Inventory 2865
Surat · 279 pages · 148 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
297 From Macassar dated 8 October 1755. — From Macassar dated 8 October 1755. sent for to attend a feast and at the same time take a decision, because they were afraid that Goa would have to undergo the same fate as befell Boeton, and also had a conversation with the Macassar lords about this, but gave them in answer that they must not believe the Honourable Company would deal with them as happened to Bouton in view of the crime of Bouton, for Bouton has first of all sinned because they took the Company's and Boni's wrongdoers under their protection, allowed the Company's ship to be overpowered in their roads, and seized and retained the goods of lost Company ships and vessels, so that they were punished for this by the Company, and what reason would the Company have to do such to your people; the Macassars also said it was still fresh in their memory that in former times, before the Company came to rule in Macassar, it happened that a Macassar gave a Dutchman a blow so that the hat fell from the head onto the ground, and that was avenged with the conquest of Sambopo; whereto His Excellency is said to have answered again: what do you fear then, for this has long been settled, and you do very wrong to entertain such thoughts among your people; and all this His Excellency uttered to me, the undersigned, in the manner of a narrative piece, adding to be assured that he will not fail to watch in this matter and to inquire into what will in time be decided by the Macassars, and also, whether by day or night, report to the Lord Governor and my younger brother, without more; this is what was related to me, the undersigned. Below stood: Macassar, date as above. Was signed: with some characters. Beside which was written: drawn up by the missionary Panjang. In the margin: for the translation. Signed: J:s Ferera. All of which having then been submitted by His Honour for consideration, after deliberating hereon with much attention, and having well weighed this matter in all these respects, it was deemed highly necessary that His Honour should take all possible precautions regarding the safety of His Honour's person. And furthermore, for the security of the settlement of Vlaardingen, it was found good to instruct the merchant and fiscal Steven Winkelman, under the pretext of the absence of the captain and ensign of the burghery, together with the present burgher lieutenant, on that occasion, without causing any commotion or suspicion, to be able to ascertain in what state of defence the burghery presently finds itself in the event of an unexpected incident, and also quietly to provide at the residence of the aforementioned fiscal Winkelman some muskets with a quantity of fixed cartridges, in order, if necessary, in the absence of those arms 9 From Macassar dated 8 October 1755. From Macassar dated 8 October 1755. arms, to be able to make use thereof, as well as by His Honour's order, under one or another pretext, to make the necessary arrangements for good vigilance and for the securing of this Castle with the other posts and guards, Tuesday the 29 July Anno 1755. and then further, with God's help, await what In the morning at half past eight o'clock, all time would further reveal to us in that regard. present, except the junior merchant and shopkeeper Carel Jacobs due to indisposition. Under which circumstances it was also, after ripe deliberation, deemed highly necessary that After the prayer, the Governor made it known His Honour should for this time abandon the intended journey to Maros that he had expressly convened the members in order to personally attend the collection of the tithes to place under consideration the circulating rumours, in the north, which since the last secret resolution of the 18th in order to be able to be present at this Castle in case of any incident. of this month had continued to increase more and more, namely that the King of Tello was gathering a large And it was therefore, for the collection of the tithes number of people, under the pretext in the northern provinces, found good to commission the junior of wishing to go with them to the Mangeraij, merchant and garrison bookkeeper Jan Hendrik and furthermore would within a few days request access Voll, as being the most competent thereto because of linguistic to His Honour, in order under that proficiency and knowledge of affairs, and for the security of his person, to have him accompanied by pretext to enter within this place with a strong force in order to surprise six horsemen. it and turn it into a bloodbath. Likewise everyone has furthermore been permitted to take along as many slaves or confidants That His Honour had thereupon yesterday sent the junior merchant on the road for security Voll to the King of Boni, as shall be deemed advisable in order not to expose the Company's servants in order, in veiled terms, to sound out that monarch and inhabitants to the and to see whether one could discover anything concerning bloodlust of this nation. Below stood: Macassar, the intention of Caraeng Tello and that date as above. Was signed: J: D: v: Clootwijk, which might be brewing beneath it, who thereupon had served with the C: Sinkelaar, B: Petzold, S: Winkelman, following report: G: C: Mairs, J:n H:k Voll, and C: Jacobs. In the margin stood: In my presence. Signed: H:k Burggraaf, secretary. Lower stood: Agrees. Signed: H:k Burggraaf, secretary. Secret Resolution taken in the Council of Policy of the Castle Rotterdam at Macassar. Secret. Secret. G G
Dutch transcription
297 Van Macassar onderdato 8. october 1755. — Van Macassar onderdato 8. october 1755. laten komen om een feest bij te woonen en teffens een besluijt te nemen, dewijl zij bevreest waaren dat goa het selfde lot zoude moeten ondergaan als boeton is overgekomen, en hebbe ook een gesprek gehad met de maccassaarse heeren hier over, maar hebbe haar ten antwoord gegeven dat zij zulx niet moest gelooven d'EComp:e met haar zoude leven, gelijk als aan bouton is geschiet ten aansien van de misdaat van Bouton, want Bouton heeft voor eerst „gesondigt om dat 'sComp„s en Bonijse quaa„ doenders onder haare bescherminge te hebben genomen, 'sComp„s schip op haare rheede heeft laten over rompelen en de goederen van gblevene 'sComp„s scheepen en vaartuijgen aangeslagen en bij haar gevonden is, zo dat zij daar over door d' Comp:e zijn gestraft geworden, en wat reeden zouw d' Comp:e hebben, om zulx uw lieden te doen, ook zeijde de maccassaren haar nog versch in geheugen te zijn, dat in vorige teijden eer d' Comp:e op macassar als regeerder is gekomen geschiet is, dat een maccassar een hollander een klap hadde gegeven, dat de hoed van de kop op de grond is gevallen, en dat is met het overwinnen van Sambopo gewroken, daar zijn Excellentie weeder op zou g'antwoord hebben, waar voor vraest gijlieden dan, want dit is lang afgemaakt, en doet zeer qualijk van zulke gedagten bij uw lieden te formeeren; en dit alles heeft zijn Excellentie onder een zoort van een verhaal stukje, tegens mij ondergetee„ „kende g'uijt, met bijvoeging versekert te weesen dat niet in gebreeke zal blijven, om in deesen te waaken en te informeeren wat in der tijd door de maccassaaren zal beslooten werden, en ook het zij, bij dag ofte nagt aan den heer gouverneur en mijn Jonger broeder rapport doen, sonder meer, dit is mijn onder„ „geteekendens weder waaren /:onderstond:/ Maccassar Dato voors: /:was getekent:/ met eenige karac„ ters /:waar bij geschr: stond :/ gesteld bij den zendeling Panjang /:in margine:/ voor d' vertaling /:getekent:/ J:s ferera. Welk Een en ander dan door zijn Ed: in overweginge gegeven zijnde, so is naar met veel attentie hier over gedelibereert, en dese zaak in alle deesen wel overwogen wesende, ten hoogsten nodig geoordeelt dat zijn Ed: alle mogelijke precautien, omtrent de zekerheijd van zijn Ed: persoon diende te nemen. En voorts ter beveijlinge van de Negorij vlaardinge goed gevonden den Coopman en fiscaal Steven Winkelman, onder voorgevinge van de absentie der Capitain en vaandrig der burgerije met den presenten burger luijtenant op te dragen, om bij die occagie zonder eenige beweginge te maaken of nadenken te veroorzaaken te kon„ „nen ontwaaren in wat staat van defensie /:bij een onverhoopt voor valle:/ zig de burgerije thans komt te bevinden, en ook in stilte ten woon„ huijse van gemd: fiscaal winkelman eenige geweiren met een parthij vaste patroonen te besorgen, om des noods bij gebrek van dat wapenen 9 Van Macassar onderdato 8. october 1755. Van Macassar onderdato 8. october 1755. wapenen zig daar van te konnen bedienen, gelijk ook door zijn Ed: ordre onder een of ander voorwendsel alles tot een goede oplettendheijd en ter versekering van dit Casteel met de overige posten en wagten de nodige schikkinge te stellen Dingsdag den 29. Julij A„o 1755. en dan voorts onder godes hulpe afwagten, wat Des morgens ten half negen uuren alle de teijd ons dientwegen verder zoude openbaaren. Present, Dempto den onderkoopman en winkelier Carel Jacobs door indispositie Ten welken omstandigheden dan almede na reijpe overweginge ten hoogsten nodig geoordeelt is, dat Na het gebed gaf de gouverneur te verstaan zijn Ed: de voorgenomene reeijse naar maros de Leede Expres geconvoceert te hebben, ten eijnde „ter perzoneele bij wooninge der verthiening in overweginge te geven, de roulleerende gerugten, om de noord voor dit maal diende te staaken, die zedert laaste secrete resolutie, van den 18:' om bij eenig toeval aan dit Casteel present te deser meer en meer quamen toe te nemen, kunnen zijn. te weten dat de koning van Tello een groot En is derhalven, tot het doen der verthieninge aantal van volk bij een vergaderde, ondervoor„ in de noorder provintien goed gevonden den onder„ „geringe daar mede na de mangeraij te wil„ „koopman en guarnisoen boekhouder Jan Hendrik „len, en vorders binnen Eenige dagen acces voll te Committeeren, als wegens taalkundig„ bij zijn Ed: zoude laten verzoeken, om onder dat heijd en kennisse van zaken daar toe het bequaamste praetext, als dan met een goede magt bin„ zijnde, en tot securiteijd voor zijn persoon, met „nen dit te komen ten eijnde het zelve te over„ zes ruijters te laaten versellen. „rompelen en in een bloed bad te zetten. Gelijk men al wijders een ijgelijk gepermit„ teerd heeft zo veele slaaven of vertrouwelinge, Dat zijn Ed: hier op gisteren den onderkoop„ bij den weg tot securiteijt mede te nemen man voll bij de koning van bonij had gesonden, als te rade zullen werden om 'sComp„s dienaaren om dien vorst onder bedekte termen, eens te en ingesetene niet te experieren aan den ondertasten en te sien of men iets omtrent moord lust deser natie /:onderstond:/ Macassar het voornemen van Caraceng Jello, en het dato voors: /:was getekent:/ J: D: v: Clootwijk, geen daar onder mogte broeijen, konde ont„ c: Sinkelaar, B: Petzold, S: winkel„ „dekken, die daar op hadde gedient van 't „man, g: C: Mairs J:n H:k voll en C: Jacobs /:ter zijde(stond) volgende rapport mij present /:getekent:/ H„k Burggraaf secret:s /:lager stond:/ Accordeert /:getekent:/ H„k Burggraaf secretaris Secrete Resolutie genomen in Rade van Politie des Cas„ teels Rotterdam tot Maccassar Secreete secreete G G
English
301 From Macassar dated 8 October 1755 From Macassar dated 8 October 1755. Secret Report to the Right Honorable Lord Jan Dirk van Clootwijk, Governor and Director of this province Right Honorable Lord! In accordance with Your Right Honorable's honored verbal order, because concerning the current rumors since 14 July no reliance could be made, nor head or tail could be found, to sound out the King of Bonij if possible, to open the window of his mind, and thoroughly probe his intention regarding what His Highness's true opinion might be concerning the current rumors, ostensibly based on his communication of 29 May regarding the intention of Tello's king, who was said to be intending to depart with a considerable force to the Mangeraij, and to that end was already arming himself, and had also requested a vessel on loan from His Highness Bonij for transport, but that this had been refused; I having departed on Tuesday the 28th of this month for Bontualacq to His Highness of Bonij, and according to the honored intention of Your Right Honorable thoroughly probed that monarch, after I had previously assured him, by order of Your Right Honorable, that I spoke in all confidence and brotherly sincerity, whereupon it appeared to me from all circumstances that His Highness revealed to me the inner chamber of his heart unfeignedly, and said that His Highness indeed had communicated to his Honor regarding the previously cited departure of Tello's king, and his intention that if that prince were to depart from here, he would steer toward Mangeraij to help support the objective of Sumbawa's king regarding Salaparang, and if it should turn out badly, not to return here out of shame, but to go directly to Bonij to take up residence in order to win over the well-intentioned Bonijers to his side, for that fox is capable of converting the Bonijers since he is also from the lineage of Lapatauw, and thus also has a claim to the crown of Bonij; however, although that fox was indeed preparing himself for an expedition, he could nevertheless obtain no vessels for his use, therefore it is also still unknown to His Highness what his real meaning or objective is to carry out, but if he wished to go directly to the enemy, Wadjo, from whom he had also requested men and weapons, His Highness would not have so much difficulty, and could treat him as an enemy, His Highness also being unable to understand how the Honorable Company can let such a fickle and, for the Honorable Company, so harmful a man pass without being punished, and if the Honorable Company wished to do so, His Highness is prepared to offer assistance both with his own person and his subjects to attack him; all these rumors and fears of Tello's king, that monarch is said to have learned from the grandees of Goa, when that young monarch, after the end of the puasa, spent two days and nights with His Highness; and furthermore, as far as concerned the summoning of His Highness's palili or subordinate allies, this was only to bring the royal golden imperial umbrella overland, and His Highness wishing to go by water to Bonij, in order to thwart the intention of Tello's king to the best of his ability, but not to assist Tello, as rumors thereof were circulating; but that which relates to this matter and went by the name of Bonijers, this will probably be what Your Right Honorable has heard about Bonijers going along, being the people of Toerangan who are married to Caraeeng Lambengi, a Macassar prince, whom His Excellency had understood was preparing himself to depart with that fox; and His Highness assured me that throughout his life he would not abandon the Honorable Company, or as long as His Highness's head shall remain on his trunk; and as I heard this monarch reveal himself so candidly to me, I proceeded to ask how matters stood with Caraeeng Madjenang, whether one could still trust him, and whether he also, according to reports received, would depart with one of his standards named Lasiboe, and two anronggurus Montjongbalang and Care Djarre; to which His Highness replied with yes, and that his actions merely consisted of politics, ostensibly to give no sign to those of Tello, and that through him meetings were held every night with some of the principal men of Goah, and resolved with one another that when Tello's king wished to depart they would not detain him, and after his departure they would see what they would do, meaning by this to elect Caraaeng Madjinang again as regent; and His Excellency has also learned from the deposed Caraeeng Bontotaninga that those of Goah wish to have nothing to do with Tello's departure, and if anything evil should happen to him, they will not assist him, and that the king of Tello had once been of the intention to go to Bonij, but having been prevented by His Highness, this had fallen through, and now, regarding his plan, requests have been made to His Highness by some of the Macassar court grandees to thwart the intention of that fox, of which candidly which From
Dutch transcription
301 Van Macassar onderdato 8. october 1755 Van Macassar onderdato 8. october 1755. Secreet Rapport Aan den Wel Edelen Agtb: Heer Jan Dirk van Clootwijk, Gou¬ verneur en Directeur deser provintie Wel Edele Agtbaare Heere! In conformite uwer Ed: agtb: g'Eerde mon„ „delijke bevel, om de lopende gerugten, zedert den 14:e Julij daar geen staat op te maaken, nog geen hoofd of staart aan te vinden is, was het doenlijk den koning van bonij eens te polse de venster zijns gemoeds, en zijn intentie te deur tasten, wat dog in 'erdaat der loopende gerugten, zijner Hoogheijds me„ ning zoude zijn, quasie op zijn commu„ aicatie van den 29. meij, omtrent de intentie van tellos koning, die van voor„ „nemen zoude wesen, met een aansienlijke magt, na de mangeraij te vertrokken, en ten dien eijnde zig al wapende, en van zijn Hoogheijd Bonij, ook een vaar„ „tuijg tot transport ter leen versogt hadde, dog zulks gewijgert: was, zijnde ik op Dings„ „dag den 28:' deser na bontualacq ver„ „trokken, bij zijn hoogheijd van Bonij en na de g'eerde intentie uwer Ed:e agtb: dien vorst deurtasten, na dat ik bevorens hadde versekert, uijt order van uwel Edele agtb: in alle vertrouwen, en broe„ „derlijke opregtheijd te spreeken, daar op het mij, uijt alle omstandigheeden voor quaam, dat zijn hoogheijd, mij de binne kamer van zijn Eekt, ongereijnst openbaarde, en zijde dat zijn Hoogheijd wel aan zijn Ed: had laten communiceren, omtrent hier vooren aangehaalde vertrek van Tellos koning, en zijn intentie, zoo dien vorst hier van daan mogt vertrekken, naar mangeraij zoude steven, om d' doelwit van Sumbawas koning omtrent Salaparang te helpen onder„ stennen, en indien het qualijk mogte uijt vallen, door schaamte alhier niet zullen te rugh keeren, maar direct naar Bonij ter woon begeven om de wel g'intentioneerde bonijers, op zijn hand te krygen, want dien vos instaat is, de bonijers om tezetten vermits hij ook uijt het geslagt van Lapatauw, en dus ook pretentie aan de kroon van Bonij heeft, edog, dewijl dien vos, zig wel gereet maakte tot een Expeditie, egter geen voor„ tuijgen tot zijn gebruijkt konde bekomen, derhalven ook zijn Hoogheijd nog is onbekent, wat zijn regte meening of doel wit is, om uijt te voeren, maar indien hij direct naar den vijand, wadjo van wien hij ook volk en waapens hadde versogt wilde vervoegen, zoude zijn Hoogheijd zoo veel swarigheijd niet hebben, en hem als een vijand kunnen tracteeren, kun„ „nende zijn Hoogheijd ook niet begrijpen, hoe d'EComp: zoo een wispelturigen het Zee 363 Macassar onderdato 8. october 1755. — Van Macassar onderdato 8. october 1755. — en voor d' EComp: zo schadelijk man, kan laten passeeren, zonder gestraft te werden, en indien d' EComp:e zulx doen wilde, is zijn hoogheijd bereijd, adsistentie zo met eijgen persoon als zijne onderdanen aan te bieden, om denzelven te attacqueeren, alle dese gerugten en bevreginge van Jellos koning, zijn„ „de dien vorst, vernomen te hebben van de rijxgrooten van Goa, wanneer dies Jongen vorst, na het eijnde van de pocassa, twee dagen en nagten bij zijn Hoogheijt heeft vertoeft, en wijders wat belangede om„ „trent het op ontbieden van zijn Hoogheijd palili of onderdanige bongenoten, was eenlijk om de koninglijke goude rijxsomberel„ over land te brengen, en zijn Hoogheijd te water na Bonij te willen begeven, om na vermogen d' intentie van Tellos koning te stuijten, maar niet om Tello te adsisteeren, gelijk daar van de gerugten liepen, maar het geene van dese zaak is, en de naam van Bonijers hadde, dit zal mogelijk zijn, het welk zijn Ed: agtb: gehoord te hebbe, van Bonijers mede te zullen gaan, zijn de volke van Toera=ngan die met Caraeeng Lambengi, een maccassaars prins getrout is, die zijn Excellentie ver„ staan hadde, dat die zig gereet maakte, om met die vos te vertrekken, en zijn Hoogheijd mij verseekerde, zijn levens lang d'EComp:e niet te zullen verlaten, of zo lange zijn Hoogheijds hoofd nog op zijn romp sal staan en dewijl ik hoorde, desen vorst mij zo openhartig openbaarde, vervolgd ik te vragen, hoe het met Caraeeng madjenang stonde, of men hem nog konde vertrouwen, en of hij ook volgens ter oore bekomene teijding, met een zijner Standaare gen:t Lasiboe, en twee anron„ „goeroes montjongbalang en Care Djarre, zoude vertrekken, dat door zijn hoogheijd met Ja b'antwoord wierde, en zijne gedoentens maar eenlijk in politie bestaat, om die van Tello quasie geen blijke te willen geven, en ook door hem alle nagten; met eenige der voornaamste van Goah vergadering hielden, en met den andere besloten, dat wanneer Tellos koning wilde vertrekken hem niet zullen ophouden, en na zijn vertrek zullen zy zien, wat zy doen zoude, meende hier bij om Caraaeng Madjinang weder als rijksbestierder te verkiesen, en ook heeft zijn Excellentie van den afgesetten Caraleng Bonto=taninga vernomen dat die van goah met het vertrek van Tello niets willen te doen hebben, en wanneer hem iets quaads mogte over„ „komen, hem niet zullen adsisteeren, en dat den koning van Jello, eens van intentie was geweest, na bonij te begeven, maar door zijn Hoogheijd belet geworden, is zulks insteek ge„ „bleven, en thans met zijn voornemen, door Eenige der Maccassaarse hofgroten bij zijn hoogheijt versoek gedaan, om de intentie, van dien vos te stuijten, van openhartig welke Van 9 H ol.
English
Macassar, dated 8 October 1755. From Macassar, dated 8 October 1755. To which request His Highness had replied that he did not wish to hear the reproaches, and that that fox had indeed said that according to the council, His Highness's opinion did not agree with his own. Whereupon I asked His Highness what reason the King of Tello could have to be dissatisfied with the Honourable Company, since no offense had been done to him. His Highness answered me that he had indeed heard of the displeasure of that fox, namely that Baba or Frans Fransz, when he was still at Boelecomba, had once been insulted and had received no complete satisfaction, and also that he had heard from some Macassar court dignitaries who had spoken with one another about how the Regent or King of Tello could look after the welfare of Goah, since he lives in unity with the Honourable Company and is thus dependent upon it, all of which was to their own ruin. Furthermore, that prince asked me why I did not provide myself better with armed men, and whether I was not afraid to come to His Highness so unprovided with weaponry, and that His Highness had heard that I had found a note in front of my back door stating an intention to have me and His Right Honourable murdered, and that His Highness would gladly read that note. To which question I answered His Highness that I was in no way afraid of His Highness; and on the other hand, it was indeed true that I had found a note, and that the plot to murder both of us was well known, but that it had been torn to pieces by Your Right Honourable, for the reason that it was thought to have been fabricated solely by ill-intentioned persons to cause dispute and discord between His Highness and His Right Honourable. And thus ending this, for which affection I politely thanked His Highness and took my leave, hoping to have carried out the esteemed intention of Your Right Honourable to the best of my ability, I name myself with respect, at the bottom, Right Honourable Sir, lower, Your Right Honourable's humble and faithful servant, signed, J. H. Toll, in the margin, Macassar, 29 July 1755. Whereupon, having been discussed with great attention and everything being well considered, it was not likely that he, Karaeng Tello, would dare undertake anything against the Castle, but it was also sufficiently clear on the other hand that he, Karaeng Tello, had already long been pregnant with evil designs to the detriment of the Honourable Company, and also that the gathering of so many people certainly had to have some objective, whether here or elsewhere; and although these were as yet only loose rumours, nevertheless vigilance and precaution regarding him were of the utmost necessity. From Macassar, dated 8 October 1755. From Macassar, dated 8 October 1755. Thus it has been approved and resolved, in case Karaeng Tello should request audience with His Honour, to grant it to him under prior warning not to appear otherwise than according to the 7th article of the Tello Contract, at which time an extract thereof would simultaneously be handed to his envoys. And if one should obtain any certainty that his real intention was to cross over to the other side, then immediately to send delegates to the court of Goah to inquire whether Karaeng Tello intended to go thither in the capacity of Regent of Goah or as King of Tello, while pointing out that such was contrary to the Bongaya Treaty, by which the Macassars are excluded from the kingdoms across the straits, such as Bima, Sumbawa, Timor, Solor, and the lands situated thereabouts. Yet should he wish to proceed therewith, then to have our vessels, which currently lay at this castle ready and supplied with what is necessary for any undertaking, cruise behind Tanekeke and capture whatever they could overpower. And finally, if he should undertake any invasion elsewhere or commit hostilities, then to resist him by all possible means with force, and even to attack him in Tello, and with fire and sword, under God's blessing, to destroy that malicious Macassar rabble. Furthermore, to issue some firearms, consisting of muskets, pikes, fork-rests, etc., at the equipment yard, in order to arm both craftsmen and seafaring personnel assigned ashore under the command of Equipment Master Melchior d' Haan, alongside the master craftsmen, in the event of any incident, so as to be able to maintain the guard both at the equipment yard and elsewhere. Likewise, for the security of the settlement of Vlaardingen, to have the guard kept there by twelve burghers one night and by twelve soldiers the other night, and to have patrols conducted every hour. His Honour also further proposed to have the Junior Merchant Voll, who was to depart this coming Friday to conduct the assessment of tithes in the northern provinces, go at the same time to the Queen of Ternate to sound her out, under the pretext of inquiring about the gold panning, regarding the present state of affairs and the intention of Karaeng Tello, and to what extent Her Highness's inclination extends toward accepting the realm, which had previously been offered to her again by the estates of that land. Which was unanimously approved by the members. At the bottom, Macassar, date as above. Signed, J. D. V. Clootwijk, Cs Sinkelaar, B. Petzold, I. Winckelman, G. C. Meurs, and J. H. Voll. At the side stood, present, signed, Hs Burggraaff, Secretary. At the bottom, agrees, signed, Hs Burggraaff, Secretary.
