hebben twee rijtuijgen waar mede gekomen Syn den agtb heer M„r willem vincent helvetius Lid van der agtb raad van Iustitie dezes Cas „teels den koopman Henrij Abbis en den onder Coopman Cornelis van der hoop dat kort daar op derwaars geko men was den Luijtenant der ma leijers Redjap met sijn volk wijders dat sij gesamentlijk des namiddags nagissinge omtrend vier uuren van daar sijn vertrokken en hunne weg genomen langs de Pisang batoe van waarde voorn baliese luijtenant Abdul Moc him babandam met syn man schip op order van gesegde heer Commissa „ris na de Fassenbrug sijn ge „gaan en de verdere hebben vingesla „gen de Chineese graven, de fortresse Noordwijk „ de fortreese Rijswijk 1717 zoo 1844 zoo langs de molenvlietse dijk tot aan de Nieuwpoort wanneer de voorn heeren de stad sijn ingereden en hij attest nevens de voorn machomclaanse officie ren met hun volk ijder na hunne plaat sen en woningen zijn heen vertrokken Verders niet getuijgende geeft hij at te stant voor de reden van Syn weten schap als in den Text presenteren de over sulks het gund bij hem getuijgt is des noods nader gestand te doen Aldus gedaan en gepasseert ten mij nen Comptoiren ter presentie van bene dictus Bastiaansz gagie en pieter Aaronsz d moor d: Ionge Clercq: als getuijgen die de minute dezes nevens den attestant en de mij Notaris hebben ondertekend / on der stond/ uyt gegeven voor Copia en is deze met des selfs minute accorderen de bevonden en werd ver „leend aan de Edele hoge regeringe dezer landen in gevolge t gebesoigneerde en geresolveerde in rade van India op den 1: deser mij nots in authenticque Extract gebleken /Lager Batavia den 18 december 1741 was getekend P„r V„n VE: Vvliet Not„s Publicq: Accordeert ee d Cluijsenaer Secret:s 1717 13 sijn hoog Edelheijd den wel„ Edelen groot agtb: Heere Adriaan Valckenier Gouverneur generaal Attestatie 1717 van nederlands Jndia reg„t 1845 Op Huijden Den 8: December 1740. Compareerde voor mij Johan van visvliet nots. & publ: bij den Edelen hove van holland, en de Edele hooge regeringe van nederlands Jndia gead„ mitteerd, binnen de stad batavia residerende en„ de voor de naargenoemde getuijgen soeta wang„ sa, Capitain van een Comp: der Javaanen woo„ nende op mangadoea buijten dese stad mij ende getuijgen bekend. — Ende verklaarde den Comp:t bij desen miet wae„ rewoorden inplaatse van Eede ter requisitie van zijn hoog Edelheijd den wel Edelen Groot agtbaeren heere Adriaan Valckenier Gouverneur Generaal van nederlands Indian waar ende waaragtig te wesen. —. Dat nu ongevaar vijfthien daegen geleden, onbepaald den Juijsten tijd bij hem attestant was gekomen een oppasser van den Commissa„ ris tot de saken der inlanderen de heer Fer„ dinandus De Roij, dewelke uijt naeme van gemelte heer Commissaris heeft belast, om 's daags daar aan tegens ses uuren smorgens vier reijvaarden met hunne monteeringen d' heer Commissaris toe te zenden, en sig met een manschap
English
to proceed thither with a detachment of twenty-five men, in order to depart together with the gentleman Commissioner to Poelo Gadong, which he, the deponent, obeyed, and the following day at six o'clock in the morning, posted at Mangadoea with twenty-five soldiers, one sergeant, and two corporals, all armed, awaited the gentleman Commissioner; whereupon the said gentleman Commissioner, accompanied by the Right Honourable Gentleman Gustaaff Willem van Imhoff, Ordinary Councillor of the Dutch Indies, the Right Honourable Gentleman Elias De Haeze, also Ordinary Councillor of the Dutch Indies and President of the Reverend College of Aldermen of this city, as well as Colonel of the burghery here, the gentleman Zacheus Hoesak, Shahbandar and Licence Master, the gentlemen Francois Rijkloff de Geus, Captain of the East Side burghery, Christoffel Moll, burgher Cavalry Captain, the military Ensign Masse, the burgher Cornet Pieter Donker, with approximately fourteen burgher cavalrymen, the Junior Merchant Dirck Willem van der Brugghen, and some others unknown to him, the deponent, all arrived riding on horseback, assisted by the Balinese Captain Achmat Babandam and the Buginese Captain Machamat Maroangi, the former with his men, all armed, and the latter without men, who were followed by him, the deponent, and his men; and thus first stopped at the estate of the aforementioned