Inventory 2865
Surat · 279 pages · 148 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
From Coromandel, the 24th of December 1754. What mendacious language the aforesaid Moracin has resorted to in order, if it were possible, to justify the unreasonable conduct and violence he employed, and which was also pointed out to the French governor notified by us in a letter of the 12th instant. And in the second letter, the same man, together with his council, stated that he had learned from our missive of the 3rd preceding of the protest made by us and Bloeme against the violence and affront committed against the latter, seeking to refute this by declaring that it would not be difficult for them to make everyone see that the basis and foundation of our proceedings were anything but fair, adding the falsehood that we had ordered Bloeme to go to the Mazulipatnam Commandant, to announce his arrival, and to request permission to bring in his goods, and that this meant acknowledging a supreme authority, without the same ever having been practiced by them when their nation had only a lodge there, and which supreme authority could originate from nothing else than a lawful conquest over the enemy by their nation, which had made itself master of it, which was further confirmed by an authentic donation. Making at the same time many glosses regarding sovereignty, asking whether, when we had arrogated to ourselves the trade of the Molucca Islands, we would have permitted the Portuguese, whose right was older than ours, to come and plant their flag, or would have tolerated a foreign ship arriving there, further adding other frivolous positions and remarks concerning the conduct maintained by Bloeme, among others also that Monsieur Moracin had wished to have the Dutch flag taken down while it had not yet been attached, since the topmast was only just being raised. Besides this, Bloeme was said to have made Monsieur Moracin believe that a treaty had been made in the fatherland concerning this matter, without our having exhibited it to the French; along with more other vexatious matters, which do not even merit the attention of Your High Nobles. We replied briefly to this, expressing our astonishment at perceiving how they now came to claim the Dutch lodge as masters, and also to approve the violence used by the French chief at Mazulipatnam against our newly appointed second-in-command there, declaring it to be unknown to us when the French, upon attacking Mazulipatnam, had also captured the Dutch lodge in a hostile manner, since we did not interfere with the Moorish affairs, but kept ourselves neutral; just as it was also not known that anyone had the power to give away the grounds and lodge of the Dutch East India Company to others; just as we also declared that we had not requested permission to send our servants to Mazulipatnam again for trade, but merely gave notice thereof and requested that orders be given so that no dispute would arise, because no one needs permission to enter into his own property, which was never abandoned, but always held in possession; and in case Bloeme had requested permission from their chief to pass his private goods, such was not our order, but ought to be regarded as a domestic courtesy; but that we did not express ourselves concerning the examples adduced, leaving the dispute thereof to our high superiors, as we did not consider ourselves authorized thereto, etcetera. Alongside this, our greater astonishment was also made known regarding the assertion that Monsieur Moracin had not had the Dutch flag taken down because the topmast was only just being hoisted, since we were all too well informed, both by Bloeme and by others, that not only had the topmast been set up, but the Dutch flag had also been hoisted, which Monsieur Moracin had ordered to be struck, and when Bloeme said that he could not or might not do so, having orders from us to that effect, Monsieur Moracin had sent some gunners or sailors, whichever one might call them, with some armed men to our lodge, some of whom had climbed up, hauled down the flag, and lowered the topmast, against which Bloeme had protested in the name of our sovereign, though not in such terms as the French ministry had set down in their letters, as could also be clearly verified from the letter of Monsieur Moracin sent to us in copy, that the Dutch flag had already been hoisted, for the verification and conviction of which that item was inserted in our letter in their own language. And as for a European treaty, that nothing was known about it, nor had such been written to Bloeme, just as nothing concerning it was written among his papers, so that one had to assume the same was merely alleged by Monsieur Moracin to present his case more handsomely; but we finally said that we would not express ourselves further on those matters, and therefore it was far the best for each to submit to his high superiors, in order to prevent further estrangement, and thus to await their order and pleasure in order to obey them, all appearing more circumstantially from the letters exchanged back and forth, to which we respectfully refer for the rest.
Dutch transcription
149 Van Cormandel den 24. December 1754. — Van Cormandel den 24. December 1754. — wat een logentaal voorsz: Moracin zig heeft beholpen, om was het mogelijk, zijn gebruijkte onreedelijkheeden en geweld goed te maken, en't welke ook door ons aangesegden francen gouverneur aangetoond is geworden bij letteren van den 12. ' courant, En bij het tweede schrijvens zegd denselven met zijnen raad, uijt onse missive van den 3:' bevoorens vernoomen te hebben het gedaan protest door ons en Bloeme tegens de gebruijkte violentie en affront aan desen laatsten gepleegd, willende het selve wederleggen met te betuijgen, haar niet swaar te zullen vallen om aan de oogen van een ieder te doen zien, dat den aanleg en het fondament van onse proceduuren, alles be„ „halven billijk waren, met een leugenagtig bijvoeginge, dat wij Bloeme zouden gelast hebben bij de Mazulipatnamse Commandant te gaan, zijn aankomst bekend te maaken en permissie te verzoeken tot het binnen brengen van zijne goederen, en dat zulx was, een oppergezag te kennen, zonder dat het zelve nooid bij hen was gepractiseerd, toen haare natie daar maar een logie hadde, en welk oppergezag nergens van daan konde komen, dan van een wettige overwinnige van den vijand, door derselver natie, die er zig meester van gemaakt had, 't geen nog nader door een authenticque donatie was bevestigd, maakende teffens veele glossen over de souverainiteijt, met vrage dat toen wij ons aangematigd hadden de commercie van de molucse eijlanden of zouden toegestaan hebben, dat de portugeesen, wiens regt ouder dan het onse was, haare vlagge quamen planten, dan of verdragen zouden dat 'er een vreemd schip ginter quam , met verdere bijvoeginge van nog andere nietige positien en aan„ „merkingen over het gehouden gedrag door Bloeme, onder anderen ook dat Mons„r Moracin de hollandse vlag hadde willen laten afneemen, daar die nog niet aangeslagen was, wijle de steng eerst wierd opgeheift; buijten des zoude Bloeme Mons„r Moracin wijs gemaakt hebben, dat 'er in het vaderland raakende dese affaire, een tractaat gemaakt was, zonder dat wij het selve aan de francen g'exhibeerd hadden; met meer andere verdrietige dingen, die niet eens meriteeren uw Hoog Edelheedens aan„ „dagt: wij hebben daar op kortelijk geandwoord met verwondering ontwaard te hebben, hoe zig nu de hollandse logie als meesters quamen toe te eijge„ „nen, en ook te approbeeren het gebruijkt geweld door 't frans opperhoofd te Mazulipatnam aan onsen nieuw aangestelde secunde aldaar, met verklaring ons onbekend te zijn, wanneer de francen mazulip„m geattacqueerd, de hollandse logie meede vijandelijk hadden ingenomen, wijl wij ons met de mnhoorse zaaken niet hebben bemoeijd, maar neutraal gehouden; zoo als men ook niet wist iemand magt had de gronden en logie van de Nederlandse oost Jndische Comp:e aan andere weg te schenken; gelijk wij ook verklaarden geen permissie versogt te hebben om onse bediendens weder ter negotie na Mazulipatnam tesenden, maar wel alleen daar van kennisse gegeven en versogt ordre te stellen, dat er geen verschil voorviel, wijl vlagge niemand He d d 151 Van Cormandel den 24. December 1754. — Van Cormandel den 24. ' December 1755. — niemand permissie behoefd om in zijn eijgendom te trecken, welke nooit verlaten, maar altoos in possessie gehouden was, en ingevalle Bloeme permissie aan haaren opperhoofd had verzogt, om zijne particuliere goederen te doen passeeren, zulx onse ordre niet was, maar behoorde als een huijsselijke beleefdheijd aangemerkt te werden, dog dat wij over de bijgebragte Exempe„ „len, ons niet uijt maar om dat te bedispueeren overlaten aan onse hooge gebiederen, alzoo ons daar toe niet bevoegd vonden ensz:, waarnevens ook te kennen gegeven is, onse grooter verwonderinge, over het zeggen, dat Mons„r Moracin de hollandse vlag niet hadde laten afhaalen, wijle desteng maar eerst wierd opgeheijst, nademaal wij maar al te wel onderregt waren, zoo van Bloeme als van andere, dat niet alleen desteng was opgeset, maar ook de hollandse vlag bijgemaakt, die Mons„r Moracin belast hadde nedertehaalen, en wanneer Bloeme zeijde zulx niet konde of mogte doen, als daar toe ordre van ons hebbende gehad, mons„r Moracin eenige bosschieters of mattroosen, zoo als men die maar noemen wilde, met eenige gewapende mannen naar onse logie gesonden had, en van welke eenige na boven waren geklommen, de vlag ingehaald en de steng gestreeken, waar tegens Bloeme in name onser souverain had geprotesteerd, dog niet in zodanige termen als het france ministerium bij haare brieven had ter nedergesteld, gelijk ook uijt de brief van Mons„r Moracin ons in Copia toegesonden, duijdelijk konde werden nagegaan, dat de hollandse vlag bereeds was bijgemaakt, tot welkers ve„ „rificatie en overtuijging, die post in haare eijgene taal bij ons schrijvens is geinflueerd; En wat aanbelangde een Europas tractaat, dat men daar van niets wiste, nog zulks aan Bloeme geschreeven hadde, zoo als ook dierwegens niets bij zijne pa„ „pieren geschreeven stond, invoegen men voor onderstellen moest 't zelve maar door Mons„r Moracin is voorgegeven om zijn zaak maar fraaijer voorte„ „stellen; dog wij zeijden eijndelijk dat ons over die zaaken niet verder zouden uijtlaten, en derhalven verre het beste was, een ieder zig te onderwerpen aan zijne hooge gebiederen, om verdere verweijderinge voor te komen, en dus aftewagten derselver ordre en welbehagen om die te obedieeren, alles omstandiger blijkende bij de over en weder gewisselde brieven, waar aan ons voor het verdere re„ verentlijk gedragen. werden waar Leee Heee e
English
153 From Cormandel the 24: december 1754. From Mallabaar the 24. March 1755. Wherewith we commend your High Nobilities' illustrious persons together with the Company's weighty concerns to the safe keeping of God Almighty, and with deep respect subscribe ourselves, underneath was written, High Noble, Right Honourable commanding Lord, and Noble Gentlemen, lower down, your High Nobilities' very humble and obedient servants, signed, S:n Vermont and J:n v:n Teijlingen, in the margin, Nagapatnam in the Castle, the 24. december 1754. Mallabaar Your High Nobilities' original and duplicate separate missive of the 8. october along with a further one of the 8:th November 1754 we have had the honour to receive; and to see therein that your Nobilities, still approving the contract recently concluded with Trevancoor, only please to order us to continue building upon the adopted neutrality as the foundation, to which we serve as a respectful answer that we shall strictly regulate our conduct according to the order, and in the meantime hope that your High Nobilities will not have encountered any disagreeable articles in the aforesaid contract. We are pleased that the promised assistance High Noble, Severe, Right Honourable, and Far-commanding Gentlemen To His Nobility, the High Noble, Severe Lord Jacob Mossel, Governor General, and the Noble Lords Councillors of the Netherlands India, Batavia. 155 From Mallabaar the 24. march 1755. From Mallabaar the 24. march 1755. assistance in Art: 3 to the aforesaid prince against all European nations without distinction has been determined, to the satisfaction of your High Nobilities, according to the circumstance of time; and we wish that His Highness of Trevancoor, through the faithful performance of the contract, and the foreign Europeans through friendly conduct, may keep us clear of any necessity of falling into disputes for the preservation of the rights and prerogatives of our Company. Your High Nobilities fully know that we have laboured with great zeal to uphold the kingdom of Cochim, but that the king, by rejecting our good advice and by imprudently siding with the enemies of Trevancoor, has rendered fruitless all the means that were employed for his own preservation; However, when the king of Trevancoor begins to make preparations to turn his arms against Cochim, we shall, out of love for this kingdom whose boundary markers are so close to ours, once again employ our good offices to keep the crown upon the head of the Cochim ruler; yet if the same have no effect, we shall let the adopted system serve as a compass for our actions; Ceijlon has thus far helped us with the ammunition that we requested from there in order to deliver it to Trevancoor according to the agreement made; but since one cannot rely with any peace of mind on further assistance from the ministers, a substantial requisition of ammunition goods has been made. The slight notification from Trevancoor, that he would request your High Nobilities to allow his pass-pepper to be sent to the Netherlands on the Company's ships, we believe to have been done solely with the intention to test us; yet in case of a further request, we shall excuse ourselves from accepting it, on the pretext of being unqualified to do so. Above the gifts previously given to the landholders and pepper merchants, one will, when the pepper has been delivered in the stipulated quantity, give His Highness another present to the value of five thousand guilders and have the palace of the king of Signattij in the district of Coilan built of stone by the Company's workmen, once they have restored the burned lodge at Calicoilan, now standing in its bare frame, to its former state; although the rebuilding of that ruin is not to be expected from His Highness, and therefore will not be undertaken by us either, nor will the lodge of Tengapatnam be moved to Colletje; The thirteen thousand ropias withheld for the debt of Attingen we have had to refund to the king of Trevancoor, since he could not or would not regard the translated memorandum from the Mallabaar trade books as authentic proof of that debit; wherefore we shall always keep this item alive,
Dutch transcription
153 Van Cormandel den 24: december 1754. Van Mallabaar den 24. Maart 1755. Waarmeede uw Hoog Edelheedens Jllustre perzoonen nevens 'sComp„s zwaar„ „wigtige omslag in de veijlige hoede van God Almagtig verbidden, en met diep ont„ „zag ons onderschrijven /:onderstond:/ Hoog Edelen, groot Agtb: gebiedende Heer, en wel Edele Heeren /:lager:/ uw Hoog Edelhedens seer onderdanige, en gehoorsame dienaaren /:getekent:/ S„n Vermont en J„n v„n Teijlingen /:in margine:/ Nagapatnam Jn't Casteel den 24. december 1754. — Mallabaar uw Hoog Edelheedens origineel en Duplicaat aparte missive van den 8. october nevens een nadere van den 8„e November 1754. hebben wij d'eergehad te ontfangen; en daar in tesien, dat uw Edel„ „hedens het Jongst met Trevancoor geslooten Contract nog approbeerende, ons alleen ge„ „lieven te beveelen, om op de aangenomen neutraliteijt als de basis te blijven voort„ „bouwen, waar op wij tot een eerbiedig antwoord dienen, dat wij ons gedrag na het bevel stiptelijk zullen regelen, en intus„ „schen hoopen, dat uw Hoog Edelhedens in't voorsz: contract geen onaangename articulen zullen ontmoed hebben, 'T verheugt ons, dat de toegezegde ad„ Hoog Edele Gestrenge Groot Agtbaare, en wijdgebiedende Heeren Aan zijn Edelheid, den Hoog Edelen Gestr: Heer Jacob Mossel Gouverneur generaal en d' Edele Heeren Raaden van Nederlands Jndia Batavia sistentie d 155 Van Mallabaar den 24. maart 1755. — Van Mallabaar den 24. maart 1755. adsistentie bij Art„ 3. aan voorsch: vorst tegens alle Europeese Natiën zonder onderscheijd tot genoegen van uw Hoog Edelhedens bepaalt is na tijds gelegentheid, en wij wenschen dat zijn Hoogheijd van Trevancoor door de trouwe praestatie van 't Contract, en de vreemde Europeesen door een vriendelijk gedrag, ons houden mogen buijten alle noodzakelijkheijd, om tot conser„ „vatie van de regten en praerogativen onser maat„ „schappije in verwijderingen te geraken. uw Hoog Edelhedens weten volkomen, dat wij met veel Jver g'arbeijd hebben, om het Cochimse rijk staande te houden, maar dat den koning door het verwerpen van onze goede raadgevingen en met zich onvoorzigtiglijk te voegen aan de zijde van Trevancoors vijanden, alle de middelen, die tot zijn eijgen behoud aangewend waren, vrugteloos gemaakt heeft; Wanneer egter den koning van Trevancoor toebereijdzelen begind te maken, om zijne wa„ „penen tegens Cochim te wenden, dan zullen wij ten liefde van dit rijk, welkers grenspalen zoo na bij d'onze zijn, nogmalen onze goede diensten emploijeeren, om den Cochimder de kroon op 't hoofd te houden, dog zoo dezelve van geen uijtwerking zijn, het aangenomen sijsthema laten strekken tot een streekwijzer van onze gedoentens; Ceijlon heeft ons tot nog toe geholpen met de ammonitie, die wij van daar Verzogt hebben, om volgens het gemaakt accoort aan Trevancoor aftelangen, maar dewijl men zich op de verdere assistentie van de ministers met geen gerustheijd kan verlaten, zoo heeft men een ruimen eisch van ammunitie goede„ „ren gedaan, De kennis gering van Trevancoor, dat hij uw Hoog Edelhedens zoude verzoeken zijne pas-peper met 'sComp„s scheepen na Nederland te mogen verzenden meenen wij alleen gedaan te zijn met inzigt, om ons te poezen, dog in cas van nader verzoek, zullen wij ons van dies aanneming verschoonen, op voorwending van daar toe ongequalificeert te zijn. Boven de geschenken voor deze aan de landheeren en peper kooplieden afgegeven, zal men aan zijn hoogheijd, wanneer de peper in de bedongen quanti„ „teijt gelevert is, nog een present doen ter waarde van vijfduijsend guldens en het palijs van den koning van Signattij in het district van Coilan door 's Comp„s werkliepten van steenen laten ophaalen, wanneer deselve de verbrande, en thans in zijn geraamte staande logie tot Calicoilan in zijn voorigen staat sal hersteld hebben, hoewel de herbou„ „wing van die ruine van wegens zijn Hoogheid niet te verwagten is, en dus bij ons ook niet zal ondernomen, nog de logie van Tengapatnam na Colletje verplaast werden; De dertien duijsend ropias voor de schuld van Attingen ingehouden, hebben wij den koning van Trevancoor weder moeten uitkeeren, vermits hij de overgesette memorie uit de Mallabaarse negotie boeken, niet konde of wilde aanmerken als een authenticq bewijs van dat debet, wes wij dese post altoos zullen levendig houden, met 60 zijnde e &
English
From Malabar, 24 March 1755. From Malabar, 24 March 1755. there having been withheld for the captured cannon, with the complete consent of His Highness, f 9900:–:–, and the remainder shall also be attempted to be settled on the pepper to be delivered at the earliest opportunity. The gardens of the King of Signatty have already for a long time been in our hands and valued at f 28598:8:– so that to satisfy His Highness's debt, which amounts to f 82999:11:8, f 54401:3:8 is still lacking. Ezechiel Rahabi and other prominent Jews still keep their residence in this city, and shall, in case the Cochin Realm is conquered by Travancore, be included alongside all other Company's merchants among the number of Your Excellencies' subjects and protected as such, while they shall have the freedom to employ such means as they deem useful for the greatest security of their persons and commerce. We remain obliged to Your Excellencies for the permission to assist Colastri and Adi Raja now and then with ammunition of war, and have these favorable thoughts of these two rulers: that they will acknowledge the indulgence of Your Excellencies in the reduction of a principal advance on the ammunition by an opulent delivery of pepper and other products growing in their country. The cannons delivered to the Prince Regent of Colastri were very poor and of little use for the service of the Company, and if these and other native petty potentates, who are provided with ammunition by the Company, wish to be served with more such pieces, Your Excellencies and the ministers of Ceylon will be informed thereof along with the dispatch of a requisition. Cotteca Marcaar, due to the demise of one of his closest kinsmen and other intervening obstacles, has to date not appeared at Cannanore to speak further with Chief Weyerman about the written agreement in question, but his nephew Cotta Oessan has entered into a contract with the said Chief for five candils of cardamom cabessa, and has already fulfilled it as well. As soon as the King of Travancore returns from the south, the interpreter will be dispatched to His Highness with the letter received from Your Excellencies. Having answered the contents of the aforesaid two separate letters this far, we will now give a brief report of the state of native affairs and some other points which belong under the separate administration. The first who present themselves to us are Thekkumkur and Vadakkumkur, who since our last separate writing of 31 October 1754 until the present have maintained themselves in a good posture of defense, and by their good conduct prevent Travancore for now from making any further progress; From Malabar, 24 March 1755. From Malabar, 24 March 1755. Thekkumkur is master of all the upper lands and Travancore has in the lower lands no more than the strongholds Ettumanoor, Changanacherry and Kottayam; and Vadakkumkur is also still possessor of his entire realm, except for Vaikom and some other places near Kalicheri Bitsjoer, which are in the power of Travancore. The Wallado, which Travancore according to our separate letter of 27 July 1754 intended to have raised from Vaikom up to the mountains, as work on it had already commenced, is not being continued at all any longer, because the people of Thekkumkur repeatedly tore down by night whatever those of Travancore had erected by day. On the other hand, Thekkumkur has built a fortification in his realm at a place named Managoenattoe, and placed a garrison therein of Nairs, Christians and some foreign Europeans and topasses who have entered into the service of this prince; the number of his men bearing arms is estimated at 6000, and Vadakkumkur is also said to have around 3000 men in the field. Travancore, on the contrary, has few people in the places he has taken in the realms of Thekkumkur and Vadakkumkur, and one wonders that this conqueror now shows so little earnestness or has so much trouble making himself master of a country—namely Thekkumkur—which formerly opened its gates, if one may call it so, at the mere report of Travancore's name. Thekkumkur is throughout his entire realm, but especially in the upper lands, in possession of the hearts of his subjects, and also of the pepper, which by its fertility and profitable sale provides the king with the means to bear the burdens of the war; this grain is purchased by the Pandi merchants at the aforesaid place Managoenattoe and carried away on pack oxen through the mountains, and the King of Thekkumkur keeps watch with the utmost vigilance so that no grain of pepper can fall into the hands of Travancore, in order to incapacitate Travancore by the lack of pepper from fulfilling his contract and to cause damage to the Company. Thekkumkur nevertheless strongly desires to be approached by the Company for pepper, imagining that by his willingness to supply the pepper to Your Excellencies, he could move us to assist him with powder and lead and other necessary ammunition; which, if it were to happen, would have the consequence that Travancore would greatly lament the breach of the contract and accuse us that we, by supporting his enemies, sought nothing else than to ruin him and incapacitate him from performing his obligations.