Dutch transcription
305 Macassar onderdato 8. october 1755. an Van Macassar onderdato 8. october 1755. — welke versoek, zijnde Hoogheijd g'antwoord hadde, niet gaarne de verwijten te willen hooren, en dat dien vos wel gesegt heeft dat hij na de raad van zijn Hoogheijds meening, niet met de zijne over een komt, waar op ik zijn Hoogheijd vroeg, wat reeden Tellos koning zoude hebben tegens d'EComp:e onvergenoegt te zijn, dewijl hem niets is beledigt, zijn Hoogheijd gaf mij ten antwoord wel gehoord te hebben, het ongenoegen van dien vos, zijnde datt Baba of frans fransz:, ten teijde nog op Boe„ lecomba was, eens geaffranteert en geen volkomen satisfactie bekomen, als ook van eenige maccassaarse hofgroten vernomen te hebben met den anderen zoude hebben ge„ „sprooken, hoe den Rijksbestierdier of Tellos ko„ „ning het wel wesen van goah kunnen beher„ „tigen, alsoo hij met d' E Comp:e in Eenigheijd leeft, en dus van hem afhankelijk zijn, dat alles tot haar eijgen verderf was. voorts vraagde mij dien vorst, waar„ om ik mij niet beter met geweepende volk voorsag, en of ik niet bang en was om bij zijn Hoogheijd zo met onversiende wapentuijg te komen, en dat zijn Hoogheijd gehoord hadde, dat ik een briefje voor mijn agter deur ge„ „vonden hadde, dat daar in staat, mij en zijn wel Edele Agtb: te willen laten vermoorden, en dat zijn Hoogheijd dat briefje gaarne wilde leesen, op welke vreeg ik zijn Hoogheijd g'antwoord heb, dat ik in geenen deele voor zijn Hoogheijd bang was, ten anderen Waar over dan met veel opmerking gebesoig„ „neert en alles wel overwogen zijnde, het niet denkelijk was, dat hij Caraeeng Tello iets omtrent het Casteel zoude durven ondernemen, maar het ook aan de andere kant genoegsaam kenlijk was, dat hij caraleng Tello al voor lange met quade dessijnen, ten nadeele van d' EComp:e beswangert waar geweest, en ook het bij een vergaderen van zo veel volk, zekerlyk het een of ander ten deel moest hebben, t zij dan hier of elders, en hoewel het tot nog maar losse gerugten waaren, egter de waaksaamheijd en voorsorge omtrent den zelven, ten hoogsten nodig was. wel waar te zijn, dat ik een briefje gevonden, en tot het vermoorden van onser beijde wel bekent staat, maar door uwel Edele Agtb: in stukken gescheurt te zijn, om reeden men denkt, zulx eenlijk door de quade geintentio „neerde was op gerigt, om tusschen zijn hoogheijd en zijn wel Ed: agtb: twist en tweedragt te brengen, en dus deese eijndige, voor welke genegent„ „heijd ik zijn hoogheijd beleefdelijk bedankt, en mijn afscheijd nam, en hoope aan d' g'Eerde intentie uwel Edele agtb: na vermogen te hebben volbragt, mij met agting noemt /:onder„ „stond:/ wel Edele Agtb: heer /:lager:/ uwel Edele agtb: onderdanige en trouwschuldige Dienaar /:was getekent:/ J: H: Toll /:in margine:/ Macassar den 29. e Julij 1755. — wel so Heee Hee 307 Van Macassar onderdato 8. october 1755. — Van Macassar onderdato 8. october 1755. So is goed gevonden en g'arresteerd, om„ „me Caraeeng Tello in dien acces bij zijn Ed: liet versoeken, hem het zelve accordeeren, onder voorgaande waarschouwinge, van niet dan na luijd, van 't 7. articul van het Tellose Contract te verschijnen, als wanneer men dies zendelinge, daar van te gelijk Extract zoude ter hand stellen. En indien men eenige zekerheijd mogte krijgen, dat zijn Eijgentlijk voornemen was, om naar de anangeraij over te scheepen, als dan ten eersten gecommitteerdens, aan het hoff van goah te zenden, om te vernemen, of Caraeeng Tello in qualiteijd van Rijksbestierder van goah„ dan wel als koning van Tello, derwaarts stond te gaan, met verthooning dat zulks tegens het Bongaijse contract was strijdende, bij welke de Maccassaaren, werden gesecludeert na de over„ „walsche reijken, als Bima, Sumbawa, Timor soloor en daar omstreeks leggende lande:— Dog daar mede willende voortgaan, als dan onse vaartuijgen, die thans aan dit casteel, van 't nodige tot Eenige onderneeming, gereet en voorsien lagen agter Tanekeke te laten kruijsen, en al wat magtig konde werden, weg laten nemen. En eijndelijk, indien. Elders Eenige in vasie quam te ondernemen, of vijandelijk„ „heeden te gebruijken, hem als dan, door alle moge„ „lijke middele, met geweld te keer te gaan, en zelfs in tello aan te tasten, en met vuur en swaard /:onder godes zeegen:/ dat quaadaardig maccassaars gespuijs te verdelgen. verders Eenige geweiren, van Snaphaa„ nen pieken vorken &:a op de Equipagie werf te laaten afgeven, om so ambagts gesellen, als zeevaard, aan de wal bescheijden, onder het Commando van de Equipagie meester Melchior d' Haan, neffens de baasen der ambagts gesellen, bij eenigh voorval te wapenen, ten eijnde de wagt, so op de Equipagie werf, als Elders, te konnen houden. Gelijk ook ter verseekeringe van de nego„ rij vlaardingen, de Eene nagt door twaalf burgers en d' andere nagt door twaalf mili„ „tairen, de wagt afdaar te laten waarnemen, en alle uuren doen patroulleren. Ook proponeerde zijn Ed: verders, om den onderkoopman Voll, die tegens aanstaande vrijdag, tot het doen der verthiening in de noorder provintien, stond te vertrekken, met eene bij de koninginne van Ternette te laten gaan, om deselve /:onder voorwendigh, van de goud wasserij te vernemen: / omtrent de presente gesteldheijd van zaken, en 't voorne„ Caraeeng Jello, een neijging srekt tot het accepteren van het zexchoeps Rijte, het hade voor hijs g„ men van in hoe verre haare hoogheijds ^ door de stende van dat land weder was aangeboden, 't geen door de leeden een paarig wierd g'advoueert /:onderstond:/ Maccassar dato voorsz: /:was getekent:/ J: D: V: Clootwijk, C„s Sinkelaar, B: Petzold, I: Winckelman, G: C: Meurs, en J: H: Voll /:terzijde stond:/ mij Present /:was geteekent:/ H„s Burg graaff. Secret„s /:onderstond:/ Accordeert /:getekent:/ H:s Burggraaf secret„s maccassaars Secrete L E E 6
English
From Macassar under date 8 October 1755. From Macassar under date 8 October 1755. Secret Resolution taken in the Council of Policy at Castle Rotterdam in Macassar Wednesday the 27th of August 1755, in the morning at half past eight, all present Except The Senior Merchant and Second, the Honorable Cornelis Sinkelaar, due to indisposition, and the same, Junior Merchant and Pay-Bookkeeper Jan Hendrik Voll, on a commission to Maros. After prayers, the Governor made known that he had principally convoked the members because, since the resolution of the 29th of the past month of July, His Honor had several times received certain reports from the King of Boni concerning the still continuing rumors in that regard, and among all on the 11th of this month that Highness had caused to be handed over to His Honor a certain Buginese paper, by way of a brief memorandum, of which the translation read: Translation of a Buginese document written by the King of Boni in the form of a brief memorandum, reading as follows: In the 7th article of the treaty document concluded by the Governor-General and Karaeng Ripopo, who was then sent as envoy by the King of Macassar, is also to be found in the 6th, 7th, and the 9th article. And that which stands in the new treaty, as in articles 2, 5, 9, 12, and the 10th: Whereas all that which is contained in the aforementioned articles was accepted by the present King of Tallo, Safiuddin, and he promised sacredly to comply with it, how is it then that he could say plainly that he did not want to have anything to do with the Honorable Company? Underneath stood: translated by me into the Dutch language. Was signed: Johannes Ferera. Whereupon His Honor, having held a meeting with that monarch on the 16th of this month in the Company's garden, His Highness had brought along the contract books kept under his custody, and therewith, the articles cited in the aforementioned memorandum having been checked against the Dutch ones, and principally the Contract of Tallo, as well as that which he had sworn as regent of Gowa, whereby the King of Tallo commits himself to the Bongaya contract, and for which His Highness of Boni had also signed as Young King or Raja Muda, wishing to apply these now to the bad conduct of the aforementioned King of Tallo, as being contrary to the very same contracts. Whereupon some discussions being exchanged, His Honor remonstrated to that Highness that those who had co-signed as witnesses placed themselves as guarantors for the compliance with the aforementioned contracts, and on that account were also bound to compel the violators of those contracts to their maintenance and compliance, and if necessary by force of arms, to which that Highness showed himself fully prepared, if the Honorable Company would only be pleased to approve it; that His Honor thereupon also had asked the magnates of the realm who were present whether they would indeed be willing to assist the King therein and remain faithful, to which they, although some seemed rather confused, had answered yes. Whereupon the King of Boni also undertook to present the same to the magnates of the realm of Gowa, who were to appear before His Highness of Boni by the next day, as His Highness had already informed His Honor, and to give His Honor notice of what was discussed with the Gowa magnates, who then also had caused to be handed over to His Honor a Macassar paper, the translation of which reads: Translation of a Macassar document written by the King and Magnates of the realm of Boni, serving as a brief memorandum concerning their meeting with the Macassars. Sunday the 17th of August in the year 1755, in the forenoon at ten o'clock, present the Macassar magnates to be named, as The Tomilalang Malaloa Karaeng Pangnakkang Karaeng Parangie The same, Mangngalli Data The same, Mangesu The Shahbandar Daeng Mangappa Karaeng Janarika Daeng Palanga Galarang Tombolo The same, Samata The same, Borongloe The same, Pa'opas The same, Paccinongan, as head galarangs The same, Batu The same, Sudiang The same, Mandai The same, Mabicara All these are the ones to whom the words of the entire court of Gowa, as also the will of King Pati Mataram, are commended, and who speak, and commend their persons to the King of Boni, whom they request to seek the well-being of them all. Then the King of Boni said: It is true, so it was indeed with our friendship in ancient times, but because we became unfortunate, this fell into decay; yet since the Contract of Bongaya
Dutch transcription
309 Van Macassar onderdato 8. october 1755. — Van Macassar onder dato 8. october 1755. Secrete Resolutie genomen in Rade van Politie ten Cas„ „teele Rotterdam tot Macassar Woensdag Den 27. ' Augustus 1755. Des mor„ „gens om half negen uuren alle present Dempto Den opperkoopman en secunde D' E: Cornelis Sin„ „kelaar door indispositie en d:o onderkoopman en soldij boekhouder Jan Hen„ „drik Voll in Commissie naar Maros. Naar het gebed, gaf de gouverneur te ken„ nen de leeden ten principaale geconvoceert te hebben, nadien zijn Ed: zedert resolutie van den 29. der gepasseerde maand Julij verscheijden maale, wegens de nog continueerende gerugten„ dientwegen van den koning van Bonij eeni„ „ge berigten had ontfangen, en onder alle op den 11:e deser door dien hoogheijd aan zijn Ed: was laten overhandigen zeker bougineese papier, bij wijse van een memoritje, waar van 't trans„ laat was luijdende. Translaat Bouginees geschrift gesz: door den koning van Bonij /:bij forma van een memoritje :/ luijdende als volgt: In den 7. articul van het verband schrift door den gouverneur generaal en Caraceng Ripopo beslooten, die doenmaals als afge„ „sant door den koning van Maccassar Waar op zijn Ed: met dien vorst, op den 16:' deser in 'sComp„s thuijn, een bij eenkomst gehouden hebbende, zijn Hoogheijd de onder hem berustende contract boeken hadde mede gebragt, en daar bij de in de voorn: me„ „morie aangehaalde articulen, tegens de nederduijtsche overgesien zijnde, en principaal het Contract van Tello, so wel als het geene hij als rijksbestierder van Goah hadde beswooren, waar bij zig den koning van Tello aan het bongaijse contract komt te verbinden en waar voor zijn Hoogheijd Bonij als Jong koning of radja moeda meede geteekent hadde, willende die thans thuijs brenge, op het quaad gedrag van gem: koning van Tello, als strijdig tegen Eeven gem: contracten. Waar over eenige discoursen gewis„ „seld werdende zijn Ed: dien Hoogheijd remonstreerde, gesonden wierd, is ook in 6. 7. en den 9. ar„ „ticul - te vinden. En het geen in het nieuw verbond staat, gelijk in de art: 2: 5. 9. 12. en 10:te Dewijl al het geen dat in vooren gestelden articulen begrepen, door den tegenwoordigen koning van Tello Sappie oedien aangenomen, en belooft heijliglijk te zullen naar komen, hoe komt het dan dat hij volmondig kon seggen, niet met dE: Comp:e te doen wilde hebben /:onderstond:/ door mij in de nedertuijtsche taale overgeset /: was getekent:/ Joh„s ferera. — gesonden te dat G Leel 311 Van Macasser onderdato 8. october 1755. Van Macassar onderdato 8. october 1755. — dat die geene die daar als getuijgen mede getekent hadde, zig stelde als gurandeurs voor de naarkoming van gem: contracten. en uijt dien hoofde ook gehouden waaren de overtreders dier contracten, tot dies onderhouding en naarkoming te Constringeeren, en des noods met de wapenen, daar toe zig dien hoogheijd ten volle bereijd thoonde, wanneer D'E: Comp:e het zelve maar zoude gelieven goed te vinden, dat zijn Ed: daar op ook aan de present zijnde rijksgrooten had gevraagt, of zijl: daar in de koning wel zoude willen adsisteeren en getrouw blijven, daar zijlieden (:hoe wel Eenige vrij wat con„ „fuus scheenen:/ van Ja op hadde g'antwoord. Waar op mede de koning van Bonij aannam, om het zelve de rijks grooten van Goa, die tegens des anderendaags, bij zijn Hoogheijd van bonij stonde te verschijnen /:gelijk zijn Hoogheijd zijn Ed:e reets hadde ver„ „wittigt :/ zoude voorhouden en zijn Ed: van het verhandelde met de goahse grooten kennisse laten geven die dan ook aan zijn Ed: had laten overhandigen een maccassaars papier Luijdende dies translaat. Translaat Maccassaars geschrift ge„ „schreven door den Coning en Rijksgrooten van Bonij, strekkende tot een me„ „moritje, wegens hunne bij Eenkomst met de maccassaren Sondag den 17. aug„t anno 1755. des voormiddags om thien uuren, present de te noemene Maccassaarsen grooten als Den Tomilalang Malaloa Caraeeng Pangnakkang Caraeeng Parangie _:o Mang= allie Data _:o Mang Esoe Den Sabandhaar Daeeng Mangappa Caraceng Janarika Daeeng Palanga Galarang Tombolo _:o Samata _:o Boron Lowe _ o Pao=pas _:o Pattjin=nongan als hoofd gallarrangs _:o Batoe _„o Zodiang _„o Mandai _:o ma=bitjaraia Dese alle zijn de geene die de woorden van het geheele hof van goa, als ook de wille van den koning Patij mataram is aanbevolen, en uijtspreeken, en haare persoonen opdragen aan den koning van Bonij, wien zig versoeken om het wel zijn van haar alle te soeken. zo heeft den koning van Bonij gesegt, het is waar, so is het wel met onse vriend„ „schap in oude teijden geweest maar om dat wij ongelukkig zijn geworden, so is dit afgeraakt, dog 't zedert de Contract van Des boengaija Heee _:o op
English
312 From Macassar, dated 8 October 1755. From Macassar, dated 8 October 1755. Bongaya is restored again; therefore I say, do you people wish to comply with the Treaty of Bongaya, just mentioned here, with all that belongs to it, or not? Whereupon the assembled Macassars gave as answer: because we wished to comply with it, that is why we have submitted ourselves to you, for we understand this, that whatever befalls us will be undeniable, and consequently must be accepted with good grace; and conversely, he to whom we have commended ourselves is also obliged to exert his powers to effect everything that may serve our well-being. The King of Boni replied to this: I will, as much as lies within my power, seek your well-being, but I ask once again anew, what do you think of the Treaty of Bongaya, is it good or not? Those of Goa or the Macassars replied: we say that it is good, since it takes evil away from us and also does not make one forget the good. The King of Boni said to this: but if there is someone who violates and breaks it, what do you consider such people to be, good or bad people? Those of Goa replied: we say they are bad; but we shall now return and ask our king, for he has said something that we did not understand well. Below stood: Translated by me into the Dutch language, 18 August 1755. Signed: J.b Ferera. On Saturday the 16th of the month Dhu al-Qadah, in the afternoon at 2 o'clock, the following persons to be named appeared before the King of Boni, namely Karaeng Mangngasoe, Daeng Pallangga, Gallarrang Tombolo, and Gallarrang Mabitjaraia, who declare that they were sent by those of Goa to speak these words to the King of Tallo: We have been sent by the Tomilalang of Goa to tell you that we could not understand what you have said with these words: If I could separate myself from my own shadow, so that it would not have to undergo all that might befall me, I would not fail to do so, far be it that I should claim that the entire country or my own blood relations... Translation of a Macassar writing written by the King of Boni, reading as follows. Which last-mentioned statement of the Macassars His Honour initially imagined they meant the King of Goa thereby, but from a Macassar paper, which His Highness of Boni had delivered into His Honour's hands on the 23rd of this month, it became apparent that they had meant to denote the King of Tallo thereby, the translation of which reads: Which here From Macassar, dated 8 October 1755. From Macassar, dated 8 October 1755. ...wished to have understood herein, that thereupon the King of Tallo immediately ordered his people to pack together all his goods and carry them away, saying: behold, this is now the explanation of my words, and to prove them, that I will not fail to make known what I do or say, namely that I do not want to meddle with the Dutch or be subject to their laws, and also wished to leave at that time, but since my blood relations at Goa prevented me; moreover, even if it were only my friends the gallarrangs who come to say this, let alone the King of Goa himself, on whom I rely, I would have complied; and subsequently burst out against these four persons: go and ask him who sent you, where then must I be or hide myself so that I can free you all from being counted together with me? Below stood: Translated by me into the Dutch language. Signed: Johannes Ferera. That thereupon His Honour had informed the King of Boni that this was merely what His Honour had longed for, namely, to be able to distinguish the well-meaning from the ill-intentioned, which answer from His Honour the King of Boni would make known to the grandees of Goa, according to a Bugis note written by the said His Highness to His Honour: These words my emissary shall have to say to the Tomilalang of Goa: the words that you had told to my younger brother, the King of Tallo, and his answer which he gave, I have put on paper and had brought to the Lord Governor; so the Lord Governor gave as answer thereto: now it appears that what he says and does is true, then he is, or therefore it is good that the ill-disposed and the well-disposed join together, so that one may know who the bad and on the contrary the good are; for I have greatly longed to know from those of Goa what they would answer, at the time that the Shahbandar came to wish me a Happy New Year, having said: I shall not seek the best for the court and the King of Goa, for your regent is the one, and I never get to see him. Below stood: Translated by me into the Dutch language. Signed: J.s Ferera. And handed over by the Malay Captain into His Honour's hands. Translation of a Bugis writing addressed by the King of Boni to the Honourable, Worshipful Lord Governor, the contents of which are these, reading as the following words, and delivered by the Malay Captain in the evening at 9 o'clock on 24 August. That ee 315
Dutch transcription
312 Van Macassar onderdato 8. october 1755. Van Macassar onderdato 8. october 1755. boen=gaija wederom herstelt, derhalven zeg ik wil uw lieden het Contract van boeng=aija /:hier even genoemt:/ met dies aanbehoord naarkomen, of niet, daar op door de gesa„ „mentlijke maccassaaren ten antwoord gegeven wierd, om dat wij zulks wilde naakomen, daarom hebben wij ons aan uw opgedragen, want dit begrijpen wij, dat onwederspreke„ „lijk zullen zijn het geene ons overkomt, en gevolglijk voor lief te moeten neemen, en ook in tegendeel is ook den geene, aan wien wij ons zelven aanbevoolen hebben, verpligt, zijn kragten aan te spannen, om alles wat tot het wel sijn kan strekken, te bewerken. Den koning van Bonij weder daar op diende, ik zal soo veel als in mijn vermogen is uwL: wel zijn soeken, maar ik vroag we„ „derom op nieuw, de contract van Boeng=aija wat dunkt uwl:, is die goed of niet, die van goa of de maccassaren wederom, wij seggen dat die goed is, dewijl die het quaad van ons weg doet en als ook het goede niet doet vergeeten, den koning van Bonij zeijd daar op, maar indien 'er imand is die zulx overtreet, en verbreekt, waar voor erkent uwl: zulke voor goede of quade menschen, die van Goa wederom, wij zeggen het zijn quaade; maar wij zullen nu weder te rugh keeren en vragen onse koning, want hij heeft iets gesegt, het geene wij niet wel begreepen hebben /:onderstond:/ door mij in de nederduijt„ „sche taale overgeset den 18. aug„s 1755 /:was getekent:/ J„b ferera. Op Saturdag den 16. van de maan dulkhaij„ „da, 's agtermiddag om 2. uuren, zijn dese te noemene persoonen bij den koning van Bom verscheenen als Caraeeng mang Esoe, daeeng pallangha, glarrang Tom„ „bolo, en glarrang Mabitjaraia, die verklaaren gesonden te zijn geweest om dese woorden aan den koning van Tello door die van goa te moeten zeggen, wij zijn gesonden van den tomilalang van Goa om uw te zeggen dat wij niet konde verstaan, het geene uw gesegt heeft met dese woorden, Jndien ik mij van mijn eijgen schin konde separeren, op dat die al het geene mij mogte overkomen niet behoefde te ondergaan, so zoude ik sulks niet nalaten, laat verre zijn dat ik zoude pretendeeren, dat het geheele land ofte mijn eijgen bloed verwanten Translaat Maccassaars geschrivt geschreeven door den Coning van Bonij, luijdende aldus. Welke laastgesegde der Maccassaaren zijn Ed: in 't Eerst zig verbeelde, zijl: de koning van goah daar meede meenden, maar uijt een Mac„ „cassaars papier, 't geen zijn hoog Hoogheijd van Bonij zijn Ed: op den 23. deser had laten ter hand stellen, quam te blijken, dat zijlieden daar den koning van Tello mede hadde willen denoteeren, luijdende dies Translaat. Welke hier Van Macassar onderdato 8. october 1755. Van Macassar onderdato 8. october 1755. hier inne wilde begreepen hebben dat daar op door den koning van Tello immediaat g'ordon„ „neert wierd, aan zijne volkeren, alle zijne goederen bij den anderen te pakken, en wegdragen, met zeggen, sie daar dit is nu de uijtlegging van mijn woorden, en om die te bewijsen dat ik niet zal nalaten het geen ik doet of zegt te weten, dat ik met de hollanders niet wil bemoeijen of niet hunne wetten onderworpen zijn, en ook ter dier teijd weg wilde gaan, maar dewijl mijn bloed verwanten op Goa mijn belette buijten dien alwaar het schoon maar mijn vrienden de glarrangs die zulks komt seggen laat staan de koning van goa zelve (:op wien ik mij verlaate:/ zoude nagekomen hebben en vervolgens tegens dese vier persoonen uijtede gaat en vraagt eens aan die geene die uw lieden gesonden heeft waar moet ik dan wesen of mij verbergen op dat ik uw alle kan bevrijden van niet met mijn te samen gereekent te worden /:onderstond:/ Door mij in nederduijtsche taale overgeset /:was getekent:/ Johannes ferera. Dat daar op zijn Ed: aan den koning van Bonij had laten weten, dat dit maar het geene was, waar na zijn Ed: verlangd hadde, te weten, om de wel„ „meenende van de quaade g'intentioneerde te konnen onderkennen, welk antwoord van zijn Ed den koning van Bonij aan de grooten van goa zoude laten weten, volgens een bouginees briefje, door gem: zijn hoogheijd aan zijn Ed: geschreeven, Dese woorden zullen mijn zendeling aan den Tomilalang van goa hebben te zeggen, de woorden die uwL: aan mijn Jonger broerder den koning van Tello heeft laten zeggen, en zijn antwoord het geene hij gegeven heeft hebbe ik ter papiere gebragt, en aan den heere gouverneur laten brengen, so heeft den heere gouverneur daar op ten antwoord gegeven, nu blijkt, het geen hij segt en doet waar te zijn, dan is hij of derhalve is het goed dat de quaad en goed gesinde zig bij den anderen voegt /:op dat men weeten kan wie de quade en integendeel de goede zijn :/ want zeer heb ik verlangd van die van goa te willen weeten, wat zijl: antwoorde zoude, ten teijde dat den sabandhaar mij met de nieu„ „we Jaar heeft komen geluk wenschen, gesegt had, niet zal ik het beste van het hoff en de koning van goa soeken, want uwen rijksbestierder is de geene en die krijg ik noijt te zien /:onderstond:/ door mij in de nederduijtsche taale overgezet /:was getekent:/ J:s ferera. en door den Capitain maleijer zijn Ed: ter hand Translaat bouginees geschrift door den koning van Bonij gerigt aan den wel Edele Agtb: Heer Gouverneur, dewelkers inhoude dese, naar volgende woorden en door den Capitain maleijer des avonds om 9- uuren den 24. aug„s gesteld luijdende. overgegeven. Dat ee 315
English
From Macassar under date 8 October 1755. From Macassar under date 8 October 1755. That His Honour had also been informed that the king of Tello, after the aforementioned questioning of his statements, had departed with bag and baggage to a negorij Lackanga south of the river of Tello, but from there had retreated again to the negorij montjonglowee north of the river of Tello, as the junior merchant and pay-bookkeeper Jan Hendrik Voll, currently residing in the northern provinces for the collection of the tithe, had notified His Honour by letter of the 24th of this month; and by which the aforementioned junior merchant Voll had likewise informed His Honour that he had sent an emissary to His Highness of Boni, in order to urge the Boniers to a prompt delivery of their tithe; that thereupon the aforementioned highness had sent a note with the aforementioned emissary, the translation of which was: Translation of a Bugis letter written by the king of Bonij to the junior merchant and garrison bookkeeper currently on commission to Maros, Jan Hendrik Voll, reading as follows: My friendly greetings to you, my son. I do not know how to judge the matter here, for if I wish to say that it is cold, it is hot; therefore I kindly request you, my son, when my subjects have delivered their Company's tithe, to send them back to me here at once without delay, because the Macassars came to me on the 17th of this month, on Sunday or abdul kahidda, namely the Tomilalang, caraeeng paganackang, caraleng parangi, caraeeng mangalli, Careeng Data, Caraeeng mangezoe, the Shahbandar, caaraeng DJarinika, Daeeng Panglanga, and the gallarangs of the nine banners of goa, galarang Gombolo, galarang Samata, galarang boronglowe, galarrang pao pao, galarrang pattjinongan, galarang batoe, galarrang sadiang, galarrang mandai, these are the gallarrangs who can make and break; these aforementioned persons all came to me in the name of all the Macassars and their young king Pati Matarang, to submit in order to help provide for the best interests of the Macassar court; to which I answered that such was the truth and this is the sincere old friendship, but we have been unfortunate therein; now our closer friendship is the Treaty of Bongaai, therefore I ask all of you together whether you will strictly maintain the Treaty of Bongaai and everything that is annexed to it; whereupon the assembled Macassars answered that because we wish to maintain that, we therefore submit to Your Honour's approval; From Macassar under date 8 October 1755. From Macassar under date 8 October 1755. whereupon I answered again, the right of submission is that all regrets that one might have afterwards must be set aside; on the contrary, I am then also obliged to care for the well-being of those who have submitted themselves. Furthermore, I asked them all together what they judge of the Treaty of Bongaai, whether it is good or bad; whereupon they answered that the Treaty is good, that it is the thing that removes evil from us; they meant by this that if such were sacredly maintained, no evil could befall them; and I also asked, if someone then seeks to break it, whether that person seeks what is best or what is bad for you; whereupon they answered, what is bad; whereupon they all together took their leave of me and returned to goah; shortly after this I received news from goah that there were only three, being Caraleng Parangi, the Shahbandar, and Caraeeng Paganackang, who remain true to their word, and the others all together with was written below: faithfully translated into the Dutch language by me, was signed: J: H: Voll. From which last statement that no more than three persons remained true to their word, it appeared that the rest had chosen the side of Caraeeng Tello. That His Honour, upon the aforementioned letter, had informed the junior merchant Voll that His Honour considered that a good opportunity now presented itself to attack and arrest Caraeeng tello there if he were to give the slightest reason to do so; but that the aforementioned Voll did not consider such advisable at present, on the one hand because Caraeeng Tello was keeping himself entirely quiet there, and on the other hand it was to be feared that because of those movements the subjects and Boniers would take flight, and one would thereby to our greatest inconvenience be deprived of the largest part of the tithes. All of which having been taken into consideration by His Honour, as well as how very much the king of Bonij was trying to prevent the Honourable Company from suffering any damage, so as to attack upon the slightest hostilities or other movements that he might come to make; furthermore, to simply inform the king of Bonij to refrain from all further negotiations with those of Goah and to let them be, in order to see what resolutions they will take concerning their regent, to whose deposition Bonij's king was greatly encouraging those court dignitaries; and to that end, also to write to the sergeant commandant of Maros to keep a watchful eye on the doings of Caraeeng Tello, and to notify us as quickly as possible of the slightest movement that he comes to make there; as well as to give orders to the junior merchant Voll to act according to the circumstances of the time without further orders upon any occurrences over there to the north.