gentleman De Geus at Sontar, had breakfast there, then proceeded directly to Poelogadong to the estate of the widow of Petrus Davidsz., and from there along the way were also assisted and convoyed by the Makassarese Captain Daijeeng Mabella with his armed men, as well as the men of the aforementioned Mochamat Maroangi; where were present the Balinese Lieutenant Abdul Mochmin Babandam, the Buginese Captain So Tanga Wadjo, the Malay Lieutenants Abdul Rachman Nero, Japoen, and Machamat Redjap, the Balinese Lieutenants Akim and Soebamia, also the Balinese Ensign Oemar, and some others, all with their men; and after they had stayed there for a short time, they returned along the same road and remained at the estate of the aforementioned gentleman De Geus at Sontar aforesaid, when on the said estate they found two carriages in which had arrived some gentlemen unknown to him, the deponent, and that shortly thereafter the Lieutenant of the Malays, Redjap, arrived thither with his men; furthermore, that they departed thence together in the afternoon at approximately four o'clock, and took their way along the Pisang Batoe, from where the aforementioned Balinese Lieutenant Abdul Mochmin Babandam with his detachment, by order of the said gentleman Commissioner, went to the Jassemburg, and the rest turned around the Chinese graves, the fortress Noordwijk, the fortress Rijswijk, thus along the Molenvliet dike up to the Nieuwpoort, when the aforementioned gentlemen rode into the city, and he, the deponent, together with the Mohammedan officers with their men, all departed for their respective places and dwellings. Deposing nothing further, he, the deponent, gives as the reason for his knowledge as stated in the text, offering therefore to confirm what has been testified by him, if necessary, in further detail. Thus done and passed at my office in the presence of Nicolaas Adamz. and Daniel Fransz. Clercq as witnesses, who signed the minute hereof together with the deponent and me, the notary. Below stood: Issued for copy, and this has been found to agree with its minute, and is granted to the Noble High Government of these lands pursuant to what was deliberated and resolved in the Council of the Indies on the 1st of this month, as appeared to me, the notary, in an authentic extract. Lower: Batavia, 18 December 1741. Signed: J:n V:n Visvliet, Notary Public. Agrees: Nes Vluijsenaer, Secretary. Attestation. His High Honour, the Right Honourable, Most Worshipful Gentleman Adriaan Valckenier, Governor-General of the Dutch Indies, requisitionist. 14. Today, the 8th of December 1740, appeared before me, Johan van Visvliet, Notary Public admitted by the Noble Court of Holland and the Noble High Government of the Dutch Indies, residing within the city of Batavia, and before the aftermentioned witnesses, Mochamat Maroangi, Captain of a Company of Buginese residing along the road of Sevenhoek outside this city, known to me and the witnesses; and the appearer declared hereby, with true words in lieu of an oath, at the requisition of His High Honour, the Right Honourable, Most Worshipful Gentleman Adriaan Valckenier, Governor-General of the Dutch Indies, to be true and truthful: That about fifteen days ago, the exact time not specified, there came to him, the deponent, an orderly of the Commissioner for Native Affairs, the gentleman Ferdinandus De Roij, who on behalf of the said gentleman Commissioner ordered him to come to the gentleman Commissioner the following day at about six o'clock in the morning with armed men, which he, the deponent, did
Dutch transcription
manschap van vijf en twintig Coppen aldaar te begeven, ten eijnde saemen met d' heer Com„ missaris na Poelo Gadong te vertrecken, 't geen hij attestant heeft geobedieerd en 'sdaags daar aan ten ses uuren s'morgens met vijf en twintig zol„ daeten een sergiant en twee Corporaals, alle gewapend, op mangadoea geposteerd, d' heer Com„ missaris, afgewagt, wanneer ook gemelde heer Commissaris, verselt met den wel Edelen heere Gustaaff willem van Imhoff, ordi„ naris raad van nederlands jndia, de wel Ede„ len heere Elias De Haeze, mede raad ordi„ naris van nederlands Indian en president van 't Eerw: Collegie van heeren scheepen en deser stee„ de, mitsg:s Collonel van de burgerije alhier, d' heer Zacheus