Dutch transcription
157 Van Mallabaar den 24. ' Maart 1755. — Van Mallabaar den 24. maart 1755. E zijnde op het verovert Canon met volkomen toestemming van zijn Hoogheid ƒ 9900:–. – in„ „gehouden, en het resteerende zal men mede bij eerste gelegentheijd op de gelevert werdende peper tragten te verevenen. De parkden van den koning van Signattij zijn al overlang in onze handen geweest en ge„ „wardeert op ƒ 28598: 8. — zoo dat tot voldoening van zijn Hoogheijds schuld, die ƒ82999. 11. 8. groot is, nog ƒ54401: 3: 8. manqueeren. Ezechiel Rhabbij en andere voorname Jooden houden hun verblijf nog al in dese stad, en zullen in cas dat het Cochimse Rijk door trevankoor overheert werd, nevens alle andere sComp„s kooplieden, onder het getal van haar Edele onderdanen begreepen en als zodanige beschermt werden, terwijl zij de vrijheijd zullen hebben van zulke middelen in't werk te stellen, alsze tot de meeste zekerheid van hunne perzonen en commercie zullen dienstig oordeelen; wij blijven uw Hoog Edelhedens verpligt voor de vergunning om colastrij en Adij Ragia nu en dan met ammunitie van oorlog te mogen adsisteeren en hebben deze voordeelinge gedagten van dese twee regenten, dat zij de inschik„ „kelijkheijd van uw Hoog Edelhedens in de vermin„ „dering van een Capitaal advans op de ammunitie door een opulente leverantie van Peper en andere in hun land vallende producten erkennen zullen; D'afgegevene canons aan den prins Regent van Colastrij, waren seer slegt en van weinig nut voorden dienst vande Comp„e, en zoo dese en andere Jnlandsche potentaatjes, die van de Comp: ammonitie verstrekt krijgen, van meer diergelijke stukken willen gedient zijn, zal men onder het overzenden van een eischje uw Hoog Edelhedens en de ministers van Ceijlon daar van kennis geven. Cotteca Marcaar is door het sterfgevaal van een zijner naastbestaande bloedvrienden, en andere tusschen gekomene beletzels tot dato op Cannanoor, niet verscheenen, om met het opperhoofd weijerman nader over de bewuste schriftelijke verbintenis te spreeken, dog zijn Neev Cotta oessan heeft met gem: opperhoofd een Contract van vijf candijlen cardamom cabessa aangegaan, en ook bereets voldaan. zoo dra den koning van Trevancoor van de zuijd terug komst, sal den tolk met uw Hoog Edelhedens ontfangen briev tot zyn hoogheid werden afgesonden. Tot dus verre den inhoud van voorsz: twee aparte missiven b'antwoord hebbende, zo zullen wij nog een kort verslag doen van de gesteldheid der Jnlandsche zaaken en eenige andere poincten welke onder de aparte bedeeling gehooren. De Eerste, die ons voorkomen zijn Tek= en Berkenken, welke zich zedert ons laast apart schrijvens van den 31. october 1754. tot â present in een goede postuur van deffensie gehouden hebben, en door hun goed beleid Trevancoor beletten voor eerst Eenige verdere progressen nut te 159 Van Mallabaar den 24. maart 1755. Van Mallabaar den 24. maart 1755. te maken; Tekkenkoer is meester van alle de bovenlanden en Trevancoor heeft in de beneden landen niet meer als de sterktens Ettemanoer, Changanacherij en Cottatte; en Berkenkoer is ook nog besitter van zijn geheel Rijk, uitgenomen Baij„ „kam en eenige andere plaatsen omtrent Calicherij Bitsjoer, welke in de magt van Trevancoor De Wallado, die Trevancoor volgens onze aparte briev van den 27. Julij 1754. van Baijkam af tot het gebergte toe meende te laten opwerpen, gelijk daar aan reets begonnen was, werd in't geheel niet meer vervolgt, dewijl door die van Te kkenkoer telkens bij nagt om vergeworpen wierd, wat die van Trevancoor des dags hadden opgewerkt; Daar entegen heeft Tekkenkoer op een plaats in zijn Rijk Managoenattoe genaamt een vas„ „tigheijd gebouwt, en daar in een besetting gelegt van Nairos, Christanten en eenige vreemde Europeesen en mixtiesen, die zich bij desen vorst in dienst begeeven hebben; het getal van zijn Manschappen die wapens dragen, werd op 6000: begroot, en Berkenkoer zoude ook omtrend 3000: man op de been hebben; Trevankoor heeft integendeel op de plaatsen, die hij in de Rijken van Tek=en Berkenkoer genomen heeft, weinig volk en men verwon„ „dert zich, dat dezen verwinnaar thans zoo weinig ernst toont of zoo veel moeijte heeft om zich meester te maken van een land /: namentlijk Tekkenkoer:/ dat wel eer op 't gerugt zijn; van Trevancoors naam zijne poorten, indien men 't zoo noemen mag, g'opent heeft, Tekkenkoer is in zijn geheel rijk, maar voornametlijk in de bovenlanden, bezitten van de herten zynen onderdanen, en ook van de peper, die door haar vrugtbaarheijd en voordeeligen sleet den koning middelen verschaft om de lasten van den oorlog te kunnen dragen; dezen korl werd door den Pandijse kooplieden op voorsch: plaats Managoenattoe ingekogt en op draagossen door het gebergte weg gevoert, en den koning van Tekkenkoer laat met d' uijterste toezigt waken, dat geen korl peper van de plaatsen, dien mij Trevantoor door 't gemis„ handen van Trevankoor geraken kan ^ van de peper buijten staat te stellen om zijn contract te voldoen, en de Comp:e nadeel toetebrengen, den Tekkenkoer verlangt nogtans sterk, dat hij door de Comp:e om peper mogt werden aangesprooken, als zig verbeeldende, dat hij door zijne bereijdwilligheijd om de peper aan haar Edele te bezorgen, ons zoude kunnen bewegen om hem niet kruid en loot en andere benodigde ammunitie te adsisteeren, 't geen geschiedende van dit gevolg zoude zijn, dat trevankoor over de verbreeking van het Contract grootelijks zoude daleeren, en ons beschul„ „digen, dat wij door het ondersteunen, zijner- vijanden niets anders zogten als hem te bederven en buiten staat te stellen om zijne verbintenissen te kunnen praesteeren; van maar HLeee
English
From Malabar, 24 March 1755. From Malabar, 24 March 1755. However, we are far from willing to break the contract with Travancore for the sake of Thekkumkur pepper, and imprudently take part in their hostile enterprises against the adopted neutrality, which is presently the foundation upon which we build. Even though, through the channel of Ezekiel Rahabi, who assists Thekkumkur underhandedly with one thing and another, one still obtained a lot of that pepper. It is true that His Highness of Travancore has not yet shown us that he is embarrassed by the Thekkumkur affairs; nevertheless, he uses it as a pretext regarding the non-fulfillment of the contract with respect to the pepper, of which mention will be made hereafter. In the kingdom of Cochin, the Travancorean is master of the places situated between Porca and Motton, which region was possessed and governed by the 72 madampis of Karappuram; and above Porca, Travancore has also taken from the Cochin ruler Kottampoor, Edathua, and Puthotta. But the king of Porca has presently been driven out of his court of Kudamaloor and his entire kingdom, and stays in the land of Cochin. The Travancorean has accused this raja of having lived in understanding with his enemies and having rendered him some opposition, the Porca territory currently being governed by Travancorean rajadores. Cochin, Thekkumkur, and Vadakkumkur, as well as Porca, have recently met at Tripunithura, and have there taken a resolution with one another to stake everything on the defense of the common cause. Of this meeting, notice was given to the Commander by Cochin and Porca, with the addition of this request: that two delegates be sent to hear their deliberations, and subsequently to cooperate with them in taking the necessary measures to resist Travancore. Whereupon the Commander answered them that he left the gathering of the princes complete freedom to deliberate on the state of their affairs and to take the necessary decisions, and that whenever His Highness of Cochin pleased to come to Anjikaimal or to his ordinary court, the Company's deputies would also be found there to hear His Highness's proposals. On the occasion of this royal meeting, both of the Tampans were also at Tripunithura and were spoken to and admonished in a serious manner by Thekkumkur and Porca to set aside the domestic disputes and unite with Cochin and the other allies against Travancore, under this warning, or rather threat, that they might come to regret their adherence to the side of Travancore. From Malabar, 24 March 1755. The Tampans, thoroughly understanding the art of dissimulation, assured the Thekkumkur ruler that their goodwill to live in unity with Cochin had been kept from taking effect by His Highness of Cochin himself; that they, however, no longer thinking of past occurrences, had resolved to reconcile with Cochin, provided that the Dutch Company approved that reconciliation and was disposed, as the first and principal ally, to take this kingdom under its protection. Immediately after that negotiation, the Commander received two olas from the king of Cochin and the Tampans announcing that they had reconciled, and only wished that through the Company's approval that reconciliation might be confirmed, and alongside this, assurance be given that the kingdom of Cochin could rely on Your Honors' protection. Your High Excellencies clearly see from the above-mentioned cases how dissatisfied the Malabar princes are with our neutrality, and what artifices and duplicity they use to divert us from the proposed system and entangle us in their troublesome affairs. We do not deny that before this date much trouble was taken to bring about a friendly agreement between the Tampans and Cochin, but the Company's interest having gained a different perspective through entering into a solemn contract with Travancore, the Commander served them with the answer that, their union having long been sought by us, it could not fail to be agreeable to us, and that the kingdom of Cochin had received so many proofs of our friendship and affection that it could decently omit demanding further assurances of our good disposition. Meanwhile, the Tampans have united with Cochin, though with this precaution: that upon the first inquiry from the Travancorean as to why they deserted his side, they will be able to answer that, owing to the threats of Thekkumkur, they were obliged to pretend to be friends for a time. The other princes, such as Cranganore, Parur, and Mangatti, remain indifferent; it is only reported that Parur had promised two thousand nairs in the service of Thekkumkur. This is the condition of indigenous affairs to the south, which we have described briefly yet in such a manner that we are not aware of having forgotten anything material, though it remains for us to hope that our conduct may be regulated according to the intention of Your High Excellencies. The king of Travancore, on himself
Dutch transcription
161 Van Mallabaar den 24. maart 1755. Van Mallabaar den 24. maart 1755. Maar wij zijn verre van daar, dat wij om de wille van Tekkenkoers peper het Contract met Trevancoor zouden verbreeken en tegens de aangenomen neutraliteijt, welke thans de basis is, waar op wij bouwen, onvoorzig„ „tiglijk deel nemen aan hunne vijandelijke bedrijven, hoewel men door het Canaal van Ezechiel Rhabbij, die Tekkenkoer onder de hand met het een en ander adsisteert nog een parthije van die peper magtig werd 't is waar dat zijn Trevancoorse Hoogheijd ons nog niet heeft laten blijken, dat hij met de Tekkenkoerse zaken verlegen is, Evenwel bedient hij zich daar van tot een pretext omtrend de non voldoening van 't Contract, ten opzigte van de peper, waar van hier na zal gesprooken werden; Jn 't rijk van Cochim is den Trevancoor meester van de plaatsen gelegen tusschen Porca en Motton, welke landstreek door de 72. man„ rambins van Carporam bezitten en geregeerd wierd, en boven Porca heeft Trevancoor van den Cochimder ook genomen Coettemperoer, Eda„ „wago en Poetjotta; Maar den koning van Poria is thans uijt zijn Hoff van Coddemaloer en zijn geheel rijk ver„ „jaagt en houd zich op in't land van Cochim; den Trevankoor heeft desen Ragia beschuldigt dat hij in verstandhouding met zijn vijanden zoude geleeft en hem eenige onderstaand gedaan hebben, werdende het Porceese tegenswoordig door Trevancoorse ragiadoors geregeert Cochim, Tek en Berkenkoer mitsg„s Porca zijn Jongst op Tripontarre vergadeert geweest, en hebben aldaar met malkander een besluijt genomen, om alles op tezetten tot verdediging van de gemeene zaak, van welke bij een komst door Cochim en Porca aan den Commandeur kennis gegeven wierd, onder bijvoeging van dit verzoek, dat men twee gecommitteerdens wilde zenden, om hunne beraadslagingen aan te hooren, en vervolgens met hen mede te werken in het nemen van de noodige maat regulen om Travancoor het hoofd te bieden, waar op den Commandeur hen heeft g'antwoord, dat hij de vergadering der vorsten de volkomen vrijheid liet, om over den staat van hunne zaken te delibereeren en de nodige besluijten te neemen, en dat wanneer zijn Cochimse hoogheid op Angecaaijmaal of aan zijn ordinair hoff geliefde te koomen, 's Comp„s gedeputeerdens zich daar mede zoude laten vinden, om zijn hoog„ „heids proposities aan tehooren; ter gelegent„ „heijt van deze koninglijke bij eenkomst waren beide van deze koninglijke bij eenkomst waren beijde de Tambaans mede op Tripontarre en wierden door Tekkenkoer en Porca op een ernstige wijze aangesprooken en vermaant om, met ter zijde zetting van de huijsselijke geschillen, zich met Cochim ende verdere bondgenoten tegens Trevancoor te vereenigen onder deze waarschouwing of liever bedrijging dat zij zich zouden kunnen beklagen over hunne aankleeving aan de zijde van Trevancoor. Cochim De e 163 Van Mallabaar den 24. maart 1755. — Heeel 99 Van Mallabaar den 24. maart 1755. De Tambaans, de kunst van veinsen in den grond verstaende, verzekerden den Tekkenkoer dat hunne goede wille, om met Cochim in eendragt te leeven, door zijne Co„ „chimse Hoogheijd zelv buijten effect gehouden was, dat zij egter aan de voorige gebeurtenissen niet meer gedenkende, beslooten hadden, om zich met Cochim te verzoenen, mits dat de Hollandse Comp:e die reconciliatie goedkeur„ „de en gedisponeerd was om als de eerste en voor„ „naamste bondgenoot, dit Rijk onder haar bescherming te neemen, immediaat na die verhandeling ontfing den Commandeur van den koning van Cochim en de Tambaans twee olas tot bekendmaking dat zij zich versoent hadden, en alleen wenschten dat door de goed„ „keuring van de Comp:e die verzoening mogt bekragtigt en daar nevens verzeke„ „ring gedaan werden, dat het rijk van Cochim zich op haar Edele bescherming verlaten konde; uw Hoog Edelhedens zien klaar uit de bovenstaande gevallen, hoe onvoldaan de Mallabaarse vorsten zijn over onze neutrali„ „teijt, en wat artificien en dupliciteijt deselve gebruijken, om ons van het voorge„ „stelde Lijsthema afteleiden en in hunne fachieuse affaires in te wikkelen. Wij ontkennen niet, dat men voor dato zich veel moeijte gegeven heeft, om tusschen de Tambaans en Cochim een vrien„ „delijke overeenkomst te weg te brengen, maar door het aangaan van een solemneel Con„ „tract met Trevancoor, sComp„s intrest een ander uitsigt bekomen hebbende, zoo heeft den Commandeur hen in antwoord gedient dat hunne vereeniging door ons lang gezogt zijnde, niet konde missen van ons aange„ gaam te zijn, en dat het rijk van Cochim zoo veel blijken van onze vrindschap en ge„ „negentheijd ontfangen had, dat het zelve met gevoegelijkheijd konde nalaten verdere verzekeringen te vorderen van onze goede dispositie. Ondertusschen zijn de tambaans met Cochim vereenigt, dog onder deze voorzorge, dat ze den Trevancood bij eerste navraage, waarom ze zijn zijde verlaten hebben zullen weten te verantwoorden, datze door de bedrijging van Tekkenkoer voor eenigen tijd zich als vrienden hebben moeten aanstellen. D'overige vorsten als Cranganoor, Paroe en Mangattij, houden zich indifferent, alleen wilt men dat Paroe twee duijsent nairos ten dienste van Tekkenkoer zoude beloofd hebben; Dit is de gesteldheijt van de Jnlandsche zaken om de zuijd, die wij kort dog zodanig beschreeven hebben, dat ons niet voorstaat iets zaakelijks vergeeten te zijn, hoewel ons nog resteert te hoopen, dat onze beleid na de Jntentie van uw Hoog Edelheedens mag geregelt zijn. Den koning van Trevancoor op zich maar zelf
English
165 From Mallabaar the 24th of March 1755. — From Mallabaar the 24th of March 1755. — itself, and with regard to the pepper, falls very slow in answering Your High Excellencies' and our expectations; we have said here before that the courageous resistance of Tek and Berkenkoer served His Travancore Highness as a pretext regarding the non-fulfillment of the contract with respect to the pepper, but here is the place to add that this pretext can only find delay regarding the delivery of 5000 candijlen, of which 2000 candijlen would have to come from the new conquests, but must find no place with the 3000 candijlen of pepper, which must be supplied from the lands of His Highness: The account that has just been given to Your High Excellencies of the state of affairs in the Tek and Berkenkoer realms will undoubtedly convince Your High Excellencies of the difficulty in which His Travancore Highness finds himself to satisfy the stipulated quantity of 5000 candijlen of pepper, but the non-delivery of 3000 candijlen towards the complete quantity will certainly give reason for displeasure; there are still well over 400 candijlen lacking from the 3000 candijlen, and the 500 candijlen that according to article 16 of the contract must be delivered at Caab Commorijn are still unfulfilled. His Travancore Highness wished to excuse himself for this poor fulfillment of the contract on the blockage of the pepper delivery caused by the troubles in the Tek and Berkenkoer realms, but we have pointed out to His Highness (as is true according to the best reports) that the English, instead of 1000 candijlen of pepper that they were allowed to have according to the contract, have received more than 2000 candijlen, and that His Highness has sent the pepper, which lay in a large quantity at Cottaracarra in the Peritallij territory, overland and oversea along covert routes; we have furthermore asked His Highness why it was that the 500 candijlen of pepper, which according to article 16 had to be delivered at Caab Commorijn, were withheld from us; the excuse was that the situation of the place where that pepper lay did not permit it to be transported so far without notable damage; in order to remove that difficulty, we requested the Travancore court that that pepper might then be delivered at Coilan Peza, Calicoilan, or wherever it might be most convenient, and that the delivery at another place would cause no change in the price, but we have received no other answer than that one had to have patience, and that on the part of His Highness a new pepper delivery would be started; This new pepper delivery has been accepted by us on the condition that Travancore shall also fulfill the remainder of the previous delivery, of
Dutch transcription
165 Van Mallabaar den 24. maart 1755. — Van Mallabaar den 24. ' maart 1755. — zelf, en met betrecking tot de peper, valt zeer traag in 't b'antwoorden van uw Hoog Edelhed„s en onze verwagting; wij hebben hier vooren gezegt, dat de manmoedige tegenstand van Tek en Berkenkoer zijn Trevancoorse hoogheijd verstrekte tot een voorwendsel omtrend de non voldoening van't Contract ten opzigte van de peper, maar hier is de plaats om 'er bij te voegen, dat dit pretext alleen uijtstel kan vinden omtrend de leverantie van 5000: candijlen zouden waar van 2000. candijlen omnen moeten komen met de nieuwe conquesten, maar geen plaats moet vinde bij de 3000. candijlen peper, welke uijt de landen van zijn Hoog„ „heijt moeten besorgt werden: Het verhaal dat uw Hoog Edelhed:s zoo even gedaan is van den toestand der zaken in de Tek- en Berkenkoerse Rijken, zal uw Hoog Edelhedens zonder twijffel overtuijgen van de moeijelijkheijd waar in zich zijn Trevancoorse hoogheijd bevind, om de bepaal„ „de quantiteijt van 5000. Candijlen peper te voldoen, maar de non leverantie van 3000. candijlen tot de Compleete quantiteit zal zeeker reeden geven tot ongenoegen, daar ontbreeken aan de 3000. Candijlen nog 400. Candijlen ruim, en de 500 Can„ „dijlen, die volgens articul 16. van't Contract aan Caab Commorijn moeten gelevert werden. sijn nog onvoldaan. zijn Trevancoorse hoogheijd, heeft zich van deze slegte nakoming van't Contract willen verschoonen op de stremming van de peper Leverantie, veroorzaakt door de troublen in de Tek en Berkenkoerse Rijken, maar wij hebben zijn hoogheijd voorgehouden /:gelijk volgens de beste berigten waar is :/ dat de Engelschen in steede van 1000. candijlen peper, die zij volgens het Contract mogten hebben, meer als 2000: candijlen gekreegen hebben, en dat zijn Hoogheijd de peper die in een groete quantiteijt op cottaracarra in het Peritallijse gelegen heeft, overland en overzee langs dedekte wegen verzonden heeft; wij hebben daar benevens zijn Hoogheijt gevraagt waar het aan man„ „queerde, dat de 500. candijlen peper, die volgens articul 16. op Caab Commorijn moesten gelevert werden, ons onthouden wierden, de verschooning was, dat de gelegentheid van de plaats, daar die peper lag, niet toeliet datze buijten merkelijke schade, zoo t verre vervoert wierd, wij hebben, om die zwaarigheijd uit den weg te ruimen, het Trevan„ coors hoff verzogt, dat dan die peper op Coilan Peza, calicoilan, of alwaar het best mogt gelegen„ komen, mogt gelevert werden en dat door de Leverantie aan een andere plaats geen verandering in de prijs zoude veroorzaakt werden maar wij hebben geen ander bescheid bekomen als dat men moest gedult hebben, en dat men van de zijde van zijn Hoogheijd een nieuwe Peper leverantie zoude be„ „ginnen; Deze nieuwe Peper Leverantie is bij ons onder Conditie, dat Trevancoor het resteerende van de vorige leverantie ook voldoen zal, g'accepteert, van
English
From Malabar the 24th of March 1755. From Malabar the 24th of March 1755. and we still wish to flatter ourselves that what was lacking from the past will be supplied in the present year; at least we shall confer with His Highness of Travancore about this, in a manner consistent with the solemnity of the contract, and not fail to inform Your Right Noblenesses thereof. One might ask, has the Company on its part fulfilled the articles to which it bound itself? The kings of Tekkankur and Vadakkankur have placed themselves in a state that demonstrates they are capable of prescribing a non plus ultra to Travancore in the course of his victories, and could carry out greater matters if they were supported by a wiser power, and they have requested the assistance of the Company while offering great advantages; but the Malabar administration has rejected all proposals of this nature and assisted His Highness of Travancore with the ammunition goods stipulated in article 20. It follows from this, then, that we have done everything that could be demanded of us, that we flatter ourselves with a better compliance with the contract for the future, and in default thereof we shall request further instructions from Your Right Noblenesses, so that, following the same, we may advance the true interests of the Company. Your Right Noblenesses' important and manifold occupations will have been detained more than too long by the reports from the south, and may possibly be troubled no less by the events in the north, but in order to go through the contrary more quickly, the undersigned refer to the enclosed secret resolution of 14 November 1754, in which the hostile acts committed by the people of the Zamorin against our guards at the post of Pulikkara are circumstantially made known, along with the regular measures that have been taken against them. The renowned Mamankam festival, which the Zamorin causes to be celebrated every 15 years with great solemnity and amid a gathering of thousands of people, [illegible] on the 23rd of the past month, and general rumors as well as the private reports from prominent persons maintain that the Zamorin has reportedly commanded 3000 men to invade and plunder the lands of the Payyenchery Nair, which news, though not exactly alarming us, has nevertheless caused the decision to be taken to dispatch a further 50 military personnel under Captain Bulkens to Chetwai this month, and to order the officers to defend the post of Pulikkara and to offer all possible resistance against the Zamorin's Moors and Nairs who might wish to commit hostilities in the land of Chetwai or of the Payyenchery Nair, for the tokens so freshly given of the unfriendly disposition of the Zamorin give us more than enough reason to be on guard against his further undertakings, and we are of the opinion that the Zamorin court will not cease [illegible]