Dutch transcription
317 Van Macassar onderdato 8. october 1755. Van Macassar onderdato 8. october 1755. Dat ook zijn Ed: berigt was, dat den koning van Tello naar voorengem: afvrage zijner gezegde, zig met zak en pak naar een negorij Lackanga besuijden de rivier van Tello had begeven, maar van daar, hem weder na de negorij montjonglowee „ benoorden de rivier van Tello, hadde geretireert, gelijk den tot het doen der verthiening, zig thans in de noor„ „der provintien onthoudende onderkoopman en zoldij boekhouder Jan Hendrik voll, bij schrijven van den 24: deser, aan zijn Ed: kennisse hadde gegeven, en waar bij gem: onderkoopman voll zijn Ed: almede had berigt, dat aan zijn Hoogheijd van Bomi een zendeling had gesonden, ten eijnde de Boniers tot een spoedige afbreng hunner thiende geliefde aan te zetten, dat daar op gem: hoogheijd met voorn: zendeling, een briefje had gesonden, waar van het translaat was: Translaat boegineese brief ge„ „schreven door den koning van Bonij aan den onderkoopman en guarnisoen boekhouder thans in Commissie tot Maros, Jan Hend„k Voll, luijdende aldus Mijn vriendelijke groete aan uE mijn zoon D zaak alhier weet ik niet van te oordeele, want wil ik zeggen dat het kout, zoo is het heet, daarom versoek ik vriendelijk aan uE: mijn zoon, wanneer mijn onderdaanen haaren 's Comp„s thiende heeft afgebragt ten eersten zonder uijtstel na mijn her„ waards afzenden, vermits de maccassaaren op den 17=e deser op zondag of abdul kahidda bij mij gekomen, namentlijk den Tomilalang, caraeeng paganackang, caraleng parangi, caraeeng mangalli, Careeng Data, Cara„ eeng mangezoe, den siabandhaar, ca„ araeng DJarinika, Daeeng Panglanga, en de gallarangs van de negen stennen van goa, galarang Gombolo, galarang Samata, galarang boronglowe, ga„ „larrang pao pao, galarrang pattjino=ngan, galarang batoe, galarrang sadiang, galar„ „rang mandai, dit zijn de gallarrangs die maaken en breeken kunnen, dese bovenstaande persoonen zijn alle bij mij gekomen uijt naame van alle de mac„ „cassaren en haaren Jong koningtje Pati Matarang, om te onderwerpen tot best wille van de maccassaarse hof te helpen besorgen, daar ik op hebbe g'antwoord dat zulks de waarheijd was en dit de opregte oude vriendschap is, maar wij zijn daar in ongelukkig geweest, nu de nadere vriend„ schap van ons is, de bongeijse contract, daarom vraag ik uldeden gesamentlijk of ulid: de bongeijse contract stipt willen onderhouden en alle het geen dat daar aan annex is, waar op de gesamentlijk maccassaaren daar op g'antwoord, om dat w' dat willen onderhouden, derhalven onderwerpen w' aan VE. goedkeurig„ haaren daar Hee E Nol. 319 Macassar onderdato 8. october 1755. Van Van Macassar onderdato 8. october 1755. daar op ik weder g'antwoord, d' regt van de onderwerping is dat w' alle berouw die men naderhand mogt hebben van kant moet geset werden, in tegendeel ben ik als dan ook verpligt te moeten behartigen 't wel zijn van den geene die zig zelfs onderworpen, Voorts vroeg ik haerl: gesamentlijk wat zijlieden van de bongeijse contract oordeelen of die goed dan wel quat is, daar op zij g'ant„ „woord dat d' Contract goed is, dat is het geene die de quaat van ons afneemt, meende hier bij wanneer zulx heijlig onderhouden werd haarl: geen quaad kunnen overkoomen, en ook vroeg ik, zo dan imant dat zoeken te breeken, of die ten besten dan wel ten quaade van ulieden zoekt, daar op g'antwoord ten quade, waar op zijl: gesamentlijk van mijn afscheijd namen en na goah te rug keerden, kort hier op be„ quaam ik teijding van goah dat 'er maar drie zijnde Caraleng Parangi, d' Siaband haar en Caraeeng Paganackang, die bij hun woon„ „den blijven en d'andere gesamentlijk met /:onderstond:/ door mij in't nederduijtse tale getrouwlijk overgezet /: was getekent:/ J: H: voll. Uijt welk laastgesegde van dat niet meer als drie persoonen bij haar woord bleven, het scheen dat de overige de zeijde van Caraeeng Tello hadde ge„ „koosen. Dat zijn Ed: op gem: schrijven aan den onder„ koopman Toll, had laten weeten dat zijn Ed: oordeelde„ zig goede gelegendheijd thans op te doen, om Cara„ „eeng tello indien hij de alderminste reeden daar toe quam te geven, aldaar te overvallen en op te ligten dog dat gem: voll zulks thans niet raadsaam oordeelde, eensdeels om dat Caraceng Tello zig daar geheel stil hield, en anderdeels te areesen was, dat door die beweginge de onder„ „daanen en bonijers aan 't vlugten zoude geraaken, en men daar door /:tot ons grootste ongerief:/ van het meeste gedeelte der thiende zoude ver„ „trooken blijven. welk een en ander dan door zijn Ed: in overweging gegeven zijnde, mitsg„s hoe zeer den koning van Bonij was tragtende dat d'E: Comp:e geen schaade toebrengen, om bij de minste hos„ „tiliteijten of andere beweginge, die hij mogte komen te maaken, te attacqueeren, voorts den koning van Bonij maar te laten weeten; van alle verdere onderhandelinge met die van Goah aftezien, en telaten begaan, om te sien, wat voor besluijten zij over haaren rijks¬ „bestierder willen nemen, tot welkers afzettinge Bonijs koning die hoffgrooten zeer was amme„ „rende, en ten dien eijnde, almeede den zergeant commandant van maros aan te schreijven, een wakend oog, op de gedoentens van Caraeeng Tello te houden, en van de minste beweginge die hij daar komt te maaken, ons ten spoe„ „digsten kennisse te laten geven, als mede aan den onderkoopman voll ordre te geven om bij eenige voorvallen ginter, /:om de noord:/ zig naar teijds gelegentheijd sonder nader ordret zig Hee Ze Nol.
English
From Macassar, dated 8 October 1755. From Macassar, dated 8 October 1755. to await, in order thus quickly to check the evil, to settle, and to act in such a manner as shall accord with the interest and the acquired high esteem of the Honorable Company. His Honor further proposed, concerning the Company's vessels which had hitherto been kept in readiness here in the roads because of the rumor of Caraeeng Tello's undertaking to the Mangeray, and of which no consequences were presently seen, and His Honor was reliably informed that the vessels of the said Caraeeng Tello were still all on shore, and ours were most urgently needed to collect the Company's tithe, to let them depart to the north for the said collection; which was approved by the members. Furthermore, His Honor shared the following report from the junior merchant Voll aforesaid, concerning his mission to the Queen of Tanette, pursuant to the resolution of 29 July last: Report to the Honorable, Right Venerable Sir! Jan Dirk van Clootwijk, Governor and Director of this Coast of Celebes, together with the Council. Honorable, Right Venerable Sir and Gentlemen! In compliance with Your Honorable Right Venerable's esteemed order by resolution of the 29th of the past month, I departed the following day for Tanette, in order to sound out Her Highness and fathom her intention as to what Her Highness's opinion regarding the current rumors might actually be. I arrived there at Fanette on the 1st of this month, and immediately presented myself to Her Highness, who received me very courteously; on which occasion I also immediately set to work to fathom Her Highness's intention, raising, among other discourse, the current rumors. Her Highness served me with the answer that, as long as Her Highness lived, she had no reason ever to separate from the Honorable Company, nor wished to meddle with any other, neither Bonij, much less Goah; and presently assured the Honorable Company of Her Highness's Honorable Company's protection, for the reason that Bonij's Highness was applying himself with unfounded claims against Her Highness's consort, that Her Highness had been informed of this by the Tomilalang, and that all the courtesy shown to Her Highness by Bonij's King was merely pretense, and if Her Highness did not wish to deal faithfully and sincerely with the Honorable Company, Her Highness would indeed have accepted the offer of the Loewoenese to place Her Highness back on the throne, as Her Highness has let Your Honorable Right Venerable know; but on the contrary, Her Highness assured Your Honorable Right Venerable that Tello's King is not to be trusted, and a watchful eye should be kept on that fox; and that Her Highness also assured Your Honorable Right Venerable that the Boutonese, after the departure of the interpreter Pieter Bartels, also sent envoys to the ill-intentioned Wadjorese, in order to assist them in times of need against the Honorable Company. Wherewith I hope to have fulfilled the esteemed intention of Your Honorable Right Venerable, and with all respect call myself: was below: Honorable Right Venerable Sir and Gentlemen lower: Your Honorable Right Venerable's humble and faithful servant was signed: J: H: Voll in the margin: Macassar, 24 August 1755. Which last statement His Honor judged to have some semblance of truth, since notwithstanding the promise of the Boutonese made upon the return of the interpreter Pieter Bartels, no envoys from that realm had appeared to date. Lastly, His Honor communicated that Bonij's King, at the last conference, had made a request to His Honor for two banners, to which His Honor had answered that prince that he would speak with the Council about it; His Honor therefore proposed to have two new banners made, and to have some appropriate device and emblem painted thereon, and then to have the same delivered to that Highness by delegates, with which the members agreed. was below: Macassar, date as aforesaid was signed: J: D: V: Clootwijk, B: Petzold, S: Winckelman, G: C: Meurs, and C: Jacobs in the margin: In my presence, signed: H: Burggraaf, Secretary was below: Agrees, signed: H: Burggraaf Monday, 22 September 1755. In the morning at half past eight, all present. Secret Resolution taken in the Council of Policy at Castle Rotterdam in Macassar. After the prayer, the Governor made known that he had convened the members principally in order to communicate a passage from the duplicate secret letter of Their High Excellencies, dated 8 August last, brought here by the burgher Leendert Coendertsz, whereby Their High Excellencies have been pleased to give notice of Their said High Excellencies' decision to banish the Boutonese Shahbandar, presently in detention here, to the Cape of Good Hope for the period of 50 years, and to that end to have him sent up from here in secure custody, namely with a ship that Their High Excellencies were to send at a later date; whereby it seemed that Their High Excellencies had been in the expectation that the yacht-ship D' Adriana would already have been dispatched from here, but since the said vessel was only to depart within a few days, His Honor proposed to send the aforesaid Shahbandar with it, though in order to prevent all rumors concerning this among the native population, and to perform it in silence as much as possible, to send the same when the said vessel was about to sail, either in the evening with the
Dutch transcription
321 Van Macassar onderdato 8. october 1755. Van Macassar onderdato 8: october 1755. af te wagten, om dus het quaad schielijk te stuijten, te schikken en te handelen, sodanig als met het intrest, ende verkregene hoog ag„ „ting der EComp:e, over een zal komen. Proponeerde zijn Ed: verders, om 's Comp:s vaarthuijgen die men dus lange hier ter rheede in gereetheijd had gehouden, wegens het gerugt van Caraceng Jellos onderneeming, naar de mangeray, en waar van men thans geen ge„ „volgen zag, en zijn Ed: voorseeker berigt was, dat de vaartuijgen van gem: Caraeeng Tello nog alle op de wal stonden, en men d' onse ten afhaal van 's Comp„s thiende ten hoogsten benodigt was, maar ten gem: afhaal, naar de noord te laten vertrekken, 't geen door de leeden g'advoueert. Voorts bedeelde zijn Ed: het volgende rapport van den onderkoopman voll voorn:t, wegens desselfs verrigting bij de koninginne van Ta„ „nette, ingevolge resolutie van den 29:e Julij laastl: Rapport Aan den wel Edelen Agtb:r Heere ! Jan Dirk van Clootwijk Gouverneur en Di„ „recteur deser custe celebes beneffens den Raad. Wel Edele Agtb: Heer en Heeren! In opvolging uwel Ed: agtb: g'eerde bevel„ bij besluijt van den 29. e der gepasseerde maand, ben ik des anderen daags na tanette vertrok„ „ken, om haar hoogheijd eens te polsen, en haare intentie te deur tasten, wat dog in er daat der lopende gerugten haarer hoogheijds meening zoude zijn, alwaar ik op den 1. deser op Fanette arriveerde, en mij terstond bij haar hoogheijd vervoegde, die mij zeer beleefdlijk ontfingen, bij welke gelegentheijd ik ook terstond werkstellig maakte, om haar hoogheijds in„ „tentie te deur tasten, onder andere discoursen van de lopende gerugten, ophaalde, die haar hoogheijd mij ten antwoord diende, dat zo lang haar hoogh:d leefde, geen reeden te hebben ooijt van dE Comp:e te scheijden en ook met geen andere te willen bemoeijen nog bonij veel minder goah en thans 's Ed: Comp:e protexie voor haar hoogheijds d' Ed: Comp:e verseekerde, om reeden bonijs hoogheijd met ongefundeerde pretentien op haar Hoogheijds gemaal quam toe te leggen, dat zulks door de Tomilalang haar hoogheijd was berigt geworden, en dat alle de beleefd„ „heijd die door bonijs koning aan haar hoogheijd werd aangedaan alles maar in scheijn was, en indien haar hoogheijd d' Ed: Comp:e niet getrouw en opregt wilde hande„ „len zoude haar hoogheijd de aanbieding dis loewoeneesen, om haar hoogheijd weder op den troon te zetten, wel g'accepteerd hebben gelijk haar hoogheijd uwel Ed: agtb: de weet heeft laten doen, maar in tegendeel liet haar hoogheijd uwel Ed: agtb: versekeren, dat Jellos koning niet te vertrouwen is, en een wakend oog op dien vos dient haare gehouden tol. 28 323 Van Macassar onderdato 8. october 1755. Van Macassar onderdato 8. october 1755. — gehouden te werden, en dat haar hoogheijd uwel Ed: agtb: ook versekeren, dat de bou„ „tonders na het vertrek van den tolk Pieter bartels ook gesanten, nade quaad g'intentioneerde wadjoreesen hebben gesonden, omhaar in teijde van nood tegen d EComp:e te adsisteeren. Waar mede verhoope ik aan d'g'Eerde intentie van uwel Ed: agtb: te hebben volbragt des mij met alle agting noemt /:onderstond:/ wel Ed: agtb: heer en heeren /:lager:/ uwel Ed: agtb: onderdanige en getrouwe dienaar /:was getekent:/ J: H: voll /:in margine:/ Macassar den 24. aug„s 1755. Welk laaste gesegde, zijn Ed: oordeelde eenige scheijn te hebben, naardien niet tegenstaande de belofte der boutonders, met de te rugh komst van den tolk Pieter Bartels:) gedaan, en tot nog toe geene gesanten van dat reijk waaren komen opdaagen Laastelijk communiceerde, zijn Ed: als dat bonijs koning, bij de laaste conferentie, aan zijn Ed: ver„ soek gedaan had, om twee vendels, daar zijn Ed: dien vorst op g'antwoord hadde, dientwegen met den raad te zullen spreeken, stellende zijn Ed: derhalven voor, om twee nieuwe vaandels te laten maaken, en daar eenig toepasselijk de vies en zinnebeeld ^en dan deselve niet gecommitteerden in te laten schilderen ^ aan die hoogheijd te doen behandigen, waarmeede zig de leeden quaamen te Confirmeeren /:onderstond:/ Macassar dato voors: /:was getekent :/ J: D: V: Clootwijk, B: Petzold, S: winckelman, G: C: Meurs en C: Jacobs /:ter zijde :/ mij present /:get:/ H: Burggraaf secret:s /:onderstond:/ Accordeert /:getekent:/ H: Burggraaf Naar het gebed, gaf de gouverneur te kennen de leeden ten principaal geconvoceerd te hebben, ten eijnde te communiceeren, een periode uijt de duplicaat secrete brieff haarer hoog Edelheedens, in dato 8. e aug„o Jongst met den burger Leendert Coendertsz hier aangebragt, waar bij Haar Hoog Edelheedens hebbe gelieven kennisse te geven, van hoogstgem: haare Hoog Edelhedens besluijt, om den alhier in detentie zijnde Boutonse Sia„ „bandhaar, voor de teijd van 50. Jaaren naar Cabo de goede hoop te relegeeren, en ten dien eijnde deselve van hier in goede versekeringe te laten opkomen, en wel met een schip 'te geene haare hoog Edelheedens nader stonde te senden, waar bij het scheen dat haare Hoog Edelheedens in de verwagtinge zijn geweest, dat het Jagt schip D' Adriana. reets van hier zoude gedepecheert wesen, maar nademaal Evengem: bodem binnen korte dagen Eerst stond te vertrekken, so proponeer„ „de zijn Ed: voorn: Siabandhaar daar mede te versenden, dog om alle gerugte daar omtrent bij den inlander voortekomen, en so veel doenlijk in stilte te verrigten, den zelven wanneer gem: bodem stond te zeijlen, 't zij des avonds met Maandag den 22. ' September 1755. Des morgens ten half negen uuren alle Present. — Secreete Resolutie genomen in Rade van Politie ten Cas„ „teele Rotterdam tot Macasser Secreete het
English
From Macassar, dated 8 October 1755. — From Macassar, dated 8 October 1755. the closing, or in the morning with the opening of the gate, to have them brought from the jail on board by a couple of soldiers, which was approved by the members. After which His Honour further communicated a subsequent passage from the aforementioned secret letters, whereby Their High Noble Excellencies had been pleased to approve considering what occurred on Bouton as a matter of the past, and to readmit the Boutonese into the alliance, with a renewal of the contracts of the year 1667, and such amplifications as Their High Noble Excellencies had been pleased to add thereto (though which, because the original of the aforementioned secret letters was to be expected with the burgher Reijkhuijsen, had not yet been received), and on that ground likewise approved appointing the senior merchant and second, the Honourable Cornelis Sinkelaar, and military captain Jan Casper Reijsweber, in order to renew the contracts with the king and grandees there. His Honour thus considered it best to put this into effect as soon as the said Reijkhuijsen should arrive with the original papers, in order still to be able to inform Their High Noble Excellencies of the outcome thereof with our autumn dispatches. And thereupon, the members, and first the senior merchant and second, the Honourable Cornelis Sinkelaar, being asked for their advice, he answered that he was fully prepared to obey the respected orders of Their High Noble Excellencies with all zeal, but was of the opinion that, since the king and grandees of Bouton had promised to send envoys hither, and these having not yet arrived, it would be with much more honour and respect for the Honourable Company if the Boutonese themselves came to request it first, as they had promised both through the interpreter Pieter Bartelsz and in their own letter, and one ought therefore to wait some time yet to see if their envoys might still appear, whereas otherwise, if they were first sought out thereto by the Honourable Company, it would appear not only to their people, but even to those of Bonij and Goa, as if the Honourable Company was currently at a loss regarding the matter; but if the said envoys did not come, then to execute the orders of Their High Noble Excellencies as soon as possible. With which the other members concurring, it was resolved to wait some time yet for the Boutonese envoys and in the meantime secretly urge the king of Bonij to encourage those of Bouton to send envoys, and to notify Their High Noble Excellencies of this taken decision in a separate letter. Furthermore, it having been reported by the junior merchant and pay bookkeeper Ian Hendrik Voll (who had arrived a few days ago from collecting the tithes in the northern provinces, as in Sodiang and some other places the paddy had not yet been cut, and he had therefore had to wait for it, but was now to depart thither again) that the king of Bonij and Datou Soping had repeatedly virtually forced upon him that they wished to assist him with men and arms when he should collect the tithes in Sodiang, under the pretext that they had heard by rumour that the Macassars would not permit Sodiang to be tithed, and it was to be feared that by these offered auxiliary troops, instead of assisting when need required it, troubles and unrest would rather be caused, and he therefore wished rather to be excused therefrom, the more so as he did not foresee such great danger, but on the other hand feared that if he were to refuse it outright, the king of Bonij might conceive some suspicion from it. Thus, after deliberation thereupon, it was approved to let the said Voll depart tomorrow before daybreak, and then, through the emissary Daeeng Mangelaij, to excuse himself to the king of Bonij and Datou Sopeeng, stating that he could not avail himself of the offered assistance at present, since he had been ordered by the lord Governor to depart thither immediately, and then merely to hasten with the collection of the tithes in Sodiang, so as to have completed the work before those people could arrive there. (Below stood:) Macassar, date as above. (Was signed:) J: D: v: Clootwijk, C:s Sinkelaar, B: Petzold, S: Winckelman, G: C: Meurs, J: H: Voll, and C: Jacobs. (In the margin stood:) In my presence. (Was signed:) H: Burggraaff, Secretary. (Below stood:) Agrees. (Signed:) H:k Burggraaf, Secretary. For the favourable contents of Your High Nobles' reverenced missive of 16 September last, I have the honour to express my humble gratitude, and shall not fail dutifully to observe their highly respected orders concerning Pangerang Boeminata, since the Sultan, having now secretly answered my letter, persists in what he said at Salatiga, and considers it more advisable to banish him, if he is not inclined to come to him and place himself under His Highness's protection, rather than to detain him here any longer, the more so as he has shown his faithlessness both to him and to the Company and the Susuhunan. High Noble, Right Honorable, Highly Esteemed Lord and Honourable Sirs! Batavia To His Excellency, the High Noble, Right Honorable, Highly Esteemed Lord Jacob Mossel, General of the Infantry in the service of the state of the United Netherlands, as well as Governor-General on behalf of the same and the Chartered East India Company, and the Honourable Lords Councillors of the Netherlands Indies, &c. &c. Java's East Coast, 17 October 1755.