Hoesak, sabandhaars en Licent„ meester, de heeren Francois Rijkloff de Gens„ Capitein van de oostzijdse burgerije Chris„ toffel moll, burger ritmeester, den vaan„ drig militair masse den burger Cornet Zie„ ter Donker, met na gissing veerthien bur„ gers ruijters den ondercoopman Dirck willem van der Brugghen en nog Eenige, bij hem attestant onbekend alle te paard zijn komen aanrijden 1717 aanrijden, geadsisteerd met den baliese Cap:n Achmat Babandam, en den boegineese Capi„ teijn machamat maroangi de Eerste met sijn volk, alle gewapend, en de laaste zon„ der volk welke door hem attestant en zijn volk is nagevolgt, en alzoo eerst op 't Land van voorn: heer De Geus op Sontar aangelegd, aldaar ontbee„ ten, voorts direct na Poelogadong op 't Land van de wed:e van Petrus Davidsz: Gegaan en van daar onderweegs door den maccassaars Capitain daij„ eeng mabella met zijn gewapend volk item'z volk van voorm: Mochamat maroangi mede ge„ adsisteerd en geconvoijeerd zijn geworden alwaar waren den baliese Luijtenant Abdul mochmin Babandam den boegineese Cap: so Tanga wad jo, de maleijtse luijtenant Abdul Rachman nero, Ja„ poen, en machamat Redjap, de baliese luijte„ nants akim en soebamia, Jtem den baliese vaan drig Oemar, en eenige andere alle met hunne manschappen en sij daar een weijnig tijds geble„ ven hebbende, sijn weder deselve weg afgekomen, en op 't Land van voorn: heer De Geus op zontar voorsz hun onthouden, wanneer op gesegd land gevonden hebben twee reijtuijgen waar meede gekomen 1846 cent„ Zie„ Willem en d gekomen zijn Eenige heeren hem attestant onbo„ kend en dat kort daar op derwaarts gekomen was, den Luijtenant der maleijers Redjap, met zijn volk, wijders dat sij gesamentlijk, des namid„ dags na gissinge omtrend vier uuren van daar zijn vertrocken, en hunne weg genomen hebben Langs de pisang batoe, van waar den voorn: baliese Luijtenant Abdul mochmm Baban„ dam met zijn manschap, op order van gesegde heer Commissaris na de Jassemburg zijn gegaan en de verdere hebben omgeslagen de Chineese gra„ ven, de fortresse Noordwijk, de fortresse rijst„ wijk, soo langs de molenvlietsendijk, tot aan de nieuwpoort wanneer de voorm: heeren de stad, zijn ingereeden, en hij attestant, nevens de machometaanse, officieren, met hun volk, ider na hunne plaatsen en wooningen zijn heen vertrocken. — verders niet getuijgende geeft hij attestant voor reden van zijn wetenschap als in den text presenteerende oversulx 't gunt bij hem getuijgd is /: des noods :/ nader gestand te doen. aldus gedaan en de gepasseert ten mijnen Comptoire ter presentie van Nicolaas Adamz: 1717 1847 AdamZ: en Daniel Fransz: Clercq als getuij„ gen die de minute deses nevens den attestant ende mij nots: hebben ondertekendt. /:onderstond:/ uijt gegeven voor Copia en is dese met desselvs minute accordeerende bevonden en werd ver„ leend aan de Edele hooge regeeringe deser Lan„ den ingevolge 't Gebesoigneerde en Geresolveer„ de in rade van India op den 1:' deser mij nota„ ris in authentijcque Extract gebleeken /:lager:/) Batavia den 18: December 1741. /:geteekend/ J:n V„n Visvliet not:s publ: — Accordeert Nes „Vluijsenaer Secret:s 1717 Attestatie. sijn hoog Edelheijd den wel Edelen Valckenier Gouverneur Gene„ Groot Agtbrn heeren Adriaan 1717 raal van Nederlands India. req:t 14. 1848 Op Huijden den 8: December 1740. Compareerde voor mij Johan van Visvliet not:s publ: bij den Edelen hove van holland, en de Edele hooge regeringe van nederlands Jndia geadmitteerd, binnen de stad Batavia reside„ rende, ende voor de naargenoemde getuijgen Mochamat Maroangi Capitain van een Comp:e der boegineesen woonende aan de weg van sevenhoek buijten dese stad mij end getuij„ gen bekend; ende verklaarde den Comp:t bij desen niet waere woorden in plaatse van Eede ter requisitie van zijn hoog Edelheijd den wel Edelen Groot Agtb:re heere Adriaan Valc„ kenier gouverneur Generaal van nederlands India waar, ende waaragtig te wesen. Dat nu ongevaar vijfthien daegen geleden onbepaald den Juijsten tijd bij hem attestant was gekomen een oppasser van den Com„ missaris tot de saeken der inlanderen d' heer Ferdinandus De Roij, dewelke uijt naeme van gem: heer Commissaris hem heeft be„ last, om s' daags daar aan tegens ses uuren s'morgens met gewapende mannen bij d' heer Commissaris te komen 't geen hij attestand heeft