Dutch transcription
167 Van Mallabaar den 24. maart 1755. — Van Mallabaar den 24. maart 1755. — en wij willen ons nog wel vleijen, dat het man„ „queerende van het gepasseerde in 't presente Jaar zal gesuppleert werden; ten minsten wij zullen zijn Trevancoorse hoogheijd daar over onderhouden, op een wijze met de solemniteijt van het Contract over een komende, en niet manqueeren uw Hoog Edelhedens daar van berigt te geven. Men zoude kunnen vragen, heeft men aan de zijde van de Comp:e d'articulen voldaan waar aan men zich verbonden heeft! De koningen van Tek en Berkenkoer, hebben zich gesteld in een stadt, die aantoont, datze bequaam zijn om Trevancoor in den vaart zijner overwinningen het non plus ultra voor te schrijven, en grooter zaken zouden kunnen uijt„ „voeren, indien ze door een wijzer magt ondersteunt wierden, en hebben ons onder aanbieding van groote voordeelen, versogt om de bijstand van de Comp:; maar het Mallabaars ministerium heeft al de voorslagen van deze natuur verworpen en zijn Hoogheijd van Trevancoor g'adsisteert met de ammunitie goederen, welke bij articul 20: bedongen zijn, hier uijt volgt dan, dat wij, alles wat van ons konde g'eischt werden, gedaan hebben, dat wij ons met een beter nakoming van't Contract voor 't aanstaande vlijen, en bij manquement van dien verzoeken zullen een nader voorschrift van uw Hoog Edelhedens, op dat wij het selve vol„ „gende, de ware belangens van de maatschappije behertigen mogen: uw Hoog Edelhedens importante en meenigvuldige beezigheeden zullen meer als te lang zijn opgehouden door de berigten van de zuijd en mooglijk, niet minder lastig gevallen werden, door de gebeurtenissen om de Noord, maar om dese contrarie spoediger door te loopen, gedragen zich de ondergetekendens aan de bijleggende secreete resolutie van den 14. 9ber: 1754. , waar bij de vijan„ „delijke bedrijven door die van den Sammorijn aan onze wagters van de post Poelicarro gepleegt, om„ „standig zijn bekent gesteld, met de regelmaten die daar tegens genomen zijn; Het berugte Manmangas feest, dat den sammorijn alle 15. Jaaren met een groote plegtigheijd en onder een toeloop van duijsenden van menschen vieren laat/ is op den 23. van de en gepasseerde maand algemeenen gerugten, zoo wel als de particuliere berigten van voorname personagien willen, dat den sammorijn 3000. man zoude gecommandeert hebben om de landen van Paijencherij nairo te invadeeren en uijt te plunderen, welke tijdings ons juijst niet alar„ „meeren egter het besluijt hebben doen nemen om in dese maand nog 50. militairen onder Capit„n Bulkens na Chettua te commandeeren en de officiers te ge„ „lasten de past Poelecarro te verdeedigen en alle mogelijken tegenstand te bieden tegens de sam„ morijnsche mooren en nairos, welke in't land van Chettua of van Paijencherij naijro vijande„ „lijkheden zouden willen pleegen, want de nog zoo versch gegevene blijken van de onvriendelijke dispositie van der onvriendelijke dispositie van den Sam„ „morijn geven ons meer als te veel reeden om onderneemingen tegens zijn verdere ^ op hoede te zijn, en wij zijn van gevoelen dat het sammorijnsche hoff niet als d ophouden Hee
English
From Mallabaar, the 24th of March 1755. From Mallabaar, the 24th of March 1755. — [illegible] will cease troubling and provoking us, until, following the example of former times, it is brought to reason by means of force; We admit that our present force here on the Coast is not large enough to withstand a strong enemy for long, and we also have the required regard for the consequences that war commonly drags in its wake, yet if one allows the sammorijn to play the master and deal as he pleases with a land over which the Company has gained dominion for many years, what else is one to expect! but that Paijencherij nairo and his subjects, lacking the Company's protection, will surrender themselves entirely to the sammorijn, and that the sammorijn, having regained mastery over it, will likewise attempt to bring the neighboring conquest Paponettij under his former dominion, where one then again has the conquest full of Moors, who commit all kinds of outrages, destroy the tree and earth fruits, rob and plunder the people and houses, subject the Company's vassals to their tribute, and carry off the Company's farmers by force, whereby the Company's right and property are violated, the entitlements and advantages lost, and those precious lands ruined to the ground, all of which inconveniences weigh almost as heavily as the discomforts that may befall us from a resolute defense of what lawfully belongs to us. The 1½ Gold fanum that the sammorijn's ragiadoors claim at Pannanij for the transport of the cowhides, we have caused the Resident to pay, because those hides are needed, but as a reprisal we shall make His Highness's subjects pay double toll here at Cochim and other subordinate offices of this Commandment, and will not fail to communicate the state of affairs between us and the sammorijn to Your High Excellencies at the first opportunity; The fickle conduct of this prince is the reason that, contrary to Your High Excellencies' order, we have detained the easterners and, moreover, demanded another two to three hundred military personnel from Ceilon, understanding that Your High Excellencies will not disapprove of our attentiveness regarding the conservation of the Company's rights and prerogatives; Besides the two draft agreements concluded with Collastrij and adij Ragia and inserted in the aforementioned resolution of the 14th of November 1754, there are also transmitted herewith those same agreements ratified and exchanged by the contracting parties, with an alteration in the fourth article of the convention with adij Ragia, who requested the same expression as the prince Regent of Calastrij, namely to deliver annually two, three, to four hundred candijlen, but not less than two hundred candijlen of Pepper, putting forward as an excuse that he could not bind himself to a precise delivery of 500 candijlen a year with any certainty of keeping his word; we hope that Your High Excellencies will not G 169
Dutch transcription
Van Mallabaar den 24. maart 1755. Van Mallabaar den 24. maart 1755. — Zeee ophoouden zal met ons te quellen en te tergen, tot dat het na het voorbeeld van den voorigen tijd door middelen van klein tot reeden gebragt werd; Wij staan toe, dat onze presente magt hier ter Custe niet groot genoeg is, om een sterken vijand lang te kunnen wederstaan en hebben ook het ver„ eischt uijtsigt op de gevolgen, die het oorlog gemeenlijk na zich sleept, dog so men den sammorijn laat den meester speelen en na welgevallen omspringen met een land/waar over de Comp: zedert veele Jaaren de heerschappije gekreegen heeft, wat heeft men anders te verwagten! als dat Paijencherij nairo en zijne onderdanen, 's Comp„s protectie missende, zich ten eenemaal aan den sammorijn zullen overgeven, en dat den sammorijn dater het meesterschap weeder gekreegen hebbende het nabuu„ „rig conquest Paponettij insgelijks zal tragten te brengen onder zijne voorige heerschappije, daar heeft men dan weder het conquest volmoren, die allerleij baldadigheeden pleegen, de boom en aardvrugten vernielen de menschen en huijsen beroven en plunderen, 'SComp„s vassalen onder hunne tribuit stellen, en's Comp„s pagters met geweld wegvoeren, waar door 's Comp„s regt en eigendom geschonden, de geregtigheden en voordeelen gemist, en die kostelijke landerijen tot den grond geruineert werden, alle welke inconvenienten, schier zoo swaar wegen als de ongemakken, die ons kunnen overkomen uijt een Cordate defensie van 't geen ons wettig toekomt. De 1½ Goude fanum die de sammorijnse ragiadoors op Pannanij, voor den vervoer vande koehuijden pretendeeren, hebben wij door den Resident laten betalen, dewijl men om die vellen verlegen is, maar wij zullen tot een reprisaille door zijn hoogheijds onderdanen, hier op Cochim en andere subalterne comptoiren van dit Commandement, doen betalen dubbelden thol, en niet man„ „queeren bij eerste gelegentheid de gesteldheid van zaken tusschen ons en den sammorijn uw Hoog Edelhed„s te Communiceeren; Het wispeltuurig gedrag van dezen vorst, is oorzaak dat wij tegens uw Hoog Edelhedens bevel d'oosterlingen aangehouden en daar en boven nog twee â drie hondert militairen van Ceilon g'eischt hebben, in begrip dat uw Hogg Edelhedens onze oplettendheijd omtrend de conservatie van 'sComp„s regten en prerogativen niet misprijsen zullen; Buijten de twee concept accoorden met Collastrij en adij Ragia geslooten en in voorm: resolutie van den 14. 9ber: 1754. g'insereert komen hier nevens nog over die selve accoorden bij de Contractanten geratificeert en uijtgewisselt met een verande„ „ring bij het vierde articul van de conventie met adij Ragia, die een gelijke expressie als den prins Regent van Calastrij begeert heeft, om nament„ „lijk 's Jaarlijks twee, drie â, vier hondert candijlen dog niet minder dan twee hondert candijlen Peper te zullen leveren, tot verschooning bij bren„ „gende dat hij zich, met geen zeekerheijd van zijn woord te zullen houden konde verbinden tot een preciese leverantie van 500. candijlen 's Jaars; wij hoopen dat uw Hoog Edelhedens niet G 169
English
171 From Malabar the 24th of March 1755— From Malabar the 24th of March 1755. — will be satisfied with the conditions contained in these agreements, and we may well say that it took much trouble and labor to induce those native regents to conclude such permanent contracts; The English gentlemen had no sooner caught wind of our negotiations with Colastry, than they sent two deputies with fine presents to this regent and sought through their blandishments to divert him from the interests of the Dutch company, but the prince of Colastry received them very coldly, and gave them to understand that they would be served with the products of the kingdom of Colastry in proportion to the proofs they gave of their good disposition; the chief Weyerman would have liked to have a few companies of soldiers at Cannanoor, in order to add more luster to the ceremony that is observed among the native inhabitants upon entering into new contracts, but the commander judged it best to reply to the chief as follows: "Here is a matter not unworthy of your attention; the willingness and inclination of Colastry and Ady Ragia to enter into such agreements with us as these is certainly plausible, yet at the same time it denotes great caution and reason of state on the part of Colastry and Ady Ragia, to protect themselves through their engagements with the Company against the undertakings of the English and French, it being possible that the English may once again find themselves inclined and in a position to resume the war against Colastry which they recently ended with so much damage and loss of reputation; to display an outward grandeur by sending a few companies of soldiers and thereby give the proud native magnificent ideas of us may sometimes indeed bring the advantage of greater esteem and respect, but at the same time, through such parades, one defies one's neighbors and competitors, arouses envy and jealousy, and sufficiently stirs up all passions to devise and employ means to our disadvantage, whereas when great matters are treated without ostentation and in a simple manner, those who might have an interest in them are less offended and are kept in total indifference; therefore, it is our opinion that all the ceremonies at the signing and concluding of those agreements shall be simple and without display, that is to say in a mercantile manner, giving otherwise to these princes such honors as custom at Cannanoor entails on other encounters and interviews. — The king of Signatty has passed away and the succeeding prince and further family have requested the very maintenance money that his late Highness enjoyed, which we have granted, judging that it will be your Right Excellencies' desire to continue this benevolence to the family of Signatty. Colastry From Malabar the 24th of March 1755. In the general letter, your Right Excellencies were informed of the arrival of two Portuguese ships in the roadstead of Cochin, equipped by the newly established East India Company at Lisbon, and it was added that in the separate letter some further particulars regarding that new company were recorded, and these details are also presented to your Right Excellencies in the translated copies and extensions, according to which the trade and navigation of this new Asian Company is conducted under the chief direction of Feleciano Velho Oldenberg, or rather of Oldenburg, which is the place of his ancestors; Concluding with which, we have the honor to call ourselves with the greatest respect and high esteem, underneath stood: High Noble, Rigorous, Highly Esteemed, and Far-Ruling Sirs. Lower: Your Right Excellencies' humble and obedient servants, was signed: Fr.k Cunes, N.s Bowyn. In the margin: Cochin, the 24th of March 1755. — "It is not my aim," said the commander after the general matters were dealt with, "to bring up again all the outrages and hostile acts of the Zamorin's people in the sandy land of Chettua and the conquest of Paponetty and to demonstrate the injustice of their proceedings, since this would be nothing other than a recapitulation of what has already been said several times and is more than too well known to the members, but my intention is," continued His Honor, "to submit to the consideration of the council what measures should be employed, as the malady is known and worsens daily, as can be seen from the following letter from Chettua. — Thursday the 14th of November Anno 1754. Present The Right Esteemed Commander and Chief Ruler Fredrik Cunes The Esteemed Senior Merchant and Second Nicolaas Bowyn The Esteemed Military Captain Daniel Bos Merchant, Fiscal, and Cashier Mattheus Hendrik Beyts The Esteemed Junior Merchant and Warehouse Master Gysbert Jan Feyth The Esteemed Junior Merchant and Secretary of Political Council Anthonij van Vechten The Esteemed Junior Merchant and Pay-Accountant David Hendrik Westphal Absent The Esteemed Junior Merchant and Shopkeeper Harmanus van der Steeg due to indisposition Secret Resolution taken in the Council of Malabar in the city of Cochin on From Malabar under date 24th of March 1755. — Resolution At C 3 - 173
Dutch transcription
171 Van Mallabaar den 24. ' maart 1755— Heees Van Mallabaar den 24. maart 1755. — met de conditien in deze accoorden vervat zullen voldaan zijn, en mogen wel zeggen dat het veel moeijte en arbeijd gekost heeft/ om die inlandsche Regenten tot het sluiten van zulke permamente Contracten te beweegen; De heeren Engelschen hadden zoo dra de lugt niet van onze onderhandelingen met Colastrij, of zij souden twee gedeputeerdens met fraije pre„ „senten bij dezen Regent en zogten hem door hunne carressen van de belangens van de hollandse moat„ „schappije afteleijden, maar den collastrijsen prins ontfing hen zeer koel, en gaf hen te verstaan datze zouden gedient werden met de producten van't collastrijse Rijk na mate datze blijken gaven van haare goede genegentheijd; het opperhoofd weijer„ „man had gaarne een paar compagnies militai„ „ren op Cannanoor gehad, om de plegtigheijd die onder het aangaan van nieuwe Contracten bij den Jnlander in agt genomen werd, meerder luijster bij te setten, maar den Commandeur heeft best g'oordeelt het opperhoofd 't volgonde te rescribeeren; „zie hier een zaak uE: attentie niet onwaar„ =„dig; de gewilligheijd en inclinatie van colastrij en Adij Ragia, om zodanige over eenkomsten, als deze met ons aantegaan, is zekerlijk plau„ sible, dog het noteert ter selver tijd een groote precautie en reeden van staat aan desijde van „Colastrij en Adij Ragia, om zich door haar engagementen met de Comp:e te dekken, tegens „ de ondernemingens der Engelschen en franschen, „gebeurlijk zijnde, dat de Engelschen zich weder „eens genegen en in staat bevinden om tegens „colastrij den oorlog te hervatten, die zij laast „met zoo veel schade en dis reputatie g'eijndigt „hebben; „om door het zenden van een paar compagniese militairen een uijterlijke grootsheijd te vertoonen „en daar door den superben inlander van onze „magnificque denkbeelden te geven, kan som„ „tijds wel het voordeel van grooter agting „astime veroorzaaken, maar ter zelver tijd bra„ „veert men door zulke parades zijn naburen „en mede dingers, men verwekt afgunst en Jalousij en maakt genoegsaam alle drif„ „„ten gaande, om middelen tot ons nadeel „uijt te denken en te emploijeeren, daar „wanneer groote zaken zonder ostentatie en =op eenvoudige wijse getracteert werden, den =geenen, die er belang in kunnen hebben; minder =gevoelig zijn en in een totale in differentie ge„ „houden werden; hierom is ons gevoelen dat „alle de plegtigheden bij het te kenen, en sluijten van die over eenkomsten, zullen zijn eenvoudig „en zonder Eclat, dat is op een mercantile =wijze, gevende voor het overige aan dese vorsten „zodanige honeurs, als de gebruijkelijkheijd tot „Cannanoor bij andere ontmoetings en entre„ „vues mede brengt. — De koning van Signattij is overleeden en de opgevolgde prins en verdere familie hebben verzoek gedaan om de eigenste onder„ ^penningen, die syn overleden hooghuijd „houds ^ genooten heeft, 't geen wij hebben g'accordeert, als oordeelende dat uw Hoog Edel„ hedens begeerte zijn zal, om deze weldaat aan de familie van signattij te continueeren. colastrij In Leee - H Van Mallabaar den 24. maart 1755. In de gemeene brief is uw Hoog Edelhed:s kennis gegeven van de komst van twee portugee„ „se scheepen op de Cochimse Rheede, g'equipeert bij de nieuw opgeregte oost Jndische Comp:e tot Lisabon, en daar bij gesegt in de aparte Bier nog eenige particulariteijten rakende die nieuwe maat schappije aangetekend stonden ende te bijzon„ „derheden werden uw Hoog Edelhedens ook open„ gelegt bij de vertaalde afschriften en ampliatien volgens dewelke den handel en navigatie van dese nieuwe asiatische Comp:e onder de hoofd directie van Feleciano velho oldenberg of liever van oldenburg, dat de plaats zijner voorouderen is, gedreven werd; Waar mede fineerende hebben wij d' eer van ons met de meeste eerbied en hoog agtiag te noemen /:onderstond :/ Hoog Edele Gestrenge Groot Agtbare, en wydgebiedende Heeren. /:lager:/ uw Hoog Edelhedens ootmoedige en gehoorsame dienaren /:was getekent:/ Tr„k Cunes, A„s Bowijn /:in margine:/ Cochim den 24. maart 1755. — 'T is mijn oogmerk niet zeide den heer Command„r na dat de gemeene zaken verhandelt waren, om alle de geweldenarijen en vijandelijke bedrijven van het sammorijnsche volk in het sandigland van Chettua en't conquest Paponettij weder opte halen en de onbillijkheijd van hunne proceduren aan„ te toonen, aangesien dit niet anders zijn zoude als een recapitulatie van 't geen reets meer„ „malen gezegt en de leeden meer dan te veel bekend is, maar mijn intentie is, vervolgde zijn E, om de vergadering in overweging te geven, welke middelen zullen dienen g' emploijeert te werden, dewijl de ziekte bekend is en nog dagelijks verslimmert, so als uijt de ondervolgende Chettuase briev te zien is. — Donderdag den 14. November Anno 1754. Present Den EE: Agtb: Heer Commandeur en oppergebieder Fredrik Cunes „ E: E: Heer opperkoopman en secunde Nicolaas Bowijn „ E: Capitain Militair Daniel Bos koopman fiscaal en cassier Mattheus Hendrik Beijts „ E onderkoopman en Pakhuijsmeester Gijsbert Jan Feijth „ E: onderkoopman en secret„s van Politie Anthonij van Vechten „ E: onderk: en soldij boekhouder David Hendrik Westphal Absent „ E: onder koopman en winkelier Harmanus van der steeg door indispositie Secrete Resolutie genomen in Rade van Mallabaar ter steede Cochim op Van Mallabaar onderdato 24. maart 1755. — Resolutie Bij C 3 - 173
English
175 From Mallabaar, 24 March 1754. From Mallabaar, under date 24 March 1755. By this we must inform Your Honorable Excellencies that yesterday evening around 10 o'clock, 5 manchuas with armed Moors and Nairs passed by Poelicarro from the south, and according to note the kariakar of Chawecattij and the Moor Coenji Moessa were among them. They were hailed by the guard there and asked where they were coming from and going to. However, as they gave no answer and also refused to put ashore, the corporal sent 2 Topass soldiers and 2 Lascorins with a manchua thither to see and ask who they were. Whereupon they immediately surrounded the manchua, severely wounded a Topass soldier in the head, and grievously beat a Lascorin and a slave boy belonging to Captain Mendes, who was also present there. They likewise took two fully loaded muskets from them and subsequently proceeded to Chawecattij. Upon receiving this news, we immediately, subject to Your Honorable Excellencies' favorable approval, sent a detachment with their officers, both European and native military personnel, along with a field piece thither to obstruct their passage there as much as possible and to repel force with force. Besides this insolent incident, the Commandant gives further notice in his letter dated the day before yesterday that he had received report from his spies that close to two hundred Moors had gathered both at Chawecattij and across from Poelicarro. These Moors, under the command of the Talchenoor Conattij Alennij, were to invade the land of Paijencherij Nair to collect the king's dues by fair means or foul, and that the combined families of Paijencherij therefore humbly requested that 100 firelocks with powder and lead might be supplied to them at the Company's price. These hostile acts of the Zamorin and the proposal of the Lord Commander having been thoroughly reasoned through and the circumstances of the matter having been taken into serious consideration, the entire assembly agreed with His Honor that the Zamorin's designs were aimed at regaining mastery over the sandy land and the conquest, and to that end he preceded this with such outrageous enterprises in order to conjecture from the measures the Company employs to counter these initial steps how he might succeed in his main undertaking. With respect to the measures employed by the Company to date, the members maintained that, in consideration of our present weakness, the Zamorin had been checked in his progress with much vigor, and more earnestness had been shown than for many years in the careful maintenance and protection of the Company's privileges and properties, whereby the conquest now also enjoys a reasonable tranquility and the sandy land of Chettua is not exposed to so many invasions and incursions. Yet the assembly also concurred that should it please the Zamorin to turn his arms against the Company, and [illegible] to look in the eyes. After this discussion had taken place, it was approved and resolved to detach some more men, brought by the sloop Maria Laurentia to fetch lime, to reinforce the detachment to Chettua, and once again to instruct the officers to remain solely on the Company's territory, without setting a foot on the Zamorin's land, to keep within the bounds of a necessary defense, and thus in a defensive manner to protect the Company's privileges and properties against all hostile attempts to the best of their ability, which is for now all that can be done and also what must be done according to our duties and the demand of natural law. It was furthermore resolved to bring the present state of affairs to the attention of Their High Excellencies at a suitable opportunity. Hereafter was read an ola written by the family of Paijencherij Nair to the Commander and received yesterday, containing the request that one hundred firelocks might be delivered to them for payment, upon which it was decided to authorize the servants at Chettua to provide 100 firelocks on loan to these families so that they may to some degree protect their persons and property against the Zamorin's people. As Captain Mendes is presently occupied with collecting the Company's dues in the district of Chettua, and in order to collect the tithes of the paddy fields belonging to Paijencherij Nair the entire land must first be inspected and surveyed, it was approved upon the proposal of the Lord Commander to appoint two agricultural tax farmers from the Company's conquest to perform that work under the supervision of the Company's people. Passing to another matter, the Lord Commander said: in my separate letters exchanged with the Cannanore Chief Weyerman regarding the Company's affairs and interests, I made a proposal to sound out whether the princes of Colastrij and Adij Ragia could be persuaded to bind themselves by firm and perpetual contracts to an annual delivery of a certain quantity of pepper to our Company; and if so, that he, Weyerman, should try to stipulate that they would desist, as far as possible, from all engagements with the English and French nations, and other articles besides which he should deem favorable for us and not contrary to