Dutch transcription
325 Van Macassar onderdato 8. october 1755. — Van Macassar onderdato 8. october 1755. het sluijten, of des morgens met het openen van de poord, door een paar soldaaten, van de tronk naar boord te laten brengen, 't geen door d' leeden wierd g'advoueerd. Waar na zijn Ed: nog communiceerde een nader periode uijt evengem: secrete letteren, waar bij haare hoog Edelheedens hadde gelieve goed te vinden, om het voorgevallene op Bouton, als een gepasseerde zaak aan te merken, en de bou„ „tonders weder in het bondgenoodschap aan te nemen, met vernieuwing der Contracten van het Jaar 1667. , en sodanige ampliatien als haare Hoog Edelheedens daar hadde gelieven bij te voegen /:dog die men mits d' origineele van Evengem: se„ „crete letteren, met den burger Reijkhuijsen te verwagten stond „ nog niet hadde ontfangen:/ en uijt dien hoofde almede goedgevonden, den opperkoopman en secunde d'E: Cornelis Sinkelaar en Capitain militair Jan Casper Reijsweber te Committeeren, ten eijnde de contracten met den koning en rijksgrooten aldaar te vernieuwen so oordeelde zijn Ed: best te zijn, so haast gem: Reijkhuijsen met de origineele papieren zoude g'arriveerd wesen, Effect te laten sorteren, om haare Hoog Edelheedens met onse najarige advijsen, den uijtslag daar van nog te kunnen bedeelen, en daar op de leeden, en voor Eerst den opperkoopman en secunde d'E: Cornelis Sinkelaar derselver advijs versogt zijnde, antwoorde ten vollen bereijd te zijn, aan d' g'Eerde ordres haarer Hoog Edelheedens met alle ijver te obedieeren, dog van advies was, dat nadien de koning en groote van bouton hadde belooft om afgesante naar herwaards te senden, en die nog niet gekomen zijnde, het met veel meer houeur en respect voor d'E: Comp:e zoude zijn, indien de boutonders daar zelfs eerst om quamen te versoeken, gelijk zo met den tolk Pieter Bartelsz:, als bij eijgen brieff beloofd hadde, en men dierhalve nog Eenige teijd diende te wagten, om te sien of hunne gesanten nog mogte komen opdagen, daar het andersints indien door d' E: Comp:e daar toe Eerst aangesogt wierden, het niet alleen bij haarlieden, maar zelfs bij die van Bonij en Goa zoude scheijnen, als of d'E Comp:e thans met d'zaak verlegen was, dog gem: gesanten niet komende als dan de ordres Haar Hoog Edelheedens so haast doenlijk werkstellig te maken, waarmede zig de verdere leede Confirmeerende, so is g'arresteerd, nog Eenige teijd na de boutonse gesanten te wagten en intusschen de koning van Bonij onder de hand aan tesetten, om die van bouton tot het senden van gesanten te animeeren, en van dit genomene besluijt haare Hoog Edelheed:s bij aparte brieff, kennisse te geven. Voorders door den onderkoopman en soldij boekhouder Ian Hendrik Voll /:die voor eenige dagen uijt de verthie„ „ning in de noorder provintien opgekomen was, also op Sodiang en Eenige andere plaatsen de padij nog niet waar gesneden, en derhalven daar na had moeten wagten, maar thans weder derwaarts stond te vertrekken:/ g'adverteerd zijnde, dat de koning van Bonij in datou Soping heen dikmaals als opgedronge hadde, om hem met volk en wapenen te willen adsisteeren, wanneer de verthiening hadde op Relee Rol. 2 „ 327 Van Macassar onderdato 8. october 1755. Van Javas oost Cust den 17. october 1755. op Sodiang soude doen, onder voorgeven, dat zij bij gerugte gehoord hadde, dat de maccassaren niet zoude toestaan dat Sodiang verthiend wierd, en het te vreese was, dat door die aangebodene hulp volkeren in stede van te adsisteeren, wanneer de nood het quam te verEijsschen; Eerder naar moeijlijkheeden en onlusten soude veroorsaakt werden, derhalven liever wenschte daar van ontslagen te mogen wesen, te meer daar soo een groot gevaar niet in voorsag, maar aan de andere kant bedugt was, indien het selve absoluit quam te weijgeren den koning van Bonij daar eenig wantrouwen uijt mogte opnemen so is na deliberatie daar over goed gevonden gem: voll op morgen voor 't aanbreken van den dagh te laten vertrekken, en als dan door den sendeling Daeeng Mangelaij bij den koning van Bonij en datou Sopeeng zig laten Excuseeren, als dat hem thans van de aangebodene adsistentie niet konde bedienen, nadien hem door de heere gouverneur g'ordonneerd was, op staande voet derwaards te vertrekken, en dan zig met de verthiening op Sodiang maar te hoasten, om daar mede gedaan werk te hebben Eer dat volkje daar konde komen /:onderstond:/ Macassar dato voors: /:was getekent:/ J: D: v: Clootwijk, C:s Sinkelaar, B: Petzold, S: winckelman, G: C: Meurs, J: H: voll en C: Jacobs /:ter zijde stond:/ mij present /:was getekent:/ H: Burggraaff secret„s /:onderstond:/ Accordeert /:getekent:/ H:k Burggraaf secretaris Over den gunstigen inhoud uwer Hoog Edelens gereverendeerde missive van den 16. September Jongst„ „leeden, heb ik de eer mijn onderdanige dankbaar„ „heijd te betuijgen en sal niet manqueeren derselver hoog gerespecteerde ordre omtrend den pangerang Boeminata schuldpligtig te observeeren, terwijl den sulthan als nu secreetlijk mijn briefje be„ „antwoort hebbende persisteert bij zijn gesegde op Salatiga, en raadsamer oordeelt denselven, indien dog niet geneegen is tot hem te komen, en zig te begeeven onder zijn Hoogheijds bescherming te relegeeren, als hier langer aan te houden te meer hij so wel hem als de Comp: en den soesoehoenang zijn ontrouw heeft betoont Hoog Edelen, gestrengen, groot Achtbaren Heere en Wel Edele Heeren! Batava Aan zijn Excellentie, den Hoog Edelen, gestrengen, groot Agtbaren Heere Jacob Mossel generaal over d' Jnfanterie ten dienste van den staat der verEenigde Nederlanden, mitsgaders wegens deselve en de g'octroijeerde oost Jndische Compagnie Gouverneur Generaal en de wel Edele Heeren Raaden van Nederlands India &a: &a: Javas En Nol. 28
English
From Java's East Coast, 17 October 1755. From Java's East Coast, 17 October 1755. And since Merchant Coertsz notified me today by a letter from Rembang of the 12th of this month that Maas Said had, since the day before, roamed about and set fires everywhere from the village of Paradessie through the villages of the blandongers, and, as it seemed, proceeding toward Lassum, and that the head loerahs of the aforementioned blandongers had that same morning brought all their water buffaloes to that station under the reach of the artillery in order to be secured; complaining greatly about the cowardice of the Javanese, with which I must truly agree, because they flee not only from him, although he is only 1000 horsemen strong, but even from his patrols wherever they merely appear (as he says), and furthermore, upon receiving a subsequent letter the following day, the 13th, I received the fatal news that Lieutenant Heijdekkers arrived there that day with 40 to 50 Europeans with the report that our army under the command of Captain van de Poll was attacked in the Blora forest by the aforementioned Said or Soeriacoesoema, after the latter had previously been beaten back up to three times and our men had also already captured his baggage, without any further circumstances other than that the enemy, after our cavalry had dismounted from their horses to fight on foot and after their cartridges were spent, attacked them again as they were intending to remount and ran amok with pikes, and that the brave officer van de Poll then fell, I consider it my duty to inform Your Right Honourables of this, though to my painful regret, while I nevertheless await further news regarding the course of the action itself to make a report thereon to Your Right Honourables. This having been prepared thus far, the enclosed account has just reached my hands, to which I refer for the sake of brevity, and from which Your Right Honourables, if you please, will observe that the loss of the aforementioned action is not as great as was initially thought, and that the defeat on our side must principally be attributed to the courage of Commandant van de Poll and to the impassability of the aforementioned forest, and moreover also to the fact that Danoeredja with the natives was still far behind, although the battle was very sharp and fierce on both sides; the loss on the enemy's side being estimated as very great, because he was repulsed and thrown back up to three times as aforementioned, and our men were also already masters of his baggage. Meanwhile, I have immediately communicated this to the Sultan and Major Steenmulder, the latter stationed at Tschiereno in the Soecowattische district to watch for the enemy's retreat southward and to fall upon him with fresh troops and horses, recommending that they be prudent and on their guard, since this defeat will undoubtedly make the said wanderer, who must have fought furiously and desperately, puffed up again and bolder, and because nothing can be detached from here since everything is in the field; and furthermore I have also ordered to Rembang that the troops arrived there, combined with Raden Adepatti Danoeredja, should march back and forth to Tjencalsewoe to await orders there from me or the Major, according to whose letters the death of Pringalaija has caused quite some stir among the Javanese and initially also caused some desertions among them. Captain-Lieutenant Beuman having, according to letters from Rembang received alongside the aforementioned account, already set out again yesterday with Danoeredja and the accompanying natives to join Major Steenmulder. With which I have the honour to be, in all faithfulness and obedience, (was below:) Your Right Honourables' entirely obedient, very humble and faithful servant, (was signed:) N. Hartingh. (In the margin:) Samarang, 17 October 1755. Having had the honour the day before yesterday to receive Your Right Honourables' ever respected secret missive of the 12th of last month, I immediately dispatched a letter in my own hand to the Sultan, in compliance with Your Right Honourables' esteemed intention, regarding the relegation and exile of Pangerang Boeminota, against which I believe he will have no objection, because His Highness, when I spoke to him in the last conference at Salatiga about that prince and made known his unwillingness to submit to the protection of either of the two rulers, already seemed to withdraw his hand from him and say if... To His Excellency, the Right Honourable, Valiant, Highly Esteemed Sir, and Honourable Sirs, To His Excellency, the Right Honourable, Valiant, Highly Esteemed Sir Jacob Mossel, General of the Infantry in the service of the State of the United Netherlands, and, on behalf of the same and the Chartered East India Company, Governor-General, and the Honourable Councillors of the Netherlands Indies, etc., etc. Batavia.
Dutch transcription
329 Van Javas oost Cust den 17. october 1755. Van Javas oostCust den 17. october 1755. En nadien den Coopman Coertsz: mij heeden bij een briefje van Rembang van den 12. deser no„ „tificatie notificeert dat Maas said zedert 'sdaags bevorens van het dorp Paradessie door de Blan„ „dongers negorijen heen, en zo het scheen na Las„ „sum voortgaande al omme gestroopt en brand„ gestigt had, en dat de hoofd=Loeras der blandongers voorsz: dien zelfden morgen alle haare buffels na dat Comptoir hadden afgebragt onder het bereijk van 't geschitt om dus gesecureert te weesen; kla„ „gende zeer over de lachieusiteijt der Jaavanen, waar bij ik mij waarlijk meede voegen, moet, om dat zij niet alleen voor hem, schoon eenlijk 1000. man te paard sterk, maar zelfs ook voor zijne rendels daar die zig maar vertonen /: zo als hij zegt:/ weg„ „vrlugten, en ik wijders daar op bij een nader briefje van 's daags daar aan of den 13 de fatale tijding krijg dat dien dag met 40. â 50. Europeesen daar is aangekomen den Lieutenant Heijdekkers met berigt dat ons leeger onder Commando van den Capitain van de Poll in het blorasche bosch door Said of Soeriacoesoema voorm: angeslagen is na dat dezelve hem alvorens tot driemaal toe had afgeklopt en ook al meester was van zijne bagagie, sonder eenige verdere omstandigheeden meer als dat den vijand, onse cavallerie van't paard gesteegen zijnde om te voet te regten en na dat haar potroonen verschoten hadde, daar op weeder willende stijgen, andermaal er op ingevallen is en met piek amok gespeelt heeft, en dat toen gesneuvelt is den braven officier van de Poll, agt ik het van mijn gehoudenisse Deesen dus verre in gereetheijd zijnde komt mij nog aanhanden het nevens gevoegt relaas, waar toe mij kortheijds halven refereert, en waar uijt uw hoog Edelens des gelievende uw Hoog Edelens daar van hoewel tot mijn smertelijke leetweesen kennis te moeten geeven, terwijl ik nogthans nadere tijding in wagte nopens den toedragt der actie zelfs om uw Hoog Edelens des weegen verslag te doen. Inmiddens heb ik den sulthan en Majoor steenmulder, de laaste geleegen op Tschiereno in het Soecowattische om op 's vyands te rug gte marsch na 't zuijder, te letten, en hem met versch volk en paarden op 't lijff te vallen sulx terstond bedeelt onder recommandatie van voorsigtig en op hoede te weesen, wijl deese nederlag gedagde swerver welke verwoed en desperaat moet gevogten hebben, onge„ „twijffelt weder opgeblasen en stoutmoediger maken sal, en om dat van hier niets af te steeken valt also alles te velde is; en voorts ook na Rembang g'ordonneert dat de aldaar aangekome maatschappen, gecombineert met radeen Adepattij Danoeredja C: L: tot af en aan Tjencalsewoe souden marcheeren om aldaar ordre van mij of den Majoor af te wagten, volgens wiens schrijvens de dood van Pringalaija nog al wat beweeging onder den Javaan gegeven en bij hem in den beginne ook eenige desertie veroorsaakt heeft. sullen ol. uw 331 Van Javas oost Cust den 17. october 1755. Be Van Javas oost Cust den 40. october 1755. sullen b'oogen dat het verlies van bovengem: actie zo groot niet is als men in het eerste abord wel gedagt had, en dat de nederlaag aan onse kant wel ten principale moet werden toegeschreven aan de couragieusiteijt van de Com„ mandant van de poll en aan de inpracticabiliteijt van het bosch voorsz: en daar en boven ook aan dat Danoeredja met d' Jnlanders nog ver agter uijt was, schoon dat wederzijds het gevegt seer scherp en heftig is toegegaan; wordende het verlies van 's vijands zijde heel groot geschat, om dat hij tot driemaal toe so als voren g'al„ „legueert staat is gerepousseert en opgeslagen geworden, en d' onse van desselfs bagagie ook al meester zijn geweest. zijnde den Capitain Lieut: Beuman volgens schrijvens van Rembang, bezijden voorsz: relaas ontfangen gisteren reets weder net Danoeredja en bij hebbende inlanders opgebroo„ „ken om met den Majoor Steenmulder te conjungeren. Waar mede de eer heb in alle trouw en onderdanigheijt te zijn /:onderstond:/ uw Hoog Edelens gansch gehoorsame, zeer onderdanige en trouwschuldige dienaar /:was getekent:/ N„s Hartingh /:in margine:/ Samarang den 17. october 1755. — Eergisteren de eer gehad hebbende te recipieeren uw Hoog Edelens altoos gerespecteerde secreete missive van den 12. ' der voorleede maand heb ik immediaat ter voldoening aan der„ „selver hoog g' Eerde intentie een eijgenhandig briefje aan den sulthan afgevaardigt over de relegatie en versending van den Pangerang Boemi„ „nota, waar tegens ik geloof dat niets hebben sal, om dat zijn Hoogheijd, toen ik hem in de laaste conferentie op salatiga over dien prins spreekende te kennen gaf desselfs ongeveegentheijd om zig te begeeven onder de bescherming van een van beijde de vorsten, de hand al als van hem scheen af te trekken en te zeggen indien Hoog Edelen, gestrengen, groot Achtbaren Heere en wel Edele Aan zijn Excellentie, Den Hoog Edelen gestrengen groot Agtbaren Heere Jacob Mossel Generaal over d' Jnfanterie ten dienste van den staat der vereenigde Nederlanden, mitsg„s weegens deselve en d' g'octroijeerde oost Jndische Comp: gouverneur generaal en de wel Edele Heeren Raaden van Nederlands Jndia &:a &:a Batavia Javas zelfs ƒ Nol. 28 Heeren
English
From Java's East Coast, the 10th of October 1755. From Java's East Coast, the 10th of October 1755. does not even wish to, then he may leave it and fare well; but I shall await the answer of His Highness to this and, upon receipt, dutifully communicate the same to Your Right Honorables; you may in the meantime be persuaded that no closer eye could be kept on that prince than I keep on him, since he has his residence as it were below my garden and, on ordinary audience days, also comes to present himself to me alongside other regents and native chiefs, so that he will not be able to undertake any mischief. For the arrest of the second regent of Griessee, Tommogong Poespanagara, with his son, and the appointment of the Jngabeij Tirta diredja in his place, I have also immediately dispatched the necessary orders to the resident Breton, who I do not doubt will, according to my command, proceed in that matter with the utmost circumspection and prudence. The same has completely cleared the Cadirische district and driven singosarie out of the oeloedojosche mountains toward Malang, whither, alongside his children suffering from smallpox, wieranagara, who again made a promise to seize him and hand him over to the Company, took his retreat in that condition; but how far he will fulfill that, time will tell, although he requested the aforementioned Breton not to be fearful of that, since he had already received orders for his capture from me and the pangerang of Madura, which last-mentioned I have moreover requested to dispose the said wieranagara to that exchange by the dispatch of two prominent mantries. In the meantime, the repeatedly mentioned Breton set out on the 13th last from Cadirie for Madion in order to make the Madurese advance further from there to Cadoean and Patjitan against Soeria Coesoema, who has been driven out of the southern mountains by our forces and no longer has any permanent place, roaming now here, now there, and presently again in the Loecowatische, where Major Steenmulder and Captain van de Poll are pursuing him in two detachments. The first-mentioned also recently found his state chair or supposed throne near Cabloegan in the Cadoeangsche forest, from which it may be inferred that he must be in great distress; nevertheless, he still had the audacity to ask the Soesoehoenang what his pleasure was regarding his person and afterwards even to request prominent emissaries, whereupon this monarch had him told that if he wished to come it was well, and if not, that he should expect no further writings nor emissaries from him, except only his brother Timor, if he still placed any trust in His Highness. Two of his mantries, by name Poepa dirono, being a son-in-law of his deceased second minister Djojodipoero, and Soemo Juda, have submitted to the Sultan in the Mattarm, where he presently keeps his residence on goenong gamping, which place His said Highness has now rechristened with the name of wonohidi, which is as much as to say a wild and overgrown place that has been made into a level and pleasant plain; and the grounds that his court actually occupies with the name of Caratong Passarahar, meaning a resting place, with the request that it might henceforth be known as such in the Company's letters and papers. DJajawinata, who was detached by the Sultan to the southern mountains with a force of three hundred men, having engaged in battle there with a party of soeria coesoema, of whose side seven men remained on the battlefield, four horses were captured, and several pikes and krisses with 2 muskets were taken as booty, and on the other hand, on our or tommogong DJajawinatas side, only one man was wounded. I being just now informed that Major Steenmulder saw and was on the trail of the frequently mentioned wanderer on the morning of the 3rd of this month, but that he slipped away from him again due to the heavy rain, which made his pursuit impossible; giving our armies at present as much work as they can handle merely to observe and pursue him, because he eludes them everywhere and flies before them like a bird with such speed that one often neither knows nor can hear where he is, as Your Right Honorables will very easily be able to realize if you will only consider that in the span of six days he has virtually crossed the entire Island back and forth twice, from the southern mountains via Campa, Matjanang, Sangra, Bollo, and Erbo to Seseelo, and from there via Cattagoean, AssemRoedoe, Matjanang, and Catjitan, and so vice versa back to the coast, where a raiding party in passing set fires along Coedus and Pattij; nevertheless, Your Right Honorables may rest assured that there is no slumbering nor is a minute or moment neglected to master the said soeria coesoema, whether dead or alive; the armies are doing their best to that end and march tirelessly after him, although it costs horses, but the men still remain healthy, which is a blessing. At this moment the Soesoehoenang directly informs me of the death of Radeen Adepattij Pringalaija at Cartasana, and that in his place, to serve as a head with the armies and not leave them at a loss, he has provisionally appointed the eldest regent Manco Judo from the Cadoe as commander-in-chief, without however appointing another.
Dutch transcription
333 Van Javas oost Cust den 10. october 1755. Van Javas oost Cust Den 10. october 1755. zelfs niet wil dan kan hij 't laten en welvaren; dog ik zal hier op het antwoord van zijn Hoogheijd te gemoet zien en ontfangst uw Hoog Edelens het zelve schuldpligtig bedeelen; kunnende ondertusschen gepersuadeert zijn dat er niet wel nauwer oog op dien prins kan gehouden worden als ik op hem houde, dewijl hij als onder mijn thuijn zijn wooning heeft en op de ordinaire audientie dagen ook, nevens andere regenten en inlandsche hoofden, zig bij mij vertonen komt, des hij geen quaad sal kunnen onder„ „neemen. tot arresteering van den tweede regent van Griessee Tommogong Poespanagara met zijn zoon, en aanstelling van den Jngabeij Tirta diredja en desselfs plaatse, heb ik meede op stonds de noodige ordre g'expedieert aan den resident Breton, die ik niet twijffele of zal, volgens mijn bevel, daar omtrent met de uijterste om= en voorsigtigheijd te werk gaan; Denselven heeft het Cadirische district geheel en al gesuijvert en singosarie uijt het oeloedo„ „josche gebergte verjaagt na Malang, wer„ „waarts nevens zijne kinderen aan de kinderziekte laboreerende hae wrranaara weere belofte ner toestand de retracte genomen heeft ^ gedaan van hem op te zullen vatten en aan de Comp:e over„ leveren, dog in hoe verre hij daar aan sal voldoen, sal de tijd leeren, schoon hij aan voorsz: Breton versogt heeft daar voor niet bevreest te willen zijn, vermits tot zijne opvatting reets ordres ontfangen had van mij en den pangerang van Madura, welk laastgem: ik boven dien, nog heb versogt om ged:e wieranagara door d' afzending van twee, voor„ „name mantries tot die uijtwisseling te dispo„ Ondertussen is meerm: Breton den 13:' Jongstleeden van Cadirie na Madion opgeboooken om de Madureesen van daar verder na Cadoean en Patjitan te doen op rukken tegens Soeria Coesoema, die door d' onse uijt het zuijder gebergte verdreeven is en geen blijvende plaats meer heeft, swervende dan hier, dan daar en tegen„ „woordig weeder in 't Loecowatische, alwaar den Majoor Steenmulder en Capitain van de Poll hem in twee partijen na zijn; Eerstgem: heeft ook onlangs bij Cabloegan in het Cadoeangsche bosch zijn statie stoel of gewaande throon op ge„ „daan, waar uijt af te leijden is dat denselven in groote naarheijd weesen moet, des niet tegenstaande heeft hij nog evenwel de stout„ „moedigheijd gehad van den Soesoehoenang te vragen hoe desselfs welbehagen was over zijn persoon en naderhand zelfs zendelingen van naam te versoeken, waar op desen vorst hem heeft laten zeggen dat zo hij komen wilde het wel was, en so niet dat hij geen schrijvens meer nog zendelingen als eenlijk zijn broeder Timor van hem, indien nog eenig vertrouwen in zijn Hoogheijd stelde, verwagten zouden. Bij den sulthan hebben zig twee zijner mantries in name Poepa dirono, zijnde „neeren. van een Nol. 28 G 335 Van Javas oost Cust den 10. october 1755. Van Javas oost Cust den 10. october 1755. — een schoonzoon van desselfs overleede twede mi„ „nister Djojodipoero, en Soemo Juda onderworpen in de Mattarm, alwaar thans zijn residentie houd op goenong gamping, welke plaats ged:e zijn Hoogheijd nu herdoopt heeft met de naam van wonohidi, het geen so veel seggen wil als een wild en woest bewassene plaats, die tot een effe en aangenaame vlakte gemaakt is; en het terreijn, dat eijgentlijk zijn hoff beslaat, met de naam van Caratong Passarahar, beteekenende een rustplaats, met versoek dat die voortaan dusdanig bij 's Comp„s brieven en papieren mogt worden bekent gestelt. zijnde DJajawinata, welke door den sulthan na 't zuijder gebergte is gedetacheert, geweest met een magt van drie hondert koppen, aldaar slaag geweest met een parthij van soeria coesoema, van wiens zijde seven man op het slag veld gebleeven, vier paarden verovert en verscheijde pieken en krissen met 2. snaphanen buijt gemaakt zijn, en daar en tegen aan onse of tommogong DJajawi„ „natas zijde eenlijk een man gequest ge„ „raekt is. — wordende ik so opstonds g'informeert dat den Majoor Steenmulder meermelten Swerver den 3:e deser 's morgens heeft gesien en op het spoor gehad, dog dat hij hem weder is ontslipt door de sterke reegen, die zijne vervol„ „ging ondoenlijk maakte; gevende onse leegers tegen„ „woordig so veel werk als zij afkunnen om hem zo immediaat bedeelt den soesoehoenang mij de dood van Radeen Adepattij Pringalaija tot Cartasana, en dat hij in desselfs plaats om bij de leegers een hoofd te doen zijn en die niet verleegen te laaten p:l tot veldheer heeft aan„ gestelt den oudsten regent Manco Judo uijt de Cadoe, sonder nogthans weeder een ander maar alleen te observeeren en na te Jagen door dien hijze over al ontwijkt en vogels vlugt voor deselve heen trekt met sulken snelheijd dat men meenigmaal niet weet nog te hooren krijgen kan waar of denselven is, gelijk uw hoog Edelens seer ligt sullen kun„ „nen bezeffen als maar eens gelieven na te gaan, dat hij in de tijd van ses dagen genoeg„ saam het ganse Eijland tweemaal over en weer is gekruijst, uijt 't zuijder gebergte over Campa, Matjanang, Sangra, Bollo en Erbo na Seseelo, en van daar over Cattagoean, AssemRoedoe, Matjanang en Catjitan en so vice versa weder na de strand, alwaar een stropende parthij empassant langs Coedusen Pattij brand heeft gestigt; egter gelieven uw Hoog Edelens verseekert te weesen dat 'er niet gesluijmert nog een minuut of ogen„ „blik versuijmt word om ged:e soeria coe„ „soema het zij levendig of dood meester te worden; de leegers doen daar toe hun best en marcheeren onvermoeijt hem na, hoewel het paarden kost, dog het volk blijft nog gesond, het welk gezeegend is. maar tot fol. 2
English
From Java's East Coast, 10 October 1755. From Coromandel, 24 August 1755. Coromandel to propose to me as administrator of the realm, regarding which I believe that His Highness is just as embarrassed as I am, but as soon as he proposes someone for this purpose, I shall have the honor of dutifully presenting them to Your Right Nobilities, and in the meantime remain with the utmost high esteem in all loyalty and submission, below stood, Your Right Nobilities' entirely obedient, very humble and dutiful servant, was signed, N:s Hartingh, in the margin, Samarang, 10 October anno 1755. We have found ourselves highly honored by Your Right Nobilities' much-respected secret letter in duplicate dated 5 June of this year, and will, in accordance with the honored order contained therein, make no further attempts to reoccupy Mazulipatnam; on the contrary, sworn affidavits have been drawn up regarding what took place in that regard; just as there is moreover to be formed a general and clear description of all that has happened since the French appeared before Mazulipatnam and subsequently took that place, etc., and as soon as those papers are brought into readiness, the same will, to the Gentlemen Masters and Your Right Nobilities Right Noble, Highly Respectable, High-Commanding Lord, and Right Honorable Gentlemen! Batavia To His Excellency The Right Noble, Highly Respectable Lord Jacob Mossel General of the Infantry in the service of the State of the United Netherlands, also on behalf of the same and the East India Company, Governor General, and the Right Honorable Lords Councillors of the Netherlands Indies. Vol. 28 From Coromandel, 24 August 1755. From Malabar, 19 July 1755. be sent in separate bundles; in the meantime, may Your Right Nobilities please be assured of our exerting efforts to satisfy the demands of the Mazulipatnam textiles, regarding which all industry and attentiveness will be used, and a further report of everything in that regard is to be made with the Eendragt, by those who have the high honor to call themselves with the deepest veneration, below stood, Right Noble, Highly Respectable, High-Commanding Lord and Right Honorable Gentlemen, lower, Your Right Nobilities' humble and obedient servants, signed, S:n Vermont and J:n V:n Teijlingen, in the margin, Nagapatnam in the Castle, 24 August 1755. Malabar In the separate letter of 24 March of this year written by me and the late Secunde Bowijn, it was brought to Your Right Nobilities' knowledge that Tekkenkoer and Berkenkoer kept themselves in a good posture of defense and by their conduct prevented Trevancoor for the time being from making any further progress, but these affairs have since taken another turn again, because the places Pripose and Wallarimangalam, along with other stockades and earthen fortifications, as well as some vessels with heavy artillery that Berkenkoer kept cruising on the rivers, have been overpowered and taken from Berkenkoer by the Trevancoreans; also Tekkenkoer has the stronghold which he, according to our aforesaid letter, built at a place in his realm named Managoenattoe and with Christians, Right Noble, Severe, Highly Respectable, and Far-Commanding Gentlemen! To His Nobility, The Right Noble, Severe Lord Jacob Mossel Governor General, and The Honorable Lords Councillors of the Netherlands Indies Batavia some Vol. 2
Dutch transcription
337 Van Javas oostCust den 10. october 1755. Van Cormandel den 24. Augustus 1755. Cormandel tot rijksbestierder aan mij voor te dragen, waar omtrent ik geloof dat zijn Hoogheijd so wel verleegen is als ik, dog zo dra denselven daar toe iemant proponeert sal ik de eer hebben die meede aan uw Hoog Edelens schuld„ pligtig voor te stellen en intussen met de uij„ terste hoog achting in alle trouw en onderda„ nigheijd verblijven /:onderstond:/ uw Hoog Edelens gantsch gehoorsamen, zeer onderdanigen en trouwschuldigen Dienaar /:was getekent:/ N:s Har„ tingh /:in margine:/ Samarang den 10. october a„o 1755. — Wij hebben ons hooglijk vereerd gevonden met uw Hoogh Edelhedens veel gerespecteerde se„ „creete missive in duplo gedateerd 5. Juny deses Jaars, en zullen volgens d' geeerde ordre daar inne vervat, geen verdere tentamen tot het reoccupeeren van Mazulipatnam doen; Jn tegendeel heeft men b'eedigde attestatien wegens Het voorgevallene dien aangaande laten beleggen; zoo als daar en boven ook staat geformeerd te werden een Generale en duijdelijke beschrijvinge van alle het gebeurde zederd dat de Francen zig voor Mazulipatnam vertoond en vervolgens die plaats ingenomen hebben ensz:, zul„ „lende zoo dra die papieren in gereedheijd zijn gebragt, dezelve, de Heeren Meesters en uw Hoogh Edelhed:s Hoogh Edele groot Agtbare Hoogh gebiedende Heer, en wel Edele Heeren! Batavia Aan zijn Excellentie Den Hoog Edelen groot Agtbare Heere Jacob Mossel Generaal over de Jnfanterije ten dienste van den staat der vereenigde Nederlanden, mitsg„s wegens dezelve en de oost Jndische Compagnie Gouverneur generaal, en de wel Edele Heeren Raden van Nederlands India ol. 28 339 Van Cormandel den 24. Augustus 1755. Van Mallabaar den 19. Julij 1755. in aparte bondels toegezonden worden; onder„ „tusschen gelieven uw Hoogh Edelhedens verzekerd te wezen van onze aanwendende devoiren om de Eijsschen van Mazulipatnamse Lijaten te zoldoen, waar omtrend alle industrie en oplettendheijd zal werden gebruijkt, en staat nader verslag van alles dien aangaande met de Eendragt gedaan te werden, door die de hooge eere hebben zig met de diepste veneratie te noemen. /onderstond:/ Hoog Edele groot Agtbare Hoog gebiedende Heer en wel Edele Heeren /. /:lager:/ uw Hoogh Edel„ „hedens onderdanige en gehoorsame dienaaren /:getekent:/ S:n Vermont en J:n V:n Teijlin„ „gen /:in margine:/ Nagapatnam in't Casteel den 24. Augustus 1755. — Mallabaar In d'aparte briev van den 24:e maart deses Jaars door mij en den overleden Secunde Bowijn geschreven, is uw Hoog Edelhedens ter kennis gebragt, dat Tek=en= Berkenkoer zich in een goede postuur van defensie hielden en door hun beleid Trevancoor beletteden voor eerst eenige verdere progressen te maken, dog dese zaken hebben zedert weder een andere keer genomen, also, door de Trevancoorsen van den Berkenkoer de plaatsen pripose en wallarimangalam nevens andere paggers en aarde sterktens als mede eenige vaartuijgen met grof geschud, die Berkenkoer op de rivieren hield kruissen, overmeestert en genomen zijn, ook heeft Tekkenkoer de vastigheijd, die hij volgens onsen voorsch: briev, op een plaats in zijn rijk Managoe„ „nattoe genaamt, gebouwd en met Christanten, Hoog Edele Gestrenge, Groot Agtbare, en wijdgebiedende Heeren! Aan sijn Edelheijd, Den Hoog Edelen gestr: Heer Jacob Mossel Gouverneur Generaal, en D' Edele Heeren Raden van Nederlands India Batavia eenige Nol. 2
English
From Mallabaar the 19th of July 1755. which had been occupied by some foreign Europeans and mestizos, was lost and had to be surrendered to Trevancoor. Following this, due to a lack of money and the promised assistance from the other Malabar princes, the troops that Tekkenkoer had under arms sought their own safety, and practically all the lower lands of these two kingdoms have fallen into the power of Trevancoor. Meanwhile, the King of Tekkenkoer now roams about here and there and in vain urges Cochim and others for help and assistance. The Tekkenkoer and Berkenkoer princes are staying with some nayars in the highlands to await the further outcome there. Subsequently, the Trevancoor nayars have penetrated deeper into the territory of Cochim and have advanced as far as Tekkenparoe and Tripontarre, situated not far from Angecaijmaal, and have burned down or leveled to the ground the bazaar of Candanattij, where the Syrian Bishop resides, several Syrian and other churches, as well as several royal residences of the King of Cochim. All of this occurred without the slightest resistance, so that now almost all the southern lands of Cochim have been brought under the obedience of Trevancoor. On the outer side, the Trevancoor forces lie almost as far as Castella, and on the inner side of the river as far as Tripontarre. The capture of all those lands in Cochim territory occurred very quickly and without much noise, as most people had already retreated to the north with their principal belongings, and not the least resistance was offered by anyone. The family of the King of Cochim has also long since retreated to the north for safety, and it is certain that no one will put up a fight against Trevancoor, even if he wished to push through immediately to make himself master of the entire kingdom of Cochim, Paroe, Mangattij, Cranganoor, and everything lying around them. Although they could have accomplished a great deal for defense and even for their preservation by a resolute decision, the laughable irresolution and inactivity of the Malabars is without equal, and all the movements they have made with their assemblies and consultations have come to nothing, as is now apparent from the records. The houses are mostly burned down and the inhabitants have fled, so that it looks very wretched and desolate on that side. The poor people who remained are forced to work without pay for the conqueror, and in addition to provide their own food for as many days as they must labor. At Baijkam, Chertalle, Motton, and several other places in the Cochim territory, the King of Trevancoor has had palisade stockades erected, and his vessels cruise everywhere, so that not a single vessel of Cochim can pass or repass Tekkenkoer. I have frequently pointed out his true interests to His Highness of Cochim and advised him to consider serious means for his preservation, but, Right Honourable Sirs, I can gain nothing at all from His Highness, and the other princes also remain just as indolently inactive, contenting themselves with reminding me of the melancholy state of their affairs and requesting that the Company, following the example of former times, use its power to restore peace and tranquility to Mallabaar. Thus everything seems to conspire to pave a way for Raja Trevancoor to achieve supremacy over the whole of southern Mallabaar, unless the course of affairs should be reversed by some unforeseen contingencies. These events have long been foreseen, but who could have believed that the Malabars would have left the door open to it themselves through such shameful cowardice. The Tambaan requested a meeting with me at the beginning of this month, which I granted him, on which occasion he pointed out to me the bad state of the Kingdom of Cochim and, at the conclusion of his discourse, indicated that he was inclined to unite with the King of Cochim in order to preserve the kingdom from its ruin by that means; that he would gladly renounce all his former pretensions and be content to live as a Tambaan. Since the evil has now worsened to such an extent that the King of Trevancoor no longer attacks the Kingdom of Cochim under the pretext of supporting the just cause of the Tambaan, but has cast off that mask and is waging war directly against Cochim on the grounds that His Highness acted hostiley against Trevancoor, it is also to be expected that Trevancoor will not turn its arms away from the Kingdom of Cochim even if the Tambaan and the King settle their disputes amicably. Furthermore, the Tambaan is so deeply involved with Trevancoor that there is believed to be reason to suspect his good faith in conducting matters of such a nature as this. For this reason, I only answered the Tambaan that if he could bring it about that, through his intended reconciliation with the King of Cochim, His Highness of Trevancoor would cease making war on this kingdom, I would do everything in my power to bring about an enduring friendship between him, the Tambaan, and the King, with which he departed under promise of
Dutch transcription
341 Van Mallabaar den 19. Julij 1755. Van Mallabaar den 19. Julij 1755. eenige vreemde Europeesen en mixtiesen bezet had, verloren en aan Trevancoor moeten overgeven, waar op door manquement van geld en het beloofde secours van de andere mal„ „labaarse vorsten nog gevolgt is, dat de man„ „schappen die Tekkenkoer onder de wapens hadden, een goed heen komen gezogt hebben en genoeg„ „zaam alle de beneeden landen van dese twee rijken inde magt van Trevancoor geraakt zijn, ter„ wijl den koning van Tekkenkoer nu hier en daar rond swerft en te vergeefs bij Cochim en anderen om hulp en bij stand aanhoud; de Tekkenkoerse en Berkenkoerse princen houden zich met eenige nairos in de bovenlanden op, om daar den verderen uijtslag aftewagten; Vervolgens zijn de Trevancoorse nairos dieper in het Cochimse gedrongen en tot Tek„ „kenparoe en Tripontarre niet verre van angecaijmaal gelegen genadert, en hebben de basar van Candanattij, daar de Soriaanschen bisschop zijn verblijf heeft, verscheijde Siriaanse en andere kerken als mede verscheijde koning„ „lijke verblijf plaatsen van den Cochinder ver„ „brand of tot den grond toe geslegt, en dit alles sonder de minsten tegenstand, so dat nu meest alle de zuidelijke landen van Cochim onder de gehoorzaamheijd van Trevancoor gebragt zijn. Na de buijten kant legt het trevancoers volk schier tot bij Castella en na de binnenkant van de rivier tot Tripontarre; D' inneming van alle die landen in't Cochimse is zeer schielijk en sonder veel geraas toegegaan, door dien de meeste met hunne voornaamste effecten reeds na de noord geweken waren, en door niemand de minste tegen„ „stand geboden is; hebbende de familie van den koning van Cochim zich ook al over lang na de noord in zekerheijd begeven, en 't is zeker, dat zich niemand tegens Trevancoor zal te weer stellen, schoon hij aanstonds wilde doordringen, om zich van't geheele Cochimse rijk, Paroe, Mangattij, Cranganoor en alles wat daar om her legt, meester te maken, hoe wel zij door een cordaate resolutie zeer veel tot defensie en zelv tot hun behoud hadden kunnen effectueren, dog de lachieuse irresolutie en activiteijd van de Mallabaren De huijsen zijn meest verbrand en de inwoonders gevlugt, so dat het aan die kant zeer ellendig en desolaat uijtziet, de arme menschen, die gebleven zijn, werden gedwongen sonder loon voor den overwinner te werken, en daar en boven hun eijgen kost te besorgen voor so veele dagen als ze moeten arbeijden; Op Baijkam, Chertalle, Motton, en verscheijde plaatsen meer in het Cochimse heeft den Trevancoor paggers van Palissaden laten ophalen en zijne vaartuijgen kruissen over al, so dat er geen een vaartuijg van Cochim Tekkenkoer passeren of repasseren kan; op e 345 Mallabaar den 19. Julij 1755. Van Van Mallabaar den 19:' Julij 1755. — is sonder weergade en alle de bewegingen, die zij met hunne bij een komsten en raadple„ gingen gemaakt hebben, zijn op niets uit gevallen, gelijk nu bij de stukken blijkt; ik heb zijn Cochimse hoogheijd meenigmaal zijn waare belangens voorgehouden en geraden om op Serieuse middelen tot zijn conservatie verdagt te zijn, maar Hoog Edele Heeren! ik kan op zijn hoogheijd in 't geheel niets winnen en d' overige vorsten blijven ook even indolent zitten; zich vergenoegende met mij de me„ „lancolijken toestand hunner zaken te erin„ neren en te verzoeken, dat de Comp:e na het Exempel van den voorigen tijd haar magt wilt emploijeren, om de mallabaar in rust en tranquiliteijt te herstellen; so dat alles schijnt zamen te lopen, om ragia Tre„ „vancoor een weg te bannen tot de superioriteijt over geheel zuijder mallabaar, ten waare door eenige onvoorziene toevallen den loop der zaaken mogt werden omgewend; Men heeft dese gebeurtenissen al lang voorzien, dog wie zoude hebben kunnen geloven, dat de Mallabaren door so een schandelijke lafhertigheijd de deur daar toe zelv zouden open„ „gelaten hebben; Den Tambaan heeft mij in 't begin van dese maand, om een ontmoeting versogt, die ik hem heb g'accordeert, bij welke gelegent„ heijd bij mij den slegten toestand van 't Cochimse Rijk voorhield en tot slot van zijn discours te kennen gaf genegen te zijn om zich met den koning van Cochim te vereenigen, om langs dien weg het rijk voor zijn ondergang te behoeden, dat hij gaarne van alle zijne voorige praetensies zoude afzien en te vreede zijn als Tambaan te leven; Nademaal nu het kwaad so verre verergert is, dat den koning van Trevancoor het rijk van Cochim niet langer attacqueert onder 't pretext van de goede zaak vanden Jambaan voortestaan, maar dat masker heeft afgeworpen en Cochim direct den oorlog aandoed, om reden dat zijn Hoogheijd vijandelijk tegens Trevancoor g'ageert heeft, so is ook nategaan, dat Trevancoor zijn wapens van het Cochimse rijk niet zal afwenden, schoon den Tambaan en den koning hunne differenten in der minne bijleggen, behalven dat den Tambaen so diep met Trevancoor g'engageert staat, dat men meent reden te hebben, om zijn goede trouwe in het ht verhandelen van zaken van zodanige natuur als dese suspect te houden; weshalven ik den Tambaan alleen heb g'antwoord, dat indien hij konde bewerken, dat door zijn voor„ „genomen versoening met den koning van Cochim, zijn Trevancoorse hoogheijd wilde cesseren met dit rijk te b'oorlogen, ik al mijn vermogen zoude in't werk stellen, om een duurzame vriendschap tusschen hem Tambaan en den koning te weege te bren„ „gen, waarmede hij vertrokken is onder belofte te van ƒ
English
From Malabar, 19 July 1755. to do his best to persuade the King of Trevancoor thereto. Meanwhile, I intend to confer with the Trevancoor regarding the proposal of the Tambaan and to try whether it will be feasible to preserve the Cochin kingdom from total ruin, in the trust that this will square with Your High Excellencies' intention. The first and oldest Tambaan passed away on the 9th instant. The Trevancoor general Dellawa has himself, by an ola from his master... was dispersed in several places, while everyone waits to see what it will undertake further. His Trevancoor Highness has also communicated to me by an ola that the Mysore or Mughal commander of Pandij, accompanied by English forces, had arrived at Tiroenawelij, situated on the borders of Trevancoor, and His Highness did not know whether his designs were aimed at his lands situated in Pandij; that the English commander of Ansjenga had written a letter about this to the Mughal commander; and His Highness had meanwhile resolved to defend what was his. Concerning this, I received a further ola from the general Dellawa, reporting that the aforementioned Mughal commander and the English had retreated again, although daily rumors have it that those of Pandij had besieged a stronghold of Trevancoor. By the general letter that is now being sent over, it is known that four Danish gentlemen are staying at Colletje, and I believe that they are the same ones of whom the King of Trevancoor informed me by ola that they were deputed on behalf of their Company to settle some outstanding matters from earlier days, and at the same time to obtain permission to establish a factory and conduct trade in the kingdom of Trevancoor, just as His Highness, as further proof of the intention of the Danes, communicated to me a letter written by the Governor of Trangabaar to Trevancoor on that subject, which is annexed hereto for the consideration of Your High Excellencies. Meanwhile, I replied to the aforementioned olas that I was pleased that His Highness's enemies had retreated, and remarked thereon that His Highness was now experiencing how little reliance can be placed on foreign Europeans. At first glance, it seems strange that the English joined the Mughal commander against Trevancoor, the more so because no estrangements between Trevancoor and this European nation have been heard of. However, I am quite inclined to believe that the English, having been informed of the contract that was recently concluded between us and Trevancoor, and perceiving that pepper was consequently no longer brought to them in such abundance as previously, availed themselves of this opportunity to intimidate Trevancoor and, as it were, oblige him to serve their nation better with the products of his country. Although I am not positive in this, I note this merely as a conjecture. I thanked His Highness for that communication and gave him to understand in brief terms that we were confident that His Highness, being fully inclined to fulfill the contract, will grant nothing to the Danes that would be contrary to it. Thus far I have made known the transactions of Trevancoor with others; now I shall also briefly report how matters stand between us and His Highness. We informed Your High Excellencies in the aforementioned separate letter of 24 March past that the King of Trevancoor was very slow regarding the pepper in answering the expectations of Your High Excellencies and ourselves; that we flattered ourselves, however, that the deficit of the past would be made up in the present year, and that we would confer with His Trevancoor Highness about this. I have also done this through several olas, and received as an excuse each time that the troubles of the war impeded the pepper delivery, but that the stipulated quantity according to the contract would nevertheless be delivered to the Company, with the request that the Company in the meantime might please assist His Highness with the promised ammunition. I nevertheless refused this in a polite manner, pointing out that the Company had already fulfilled the contract in all parts, and His Highness on the contrary had remained in default regarding the stipulated delivery of pepper, whereas the contract is equally binding on both sides and must be observed as such in order to preserve friendship inviolably. This had the effect that pepper is now being brought in abundance to four places, namely Coilan, Calicoilan, Peza, and Porca, giving me hope that I will have the good fortune to be able to inform Your High Excellencies by the next opportunity that Trevancoor has fulfilled its contract. The general Dellawa wrote the following to me by ola of 17 June concerning the pepper delivery: I received Your Honorable Worship's ola, sent by the Moor Miapula, on the 10th of this month at Mawelicarre, read it and understood the contents, which ola I immediately sent to His Highness, and as soon as Pakoe Moessa Marcaar arrives here, I shall send him to Porca in order to...