Dutch transcription
175 Van Mallabaar den 24. maart 1754. Van Mallabaar onderdato 24. maart 1755. Bij desen moeten wij vE: E: agtb: bekend maken, als dat gisteren avond omtrend 10. uuren 5. Mansjouws met gewapende mooren en Nairos van de Zuijd voor bij Poelicarro sijn gepasseert en volgens notitie den kilikaar van Chawecattij en den moor Coenji Moessa daar bij geweest te sijn, die door de aldaar zijnde wagt zijn aangeroepen en gevraagt, waar deselve vandaan en na toe voeren, dog deselve geen andwoord gevende en ook niet aan„ „leggen wilden, heeft den Corporaal 2. toepas„ „se soldaten en 2. Lascorijns met een Mansjouw na derwaarts gesonden, om te sien en te vragen, wie sij waren, waar op deselve ten eersten de Mantjouw omcingelt hebben en toepasse soldaat aan het hoofd swaar gequetst benevens een lascorijn en een slave Jongen van Capit:n Mendes, die meede daar praesent was deerlijk geslagen, so meede twee volle volle ge„ „weiren van hun afgenomen en zig vervolgens na Chawecattij begeven; op welke ontfangen tijding wij ten eersten onder vE: E: agtb: gunstige welduijden een Commando met hunne officiers so Europese als oosterse militairen benevens een veldstuk naar derwaards gesonden om hunne passagie, so veel doenelijk, aldaar te beletten en geweld met geweld af te keren. — Behalven welke facieuse passagie den Commandant bij sijn Briev van eergisteren datum nog dese kennisse geeft, dat hij door zijn spions berigt bekomen had, dat so wel op Chawecattij als aan de overkant van Poelicarro bij de twee hon„ „dert mooren vergadert waren, welke onder het Commando van den Talchenoor Conattij Alennij in het land van Paijencherij Nairo zouden vallen, om 't konings geregtigheden, met goede of met geweld in te vorderen, en dat de gezamentlijke familien van Paijencherij dierhalven ootmoediglijk verzogten, dat aan hen 100. snaphanen met kruijd en lood voor sComp„s prijs mogten overgelaten werden. over welke hostilje acties van den Cammo„ „rijn ende propositie vanden heer Commandeur ample geraisonneert en de omstandigheden derzaken in serieuse overweging genomen zijnde, was de geheele vergadering met zijn E: van gevoelen, dat de desseinen van den sammorijn daar heenen lagen, om weder het meesterschap over het zandigland en't conquest te acquieeren en tendien einde zulke au„ „tragieuse en ter prisen liet voor af gaan, om uijt de middelen, die de Comp:e tot tegengang van die eerste beginzels in't werk stelt, te kunnen conjectureren, hoe hij in zijn hoofd onderneming zoude mogen reusseren, en ten opzigte der middelen tot dato bij de Comp„e g' „employeert, sustineerden de leden dat den Lammorijn in Consideratie van onse pre„ „sente zwakheijd met veel vigeur in zijn vaart tegen gehouden en meer ernst als zedert veele Jaren getoont was in de zorgvuldige handhaving en beveiliging van 'sComp„s voor„ „regten, en eijgedommen, waar door het conquest de nu 177 Van Mallabaar onderdato 24. maart 1755. Hee Van Mallabaar onder dato 24. maart 1755. nu ook een tamelijke rust geniet en het zandigland van Chettua aan so veel invasies en stroperijen niet g'Exponeert legt, dog de verga„ „dering stemde mede toe, dat indien het den Lammorijn mogt gelusten, om zijne wapenen tegens de Comp:e te wenden, en al zijn magt van aanpringt, oede arorte ie grant gesle tonien biden den beda in de oogen te zien; Na welk gehouden discours wierd goedgevon„ „den en geresolveert om nog eenige manschappen met de Chialoup Maria Laurentia aangebragt om kalk af te halen, tot versterking van 't Com„ „mando na Chettua te detacheren en de officiers nog malen in last te geven, om alleen op het territoir van d' Comp:e te blijven; sonder een voet te setten op de grond van den sammorijn, sig te houden binnen de palen van een afgevergde defensie, en dus verwerender wijze 'sComp„s voor„ regten en eijgendommen tegens alle vijandelijke attentaten na vermogen te beschermen, 't geen voor eerst alls is, wat men doen kan en volgens onse pligten en den eisch van't regt den natuur ook doen moet, zijnde verder verstaan bij be„ quame gelegentheijd de presente situatie van zaken Haar Hoog Edelhedens ter kennisse te brengen; E Hier na wierd lectura genomen van een ola door de familie van Paijencherij Nairo aan den Commandeur geschreven en op gisteren ontfangen, behelschendede versoek dat aan hen hondert snaphanen voor betaling mogten werden afgegeven, waar op verstaan is de bediendens van Chet„ „tua te qualificeeren om 100. snaphanen aan dese families ter leen te verstrekken ten eijnde zij hunne personen en goederen eeni„ „germate tegens het sammorijns volk be„ „schermen mogen, Dewijl Capitain Mendes thans bezig is met het innen van 's Comp„s geregtigheden in het district van Chettua en tot het in„ „vorderen van de tiendens der nelij velden, toebehorende Paijencherij Nairo het gantsche land eerst moet bezigtigt en opgenomen werden, zo is op de propositie van den heer Commandeur goedgevonden twee landbouw-kundige pagters uit 'sComp„s conquest aan te stellen, om dat werk onder het oog van 's Comp„s volk te verrigten; Ik heb, seijde den heer Commandeur tot een andere materie overstappende bij mijne aparte brieven over 'sComp„s zaken en belangen met het Cannanoors opperhoofd weijerman gewisselt, een voorstel gedaan om eens te tenteren, of de princen van Colastrij en Adij Ragia niet zouden te permoveeren zijn, om door vaste en altoos durende contracten zig te verbinden tot een Jaar„ „lijkse leverantie van zeker quantiteijt peper aan onse Comp:e en so Ja, dat hij weijerman moest zien te bedingen, dat zij van alle enga„ „gementen met de Engelsche en fransche natie, so veel doenelijk was, zouden afsien, en an„ „dere articulen meer, die hij zouden oordeelen voor ons favorable te zijn en niet te stryden waar tegens o
English
From Malabar, under the date 24 March 1755. From Malabar, under the date 24 March 1755. against the old contracts existing between the Company and these rulers, that he would however not proceed immediately in the main matter, but would first send a draft or concept of the agreed articles to Cochin, which commission Weyerman, according to His Honour's opinion, also carried out promptly and with good management, as appears from the two draft contracts which His Honour presented to the members and which are inserted below. Renewal of the former Treaties, and further agreements between the illustrious Prince Romawarmen Onnetrij from the Royal House of Cherckel Palicolotto, lawful Ruler of the Kingdom of Colastrij, in the name and on behalf of the high and mighty king of this Realm, of the one part, and the Honourable Dutch East India Company, or on Their Honours' behalf in the name of His Excellency the Most Honourable Lord Jacob Mossel, Governor-General, and the other Right Honourable Lords Councillors of the Netherlands Indies, and by order of the Honourable Worshipful Lord Fredrik Cunes, Commander and Chief Authority, together with the Honourable Political Council of this Coast, through Their Honours' Chief of the fortress Cannanoor, the merchant Godefridus Weyerman, of the other part. Firstly That the treaty of peace and friendship between His Highness's respective ancestors and the Honourable Dutch Company at the foremost court of Colastrij, concluded at Biliapatnam on the 28th of the month Cannij in the year 838, being the 8th of September in the year 1663, and signed on the 10th of October of the same year, together with the further agreement regarding trade entered into mutually in the following year 1664, shall remain in their full force and vigor, which must be fully observed and complied with by both sides, in so far as the related articles therein can in any way be applicable according to the present time and constitution of the country. Second His Highness undertakes and hereby promises to deliver, at his own cost and risk, annually before the ultimate of April by His Highness's own people to the Honourable Dutch Company inside Their Honours' fortress of Cannanoor, two, three, four to five hundred candyls of ripe, pure, and dry pepper, according as the harvest shall be found to be more or less, yet annually not less than two hundred candyls of pepper, at eighty-three and one-third ropias per candyl of five hundred Dutch pounds. 3. His Highness acknowledges and confirms the ola of assurance and toll-free trade written on a silver plate by His Highness's courtly ancestor, dated 26 December 1680, and the free trade and traffic granted thereby to the Honourable Dutch Company, as well as the agreement entered into by Their said Honours with His Highness's dearly beloved late deceased brother and ruling prince on the 9th of the month Danovam in the year 912, being 20 December 1736. From Malabar, under the date 24 March 1755. In order that, besides this, the trade and traffic of the Honourable Dutch Company may further increase and grow under the jurisdiction of Colastrij, His Highness promises and grants to the Moorish ruler Aderagia public permission to gather in, through, and out of His Highness's territory such quantities of pepper and cardamom as that Moorish ruler is obliged to furnish annually to the Honourable Dutch Company. 5. In return for which the Honourable Dutch Company shall guarantee and bring about that the said Ruler Aderagia shall at no time oppose His Highness or, through engagements with other European nations, cause His Highness any prejudice, damage, or injustice, but shall rather, if necessary, assist and be helpful to His Highness to the best of his ability, provided that His Highness on his part permits the said Aderagia to enjoy the privileges and authorities that his ancestors have of old had and possessed in the matter of trade in the Colastrij country, and which consequently also legally belong to him, Aderagia; likewise the peaceful possession of his gardens and arable lands situated in the Colastrij kingdom. In which case the Honourable Dutch Company shall also promote the true welfare of His Highness's person and kingdom, and according to the circumstances of the time be helpful to His Highness with ammunition, war supplies, and whatever more to the best ability of the Honourable Dutch Company. 8. In case of desertion of the Company's European and other wage-earning servants from Their Honours' fortress or encampment through the land of His Highness to the foreign nations, they shall be apprehended on the way by His Highness's people and subjects, brought back, and, with the prior knowledge of His Highness, delivered to the Honourable Company; for this purpose His Highness promises immediately to dispatch the necessary orders to his subjects and at the same time to ensure that they are executed. If occasionally any dispute should arise between His Highness and the aforementioned Moorish ruler Adiragia, such matter shall be decided each time according to equity through the mediation and intervention of the Honourable Company, and thereby all cause of dissatisfaction on both sides shall be removed. Because His Highness had repeatedly experienced many harmful designs of the other European nations to the detriment of His Highness's kingdom and states, His Highness declares that he will henceforth as much as possible avoid all engagements with them, and especially grant to none of them a firm footing or entrance between this fortress and the river of Madakare at Talgattij, or Aycotte. From Malabar, under the date 24 March 1755.
Dutch transcription
179. Van Mallabaar onderdato 24. maart 1755. Van Mallabaar onder dato 24. maart 1755. — tegens d'oude contracten tusschen de Comp: en dese regenten subsisterende, dat hij egter niet immediaat ten principalen zoude voortvaren maar alvorens een opstel of concept vande gecon„ „venieerde articulen na Cochim overzenden, welke commissie weijerman ook spoedig en met goed be„ „leid na zijn Ed:s opinie heeft ter uijtvoer gebragt blij„ „kens de twee concept=contracten die zijn E: de leden praesen„ „teerde en hier beneden staan g'insereert. Renovatie der voorige Tractaten, en nadere overeenkomingen tusschen de doorlugtige Prince Romawarmen onnetrij uijt Stamhuijs Cherckel Palicolotto, wettige Regeerden van 't koning Rijk Colastrij, uijt name ende van wegen den grootmagtige koning deses Rijx ter Eenre en de Edele Nederlandse oostJndische Comp:e ofte haar Ed:s weege uijt naame van sijn Excellentie den Hoog Edele Heer Jacob Mossel, Gouverneur Generaal en de verdere wel Edele Heeren Raden van Nederlands India en ter ordre van den Edelen Agtbaren Heer Fredrik Cunes Command„r en oppergebieder Nevens den E: Politicquen Raad deser Custe, door haar Edelens opperhoofd ter fortresse Cannanoor„ Den koopman Godefridus Weijerman ten andere zijde. Eerstelijk Dat 't tractaat van vreede en vrindschap tussen zijn hoogheijds respective voorzaten en d'E: nederlandsche Compagnie aan 't voornaamste hoff van Colastrij zijn Hoogheijt neemt aan en belooft mits dese, op eijge kosten en cesico 's Jaarlijks voor ult„o april door zijn Hoogheijts eige volkeren aan d'E: ne„ „derlandse Comp:e binnen haar Edelens fortresse Can„ nanoor te sullen leveren twee, drie, vier â vijff hondert Candijlen rijpe suijvere en drooge peper, na maate dat de Jnoegst min ofte meer sal worden bevonden, edog 's Jaarlijx niet minder dan twee hondert candijlen peper tegens drie en tagentig en een derde ropias 't Candijl van vijff hondert ponden hollands. Erkend en bevestigt zijn hoogheijdt de ola van seguranie en drije tholl geschreven op een silvere plaat door zijn Hoogheijds hoffelijke voorzaat, onder dato 26. december 1680. en de daar bij vergunde vrije handel en traffique aan de Edele Nederlansche comp:e, so mede het accoord door gem: haar Edele aangegaan met zijn Hoogheijts seer lieve laatst overledene broeder en regerende prince op den 9. van de maand Danovam in't Jaar 912. zijnde den 20. december 1736. te Biliapatnam op den 28. van de maand cannij in 't Jaar 838 /wesende den 8 september a„o 1663: / gesloten, en op den 10. october desselvigen Jaars getekend, ne„ „vens 't nader accoord aangaande de negotie op het daar aan volgende Jaar 1664. wederzijds aangegaan, zullen blijven in haare volle kragt en vigeur dewelke van beijder sijde allesints opgevolgd en moeten naar ge„ „komen worden, in so verre de daar bij vervant staande articulen na de presente tijd en constitutie des lands eenigermaate plaats vinden kunnen; d Wee 2. 3. te Van Mallabaar onderdato 24. maart 1755. op dat buijten des den handel en traffique van de Edele nederlandse Compagnie alverder toenemen en accresseeren moge, onder het ressort van Colastrij, so beloofd en vergund zijn Hoogh„t aan den moors regent aderagia openbaar oorloff om te mogen samelen in, door, en uijt zijn hoogheijts aijk sodanige quantiteijten peper en Cardomom, als dien moors regend gehouden is 's Jaarlijx aan d'E: nederlandse Compagnij te versorgen Waar en tegen d' Edele nederlandse compagnij instaan en te weege brengen zal, dat gem: Regent Aderagia ten geene tijden zig oponeeren ofte door engagementen met andere europese natien zijn Hoogheijt eenig nadeel schade, ofte ongelijk toe„ voegen zal, maar te eer des noods zijn hoogh„t naar best vermogen bijstaan en behulpig wesen, mits dat zijn hoogheijt van sijne sijde hem aderagia laate gaudeeren de voorregten en authori„ „teijten die zijne voorzaaten van ouds in't articul van negotie in 't Collastrijse gehad en beseeten hebben, en indien volgende alsulx hem aderagia mede wettiglijk toekomen, jtem het geruste besit zijner thuijnen en zaaijlanden in't calas„ „trijse rijk gelegen; so er door intervallen eenig verschil tusschen zijn Hoogheijd en voorm: moors regent adi„ „ragia mogten ontstaan, sal zulx door mediatie en tusschen koming van d' Edele Compagnie telkens na de redelijkheijd beslist en daar door Bij desertie van 's Comp:s Europeese en andere loontreckende Dienaren, uijt haar Edelens festing of campement daor 't land van zijn hoogheijt, naar de vreemde natien, zul„ „len die onderwegens door zijn Hoogheijts vol„ keren en ondersaten moeten opgehouden te rug gebragt, en met voorkennisse van zijn Hoog„ heijt aan dE: Comp:e overgeleverd werden, hier toe beloofd zijn Hoogheijt de nodige ordres aan zine onderzaten mediatelijk te sullen Expedieeren en te gelijk sorge dragen Jn welken gevalle de Edele nederlandse Comp:e mede het waare welzijn van zijn hoogheijts persoon en rijk zal behartigen en naar tijds gelegentheijd zijn hoogheijt be„ „hulpig wesen met ammonitien krijgsbehoef„ „tens en wesmeer naar best vermogen van d'E: Nederlandse Comp:e Wijl zijn hoogh„t te meermalen ondervonden hadde veele schadelijke desseijnen der ander Europeese natien tot nadeel van zijn hoogheijts rijk en staaten, betuijgd zijn hoogheijt bij vervolg so veel mogelijk te zullen menageeren, alle enga„ „gementen met derselvers, en voor al aan geene van deselve vaste voet ofte entrance verleenen tusschen des fortresse en de revier van Madakare op Talgattij, of aijcotte wederzijds alle reden van misnoegen benomen werden. Van Mallabaar onder dato 24. maart 1755. wederzyds dat 5. 8. 181
English
183 From Mallabaar under date of 24 March 1755. From Mallabaar under date of 24 March 1755. that this be strictly followed. Further treaty of peace and unbreakable friendship between Aderagia, Lord and supreme ruler of the Moors on the Coast of Mallabaar on the one part, and the Honourable Dutch Chartered East India Company on the other part, entered into and established in the name of His Excellency the Right Honourable, Valiant Jacob Mossel, Governor General, and the Honourable Council of India, as well as by order of the Honourable, Worshipful Fredrik Cunes, Commander and supreme ruler of this Coast, through their Chief at the fortress of Cannanoor, the merchant Godefridus Weijerman; Previous treaties and alliances entered into, concluded, and established between the praiseworthy ancestors of Aderagia and the Honourable Dutch Company in the years 1664 and 1680 shall remain and be held in their full force and vigour, which must be observed and complied with mutually in every respect, in so far as the articles contained therein, according to the present situation of the times, can in any way take place and be followed; especially regarding the inspection of the ships and vessels of him, Aderagia, and those of his subjects, as well as the requesting and taking of passes and letters of safe conduct from the Honourable Dutch Company for the said ships and vessels, both those departing from his bay to elsewhere, and those arriving from Aderagia's Laccadive Islands upon and along these coasts, so that Firstly 2. Aderagia and his subject peoples, upon taking the passes and letters of safe conduct from the Honourable Dutch Company, must punctually observe the restrictions contained and expressed therein, and henceforth may not request any passes from other European nations; 3. Aderagia submits himself fully to that which was mentioned hereinbefore in Article 3, in the expectation that the Honourable Dutch Company for their part will ensure that the passes to be issued by their Honours are properly respected by all other European nations, and likewise that his ships or vessels are not constrained by them to take their passes. 5. Furthermore, Aderagia promises and binds himself hereby annually, at his own expense and risk, before the last day of April, within the fortress of Cannanoor to the Honourable Dutch Company 185 From Mallabaar under date of 24 March 1755. From Mallabaar under date of 24 March 1755. to deliver and weigh out four hundred candies or 200,000 pounds of ripe, dry, and well-cleaned pepper at the price of eighty-three and one-third silver rupees per candy of five hundred Dutch pounds; likewise annually ten candies or 5,000 pounds of good Cardamom cabessa sort for the closest and most favourable market price, this before the end of the month of February. 6. Also, he, Aderagia, shall accurately seek to maintain and preserve the association and new friendship recently brought about by the Honourable Dutch Company between him, Aderagia, and the ruling prince of Colastrij, without causing His Highness any disadvantage, damage, or wrong through engagements with other European nations, but rather being required to assist His Highness according to his ability in case of need; Where against the said Prince Regent of Colastri, for His Highness's part, has accepted and promised to grant to him, Aderagia, as of old, the necessary freedom and permission for a peaceful and tranquil continuation of his trade and collection of pepper and cardamom in, through, and out of the realm of Colastri for delivery to the Honourable Dutch Company, without in any way disturbing or hindering him, Aderagia, in that regard, whether by his own power or by the power of others; 8. However, if it should happen that through intervals any dispute should arise between the above-cited Prince Regent of Colastrij and him, Aderagia, this shall each time be truthfully laid open and presented to the Chief of the fortress of Cannanoor, in order to have the same decided and settled through the mediation of the Honourable Company according to equity and to mutual satisfaction. 10. If Aderagia comes to deliver the agreed quantities of pepper and Cardamom Cabessa annually, promptly, and early to the Honourable Dutch Company, and likewise refrains from all engagements with the other European nations, the Honourable Dutch Company promises to secure and protect him, Aderagia, and his market or place of residence, and also to provide him, Aderagia, all further feasible friendship and assistance to the best of their ability. Which two writings being read and examined together and each in its particular articles, the assembly found the same to be advantageous and honourable for the Company, and resolved therefore to remit these drafts to Cannanoor and to authorise the officials to proceed with the ratification and the exchange according to custom; there being only in the contract of Adi Ragia at Article 3 struck out: that Adi Ragia and his subject peoples may henceforth request no passes from other European nations; and furthermore Article 4, as flowing therefrom, completely omitted; This article, the Lord Commander continued, indeed contributes little to the matter, and speaks of Colastrij
Dutch transcription