Dutch transcription
345 Van Mallabaar den 19. Julij 1755. Van Mallabaar den 19. Julij 1755. van zijn best te zullen doen, om den koning van Trevancoor daar toe te bewegen; Intusschen ben ik van voornemen den Trevancoor over den voorstel van den Tambaan te onderhouden en te probeeren, of het doenelijk zal zijn het Cochim„ „se rijk van een totale ruine te praeserveeren in vertrouwen, dat het met uw: Hoog Edelhedens intentie quadreren zal; Den Eersten oudsten Tambaan is op den 9. Courant overleden; E Den Trevancoorsen veldheer Dellawa heeft mij zelf bij een ola van zijn meester op verscheijde plaatsen verspreijd lag, terwijl een ieder blijft afwagten, wat het zelve verder ondernemen zal; zijn Trevancoorse hoogheijd heeft mij ook bij een ola gecommuniceert, dat den Maisoerder of Mocholder van Pandij verselt van Engelsch volk te Tiroenawelij leggende aan de grensen van Trevancoor gekomen was en zijn hoogheijt niet wist ^ of het zijne op zijne landen, in't Pandijse gelegen, gemunt was; dat den Engelschen commandant van ansjenga daar over een briev aan den Mocholder geschreven had; en zijn Hoogheijt intusschen geresolveert was het zijne te defenderen, welk aangaande ik nog een nader ola van den veldheer Dellawa ontfangen heb„ meldende dat voorsch: Mocholder en d' Engeschen weder geretireert waren, hoewel het dagelijks Bij de gemeene briev, die thans overkomt staat bekend, dat zich vier deensche heeren tot Colletje ophouden, en ik geloov, dat ze deselve zijn waar van den koning van Trevan„ „coor mij bij ola berigt heeft, dat ze van wegens haar Comp: gedeputeert waren, om eenige Ik heb intusschen op voorsch: olas geant„ „woord, dat het mij lief was, dat zijn Hoogheijds vijanden terug geweken waren en daar bij geremarqueert dat zijn Hoogheijd, nu onder„ vond, hoe weijnig staat op de vreemde Europesen te maken is; 's komt in den Eersten opslag vreemd voor, dat de Engelschen, zich bij den Mocholder tegens Tre„ „vancoor gevoegt hebben, te meer om dat men van geen verwijderingen tusschen Trevancoor en dese Europese natie vernomen heeft, egter ben ik wel g'inclineert om te geloven, dat de Engelschen g'informeert zijnde van het Contract, dat tusschen ons en Trevancoor Jongst gemaakt is, en bespeurende dat daardoor de peper haar in zulke opulentie als voor desen niet werd toegebragt, zich van zulke gelegentheijd bediend hebben, om Trevancoor te intimideeren, en als te verplichten om haar natie beter te dienen met de producten van zijn land; hoe wel ik hier in niet positief ben, maar zulks alleen als een gissing aantekene; gerugt wilt, dat die van Pandij een sterkte van Trevancoor zouden belegert hebben; gerugt uijtstaande Nol. 2 347 Van Mallabaar Den 19. Julij 1755. Van Mallabaar Den 19. Julij 1755. uijtstaande zaken van vroeger dagen aftemaken, en te gelijk een permissie te bewerken tot het oprigten van een factorije en het drijven van den handel in het rijk van Trevancoor, gelijk zijn Hoogheijd mij tot een nader bewijs van het oogmerk der Deenen, een briev heeft gecom„ „municeert, die door den gouverneur van Trangabaar aan Trevancoor over dat subject geschreven en tot speculatie van uw Hoog Edel„ „heedens hier nevens gevoegt is; Jk heb zijn hoofheijd voor die Commu„ „nicatie bedankt en in korte termen te ver„ staan gegeven, dat wij verzekert waren dat zijn hoogheijd volkomen genegen zijnde aan het Contract te voldoen, de Deenen niets zal accorderen, dat tegens het zelve zoude strijdig zijn; Tot dus verre heb ik de verrigtingen van Trevancoor met anderen bekend gesteld, nu zal ik ook kortelijk melden, hoe de zaaken tusschen ons en zijn Hoogheijd gelegen zijn; Wij hebben uw Hoog Edelhedens in voorsch: aparte briev van den 24: maart pass:o berigt, dat den koning van Trevancoor met betrekking tot de peper seer traag vier in het b'antwoorden van uw Hoog Edelhedens en onse verwagting, dat wij ons egter vleijden dat het manquerende van het gepasseerde in het presente Jaar zoude gesuppleert werden, en wij zijn Trevancoorse hoogheijd daar over souden onderhou„ „den Ik heb dit ook bij verscheijde olas gedaan en telkens tot verschooning bekomen, dat de troublen van den oorlog de peper leverantie ver„ hinderden, dat egter de bedongene quantiteijt volgens het Contract aan de Comp:e zoude voldaan werden, met versoek dat de Comp:e intusschen zijn Hoogheijd met de beloofde ammonitie ge„ „liefde te adsisteren, 't geen ik nogtans op een civile wijze heb geweigert, onder aantooning, dat de Comp:e het Contract reeds in alle deelen voldaan had, en zijn hoogheijd daar en tegen in gebreke was gebleven omtrent de bepaalde leverantie van de peper, daar het Contract aan beide zeijden even obligatoir, is, en als sodanig moet nagekomen werden, om de vriendschap onverbrekelijk te kunnen conserveren, 't geen van dese uijtwerking is geweest, dat de peper thans in abundantie op vier plaatsen, als Coilan, Cali„ „coilan, Peza, en Porca werd aangebragt en mij hoop geeft dat ik het geluk zal hebben uw Hoog Edelhedens per naasten te kunnen bedeelen, dat Trevancoor zijn Contract voldaan heeft; E Het volgende heeft den Veldheer Dellawa mij bij ola van den 17:' Junij over de peper leverantie geschreven. UE: E: Agtb: ola per den moor Miapula gesonden, heb ik den 10. Deser op Mawelicarre ontfangen, gelesen en den inhoud verstaan, welke ola heb ik ten eersten aan sijn hoogheijd gesonden en so haast Pakoe moessa marcaar hier komt, sal ik hem na Porca senden, om Nol. 2 E
English
From Malabar, the 19th of July 1755. to undertake from there the journey to Cochim; at Coilan and Calicoilan up to the month of May last, more than 1000 candyls of pepper have been delivered, and since then a large quantity of pepper has been brought to the aforementioned places. I assure Your Right Honourable Worships that the pepper will now be brought without delay, for the appointed time has not yet expired, and as I have been to several places and the war has not ceased, that has caused the delay regarding the pepper delivery; and since Your Right Honourable Worships have now given orders to deliver pepper at Porca, the delivery will also take place there, and when the pepper is brought to two or three different places, then the agreed quantity will soon be satisfied. As of August 1754, the contract was short by 400 candyls oruim, and 500 candyls that must be delivered at Cape Comorin, thus together 900 candyls; His Highness must supply 3500 candyls annually, so that with the previous year's remainder he must deliver 4400 candyls of pepper in this year. Your High Honours will see from the foregoing that the delivery is luxuriously underway and that the Travancore commander makes good promises; that the aforementioned quantity will be provided in satisfaction of the contract, so that I flatter myself with the dispatch of a significant lot, but if I am disappointed in my hope, I shall take such measures as the Company's interests may require. The translation of Your High Honours' letter has been sent to Travancore, but the answer thereto has not yet arrived. As soon as His Highness, who is currently far to the south, comes somewhat nearer this way, I shall also have the gift appointed by Your High Honours delivered for the first delivery, although the contract for the current year is still unsatisfied, in order to deprive His Highness of all exceptions and to convince him in an eminent manner that the Company of Holland places its pride in the precise fulfillment of its commitments, which resolute attitude I think will also inspire noble sentiments in His Travancorean Highness and will not be disapproved by Your High Honours. For the rest, we live in a desired harmony with His Highness, and I have the special pleasure of being able to say that in these confused days up to date no molestations or insults have been committed against the gardens and lands of the Company. Although I have already supplied the agreed ammunition and can with good reason not be addressed for further assistance before and until His Highness has delivered the full quantity of pepper, I have nevertheless, upon the urgent request made several times to that end and in view of the fact that the pepper is currently being delivered abundantly, resolved to promise to hand over to His Highness another 300 flintlocks, 3000 pieces of gunflints, and 50 barrels of gunpowder, in the reasonable confidence that this complaisance, beyond obligation, will spur His Highness on to a precise fulfillment of his engagements. Departing herewith from southern matters, I shall further give a brief account of the situation of our interests in the north. The princes of Colastry, as is well known from the general letter, give proofs on all occasions of their good affection toward our Company and are also kept by us, as much as possible, in that favorable disposition. The rebelling chiefs of the province of Neriotte Soerewan in the Colastry realm having in these days forced their legitimate prince to take up arms against them by committing many acts of violence and arsons, the regent assembled a small army of 4000 heads and earnestly requested of our servants at Cannanoor assistance of a gunner with a mortar and several bombs, along with 25 armed tirossen and an equal number of mocquassen for the transport of the artillery. All of which necessities having been provided by our servants, His Highness marched out therewith and has with much success subdued all the strongholds of that province and brought the rebels to reason, being extremely satisfied with the friendly assistance of the Company, which His Highness seems to acknowledge through the heavy delivery of pepper, of which 115000 lbs have already been delivered at Cannanoor. Adij Ragia also continues his good disposition toward the Company, but would recently have committed a great mistake by entering into a peace treaty with Angrea, had the evil consequences thereof not been presented to him by us in good time. The Angrean pirate vessels, cruising off the latitude of Cannanoor in January and February of this year, had among others also captured a vessel of a certain Moor, Mocaten Porotto Packij, favorite of the Moorish regent Adij Ragia, who took this incident very much to heart and also into consideration that the same misfortune could befall his vessels, which usually arrive with his revenues from the Laccadive Islands; whereupon he, Adij Ragia, in all secrecy sent a trusted person with money and gifts to the chief pirate Angrea, not only to ransom the said vessel of his favorite Packij, but also at the same time to stipulate a free and unmolested passage for his Laccadive and other vessels. Which emissary, named Adonij, returned after a short time with the vessel of the favorite and a small galvet, which it is believed that Angrea sent as a gift to Adij Ragia. For some time people remained ignorant of what the aforesaid emissary Adonij might have accomplished with the Angrea to the advantage of his master, but finally it was discovered that
Dutch transcription
349 Van Mallabaar den 19. Julij 1755. — Van Mallabaar den 19. Julij 1755. om van daar de reijse na Cochim bij der hand te nemen; op Coilan en Calicoilan tot in de maand maij J„o leden, is meer als 1000. Candijlen peper gelevert, en sedert is opgem: slaat„ „sen nog een groote quantiteijt peper aangebragt ik versekere VE: E: Agtb: dat de peper sonder tardance nu aangebragt sal worden, want de bepaalde tijd is nog niet verstreken, en dewijl ik op verscheijde Plaatsen ben geweest en den oorlog niet gecesseert heeft, daarom is die tardance veroorsaakt omtrent de peper Leverantie, en aangesien vE: E: Agtb: nu ordre gegeven heeft om op Porca peper te leveren, sal de leverantie aldaar ook geschieden, en wanneer op twee â drie diffe„ „rente plaatsen de peper aangebragt werd, dan sal de bedongene quantiteijt haast voldaan werden. Onder Augustij 1754. ontbraken aan het Contract 400. Candijlen oruim, en 500. Candijlen die aan Caab Commerijn moeten gelevert werden, dus tesamen 900. Candijlen, zijn Hoogheijd moet 's Jaarlijks voldoen 3500. candijlen, so dat hij met het voorjarig restant in dit Jaar moet leveren 4400. Candijlen peper; uw Hoog Edelhedens zijen uijt het voorenstaande, dat de leverantie weeld„ „drig aan de gang is en dat den trevancoorsen veldheer goede beloften doed; dat voorsch: quan„ titeijt ter voldoening aan 't Contract zal be„ soigt werden, so dat ik mij flattere met de versending van een naam waardige parthije, dog so ik in mijn hoop werd te leur gestelt, sal ik soda„ „nnige regelmaten nemen, als 'sComp„s belangen komen te vereisschen; Het Translaat van uw Hoog Edelhedens brief, is tot Trevancoor afgesonden, dog het antwoord daar op nog niet binnen gekomen, sodra zijn hoogheijd, die thans ver om de zuijd is, wat nader dit heen komt, zal ik het geschenk door uw Hoog Edelhedens be„ paalt; voor d' eerste leverantie ook laten afgeven, schoon. voor het lopende Jaar het contract nog onvoldaan is, ten eijnde zijn Hoogheijd alle exceptien te benemen, en hem op een uijtmuntende wijze te overtuijgen, dat de Comp:e van holland haar glorie stelt in een praeciese praestatie harer verbintenissen, welke cordaatheijd ik denke dat zijn Trevancoorse hoogheijd ook noble sentimenten zal in boesemen en door uw Hoog Edelhedens niet mispresen Voor 't overige laden wij met zijn hoogheijd in een gewenschte harmonie, en ik heb het bijzonder genoegen van te kunnen zeggen, dat in werden; Hoewel ik reeds de bedongen ammonitie ver„ strekt heb en met reden om geen verder verstrekt heb en met reden om geen verder adsistentie kan werden aangesproken voor en al eer zijn Hoogheijd de volle quantiteijt peper gelevert heeft, so heb ik egter op het instantig versoek daarom diverse malen gedaan en uijt aanmerking, dat de peper thans sloten opulentelijk geleverd werd, belaften om nog 300 snaphanen 3000. p„s vuurstenen en 50. vaatjes kruijd aan zijn hoogheijd aftegeven, in dat caisonnable vertrouwen, dat dese Complaisance, boven verpligting, zijn hoogheijd tot een praecise nakoming zijner verbintenissen zal aansporen; Hoewel dese Nol. 28 351 Van Mallabaar den 19. ' Julij 1755. Van Mallabaar den 19. Julij 1755. dese confuse dagen tot dato nog geen moles„ „tiën of affronten op de Thuijnen en landerijen van de Comp:e gepleegt zijn; Hier mede van de zuijdse zaken afstappende zal ik nog een kort verhaal doen van de Lituatie onser belangen om de noord; De princen van Colastrij, gelijk bij de gemeene briev bekend staat, geven bij alle voorvallen blijken van hunne goede genegentheijd tot onse Compagnie en werden ook door ons, so veel mogelijk is, in die favorable dispositie gehouden; De rebellerende hoofden van de provintie Neriotte Soerewan in't Collastrijse rijk deser dagen met het pleegen van veele valdadigheden en brandstigtingen hun wettigen prins gedwongen hebbende de wapenen tegens hen optevatten, so heeft den regent een legertje van 4000. koppen bij een vergadert en onse bediendens van Cannanoor ernstig verzogt om adsistentie van een Con„ „stabel met een mortier en ettelijke bommen, nevens 25. gewapende tirossen en een gelijk getal mocquassen tot 't aanvoeren van de arthille„ „rije, alle welke benodigtheden door onse bediendens bijgezet zijnde, is zijn hoogheijd daar mede op„ „getrokken en heeft met veel succes alle de sterk„ „tens van die provintie overmeestert en de rebellen tot reden gebragt, ten uijtersten over de vriende„ „lijke adsistentie van de Comp:e voldaan zijnde, 't geen zijn hoogheijt schijnt te erkennen door de sterke leverantie van peper waar van bereeds 115000: lb. op Cannanoor gelevert D' Angrease roof vaartuijgen hadden in Janua: en februarij deses Jaars op de hoogte van Cannanoor kruijssende onder meer andere ook een vaartuijg genomen van zekere moor Mo„ „caten Porotto Packij liveling van den moors regent Adij ragia, die dit voorval zeer ter herte en ook in overweging nam, dat het zelvde ongeluk zijn vaartuijgen konde te beurt vallen, welke gewoonelijk met zijne revenues van de zekkerdivose Eijlanden komen, waar op hij Adij Ragia in alle secretesse een vertrouwd persoon met geld en geschenken na den hoofd rover angrea zond, niet alleen om het gem: vaartuijg van zijn lieveling Packij intelossen maar ook om teffens een vrije en ongemo„ „lesteerde vaart te bedingen voor zijne Lekker„ „divose en andere vaartuijgen, welken zende„ „ling adonij genaamt, na verloop van een korten tijd te rug kwam met het vaar„ „tuijg van de lieveling en een kleene galwet, die men meent, dat Angrea tot een geschenk aan Adij Ragia gesonden heeft; men bleef eenigen tijd onkundig, wat voorm: sendeling Adonij bij den Angrea ten voordeele van zijn meester mogt verrigt hebben, dog eijndelijk ondekte men, dat Adij Ragia Continueert ook zijn goede gesteltheijd omtrent de Comp:, dog zoude Jongst door het aangaan van een vredens trac„ „taat met Angrea een groote mislag begaan hebben, indien hem niet bij tijds de kwa„ „de gevolgen daar van door ons waren voorgehou„ den i Angrea Wier Nol. 28 d zijn;
English
353 From Mallabaar the 19th July 1755. From Mallabaar the 19th July 1755. — Angrea was inclined to grant free and unhindered navigation to the vessels of Adij Ragia, provided that the pirate vessels of him, Angrea, coming to this side, should be assisted by Adij Ragia with water, firewood, and refreshments, and be provided with the necessary intelligence concerning the condition of European navigation on this sea. As soon as we were informed of the secret of this mission, Chief Weijerman was made to represent the evil consequences of such negotiations to Adij Ragia, and clearly announce that by concluding such a peace treaty with an open pirate, he, as regent, would make himself hated by the whole world, and make his friendship offensive and dangerous to our Company. This representation was of so much effect that Abij Ragia declared his intention not to accept the aforesaid conditions of Angrea, but only to dispatch a further express messenger to this pirate in order to obtain unmolested navigation for his vessels for a certain sum of money; a second envoy from Adij Ragia having already departed for Angrea. Having received the enclosed letter dated Inseroek the 1st March 1755, written to me on behalf of all the prisoners by Captain Root, my thoughts were turned toward coming to the aid of those suffering people and delivering them from their harsh slavery, and for this the best means seemed to me to have Ezechiel Rabbij write to Adij Ragia and request that he would employ his good offices to ransom those people with a reasonable gift, which would be refunded to him, since the envoys of him, Adij Ragia, with Angrea offered a good opportunity for this. Such a letter was also written by Ezechiel to Adij Ragia and answered amicably with the assurance that he, Ragia, would make strong representations for the release of our prisoners. I had also ordered Chief Weijerman to write a comforting letter to Captain Root and send him some money with the envoy of Adij Ragia, which had also already been made ready; but at the very moment that this letter was about to be dispatched with 40 ducats, the Moor Adonij, who had already been with the Angrea, indicated that it was impossible to deliver the least thing into the hands of the prisoners without the Pirate learning of it, and that when Angrea learned that our people were being supported with money, he would insist all the more on his demand for heavy ransom money, and that consequently it was most advisable to make the Angrea believe that those people had no deliverance to expect on behalf of the Company, and that Adij Ragia therefore sought to deliver them at his own expense, both out of compassion and in order to be able to have two small ships, which he intends to buy from Angrea, brought away by them. And since Adij Ragia believes that by that means he will be able to set our prisoners at liberty with little expense, and has also undertaken to have them relieved with some money, 355 From Mallabaar the 19 July 1755. From Palembang the 21st September 1755. relieved, we have therefore left this entire matter to the management of Adij Ragia. Cotteca Marcaar furthermore offers to execute a document stating that he will let the vessels of our Company and subjects pass and repass freely and unmolested, and if necessary render all help and assistance, provided he is permitted to collect the dues of the mocquas or fishermen who reside in the district of Chettua. Your High Excellencies have already been informed that we did not wish to tolerate that collection; but if he, Cotteca Marcaar, can prove, as he has undertaken to do, that he is entitled thereto, then I shall seek a middle course, considering that such free passage for our small vessels and those of our subjects is very advantageous, besides the fact that through friendship with this Marcaar, his brother Coette Oessan will also always be found inclined to accommodate us with cardamom. What currently remains to be noted concerning the Zamorin having been dealt with in the general letter, and the remaining regents to the south supplying no material for writing, I shall therefore conclude herewith for this time and, with all respect and high esteem, subscribe myself, below stood: High Noble, Severe, Highly Esteemed, and Far-Ruling Sirs! Lower: Your High Excellencies' humble and obedient servant, was signed: F:n Cunes. In the margin: Cochin the 19 July 1755. And this register. No. 1. Original general report, written by the one mentioned at the head of this, superscribed to their highest mentioned: Register of all such papers as are dispatched towards Batavia by the Honorable Mr. Johannes Andreas Paravicini, Senior Merchant, Shahbandar, as well as First Commissioner of Palembang, per the brigantine De Mossel, and are consigned to His Excellency, the High Noble, Highly Esteemed Mr. Jacob Mossel, General of the Infantry in the service of the state of the United Netherlands, as well as on behalf of the same and the Chartered East India Company, Governor General, and the Honorable Gentlemen Councillors of the Indies, namely: Register No. 25
Dutch transcription
353 Van Mallabaar den 19. e Julij 1755. Van Mallabaar den 19. Julij 1755. — Angrea genegen was een vrije en onverhinder„ „de vaard aan de vaartuijgen van Adij Ragia toetestaan, mits dat de roof vaartuijgen van hem Angrea aan dese kant komende door Adij Ragia met water, brandhoud, en ververssing zouden moeten g'adsisteert en voorzien werden van de noodige informaties rakende den toestand van Europeese navigatie op dese zee, so dra wij nu van het geheijm deser zending verwittigt waren, heeft men door het opperhoofd weijerman de kwade gevolgen van sodanige onderhandeling A. dij Ragia doen voorhouden, en duijdelijk aanzeggen, dat hij regent door het sluijten van zulk een vreedens tractaat, met een openbaren rover zich bij de geheele wereld zijnde gehaad maken, en desselfs vriendschap aansta„ „telijk en gevaarlijk doen zijn voor onse com„ pagnie, welk vertoog van so veel vrugt geweest is, dat Abij Ragia betuijgt heeft van voornemen te zijn, voorsch: condities van Angrea niet te accepteren, maal alleenlijk een nader Expresse na desen rover aftezenden, om voor zeker Somma gelds een ongemolesteerde vaard, voor zijne vaartuijgen te bekomen; zijnde reeds een tweede afgezand van Adij Ragia na Angrea vertrocken De bijleggenden briev gedateert inseroek den 1. maart 1755. uijt name van alle de gevangenen door Capitain Root. aan mij geschreven, ontfangen hebbende, zijn mijn gedagten daar heenen geweest, om die noodlijdende menschen te hulp te komen en uijt hunne harde slavernije te te verlossen, en hier toe scheen mij het beste middel, om door Ezechiel Rabbij aan Adij Ragia te laten schrijven en verzoeken, dat hij zijn goede diensten wilde aanwenden, om door een Raisonnable geschenk, dat hem zoude gerestitueert werden, die menschen te randconneren, dewijl de sendelingen van hem Adij Ragia bij Angrea daar toe een goede gelegentheijd gaven, hoedanige briev ook door Ezechiel aan Adij Ragia geschreven en vriendelijk b'antwoord is onder verzekering, dat hij Ragia kragtig zoude laten houden om de larga„ „tie van onse gevangens; ik had ook het opperhoofd weijerman g'ordonneert, om een troostelijke briev aan Capitain Root te schrijven en hem eenig geld met den gezant van Adij Ragia toe„ „te senden, 't welk ook reeds in gereedheijd gebragt was, maar op het poinct, dat dien briev met 40. ducaten stond versonden te werden, gaf den moor Adonij, die reeds bij den Angrea geweest was te ken„ „nen, dat het ondoenlijk was, het minste de gevan„ „gens aan handen te brengen, sonder dat den Rover daar van te weet kreeg, en dat wanneer Angrea vernam, dat ons volk met geld ondersteund wierd, hij te meer op zijn praetensie van zwaare Randsoen gelderen zoude staan blijven, en oversulks het raad„ „saamste was, den Angrea te doen geloven, dat die menschen geen verlossing van wegens de Comp: te verwagten hadden, en dat daarom Adij Ragia deselve ten zijnen koste zogt te verlossen so uijt medelijden, als om door deselve te kunnen laten afbrengen twee scheepjes, die hij voornemens is van Angrea te kopen, en vermits Adij Ragia vermeend, dat hij door dat middel onse gevangens met weinig kosten zal kunnen op vrije voeten stellen en ook aangenomen heeft, om hem met eenig geld te zullen laten beste soulageeren, Nol. d 355 Van Mallabaar den 19 Julij 1755. Van Palembang Den 21. September 1755 soulageren, so hebben wij dese heele zaak aan het beleid van Adij Ragia overgelaten; Cotteca Marcaar offereert nog om een geschrift te passeeren, dat hij de vaartuijgen van onse Comp:e en onderdanen vrij en ongemolesteert zal laten passeren en repasseren en des noods alle hulp en bijstand toebrengen, mits hem gepermit„ „teert werd de geregtigheden van de mocquas of vissers, die in het district van Chettua woonen intevorderen; uw Hoog Edelhedens is reeds bekend gemaakt dat wij die invordering niet hebben willen dulden, dog so hij Cotteca Marcaar kan bewijsen, gelijk hij aangenomen heeft te doen, dat hij daar toe ge„ „wettigt is dat zal ik een middel weg zoeken uijt aanmerking, dat sodanige vrije passagie voor onse kleijne vaartuijgen en die van onse onderdanen seer voordeelig is, behalven dat men door de vriendschap met desen Marcaar, zijn neer Coette oessan ook altoos genegen zal vinden, om ons met Cardamom te gerieven; 'T geen thans van den sammorijn te noteren valt, bij de gemeene briev gehandelt zijnde ende overige regenten om de zuijd geen stoffe tot schrij„ „ven suppediterende, so sal ik ditmaal hier mede besluijten en mij met alle eerbied en hoog achting noemen /:onderstond:/ Hoog Edele gestrenge, groot Agtbare, en wijdgebiedende Heeren! /:lager:/ uw hoog Edelhedens ootmoedigen en gehoorsamen Dienaar (:was getekent:/ F:n Cunes /:in margine:/ Cochim den 19 Julij 1755: En Dit Register N„o 1. origineel generaal Rapport, geschreven door als in eeen hoofde deses gemelden gesuperscribeert aan haar hoogst gem: Register van alle soda„ nige Papieren, dewelke door den E: E: Heer Johan„ „nes Andreas Paravicini, opperkoopman Sabandhaar, mitsg„s Eerste Commisiant van Palembang, Batavia waarts versonden werden Per de Brigantijn de Mossel en geconsigneert zijn, aan zijn Excellentie, den Hoog Edelen Groot Agtbaren Heer Jacob Mossel Generaal over de Infanterie ten dienste van den staat der ver„ „Eenigde Nederlanden, mitsg„s wegens deselve en d' octroijeerde oost Jndische maatschappij, Gouverneur generaal en De Wel Edele Heeren Raden van India, te weeten: Register e Nol. 25 zijn
English
From Palembang, the 21st of September 1755 From Palembang, the 21st of September 1755. Number 2. Original declaration of the deceased of the ship Nieuw Nieuwerkerk, executed under date of the 15th of August of the current year, regarding two 50-pound weights that were destined for Palembang, but were not received at Batavia, marked Letter H. Number 3. Resolution taken in the Broad Council on the ship Nieuw Nieuwerkerk, under date of the 8th of August aforesaid, concerning the disposition to save the ship Slooten, marked Letter B. Number 4. Draft Contract presented by the First Commissioner to the King of Palembang for approval, concerning the renewal of previous contracts and the annexation of 14 separate articles, marked Letter C. Number 5. Three translations with their original Malay manuscripts, containing the answer of the Palembang King to the just-cited articles, marked Letters D, E, and F. To His Excellency the Governor-General and the Council of India, dated... Number 6. Copy of an advertisement for all the Company's servants and subjects, containing an interdict that none of the Palembang inhabitants shall be molested, marked Letter G. Number 7. Act of Renewal of the Palembang contracts and some other articles concluded and signed between the King of that realm and the First Commissioner J: A: Paravicini on the 10th of September of the current year, marked Letter H. Number 8. A separate Malay article, signed in his own hand by the King of Palembang, concerning the making current of the Company's currency, marked Letter I. Number 9. Daily Register, being the daily record of everything remarkable that occurred in the Palembang Commission, marked Letter K. Number 10. Specific demonstration of the quantity... Number 11. Copy of the account of the island of Bliton, drafted by the former Resident van der Werp according to the report of a Malay, marked Letter M. From Palembang, the 21st of September 1755. From Palembang, the 21st of September 1755. Number 12. Original report delivered by the Second Commissioner van Haak to the First aforesaid, containing his proceedings regarding the ship Slooten, dated the 15th instant, and marked Letter N. Palembang, the 21st of September 1755. Signed: A: F: v: Solms, scribe. In the margin was written: Note: enclosed herewith is an original further amplification belonging to the report under Number 1, and marked Letter O. Report Excellency, High and Noble Lord, and Right Noble Lords Report humbly delivered and presented by the Senior Merchant and Shahbandar Johannes Andreas Paravicini to His Excellency, the Excellent and High and Noble Lord Jacob Mossel, General of the Infantry in the service of the state of the United Netherlands, and on behalf of the same and the General East India Company, Governor-General, together with the Right Noble Lords, Councillors of the Netherlands Indies. It having pleased Your High Mightinesses, in your great favor, to honor the humble subscriber hereof, under date of the 15th of July of this year, with the character of Commissioner of this High Indian Government to the Palembang Court, to the end From Palembang, the 21st of September 1755. From Palembang, the 21st of September 1755. of renewing with its King the treaty concluded in the year 1722 by the then Commissioner, the late Honorable Abraham Patras of blessed memory, and subsequently ratified on the 6th of August 1723 by Your High Mightinesses, and to negotiate and agree upon several separate articles for mutual interests; a favor that must be all the more precious, as it shows and lets me experience plainly how great Your High Mightinesses' unmerited kindness is in charging and entrusting to me this weighty commission; therefore the undersigned takes the respectful liberty, with high veneration, to relate the following concerning the execution of his commission: That after we had set sail on the 28th of July, we arrived in the Bangka Strait only on the 5th of August due to continuous calms and contrary currents; there, pursuant to Your High Mightinesses' highly esteemed order, we opened our secret papers concerning our commission, but to our extreme dismay and particular regret discovered that there was among them no letter nor any credentials to have us accepted and acknowledged by His Highness the King of Palembang in the aforesaid dignity and capacity conferred upon us, much less to make known to this monarch Your High Mightinesses' intention and the motives for our coming. This omission, respectfully speaking, we immediately regarded as an ill omen and a great hindrance to our commission, and in this instance we were not at all mistaken, as the remainder of this report will plainly show. Nevertheless, we had reason to be surprised that at the end of our instructions mention was made of two fifty-pound weights that were supposedly provided along with us, both to compare the weights there against them, in order to finally put an end to the continuous disputes regarding the weighing, and to leave them lying yonder as standards, yet neither we nor the ship's officers had received them; see declaration under Letter A. While we were considering every conceivable means to redress this omission by some favorable event, we arrived on the 7th instant, in the company of the ship Kivitsheuvel, in the roadstead before the river of Palembang, finding there the Company's vessel De Lycochton and somewhat further the brigantine De Mossel, whose commanders, to our very great sorrow, were able to report to us that the ship Slooten...
Dutch transcription
357 Van Palembang Den 21. September 1755 Van Palembang Den 21. September 1755. N„o 2. Origineel verklaring van d' overleden= van 't schip Nieu Nieuwerkerk sub dato 15 aug„s a: c: gepasseert wegens Twee 50. ponders gewigt, die voor Palembang gedestineert, dog deselve op Batavia niet ontfangen zijn, gem:t L:ra H _:o Resolutie genoomen in Bre„ den Rade op 't schip Nieuw Nieuwerkerk sub dato 8. aug„o voor m:, concerneerende dis„ positie om het schip slooten te redden gem:t L„ra B: 4. concept Contract door den heer Eerste Commissaris ter approbatie aan den koning van Palembang gepresenteerd, betreffende de renovatie der vorige Contracten en het annexeeren van 14. separate articulen gem:t Lr„a „ 5. drie Translaat met derselver origineele maleijtse manuscriptie, ver„ „vattende het antwoord van den Palembangsen koning op even„ geciteerde articulen gem:t L:ra D: E: en F: „ zijn Excellentie den gouver„ neur generaal en de Raden van India ged:te. . .. N„o 6. Copia advertentie voor alle 's Comp„s dienaaren en onderdanen, behelsende Jnderdict, dat niemand der Palembang„ „se ingesetenen zal ge„ „molesteerde werden, gem:t „ 7. Acte van Renovatie der Palemgse contracten en Eenige andere articulen vervat tusschen den koning van dat Rijk en den Eerste commissaris J: A: Paravicini geslooten en geteekende den 10. Sep„ „tember h: a: gem:t L:ra H. 8. Een maleijts separaat articul door den koning van Palem„ „bang Eijgenhandigt geteekent, toucheerende het gangbaar maken van 's Comp„s munt, gem:t L„ra I: 9. Dag Register dagelijkse aanteekening van al het geen in de Palembangse Commissie Remarquables is voor gevallen gem:t L:ra K. „ 10. specifique Aantoning van d' in quarchteijt „ 11. Copia verhaal van't Eijland Bliton, door den gew: Resident No. 6. van 3. C: L„r G: Hol.ich 359 Van Palembang den 21. September 1755. Van Palembang den 21. September 1755. 9Eee van der werp, volgens be„ „rigt van een maleijer ge„ „concipieert gem:t L:ra M: N„o 12. origineel. Rapport door den Tweeden commissaris van Haak aan den Eersten dito overge„ „geren inhoudende desselfs verrigtingen na het schip slooten, ged„t 15. hujus en gem:t L„ra N. den 21. September 1755. Palembang /: was getekent :/ A: f: v: Solms schriba /: ter zijde stond:/ NB: hier nevens gaat nog over; Een origineel nadere ampliatie tot het Rapport sub N„o 1. gehorende en gemerkt L:ra O. Rapport Het uw Hoog Edelhedens groot gunste„ lijk behaagt hebbende, den Eerbiedige teke„ „naar deses, sub dato 15:' Julij deses Jaars, met het Caracter van Commissaris deser hooge Jndiase Regeering aan het Palem„ „bangse Hoff te honoreeren, ten fine Excellente, Hoog Edele Heer en Wel Edele Heeren Rapport met ootmoed overgegeven en gepresenteerd door den oppercoopman en Sabandhaar Johannes Andreas Paravicini Aan zijn Excellentie den Excellenten en Hoog Edelen Heere Jacob Mossel. . . . Generaal over d' Jnfanterie ten dienste van den staat der vereenigde Nederlanden, en wegens deselve, en de Generale Oost Jndische Compagnie, gouverneur Generaal benevens De wel Edele Heeren Raden van Nederlands India met Rol. 361 Van Palembang Den 21:' September 1755. Van Palembang den 21. September 1755. met dies koning het in den Jare 1722 door den toenmalligen Commissaris, den hoog zaligen Heer Abraham Patras gesloten en nader den 6. aug„s 1723. door haar hoog Edelens geratificeerd, tractaat te renoveeren en over eenige Separate articulen tot we„ „derzijds belang te handelen en over een te komen; eene gunst, die te baar„ „der moet zijn, vermits zij mij evident doed sien en ondervinden, hoe groot uw Hoog Edelhedens onverdiende goedheijt, in het opdragen en toe vertrouwen deser gewig„ tige commissie over mij is; zo is het dat den ondergeteekende d' eerbiedige vrijheijd neemt, met hooge veneratie, wegens de verrigting zijner Commissie het volgende te relateeren: dat, na dat wij den 28:e Julij onder zeijl waren gegaan, wij door geduurige stilte en tegenstroom eerst den 5. e augustus in straat Banca zijn g'arriveert, aldaar ingevolge uw Hoog Edelhedens hoog g'eerde ordre onse secreete papieren, concerneerende onse commissie g'opent, maar met d' uijterste verbeeesing tot ons bijsonder leet„ „weesen ontwaard hebben, dat sig bij deselve geen brief nog eenige credentialen be„ vond, om ons bij zijn Hoogheijd den koning van Palembang in voorgeciteer„ „de en aan ons opgedragene waardigheijt en qualiteijt te doen accepteeren en erken„ „nen, veel min om desen vorst uw Hoog Edelhedens intentie en demotiven onser komste bekent te maken, welk versuijm /:onder reverentie gesproken :/ wij aanstonds als een quaad voorteken en een groote hinderpaal in onse commissie aangesien en ons in dit cas ook gantschelijk niet bedrogen hebben, gelijk het vervolg deser evident zal doen sien Niet te min hadden wij reden verwondert te zijn, dat 'er aan't eijnde van onser Instructie mentie wierd gemaakt van twee vijftig ponders gewigt, die zouden mede gegeven zijn; om de gewigten aldaar so wel daar mede te Confrontee„ „ren, ten eijnde de geduurige verschillen nopens het weegen eenmaal te doen cesseeren, als ginter voor slapers te laten leggen, sonder dat wij of de scheeps overheeden die hadden ont„ „fangen, vide verclaering sub L„ra A: Jntusschen dat wij bedagt waren naar alle bedenkelijke middelen om dit versuijm door 't een of ander favorabel evenement te redresseeren, arriveerden wij den 7. dito in. Comp:e van het schip kivitsheuvel ter rheede voor de rivier van Palembang aldaar vindende 'sComp„s bodem d' Lijcochton en wat verder d' brigantijn de Mossel, welkers hoofden ons tot overgroot leetweesen wisten te rapporteeren, dat 't schip sloten onser seker Nol.c 15n E
English
From Palembang the 21st of September 1755. From Palembang the 21st of September 1755. surely by the skipper, on whose watch this happened, was willfully set first upon the shallows of five and afterwards against the beach near the first point so high and dry that this vessel, notwithstanding all the cannon and almost all the drinking water being thrown overboard, nevertheless remained stuck with the highest water. This was, Right Honorable Lord and Honorable Lords, the reason that the undersigned, taking this great and, for the China trade, so pernicious accident to heart, immediately resolved first to have a shot fired and the flag hoisted on the main topmast in order to obtain obedience from the commanders of the ships, which were then four in number, and subsequently to invite the commanders with the rendezvous flag to hold a full ship's council, in order to devise, plan, and put into effect all possible means to save, if at all feasible, this richly laden vessel; upon which, after mature deliberation, it was finally resolved and approved by unanimous votes to send as soon as possible the empty ship De Lycochton, whose cruise had then ended, thither, in order to lighten that vessel until she floated, and subsequently, being found undamaged, to have her proceed on her voyage; but upon the discovery of any great defect or damage, whereby that hull would not be able to undertake the voyage, then to load the ship Lycochton with her goods and specie and have her undertake the voyage to China, if such could take place by the first of September, as well as to send the careless skipper, who surely sailed with intention and in a malicious manner, outside his ordinary course, out of presumption, without wanting to use his lead line, and consequently caused this accident, to Your Right Honors to answer for his actions. That having been so resolved, and the execution of this work having been assigned to the second Commissioner van Haak, as the resolution thereof, which I have the honor to produce herewith to Your Right Honors under Letter B, will further show, he departed with the ship De Lycochton as speedily as possible thither, while the humble undersigned proceeded on board the Mossel, to continue his voyage to Palembang and to make a beginning of his commission. This is, Right Honorable Lord and Honorable Lords, all that I according to my slight knowledge and judgment have been able to devise and put into practice, in order to save this costly laden vessel, to the end of sustaining in its full vigor the momentous trade in China, which without the arrival of this ship would suffer irreparable damage to the great prejudice of the Honorable Company, hoping in that regard, however it might turn out, for Your Right Honors' approval, looking to the intention and not to the outcome of the matters, which possibly failed through the slowness and lack of zeal of others. To tie together again now the thread of my commission, which I had to break off through this digression caused by the account of this unexpected accident, I have the honor to note with deep respect that I, after having previously changed shipboard three times with provisions and baggage, after a voyage of ten days in the river, finally arrived at Palembang on the 20th of the same month. Being now alone the following day through the sending away of the second Commissioner to the ship Sloten, I proceeded with all possible state, after having previously requested an audience with His Highness, to the Court, and had the honor, in the presence of the Lord Crown Prince and other princes of the blood, as well as all the imperial court councilors, to compliment His Highness. Yet I was not a little surprised by the contemptuous manner in which this prince received me, and the coolness with which I was treated at this audience, having also been informed on returning that the four delegates appointed for the reception and the escort had been very common people, from all of which I could immediately discern that this was the first fruit that resulted from the neglect of having brought no letters and credentials to that prince, as His Highness also shortly thereafter, and repeatedly in the sequel, clearly showed his displeasure over this slight, saying, when I had made myself known, that it did not appear in any way to His Highness that my person was the Commissioner, much less represented the High Government, that His Highness well knew what a Commissioner was, and how one ought to receive him when he was provided with proper proofs of his character, that the highly praiseworthy Lord Patras had appeared before His Highness in an entirely different manner, having been provided with such letters and credentials that caused him to be recognized and sustained in the character and dignity of Commissioner. This did not prevent, however, as I knew the mistake that had been made, my seeking to remedy the same by resolving all objections that had an appearance of substance, and entertaining His Highness extensively regarding the intention of my coming, then making an opening of my commission and of Your Right Honors' desire, by imperceptibly directing the discourse, with all possible delicacy customary with this nation, to revolve around the renewal of the treaties concluded in the year 1722, with the addition of some separate articles; and being asked by the prince why, and for what reason I [illegible] of the renewal of the contracts,
Dutch transcription
363 Van Palembang den 21. September 1755. Van Palembang den 21. September 1755. seker door den schipper, op welkers wagt sulx ge„ „schied is, op een moedwillige wijse eerst op de droogte van vijf en naderhand tegens de strand bij d' eerste hoek so hoog en droog geset is, dat dien bodem, ongeagt al het Canon en meest al het drinkwater overboord geworpen, het selve nogthans met het hoogste water is blijven sitten Dit was Hoog Edele Heer en wel Edele Heeren de reden, dat den tekenaar deser, dit groot en voor den Chinasen handel opso pernitieus ongeval ter herten nemende, aanstonds deed resolveeren, eerst op de vlag van de groote steng, om sig van de hoofden der scheepen, die toen vier in getal waren, te doen gehoorsamen, met het doen van een schoot op te doen heijschen en vervol„ gens met de passars vlag de hoofden tot het houden van van een breeden scheeps raad t' inviteeren, om alle mogelijke middelen uijt te denken, te beraemen en in't werk te stellen, om was 't immers doenlijk desen rijk geladen bodem te redden; waar op na rijpe deliberatie dan eijndelijk niet unanime stemmen geresolveerd en goedgevonden wierd, ten alderspoedigsten het ledige schip D' Lijcochton, welkers kruijstogt toen g'eijndigt was, na derwaarts te senden, om dien bodem so ver te lossen, tot denselven vlot raakte en vervolgens onbeschadigt bevonden zijnde, zijne reijse te doen vorderen; dog bij ontwaering van eenig groot manquement of schaden, waar door dien kiel de reijse niet zoude kun„ „nen ondernemen, als dan het schip Lijcochton met dies goederen en contanten af te laden en de reijs na China te doen onderneemen, so sulx met primo september konde geschieden, nt mitsgaders den onvoorsigtigen schipper, die seker met opset en op eene malitieuse wijse, buijten zijn ordinairen cours, uijt verwaantheijt, zonder zijn diep lood te willen gebruijken, gezeijlt heeft, en bij gevolg dit ongeluk heeft veroorsaakt, ter verantwoor„ „ding zijner gedoentens, aan uw Hoog Edelhed:s over te senden. Dat dan sodaenig geresolveerd en den tweede Commissaris van Haak d'executie van dit werk opgedragen zijnde, gelijk de resolutie daar van, welke d' Eer hebbe uw Hoog Edelens sub L„ra B. hier nevens te produceeren, nader zal komen aan te toonen, vertrok denselven met het schip De Lijcochton ten spoedigsten na derwaarts, terwijl den sub„ „missen teekenaar deses, sig aan boord van de Mossel vervoegde, om zijne reijse na Palembang te vervorderen en een begin zijner commissie te maken; Dit is het Hoog Edele Heer en wel Edele Heeren al 't gunt ik na mijne geringe ken„ „nisse en oordeel hebbe weten te versinnen en in't werk te stellen, om desen kostelijken geladen bodem te doen sauveeren, ten eijnde den gewigtigen handel in China, die sonder de komst van dit schip tot groote praejuditie van dEComp: een onherstelbaere schaede zou lijden, in zijn volle kragt te soutineeren, verhoopende dien aangaande, hoe ook mogt uijtvallen, uw Hoog Edelhedens op„ „probatie, ziende op d' intentie en niet e Nol. 2 1cn - en 365 Van Palembang den 21. September 1755. - Van Palembang den 21. September 1755. op de uijtkomst der saken, die mogelijk door traag- en ieverloosheijd van andere mislukt is; Om nu den draed mijner commissie, dien ik door dese uijtwijding, veroorsaakt door 't ver„ „haal van dit onverwagt ongeluk, hebbe moeten afbreeken, weder te saemen te knoopen, heb ik de eer met diep respect te noteeren, dat ik, na alvorens driemaal van scheepsboord met provisie en bagagie verandert te hebben, na eene reijs van thien dagen in de rivier, eijndelijk den 20:' dito te Palembang ben g'arriveerd, den volgenden dag, door 't weg„ „senden van den tweeden Commissiant, na 't schip sloten, nu alleen zijnde, vervoegde ik mij met alle mogelijke statie, na alvo„ „rens belet bij zijn Hoogheijt te hebben laten vragen, aan 't Hoff, en hadde d' eere in prae„ „sentie van den Heere Croonprins en andere princen van den bloede, als mede alle de rijx=hof raden, zijn Hoogheijt, te complimen„ „teeren; Edog ik was niet wijnig verwondert over de veragtelijke wijse en manier, met dewelke mij dese vorst recipieerde, en de koel„ „heijd, met dewelke ik bij dese audientie behandelt wierd, zijnde in het terug keeren ook onderregt, dat de vier gecommitteerdens tot de receptie en den afhaal gedestineert, zeer gemeene Lieden waren geweest, uijt al het welk ik immediaat bespeuren konde, dat sulks d' eerste vrugt was, die uijt het versuijm van geene brieven en Credentialen aan dien vorst mede gebragt te hebben, resulteerde, gelijk zijn Hoogheijd ook kort daar na, en in 't vervolg te meermalen duijdelijk zijn ongenoegen over dese kleijn„ „agting liet blijken, seggende, wanneer ik mij te kennen hadde gegeven, dat het zijne Hoogheijt in geenen deele bleek, dat mijn persoon den Commissiant was, veel min de hooge regeering gepresenteerde, dat zijn Hoogheijt wel wist, wat een Commissaris, was, en hoe men die moest ontfangen, als hij met behoorlijke bewijsen zijnes carac„ „ters was voorsien, dat den hoog loffelijken Heer Patras op eene gantsch andere wijse voor zijn Hoogheijt was verscheenen, zijnde voorsien geweest met sodaenige brieven en credentien, die hem in het caracter en de waardigheyt van Commissaris deeden erkennen en soutineeren; dit nam egter niet weg, dat ik de begonne faut konnende, deselve sogt te verbeteren, met alle objectien, in schijn van fondament, op te Lossen, en zijn Hoogheijt van d' intentie mijner komste omstandig t' onderhouden, maakende toen een opening mijner Commissie en van uw Hoog Edelhedens begeerte, door deen discours met alle mogelijke delicatesse, bij dese natie gebruijkelijk, onvermerkt te doen roulleeren over de vernieuwing der tractaten in den Jare 1722. gesloten, met de bijvoeging van eenige separate articulen; en door den vorst gevraagt zijnde, waarom, en om wat reden ik van de vernieuwing der contracten, resulteerde, t Rol. 2
English
From Palembang, 21 September 1755. spoke of the addition of certain articles, and whether the last one concluded in 1722 with the late Mr. Patras was not good, I answered His Highness that if it were not good, I would not have spoken of a renewal but rather of an alteration; that although this last contract was good and upright, His Highness, through an excessive indulgence of Their High Noble Lordships, had from year to year, notwithstanding all amicable admonitions, neglected it by permitting smuggling to his subjects and the Chinese nation. Yet, in order not to doubly burden Your High Noble Lordships' precious attention with a long and tedious tale of all the arguments on the one hand and the shrewd evasions of this political, sly, and crafty monarch on the other, I take the liberty of respectfully referring Your High Noble Lordships to the Daily Register, accompanying this under Letter K, where everything is recounted in detail, and merely noting here that after a conference of 3½ hours, I had to return home fruitless and as wise as I had come, protesting nonetheless in the most forceful manner, both against the contempt and the insult offered to the person of him who represented Their High Noble Lordships here, and against his stubborn nature in refusing to enter into negotiations with me regarding matters that were of the utmost importance both to his realm and to the Honorable Company. As soon as I had received the news that this monarch had arrived, I immediately dispatched thither the scribe with the bookkeeper Cherijn (who is indispensable due to his great skill in Malay literature, and was specifically selected by me for that reason) with a paper concerning the renewal of the treaties, along with fourteen other articles, which I have the honor to respectfully attach hereto under the annexes marked Letter C, and had caused to be translated into the Malay language. These articles, Right Honorable Lord and Honorable Sirs, after a careful examination of the state of affairs concerning this realm, I have judged to be the most essential for the Company's interest, this being the only means to prevent the illicit trade and smuggling of pepper and tin, both by the king and the residents, and to allow the Honorable Company to enjoy the linen trade, as well as to make the Company's currency current, adding hereto that I would have the honor to send His Highness some articles concerning the new convention for perusal, over which His Highness could deliberate with his state councilors, and I could regulate my measures according to his given answer; whereupon His Highness replied that he would first go to the seashore and return in three or four days, which return, however, did not take place for eight days. as I shall have the honor of demonstrating as clear as day to Your High Noble Lordships in the continuation of this, notwithstanding the fact that, upon the failure of this, I have devised an entirely different means to outsmart the monarch in his craftiness; meanwhile recommending them to urge the monarch in my name to make haste in these matters, which were designed solely for his benefit, and to let me know when I should appear at court to receive his definitive resolution concerning them; furthermore, to protest once again against the slight shown both at the reception and at the escorting of a person representing his high principals; that such a sensible affront had been done not to my person alone, but principally to Their High Noble Lordships, who had been pleased to invest me with this character; that His Highness's embassy to Batavia was received in an entirely different manner; but this monarch was not to be dissuaded from his opinion, saying once again that he recognized no commissioner without letters of notification and credentials, adding that he was well assured that Their High Noble Lordships, far from paying them any honor, would not even receive his ambassadors if they carried no letter from His Highness, and that the paying of honor was rendered not so much to the persons, but to the letters of the king. Anticipating such an answer well in advance was the reason why I gave the scribe and the aforementioned bookkeeper my instruction, signed by Your High Noble Lordships, after having first impressed it in red sealing wax with the Company's seal—which makes a great impression and imparts great authority to people who cannot read our script—with orders to display it to His Highness should he come forward with such evasions; which having been done, the monarch changed his tune somewhat, finally saying that he was willing to believe, although there were no reasons obliging His Highness to do so, that I was sent by Their High Noble Lordships, and that for that reason he wished to receive me henceforth somewhat more distinctively and gladly with a salute of some cannon shots, if provided with gunpowder. Furthermore, the delivered articles having been read to the monarch, His Highness answered each of them in an equivocal manner, which this monarch understands as perfectly as the Oracle of Delphi ever did; nonetheless, certainly to gain time, His Highness assured me that he would submit these articles for examination and deliberation to a grand assembly of the realm, whose principal members happened to be gathered together at that very time from all parts of the uplands to present the king with the customary gifts upon the conclusion of their puasa or fasting period.