183 Van Mallabaar onderdato 24. maart 1755. Van Mallabaar onderdato 24: maart 1755. dat zulx stiptelijk werde agtervolgd. Nader verbond van vreede en onverbrekelijke vriendschap tusschen Aderagia Heer en opperste gebie„ „der Mooren ter Custe Malla„ „baar ter Eenre, en De Edele Nederlandsche g'octroijeerde oost Jndische Compagnij, ten andere sijde, aangegaan en vastgesteld uijt Naame van sijn Excel„ „lentie Den Hoog Edele gestr: Heer Jacob Mossel Gouverneur generaal en de wel Edele Heeren Raaden van Jndia, mitg„s ter ordre van Den wel Edele Agtb: Heer Fredrik Cunes Com„ „mandeur en oppergebieder deser Custen door derselver opperhoofd ter Fortresse cannanoor den koopman Godefridus weijerman sullende voorige Tractaten en verbonden tusschen de loflijke voorzaten van aderagia en d' Edele nederlandsche Compagnij in de Jaren 1664. en 1680. aangegaan gesloten en vastgesteld, als nog blijven en gehouden worden in haare volle kragt en vigeur, welke wederzijds alle„ „sints zullen moeten werden agtervolgt en naar gekomen, in so verre de daar bij vervat staande articulen na de presente constitutie Eerstelijk Aderagia onderwerpt zig ten vollen aan 't geene hier vooren bij articul 3. vermeld werd, in verwagting dat de Edele Nederlandsche Comp:e van hare zijde zullen letten dat haar Edelens te gevene pascen van alle verdere Europese natiën na behoren gerespecteerd en 'teffens dat zijne scheepen of vaartuijgen van deselves niet geconstringeerd worden tot het nemen haren pascen Wijders beloofd aderagia en verbind zig mits dese 's Jaarlijks op eijge Kosten en resico voor ult:o april bin„ „nen de fortresse Cannanoor aan d' Edele nederlandse Aderagia en zijne onderhorige volkeren zullen bij het nemen der passen en geleijde brieven van de Edele Nederlandse Compagnije poinctelijk moeten observeeren de restrictien daar inne vervat en uijtgedruckt, en voorthaan geene passen van andere Europese natien mogen Eijsschen; Insonderheijd aangaande het visiteeren der scheepen en vaartuijgen van hem aderagia en die van zijne onderhorigen, mitsg„s het Eijsschen en nemen der passen en geleijde brieven van d' Edele nederlands„ „che compagnie voor deselve scheepen en vaartuijgen, so uijt dessbhaaij naar elders vertreckende, als die van aderagias laquerdivose Eijlanden op en langs dese custen aankomen, des tijds eeniger maate plaatse vinden en kun„ „nen opgevolgd werden; des Compagnij 2. 3. 5. 185 Van Mallabaar onderdato 24. maart 1755. Van Mallabaar onderdato 24:' maart 1755. Compagnie te leveren en toewegen vierhondert Candijlen ofte 200'000: ponden rijpe drooge en wel gesuijverde peper tegens de prijse van drie en tagtentig en een derde silvere ropias 't candijl van vijff hondert ponden hollands so mede 's Jaarlijks thien candijlen ofte 5000: ponden goede Cardamom cabessa soort voor de naaste en favorabelste marcks prijse, zulx voor 't uijt eijnde des maands februarij. — Ook zal hij Aderagia de Jongst door de Ed: Neder„ „landse Comp:e te wege gebragte assopiatie en nieuwe vriendschap tusschen hem aderagia en den regerende prince van Colastrij naukeurig soeken te onderhouden en conserveren sonder door engagementen met andere Europeese natiën zijn Hoogheijt eenig na„ „deel schade ofte ongelijk toe tevoegen, maar te eer des noods zijn Hoogheijd na vermogen bijstaan moeten; Waar tegens gem: prins regent van Colastra van zijn hoogheijts zijde aangenomen en beloofd heeft aan hem Aderagia gelijk van ouds de nodige vrijheijd en permissie te zullen verleenen tot eene vreed„ „same en geruste voortsetting zijner handel en in„ „sameling van peper en cardamom in, door en Colastri uijt het rijk van ^ ter leverantie aan d' Edele neder„ „landse Compagnie, sonder hem aderagia daar omtrent het zij door eijge ofte wel door magt van andere eenigermate te ontrusten en verhinderen; Edog so het mogte gebeuren dat door Jntervallen eenig verschil tusschen evengeciteerde prins regent van Indien aderagia de aangenome quantiteijten peper en Cardamom Cabessa 's Jaarlijx prompt en vroeg„ „tijdig aan de Edele nederlandse Comp: kome te leveren en teffens afziet van alle engagementen met de verdere Europeese natiën beloofd d'Edele nederlandse compagnie hem aderagia en zijne =markt of residentie plaatse te zullen beveijligen en beschermen, ook aan hem aderagia alle verdere doenlijke vriendschap en adjude toebrengen naar best Welke twee schriftuuren te zamen en ieder in 't bijzonder articulatien gelesen en g'exa„ „mineert zijnde bevond de vergadering deselve te zijn voordeelig en honorable voor de Comp:, en re„ solveerde dierhalven dese concepten na Cannanoor te remitteren en de bediendens te authoriseren, om met de ratificatie en d' uijtwisseling na den gebruijke voort te varen; zijnde alleen in het contract van adij Ragia bij articul 3. geroij„ „eert; dat adij Ragia en zijn onderhorige vol„ keren voortaan geen passen van andere Europe„ „se natien mogen eijsschen en voort articul 4. , als daar uijt fluerende geheel uijtgelaten; Dit articul, vervolgde den heere Com„ „mandeur doed wel weinig tot de zaak, en het vermogen. Colastrij en hem aderagia kome te ontstaan sal dat telkens na waarheijd aan het opperhoofd van de fortresse Cannanoor werden opengelegt en voorgehouden, om 't selve door mediatie van d' Edele Comp: na de billijkheijd en ter wederzijds genoegen beslist en ver„ „effent te werden. Colastrij spreekt 6. 8. 10.
English
From Malabar under date 24 March 1755. From Java's North-East Coast the last day of April 1755. it speaks for itself that Ady Raja is obliged to take passes and safe-conducts from our Company when his ships and vessels sail into and out of our harbors and rivers, but the main point here is whether we could maintain and fulfill the obligation to ensure that Ady Raja would not be compelled to take passes from other nations as well. It has often been attempted by us, his Honor continued, but the foreign nations have shown on various occasions that they are not inclined to let a right be disputed which they maintain they possess equally with us. This point has been debated both in the Indies and in Europe by higher authority, and has remained undecided to this date. In our favor, it certainly pleads that we conquered these lands from the first possessors and have been settled here the longest; nevertheless, it is not conceded by others that we have the dominium maris, or dominion over the sea, as we would appear to have if the native princes and their subjects could only sail with the passes and flags of the Dutch Company. Whereupon the Council declared that it fully concurred with the sentiment and remarks of the Lord Commander regarding this particular matter. Below stood: Cochin, date as above. Was signed: P. Cunes, N. Bowijn, D. Bos, M. H. Beyts, G. J. Feijth, A. van Vechten, and D. H. Westphal. Lower: Agrees. Signed: A. van Vechten, Secretary. In the margin: For verification. Signed: J. Exspeel. To Batavia. To His Excellency, the High and Mighty, Right Honorable Lord, Jacob Mossel, General of the Infantry in the service of the state of the United Netherlands, as well as, on behalf of the same and the Chartered East India Company, Governor-General, and the Right Honorable Lords Councillors of the Netherlands Indies. High and Mighty, Stern, Right Honorable Lord, and Right Honorable Lords. Having received on the 27th ultimo Your High Honors' ever respected letter of the 16th preceding, I have the honor, in reply thereto, to express my dutiful gratitude that Your High Honors have been pleased to crown with your esteemed approval my actions both in the inauguration of Sultan Hamengkubuwana and the concluding of the contract with the same, and the further work done at court, with the respectful assurance that my efforts shall always be to give Your High Honors and Right Mightinesses in my government all required satisfaction; while I also consider myself obliged for the gracious promotion of the respective officers mentioned therein, not doubting that they will thereby be encouraged and animated to distinguish themselves ever more in their bravery and courage. I have meanwhile, while commending them, caused everyone's commission to be delivered and handed over, just as it will also be handed over to Raden Adipati Danureja as soon as circumstances permit him to come hither to swear it and be placed under oath. His son Ngabehi Dipa Yuda, whom Your High Honors have granted to succeed his father in the regency of Banyumas, requests to be honored with the title and name of Tumenggung Indranagara, and the Regent of Jipan, Ngabehi Astradiridjo, with the title of Tumenggung Astranagara, in which manner I also urge that the commissions may be dispatched for them. The wanderer Mas Said, whose power altogether consists only of a good 600 men, is in a very poor and desolate state, and according to the testimony of two prominent Tumenggungs who were formerly in high credit, named Surawinata and Simpordjaya, who, having also had to succumb under the yoke of the rebellion, submitted three days ago to Major Steenmulder at Morbon, has no more than 120 muskets and just as many pikes, all of which are distributed among the people sent out on plundering raids. Practicing all kinds of trickery to bring into discredit and render suspect—if possible with his father-in-law the Sultan, to whom the widow of Pangeran Purbaya has departed and gone up to court from here with the customary ceremony, which again relieves the Company of a small burden—the Raden Tumenggung Ranadipura and two prominent mantris, as if they, seeing a clear chance for it, sought to do away with him; for he has recently had his wife warn her father further by letter that they had been bribed by him for that purpose, with a request to please be on his guard. This, however, the Sultan as well as I take to be an arrogant and sinister trick of that villain, against whom, although our armies cannot well move before the coming month of May on account of the rainy season, a beginning will nevertheless be made and military operations opened as soon as possible, or directly when Raden Adipati Danureja and Captain Donkel, who are to depart from Gantie for Surakarta in order to confer there with Major Steenmulder, Captain Abrahams, and Raden Adipati Pringgalaya on the points and articles given them into consideration by me for that purpose and to undertake the campaign with success, shall have returned, for which we
Dutch transcription
167 Van Mallabaar onderdato 24. maart 1755. Van Javas oost Cust ultimo April 1755. — spreekt van zig zelv, dat adij Ragia gehouden is pascen en geleijbriefjes van onse compagnie te nemen, wanneer zijn scheepen en vaartuijgen, in en uijt onse havens en revieren varen, maar het komt hier voornamentlijk op aan, of wij die verbintenis van te zullen besorgen, dat Adij Ragia niet geconstringeert werd, om van an„ „dere natiën mede pascen te nemen, zouden esteeren en nakomen kunnen, 't is menigmaal bij ons getenteert continueerde zijn E: maar de vreemde naties heb„ „ben bij verscheijde occasies getoont, dat zij niet genegen zijn, om zig een regt te laten betwisten, dat zij staande houden met ons gelijk te hebben, dit poinct is beijde in Jndia en Europa bij hoger authoriteijt gedebatteerd, en tot dato ongedecideert gebleven. Voor onse zijde pleit wel, dat wij dese landen van d' eerste bezitters geconquesteert heb„ „ben en hier het langste gezeten zijn, egter werd hier om bij andere niet geconcedeert dat wij hebben het dominium maris, of heerschappije over de zee, gelijk wij dat zouden schijnen te hebben, indien d' Jnlandsche vorsten en hunne onderdanen maar alleen konden vaaren met de passen en vlaggen van de hollandsche Comgagnie. Waar op den Raad betuigde dat zij zig volkomen voegde bij het sentiment en aanmerkings van den heer Commandeur omtrent dese particulariteijt /:onderstond:/ Cochim dato voorsz: /:was getekent./ P„n Cunes, N„s Bowijn, D:l Bos, M„s H„k Beyts, G„t J„n Feijth, A„s van Vechten en D:d H:k Westphal /:lager:/ Accordeert /:getekent:/ A„„ V„n vechten secret:s /:in margine / voor 't Nasien /:getekent:/ J„b Exspeel Den 27. passato gerecipieerd hebbende uw Hoog Edelens altoos gerespecteerde missive van den 16. e be„ „voorens heb ik daar op antwoordendede eer voor dat uw Hoog Edelens mijne behandelingen soo in 't hul„ „van den sulthan Hamingcoeboeana als het sluijten van 't Contract met denselven en het verder verrigte ten hove met derselver g'eerde appro„ „batie hebben gelieven te bekroonen mijne ver„ schuldige dankbaarheijd af te leggen, met eerbiedige versekeringe dat mijne pogingen steedes sijn sullen om uw Hoog Edele groot Achtb„e in mijne rege„ „ring allesints het vereijschte genoegen te geeven; terwijl mij ook verpligt agte voor de gratieuse Hoog Edelen, Gestrengen groot Agtbaaren Heere, en wel Edele Heeren. Batavia Aan zijn Excellentie, den Hoog Edelen gestrengen, groot Agtbaaren Heere, Jacob Mossel Generaal over d' Jnfanterie ten dienste van den staat der vereenigde Nederlanden mitsg„s wegens deselve en d' g'octroijeerde oost Jndische Comp:e, Gouverneur Generaal en De wel Edele Heeren Raden van Neder„ „lands Jndia Javas promotie 189 Van Javas oost Cust Cust ult„o april 1755. — Van Javas oostCust ult„o April 1755. promotie der officieren respective daar inne ver„ „melt, niet twijffelende of zij zullen daar door worden aangemoedigt en g'encourageert om hen hoe langs hoe meer in haare dapper=en kloekmoedigheijd te signaliseeren hebbende ik althans onder recom„ „mandatie van dien een ieder zijne acte doen ter hand stellen en overgeven, gelijkse ook overgegeven sal worden aan den radeen adepattij Danoeredja soo dra de circumstantien permitteeren dat hij her„ „waarts koome om die te besweeren en onder Eede gestelt te worden desselfs zoon Jngabeij Diepa Juda, welken uw Hoog Edelens zijnen vader in het regentschap Banjoemaas te succedeeren g'accor„ „deert hebben, versoekt vereert te mogen worden met de Titul en naam van Tommogong Jnda„ „nagara en den Regent van Djipan Jngabeij Astro„ „diridjo met de titul van tommogongj Astrana„ „gara in welke voegen ik dan ook insteere dat de actens voor hen mogen worden g'expedieert. Den swerver Maas said, wiens magt in allen eenlijk nog bestaat in een groote 600. koppen, verseert in een seer slegte en desolate stoat, en heeft volgens getuijgenisse van twee voorname en in voorige tijden nog al in credit geweest zijnde Tommogongs, genaamt Soerawinata en Simpordjaja, die almeede onder het Jok der rebellie hebbende moeten succumbeeren, zig nu voor drie dagen bij den majoor steen„ „mulder op Morbon hebben onderworpen, niet meer als 120. geweiren en even soo veel piecken, dewelke alle verdeelt zijn onder het volk dat op rooff word uijtgesonden; practiseerende bij alle fi„ „nesses om des mooglijk bij zijn schoonvader den sulthan, tot wien van hier met de gebruijke„ „lijke ceremonie ten hove opgegaan en ver„ „trocken is de weduwe van den pangerang Pourbaija, het geen de Comp: alweder van een kleen lastpostje ontheft, in discredit te brengen en suspect te maken den radeen Tom mogong Ronodipoero en twee voorname mantries, als of sij hem, de kans daar toe klaar ziende, van kant sogten te helpen, want heeft kortelings door sijn vrouw bij een brief haar verder laten waarschouwen, dat zij daar toe door hem waren omgekogt, met versoek van dog ophoede te willen zijn, het geen den sulthan nogthans soo wel als ik opneemt voor een arrogante en sinistre streek van dien fielt, tegens wien of schoon onse legers om het regensaisoen niet wel eerder als in de aanstaande maand maij in beweging sullen kunnen komen, sal men egter daar meede soo dra doenlijk ofte ten eersten wanneer den radeen adipattij Danoeredja en Capitain Donkel, die van Gantie na Soura„ „carta staan te vertrecken, om aldaar met den Majoor Steenmulder, Capitain Abrahams en den radeen Adepattij Pringalaija, te confereeren over de poincten en articulen, die hen daar toe en om de veldtogt met succes te onderneemen door mij in consideratie gegeven sijn, sullen wesen gereverteerd, een begin maken en de krijgs operatien gaan openen, waar toe roofd wij Zeex
English
191 April From Java's East Coast the last of April 1755. — From Java's East Coast the last of April 1755. that we shall then indeed need to bring along some provisions, for the reason that the Mantjanagaras are totally ruined and hunger, distress, and misery prevail there extraordinarily and very severely, according to the consistent rumors both from there and from the eastern corner, from where the latest reports also maintain that Singosarie, notwithstanding my and the resident Breton's iterative exhortations to submission, nevertheless repeatedly lends his ear to the evil inspirations of the so-called pangerang Girie, whom it is said that the second regent of Grissee tommogong Poespanagara had written that it was solely done to catch that bird in the snare, and which cleric also constantly diverts him from it and advises against embracing the side of the Company, delaying the oral conference to be held at Djapan now under this and then again under that pretext, without however truly revealing what he has up his sleeve, always stalling with all kinds of frivolous excuses, notwithstanding that his pepattij named Jngabij of Cadirie in name Astropattij, who possesses virtuous sentiments, otherwise still attempts to instill everything good in him and persuade him to submission, so that he, with the former regent of Sourabaija Tommogong Sitjanagara /: now hither Tjebolan :/ staying with him and several others of his accomplices, will also have to be brought to reason by force of arms, I thinking that in such a case something may perhaps still be accomplished by the aforesaid Astropattij, known to me, the more so because the pangerang of Madura is shortly to pay that rabble a visit with only 24 European soldiers and 1000 Madurese, I considering myself assured of the attachment of this prince to the Company, and therefore also make no difficulty, as I had the honor to make known to Your High Excellencies already by earlier letters of the 24th of June past, to grant one of his sons the regency of Toeban or Sidaijoe upon vacancy, in order thereby to bind him all the more closely to the Company: And whereas the present regent of Sidaijoe, having now already for over 6 months been afflicted by a stroke and since then impeded in his tongue or remained entirely speechless, is incapable of governance without prospect of recovery, and thus everything falls into disorder, I take the liberty, on the foundation of Your High Excellencies' venerated missive of the 1st of July of the same year, presently to propose to Your High Excellencies in his place, under the title of radeen Tammogong Soera diningrat, the eldest son radeen Jawan alon, which regency would suit him better than Toeban, since the eastern corner and the upland regency of Djipan, etc., would then be covered by him, being supported by his father, and the Pangerang would also be encouraged to distinguish himself more and more 193 From Java's East Coast the last of April 1755. — From Ceylon the 9th of April 1755. — and to hold himself in readiness for the service of the Company wherever it might require such, and while towards the end of next month I shall undertake the journey to the eastern corner, when I assume that our troops, as has been said before, will already be on the march, in order thereupon over there, or on the way, always according to exigency, to be able all the better to dispatch the necessary orders and also inquire into the actual state of affairs regarding what has been alleged here before, etc.: so I request that Your High Excellencies may be pleased to reflect favorably upon this proposal of mine regarding the appointment of radeen Tawan Alon as regent of Sidaijoe, and to let me have the commissions for him and the other two Regents mentioned herein as soon as possible, in order then at the same time on that occasion to install him and the Djipangs tommogong and place them under their required deliveries, styling myself meanwhile with the utmost respect and reverence /:underneath was written:/ High Noble, Severe, Highly Esteemed Lord, and Right Honorable Lords /:lower:/ Your High Excellencies' entirely obedient and faithful Servant /:was signed:/ N:s Hartingh /:in the margin:/ Samarang the last of April 1755. — We had the honor duly to receive Your High Excellencies' highly respected secret missive of the 8th of November of last year and to reply in due respect that, regarding the proposition of the dissave of the Three and Four Corles to make his master the monarch of this country participate in the profits of the elephant trade, in so far as elephants should be delivered by the same for that purpose, we have in submission judged it best to instruct our modliar Leander de Saram, who recently travelled to that court with the Company's envoys as first interpreter, with a secret order assigned to him by us in a separate memorial: to the end of, with the least fuss, seizing an occasion thereto in the highlands, that High Noble, Highly Esteemed, Far-commanding and very generous Lord and Noble Lords. Batavia To his Excellency, the High Noble, Highly Esteemed Lord Jacob Mossel Governor-General, together with The Right Honorable Lords Councillors of the Netherlands Indies Ceylon minister
Dutch transcription
191 „ April Van Javas oost Cust ultimo„o 1755. — Van Javas oost Cust ultimo April 1755. wij als dan wel nodig sullen hebben eenige levens„ middelen meede te voeren, om reden dat de Mant„ janagaras totaal zijn geruineerd en de honger kommer en elende extra ordinair en seer geweldig aldaar grasseeren, volgens de consonante gerugten soo van daar als uijt den oosthoek, van waar de Jongste berigten mede willen dat Singosarie, onaangesien mijne en des residents Bretons interative adhor„ tatien tot submissie telkens evenwel het oorleent aan de quade insperatien van den so genaamden pangerang girie, dien men wil dat den tweeden regent van Grissee tommogong Poespanagara zoude hebben aangeschreven dat het eenlijk te doen was om dien vogel in de knip te krijgen, en welke geestelijke hem daar van dan ook gestadigh diver„ „teert en afstraad de zijde van de Comp:e te omhelsen, dilaijeerende het te houdene mond gesprek op Djapan dan eens onder dit ten dan weder onder dat voorwendsel, sonder nog„ „thans regt te openbaaren wat hij in sijn schilt voert, houdende zig altoos met allerhande frivole excusen op, niet tegenstaande zijnen pepattij gen:t Jngabij van Cadirie in naame Astropattij, die deugsaame sentimenten bezit, hem anders nog al het goede tragt in te boesemen en tot onderwerping over te haalen, soo dat hij met den bij zig onthouden den geweese regent van Sourabaija Tommogong Sitjanagara /: nu herwaarts Tjebolan :/ en meer andere zijner Complicen mede door de wapenen tot reden sal moeten worden gebragt, denkende ik dat er in so een cas door voorsz: Astropattij, bij mijn bekend, somwijlen nog iets uijt te voeren wesen sal, te meer dewijl den pangerang van Madura eenelijk met 24. Europeese militairen en 1000 madureesen dat rot eerdags een visite staat te geeven, houdende ik mij van het atta„ „chement van desen prins aan de Comp:e versekert, en maake daar om ook geen swarigheijd gelijk de eer heb gehad uw Hoog Edelens al bij ante„ „rieure letteren van den 24. e Junij passato te kennen te geven, om een zijner zoonen het regentschap Toeban of sidaijoe bij vacature toe te voegen, ten eijnde hem daar door des te nauwer aan Comp„e te verbinden: En aangesien den tegenwoordigen regent van Sidaijoe nu al over de 6. maanden door een beroerte aangetast en zedert in de tong belemmert of gansch sprakeloos gebleeven zijnde, sonder apparentie van herstol tot de regeering in capabel is, en dus alles in't riet loopt, soo neem ik of fondament van uw Hoog Edelens gevenereerde missive van P„mo Julij ejusdem anni, de vrijheijt thans daar toe in zijn plaats aan uw Hoog Edelens voor te dragen onder den titul van radeen Tammogong Soera diningrat den oudsten zoon radeen Jawan alon welke dat regent schap beter als Toeban soude conve„ „nieeren, alzoo den oosthoek en't bovenlands regentschap D Jipan, enz: dan door hem, gesou„ „teneert wordende door sijn vader, soude weesen gedekt en den Pangerang ook worden g'animeert om hem langs hoe meer te distingueeren Heei bij d 193 Van Javas oost Cust ult„o April 1755. — Van Ceijlon den 9. April 1755. — en gereed te houden tot den dienst van de Comp:e daar die sulx mogt vereijschen, en terwijl ik tegens het uijteijnde van de toekomende maand de reijs na den oosthoek ondernemen sal, wanneer ik stel dat onse troupes, soo als vooren is gezegt, al in aanmarsch zullen zijn, om daar op ginter, of onderweegs altoos na exigentie des te beter de nodige ordre te kunnen Expedieeren en ook inquireeren na de wesentlijke toedragt van saken omtrent het hier vooren g'allegu„ „eerde etc: zoo versoek dat uw Hoog Edelens op deese mijne voordragt, nopens de aanstelling van radeen Tawan Alon, tot regent van sidaijoe een gunstige reflectie gelieven te slaan, en mij daar van en van de andere in desen vermelde twee Regenten hoe eer hoe liever de actens doen geworden, om hem en den Djipangs tommo„ „gong dan teffens bij die occasie te installeeren en te stellen onder haare verpligte leverantie, noemende mij ondertussen met het uijterste ontsag en Eerbied /:onderstond:/ Hoog Edelen, Ge„ „strengen, Groot Agtbaaren Heere, en wel Edele Heeren /:lager:/ uw Hoog Edelens gansch ge„ „hoorsaamen en trouwschuldigen Dienaar /:was getekent:/ N„s Hartingh /:in margine:/ Samarang ult„o April 1755. — uw Hoog Edelens zeer gerespecteerde secrete missive van den 8. gber: des voorleden Jaars hebben de Eere gehad wel te ontfangen en in verschuldigde eerbied te rescribeeren dat wij aangaande de propositie van den dessave der drie en vier corles, om zijnen meester den vorst deses lands te doen participeerden in de voordeelen des Eliphants handels, voor zoo verre als van wegen denselven daartoe Eliphanten souden worden gele„ „verd, onder submissie best g'oordeelt hebben onzen Jongst na dat hof met 'sComp„s gezanten ,als eerste tolk, opgereijsden modliar Leander desaram, te belasten met eene secreete ordre bij aparte memorie door ons op denselven gedecer„ „neerd: ten eijnde met den minsten opheff, daar toe in de boven landen occasie capteerende, dien Hoog Edele Groot agtbaren Wijdgebiedende en seer genereuse Heer en Edele Heeren. Batavia Aan zijn Edelheid, den Hoog Edelen, Groot Agtbaren Heer Jacob Mossel Gouverneur Generaal, Benevens De wel Edele Heeren Raaden van Nederlands India Ceijlon minister
English
From the East Coast of Java, 9 April 1755. — From Ceylon, 9 April 1755. — to inform the minister of the Company's intention never ever to condescend to these and similar proposals, also expressing the impossibility of being able to grant such to His Majesty, as Your High Excellencies are requested to consider the contents thereof at length in the copy of that memorial, which is transmitted herewith, not with such effect, but that our said modliar, having had no opportunity to speak in person with the courtier about this, was obliged, through a confidant, to let His Honour know of the matter, who thereupon, while asserting that it was indeed true that in former times the Candian court had conducted no elephant trade with the Honourable Company, nevertheless came forward at the same time with other conditions, such as to permit the king to have elephants brought to the market place by his own people and also to put them up for sale there to the merchants arriving for the trade in the Company's animals, and if such could not happen either, then to take over for him at a reasonable price some other trades that might happen to occur there, or if also not willing to enter into that, at least to suggest someone else to the court with whom the king might come to trade: with several other proposals, cited more at large in the translation respectfully transmitted herewith of an ola written to us on that subject by the repeatedly mentioned modliar, on which matter, deliberating in our council on the 3rd of this month on the state of affairs and Your High Excellencies' proposal to open another way for the Honourable Company, free from hindrance by the court, for the shipment of the trade elephants to the Jaffnapatnam Commandement, after mature deliberation we have not judged it expedient to raise any such reservations regarding this for the time being, nor for now to have recourse to the means indicated by Your High Excellencies for shipping the elephants by sea to the repeatedly mentioned Commandement, because necessity does not yet demand such in any way, and we also wish and hope that it will not come to that in the future, when however, in the event of such an unhoped-for necessity, we shall by no means fail to keep our attention focused on the use of all possible and expedient means for the best of the Honourable Company, since it might otherwise at times be misconstrued, without open obstruction of the common roads, just as for now, to resort to the uncommon roads and means; which also, besides that, do not seem to us so safe and well practicable and feasible, on account of the few native vessels that arrive here or depart from here to the Coast, not being equipped for that purpose for one thing, like the vessels of the merchants who come from Coromandel to Jaffnapatnam expressly to transport other elephants, and for another because such vessels usually departing from here fully laden with areca and other trade goods cannot take on those heavy animals, and even if such could still be done, one would then also, with great inconvenience and expense, be able to get away only a negligible number of elephants. While for the rest we express our humble gratitude that Your High Excellencies have favorably deigned to approve the measures we have taken regarding the Roman Catholics, and we shall not fail, according to Your High Excellencies' highly revered order, to send the military officers of that faith gradually to Your High Excellencies, if any are discovered under this government in due time: but the summoned wife and children of Corporal Frans Anthon van Sanen, who came down from Candia, have already departed with him for Batavia: standing further in obedience to Your High Excellencies' esteemed order to send as many ammunition goods to Malabar for the king of Travancore as those ministers shall come to demand of us. With which concluding this, we remain in deep respect, underneath stood: High Noble, Right Honourable, Widely Governing and very Generous Lord and Noble Lords, lower: Your High Excellencies' most humble and dutiful Servants, was signed: Joan Gideon Loten, A. Lebeck, J. P. Barnewall, D: W: v: d: Brugghen, P. Cramer, Marcellius H Bles, A: Hemiland and Jan Scharken, in margin: Colombo, 9 April 1755. — With reference to my humble writing of the 30th of the past month of April, I have the honour to report to Your High Excellencies in all respect that on the same day our men in the southern mountains were engaged in battle with the rebel Soeromongodjop at the village of Senang and fought for the victory with loss on the enemy's side of many people and horses, 2 standards, 1 rentaka, 1 large sacred parang, with several muskets and pikes, the said Soeromongo Djojo, who was severely wounded in that action, having escaped with only 5 men, and on the other hand, a prominent chief from that country by the name of Tipo Judo having crossed over to us with 180 able-bodied men, as also at Morbon the Tommongong Soera Dipoero, Captain Kirchner, who has the command over the detachment sent out for that purpose, having thus High Noble, Valiant, Right Honourable Lord, and Noble Lords! Batavia To the High Noble, Valiant, Right Honourable Lord, His Excellency Jacob Mossel, General of the Infantry in the service of the State of the United Netherlands, as well as on behalf of the same and the Chartered East India Company, Governor-General, and the Noble Lords Councillors of the Netherlands Indies, etc. Java has
Dutch transcription
Van Javas oost Cust den 9„e April 1755. — Van Ceijlon den 9„e April 1755. — minister te kennen te geven 'sComp„s inten„ „tie om in dese en diergelijke voorslagen nooijt ofte ooijt te condescendeeren, met betuijging ook van de onmogelijkheijd om zulx aan zijn majesteijt te konnen accordeeren, gelijk uw Hoog Edelens gebeden worden bij het afschrift dier memorie, dat hiernevens overgaat / dies contenue in het breede te willen beschouwen, niet zulken effect, dat gem: onzen modliaar geen gelegentheid gehad hebbende in perzoon met den hoveling daar over te spreeken, genoodsaakt geweest is, door een vertrou„ „weling het een en ander aan zijn E: te laaten te kennen geven, dewelke daar op onder betuijging dat het wel waar was dat in voorgaande tiden het Candiase hoff geen Eliphants negotie met d'EComp: gedreven heeft, egter te gelijk met andere voor„ „waarden voor den dag is gekomen, als daar is om aan den koning te permitteeren om door zyn Eygen volk Eliphanten na de markt plaatse te mogen doen brengen en deselve aldaar aan de ten handel van 's Comp„s beesten overkomende kooplieden mede op te veijlen, en indien zulx ook niet geschieden konde, als dan voor heer een redelijke prijs overtenemen, eenige andere negotien die daar komen te vallen, of daar toe almede niet willende treden, ten minsten aan't hoff iemand anders aan de hand, te geeven, met wien den koning zoude komen negotieeren: met meer andere voorslagen, breder aangehaald bij het hier nevens desen in Eerbied overgaande trans„ „laat ener ola door den meerm: modliar aan ons op dat subject geschreven, alwaar omme in onsen rade op den 3. deser, delibereerende over de Constitutie der zake en uw Hoog Edelens voorstel„ aan d'EComp„e een anderen weg buijten belemmering van het hoff te openen, tot het versenden der handel Eli„ „phanten na het Jaffenase Commandement, na een rijp overweging niet dienstig ge-oordeelt hebben, daar omtrend eenige diergelijke bedenkingen voor als nog te maken, nog ook voor eerst zijn toevlugt te nemen tot het door uw Hoog Edelens aangewesen middel ter versending der Eliphanten overzee na het meerm: Commandement, wijl de noodsakelijkheijd sulks als nog geensins vorderd, en wij ook wenschen en verhopen willen, het daar toe niet te zullen komen in het vervolg, wanneer egter bij zulken onverhoopte nood„ „zakelijkheijd geenzints in gebreke zullen blijven onze attentie bezig te houden tot het gebruijken van alle mogelijke en dienstige middelen tot best van d'EComp e, dien het anders somtijds ook qualijk konde geduijd worden, buijten openbare verhinderinge der gemene wegen, gelijk voor als nog daar toe de ongemene wegen en middelen bij der hand te nemen; die ook buijten dien., ons dunkens niet zoo zeker en wel practicabel en doenlijk konnen zijn, ter zake de weijnige Jnlandse vaartuijgen die alhier komen of hier van daan na de Cust vertrecken, daar toe voor eerst niet verzien zijn als de vaartuijgen der kooplieden die van Cormandel op Jaffenap„mn komen expres om andere Eliphanten 1 ee 6 197 Van Ceijlon den 9„e April 1755. — Van Javas oost Cust den 16. maij 1755. — Eliphanten te vervoeren en ten anderen om dat sodanige vaarthuijgen van hier gemeenlijk met arreek en andere negotie volladen vertreckende, die sware beesten niet konnen overnemen, en zulx nog konnende geschieden men dan ook nog met groote ongemakken en kosten een niet naamwaardig getal Eliphanten maar soude konnen weg krijgen. terwijl voor het overige onse oodmoedige datik„ „baarheijd betuijgen, dat uw Hoog Edelens gunstige„ „lijk hebben gelieven goed te keuren, onse genomene maatregulen ten belange van de Roomsgesinde, en sullen niet manqueeren, volgens uw Hoog Edelens zeer gevenereerde ordre, de militaire officieren van dat geloof, so men eenige onder dit gouvernement in der tijd ontdekt, gaande weg aan uw Hoog Edelens te senden: dog de opontbodene vrouw en kinderen van den uijt Candia afgekomen Corporaal Frans Anthon van Sanen, zijn bereets met denselven na Batavia vertrocken: staande voorts in obidien„ „tie van uw Hoog Edelens g'eerde last zoo veel ammo„ „nitie goederen voor den koning van Trevancoor na de Mallabaar gezonden te worden, als die minis„ „ters van ons zullen komen te vorderen. Waarmede dese besluijtende in diepe eerbied verblijven /:onderstond:/ Hoog Edele groot Agtb: wijd ge„ „biedende en seer genereuse Heere en Edele Heeren /:lager:/ uw Hoog Edelens onderdanigste en trouw„ schuldige Dienaren /:was getekent:/ Joan Gideon Loten, A„s Lebeck, J„b P„s Barnewall, D: W: v: d: Brugghen, P„r Cramer, Marcellius H Bles, A: Hemiland en Jan scharken /:in marg:/ Colombo den 9. April 1755. — Met refert tot mijn onderdanig schrijvens van den 30. ' der gepasseerde maand April, heb ik de eer uw Hoog Edelens in alle Eerbied te melden dat de onze ten zelven dage in 't zuijder gebergte met den rebel Soeromongodjop op de negorij Senang zijn slaags geweest en d' victorie bevogten hebben met verlies aan 's vijands zijde van veel volk en paarden, 2. vaandels, 1. rantak, 1. grote heijlige parring met verscheijde snaphaans en pieken, zijnde ged„e Soeromongo djojo, welke in die actie swaar gequest is geraakt, het eenlijk met 5. koppen ontsnapt en daar en tegen tot ons overgekomen, met 180. weirbare mannen een voornaam hooft uijt die Contrije in name Tipo Judo, so ook op Morbon den Tommongong soera dipoero, hebbende dus den Cap„n kirchner die het Com„ „mando over het daar op uijtgesonden detachement Hoog Edelen, Gestrengen Groot Achtbaaren Heere, en wel Edele Heeren! Batavia Aan den Hoog Edelen, Gestrengen, groot agtb: Heere zijn Excellentie Jacob Mossel Generaal over d' Jnfanterie ten dienste van den staat der vereenigde Nederlanden mitsg„s wegens deselve en d' g'octroijeerde oost Jndische Comp:s Gouverneur Generaal en de wel Edele Heeren Raaden van Nederlands Jndia &: H: W:r Javas 6 heeft
English
199. From Java's East Coast, 16 May 1755. From Java's East Coast, 16 May 1755. had, cleared the southern mountains, and also found a bronze 2 lb cannon, which has been transported to Madjassem. The sultan has had two of the principal leaders of the so-called rampaks, who stayed in the Kindang mountains and on the borders of Damak and were ambushed, named Mangong diridjo and Soero Judo, beheaded and their nest dispersed, with His Highness's men presently still seeking the principal ringleader, Maas Goentor, who saved himself by flight. Major Steenmulder, currently in conference at Solo, will, as soon as possible, when the rainy season—which is already far advanced and upon which, however, because of the continuing rains, one cannot rely—shall cease, open the campaign alongside the sultan with all rigor, to destroy and root out Soeriacoesoema, or to capture him alive, which may God grant, whose blessing I pray for to that end. His Highness the sultan, from whom a letter for Your Right Honourables is enclosed herewith, received his sister, the widow of the pangerang Pourbaija, very amiably, and politely thanked me for sending her up, as well as for the trumpeters with whom I provided him, which were soon to be sent to him from Your Right Honourables, and on occasion also a carriage and elephant, concerning which he expresses himself in this manner: if such were to come to me, what joy would it not bring to my heart; also longing very much for his uncle Natacoesoema and his family, whom he says by way of reminder would come in four months, and Your Right Honourables were pleased to mention in their revered secret missive of 9 October of last year that Ceylon would be written to about this, a sign, Right Honourable Highly Esteemed Sirs, that one must not promise this prince much. The forces of the Pangerang of Madura are already marching to Cadirie with 24 Europeans, from which I augur well, all the more because the resident of Grisse, Breton, confirms that the former regent Astropattij and radeen Jngabeij Sitjacoesoema long for peace and seek to be relieved of the yoke of rebellion. I have the honor to remain with deep veneration, Right Honourable, Highly Esteemed Sir, and Honourable Sirs, Your Right Honourables' entirely obedient, very humble, and faithful servant, signed N. Hartingh. In the margin: Samarang, 16 May 1755. Translation 201 From Java's East Coast, 16 May 1755. From Sumatra's West Coast, 20 April 1755. Translation of the original Javanese letter written by the sultan Pacoeboeana, Senopattie Jngalaga Abdul Rachman Sahidin Panatagama Kalifatoela, who maintains his residence in Mattarin Adiningrat, to his grandfather, the Lord Governor-General Jacob Mossel, together with the other Honourable Lords Councillors of the Dutch Indies, brought to Batavia on 23 May 1755. After compliments: Furthermore, grandfather, together with all the other Honourable Lords Councillors of the Indies, was pleased to send his grandson a letter in response to congratulate him on his investiture as sultan by the Lord Governor Hartingh, and the transfer of half of Java, which I have received in very good order, being therefore unable to refrain from expressing my humble thanks to the Company for its favorable assistance shown therein. Furthermore, grandfather desires that his grandson seek to reciprocate these benefactions by applying everything that may serve the welfare of Java, and by faithfully following and observing everything contained in the aforementioned contract; grandfather, truly your grandson will not fail, under the favorable guidance of grandfather, the help of almighty God, and the blessing of the Company, as far as possible, to seek to observe everything that will or may make half of Java happy. Below: End. Lower: translated by, signed D. Sessie, Translator. Having received two various letters not only from the lawful regent of Natter, Bagindo mharadja Lello, but also from all the principal inhabitants, of which the translations are enclosed herewith, these will make Your Right Honourables evidently see that in order to achieve the aim of making the English depart from there, a request having been made to us for some ammunition and cash, with which we have partially accommodated them to that extent, as appears from the secret resolution of 10 March last, it has had such an effect that one expects to learn within a few days that the British nation will have taken to their heels from there, since according to the report of a spy sent out, they already have everything packed and in readiness for it; they are, so to speak, Right Honourable, Highly Esteemed Sir, and Honourable Sirs, Batavia. To His Right Honourability, the Right Honourable, Highly Esteemed Sir Jacob Mossel, Governor-General, together with the Honourable Lords Councillors of the Dutch Indies. Sumatra's West Coast Enclosed
Dutch transcription
199. Van Javas oost Cust den 16. maij 1755. Van Javas oost Cust den 16. ' maij 1755. heeft gehad, 't zuijder gebergte gezuijvert en ook opgedaan een metale 2. lb Canon, 't welk na Madjassem is getransporteert. Den sulthan heeft twee der voornaamste hoofden van den so genaamden campaks, die zig in het kindangse gebergte en op de grensen van Damak hebben opgehouden, en overvallen sijn in naame Mangong diridjo en Soero Judo de kop laten afslaan en dat tot doen vernestelen, wordendende daar van tegenwoordig nog door zijn hoogheijds volk opgezogt de principaalste belhamel Maas Goentor, die sig met de vlugt heeft gesalveert. sullende den Majoor Steenmulder, thans in Conferentie op solo, soo dra mooglijk, wanneer het regensaisoen, dat al ver is ingeschooten en waar op nogthans mits de nog continuee„ „rende regens niet te cijferen valt, sal cesseeren, de veldtogt nevens den sulthan met alle regeur openen, om Soeriacoesoema te verdelgen en uijt te roeijen, of levendig in handen te krijgen, 't welk God geeve, wiens zegen ik daar toe ben afbiddende zijn Hoogheijd den sulthan, van wien, voor uw Hoog Edelens een brief hier nevens legt, heeft desselfs suster, de weduwe van den pangerang Pourbaija zeer minsaam ontfangen, en mij voor haare opsending beleefdelijk bedankt, ook voor de trompetters, die ik denselven bedeelt heb, dat hem van uw Hoog Edelens eerstdaags stonden toegesonden te worden, en bij occasie ook een koets en oliphant, waar over sig in deser voegen expliceert; indien mij sulx te gemoet quamen, wat blijdschap soude 't niet in mijn herte baren; verlangende ook seer na sijn oom Natacoesoema en desselfs familie, die hij rememorerender wijs zegt dat over vier maanden komen souden, en uw Hoog Edelens bij derselver gevenereerde secreete missive van den 9. october a„o pass:o hebben gelieven te alegueeren dat daarover na Ceijlon soude geschreeven werden, een blijk Hoog Edele Groot Agtb: Heeren dat men deser vorst niet veel beloven moet. De volkeren van den Pangerang van Madura sijn bereets met 24. Europeesen in aanmarsch na Cadirie, waaruijt ik mij iets goeds voorspel, te meer om dat door den Grisse's resident Breton geconfirmeerd word dat den gewesen regent Astropattij en radeen Jngabeij Sitjacoesoema na de vreede haaken en tragten van het Jok de rebellie ontslagen te weesen. Ik heb de eere met diepe veneratie te verblijven /:onderstond:/ Hoog Edelen gestr: groot Agtbaaren Heere, en wel Edele Heeren /:lager:/ uw Hoog Edelens gansch gehoorsamen seer onderda„ „nige en Trouwschuldige Dienaren /:getekent:/ N„s Hartingh /:in margine:/ Samarang den 16. maij A„o 1755. — waar Translaat Hei 2 201 Van Javas oost Cust den 16. ' maij 1755. — Van Sumatras West Cust den 20:' April 1755. Translaat origineele Javaanse brief gesz: door den sulthan Pacoeboeana, senopat„ „tie, Jngalaga, abdul, Rachman Sahidin, Panatagama, kalifatoela, die sijn residentie in't Mattarin Adi„ „ningrat is houdende, aan sijne groot vader den Heere Gouverneur generaal Jacob Mossel, beneffens de verdere wel Edelen Heeren Raden van Nederlands Jndia, op Batavia aangebragt den 23. maij A„o 1755. Na gedane Compliment Wijders soo heeft groot vader beneffens alle de verdere wel Edele Heeren raden van Jndia hunne kleijn zoon een brief in antwoord ter geluk wensching over sijne hul„ „ding, door den Heer gouverneur Hartingh tot sultan, en het opdragen vande helfte van Java, ge„ „lieve toe te zenden, dewelke seer wel hebbe ont„ „fangen, kunnende dierhalven niet af sijn om mijne nedrige dank aan de Comp:e te betuijgen, voor desselfz daar inne bewesene gunstige hulpe. Voorts is groot vader begeerig dat sijne kleijn soon die weldaden soeke te beantwoorden in het aanwenden van alles wat tot Javas welvaart mag strekken, en in het getrouw opvolgen en naarkoomen van al het geene in gem: Contract is begreepen; groot vader waarlijk uw kleijn soon sal in geen gebreeken blijven om onder de gunstige onderwijsing van groot vader hulpe van den almogende God, en zeegen van de Comp:e so veel moglijk is, alles soeke te betragten wat de helfte van Java sal komen of mogen gelukkig maken /:onderstond:/ Eijnde /:lager:/ getransla„ „teerd door /:getekent:/ D„l sessie Translateur. Twee diverse Brieven niet alleen van den wettigen regent van Natter Bagindo mharadja Lello, maar mede van alle de voornaemste Jngeseteenen ontfangen hebbende, waar van de Translaten hier nevens gaen, zullen uw Hoog Edelens evident doen sien, dat tot bereijking van't oogmerk om de Engelse van daar te doen verhuijsen, ons versoek zijnde gedaan, om enige amunitie en Contanten, waarmede wij in soo verre haar ten deele gerieft hebben, blijkens secrete resolutie van den 10. Maart J„ol„n, van zoodanige effect geweest is, dat men binnen weijnige dagen denkt te vernemen, die britse natie van daar 't hosepad genomen sullen hebben, vermits volgens rapport van een uijtgesondene spion, zijlieden reeds alles gepakt, in gereedheijt daar toe houden; deselve zijn zoo te zeggen, Hoog Edelen Gestrengen Groot Agtbaren Heere en wel Edele Heeren Batavia Aan zijn Hoog Edelheijt den Hoog Edelen gestrengen groot Agtb: Heer Jacob Mossel gouverneur Generaal Benevens De wel Edele Heeren Raden van Ne„ „derlands India Sumatras w„t Cust opgesloten Heeel -
English
From Sumatra's West Coast, the 20th of April 1755. Locked up in their small fort, not daring to show the boldness to come to the other side of the river, but having sought through presents to corrupt the regents there, they received the affront that their present was sent back home with contempt; expressing that they had nothing to do with the English nation, which made them not a little embittered, and giving full rein to their passion, they not only caused Ensign Fredriksz, who was lying at anchor off Pulau Jaman with the puchallang De Zwaluw, to be ordered to depart from there, but also pulled out the post standing on that island bearing the mark of Their High Mightinesses and the Honourable Company; about which Bagindo Maharaja Lelo comes to complain in his aforesaid letter, and which has driven the Natal people even more into arms, to the extent that they have secretly let me know that if we wished for the present to take possession on the other side of the river, it would be pleasing to them; which, although I consider it not yet to be the time before that place is abandoned by the English, our force on this Coast not permitting such, sending him provisionally a flag with the request to hoist it above his house as a sincere and faithful friend of the Dutch Company, ostensibly in his name, and to defend it as being powerful enough; to refrain from this, however, upon the relief of the 50 enlisted common soldiers (which I humbly request Your Right Honours may be granted), if deemed fit, to proceed thereto, and furthermore to profit from the good mood of those most northern peoples, in my journey to be undertaken further thither, bringing them back under their Protector, the Honourable Company, making treatment of them pleasant, to revive the exclusive flourishing trade thereto; for which, having implored God for a good outcome, together with His precious blessing upon the illustrious persons of Your Right Honours, it only remains for me to testify that I am with sincere zeal, Right Honourable, Valiant, Highly Esteemed Lord and Well-born Lords, Your Right Honourable, Valiant, Highly Esteemed Lordships' obedient and most humble servant, was signed: F. P. van Herzeele Padang on Sumatra's West Coast, the 20th of April 1755.