Dutch transcription
366 Van Palembang den 21. September 1755. Van Palembang den 21. September 1755. en de bijvoeging eeniger articulen sprak, en of het laatste met den Hoog zal: Heer Patras in 1722. gesloten, niet goed was, antwoorde ik zijn Hoogheijd, dat bij aldien se niet goet ware, ik van geen vernieuwing maar wel van een verandering zoude hebben gesproken, dat of dit laast Contract goet en opregt was, zijne hoog„ heijt door eene al te groote toegeventheijd van Haar Hoog Edelhedens van Jaar tot Jaar niet te„ „genstaande alle amicable vermaninge, met het toelaten van sluijkerijen aan zijne onder„ „danen ende Chineese natie, veragteloos hadde gemaakt. Edog om uw Hoog Edelhedens dierbare atten„ „tie met een lang en verdrietig verhaal met alle de redenkavelingen aan de eene, en de schrandere uijtvlugten van desen politicquen, loosen en listigen vorst aan de andere kant, niet dubbeld lastig vallen, gebruijk ik de vrij„ „heijt uw Hoog Edelhedens na het Dag-Register, desen sub L„ra K versellende, alwaar alles breed„ „voerig verhaald werd, met hoge eerbied te renvoijeeren, en hier eenlijk te noteeren, dat ik na eene conferentie van 3½ uur, vrugteloos en so wijs als ik 'er gekomen was, hebbe moeten t'huijs keeren, protesteerende des niet te min op de aller kragdadigste wijse, zo tegens de veragting en den hoon, aan den persoon van die geen die Haar Hoog Edelhedens hier ter plaat„ „se representeerde, aangedaan, als tegens zijn onbuijgsamen aard om met mij in onderhan„ „deling te treden over saken, die soo voor zijn rijk, als voor d'E Comp:e van het uijterste belang So dra de tijding ontfangen hadde, dat desen vorst g'arriveert was, sond ik op het moment den scriba met den boekhouder Cherijn (die wegens zijn groote bequaamheijt in de maleijtsche literature noodsakelijk is) en door mij, om die reden, daar toe expres wierd uijtgekipt met een pappier concerneerende de vernieuwing der tractaten, benevens nog veertien andere articulen, die ik hier nevens d' eere hebbe onder de bijlagen sub L„ra C. met eerbied te voegen en in de maleijdsche taal had laten oversetten, na derwaarts. Dese articulen, Hoog Edele Heer en wel Edele Heeren! hebbe ik naar eene nauwkeurige examinatie der gesteldheijd van saken, dit rijk betreffende, voor 's Comp„s Jnterest de aller noodsakelijkste g'oordeelt, zijnde dit het eenigste moijen, om den sluijk=en=mors„ handel van peper en thin, zo door den koning, als de residenten te beletten en d'E: Comp:s van de Lijwaat=handel te doen Jouis„ „seeren benevens 'sComp„s munt gangbaar waren, hier nog bijvoegende, dat ik de Eer zoude hebben zijn Hoogheijt eenige articulen, concer„ „neerende de nieuwe conventie, ter speculatie toe te senden, waar over zijn Hoogheijt met des„ „selfs rijks=raden konde delibereeren, en ik mijne gegeven antwoord antwoord reguleeren, waar op syn messures na zijn Hoogheijt repliceerde eerst omzaag na de zee-strand te zullen gaan, en voor drie â vier dagen weder te rug keeren, welke welke te rug komst egter niet voor 8. dagen geschied; waren Nol. 2 te 367 Van Palembang Den 21. September 1755. Van Palembang Den 21. September 1755. te maken, gelijk in't vervolg deser d'eere zal hebben u Hoog Edelhedens zonne klaar aan te toonen, niet jegenstaande ik bij mislukking van dit, een gantsch ander moijen hebbe uijtgevonden, om den vorst in zijne loosheijt te verkloeken, intusschen haar lieden recommandeerende, den vorst uijt mijn naam den spoed in dese zaken aan te bevee„ „len, welke niet als ten zijnen voordeele ingerigt waren, en mij te laten weten, wanneer aan 't hoff, om zijne definitive resolutie dien aan„ „gaande, t' ontfangen, zou verschijnen; voorts nogmaals te protesteeren wegens de betoonde kleijnagting, so bij de receptie, als de uijt„ geleijding aan een persoon, die zijne hooge principalen representeerd; dat sulk een sensi„ „ble affront, niet aan mijne persoon alleen, maar wel principaal aan Haar Hoog Edelhed:s die de goedheijt gehad hadden, mij met dit Caracter te bekleden, geschied was; dat zijn Hoogheijts ambassade te Batavia op een gantsch andere wijse gerecipieerd wierde; dog dese vorst was van zijn sentiment niet te detourneeren, nog„ „maals seggende, geen commissaris sonder brieven van advertentien en credentien te kennen, met bijvoeging, wel versekert te zijn, dat Haar Hoog Edelhedens zijne ambassadeurs, verre van die eenige eere aan te doen, niet eens zouden ontfangen, bij aldien se geen brief van zijn Hoogheijt hadden, en dat d' eer bewijsing niet so seer aan de persoonen, maar aan de brieven des konings geschiede:, Dusdaenig een antwoord wel te gemoet siende, maakte de reden uijt, waarom ik den scriba en voorm: boekhouder mijne door u Hoog Hoog Edelhedens getekende jnstructie, na alvorens 's Comp„s zegul dat op menschen, ons geschrift niet konnende lesen, een groote inpressie maakt en groote authoriteijt bijset in raden lacque gedruck te hebben mede gaf, met ordre deselve aan zijn Hoogheijt te verto„ nen, bij aldien met sodaenige uijtvlugten, voor den dag quam, het welk geschied zijnde veranderde de vorst eenigsints van thoorn, zeggende eijnde„ „lijk, wel te willen gelooven, schoon er geen reeden waeren, die zijn Hoogheijt daar toe verpligteden, dat ik door haar Hoog Edelhedens was gesonden, en mij uijt dien ^ aanstaande wel wat distincter en garen met het salut van eenige canon schooten wilde ontfangen bij aldien van kruijd voorsien was. Verders de vorst de overgesondene articulen voorgelesen zijnde, antwoorde zijn Hoogheijt op ieder derselve op eene equivoque wijse, het welk dien vorst so perfect verstaat als ooijt het orakel van Delphos verstaan heeft) niet te min liet zijn Hoogheijt seker om tijd om tijd te winnen, mij versekeren dat dese articule„ in eene groote rijx vergaderingen welkers voornaamste Leden Juijst op dien tijd op alle plaatsen, van de bovenlanden, om de gewoone geschenken, wegens de eijndiging hunner poassa of vasten= tijd aan de koning te praesenteeren, bij elkanderen waaren, ter examinatie en deliberatie zoude overgeven waaren Voorts Nol. 2
English
369 Palembang the 21. September 1755. From Palembang the 21. September 1755. Furthermore, for the greater elucidation of matters concerning this realm, I shall here note in passing that this king is by no means sovereign in his states and cannot conclude matters of such or similar weight without his councilors of state and even the commoners. Thus, in order to obtain anything, one must not only persuade and win over the king, but also make oneself beloved and committed among the grandees and the commoners, which has indeed been the principal pivot on which my political mechanisms have turned to make me succeed, as shall be shown hereafter. The government of this kingdom consists of a mixture of monarchical, aristocratic, and democratic members, who deliberate together over matters of importance concerning the realm, the king alone being the absolute master over his domestic and household affairs, with full power to have punished, without reproach from anyone, both his relations and domestics and subjects, even with death, whether they have deserved it or not. Which, in the continuation of this, when I shall have the honor to treat of the Constitution of this kingdom as a matter of the highest necessity in order to be able to make use of it in the course of time, since most mistakes are made because one is ignorant of the constitution and situation of the country, the people, and the government. Further, having waited four days after sending the aforementioned articles, I made in that meantime daily my utmost effort to make myself beloved and agreeable to the Lord Crown Prince and other princes of the blood, the court grandees, and even the commoners by all kinds of means, but especially those pleasing to the greedy native. Through this, my proposals were often brought to the table by some in the great state assembly, which was held during all that time both with the king and with the Crown Prince and was only broken up by the night, yet always ended fruitlessly by being outvoted. The sultan hereupon, after a preceding presentation of my humble respect, having de novo sent to ask the Court when I should have the honor to appear at the Court to receive an answer to my propositions, His Highness very politely sent me greetings and word that he would have me fetched in two days in the morning with His Highness's vessels, with the notification that all his subjects trembled with fear over these propositions and novelties, weeping day and night and crying out: the Realm of Palembang is lost and goes to ruin; that everything was disturbed and alarmed even up to Banca; that such novelties could hardly be impressed upon the simple mountain folk to make them recognize and accept these propositions as good and advantageous to them. 371 From Palembang the 21. September 1755. From Palembang the 21. September 1755. Meanwhile, I did not fail to profit from this small interval of time, letting no moment go to waste in which everything was not set in motion that my meager knowledge suggested to me, in order to subvert this court underhand in its designs through the divulgation of various materials of hope and fear, of threats and promises, backed by some presents, and to moderate and satisfy the minds of both great and small, until finally on the 2. September, I was fetched by the sultan's deputies—who, through the effect of my protests against the previous dishonorable reception, then consisted of the most prominent of the realm, and addressed me no longer as before as a son but as a brother of the sultan—and was received for the second time, though with much more distinction than before, by the sultan, who, together with the Crown Prince, each in particular, after the exchange of some compliments on both sides and a small discourse on the state of affairs concerning His Highness's realm, handed me the following answer in writing to my propositions, which I have accompany this letter under Litra D. E. & F. for the inspection of your High Nobilities. Having subsequently read the same and understood the contents thereof, I despaired of ever obtaining anything advantageous for my high principals from this monarch. Notwithstanding all this, I persevered in the execution of my absolute duty, seeking and attempting to bring the king to reason—who sat on an ordinary chair in the midst of a numerous assembly composed of all the princes, state grandees, the chiefs of the uplands, and the common man—now with gentle, then with harsh or threatening expressions, then with promises, but all in vain. That monarch pointed repeatedly to his subjects sitting around him, and principally the uplanders, His Highness saying that he would indeed grant and consent to everything, but that he had no power to compel his subjects to approve and accept these novelties so terrifying to them, unless they would willingly consent to it. And when that monarch asked them aloud in my presence what they thought of these new propositions and what they answered thereto, they all cried out, rising to their feet, as if with one mouth: they wished to abide by the old Contract of the late Lord Patras, or they could not deliver any Pepper and tin to the Honorable Company in the least! And whether I said that I had not come
Dutch transcription
369 Palembang Den 21. September 1755. an Van Palembang den 21. September 1755. Voorts zal tot meerder elucidatie van zaken dit rijk concerneerende, hier nog inpas„ „sant aanmerken, dat dese koning in zijne staeten gantsch niet souverain is en in zaken van zulk of diergelijk gewigt niet sonder zijne rijxraden en selfs de gemeene kan concludeeren, dus men, om iets te obtineeren, niet alleen den koning moet overhalen en winnen, maar sig ook bemind en g'engageerd maken bij de grooten en gemeenen, het welk wel 't principaalste is geweest, maar op mijne politicque machinen hebben gedraaijd, om mij, soo als in 't vervolg zal werden aangetoond, te doen reuisseeren; bestaande de regeering van dit koning rijk in een Melange van monarchale, aristocraatse en democraatse leden, welke te samen over saken van belang, het rijk concerneerende, delibereeren, zijnde den koning alleen den volkomen meester over desselfs domesticque en huijselijke saken, met volle mogt, om sonder reproche van iemand, so wel zijn verwanten als domesticquen en onderdanen, selfs met de dood, 't zij deselve het verdient hebben of niet, te doen straffen, het welk in't vervolg van desen, als d'eere zal hebben over de Constitutie deses konigs rijks, als eene ten hoogsten nood„ „sakelijke materie, om sig in 't vervolg van tijd daar van te konnen bedienen, te handelen, wordende de meeste fauten begaan door dien men de constitutie en situatie van land, volk en regeering ignoreerd. Wijders vier dagen na 't senden van voorm: articulen gewagt hebbende, deed ik indien tusschen tijd dagelijx mijne uijterste poging, om mij door alderleij, maar insonderheijt den hebsugtigen Jnlander aangename middelen bemind en aangenaam bij den Heer Croonprins en andere princen van den bloede, de hofs gro„ „ten en selfs het gemeen te maken, waar door mijne voorslagen dikwils in de grote rijx vergadering, die dien gantschen tijd door soo bij den koning als den Croonprins wier„ „den gehouden, en niet als door de nagt gescheij„ „den, door sommige op het tapijt gebragt wier„ „den, dog door overstemming altijd vrugteloos afliepen; Den sulthan hier op, naar eene voor afgaande aan presentatie van mijn nedrig respect, de novo hebbende laten 't Hoff vragen, wan„ „neer d' eere zouden hebben aan 't Hoff om ant„ „woord op mijne propositien t' ontfangen, te verschijnen, so liet mij zijn Hoogheijt seer beleeft groeten en weeten, mij over twee dagen 's morgens met zijn Hoogheijts seer beleeft grooten en weeten, mij over twee dagen 's morgens met zijn Hoogheijts vaarthuijgen te zullen laten afhaelen, onder advertentie, dat alle zijne onderdanen over dese propositien en nieuwigheeden van vreese beefden, en dag en nagt weenen uijtroepende: het Rijk van Palembang is verlooren en gaat te grond, dat alles geturbeerd en selfs tot op Banca g'allormeert was! dat sulke nieuwig„ „heeden den onnoselen berg volkeren qualijk Wijders konde 9 108 8„ Nol. 28 371 Van Palembang den 21. September 1755. Van Palembang den 21. September 1755. konde werden ingeprent, om dese propositien voor goed en voor haar voordeelig te doen erken„ „nen en aanneemen. Ik liet ondertusschen niet na, om van dese kleijne tusschen ruijmte van tijd te profiteeren, latende geen moment verlooren gaan in de welke niet alles in't werk wierd gesteld, dat mij mijne geringe kennisse aan de hand gaf, om dit hof onder de hand met divulgeering van verscheijde stoffen van hoop en vrees, van dreijgementen en beloften, gestaafd met eenige presenten in zijne desseijnen t' onderkruijpen, en de gemoederen van groot en kleijn te mo„ dereeren en te vreede te stellen, tot ik eijndelijk den 2. ' september, doos 's sul„ „thans gecommitteerdens, die door 't effect mijner protestatien tegens de voorgaande dis honorable inhaling toen uijt de voor„ „naamste des rijks bestonden, en mij niet meer als voor heen een soon maar broeder des sulthans tituleerden, afgehaald en voor de tweedemaal, egter met veel meer distinctie als voor heen, van den sulthan gere„ „cipieert wierd, die benevens de Croonprins ieder in't bijsonder, mij maar 't afleggen eeniger complimenten aan weerskanten en een kleijn discours over de gesteldheijd van saken, zijn Hoogheijts rijk betreffende, het volgende antwoord in scriptis op mijne propositien overhandigde, het welk ik tot speculatie van u Hoog Edelhedens hier nevens onder L„ra D. E. & F. desen late versellen; het selve vervolgens opgelesen en den inhoud daar van verstaan hebbende, wanhoopte ik, ooijt of ooijt iets voordeeligs voor mijne hooge principalen) van desen vorst te zullen obtineeren; ik volharde, dit alles ongeagt, egter in de func„ „tie van mijne volstrekte pligt, soekende en tragtende den koning, die in't midden eener talrijke vergadering, gecomponeerd van alle de princen, rijxgroten, de hoofden der bovenlanden en den gemeenen man, op een gemeene stoel sat, dan met sagte dan met harde of dreijgende expressien, dan met beloften, dog alles vrugteloos, tot reden te brengen, wysende dien vorst telkens op sijne rontsom sittende onderdanen, en prin„ „cipaal de bovenlanders, zeggende zijne Hoogheijt, alles wel wilde toestaan, en inwilligen, maar dat geen magt hadde zijn onderdanen te dwin„ „gen, dese voor haar so verschrikkelijke nieu„ wigheeden, goed te keuren en aan te neemen, bij aldien zijlieden niet goedwillig daar in wilden consenteeren; en wanneer dien vorst haar=lieden overluijd in mijn praesentatie vroeg, wat of zij lieden van dese nieuwe propositien dogte, en wat zij daar op ant„ woorde. criepen zij alle, over eijnd reijsende, als uijt eenen mond uijt: zij wilden bij 't oude Contract van den hoogzaligen Heer Patras blijven, of zij konden in't minst geen Peper en thin aan D'EComp: leveren! en of ik al zijde niet gekomen onder - fol. 28
English
373 From Palembang, the 21st of September 1755. From Palembang, the 21st of September 1755. to be to annul this Contract, but to renew it and to add some articles thereto for mutual benefit, yet all of this could not help, but they remained immovably by their position. However, since all the discussions held on both sides during this long audience would be too long and tedious to repeat herein, I humbly request Your High Nobilities to inspect the Daily Register sub Page 18 et seq. regarding this, to which I respectfully refer myself; I only must add that, when I saw that nothing would help, I earnestly told the monarch that, in the event His Highness let me depart from the Palembang court in shame and with business unaccomplished, I would not answer for the consequences that could and surely also must result therefrom, assuring His Highness that then, before long, someone would come to pay His Highness a second visit, but in a manner entirely different from this one and indeed far more unpleasant; that His Highness should at least answer my propositions and state the articles of his objections, which he might deem to have in this regard, so that, upon arriving in Batavia, I might give my high principals an orderly report of my commission and of His Highness's inflexibility; This threat was finally of such effect that the monarch, after a great murmuring between His Highness and his numerous assembly, not only addressed me more amiably, but also promised to hold another great council of state to deliberate, as to what definitive answer should be given to the presented articles, upon which I took my leave and went away dissatisfied. Having arrived home, I was once again, as before, contemplating all imaginable means and ways to outwit this unbending monarch and stubborn councillors of state through one cunning manner or another into granting some condition; beginning first to make him anxious through all kinds of divulgences, and subsequently tickling him four times in succession there and at the spot where his great greed caused him the most itching; Under these circumstances, I also did not forget to render some similar agreeable services to the Lord Crown Prince, whom shortly thereafter I had the honour of visiting, and to the most covetous councillors of state, all of which was of such success that when I requested on the 6th of September to be admitted to an audience and to request an answer to my presented propositions, I was fetched by six of his most prominent ministers, among whom His Highness's prime minister was one, and received and treated in a much more distinguished manner, indeed to such an extent that the conference was now arranged in a completely different and more favorable tone. I did not fail to profit at that moment from this so fortunate event to extract, if possible, something advantageous therefrom for my high principals, very humbly requesting His Highness to kindly deliberate well in answering my propositions, and at the same time to remember that His Highness, through the precious alliance with the Honourable Company, has now already been a peaceful possessor of his throne for 34 years and still is; that the friendship of the Honourable Company must be of the highest value and inestimable to His Highness; that the renewal of the contracts and the appending of some separate articles would not be necessary if no breach of that Contract had been committed by His Highness or his subjects; that my propositions contained nothing but advantageous conditions for His Highness's realm; To this, this monarch answered with much composure and in a polite tone the following: I acknowledge the goodness of the Honourable Company and that of the High Government in Batavia; I also well know how to value their friendship, without which I am nothing nor can do anything, being inclined always to live in good understanding with the Honourable Company, whose pepper gardener I merely am, and through whose high favor I wear this coat, and must also seek my protection under her wings; but I declare in sincere truth that I cannot bring my subjects, and especially the mountain peoples, to innovations or they will devastate the pepper gardens or transport that grain over the mountains to Croé and Bancahoela, belongs to the English, but I promise henceforth to deliver all the pepper and tin to the Honourable Company; Whereupon I answered that if His Highness wished to clear his promise of all semblance of suspicion and distrust and make Their High Nobilities believe it, His Highness should then determine the quantity of pepper and tin that he would annually deliver to the Company, and establish this determination in a separate article; that I was very well informed that His Highness's realm could produce 3,000,000 lb of pepper and a similar number of tin; Whereupon the monarch replied: over the tin, as it is made by human hands, I am master and can determine the quantity of the delivery, but as for the pepper, the growth of that grain rests in God's will and pleasure, and therefore I cannot possibly determine any quantity; To this I replied that the pretext of a bad crop would always give occasion for smuggling, as has happened heretofore, but to this the king knew to add to me: I would the favor pepper
Dutch transcription
373 Van Palembang den 21. Sept: 1755. Van Palembang den 21. September 1755. te zijn om dit Contract te vernietigen, maar te vernieuwen en eenige articulen ten wederzijdse voordeele daar bij te voegen, kon egter alles niet helpen, maar bleven onverrukkelijk bij hun stuk. Dog vermits alle de discourssen, bij dese lange audientie aan weerskanten gehouden, te lang en verdrietig zouden val„ „len in desen te repetieeren, so versoeke uw Hoog Edelhedens ootmoedig dien aangaan„ „de het Dag=register sub Pag: 18: et seg: na te sien, waar aan mij met Eerbied re„ „fereerde, eenlijk nog moet seggen, dat, toen ik zag, dat alles niet helpen wilde, ik den vorst met ernst toevoegde, dat, bij aldien mij zijn Hoogheijt beschaamd en onverrigter zaken van't Palembangse hof liet vertrekken, ik voor de gevolgen, die daar uijt konden en seker ook moesten resulteeren, niet wilden instaan, zijn Hoogheijt versekerende, dat als dan in't „kort zijn Hoogheijt een twede visite zou komen geven, maar op eene wijse gantsch verschillende met dese en wel onaangena„ „mer; dat zine Hoogheijt mijne propo„ „sitien ten minsten zou beantwoorden en desselfs beswaarnis, die vermeenen mogte dien aangaande te hebben, articulatien opge„ „vven, om, op Batavia komende, mijne hooge principalen een ordentelijken verslag van mijne commissie en zijn Hoogheijts on„ „buijgsaamheijt te komen doen; Dit dreijgement was eijndelijk van sodaenig effect, dat den vorst, maar een groot gemompel tusschen zijn Hoogheijt en zijn talrijke vergadering, mij niet alleen min„ samer aanspraak, maar ook beloofde nog een groten rijxdag te zullen houden, om te delibereeren, want men op de gepresenteerde detmity articulen voor divinitivos zoude doen ant„ woorden, waar op ik mijn afscheijd nam, en onvergenoegt henen ging. 'T huijs g'arriveert zijnde, was ik wederom als voren op alle imaginable middelen en wegen bedogt, om desen onbuijg„ samen vorst en hardnekkige rijx raden, door d' eene of andere listige wijse, tot het inwilligen eeniger voorwaarde te verkloeken; beginnen„ „de denselven eerst door allerlij divulgeerin„ „gen benaauwd te maken, en hem vervolgens viermaal agter elkanderen te kittelen daar - en ter-plaatse waar hem zijne groote gierigheijt de meeste Jeuk veroorsaakte; Den Heer Croonprins, dien ik kort daar aan d' Eer had een visite te geven, en de meeste heb=sugtige rijx raden, vergat ik bij dese omstan„ „digheden ook niet, eenige diergelijke aangename diensten te bewijsen, het welk alles van een sodani„ „gen succes was, dat wanneer ik den 6: Septem„ „ber versogt had ter audientie g'admitteert te werden, en antwoord op mijne gedane propositien te versoeken; ik door ses zijner voornaamste ministers, waar onder zijn Hoogheijts rijx Dit bestierder Nol. 2 de ƒ 375 Van Palembang den 21. September 1755. Van Palembang den 21. Sept: 1755 behoort aan de Engelschen. bestierder een van was, afgehaald en op een gantsch distincter wijse gerecipieerd en getracteerd wierd, ja diermaten, dat de Conferentie nu op een gantsch andere en favorabelder thoon wierd geschikt. Jk liet niet na om van dit so gelukkig evenement op dat ogenblick te profitee„ „ren, om was het mogelijk, iets voordeeligs voor mijne hooge principaalen daar uijt te trecken, versoekende, zijn Hoogheijt zeer ootmoedig sig dog in 't b'antwoorden mijner pro„ „positien wel te willen beraden, en sig teffens te herinneren, dat zijne Hoogheijt door de dierbare alliantie met d'EComp: nu reets 34. Jaren een geruste besitter van zijn throon geweest en nog is, dat zijn Hoogheijt de vriendschap van d'E: Comp:e ten allerhoogsten dierbaar en onwaar„ „deerlijk moet zijn; dat de vernieuwing der contracten en het annexeeren eeniger separate articulen niet nodig waren, bij aldien in dat Contract door zijne Hoogheijt of desselfs onder„ „daenen geen inbreuks was geschiet; dat mijne propositien niets behelsden, als voordeelige voorwaerdens voor zijn Hoogheijts rijk; hier op antwoorde dese vorst met veel bedaren, en een beleefden thoon het volgende; ik erkenne de goedheijt der EComp:e en die der hooge regeering te Batavia; weet ook wel hare vriendschap, sonder dewelke ik niets ben, nog vermag, te wardeeren, zijnde ge„ negen, om althoos in een goede intel„ „ligentie met d'EComp:e, wiens peper thuij„ nier ik slegts ben,) en door wiens hoge gunst ik dit kleedje draag, te leveren, ook mijne bescherming onder hare vleugelen moet soeken, maar ik verklaar met de opregte waarheijt, dat ik mijne onderdanen, en insonderheijt de berg volkeren, tot nieu„ „wigheden net kan brengen of zij ver„ woesten de Peper thuijnen of vervoeren dien corl over 't gebergte naar croé en Banca „ bancahoela „hoela, maar ik beloof voortaan al de peper en thin aan D' EComp: te zullen leveren; waar op ik antwoorde, dat bij„ aldien zijn Hoogheijt zijne belofte van alle schijn van suspitie en agterdogt wilde suijveren en aan Haar Hoog Edelhedens doen geloven, zijne Hoogheijt als dan de quantiteijt van peper en thin, die aan de Comp:e 's Jaar„ lijx zoude leveren, zoude bepalen, en deese bepa„ „ling bij een separaat articul vast stellen; dat ik seer wel g'informeerd was, dat zijn Hoogheijts rijk 30.00000. lb. peper en een diergelijke getal konde uijtleveren aan thin;, waar op den vorst repliceerde: over den thin, als werdende met menschen handen gemaakt, ben ik meester en kan de quantiteijt van de Leverantie bepalen, maar wat aanbelangt de peper, het gewas van dien corl staat in gods wil en welbe„ „hagen; en dierhalven geen quantiteijt onmoge„ „lijk kan bepalen; hier op antwoorde ik, dat het pretext van een slegt gewas, altijd aanleijding tot sluijken, so als voor desen geschied is, zou geven, maar hier op wist mij de koning toe te voegen: Jk soud de gunst peper Nol. 2 6 2