Dutch transcription
203 Van Sumatras West Cust den 20. April 1755. Van Sumatras West Cust den 20:' April 1702 en verders te profiteeren van de goede luijm opgesloten in haar fortje, de hardiese niet dier meeste noorder volkeren, in mijne na dervende gebruyken, aan de overzijde der rivier derwaarts te doene alis onder hare Beschermbeer te komen, dog door praesenten getragt de regen„ d'EComp:e weder brengende, de behandeling der„ „ten aldaar te Corrumperen, 't affront ontfangen selver aangenoem makende, de Exclusieve hebben, haar vereenig met versmading weder florisanten handel daar toe te doen herleven, thuijs gesonden is; onder uijting met de Engelse waar van Gode den goede uijtslag afgesmeekt natie niets te doen hadde, dat haar met zijnde, neffens zijne dierbare zegen over Jllustre wijnig verbittert gemaakt heeft, en haar personen van uw Hoog Edelens mij enelijk passie, den vollen teugel gevende, aan den rest te betuijgen dat met een opregte iever ben vendrig fredriksz: die onder p„lo Iaman, met /:onderstond:/ Hoog Edelen gestrengen groot Agtbaren de pitchialling de swaluw ten anker lag, niet Heer en wel Edele Heeren /:lager :/ uw Hoog Edelen alleen laten ordonneren, van daar te vertrekken, gestr: groot Agtb„rd„s gehoorsamen en onderda„ maar ook de pael met 't merk van Haar „nigsten dienaar /:was getekent:/ F: P: v: herzeele Hoog mogende en d' E Comp:e op dat Eijland staen„ /:in margine:/ Padang op Sumatras west Cust „de uijt te rusken; waar over hij Bagindo mharadja Lello, in zijn Eevengem: letteren beklag komt te doen, en de natteresen nog meer„ „der in het Harnas gejaagt heeft, tot zoo verre onderhands mij hebben laten weten, indien vooreerst possessie wilde nemen, aan de overseijde der rivier het haar aangenaam zoude zijn, 't welk alschoon vermene nog geen tijt te wesen, voor dat die plaats door de Engelsche g'abandonneert is, onse force ter deser Cust sulx niet lijdende bij pro„ „visie met een vlag hem toesendende, en versoek, die als een opregt= en trouwe Nederlandsche Comp:s vrient, boven desselfs huijs op te heijssen, quanswijs uijt zijn naem, en die als magtig genoeg zijnde, te defendeeren, zulks aff te zien, egter bij 't ontset der 50. geliste gemene militairen (:die uw Hoog Edelens nedrig versoeke te moge werden voldaan :/ zulks goed vindende daar toe te procederen, den 20: April 1755. — Javas 203 Van Sumatras West Cust den 20:' April 1755. Van Sumatras West Cust den 20. April 1755. en verders te profiteeren van de goede luijm opgesloten in haar fortje, de hardiese niet dier meeste noorder volkeren, in mijne na dervende gebruyken, aan de overzijde der rivier derwaarts te doene alis onder hare Beschermbeer te komen, dog door praesenten getragt de regen„ d'EComp:e weder brengende, de behandeling der„ „ten aldaar te Corrumperen, 't affront ontfangen „selver aangenoem makende, de Exclusieve hebben, haar vereenig met versmading weder florisanten handel daar toe te doen herleven, thuijs gesonden is; onder uijting met de Engelse waar van Gode den goede uijtslag afgesmeekt natie niets te doen hadde, dat haar met zijnde, neffens zijne dierbare zegen over Jllustre wijnig verbittert gemaakt heeft, en haar personen van uw Hoog Edelens mij enelijk passie, den vollen teugel gevende, aan den rest te betuijgen dat met een opregte iever ben vendrig fredriksz: die onder p„lo Iaman, met /:onderstond:/ Hoog Edelen gestrengen groot Agtbare„ de pitchialling de swaluw ten anker lag, niet Heer en wel Edele Heeren /:lager :/ uw Hoog Edelen alleen laten ordonneren, van daar te vertrekken, gestr: groot Agtb„rd„s gehoorsamen en onderda„ maar ook de pael met 't merk van Haar „nigsten dienaar /:was getekent :/ F: P: v: herzeele Hoog mogende en d' E Comp:e op dat Eijland staen„ /:in margine:/ Padang op Sumatras west Cust „de uijt te rusken; waar over hij Bagindo den 20: April 1755. — mharadja Lello, in zijn Eevengem: letteren beklag komt te doen, en de natteresen nog meer„ „der in het Harnas gejaagt heeft, tot zoo verre onderhands mij hebben laten weten, indien vooreerst possessie wilde nemen, aan de overseijde der rivier het haar aangenaam zoude zijn, 'T welk alschoon vermene nog geen tijt te wesen, voor dat die plaats door de Engelsche g'abandonneert is, onse force ter deser Cust sulx niet lijdende bij pro„ „visie met een vlag hem toesendende, en versoek, die als een opregt= en trouwe Nederlandsche Comp:s vrient, boven desselfs huijs op te heijssen, quanswijs uijt zijn naem, en die als magtig genoeg zijnde, te defendeeren; zulks aff te zien, egter bij 't ontset der 50. geliste gemene militairen (:die uw Hoog Edelens nedrig versoeke te moge werden voldaan:/ zulks goed vindende daar toe te procederen, Javas en
English
From Java's East Coast, the 17th of June 1755. From Java's East Coast, the 17th of June 1755. Batavia To His Excellency, the High Noble, Right Honourable Lord, Jacob Mossel, General of the Infantry in the service of the State of the United Netherlands, as well as Governor-General on behalf of the same and of the General Chartered East India Company, and the Right Noble Lords Councilors of the Netherlands Indies, etc., etc., etc. High Noble, Severe, Right Honourable Lord and Right Noble Lords. I have the honour to congratulate Your High Nobilities on the capture of Cadierie, which surrendered to us on the 1st of this month without a single blow under the command of the merchant Breton; Singosarie having taken flight to Siringat, where he was also about to be pursued and routed, which I hope will be of desired success and bless the advance of our troops, which has been undertaken today both by the Sultan and Major Steenmulder, after having previously, in deep humility, invoked the Lord's fearsome name for His precious blessing upon the Company's arms and military force in the encampments, as was also done at the main office of Samarang and at the subordinate residencies during the customary prayer hours by the comforters of the sick. For which reason, pursuant to the esteemed permission of Your High Nobilities, I also resolved to set out on my journey to the eastern salient yesterday afternoon with only sixteen dragoons and the ordinary retinue via Japara, where I arrived today by water at eight o'clock and encountered the regents of Damak. While speaking with me in the presence of the resident about agriculture, etc., they promised that, notwithstanding the general shortage of horned cattle and the well-known depopulation of their villages, they would nevertheless do their best for the delivery of rice in proportion to their contingent. I had the fort examined by Captain Hertzogenraad, Secretary Fockus, and Cornet Laugier, and found it solid, strong, and well completed according to Your High Nobilities' project and plan, though a few pieces of ordnance are still lacking there, which upon my return to Samarang I shall take the liberty of petitioning from Your High Noble, Right Honourable Lordships. And replying for the present to their revered missive of the 29th of May past, I request that the elephant on hand, although a female, may be sent over as soon as possible, since the Sultan, with whom I spoke about this matter, has requested me not only to obtain the same as quickly as possible, since that would inspire great awe among the common people, but also that, should it please Your High Nobilities, a male might be procured for him to make a pair thereof, as a token of Your High Nobilities' great affection toward this place; as is evident from his annexed letter, wherein he expresses his gratitude for the trumpeters and also communicates his aforementioned advance; having, upon his departure for Ganti, left his son the Pangerang Adepattij behind in the Mattaram to keep an eye on things there while he is on the march. I shall proceed with the journey from here overland the day after tomorrow, and thus as it were form the fourth column. Meanwhile, I remain with deep high esteem and reverence, underneath stood: Your High Nobilities' completely obedient, very humble servant, was signed: N. Hartingh, in the margin: Japara, the 17th of June 1755. Souratta In Souratta and its surrounding areas, twelve thousand canassers of sugar can be traded annually at good prices, but the supply from Bengal, China, and the Manillas, which grows daily, is spoiling the market. The sugar from the Mallabaar is mostly transported to Ketsmandue, which likewise hinders the trade of Souratta, and notwithstanding all this supply, we have nevertheless sold 14,000 canassers this year. But that which causes us the greatest embarrassment is the Island of Mauritius, where the French have established a new sugar plantation, which is cultivated by 800 Negroes, from whose cultivation this year [illegible] High Noble, Right Honourable, Far-Ruling Lord and Right Noble Lords. To His High Nobility, the High Noble, Right Honourable, Far-Ruling Lord, the Lord Jacob Mossel, Governor-General, together with the Right Noble Lords Councilors of the Netherlands Indies, Batavia.
Dutch transcription
205 Van Javas oost Cust den 17. Junij 1755. — Van Javas oost Cust den 17. Junij 1755. Batavia Aan zijn Excellentie, den Hoog Edelen groot agtbaren Heere, Jacob Mossel Generaal over d' Jnfauterie ten dienste van den staat der vereenigde Nederlanden mitsg:s wegens deselve end' generale g'octroij„ eerde oost Jndische Comp: Gouverneur Generaal en De Wel Edele Heeren Raden van Nederlands Jndia Etc: Etc:a Etc:a Hoog Edelen, gestrengen, Groot Achtbaren Heere en De wel Edele Heeren. — Ik heb de eer uw Hoog Edelens te feliciteeren met de verovering van Cadierie, 't welk den 1„e deser sonder slag of stoot onder Commando van den koopman Breton aan ons is overge„ „gaan, hebbende singosarie de vlugtgenomen na Siringat, alwaar hij ook stond vervolgt en opgeslagen te worden, 't geen Jk verhoop dat van gewenscht succes zal wesen, en gezee„ „gent den opmarsch onser troupes, welke heeden„ soo wel door den sulthan als majoor steenmul„ „der na alvoorens in de campementen, gelijk ook ten hoofd Comptoir Samarang en op de subalterne residentien in de gewoone beede uuren door de krankbesoekers geschiet, des Heeren gedugten naam om zijnen dierbaren zeegen over 's Comp„s wapenen en krijgsmagt, in een diepe verootmoediging aangeroepen te hebben, is ondernoomen, alwaerom ik ook geresolveert heb eenlyk met sestien dra„ „gonders en het ordinair gevolg gisteren nademid„ „dag ingevolge d' g'eerde permissie van uw Hoog Edelens mij opreijs te begeeven na den oosthoek over Japara, alwaar ik heden over water ten agt uuren ben g'arriveert en gerencontreert heb de regenten van Damak, die mij met haar over den landbouw &„a spreekende in praesentie van den resident beloofd hebben onaangesien het al„ „gemeene gebrek aan hoornvee en de bekende volkeloosheijt harer negorijen egter hun best te sullen doen tot de rijst leverantie na mate van haer contingent. Het fort heb ik door den Capitain Hertzo„ „genraad, secret„s fockus, en cornet Laugier laten examineeren en volgens uw Hoog Edelens project en plan hegt, sterk en wel voltooijt bevonden, koomende daar aan nog eenige stukken te manqueeren, die ik bij mijn retour op Samarang de vrijheijd neemen zal van uw hoog Edele, Groot Agtbare, te petitioneeren, en voor tegenwoordig beandwoordende derselver gevenereerde missive van den 29. maij passato, versoeke dat de aanhanden hebbende oliphant schoon een wijfje) soo dra mogelijk mag overseereden overgesonden worden, nademaal den zulthan, die ik deswegen onderhouden heb, mij versogt heeft dezelve niet alleen soo schielijk mooglijk Heeren te 2 Zeel 207 Van Javas oost Cust den 17. Junij 1755. Van Souratta den 27. April 1755. — te mogen bekomen, vermits dat een groot ontzag bij het gemeen soude verwecken maar ook dat hem, indien uw Hoog Edelens sulx mogte gelieven, een mannetje mogte werden bezorgt, om een paar daar van te maken ten teeken van uw Hoog Edelens groote genegent¬ „heijt te herwaarts, invoegen consteert bij desselfs annexe brieff, waar in zijne dankbaar„ „heijt voor de trompetters te kennen geeft en ook bedeelt desselfs opmarsch voorsz:; heb„ „bende zijn zoon den pangerang adepattij bij zijn vertrek na Ganti in de Mattaram agter gelaten om aldaar een oog in't zeijl te houden, terwijl hij in aantogt is. zullende ik overmorgen de reijs van hier te land vervorderen en dus als 't waere de vierde colom formeeren ondertussen noeme mij met diepe hoog achting en reverentie /:onderstond:/ uw Hoog Edelens gantsch gehoor„ „samen seer onderdanige „ dienaar /:was getekent/ N„s Hartingh /:in margine:/ Japara den 17. Junij 1755. — Souratta Op souratta en desselfs omleggende plaatsen kan Jaarlijks voor goede Prijsen, twaalf duijsent Cariassers suijker vernegotieert werden, maar den aanbreng van Bengalen, China, en de Mhanilles, die dagelijks aangroeijt, bederft= de Markt, de suijker van de Mallabaar werd meest vervoert na ketsmandue, 't geen den vertier van Souratta almeede stremt, en niet tegenstaande alle dese aanbreng so hebben wij deesen Jaare 14000. Canassers om„ „geset, maar het geene ons wel het meeste verleegen maakt, is 't Eijland Mauritius daar de fransche een nieuwe suijker plantagie hebben aangelegt, die door 800 Negers geculti„ „veert werd, van welker Cultuure deesen Hoog Edel Groot Agtbaare wydgebiedende Heer en wel Edele Heeren. Aan zijn Hoog Edelheijt, Den Hoog Edele groot Agtbaare wijdgebiedende Heere Den Heer Jacob Mossel Gouverneur Generaal „ Benevens De wel Edele Heeren Raaden van Nederlands Jndia, Batavia Jaare G geeu
English
From Surat the 27. April 1755. From Surat The 27. April 1755. year a large quantity is to be sent, the said nation has discovered an iron mine on the same island, from which 3500. lb is smelted daily, which mineral is likewise to be sent to this place. These two articles are of too great importance and merit your Right Honourables' wise reflection. In our humble opinion there is nothing else to be done in this matter than to flood Surat with sugar to such an extent that the low prices will deter everyone; if this lasts for two consecutive years, they will certainly be forced to seek an outlet elsewhere, otherwise it is to be feared that the supply from Mauritius will be altogether ruinous for Batavia, because they have the advantage of being able to be at Surat much earlier, and thereby will place the market in disarray. And in order for the matter of trade to succeed according to your Right Honourables' esteemed intention, affairs have been so arranged through various channels that the Souba of Sind has sent an envoy and confidant to me, as appears from the accompanying translation marked No 1. I add hereto a plan which shows what kind of goods can be sold there. The junior merchant Sanderus, proficient in the native language, has requested to be employed in that commission, as appears from the accompanying petition No 2. We have no choice, because a man proficient in languages is necessarily required there. The English have a trading post there, and have already done much to keep us away from there, but in vain. Now our request is to be qualified to establish a trading post there as well, so that trade may be expanded more and more. The Governor of Bombay, seeing that all means employed to dislodge us from Bassein were fruitless, yet wishing to give himself some relief, wrote to the ministry of the English here that the Dutch flag would never fly over Bassein; but how far that is from the truth appears from the accompanying appendices under No 3, the contents of which are of much speculation, as they reveal the character of Mr. Bourchier, who, being a dupe, seeks companions on all sides, and also shows in what substantial condition our affairs stand. We also have friends at court who continually keep the correspondences lively, and let no opportunity pass by to show the prince that commerce is the only means to make a country rich, and that there is no greater Company in the world than the Dutch. Our agent Kroonenbergh is very attentive and lets no moment slip by to be active against the English. I hope that your Right Honourables' goodness will reward his zeal, and honor his Honour with the post of junior merchant, when there is hope that this blessed beginning
Dutch transcription
209 Van Souratta den 27. April 1755. — Van Souratta Den 27. April 1755. — d Jaare een groote quantiteijt staat gesonden te werden, gem: Natie heeft op 't selve Eijland een ijsere meijn ondekt, daar dage„ „lijks 3500. lb van gesmolten werd, welk mi„ „neraal almeede na deese plaats staat te werden gesonden, deese twee articuls sijn van al te veel aangeleegentheijt, en meriteeren uwer Hoog Edelheedens wijse reflectie, na ons gering ge„ „voelen is in deesen niet anders te doen als souratta sodanig te vervullen met suij„ „ker dat de laage prijsen een ijder afschrikken, wan„ „neer sulx twee agter een volgende Jaaren duurt, sullen sij wel genoodsaakt werden elders eenen uijtweg te soeken, anders staat het te dugten dat den aanbreng van Mauritius ten eenemaal „ruineus sal weesen voor Batavia, wijl zij in haar voordeel hebben veel vroeger op Souratta te kunnen weesen, en daar door de markt sullen stellen gedesoetigheijt; En om „ 't stuk van den handel na uw Hoog Edelheedens g'eerde intentie te slagen, so sijn door diverse Canalen de saken sodanig geschikt dat den souba van cint, een afgesant en vertrouweling aan mij heeft gesonden, blijkens nevensgaande Translaat gecoteert N„o 1, voege hier bij een Plan 't geen aantoont wat voor goederen daar kunnen werden vertiert, den onder„ „coopman Sanderus de Jnlandsche Taal magtig, heeft versogt in die commissie gebruijkt te werden, blijkens neevens gaande Request N„o 2. wij hebbe geen keure, wijl daar noodsakelijk een Talkundig Man vereijscht werd, d' Engel„ „sche hebben aldaar een Comptoir, en hebben bereets veel gedaan om ons daar van daan te houden, dog te vergeefs, nu is onse Beede gequalificeerd te werden, daar almede een Comptoir op te regten, op dat den handel meer en meer uijtgebreijd werd; Den Heer gouverneur van Bombaij, alle aangewende middelen vrugteloos siende om ons van Bassijn te doen delogeeren, egter sig een relief willende geeven, schreef aan 't ministerium der Engelsche alhier, dat nooijt de Hollandsche vlag op Bassijn soude waijen, maar hoe verre het daar van daan is, blijkt uijt de nevensgaande bijlagen onder N„o 3., welker inhoud van veel speculatie is, door dien ontdekt 't Caractoir van den Heer Bour„ „chier, die duppe zijnde, aan alle kant Confraters soekt, mitsg„s aantoont, in wat wesentlijk„ „ke termen onze zaaken staan; Ook hebben wij vrinden aan 't Hoff die geduurig levendig houden de correspondentien, en geen occasie laaten voor bij gaan, om den vorst te ver„ „toonen dat de negotie 't eenigste middel is om een land Rijk te maken, en dat er geen grooter Comp:e in de waereld is, als de Hollandsche, onsen Commissiant kroonenbergh is zeer oplettend en laat geen moment ontslippen, tegens de Engelsche in de weer te weesen, hoope dat uw Hoog Edelheedens goedheijt zijnen ijver zal beloonen, en zijn E: vereeren met de Plaats van onderkoopman, wanneer der hope is dat dit gesegent een beginsel Le
English
From Surat, the 27th of April 1755. beginning will reach a fortunate end; the prices and profits obtained at this place are attached hereto under No. 4 and will show Your High Mightinesses the weight thereof, just as this is also accompanied by the samples of manufactured goods, with the prices noted under each swatch; we have indeed tried to negotiate something more for them, but have received no further answer than can be seen in the copy of the letter under No. 5, which also shows that the British have annually sold two thousand bales of manufactured goods there, besides all other European and Oriental goods, of which I am as yet only partially informed, and insofar must judge from the reports of others who estimate the British trade at Bassein at three million guilders annually; and if Your High Mightinesses please to consider the noted prices of copper at Bassein, one third of the total will be found in this item, if Your High Mightinesses please to have the goodness to send one million pounds of that mineral for Bassein, and another million pounds for Surat, where today the mint is again in operation (notwithstanding all the intrigues of the English), through which copper is turned into cash money and causes very great satisfaction in trade; the extraordinarily large demand for this mineral still continues; the copper pice are no sooner struck than the merchants' carts seem to block the mint house, so that Your High Mightinesses cannot send too much of that mineral. The English have sent a new chief here this year, named Ellis, the same who was chief of Basra at the time when Resident Kniphausen had to undergo all that cruel ignominy; they flatter themselves that his intrigues will outwit the Dutch, but for Your High Mightinesses' peace of mind, the fellow has been found out, which is a great gain in politics; he exerts himself enough, but nevertheless must see before his eyes that the English ships remain lying empty, and that we have freighted two ships, Bloemendaal for Mocha, and a private Moorish ship, the Mamoedi, alongside two more Moorish ships for Basra and Jeddah, which has caused the administration at Bombay to resolve henceforth not to grant passes (according to old custom) to Moorish ships, and at the same time to equip the Bombay Frigate, carrying 26 pieces of cannon, with orders to force the Moorish ships upon their return to steer for Bombay and mint their money there; now we could well (following the example of the English) have rendered their entire undertaking completely illusory at once by granting protection and placing a Dutch captain aboard them, provided with a passport and flag, but this would have deprived the ship Bloemendaal of the money that today has entirely been contracted to be shipped in the said vessel, which will make that voyage very considerable for the Honorable Company and will cause the scarcity of money here to cease. From Surat, the 27th of April 1755. The Sidi Havildar Massoetchan has repeatedly applied for cannon firing 6-pound balls, but I have continuously refused that request; the said Sidi coming to pay me a visit in the Honorable Company's garden at Attuwa requested it anew, but I informed him that the Honorable Company's cannon had been sent for no other purpose than to equip the hooker De Jonge Jacob, and that consequently I had no authority to deliver the same to anyone; whereupon the said Sidi replied, then I request that you send a memorandum for me to Batavia, in which my demand is stated; I served him with the reply that a convention had been concluded between all Christian powers, in which it was stipulated henceforth not to deliver cannon, bombs, or bullets to any natives under any pretext; well, the Sidi continued, why then do the English at Bombay continually give all kinds of munitions of war to Angria? I responded that if this came to the ears of His Majesty the King of Great Britain, the Governor of Bombay would surely be called to severe account, and that our friendship was far too sincere for him to want or desire that I should fall into disgrace with my high and lawful superiors, with which statement, in the gentlest manner, he seemed to be content. The said Sidi has fulfilled his promise and ensured that our prisoners have been released from the hands of Angria; the deputies of Angria have been here and declared that our prisoners had allegedly said that even if those of Surat would not send money for their ransom, money would immediately be sent from Batavia; but the Sidi, instructed by me, replied that for the ransom of their prisoners the Dutch were never accustomed to spend more than a soldier his sword and a sailor his knife, but nevertheless, out of friendship for the Dutch, he was willing to make a present from his own means of some pearls to the value of Rs. 10,000, through which present we have ransomed the prisoners, consisting of [illegible] officers and [illegible] common men; many of those poor people have died of want and misery, notwithstanding that I had sent them Rs. 2,000 in gold ducats. It seems as if the burning of the Dutch ships was the highest peak of Angria, as appears from copies of letters Nos. 9 and 10, for Prince Nana, upon the request made by me, demanded our prisoners from the very beginning, but Tulaji Angria was so arrogant as to reply that they cost him too much money.
Dutch transcription
211 Van Souratta den 27. ' april 1755. — Van Souratta den 27. april 1755. — beginsel een gelukkig eijnde zal erlangen; de Prijsen en behaalde winsten op deese plaats gaan hierneevens onder N„o 4. en sullen uw Hoog Edelheed„s het gewigt daar van aantoonen, gelijk almeede deesen verseld de monsters der manufactuuren, onder ieder staaltje genoteert de Prijsen, wij hebben wel getragt iets meerder daar voor te bedingen maar hebben geen nader antwoord ontfangen als bij Copia missive te zien is, onder N„o 5. 't geen teffens aantoont dat de Britten Jaarlijks twee duijsent Balen manufactuuren aldaar verdebiteert hebben, behalven alle andere Europeesche en orientaalsche goe„ „deren, waar van nog maar gedeeltelijk onderregt, en bij so verre uijt de rapporten van anderen moet oordeelen die den handel der Britten te Bassijn op drie millioenen guldens Jaarlijks begrooten, en als uw Hoog Edelhedens de genoteerde Prijsen op Bassijn van't kooper gelieft te considereeren sal een derde van het facit in dit articul gevonden werden, wanneer uw Hoog Edelheedens de goedheijt gelieft te hebben, van dat Mineraal Een milioen Ponden voor Bassijn te senden, en Een ander Millioen Ponden voor souratta, daar heeden de Munt weeder aan de gang is /:niet teegenstaande alle de menees der Engelsche:/ waar door het kooper tot Contant geld is gemaakt, en seer veel aange„ „naamheijt veroorsaakt in den Handel, den onge„ „meenen grooten vertier van dit mineraal blijft nog al Continueeren; de koopere Peijsen zijn zo dra niet geslagen, of de karren der kooplieden schijnen de munt plaats te blocqueeren, so dat uw Hoog Edelheedens van dat mineraal niet te veel kunt senden. D' Engelschen hebben deesen Jaare een nieuw opperhoofd alhier gesonden, in naame Ellis, den selfden die opperhoofd van Bassoura was, ten tijden als den resident Kniphausen alle die cruelle ignominie heeft moeten ondergaan, sij belooven sig, dat zijne intriques de Hollanders sullen verkloeken, maar tot uw Hoog Edelheedens gerustheijt, de knaap is ontdekt, 't geen in 't Politicque veel gewonnen is, hij geeft zig bewee„ „ginge genoeg maak tal egter moet voor sijn oogen sien dat de Engelsche scheepen Leedig blijven leggen, en dat wij twee scheepen bevragt hebben, voor Mocha Bloemendaal, en Een particulier Moorsch schip de Mamoedi, neevens nog twee Moorsche scheepen voor Bassoura en Jedda, 't geen het Ministerium op Bombaij heeft doen besluijten om voortaan geen passen te geeven, /:na oude ge„ „woonte:/ aan de Moorsche scheepen en teffens doen Equipeeren, De Bombaij Fregat, voerende 26. p„s Canon, met order om de moorse scheepen bij retour te dwingen na Bombaij te steevenen, en haar geld aldaar te vermunten, nu konde wij wel /:na 't Exempel der Engelsche :/ haare gantsche onderneeming illico Jllusoir gemaakt hebben, door 't geeven van Proftextie, en het daar op Plaatsen van een Hollands Capitain, voor„ „sien met Paspoort en vlag maar dit zoude gefuistreert hebben het schip Bloemendaal van het geld, dat heeden altemaal in gem: Boodem gecontracteert is aftelaaden, 't geen die reijse seer aansienelijk zal maaken voor d' EComp:e en de schaarsheijt van geld alhier zal doen cesseeren. D' De Hee 213 Van Souratta den 27. April 1755 Van Souratta den 27. April 1755. — De Siedie Havis Massoetchan heeft diverse reijse aansoek laaten doen, om Canon van 6. lb Bals, maar ik hebbe telkens dat versoek van de hand geweesen, gem: siedie mij een besoek koomende doen, in d'EComp:e Thuijne op attuwa, ver„ „sogt daar om op nieuws, maar gaff hem te kennen, dat d'E Comp„e Canon nergens toe„ „gesonden was, als om den Hoeker de Jonge Jacob t' Equipeeren, ik gevolglijk geen magt had deselve aan iemand af te geeven, waar op gem: Liedie repliceerde, dan versoeke een Memorie voor mij naar Batavia te senden bij welken mijnen Eijsch bekent staat, ik diende dat 'er een Conventie was geslooten tusschen alle de Christene Mogentheeden, bij welke gestipuleerd was, voortaan aan geen Jnlanders, Canon, Bomben, koogels, onder wat Pretext af te geven, wel vervolgde de siedie waar om geeven dan de Engelsche op Bombaij bij Continuatie aan den Angria alle soorten van ammunitie van oorlog, ik respondeerde dat bij aldien sijn Majesteijt de kooning van Groot Brittagne dit ter ooren kwam, sekerlijk den Heer gouverneur van Bombaij een swaare verantwoording op den Hals zoude haalen, en dat onse vrindschap veel te opregt was, als dat hij zou willen of begeeven dat ik in ongenade sou komen te vervallen bij mijne Hoog en wettige overheijt, met welk gesegde op de alles sagste wijse hij scheen sig te laaten vergenoegen. gedagte siedie heeft aan zijn belofte voldaan en besorgt dat onse gevangens uijt handen van den Angria verlost zijn, de gemag„ „tigdens van den Angria sijn hier geweest, en hebben verklaart dat onse gevangens zoude gesegt hebben, dat bij aldien die van Souratta al geen geld wilde senden voor haare Lossing, van Batavia aanstonds geld soude werden gesonden, maar de Liedie door mij onderregt diende ten antwoord dat de hollanders voor lossing van haare gevangens nooijt meer gewend waar te teeren, als een soldaat sijn deegen, en een Mattroos sijn mes, maar egter dat hij uijt vrindschap voor de Hollan„ „ders van zijn eijgen wel wilde eenige Paarlen present doen ter waarde van Ro/a 10000. – door welk present wij de gevangent hebben gerantsonneert bestaande in - . . - - officiers en. . . . . gemeene, veele van die arme Menschen zijn door gebrek en Elende gestorven, niet tegenstaan„ „de ik haar Ro/a 2000: aan goude Ducaten heb laaten besorgen; 'T schijnt of 't verbrande der Hollandsche scheepen de hoogste Periode is geweest van den Angria, blijkens Copia Missive N„o 9. en 10. „ want de vorst Nanna op mijn gedaan versoek, heeft onse gevangens al van den beginne op geeijscht, maar solladje Anguia was so hoogmoedig van ten and„ „woord te dienen, datse hem te veel geld kosten gedagte Heee Nol.
English
215 From Souratta, the 27th of April 1755. From Souratta, the 27th of April 1755. to surrender them just like that. The prince Nanna, irritated by this, demanded anew the prisoners, along with four castles. The Angria did make submission, and offered the prisoners along with a large sum of money, but the prince demanded the evacuation of his entire land, and immediately fell upon the Angria with the force of his arms. How far the same has advanced appears from the accompanying copy of the missive under No 10. The prince will not rest until all the Angrias are in his power, whereupon, following the example of Bassijn, he will even equip fleets. Fortunate is the Honourable Company in this, which will have a lasting peace with that prince, as his armada will be considerably more formidable than all the pirates combined. Herewith I send a copy translation of the granted Perwannas, by which we are permitted to finish the stone revetment, and the construction of two pieces of new houses under No 7 and 8. The Sayyids and priests, seeing that our work was progressing, and that their intrigues found no acceptance, devised a new scheme and advised Safderchan, governor of the city, to make a new durbar, in order by this means to leave a name to posterity, under the pretext that all governors had done so. The Governor followed this advice and is actually busy with it, whereby the priests have found occasion to trouble us constantly, under the pretext that the Governor needs our masons and stonecutters, which halts the work in its progress, for they press the craftsmen. But we have demonstrated the unreasonableness of this, as being contrary to the granted Perwanna, which to some extent puts a stop to these indirect machinations, and we hope under God's blessing to have everything in readiness before the year 1756. Daily 7 to 800 men work on it. It is a structure that everyone marvels at. The southwest side, where the water is very deep and washed away as much as 80 feet, will alone cause more expense and trouble than all the rest. Just now the Sidi sends our brokers and informs us that the Angria had detained three of our prisoners, the skipper, a lieutenant, and the chief surgeon, which three prisoners the Angria declared he would detain until a lasting peace and friendship is concluded between him and the Honourable Company, which peace he 217 From Souratta, the 27th of April 1755. From the East Coast of Java, the last of June 1755. Angria offered under a humble plea to forgive and forget what has passed. We have accepted the offered peace proposal, and promised to write to Batavia about this, under this special restriction that we, as subordinate ministers, had no power to make peace with anyone unless authorized by Your High Noble Honours, consequently the ratification of Your High Noble Honours was our law, and that our word and seal were pledged only to that extent, and beyond that we were held to nothing. Our desire to obtain the prisoners and the bark from the hands of the Angria has forced this step upon us. We await Your High Noble Honours' esteemed orders regarding both matters. The example of Algiers and Tripoli etc. etc. etc., which are much smaller pirates and vassals of the Grand Signior, came into our consideration, as well as the fact that Tolladja Angria, a sovereign prince, himself offers and beseeches peace and friendship. The 36 pieces of released prisoners who arrived here have brought us a letter, a copy of which accompanies this under No 11. Wherewith we take the liberty of commending Your High Noble Honours to the divine protection of the Almighty, and we remain with the deepest respect, at the bottom, High Noble, Greatly Esteemed, Wide-Commanding Lord and Right Honourable Lords, lower, Your High Noble Honours' humble servants, was signed: Jn De Roth, and Jn Drabbe, in the margin: Souratta, the 27th of April 1755. After I had the honour, in humble letters of the 16th of this month, to inform Your High Noble Honours, among other things, of the completion of the fort at Japara, which may rightly be called the unconquerable mountain, I continued my journey on the 18th thereafter through the lands of Coedus and Pattij to Joana etc., where the resident Meerman, being busy collecting lime and stones, which to fetch from elsewhere would run too high in cost, will finally under the supervision of Engineer Mandre, in accordance with Your High Noble Honours' revered authorization by missive of the 6th of December of the past year, make a beginning with the curtain wall undertaken by him, in the hope that he then also High Noble, Stern, Greatly Esteemed Lord and Right Honourable Lords! Batavia To His Excellency, the High Noble, Greatly Esteemed Lord Jacob Mossel, General of the Infantry in the service of the state of the United Netherlands, as well as Governor-General on behalf of the same and the General Chartered East India Company, and the Right Honourable Lords Councillors of the Netherlands Indies, etc. etc. Java's East Coast
Dutch transcription
215 Van Souratta den 27. April 1755. Van Souratta den 27. April 1755. — om se so maar over te geeven, Den vorst Nanna hier over geriteert Eijschte op nieuw de gevangens, nevens vier Casteelen, den Angria quam wel in ^neevens submissie, en presenteerde de gevangens een groote somme gelds, maar de vorst Eijschte ruijming van zijn gantsche land, en viel den Angria aanstonds op het lijff met de magt zijner wapenen, hoe verre deselve gevordert is, blijkt uijt de neevensgaande copia missive onder N„o 10. — Den vorst zal niet rusten voor dat alle de Angrias in zijne magt zijn, wan„ „neer, na 't exempel van Bassijn, selfs vloo„ „ten sal Equipeeren, gelukkig d'EComp:e in deesen, die een bestendige vreede met dien vorst sal hebben, wijl sijn armade vrij wat ontsagelijker sal wesen, als alle de Roovers te saamen. Hier neevens zende copia Translaat der verleende Perwannas, bij welke ons geper„ „mitteert werd de steene Beschoeijing te absolveeren, en het aanmaken van twee p„s nieuwe Huijsen onder N„o 7. en 8. De saijets en Papen, siende dat ons werk voortging, en dat haare Jntriques geen in„ „gang vonden, bedagte een nieuwe vond en rade Safderchan, stads Gouverneur, een nieuwe vond, en rade Safderchan stadt Gouverneur een nieuwe dherbaar te maaken, om door dit middel aande nakomelingschap een Naam natelaaten, onder voorgeeven dat alle gouverneurs sulks gedaan hadden, den Gouverneur heeft desen Raad gevolgt en is werkelijk beesig, waar door de Papen occasie hebben gekreegen van ons geduurig te vermoeijlijkken, onder pretext dat den Gouverneur onse Metse„ „laars en steenhouwers nodig heeft, 't geen het werk in desselfs voortgang stuijt, want sij pressen de Ambagts„ lieden, dog wij hebben de onreedelijkheijt hier van aangetoont, als strijdig met de verleende Perwanna, 't geen die indirecte Menees, eeniger maaten doet ophouden, en wij hoope onder Godes zeegen voor het Jaar 1756. alles in gereedheijt te hebben, daar werken dagelijks 7. â 800: man aan, 't is een gevaarte daar sig een ijder over verwondert, de Z: W: kand daar het water heel diep is, en wel 80: voet afgespoeld, sal alleen meer kosten en moeijte geeven als alle het overige; so aanstonds send de Siedie onse Makelaars en maakt ons bekent dat den Angria drie van onse gevangens had aangehouden, de schipper een Lieutenant, en den oppermeester, welke drie gevangens den Angria verklaarde soo lange te sullen aanhouden tot dat tusschen hem en d'E: Comp„e een bestendige vreede en vrindschap geslooten is, welke vreede hij nakomelingschap Angria tol. 217 Van Souratta den 27. April 1755. — Van Javas oost Cust den ult„o Junij 1755. Angria aanbood onder een needrige Beede het gepasseerde te willen vergeeven en ver„ „geeten, wij hebben de gedaane aanbieding van vreede geaccepteert, en belooft hier over te schrijven na Batavia, onder dese speciale cestructie dat wij als subalterne Ministers geen vermogen hadden om met ijmand vree„ „de te maken ten zij door uw Hoog Edel„ „heedens gequalificeert, consequentelijk de crati„ „ficatie van uw Hoog Edelheedens onse wet was, en dat wij in so verre ons woort en zegul passeerde en buijten dien nergens aangehouden waaren. Onse begeerte om de gevangens en Barcq uijt handen van den Angria te verkrijgen, heeft ons deese pas afgedwongen, wij verwagten op 't een en ander uw Hoog Edelhedens g'eerde ordre, 't Exempel van Algiers en Tripoli &c:a &c:a &c:a dat veel kleijnder Roovers zijn, en vasallen van den grooten Heer, quam bij ons in consideratie, als mede de Tolladja Angria een souverain vorst de vreede en vrindschap selfs aanbied en afsmeekt De alhier aangekoomene 36. p„s verloste gevangene hebben ons een Brieff mede gebragt, welker Copia deesen verseld onder N„o 11. — Waar mede wij de vrijheijt neemen uw Hoog Edelheedens in de divine Protextie des alderhoogste bevelende, so verblijve wij met het diepste ontsag /:onderstond:/ Hoog Edel Groot Agtbaar wijd gebieden„ „de Heer en wel Edele Heeren /:lager:/ uw Hoog Edelheedens onderdanige Dienaaren /: was getekent:/ J:n De Roth, en J„n Drabbe /:in margine:/ Souratta den 27. April 1755 Na dat ik de eer had uw Hoog Edelens bij submissie letteren van den 16. ' deser, onder anderen ook te bedeelen, de voltooijing van het fort tot Japara dat met regt genoemt mag worden den onoverwinlijken berg, heb ik den 18: daar aan door den landen van coedus en Pattij mijn reijs vervordert tot na Joana ensz: al„ „waar den resident Meerman bezig zijnde met de versameling van kalk en steenen, die van elders te haalen, te hoog op stok souden loopen, eijndelijk onder het opsigt van Jngenieur Mandre, ingevolge uw Hoog Edelens gevenereerde qualificatie, bij missive van den 6. Jber: a„o pass„o, een begin zal maken met de bij hem aangenoome ring„ muur, op hoope dat hem als dan ook Hoog Edelen, gestrengen, groot Achtbaeren, Heere en wel Edele Heeren! Batavia Aan zijn Excellentie, den Hoog Edelen - Groot Achtbaeren Heere Jacob Mossel Generaal over de Jnfanterie ten dienste van den staat der vereenigde nederlanden, mitsg„s wegens dezelve ende Generaele g'octroijeerde oost Jndische Compagnie Gou„ „verneur Generaal en de wel Edele Heeren Raaden van Nederlands Jndia &:a &:a fe:r Javas O„t C„t na &